Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
25 APRIL 2014. - Decreet betreffende de omgevingsvergunning (NOTA : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij DVR2019-04-26/31, art. 134-150, 015; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-10-2014 en tekstbijwerking tot 12-07-2024)
Titre
25 AVRIL 2014. - Décret relatif au permis d'environnement (NOTE : art. 2 ; 6 ; 14/1 ; 82 ; 82/1 ; 105 ; 111 ; 112 modifiés avec effet à une date indéterminée par DCFL2019-04-26/31, art. 134-150, 015; En vigueur : indéterminée ) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 23-10-2014 et mise à jour au 12-07-2024)
Documentinformatie
Numac: 2014036510
Datum: 2014-04-25
Info du document
Numac: 2014036510
Date: 2014-04-25
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen
Afdeling 1. - Toepassingsgebied en definities
Afdeling 2. - Vergunnings- en meldingsplicht
Afdeling 3. - Projectvergadering
Afdeling 4. [1 Aanwijzing gemeentelijke, provin...
Afdeling 5. - Omgevingsfonds en dossiertaksen
Afdeling 6. - Administratieve lus
Afdeling 7. - Rapportage naleving beslissingste...
Afdeling 8. - [1 Digitalisering]1
HOOFDSTUK 2. - De vergunningsprocedure in eerst...
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Onderafdeling 1. - Overheden die bevoegd zijn v...
Onderafdeling 2. - Omgevingsvergunningscommissie
Onderafdeling 3. - Soorten vergunningsprocedures
Afdeling 2. - Gewone vergunningsprocedure
Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volled...
Onderafdeling 2. - Onderzoek van het project
Onderafdeling 2/1. [1 Beroep tegen de besli...
Onderafdeling 3. - Beslissing over een vergunni...
Afdeling 3. - Vereenvoudigde vergunningsprocedure
Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volled...
Onderafdeling 2. - Onderzoek van het project
Onderafdeling 3. - Beslissing over een vergunni...
Onderafdeling 4. - Aanvulling of wijziging van ...
HOOFDSTUK 3. - De vergunningsprocedure in laats...
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 2. - Beroepsprocedure
Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volled...
Onderafdeling 2. - Onderzoek van het project
Onderafdeling 3. - Beslissing over het ingestel...
HOOFDSTUK 4. - Duur van de omgevingsvergunning
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 2. - Bijzondere bepalingen voor omgevi...
Onderafdeling 1. - Omgevingsvergunning op proef
Onderafdeling 2. - Hernieuwen van de omgevingsv...
HOOFDSTUK 5. - Kenmerken van de omgevingsvergun...
Afdeling 1. - Voorwaarden en lasten die verbond...
Onderafdeling 1. - Voorwaarden
Onderafdeling 2. - Lasten
Afdeling 2. - Zakelijk karakter
Afdeling 3. - Fasering
Afdeling 4. - Regularisatievergunningen
HOOFDSTUK 6. - Het bijstellen van de omgevingsv...
Afdeling 1. - Bijstelling van in de omgevingsve...
Afdeling 2. - Bijstelling van het voorwerp of d...
Afdeling 3. - Bijstelling van de omgevingsvergu...
Afdeling 4. - Procedure voor het bijstellen van...
Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volled...
Onderafdeling 2. - Onderzoek van het verzoek en...
Onderafdeling 3. - Beslissing over het verzoek ...
Afdeling 5. - Procedure voor het bijstellen van...
Afdeling 6. - Delegatiebepaling
HOOFDSTUK 7. - Schorsing of opheffing van de om...
Afdeling 1. - Schorsing of opheffing van de omg...
Afdeling 2. - Opheffing van de omgevingsvergunn...
Afdeling 3. - Delegatiebepaling
HOOFDSTUK 8. - Verval en afstand van de omgevin...
Afdeling 1. [1 - Verval van de omgevingsvergunn...
Afdeling 2. - Verval van de omgevingsvergunning...
Afdeling 3. - Afstand van de omgevingsvergunnin...
HOOFDSTUK 9. - Beroep tegen beslissingen genome...
HOOFDSTUK 10. - Meldingen
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 2. - Meldingsprocedure
Afdeling 3. - Kenmerken van de melding
HOOFDSTUK 11. - Wijzigingsbepalingen
Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet van 28 dec...
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 26 maa...
Afdeling 3. - Wijzigingen van de wet van 18 jul...
Afdeling 4. - Wijzigingen van het decreet van 3...
Afdeling 5. - Wijzigingen van het decreet van 2...
Afdeling 6. - Wijzigingen van het Bosdecreet va...
Afdeling 7. - Wijzigingen van het decreet van 1...
Afdeling 8. - Wijzigingen van het decreet van 5...
Afdeling 9. - Wijzigingen van het decreet van 1...
Afdeling 10. - Wijzigingen van het decreet van ...
Afdeling 11. - Wijzigingen van het decreet van ...
Afdeling 12. - Wijzigingen van het decreet van ...
Afdeling 13. - Wijzigingen aan het decreet van ...
Afdeling 14. - Wijzigingen van het decreet van ...
Afdeling 15. - Wijziging van het decreet van 4 ...
Afdeling 16. - Wijzigingen van het decreet van ...
Afdeling 17. - Wijziging van het decreet van 6 ...
Afdeling 18. - Wijzigingen van het decreet van ...
Afdeling 19. - Wijzigingen van het decreet van ...
Afdeling 20. - Wijzigingen van het decreet van ...
Afdeling 21. - Wijzigingen van het Mestdecreet ...
Afdeling 22. - Wijzigingen van het decreet van ...
Afdeling 23. - Wijzigingen van het decreet van ...
Afdeling 24. - Wijzigingen van het decreet van ...
Afdeling 25. - Wijzigingen van het decreet van ...
Afdeling 26. - Wijzigingen van het Energiedecre...
Afdeling 27. - Wijzigingen van de Vlaamse Codex...
Afdeling 28. - Wijzigingen van het decreet van ...
Afdeling 29. - Wijzigingen van het decreet van ...
Afdeling 30. - Wijzigingen van het decreet van ...
Afdeling 31. - Wijzigingen van het decreet van ...
HOOFDSTUK 12. - Slotbepalingen
Afdeling 1. - Opheffingsbepalingen
Afdeling 2. - Overgangsmaatregelen voor vergunn...
Afdeling 3. - Overgangsmaatregelen voor vergunn...
Afdeling 4. - Overgangsbepalingen met betrekkin...
Afdeling 4/1. [1 - Overgangsmaatregelen met bet...
Afdeling 4/2 [1 Overgangsmaatregelen voor ver...
Afdeling 5. - Evaluatie, uitvoering en inwerkin...
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Dispositions introductives
Section 1re. - Champ d'application et définitions
Section 2. - Obligation d'autorisation et de no...
Section 3. - Réunion de projet
Section 4. [1 - Désignation du fonctionnaire en...
Section 5. - Fonds pour l'environnement et taxe...
Section 6. - Boucle administrative
Section 7. - Etablissement de rapports sur le r...
Section 8. - [1 Numérisation ]1
CHAPITRE 2. - La procédure d'autorisation en pr...
Section 1re. - Dispositions générales
Sous-section 1re. - Autorités compétentes pour ...
Sous-section 2. - Commission du permis d'enviro...
Sous-section 3. - Types de procédure d'autorisa...
Section 2. - Procédure d'autorisation ordinaire
Sous-section 1re. - Examen de recevabilité et d...
Sous-section 2. - Examen du projet
Sous-section 2/1. [1 Recours contre la déci...
Sous-section 3. - Décision au sujet d'une deman...
Section 3. - Procédure d'autorisation simplifiée
Sous-section 1re. - Examen de recevabilité et d...
Sous-section 2. - Examen du projet
Sous-section 3. - Décision au sujet d'une deman...
Sous-section 4. - Ajout ou modification de la l...
CHAPITRE 3. - La procédure d'autorisation en de...
Section 1re. - Dispositions générales
Section 2. - Procédure de recours
Sous-section 1re. - Examen de recevabilité et d...
Sous-section 2. - Examen du projet
Sous-section 3. - Décision concernant le recour...
CHAPITRE 4. - Durée du permis d'environnement
Section 1re. - Dispositions générales
Section 2. - Dispositions particulières pour le...
Sous-section 1re. - Permis d'environnement à ti...
Sous-section 2. - Renouvellement du permis d'en...
CHAPITRE 5. - Caractéristiques du permis d'envi...
Section 1re. - Conditions et charges liées au p...
Sous-section 1re. - Conditions
Sous-section 2. - Charges
Section 2. - Caractère réel
Section 3. - Phasage
Section 4. - Permis de régularisation
CHAPITRE 6. - L'actualisation du permis d'envir...
Section 1re. - Actualisation des conditions env...
Section 2. - Actualisation de l'objet ou de la ...
Section 3. - Actualisation du permis d'environn...
Section 4. - Procédure d'actualisation du permi...
Sous-section 1re. - Examen de recevabilité et d...
Sous-section 2. - Examen de la requête et l'ini...
Sous-section 3. - Décision sur la requête et l'...
Section 5. - Procédure d'actualisation du permi...
Section 6. - Disposition de délégation
CHAPITRE 7. - Suspension ou retrait du permis d...
Section 1re. - Suspension ou retrait du permis ...
Section 2. - Retrait du permis d'environnement ...
Section 3. - Disposition de délégation
CHAPITRE 8. - Expiration et abandon du permis d...
Section 1re. [1 - Expiration du permis d'enviro...
Section 2. - Expiration du permis d'environneme...
Section 3. - Renonciation au permis d'environne...
CHAPITRE 9. - Recours contre des décisions pris...
CHAPITRE 10. - Déclarations
Section 1re. - Dispositions générales
Section 2. - Procédure de déclaration
Section 3. - Caractéristiques de la déclaration
CHAPITRE 11. - Dispositions modificatives
Section 1re. - Modifications à la loi du 28 déc...
Section 2. - Modifications à la loi du 26 mars ...
Section 3. - Modifications à la loi du 18 juill...
Section 4. - Modifications au décret du 3 mars ...
Section 5. - Modifications au décret du 24 janv...
Section 6. - Modifications au Décret forestier ...
Section 7. - Modifications au décret du 14 juil...
Section 8. - Modifications du décret du 5 avril...
Section 9. - Modifications au décret du 19 avri...
Section 10. - Modifications du décret du 22 déc...
Section 11. - Modifications au décret du 16 avr...
Section 12. - Modifications au décret du 15 jui...
Section 13. - Modifications au décret du 21 oct...
Section 14. - Modifications au décret du 24 mai...
Section 15. - Modifications au décret du 4 avri...
Section 16. - Modifications au décret du 18 jui...
Section 17. - Modification au décret du 6 févri...
Section 18. - Modification au décret du30 avril...
Section 19. - Modifications au décret du 7 juil...
Section 20. - Modifications au décret du 27 oct...
Section 21. - Modifications au Décret sur les e...
Section 22. - Modifications au décret du 30 mar...
Section 23. - Modifications au décret du 10 jui...
Section 24. - Modifications au décret du 27 mar...
Section 25. - Modifications au décret du 8 mai ...
Section 26. - Modifications au Décret sur l'Ene...
Section 27. - Modifications au Code flamand de ...
Section 28. - Modifications au décret du 23 déc...
Section 29. - Modifications au décret du 1er ju...
Section 30. - Modifications au décret du 12 jui...
Section 31. - Modifications au décret du 4 avri...
CHAPITRE 12. - Dispositions finales
Section 1re. - Dispositions abrogatoires
Section 2. - Mesures transitoires visant les pe...
Section 3. - Mesures transitoires visant les au...
Section 4. - Dispositions transitoires relative...
Section 4/1. [1 - Mesures transitoires relative...
Section 4/2 [1 Mesures transitoires pour les...
Section 5. - Evaluation, exécution et entrée en...
Tekst (518)
Texte (518)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions introductives
Afdeling 1. - Toepassingsgebied en definities
Section 1re. - Champ d'application et définitions
Artikel 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière régionale.
Art.2. In dit decreet wordt verstaan onder:
1° betrokken publiek: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon alsook elke vereniging, organisatie of groep met rechtspersoonlijkheid die gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van of belanghebbende is bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden waarbij niet-gouvernementele organisaties die zich voor milieubescherming inzetten, geacht worden belanghebbende te zijn;
2° beveiligde zending: een van de hiernavolgende betekeningswijzen:
a) een aangetekend schrijven;
b) een afgifte tegen ontvangstbewijs;
c) elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld;
3° DABM: het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
[4 ° definitieve beslissing: een beslissing waartegen geen georganiseerd administratief beroep meer kan worden ingesteld [1 en die, wat betreft het recht tot voortzetting van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit als vermeld in artikel 70, § 1, tweede lid, en artikel 390, § 6, niet voor een eerste maal geheel of gedeeltelijk vernietigd is door de Raad van Vergunningsbetwistingen en voor zover de beslissingen in eerste en tweede administratieve aanleg de verdere uitbating toelieten. Het recht op verdere exploitatie stopt definitief wanneer de Raad van Vergunningsbetwistingen de schorsing van de vergunning uitspreekt of na een termijn van maximum vijf maand na de eerste uitspraak van de Raad van Vergunningsbetwistingen" toegevoegd;]1;
5° gemeentelijke projecten: de door de Vlaamse Regering limitatief aangewezen projecten waarvoor het college van burgemeester en schepenen bevoegd is om in eerste administratieve aanleg een beslissing te nemen;
6° meldingsakte: het document waaruit blijkt dat de bevoegde overheid akte heeft genomen van een melding;
7° omgevingsvergunning: de schriftelijke beslissing van de vergunningverlenende overheid houdende toelating voor een vergunningsplichtig project;
8° [2 project : het geheel van volgende elementen of minstens één ervan die onderworpen zijn aan de vergunnings- of meldingsplicht, vermeld in artikel 5 :
a) stedenbouwkundige handelingen;
b) de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten;
c) kleinhandelsactiviteiten;
dan wel het verkavelen van gronden;]2
[3 d) het wijzigen van de vegetatie;]3
9° provinciale projecten: de door de Vlaamse Regering limitatief aangewezen projecten waarvoor de deputatie bevoegd is om in eerste administratieve aanleg een beslissing te nemen;
10° VCRO: de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
11° Vlaamse projecten: de door de Vlaamse Regering limitatief aangewezen projecten waarvoor de Vlaamse Regering bevoegd is om in eerste administratieve aanleg een beslissing te nemen.
[2 Tenzij bij dit decreet een andersluidende definitie is bepaald, zijn de volgende definities van toepassing in dit decreet :
1° de definities, vermeld in artikel 1.1.2 en 4.1.1 van de VCRO;
2° de definities, vermeld in artikel 5.1.1 en 5.1.2 van het DABM;
3° de definities, vermeld in artikel 2 van het decreet van 15 juli betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid.]2
[4 4° de definities, vermeld in artikel 2 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.]4
1° betrokken publiek: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon alsook elke vereniging, organisatie of groep met rechtspersoonlijkheid die gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van of belanghebbende is bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden waarbij niet-gouvernementele organisaties die zich voor milieubescherming inzetten, geacht worden belanghebbende te zijn;
2° beveiligde zending: een van de hiernavolgende betekeningswijzen:
a) een aangetekend schrijven;
b) een afgifte tegen ontvangstbewijs;
c) elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld;
3° DABM: het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
[4 ° definitieve beslissing: een beslissing waartegen geen georganiseerd administratief beroep meer kan worden ingesteld [1 en die, wat betreft het recht tot voortzetting van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit als vermeld in artikel 70, § 1, tweede lid, en artikel 390, § 6, niet voor een eerste maal geheel of gedeeltelijk vernietigd is door de Raad van Vergunningsbetwistingen en voor zover de beslissingen in eerste en tweede administratieve aanleg de verdere uitbating toelieten. Het recht op verdere exploitatie stopt definitief wanneer de Raad van Vergunningsbetwistingen de schorsing van de vergunning uitspreekt of na een termijn van maximum vijf maand na de eerste uitspraak van de Raad van Vergunningsbetwistingen" toegevoegd;]1;
5° gemeentelijke projecten: de door de Vlaamse Regering limitatief aangewezen projecten waarvoor het college van burgemeester en schepenen bevoegd is om in eerste administratieve aanleg een beslissing te nemen;
6° meldingsakte: het document waaruit blijkt dat de bevoegde overheid akte heeft genomen van een melding;
7° omgevingsvergunning: de schriftelijke beslissing van de vergunningverlenende overheid houdende toelating voor een vergunningsplichtig project;
8° [2 project : het geheel van volgende elementen of minstens één ervan die onderworpen zijn aan de vergunnings- of meldingsplicht, vermeld in artikel 5 :
a) stedenbouwkundige handelingen;
b) de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten;
c) kleinhandelsactiviteiten;
dan wel het verkavelen van gronden;]2
[3 d) het wijzigen van de vegetatie;]3
9° provinciale projecten: de door de Vlaamse Regering limitatief aangewezen projecten waarvoor de deputatie bevoegd is om in eerste administratieve aanleg een beslissing te nemen;
10° VCRO: de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
11° Vlaamse projecten: de door de Vlaamse Regering limitatief aangewezen projecten waarvoor de Vlaamse Regering bevoegd is om in eerste administratieve aanleg een beslissing te nemen.
[2 Tenzij bij dit decreet een andersluidende definitie is bepaald, zijn de volgende definities van toepassing in dit decreet :
1° de definities, vermeld in artikel 1.1.2 en 4.1.1 van de VCRO;
2° de definities, vermeld in artikel 5.1.1 en 5.1.2 van het DABM;
3° de definities, vermeld in artikel 2 van het decreet van 15 juli betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid.]2
[4 4° de definities, vermeld in artikel 2 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.]4
Art.2. Dans le présent décret, il convient d'entendre par :
1° public concerné : toute personne physique ou morale, ainsi que toute association, toute organisation et tout groupe doté de la personnalité morale qui est touché ou qui risque d'être touché par une décision concernant la délivrance ou l'actualisation d'une autorisation ou des conditions dont elle est assortie ou qui a un intérêt à faire valoir à cet égard ; aux fins de la présente définition, les organisations non gouvernementales qui oeuvrent en faveur de la protection de l'environnement sont réputées avoir un intérêt ;
2° envoi sécurisé : une des modalités de notification suivantes :
a) une lettre recommandée ;
b) une remise contre récépissé ;
c) toute autre modalité de notification autorisée par le Gouvernement flamand par laquelle la date de notification peut être établie avec certitude ;
3° DABM : le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ;
[4 ° décision définitive : une décision à l'encontre de laquelle aucun recours administratif ne peut plus être introduit [1 et qui, en ce qui concerne le droit de poursuivre l'exploitation de l'établissement ou de l'activité classés tel que visé à l'article 70, paragraphe 1er, deuxième alinéa, et à l'article 390, paragraphe 6, n'ont pas été une première fois abrogées en tout ou en partie par le Conseil pour les contestations des autorisations en matière de permis d'environnement et pour autant que les décisions en première et deuxième instance administrative aient autorisé la poursuite de l'exploitation. Le droit d'exploitation prend fin définitivement si le Conseil pour les contestations des autorisations prononce la suspension du permis ou après un délai maximum de cinq mois à compter de la première décision du Conseil pour les contestations des autorisations.]1;
5° projets communaux : les projets désignés de manière restrictive par le Gouvernement flamand, pour lesquels le collège des bourgmestre et échevins est compétent pour prendre une décision en première instance administrative ;
6° acte de notification : le document attestant que l'autorité compétente a pris acte d'une notification ;
7° permis d'environnement : la décision écrite de l'autorité délivrant le permis portant autorisation d'un projet soumis à autorisation.
8° [2 projet : l'ensemble des éléments suivants, ou au moins l'un d'eux, soumis à l'obligation d'autorisation ou de notification visée à l'article 5 :
a) actions d'urbanisme;
b) l'exploitation d'installations ou d'activités classées ;
c) activités de commerce de détail;
ou le lotissement de terrains;]2
[3 d) la modification de la végétation;]3
9° projets provinciaux : les projets désignés de manière restrictive par le Gouvernement flamand, pour lesquels la députation est compétente pour prendre une décision en première instance administrative ;
10° VCRO : le Code flamand de l'Aménagement du Territoire ;
11° projets flamands : les projets désignés de manière restrictive par le Gouvernement flamand, pour lesquels le Gouvernement flamand est compétent pour prendre une décision en première instance administrative.
[2 Sauf définition contraire dans le présent décret, les définitions suivantes sont applicables au présent décret :
1° les définitions visées aux articles 1.1.2 et 4.1.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire (VCRO) ;
2° les définitions visées aux articles 5.1.1 et 5.1.2 du décret sur la politique de l'environnement (DABM) ;
3° les définitions énumérées à l'article 2 du décret du 15 juillet relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale;]2
[4 4° les définitions visées à l'article 2 du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.]4
1° public concerné : toute personne physique ou morale, ainsi que toute association, toute organisation et tout groupe doté de la personnalité morale qui est touché ou qui risque d'être touché par une décision concernant la délivrance ou l'actualisation d'une autorisation ou des conditions dont elle est assortie ou qui a un intérêt à faire valoir à cet égard ; aux fins de la présente définition, les organisations non gouvernementales qui oeuvrent en faveur de la protection de l'environnement sont réputées avoir un intérêt ;
2° envoi sécurisé : une des modalités de notification suivantes :
a) une lettre recommandée ;
b) une remise contre récépissé ;
c) toute autre modalité de notification autorisée par le Gouvernement flamand par laquelle la date de notification peut être établie avec certitude ;
3° DABM : le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ;
[4 ° décision définitive : une décision à l'encontre de laquelle aucun recours administratif ne peut plus être introduit [1 et qui, en ce qui concerne le droit de poursuivre l'exploitation de l'établissement ou de l'activité classés tel que visé à l'article 70, paragraphe 1er, deuxième alinéa, et à l'article 390, paragraphe 6, n'ont pas été une première fois abrogées en tout ou en partie par le Conseil pour les contestations des autorisations en matière de permis d'environnement et pour autant que les décisions en première et deuxième instance administrative aient autorisé la poursuite de l'exploitation. Le droit d'exploitation prend fin définitivement si le Conseil pour les contestations des autorisations prononce la suspension du permis ou après un délai maximum de cinq mois à compter de la première décision du Conseil pour les contestations des autorisations.]1;
5° projets communaux : les projets désignés de manière restrictive par le Gouvernement flamand, pour lesquels le collège des bourgmestre et échevins est compétent pour prendre une décision en première instance administrative ;
6° acte de notification : le document attestant que l'autorité compétente a pris acte d'une notification ;
7° permis d'environnement : la décision écrite de l'autorité délivrant le permis portant autorisation d'un projet soumis à autorisation.
8° [2 projet : l'ensemble des éléments suivants, ou au moins l'un d'eux, soumis à l'obligation d'autorisation ou de notification visée à l'article 5 :
a) actions d'urbanisme;
b) l'exploitation d'installations ou d'activités classées ;
c) activités de commerce de détail;
ou le lotissement de terrains;]2
[3 d) la modification de la végétation;]3
9° projets provinciaux : les projets désignés de manière restrictive par le Gouvernement flamand, pour lesquels la députation est compétente pour prendre une décision en première instance administrative ;
10° VCRO : le Code flamand de l'Aménagement du Territoire ;
11° projets flamands : les projets désignés de manière restrictive par le Gouvernement flamand, pour lesquels le Gouvernement flamand est compétent pour prendre une décision en première instance administrative.
[2 Sauf définition contraire dans le présent décret, les définitions suivantes sont applicables au présent décret :
1° les définitions visées aux articles 1.1.2 et 4.1.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire (VCRO) ;
2° les définitions visées aux articles 5.1.1 et 5.1.2 du décret sur la politique de l'environnement (DABM) ;
3° les définitions énumérées à l'article 2 du décret du 15 juillet relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale;]2
[4 4° les définitions visées à l'article 2 du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.]4
(NOTA : bij arrest nr 145/2019 van 17-10-2019,(B.St. 07-11-2019, p. 104101), heeft Grondwettelijk hof dit artikel 2, eerste lid, 4°, doch uitsluitend voor de gevallen waarin de Raad voor Vergunningsbetwistingen hetzij de administratie niet beveelt een nieuwe beslissing te nemen met toepassing van artikel 37, § 1, hetzij met toepassing van artikel 37, § 2, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 4 april 2014 « betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges » de hernieuwing dan wel de omzetting van de vergunning weigert.)
(NOTE : par son arrêt n° 145/2019 du 17-10-2019 (M.B. 07-11-2019, p. 104101) la Cour constitutionnelle annule l'article 2, alinéa 1er, 4°, mais exclusivement pour les cas dans lesquels le Conseil pour les contestations des autorisations soit ne fait pas injonction à ladministration de prendre une nouvelle décision, par application de larticle 37, § 1er, soit refuse, par application de larticle 37, § 2, du décret de la Région flamande du 4 avril 2014 « relatif à lorganisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes », le renouvellement ou la conversion du permis.)
Art.3. [1 Dit decreet beoogt een efficiënte, doelgerichte en geïntegreerde vergunningverlening die bijdraagt tot de doelstellingen, vermeld in :
1° artikel 1.1.4 van de VCRO;
2° artikel 5.1.3 van het DABM;
3° artikel 4 van het decreet van 15 juli betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid.
[2 4° artikel 6 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.]2
Dit decreet doet geen afbreuk aan de inhoudelijke verplichtingen die zijn vastgesteld bij of krachtens :
1° titel IV van de VCRO;
2° titel V van het DABM;
3° het decreet van 15 juli betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid.]1
[2 4° het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.]2
Voor projecten die onder de toepassing vallen van een Europese verordening gelden de bepalingen van dit decreet in de mate dat zij een aanvulling vormen op de bepalingen van de toepasselijke verordening.
1° artikel 1.1.4 van de VCRO;
2° artikel 5.1.3 van het DABM;
3° artikel 4 van het decreet van 15 juli betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid.
[2 4° artikel 6 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.]2
Dit decreet doet geen afbreuk aan de inhoudelijke verplichtingen die zijn vastgesteld bij of krachtens :
1° titel IV van de VCRO;
2° titel V van het DABM;
3° het decreet van 15 juli betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid.]1
[2 4° het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.]2
Voor projecten die onder de toepassing vallen van een Europese verordening gelden de bepalingen van dit decreet in de mate dat zij een aanvulling vormen op de bepalingen van de toepasselijke verordening.
Art.3. [1 Le présent décret vise un octroi de permis efficace, ciblé et intégré qui contribue aux objectifs visés à :
1° l'article 1.1.4 du VCRO;
2° l'article 5.1.3 du DABM;
3° l'article 4 du décret du 15 juillet relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale.
[2 4° article 6 du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.]2
Ce décret n'affecte en rien les obligations de contenu constatées par ou en vertu :
1° du titre IV du VCRO;
2° du titre IV du DABM;
3° du décret du 15 juillet relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale.]1
[2 4° le décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.]2
En ce qui concerne les projets régis par un règlement européen, les dispositions du présent décret s'appliquent dans la mesure où elles forment un complément aux dispositions du règlement applicable.
1° l'article 1.1.4 du VCRO;
2° l'article 5.1.3 du DABM;
3° l'article 4 du décret du 15 juillet relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale.
[2 4° article 6 du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.]2
Ce décret n'affecte en rien les obligations de contenu constatées par ou en vertu :
1° du titre IV du VCRO;
2° du titre IV du DABM;
3° du décret du 15 juillet relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale.]1
[2 4° le décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.]2
En ce qui concerne les projets régis par un règlement européen, les dispositions du présent décret s'appliquent dans la mesure où elles forment un complément aux dispositions du règlement applicable.
Art.4. Binnen de perken van de begroting verleent de Vlaamse Regering subsidies aan lokale besturen voor de meerkosten die verband houden met de voorbereiding, organisatie en uitvoering van dit decreet.
Deze subsidies kunnen aangewend worden voor bijkomende investeringen en voor personeels- en werkingskosten voor de behandeling en de evaluatie van de omgevingsvergunningen.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de toepassing van dit artikel.
Deze subsidies kunnen aangewend worden voor bijkomende investeringen en voor personeels- en werkingskosten voor de behandeling en de evaluatie van de omgevingsvergunningen.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de toepassing van dit artikel.
Art.4. Dans les limites du budget, le Gouvernement flamand octroie des subventions aux administrations locales pour le surcoût entraîné par la préparation, l'organisation et l'exécution de ce décret.
Ces subventions peuvent être affectées aux investissements complémentaires et aux frais de personnel et de fonctionnement entraînés par le traitement et l'évaluation des permis d'environnement.
Le Gouvernement flamand fixe les modalités pour l'application du présent article.
Ces subventions peuvent être affectées aux investissements complémentaires et aux frais de personnel et de fonctionnement entraînés par le traitement et l'évaluation des permis d'environnement.
Le Gouvernement flamand fixe les modalités pour l'application du présent article.
Art.5. Dit decreet is van toepassing op projecten die zijn onderworpen aan:
1° de vergunningsplicht, namelijk voor:
a) het uitvoeren van stedenbouwkundige handelingen als vermeld in artikel 4.2.1 van de VCRO;
b) het verkavelen van gronden als vermeld in artikel 4.2.15 van de VCRO;
c) de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste of tweede klasse als vermeld in artikel 5.2.1 van het DABM;
[2 d) vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten als vermeld in artikel 11 van het decreet van 15 juli betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid;]2
[3 e) vergunningsplichtige wijzigingen van de vegetatie, vermeld in artikel 9bis, § 7, en artikel 13, § 4 en § 5, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.]3
2° de meldingsplicht, namelijk voor:
a) het uitvoeren van stedenbouwkundige handelingen als vermeld in artikel 4.2.2 [1 en artikel 4.2.4]1 van de VCRO;
b) de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit van de derde klasse als vermeld in artikel 5.2.1 van het DABM.
1° de vergunningsplicht, namelijk voor:
a) het uitvoeren van stedenbouwkundige handelingen als vermeld in artikel 4.2.1 van de VCRO;
b) het verkavelen van gronden als vermeld in artikel 4.2.15 van de VCRO;
c) de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste of tweede klasse als vermeld in artikel 5.2.1 van het DABM;
[2 d) vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten als vermeld in artikel 11 van het decreet van 15 juli betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid;]2
[3 e) vergunningsplichtige wijzigingen van de vegetatie, vermeld in artikel 9bis, § 7, en artikel 13, § 4 en § 5, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.]3
2° de meldingsplicht, namelijk voor:
a) het uitvoeren van stedenbouwkundige handelingen als vermeld in artikel 4.2.2 [1 en artikel 4.2.4]1 van de VCRO;
b) de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit van de derde klasse als vermeld in artikel 5.2.1 van het DABM.
Art.5. Le présent décret s'applique aux projets qui sont soumis :
1° à l'obligation d'autorisation, notamment pour :
a) l'exécution de démarches urbanistiques telles que mentionnées dans l'article 4.2.1 du VCRO ;
b) le lotissement des sols tel que visé à l'article 4.2.15 du VCRO ;
c) l'exploitation d'une installation ou activité classée de première ou deuxième classe telle que visée à l'article 5.2.1 du DABM ;
[2 d) les activités de commerce de détail soumises à l'obligation d'autorisation visées à l'article 11 du décret du 15 juillet relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale.]2
[3 e) modifications de la végétation soumises à autorisation, visées à l'article 9bis, § 7, et à l'article 13, § 4 et § 5, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.]3
2° à l'obligation de notification, notamment pour :
a) l'exécution de démarches urbanistiques telles que mentionnées dans l'article 4.2.2 [1 et l'article 4.2.4]1 du VCRO ;
c) l'exploitation d'une installation ou activité classée de troisième classe telle que visée à l'article 5.2.1 du DABM.
1° à l'obligation d'autorisation, notamment pour :
a) l'exécution de démarches urbanistiques telles que mentionnées dans l'article 4.2.1 du VCRO ;
b) le lotissement des sols tel que visé à l'article 4.2.15 du VCRO ;
c) l'exploitation d'une installation ou activité classée de première ou deuxième classe telle que visée à l'article 5.2.1 du DABM ;
[2 d) les activités de commerce de détail soumises à l'obligation d'autorisation visées à l'article 11 du décret du 15 juillet relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale.]2
[3 e) modifications de la végétation soumises à autorisation, visées à l'article 9bis, § 7, et à l'article 13, § 4 et § 5, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.]3
2° à l'obligation de notification, notamment pour :
a) l'exécution de démarches urbanistiques telles que mentionnées dans l'article 4.2.2 [1 et l'article 4.2.4]1 du VCRO ;
c) l'exploitation d'une installation ou activité classée de troisième classe telle que visée à l'article 5.2.1 du DABM.
Afdeling 2. - Vergunnings- en meldingsplicht
Section 2. - Obligation d'autorisation et de notification
Art.6. Niemand mag zonder voorafgaande omgevingsvergunning een project dat bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 5, is onderworpen aan vergunningsplicht uitvoeren, exploiteren, verkavelen of een vergunningsplichtige verandering eraan doen.
Niemand mag zonder voorafgaande meldingsakte een project dat bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 5, is onderworpen aan meldingsplicht uitvoeren, exploiteren of een meldingsplichtige verandering eraan doen.
Niemand mag zonder voorafgaande meldingsakte een project dat bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 5, is onderworpen aan meldingsplicht uitvoeren, exploiteren of een meldingsplichtige verandering eraan doen.
Art.6. Nul ne peut, sans permis d'environnement préalable, exécuter, exploiter, lotir ou apporter une modification soumise à l'obligation d'autorisation à un projet qui, par ou en vertu d'un des décrets visés à l'article 5, est soumis à l'obligation d'autorisation.
Nul ne peut, sans acte de notification préalable, exécuter, exploiter, lotir ou apporter une modification soumise à l'obligation de notification à un projet qui, par ou en vertu d'un des décrets visés à l'article 5, est soumis à l'obligation de notification.
Nul ne peut, sans acte de notification préalable, exécuter, exploiter, lotir ou apporter une modification soumise à l'obligation de notification à un projet qui, par ou en vertu d'un des décrets visés à l'article 5, est soumis à l'obligation de notification.
Art.7. [1 § 1.]1 Met behoud van de toepassing van artikel 5.2.1, § 3 en § 4, van het DABM, geldt de omgevingsvergunning als aktename voor het deel van het project dat meldingsplichtig is, als het project zowel aan de meldings- als aan de vergunningsplicht wordt onderworpen.
[1 § 2. Als het project elementen bevat die onderworpen zijn aan meerdere vergunnings- of meldingsplichten, bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 5, en die aspecten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, omvat de vergunningsaanvraag de betrokken aspecten op straffe van onontvankelijkheid als minstens één element van de aanvraag vergunningsplichtig is.
De verplichting tot gezamenlijke indiening, vermeld in het eerste lid, geldt niet voor het aanvragen of melden van stedenbouwkundige handelingen en exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten die alleen nodig zijn tijdens de uitvoeringsfase van het project. Als voor het project een milieueffectrapport moet worden opgesteld en het milieueffectrapport relevante uitspraken doet over de uitvoeringswijze, wordt gestreefd naar een gezamenlijke indiening voor wat betreft de aspecten die in het milieueffectrapport worden behandeld.]1
[1 § 2. Als het project elementen bevat die onderworpen zijn aan meerdere vergunnings- of meldingsplichten, bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 5, en die aspecten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, omvat de vergunningsaanvraag de betrokken aspecten op straffe van onontvankelijkheid als minstens één element van de aanvraag vergunningsplichtig is.
De verplichting tot gezamenlijke indiening, vermeld in het eerste lid, geldt niet voor het aanvragen of melden van stedenbouwkundige handelingen en exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten die alleen nodig zijn tijdens de uitvoeringsfase van het project. Als voor het project een milieueffectrapport moet worden opgesteld en het milieueffectrapport relevante uitspraken doet over de uitvoeringswijze, wordt gestreefd naar een gezamenlijke indiening voor wat betreft de aspecten die in het milieueffectrapport worden behandeld.]1
Art.7. [1 § 1.]1 Sans préjudice de l'application de l'article 5.2.1, § 3 et § 4, du DABM, le permis d'environnement tient lieu de prise d'acte pour la partie du projet qui est soumise à l'obligation de notification, si le projet est soumis tant à l'obligation de notification qu'à l'obligation d'autorisation.
[1 § 2. Si le projet contient des éléments soumis à plusieurs obligations d'autorisation ou de notification, par ou en vertu des décrets visés à l'article 5, et que ces aspects sont indissociablement liés, la demande de permis contient les aspects concernés, à peine d'irrecevabilité, si au moins un élément de la demande est soumis à autorisation.
L'obligation d'introduction conjointe visée à l'alinéa 1er ne s'applique pas à la demande ou à la notification d'actes urbanistiques et d'exploitation d'établissements ou d'activités classés qui ne sont nécessaires que durant la phase d'exécution du projet. S'il y a lieu d'établir un rapport d'incidence sur l'environnement pour le projet et que ce rapport d'incidence sur l'environnement se prononce de façon pertinente sur le mode d'exécution, on tend à une introduction conjointe en ce qui concerne les aspects traités par le rapport d'incidence sur l'environnement.]1
[1 § 2. Si le projet contient des éléments soumis à plusieurs obligations d'autorisation ou de notification, par ou en vertu des décrets visés à l'article 5, et que ces aspects sont indissociablement liés, la demande de permis contient les aspects concernés, à peine d'irrecevabilité, si au moins un élément de la demande est soumis à autorisation.
L'obligation d'introduction conjointe visée à l'alinéa 1er ne s'applique pas à la demande ou à la notification d'actes urbanistiques et d'exploitation d'établissements ou d'activités classés qui ne sont nécessaires que durant la phase d'exécution du projet. S'il y a lieu d'établir un rapport d'incidence sur l'environnement pour le projet et que ce rapport d'incidence sur l'environnement se prononce de façon pertinente sur le mode d'exécution, on tend à une introduction conjointe en ce qui concerne les aspects traités par le rapport d'incidence sur l'environnement.]1
Wijzigingen
Afdeling 3. - Projectvergadering
Section 3. - Réunion de projet
Art.8. De initiatiefnemer kan ter voorbereiding van een vergunningsaanvraag, als een realistische projectstudie voorhanden is, de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, verzoeken een projectvergadering te organiseren met de adviesinstanties, aangewezen met toepassing van artikel 24.
De projectvergadering beoogt de procedurele afstemming tussen de betrokken overheden en de bespreking van de eventueel nodig of nuttig geachte projectbijsturingen.
De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, kan op eigen initiatief of op verzoek van de initiatiefnemer, derde belanghebbenden uitnodigen op een projectvergadering.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen inzake de projectvergadering en kan hierbij het toepassingsgebied beperken.
De projectvergadering beoogt de procedurele afstemming tussen de betrokken overheden en de bespreking van de eventueel nodig of nuttig geachte projectbijsturingen.
De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, kan op eigen initiatief of op verzoek van de initiatiefnemer, derde belanghebbenden uitnodigen op een projectvergadering.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen inzake de projectvergadering en kan hierbij het toepassingsgebied beperken.
Art.8. Le preneur d'initiative peut, à titre de préparation d'une demande d'autorisation, si une étude de projet réaliste est disponible, demander à l'autorité compétente visée à l'article 15 d'organiser une réunion de projet avec les instances d'avis désignées en application de l'article 24.
La réunion de projet vise la coordination procédurale entre les autorités concernées et la discussion autour des éventuelles adaptations de projet jugées utiles ou nécessaires.
L'autorité compétente visée à l'article 15 peut, de sa propre initiative ou à la demande du preneur d'initiative, inviter des tiers intéressés à une réunion de projet.
Le Gouvernement flamand peut fixer des règles en matière de réunion de projet et restreindre le champ d'application.
La réunion de projet vise la coordination procédurale entre les autorités concernées et la discussion autour des éventuelles adaptations de projet jugées utiles ou nécessaires.
L'autorité compétente visée à l'article 15 peut, de sa propre initiative ou à la demande du preneur d'initiative, inviter des tiers intéressés à une réunion de projet.
Le Gouvernement flamand peut fixer des règles en matière de réunion de projet et restreindre le champ d'application.
Afdeling 4. [1 Aanwijzing gemeentelijke, provinciale en gewestelijke omgevingsambtenaar]1
Section 4. [1 - Désignation du fonctionnaire environnement communal, provincial et régional]1
Art.9. § 1. Iedere gemeente wijst bij gemeenteraadsbeslissing minimaal één gemeentelijke omgevingsambtenaar aan. De gemeente kan daarvoor een beroep doen op [1 eigen personeel of op personeel van een intergemeentelijk samenwerkingsverband]1.
De gemeente zorgt ervoor dat de aangestelde ambtenaar of ambtenaren gezamenlijk voldoende kennis van zowel de ruimtelijke ordening als het milieu in zich verenigen. De Vlaamse Regering kan de kwaliteitseisen vastleggen waaruit deze kennis blijkt.
§ 2. De gemeentelijke omgevingsambtenaar oefent de taken, vermeld in dit decreet, onafhankelijk en neutraal uit. Hij mag geen nadeel ondervinden van de uitoefening hiervan.
[2 Die onafhankelijkheid en neutraliteit worden te allen tijde gevrijwaard. De actieve en constructieve wijze waarop de gemeentelijke omgevingsambtenaar zich moet inzetten voor de realisatie van de opdracht en de doelstellingen van de gemeente, doet daar geen afbreuk aan]2
§ 3. Als er geen gemeentelijke omgevingsambtenaar binnen [1 de gemeente of het intergemeentelijk samenwerkingsverband]1 beschikbaar is, oefent de gemeentesecretaris [1 voor een periode van maximum 12 maanden]1 de taken van de gemeentelijke omgevingsambtenaar uit of wijst hij een waarnemende gemeentelijke omgevingsambtenaar aan die de taken van de gemeentelijke omgevingsambtenaar uitoefent. [2 Paragraaf 2 is onverkort van toepassing op de persoon die de taken van de gemeentelijke omgevingsambtenaar uitoefent.]2
§ 4. Binnen de perken van de begrotingskredieten kan de Vlaamse Regering financiële of andere ondersteuning verlenen aan de gemeenten voor de opleiding en loonkosten van de gemeentelijke omgevingsambtenaar.
De gemeente zorgt ervoor dat de aangestelde ambtenaar of ambtenaren gezamenlijk voldoende kennis van zowel de ruimtelijke ordening als het milieu in zich verenigen. De Vlaamse Regering kan de kwaliteitseisen vastleggen waaruit deze kennis blijkt.
§ 2. De gemeentelijke omgevingsambtenaar oefent de taken, vermeld in dit decreet, onafhankelijk en neutraal uit. Hij mag geen nadeel ondervinden van de uitoefening hiervan.
[2 Die onafhankelijkheid en neutraliteit worden te allen tijde gevrijwaard. De actieve en constructieve wijze waarop de gemeentelijke omgevingsambtenaar zich moet inzetten voor de realisatie van de opdracht en de doelstellingen van de gemeente, doet daar geen afbreuk aan]2
§ 3. Als er geen gemeentelijke omgevingsambtenaar binnen [1 de gemeente of het intergemeentelijk samenwerkingsverband]1 beschikbaar is, oefent de gemeentesecretaris [1 voor een periode van maximum 12 maanden]1 de taken van de gemeentelijke omgevingsambtenaar uit of wijst hij een waarnemende gemeentelijke omgevingsambtenaar aan die de taken van de gemeentelijke omgevingsambtenaar uitoefent. [2 Paragraaf 2 is onverkort van toepassing op de persoon die de taken van de gemeentelijke omgevingsambtenaar uitoefent.]2
§ 4. Binnen de perken van de begrotingskredieten kan de Vlaamse Regering financiële of andere ondersteuning verlenen aan de gemeenten voor de opleiding en loonkosten van de gemeentelijke omgevingsambtenaar.
Art.9. § 1er. Chaque commune désigne, par décision du conseil communal, au moins un fonctionnaire environnement communal. A cet effet, la commune peut faire appel à son [1 propre personnel ou au personnel d'un partenariat intercommunal]1.
La commune veille à ce que le fonctionnaire désigné ou les fonctionnaires désignés disposent conjointement d'une connaissance suffisante aussi bien en matière d'aménagement du territoire qu'en matière d'environnement. Le Gouvernement flamand peut fixer les exigences de qualité attestant de cette connaissance.
§ 2. Le fonctionnaire environnement communal exerce les tâches visées dans ce décret, de manière indépendante et neutre. Il ne peut subir de préjudice de l'exécution de ces tâches.
[2 Cette indépendance et neutralité seront préservées à tout moment. La manière active et constructive dont le fonctionnaire environnement communal doit s'engager à la réalisation de la mission et des objectifs de la commune n'y porte pas préjudice.]2
§ 3. Si aucun fonctionnaire environnement n'est disponible au sein [1 de la commune ou du partenariat intercommunal]1, le secrétaire communal exerce ,[1 pour une période de maximum 12 mois]1, les tâches de fonctionnaire environnement communal ou désigne un fonctionnaire environnement communal faisant fonction qui exerce les tâches du fonctionnaire environnement communal. [2 Le paragraphe 2 s'applique intégralement à la personne qui exerce les tâches du fonctionnaire environnement communal. ]2
§ 4. Dans les limites des crédits budgétaires, le Gouvernement flamand peut octroyer aux communes des aides financières ou autres pour la formation et les coûts salariaux du fonctionnaire environnement communal.
La commune veille à ce que le fonctionnaire désigné ou les fonctionnaires désignés disposent conjointement d'une connaissance suffisante aussi bien en matière d'aménagement du territoire qu'en matière d'environnement. Le Gouvernement flamand peut fixer les exigences de qualité attestant de cette connaissance.
§ 2. Le fonctionnaire environnement communal exerce les tâches visées dans ce décret, de manière indépendante et neutre. Il ne peut subir de préjudice de l'exécution de ces tâches.
[2 Cette indépendance et neutralité seront préservées à tout moment. La manière active et constructive dont le fonctionnaire environnement communal doit s'engager à la réalisation de la mission et des objectifs de la commune n'y porte pas préjudice.]2
§ 3. Si aucun fonctionnaire environnement n'est disponible au sein [1 de la commune ou du partenariat intercommunal]1, le secrétaire communal exerce ,[1 pour une période de maximum 12 mois]1, les tâches de fonctionnaire environnement communal ou désigne un fonctionnaire environnement communal faisant fonction qui exerce les tâches du fonctionnaire environnement communal. [2 Le paragraphe 2 s'applique intégralement à la personne qui exerce les tâches du fonctionnaire environnement communal. ]2
§ 4. Dans les limites des crédits budgétaires, le Gouvernement flamand peut octroyer aux communes des aides financières ou autres pour la formation et les coûts salariaux du fonctionnaire environnement communal.
Art. 9/1. [1 Iedere provincie wijst bij provincieraadsbeslissing minimaal één provinciale omgevingsambtenaar aan.
De provincie zorgt ervoor dat de aangestelde personeelsleden gezamenlijk voldoende kennis van zowel de ruimtelijke ordening als het milieu in zich verenigen. De Vlaamse Regering kan de kwaliteitseisen vastleggen waaruit deze kennis blijkt.
De provinciale omgevingsambtenaar oefent de taken, vermeld in dit decreet, onafhankelijk en neutraal uit. Hij mag geen nadeel ondervinden van de uitoefening hiervan.]1 [2 Die onafhankelijkheid en neutraliteit worden te allen tijde gevrijwaard. De actieve en constructieve wijze waarop de provinciale omgevingsambtenaar zich moet inzetten voor de realisatie van de opdracht en de doelstellingen van de provincie, doet daar geen afbreuk aan.]2
De provincie zorgt ervoor dat de aangestelde personeelsleden gezamenlijk voldoende kennis van zowel de ruimtelijke ordening als het milieu in zich verenigen. De Vlaamse Regering kan de kwaliteitseisen vastleggen waaruit deze kennis blijkt.
De provinciale omgevingsambtenaar oefent de taken, vermeld in dit decreet, onafhankelijk en neutraal uit. Hij mag geen nadeel ondervinden van de uitoefening hiervan.]1 [2 Die onafhankelijkheid en neutraliteit worden te allen tijde gevrijwaard. De actieve en constructieve wijze waarop de provinciale omgevingsambtenaar zich moet inzetten voor de realisatie van de opdracht en de doelstellingen van de provincie, doet daar geen afbreuk aan.]2
Art. 9/1. [1 Chaque province désigne, par décision du conseil provincial, au moins un fonctionnaire environnement provincial.
La province veille à ce que les membres du personnel désignés disposent conjointement d'une connaissance suffisante aussi bien en matière d'aménagement du territoire qu'en matière d'environnement. Le Gouvernement flamand peut fixer les exigences de qualité attestant de cette connaissance.
Le fonctionnaire environnement provincial exerce les tâches visées dans ce décret de manière indépendante et neutre. Il ne peut subir de préjudice en raison de l'exécution de ces tâches.]1 [2 Cette indépendance et neutralité seront préservées à tout moment. La manière active et constructive dont le fonctionnaire environnement provincial doit s'engager à la réalisation de la mission et des objectifs de la province n'y porte pas préjudice. ]2
La province veille à ce que les membres du personnel désignés disposent conjointement d'une connaissance suffisante aussi bien en matière d'aménagement du territoire qu'en matière d'environnement. Le Gouvernement flamand peut fixer les exigences de qualité attestant de cette connaissance.
Le fonctionnaire environnement provincial exerce les tâches visées dans ce décret de manière indépendante et neutre. Il ne peut subir de préjudice en raison de l'exécution de ces tâches.]1 [2 Cette indépendance et neutralité seront préservées à tout moment. La manière active et constructive dont le fonctionnaire environnement provincial doit s'engager à la réalisation de la mission et des objectifs de la province n'y porte pas préjudice. ]2
Art.10. De Vlaamse Regering wijst een of meer gewestelijke omgevingsambtenaren aan.
De Vlaamse Regering zorgt ervoor dat de aangestelde ambtenaar of ambtenaren gezamenlijk voldoende kennis van zowel de ruimtelijke ordening als het milieu in zich verenigen. De Vlaamse Regering kan de kwaliteitseisen vastleggen waaruit deze kennis blijkt.
De gewestelijke omgevingsambtenaar oefent de taken, vermeld in dit decreet, onafhankelijk en neutraal uit. Hij mag geen nadeel ondervinden van de uitoefening hiervan. [1 Die onafhankelijkheid en neutraliteit worden te allen tijde gevrijwaard. De actieve en constructieve wijze waarop de gewestelijke omgevingsambtenaar zich moet inzetten voor de realisatie van de opdracht en de doelstellingen van het gewest, doet daar geen afbreuk aan.]1
De Vlaamse Regering zorgt ervoor dat de aangestelde ambtenaar of ambtenaren gezamenlijk voldoende kennis van zowel de ruimtelijke ordening als het milieu in zich verenigen. De Vlaamse Regering kan de kwaliteitseisen vastleggen waaruit deze kennis blijkt.
De gewestelijke omgevingsambtenaar oefent de taken, vermeld in dit decreet, onafhankelijk en neutraal uit. Hij mag geen nadeel ondervinden van de uitoefening hiervan. [1 Die onafhankelijkheid en neutraliteit worden te allen tijde gevrijwaard. De actieve en constructieve wijze waarop de gewestelijke omgevingsambtenaar zich moet inzetten voor de realisatie van de opdracht en de doelstellingen van het gewest, doet daar geen afbreuk aan.]1
Art.10. Le Gouvernement flamand désigne un ou plusieurs fonctionnaires environnement régionaux.
Le Gouvernement flamand veille à ce que le fonctionnaire désigné ou les fonctionnaires désignés disposent conjointement d'une connaissance suffisante aussi bien en matière d'aménagement du territoire qu'en matière d'environnement. Le Gouvernement flamand peut fixer les exigences de qualité attestant de cette connaissance.
Le fonctionnaire environnement régional exerce les tâches visées dans ce décret, de manière indépendante et neutre. Il ne peut subir de préjudice de l'exécution de ces tâches. [1 Cette indépendance et neutralité seront préservées à tout moment. La manière active et constructive dont le fonctionnaire environnement provincial doit s'engager à la réalisation de la mission et des objectifs de la province n'y porte pas préjudice. ]1
Le Gouvernement flamand veille à ce que le fonctionnaire désigné ou les fonctionnaires désignés disposent conjointement d'une connaissance suffisante aussi bien en matière d'aménagement du territoire qu'en matière d'environnement. Le Gouvernement flamand peut fixer les exigences de qualité attestant de cette connaissance.
Le fonctionnaire environnement régional exerce les tâches visées dans ce décret, de manière indépendante et neutre. Il ne peut subir de préjudice de l'exécution de ces tâches. [1 Cette indépendance et neutralité seront préservées à tout moment. La manière active et constructive dont le fonctionnaire environnement provincial doit s'engager à la réalisation de la mission et des objectifs de la province n'y porte pas préjudice. ]1
Wijzigingen
Afdeling 5. - Omgevingsfonds en dossiertaksen
Section 5. - Fonds pour l'environnement et taxes de dossier
Art.11. § 1. Er wordt een Omgevingsfonds opgericht. Het Omgevingsfonds is een begrotingsfonds in de zin van de bepalingen van [1 artikel 15, § 2, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019]1.
§ 2. De middelen waarover het Omgevingsfonds beschikt zijn:
1° het per 31 december van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar beschikbare saldo van het Omgevingsfonds;
2° alle ontvangsten voortvloeiend uit de toepassing van dit decreet;
3° andere middelen aan het fonds toegewezen krachtens wettelijke en decretale bepalingen.
§ 3. De middelen van het Omgevingsfonds worden aangewend voor beleidskosten die verband houden met de voorbereiding, organisatie en uitvoering van dit decreet.
§ 4. De Vlaamse Regering beheert het Omgevingsfonds.
Ze stelt de nodige administratieve en logistieke ondersteuning ter beschikking van het Omgevingsfonds en kan, overeenkomstig de geldende regels, sommige van haar bevoegdheden delegeren aan de leidend ambtenaar die ze daartoe aanwijst.
§ 5. De Vlaamse Regering bepaalt de organieke regels die van toepassing zijn op het financiële en materiële beheer van het Omgevingsfonds.
§ 2. De middelen waarover het Omgevingsfonds beschikt zijn:
1° het per 31 december van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar beschikbare saldo van het Omgevingsfonds;
2° alle ontvangsten voortvloeiend uit de toepassing van dit decreet;
3° andere middelen aan het fonds toegewezen krachtens wettelijke en decretale bepalingen.
§ 3. De middelen van het Omgevingsfonds worden aangewend voor beleidskosten die verband houden met de voorbereiding, organisatie en uitvoering van dit decreet.
§ 4. De Vlaamse Regering beheert het Omgevingsfonds.
Ze stelt de nodige administratieve en logistieke ondersteuning ter beschikking van het Omgevingsfonds en kan, overeenkomstig de geldende regels, sommige van haar bevoegdheden delegeren aan de leidend ambtenaar die ze daartoe aanwijst.
§ 5. De Vlaamse Regering bepaalt de organieke regels die van toepassing zijn op het financiële en materiële beheer van het Omgevingsfonds.
Art.11. § 1er. Un Fonds pour l'environnement est créé. Le Fonds pour l'environnement est un fonds budgétaire au sens des dispositions de [1 l'article 15, § 2, du Code flamand des Finances publiques du 29 mars 2019]1.
§ 2. Les moyens dont dispose le Fonds pour l'environnement sont :
1° le solde disponible du Fonds pour l'environnement au 31 décembre de l'année précédant l'année budgétaire ;
2° toutes les recettes découlant de l'application du présent décret ;
3° les autres moyens attribués au Fonds en vertu des dispositions légales et décrétales.
§ 3. Les moyens du Fonds pour l'environnement sont octroyés pour les frais de gestion liés à la préparation, l'organisation et l'exécution du présent décret.
§ 4. Le Gouvernement flamand gère le Fonds pour l'environnement.
Il met l'aide administrative et logistique nécessaire à la disposition du Fonds pour l'environnement et peut, conformément aux règles en vigueur, déléguer certaines de ses compétences au fonctionnaire dirigeant qu'il désigne à cette fin.
§ 5. Le Gouvernement flamand détermine le régime organique applicable à la gestion financière et matérielle du Fonds pour l'environnement.
§ 2. Les moyens dont dispose le Fonds pour l'environnement sont :
1° le solde disponible du Fonds pour l'environnement au 31 décembre de l'année précédant l'année budgétaire ;
2° toutes les recettes découlant de l'application du présent décret ;
3° les autres moyens attribués au Fonds en vertu des dispositions légales et décrétales.
§ 3. Les moyens du Fonds pour l'environnement sont octroyés pour les frais de gestion liés à la préparation, l'organisation et l'exécution du présent décret.
§ 4. Le Gouvernement flamand gère le Fonds pour l'environnement.
Il met l'aide administrative et logistique nécessaire à la disposition du Fonds pour l'environnement et peut, conformément aux règles en vigueur, déléguer certaines de ses compétences au fonctionnaire dirigeant qu'il désigne à cette fin.
§ 5. Le Gouvernement flamand détermine le régime organique applicable à la gestion financière et matérielle du Fonds pour l'environnement.
Wijzigingen
Art.12. § 1. Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon is een dossiertaks verschuldigd in de volgende gevallen:
1° bij het indienen van een vergunningsaanvraag in eerste aanleg bij de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar;
2° bij het indienen van een beroep tegen een beslissing in eerste aanleg over een aanvraag tot omgevingsvergunning, behalve in geval van een beroep tegen een stilzwijgende weigering;
3° bij het indienen van een beroep tegen een beslissing in eerste aanleg over een verzoek tot bijstelling, behalve in geval van een beroep tegen een stilzwijgende weigering.
De beroepsindieners, vermeld in artikel 53, 3° tot en met 6°, zijn geen dossiertaks verschuldigd.
§ 2. De dossiertaks bedraagt:
1° in het geval van een aanvraag, vermeld in paragraaf 1, 1°, die behandeld wordt overeenkomstig de gewone procedure: 500 euro;
2° in alle andere in paragraaf 1 bedoelde gevallen: 100 euro.
§ 3. De dossiertaks wordt gestort op de volgende rekening:
1° de rekening van de provincie, als het een beroep bij de deputatie betreft;
2° de rekening van het Omgevingsfonds, als het een aanvraag of beroep bij de Vlaamse Regering betreft.
§ 4. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen inzake de dossiertaks.
1° bij het indienen van een vergunningsaanvraag in eerste aanleg bij de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar;
2° bij het indienen van een beroep tegen een beslissing in eerste aanleg over een aanvraag tot omgevingsvergunning, behalve in geval van een beroep tegen een stilzwijgende weigering;
3° bij het indienen van een beroep tegen een beslissing in eerste aanleg over een verzoek tot bijstelling, behalve in geval van een beroep tegen een stilzwijgende weigering.
De beroepsindieners, vermeld in artikel 53, 3° tot en met 6°, zijn geen dossiertaks verschuldigd.
§ 2. De dossiertaks bedraagt:
1° in het geval van een aanvraag, vermeld in paragraaf 1, 1°, die behandeld wordt overeenkomstig de gewone procedure: 500 euro;
2° in alle andere in paragraaf 1 bedoelde gevallen: 100 euro.
§ 3. De dossiertaks wordt gestort op de volgende rekening:
1° de rekening van de provincie, als het een beroep bij de deputatie betreft;
2° de rekening van het Omgevingsfonds, als het een aanvraag of beroep bij de Vlaamse Regering betreft.
§ 4. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen inzake de dossiertaks.
Art.12. § 1er. Toute personne physique ou morale est redevable d'une taxe de dossier dans les cas suivants :
1° lors de l'introduction d'une demande d'autorisation en première instance auprès du Gouvernement flamand ou du fonctionnaire environnement régional ;
2° lors de l'introduction d'un recours à l'encontre d'une décision en première instance concernant une demande d'autorisation, sauf en cas de recours à l'encontre d'un refus tacite ;
3° lors de l'introduction d'un recours à l'encontre d'une décision en première instance concernant une demande d'adaptation, sauf en cas de recours contre un refus tacite.
Les requérants visés à l'article 53, 3° à 6° inclus, ne sont pas redevables d'une taxe de dossier.
§ 2. La taxe de dossier s'élève à :
1° dans le cas d'une demande, telle que visée au paragraphe 1er, 1°, traitée selon la procédure ordinaire : 500 euros ;
2° dans tous les autres cas visés au paragraphe 1er : 100 euros.
§ 3. La taxe de dossier est versée sur le compte suivant :
1° le compte de la province si elle concerne un recours introduit auprès de la députation ;
2° le compte du Fonds pour l'environnement si elle concerne une demande ou un recours introduit auprès du Gouvernement flamand.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut fixer des règles relatives à la taxe de dossier.
1° lors de l'introduction d'une demande d'autorisation en première instance auprès du Gouvernement flamand ou du fonctionnaire environnement régional ;
2° lors de l'introduction d'un recours à l'encontre d'une décision en première instance concernant une demande d'autorisation, sauf en cas de recours à l'encontre d'un refus tacite ;
3° lors de l'introduction d'un recours à l'encontre d'une décision en première instance concernant une demande d'adaptation, sauf en cas de recours contre un refus tacite.
Les requérants visés à l'article 53, 3° à 6° inclus, ne sont pas redevables d'une taxe de dossier.
§ 2. La taxe de dossier s'élève à :
1° dans le cas d'une demande, telle que visée au paragraphe 1er, 1°, traitée selon la procédure ordinaire : 500 euros ;
2° dans tous les autres cas visés au paragraphe 1er : 100 euros.
§ 3. La taxe de dossier est versée sur le compte suivant :
1° le compte de la province si elle concerne un recours introduit auprès de la députation ;
2° le compte du Fonds pour l'environnement si elle concerne une demande ou un recours introduit auprès du Gouvernement flamand.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut fixer des règles relatives à la taxe de dossier.
Afdeling 6. - Administratieve lus
Section 6. - Boucle administrative
Art.13. Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 of artikel 52, vaststelt dat een onregelmatigheid die kan leiden tot een vernietiging van de beslissing, is begaan, kan ze de onregelmatigheid herstellen. [1 De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, kan ook van die mogelijkheid gebruikmaken om onregelmatigheden te herstellen die de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, heeft begaan.]1
De bevoegde overheid kan in voorkomend geval:
1° een nieuw openbaar onderzoek organiseren;
2° het advies van de omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, of de adviezen, vermeld in artikel 24, artikel 42 of artikel 59, alsnog, dan wel een tweede keer inwinnen.
De bevoegde overheid kan in voorkomend geval:
1° een nieuw openbaar onderzoek organiseren;
2° het advies van de omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, of de adviezen, vermeld in artikel 24, artikel 42 of artikel 59, alsnog, dan wel een tweede keer inwinnen.
Art.13. Si l'autorité compétente visée à l'article 15 ou l'article 52 constate qu'une irrégularité pouvant conduire à une annulation de la décision a été commise, elle peut réparer l'irrégularité. [1 L'autorité compétente visée à l'article 52 peut également recourir à cette possibilité afin de remédier aux irrégularités commises par l'autorité compétente visée à l'article 15. ]1
Le cas échéant, l'autorité compétente peut :
1° organiser une nouvelle enquête publique ;
2° recueillir ou recueillir une deuxième fois l'avis de la commission du permis d'environnement, visée à l'article 16, § 1er, ou les avis visés à l'article 24, l'article 42 ou l'article 59.
Le cas échéant, l'autorité compétente peut :
1° organiser une nouvelle enquête publique ;
2° recueillir ou recueillir une deuxième fois l'avis de la commission du permis d'environnement, visée à l'article 16, § 1er, ou les avis visés à l'article 24, l'article 42 ou l'article 59.
Wijzigingen
Afdeling 7. - Rapportage naleving beslissingstermijnen
Section 7. - Etablissement de rapports sur le respect des délais de décision
Art.14. De vergunningverlenende overheden rapporteren jaarlijks via de Vlaamse Regering aan het Vlaams Parlement over de naleving van de beslissingstermijnen voor vergunningsaanvragen, vermeld in dit decreet.
De rapportage door de gemeenten en de provincies gebeurt via de Vlaamse Regering volgens het model en op de wijze die door haar worden bepaald.
De rapportage heeft betrekking op vergunningsaanvragen die ingediend werden in het kalenderjaar dat zich situeert twee jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin wordt gerapporteerd.
De rapportage door de gemeenten en de provincies gebeurt via de Vlaamse Regering volgens het model en op de wijze die door haar worden bepaald.
De rapportage heeft betrekking op vergunningsaanvragen die ingediend werden in het kalenderjaar dat zich situeert twee jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin wordt gerapporteerd.
Art.14. Les autorités délivrant le permis rapportent annuellement, via le Gouvernement flamand, au Parlement flamand concernant le respect des délais de décision concernant les demandes d'autorisation visés dans le présent décret.
L'établissement de rapports par les communes et les provinces s'effectue via le Gouvernement flamand selon le modèle et les modalités définis par lui.
Les rapports ont trait aux demandes d'autorisation qui ont été introduites au cours de l'année civile qui se situe deux ans avant l'année civile au cours de laquelle le rapport est établi.
L'établissement de rapports par les communes et les provinces s'effectue via le Gouvernement flamand selon le modèle et les modalités définis par lui.
Les rapports ont trait aux demandes d'autorisation qui ont été introduites au cours de l'année civile qui se situe deux ans avant l'année civile au cours de laquelle le rapport est établi.
Afdeling 8. - [1 Digitalisering]1
Section 8. - [1 Numérisation ]1
Art. 14/1. [1 De procedures, vermeld in dit decreet, en de procedures die door dit decreet in andere decreten gewijzigd of ingevoerd worden, kunnen geheel of gedeeltelijk digitaal verlopen, conform de regels die de Vlaamse Regering bepaalt.
[2 De volgende aanvragen, verzoeken of ambtshalve initiatieven of meldingen worden digitaal ingediend: aanvragen, verzoeken of ambtshalve initiatieven of meldingen met betrekking tot:
1° Vlaamse projecten;
2° provinciale projecten;
3° projecten die niet zijn vrijgesteld van de medewerking van een architect;
4° de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste of de tweede klasse, als vermeld in artikel 5.2.1 van het DABM;
5° het verkavelen van gronden;
6° het bijstellen van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, als deze bijstelling een wijziging van de kavelgrenzen inhoudt.
In afwijking van het tweede lid mogen deze aanvragen analoog of digitaal worden ingediend als deze met toepassing van de geldende taalwetgeving in het Frans mogen worden ingediend.
Als de bevoegde overheid vaststelt dat bepaalde stukken van een analoog ingediende aanvraag, verzoek, melding of administratief beroep digitaal zijn opgesteld, dan kan zij de aanvrager, verzoeker, melder of beroepsindiener verzoeken deze stukken digitaal te bezorgen. Dezen gaan onverwijld op een dergelijk verzoek in.
De Vlaamse Regering kan de lijst, opgenomen in het tweede lid, wijzigen. Zij kan ook nadere regels uitwerken in geval van onbeschikbaarheid wegens technische storingen van het door Vlaanderen ter beschikking gestelde digitaal systeem, en hierbij de termijnen van de procedures, vermeld in dit decreet, opschorten of verlengen voor de duur van de technische storingen.]2 ]1
[2 De volgende aanvragen, verzoeken of ambtshalve initiatieven of meldingen worden digitaal ingediend: aanvragen, verzoeken of ambtshalve initiatieven of meldingen met betrekking tot:
1° Vlaamse projecten;
2° provinciale projecten;
3° projecten die niet zijn vrijgesteld van de medewerking van een architect;
4° de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste of de tweede klasse, als vermeld in artikel 5.2.1 van het DABM;
5° het verkavelen van gronden;
6° het bijstellen van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, als deze bijstelling een wijziging van de kavelgrenzen inhoudt.
In afwijking van het tweede lid mogen deze aanvragen analoog of digitaal worden ingediend als deze met toepassing van de geldende taalwetgeving in het Frans mogen worden ingediend.
Als de bevoegde overheid vaststelt dat bepaalde stukken van een analoog ingediende aanvraag, verzoek, melding of administratief beroep digitaal zijn opgesteld, dan kan zij de aanvrager, verzoeker, melder of beroepsindiener verzoeken deze stukken digitaal te bezorgen. Dezen gaan onverwijld op een dergelijk verzoek in.
De Vlaamse Regering kan de lijst, opgenomen in het tweede lid, wijzigen. Zij kan ook nadere regels uitwerken in geval van onbeschikbaarheid wegens technische storingen van het door Vlaanderen ter beschikking gestelde digitaal systeem, en hierbij de termijnen van de procedures, vermeld in dit decreet, opschorten of verlengen voor de duur van de technische storingen.]2 ]1
Art. 14/1. [1 Les procédures, indiquées dans ce décret, et les procédures qui sont, par le biais du présent décret, modifiées ou insérées dans d'autres décrets, doivent se dérouler, en tout ou en partie, de façon numérique, conformément aux règles déterminées par le Gouvernement flamand.
[2 Les introductions de demandes, requêtes, initiatives d'office ou notifications suivantes doivent se dérouler de façon numérique : demandes, requêtes, initiatives d'office ou notifications relatives :
1° à des projets flamands ;
2° à des projets provinciaux ;
3° à des projets qui ne sont pas exemptés du concours d'un architecte ;
4° à l'exploitation d'une exploitation ou d'une activité classée de première ou deuxième classe, telle que visée à l'article 5.2.1 du DABM ;
5° au lotissement de terrains ;
6° à l'ajustement d'un permis d'environnement pour le lotissement de terrains, lorsque cet ajustement comporte une modification des limites du lot.
Par dérogation à l'alinéa deux, ces demandes peuvent être introduites par voie analogue ou numérique lorsqu'elles peuvent être introduites en français dans le respect de la législation linguistique en vigueur.
Lorsque l'autorité compétente constate que certains documents d'une demande, d'une notification ou d'un recours administratif introduits par voie analogique sont établis sous format numérique, elle peut demander au demandeur, déclarant ou auteur du recours de remettre ces documents sous forme numérique. Ceux-ci font suite à une telle demande dans les plus brefs délais.
Le Gouvernement flamand peut modifier la liste, reprise à l'alinéa deux. Ce dernier peut également élaborer les modalités en cas d'indisponibilité pour cause de panne technique du système numérique mis à disposition par la Flandre, et suspendre ou prolonger, pour la durée de cette panne technique, les délais applicables aux procédures et visés dans le présent décret.]2 ]1
[2 Les introductions de demandes, requêtes, initiatives d'office ou notifications suivantes doivent se dérouler de façon numérique : demandes, requêtes, initiatives d'office ou notifications relatives :
1° à des projets flamands ;
2° à des projets provinciaux ;
3° à des projets qui ne sont pas exemptés du concours d'un architecte ;
4° à l'exploitation d'une exploitation ou d'une activité classée de première ou deuxième classe, telle que visée à l'article 5.2.1 du DABM ;
5° au lotissement de terrains ;
6° à l'ajustement d'un permis d'environnement pour le lotissement de terrains, lorsque cet ajustement comporte une modification des limites du lot.
Par dérogation à l'alinéa deux, ces demandes peuvent être introduites par voie analogue ou numérique lorsqu'elles peuvent être introduites en français dans le respect de la législation linguistique en vigueur.
Lorsque l'autorité compétente constate que certains documents d'une demande, d'une notification ou d'un recours administratif introduits par voie analogique sont établis sous format numérique, elle peut demander au demandeur, déclarant ou auteur du recours de remettre ces documents sous forme numérique. Ceux-ci font suite à une telle demande dans les plus brefs délais.
Le Gouvernement flamand peut modifier la liste, reprise à l'alinéa deux. Ce dernier peut également élaborer les modalités en cas d'indisponibilité pour cause de panne technique du système numérique mis à disposition par la Flandre, et suspendre ou prolonger, pour la durée de cette panne technique, les délais applicables aux procédures et visés dans le présent décret.]2 ]1
HOOFDSTUK 2. - De vergunningsprocedure in eerste administratieve aanleg
CHAPITRE 2. - La procédure d'autorisation en première instance administrative
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Onderafdeling 1. - Overheden die bevoegd zijn voor de kennisneming van en de beslissing over de vergunningsaanvraag
Sous-section 1re. - Autorités compétentes pour la prise de connaissance et la décision concernant la demande d'autorisation
Art.15. [1 § 1.]1 De Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar is in eerste administratieve aanleg bevoegd voor de volgende aanvragen van [1 ...]1:
1° de Vlaamse projecten;
2° de projecten die uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten omvatten als vermeld in artikel 5.1.1, 10°, van het DABM over twee of meer provincies.
De Vlaamse Regering bepaalt in welke gevallen de gewestelijke omgevingsambtenaar over de vergunningsaanvraag kan beslissen.
De deputatie is voor haar ambtsgebied in eerste administratieve aanleg bevoegd voor de volgende aanvragen van [1 ...]1:
1° de provinciale projecten;
2° de projecten die uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten omvatten als vermeld in artikel 5.1.1, 10°, van het DABM over twee of meer gemeenten in hun provincie;
3° de projecten die in de eerste klasse ingedeelde inrichtingen of activiteiten omvatten die noch een Vlaams noch een gemeentelijk project of een onderdeel van een van beide zijn.
Het college van burgemeester en schepenen is voor zijn ambtsgebied in eerste administratieve aanleg bevoegd voor volgende aanvragen van [1 ...]1:
1° de gemeentelijke projecten;
2° andere gevallen dan deze waarvoor de Vlaamse Regering of de deputatie bevoegd is.
[1 § 2. [2 Van een vergunningsaanvraag voor de verandering van een ingedeelde inrichting of activiteit, met uitzondering van de splitsing van een ingedeelde inrichting of activiteit, wordt kennisgenomen en wordt er een beslissing genomen door de overheid die overeenkomstig paragraaf 1 bevoegd is voor het project waartoe de ingedeelde inrichting of activiteit behoort na verandering.
Van een vergunningsaanvraag voor de splitsing van een ingedeelde inrichting of activiteit wordt kennisgenomen en wordt er een beslissing genomen door de overheid die overeenkomstig paragraaf 1 bevoegd is voor het project waartoe de ingedeelde inrichting of activiteit behoort voor de splitsing.]2
In afwijking van het eerste lid wordt van de vergunningsaanvraag die uitsluitend het slopen van een project of het herstel van de terreinen in hun oorspronkelijke staat en de daarvoor noodzakelijke exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit als voorwerp heeft, kennisgenomen en er wordt een beslissing over genomen door de overheid die overeenkomstig paragraaf 1 en 3, eerste lid, bevoegd is voor het project.
§ 3. [2 Voor de toepassing van de paragrafen 1 en 2 wordt als project beschouwd het geheel dat een bouwtechnisch en functioneel geheel vormt en waarbij in voorkomend geval de exploitatie een samenhangend technisch geheel vormt.
Een bedrijfswoning vormt samen met de bijhorende bedrijfsgebouwen één project.]2
§ 4. De verandering van meerdere op zichzelf staande projecten, [2 ...]2 kan als een gezamenlijk project worden aangevraagd.
Van de vergunningsaanvraag, vermeld in het eerste lid, wordt kennisgenomen en er wordt een beslissing over genomen door de overheid die overeenkomstig paragraaf 1 bevoegd is voor de totaliteit van het project.
§ 5. Voor de kennisneming van en de beslissing over een vergunningsaanvraag voor een project of voor de verandering van een project, waarvoor overeenkomstig de paragrafen 1, 2 of 4 het college van burgemeester en schepenen bevoegd is, is evenwel de deputatie bevoegd als het project of het project na verandering gelegen is op het grondgebied van twee of meer gemeenten.
§ 6. Voor de kennisneming van en de beslissing over een vergunningsaanvraag voor een project of voor de verandering van een project, waarvoor overeenkomstig paragrafen 1, 2, 4 of 5 het college van burgemeester en schepenen dan wel de deputatie bevoegd is, is evenwel de Vlaamse Regering bevoegd als het project of het project na verandering gelegen is op het grondgebied van twee of meer provincies.
§ 7. De vergunningsaanvraag die zowel betrekking heeft op de hernieuwing van de vergunning van bepaalde duur voor een project of voor een deel van een project als op de verandering ervan wordt ingediend bij de overheid die conform paragraaf 2 tot en met 6 bevoegd is.]1
1° de Vlaamse projecten;
2° de projecten die uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten omvatten als vermeld in artikel 5.1.1, 10°, van het DABM over twee of meer provincies.
De Vlaamse Regering bepaalt in welke gevallen de gewestelijke omgevingsambtenaar over de vergunningsaanvraag kan beslissen.
De deputatie is voor haar ambtsgebied in eerste administratieve aanleg bevoegd voor de volgende aanvragen van [1 ...]1:
1° de provinciale projecten;
2° de projecten die uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten omvatten als vermeld in artikel 5.1.1, 10°, van het DABM over twee of meer gemeenten in hun provincie;
3° de projecten die in de eerste klasse ingedeelde inrichtingen of activiteiten omvatten die noch een Vlaams noch een gemeentelijk project of een onderdeel van een van beide zijn.
Het college van burgemeester en schepenen is voor zijn ambtsgebied in eerste administratieve aanleg bevoegd voor volgende aanvragen van [1 ...]1:
1° de gemeentelijke projecten;
2° andere gevallen dan deze waarvoor de Vlaamse Regering of de deputatie bevoegd is.
[1 § 2. [2 Van een vergunningsaanvraag voor de verandering van een ingedeelde inrichting of activiteit, met uitzondering van de splitsing van een ingedeelde inrichting of activiteit, wordt kennisgenomen en wordt er een beslissing genomen door de overheid die overeenkomstig paragraaf 1 bevoegd is voor het project waartoe de ingedeelde inrichting of activiteit behoort na verandering.
Van een vergunningsaanvraag voor de splitsing van een ingedeelde inrichting of activiteit wordt kennisgenomen en wordt er een beslissing genomen door de overheid die overeenkomstig paragraaf 1 bevoegd is voor het project waartoe de ingedeelde inrichting of activiteit behoort voor de splitsing.]2
In afwijking van het eerste lid wordt van de vergunningsaanvraag die uitsluitend het slopen van een project of het herstel van de terreinen in hun oorspronkelijke staat en de daarvoor noodzakelijke exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit als voorwerp heeft, kennisgenomen en er wordt een beslissing over genomen door de overheid die overeenkomstig paragraaf 1 en 3, eerste lid, bevoegd is voor het project.
§ 3. [2 Voor de toepassing van de paragrafen 1 en 2 wordt als project beschouwd het geheel dat een bouwtechnisch en functioneel geheel vormt en waarbij in voorkomend geval de exploitatie een samenhangend technisch geheel vormt.
Een bedrijfswoning vormt samen met de bijhorende bedrijfsgebouwen één project.]2
§ 4. De verandering van meerdere op zichzelf staande projecten, [2 ...]2 kan als een gezamenlijk project worden aangevraagd.
Van de vergunningsaanvraag, vermeld in het eerste lid, wordt kennisgenomen en er wordt een beslissing over genomen door de overheid die overeenkomstig paragraaf 1 bevoegd is voor de totaliteit van het project.
§ 5. Voor de kennisneming van en de beslissing over een vergunningsaanvraag voor een project of voor de verandering van een project, waarvoor overeenkomstig de paragrafen 1, 2 of 4 het college van burgemeester en schepenen bevoegd is, is evenwel de deputatie bevoegd als het project of het project na verandering gelegen is op het grondgebied van twee of meer gemeenten.
§ 6. Voor de kennisneming van en de beslissing over een vergunningsaanvraag voor een project of voor de verandering van een project, waarvoor overeenkomstig paragrafen 1, 2, 4 of 5 het college van burgemeester en schepenen dan wel de deputatie bevoegd is, is evenwel de Vlaamse Regering bevoegd als het project of het project na verandering gelegen is op het grondgebied van twee of meer provincies.
§ 7. De vergunningsaanvraag die zowel betrekking heeft op de hernieuwing van de vergunning van bepaalde duur voor een project of voor een deel van een project als op de verandering ervan wordt ingediend bij de overheid die conform paragraaf 2 tot en met 6 bevoegd is.]1
Art.15. [1 § 1er.]1 Le Gouvernement flamand ou le fonctionnaire environnement régional est compétent en première instance administrative pour les demandes [1 ...]1 suivantes concernant :
1° les projets flamands ;
2° les projets comportant exclusivement des installations ou activités mobiles ou transportables telles que visées à l'article 5.1.1, 10°, du DABM réparties sur deux ou plusieurs provinces.
Le Gouvernement flamand détermine dans quels cas le fonctionnaire environnement régional peut statuer sur la demande d'autorisation.
La députation est, pour son ressort, compétente en première instance administrative pour les demandes [1 ...]1 suivantes concernant :
1° des projets provinciaux ;
2° des projets comportant exclusivement des installations ou activités mobiles ou transportables telles que visées à l'article 5.1.1, 10°, du DABM réparties sur deux ou plusieurs communes de sa province ;
3° des projets comportant des installations ou activités classées de première classe qui ne sont ni un projet flamand, ni un projet communal, ni une partie d'un projet flamand ou une communal.
Le collège des bourgmestre et échevins est, pour son ressort, compétent en première instance administrative pour les demandes [1 ...]1 suivantes concernant :
1° des projets communaux ;
2° les autres cas que ceux pour lesquels le Gouvernement flamand ou la députation est compétent(e).
[1 § 2. [2 Il sera pris connaissance et statué à propos d'une demande d'autorisation portant sur la modification d'une installation ou activité classée à l'exception de la scission d'une installation ou activité classée, par l'autorité qui, conformément au paragraphe 1er, est compétente pour le projet dont relève l'installation ou l'activité classée après modification.
Il sera pris connaissance et statué à propos d'une demande d'autorisation portant sur la scission d'une installation ou activité classée, par l'autorité qui, conformément au paragraphe 1er, est compétente pour le projet dont relève l'installation ou l'activité classée avant la scission.]2
Par dérogation au premier alinéa, l'autorité qui, conformément aux paragraphes 1 et 3, premier alinéa, est compétente pour le projet, prendra connaissance et statuera à propos de la demande d'autorisation qui concerne exclusivement la démolition d'un projet ou le rétablissement des terrains dans leur état initial et l'indispensable exploitation à cet effet d'un établissement ou d'une activité classé(e).
§ 3. [2 Pour l'application des paragraphes 1 et 2, est considéré comme projet l'ensemble qui forme un tout du point de vue fonctionnel et en termes de technique de construction et pour lequel, le cas échéant, l'exploitation constitue un ensemble technique cohérent.
Une habitation d'entreprise constitue, avec les bâtiments d'entreprise correspondants, un projet unique.]2
§ 4. La modification de plusieurs projets à part entière, [2 ...]2 peut être demandée sous la forme d'un projet commun.
L'autorité qui, conformément au paragraphe 1er, est compétente pour l'ensemble du projet prendra connaissance et statuera de la demande d'autorisation visée au premier alinéa.
§ 5. S'agissant de la prise de connaissance et de la décision à propos d'une demande d'autorisation pour un projet ou pour la modification d'un projet, pour lequel, conformément au paragraphe 1, 2 ou 4, le collège des bourgmestre et échevins est compétent, la députation sera toutefois compétente si le projet ou le projet après modification est situé sur le territoire de deux ou de plusieurs communes.
§ 6. S'agissant de la prise de connaissance et de la décision à propos d'une demande d'autorisation pour un projet ou pour la modification d'un projet, pour lequel, conformément au paragraphe 1, 2 ou 4, le collège des bourgmestre et échevins ou la députation est compétent, le Gouvernement flamand sera toutefois compétent si le projet ou le projet après modification est situé sur le territoire de deux ou de plusieurs provinces.
§ 7. La demande d'autorisation qui concerne à la fois le renouvellement de l'autorisation à durée déterminée pour un projet ou pour une partie d'un projet et la modification de cette autorisation sera déposée auprès de l'autorité qui est compétente conformément aux paragraphes 2 à 6 inclus.]1
1° les projets flamands ;
2° les projets comportant exclusivement des installations ou activités mobiles ou transportables telles que visées à l'article 5.1.1, 10°, du DABM réparties sur deux ou plusieurs provinces.
Le Gouvernement flamand détermine dans quels cas le fonctionnaire environnement régional peut statuer sur la demande d'autorisation.
La députation est, pour son ressort, compétente en première instance administrative pour les demandes [1 ...]1 suivantes concernant :
1° des projets provinciaux ;
2° des projets comportant exclusivement des installations ou activités mobiles ou transportables telles que visées à l'article 5.1.1, 10°, du DABM réparties sur deux ou plusieurs communes de sa province ;
3° des projets comportant des installations ou activités classées de première classe qui ne sont ni un projet flamand, ni un projet communal, ni une partie d'un projet flamand ou une communal.
Le collège des bourgmestre et échevins est, pour son ressort, compétent en première instance administrative pour les demandes [1 ...]1 suivantes concernant :
1° des projets communaux ;
2° les autres cas que ceux pour lesquels le Gouvernement flamand ou la députation est compétent(e).
[1 § 2. [2 Il sera pris connaissance et statué à propos d'une demande d'autorisation portant sur la modification d'une installation ou activité classée à l'exception de la scission d'une installation ou activité classée, par l'autorité qui, conformément au paragraphe 1er, est compétente pour le projet dont relève l'installation ou l'activité classée après modification.
Il sera pris connaissance et statué à propos d'une demande d'autorisation portant sur la scission d'une installation ou activité classée, par l'autorité qui, conformément au paragraphe 1er, est compétente pour le projet dont relève l'installation ou l'activité classée avant la scission.]2
Par dérogation au premier alinéa, l'autorité qui, conformément aux paragraphes 1 et 3, premier alinéa, est compétente pour le projet, prendra connaissance et statuera à propos de la demande d'autorisation qui concerne exclusivement la démolition d'un projet ou le rétablissement des terrains dans leur état initial et l'indispensable exploitation à cet effet d'un établissement ou d'une activité classé(e).
§ 3. [2 Pour l'application des paragraphes 1 et 2, est considéré comme projet l'ensemble qui forme un tout du point de vue fonctionnel et en termes de technique de construction et pour lequel, le cas échéant, l'exploitation constitue un ensemble technique cohérent.
Une habitation d'entreprise constitue, avec les bâtiments d'entreprise correspondants, un projet unique.]2
§ 4. La modification de plusieurs projets à part entière, [2 ...]2 peut être demandée sous la forme d'un projet commun.
L'autorité qui, conformément au paragraphe 1er, est compétente pour l'ensemble du projet prendra connaissance et statuera de la demande d'autorisation visée au premier alinéa.
§ 5. S'agissant de la prise de connaissance et de la décision à propos d'une demande d'autorisation pour un projet ou pour la modification d'un projet, pour lequel, conformément au paragraphe 1, 2 ou 4, le collège des bourgmestre et échevins est compétent, la députation sera toutefois compétente si le projet ou le projet après modification est situé sur le territoire de deux ou de plusieurs communes.
§ 6. S'agissant de la prise de connaissance et de la décision à propos d'une demande d'autorisation pour un projet ou pour la modification d'un projet, pour lequel, conformément au paragraphe 1, 2 ou 4, le collège des bourgmestre et échevins ou la députation est compétent, le Gouvernement flamand sera toutefois compétent si le projet ou le projet après modification est situé sur le territoire de deux ou de plusieurs provinces.
§ 7. La demande d'autorisation qui concerne à la fois le renouvellement de l'autorisation à durée déterminée pour un projet ou pour une partie d'un projet et la modification de cette autorisation sera déposée auprès de l'autorité qui est compétente conformément aux paragraphes 2 à 6 inclus.]1
Art. 15/1. [1 Voor de kennisneming van en de beslissing over een vergunningsaanvraag voor een project of voor de verandering van een project, waarvoor overeenkomstig artikel 15 het college van burgemeester en schepenen bevoegd is, is evenwel de deputatie bevoegd als voldaan is aan volgende twee voorwaarden:
1° voor het project moet een milieueffectrapport worden opgesteld en is er geen ontheffing van de rapportageverplichting verkregen;
2° het college van burgemeester en schepenen is initiatiefnemer en aanvrager van het project.
Voor de kennisneming van en de beslissing over een vergunningsaanvraag voor een project of voor de verandering van een project, waarvoor overeenkomstig artikel 15 de deputatie bevoegd is, is evenwel de Vlaamse Regering bevoegd als voldaan is aan volgende twee voorwaarden:
1° voor het project moet een milieueffectrapport worden opgesteld en is er geen ontheffing van de rapportageverplichting verkregen;
2° de deputatie is initiatiefnemer en aanvrager van het project.]1
[2 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als louter een project-MER-screening aan de aanvraag wordt toegevoegd. In dat geval is artikel 20, tweede lid, respectievelijk artikel 39, tweede lid, van toepassing.]2
1° voor het project moet een milieueffectrapport worden opgesteld en is er geen ontheffing van de rapportageverplichting verkregen;
2° het college van burgemeester en schepenen is initiatiefnemer en aanvrager van het project.
Voor de kennisneming van en de beslissing over een vergunningsaanvraag voor een project of voor de verandering van een project, waarvoor overeenkomstig artikel 15 de deputatie bevoegd is, is evenwel de Vlaamse Regering bevoegd als voldaan is aan volgende twee voorwaarden:
1° voor het project moet een milieueffectrapport worden opgesteld en is er geen ontheffing van de rapportageverplichting verkregen;
2° de deputatie is initiatiefnemer en aanvrager van het project.]1
[2 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als louter een project-MER-screening aan de aanvraag wordt toegevoegd. In dat geval is artikel 20, tweede lid, respectievelijk artikel 39, tweede lid, van toepassing.]2
Art. 15/1. [1 Pour la prise de connaissance et la décision concernant une demande de permis pour un projet ou pour la modification d'un projet, pour lesquels, conformément à l'article 15, le collège des bourgmestre et échevins est compétent, la députation est toutefois compétente, s'il est satisfait aux deux conditions suivantes :
1° un rapport d'évaluation des incidences environnementales doit être établi et aucune exemption de l'obligation de faire un rappport n'a été obtenue pour le projet ;
2° le collège des bourgmestre et échevins est l'initiateur et le demandeur du projet.
Pour la prise de connaissance et la décision concernant une demande de permis pour un projet ou pour la modification d'un projet, pour lesquels, conformément à l'article 15, la députation est compétente, le Gouvernement flamand est toutefois compétent, s'il est satisfait aux deux conditions suivantes :
1° un rapport d'évaluation des incidences environnementales doit être établi et aucune exemption de l'obligation de faire un rapport n'a été obtenue pour le projet ;
2° la députation est l'initiateur et le demandeur du projet.]1
[2 Les alinéas 1er et 2 ne s'appliquent pas si un simple screening du RIE de projet est ajouté à la demande. Dans ce cas, l'article 20, alinéa 2, et l'article 39, alinéa 2, s'appliquent respectivement.]2
1° un rapport d'évaluation des incidences environnementales doit être établi et aucune exemption de l'obligation de faire un rappport n'a été obtenue pour le projet ;
2° le collège des bourgmestre et échevins est l'initiateur et le demandeur du projet.
Pour la prise de connaissance et la décision concernant une demande de permis pour un projet ou pour la modification d'un projet, pour lesquels, conformément à l'article 15, la députation est compétente, le Gouvernement flamand est toutefois compétent, s'il est satisfait aux deux conditions suivantes :
1° un rapport d'évaluation des incidences environnementales doit être établi et aucune exemption de l'obligation de faire un rapport n'a été obtenue pour le projet ;
2° la députation est l'initiateur et le demandeur du projet.]1
[2 Les alinéas 1er et 2 ne s'appliquent pas si un simple screening du RIE de projet est ajouté à la demande. Dans ce cas, l'article 20, alinéa 2, et l'article 39, alinéa 2, s'appliquent respectivement.]2
Onderafdeling 2. - Omgevingsvergunningscommissie
Sous-section 2. - Commission du permis d'environnement
Art.16. § 1. In iedere provincie wordt een provinciale omgevingsvergunningscommissie opgericht die het college van burgemeester en schepenen en de deputatie advies verleent in de gevallen die door de Vlaamse Regering worden bepaald.
Er wordt een gewestelijke omgevingsvergunningscommissie opgericht die de Vlaamse Regering advies verleent in de gevallen die door de Vlaamse Regering worden bepaald.
§ 2. De commissies zijn samengesteld uit een voorzitter, een secretaris, deskundigen en vertegenwoordigers van de instanties die bevoegd zijn om advies te geven. Het betrokken college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar maakt deel uit van de commissies met raadgevende stem behalve als de te behandelen aanvraag of het te behandelen beroep van het college uitgaat.
De deputatie en de Vlaamse Regering wijzen de voorzitter, de secretaris en de deskundigen aan die in de provinciale respectievelijk de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie zetelen.
De provinciale en de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie beschikken elk over een permanent secretariaat.
§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels voor de samenstelling en de werking van de provinciale en de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie.
Er wordt een gewestelijke omgevingsvergunningscommissie opgericht die de Vlaamse Regering advies verleent in de gevallen die door de Vlaamse Regering worden bepaald.
§ 2. De commissies zijn samengesteld uit een voorzitter, een secretaris, deskundigen en vertegenwoordigers van de instanties die bevoegd zijn om advies te geven. Het betrokken college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar maakt deel uit van de commissies met raadgevende stem behalve als de te behandelen aanvraag of het te behandelen beroep van het college uitgaat.
De deputatie en de Vlaamse Regering wijzen de voorzitter, de secretaris en de deskundigen aan die in de provinciale respectievelijk de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie zetelen.
De provinciale en de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie beschikken elk over een permanent secretariaat.
§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels voor de samenstelling en de werking van de provinciale en de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie.
Art.16. § 1er. Dans chaque province, une commission provinciale du permis d'environnement est créée en vue de fournir des avis au collège des bourgmestre et échevins et à la députation dans les cas fixés par le Gouvernement flamand.
Une commission régionale du permis d'environnement est créée en vue de fournir des avis au Gouvernement flamand dans les cas fixés par le Gouvernement flamand.
§ 2. Les commissions sont composées d'un président, d'un secrétaire, d'experts et de représentants des instances qui sont compétentes pour rendre des avis. Le collège des bourgmestre et échevins concerné ou le fonctionnaire environnement communal siège au sein des commissions avec une voix consultative si la demande ou le recours à traiter émane du collège.
La députation et le Gouvernement flamand désignent le président, le secrétaire et les experts qui siègent au sein des commissions provinciale et régionale du permis d'environnement, respectivement.
Les commissions provinciale et régionale du permis d'environnement disposent chacune d'un secrétariat permanent.
§ 3. Le Gouvernement flamand fixe les règles pour la composition et le fonctionnement des commissions provinciale et régionale du permis d'environnement.
Une commission régionale du permis d'environnement est créée en vue de fournir des avis au Gouvernement flamand dans les cas fixés par le Gouvernement flamand.
§ 2. Les commissions sont composées d'un président, d'un secrétaire, d'experts et de représentants des instances qui sont compétentes pour rendre des avis. Le collège des bourgmestre et échevins concerné ou le fonctionnaire environnement communal siège au sein des commissions avec une voix consultative si la demande ou le recours à traiter émane du collège.
La députation et le Gouvernement flamand désignent le président, le secrétaire et les experts qui siègent au sein des commissions provinciale et régionale du permis d'environnement, respectivement.
Les commissions provinciale et régionale du permis d'environnement disposent chacune d'un secrétariat permanent.
§ 3. Le Gouvernement flamand fixe les règles pour la composition et le fonctionnement des commissions provinciale et régionale du permis d'environnement.
Onderafdeling 3. - Soorten vergunningsprocedures
Sous-section 3. - Types de procédure d'autorisation
Art.17. § 1. Er bestaan twee onderscheiden procedures voor het verlenen van de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg, namelijk:
1° de gewone vergunningsprocedure, vermeld in afdeling 2;
2° de vereenvoudigde vergunningsprocedure, vermeld in afdeling 3.
§ 2. De vereenvoudigde vergunningsprocedure is van toepassing voor:
1° een beperkte verandering van een vergund project;
2° een project dat uitsluitend tijdelijke inrichtingen of activiteiten omvat als vermeld in artikel 5.1.1, 11°, van het DABM;
3° de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst, tenzij de wijziging of aanvulling van de indelingslijst tot gevolg heeft dat een milieueffectrapport of een omgevingsveiligheidsrapport moet worden opgesteld of een passende beoordeling moet worden uitgevoerd;
4° de types van projecten die door de Vlaamse Regering worden aangewezen.
De Vlaamse Regering bepaalt de criteria waaronder de vergunningverlenende overheid vaststelt dat een verandering van een vergund project beperkt is als vermeld in het eerste lid, 1°.
§ 3. De vereenvoudigde vergunningsprocedure is niet van toepassing voor projecten waarvoor de vergunningsaanvraag minstens een van de volgende bijlagen moet omvatten:
1° een milieueffectrapport;
2° een veiligheidsrapport;
3° een passende beoordeling als vermeld in artikel 36ter, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.
[1 § 4. De vereenvoudigde vergunningsprocedure is niet van toepassing voor projecten waarvoor met toepassing van artikel 31 een beslissing van de gemeenteraad vereist is over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg.]1
1° de gewone vergunningsprocedure, vermeld in afdeling 2;
2° de vereenvoudigde vergunningsprocedure, vermeld in afdeling 3.
§ 2. De vereenvoudigde vergunningsprocedure is van toepassing voor:
1° een beperkte verandering van een vergund project;
2° een project dat uitsluitend tijdelijke inrichtingen of activiteiten omvat als vermeld in artikel 5.1.1, 11°, van het DABM;
3° de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst, tenzij de wijziging of aanvulling van de indelingslijst tot gevolg heeft dat een milieueffectrapport of een omgevingsveiligheidsrapport moet worden opgesteld of een passende beoordeling moet worden uitgevoerd;
4° de types van projecten die door de Vlaamse Regering worden aangewezen.
De Vlaamse Regering bepaalt de criteria waaronder de vergunningverlenende overheid vaststelt dat een verandering van een vergund project beperkt is als vermeld in het eerste lid, 1°.
§ 3. De vereenvoudigde vergunningsprocedure is niet van toepassing voor projecten waarvoor de vergunningsaanvraag minstens een van de volgende bijlagen moet omvatten:
1° een milieueffectrapport;
2° een veiligheidsrapport;
3° een passende beoordeling als vermeld in artikel 36ter, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.
[1 § 4. De vereenvoudigde vergunningsprocedure is niet van toepassing voor projecten waarvoor met toepassing van artikel 31 een beslissing van de gemeenteraad vereist is over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg.]1
Art.17. § 1er. Il existe deux procédures distinctes pour l'octroi du permis d'environnement en première instance administrative, à savoir :
1° la procédure d'autorisation ordinaire, visée à la section 2 ;
2° la procédure d'autorisation simplifiée, visée à la section 3.
§ 2. La procédure d'autorisation simplifiée est d'application pour :
1° un changement restreint à un projet autorisé ;
2° un projet qui comporte exclusivement des installations ou activités temporaires telles que visées à l'article 5.1.1, 11°, du DABM ;
3° l'exploitation d'une installation ou activité qui devient soumise à une obligation d'autorisation après sa mise en exploitation suite à une adaptation par ajout ou modification de la liste de classification, à moins que l'ajout ou la modification de la liste de classification ait pour conséquence qu'une évaluation des incidences sur l'environnement ou un rapport de sécurité environnementale doit être dressé ou qu'une évaluation appropriée doit être réalisée ;
4° les types de projet qui sont désignés par le Gouvernement flamand.
Le Gouvernement flamand détermine les critères à l'aide desquels l'autorité délivrant le permis établit qu'un changement à un projet autorisé est restreint au sens de l'alinéa premier, 1°.
§ 3. La procédure d'autorisation simplifiée ne s'applique pas aux projets pour lesquels la demande d'autorisation doit comporter au moins une des annexes suivantes :
1° une évaluation des incidences sur l'environnement ;
2° un rapport de sécurité ;
3° une évaluation appropriée, telle que mentionnée à l'article 36ter, § 3, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.
[1 § 4. La procédure d'autorisation simplifiée ne s'applique pas aux projets pour lesquels, en application de l'article 31, une décision du conseil communal est requise concernant l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression d'une route communale.]1
1° la procédure d'autorisation ordinaire, visée à la section 2 ;
2° la procédure d'autorisation simplifiée, visée à la section 3.
§ 2. La procédure d'autorisation simplifiée est d'application pour :
1° un changement restreint à un projet autorisé ;
2° un projet qui comporte exclusivement des installations ou activités temporaires telles que visées à l'article 5.1.1, 11°, du DABM ;
3° l'exploitation d'une installation ou activité qui devient soumise à une obligation d'autorisation après sa mise en exploitation suite à une adaptation par ajout ou modification de la liste de classification, à moins que l'ajout ou la modification de la liste de classification ait pour conséquence qu'une évaluation des incidences sur l'environnement ou un rapport de sécurité environnementale doit être dressé ou qu'une évaluation appropriée doit être réalisée ;
4° les types de projet qui sont désignés par le Gouvernement flamand.
Le Gouvernement flamand détermine les critères à l'aide desquels l'autorité délivrant le permis établit qu'un changement à un projet autorisé est restreint au sens de l'alinéa premier, 1°.
§ 3. La procédure d'autorisation simplifiée ne s'applique pas aux projets pour lesquels la demande d'autorisation doit comporter au moins une des annexes suivantes :
1° une évaluation des incidences sur l'environnement ;
2° un rapport de sécurité ;
3° une évaluation appropriée, telle que mentionnée à l'article 36ter, § 3, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.
[1 § 4. La procédure d'autorisation simplifiée ne s'applique pas aux projets pour lesquels, en application de l'article 31, une décision du conseil communal est requise concernant l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression d'une route communale.]1
Wijzigingen
Afdeling 2. - Gewone vergunningsprocedure
Section 2. - Procédure d'autorisation ordinaire
Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek
Sous-section 1re. - Examen de recevabilité et de complétude
Art.18. De vergunningsaanvraag wordt per beveiligde zending ingediend bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15.
[2 [3 ...]3]2
[1 [3 ...]3.]1
De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van de vergunningsaanvraag.
[2 [3 ...]3]2
[1 [3 ...]3.]1
De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van de vergunningsaanvraag.
Art.18. La demande d'autorisation est introduite par envoi sécurisé auprès de l'autorité compétente visée à l'article 15.
[2 [3 ...]3.]2
[1 [3 ...]3.]1
Le Gouvernement flamand fixe le contenu de la demande d'autorisation.
[2 [3 ...]3.]2
[1 [3 ...]3.]1
Le Gouvernement flamand fixe le contenu de la demande d'autorisation.
Art.19. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, [1 of de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar]1 onderzoekt de vergunningsaanvraag op haar ontvankelijkheid en volledigheid.
Als de vergunningsaanvraag onvolledig is, kan de bevoegde overheid, [1 de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde]1 de vergunningsaanvrager per beveiligde zending vragen om de ontbrekende gegevens of documenten aan de aanvraag toe te voegen en de termijn bepalen waarbinnen dit moet gebeuren.
Als de vergunningsaanvraag onvolledig is, kan de bevoegde overheid, [1 de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde]1 de vergunningsaanvrager per beveiligde zending vragen om de ontbrekende gegevens of documenten aan de aanvraag toe te voegen en de termijn bepalen waarbinnen dit moet gebeuren.
Art.19. L'autorité compétente visée à l'article 15, [1 ou le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional]1 examine si la demande d'autorisation est complète et recevable.
Si la demande d'autorisation est incomplète, l'autorité compétente, [1 ou le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional]1 peut, par envoi sécurisé, demander au requérant d'ajouter les données ou documents manquants à la demande et fixer le délai dont il dispose à cet effet.
Si la demande d'autorisation est incomplète, l'autorité compétente, [1 ou le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional]1 peut, par envoi sécurisé, demander au requérant d'ajouter les données ou documents manquants à la demande et fixer le délai dont il dispose à cet effet.
Wijzigingen
Art.20. Als met toepassing van artikel 4.3.3, § 2, van het DABM bij de vergunningsaanvraag een project-m.e.r.-screeningsnota is gevoegd, onderzoekt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, [1 of de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar]1 die nota en beslist of er over het project een milieueffectrapport moet worden opgesteld.
[1 Als de aanvraag door de bevoegde overheid zelf wordt ingediend, dan verricht de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar de in het eerste lid vermelde taken.]1
[1 Als de aanvraag door de bevoegde overheid zelf wordt ingediend, dan verricht de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar de in het eerste lid vermelde taken.]1
Art.20. Si, en application de l'article 4.3.3, § 2, du DABM, la demande d'autorisation comprend une note de screening de projet MER, l'autorité compétente, visée à l'article 15, [1 ou le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional]1 examine cette note et prend une décision quant à la nécessité d'établir une évaluation des incidences sur l'environnement pour le projet.
[1 Si la demande est introduite par l'autorité compétente elle-même, le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional effectue les tâches mentionnées au premier alinéa.]1
[1 Si la demande est introduite par l'autorité compétente elle-même, le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional effectue les tâches mentionnées au premier alinéa.]1
Wijzigingen
Art.21. Het resultaat van het onderzoek, vermeld in artikel 19 en 20, wordt bij beveiligde zending aan de aanvrager meegedeeld binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag na de datum waarop de vergunningsaanvraag is ingediend hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten.
De beslissing dat er voor het project een milieueffectrapport moet worden opgesteld, heeft van rechtswege de onvolledigheid van de vergunningsaanvraag en de stopzetting van de vergunningsprocedure tot gevolg.
[1 Als het resultaat van het onderzoek, vermeld in artikel 20, niet binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, aan de indiener van de vergunningsaanvraag is verzonden, doet de bevoegde vergunningverlenende overheid binnen een termijn van negentig dagen vanaf de dag na de datum waarop de vergunningsaanvraag is ingediend hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten uitdrukkelijk uitspraak of er een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Als zij beslist dat er een milieueffectrapport moet worden opgesteld verklaart zij de vergunningsaanvraag onvolledig en zonder voorwerp en wordt de procedure stopgezet.
Tegen de beslissing dat er een milieueffectrapport moet worden opgesteld, de vergunningsaanvraag onvolledig en zonder voorwerp is en tegen de stopzetting van de procedure kan geen administratief beroep als vermeld in hoofdstuk 3 worden ingesteld.]1
Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 20, beslist dat er een milieueffectrapport over het project moet worden opgesteld, kan de aanvrager een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting indienen bij de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 4.3.3, § 3 tot en met § 9, van het DABM. De beslissing van de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage, vermeld in artikel 4.3.3, § 6, van hetzelfde decreet, is bindend voor de bevoegde overheid, vermeld in artikel 20.
De beslissing dat er voor het project een milieueffectrapport moet worden opgesteld, heeft van rechtswege de onvolledigheid van de vergunningsaanvraag en de stopzetting van de vergunningsprocedure tot gevolg.
[1 Als het resultaat van het onderzoek, vermeld in artikel 20, niet binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, aan de indiener van de vergunningsaanvraag is verzonden, doet de bevoegde vergunningverlenende overheid binnen een termijn van negentig dagen vanaf de dag na de datum waarop de vergunningsaanvraag is ingediend hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten uitdrukkelijk uitspraak of er een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Als zij beslist dat er een milieueffectrapport moet worden opgesteld verklaart zij de vergunningsaanvraag onvolledig en zonder voorwerp en wordt de procedure stopgezet.
Tegen de beslissing dat er een milieueffectrapport moet worden opgesteld, de vergunningsaanvraag onvolledig en zonder voorwerp is en tegen de stopzetting van de procedure kan geen administratief beroep als vermeld in hoofdstuk 3 worden ingesteld.]1
Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 20, beslist dat er een milieueffectrapport over het project moet worden opgesteld, kan de aanvrager een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting indienen bij de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 4.3.3, § 3 tot en met § 9, van het DABM. De beslissing van de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage, vermeld in artikel 4.3.3, § 6, van hetzelfde decreet, is bindend voor de bevoegde overheid, vermeld in artikel 20.
Art.21. Le résultat de l'examen, visé aux articles 19 et 20, est communiqué au requérant par envoi sécurisé dans un délai de trente jour à compter du jour suivant la date à laquelle la demande d'autorisation a été introduite ou la date de réception des données ou documents manquants.
La décision qu'une évaluation des incidences sur l'environnement doit être rédigée pour le projet a d'office pour conséquence l'incomplétude de la demande d'autorisation et l'arrêt de la procédure d'autorisation.
[1 Si le résultat de l'examen visé à l'article 20 n'est pas envoyé au demandeur de la demande d'autorisation dans le délai visé au premier alinéa, l'autorité compétente délivrant le permis statuera explicitement, dans un délai de nonante jours à compter du jour qui suit la date à laquelle la demande d'autorisation est déposée, ou après la réception des données ou des documents manquants, sur la nécessité éventuelle de réaliser une évaluation des incidences sur l'environnement. Si elle décide qu'une évaluation des incidences sur l'environnement doit être réalisée, elle déclarera la demande d'autorisation incomplète et sans objet, et la procédure sera interrompue.
Aucun recours administratif tel que visé au chapitre 3 ne peut être déposé à l'encontre de la décision imposant l'établissement d'une évaluation des incidences sur l'environnement, à l'encontre de la décision d'incomplétude ou d'absence d'objet de la demande d'autorisation ni à l'encontre de l'arrêt de la procédure.]1
Lorsque l'autorité compétente, visée à l'article 20, décide qu'une évaluation des incidences sur l'environnement doit être établie pour le projet, le demandeur peut introduire une demande motivée de dispense de l'obligation de rapportage auprès de la division compétente pour le rapportage d'évaluation des incidences sur l'environnement, conformément à la procédure visée à l'article 4.3.3, § 3 à § 9 inclus du DABM.La décision de la division compétente pour l'évaluation des incidences sur l'environnement, visée à l'article 4.3.3., § 6, du même décret, est une décision contraignante pour l'autorité visée à l'article 20.
La décision qu'une évaluation des incidences sur l'environnement doit être rédigée pour le projet a d'office pour conséquence l'incomplétude de la demande d'autorisation et l'arrêt de la procédure d'autorisation.
[1 Si le résultat de l'examen visé à l'article 20 n'est pas envoyé au demandeur de la demande d'autorisation dans le délai visé au premier alinéa, l'autorité compétente délivrant le permis statuera explicitement, dans un délai de nonante jours à compter du jour qui suit la date à laquelle la demande d'autorisation est déposée, ou après la réception des données ou des documents manquants, sur la nécessité éventuelle de réaliser une évaluation des incidences sur l'environnement. Si elle décide qu'une évaluation des incidences sur l'environnement doit être réalisée, elle déclarera la demande d'autorisation incomplète et sans objet, et la procédure sera interrompue.
Aucun recours administratif tel que visé au chapitre 3 ne peut être déposé à l'encontre de la décision imposant l'établissement d'une évaluation des incidences sur l'environnement, à l'encontre de la décision d'incomplétude ou d'absence d'objet de la demande d'autorisation ni à l'encontre de l'arrêt de la procédure.]1
Lorsque l'autorité compétente, visée à l'article 20, décide qu'une évaluation des incidences sur l'environnement doit être établie pour le projet, le demandeur peut introduire une demande motivée de dispense de l'obligation de rapportage auprès de la division compétente pour le rapportage d'évaluation des incidences sur l'environnement, conformément à la procédure visée à l'article 4.3.3, § 3 à § 9 inclus du DABM.La décision de la division compétente pour l'évaluation des incidences sur l'environnement, visée à l'article 4.3.3., § 6, du même décret, est une décision contraignante pour l'autorité visée à l'article 20.
Wijzigingen
Art.22. Als de overheid waarbij de vergunningsaanvraag is ingediend, vaststelt dat ze niet bevoegd is voor de aanvraag, stuurt ze die aanvraag onmiddellijk door naar de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15. De overheid waarbij de vergunningsaanvraag is ingediend, brengt de aanvrager er tegelijkertijd van op de hoogte dat de aanvraag is doorgestuurd. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, behandelt vervolgens de vergunningsaanvraag.
Voor de toepassing van dit decreet geldt de datum waarop de overheid de vergunningsaanvraag doorstuurt naar de bevoegde overheid als de datum waarop de aanvraag is ingediend.
Voor de toepassing van dit decreet geldt de datum waarop de overheid de vergunningsaanvraag doorstuurt naar de bevoegde overheid als de datum waarop de aanvraag is ingediend.
Art.22. Lorsque l'autorité auprès de laquelle la demande d'autorisation est introduite constate qu'elle n'est pas compétente pour la demande, elle transmet immédiatement la demande à l'autorité compétente, visée à l'article 15. L'autorité auprès de laquelle la demande d'autorisation est introduite informe simultanément le demandeur du fait que la demande est transmise. L'autorité compétente, visée à l'article 15, traite ensuite la demande d'autorisation.
Pour l'application du présent décret, la date à laquelle l'autorité transmet la demande d'autorisation à l'autorité compétente vaut comme date d'introduction de la demande.
Pour l'application du présent décret, la date à laquelle l'autorité transmet la demande d'autorisation à l'autorité compétente vaut comme date d'introduction de la demande.
Onderafdeling 2. - Onderzoek van het project
Sous-section 2. - Examen du projet
Art.23. Er wordt een openbaar onderzoek georganiseerd over de vergunningsaanvraag.
Gedurende het openbaar onderzoek kan iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon zijn standpunten, opmerkingen en bezwaren indienen.
[1 Als de vergunningsaanvraag een milieueffectrapport of omgevingsveiligheidsrapport over een project omvat, behandelt het openbaar onderzoek ook de inhoud van dat rapport, tenzij dit rapport al goedgekeurd en nog actueel is.]1
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de organisatie van het openbaar onderzoek. Ze kan de vergunningsaanvragen bepalen waarvoor het openbaar onderzoek een informatievergadering omvat alsook de nadere regels voor de organisatie van die informatievergadering.
Gedurende het openbaar onderzoek kan iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon zijn standpunten, opmerkingen en bezwaren indienen.
[1 Als de vergunningsaanvraag een milieueffectrapport of omgevingsveiligheidsrapport over een project omvat, behandelt het openbaar onderzoek ook de inhoud van dat rapport, tenzij dit rapport al goedgekeurd en nog actueel is.]1
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de organisatie van het openbaar onderzoek. Ze kan de vergunningsaanvragen bepalen waarvoor het openbaar onderzoek een informatievergadering omvat alsook de nadere regels voor de organisatie van die informatievergadering.
Art.23. Une enquête publique est organisée en vue d'examiner la demande d'autorisation.
Pendant l'enquête publique, toute personne physique ou morale peut notifier ses points de vue, remarques et objections.
[1 Si la demande d'autorisation englobe une évaluation des incidences sur l'environnement ou un rapport de sécurité environnementale à propos d'un projet, l'enquête publique examinera également le contenu de ce rapport, à moins que ce rapport ait déjà été approuvé et soit toujours d'actualité.]1
Le Gouvernement flamand fixe les règles pour l'organisation de l'enquête publique. Il peut définir les demandes d'autorisation pour lesquelles l'enquête publique comporte également une réunion d'information, ainsi que les règles relatives à l'organisation de cette réunion d'information.
Pendant l'enquête publique, toute personne physique ou morale peut notifier ses points de vue, remarques et objections.
[1 Si la demande d'autorisation englobe une évaluation des incidences sur l'environnement ou un rapport de sécurité environnementale à propos d'un projet, l'enquête publique examinera également le contenu de ce rapport, à moins que ce rapport ait déjà été approuvé et soit toujours d'actualité.]1
Le Gouvernement flamand fixe les règles pour l'organisation de l'enquête publique. Il peut définir les demandes d'autorisation pour lesquelles l'enquête publique comporte également une réunion d'information, ainsi que les règles relatives à l'organisation de cette réunion d'information.
Wijzigingen
Art.24. De Vlaamse Regering wijst de adviesinstanties aan die over een vergunningsaanvraag advies verlenen.
Het advies van het college van burgemeester en schepenen of van de gemeentelijke omgevingsambtenaar op het ambtsgebied waarvan de vergunningsaanvraag betrekking heeft, wordt altijd ingewonnen als de deputatie of de Vlaamse Regering de bevoegde overheid is tenzij:
1° de aanvraag ingediend is door het betrokken college;
2° de aanvraag louter betrekking heeft op mobiele of verplaatsbare ingedeelde inrichtingen of activiteiten.
Het advies van het college van burgemeester en schepenen of van de gemeentelijke omgevingsambtenaar op het ambtsgebied waarvan de vergunningsaanvraag betrekking heeft, wordt altijd ingewonnen als de deputatie of de Vlaamse Regering de bevoegde overheid is tenzij:
1° de aanvraag ingediend is door het betrokken college;
2° de aanvraag louter betrekking heeft op mobiele of verplaatsbare ingedeelde inrichtingen of activiteiten.
Art.24. Le Gouvernement flamand désigne les instances d'avis chargées de rendre un avis au sujet d'une demande d'autorisation.
L'avis du collège des bourgmestre et échevins ou du fonctionnaire environnement communal du ressort duquel appartient la demande d'autorisation est toujours recueilli si la députation ou le Gouvernement flamand constitue l'autorité compétente, à moins que :
1° la demande ait été introduite par le collège en question ;
2° la demande se rapporte uniquement à des installations ou activités classées mobiles ou transportables.
L'avis du collège des bourgmestre et échevins ou du fonctionnaire environnement communal du ressort duquel appartient la demande d'autorisation est toujours recueilli si la députation ou le Gouvernement flamand constitue l'autorité compétente, à moins que :
1° la demande ait été introduite par le collège en question ;
2° la demande se rapporte uniquement à des installations ou activités classées mobiles ou transportables.
Art.25. In de gevallen die de Vlaamse Regering bepaalt, vraagt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, [1 de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde.]1 het advies van de provinciale of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1. De provinciale of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie vraagt de adviesinstanties, vermeld in artikel 24, eerste lid, en in voorkomend geval het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar, vermeld in artikel 24, tweede lid, om advies.
Als er geen advies van een omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, vereist is, vraagt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, [1 de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde.]1 de adviesinstanties en in voorkomend geval het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar, vermeld in artikel 24, om advies.
Als met toepassing van het eerste lid, een advies van een omgevingsvergunningscommissie als vermeld in artikel 16, § 1, vereist is, verlenen de adviesinstanties en in voorkomend geval het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar, vermeld in artikel 24, hun advies aan de omgevingsvergunningscommissie. Die commissie verleent een geïntegreerd advies.
Als er geen advies van een omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, vereist is, vraagt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, [1 de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde.]1 de adviesinstanties en in voorkomend geval het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar, vermeld in artikel 24, om advies.
Als met toepassing van het eerste lid, een advies van een omgevingsvergunningscommissie als vermeld in artikel 16, § 1, vereist is, verlenen de adviesinstanties en in voorkomend geval het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar, vermeld in artikel 24, hun advies aan de omgevingsvergunningscommissie. Die commissie verleent een geïntegreerd advies.
Art.25. Dans les cas prévus par le Gouvernement flamand, l'autorité compétente, visée à l'article 15, [1 le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional ou la personne mandatée par celui-ci]1 demande l'avis de la commission provinciale ou régionale du permis d'environnement, visée à l'article 16, § 1er. La commission provinciale ou régionale du permis d'environnement demande un avis aux instances d'avis, visées à l'article 24, alinéa premier, et, le cas échéant, au collège des bourgmestre et échevins ou au fonctionnaire environnement communal, visé à l'article 24, alinéa deux.
Si l'avis d'une commission du permis d'environnement, telle que visée à l'article 16, § 1er, n'est pas requis, l'autorité compétente, visée à l'article 15, [1 le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional ou la personne mandatée par celui-ci]1 demande un avis aux instances d'avis et, le cas échéant, au collège des bourgmestre et échevins ou au fonctionnaire environnement communal, visé à l'article 24.
Si, en application de l'alinéa premier, l'avis d'une commission du permis d'environnement, telle que visée à l'article 16, § 1er, est requis, les instances d'avis et, le cas échéant, le collège des bourgmestre et échevins ou le fonctionnaire environnement communal, visé à l'article 24, rendent leur avis à la commission du permis d'environnement. La commission rend un avis intégré.
Si l'avis d'une commission du permis d'environnement, telle que visée à l'article 16, § 1er, n'est pas requis, l'autorité compétente, visée à l'article 15, [1 le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional ou la personne mandatée par celui-ci]1 demande un avis aux instances d'avis et, le cas échéant, au collège des bourgmestre et échevins ou au fonctionnaire environnement communal, visé à l'article 24.
Si, en application de l'alinéa premier, l'avis d'une commission du permis d'environnement, telle que visée à l'article 16, § 1er, est requis, les instances d'avis et, le cas échéant, le collège des bourgmestre et échevins ou le fonctionnaire environnement communal, visé à l'article 24, rendent leur avis à la commission du permis d'environnement. La commission rend un avis intégré.
Wijzigingen
Art.26. De Vlaamse Regering stelt de adviestermijnen vast en kan de elementen bepalen waarop de adviezen moeten ingaan.
Als geen advies wordt uitgebracht binnen de vastgestelde termijn, wordt het advies geacht gunstig te zijn.
Als geen advies wordt uitgebracht binnen de vastgestelde termijn, wordt het advies geacht gunstig te zijn.
Art.26. Le Gouvernement flamand fixe les délais d'avis et peut déterminer les éléments sur lesquels les avis doivent porter.
Si aucun avis n'est rendu dans le délai fixé, l'avis est réputé favorable.
Si aucun avis n'est rendu dans le délai fixé, l'avis est réputé favorable.
Art.27. De vergunningsaanvrager kan vragen om door de provinciale of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie gehoord te worden.
Art.27. Le demandeur de l'autorisation peut demander à être entendu par la commission provinciale ou régionale du permis d'environnement.
Art. 27/1. [1 Als het project vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten omvat met een netto handelsoppervlakte van meer dan 20.000 vierkante meter, gelegen op een afstand van minder dan twintig kilometer van een ander gewest of van verschillende andere gewesten, en het college van burgemeester en schepenen of de deputatie de bevoegde overheid is, dan brengt de gemeentelijke of provinciale omgevingsambtenaar de Vlaamse Regering hiervan met een beveiligde zending op de hoogte, met het oog op de vervulling van de verplichtingen, opgenomen in artikel 6, § 5bis, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.]1
Art. 27/1. [1 Si le projet inclut des activités de commerce de détail soumises à l'obligation d'autorisation, dont la superficie commerciale nette excède 20 000 mètres carrés, et situées à une distance de moins de vingt kilomètres d'une autre région ou de plusieurs autres régions, et que le collège des bourgmestre et échevins ou la députation est l'autorité compétente, le fonctionnaire environnement communal ou provincial en informe le Gouvernement flamand par envoi sécurisé, en vue de répondre aux obligations reprises à l'article 6, § 5bis de la Loi spéciale de réformes institutionnelles du 8 août 1980.]1
Art.28. [1 Tenzij het milieueffectrapport of het omgevingsveiligheidsrapport al goedgekeurd en nog actueel is, maakt de afdeling bevoegd voor milieueffectrapportage en veiligheidsrapportage haar beslissing over de goedkeuring of afkeuring van dit rapport bekend met toepassing van artikel 4.3.8, § 3, en artikel 4.5.7, § 3, van het DABM.]1
Als de afdeling bevoegd voor milieueffectrapportage en veiligheidsrapportage het milieueffectrapport of omgevingsveiligheidsrapport afkeurt, dan wordt de vergunningsprocedure van rechtswege stopgezet.
Als de afdeling bevoegd voor milieueffectrapportage en veiligheidsrapportage het milieueffectrapport of omgevingsveiligheidsrapport afkeurt, dan wordt de vergunningsprocedure van rechtswege stopgezet.
Art.28. [1 A moins que l'évaluation des incidences sur l'environnement ou le rapport de sécurité environnementale ait déjà été approuvé et soit toujours d'actualité, le département compétent pour l'évaluation des incidences sur l'environnement et le rapport de sécurité environnementale communique sa décision d'approbation ou de rejet de ce rapport en application des dispositions de l'article 4.3.8, § 3, et de l'article 4.5.7, § 3, du DABM.]1
Si la division compétente pour l'évaluation des incidences sur l'environnement et le rapport de sécurité rejette l'évaluation des incidences sur l'environnement ou le rapport de sécurité environnementale, la procédure d'autorisation est arrêtée de droit.
Si la division compétente pour l'évaluation des incidences sur l'environnement et le rapport de sécurité rejette l'évaluation des incidences sur l'environnement ou le rapport de sécurité environnementale, la procédure d'autorisation est arrêtée de droit.
Wijzigingen
Art.29. [1 § 1.]1 Als het college van burgemeester en schepenen de bevoegde overheid is, [1 en geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is]1 maakt de gemeentelijke omgevingsambtenaar voor elke beslissing over een vergunningsaanvraag een verslag op, dat deel uitmaakt van het vergunningendossier. Het verslag toetst de aanvraag [3 , in voorkomend geval,]3 aan de beoordelingsgronden [3 bepaald bij of krachtens :
1° titel IV van de VCRO;
2° titel V van het DABM;
3° het decreet van 15 juli betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid]3.
[4 4° het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;]4 Het verslag omvat in voorkomend geval een voorstel van antwoord op de tijdens het eventuele openbaar onderzoek ingediende standpunten, opmerkingen en bezwaren.
[2 De gemeentelijke omgevingsambtenaar stelt dit verslag ter beschikking van het college van burgemeester en schepenen uiterlijk tien dagen voor het verstrijken van de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde beslissingstermijn. Het college van burgemeester en schepenen geeft in haar motivering van de beslissing aan op welke wijze rekening wordt gehouden met het verslag. Als geen verslag wordt uitgebracht binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn, kan het college van burgemeester en schepenen aan de vereiste van een verslag voorbijgaan.]2
[5 § 2. Paragraaf 1 is van overeenkomstige toepassing op de deputatie en de provinciale omgevingsambtenaar.]5
1° titel IV van de VCRO;
2° titel V van het DABM;
3° het decreet van 15 juli betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid]3.
[4 4° het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;]4 Het verslag omvat in voorkomend geval een voorstel van antwoord op de tijdens het eventuele openbaar onderzoek ingediende standpunten, opmerkingen en bezwaren.
[2 De gemeentelijke omgevingsambtenaar stelt dit verslag ter beschikking van het college van burgemeester en schepenen uiterlijk tien dagen voor het verstrijken van de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde beslissingstermijn. Het college van burgemeester en schepenen geeft in haar motivering van de beslissing aan op welke wijze rekening wordt gehouden met het verslag. Als geen verslag wordt uitgebracht binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn, kan het college van burgemeester en schepenen aan de vereiste van een verslag voorbijgaan.]2
[5 § 2. Paragraaf 1 is van overeenkomstige toepassing op de deputatie en de provinciale omgevingsambtenaar.]5
Wijzigingen
Art.29. [1 § 1er.]1 Si le collège des bourgmestre et échevins est l'autorité compétente [1 et qu'aucun avis d'une commission du permis d'environnement n'est requis]1, le fonctionnaire environnement communal rédige pour chaque décision un rapport qui est joint au dossier d'autorisation. Le rapport évalue la demande sur la base des critères d'évaluation [3 défini par ou en vertu :
1° du titre IV du VCRO;
2° du titre IV du DABM;
3° du décret du 15 juillet relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale;]3
[4 4° du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.]4. Le rapport contient, le cas échéant, une proposition de réponse aux points de vue, remarques et objections notifiés pendant l'éventuelle enquête publique.
[2 Le fonctionnaire environnement communal met ce rapport à la disposition du collège des bourgmestre et échevins au plus tard dix jours avant l'expiration du délai de décision fixé ou, le cas échéant, prolongé. Le collège des bourgmestre et échevins indique dans sa motivation de quelle manière il est tenu compte du rapport. Si aucun rapport n'est établi dans le délai fixé ou, le cas échéant, prolongé, le collège des bourgmestre et échevins peut ignorer l'obligation en matière de rapport.]2
[5 § 2. Le paragraphe 1er s'applique par analogie à la députation et au fonctionnaire environnement provincial. ]5
1° du titre IV du VCRO;
2° du titre IV du DABM;
3° du décret du 15 juillet relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale;]3
[4 4° du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.]4. Le rapport contient, le cas échéant, une proposition de réponse aux points de vue, remarques et objections notifiés pendant l'éventuelle enquête publique.
[2 Le fonctionnaire environnement communal met ce rapport à la disposition du collège des bourgmestre et échevins au plus tard dix jours avant l'expiration du délai de décision fixé ou, le cas échéant, prolongé. Le collège des bourgmestre et échevins indique dans sa motivation de quelle manière il est tenu compte du rapport. Si aucun rapport n'est établi dans le délai fixé ou, le cas échéant, prolongé, le collège des bourgmestre et échevins peut ignorer l'obligation en matière de rapport.]2
[5 § 2. Le paragraphe 1er s'applique par analogie à la députation et au fonctionnaire environnement provincial. ]5
Wijzigingen
Art.30. [1 Na het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 23, kan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, op verzoek van de vergunningsaanvrager, toestaan dat er wijzigingen aan de vergunningsaanvraag worden aangebracht.
Het verzoek van de vergunningsaanvrager stelt de bevoegde overheid in staat om te oordelen of de wijzigingen geen afbreuk doen aan de bescherming van de mens of het milieu of de goede ruimtelijke ordening.
Als de bevoegde overheid toestaat dat er wijzigingen aan de vergunningsaanvraag worden aangebracht, dan wordt een openbaar onderzoek over de gewijzigde vergunningsaanvraag georganiseerd als voldaan is aan een van volgende voorwaarden:
1° de wijzigingen komen niet tegemoet aan de adviezen of aan de standpunten, opmerkingen en bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek zijn ingediend;
2° de wijzigingen brengen kennelijk een schending van de rechten van derden met zich mee.
Als een openbaar onderzoek wordt georganiseerd over de gewijzigde vergunningsaanvraag, wint de bevoegde overheid, in voorkomend geval, het advies van de bevoegde omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, of de adviezen, vermeld in artikel 24, alsnog, dan wel een tweede keer in.]1
Het verzoek van de vergunningsaanvrager stelt de bevoegde overheid in staat om te oordelen of de wijzigingen geen afbreuk doen aan de bescherming van de mens of het milieu of de goede ruimtelijke ordening.
Als de bevoegde overheid toestaat dat er wijzigingen aan de vergunningsaanvraag worden aangebracht, dan wordt een openbaar onderzoek over de gewijzigde vergunningsaanvraag georganiseerd als voldaan is aan een van volgende voorwaarden:
1° de wijzigingen komen niet tegemoet aan de adviezen of aan de standpunten, opmerkingen en bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek zijn ingediend;
2° de wijzigingen brengen kennelijk een schending van de rechten van derden met zich mee.
Als een openbaar onderzoek wordt georganiseerd over de gewijzigde vergunningsaanvraag, wint de bevoegde overheid, in voorkomend geval, het advies van de bevoegde omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, of de adviezen, vermeld in artikel 24, alsnog, dan wel een tweede keer in.]1
Art.30. [1 Après l'enquête publique mentionnée à l'article 23, l'autorité compétente mentionnée à l'article 15 peut, à la demande du demandeur de permis, permettre que des modifications soient apportées à la demande de permis.
La requête du demandeur de permis permet à l'autorité compétente de déterminer si les modifications ne portent pas atteinte à la protection de l'homme ou de l'environnement ou du bon aménagement du territoire.
Si l'autorité compétente permet que des modifications soient apportées à la demande de permis, une enquête publique sur la demande de permis modifiée est organisée, pour autant qu'il ait été satisfait à l'une des conditions suivantes :
1° les modifications ne sont pas conformes aux avis ou aux points de vue, remarques et objections qui ont été notifiés durant l'enquête publique ;
2° les modifications impliquent manifestement une transgression des droits de tiers.
Si une enquête publique est organisée sur la demande de permis modifié, l'autorité compétente recueille, le cas échéant, l'avis de la commission du permis d'environnement compétent, mentionnée à l'article 16, § 1, ou les avis mentionnés à l'article 24, éventuellement pour la deuxième fois.]1
La requête du demandeur de permis permet à l'autorité compétente de déterminer si les modifications ne portent pas atteinte à la protection de l'homme ou de l'environnement ou du bon aménagement du territoire.
Si l'autorité compétente permet que des modifications soient apportées à la demande de permis, une enquête publique sur la demande de permis modifiée est organisée, pour autant qu'il ait été satisfait à l'une des conditions suivantes :
1° les modifications ne sont pas conformes aux avis ou aux points de vue, remarques et objections qui ont été notifiés durant l'enquête publique ;
2° les modifications impliquent manifestement une transgression des droits de tiers.
Si une enquête publique est organisée sur la demande de permis modifié, l'autorité compétente recueille, le cas échéant, l'avis de la commission du permis d'environnement compétent, mentionnée à l'article 16, § 1, ou les avis mentionnés à l'article 24, éventuellement pour la deuxième fois.]1
Wijzigingen
Art.31. [1 § 1. Als de aanvraag de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg omvat, roept het college van burgemeester en schepenen, in voorkomend geval op verzoek van de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, de gemeenteraad samen om te beslissen over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg.
De gemeenteraad spreekt zich uit over de ligging, de breedte en de uitrusting van de gemeenteweg, en over de eventuele opname in het openbaar domein. Hierbij wordt rekening gehouden met de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4 van het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen, en in voorkomend geval met het gemeentelijk beleidskader en afwegingskader, vermeld in artikel 6 van het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen. De gemeenteraad kan daarbij voorwaarden opleggen en lasten verbinden, die de bevoegde overheid in de eventuele vergunning opneemt.
§ 2. Als het college van burgemeester en schepenen niet de bevoegde overheid is die in eerste aanleg over de aanvraag beslist, dan bezorgt de gemeente de beslissing van de gemeenteraad over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg binnen zestig dagen na het verzoek aan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15.]1
De gemeenteraad spreekt zich uit over de ligging, de breedte en de uitrusting van de gemeenteweg, en over de eventuele opname in het openbaar domein. Hierbij wordt rekening gehouden met de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4 van het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen, en in voorkomend geval met het gemeentelijk beleidskader en afwegingskader, vermeld in artikel 6 van het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen. De gemeenteraad kan daarbij voorwaarden opleggen en lasten verbinden, die de bevoegde overheid in de eventuele vergunning opneemt.
§ 2. Als het college van burgemeester en schepenen niet de bevoegde overheid is die in eerste aanleg over de aanvraag beslist, dan bezorgt de gemeente de beslissing van de gemeenteraad over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg binnen zestig dagen na het verzoek aan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15.]1
Art.31. [1 § 1er. Si la demande comprend l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression d'une route communale, le collège des bourgmestre et échevins, le cas échéant à la demande de l'autorité compétente visée à l'article 15, convoque le conseil communal pour statuer sur l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression de la route communale.
Le conseil communal se prononce sur l'emplacement, la largeur et les installations de la route communale, ainsi que sur son inclusion éventuelle dans le domaine public. Il est notamment tenu compte des objectifs et principes visés aux articles 3 et 4 du décret du 3 mai 2019 sur les routes communales et, le cas échéant, du cadre de politique communale et du cadre d'évaluation visés à l'article 6 du décret du 3 mai 2019 sur les routes communales. Le conseil communal peut également imposer des conditions et des charges que l'autorité compétente inclut dans l'éventuelle autorisation.
§ 2. Si le collège des bourgmestre et échevins n'est pas l'autorité compétente qui statue en première instance sur la demande, la commune transmet la décision du conseil communal sur l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression de la route communale à l'autorité compétente visée à l'article 15 dans les soixante jours suivant la demande.]1
Le conseil communal se prononce sur l'emplacement, la largeur et les installations de la route communale, ainsi que sur son inclusion éventuelle dans le domaine public. Il est notamment tenu compte des objectifs et principes visés aux articles 3 et 4 du décret du 3 mai 2019 sur les routes communales et, le cas échéant, du cadre de politique communale et du cadre d'évaluation visés à l'article 6 du décret du 3 mai 2019 sur les routes communales. Le conseil communal peut également imposer des conditions et des charges que l'autorité compétente inclut dans l'éventuelle autorisation.
§ 2. Si le collège des bourgmestre et échevins n'est pas l'autorité compétente qui statue en première instance sur la demande, la commune transmet la décision du conseil communal sur l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression de la route communale à l'autorité compétente visée à l'article 15 dans les soixante jours suivant la demande.]1
Wijzigingen
Onderafdeling 2/1. [1 Beroep tegen de beslissing van de gemeenteraad over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg]1
Sous-section 2/1. [1 Recours contre la décision du conseil communal sur l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression d'une route communale ]1
Art.31/1. [1 § 1. Tegen het besluit van de gemeenteraad over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg kan in het kader van een schorsend administratief beroep tegen de vergunningsbeslissing een georganiseerd administratief beroep worden ingesteld bij de Vlaamse Regering door de personen of instanties, vermeld in artikel 53. De vereiste, vermeld in artikel 53, tweede lid, is ook van toepassing op het beroep tegen het besluit van de gemeenteraad.
Het beroep leidt tot de vernietiging van het bestreden besluit of tot de afwijzing van het beroep op grond van de onontvankelijkheid of de ongegrondheid ervan.
§ 2. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid met een beveiligde zending ingediend bij de Vlaamse Regering binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op:
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.
De indiener van het beroep bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig met de beveiligde zending van het beroep aan de Vlaamse Regering, een afschrift van het beroepschrift met een beveiligde zending aan het college van burgemeester en schepenen en aan de bevoegde beroepsinstantie, vermeld in artikel 52.
§ 3. Het college van burgemeester en schepenen bezorgt het volledige dossier of een afschrift daarvan onmiddellijk na de ontvangst van het afschrift van het beroepschrift, aan het Departement Mobiliteit en Openbare Werken.
§ 4. De Vlaamse Regering neemt een beslissing over het beroep binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat de dag na de ontvangst van het dossier, vermeld in paragraaf 3. Die termijn is een termijn van orde.
De Vlaamse Regering brengt de indiener van het beroepschrift, de bevoegde overheid en de gemeente onmiddellijk op de hoogte van haar beslissing.
§ 5. Het besluit van de gemeenteraad over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg kan alleen worden vernietigd:
1° wegens strijdigheid met het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen;
2° wegens strijdigheid met de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4 van het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen, en in voorkomend geval het gemeentelijk beleidskader en afwegingskader, vermeld in artikel 6 van hetzelfde decreet;
3° wegens de niet-naleving van een substantiële vormvereiste.]1
Het beroep leidt tot de vernietiging van het bestreden besluit of tot de afwijzing van het beroep op grond van de onontvankelijkheid of de ongegrondheid ervan.
§ 2. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid met een beveiligde zending ingediend bij de Vlaamse Regering binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op:
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.
De indiener van het beroep bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig met de beveiligde zending van het beroep aan de Vlaamse Regering, een afschrift van het beroepschrift met een beveiligde zending aan het college van burgemeester en schepenen en aan de bevoegde beroepsinstantie, vermeld in artikel 52.
§ 3. Het college van burgemeester en schepenen bezorgt het volledige dossier of een afschrift daarvan onmiddellijk na de ontvangst van het afschrift van het beroepschrift, aan het Departement Mobiliteit en Openbare Werken.
§ 4. De Vlaamse Regering neemt een beslissing over het beroep binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat de dag na de ontvangst van het dossier, vermeld in paragraaf 3. Die termijn is een termijn van orde.
De Vlaamse Regering brengt de indiener van het beroepschrift, de bevoegde overheid en de gemeente onmiddellijk op de hoogte van haar beslissing.
§ 5. Het besluit van de gemeenteraad over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg kan alleen worden vernietigd:
1° wegens strijdigheid met het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen;
2° wegens strijdigheid met de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4 van het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen, en in voorkomend geval het gemeentelijk beleidskader en afwegingskader, vermeld in artikel 6 van hetzelfde decreet;
3° wegens de niet-naleving van een substantiële vormvereiste.]1
Art.31/1. [1 § 1er. La décision du conseil communal sur l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression d'une route communale peut, dans le cadre d'un recours administratif suspensif contre la décision d'autorisation, faire l'objet d'un recours administratif organisé devant le Gouvernement flamand par les personnes ou instances visées à l'article 53. L'exigence énoncée à l'article 53, alinéa 2, s'applique également au recours contre la décision du conseil communal.
Le recours entraîne l'annulation de la décision contestée ou le rejet du recours pour cause d'irrecevabilité ou d'illégitimité.
§ 2. Le recours est introduit auprès du Gouvernement flamand par envoi sécurisé, sous peine d'irrecevabilité, dans un délai de trente jours à compter :
1° du jour après la date de notification de la décision contestée pour les personnes ou instances auxquelles la décision est notifiée ;
2° du jour après l'expiration du délai de décision, lorsque le permis d'environnement est tacitement refusé en première instance administrative ;
3° du jour après le premier jour d'affichage de la décision contestée dans les autres cas.
Sous peine d'irrecevabilité, en même temps que l'envoi sécurisé du recours au Gouvernement flamand, l'auteur du recours fournit une copie de l'acte de recours par envoi sécurisé au collège des bourgmestre et échevins et à l'instance de recours compétente visée à l'article 52.
§ 3. Le collège des bourgmestre et échevins transmet le dossier complet ou une copie de celui-ci au Département de la Mobilité et des Travaux publics dès réception de la copie du recours.
§ 4. Le Gouvernement flamand statue sur le recours dans un délai de nonante jours prenant cours le jour après la réception du dossier visé au paragraphe 3. Ce délai est un délai d'ordre.
Le Gouvernement flamand informe immédiatement l'auteur du recours, l'autorité compétente et la commune de sa décision.
§ 5. La décision du conseil communal sur l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression d'une route communale ne peut être annulée que pour les motifs suivants :
1° incompatibilité avec le décret du 3 mai 2019 sur les routes communales ;
2° incompatibilité avec les objectifs et principes visés aux articles 3 et 4 du décret du 3 mai 2019 sur les routes communales et, le cas échéant, du cadre de politique communale et du cadre d'évaluation visés à l'article 6 du même décret ;
3° non-respect d'une exigence formelle substantielle.]1
Le recours entraîne l'annulation de la décision contestée ou le rejet du recours pour cause d'irrecevabilité ou d'illégitimité.
§ 2. Le recours est introduit auprès du Gouvernement flamand par envoi sécurisé, sous peine d'irrecevabilité, dans un délai de trente jours à compter :
1° du jour après la date de notification de la décision contestée pour les personnes ou instances auxquelles la décision est notifiée ;
2° du jour après l'expiration du délai de décision, lorsque le permis d'environnement est tacitement refusé en première instance administrative ;
3° du jour après le premier jour d'affichage de la décision contestée dans les autres cas.
Sous peine d'irrecevabilité, en même temps que l'envoi sécurisé du recours au Gouvernement flamand, l'auteur du recours fournit une copie de l'acte de recours par envoi sécurisé au collège des bourgmestre et échevins et à l'instance de recours compétente visée à l'article 52.
§ 3. Le collège des bourgmestre et échevins transmet le dossier complet ou une copie de celui-ci au Département de la Mobilité et des Travaux publics dès réception de la copie du recours.
§ 4. Le Gouvernement flamand statue sur le recours dans un délai de nonante jours prenant cours le jour après la réception du dossier visé au paragraphe 3. Ce délai est un délai d'ordre.
Le Gouvernement flamand informe immédiatement l'auteur du recours, l'autorité compétente et la commune de sa décision.
§ 5. La décision du conseil communal sur l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression d'une route communale ne peut être annulée que pour les motifs suivants :
1° incompatibilité avec le décret du 3 mai 2019 sur les routes communales ;
2° incompatibilité avec les objectifs et principes visés aux articles 3 et 4 du décret du 3 mai 2019 sur les routes communales et, le cas échéant, du cadre de politique communale et du cadre d'évaluation visés à l'article 6 du même décret ;
3° non-respect d'une exigence formelle substantielle.]1
Onderafdeling 3. - Beslissing over een vergunningsaanvraag
Sous-section 3. - Décision au sujet d'une demande d'autorisation
Art.32. § 1. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, neemt een beslissing over een vergunningsaanvraag binnen een termijn van:
1° honderdenvijf dagen als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
2° honderdtwintig dagen als een advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is.
§ 2. De termijnen, vermeld in paragraaf 1, worden van rechtswege eenmalig met zestig dagen verlengd in de volgende gevallen:
1° als met toepassing van artikel 30, derde lid, een openbaar onderzoek georganiseerd wordt;
2° als toepassing wordt gemaakt van de administratieve lus, vermeld in artikel 13;
3° als de vergunningsaanvraag [4 de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeentewe]4 omvat waarover de gemeenteraad beslissingsbevoegdheid heeft.
De mededeling van de termijnverlenging wordt aan de aanvrager verzonden vóór de einddatum van de normale beslissingstermijn.
§ 3. De termijnen, vermeld in paragraaf 1, gaan altijd in op de dag na de datum dat de vergunningsaanvraag ontvankelijk en volledig wordt verklaard of, bij ontstentenis van een beslissing daarover, de dertigste dag na de datum waarop de aanvraag is ingediend [2 hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten]2.
§ 4. Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn, wordt de omgevingsvergunning geacht te zijn geweigerd.
In afwijking van het eerste lid, worden de termijnen, vermeld in paragraaf 1, als termijnen van orde beschouwd als de vergunningsaanvraag het gevolg is van een wijziging of aanvulling van de indelingslijst waardoor een milieueffectrapport of een omgevingsveiligheidsrapport moet worden opgesteld of een passende beoordeling moet worden uitgevoerd. In voorkomend geval mag de exploitatie worden voortgezet tot een definitieve beslissing wordt genomen over de vergunningsaanvraag.
[1 § 5. De bevoegde overheid kan over een vergunningsaanvraag als vermeld in artikel 5.4.1 en 5.4.2 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, waarbij een [3 gemelde archeologienota]3 werd toegevoegd bij de aanvraag, maar een beslissing nemen als de [3 archeologienota waarvan akte is genomen]3 is bezorgd. Als er geen [3 archeologienota waarvan akte is genomen]3 is bezorgd voor het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 1 tot en met 3, dan moet de omgevingsvergunning worden geweigerd.]1
[4 § 6. Een vergunning voor aanvragen met aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg kan pas verleend worden na goedkeuring over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg door de gemeenteraad overeenkomstig artikel 31.
Als de gemeenteraad de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing niet heeft goedgekeurd, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.
§ 7. Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, geen beslissing kan nemen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn doordat de gemeenteraad geen beslissing heeft genomen over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg, is de gemeente aan de aanvrager van de vergunning een eenmalige vergoeding van 5000 euro verschuldigd.
Binnen negentig dagen na het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, vraagt de vergunningsaanvrager met een beveiligde zending de betaling van de eenmalige vergoeding aan de gemeente. Hij verwijst daarbij naar het dossier en naar zijn IBAN- en BIC-gegevens. De gemeente betaalt zonder verdere formaliteiten de eenmalige vergoeding aan de aanvrager.
Als de vergunningsaanvrager de betaling van de eenmalige vergoeding niet vraagt binnen de termijn van negentig dagen, vermeld in het tweede lid, wordt de aanvrager geacht afstand gedaan te hebben van zijn recht op de eenmalige vergoeding.]4
[5 § 8. Als de exploitatie van een IIOA stopgezet is of wordt overeenkomstig artikel 39, derde lid, van het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof, wordt een vergunning voor de exploitatie van een veehouderij die betrekking heeft op een of meer van de percelen van de IIOA waarvoor de stopzetting geldt en die leidt tot een verhoging van de stikstofemissies, na de stopzetting geweigerd.
Een veehouderij als vermeld in het eerste lid is een vergunningsplichtige IIOA als vermeld in rubriek 9 van de indelingslijst van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM, voor zover er dieren worden gehouden die behoren tot een diersoort die opgenomen is in de lijst, vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006.]5
1° honderdenvijf dagen als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
2° honderdtwintig dagen als een advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is.
§ 2. De termijnen, vermeld in paragraaf 1, worden van rechtswege eenmalig met zestig dagen verlengd in de volgende gevallen:
1° als met toepassing van artikel 30, derde lid, een openbaar onderzoek georganiseerd wordt;
2° als toepassing wordt gemaakt van de administratieve lus, vermeld in artikel 13;
3° als de vergunningsaanvraag [4 de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeentewe]4 omvat waarover de gemeenteraad beslissingsbevoegdheid heeft.
De mededeling van de termijnverlenging wordt aan de aanvrager verzonden vóór de einddatum van de normale beslissingstermijn.
§ 3. De termijnen, vermeld in paragraaf 1, gaan altijd in op de dag na de datum dat de vergunningsaanvraag ontvankelijk en volledig wordt verklaard of, bij ontstentenis van een beslissing daarover, de dertigste dag na de datum waarop de aanvraag is ingediend [2 hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten]2.
§ 4. Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn, wordt de omgevingsvergunning geacht te zijn geweigerd.
In afwijking van het eerste lid, worden de termijnen, vermeld in paragraaf 1, als termijnen van orde beschouwd als de vergunningsaanvraag het gevolg is van een wijziging of aanvulling van de indelingslijst waardoor een milieueffectrapport of een omgevingsveiligheidsrapport moet worden opgesteld of een passende beoordeling moet worden uitgevoerd. In voorkomend geval mag de exploitatie worden voortgezet tot een definitieve beslissing wordt genomen over de vergunningsaanvraag.
[1 § 5. De bevoegde overheid kan over een vergunningsaanvraag als vermeld in artikel 5.4.1 en 5.4.2 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, waarbij een [3 gemelde archeologienota]3 werd toegevoegd bij de aanvraag, maar een beslissing nemen als de [3 archeologienota waarvan akte is genomen]3 is bezorgd. Als er geen [3 archeologienota waarvan akte is genomen]3 is bezorgd voor het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 1 tot en met 3, dan moet de omgevingsvergunning worden geweigerd.]1
[4 § 6. Een vergunning voor aanvragen met aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg kan pas verleend worden na goedkeuring over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg door de gemeenteraad overeenkomstig artikel 31.
Als de gemeenteraad de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing niet heeft goedgekeurd, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.
§ 7. Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, geen beslissing kan nemen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn doordat de gemeenteraad geen beslissing heeft genomen over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg, is de gemeente aan de aanvrager van de vergunning een eenmalige vergoeding van 5000 euro verschuldigd.
Binnen negentig dagen na het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, vraagt de vergunningsaanvrager met een beveiligde zending de betaling van de eenmalige vergoeding aan de gemeente. Hij verwijst daarbij naar het dossier en naar zijn IBAN- en BIC-gegevens. De gemeente betaalt zonder verdere formaliteiten de eenmalige vergoeding aan de aanvrager.
Als de vergunningsaanvrager de betaling van de eenmalige vergoeding niet vraagt binnen de termijn van negentig dagen, vermeld in het tweede lid, wordt de aanvrager geacht afstand gedaan te hebben van zijn recht op de eenmalige vergoeding.]4
[5 § 8. Als de exploitatie van een IIOA stopgezet is of wordt overeenkomstig artikel 39, derde lid, van het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof, wordt een vergunning voor de exploitatie van een veehouderij die betrekking heeft op een of meer van de percelen van de IIOA waarvoor de stopzetting geldt en die leidt tot een verhoging van de stikstofemissies, na de stopzetting geweigerd.
Een veehouderij als vermeld in het eerste lid is een vergunningsplichtige IIOA als vermeld in rubriek 9 van de indelingslijst van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM, voor zover er dieren worden gehouden die behoren tot een diersoort die opgenomen is in de lijst, vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006.]5
Wijzigingen
Art.32. § 1er. L'autorité compétente, visée à l'article 15, prend une décision au sujet d'une demande d'autorisation dans un délai de :
1° cent cinq jours si l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis ;
2° cent vingt jours si l'avis d'une commission du permis d'environnement est requis.
§ 2. Les délais, visés au paragraphe 1er, sont prolongés de droit une seule fois de soixante jours dans les cas suivants :
1° lorsque, en application de l'article 30, alinéa trois, une enquête publique est organisée ;
2° lorsqu'il est fait application de la boucle administrative, visée à l'article 13 ;
3° lorsque la demande d'autorisation comporte des travaux [4 d'aménagement, de modification, de déplacement ou de suppression d'une route communale]4 sur lesquels le conseil communal dispose du pouvoir décisionnel.
La notification du prolongement du délai est envoyée au demandeur avant la date de fin du délai de décision normal.
§ 3. Les délais, visés au paragraphe 1er, prennent toujours cours le jour suivant la date à laquelle la demande d'autorisation est déclarée recevable et complète ou, à défaut de décision à cet égard, le trentième jour après la date à laquelle la demande a été introduite [2 ou après réception des données ou documents manquants]2.
§ 4. Si aucune décision n'est prise dans le délai fixé ou, le cas échéant, prolongé, le permis d'environnement est réputé rejeté.
Par dérogation au premier alinéa, les délais, visés au paragraphe 1er, sont considérés comme des délais d'ordre si la demande d'autorisation résulte d'une modification ou d'un complément de la liste de classification, de sorte qu'une évaluation des incidences sur l'environnement ou un rapport de sécurité environnementale doit être établi ou une évaluation appropriée doit être réalisée. Le cas échéant, l'exploitation peut se poursuivre jusqu'à la prise d'une décision définitive concernant la demande d'autorisation.
[1 § 5. L'autorité compétente ne peut prendre une décision sur une demande de permis telle que visée aux articles 5.4.1 et 5.4.2 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, à laquelle est jointe [3 une note archéologique notifiée]3, que si la [3 note archéologique dont il a été pris acte]3 est transmise. Si aucune [3 note archéologique dont il a été pris acte]3 n'est transmise avant l'expiration du délai visé aux paragraphes 1er à 3, le permis d'environnement doit être refusé.]1
[4 § 6. L'autorisation relative aux demandes d'aménagement, de modification, de déplacement ou de suppression d'une route communale ne peut être accordée qu'après approbation de l'aménagement, de la modification, du déplacement ou de la suppression de la route communale par le conseil communal, conformément à l'article 31.
Si le conseil communal n'a pas approuvé l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression, le permis d'environnement est refusé.
§ 7. Si l'autorité compétente visée à l'article 15 n'est pas en mesure de prendre une décision dans le délai fixé ou prorogé, selon le cas, en raison de l'absence de décision du conseil communal sur l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression de la route communale, la commune est redevable au demandeur d'autorisation d'une indemnité unique de 5 000 euros.
Dans les nonante jours suivant l'expiration du délai visé au premier alinéa, le demandeur d'autorisation demande par envoi sécurisé le paiement de l'indemnité unique à la commune. Sa demande indique le dossier et ses données IBAN et BIC. La commune verse l'indemnité unique au demandeur sans autre formalité.
Si le demandeur d'autorisation ne demande pas le paiement de l'indemnité unique dans le délai de nonante jours visé à l'alinéa 2, il est réputé avoir renoncé à son droit à l'indemnité unique.]4
[5 § 8. Si l'exploitation d'une IIOA était ou devait être interrompue conformément à l'article 39, alinéa 3, du décret du 26 janvier 2024 relatif à l'approche programmatique de l'azote, l'autorisation d'exploitation d'une ferme d'élevage liée à une ou plusieurs parcelles de l'IIOA à laquelle l'interruption s'applique et qui entraîne une augmentation des émissions d'azote est refusée après l'interruption.
Une exploitation d'élevage telle que visée à l'alinéa 1er est une IIOA soumise à autorisation telle que visée à la rubrique 9 de la liste de classification de l'annexe 1re du titre II du VLAREM, dans la mesure où elle détient des animaux appartenant à une espèce reprise dans la liste mentionnée à l'article 27, § 1er, du décret sur les engrais du 22 décembre 2006. ]5
1° cent cinq jours si l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis ;
2° cent vingt jours si l'avis d'une commission du permis d'environnement est requis.
§ 2. Les délais, visés au paragraphe 1er, sont prolongés de droit une seule fois de soixante jours dans les cas suivants :
1° lorsque, en application de l'article 30, alinéa trois, une enquête publique est organisée ;
2° lorsqu'il est fait application de la boucle administrative, visée à l'article 13 ;
3° lorsque la demande d'autorisation comporte des travaux [4 d'aménagement, de modification, de déplacement ou de suppression d'une route communale]4 sur lesquels le conseil communal dispose du pouvoir décisionnel.
La notification du prolongement du délai est envoyée au demandeur avant la date de fin du délai de décision normal.
§ 3. Les délais, visés au paragraphe 1er, prennent toujours cours le jour suivant la date à laquelle la demande d'autorisation est déclarée recevable et complète ou, à défaut de décision à cet égard, le trentième jour après la date à laquelle la demande a été introduite [2 ou après réception des données ou documents manquants]2.
§ 4. Si aucune décision n'est prise dans le délai fixé ou, le cas échéant, prolongé, le permis d'environnement est réputé rejeté.
Par dérogation au premier alinéa, les délais, visés au paragraphe 1er, sont considérés comme des délais d'ordre si la demande d'autorisation résulte d'une modification ou d'un complément de la liste de classification, de sorte qu'une évaluation des incidences sur l'environnement ou un rapport de sécurité environnementale doit être établi ou une évaluation appropriée doit être réalisée. Le cas échéant, l'exploitation peut se poursuivre jusqu'à la prise d'une décision définitive concernant la demande d'autorisation.
[1 § 5. L'autorité compétente ne peut prendre une décision sur une demande de permis telle que visée aux articles 5.4.1 et 5.4.2 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, à laquelle est jointe [3 une note archéologique notifiée]3, que si la [3 note archéologique dont il a été pris acte]3 est transmise. Si aucune [3 note archéologique dont il a été pris acte]3 n'est transmise avant l'expiration du délai visé aux paragraphes 1er à 3, le permis d'environnement doit être refusé.]1
[4 § 6. L'autorisation relative aux demandes d'aménagement, de modification, de déplacement ou de suppression d'une route communale ne peut être accordée qu'après approbation de l'aménagement, de la modification, du déplacement ou de la suppression de la route communale par le conseil communal, conformément à l'article 31.
Si le conseil communal n'a pas approuvé l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression, le permis d'environnement est refusé.
§ 7. Si l'autorité compétente visée à l'article 15 n'est pas en mesure de prendre une décision dans le délai fixé ou prorogé, selon le cas, en raison de l'absence de décision du conseil communal sur l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression de la route communale, la commune est redevable au demandeur d'autorisation d'une indemnité unique de 5 000 euros.
Dans les nonante jours suivant l'expiration du délai visé au premier alinéa, le demandeur d'autorisation demande par envoi sécurisé le paiement de l'indemnité unique à la commune. Sa demande indique le dossier et ses données IBAN et BIC. La commune verse l'indemnité unique au demandeur sans autre formalité.
Si le demandeur d'autorisation ne demande pas le paiement de l'indemnité unique dans le délai de nonante jours visé à l'alinéa 2, il est réputé avoir renoncé à son droit à l'indemnité unique.]4
[5 § 8. Si l'exploitation d'une IIOA était ou devait être interrompue conformément à l'article 39, alinéa 3, du décret du 26 janvier 2024 relatif à l'approche programmatique de l'azote, l'autorisation d'exploitation d'une ferme d'élevage liée à une ou plusieurs parcelles de l'IIOA à laquelle l'interruption s'applique et qui entraîne une augmentation des émissions d'azote est refusée après l'interruption.
Une exploitation d'élevage telle que visée à l'alinéa 1er est une IIOA soumise à autorisation telle que visée à la rubrique 9 de la liste de classification de l'annexe 1re du titre II du VLAREM, dans la mesure où elle détient des animaux appartenant à une espèce reprise dans la liste mentionnée à l'article 27, § 1er, du décret sur les engrais du 22 décembre 2006. ]5
Wijzigingen
Art.33. De beslissing, vermeld in artikel 32, vermeldt de lasten en voorwaarden, met inbegrip van de bijzondere milieuvoorwaarden, die op het project van toepassing zijn. Voor de algemene en sectorale milieuvoorwaarden volstaat een verwijzing naar de regelgeving in kwestie.
Als de omgevingsvergunning voor een bepaalde duur wordt verleend, vermeldt de beslissing de duur van de vergunning en de reden daarvoor.
[1 Als een omgevingsvergunning betrekking heeft op de verandering van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project, geeft de beslissing de geactualiseerde vergunningssituatie op het vlak van de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten weer.]1 De bijzondere milieuvoorwaarden die als gevolg van hun tijdelijke karakter, van een veranderde exploitatie of van enige wettelijke of reglementaire bepaling geen uitwerking meer hebben, worden in de geactualiseerde vergunningssituatie niet vermeld.De Vlaamse Regering kan hierover verdere regels vaststellen.
Als de omgevingsvergunning voor een bepaalde duur wordt verleend, vermeldt de beslissing de duur van de vergunning en de reden daarvoor.
[1 Als een omgevingsvergunning betrekking heeft op de verandering van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project, geeft de beslissing de geactualiseerde vergunningssituatie op het vlak van de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten weer.]1 De bijzondere milieuvoorwaarden die als gevolg van hun tijdelijke karakter, van een veranderde exploitatie of van enige wettelijke of reglementaire bepaling geen uitwerking meer hebben, worden in de geactualiseerde vergunningssituatie niet vermeld.De Vlaamse Regering kan hierover verdere regels vaststellen.
Art.33. La décision, visée à l'article 32, mentionne les charges et conditions, y compris les conditions environnementales particulières, qui s'appliquent au projet. Pour les conditions environnementales générales et sectorielles, une référence à la réglementation en question suffit.
Si le permis d'environnement est octroyé pour une durée déterminée, la décision mentionne la durée de l'autorisation ainsi que la motivation de la décision.
[1 Si un permis d'environnement porte sur le changement de l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e) dans le cadre d'un projet, la décision mentionnera la situation d'autorisation actualisée en ce qui concerne l'exploitation des établissements ou activités classé(e)s.]1 Les conditions environnementales particulières qui, consécutivement à leur caractère temporaire, à un changement d'exploitation ou à une disposition légale ou réglementaire, ont cessé de produire leur effet, ne sont pas mentionnées dans la situation d'autorisation actualisée.Le Gouvernement flamand peut fixer des règles supplémentaires à cet égard.
Si le permis d'environnement est octroyé pour une durée déterminée, la décision mentionne la durée de l'autorisation ainsi que la motivation de la décision.
[1 Si un permis d'environnement porte sur le changement de l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e) dans le cadre d'un projet, la décision mentionnera la situation d'autorisation actualisée en ce qui concerne l'exploitation des établissements ou activités classé(e)s.]1 Les conditions environnementales particulières qui, consécutivement à leur caractère temporaire, à un changement d'exploitation ou à une disposition légale ou réglementaire, ont cessé de produire leur effet, ne sont pas mentionnées dans la situation d'autorisation actualisée.Le Gouvernement flamand peut fixer des règles supplémentaires à cet égard.
Wijzigingen
Art.34. Met behoud van de toepassing van artikel 5.2.1, § 3 en § 4, van het DABM wordt de aktename van de melding in de beslissing geacht zonder voorwerp te zijn als een project bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 5, onderworpen is aan zowel de meldings- als de vergunningsplicht en de omgevingsvergunning uitdrukkelijk of stilzwijgend wordt geweigerd.
Art.34. Sans préjudice de l'application de l'article 5.2.1, § 3 et § 4, du DABM, la prise d'acte de la notification dans la décision est réputée sans objet si un projet, par ou en vertu des décrets, visés à l'article 5, est soumis tant à l'obligation de notification qu'à l'obligation d'autorisation et si le permis d'environnement est expressément ou tacitement refusé.
Art.35. Van een omgevingsvergunning mag gebruik worden gemaakt als de aanvrager niet binnen een termijn van vijfendertig dagen die ingaat na de eerste dag van de aanplakking, op de hoogte is gebracht van de instelling van een schorsend administratief beroep als vermeld in artikel 52.
De aanvrager mag onmiddellijk gebruikmaken van de omgevingsvergunning:
1° in de gevallen, vermeld in artikel 55, tweede lid;
2° als de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar de omgevingsvergunning verleend heeft.
De aanvrager mag onmiddellijk gebruikmaken van de omgevingsvergunning:
1° in de gevallen, vermeld in artikel 55, tweede lid;
2° als de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar de omgevingsvergunning verleend heeft.
Art.35. Un permis d'environnement peut être utilisé lorsque le requérant n'a pas été informé, dans un délai de trente-cinq jours à compter du premier jour de l'affichage, de l'introduction d'un recours administratif suspensif tel que visé à l'article 52.
Le demandeur peut faire immédiatement usage du permis d'environnement :
1° dans les cas visés à l'article 55, § 5, alinéa deux ;
2° lorsque le Gouvernement flamand ou le fonctionnaire environnement régional a octroyé le permis d'environnement.
Le demandeur peut faire immédiatement usage du permis d'environnement :
1° dans les cas visés à l'article 55, § 5, alinéa deux ;
2° lorsque le Gouvernement flamand ou le fonctionnaire environnement régional a octroyé le permis d'environnement.
Art.36. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de gewone vergunningsprocedure met inbegrip van de bekendmaking van de beslissing.
Art.36. Le Gouvernement flamand fixe les modalités pour la procédure d'autorisation ordinaire, y compris pour la publication de la décision.
Afdeling 3. - Vereenvoudigde vergunningsprocedure
Section 3. - Procédure d'autorisation simplifiée
Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek
Sous-section 1re. - Examen de recevabilité et de complétude
Art.37. De vergunningsaanvraag wordt per beveiligde zending ingediend bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15.
[2 [3 ...]3.]2
[1 [3 ...]3.]1
De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van de vergunningsaanvraag.
[2 [3 ...]3.]2
[1 [3 ...]3.]1
De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van de vergunningsaanvraag.
Art.37. La demande d'autorisation est introduite par envoi sécurisé auprès de l'autorité compétente visée à l'article 15.
[2 [3 ...]3.]2
[1 [3 ...]3.]1
Le Gouvernement flamand fixe le contenu de la demande d'autorisation.
[2 [3 ...]3.]2
[1 [3 ...]3.]1
Le Gouvernement flamand fixe le contenu de la demande d'autorisation.
Art.38. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, [1 of de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar]1 onderzoekt de vergunningsaanvraag op haar ontvankelijkheid en volledigheid.
Als de vergunningsaanvraag onvolledig is, kan de bevoegde overheid, [1 de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde]1 de vergunningsaanvrager per beveiligde zending vragen om de ontbrekende gegevens of documenten aan de aanvraag toe te voegen en de termijn bepalen waarbinnen dit moet gebeuren.
Als de vergunningsaanvraag onvolledig is, kan de bevoegde overheid, [1 de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde]1 de vergunningsaanvrager per beveiligde zending vragen om de ontbrekende gegevens of documenten aan de aanvraag toe te voegen en de termijn bepalen waarbinnen dit moet gebeuren.
Art.38. L'autorité compétente visée à l'article 15, [1 ou le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional]1 examine si la demande d'autorisation est complète et recevable.
Si la demande d'autorisation est incomplète, l'autorité compétente, [1 ou le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional]1 peut, par envoi sécurisé, demander au requérant d'ajouter les données ou documents manquants à la demande et fixer le délai dont il dispose à cet effet.
Si la demande d'autorisation est incomplète, l'autorité compétente, [1 ou le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional]1 peut, par envoi sécurisé, demander au requérant d'ajouter les données ou documents manquants à la demande et fixer le délai dont il dispose à cet effet.
Wijzigingen
Art.39. Als met toepassing van artikel 4.3.3, § 2, van het DABM bij de vergunningsaanvraag een project-m.e.r.-screeningsnota is gevoegd, onderzoekt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, [1 of de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar]1 die nota en beslist of er over het project een milieueffectrapport moet worden opgesteld.
[1 Als de aanvraag door de bevoegde overheid zelf wordt ingediend, dan verricht de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar de in het eerste lid vermelde taken.]1
[1 Als de aanvraag door de bevoegde overheid zelf wordt ingediend, dan verricht de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar de in het eerste lid vermelde taken.]1
Art.39. Si, en application de l'article 4.3.3, § 2, du DABM, la demande d'autorisation comprend une note de screening de projet MER, l'autorité compétente, visée à l'article 15, [1 ou le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional]1 examine cette note et prend une décision quant à la nécessité d'établir une évaluation des incidences sur l'environnement pour le projet.
[1 Si la demande est introduite par l'autorité compétente elle-même, le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional effectue les tâches mentionnées au premier alinéa.]1
[1 Si la demande est introduite par l'autorité compétente elle-même, le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional effectue les tâches mentionnées au premier alinéa.]1
Wijzigingen
Art.40. Het resultaat van het onderzoek, vermeld in artikel 38 en 39, wordt bij beveiligde zending aan de aanvrager meegedeeld binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag na de datum waarop de vergunningsaanvraag is ingediend hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten.
De beslissing dat er voor het project een milieueffectrapport moet worden opgesteld, heeft van rechtswege de onvolledigheid van de vergunningsaanvraag en de stopzetting van de vergunningsprocedure tot gevolg.
[1 Als het resultaat van het onderzoek, vermeld in artikel 39, niet binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, aan de indiener van de vergunningsaanvraag is verzonden, doet de bevoegde vergunningverlenende overheid binnen een termijn van negentig dagen vanaf de dag na de datum waarop de vergunningsaanvraag is ingediend hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten uitdrukkelijk uitspraak of er een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Als zij beslist dat er een milieueffectrapport moet worden opgesteld verklaart zij de vergunningsaanvraag onvolledig en zonder voorwerp en wordt de procedure stopgezet.
Tegen de beslissing dat er een milieueffectrapport moet worden opgesteld, de vergunningsaanvraag onvolledig en zonder voorwerp is en tegen de stopzetting van de procedure kan geen administratief beroep als vermeld in hoofdstuk 3 worden ingesteld.]1
Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, [2 of de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar]2, beslist dat er een milieueffectrapport over het project moet worden opgesteld, kan de aanvrager een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting indienen bij de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 4.3.3, § 3 tot en met § 9, van het DABM. De beslissing van de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage, vermeld in artikel 4.3.3, § 6, van hetzelfde decreet, is bindend voor de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, [2 of de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar]2.
De beslissing dat er voor het project een milieueffectrapport moet worden opgesteld, heeft van rechtswege de onvolledigheid van de vergunningsaanvraag en de stopzetting van de vergunningsprocedure tot gevolg.
[1 Als het resultaat van het onderzoek, vermeld in artikel 39, niet binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, aan de indiener van de vergunningsaanvraag is verzonden, doet de bevoegde vergunningverlenende overheid binnen een termijn van negentig dagen vanaf de dag na de datum waarop de vergunningsaanvraag is ingediend hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten uitdrukkelijk uitspraak of er een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Als zij beslist dat er een milieueffectrapport moet worden opgesteld verklaart zij de vergunningsaanvraag onvolledig en zonder voorwerp en wordt de procedure stopgezet.
Tegen de beslissing dat er een milieueffectrapport moet worden opgesteld, de vergunningsaanvraag onvolledig en zonder voorwerp is en tegen de stopzetting van de procedure kan geen administratief beroep als vermeld in hoofdstuk 3 worden ingesteld.]1
Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, [2 of de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar]2, beslist dat er een milieueffectrapport over het project moet worden opgesteld, kan de aanvrager een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting indienen bij de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 4.3.3, § 3 tot en met § 9, van het DABM. De beslissing van de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage, vermeld in artikel 4.3.3, § 6, van hetzelfde decreet, is bindend voor de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, [2 of de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar]2.
Art.40. Le résultat de l'examen, visé aux articles 38 et 39, est communiqué au requérant par envoi sécurisé dans un délai de trente jour à compter du jour suivant la date à laquelle la demande d'autorisation a été introduite ou la date de réception des données ou documents manquants.
La décision qu'une évaluation des incidences sur l'environnement doit être rédigée pour le projet a d'office pour conséquence l'incomplétude de la demande d'autorisation et l'arrêt de la procédure d'autorisation.
[1 Si le résultat de l'examen visé à l'article 39 n'est pas envoyé au demandeur de la demande d'autorisation dans le délai visé au premier alinéa, l'autorité compétente délivrant le permis statuera explicitement, dans un délai de nonante jours à compter du jour qui suit la date à laquelle la demande d'autorisation est déposée, ou après la réception des données ou des documents manquants, sur la nécessité éventuelle de réaliser une évaluation des incidences sur l'environnement. Si elle décide qu'une évaluation des incidences sur l'environnement doit être réalisée, elle déclarera la demande d'autorisation incomplète et sans objet, et la procédure sera interrompue.
Aucun recours administratif tel que visé au chapitre 3 ne peut être déposé à l'encontre de la décision imposant l'établissement d'une évaluation des incidences sur l'environnement, à l'encontre de la décision d'incomplétude ou d'absence d'objet de la demande d'autorisation ni à l'encontre de l'arrêt de la procédure.]1
Lorsque l'autorité compétente, visée à l'article 15, [2 ou le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional]2 décide qu'une évaluation des incidences sur l'environnement doit être établie pour le projet, le demandeur peut introduire une demande motivée de dispense de l'obligation de rapportage auprès de la division compétente pour le rapportage d'évaluation des incidences sur l'environnement, conformément à la procédure visée à l'article 4.3.3, § 3 à § 9 inclus du DABM. La décision de la division compétente pour l'évaluation des incidences sur l'environnement, visée à l'article 4.3.3., § 6, du même décret, est une décision contraignante pour l'autorité, visée à l'article 15, [2 ou le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional]2.
La décision qu'une évaluation des incidences sur l'environnement doit être rédigée pour le projet a d'office pour conséquence l'incomplétude de la demande d'autorisation et l'arrêt de la procédure d'autorisation.
[1 Si le résultat de l'examen visé à l'article 39 n'est pas envoyé au demandeur de la demande d'autorisation dans le délai visé au premier alinéa, l'autorité compétente délivrant le permis statuera explicitement, dans un délai de nonante jours à compter du jour qui suit la date à laquelle la demande d'autorisation est déposée, ou après la réception des données ou des documents manquants, sur la nécessité éventuelle de réaliser une évaluation des incidences sur l'environnement. Si elle décide qu'une évaluation des incidences sur l'environnement doit être réalisée, elle déclarera la demande d'autorisation incomplète et sans objet, et la procédure sera interrompue.
Aucun recours administratif tel que visé au chapitre 3 ne peut être déposé à l'encontre de la décision imposant l'établissement d'une évaluation des incidences sur l'environnement, à l'encontre de la décision d'incomplétude ou d'absence d'objet de la demande d'autorisation ni à l'encontre de l'arrêt de la procédure.]1
Lorsque l'autorité compétente, visée à l'article 15, [2 ou le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional]2 décide qu'une évaluation des incidences sur l'environnement doit être établie pour le projet, le demandeur peut introduire une demande motivée de dispense de l'obligation de rapportage auprès de la division compétente pour le rapportage d'évaluation des incidences sur l'environnement, conformément à la procédure visée à l'article 4.3.3, § 3 à § 9 inclus du DABM. La décision de la division compétente pour l'évaluation des incidences sur l'environnement, visée à l'article 4.3.3., § 6, du même décret, est une décision contraignante pour l'autorité, visée à l'article 15, [2 ou le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional]2.
Art.41. Als de overheid waarbij de vergunningsaanvraag is ingediend, vaststelt dat ze niet bevoegd is voor de aanvraag, stuurt ze die aanvraag onmiddellijk door naar de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15. De overheid waarbij de vergunningsaanvraag is ingediend, brengt de aanvrager er tegelijkertijd van op de hoogte dat de aanvraag is doorgestuurd. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, behandelt vervolgens de vergunningsaanvraag.
Voor de toepassing van dit decreet geldt de datum waarop de overheid de vergunningsaanvraag doorstuurt naar de bevoegde overheid als de datum waarop de aanvraag is ingediend.
Voor de toepassing van dit decreet geldt de datum waarop de overheid de vergunningsaanvraag doorstuurt naar de bevoegde overheid als de datum waarop de aanvraag is ingediend.
Art.41. Lorsque l'autorité auprès de laquelle la demande d'autorisation est introduite constate qu'elle n'est pas compétente pour la demande, elle transmet immédiatement la demande à l'autorité compétente, visée à l'article 15. L'autorité auprès de laquelle la demande d'autorisation est introduite informe simultanément le demandeur du fait que la demande est transmise. L'autorité compétente, visée à l'article 15, traite ensuite la demande d'autorisation.
Pour l'application du présent décret, la date à laquelle l'autorité transmet la demande d'autorisation à l'autorité compétente vaut comme date d'introduction de la demande.
Pour l'application du présent décret, la date à laquelle l'autorité transmet la demande d'autorisation à l'autorité compétente vaut comme date d'introduction de la demande.
Onderafdeling 2. - Onderzoek van het project
Sous-section 2. - Examen du projet
Art.42. De Vlaamse Regering wijst de adviesinstanties aan die over een vergunningsaanvraag advies verlenen.
Het advies van het college van burgemeester en schepenen op het ambtsgebied waarvan de vergunningsaanvraag betrekking heeft of van de gemeentelijke omgevingsambtenaar wordt altijd ingewonnen als de deputatie of de Vlaamse Regering de bevoegde overheid is tenzij de aanvraag ingediend is door het betrokken college.
De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, [1 de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde]1 vraagt de instanties, vermeld in het eerste lid, om advies.
Het advies van het college van burgemeester en schepenen op het ambtsgebied waarvan de vergunningsaanvraag betrekking heeft of van de gemeentelijke omgevingsambtenaar wordt altijd ingewonnen als de deputatie of de Vlaamse Regering de bevoegde overheid is tenzij de aanvraag ingediend is door het betrokken college.
De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, [1 de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde]1 vraagt de instanties, vermeld in het eerste lid, om advies.
Art.42. Le Gouvernement flamand désigne les instances d'avis chargées de rendre un avis au sujet d'une demande d'autorisation.
L'avis du collège des bourgmestre et échevins du ressort sur lequel porte la demande d'autorisation ou du fonctionnaire environnement communal est toujours recueilli lorsque la députation ou le Gouvernement flamand constitue l'autorité compétente, à moins que la demande ait été introduite par le collège concerné.
L'autorité compétente visée à l'article 15, [1 e fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional ou la personne mandatée par celui-ci]1 demande un avis aux instances visées au premier alinéa.
L'avis du collège des bourgmestre et échevins du ressort sur lequel porte la demande d'autorisation ou du fonctionnaire environnement communal est toujours recueilli lorsque la députation ou le Gouvernement flamand constitue l'autorité compétente, à moins que la demande ait été introduite par le collège concerné.
L'autorité compétente visée à l'article 15, [1 e fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional ou la personne mandatée par celui-ci]1 demande un avis aux instances visées au premier alinéa.
Wijzigingen
Art.43. De Vlaamse Regering stelt de adviestermijnen vast en kan de elementen bepalen waarop de adviezen moeten ingaan.
Als geen advies wordt uitgebracht binnen de vastgestelde termijn, wordt het advies geacht gunstig te zijn.
Als geen advies wordt uitgebracht binnen de vastgestelde termijn, wordt het advies geacht gunstig te zijn.
Art.43. Le Gouvernement flamand fixe les délais d'avis et peut déterminer les éléments sur lesquels les avis doivent porter.
Si aucun avis n'est rendu dans le délai fixé, l'avis est réputé favorable.
Si aucun avis n'est rendu dans le délai fixé, l'avis est réputé favorable.
Art. 43/1. [1 Als het project vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten omvat met een netto handelsoppervlakte van meer dan 20.000 vierkante meter, gelegen op een afstand van minder dan twintig kilometer van een ander gewest of van verschillende andere gewesten, en het college van burgemeester en schepenen of de deputatie de bevoegde overheid is, dan brengt de gemeentelijke of provinciale omgevingsambtenaar de Vlaamse Regering hiervan met een beveiligde zending op de hoogte, met het oog op de vervulling van de verplichtingen, opgenomen in artikel 6, § 5bis, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.]1
Art. 43/1. [1 Si le projet inclut des activités soumises à l'obligation d'autorisation dont la superficie commerciale nette excède 20 000 mètres carrés, et situées à une distance de moins de vingt kilomètres d'une autre région ou de plusieurs autres régions, et que le collège des bourgmestre et échevins ou la députation est l'autorité compétente, le fonctionnaire environnement communal ou provincial en informe le Gouvernement flamand par envoi sécurisé, en vue de répondre aux obligations reprises à l'article 6, § 5bis de la Loi spéciale de réformes institutionnelles du 8 août 1980.]1
Art.44. [1 § 1.]1 Als het college van burgemeester en schepenen de bevoegde overheid is, maakt de gemeentelijke omgevingsambtenaar voor elke beslissing over een vergunningsaanvraag een verslag op, dat deel uitmaakt van het vergunningendossier. Het verslag toetst de aanvraag [3 , in voorkomend geval,]3 aan de beoordelingsgronden, [3 bepaald bij of krachtens :
1° titel IV van de VCRO;
2° titel V van het DABM;
3° het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid]3.
[4 4° het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.]4
[2 De gemeentelijke omgevingsambtenaar stelt dit verslag ter beschikking van het college van burgemeester en schepenen uiterlijk tien dagen voor het verstrijken van de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde beslissingstermijn. Het college van burgemeester en schepenen geeft in haar motivering van de beslissing aan op welke wijze rekening wordt gehouden met het verslag. Als geen verslag wordt uitgebracht binnen de vastgestelde termijn, kan het college van burgemeester en schepenen aan de vereiste van een verslag voorbijgaan.]2
[5 § 2. Paragraaf 1 is van overeenkomstige toepassing op de deputatie en de provinciale omgevingsambtenaar.]5
1° titel IV van de VCRO;
2° titel V van het DABM;
3° het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid]3.
[4 4° het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.]4
[2 De gemeentelijke omgevingsambtenaar stelt dit verslag ter beschikking van het college van burgemeester en schepenen uiterlijk tien dagen voor het verstrijken van de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde beslissingstermijn. Het college van burgemeester en schepenen geeft in haar motivering van de beslissing aan op welke wijze rekening wordt gehouden met het verslag. Als geen verslag wordt uitgebracht binnen de vastgestelde termijn, kan het college van burgemeester en schepenen aan de vereiste van een verslag voorbijgaan.]2
[5 § 2. Paragraaf 1 is van overeenkomstige toepassing op de deputatie en de provinciale omgevingsambtenaar.]5
Wijzigingen
Art.44. [1 § 1er.]1 Si le collège des bourgmestre et échevins est l'autorité compétente, le fonctionnaire environnement communal rédige pour chaque décision un rapport qui est joint au dossier d'autorisation. Le rapport évalue la demande sur la base des critères d'évaluation [3 définis par ou en vertu
1° du titre IV du VCRO;
2° du titre IV du DABM;
3° du décret du 15 juillet 2016 relatif à la politique intégrale d'implantation commerciale]3;
[4 4° du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.]4
[2 Le fonctionnaire environnement communal met ce rapport à la disposition du collège des bourgmestre et échevins au plus tard dix jours avant l'expiration du délai de décision fixé ou, le cas échéant, prolongé. Le collège des bourgmestre et échevins indique dans sa motivation de quelle manière il est tenu compte du rapport. Si aucun rapport n'est établi dans le délai fixé ou le cas échéant prolongé, le collège des bourgmestre et échevins peut ignorer l'obligation en matière de rapport.]2
[5 § 2. Le paragraphe 1er s'applique par analogie à la députation et au fonctionnaire environnement provincial.]5
1° du titre IV du VCRO;
2° du titre IV du DABM;
3° du décret du 15 juillet 2016 relatif à la politique intégrale d'implantation commerciale]3;
[4 4° du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.]4
[2 Le fonctionnaire environnement communal met ce rapport à la disposition du collège des bourgmestre et échevins au plus tard dix jours avant l'expiration du délai de décision fixé ou, le cas échéant, prolongé. Le collège des bourgmestre et échevins indique dans sa motivation de quelle manière il est tenu compte du rapport. Si aucun rapport n'est établi dans le délai fixé ou le cas échéant prolongé, le collège des bourgmestre et échevins peut ignorer l'obligation en matière de rapport.]2
[5 § 2. Le paragraphe 1er s'applique par analogie à la députation et au fonctionnaire environnement provincial.]5
Wijzigingen
Art.45. [1 De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, kan, op verzoek van de vergunningsaanvrager, toestaan dat er wijzigingen aan de vergunningsaanvraag worden aangebracht.
Wijzigingen aan de vergunningsaanvraag kunnen worden toegestaan als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
1° de wijzigingen doen geen afbreuk aan de bescherming van de mens of het milieu of de goede ruimtelijke ordening;
2° de wijzigingen hebben niet tot gevolg dat een openbaar onderzoek over de gewijzigde aanvraag zou dienen te worden georganiseerd.]1
Wijzigingen aan de vergunningsaanvraag kunnen worden toegestaan als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
1° de wijzigingen doen geen afbreuk aan de bescherming van de mens of het milieu of de goede ruimtelijke ordening;
2° de wijzigingen hebben niet tot gevolg dat een openbaar onderzoek over de gewijzigde aanvraag zou dienen te worden georganiseerd.]1
Art.45. [1 L'autorité compétente mentionnée à l'article 15 peut, à la demande du demandeur de permis, permettre que des modifications soient apportées à la demande de permis.
Des modifications à la demande de permis peuvent être admises s'il a été satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° les modifications ne portent pas atteinte à la protection de l'homme ou de l'environnement ou du bon aménagement du territoire ;
2° les modifications n'ont pas pour conséquence qu'une enquête publique sur la demande modifiée doive être organisée.]1
Des modifications à la demande de permis peuvent être admises s'il a été satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° les modifications ne portent pas atteinte à la protection de l'homme ou de l'environnement ou du bon aménagement du territoire ;
2° les modifications n'ont pas pour conséquence qu'une enquête publique sur la demande modifiée doive être organisée.]1
Wijzigingen
Onderafdeling 3. - Beslissing over een vergunningsaanvraag
Sous-section 3. - Décision au sujet d'une demande d'autorisation
Art.46. § 1. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, neemt een beslissing over een vergunningsaanvraag binnen een termijn van zestig dagen.
De termijn gaat altijd in op de dag na de datum dat de vergunningsaanvraag ontvankelijk en volledig wordt verklaard of, bij ontstentenis van een beslissing daarover, de dertigste dag na de datum waarop de aanvraag is ingediend [2 hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten]2.
§ 2. Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde termijn, wordt de omgevingsvergunning geacht te zijn geweigerd.
[1 § 3. De bevoegde overheid kan over een vergunningsaanvraag als vermeld in artikel 5.4.1 en 5.4.2 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, waarbij een [3 gemelde archeologienota]3 werd toegevoegd bij de aanvraag, maar een beslissing nemen als de [3 archeologienota waarvan akte is genomen]3 is bezorgd. Als er geen [3 archeologienota waarvan akte is genomen]3 is bezorgd voor het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 1, dan moet de omgevingsvergunning worden geweigerd.]1
[4 § 4. Als de exploitatie van een IIOA stopgezet is of wordt overeenkomstig artikel 39, derde lid, van het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof, wordt een vergunningsaanvraag voor de exploitatie van een veehouderij die betrekking heeft op een of meer van de percelen van de IIOA waarvoor de stopzetting geldt en die leidt tot een verhoging van de stikstofemissies na de stopzetting, geweigerd.
Een veehouderij als vermeld in het eerste lid is een vergunningsplichtige IIOA als vermeld in rubriek 9 van de indelingslijst van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM, voor zover er dieren worden gehouden die behoren tot een diersoort die opgenomen is in de lijst, vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006.]4
De termijn gaat altijd in op de dag na de datum dat de vergunningsaanvraag ontvankelijk en volledig wordt verklaard of, bij ontstentenis van een beslissing daarover, de dertigste dag na de datum waarop de aanvraag is ingediend [2 hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten]2.
§ 2. Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde termijn, wordt de omgevingsvergunning geacht te zijn geweigerd.
[1 § 3. De bevoegde overheid kan over een vergunningsaanvraag als vermeld in artikel 5.4.1 en 5.4.2 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, waarbij een [3 gemelde archeologienota]3 werd toegevoegd bij de aanvraag, maar een beslissing nemen als de [3 archeologienota waarvan akte is genomen]3 is bezorgd. Als er geen [3 archeologienota waarvan akte is genomen]3 is bezorgd voor het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 1, dan moet de omgevingsvergunning worden geweigerd.]1
[4 § 4. Als de exploitatie van een IIOA stopgezet is of wordt overeenkomstig artikel 39, derde lid, van het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof, wordt een vergunningsaanvraag voor de exploitatie van een veehouderij die betrekking heeft op een of meer van de percelen van de IIOA waarvoor de stopzetting geldt en die leidt tot een verhoging van de stikstofemissies na de stopzetting, geweigerd.
Een veehouderij als vermeld in het eerste lid is een vergunningsplichtige IIOA als vermeld in rubriek 9 van de indelingslijst van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM, voor zover er dieren worden gehouden die behoren tot een diersoort die opgenomen is in de lijst, vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006.]4
Art.46. § 1er.L'autorité compétente, visée à l'article 15, prend une décision au sujet d'une demande d'autorisation dans un délai de soixante jours.
Le délai prend toujours cours le jour suivant la date à laquelle la demande d'autorisation est déclarée recevable et complète ou, à défaut de décision à cet égard, le trentième jour après la date à laquelle la demande a été introduite [2 ou après réception des données ou documents manquants]2.
§ 2. Si aucune décision n'est prise dans le délai fixé, le permis environnement est réputé rejeté.
[1 § 3. L'autorité compétente ne peut prendre une décision sur une demande de permis telle que visée aux articles 5.4.1 et 5.4.2 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, à laquelle est jointe une [3 note archéologique notifiée]3, que si la [3 note archéologique dont il a été pris acte]3 est transmise. Si aucune [3 note archéologique dont il a été pris acte]3 n'est transmise avant l'expiration du délai visé au paragraphe 1er, le permis d'environnement doit être refusé.]1
[4 § 4. Si l'exploitation d'une IIOA était ou devait être interrompue conformément à l'article 39, alinéa 3, du décret du 26 janvier 2024 sur l'approche programmatique de l'azote, une demande d'autorisation d'exploitation d'une ferme d'élevage liée à une ou plusieurs parcelles de l'IIOA à laquelle l'interruption s'applique et qui entraîne une augmentation des émissions d'azote après l'interruption est refusée.
Une exploitation d'élevage telle que visée à l'alinéa 1er est une IIOA soumise à autorisation telle que visée à la rubrique 9 de la liste de classification de l'annexe 1re du titre II du VLAREM, dans la mesure où elle détient des animaux appartenant à une espèce reprise dans la liste mentionnée à l'article 27, § 1er, du décret sur les engrais du 22 décembre 2006.]4
Le délai prend toujours cours le jour suivant la date à laquelle la demande d'autorisation est déclarée recevable et complète ou, à défaut de décision à cet égard, le trentième jour après la date à laquelle la demande a été introduite [2 ou après réception des données ou documents manquants]2.
§ 2. Si aucune décision n'est prise dans le délai fixé, le permis environnement est réputé rejeté.
[1 § 3. L'autorité compétente ne peut prendre une décision sur une demande de permis telle que visée aux articles 5.4.1 et 5.4.2 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, à laquelle est jointe une [3 note archéologique notifiée]3, que si la [3 note archéologique dont il a été pris acte]3 est transmise. Si aucune [3 note archéologique dont il a été pris acte]3 n'est transmise avant l'expiration du délai visé au paragraphe 1er, le permis d'environnement doit être refusé.]1
[4 § 4. Si l'exploitation d'une IIOA était ou devait être interrompue conformément à l'article 39, alinéa 3, du décret du 26 janvier 2024 sur l'approche programmatique de l'azote, une demande d'autorisation d'exploitation d'une ferme d'élevage liée à une ou plusieurs parcelles de l'IIOA à laquelle l'interruption s'applique et qui entraîne une augmentation des émissions d'azote après l'interruption est refusée.
Une exploitation d'élevage telle que visée à l'alinéa 1er est une IIOA soumise à autorisation telle que visée à la rubrique 9 de la liste de classification de l'annexe 1re du titre II du VLAREM, dans la mesure où elle détient des animaux appartenant à une espèce reprise dans la liste mentionnée à l'article 27, § 1er, du décret sur les engrais du 22 décembre 2006.]4
Art.47. De beslissing, vermeld in artikel 46, vermeldt de lasten en voorwaarden, met inbegrip van de bijzondere milieuvoorwaarden, die op het project van toepassing zijn. Voor de algemene en sectorale milieuvoorwaarden volstaat een verwijzing naar de regelgeving in kwestie.
Als de omgevingsvergunning voor een bepaalde duur wordt verleend, vermeldt de beslissing de duur van de vergunning en de reden daarvoor.
[1 Als een omgevingsvergunning betrekking heeft op de verandering van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project, geeft de beslissing de geactualiseerde vergunningssituatie op het vlak van de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten weer.]1. De bijzondere milieuvoorwaarden die als gevolg van hun tijdelijke karakter, van een veranderde exploitatie of van enige wettelijke of reglementaire bepaling geen uitwerking meer hebben, worden in de geactualiseerde vergunningssituatie niet vermeld.De Vlaamse Regering kan hierover verdere regels vaststellen.
Als de omgevingsvergunning voor een bepaalde duur wordt verleend, vermeldt de beslissing de duur van de vergunning en de reden daarvoor.
[1 Als een omgevingsvergunning betrekking heeft op de verandering van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project, geeft de beslissing de geactualiseerde vergunningssituatie op het vlak van de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten weer.]1. De bijzondere milieuvoorwaarden die als gevolg van hun tijdelijke karakter, van een veranderde exploitatie of van enige wettelijke of reglementaire bepaling geen uitwerking meer hebben, worden in de geactualiseerde vergunningssituatie niet vermeld.De Vlaamse Regering kan hierover verdere regels vaststellen.
Art.47. La décision, visée à l'article 46, mentionne les charges et conditions, y compris les conditions environnementales particulières, qui s'appliquent au projet. Pour les conditions environnementales générales et sectorielles, une référence à la réglementation en question suffit.
Si le permis d'environnement est octroyé pour une durée déterminée, la décision mentionne la durée de l'autorisation ainsi que la motivation de la décision.
[1 Si un permis d'environnement porte sur le changement de l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e) dans le cadre d'un projet, la décision mentionnera la situation d'autorisation actualisée en ce qui concerne l'exploitation des établissements ou activités classé(e)s]1. Les conditions environnementales particulières qui, consécutivement à leur caractère temporaire, à un changement d'exploitation ou à une disposition légale ou réglementaire, ont cessé de produire leur effet ne sont pas mentionnées dans la situation d'autorisation actualisée.Le Gouvernement flamand peut fixer des règles supplémentaires à cet égard.
Si le permis d'environnement est octroyé pour une durée déterminée, la décision mentionne la durée de l'autorisation ainsi que la motivation de la décision.
[1 Si un permis d'environnement porte sur le changement de l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e) dans le cadre d'un projet, la décision mentionnera la situation d'autorisation actualisée en ce qui concerne l'exploitation des établissements ou activités classé(e)s]1. Les conditions environnementales particulières qui, consécutivement à leur caractère temporaire, à un changement d'exploitation ou à une disposition légale ou réglementaire, ont cessé de produire leur effet ne sont pas mentionnées dans la situation d'autorisation actualisée.Le Gouvernement flamand peut fixer des règles supplémentaires à cet égard.
Wijzigingen
Art.48. Met behoud van de toepassing van artikel 5.2.1, § 3 en § 4, van het DABM, wordt de aktename van de melding in de beslissing geacht zonder voorwerp te zijn als een project bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 5, onderworpen is aan zowel de meldings- als de vergunningsplicht en de omgevingsvergunning uitdrukkelijk of stilzwijgend wordt geweigerd.
Art.48. Sans préjudice de l'application de l'article 5.2.1, § 3 et § 4, du DABM, la prise d'acte de la notification dans la décision est réputée sans objet si un projet, par ou en vertu des décrets, visés à l'article 5, est soumis tant à l'obligation de notification qu'à l'obligation d'autorisation et si le permis d'environnement est expressément ou tacitement refusé.
Art.49. Van een omgevingsvergunning mag worden gebruikgemaakt als de aanvrager niet binnen vijfendertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de aanplakking, op de hoogte is gebracht van de instelling van een schorsend administratief beroep als vermeld in artikel 52.
De aanvrager mag onmiddellijk gebruikmaken van de omgevingsvergunning:
1° in de gevallen, vermeld in artikel 55, tweede lid;
2° als de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar de omgevingsvergunning verleend heeft.
De aanvrager mag onmiddellijk gebruikmaken van de omgevingsvergunning:
1° in de gevallen, vermeld in artikel 55, tweede lid;
2° als de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar de omgevingsvergunning verleend heeft.
Art.49. Un permis d'environnement peut être utilisé lorsque le requérant n'a pas été informé, dans un délai de trente-cinq jours à partir du premier jour de l'affichage, de l'introduction d'un recours administratif suspensif tel que visé à l'article 52.
Le demandeur peut faire immédiatement usage du permis d'environnement :
1° dans les cas visés à l'article 55, § 5, alinéa deux ;
2° lorsque le Gouvernement flamand ou le fonctionnaire environnement régional a octroyé le permis d'environnement.
Le demandeur peut faire immédiatement usage du permis d'environnement :
1° dans les cas visés à l'article 55, § 5, alinéa deux ;
2° lorsque le Gouvernement flamand ou le fonctionnaire environnement régional a octroyé le permis d'environnement.
Art.50. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de vereenvoudigde vergunningsprocedure, met inbegrip van de bekendmaking van de beslissing.
Art.50. Le Gouvernement flamand fixe les modalités pour la procédure d'autorisation simplifiée, y compris pour la publication de la décision.
Onderafdeling 4. - Aanvulling of wijziging van de indelingslijst
Sous-section 4. - Ajout ou modification de la liste de classification
Art.51. De exploitant van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst, deelt het bestaan van de exploitatie mee aan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, binnen een termijn van zes maanden vanaf de dag na de datum van de inwerkingtreding van die aanvulling of wijziging.
De termijn van zestig dagen, vermeld in artikel 46, wordt voor de projecten, vermeld in het eerste lid, als een termijn van orde beschouwd.
In voorkomend geval mag de exploitatie worden voortgezet tot een definitieve beslissing is genomen over de verlening van de omgevingsvergunning.
De termijn van zestig dagen, vermeld in artikel 46, wordt voor de projecten, vermeld in het eerste lid, als een termijn van orde beschouwd.
In voorkomend geval mag de exploitatie worden voortgezet tot een definitieve beslissing is genomen over de verlening van de omgevingsvergunning.
Art.51. L'exploitant d'une installation ou activité classée devenue soumise à l'obligation d'autorisation par ajout ou modification de la liste de classification notifie l'existence de l'exploitation à l'autorité compétente, visée à l'article 15, dans un délai de six mois à partir du premier jour après la date d'entrée en vigueur de cet ajout ou de cette modification.
Le délai de soixante jours, visé à l'article 46, est, pour les projets visés à l'alinéa premier, considéré comme un délai d'ordre.
Le cas échéant, l'exploitation peut se poursuivre jusqu'à la prise d'une décision définitive concernant l'octroi du permis d'environnement.
Le délai de soixante jours, visé à l'article 46, est, pour les projets visés à l'alinéa premier, considéré comme un délai d'ordre.
Le cas échéant, l'exploitation peut se poursuivre jusqu'à la prise d'une décision définitive concernant l'octroi du permis d'environnement.
HOOFDSTUK 3. - De vergunningsprocedure in laatste administratieve aanleg
CHAPITRE 3. - La procédure d'autorisation en dernière instance administrative
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art.52. [1 De Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar zijn bevoegd]1 in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg.
[1 De Vlaamse Regering bepaalt in welke gevallen de gewestelijke omgevingsambtenaar over het beroep kan beslissen.]1
De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.
[1 De Vlaamse Regering bepaalt in welke gevallen de gewestelijke omgevingsambtenaar over het beroep kan beslissen.]1
De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.
Art.52. [1 Le Gouvernement flamand ou le fonctionnaire environnement régional sont compétents]1 en dernière instance administrative pour les recours à l'encontre des décisions explicites ou tacites de la députation en première instance administrative.
[1 Le Gouvernement flamand détermine dans quels cas le fonctionnaire environnement régional peut statuer sur le recours.]1
La députation est, pour son ressort, compétente en dernière instance administrative pour les recours à l'encontre des décisions explicites ou tacites du collège des bourgmestre et échevins en première instance administrative.
[1 Le Gouvernement flamand détermine dans quels cas le fonctionnaire environnement régional peut statuer sur le recours.]1
La députation est, pour son ressort, compétente en dernière instance administrative pour les recours à l'encontre des décisions explicites ou tacites du collège des bourgmestre et échevins en première instance administrative.
Wijzigingen
Art. 53. Het beroep kan worden ingesteld door:
1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;
2° het betrokken publiek;
3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
5° [1 ...]1
6° [1 de leidend ambtenaar van het Departement Omgeving of, bij zijn afwezigheid, zijn gemachtigde.]1
[3 7° de leidend ambtenaar van het Agentschap Innoveren en Ondernemen of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde, als het project vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten omvat.]3
[4 8° de leidend ambtenaar van het agentschap, bevoegd voor natuur en bos, of, bij zijn afwezigheid, zijn gemachtigde als het project vergunningsplichtige wijzigingen van de vegetatie omvat.]4
[2 Als de aanvraag in eerste administratieve aanleg overeenkomstig de gewone vergunningsprocedure behandeld is, kan het betrokken publiek alleen een beroep instellen als hij tijdens het openbaar onderzoek een gemotiveerd standpunt, opmerking of bezwaar heeft ingediend, tenzij aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
1° het beroep is ingegeven door een wijziging aan de vergunningsaanvraag, aangebracht na het openbaar onderzoek;
2° het beroep is ingegeven door:
a) een bijzondere milieuvoorwaarde, opgelegd in de bestreden vergunning, wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit;
b) een andere voorwaarde, opgelegd in de bestreden vergunning, die geen betrekking heeft op de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit;
3° het betrokken publiek toont aan dat hij door specifieke omstandigheden in de onmogelijkheid was om een standpunt, opmerking of bezwaar in te dienen tijdens het openbaar onderzoek.]2
1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;
2° het betrokken publiek;
3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
5° [1 ...]1
6° [1 de leidend ambtenaar van het Departement Omgeving of, bij zijn afwezigheid, zijn gemachtigde.]1
[3 7° de leidend ambtenaar van het Agentschap Innoveren en Ondernemen of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde, als het project vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten omvat.]3
[4 8° de leidend ambtenaar van het agentschap, bevoegd voor natuur en bos, of, bij zijn afwezigheid, zijn gemachtigde als het project vergunningsplichtige wijzigingen van de vegetatie omvat.]4
[2 Als de aanvraag in eerste administratieve aanleg overeenkomstig de gewone vergunningsprocedure behandeld is, kan het betrokken publiek alleen een beroep instellen als hij tijdens het openbaar onderzoek een gemotiveerd standpunt, opmerking of bezwaar heeft ingediend, tenzij aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
1° het beroep is ingegeven door een wijziging aan de vergunningsaanvraag, aangebracht na het openbaar onderzoek;
2° het beroep is ingegeven door:
a) een bijzondere milieuvoorwaarde, opgelegd in de bestreden vergunning, wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit;
b) een andere voorwaarde, opgelegd in de bestreden vergunning, die geen betrekking heeft op de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit;
3° het betrokken publiek toont aan dat hij door specifieke omstandigheden in de onmogelijkheid was om een standpunt, opmerking of bezwaar in te dienen tijdens het openbaar onderzoek.]2
Wijzigingen
Art. 53. Le recours peut être introduit par :
1° le demandeur du permis, le titulaire du permis ou l'exploitant ;
2° le public concerné ;
3° le fonctionnaire dirigeant des instances d'avis ou, en son absence, son délégué, si l'instance d'avis a émis son avis en temps voulu ou si son avis n'a, à tort, pas été sollicité ;
4° le collège des bourgmestre et échevins, s'il a émis son avis en temps voulu ou si son avis n'a, à tort, pas été sollicité ;
5° [1 ...]1
6° [1 le fonctionnaire dirigeant du Département de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire ou, en son absence, son mandataire.]1
[3 7° le fonctionnaire dirigeant de l'Agence de l'Innovation et de l'Entrepreunariat, ou en son absence son mandataire, si le projet inclut des activités de commerce de détail soumises à obligation d'autorisation.]3
[4 8° le fonctionnaire dirigeant de l'" Agentschap voor Natuur en Bos " (Agence de la Nature et des Forêts) ou, en son absence, son représentant autorisé si le projet comporte des modifications de la végétation soumises à autorisation.]4
[2 Lorsque la demande a été traitée, en première instance administrative, conformément à la procédure normale d'autorisation, le public concerné ne peut introduire un recours que s'il a formulé un avis, une remarque ou une objection motivés durant l'enquête publique, à moins qu'il n'ait été satisfait à l'une des conditions suivantes :
1° le recours est motivé par une modification à la demande de permis, apportée après l'enquête publique ;
2° le recours a été motivé par :
a) une condition environnementale particulière, imposée dans le permis contesté, en ce qui concerne l'exploitation d'une installation ou activité classée ;
b) une autre condition, imposée dans le permis contesté, qui ne concerne pas l'exploitation d'une installation ou activité classée ;
3° le public concerné démontre que, en raison de circonstances spécifiques, il se trouvait dans l'impossibilité de formuler un point de vue, une remarque ou une objection durant l'enquête publique.]2
1° le demandeur du permis, le titulaire du permis ou l'exploitant ;
2° le public concerné ;
3° le fonctionnaire dirigeant des instances d'avis ou, en son absence, son délégué, si l'instance d'avis a émis son avis en temps voulu ou si son avis n'a, à tort, pas été sollicité ;
4° le collège des bourgmestre et échevins, s'il a émis son avis en temps voulu ou si son avis n'a, à tort, pas été sollicité ;
5° [1 ...]1
6° [1 le fonctionnaire dirigeant du Département de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire ou, en son absence, son mandataire.]1
[3 7° le fonctionnaire dirigeant de l'Agence de l'Innovation et de l'Entrepreunariat, ou en son absence son mandataire, si le projet inclut des activités de commerce de détail soumises à obligation d'autorisation.]3
[4 8° le fonctionnaire dirigeant de l'" Agentschap voor Natuur en Bos " (Agence de la Nature et des Forêts) ou, en son absence, son représentant autorisé si le projet comporte des modifications de la végétation soumises à autorisation.]4
[2 Lorsque la demande a été traitée, en première instance administrative, conformément à la procédure normale d'autorisation, le public concerné ne peut introduire un recours que s'il a formulé un avis, une remarque ou une objection motivés durant l'enquête publique, à moins qu'il n'ait été satisfait à l'une des conditions suivantes :
1° le recours est motivé par une modification à la demande de permis, apportée après l'enquête publique ;
2° le recours a été motivé par :
a) une condition environnementale particulière, imposée dans le permis contesté, en ce qui concerne l'exploitation d'une installation ou activité classée ;
b) une autre condition, imposée dans le permis contesté, qui ne concerne pas l'exploitation d'une installation ou activité classée ;
3° le public concerné démontre que, en raison de circonstances spécifiques, il se trouvait dans l'impossibilité de formuler un point de vue, une remarque ou une objection durant l'enquête publique.]2
Wijzigingen
Art.54. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van dertig dagen die ingaat:
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.
Art.54. Le recours est introduit, sous peine d'irrecevabilité, dans un délai de trente jours à compter :
1° du premier jour après la date de notification de la décision contestée pour les personnes ou instances auxquelles la décision est notifiée ;
2° du premier jour après l'expiration du délai de décision, lorsque le permis d'environnement est tacitement refusé en première instance administrative ;
3° du jour après le premier jour d'affichage de la décision contestée dans les autres cas.
1° du premier jour après la date de notification de la décision contestée pour les personnes ou instances auxquelles la décision est notifiée ;
2° du premier jour après l'expiration du délai de décision, lorsque le permis d'environnement est tacitement refusé en première instance administrative ;
3° du jour après le premier jour d'affichage de la décision contestée dans les autres cas.
Art.55. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing in laatste administratieve aanleg.
In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van:
1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;
2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;
3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst.
In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van:
1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;
2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;
3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst.
Art.55. Le recours suspend l'exécution de la décision contestée jusqu'au premier jour après la date de notification de la décision en dernière instance administrative.
Par dérogation à l'alinéa premier, le recours n'est pas suspensif à l'égard :
1° de l'autorisation pour la poursuite de l'exploitation d'une installation ou activité classée pour laquelle une demande d'autorisation a été introduite au moins douze mois avant la date de fin du permis d'environnement ;
2° de l'autorisation pour l'exploitation après une période d'essai telle que visée à l'article 69 ;
3° de l'autorisation pour l'exploitation d'une installation ou activité classée devenue soumise à l'obligation d'autorisation par ajout ou modification de la liste de classification.
Par dérogation à l'alinéa premier, le recours n'est pas suspensif à l'égard :
1° de l'autorisation pour la poursuite de l'exploitation d'une installation ou activité classée pour laquelle une demande d'autorisation a été introduite au moins douze mois avant la date de fin du permis d'environnement ;
2° de l'autorisation pour l'exploitation après une période d'essai telle que visée à l'article 69 ;
3° de l'autorisation pour l'exploitation d'une installation ou activité classée devenue soumise à l'obligation d'autorisation par ajout ou modification de la liste de classification.
Afdeling 2. - Beroepsprocedure
Section 2. - Procédure de recours
Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek
Sous-section 1re. - Examen de recevabilité et de complétude
Art.56. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52.
[2 Als met toepassing van artikel 31/1 bij de Vlaamse Regering een georganiseerd administratief beroep werd ingesteld tegen het besluit van de gemeenteraad over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg, bevat het beroep op straffe van onontvankelijkheid een afschrift van het beroepschrift bij de Vlaamse Regering.]2
Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan:
1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;
2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt.
De Vlaamse Regering bepaalt [1 eventueel met inbegrip van een onontvankelijkheidssanctie, nadere regels met betrekking tot de opbouw en de inhoud van het beroepsschrift en]1 de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld.
[2 Als met toepassing van artikel 31/1 bij de Vlaamse Regering een georganiseerd administratief beroep werd ingesteld tegen het besluit van de gemeenteraad over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg, bevat het beroep op straffe van onontvankelijkheid een afschrift van het beroepschrift bij de Vlaamse Regering.]2
Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan:
1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;
2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt.
De Vlaamse Regering bepaalt [1 eventueel met inbegrip van een onontvankelijkheidssanctie, nadere regels met betrekking tot de opbouw en de inhoud van het beroepsschrift en]1 de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld.
Art.56. La demande d'autorisation est introduite par envoi sécurisé auprès de l'autorité compétente visée à l'article 52.
[2 Si en application de l'article 31/1 un recours administratif organisé est introduit auprès du Gouvernement flamand contre la décision du conseil communal sur l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression d'une route communale, le recours doit contenir, sous peine d'irrecevabilité, une copie du recours auprès du Gouvernement flamand.]2
A peine d'irrecevabilité, la personne qui introduit un recours fournit, simultanément et par envoi sécurisé, une copie du recours :
1° au demandeur d'autorisation, sauf s'il introduit lui-même le recours ;
2° à la députation si celle-ci a pris la décision en première instance administrative ;
3° au collège des bourgmestre et échevins, sauf s'il introduit lui-même le recours.
Le Gouvernement flamand détermine [1 , éventuellement en y joignant une sanction d'irrecevabilité, des modalités plus précises concernant la structure et le contenu de l'acte de recours et ]1 les pièces justificatives qui doivent être jointes au recours, de sorte qu'il puisse être introduit de manière recevable.
[2 Si en application de l'article 31/1 un recours administratif organisé est introduit auprès du Gouvernement flamand contre la décision du conseil communal sur l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression d'une route communale, le recours doit contenir, sous peine d'irrecevabilité, une copie du recours auprès du Gouvernement flamand.]2
A peine d'irrecevabilité, la personne qui introduit un recours fournit, simultanément et par envoi sécurisé, une copie du recours :
1° au demandeur d'autorisation, sauf s'il introduit lui-même le recours ;
2° à la députation si celle-ci a pris la décision en première instance administrative ;
3° au collège des bourgmestre et échevins, sauf s'il introduit lui-même le recours.
Le Gouvernement flamand détermine [1 , éventuellement en y joignant une sanction d'irrecevabilité, des modalités plus précises concernant la structure et le contenu de l'acte de recours et ]1 les pièces justificatives qui doivent être jointes au recours, de sorte qu'il puisse être introduit de manière recevable.
Art.57. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of [1 de provinciale respectievelijk gewestelijke omgevingsambtenaar]1 onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid.
Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid [1 of de provinciale respectievelijk gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde]1 de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen.
Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.
Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid [1 of de provinciale respectievelijk gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde]1 de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen.
Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.
Art.57. L'autorité compétente, visée à l'article 52, ou [1 le fonctionnaire environnement provincial ou régional]1 examine si la demande d'autorisation est complète et recevable.
Si toutes les pièces, visées à l'article 56, alinéa trois, ne sont pas jointes au recours, l'autorité compétente [1 le fonctionnaire environnement provincial ou régional ou le fonctionnaire mandaté par elle]1 peut, par envoi sécurisé, demander à l'auteur du recours de joindre, dans un délai de quatorze jours à compter du premier jour après l'envoi de la demande de parachèvement, les données ou documents manquants au recours.
Si l'auteur du recours néglige de joindre au recours les données ou documents manquants dans le délai visé à l'alinéa deux, le recours est considéré comme incomplet.
Si toutes les pièces, visées à l'article 56, alinéa trois, ne sont pas jointes au recours, l'autorité compétente [1 le fonctionnaire environnement provincial ou régional ou le fonctionnaire mandaté par elle]1 peut, par envoi sécurisé, demander à l'auteur du recours de joindre, dans un délai de quatorze jours à compter du premier jour après l'envoi de la demande de parachèvement, les données ou documents manquants au recours.
Si l'auteur du recours néglige de joindre au recours les données ou documents manquants dans le délai visé à l'alinéa deux, le recours est considéré comme incomplet.
Wijzigingen
Art. 57/1. [1 Beroepen inzake omgevingsvergunningen die uitsluitend kleinhandelsactiviteiten omvatten en die louter gebaseerd zijn op economische criteria in functie van economische doelstellingen, zijn onontvankelijk.]1
Art. 57/1. [1 Les recours en matière de permis d'environnement qui incluent uniquement des activités de commerce de détail et qui sont uniquement basés sur des critères économiques en fonction d'objectifs économiques sont irrecevables.]1
Art.58. Het resultaat van het onderzoek, vermeld in artikel 57, wordt aan de beroepsindiener binnen een termijn van dertig dagen die ingaat de dag na de datum van de verzending van het beroepschrift per beveiligde zending meegedeeld.
De onvolledigheid of onontvankelijkheid heeft van rechtswege de stopzetting van de beroepsprocedure tot gevolg. De beslissing wordt ter kennis gebracht van:
1° de beroepsindiener;
2° de vergunningsaanvrager;
3° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
4° het college van burgemeester en schepenen.
De onvolledigheid of onontvankelijkheid heeft van rechtswege de stopzetting van de beroepsprocedure tot gevolg. De beslissing wordt ter kennis gebracht van:
1° de beroepsindiener;
2° de vergunningsaanvrager;
3° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
4° het college van burgemeester en schepenen.
Art.58. Le résultat de l'examen, visé à l'article 57, est notifié par envoi sécurisé à l'auteur du recours dans un délai de trente jours qui prend cours le premier jour après la date d'envoi du recours.
L'incomplétude ou l'irrecevabilité entraîne l'arrêt de droit de la procédure de recours. La décision est portée à la connaissance :
1° de l'auteur du recours ;
2° du demandeur de l'autorisation ;
3° de la députation si celle-ci a pris la décision en première instance administrative ;
4° du collège des bourgmestre et échevins.
L'incomplétude ou l'irrecevabilité entraîne l'arrêt de droit de la procédure de recours. La décision est portée à la connaissance :
1° de l'auteur du recours ;
2° du demandeur de l'autorisation ;
3° de la députation si celle-ci a pris la décision en première instance administrative ;
4° du collège des bourgmestre et échevins.
Onderafdeling 2. - Onderzoek van het project
Sous-section 2. - Examen du projet
Art.59. De Vlaamse Regering wijst de adviesinstanties aan die over een vergunningsaanvraag in beroep advies verlenen.
Het advies van het college van burgemeester en schepenen op het ambtsgebied waarvan de vergunningsaanvraag betrekking heeft, of van de gemeentelijke omgevingsambtenaar wordt altijd ingewonnen tenzij het beroep ingesteld is door het betrokken college.
Het advies van het college van burgemeester en schepenen op het ambtsgebied waarvan de vergunningsaanvraag betrekking heeft, of van de gemeentelijke omgevingsambtenaar wordt altijd ingewonnen tenzij het beroep ingesteld is door het betrokken college.
Art.59. Le Gouvernement flamand désigne les instances d'avis chargées de rendre un avis au sujet d'une demande d'autorisation en recours.
L'avis du collège des bourgmestre et échevins du ressort sur lequel porte la demande d'autorisation ou du fonctionnaire environnement communal est toujours recueilli, à moins que le recours ait été introduit par le collège concerné.
L'avis du collège des bourgmestre et échevins du ressort sur lequel porte la demande d'autorisation ou du fonctionnaire environnement communal est toujours recueilli, à moins que le recours ait été introduit par le collège concerné.
Art.60. In de gevallen die de Vlaamse Regering bepaalt, vraagt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, [1 de provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde]1 het advies van de provinciale of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1. De provinciale of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie vraagt de adviesinstanties, vermeld in artikel 59, eerste lid, en in voorkomend geval het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar, vermeld in artikel 59, tweede lid, om advies.
Als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, vereist is, vraagt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, [1 de provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde]1 de adviesinstanties, vermeld in artikel 59, eerste lid, en in voorkomend geval het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar, vermeld in artikel 59, tweede lid, om advies.
Als met toepassing van het eerste lid een advies van een omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, vereist is, verlenen de adviesinstanties, vermeld in artikel 59, eerste lid, en in voorkomend geval het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar, vermeld in artikel 59, tweede lid, hun advies aan de omgevingsvergunningscommissie. De voormelde commissie verleent een geïntegreerd advies.
Als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, vereist is, vraagt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, [1 de provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde]1 de adviesinstanties, vermeld in artikel 59, eerste lid, en in voorkomend geval het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar, vermeld in artikel 59, tweede lid, om advies.
Als met toepassing van het eerste lid een advies van een omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, vereist is, verlenen de adviesinstanties, vermeld in artikel 59, eerste lid, en in voorkomend geval het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar, vermeld in artikel 59, tweede lid, hun advies aan de omgevingsvergunningscommissie. De voormelde commissie verleent een geïntegreerd advies.
Art.60. Dans les cas prévus par le Gouvernement flamand, l'autorité compétente, visée à l'article 52, [1 le fonctionnaire environnement provincial ou régional ou le fonctionnaire mandaté par elle]1 demande l'avis de la commission provinciale ou régionale du permis d'environnement, visée à l'article 16, § 1er. La commission provinciale ou régionale du permis d'environnement demande un avis aux instances d'avis, visées à l'article 59, alinéa premier, et, le cas échéant, au collège des bourgmestre et échevins ou au fonctionnaire environnement communal, visé à l'article 59, alinéa deux.
Si l'avis d'une commission du permis d'environnement, telle que visée à l'article 16, § 1er, n'est pas requis, l'autorité compétente, visée à l'article 52, [1 le fonctionnaire environnement provincial ou régional ou le fonctionnaire mandaté par elle]1 demande un avis aux instances d'avis, visées à l'article 59, alinéa premier, et, le cas échéant, au collège des bourgmestre et échevins ou au fonctionnaire environnement communal, visé à l'article 24, alinéa deux.
Si, en application de l'alinéa premier, l'avis d'une commission du permis d'environnement, telle que visée à l'article 16, § 1er, est requis, les instances d'avis, visées à l'article 59, alinéa premier, et, le cas échéant, le collège des bourgmestre et échevins ou le fonctionnaire environnement communal, visé à l'article 24, alinéa deux, rendent leur avis à la commission du permis d'environnement. La commission susmentionnée rend un avis intégré.
Si l'avis d'une commission du permis d'environnement, telle que visée à l'article 16, § 1er, n'est pas requis, l'autorité compétente, visée à l'article 52, [1 le fonctionnaire environnement provincial ou régional ou le fonctionnaire mandaté par elle]1 demande un avis aux instances d'avis, visées à l'article 59, alinéa premier, et, le cas échéant, au collège des bourgmestre et échevins ou au fonctionnaire environnement communal, visé à l'article 24, alinéa deux.
Si, en application de l'alinéa premier, l'avis d'une commission du permis d'environnement, telle que visée à l'article 16, § 1er, est requis, les instances d'avis, visées à l'article 59, alinéa premier, et, le cas échéant, le collège des bourgmestre et échevins ou le fonctionnaire environnement communal, visé à l'article 24, alinéa deux, rendent leur avis à la commission du permis d'environnement. La commission susmentionnée rend un avis intégré.
Wijzigingen
Art.61. De Vlaamse Regering stelt de adviestermijnen vast en kan de elementen bepalen waarop de adviezen moeten ingaan.
Als geen advies wordt uitgebracht binnen de vastgestelde termijn, wordt het advies geacht gunstig te zijn.
Als geen advies wordt uitgebracht binnen de vastgestelde termijn, wordt het advies geacht gunstig te zijn.
Art.61. Le Gouvernement flamand fixe les délais d'avis et peut déterminer les éléments sur lesquels les avis doivent porter.
Si aucun avis n'est rendu dans le délai fixé, l'avis est réputé favorable.
Si aucun avis n'est rendu dans le délai fixé, l'avis est réputé favorable.
Art.62. De vergunningsaanvrager alsook elke beroepsindiener kan in tweede administratieve aanleg vragen om gehoord te worden door:
1° de provinciale of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie, als een advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
2° de bevoegde overheid [1 of de provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar]1, als een advies van een omgevingsvergunningscommissie niet vereist is.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen inzake de organisatie van en de vertegenwoordiging op de hoorzitting.
1° de provinciale of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie, als een advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
2° de bevoegde overheid [1 of de provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar]1, als een advies van een omgevingsvergunningscommissie niet vereist is.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen inzake de organisatie van en de vertegenwoordiging op de hoorzitting.
Art.62. Le demandeur de l'autorisation, ainsi que chaque auteur de recours, peut, en deuxième instance administrative, demander à être entendu par :
1° la commission provinciale ou régionale du permis d'environnement si l'avis d'une commission du permis d'environnement est requis ;
2° l'autorité compétente [1 ou le fonctionnaire environnement provincial ou régional]1, si l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités en ce qui concerne l'organisation de et la représentation à l'audience.
1° la commission provinciale ou régionale du permis d'environnement si l'avis d'une commission du permis d'environnement est requis ;
2° l'autorité compétente [1 ou le fonctionnaire environnement provincial ou régional]1, si l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités en ce qui concerne l'organisation de et la représentation à l'audience.
Wijzigingen
Art.63. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, onderzoekt de vergunningsaanvraag in haar totaliteit. [1 Daarbij kan ze ook de ontvankelijkheid en volledigheid van het aanvraagdossier en de project-m.e.r.-screening opnieuw beoordelen, en vragen of toestaan dat de indiener van het aanvraagdossier onvolledigheden herstelt. Artikel 19, tweede lid, 20 en 21, zijn van overeenkomstige toepassing.]1
Art.63. L'autorité compétente, visée à l'article 52, examine la demande d'autorisation dans sa totalité. [1 Ce faisant, elle peut également réévaluer la recevabilité et l'exhaustivité du dossier de demande et de la vérification préliminaire du MER de projet, et inviter ou autoriser l'auteur à rectifier les éléments incomplets du dossier de demande. Les articles 19, alinéa 2, 20 et 21 s'appliquent mutatis mutandis.]1
Wijzigingen
Art. 63/1. [1 Als de deputatie de bevoegde overheid is en er geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is, maakt de provinciale omgevingsambtenaar voor elke beslissing over een beroep een verslag op, dat deel uitmaakt van het vergunningendossier. Het verslag toetst de aanvraag, in voorkomend geval, aan de beoordelingsgronden, bepaald bij of krachtens:
1° titel IV van de VCRO;
2° titel V van het DABM;
3° het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid;
4° het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.
Het verslag omvat, in voorkomend geval, een voorstel van antwoord op de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het eventuele openbaar onderzoek.
De provinciale omgevingsambtenaar stelt dit verslag ter beschikking van de deputatie uiterlijk tien dagen voor het verstrijken van de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde beslissingstermijn. De deputatie geeft in haar motivering van de beslissing aan op welke wijze rekening wordt gehouden met het verslag. Als geen verslag wordt uitgebracht binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn, kan de deputatie aan de vereiste van een verslag voorbijgaan.]1
1° titel IV van de VCRO;
2° titel V van het DABM;
3° het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid;
4° het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.
Het verslag omvat, in voorkomend geval, een voorstel van antwoord op de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het eventuele openbaar onderzoek.
De provinciale omgevingsambtenaar stelt dit verslag ter beschikking van de deputatie uiterlijk tien dagen voor het verstrijken van de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde beslissingstermijn. De deputatie geeft in haar motivering van de beslissing aan op welke wijze rekening wordt gehouden met het verslag. Als geen verslag wordt uitgebracht binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn, kan de deputatie aan de vereiste van een verslag voorbijgaan.]1
Art. 63/1. [1 i l'autorité compétente est la députation et qu'aucun avis d'une commission du permis d'environnement n'est requis, le fonctionnaire environnement provincial établit, pour toute décision sur un recours, un rapport qui fait partie du dossier des autorisations. Le cas échéant, le rapport évalue la demande sur la base des éléments d'appréciation déterminés par les dispositions suivantes ou en vertu de celles-ci :
1° Le titre IV du VCRO ;
2° Le titre V du DABM ;
3° le décret du 15 juillet 2016 relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale ;
4° le décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.
Le rapport comprend, le cas échéant, une proposition de réponse aux points de vue, remarques et objections qui ont été formulés durant l'enquête publique éventuelle.
Le fonctionnaire environnement communal met ce rapport à la disposition du collège des bourgmestre et échevins au plus tard dix jours avant l'expiration du délai de décision fixé ou, le cas échéant, prolongé. Le collège des bourgmestre et échevins indique dans sa motivation de quelle manière il est tenu compte du rapport. Si aucun rapport n'est établi dans le délai fixé ou, le cas échéant, prolongé, le collège des bourgmestre et échevins peut ignorer l'obligation en matière de rapport.]1
1° Le titre IV du VCRO ;
2° Le titre V du DABM ;
3° le décret du 15 juillet 2016 relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale ;
4° le décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.
Le rapport comprend, le cas échéant, une proposition de réponse aux points de vue, remarques et objections qui ont été formulés durant l'enquête publique éventuelle.
Le fonctionnaire environnement communal met ce rapport à la disposition du collège des bourgmestre et échevins au plus tard dix jours avant l'expiration du délai de décision fixé ou, le cas échéant, prolongé. Le collège des bourgmestre et échevins indique dans sa motivation de quelle manière il est tenu compte du rapport. Si aucun rapport n'est établi dans le délai fixé ou, le cas échéant, prolongé, le collège des bourgmestre et échevins peut ignorer l'obligation en matière de rapport.]1
Art.64. In beroep kunnen wijzigingen aan de vergunningsaanvraag worden aangebracht. [1 Daarbij kunnen ook gegevens of documenten aan het aanvraagdossier worden toegevoegd, of kunnen gegevens of documenten van het aanvraagdossier worden gewijzigd of vervangen."]1
Het openbaar onderzoek over de gewijzigde vergunningsaanvraag is niet vereist als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de wijzigingen doen geen afbreuk aan de bescherming van de mens of het milieu of de goede ruimtelijke ordening;
2° de wijzigingen komen tegemoet aan de adviezen of aan de standpunten, opmerkingen en bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek zijn ingediend;
3° de wijzigingen brengen kennelijk geen schending van de rechten van derden met zich mee.
Als niet voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, kan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, beslissen om over de gewijzigde vergunningsaanvraag een openbaar onderzoek te organiseren. In voorkomend geval wint ze het advies van de omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, of de adviezen, vermeld in artikel 59, alsnog, dan wel een tweede keer in.
Als niet voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, en de bevoegde overheid geen openbaar onderzoek heeft georganiseerd over de gewijzigde vergunningsaanvraag, houdt deze overheid bij haar beslissing geen rekening met de wijzigingen aan de vergunningsaanvraag.
Het openbaar onderzoek over de gewijzigde vergunningsaanvraag is niet vereist als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de wijzigingen doen geen afbreuk aan de bescherming van de mens of het milieu of de goede ruimtelijke ordening;
2° de wijzigingen komen tegemoet aan de adviezen of aan de standpunten, opmerkingen en bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek zijn ingediend;
3° de wijzigingen brengen kennelijk geen schending van de rechten van derden met zich mee.
Als niet voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, kan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, beslissen om over de gewijzigde vergunningsaanvraag een openbaar onderzoek te organiseren. In voorkomend geval wint ze het advies van de omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, of de adviezen, vermeld in artikel 59, alsnog, dan wel een tweede keer in.
Als niet voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, en de bevoegde overheid geen openbaar onderzoek heeft georganiseerd over de gewijzigde vergunningsaanvraag, houdt deze overheid bij haar beslissing geen rekening met de wijzigingen aan de vergunningsaanvraag.
Art.64. Des modifications peuvent, en recours, être apportées à la demande d'autorisation. [1 Il peut également s'agir d'ajouter des données ou des documents au dossier de demande, ou de modifier ou remplacer des données ou des documents dans le dossier de demande.]1
L'enquête publique sur la demande d'autorisation modifiée n'est pas requise s'il est satisfait aux conditions suivantes :
1° les modifications ne portent pas atteinte à la protection de l'homme et de l'environnement ou du bon aménagement du territoire ;
2° les modifications sont conformes aux avis ou aux points de vue, remarques et objections notifiés pendant l'enquête publique ;
3° les modifications n'impliquent manifestement aucune transgression des droits de tiers.
S'il n'est pas satisfait aux conditions, visées à l'alinéa deux, l'autorité compétente, visée à l'article 52, peut décider d'organiser une enquête publique sur la demande d'autorisation modifiée. Le cas échéant, elle recueille ou recueille une deuxième fois l'avis de la commission du permis d'environnement, visée à l'article 16, § 1er, ou les avis visés à l'article 59.
S'il n'est pas satisfait aux conditions visées à l'alinéa deux, et si l'autorité compétente n'a pas organisé d'enquête publique sur la demande d'autorisation modifiée, cette autorité ne tient pas compte, dans sa décision, des modifications apportées à la demande d'autorisation.
L'enquête publique sur la demande d'autorisation modifiée n'est pas requise s'il est satisfait aux conditions suivantes :
1° les modifications ne portent pas atteinte à la protection de l'homme et de l'environnement ou du bon aménagement du territoire ;
2° les modifications sont conformes aux avis ou aux points de vue, remarques et objections notifiés pendant l'enquête publique ;
3° les modifications n'impliquent manifestement aucune transgression des droits de tiers.
S'il n'est pas satisfait aux conditions, visées à l'alinéa deux, l'autorité compétente, visée à l'article 52, peut décider d'organiser une enquête publique sur la demande d'autorisation modifiée. Le cas échéant, elle recueille ou recueille une deuxième fois l'avis de la commission du permis d'environnement, visée à l'article 16, § 1er, ou les avis visés à l'article 59.
S'il n'est pas satisfait aux conditions visées à l'alinéa deux, et si l'autorité compétente n'a pas organisé d'enquête publique sur la demande d'autorisation modifiée, cette autorité ne tient pas compte, dans sa décision, des modifications apportées à la demande d'autorisation.
Wijzigingen
Art.65. [1 Als de aanvraag de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg omvat en de bevoegde overheid vaststelt dat de gemeenteraad daarover geen beslissing heeft genomen, roept de gouverneur op verzoek van de deputatie, de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar, de gemeenteraad samen om te beslissen over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg.
De gemeenteraad spreekt zich uit over de ligging, de breedte en de uitrusting van de gemeenteweg, en over de eventuele opname in het openbaar domein. De gemeenteraad kan daarbij voorwaarden opleggen en lasten verbinden, die de bevoegde overheid in de eventuele vergunning opneemt. De rechtsbescherming met betrekking tot die voorwaarden en lasten is dezelfde als die met betrekking tot de vergunning.
De gemeente bezorgt de beslissing van de gemeenteraad over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg aan de bevoegde overheid binnen zestig dagen na de samenroeping door de gouverneur.]1
De gemeenteraad spreekt zich uit over de ligging, de breedte en de uitrusting van de gemeenteweg, en over de eventuele opname in het openbaar domein. De gemeenteraad kan daarbij voorwaarden opleggen en lasten verbinden, die de bevoegde overheid in de eventuele vergunning opneemt. De rechtsbescherming met betrekking tot die voorwaarden en lasten is dezelfde als die met betrekking tot de vergunning.
De gemeente bezorgt de beslissing van de gemeenteraad over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg aan de bevoegde overheid binnen zestig dagen na de samenroeping door de gouverneur.]1
Art.65. [1 Si la demande comprend l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression d'une route communale, et que l'autorité compétente constate que le conseil communal n'a pas statué, le gouverneur, à la demande de la députation, du Gouvernement flamand ou du fonctionnaire de l'environnement régional, convoque le conseil communal pour statuer sur l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression de la route communale.
Le conseil communal se prononce sur l'emplacement, la largeur et les installations de la route communale, ainsi que sur son inclusion éventuelle dans le domaine public. Le conseil communal peut également imposer des conditions et des charges que l'autorité compétente inclut dans l'éventuelle autorisation. La protection juridique en ce qui concerne ces conditions et charges est la même qu'en ce qui concerne l'autorisation.
La commune transmet la décision du conseil communal sur l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression de la route communale à l'autorité compétente dans les soixante jours suivant la convocation par le gouverneur.]1
Le conseil communal se prononce sur l'emplacement, la largeur et les installations de la route communale, ainsi que sur son inclusion éventuelle dans le domaine public. Le conseil communal peut également imposer des conditions et des charges que l'autorité compétente inclut dans l'éventuelle autorisation. La protection juridique en ce qui concerne ces conditions et charges est la même qu'en ce qui concerne l'autorisation.
La commune transmet la décision du conseil communal sur l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression de la route communale à l'autorité compétente dans les soixante jours suivant la convocation par le gouverneur.]1
Wijzigingen
Onderafdeling 3. - Beslissing over het ingestelde beroep
Sous-section 3. - Décision concernant le recours introduit
Art.66. § 1. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, neemt een definitieve beslissing over de vergunningsaanvraag binnen een termijn van:
1° honderdtwintig dagen als de aanvraag in eerste administratieve aanleg overeenkomstig de gewone vergunningsprocedure behandeld werd;
2° zestig dagen als de aanvraag in eerste administratieve aanleg overeenkomstig de vereenvoudigde vergunningsprocedure behandeld werd.
§ 2. [1 Met behoud van de toepassing van paragraaf 2/1 wordt de beslissingstermijn van rechtswege eenmalig met zestig dagen verlengd in de volgende gevallen:
1° als met toepassing van artikel 64, derde lid, een openbaar onderzoek georganiseerd wordt;
2° als toepassing wordt gemaakt van de administratieve lus, vermeld in artikel 13;
3° als de vergunningsaanvraag [6 de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg]6 omvat waarover de gemeenteraad beslissingsbevoegdheid heeft en de gemeenteraad in de loop van de beroepsprocedure samengeroepen wordt met toepassing van artikel 65.
De mededeling van de termijnverlenging wordt aan de aanvrager en de beroepsindiener verzonden vóór de einddatum van de beslissingstermijn.]1
[1 § 2/1. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2 wordt de beslissingstermijn op gemotiveerd verzoek van de vergunningsaanvrager eenmalig met zestig dagen verlengd.
De mededeling van de termijnverlenging wordt aan de aanvrager en de beroepsindiener verzonden vóór de einddatum van de beslissingstermijn.]1
[6 § 2/2. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2 of paragraaf 2/1 wordt de beslissingstermijn van rechtswege opgeschort zolang de Vlaamse Regering geen beslissing heeft genomen over het georganiseerde administratieve beroep tegen de beslissing van de gemeenteraad, vermeld in artikel 31/1.]6
§ 3. De termijnen, vermeld in paragraaf 1, gaan altijd in op de dag na de datum dat het laatste beroep ontvankelijk en volledig wordt verklaard of, bij ontstentenis van een beslissing daarover, de dertigste dag na de datum waarop het laatste beroep is ingediend [3 hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten, waarbij de meest recente datum geldt]3.
Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn, wordt het beroep of worden de beroepen geacht te zijn afgewezen en wordt de bestreden beslissing als definitief aanzien.
§ 4. [5 Artikel 33, 34, 47 en 48]5 zijn van overeenkomstige toepassing op de beslissing.
[2 § 5. De bevoegde overheid kan over een vergunningsaanvraag als vermeld in artikel 5.4.1 en 5.4.2 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, waarbij een [4 gemelde archeologienota]4 werd toegevoegd bij de aanvraag, maar een beslissing nemen als de [4 archeologienota waarvan akte is genomen]4 is bezorgd. Als er geen [4 archeologienota waarvan akte is genomen]4 is bezorgd voor het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 1 tot en met 3, dan moet de omgevingsvergunning worden geweigerd.]2
[6 § 6. Een vergunning voor aanvragen met aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg kan in beroep pas verleend worden na de goedkeuring van de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg door de gemeenteraad, met toepassing van artikel 31.
Als de gemeenteraad de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing niet heeft goedgekeurd, of als de Vlaamse Regering de beslissing heeft vernietigd met toepassing van artikel 31/1, wordt de omgevingsvergunning in beroep geweigerd.
§ 7. Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, geen beslissing kan nemen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn doordat de gemeenteraad geen beslissing heeft genomen over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg, is de gemeente aan de aanvrager van de vergunning een eenmalige vergoeding van 5000 euro verschuldigd.
Binnen negentig dagen na het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, vraagt de vergunningsaanvrager met een beveiligde zending de betaling van de eenmalige vergoeding aan de gemeente. Hij verwijst in zijn aanvraag naar het dossier en vermeldt zijn IBAN- en BIC-gegevens. De gemeente betaalt zonder verdere formaliteiten de eenmalige vergoeding aan de aanvrager.
Als de vergunningsaanvrager de betaling van de eenmalige vergoeding niet vraagt binnen de termijn van negentig dagen, vermeld in het tweede lid, wordt de aanvrager geacht afstand gedaan te hebben van zijn recht op de eenmalige vergoeding.]6
[7 § 8. Als de exploitatie van een IIOA stopgezet is of wordt overeenkomstig artikel 39, derde lid, van het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof, wordt een vergunningsaanvraag voor de exploitatie van een veehouderij die betrekking heeft op een of meer van de percelen van de IIOA waarvoor de stopzetting geldt en die leidt tot een verhoging van de stikstofemissies na de stopzetting, geweigerd.
Een veehouderij als vermeld in het eerste lid is een vergunningsplichtige IIOA als vermeld in rubriek 9 van de indelingslijst van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM, voor zover er dieren worden gehouden die behoren tot een diersoort die opgenomen is in de lijst, vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006.]7
1° honderdtwintig dagen als de aanvraag in eerste administratieve aanleg overeenkomstig de gewone vergunningsprocedure behandeld werd;
2° zestig dagen als de aanvraag in eerste administratieve aanleg overeenkomstig de vereenvoudigde vergunningsprocedure behandeld werd.
§ 2. [1 Met behoud van de toepassing van paragraaf 2/1 wordt de beslissingstermijn van rechtswege eenmalig met zestig dagen verlengd in de volgende gevallen:
1° als met toepassing van artikel 64, derde lid, een openbaar onderzoek georganiseerd wordt;
2° als toepassing wordt gemaakt van de administratieve lus, vermeld in artikel 13;
3° als de vergunningsaanvraag [6 de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg]6 omvat waarover de gemeenteraad beslissingsbevoegdheid heeft en de gemeenteraad in de loop van de beroepsprocedure samengeroepen wordt met toepassing van artikel 65.
De mededeling van de termijnverlenging wordt aan de aanvrager en de beroepsindiener verzonden vóór de einddatum van de beslissingstermijn.]1
[1 § 2/1. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2 wordt de beslissingstermijn op gemotiveerd verzoek van de vergunningsaanvrager eenmalig met zestig dagen verlengd.
De mededeling van de termijnverlenging wordt aan de aanvrager en de beroepsindiener verzonden vóór de einddatum van de beslissingstermijn.]1
[6 § 2/2. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2 of paragraaf 2/1 wordt de beslissingstermijn van rechtswege opgeschort zolang de Vlaamse Regering geen beslissing heeft genomen over het georganiseerde administratieve beroep tegen de beslissing van de gemeenteraad, vermeld in artikel 31/1.]6
§ 3. De termijnen, vermeld in paragraaf 1, gaan altijd in op de dag na de datum dat het laatste beroep ontvankelijk en volledig wordt verklaard of, bij ontstentenis van een beslissing daarover, de dertigste dag na de datum waarop het laatste beroep is ingediend [3 hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten, waarbij de meest recente datum geldt]3.
Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn, wordt het beroep of worden de beroepen geacht te zijn afgewezen en wordt de bestreden beslissing als definitief aanzien.
§ 4. [5 Artikel 33, 34, 47 en 48]5 zijn van overeenkomstige toepassing op de beslissing.
[2 § 5. De bevoegde overheid kan over een vergunningsaanvraag als vermeld in artikel 5.4.1 en 5.4.2 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, waarbij een [4 gemelde archeologienota]4 werd toegevoegd bij de aanvraag, maar een beslissing nemen als de [4 archeologienota waarvan akte is genomen]4 is bezorgd. Als er geen [4 archeologienota waarvan akte is genomen]4 is bezorgd voor het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 1 tot en met 3, dan moet de omgevingsvergunning worden geweigerd.]2
[6 § 6. Een vergunning voor aanvragen met aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg kan in beroep pas verleend worden na de goedkeuring van de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg door de gemeenteraad, met toepassing van artikel 31.
Als de gemeenteraad de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing niet heeft goedgekeurd, of als de Vlaamse Regering de beslissing heeft vernietigd met toepassing van artikel 31/1, wordt de omgevingsvergunning in beroep geweigerd.
§ 7. Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, geen beslissing kan nemen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn doordat de gemeenteraad geen beslissing heeft genomen over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg, is de gemeente aan de aanvrager van de vergunning een eenmalige vergoeding van 5000 euro verschuldigd.
Binnen negentig dagen na het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, vraagt de vergunningsaanvrager met een beveiligde zending de betaling van de eenmalige vergoeding aan de gemeente. Hij verwijst in zijn aanvraag naar het dossier en vermeldt zijn IBAN- en BIC-gegevens. De gemeente betaalt zonder verdere formaliteiten de eenmalige vergoeding aan de aanvrager.
Als de vergunningsaanvrager de betaling van de eenmalige vergoeding niet vraagt binnen de termijn van negentig dagen, vermeld in het tweede lid, wordt de aanvrager geacht afstand gedaan te hebben van zijn recht op de eenmalige vergoeding.]6
[7 § 8. Als de exploitatie van een IIOA stopgezet is of wordt overeenkomstig artikel 39, derde lid, van het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof, wordt een vergunningsaanvraag voor de exploitatie van een veehouderij die betrekking heeft op een of meer van de percelen van de IIOA waarvoor de stopzetting geldt en die leidt tot een verhoging van de stikstofemissies na de stopzetting, geweigerd.
Een veehouderij als vermeld in het eerste lid is een vergunningsplichtige IIOA als vermeld in rubriek 9 van de indelingslijst van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM, voor zover er dieren worden gehouden die behoren tot een diersoort die opgenomen is in de lijst, vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006.]7
Wijzigingen
Art.66. § 1er. L'autorité compétente, visée à l'article 52, prend une décision au sujet de la demande d'autorisation dans un délai de :
1° cent vingt jours si la demande a été traitée en première instance administrative, conformément à la procédure d'autorisation ordinaire ;
2° soixante jours si la demande a été traitée en première instance administrative, conformément à la procédure d'autorisation simplifiée.
§ 2. [1 Sans préjudice de l'application du paragraphe 2/1, le délai de décision est prolongé de plein droit une seule fois de soixante jours dans les cas suivants :
1° Lorsqu'en application de l'article 64, alinéa trois, une enquête publique est organisée ;
2° lorsqu'il est fait application de la boucle administrative, visée à l'article 13 ;
3° lorsque la demande d'autorisation comporte des travaux [6 d'aménagement, de modification, de déplacement ou de suppression d'une route communale]6 pour lesquels le conseil communal dispose d'un pouvoir décisionnel et si, en application de l'article 65, le conseil communal est convoqué au cours de la procédure d'appel.
La notification du prolongement du délai est envoyée au demandeur et à l'auteur du recours avant la date de fin du délai de décision.]1
[1 § 2/1. Sans préjudice de l'application du paragraphe 2, le délai de décision est prolongé une seule fois de soixante jours sur la requête motivée du demandeur de l'autorisation.
La notification du prolongement du délai est envoyée au demandeur et à l'auteur du recours avant la date de fin du délai de décision.]1
[6 § 2/2. Sans préjudice de l'application des paragraphes 2 ou 2/1, le délai de décision est suspendu de plein droit tant que le Gouvernement flamand n'a pas statué sur le recours administratif organisé, visé à l'article 31/1, contre la décision du conseil communal.]6
§ 3. Les délais, visés au paragraphe 1er, prennent toujours cours le jour suivant la date à laquelle le dernier recours est déclaré recevable et complet ou, à défaut de décision à cet égard, le trentième jour après la date à laquelle le dernier recours a été introduit [3 ou après réception des données ou documents manquants, la date la plus récente étant d'application]3.
Lorsqu'une décision est prise dans le délai fixé ou, le cas échéant, prolongé, le(s) recours est (sont) réputé(s) rejeté(s) et la décision contestée est considérée comme définitive.
§ 4. [5 Les articles 33, 34, 47 et 48]5 s'appliquent à la décision de façon conforme.
[2 § 5. L'autorité compétente ne peut prendre une décision sur une demande de permis telle que visée aux articles 5.4.1 et 5.4.2 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, à laquelle est jointe [4 une note archéologique notifiée]4, que si la [4 note archéologique dont il a été pris acte]4 est transmise. Si aucune [4 note archéologique dont il a été pris acte]4 n'est transmise avant l'expiration du délai visé aux paragraphes 1er à 3, le permis d'environnement doit être refusé.]2
[6 § 6. L'autorisation relative aux demandes d'aménagement, de modification, de déplacement ou de suppression d'une route communale ne peut être accordée en appel qu'après l'approbation de l'aménagement, de la modification, du déplacement ou de la suppression de la route communale par le conseil communal, en application de l'article 31.
Si le conseil communal n'a pas approuvé l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression, ou que le Gouvernement flamand a annulé la décision en application de l'article 31/1, le permis d'environnement est refusé en appel.
§ 7. Si l'autorité compétente visée à l'article 52 n'est pas en mesure de prendre une décision dans le délai fixé ou prorogé, selon le cas, en raison de l'absence de décision du conseil communal sur l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression de la route communale, la commune est redevable au demandeur du permis d'une indemnité unique de 5 000 euros.
Dans les nonante jours suivant l'expiration du délai visé au premier alinéa, le demandeur d'autorisation demande par envoi sécurisé le paiement de l'indemnité unique à la commune. Sa demande indique le dossier et ses données IBAN et BIC. La commune verse l'indemnité unique au demandeur sans autre formalité.
Si le demandeur d'autorisation ne demande pas le paiement de l'indemnité unique dans le délai de nonante jours visé à l'alinéa 2, il est réputé avoir renoncé à son droit à l'indemnité unique.]6
[7 § 8. Si l'exploitation d'une IIOA était ou devait être interrompue conformément à l'article 39, alinéa 3, du décret du 26 janvier 2024 sur l'approche programmatique de l'azote, une demande d'autorisation d'exploitation d'une ferme d'élevage liée à une ou plusieurs parcelles de l'IIOA à laquelle l'interruption s'applique et qui entraîne une augmentation des émissions d'azote après l'interruption est refusée.
Une exploitation d'élevage telle que visée à l'alinéa 1er est une IIOA soumise à autorisation telle que visée à la rubrique 9 de la liste de classification de l'annexe 1re du titre II du VLAREM, dans la mesure où elle détient des animaux appartenant à une espèce reprise dans la liste mentionnée à l'article 27, § 1er, du décret sur les engrais du 22 décembre 2006. ]7
1° cent vingt jours si la demande a été traitée en première instance administrative, conformément à la procédure d'autorisation ordinaire ;
2° soixante jours si la demande a été traitée en première instance administrative, conformément à la procédure d'autorisation simplifiée.
§ 2. [1 Sans préjudice de l'application du paragraphe 2/1, le délai de décision est prolongé de plein droit une seule fois de soixante jours dans les cas suivants :
1° Lorsqu'en application de l'article 64, alinéa trois, une enquête publique est organisée ;
2° lorsqu'il est fait application de la boucle administrative, visée à l'article 13 ;
3° lorsque la demande d'autorisation comporte des travaux [6 d'aménagement, de modification, de déplacement ou de suppression d'une route communale]6 pour lesquels le conseil communal dispose d'un pouvoir décisionnel et si, en application de l'article 65, le conseil communal est convoqué au cours de la procédure d'appel.
La notification du prolongement du délai est envoyée au demandeur et à l'auteur du recours avant la date de fin du délai de décision.]1
[1 § 2/1. Sans préjudice de l'application du paragraphe 2, le délai de décision est prolongé une seule fois de soixante jours sur la requête motivée du demandeur de l'autorisation.
La notification du prolongement du délai est envoyée au demandeur et à l'auteur du recours avant la date de fin du délai de décision.]1
[6 § 2/2. Sans préjudice de l'application des paragraphes 2 ou 2/1, le délai de décision est suspendu de plein droit tant que le Gouvernement flamand n'a pas statué sur le recours administratif organisé, visé à l'article 31/1, contre la décision du conseil communal.]6
§ 3. Les délais, visés au paragraphe 1er, prennent toujours cours le jour suivant la date à laquelle le dernier recours est déclaré recevable et complet ou, à défaut de décision à cet égard, le trentième jour après la date à laquelle le dernier recours a été introduit [3 ou après réception des données ou documents manquants, la date la plus récente étant d'application]3.
Lorsqu'une décision est prise dans le délai fixé ou, le cas échéant, prolongé, le(s) recours est (sont) réputé(s) rejeté(s) et la décision contestée est considérée comme définitive.
§ 4. [5 Les articles 33, 34, 47 et 48]5 s'appliquent à la décision de façon conforme.
[2 § 5. L'autorité compétente ne peut prendre une décision sur une demande de permis telle que visée aux articles 5.4.1 et 5.4.2 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, à laquelle est jointe [4 une note archéologique notifiée]4, que si la [4 note archéologique dont il a été pris acte]4 est transmise. Si aucune [4 note archéologique dont il a été pris acte]4 n'est transmise avant l'expiration du délai visé aux paragraphes 1er à 3, le permis d'environnement doit être refusé.]2
[6 § 6. L'autorisation relative aux demandes d'aménagement, de modification, de déplacement ou de suppression d'une route communale ne peut être accordée en appel qu'après l'approbation de l'aménagement, de la modification, du déplacement ou de la suppression de la route communale par le conseil communal, en application de l'article 31.
Si le conseil communal n'a pas approuvé l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression, ou que le Gouvernement flamand a annulé la décision en application de l'article 31/1, le permis d'environnement est refusé en appel.
§ 7. Si l'autorité compétente visée à l'article 52 n'est pas en mesure de prendre une décision dans le délai fixé ou prorogé, selon le cas, en raison de l'absence de décision du conseil communal sur l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression de la route communale, la commune est redevable au demandeur du permis d'une indemnité unique de 5 000 euros.
Dans les nonante jours suivant l'expiration du délai visé au premier alinéa, le demandeur d'autorisation demande par envoi sécurisé le paiement de l'indemnité unique à la commune. Sa demande indique le dossier et ses données IBAN et BIC. La commune verse l'indemnité unique au demandeur sans autre formalité.
Si le demandeur d'autorisation ne demande pas le paiement de l'indemnité unique dans le délai de nonante jours visé à l'alinéa 2, il est réputé avoir renoncé à son droit à l'indemnité unique.]6
[7 § 8. Si l'exploitation d'une IIOA était ou devait être interrompue conformément à l'article 39, alinéa 3, du décret du 26 janvier 2024 sur l'approche programmatique de l'azote, une demande d'autorisation d'exploitation d'une ferme d'élevage liée à une ou plusieurs parcelles de l'IIOA à laquelle l'interruption s'applique et qui entraîne une augmentation des émissions d'azote après l'interruption est refusée.
Une exploitation d'élevage telle que visée à l'alinéa 1er est une IIOA soumise à autorisation telle que visée à la rubrique 9 de la liste de classification de l'annexe 1re du titre II du VLAREM, dans la mesure où elle détient des animaux appartenant à une espèce reprise dans la liste mentionnée à l'article 27, § 1er, du décret sur les engrais du 22 décembre 2006. ]7
Wijzigingen
Art.67. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de procedure in laatste administratieve aanleg.
Art.67. Le Gouvernement flamand arrête les modalités concernant la procédure en dernière instance administrative.
HOOFDSTUK 4. - Duur van de omgevingsvergunning
CHAPITRE 4. - Durée du permis d'environnement
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art.68. De omgevingsvergunning geldt voor onbepaalde duur.
In afwijking van het eerste lid kan de bevoegde overheid een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk voor een bepaalde duur verlenen in de volgende gevallen:
1° op verzoek van de vergunningsaanvrager;
2° voor projecten die uitsluitend tijdelijke inrichtingen of activiteiten omvatten, vermeld in artikel 5.2.1, § 2, tweede lid, van het DABM;
3° als de exploitatie betrekking heeft op een grondwaterwinning of een ontginning;
4° als een omgevingsvergunning op proef noodzakelijk is;
5° met het oog op de herlokalisatie van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die niet verenigbaar is met de ruimtelijke bestemming;
6° als met toepassing van [1 artikel 4.4.4 of 4.4.23 van de VCRO]1 een omgevingsvergunning voor bepaalde duur mogelijk wordt geacht voor een project dat in strijd is met een stedenbouwkundig voorschrift;
7° om rekening te kunnen houden met:
a) de localiseerbare gebiedsspecifieke ontwikkelingsperspectieven opgenomen in een voorafgaand aan de indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning definitief vastgesteld [2 ruimtelijk structuurplan of ruimtelijk beleidsplan]2;
b) de stedenbouwkundige voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan;
8° voor constructies die door de aard ervan een tijdelijk karakter hebben;
9° voor veranderingen van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor de initiële omgevingsvergunning voor een bepaalde duur is verleend.
[3 10° voor projecten die kleinhandelsactiviteiten omvatten en voor niet langer dan 12 maanden vergund worden in een bestaand, vergund of hoofdzakelijk vergund gebouw of in tijdelijke vergunde of van vergunning vrijgestelde constructies.]3
[4 11° voor een proefvergunning voor de exploitatie van een testtechniek als vermeld in artikel 5 van het decreet van 19 april 2024 over ammoniakemissiereducerende maatregelen, voor een periode van maximaal vijftien jaar.]4
De vergunning van bepaalde duur die verleend wordt op basis van het tweede lid, 7°, a), wordt geacht voor onbepaalde duur te zijn verleend als bij het verstrijken van de duur van de vergunning de gebiedsspecifieke ontwikkelingsperspectieven niet zijn verankerd in een definitief vastgesteld ruimtelijk uitvoeringsplan.
De Vlaamse Regering kan voor de toepassing van het tweede lid de minimale en maximale geldigheidsduur van de omgevingsvergunning vaststellen.
In afwijking van het eerste lid kan de bevoegde overheid een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk voor een bepaalde duur verlenen in de volgende gevallen:
1° op verzoek van de vergunningsaanvrager;
2° voor projecten die uitsluitend tijdelijke inrichtingen of activiteiten omvatten, vermeld in artikel 5.2.1, § 2, tweede lid, van het DABM;
3° als de exploitatie betrekking heeft op een grondwaterwinning of een ontginning;
4° als een omgevingsvergunning op proef noodzakelijk is;
5° met het oog op de herlokalisatie van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die niet verenigbaar is met de ruimtelijke bestemming;
6° als met toepassing van [1 artikel 4.4.4 of 4.4.23 van de VCRO]1 een omgevingsvergunning voor bepaalde duur mogelijk wordt geacht voor een project dat in strijd is met een stedenbouwkundig voorschrift;
7° om rekening te kunnen houden met:
a) de localiseerbare gebiedsspecifieke ontwikkelingsperspectieven opgenomen in een voorafgaand aan de indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning definitief vastgesteld [2 ruimtelijk structuurplan of ruimtelijk beleidsplan]2;
b) de stedenbouwkundige voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan;
8° voor constructies die door de aard ervan een tijdelijk karakter hebben;
9° voor veranderingen van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor de initiële omgevingsvergunning voor een bepaalde duur is verleend.
[3 10° voor projecten die kleinhandelsactiviteiten omvatten en voor niet langer dan 12 maanden vergund worden in een bestaand, vergund of hoofdzakelijk vergund gebouw of in tijdelijke vergunde of van vergunning vrijgestelde constructies.]3
[4 11° voor een proefvergunning voor de exploitatie van een testtechniek als vermeld in artikel 5 van het decreet van 19 april 2024 over ammoniakemissiereducerende maatregelen, voor een periode van maximaal vijftien jaar.]4
De vergunning van bepaalde duur die verleend wordt op basis van het tweede lid, 7°, a), wordt geacht voor onbepaalde duur te zijn verleend als bij het verstrijken van de duur van de vergunning de gebiedsspecifieke ontwikkelingsperspectieven niet zijn verankerd in een definitief vastgesteld ruimtelijk uitvoeringsplan.
De Vlaamse Regering kan voor de toepassing van het tweede lid de minimale en maximale geldigheidsduur van de omgevingsvergunning vaststellen.
Art.68. Le permis d'environnement a une durée indéterminée.
Par dérogation à l'alinéa premier, l'autorité compétente peut octroyer intégralement ou partiellement un permis d'environnement pour une durée déterminée dans les cas suivants :
1° à la demande du demandeur de l'autorisation ;
2° pour les projets qui comportent exclusivement des installations ou activités temporaires telles que visées à l'article 5.2.1, § 2, alinéa deux, du DABM ;
3° si l'exploitation porte sur un captage d'eaux souterraines ou une extraction ;
4° si un permis d'environnement est nécessaire à titre d'essai ;
5° en vue de la relocalisation de l'exploitation de l'installation ou activité classée qui n'est pas compatible avec la destination spatiale ;
6° si, en application de [1 l'article 4.4.4 ou 4.4.23 du VCRO]1, un permis d'environnement est réputé de durée déterminée pour un projet qui est contraire à une prescription urbanistique ;
7° en vue de tenir compte :
a) des perspectives de développement localisables spécifiques à la zone reprises dans [2 le schéma de structure d'aménagement ou le plan de politique spatiale]2 établi à titre définitif préalablement à l'introduction de la demande de permis d'environnement ;
b) des prescriptions urbanistiques d'un plan d'exécution spatial ;
8° pour les constructions qui, de par leur nature, revêtent un caractère temporaire ;
9° pour les changements dans l'exploitation d'une installation ou activité classée pour laquelle le permis d'environnement initial a été octroyé pour une durée déterminée.
[3 10° pour les projets qui incluent des activités de commerce de détail et ne sont pas autorisés pour plus de 12 mois dans un bâtiment existant, autorisé ou autorisé en principal, ou dans des structures temporairement autorisées ou exemptées d'autorisation.]3
[4 11° pour un permis d'essai pour l'exploitation d'une technique d'essai telle que mentionnée dans l'article 5 du décret du 19 avril 2024 relatif aux mesures de réduction des émissions d'ammoniac, pour une période de quinze ans maximum. ]4
L'autorisation de durée déterminée qui est octroyée sur la base de l'alinéa deux, 7°, a), est réputée octroyée pour une durée indéterminée si, à l'expiration de la durée de l'autorisation, les perspectives de développement localisables spécifiques à la zone ne sont pas ancrées dans un plan d'exécution spatial établi à titre définitif.
Le Gouvernement flamand peut, pour l'application de l'alinéa deux, fixer la durée de validité minimale et maximale du permis d'environnement.
Par dérogation à l'alinéa premier, l'autorité compétente peut octroyer intégralement ou partiellement un permis d'environnement pour une durée déterminée dans les cas suivants :
1° à la demande du demandeur de l'autorisation ;
2° pour les projets qui comportent exclusivement des installations ou activités temporaires telles que visées à l'article 5.2.1, § 2, alinéa deux, du DABM ;
3° si l'exploitation porte sur un captage d'eaux souterraines ou une extraction ;
4° si un permis d'environnement est nécessaire à titre d'essai ;
5° en vue de la relocalisation de l'exploitation de l'installation ou activité classée qui n'est pas compatible avec la destination spatiale ;
6° si, en application de [1 l'article 4.4.4 ou 4.4.23 du VCRO]1, un permis d'environnement est réputé de durée déterminée pour un projet qui est contraire à une prescription urbanistique ;
7° en vue de tenir compte :
a) des perspectives de développement localisables spécifiques à la zone reprises dans [2 le schéma de structure d'aménagement ou le plan de politique spatiale]2 établi à titre définitif préalablement à l'introduction de la demande de permis d'environnement ;
b) des prescriptions urbanistiques d'un plan d'exécution spatial ;
8° pour les constructions qui, de par leur nature, revêtent un caractère temporaire ;
9° pour les changements dans l'exploitation d'une installation ou activité classée pour laquelle le permis d'environnement initial a été octroyé pour une durée déterminée.
[3 10° pour les projets qui incluent des activités de commerce de détail et ne sont pas autorisés pour plus de 12 mois dans un bâtiment existant, autorisé ou autorisé en principal, ou dans des structures temporairement autorisées ou exemptées d'autorisation.]3
[4 11° pour un permis d'essai pour l'exploitation d'une technique d'essai telle que mentionnée dans l'article 5 du décret du 19 avril 2024 relatif aux mesures de réduction des émissions d'ammoniac, pour une période de quinze ans maximum. ]4
L'autorisation de durée déterminée qui est octroyée sur la base de l'alinéa deux, 7°, a), est réputée octroyée pour une durée indéterminée si, à l'expiration de la durée de l'autorisation, les perspectives de développement localisables spécifiques à la zone ne sont pas ancrées dans un plan d'exécution spatial établi à titre définitif.
Le Gouvernement flamand peut, pour l'application de l'alinéa deux, fixer la durée de validité minimale et maximale du permis d'environnement.
Afdeling 2. - Bijzondere bepalingen voor omgevingsvergunningen van bepaalde duur
Section 2. - Dispositions particulières pour les permis d'environnement à durée déterminée
Onderafdeling 1. - Omgevingsvergunning op proef
Sous-section 1re. - Permis d'environnement à titre d'essai
Art.69. § 1. De bevoegde overheid kan voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project waarvoor geen vergunningsplichtige stedenbouwkundige handeling is vereist, een omgevingsvergunning op proef verlenen voor minimaal zes maanden en ten hoogste twee jaar om na te gaan of de exploitatie na de proefperiode verder aanvaardbaar is voor de mens en het milieu.
§ 2. Voor het verstrijken van de proefperiode neemt de vergunningverlenende overheid een beslissing over de verdere exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.
Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, geen beslissing neemt voor het verstrijken van de proefperiode, wordt de omgevingsvergunning geacht te zijn geweigerd.
Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, geen beslissing neemt voor het verstrijken van de proefperiode van een door haar verleende omgevingsvergunning op proef, wordt de bestreden beslissing uit eerste administratieve aanleg als definitief beschouwd.
§ 3. De Vlaamse Regering stelt de procedure vast voor de uitspraak na de proefperiode.
§ 2. Voor het verstrijken van de proefperiode neemt de vergunningverlenende overheid een beslissing over de verdere exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.
Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, geen beslissing neemt voor het verstrijken van de proefperiode, wordt de omgevingsvergunning geacht te zijn geweigerd.
Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, geen beslissing neemt voor het verstrijken van de proefperiode van een door haar verleende omgevingsvergunning op proef, wordt de bestreden beslissing uit eerste administratieve aanleg als definitief beschouwd.
§ 3. De Vlaamse Regering stelt de procedure vast voor de uitspraak na de proefperiode.
Art.69. § 1er. L'autorité compétente peut, pour l'exploitation d'une installation ou activité classée d'un projet ne requérant aucun acte urbanistique soumis à l'obligation d'autorisation, octroyer un permis d'environnement à titre d'essai pour au moins six mois et au plus deux ans, en vue de vérifier si, au terme de la période d'essai, l'exploitation est toujours acceptable pour l'homme et l'environnement.
§ 2. Avant l'expiration de la période d'essai, l'autorité délivrant le permis prend une décision sur la poursuite de l'exploitation de l'installation ou activité classée.
Si l'autorité compétente, visée à l'article 15, ne prend pas de décision avant l'expiration de la période d'essai, le permis d'environnement est réputé refusé.
Si l'autorité compétente, visée à l'article 52, ne prend pas de décision avant l'expiration de la période d'essai d'un permis d'environnement octroyé à titre d'essai par elle, la décision contestée rendue en première instance administrative est considérée comme définitive.
§ 3. Le Gouvernement flamand fixe la procédure relative au prononcé après la période d'essai.
§ 2. Avant l'expiration de la période d'essai, l'autorité délivrant le permis prend une décision sur la poursuite de l'exploitation de l'installation ou activité classée.
Si l'autorité compétente, visée à l'article 15, ne prend pas de décision avant l'expiration de la période d'essai, le permis d'environnement est réputé refusé.
Si l'autorité compétente, visée à l'article 52, ne prend pas de décision avant l'expiration de la période d'essai d'un permis d'environnement octroyé à titre d'essai par elle, la décision contestée rendue en première instance administrative est considérée comme définitive.
§ 3. Le Gouvernement flamand fixe la procédure relative au prononcé après la période d'essai.
Onderafdeling 2. - Hernieuwen van de omgevingsvergunning van bepaalde duur
Sous-section 2. - Renouvellement du permis d'environnement à durée déterminée
Art.70. § 1. De hernieuwing van een omgevingsvergunning die of van een gedeelte ervan dat voor bepaalde duur is verleend, kan op zijn vroegst 24 maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning aangevraagd worden.
Als de vergunningsaanvraag ten minste twaalf maanden voor de einddatum van een omgevingsvergunning van bepaalde duur wordt ingediend, mag de stedenbouwkundige handeling in stand worden gehouden of mag de ingedeelde inrichting of activiteit verder geëxploiteerd worden na de einddatum in afwachting van een definitieve beslissing over de aanvraag. [1 De exploitatie gebeurt onder naleving van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en de tot dan toe geldende bijzondere milieuvoorwaarden uit de vergunning.]1
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kan een omgevingsvergunning voor de verdere exploitatie vroeger dan 24 maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning worden aangevraagd als:
1° een overname van de vergunde ingedeelde inrichting of activiteit door een andere exploitant is gepland;
2° de exploitant een belangrijke verandering van de vergunde ingedeelde inrichting beoogt. In dat geval heeft de vergunningsaanvraag zowel betrekking op de delen van de inrichting of activiteit die verder in exploitatie blijven als op de geplande verandering.
§ 3. Voor een tijdelijke inrichting of activiteit als vermeld in artikel 5.1.1, 11°, van het DABM, kan de bevoegde overheid de omgevingsvergunning slechts eenmaal verlengen voor maximaal dezelfde duur als die van de initiële omgevingsvergunning.
§ 4. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de hernieuwing van de omgevingsvergunning van bepaalde duur.
Als de vergunningsaanvraag ten minste twaalf maanden voor de einddatum van een omgevingsvergunning van bepaalde duur wordt ingediend, mag de stedenbouwkundige handeling in stand worden gehouden of mag de ingedeelde inrichting of activiteit verder geëxploiteerd worden na de einddatum in afwachting van een definitieve beslissing over de aanvraag. [1 De exploitatie gebeurt onder naleving van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en de tot dan toe geldende bijzondere milieuvoorwaarden uit de vergunning.]1
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kan een omgevingsvergunning voor de verdere exploitatie vroeger dan 24 maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning worden aangevraagd als:
1° een overname van de vergunde ingedeelde inrichting of activiteit door een andere exploitant is gepland;
2° de exploitant een belangrijke verandering van de vergunde ingedeelde inrichting beoogt. In dat geval heeft de vergunningsaanvraag zowel betrekking op de delen van de inrichting of activiteit die verder in exploitatie blijven als op de geplande verandering.
§ 3. Voor een tijdelijke inrichting of activiteit als vermeld in artikel 5.1.1, 11°, van het DABM, kan de bevoegde overheid de omgevingsvergunning slechts eenmaal verlengen voor maximaal dezelfde duur als die van de initiële omgevingsvergunning.
§ 4. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de hernieuwing van de omgevingsvergunning van bepaalde duur.
Art.70. § 1er. Le renouvellement d'un permis d'environnement ou d'une partie du permis d'environnement qui est octroyé(e) pour une durée déterminée peut être demandée au plus tôt 24 mois avant la date de fin du permis d'environnement.
Si la demande d'autorisation est introduite au moins douze mois avant la date de fin d'un permis d'environnement à durée déterminée, l'acte urbanistique peut être maintenu ou l'exploitation de l'installation ou activité classée peut être poursuivie après la date de fin dans l'attente d'une décision définitive concernant la demande. [1 L'exploitation s'effectue dans le respect des conditions environnementales générales et sectorielles et des conditions environnementales particulières, en vigueur jusque-là, définies dans le permis.]1
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, un permis d'environnement pour la poursuite de l'exploitation peut être demandé plus tôt que 24 mois avant la date de fin du permis d'environnement si :
1° la reprise d'une installation ou activité classé autorisée par un autre exploitant est planifiée ;
2° l'exploitant prévoit un changement important dans l'installation classée autorisée. Dans ce cas, la demande d'autorisation porte aussi bien sur les parties de l'installation ou activité qui restent en exploitation que sur le changement planifié.
§ 3. Pour une installation ou activité temporaire telle que visée à l'article 5.1.1, 11°, du DABM, l'autorité compétente ne peut prolonger qu'une seule fois le permis d'environnement pour une durée égale, au maximum, à celle du permis d'environnement initial.
§ 4. Le Gouvernement flamand fixe les modalités détaillées pour le renouvellement du permis d'environnement à durée déterminée.
Si la demande d'autorisation est introduite au moins douze mois avant la date de fin d'un permis d'environnement à durée déterminée, l'acte urbanistique peut être maintenu ou l'exploitation de l'installation ou activité classée peut être poursuivie après la date de fin dans l'attente d'une décision définitive concernant la demande. [1 L'exploitation s'effectue dans le respect des conditions environnementales générales et sectorielles et des conditions environnementales particulières, en vigueur jusque-là, définies dans le permis.]1
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, un permis d'environnement pour la poursuite de l'exploitation peut être demandé plus tôt que 24 mois avant la date de fin du permis d'environnement si :
1° la reprise d'une installation ou activité classé autorisée par un autre exploitant est planifiée ;
2° l'exploitant prévoit un changement important dans l'installation classée autorisée. Dans ce cas, la demande d'autorisation porte aussi bien sur les parties de l'installation ou activité qui restent en exploitation que sur le changement planifié.
§ 3. Pour une installation ou activité temporaire telle que visée à l'article 5.1.1, 11°, du DABM, l'autorité compétente ne peut prolonger qu'une seule fois le permis d'environnement pour une durée égale, au maximum, à celle du permis d'environnement initial.
§ 4. Le Gouvernement flamand fixe les modalités détaillées pour le renouvellement du permis d'environnement à durée déterminée.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 5. - Kenmerken van de omgevingsvergunning
CHAPITRE 5. - Caractéristiques du permis d'environnement
Afdeling 1. - Voorwaarden en lasten die verbonden zijn aan de omgevingsvergunning
Section 1re. - Conditions et charges liées au permis d'environnement
Onderafdeling 1. - Voorwaarden
Sous-section 1re. - Conditions
Art.71. Met behoud van de toepassing van de voorwaarde van rechtswege in de zin van artikel 90bis van het Bosdecreet van 13 juni 1990 kan de bevoegde overheid voorwaarden verbinden aan de uitvoering van een stedenbouwkundige handeling of de verkaveling van gronden.
[1 De bevoegde overheid neemt de voorwaarden die de gemeenteraad heeft opgelegd bij de beslissing over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg, vermeld in artikel 31, integraal op in de vergunning.]1
[1 De bevoegde overheid neemt de voorwaarden die de gemeenteraad heeft opgelegd bij de beslissing over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg, vermeld in artikel 31, integraal op in de vergunning.]1
Art.71. Sans préjudice de l'application de la condition de droit au sens de l'article 90bis du décret forestier du 13 juin 1990, l'autorité compétente peut fixer des conditions liées à l'exécution d'un acte urbanistique ou au lotissement de sols.
[1 L'autorité compétente inclut intégralement dans l'autorisation les conditions imposées par le conseil communal dans sa décision sur l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression de la route communale, visée à l'article 31.]1
[1 L'autorité compétente inclut intégralement dans l'autorisation les conditions imposées par le conseil communal dans sa décision sur l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression de la route communale, visée à l'article 31.]1
Wijzigingen
Art.72. Met behoud van de toepassing van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, verplichtingen en de toepassingsregels ervan, bepaald bij of krachtens het DABM, kan de bevoegde overheid de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit afhankelijk stellen van de naleving van bijzondere milieuvoorwaarden.
Art.72. Sans préjudice de l'application des conditions et obligations environnementales générales et sectorielles, et de leurs règles d'applications prévues par ou en vertu du DABM, l'autorité compétente peut conditionner l'exploitation d'une installation ou activité classée au respect de conditions environnementales particulières.
Art.73. § 1. De bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 72, bevatten de bijkomende maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de mens en het milieu tegen onaanvaardbare risico's en hinder afkomstig van de exploitatie.
De bijzondere milieuvoorwaarden kunnen onder meer bestaan uit een verplichting:
1° om een studie uit te voeren of te voorzien in een monitoring met als doel de toepassing van de bijzondere milieuvoorwaarden te controleren;
2° om lastens de exploitant een saneringscontract als vermeld in artikel 32septies, § 4 en § 5, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging af te sluiten. Het afsluiten van dat saneringscontract kan verwezenlijkt worden door toedoen van de exploitant, met name door zelf de procedure op te starten. De Vlaamse Regering stelt daarvoor de nadere regels vast.
§ 2. Als beste beschikbare technieken bestaan, vormen ze de referentie voor de vaststelling van de bijzondere milieuvoorwaarden.
In afwijking van het eerste lid, kan de bevoegde overheid volgens de criteria die door de Vlaamse Regering worden bepaald, strengere bijzondere milieuvoorwaarden vaststellen dan die welke haalbaar zijn door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de beste beschikbare technieken vastgesteld worden.
De bijzondere milieuvoorwaarden kunnen onder meer bestaan uit een verplichting:
1° om een studie uit te voeren of te voorzien in een monitoring met als doel de toepassing van de bijzondere milieuvoorwaarden te controleren;
2° om lastens de exploitant een saneringscontract als vermeld in artikel 32septies, § 4 en § 5, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging af te sluiten. Het afsluiten van dat saneringscontract kan verwezenlijkt worden door toedoen van de exploitant, met name door zelf de procedure op te starten. De Vlaamse Regering stelt daarvoor de nadere regels vast.
§ 2. Als beste beschikbare technieken bestaan, vormen ze de referentie voor de vaststelling van de bijzondere milieuvoorwaarden.
In afwijking van het eerste lid, kan de bevoegde overheid volgens de criteria die door de Vlaamse Regering worden bepaald, strengere bijzondere milieuvoorwaarden vaststellen dan die welke haalbaar zijn door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de beste beschikbare technieken vastgesteld worden.
Art.73. § 1er. Les conditions environnementales particulières, visées à l'article 72, contiennent les mesures complémentaires qui sont nécessaires pour la protection de l'homme et de l'environnement des risques et nuisances inacceptables entraînés par l'exploitation.
Les conditions environnementales particulières peuvent notamment consister en une obligation :
1° de réaliser une étude ou de prévoir un monitoring dans le but de contrôler l'application des conditions environnementales particulières ;
2° de conclure, à charge de l'exploitant, un contrat d'assainissement tel que visé à l'article 32septies, § 4 et § 5, de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution. La conclusion du contrat d'assainissement peut être réalisée à l'instigation de l'exploitant, notamment en entamant lui-même la procédure. Le Gouvernement flamand en arrête les modalités.
§ 2. Lorsque des meilleures techniques disponibles existent, elles constituent la référence pour la fixation des conditions environnementales particulières.
En dérogation à l'alinéa premier, l'autorité compétente peut, en vertu des critères définis par le Gouvernement flamand, fixer des conditions environnementales particulières plus sévères que celles pouvant être atteintes par l'utilisation des meilleures techniques disponibles. Le Gouvernement flamand fixe le mode de détermination des meilleures techniques disponibles.
Les conditions environnementales particulières peuvent notamment consister en une obligation :
1° de réaliser une étude ou de prévoir un monitoring dans le but de contrôler l'application des conditions environnementales particulières ;
2° de conclure, à charge de l'exploitant, un contrat d'assainissement tel que visé à l'article 32septies, § 4 et § 5, de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution. La conclusion du contrat d'assainissement peut être réalisée à l'instigation de l'exploitant, notamment en entamant lui-même la procédure. Le Gouvernement flamand en arrête les modalités.
§ 2. Lorsque des meilleures techniques disponibles existent, elles constituent la référence pour la fixation des conditions environnementales particulières.
En dérogation à l'alinéa premier, l'autorité compétente peut, en vertu des critères définis par le Gouvernement flamand, fixer des conditions environnementales particulières plus sévères que celles pouvant être atteintes par l'utilisation des meilleures techniques disponibles. Le Gouvernement flamand fixe le mode de détermination des meilleures techniques disponibles.
Art. 73/1. [1 De bevoegde overheid kan voorwaarden verbinden aan de uitvoering van kleinhandelsactiviteiten.]1
Art. 73/1. [1 L'autorité compétente peut soumettre l'exécution d'activités de commerce de détail à des conditions.]1
Art. 73/2. [1 De bevoegde overheid kan voorwaarden verbinden aan de uitvoering van het wijzigen van de vegetatie ervan.]1
Art. 73/2. [1 L'autorité compétente peut fixer des conditions à l'exécution de la modification de sa végétation.]1
Art.74. Alle voorwaarden zijn voldoende precies en redelijk in verhouding tot het vergunde project.
Ze kunnen worden verwezenlijkt door toedoen van de aanvrager, bouwheer, gebruiker of exploitant.
Ze kunnen worden verwezenlijkt door toedoen van de aanvrager, bouwheer, gebruiker of exploitant.
Art.74. Toutes les conditions sont suffisamment précises et raisonnables par rapport au projet autorisé.
Elles peuvent être réalisées à l'instigation du demandeur, du maître d'ouvrage, de l'utilisateur ou de l'exploitant.
Elles peuvent être réalisées à l'instigation du demandeur, du maître d'ouvrage, de l'utilisateur ou de l'exploitant.
Onderafdeling 2. - Lasten
Sous-section 2. - Charges
Art.75. [1 § 1. De bevoegde overheid kan aan een omgevingsvergunning lasten verbinden.
De bevoegde overheid neemt de volgende lasten op bij een omgevingsvergunning:
1° de lasten die de gemeenteraad heeft opgelegd bij de beslissing over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg, vermeld in artikel 31;
2° de lasten met het oog op de verwezenlijking van een bescheiden woonaanbod als voldaan is aan de uitsluitende voorwaarde, vermeld in artikel 5.100 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
3° de lasten die de gemeenteraad met toepassing van artikel 5.6.11, § 4, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening heeft opgelegd bij de volledige of gedeeltelijke vrijgave van een woonreservegebied;
4° de lasten bij toepassing van de volgende afwijkingsregels van stedenbouwkundige voorschriften van titel 4, hoofdstuk 4, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening:
a) de afwerkingsregel conform artikel 4.4.3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
b) de basisrechten voor zonevreemde constructies conform artikel 4.4.10 tot 4.4.20 van dezelfde codex;
c) de zonevreemde functiewijzigingen conform artikel 4.4.23 van dezelfde codex.
§ 2. Die lasten vinden hun oorsprong in het voordeel dat de begunstigde van de omgevingsvergunning uit die vergunning haalt en in de bijkomende taken die de overheid door de uitvoering van de vergunning op zich neemt.
De lasten zijn redelijk in verhouding tot het vergunde project. Ze kunnen worden verwezenlijkt door toedoen van de aanvrager.
De bevoegde overheid kan een gefaseerde uitvoering van de lasten voorschrijven.
§ 3. De lasten, vermeld in paragraaf 1, kunnen betrekking hebben op:
1° de verwezenlijking of de renovatie van groene ruimten, ruimten voor openbaar nut, openbare gebouwen, infrastructuur om de mobiliteit, nutsvoorzieningen of woningen op kosten van de vergunninghouder te verbeteren. Vóór er lasten voor nutsvoorzieningen worden opgelegd, vraagt de bevoegde overheid, de ambtenaar die ze gemachtigd heeft of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar advies aan de nutsmaatschappijen die actief zijn in de gemeente waarin het voorwerp van de vergunning ligt. Daarbij wordt gestreefd naar het gelijktijdig aanleggen van nutsvoorzieningen, waardoor de hinder ten gevolge van die aanleg zo veel mogelijk wordt beperkt;
2° de bewerkstelliging van een vermenging van kavels die tegemoetkomen aan de behoeften van diverse maatschappelijke groepen op grond van de grootte van de kavels, respectievelijk de typologie, de kwaliteit, de vloeroppervlakte, het volume of de lokalenindeling van de woningen die erop opgericht worden, of van de op te stellen vaste of verplaatsbare constructies die voor bewoning kunnen worden gebruikt;
3° de gratis, vrij en onbelaste grondafstand bij eigendomsoverdracht van de in de vergunningsaanvraag vermelde openbare wegen, groene of verharde ruimten, openbare gebouwen, nutsvoorzieningen, of de gronden waarop die worden of zullen worden aangelegd;
4° de storting van een geldwaarde, bestemd voor het ruimtelijk beleid, op voorwaarde dat dit geregeld wordt in een stedenbouwkundige verordening als vermeld in artikel 2.3.1 en 2.3.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.
§ 4. De lasten in natura, vermeld in paragraaf 3, 1° tot en met 3°, bevinden zich in of in de nabijheid van projecten die de lasten doen ontstaan. Ze worden in de vergunning bepaald op basis van de aard en de te verwachten gevolgen van het project.
De inkomsten van de financiële lasten, vermeld in paragraaf 3, 4°, worden door de bevoegde overheid aangewend voor het ruimtelijk beleid. De bevoegde overheid bewerkstelligt bij de opmaak van haar begrotingen dat ten minste een equivalent van de in het vorige begrotingsjaar doorgestorte inkomsten bestemd wordt binnen het ruimtelijke beleid, zoals in het bijzonder het voldoen van planschadevergoedingen en de aanwending van het instrument planologische ruil. Onder planologische ruil wordt verstaan: de omwisseling van gebiedsbestemmingen vanuit een samenhangende visie op de duurzame ruimtelijke ordening van het volledige plangebied.
De bevoegde overheid kan beslissen om de bedragen van de lasten van meerdere vergunningen aan te wenden om gelijke handelingen en werken te verwezenlijken, als geen enkele bijdrage afzonderlijk zou volstaan om de verwezenlijking ervan volledig te financieren.
§ 5. Bij een overdracht van een omgevingsvergunning blijft de overdragende partij gehouden tot de goede uitvoering van de lasten totdat de overdracht gerealiseerd is, waarop de nieuwe vergunninghouder vervolgens gehouden is de lasten uit te voeren ]1.
De bevoegde overheid neemt de volgende lasten op bij een omgevingsvergunning:
1° de lasten die de gemeenteraad heeft opgelegd bij de beslissing over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg, vermeld in artikel 31;
2° de lasten met het oog op de verwezenlijking van een bescheiden woonaanbod als voldaan is aan de uitsluitende voorwaarde, vermeld in artikel 5.100 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
3° de lasten die de gemeenteraad met toepassing van artikel 5.6.11, § 4, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening heeft opgelegd bij de volledige of gedeeltelijke vrijgave van een woonreservegebied;
4° de lasten bij toepassing van de volgende afwijkingsregels van stedenbouwkundige voorschriften van titel 4, hoofdstuk 4, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening:
a) de afwerkingsregel conform artikel 4.4.3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
b) de basisrechten voor zonevreemde constructies conform artikel 4.4.10 tot 4.4.20 van dezelfde codex;
c) de zonevreemde functiewijzigingen conform artikel 4.4.23 van dezelfde codex.
§ 2. Die lasten vinden hun oorsprong in het voordeel dat de begunstigde van de omgevingsvergunning uit die vergunning haalt en in de bijkomende taken die de overheid door de uitvoering van de vergunning op zich neemt.
De lasten zijn redelijk in verhouding tot het vergunde project. Ze kunnen worden verwezenlijkt door toedoen van de aanvrager.
De bevoegde overheid kan een gefaseerde uitvoering van de lasten voorschrijven.
§ 3. De lasten, vermeld in paragraaf 1, kunnen betrekking hebben op:
1° de verwezenlijking of de renovatie van groene ruimten, ruimten voor openbaar nut, openbare gebouwen, infrastructuur om de mobiliteit, nutsvoorzieningen of woningen op kosten van de vergunninghouder te verbeteren. Vóór er lasten voor nutsvoorzieningen worden opgelegd, vraagt de bevoegde overheid, de ambtenaar die ze gemachtigd heeft of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar advies aan de nutsmaatschappijen die actief zijn in de gemeente waarin het voorwerp van de vergunning ligt. Daarbij wordt gestreefd naar het gelijktijdig aanleggen van nutsvoorzieningen, waardoor de hinder ten gevolge van die aanleg zo veel mogelijk wordt beperkt;
2° de bewerkstelliging van een vermenging van kavels die tegemoetkomen aan de behoeften van diverse maatschappelijke groepen op grond van de grootte van de kavels, respectievelijk de typologie, de kwaliteit, de vloeroppervlakte, het volume of de lokalenindeling van de woningen die erop opgericht worden, of van de op te stellen vaste of verplaatsbare constructies die voor bewoning kunnen worden gebruikt;
3° de gratis, vrij en onbelaste grondafstand bij eigendomsoverdracht van de in de vergunningsaanvraag vermelde openbare wegen, groene of verharde ruimten, openbare gebouwen, nutsvoorzieningen, of de gronden waarop die worden of zullen worden aangelegd;
4° de storting van een geldwaarde, bestemd voor het ruimtelijk beleid, op voorwaarde dat dit geregeld wordt in een stedenbouwkundige verordening als vermeld in artikel 2.3.1 en 2.3.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.
§ 4. De lasten in natura, vermeld in paragraaf 3, 1° tot en met 3°, bevinden zich in of in de nabijheid van projecten die de lasten doen ontstaan. Ze worden in de vergunning bepaald op basis van de aard en de te verwachten gevolgen van het project.
De inkomsten van de financiële lasten, vermeld in paragraaf 3, 4°, worden door de bevoegde overheid aangewend voor het ruimtelijk beleid. De bevoegde overheid bewerkstelligt bij de opmaak van haar begrotingen dat ten minste een equivalent van de in het vorige begrotingsjaar doorgestorte inkomsten bestemd wordt binnen het ruimtelijke beleid, zoals in het bijzonder het voldoen van planschadevergoedingen en de aanwending van het instrument planologische ruil. Onder planologische ruil wordt verstaan: de omwisseling van gebiedsbestemmingen vanuit een samenhangende visie op de duurzame ruimtelijke ordening van het volledige plangebied.
De bevoegde overheid kan beslissen om de bedragen van de lasten van meerdere vergunningen aan te wenden om gelijke handelingen en werken te verwezenlijken, als geen enkele bijdrage afzonderlijk zou volstaan om de verwezenlijking ervan volledig te financieren.
§ 5. Bij een overdracht van een omgevingsvergunning blijft de overdragende partij gehouden tot de goede uitvoering van de lasten totdat de overdracht gerealiseerd is, waarop de nieuwe vergunninghouder vervolgens gehouden is de lasten uit te voeren ]1.
Art.75. [1 § 1er. L'autorité compétente peut lier des charges à un permis d'environnement.
L'autorité compétente inclut les charges suivantes dans un permis d'environnement :
1° les charges imposées par le conseil communal lors de la décision concernant l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression de la route communale, visée à l'article 31 ;
2° les charges en vue de la réalisation d'une offre de logement modeste, s'il a été satisfait à la condition exclusive, visée à l'article 5.100 du Code flamand du Logement de 2021 ;
3° les charges imposées par le conseil communal en application de l'article 5.6.11, § 4, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire lors de la libération totale ou partielle d'une zone de réserve résidentielle ;
4° les charges en application des règles de dérogation aux prescriptions urbanistiques du titre 4, chapitre 4, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire :
a) la règle de finition conformément à l'article 4.4.3 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ;
b) les droits fondamentaux pour les constructions étrangères à la zone conformément aux articles 4.4.10 à 4.4.20 du même code ;
c) les modifications de fonction étrangères à la zone conformément à l'article 4.4.23 du même code.
§ 2. Ces charges trouvent leur origine dans l'avantage que le bénéficiaire du permis d'environnement retire de ce permis et dans les tâches complémentaires que l'autorité assume en exécutant le permis.
Les charges sont raisonnables par rapport au projet autorisé. Elles peuvent être réalisées par l'intervention du demandeur.
L'autorité compétente peut prescrire une exécution en plusieurs phases des charges.
§ 3. Les charges visées au paragraphe 1er peuvent porter sur :
1° la réalisation ou la rénovation d'espaces verts, d'espaces d'utilité publique, de bâtiments publics, d'infrastructures en vue d'une amélioration de la mobilité, des équipements utilitaires ou des habitations aux frais du titulaire du permis. Avant d'imposer des charges relatives aux équipements utilitaires, l'autorité compétente, le fonctionnaire qu'elle a mandatée ou, le cas échéant, le fonctionnaire environnement communal, recueille l'avis des sociétés utilitaires actives dans la commune où se situe l'objet du permis. On cherche ainsi à aménager simultanément les équipements utilitaires afin que les nuisances occasionnées par cet aménagement soient limitées au maximum ;
2° la mise en place d'un mélange de lots répondant aux besoins de divers groupes sociaux, sur la base de la grandeur des lots et respectivement, la typologie, la qualité, la superficie au sol, le volume ou la classification des locaux des habitations à y édifier ou des constructions fixes ou mobiles pouvant servir de logement à y poser ;
3° la cession de terrain gratuite, libre et non imposée en cas de transfert de propriété des routes publiques, espaces verts ou revêtus, bâtiments publics, équipements utilitaires visés à la demande d'autorisation, ou des terrains sur lesquels ils sont ou seront aménagés ;
4° le versement d'une valeur monétaire, destinée à la politique spatiale, pour autant qu'elle soit réglée dans un règlement urbanistique tel que visé aux articles 2.3.1 et 2.3.2 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire.
§ 4. Les charges en nature, visées au paragraphe 3, 1° à 3°, sont situées dans ou à proximité des projets qui donnent lieu aux charges. Elles sont déterminées dans le permis sur la base de la nature et des conséquences prévisibles du projet.
Les revenus des charges financières visées au paragraphe 3, 4°, sont affectés à la politique spatiale par l'autorité compétente. Lors de l'établissement de ses budgets, l'autorité compétente veille à ce qu'au moins l'équivalent des revenus reversés dans l'année budgétaire précédente soient affectés à la politique spatiale, en particulier au paiement d'indemnisations des dommages résultant de la planification spatiale et à l'affectation de l'instrument de l'échange planologique. On entend par échange planologique : l'échange d'affectations sur la base d'une vision cohérente sur l'aménagement du territoire durable de l'ensemble de la zone du plan.
L'autorité compétente peut décider d'affecter les montants des charges de plusieurs permis à la réalisation d'actes et de travaux équivalents, si aucune contribution ne suffit en soi à financer entièrement leur réalisation.
§ 5. En cas de transfert d'un permis d'environnement, la partie qui opère le transfert est tenue à la bonne exécution des charges jusqu'à ce que le transfert soit réalisé, après quoi le nouveau titulaire du permis est tenu d'exécuter les charges ]1.
L'autorité compétente inclut les charges suivantes dans un permis d'environnement :
1° les charges imposées par le conseil communal lors de la décision concernant l'aménagement, la modification, le déplacement ou la suppression de la route communale, visée à l'article 31 ;
2° les charges en vue de la réalisation d'une offre de logement modeste, s'il a été satisfait à la condition exclusive, visée à l'article 5.100 du Code flamand du Logement de 2021 ;
3° les charges imposées par le conseil communal en application de l'article 5.6.11, § 4, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire lors de la libération totale ou partielle d'une zone de réserve résidentielle ;
4° les charges en application des règles de dérogation aux prescriptions urbanistiques du titre 4, chapitre 4, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire :
a) la règle de finition conformément à l'article 4.4.3 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ;
b) les droits fondamentaux pour les constructions étrangères à la zone conformément aux articles 4.4.10 à 4.4.20 du même code ;
c) les modifications de fonction étrangères à la zone conformément à l'article 4.4.23 du même code.
§ 2. Ces charges trouvent leur origine dans l'avantage que le bénéficiaire du permis d'environnement retire de ce permis et dans les tâches complémentaires que l'autorité assume en exécutant le permis.
Les charges sont raisonnables par rapport au projet autorisé. Elles peuvent être réalisées par l'intervention du demandeur.
L'autorité compétente peut prescrire une exécution en plusieurs phases des charges.
§ 3. Les charges visées au paragraphe 1er peuvent porter sur :
1° la réalisation ou la rénovation d'espaces verts, d'espaces d'utilité publique, de bâtiments publics, d'infrastructures en vue d'une amélioration de la mobilité, des équipements utilitaires ou des habitations aux frais du titulaire du permis. Avant d'imposer des charges relatives aux équipements utilitaires, l'autorité compétente, le fonctionnaire qu'elle a mandatée ou, le cas échéant, le fonctionnaire environnement communal, recueille l'avis des sociétés utilitaires actives dans la commune où se situe l'objet du permis. On cherche ainsi à aménager simultanément les équipements utilitaires afin que les nuisances occasionnées par cet aménagement soient limitées au maximum ;
2° la mise en place d'un mélange de lots répondant aux besoins de divers groupes sociaux, sur la base de la grandeur des lots et respectivement, la typologie, la qualité, la superficie au sol, le volume ou la classification des locaux des habitations à y édifier ou des constructions fixes ou mobiles pouvant servir de logement à y poser ;
3° la cession de terrain gratuite, libre et non imposée en cas de transfert de propriété des routes publiques, espaces verts ou revêtus, bâtiments publics, équipements utilitaires visés à la demande d'autorisation, ou des terrains sur lesquels ils sont ou seront aménagés ;
4° le versement d'une valeur monétaire, destinée à la politique spatiale, pour autant qu'elle soit réglée dans un règlement urbanistique tel que visé aux articles 2.3.1 et 2.3.2 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire.
§ 4. Les charges en nature, visées au paragraphe 3, 1° à 3°, sont situées dans ou à proximité des projets qui donnent lieu aux charges. Elles sont déterminées dans le permis sur la base de la nature et des conséquences prévisibles du projet.
Les revenus des charges financières visées au paragraphe 3, 4°, sont affectés à la politique spatiale par l'autorité compétente. Lors de l'établissement de ses budgets, l'autorité compétente veille à ce qu'au moins l'équivalent des revenus reversés dans l'année budgétaire précédente soient affectés à la politique spatiale, en particulier au paiement d'indemnisations des dommages résultant de la planification spatiale et à l'affectation de l'instrument de l'échange planologique. On entend par échange planologique : l'échange d'affectations sur la base d'une vision cohérente sur l'aménagement du territoire durable de l'ensemble de la zone du plan.
L'autorité compétente peut décider d'affecter les montants des charges de plusieurs permis à la réalisation d'actes et de travaux équivalents, si aucune contribution ne suffit en soi à financer entièrement leur réalisation.
§ 5. En cas de transfert d'un permis d'environnement, la partie qui opère le transfert est tenue à la bonne exécution des charges jusqu'à ce que le transfert soit réalisé, après quoi le nouveau titulaire du permis est tenu d'exécuter les charges ]1.
Wijzigingen
Art.76/1. [1 De ontvangsten uit financiële lasten, vermeld in artikel 75, verbonden aan een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden worden gestort op de volgende rekening:
1° de rekening van het BRV-fonds, vermeld in artikel 1.6.1 van de VCRO, als de last wordt verbonden aan een omgevingsvergunning en opgelegd is op grond van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening;
2° de rekening van de provincie, als de last wordt verbonden aan een omgevingsvergunning en opgelegd is op grond van een provinciale stedenbouwkundige verordening;
3° op rekening van de gemeente, in alle andere gevallen.]1
1° de rekening van het BRV-fonds, vermeld in artikel 1.6.1 van de VCRO, als de last wordt verbonden aan een omgevingsvergunning en opgelegd is op grond van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening;
2° de rekening van de provincie, als de last wordt verbonden aan een omgevingsvergunning en opgelegd is op grond van een provinciale stedenbouwkundige verordening;
3° op rekening van de gemeente, in alle andere gevallen.]1
Art.76/1. [1 Les recettes découlant des charges financières visées à l'article 75, liées à un permis d'environnement pour la réalisation d'actes urbanistiques ou le lotissement de sols sont versées sur le compte suivant :
1° le compte du Fonds BRV, visé à l'article 1.6.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, si la charge est liée à un permis d'environnement et imposée en vertu d'un règlement urbanistique régional ;
2° le compte de la province, si la charge est liée à un permis d'environnement et imposée en vertu d'un règlement urbanistique provincial ;
3° le compte de la commune, dans tous les autres cas.]1
1° le compte du Fonds BRV, visé à l'article 1.6.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, si la charge est liée à un permis d'environnement et imposée en vertu d'un règlement urbanistique régional ;
2° le compte de la province, si la charge est liée à un permis d'environnement et imposée en vertu d'un règlement urbanistique provincial ;
3° le compte de la commune, dans tous les autres cas.]1
Art.77. [1 § 1. § 1. Voor de lasten in natura, vermeld in artikel 75, § 3, 1° tot en met 3°, verleent de houder van de vergunning die daarop betrekking heeft, een financiële waarborg vóór er met de werken gestart wordt.
De waarborg dekt de volledige geraamde kostprijs van de lasten, vermeld in het eerste lid, behalve als kan worden vastgesteld dat de financiële toestand van de begunstigde van de vergunning dat niet toelaat. De bevoegde overheid kan die dekking verminderen tot een niveau dat aanvaardbaar is voor de financiële toestand van de begunstigde van de vergunning, maar de waarborg mag niet kleiner zijn dan de helft van de geraamde kosten van de lasten.
De waarborg kan worden geleverd met een borgstelling via een overschrijving op de Deposito- en Consignatiekas of door een financiële instelling borg te laten staan voor het bedrag van het project.
De waarborg kan worden vrijgemaakt naarmate de als lasten opgelegde handelingen en werken worden uitgevoerd, in verhouding tot de investeringen die in het kader van de lasten al zijn verricht, tegen maximaal 60% van de totale waarde, waarbij het saldo pas wordt vrijgemaakt als de bevoegde overheid of haar gemachtigde die handelingen en werken voorlopig opgeleverd heeft.
§ 2. Als de uitvoering van diverse lasten financieel wordt gewaarborgd, hanteert de bevoegde overheid één waarborg voor de totaliteit van de lasten in kwestie, waarbij aangegeven wordt welk waarborggedeelte betrekking heeft op elke last afzonderlijk.
§ 3. Bij een overdracht van een vergunning blijft de overdragende partij ertoe gehouden borg te staan voor de goede uitvoering van de lasten totdat de nieuwe houder van de vergunning de bevoegde overheid een financiële waarborg heeft geleverd die gelijk is aan de waarborg, vermeld in paragraaf 1.
§ 4. De waarborg is in de volgende gevallen opeisbaar of van rechtswege door de bevoegde overheid verworven ten belope van de waarde van de lasten die nog niet uitgevoerd zijn:
1° bij niet-naleving van de uitvoeringstermijnen voor de lasten, vermeld in de definitief uitvoerbare vergunning, waartegen geen beroep meer mogelijk is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen;
2° als de vergunning waarvoor lasten werden opgelegd, vervalt na gedeeltelijk te zijn uitgevoerd.
§ 5. De waarborg kan zonder uitvoering van de lasten alleen worden vrijgemaakt als de vergunning waarvoor de lasten werden opgelegd, vervallen is en het project niet of zelfs niet gedeeltelijk werd uitgevoerd ]1.
De waarborg dekt de volledige geraamde kostprijs van de lasten, vermeld in het eerste lid, behalve als kan worden vastgesteld dat de financiële toestand van de begunstigde van de vergunning dat niet toelaat. De bevoegde overheid kan die dekking verminderen tot een niveau dat aanvaardbaar is voor de financiële toestand van de begunstigde van de vergunning, maar de waarborg mag niet kleiner zijn dan de helft van de geraamde kosten van de lasten.
De waarborg kan worden geleverd met een borgstelling via een overschrijving op de Deposito- en Consignatiekas of door een financiële instelling borg te laten staan voor het bedrag van het project.
De waarborg kan worden vrijgemaakt naarmate de als lasten opgelegde handelingen en werken worden uitgevoerd, in verhouding tot de investeringen die in het kader van de lasten al zijn verricht, tegen maximaal 60% van de totale waarde, waarbij het saldo pas wordt vrijgemaakt als de bevoegde overheid of haar gemachtigde die handelingen en werken voorlopig opgeleverd heeft.
§ 2. Als de uitvoering van diverse lasten financieel wordt gewaarborgd, hanteert de bevoegde overheid één waarborg voor de totaliteit van de lasten in kwestie, waarbij aangegeven wordt welk waarborggedeelte betrekking heeft op elke last afzonderlijk.
§ 3. Bij een overdracht van een vergunning blijft de overdragende partij ertoe gehouden borg te staan voor de goede uitvoering van de lasten totdat de nieuwe houder van de vergunning de bevoegde overheid een financiële waarborg heeft geleverd die gelijk is aan de waarborg, vermeld in paragraaf 1.
§ 4. De waarborg is in de volgende gevallen opeisbaar of van rechtswege door de bevoegde overheid verworven ten belope van de waarde van de lasten die nog niet uitgevoerd zijn:
1° bij niet-naleving van de uitvoeringstermijnen voor de lasten, vermeld in de definitief uitvoerbare vergunning, waartegen geen beroep meer mogelijk is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen;
2° als de vergunning waarvoor lasten werden opgelegd, vervalt na gedeeltelijk te zijn uitgevoerd.
§ 5. De waarborg kan zonder uitvoering van de lasten alleen worden vrijgemaakt als de vergunning waarvoor de lasten werden opgelegd, vervallen is en het project niet of zelfs niet gedeeltelijk werd uitgevoerd ]1.
Art.77. [1 § 1er. Pour les charges en nature, visées à l'article 75, § 3, 1° à 3°, le titulaire du permis qui s'y rapporte, accorde une garantie financière avant le début des travaux.
La garantie couvre la totalité du coût estimé des charges visées à l'alinéa 1er, sauf s'il peut être établi que la situation financière du bénéficiaire du permis ne le permet pas. L'autorité compétente peut réduire cette couverture à un niveau acceptable pour la situation financière du bénéficiaire du permis, mais la garantie ne peut être inférieure à la moitié du coût estimé des charges.
La garantie peut être fournie par une caution via un transfert à la Caisse des Dépôts et Consignations ou en demandant à une institution financière de garantir le montant du projet.
La garantie peut être libérée au fur et à mesure de l'exécution des actes et travaux imposés en tant que charges, au prorata des investissements déjà réalisés dans le cadre des charges, à concurrence de maximum 60 % de la valeur totale, le solde n'étant libéré que lorsque l'autorité compétente ou son mandataire a procédé à la réception provisoire de ces actes et travaux.
§ 2. Si l'exécution de diverses charges est garantie financièrement, l'autorité compétente utilise une seule garantie pour l'ensemble des charges en question, en indiquant quelle partie de la garantie se rapporte à chaque charge individuelle.
§ 3. En cas de transfert d'un permis, la partie qui opère le transfert reste tenu de garantir la bonne exécution des charges jusqu'à ce que le nouveau titulaire du permis ait fourni à l'autorité compétente une garantie financière égale à la garantie visée au paragraphe 1er.
§ 4. Dans les cas suivants, la garantie est exigible ou acquise de plein droit par l'autorité compétente à concurrence de la valeur des charges non encore exécutées :
1° en cas de non-respect des délais d'exécution des charges mentionnées dans le permis définitivement exécutoire, contre lequel aucun recours n'est possible devant le Conseil du Contentieux des Permis ;
2° si le permis pour lequel des charges ont été imposées expire après avoir été partiellement exécuté.
§ 5. La garantie ne peut être libérée sans exécution des charges que si le permis pour lequel les charges ont été imposées a expiré et que le projet n'a pas été exécuté, même partiellement. ]1
La garantie couvre la totalité du coût estimé des charges visées à l'alinéa 1er, sauf s'il peut être établi que la situation financière du bénéficiaire du permis ne le permet pas. L'autorité compétente peut réduire cette couverture à un niveau acceptable pour la situation financière du bénéficiaire du permis, mais la garantie ne peut être inférieure à la moitié du coût estimé des charges.
La garantie peut être fournie par une caution via un transfert à la Caisse des Dépôts et Consignations ou en demandant à une institution financière de garantir le montant du projet.
La garantie peut être libérée au fur et à mesure de l'exécution des actes et travaux imposés en tant que charges, au prorata des investissements déjà réalisés dans le cadre des charges, à concurrence de maximum 60 % de la valeur totale, le solde n'étant libéré que lorsque l'autorité compétente ou son mandataire a procédé à la réception provisoire de ces actes et travaux.
§ 2. Si l'exécution de diverses charges est garantie financièrement, l'autorité compétente utilise une seule garantie pour l'ensemble des charges en question, en indiquant quelle partie de la garantie se rapporte à chaque charge individuelle.
§ 3. En cas de transfert d'un permis, la partie qui opère le transfert reste tenu de garantir la bonne exécution des charges jusqu'à ce que le nouveau titulaire du permis ait fourni à l'autorité compétente une garantie financière égale à la garantie visée au paragraphe 1er.
§ 4. Dans les cas suivants, la garantie est exigible ou acquise de plein droit par l'autorité compétente à concurrence de la valeur des charges non encore exécutées :
1° en cas de non-respect des délais d'exécution des charges mentionnées dans le permis définitivement exécutoire, contre lequel aucun recours n'est possible devant le Conseil du Contentieux des Permis ;
2° si le permis pour lequel des charges ont été imposées expire après avoir été partiellement exécuté.
§ 5. La garantie ne peut être libérée sans exécution des charges que si le permis pour lequel les charges ont été imposées a expiré et que le projet n'a pas été exécuté, même partiellement. ]1
Wijzigingen
Afdeling 2. - Zakelijk karakter
Section 2. - Caractère réel
Art.78. § 1. De omgevingsvergunning heeft een zakelijk karakter. Ze wordt verleend onder voorbehoud van de burgerlijke rechten die betrekking hebben op het onroerend goed.
De beslissingen genomen op grond van dit decreet doen geen afbreuk aan de burgerlijke rechten van derden.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 doet een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden door de mens gevestigde erfdienstbaarheden en bij overeenkomst vastgestelde verplichtingen met betrekking tot het grondgebruik teniet voor zover ze onverenigbaar zijn met de omgevingsvergunning en uitdrukkelijk in de vergunningsaanvraag zijn vermeld.
De afgifte van de omgevingsvergunning verhindert op geen enkele wijze dat de begunstigden van de erfdienstbaarheden of verplichtingen een eventueel recht op schadeloosstelling ten laste van de aanvrager uitoefenen.
De beslissingen genomen op grond van dit decreet doen geen afbreuk aan de burgerlijke rechten van derden.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 doet een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden door de mens gevestigde erfdienstbaarheden en bij overeenkomst vastgestelde verplichtingen met betrekking tot het grondgebruik teniet voor zover ze onverenigbaar zijn met de omgevingsvergunning en uitdrukkelijk in de vergunningsaanvraag zijn vermeld.
De afgifte van de omgevingsvergunning verhindert op geen enkele wijze dat de begunstigden van de erfdienstbaarheden of verplichtingen een eventueel recht op schadeloosstelling ten laste van de aanvrager uitoefenen.
Art.78. § 1er. Le permis d'environnement revêt un caractère réel. Il est octroyé sous réserve des droits de caractère civil relatifs au bien immobilier.
Les décisions prises sur la base du présent décret ne portent pas préjudice aux droits civils de tiers.
§ 2. En dérogation au paragraphe 1er, un permis d'environnement pour le lotissement de sols annule les servitudes établies par le fait de l'homme, ainsi que les obligations liées à l'utilisation du terrain qui sont déterminées contractuellement, pour autant qu'elles soient incompatibles avec le permis et qu'elles aient été explicitement mentionnées dans la demande.
L'octroi du permis d'environnement n'empêche d'aucune façon les bénéficiaires de ces servitudes ou obligations d'exercer un éventuel droit d'indemnisation à charge du requérant.
Les décisions prises sur la base du présent décret ne portent pas préjudice aux droits civils de tiers.
§ 2. En dérogation au paragraphe 1er, un permis d'environnement pour le lotissement de sols annule les servitudes établies par le fait de l'homme, ainsi que les obligations liées à l'utilisation du terrain qui sont déterminées contractuellement, pour autant qu'elles soient incompatibles avec le permis et qu'elles aient été explicitement mentionnées dans la demande.
L'octroi du permis d'environnement n'empêche d'aucune façon les bénéficiaires de ces servitudes ou obligations d'exercer un éventuel droit d'indemnisation à charge du requérant.
Art.79. [1 Een omgevingsvergunning die geen betrekking heeft op een vergunningsplichtige exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit kan zonder plichtplegingen worden overgedragen.
Als de omgevingsvergunning betrekking heeft op een vergunningsplichtige exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit moet de overdracht vooraf worden gemeld aan de overheid die bevoegd is voor het project [2 voor de overdracht]2. De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van het formulier voor overdracht, de termijn waarbinnen en de wijze waarop de overdracht moet worden gemeld.
Het vergunningsbesluit wordt als gevolg van de melding, vermeld in het tweede lid, door de bevoegde overheid aangepast [2 ...]2 overeenkomstig de regels die de Vlaamse Regering bepaalt.
[2 ...]2]1
Als er lasten aan een omgevingsvergunning verbonden zijn, blijft de overdrager ertoe gehouden ten aanzien van de bevoegde overheid tenzij deze met de substitutie van haar schuldenaar heeft ingestemd.
Als de omgevingsvergunning betrekking heeft op een vergunningsplichtige exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit moet de overdracht vooraf worden gemeld aan de overheid die bevoegd is voor het project [2 voor de overdracht]2. De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van het formulier voor overdracht, de termijn waarbinnen en de wijze waarop de overdracht moet worden gemeld.
Het vergunningsbesluit wordt als gevolg van de melding, vermeld in het tweede lid, door de bevoegde overheid aangepast [2 ...]2 overeenkomstig de regels die de Vlaamse Regering bepaalt.
[2 ...]2]1
Als er lasten aan een omgevingsvergunning verbonden zijn, blijft de overdrager ertoe gehouden ten aanzien van de bevoegde overheid tenzij deze met de substitutie van haar schuldenaar heeft ingestemd.
Art.79. [1 Un permis d'environnement qui ne porte pas sur une exploitation soumise à l'obligation d'autorisation d'un établissement ou d'une activité classé(e) peut être cédé sans formalité.
Si le permis d'environnement concerne une exploitation soumise à l'obligation d'autorisation d'un établissement ou d'une activité classé(e), le transfert doit être signalé au préalable à l'autorité qui est compétente pour le projet, [2 pour le transfert]2. Le Gouvernement flamand détermine le contenu du formulaire de transfert, ainsi que le délai dans lequel et la manière dont le transfert devra être notifié.
La décision d'autorisation est, à la suite du signalement visé au deuxième alinéa, adaptée [2 ...]2, conformément aux règles déterminées par le Gouvernement flamand.
[2 ...]2]1
S'il y a des charges liées à un permis d'environnement, le cédant demeure responsable vis-à-vis de l'autorité compétente, sauf si cette dernière a approuvé la substitution de son débiteur.
Si le permis d'environnement concerne une exploitation soumise à l'obligation d'autorisation d'un établissement ou d'une activité classé(e), le transfert doit être signalé au préalable à l'autorité qui est compétente pour le projet, [2 pour le transfert]2. Le Gouvernement flamand détermine le contenu du formulaire de transfert, ainsi que le délai dans lequel et la manière dont le transfert devra être notifié.
La décision d'autorisation est, à la suite du signalement visé au deuxième alinéa, adaptée [2 ...]2, conformément aux règles déterminées par le Gouvernement flamand.
[2 ...]2]1
S'il y a des charges liées à un permis d'environnement, le cédant demeure responsable vis-à-vis de l'autorité compétente, sauf si cette dernière a approuvé la substitution de son débiteur.
Afdeling 3. - Fasering
Section 3. - Phasage
Art.80. Een omgevingsvergunning kan de verschillende fasen of onderdelen van een project vermelden en kan daarbij de verschillende referentiemomenten vaststellen.
Art.80. Un permis d'environnement peut mentionner les différentes phases ou parties d'un projet et peut en outre fixer les différents moments de référence.
Afdeling 4. - Regularisatievergunningen
Section 4. - Permis de régularisation
Art.81. § 1. Een regularisatievergunning is een omgevingsvergunning die tijdens of na de uitvoering van vergunningsplichtige projecten als vermeld in artikel 5, 1°, wordt afgeleverd.
Bij de beoordeling van het aangevraagde wordt de actuele regelgeving, met inbegrip van stedenbouwkundige voorschriften, eventuele verkavelingsvoorschriften en algemene en sectorale milieuvoorwaarden, als uitgangspunt genomen.
§ 2. Een aanvraag tot regularisatie bevat een afschrift van eventuele processen-verbaal, administratieve beslissingen en rechterlijke beslissingen met betrekking tot het project die ter kennis van de aanvrager zijn gebracht.
§ 3. Het niet vervolgen van een inbreuk door de overheid, wettigt de regularisatie op zich niet.
De sanctionering van een inbreuk sluit een regularisatie niet uit.
§ 4. De regularisatievergunning wordt afgeleverd met inachtneming van de gebruikelijke beoordelingscriteria en conform de gebruikelijke vergunningsprocedure.
Aan de vergunning kunnen de voorwaarden en lasten, vermeld in artikel 71 tot en met 77, worden verbonden.
Bij de beoordeling van het aangevraagde wordt de actuele regelgeving, met inbegrip van stedenbouwkundige voorschriften, eventuele verkavelingsvoorschriften en algemene en sectorale milieuvoorwaarden, als uitgangspunt genomen.
§ 2. Een aanvraag tot regularisatie bevat een afschrift van eventuele processen-verbaal, administratieve beslissingen en rechterlijke beslissingen met betrekking tot het project die ter kennis van de aanvrager zijn gebracht.
§ 3. Het niet vervolgen van een inbreuk door de overheid, wettigt de regularisatie op zich niet.
De sanctionering van een inbreuk sluit een regularisatie niet uit.
§ 4. De regularisatievergunning wordt afgeleverd met inachtneming van de gebruikelijke beoordelingscriteria en conform de gebruikelijke vergunningsprocedure.
Aan de vergunning kunnen de voorwaarden en lasten, vermeld in artikel 71 tot en met 77, worden verbonden.
Art.81. § 1er. Un permis de régularisation est un permis d'environnement qui est octroyé pendant ou après l'exécution des projets soumis à l'obligation d'autorisation telle que visée à l'article 5, 1°.
La législation actuelle, y compris les prescriptions urbanistiques, les éventuelles prescriptions de lotissement et les conditions environnementales générales et sectorielles, constituent le point de départ pour l'évaluation de la demande.
§ 2. Une demande de régularisation comprend les copies d'éventuel procès-verbaux et des éventuelles décisions administratives et judiciaires se rapportant au projet et qui ont été communiquées pour information au requérant.
§ 3. Le fait que les autorités n'engagent pas de poursuites par rapport à une infraction ne constitue pas en soi une validation de la régularisation.
La sanction d'une infraction n'exclut pas une régularisation.
§ 4. Le permis de régularisation est délivré en tenant compte des critères d'évaluation ordinaires et conformément à la procédure d'autorisation habituelle.
Les conditions et les charges, mentionnées dans les articles 71 à 77 inclus, peuvent être liées au permis.
La législation actuelle, y compris les prescriptions urbanistiques, les éventuelles prescriptions de lotissement et les conditions environnementales générales et sectorielles, constituent le point de départ pour l'évaluation de la demande.
§ 2. Une demande de régularisation comprend les copies d'éventuel procès-verbaux et des éventuelles décisions administratives et judiciaires se rapportant au projet et qui ont été communiquées pour information au requérant.
§ 3. Le fait que les autorités n'engagent pas de poursuites par rapport à une infraction ne constitue pas en soi une validation de la régularisation.
La sanction d'une infraction n'exclut pas une régularisation.
§ 4. Le permis de régularisation est délivré en tenant compte des critères d'évaluation ordinaires et conformément à la procédure d'autorisation habituelle.
Les conditions et les charges, mentionnées dans les articles 71 à 77 inclus, peuvent être liées au permis.
HOOFDSTUK 6. - Het bijstellen van de omgevingsvergunning
CHAPITRE 6. - L'actualisation du permis d'environnement
Afdeling 1. - Bijstelling van in de omgevingsvergunning opgelegde milieuvoorwaarden
Section 1re. - Actualisation des conditions environnementales imposées dans le permis d'environnement
Art.82. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, kan de milieuvoorwaarden die in de omgevingsvergunning zijn opgelegd, wijzigen of aanvullen:
1° ambtshalve via een gemotiveerd initiatief;
2° op gemotiveerd verzoek van:
a) de bevoegde dienst van de gemeente, de provinciale omgevingsvergunningscommissie of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie als gevolg van een evaluatie die zij hebben uitgevoerd als vermeld in artikel 5.4.11 van het DABM;
b) de vergunninghouder of de exploitant;
c) het betrokken publiek;
d) de toezichthouder die met toepassing van titel XVI van het DABM is aangewezen om op de ingedeelde inrichting of activiteit toezicht uit te oefenen;
e) de leidend ambtenaar van een adviesinstantie die met toepassing van de bepalingen, vermeld in artikel 24, eerste lid, is aangewezen om voor de ingedeelde inrichting of activiteit advies uit te brengen.
[1 f) de leidend ambtenaar van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.]1
Het verzoek, vermeld in punt 2°, e), wordt ingediend bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, binnen een termijn van dertig dagen voorafgaand aan de maand waarin de evaluatie, vermeld in artikel 5.4.11 van het DABM, zou plaatsvinden.
Het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in dit artikel, verloopt overeenkomstig de bepalingen van afdeling 4 en 5.
1° ambtshalve via een gemotiveerd initiatief;
2° op gemotiveerd verzoek van:
a) de bevoegde dienst van de gemeente, de provinciale omgevingsvergunningscommissie of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie als gevolg van een evaluatie die zij hebben uitgevoerd als vermeld in artikel 5.4.11 van het DABM;
b) de vergunninghouder of de exploitant;
c) het betrokken publiek;
d) de toezichthouder die met toepassing van titel XVI van het DABM is aangewezen om op de ingedeelde inrichting of activiteit toezicht uit te oefenen;
e) de leidend ambtenaar van een adviesinstantie die met toepassing van de bepalingen, vermeld in artikel 24, eerste lid, is aangewezen om voor de ingedeelde inrichting of activiteit advies uit te brengen.
[1 f) de leidend ambtenaar van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.]1
Het verzoek, vermeld in punt 2°, e), wordt ingediend bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, binnen een termijn van dertig dagen voorafgaand aan de maand waarin de evaluatie, vermeld in artikel 5.4.11 van het DABM, zou plaatsvinden.
Het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in dit artikel, verloopt overeenkomstig de bepalingen van afdeling 4 en 5.
Art.82. L'autorité compétente, visée à l'article 15, peut modifier ou compléter les conditions environnementales imposées dans le permis d'environnement :
1° d'office via une initiative motivée ;
2° à la demande motivée :
a) du service compétent de la commune, de la commission provinciale du permis d'environnement ou de la commission régionale du permis d'environnement par suite d'une évaluation qu'ils ont menée conformément à l'article 5.4.11 du DABM ;
b) le titulaire du permis ou l'exploitant ;
c) le public concerné ;
d) le contrôleur qui, en application du titre XVI du DABM, est désigné pour exercer le contrôle de l'installation ou activité classée ;
e) le fonctionnaire dirigeant d'une instance d'avis qui, en application des dispositions visées à l'article 24, alinéa premier, est désigné pour formuler un avis relatif à l'installation ou activité classée.
[1 f) le fonctionnaire dirigeant de la division Environnement, compétent pour le permis d'environnement.]1
La demande, visée au point 2°, e), est introduite auprès de l'autorité compétente, visée à l'article 15, dans un délai de trente jours précédant le mois au cours duquel l'évaluation, visée à l'article 5.4.11 du DABM, aurait lieu.
L'actualisation du permis d'environnement, visé dans le présent article, se déroule conformément aux dispositions des sections 4 et 5.
1° d'office via une initiative motivée ;
2° à la demande motivée :
a) du service compétent de la commune, de la commission provinciale du permis d'environnement ou de la commission régionale du permis d'environnement par suite d'une évaluation qu'ils ont menée conformément à l'article 5.4.11 du DABM ;
b) le titulaire du permis ou l'exploitant ;
c) le public concerné ;
d) le contrôleur qui, en application du titre XVI du DABM, est désigné pour exercer le contrôle de l'installation ou activité classée ;
e) le fonctionnaire dirigeant d'une instance d'avis qui, en application des dispositions visées à l'article 24, alinéa premier, est désigné pour formuler un avis relatif à l'installation ou activité classée.
[1 f) le fonctionnaire dirigeant de la division Environnement, compétent pour le permis d'environnement.]1
La demande, visée au point 2°, e), est introduite auprès de l'autorité compétente, visée à l'article 15, dans un délai de trente jours précédant le mois au cours duquel l'évaluation, visée à l'article 5.4.11 du DABM, aurait lieu.
L'actualisation du permis d'environnement, visé dans le présent article, se déroule conformément aux dispositions des sections 4 et 5.
Wijzigingen
Afdeling 2. - Bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit
Section 2. - Actualisation de l'objet ou de la durée du permis d'environnement en ce qui concerne l'exploitation d'une installation ou activité classée
Art.83. § 1. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, kan het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit beperken:
1° ambtshalve via een gemotiveerd initiatief;
2° op gemotiveerd verzoek van:
a) het betrokken publiek;
b) de leidend ambtenaar van een adviesinstantie die met toepassing van de bepalingen, vermeld in artikel 24, eerste lid, is aangewezen om voor de ingedeelde inrichting of activiteit advies uit te brengen.
Het verzoek of het initiatief tot ambtshalve bijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt op straffe van onontvankelijkheid ingediend respectievelijk genomen binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de bekendmaking van het verstrijken van elke geldigheidsperiode van twintig jaar van een omgevingsvergunning van onbepaalde duur.
De bekendmaking, vermeld in het tweede lid, gebeurt op initiatief van de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, binnen een termijn van zes maanden voor het verstrijken van elke geldigheidsperiode van twintig jaar van een omgevingsvergunning van onbepaalde duur. De geldigheidsperiode van twintig jaar vangt een eerste keer aan op de dag na de datum waarop de lopende initiële omgevingsvergunning is verleend [1 of in het geval van omzetting van een milieuvergunning naar een vergunning van onbepaalde duur op de dag van de aktename, vermeld in artikel 390, § 2,]1 en vervolgens telkens op de eerste dag die volgt op de einddatum van een nieuwe twintigjarige geldigheidsperiode van een omgevingsvergunning van onbepaalde duur.
De Vlaamse Regering kan het indienen van een verzoek als vermeld in het eerste lid aan bijkomende ontvankelijkheidsvoorwaarden onderwerpen.
§ 2. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, kan in haar beslissing over het verzoek of het initiatief tot ambtshalve bijstelling als vermeld in paragraaf 1:
1° de milieuvoorwaarden wijzigen of aanvullen;
2° het voorwerp van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit beperken voor zover de risico's en de hinder niet via milieuvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden herleid;
3° de duur van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit beperken voor zover deze niet verder verenigbaar is met de ruimtelijke bestemming. In dat geval zal de resterende duur van de omgevingsvergunning niet minder dan zeven jaar bedragen.
§ 3. Het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in dit artikel, verloopt overeenkomstig de bepalingen van afdeling 4 en 5.
1° ambtshalve via een gemotiveerd initiatief;
2° op gemotiveerd verzoek van:
a) het betrokken publiek;
b) de leidend ambtenaar van een adviesinstantie die met toepassing van de bepalingen, vermeld in artikel 24, eerste lid, is aangewezen om voor de ingedeelde inrichting of activiteit advies uit te brengen.
Het verzoek of het initiatief tot ambtshalve bijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt op straffe van onontvankelijkheid ingediend respectievelijk genomen binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de bekendmaking van het verstrijken van elke geldigheidsperiode van twintig jaar van een omgevingsvergunning van onbepaalde duur.
De bekendmaking, vermeld in het tweede lid, gebeurt op initiatief van de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, binnen een termijn van zes maanden voor het verstrijken van elke geldigheidsperiode van twintig jaar van een omgevingsvergunning van onbepaalde duur. De geldigheidsperiode van twintig jaar vangt een eerste keer aan op de dag na de datum waarop de lopende initiële omgevingsvergunning is verleend [1 of in het geval van omzetting van een milieuvergunning naar een vergunning van onbepaalde duur op de dag van de aktename, vermeld in artikel 390, § 2,]1 en vervolgens telkens op de eerste dag die volgt op de einddatum van een nieuwe twintigjarige geldigheidsperiode van een omgevingsvergunning van onbepaalde duur.
De Vlaamse Regering kan het indienen van een verzoek als vermeld in het eerste lid aan bijkomende ontvankelijkheidsvoorwaarden onderwerpen.
§ 2. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, kan in haar beslissing over het verzoek of het initiatief tot ambtshalve bijstelling als vermeld in paragraaf 1:
1° de milieuvoorwaarden wijzigen of aanvullen;
2° het voorwerp van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit beperken voor zover de risico's en de hinder niet via milieuvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden herleid;
3° de duur van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit beperken voor zover deze niet verder verenigbaar is met de ruimtelijke bestemming. In dat geval zal de resterende duur van de omgevingsvergunning niet minder dan zeven jaar bedragen.
§ 3. Het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in dit artikel, verloopt overeenkomstig de bepalingen van afdeling 4 en 5.
Art.83. § 1er. L'autorité compétente, visée à l'article 15, peut restreindre l'objet ou la durée du permis d'environnement pour l'exploitation d'une installation ou activité classée :
1° d'office via une initiative motivée ;
2° à la demande motivée du :
a) public concerné ;
b) fonctionnaire dirigeant d'une instance d'avis qui, en application des dispositions visées à l'article 24, alinéa premier, est désigné pour formuler un avis relatif à l'installation ou activité classée.
La demande ou l'initiative d'actualisation d'office, visée à l'alinéa premier, est, à peine d'irrecevabilité, introduite, respectivement, dans un délai de trente jours à compter du jour suivant le premier jour de la publication de l'expiration de toute période de validité de vingt ans d'un permis d'environnement à durée indéterminée.
L'annonce de la publication, visée à l'alinéa deux, a lieu à l'initiative de l'autorité compétente, visée à l'article 15, dans un délai de six mois avant l'expiration de toute période de validité de vingt ans d'un permis d'environnement à durée indéterminée. La période de validité de vingt ans prend cours la première fois le premier jour après la date à laquelle le permis d'environnement initial en cours est octroyé [1 en cas de conversion d'un permis d'environnement en un permis à durée indéterminée le jour de la prise d'acte, visée à l'article 390, § 2,]1 et, ensuite, chaque premier jour suivant la date de fin d'une nouvelle période de validité de vingt ans d'un permis d'environnement à durée indéterminée.
Le Gouvernement flamand peut soumettre l'introduction d'une demande, telle que visée à l'alinéa premier, à des conditions de recevabilité supplémentaires.
§ 2. Dans sa décision sur la demande ou l'initiative d'actualisation d'office, telle que visée au paragraphe 1er, l'autorité compétente, visée à l'article 15, peut :
1° modifier ou compléter les conditions environnementales ;
2° restreindre l'objet de l'exploitation de l'installation ou activité classée, pour autant que les risques et les nuisances ne puissent être réduites à un niveau acceptable par le biais des conditions environnementales ;
3° restreindre la durée du permis d'environnement pour l'exploitation de l'installation ou activité classée, pour autant qu'elle ne soit plus compatible avec la destination spatiale. Dans ce cas, la durée restante du permis d'environnement ne sera pas inférieure à sept ans.
§ 3. L'actualisation du permis d'environnement, visé dans le présent article, se déroule conformément aux dispositions des sections 4 et 5.
1° d'office via une initiative motivée ;
2° à la demande motivée du :
a) public concerné ;
b) fonctionnaire dirigeant d'une instance d'avis qui, en application des dispositions visées à l'article 24, alinéa premier, est désigné pour formuler un avis relatif à l'installation ou activité classée.
La demande ou l'initiative d'actualisation d'office, visée à l'alinéa premier, est, à peine d'irrecevabilité, introduite, respectivement, dans un délai de trente jours à compter du jour suivant le premier jour de la publication de l'expiration de toute période de validité de vingt ans d'un permis d'environnement à durée indéterminée.
L'annonce de la publication, visée à l'alinéa deux, a lieu à l'initiative de l'autorité compétente, visée à l'article 15, dans un délai de six mois avant l'expiration de toute période de validité de vingt ans d'un permis d'environnement à durée indéterminée. La période de validité de vingt ans prend cours la première fois le premier jour après la date à laquelle le permis d'environnement initial en cours est octroyé [1 en cas de conversion d'un permis d'environnement en un permis à durée indéterminée le jour de la prise d'acte, visée à l'article 390, § 2,]1 et, ensuite, chaque premier jour suivant la date de fin d'une nouvelle période de validité de vingt ans d'un permis d'environnement à durée indéterminée.
Le Gouvernement flamand peut soumettre l'introduction d'une demande, telle que visée à l'alinéa premier, à des conditions de recevabilité supplémentaires.
§ 2. Dans sa décision sur la demande ou l'initiative d'actualisation d'office, telle que visée au paragraphe 1er, l'autorité compétente, visée à l'article 15, peut :
1° modifier ou compléter les conditions environnementales ;
2° restreindre l'objet de l'exploitation de l'installation ou activité classée, pour autant que les risques et les nuisances ne puissent être réduites à un niveau acceptable par le biais des conditions environnementales ;
3° restreindre la durée du permis d'environnement pour l'exploitation de l'installation ou activité classée, pour autant qu'elle ne soit plus compatible avec la destination spatiale. Dans ce cas, la durée restante du permis d'environnement ne sera pas inférieure à sept ans.
§ 3. L'actualisation du permis d'environnement, visé dans le présent article, se déroule conformément aux dispositions des sections 4 et 5.
Wijzigingen
Afdeling 3. - Bijstelling van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden
Section 3. - Actualisation du permis d'environnement pour le lotissement de sols
Art.84. Een niet-vervallen omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden kan worden bijgesteld ingevolge de definitieve vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan op voorwaarde dat dit bij de voorlopige en de definitieve vaststelling van het plan uitdrukkelijk aangegeven is, ten minste op het grafische plan.
In het geval, vermeld in het eerste lid, kan het bestuursorgaan dat met toepassing van titel II, hoofdstuk II, van de VCRO bevoegd is voor de planopmaak, de schorsing gelasten van de verkoop of van de verhuring voor meer dan negen jaar en van de vestiging van een erfpacht of opstalrecht op het geheel of een gedeelte van de verkaveling.
Afdeling 4 en 5 zijn niet van toepassing op dit artikel.
In het geval, vermeld in het eerste lid, kan het bestuursorgaan dat met toepassing van titel II, hoofdstuk II, van de VCRO bevoegd is voor de planopmaak, de schorsing gelasten van de verkoop of van de verhuring voor meer dan negen jaar en van de vestiging van een erfpacht of opstalrecht op het geheel of een gedeelte van de verkaveling.
Afdeling 4 en 5 zijn niet van toepassing op dit artikel.
Art.84. Un permis d'environnement non échu pour le lotissement de sols peut être actualisé à la suite de la fixation définitive d'un plan d'exécution spatial à condition que cette actualisation soit explicitement indiquée dans la fixation provisoire et définitive du plan, et ce au moins dans le plan graphique.
Dans le cas visé à l'alinéa premier, l'organe d'administration qui, en application du titre II, chapitre II, du VCRO, est compétent pour l'établissement du plan, peut ordonner la suspension de la vente ou de la location pour plus de neuf ans et de la constitution d'emphytéose ou de superficie de tout ou partie du lotissement.
Les sections 4 et 5 ne s'appliquent pas au présent article.
Dans le cas visé à l'alinéa premier, l'organe d'administration qui, en application du titre II, chapitre II, du VCRO, est compétent pour l'établissement du plan, peut ordonner la suspension de la vente ou de la location pour plus de neuf ans et de la constitution d'emphytéose ou de superficie de tout ou partie du lotissement.
Les sections 4 et 5 ne s'appliquent pas au présent article.
Art.85. § 1. Op initiatief van het college van burgemeester en schepenen kan een niet-vervallen omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden voor wat het niet-vervallen gedeelte betreft, worden bijgesteld na verloop van vijftien jaar na de afgifte van deze omgevingsvergunning in laatste administratieve aanleg.
[1 Het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in dit artikel, verloopt overeenkomstig de bepalingen van de gewone vergunningsprocedure, met dien verstande dat de vergunningsaanvraag of de aanvraag gelezen moet worden als de aanvraag of het verzoek tot bijstelling en de aanvrager als aanvrager of verzoeker van de bijstelling.
De gemeente brengt voor de start van het openbaar onderzoek alle eigenaars van een kavel met een gewone brief of beveiligde zending op de hoogte van het openbaar onderzoek en van de bepalingen van paragraaf 2.
De gemeente brengt eveneens alle eigenaars van buiten de verkaveling gelegen percelen die palen aan de kavels die het voorwerp uitmaken van de bijstelling, voor de start van het openbaar onderzoek met een gewone brief of beveiligde zending op de hoogte van het openbaar onderzoek.]1
§ 2. De bevoegde overheid weigert de bijstelling als de eigenaars van meer dan één vierde van de in de omgevingsvergunning waarvoor bijstelling wordt gevraagd, toegestane kavels een ontvankelijk, gegrond en op ruimtelijke motieven gebaseerd schriftelijk of digitaal bezwaar hebben ingediend tijdens het openbaar onderzoek.
Dit bezwaar geeft duidelijk aan dat het bezwaar afkomstig is van een eigenaar van een of meer in de omgevingsvergunning waarvoor bijstelling wordt gevraagd, toegestane kavels, zoniet houdt de bevoegde overheid geen rekening met dit bezwaar voor de berekening, vermeld in het eerste lid.
De bevoegde overheid die zich uitspreekt over de bijstelling, kan de schorsing gelasten van de verkoop of van de verhuring voor meer dan negen jaar en van de vestiging van een erfpacht of opstalrecht op het geheel of een gedeelte van de verkaveling.
§ 3. [1 ...]1
[1 Het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in dit artikel, verloopt overeenkomstig de bepalingen van de gewone vergunningsprocedure, met dien verstande dat de vergunningsaanvraag of de aanvraag gelezen moet worden als de aanvraag of het verzoek tot bijstelling en de aanvrager als aanvrager of verzoeker van de bijstelling.
De gemeente brengt voor de start van het openbaar onderzoek alle eigenaars van een kavel met een gewone brief of beveiligde zending op de hoogte van het openbaar onderzoek en van de bepalingen van paragraaf 2.
De gemeente brengt eveneens alle eigenaars van buiten de verkaveling gelegen percelen die palen aan de kavels die het voorwerp uitmaken van de bijstelling, voor de start van het openbaar onderzoek met een gewone brief of beveiligde zending op de hoogte van het openbaar onderzoek.]1
§ 2. De bevoegde overheid weigert de bijstelling als de eigenaars van meer dan één vierde van de in de omgevingsvergunning waarvoor bijstelling wordt gevraagd, toegestane kavels een ontvankelijk, gegrond en op ruimtelijke motieven gebaseerd schriftelijk of digitaal bezwaar hebben ingediend tijdens het openbaar onderzoek.
Dit bezwaar geeft duidelijk aan dat het bezwaar afkomstig is van een eigenaar van een of meer in de omgevingsvergunning waarvoor bijstelling wordt gevraagd, toegestane kavels, zoniet houdt de bevoegde overheid geen rekening met dit bezwaar voor de berekening, vermeld in het eerste lid.
De bevoegde overheid die zich uitspreekt over de bijstelling, kan de schorsing gelasten van de verkoop of van de verhuring voor meer dan negen jaar en van de vestiging van een erfpacht of opstalrecht op het geheel of een gedeelte van de verkaveling.
§ 3. [1 ...]1
Art.85. § 1er. A l'initiative du collège des bourgmestre et échevins, un permis d'environnement non échu pour le lotissement de sols peut, pour ce qui concerne la partie non échue, être actualisé au bout de quinze ans après la délivrance de ce permis d'environnement en dernière instance administrative.
[1 L'actualisation du permis d'environnement visée dans cet article est effectuée conformément aux dispositions de la procédure normale d'autorisation, étant entendu que la demande d'autorisation ou demande doit se lire comme la demande ou la requête en actualisation et que le demandeur doit se lire comme le demandeur ou requérant de l'actualisation.
Avant le début de l'enquête publique, la commune informe tous les propriétaires de lots par lettre ordinaire ou par envoi sécurisé de l'enquête publique et des dispositions du paragraphe 2.
Avant le début de l'enquête publique, la commune informe également, par lettre ordinaire ou par envoi sécurisé, tous les propriétaires de parcelles situées en dehors du lotissement qui jouxtent les lots faisant l'objet de l'actualisation, de l'enquête publique.]1
§ 2. L'autorité compétente refuse l'actualisation lorsqu'une objection recevable, justifiée et fondée sur des motifs spatiaux a été introduite par écrit ou par voie électronique par les propriétaires de plus d'un quart des lots autorisés dans le permis d'environnement dont une actualisation est demandée.
Cette objection indique clairement que l'objection provient d'un propriétaire d'un ou plusieurs lots autorisés dans le permis d'environnement dont une actualisation est demandée, à défaut de quoi l'autorité compétente ne tient pas compte de cette objection pour le calcul visé à l'alinéa premier.
L'autorité compétente qui se prononce sur l'actualisation peut ordonner la suspension de la vente ou de la location pour plus de neuf ans et de la constitution d'emphytéose ou de superficie de tout ou partie du lotissement.
§ 3. [1 ...]1
[1 L'actualisation du permis d'environnement visée dans cet article est effectuée conformément aux dispositions de la procédure normale d'autorisation, étant entendu que la demande d'autorisation ou demande doit se lire comme la demande ou la requête en actualisation et que le demandeur doit se lire comme le demandeur ou requérant de l'actualisation.
Avant le début de l'enquête publique, la commune informe tous les propriétaires de lots par lettre ordinaire ou par envoi sécurisé de l'enquête publique et des dispositions du paragraphe 2.
Avant le début de l'enquête publique, la commune informe également, par lettre ordinaire ou par envoi sécurisé, tous les propriétaires de parcelles situées en dehors du lotissement qui jouxtent les lots faisant l'objet de l'actualisation, de l'enquête publique.]1
§ 2. L'autorité compétente refuse l'actualisation lorsqu'une objection recevable, justifiée et fondée sur des motifs spatiaux a été introduite par écrit ou par voie électronique par les propriétaires de plus d'un quart des lots autorisés dans le permis d'environnement dont une actualisation est demandée.
Cette objection indique clairement que l'objection provient d'un propriétaire d'un ou plusieurs lots autorisés dans le permis d'environnement dont une actualisation est demandée, à défaut de quoi l'autorité compétente ne tient pas compte de cette objection pour le calcul visé à l'alinéa premier.
L'autorité compétente qui se prononce sur l'actualisation peut ordonner la suspension de la vente ou de la location pour plus de neuf ans et de la constitution d'emphytéose ou de superficie de tout ou partie du lotissement.
§ 3. [1 ...]1
Wijzigingen
Art.86. § 1. De eigenaar van een kavel die begrepen is in een niet-vervallen omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, kan gemotiveerd om een bijstelling van deze omgevingsvergunning verzoeken voor het deel dat hij in eigendom heeft.
[1 De aanvraag doorloopt dezelfde procedure als een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, met dien verstande dat de vergunningsaanvraag of de aanvraag gelezen moet worden als de aanvraag of het verzoek tot bijstelling en de aanvrager als aanvrager of verzoeker van de bijstelling.
De gemeente brengt alle eigenaars van een kavel die geen aanvrager zijn op de hoogte van de bepalingen van paragraaf 2, en, in voorkomend geval, van het openbaar onderzoek:
1° als een openbaar onderzoek vereist is, voor de start ervan;
2° als er geen openbaar onderzoek vereist is, binnen tien dagen na de dag waarop de gemeente het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek aan de aanvrager heeft verstuurd.
In het geval een openbaar onderzoek vereist is, brengt de gemeente de eigenaars van percelen die buiten de verkaveling liggen maar die palen aan de kavels die het voorwerp uitmaken van de bijstelling, op de hoogte van het openbaar onderzoek voor de start ervan.
De mededeling, vermeld in het derde en vierde lid, wordt op volgende wijze gedaan:
1° met een beveiligde zending voor de eigenaars van aanpalende percelen;
2° met een gewone brief of beveiligde zending in de andere gevallen.]1
§ 2. De bevoegde overheid weigert de bijstelling als de eigenaars van meer dan de helft van de in de omgevingsvergunning waarvoor bijstelling wordt gevraagd, toegestane kavels een ontvankelijk, gegrond en op ruimtelijke motieven gebaseerd schriftelijk of digitaal bezwaar hebben ingediend [1 ...]1. [1 Dat bezwaar moet worden ingediend:
1° als een openbaar onderzoek vereist is, tijdens het openbaar onderzoek;
2° als er geen openbaar onderzoek vereist is, binnen een vervaltermijn van dertig dagen die ingaat de dag na de datum van de verzending van de mededeling, vermeld in paragraaf 1, derde lid.]1
Dit bezwaar geeft duidelijk aan dat het bezwaar afkomstig is van een eigenaar van een of meer in de omgevingsvergunning waarvoor bijstelling wordt gevraagd, toegestane kavels, zoniet houdt de bevoegde overheid geen rekening met dit bezwaar voor de berekening, vermeld in het eerste lid.
§ 3. [1 ...]1
[1 De aanvraag doorloopt dezelfde procedure als een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, met dien verstande dat de vergunningsaanvraag of de aanvraag gelezen moet worden als de aanvraag of het verzoek tot bijstelling en de aanvrager als aanvrager of verzoeker van de bijstelling.
De gemeente brengt alle eigenaars van een kavel die geen aanvrager zijn op de hoogte van de bepalingen van paragraaf 2, en, in voorkomend geval, van het openbaar onderzoek:
1° als een openbaar onderzoek vereist is, voor de start ervan;
2° als er geen openbaar onderzoek vereist is, binnen tien dagen na de dag waarop de gemeente het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek aan de aanvrager heeft verstuurd.
In het geval een openbaar onderzoek vereist is, brengt de gemeente de eigenaars van percelen die buiten de verkaveling liggen maar die palen aan de kavels die het voorwerp uitmaken van de bijstelling, op de hoogte van het openbaar onderzoek voor de start ervan.
De mededeling, vermeld in het derde en vierde lid, wordt op volgende wijze gedaan:
1° met een beveiligde zending voor de eigenaars van aanpalende percelen;
2° met een gewone brief of beveiligde zending in de andere gevallen.]1
§ 2. De bevoegde overheid weigert de bijstelling als de eigenaars van meer dan de helft van de in de omgevingsvergunning waarvoor bijstelling wordt gevraagd, toegestane kavels een ontvankelijk, gegrond en op ruimtelijke motieven gebaseerd schriftelijk of digitaal bezwaar hebben ingediend [1 ...]1. [1 Dat bezwaar moet worden ingediend:
1° als een openbaar onderzoek vereist is, tijdens het openbaar onderzoek;
2° als er geen openbaar onderzoek vereist is, binnen een vervaltermijn van dertig dagen die ingaat de dag na de datum van de verzending van de mededeling, vermeld in paragraaf 1, derde lid.]1
Dit bezwaar geeft duidelijk aan dat het bezwaar afkomstig is van een eigenaar van een of meer in de omgevingsvergunning waarvoor bijstelling wordt gevraagd, toegestane kavels, zoniet houdt de bevoegde overheid geen rekening met dit bezwaar voor de berekening, vermeld in het eerste lid.
§ 3. [1 ...]1
Art.86. § 1er. Le propriétaire d'un lot qui est inclus dans un permis d'environnement non échu pour le lotissement de sols peut introduire une requête motivée pour l'actualisation de ce permis d'environnement pour la partie qu'il a en propriété.
[1 La demande suit la même procédure qu'une demande de permis d'environnement pour le lotissement de terrains, étant entendu que la demande d'autorisation ou demande doit se lire comme la demande ou la requête en actualisation et que le demandeur doit se lire comme le demandeur ou requérant de l'actualisation.
La commune informe tous les propriétaires de lots qui ne sont pas demandeurs des dispositions du paragraphe 2, et, le cas échéant, de l'enquête publique :
1° si une enquête publique est requise, avant le début de celle-ci ;
2° si aucune enquête publique n'est requise, dans un délai de dix jours à compter du jour où la commune a communiqué au demandeur le résultat de l'examen de recevabilité et de complétude.
Dans le cas où une enquête publique est requise, la commune informe également, par lettre ordinaire ou par envoi sécurisé, tous les propriétaires de parcelles situées en dehors du lotissement mais qui jouxtent les lots faisant l'objet de l'actualisation, de l'enquête publique.
La notification mentionnée aux alinéas 3 et 4 s'effectue de la manière suivante :
1° par envoi sécurisé en ce qui concerne les propriétaires de parcelles adjacentes ;
2° par envoi ordinaire ou par envoi sécurisé dans les autres cas.]1
§ 2. L'autorité compétente refuse l'actualisation lorsqu'une objection recevable, justifiée et fondée sur des motifs spatiaux a été introduite par écrit ou par voie électronique par les propriétaires de plus de la moitié des lots autorisés dans le permis d'environnement dont une actualisation est demandée. [1 Cette objection doit être introduite :
1° si une enquête publique est requise, pendant l'enquête publique ;
2° si aucune enquête publique n'est requise, dans un délai de trente jours à compter du jour suivant la date d'envoi de la notification visée au paragraphe 1er, alinéa 3.]1
Cette objection indique clairement que l'objection provient d'un propriétaire d'un ou plusieurs lots autorisés dans le permis d'environnement dont une actualisation est demandée, à défaut de quoi l'autorité compétente ne tient pas compte de cette objection pour le calcul visé à l'alinéa premier.
§ 3. [1 ...]1
[1 La demande suit la même procédure qu'une demande de permis d'environnement pour le lotissement de terrains, étant entendu que la demande d'autorisation ou demande doit se lire comme la demande ou la requête en actualisation et que le demandeur doit se lire comme le demandeur ou requérant de l'actualisation.
La commune informe tous les propriétaires de lots qui ne sont pas demandeurs des dispositions du paragraphe 2, et, le cas échéant, de l'enquête publique :
1° si une enquête publique est requise, avant le début de celle-ci ;
2° si aucune enquête publique n'est requise, dans un délai de dix jours à compter du jour où la commune a communiqué au demandeur le résultat de l'examen de recevabilité et de complétude.
Dans le cas où une enquête publique est requise, la commune informe également, par lettre ordinaire ou par envoi sécurisé, tous les propriétaires de parcelles situées en dehors du lotissement mais qui jouxtent les lots faisant l'objet de l'actualisation, de l'enquête publique.
La notification mentionnée aux alinéas 3 et 4 s'effectue de la manière suivante :
1° par envoi sécurisé en ce qui concerne les propriétaires de parcelles adjacentes ;
2° par envoi ordinaire ou par envoi sécurisé dans les autres cas.]1
§ 2. L'autorité compétente refuse l'actualisation lorsqu'une objection recevable, justifiée et fondée sur des motifs spatiaux a été introduite par écrit ou par voie électronique par les propriétaires de plus de la moitié des lots autorisés dans le permis d'environnement dont une actualisation est demandée. [1 Cette objection doit être introduite :
1° si une enquête publique est requise, pendant l'enquête publique ;
2° si aucune enquête publique n'est requise, dans un délai de trente jours à compter du jour suivant la date d'envoi de la notification visée au paragraphe 1er, alinéa 3.]1
Cette objection indique clairement que l'objection provient d'un propriétaire d'un ou plusieurs lots autorisés dans le permis d'environnement dont une actualisation est demandée, à défaut de quoi l'autorité compétente ne tient pas compte de cette objection pour le calcul visé à l'alinéa premier.
§ 3. [1 ...]1
Wijzigingen
Afdeling 4. - Procedure voor het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in afdeling 1 en 2, in eerste administratieve aanleg
Section 4. - Procédure d'actualisation du permis d'environnement, visée aux sections 1re et 2, en première instance administrative
Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek
Sous-section 1re. - Examen de recevabilité et de complétude
Art.87. § 1. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, [1 of de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar]1 onderzoekt de ontvankelijkheid en volledigheid van het verzoek tot bijstelling van de omgevingsvergunning.
Voor elk ambtshalve initiatief en elk verzoek tot bijstelling, vermeld in artikel 83, § 1, 1°, respectievelijk 83, § 1, 2°, b), dat niet de individuele toepassing van een door de Vlaamse Regering ter bescherming van de mens en het milieu goedgekeurd programma of plan als voorwerp heeft, evenals voor elk verzoek, vermeld in artikel 83, § 1, 2°, a), wordt door de omgevingsvergunningscommissie onderzocht of de aangevoerde motieven tot bijstelling kennelijk ongegrond zijn. Als de omgevingsvergunningscommissie bij haar onderzoek vaststelt dat het ambtshalve initiatief of het verzoek tot bijstelling uitsluitend gebaseerd is op motieven die kennelijk ongegrond zijn, wordt de procedure tot bijstelling definitief stopgezet.
[2 Een ambtshalve initiatief of een verzoek tot bijstelling van de omgevingsvergunning van een veehouderij wordt beschouwd als kennelijk ongegrond als vermeld in het tweede lid als de motieven tot bijstelling uitsluitend betrekking hebben op een aanpassing van de efficiëntie van een ammoniakemissiereducerende techniek. In dat geval wordt de exploitant geacht te hebben voldaan aan zijn verplichtingen terzake.
Voor de toepassing van het derde lid wordt verstaan onder:
1° een aanpassing van de efficiëntie van een ammoniakemissiereducerende techniek: het feit dat in de omgevingsvergunning voor de veehouderij in kwestie een ammoniakemissiereducerende techniek opgenomen is waarvoor in de omgevingsvergunning een bepaald ammoniakemissiereducerend vermogen vermeld werd, en waaraan, na de opname in de omgevingsvergunning, bij een decreet, een besluit van de Vlaamse Regering of een ministerieel besluit een lager ammoniakemissiereducerend vermogen werd toegekend;
2° een veehouderij: een vergunningsplichtige IIOA als vermeld in rubriek 9 van de indelingslijst van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM, voor zover er dieren worden gehouden die behoren tot een diersoort die opgenomen is in de lijst, vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006.]2
§ 2. Het resultaat van het onderzoek, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, en indien van toepassing, het resultaat van het onderzoek, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, wordt bij beveiligde zending aan de verzoeker of aan het bestuursorgaan dat het ambtshalve initiatief heeft genomen, meegedeeld binnen een termijn van vijftig dagen vanaf de dag na de datum waarop het verzoek is ingediend.
De exploitant van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt op dezelfde dag van de mededeling waarvan sprake in het eerste lid, op de hoogte gebracht van elk verzoek tot bijstelling dat hij niet zelf heeft ingediend evenals van elk initiatief tot ambtshalve bijstelling, voor zover ze niet onontvankelijk, onvolledig of indien van toepassing kennelijk ongegrond werden bevonden.
§ 3. Als het verzoek tot bijstelling van de omgevingsvergunning niet bij de bevoegde overheid werd ingediend, is artikel 22 van overeenkomstige toepassing.
Voor elk ambtshalve initiatief en elk verzoek tot bijstelling, vermeld in artikel 83, § 1, 1°, respectievelijk 83, § 1, 2°, b), dat niet de individuele toepassing van een door de Vlaamse Regering ter bescherming van de mens en het milieu goedgekeurd programma of plan als voorwerp heeft, evenals voor elk verzoek, vermeld in artikel 83, § 1, 2°, a), wordt door de omgevingsvergunningscommissie onderzocht of de aangevoerde motieven tot bijstelling kennelijk ongegrond zijn. Als de omgevingsvergunningscommissie bij haar onderzoek vaststelt dat het ambtshalve initiatief of het verzoek tot bijstelling uitsluitend gebaseerd is op motieven die kennelijk ongegrond zijn, wordt de procedure tot bijstelling definitief stopgezet.
[2 Een ambtshalve initiatief of een verzoek tot bijstelling van de omgevingsvergunning van een veehouderij wordt beschouwd als kennelijk ongegrond als vermeld in het tweede lid als de motieven tot bijstelling uitsluitend betrekking hebben op een aanpassing van de efficiëntie van een ammoniakemissiereducerende techniek. In dat geval wordt de exploitant geacht te hebben voldaan aan zijn verplichtingen terzake.
Voor de toepassing van het derde lid wordt verstaan onder:
1° een aanpassing van de efficiëntie van een ammoniakemissiereducerende techniek: het feit dat in de omgevingsvergunning voor de veehouderij in kwestie een ammoniakemissiereducerende techniek opgenomen is waarvoor in de omgevingsvergunning een bepaald ammoniakemissiereducerend vermogen vermeld werd, en waaraan, na de opname in de omgevingsvergunning, bij een decreet, een besluit van de Vlaamse Regering of een ministerieel besluit een lager ammoniakemissiereducerend vermogen werd toegekend;
2° een veehouderij: een vergunningsplichtige IIOA als vermeld in rubriek 9 van de indelingslijst van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM, voor zover er dieren worden gehouden die behoren tot een diersoort die opgenomen is in de lijst, vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006.]2
§ 2. Het resultaat van het onderzoek, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, en indien van toepassing, het resultaat van het onderzoek, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, wordt bij beveiligde zending aan de verzoeker of aan het bestuursorgaan dat het ambtshalve initiatief heeft genomen, meegedeeld binnen een termijn van vijftig dagen vanaf de dag na de datum waarop het verzoek is ingediend.
De exploitant van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt op dezelfde dag van de mededeling waarvan sprake in het eerste lid, op de hoogte gebracht van elk verzoek tot bijstelling dat hij niet zelf heeft ingediend evenals van elk initiatief tot ambtshalve bijstelling, voor zover ze niet onontvankelijk, onvolledig of indien van toepassing kennelijk ongegrond werden bevonden.
§ 3. Als het verzoek tot bijstelling van de omgevingsvergunning niet bij de bevoegde overheid werd ingediend, is artikel 22 van overeenkomstige toepassing.
Art.87. § 1er. L'autorité compétente, visée à l'article 15, [1 ou le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional]1 examine la recevabilité et la complétude de la demande d'actualisation du permis d'environnement.
Pour toute initiative d'office, visée à l'article 83, § 1er, 1°, et toute demande d'actualisation, visée à l'article 83, § 1er, 2°, b), qui n'a pas pour objet l'application individuelle d'un programme ou plan de protection de l'homme et de l'environnement approuvé par le Gouvernement flamand, ainsi que pour toute requête, visée à l'article 83, § 1er, 2°, a), la commission du permis d'environnement examine si les motifs invoqués pour l'actualisation sont manifestement non fondés. Si, lors de son examen, la commission du permis d'environnement constate que l'initiative d'office ou la requête en actualisation est exclusivement basée sur des motifs manifestement infondés, il est définitivement mis fin à la procédure d'actualisation.
[2 Une initiative prise d'office ou une demande d'actualisation du permis d'environnement d'une exploitation d'élevage est considérée comme manifestement infondée au sens de l'alinéa 2 si les motifs de l'actualisation concernent exclusivement une adaptation de l'efficacité d'une technique de réduction des émissions d'ammoniac. Le cas échéant, l'exploitant est réputé avoir satisfait à ses obligations en la matière.
Pour l'application de l'alinéa 3, il convient d'entendre par :
1° le fait que le permis d'environnement pour l'exploitation d'élevage en question inclut une technique de réduction des émissions d'ammoniac pour laquelle une certaine capacité de réduction des émissions d'ammoniac a été mentionnée dans le permis d'environnement et à laquelle, après inclusion dans le permis d'environnement, une capacité de réduction des émissions d'ammoniac inférieure a été accordée par décret, arrêté du Gouvernement flamand ou décision ministérielle ;
2° exploitation d'élevage : une IIOA soumise à autorisation telle que mentionnée à la section 9 de la liste de classification de l'annexe 1re du titre II du VLAREM, pour autant que des animaux appartenant à une espèce animale reprise dans la liste mentionnée à l'article 27, § 1er, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 y soient détenus. ]2
§ 2. Le résultat de l'examen, visé au paragraphe 1er, alinéa premier, et, si d'application, le résultat de l'examen, visé au paragraphe 1er, alinéa deux, est communiqué par envoi sécurisé au requérant ou à l'organe d'administration qui a pris l'initiative d'office, dans un délai de cinquante jours à compter du premier jour après la date à laquelle la requête a été introduite.
L'exploitant de l'installation ou activité classée est, le même jour que la communication mentionnée à l'alinéa premier, informé de toute requête en actualisation qu'il n'a pas lui-même introduite, ainsi que de toute initiative d'office en actualisation, pour autant qu'elles n'aient pas été jugées irrecevables, incomplètes ou, le cas échéant, infondées.
§ 3. Si la requête en actualisation du permis d'environnement n'a pas été introduite auprès de l'autorité compétente, l'article 22 s'applique de façon conforme.
Pour toute initiative d'office, visée à l'article 83, § 1er, 1°, et toute demande d'actualisation, visée à l'article 83, § 1er, 2°, b), qui n'a pas pour objet l'application individuelle d'un programme ou plan de protection de l'homme et de l'environnement approuvé par le Gouvernement flamand, ainsi que pour toute requête, visée à l'article 83, § 1er, 2°, a), la commission du permis d'environnement examine si les motifs invoqués pour l'actualisation sont manifestement non fondés. Si, lors de son examen, la commission du permis d'environnement constate que l'initiative d'office ou la requête en actualisation est exclusivement basée sur des motifs manifestement infondés, il est définitivement mis fin à la procédure d'actualisation.
[2 Une initiative prise d'office ou une demande d'actualisation du permis d'environnement d'une exploitation d'élevage est considérée comme manifestement infondée au sens de l'alinéa 2 si les motifs de l'actualisation concernent exclusivement une adaptation de l'efficacité d'une technique de réduction des émissions d'ammoniac. Le cas échéant, l'exploitant est réputé avoir satisfait à ses obligations en la matière.
Pour l'application de l'alinéa 3, il convient d'entendre par :
1° le fait que le permis d'environnement pour l'exploitation d'élevage en question inclut une technique de réduction des émissions d'ammoniac pour laquelle une certaine capacité de réduction des émissions d'ammoniac a été mentionnée dans le permis d'environnement et à laquelle, après inclusion dans le permis d'environnement, une capacité de réduction des émissions d'ammoniac inférieure a été accordée par décret, arrêté du Gouvernement flamand ou décision ministérielle ;
2° exploitation d'élevage : une IIOA soumise à autorisation telle que mentionnée à la section 9 de la liste de classification de l'annexe 1re du titre II du VLAREM, pour autant que des animaux appartenant à une espèce animale reprise dans la liste mentionnée à l'article 27, § 1er, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 y soient détenus. ]2
§ 2. Le résultat de l'examen, visé au paragraphe 1er, alinéa premier, et, si d'application, le résultat de l'examen, visé au paragraphe 1er, alinéa deux, est communiqué par envoi sécurisé au requérant ou à l'organe d'administration qui a pris l'initiative d'office, dans un délai de cinquante jours à compter du premier jour après la date à laquelle la requête a été introduite.
L'exploitant de l'installation ou activité classée est, le même jour que la communication mentionnée à l'alinéa premier, informé de toute requête en actualisation qu'il n'a pas lui-même introduite, ainsi que de toute initiative d'office en actualisation, pour autant qu'elles n'aient pas été jugées irrecevables, incomplètes ou, le cas échéant, infondées.
§ 3. Si la requête en actualisation du permis d'environnement n'a pas été introduite auprès de l'autorité compétente, l'article 22 s'applique de façon conforme.
Onderafdeling 2. - Onderzoek van het verzoek en het initiatief tot ambtshalve bijstelling van de omgevingsvergunning
Sous-section 2. - Examen de la requête et l'initiative d'office en actualisation du permis d'environnement
Art.88. Het onderzoek van het verzoek en het initiatief tot ambtshalve bijstelling van de omgevingsvergunning gebeurt overeenkomstig de bepalingen van artikel 23 tot en met 27 en 29.
In afwijking van artikel 23 wordt voor een bijstelling van een project dat uitsluitend een tijdelijke inrichting omvat, geen openbaar onderzoek georganiseerd.
De omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, verleent een advies over:
1° de bijstelling van de in de omgevingsvergunning opgelegde milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 82, in de gevallen die de Vlaamse Regering bepaalt;
2° de bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning, vermeld in artikel 83.
De exploitant is verplicht aan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, en de adviesinstanties die erom vragen, alle beschikbare gegevens en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling.
In afwijking van artikel 23 wordt voor een bijstelling van een project dat uitsluitend een tijdelijke inrichting omvat, geen openbaar onderzoek georganiseerd.
De omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, verleent een advies over:
1° de bijstelling van de in de omgevingsvergunning opgelegde milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 82, in de gevallen die de Vlaamse Regering bepaalt;
2° de bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning, vermeld in artikel 83.
De exploitant is verplicht aan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, en de adviesinstanties die erom vragen, alle beschikbare gegevens en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling.
Art.88. L'examen de la requête et l'initiative d'office en actualisation du permis d'environnement s'effectue conformément aux dispositions des articles 23 à 27 inclus et 29.
En dérogation de l'article 23, aucune enquête publique n'est organisée pour l'actualisation d'un projet qui porte exclusivement sur une installation temporaire.
La commission du permis d'environnement, visée à l'article 16, § 1er, formule un avis sur :
1° l'actualisation des conditions environnementales imposées dans le permis d'environnement, visée à l'article 82, dans les cas prévus par le Gouvernement flamand ;
2° l'actualisation de l'objet et de la durée du permis d'environnement, visée à l'article 83.
L'exploitant est tenu de fournir, à l'autorité compétente, visée à l'article 15, et aux instances d'avis qui en font la demande, toutes les données et informations disponibles qui sont indispensables pour l'évaluation de la requête ou initiative d'office en actualisation.
En dérogation de l'article 23, aucune enquête publique n'est organisée pour l'actualisation d'un projet qui porte exclusivement sur une installation temporaire.
La commission du permis d'environnement, visée à l'article 16, § 1er, formule un avis sur :
1° l'actualisation des conditions environnementales imposées dans le permis d'environnement, visée à l'article 82, dans les cas prévus par le Gouvernement flamand ;
2° l'actualisation de l'objet et de la durée du permis d'environnement, visée à l'article 83.
L'exploitant est tenu de fournir, à l'autorité compétente, visée à l'article 15, et aux instances d'avis qui en font la demande, toutes les données et informations disponibles qui sont indispensables pour l'évaluation de la requête ou initiative d'office en actualisation.
Onderafdeling 3. - Beslissing over het verzoek en het initiatief tot ambtshalve bijstelling van de omgevingsvergunning
Sous-section 3. - Décision sur la requête et l'initiative d'office en actualisation du permis d'environnement
Art.89. § 1. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, neemt een beslissing over het verzoek of het initiatief tot ambtshalve bijstelling van de omgevingsvergunning binnen een termijn van:
1° honderdenvijf dagen als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
2° honderdtwintig dagen als een advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is.
§ 2. De termijnen, vermeld in paragraaf 1, worden van rechtswege eenmalig met zestig dagen verlengd in het geval toepassing wordt gemaakt van de administratieve lus, vermeld in artikel 13.
De mededeling van de termijnverlenging wordt aan de aanvrager verzonden vóór de einddatum van de normale beslissingstermijn.
§ 3. De termijnen, vermeld in paragraaf 1, gaan in:
1° in het geval van een verzoek of een ambtshalve initiatief tot bijstelling als vermeld in artikel 82 en 83 dat niet van de exploitant uitgaat, de dag na de datum dat de exploitant in toepassing van artikel 87, § 2, tweede lid, op de hoogte wordt gebracht van het ontvankelijk, volledig of in voorkomend geval niet kennelijk ongegrond bevonden verzoek of ambtshalve initiatief;
2° in het geval van een verzoek tot bijstelling als vermeld in artikel 82 van de vergunninghouder of de exploitant, de dag na de datum dat hij op de hoogte wordt gebracht dat zijn verzoek ontvankelijk en volledig wordt verklaard of, bij ontstentenis van een beslissing daarover, de vijftigste dag na de datum waarop het verzoek tot bijstelling is ingediend.
§ 4. Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn, wordt het verzoek of het initiatief tot ambtshalve bijstelling van de omgevingsvergunning geacht te zijn afgewezen.
1° honderdenvijf dagen als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
2° honderdtwintig dagen als een advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is.
§ 2. De termijnen, vermeld in paragraaf 1, worden van rechtswege eenmalig met zestig dagen verlengd in het geval toepassing wordt gemaakt van de administratieve lus, vermeld in artikel 13.
De mededeling van de termijnverlenging wordt aan de aanvrager verzonden vóór de einddatum van de normale beslissingstermijn.
§ 3. De termijnen, vermeld in paragraaf 1, gaan in:
1° in het geval van een verzoek of een ambtshalve initiatief tot bijstelling als vermeld in artikel 82 en 83 dat niet van de exploitant uitgaat, de dag na de datum dat de exploitant in toepassing van artikel 87, § 2, tweede lid, op de hoogte wordt gebracht van het ontvankelijk, volledig of in voorkomend geval niet kennelijk ongegrond bevonden verzoek of ambtshalve initiatief;
2° in het geval van een verzoek tot bijstelling als vermeld in artikel 82 van de vergunninghouder of de exploitant, de dag na de datum dat hij op de hoogte wordt gebracht dat zijn verzoek ontvankelijk en volledig wordt verklaard of, bij ontstentenis van een beslissing daarover, de vijftigste dag na de datum waarop het verzoek tot bijstelling is ingediend.
§ 4. Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn, wordt het verzoek of het initiatief tot ambtshalve bijstelling van de omgevingsvergunning geacht te zijn afgewezen.
Art.89. § 1er. L'autorité compétente, visée à l'article 15, prend une décision sur la requête ou l'initiative d'actualisation d'office du permis d'environnement dans un délai de :
1° cent cinq jours si l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis ;
2° cent vingt jours si l'avis d'une commission du permis d'environnement est requis.
§ 2. Les délais, visés au paragraphe 1er, sont prolongés de plein droit une seule fois de soixante jours dans le cas où il est fait application de la boucle administrative, visée à l'article 13.
La notification du prolongement du délai est envoyée au demandeur avant la date de fin du délai de décision normal.
§ 3. Les délais, visés au paragraphe 1er, prennent cours :
1° dans le cas d'une requête ou initiative d'office en actualisation telle que visée aux articles 82 et 83 qui n'émane pas de l'exploitant, le premier jour suivant la date où l'exploitant a, en application de l'article 87, § 2, alinéa deux, été informé de la requête ou initiative d'office jugée recevable, complète ou, le cas échéant, non manifestement infondée ;
2° dans le cas d'une requête ou initiative d'office en actualisation telle que visée à l'article 82 qui émane du titulaire du permis ou de l'exploitant, le premier jour après la date où il a été informé que sa requête est déclarée recevable et complète ou, à défaut de décision à cet égard, le cinquantième jour suivant la date à laquelle la requête en actualisation a été introduite.
§ 4. Si aucune décision n'est prise dans le délai fixé ou, le cas échéant, prolongé, la requête ou l'initiative d'actualisation d'office du permis d'environnement est réputée rejetée.
1° cent cinq jours si l'avis d'une commission du permis d'environnement n'est pas requis ;
2° cent vingt jours si l'avis d'une commission du permis d'environnement est requis.
§ 2. Les délais, visés au paragraphe 1er, sont prolongés de plein droit une seule fois de soixante jours dans le cas où il est fait application de la boucle administrative, visée à l'article 13.
La notification du prolongement du délai est envoyée au demandeur avant la date de fin du délai de décision normal.
§ 3. Les délais, visés au paragraphe 1er, prennent cours :
1° dans le cas d'une requête ou initiative d'office en actualisation telle que visée aux articles 82 et 83 qui n'émane pas de l'exploitant, le premier jour suivant la date où l'exploitant a, en application de l'article 87, § 2, alinéa deux, été informé de la requête ou initiative d'office jugée recevable, complète ou, le cas échéant, non manifestement infondée ;
2° dans le cas d'une requête ou initiative d'office en actualisation telle que visée à l'article 82 qui émane du titulaire du permis ou de l'exploitant, le premier jour après la date où il a été informé que sa requête est déclarée recevable et complète ou, à défaut de décision à cet égard, le cinquantième jour suivant la date à laquelle la requête en actualisation a été introduite.
§ 4. Si aucune décision n'est prise dans le délai fixé ou, le cas échéant, prolongé, la requête ou l'initiative d'actualisation d'office du permis d'environnement est réputée rejetée.
Afdeling 5. - Procedure voor het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in afdeling 1 en 2, in laatste administratieve aanleg
Section 5. - Procédure d'actualisation du permis d'environnement, visée aux sections 1re et 2, en dernière instance administrative
Art.90. § 1. [1 Tegen de uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing over een verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van de omgevingsvergunning kan beroep worden ingesteld bij:
1° de deputatie als het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg de bevoegde overheid was;
2° de Vlaamse Regering als de deputatie in eerste administratieve aanleg de bevoegde overheid was.]1
Het beroep schorst de beslissing.
§ 2. De bepalingen van hoofdstuk 3 zijn van overeenkomstige toepassing op het instellen van, behandelen van en beslissen over het beroep.
Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn als vermeld in [1 artikel 66, § 2, 2°]1, wordt het beroep geacht te zijn afgewezen en wordt de bestreden beslissing als definitief aanzien.
[1 Artikel 64 en artikel 66, § 2/1, zijn niet van overeenkomstige toepassing.]1
1° de deputatie als het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg de bevoegde overheid was;
2° de Vlaamse Regering als de deputatie in eerste administratieve aanleg de bevoegde overheid was.]1
Het beroep schorst de beslissing.
§ 2. De bepalingen van hoofdstuk 3 zijn van overeenkomstige toepassing op het instellen van, behandelen van en beslissen over het beroep.
Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn als vermeld in [1 artikel 66, § 2, 2°]1, wordt het beroep geacht te zijn afgewezen en wordt de bestreden beslissing als definitief aanzien.
[1 Artikel 64 en artikel 66, § 2/1, zijn niet van overeenkomstige toepassing.]1
Art.90. § 1er. [1 Un recours peut être introduit contre la décision explicite ou tacite à propos d'une requête ou d'une initiative d'office en actualisation du permis d'environnement auprès :
1° de la députation si le collège des bourgmestre et échevins était l'autorité compétente en première instance administrative ;
2° du Gouvernement flamand si la députation était l'autorité compétente en première instance administrative.]1
Le recours suspend la décision.
§ 2. Les dispositions du chapitre 3 s'appliquent de façon conforme à l'introduction du recours, son traitement et la décision à cet égard.
Si aucune décision n'est prise dans le délai fixé ou, le cas échéant, prolongé, tel que visé à l'[1 article 66, § 2, 2°]1, le recours est réputé rejeté et la décision contestée est considérée comme définitive.
[1 L'article 64 et l'article 66, § 2/1, ne sont pas d'application correspondante.]1
1° de la députation si le collège des bourgmestre et échevins était l'autorité compétente en première instance administrative ;
2° du Gouvernement flamand si la députation était l'autorité compétente en première instance administrative.]1
Le recours suspend la décision.
§ 2. Les dispositions du chapitre 3 s'appliquent de façon conforme à l'introduction du recours, son traitement et la décision à cet égard.
Si aucune décision n'est prise dans le délai fixé ou, le cas échéant, prolongé, tel que visé à l'[1 article 66, § 2, 2°]1, le recours est réputé rejeté et la décision contestée est considérée comme définitive.
[1 L'article 64 et l'article 66, § 2/1, ne sont pas d'application correspondante.]1
Wijzigingen
Afdeling 6. - Delegatiebepaling
Section 6. - Disposition de délégation
Art.91. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de bijstelling van de omgevingsvergunning, vermeld in dit hoofdstuk.
Art.91. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités pour l'actualisation du permis d'environnement visée dans le présent chapitre.
HOOFDSTUK 7. - Schorsing of opheffing van de omgevingsvergunning
CHAPITRE 7. - Suspension ou retrait du permis d'environnement
Afdeling 1. - Schorsing of opheffing van de omgevingsvergunning voor wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit
Section 1re. - Suspension ou retrait du permis d'environnement en ce qui concerne l'exploitation d'une installation ou activité classée
Art.92. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, kan de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit volledig of gedeeltelijk schorsen of geheel of gedeeltelijk opheffen als de algemene, de sectorale of de bijzondere milieuvoorwaarden niet worden nageleefd.
De vergunninghouder of exploitant wordt per beveiligde zending in kennis gesteld van het initiatief om de omgevingsvergunning te schorsen of op te heffen. De vergunninghouder of exploitant wordt gehoord op zijn verzoek.
De vergunninghouder of exploitant wordt per beveiligde zending in kennis gesteld van het initiatief om de omgevingsvergunning te schorsen of op te heffen. De vergunninghouder of exploitant wordt gehoord op zijn verzoek.
Art.92. L'autorité compétente, visée à l'article 15, peut suspendre ou retirer en tout ou partie le permis d'environnement pour l'exploitation d'une installation ou activité classée si les conditions environnementales générales, sectorielles ou particulières ne sont pas respectées.
Le titulaire du permis ou l'exploitant est informé par envoi sécurisé de l'initiative de suspension ou de retrait du permis d'environnement. Le titulaire du permis ou l'exploitant est entendu à sa demande.
Le titulaire du permis ou l'exploitant est informé par envoi sécurisé de l'initiative de suspension ou de retrait du permis d'environnement. Le titulaire du permis ou l'exploitant est entendu à sa demande.
Art.93. Tenzij de beslissing tot schorsing of opheffing van de omgevingsvergunning door de Vlaamse Regering is genomen, kan de vergunninghouder of exploitant tegen deze beslissing beroep instellen bij de Vlaamse Regering.
Het beroep schorst de beslissing.
[1 De Vlaamse Regering neemt een beslissing over het ingestelde beroep binnen een termijn van honderdtwintig dagen die ingaat, ofwel vanaf de dag na de datum dat de vergunninghouder of de exploitant op de hoogte wordt gebracht dat zijn beroep ontvankelijk en volledig is, ofwel bij ontstentenis van een beslissing daarover, de dertigste dag na de datum waarop het beroep werd ingediend.
Als geen beslissing is genomen binnen de in het derde lid vastgestelde termijn wordt het beroep geacht te zijn ingewilligd en vervalt de bestreden beslissing.]1
Het beroep schorst de beslissing.
[1 De Vlaamse Regering neemt een beslissing over het ingestelde beroep binnen een termijn van honderdtwintig dagen die ingaat, ofwel vanaf de dag na de datum dat de vergunninghouder of de exploitant op de hoogte wordt gebracht dat zijn beroep ontvankelijk en volledig is, ofwel bij ontstentenis van een beslissing daarover, de dertigste dag na de datum waarop het beroep werd ingediend.
Als geen beslissing is genomen binnen de in het derde lid vastgestelde termijn wordt het beroep geacht te zijn ingewilligd en vervalt de bestreden beslissing.]1
Art.93. A moins que la décision de suspension ou de retrait du permis d'environnement ait été prise par le Gouvernement flamand, le titulaire du permis ou l'exploitant peut introduire un recours contre cette décision auprès du Gouvernement flamand.
Le recours suspend la décision.
[1 Le Gouvernement flamand prend une décision à propos du recours introduit avant l'expiration d'un délai de cent vingt jours qui prend cours soit à compter du jour qui suit la date à laquelle le titulaire du permis ou l'exploitant a été informé de la recevabilité et de l'exhaustivité de son recours, soit, à défaut d'une décision en la matière, le trentième jour qui suit la date à laquelle le recours été déposé.
Si aucune décision n'est prise avant l'expiration du délai déterminé au troisième alinéa, le recours sera réputé avoir été accueilli et la décision contestée échoit.]1
Le recours suspend la décision.
[1 Le Gouvernement flamand prend une décision à propos du recours introduit avant l'expiration d'un délai de cent vingt jours qui prend cours soit à compter du jour qui suit la date à laquelle le titulaire du permis ou l'exploitant a été informé de la recevabilité et de l'exhaustivité de son recours, soit, à défaut d'une décision en la matière, le trentième jour qui suit la date à laquelle le recours été déposé.
Si aucune décision n'est prise avant l'expiration du délai déterminé au troisième alinéa, le recours sera réputé avoir été accueilli et la décision contestée échoit.]1
Wijzigingen
Art.94. Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, niet of onvolkomen optreedt, kan de Vlaamse Regering bij gemotiveerd besluit, op elk moment en ongeacht de indelingsklasse de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit volledig of gedeeltelijk schorsen of opheffen.
Art.94. Si l'autorité compétente, visée à l'article 15, n'intervient pas ou intervient de façon insuffisante, le Gouvernement flamand peut, par arrêté motivé, à tout moment et quelle que soit la classe de classification, suspendre ou retirer en tout ou partie le permis d'environnement pour l'exploitation d'une installation ou activité classée.
Art.95. Als de bevoegde overheid de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit geheel of gedeeltelijk schorst of opheft, kan ze ook de omgevingsvergunning voor de stedenbouwkundige handeling die onlosmakelijk verbonden is met de exploitatie geheel of gedeeltelijk schorsen of opheffen. Als het een bestaande constructie betreft, is dit laatste slechts mogelijk als die constructie bouwfysisch niet geschikt is voor eenzelfde of een nieuwe functie.
Art.95. Si l'autorité compétente suspend ou retire en tout ou partie le permis d'environnement pour l'exploitation d'une installation ou activité classée, elle peut également suspendre ou retirer en tout ou partie le permis d'environnement pour l'acte urbanistique qui est indissociablement lié à l'exploitation. S'il est question d'une construction existante, ceci n'est possible que si la construction physique du bâtiment n'est pas appropriée pour une même ou nouvelle fonction.
Art.96. Als tegen een schorsing of opheffing als vermeld in artikel 92, geen beroep is ingesteld of als ze in laatste administratieve aanleg is bevestigd, wordt toepassing gemaakt van titel XVI van het DABM.
Art.96. Si aucun recours n'est introduit contre une suspension ou un retrait tel que visé à l'article 92 ou s'il est confirmé en dernière instance administrative, il est fait application du titre XVI du DABM.
Afdeling 2. - Opheffing van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden
Section 2. - Retrait du permis d'environnement pour le lotissement de sols
Art.97. Een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden kan geheel of gedeeltelijk worden opgeheven in de gevallen en onder dezelfde voorwaarden en procedurele bepalingen, vermeld in artikel 84 en 85.
In het geval, vermeld in het eerste lid, kan de schorsing worden gelast van de verkoop of van de verhuring voor meer dan negen jaar en van de vestiging van een erfpacht of opstalrecht op het geheel of een gedeelte van de verkaveling.
In het geval, vermeld in het eerste lid, kan de schorsing worden gelast van de verkoop of van de verhuring voor meer dan negen jaar en van de vestiging van een erfpacht of opstalrecht op het geheel of een gedeelte van de verkaveling.
Art.97. Un permis d'environnement pour le lotissement de sols peut être retiré en tout ou partie dans les cas et selon les mêmes conditions et dispositions procédurales que celles qui sont visées aux articles 84 et 85.
Dans le cas visé à l'alinéa premier, la suspension de la vente ou de la location pour plus de neuf ans et de la constitution d'emphytéose ou de superficie de tout ou partie du lotissement peut être ordonnée.
Dans le cas visé à l'alinéa premier, la suspension de la vente ou de la location pour plus de neuf ans et de la constitution d'emphytéose ou de superficie de tout ou partie du lotissement peut être ordonnée.
Afdeling 3. - Delegatiebepaling
Section 3. - Disposition de délégation
Art.98. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de schorsing of opheffing van de omgevingsvergunning, vermeld in afdeling 1 en 2 van dit hoofdstuk.
Art.98. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités pour la suspension ou le retrait du permis d'environnement visé aux sections 1re et 2 du présent chapitre.
HOOFDSTUK 8. - Verval en afstand van de omgevingsvergunning
CHAPITRE 8. - Expiration et abandon du permis d'environnement
Afdeling 1. [1 - Verval van de omgevingsvergunning voor de uitvoering van stedenbouwkundige handelingen, de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, kleinhandelsactiviteiten of het wijzigen van de vegetatie]1
Section 1re. [1 - Expiration du permis d'environnement pour l'exécution d'actes urbanistiques, l'exploitation d'une installation ou d'une activité classée, ou l'exécution d'activités de commerce de détail]1
Art.99. § 1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn [1 binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning]1;
4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.
[2 5° als de kleinhandelsactiviteiten niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangen.]2
[4 [6 6° als de lasten die in de omgevingsvergunning zijn opgelegd niet zijn uitgevoerd binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen.]6]4
[1 De termijn, vermeld in het eerste lid, 1°, kan evenwel, op verzoek van de vergunninghouder, voor een periode van twee jaar verlengd worden als hij aantoont dat de niet-verwezenlijking het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend. De vergunninghouder dient de aanvraag van de verlenging, op straffe van verval, met een beveiligde zending en minstens drie maanden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar in bij de overheid die de vergunning heeft verleend. Die overheid weigert de aanvraag van de verlenging alleen als:
1° er geen sprake is van een vreemde oorzaak die niet aan de vergunninghouder kan worden toegerekend;
2° de aangevraagde en vergunde handelingen strijdig zijn met inmiddels gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften.
De overheid bezorgt haar beslissing uiterlijk de dag van het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar. Bij ontstentenis van een beslissing wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd. Als de verlenging wordt goedgekeurd, worden de termijnen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, ook met twee jaar verlengd.]1
Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van [1 twee, drie of vijf jaar]1, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.
§ 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie;
3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting.
[2 § 2/1. De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van kleinhandelsactiviteiten vervalt van rechtswege als de kleinhandelsactiviteiten meer dan vijf opeenvolgende jaren worden onderbroken.]2
[3 § 2/2. De omgevingsvergunning voor het wijzigen van de vegetatie vervalt van rechtswege als het wijzigen van de vegetatie niet binnen twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.]3
§ 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.
[5 Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2/1, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de kleinhandelsactiviteiten, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.]5
1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn [1 binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning]1;
4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.
[2 5° als de kleinhandelsactiviteiten niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangen.]2
[4 [6 6° als de lasten die in de omgevingsvergunning zijn opgelegd niet zijn uitgevoerd binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen.]6]4
[1 De termijn, vermeld in het eerste lid, 1°, kan evenwel, op verzoek van de vergunninghouder, voor een periode van twee jaar verlengd worden als hij aantoont dat de niet-verwezenlijking het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend. De vergunninghouder dient de aanvraag van de verlenging, op straffe van verval, met een beveiligde zending en minstens drie maanden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar in bij de overheid die de vergunning heeft verleend. Die overheid weigert de aanvraag van de verlenging alleen als:
1° er geen sprake is van een vreemde oorzaak die niet aan de vergunninghouder kan worden toegerekend;
2° de aangevraagde en vergunde handelingen strijdig zijn met inmiddels gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften.
De overheid bezorgt haar beslissing uiterlijk de dag van het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar. Bij ontstentenis van een beslissing wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd. Als de verlenging wordt goedgekeurd, worden de termijnen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, ook met twee jaar verlengd.]1
Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van [1 twee, drie of vijf jaar]1, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.
§ 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie;
3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting.
[2 § 2/1. De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van kleinhandelsactiviteiten vervalt van rechtswege als de kleinhandelsactiviteiten meer dan vijf opeenvolgende jaren worden onderbroken.]2
[3 § 2/2. De omgevingsvergunning voor het wijzigen van de vegetatie vervalt van rechtswege als het wijzigen van de vegetatie niet binnen twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.]3
§ 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.
[5 Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2/1, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de kleinhandelsactiviteiten, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.]5
Wijzigingen
Art.99. § 1er. Le permis d'environnement expire de plein droit dans chacun des cas suivants :
1° si la réalisation des actes urbanistiques autorisés n'est pas démarrée dans les deux ans qui suivent l'octroi du permis d'environnement définitif ;
2° si l'exécution des actes urbanistiques autorisés est interrompue pendant plus de trois années successives ;
3° si les bâtiments autorisés ne sont pas fermés [1 dans un délai de cinq ans après la délivrance du permis d'environnement définitif]1 ;
4° si l'exploitation de l'activité ou installation autorisée ne commence pas dans les cinq ans qui suivent l'octroi du permis d'environnement définitif.
[2 5° si les activités de commerce de détail ne commencent pas dans les cinq ans suivant l'octroi du permis d'environnement définitif.]2
[4 [6 6° si les charges qui sont imposées dans le permis d'environnement ne sont pas exécutées dans les cinq années suivant l'octroi du permis d'environnement définitif pour les travaux d'urbanisme. ]6]4
[1 Le délai mentionné au premier alinéa, 1°, peut toutefois, à la demande du titulaire du permis, être prolongé d'une période de deux ans s'il démontre que la non-réalisation résulte d'une cause étrangère qui ne lui est pas imputable. Le titulaire de permis introduit la demande de prolongation, sous peine de déchéance, par envoi sécurisé et au moins trois mois avant l'expiration du délai initial de deux ans, auprès de l'autorité qui a délivré le permis. L'autorité ne rejette la demande de prolongation que :
1° s'il n'existe aucune cause étrangère non imputable au titulaire du permis ;
2° si les actes demandés et autorisés vont à l'encontre de prescriptions urbanistiques ou de prescriptions en matière de lotissements qui ont été modifiées dans l'intervalle.
Le gouvernement rend sa décision au plus tard à l'expiration du délai initial de deux ans. En l'absence de décision, la prolongation est réputée avoir été approuvée. Si la prolongation est approuvée, les délais visés au premier alinéa, 3° et 4°, sont également prolongés de deux ans.]1
Si le permis d'environnement fait explicitement mention des différentes phases du projet de construction, les délais de [1 2,3 ou cinq ans]1 mentionnés dans le premier alinéa sont calculés par phase. Pour la deuxième phase et les phases suivantes, les délais d'expiration seront, par conséquent, calculés à partir de la date de commencement de la phase en question.
§ 2. Le permis d'environnement pour l'exploitation d'une installation ou activité classée expire de plein droit dans chacun des cas suivants :
1° si l'exploitation de l'activité ou installation autorisée est interrompue pendant plus de cinq années successives ;
2° si l'installation classée est détruite par un incendie ou une explosion découlant de l'exploitation ;
3° si l'exploitation sur une base volontaire est complètement et définitivement arrêtée conformément aux conditions et règles visées dans le décret du 9 mars 2001 réglant l'arrêt volontaire, complet et définitif de la production de tous les effluents d'élevage provenant d'une ou plusieurs espèces animales et ses arrêtés d'exécution. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités relatives à la notification de l'arrêt.
[2 § 2/1. Le permis d'environnement pour l'exécution d'activités de commerce de détail expire de plein droit si les activités de commerce de détail sont interrompues pendant plus de cinq années consécutives.]2
[3 § 2/2. Le permis d'environnement pour la modification de la végétation expire de plein droit si la modification de la végétation ne commence pas dans les deux ans suivant la délivrance du permis d'environnement définitif.]3
§ 3. Si les cas visés au paragraphe 1er ont trait à une partie du projet de construction, le permis d'environnement n'expire que pour la partie non achevée du projet de construction. Une partie est seulement achevée lorsqu'elle peut être considérée, le cas échéant après la démolition des parties inachevées, comme une construction séparée répondant aux exigences en matière de physique de construction.
Si les cas visés aux paragraphes 1er et 2 ne portent que sur une partie de l'exploitation de l'installation ou activité classée, le permis d'environnement n'expire que pour cette partie.
[5 Si les cas visés au paragraphe 1er ou 2/1 ne concernent qu'une partie des activités de vente au détail, le permis d'environnement n'expire que pour cette partie.]5
1° si la réalisation des actes urbanistiques autorisés n'est pas démarrée dans les deux ans qui suivent l'octroi du permis d'environnement définitif ;
2° si l'exécution des actes urbanistiques autorisés est interrompue pendant plus de trois années successives ;
3° si les bâtiments autorisés ne sont pas fermés [1 dans un délai de cinq ans après la délivrance du permis d'environnement définitif]1 ;
4° si l'exploitation de l'activité ou installation autorisée ne commence pas dans les cinq ans qui suivent l'octroi du permis d'environnement définitif.
[2 5° si les activités de commerce de détail ne commencent pas dans les cinq ans suivant l'octroi du permis d'environnement définitif.]2
[4 [6 6° si les charges qui sont imposées dans le permis d'environnement ne sont pas exécutées dans les cinq années suivant l'octroi du permis d'environnement définitif pour les travaux d'urbanisme. ]6]4
[1 Le délai mentionné au premier alinéa, 1°, peut toutefois, à la demande du titulaire du permis, être prolongé d'une période de deux ans s'il démontre que la non-réalisation résulte d'une cause étrangère qui ne lui est pas imputable. Le titulaire de permis introduit la demande de prolongation, sous peine de déchéance, par envoi sécurisé et au moins trois mois avant l'expiration du délai initial de deux ans, auprès de l'autorité qui a délivré le permis. L'autorité ne rejette la demande de prolongation que :
1° s'il n'existe aucune cause étrangère non imputable au titulaire du permis ;
2° si les actes demandés et autorisés vont à l'encontre de prescriptions urbanistiques ou de prescriptions en matière de lotissements qui ont été modifiées dans l'intervalle.
Le gouvernement rend sa décision au plus tard à l'expiration du délai initial de deux ans. En l'absence de décision, la prolongation est réputée avoir été approuvée. Si la prolongation est approuvée, les délais visés au premier alinéa, 3° et 4°, sont également prolongés de deux ans.]1
Si le permis d'environnement fait explicitement mention des différentes phases du projet de construction, les délais de [1 2,3 ou cinq ans]1 mentionnés dans le premier alinéa sont calculés par phase. Pour la deuxième phase et les phases suivantes, les délais d'expiration seront, par conséquent, calculés à partir de la date de commencement de la phase en question.
§ 2. Le permis d'environnement pour l'exploitation d'une installation ou activité classée expire de plein droit dans chacun des cas suivants :
1° si l'exploitation de l'activité ou installation autorisée est interrompue pendant plus de cinq années successives ;
2° si l'installation classée est détruite par un incendie ou une explosion découlant de l'exploitation ;
3° si l'exploitation sur une base volontaire est complètement et définitivement arrêtée conformément aux conditions et règles visées dans le décret du 9 mars 2001 réglant l'arrêt volontaire, complet et définitif de la production de tous les effluents d'élevage provenant d'une ou plusieurs espèces animales et ses arrêtés d'exécution. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités relatives à la notification de l'arrêt.
[2 § 2/1. Le permis d'environnement pour l'exécution d'activités de commerce de détail expire de plein droit si les activités de commerce de détail sont interrompues pendant plus de cinq années consécutives.]2
[3 § 2/2. Le permis d'environnement pour la modification de la végétation expire de plein droit si la modification de la végétation ne commence pas dans les deux ans suivant la délivrance du permis d'environnement définitif.]3
§ 3. Si les cas visés au paragraphe 1er ont trait à une partie du projet de construction, le permis d'environnement n'expire que pour la partie non achevée du projet de construction. Une partie est seulement achevée lorsqu'elle peut être considérée, le cas échéant après la démolition des parties inachevées, comme une construction séparée répondant aux exigences en matière de physique de construction.
Si les cas visés aux paragraphes 1er et 2 ne portent que sur une partie de l'exploitation de l'installation ou activité classée, le permis d'environnement n'expire que pour cette partie.
[5 Si les cas visés au paragraphe 1er ou 2/1 ne concernent qu'une partie des activités de vente au détail, le permis d'environnement n'expire que pour cette partie.]5
Wijzigingen
Art.100. De omgevingsvergunning blijft onverkort geldig als de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 naar klasse 2 overgaat of omgekeerd.
[1 In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst of door een gedeeltelijke stopzetting van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als meldingsakte en blijven de bijzondere voorwaarden gelden.]1
[1 In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst of door een gedeeltelijke stopzetting van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als meldingsakte en blijven de bijzondere voorwaarden gelden.]1
Art.100. Le permis d'environnement reste intégralement valable lorsque, à la suite d'une modification de la liste de classification, l'exploitation d'une installation ou activité classée dans le cadre d'un projet passe de la classe 1 à la classe 2 ou inversement.
[1 Dans le cas où, à la suite d'une modification de la liste de classification ou d'une cessation partielle, l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée d'un projet passe de la classe 1 ou 2 à la classe 3, le permis vaut acte de notification et les conditions particulières restent applicables.]1
[1 Dans le cas où, à la suite d'une modification de la liste de classification ou d'une cessation partielle, l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée d'un projet passe de la classe 1 ou 2 à la classe 3, le permis vaut acte de notification et les conditions particulières restent applicables.]1
Wijzigingen
Art.101. De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, [2 in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1]2 worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig hoofdstuk 9 [1 behoudens indien de vergunde handelingen in strijd zijn met een vóór de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden]1.
[1 [2 De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1,]2 worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de [3 archeologienota waarvan akte is genomen]3 overeenkomstig [4 artikel 5.4.9]4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de [3 nota waarvan akte is genomen]3 overeenkomstig [4 artikel 5.4.17]4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.
[2 De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1,]2 worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.
[2 De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1,]2 worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI [2 van de VCRO]2, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.]1
[1 [2 De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1,]2 worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de [3 archeologienota waarvan akte is genomen]3 overeenkomstig [4 artikel 5.4.9]4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de [3 nota waarvan akte is genomen]3 overeenkomstig [4 artikel 5.4.17]4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.
[2 De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1,]2 worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.
[2 De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1,]2 worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI [2 van de VCRO]2, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.]1
Art.101. Les délais de deux, trois ou cinq ans, visés à l'article 99, [2 le cas échéant prolongés conformément à l'article 99, § 1]2 sont suspendus tant que le Conseil pour les Contestations des Autorisations est saisi d'un recours en annulation du permis d'environnement, conformément au chapitre 9 [1 sauf si les actes autorisés sont contraires à un plan d'exécution spatial entré en vigueur avant la date de la décision définitive du Conseil. Dans ce dernier cas, le droit éventuel à l'indemnisation des dommages résultant de la planification spatiale est toutefois maintenu]1.
[1 [2 Les délais de deux ou de trois ans, mentionnés à l'article 99, le cas échéant prolongés conformément à l'article 99, § 1,]2 sont suspendus durant l'exécution des fouilles archéologiques, décrites dans la [3 note archéologique dont il a été pris acte]3 conformément à [4 l'article 5.4.9]4 du Décret relatif au Patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 et dans la [3 note dont il a été pris acte]3 conformément à [4 l'article 5.4.17]4 du Décret relatif au Patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, avec un délai maximal d'un an à compter de la date de début des fouilles archéologiques.
[2 Les délais de deux ou de trois ans, mentionnés à l'article 99, le cas échéant prolongés conformément à l'article 99, § 1,]2 sont suspendus durant l'exécution de travaux d'assainissement du sol d'un projet d'assainissement du sol pour lequel l'OVAM, conformément à l'article 50, § 1er, du Décret relatif au sol du 27 octobre 2006, a délivré une attestation de conformité, avec un délai maximal de trois ans à compter de la date de début des travaux d'assainissement du sol.
[2 Les délais de deux ou de trois ans, mentionnés à l'article 99, le cas échéant prolongés conformément à l'article 99, § 1,]2 sont suspendus aussi longtemps qu'un ordre de cessation ratifié, dont question au titre VI, n'est pas retiré ou n'est pas abrogé par une décision coulée en force de chose jugée. La suspension vient de plein droit à son terme lorsqu'aucune révocation de l'ordre de cessation n'est requise ou qu'aucun retrait n'est effectué dans un délai de deux ans à compter de la ratification de l'ordre de cessation.]1
[1 [2 Les délais de deux ou de trois ans, mentionnés à l'article 99, le cas échéant prolongés conformément à l'article 99, § 1,]2 sont suspendus durant l'exécution des fouilles archéologiques, décrites dans la [3 note archéologique dont il a été pris acte]3 conformément à [4 l'article 5.4.9]4 du Décret relatif au Patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 et dans la [3 note dont il a été pris acte]3 conformément à [4 l'article 5.4.17]4 du Décret relatif au Patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, avec un délai maximal d'un an à compter de la date de début des fouilles archéologiques.
[2 Les délais de deux ou de trois ans, mentionnés à l'article 99, le cas échéant prolongés conformément à l'article 99, § 1,]2 sont suspendus durant l'exécution de travaux d'assainissement du sol d'un projet d'assainissement du sol pour lequel l'OVAM, conformément à l'article 50, § 1er, du Décret relatif au sol du 27 octobre 2006, a délivré une attestation de conformité, avec un délai maximal de trois ans à compter de la date de début des travaux d'assainissement du sol.
[2 Les délais de deux ou de trois ans, mentionnés à l'article 99, le cas échéant prolongés conformément à l'article 99, § 1,]2 sont suspendus aussi longtemps qu'un ordre de cessation ratifié, dont question au titre VI, n'est pas retiré ou n'est pas abrogé par une décision coulée en force de chose jugée. La suspension vient de plein droit à son terme lorsqu'aucune révocation de l'ordre de cessation n'est requise ou qu'aucun retrait n'est effectué dans un délai de deux ans à compter de la ratification de l'ordre de cessation.]1
Afdeling 2. - Verval van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden
Section 2. - Expiration du permis d'environnement pour le lotissement de sols
Art.102. § 1. Een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden waarbij geen nieuwe wegen worden aangelegd of het tracé van bestaande gemeentewegen niet moet worden gewijzigd, verbreed of opgeheven, vervalt van rechtswege als:
1° binnen een termijn van vijf jaar na de afgifte van de definitieve omgevingsvergunning niet is overgegaan tot registratie van de verkoop, de verhuring voor meer dan negen jaar of de vestiging van erfpacht of opstalrecht ten aanzien van ten minste één derde van de kavels;
2° binnen een termijn van tien jaar na de afgifte van de definitieve omgevingsvergunning niet is overgegaan tot dergelijke registratie ten aanzien van ten minste twee derde van de kavels.
[2 3° binnen een termijn van tien jaar na de afgifte van de definitieve omgevingsvergunning de lasten die in de omgevingsvergunning zijn opgelegd niet zijn uitgevoerd.]2
Voor de toepassing van het eerste lid:
1° wordt met verkoop gelijkgesteld: de nalatenschapsverdeling en de schenking, met dien verstande dat slechts één kavel per deelgenoot of begunstigde in aanmerking komt;
2° komt de [1 verkoop, de verhuring voor meer dan negen jaar, of de vestiging van erfpacht of opstalrecht]1 van de verkaveling in haar geheel niet in aanmerking;
3° komt alleen de huur die erop gericht is de huurder te laten bouwen op het gehuurde goed in aanmerking.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt tijdige bebouwing door de verkavelaar conform de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, met verkoop gelijkgesteld.
§ 2. Een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden waarbij nieuwe wegen worden aangelegd of waarbij het tracé van bestaande gemeentewegen gewijzigd, verbreed of opgeheven wordt, vervalt van rechtswege als:
1° binnen een termijn van vijf jaar na de afgifte van de definitieve omgevingsvergunning niet is overgegaan tot de oplevering van de onmiddellijk uit te voeren lasten of tot het verschaffen van waarborgen betreffende de uitvoering van deze lasten op de wijze, vermeld in [2 artikel 77]2;
2° binnen een termijn van tien jaar na de afgifte van de definitieve omgevingsvergunning niet is overgegaan tot registratie van de in paragraaf 1 vermelde rechtshandelingen ten aanzien van ten minste één derde van de kavels;
3° binnen een termijn van vijftien jaar na de afgifte van de definitieve omgevingsvergunning niet is overgegaan tot registratie van de in paragraaf 1 vermelde rechtshandelingen ten aanzien van ten minste twee derde van de kavels;
[2 4° binnen een termijn van vijftien jaar na de afgifte van de definitieve omgevingsvergunning de lasten die in de omgevingsvergunning zijn opgelegd niet zijn uitgevoerd.]2
Voor de toepassing van het eerste lid wordt tijdige bebouwing door de verkavelaar conform de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, met verkoop gelijkgesteld.
§ 3. Als de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het verkavelingsproject, worden de termijnen van verval, vermeld in de paragrafen 1 tot en met 2, gerekend per fase. Voor de tweede en volgende fasen worden de termijnen van verval dientengevolge gerekend vanaf de aanvangsdatum van de betrokken fase.
§ 4. Het verval, vermeld in paragraaf 1 en [2 2, 2А, 3А en 4А]2, geldt slechts ten aanzien van het niet bebouwde, verkochte, verhuurde of aan een erfpacht of opstalrecht onderworpen gedeelte van de verkaveling.
§ 5. Onverminderd paragraaf 4, kan het verval van rechtswege niet worden tegengesteld aan personen die zich op de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden beroepen als zij kunnen aantonen dat de overheid na het verval en ten aanzien van een of meer van hun kavels binnen de verkaveling, wijzigingen aan deze omgevingsvergunning heeft toegestaan of stedenbouwkundige of bouwvergunningen of stedenbouwkundige attesten heeft verleend in zoverre deze door de hogere overheid of de rechter niet onrechtmatig werden bevonden.
§ 6. De Vlaamse Regering kan maatregelen treffen aangaande de kennisgeving van het verval van rechtswege.
1° binnen een termijn van vijf jaar na de afgifte van de definitieve omgevingsvergunning niet is overgegaan tot registratie van de verkoop, de verhuring voor meer dan negen jaar of de vestiging van erfpacht of opstalrecht ten aanzien van ten minste één derde van de kavels;
2° binnen een termijn van tien jaar na de afgifte van de definitieve omgevingsvergunning niet is overgegaan tot dergelijke registratie ten aanzien van ten minste twee derde van de kavels.
[2 3° binnen een termijn van tien jaar na de afgifte van de definitieve omgevingsvergunning de lasten die in de omgevingsvergunning zijn opgelegd niet zijn uitgevoerd.]2
Voor de toepassing van het eerste lid:
1° wordt met verkoop gelijkgesteld: de nalatenschapsverdeling en de schenking, met dien verstande dat slechts één kavel per deelgenoot of begunstigde in aanmerking komt;
2° komt de [1 verkoop, de verhuring voor meer dan negen jaar, of de vestiging van erfpacht of opstalrecht]1 van de verkaveling in haar geheel niet in aanmerking;
3° komt alleen de huur die erop gericht is de huurder te laten bouwen op het gehuurde goed in aanmerking.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt tijdige bebouwing door de verkavelaar conform de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, met verkoop gelijkgesteld.
§ 2. Een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden waarbij nieuwe wegen worden aangelegd of waarbij het tracé van bestaande gemeentewegen gewijzigd, verbreed of opgeheven wordt, vervalt van rechtswege als:
1° binnen een termijn van vijf jaar na de afgifte van de definitieve omgevingsvergunning niet is overgegaan tot de oplevering van de onmiddellijk uit te voeren lasten of tot het verschaffen van waarborgen betreffende de uitvoering van deze lasten op de wijze, vermeld in [2 artikel 77]2;
2° binnen een termijn van tien jaar na de afgifte van de definitieve omgevingsvergunning niet is overgegaan tot registratie van de in paragraaf 1 vermelde rechtshandelingen ten aanzien van ten minste één derde van de kavels;
3° binnen een termijn van vijftien jaar na de afgifte van de definitieve omgevingsvergunning niet is overgegaan tot registratie van de in paragraaf 1 vermelde rechtshandelingen ten aanzien van ten minste twee derde van de kavels;
[2 4° binnen een termijn van vijftien jaar na de afgifte van de definitieve omgevingsvergunning de lasten die in de omgevingsvergunning zijn opgelegd niet zijn uitgevoerd.]2
Voor de toepassing van het eerste lid wordt tijdige bebouwing door de verkavelaar conform de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, met verkoop gelijkgesteld.
§ 3. Als de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het verkavelingsproject, worden de termijnen van verval, vermeld in de paragrafen 1 tot en met 2, gerekend per fase. Voor de tweede en volgende fasen worden de termijnen van verval dientengevolge gerekend vanaf de aanvangsdatum van de betrokken fase.
§ 4. Het verval, vermeld in paragraaf 1 en [2 2, 2А, 3А en 4А]2, geldt slechts ten aanzien van het niet bebouwde, verkochte, verhuurde of aan een erfpacht of opstalrecht onderworpen gedeelte van de verkaveling.
§ 5. Onverminderd paragraaf 4, kan het verval van rechtswege niet worden tegengesteld aan personen die zich op de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden beroepen als zij kunnen aantonen dat de overheid na het verval en ten aanzien van een of meer van hun kavels binnen de verkaveling, wijzigingen aan deze omgevingsvergunning heeft toegestaan of stedenbouwkundige of bouwvergunningen of stedenbouwkundige attesten heeft verleend in zoverre deze door de hogere overheid of de rechter niet onrechtmatig werden bevonden.
§ 6. De Vlaamse Regering kan maatregelen treffen aangaande de kennisgeving van het verval van rechtswege.
Art.102. § 1er. Un permis d'environnement, qui n'implique pas la construction de nouvelles routes, ni la modification, l'élargissement ou le rehaussement du tracé des routes communales existantes, expire de plein droit quand :
1° l'enregistrement de la vente, la location pour plus de neuf ans ou l'établissement d'une emphytéose ou d'un droit de superficie par rapport à au moins un tiers des lots n'a pas eu lieu dans les cinq ans suivant l'octroi du permis d'environnement définitif ;
2° un tel enregistrement par rapport à au moins deux tiers des lots n'a pas eu lieu dans les dix ans suivant l'octroi du permis d'environnement définitif;
[2 3° les charges qui sont imposées dans le permis d'environnement ne sont pas exécutées dans un délai de dix ans suivant la délivrance du permis d'environnement définitif. ]2
Pour l'application du premier alinéa :
1° est assimilée à la vente : la répartition d'une succession et la donation, étant entendu qu'une seule parcelle entre en ligne de compte par copartageant ou bénéficiaire ;
2° la [1 vente, la location pour plus de neuf ans ou l'établissement d'une emphytéose ou d'un droit de superficie]1 du lotissement dans sa totalité n'entre pas en ligne de compte ;
3° seul le loyer visant à faire construire le locataire sur le bien loué entre en ligne de compte.
Pour l'application du premier alinéa, la construction par le lotisseur en temps voulu, conformément au permis d'environnement pour le lotissement de sols, est assimilée à la vente.
§ 2. Un permis d'environnement pour le lotissement de sols, qui implique la construction de nouvelles routes ou la modification, l'élargissement ou le rehaussement du tracé des routes communales existantes, expire de droit quand :
1° dans un délai de cinq ans après l'octroi du permis d'environnement définitif, la réception des charges immédiatement exécutables ou la procuration de garanties concernant l'exécution de ces charges, comme mentionné dans [2 l'article 77]2, n'a pas eu lieu ;
2° l'enregistrement des actes juridiques visés au § 1er, par rapport à au moins un tiers des lots, n'a pas eu lieu dans les dix ans suivant l'octroi du permis d'environnement définitif ;
3° l'enregistrement des actes juridiques visés au § 1er, par rapport à au moins deux tiers des lots, n'a pas eu lieu dans les quinze ans suivant l'octroi du permis d'environnement définitif;
[2 4° les charges qui sont imposées dans le permis d'environnement ne sont pas exécutées dans un délai de quinze ans suivant la délivrance du permis d'environnement définitif. ]2
Pour l'application du premier alinéa, la construction par le lotisseur en temps voulu, conformément au permis d'environnement pour le lotissement de sols, est assimilée à la vente.
§ 3. Si le permis d'environnement pour le lotissement de sols mentionne explicitement les différentes phases du projet de lotissement, les délais de déchéance visés aux §§ 1er et 2 sont calculés par phase. Pour la deuxième phase et les phases suivantes, les délais de déchéance seront donc calculés à partir de la date de commencement de la phase concernée.
§ 4. L'expiration, visée aux §§ 1er et [2 2, 2°, 3° et 4°]2, vaut uniquement pour la partie du lotissement non construite, vendue, louée ou soumise à une emphytéose ou à un droit de superficie.
§ 5. Sans préjudice du paragraphe 4, l'expiration de plein droit ne peut pas être opposée à des personnes qui se réfèrent au permis d'environnement pour le lotissement de sols, si elles peuvent démontrer que les autorités ont autorisé des modifications à ce permis d'environnement ou qu'elles ont octroyé des attestations urbanistiques ou des permis de construire et ce, après l'expiration, et par rapport à un ou plusieurs de leurs lots faisant partie du lotissement, pour autant que ces autorisations n'aient pas été considérées illégitimes par une autorité supérieure ou par un juge.
§ 6. Le Gouvernement flamand peut prendre des mesures concernant la notification de la déchéance de plein droit.
1° l'enregistrement de la vente, la location pour plus de neuf ans ou l'établissement d'une emphytéose ou d'un droit de superficie par rapport à au moins un tiers des lots n'a pas eu lieu dans les cinq ans suivant l'octroi du permis d'environnement définitif ;
2° un tel enregistrement par rapport à au moins deux tiers des lots n'a pas eu lieu dans les dix ans suivant l'octroi du permis d'environnement définitif;
[2 3° les charges qui sont imposées dans le permis d'environnement ne sont pas exécutées dans un délai de dix ans suivant la délivrance du permis d'environnement définitif. ]2
Pour l'application du premier alinéa :
1° est assimilée à la vente : la répartition d'une succession et la donation, étant entendu qu'une seule parcelle entre en ligne de compte par copartageant ou bénéficiaire ;
2° la [1 vente, la location pour plus de neuf ans ou l'établissement d'une emphytéose ou d'un droit de superficie]1 du lotissement dans sa totalité n'entre pas en ligne de compte ;
3° seul le loyer visant à faire construire le locataire sur le bien loué entre en ligne de compte.
Pour l'application du premier alinéa, la construction par le lotisseur en temps voulu, conformément au permis d'environnement pour le lotissement de sols, est assimilée à la vente.
§ 2. Un permis d'environnement pour le lotissement de sols, qui implique la construction de nouvelles routes ou la modification, l'élargissement ou le rehaussement du tracé des routes communales existantes, expire de droit quand :
1° dans un délai de cinq ans après l'octroi du permis d'environnement définitif, la réception des charges immédiatement exécutables ou la procuration de garanties concernant l'exécution de ces charges, comme mentionné dans [2 l'article 77]2, n'a pas eu lieu ;
2° l'enregistrement des actes juridiques visés au § 1er, par rapport à au moins un tiers des lots, n'a pas eu lieu dans les dix ans suivant l'octroi du permis d'environnement définitif ;
3° l'enregistrement des actes juridiques visés au § 1er, par rapport à au moins deux tiers des lots, n'a pas eu lieu dans les quinze ans suivant l'octroi du permis d'environnement définitif;
[2 4° les charges qui sont imposées dans le permis d'environnement ne sont pas exécutées dans un délai de quinze ans suivant la délivrance du permis d'environnement définitif. ]2
Pour l'application du premier alinéa, la construction par le lotisseur en temps voulu, conformément au permis d'environnement pour le lotissement de sols, est assimilée à la vente.
§ 3. Si le permis d'environnement pour le lotissement de sols mentionne explicitement les différentes phases du projet de lotissement, les délais de déchéance visés aux §§ 1er et 2 sont calculés par phase. Pour la deuxième phase et les phases suivantes, les délais de déchéance seront donc calculés à partir de la date de commencement de la phase concernée.
§ 4. L'expiration, visée aux §§ 1er et [2 2, 2°, 3° et 4°]2, vaut uniquement pour la partie du lotissement non construite, vendue, louée ou soumise à une emphytéose ou à un droit de superficie.
§ 5. Sans préjudice du paragraphe 4, l'expiration de plein droit ne peut pas être opposée à des personnes qui se réfèrent au permis d'environnement pour le lotissement de sols, si elles peuvent démontrer que les autorités ont autorisé des modifications à ce permis d'environnement ou qu'elles ont octroyé des attestations urbanistiques ou des permis de construire et ce, après l'expiration, et par rapport à un ou plusieurs de leurs lots faisant partie du lotissement, pour autant que ces autorisations n'aient pas été considérées illégitimes par une autorité supérieure ou par un juge.
§ 6. Le Gouvernement flamand peut prendre des mesures concernant la notification de la déchéance de plein droit.
Art.103. De termijnen van vijf, tien of vijftien jaar, vermeld in artikel 102, worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, [1 overeenkomstig hoofdstuk 9, behoudens als de verkaveling in strijd is met een vóór de datum van de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden]1.
[1 De termijnen van vijf, tien of vijftien jaar, vermeld in artikel 102, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de [2 archeologienota waarvan akte is genomen]2 overeenkomstig [3 artikel 5.4.9]3 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de [2 nota waarvan akte is genomen]2 overeenkomstig [3 artikel 5.4.17]3 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.
De termijnen van vijf, tien of vijftien jaar, vermeld in artikel 102, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.
De termijnen van vijf, tien of vijftien jaar, vermeld in artikel 102, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.]1
[1 De termijnen van vijf, tien of vijftien jaar, vermeld in artikel 102, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de [2 archeologienota waarvan akte is genomen]2 overeenkomstig [3 artikel 5.4.9]3 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de [2 nota waarvan akte is genomen]2 overeenkomstig [3 artikel 5.4.17]3 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.
De termijnen van vijf, tien of vijftien jaar, vermeld in artikel 102, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.
De termijnen van vijf, tien of vijftien jaar, vermeld in artikel 102, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.]1
Art.103. Les délais de cinq, dix ou quinze ans, visés à l'article 102, sont suspendus tant que le Conseil pour les Contestations des Autorisations est saisi d'un recours en annulation du permis d'environnement, [1 conformément au chapitre 9, sauf si le lotissement est contraire à un plan d'exécution spatial entré en vigueur avant la date de la décision définitive du Conseil. Dans ce dernier cas, le droit éventuel à l'indemnisation des dommages résultant de la planification spatiale est toutefois maintenu]1.
[1 Les délais de cinq, dix ou quinze ans, mentionnés à l'article 102, sont suspendus durant l'exécution des fouilles archéologiques, décrites dans la [2 note archéologique dont il a été pris acte]2 conformément à [3 l'article 5.4.9]3 du Décret relatif au Patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 et dans la [2 note dont il a été pris acte]2 conformément à [3 l'article 5.4.17]3 du Décret relatif au Patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, avec un délai maximal d'un an à compter de la date de début des fouilles archéologiques.
Les délais de cinq, dix ou quinze ans, mentionnés à l'article 102, sont suspendus durant l'exécution de travaux d'assainissement du sol d'un projet d'assainissement du sol pour lequel l'OVAM, conformément à l'article 50, § 1er, du Décret relatif au sol du 27 octobre 2006, a délivré une attestation de conformité, avec un délai maximal de trois ans à compter de la date de début des travaux d'assainissement du sol.
Les délais de cinq, dix ou quinze ans, mentionnés à l'article 102, sont suspendus aussi longtemps qu'un ordre de cessation ratifié, dont question au titre VI, n'est pas retiré ou n'est pas abrogé par une décision coulée en force de chose jugée. La suspension vient de plein droit à son terme lorsqu'aucune révocation de l'ordre de cessation n'est requise ou qu'aucun retrait n'est effectué dans un délai de deux ans à compter de la ratification de l'ordre de cessation.]1
[1 Les délais de cinq, dix ou quinze ans, mentionnés à l'article 102, sont suspendus durant l'exécution des fouilles archéologiques, décrites dans la [2 note archéologique dont il a été pris acte]2 conformément à [3 l'article 5.4.9]3 du Décret relatif au Patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 et dans la [2 note dont il a été pris acte]2 conformément à [3 l'article 5.4.17]3 du Décret relatif au Patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, avec un délai maximal d'un an à compter de la date de début des fouilles archéologiques.
Les délais de cinq, dix ou quinze ans, mentionnés à l'article 102, sont suspendus durant l'exécution de travaux d'assainissement du sol d'un projet d'assainissement du sol pour lequel l'OVAM, conformément à l'article 50, § 1er, du Décret relatif au sol du 27 octobre 2006, a délivré une attestation de conformité, avec un délai maximal de trois ans à compter de la date de début des travaux d'assainissement du sol.
Les délais de cinq, dix ou quinze ans, mentionnés à l'article 102, sont suspendus aussi longtemps qu'un ordre de cessation ratifié, dont question au titre VI, n'est pas retiré ou n'est pas abrogé par une décision coulée en force de chose jugée. La suspension vient de plein droit à son terme lorsqu'aucune révocation de l'ordre de cessation n'est requise ou qu'aucun retrait n'est effectué dans un délai de deux ans à compter de la ratification de l'ordre de cessation.]1
Afdeling 3. - Afstand van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden
Section 3. - Renonciation au permis d'environnement pour le lotissement de sols
Art.104. Een verkavelaar kan eenzijdig afstand doen van de rechten die hij verkregen heeft uit de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, tenzij al een aanvang werd genomen met de verwezenlijking van deze omgevingsvergunning, hetzij door het stellen van een of meer rechtshandelingen, vermeld in artikel 102, § 1, hetzij door de uitvoering van de werken waaraan de afgifte van de omgevingsvergunning verbonden werd.
Aan het geheel van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden kan worden verzaakt door de eigenaar die alle kavels heeft verworven of in geval van akkoord van alle eigenaars, ongeacht of deze omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk verwezenlijkt is.
Een verzaking wordt per beveiligde zending gemeld aan het college van burgemeester en schepenen.
Aan het geheel van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden kan worden verzaakt door de eigenaar die alle kavels heeft verworven of in geval van akkoord van alle eigenaars, ongeacht of deze omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk verwezenlijkt is.
Een verzaking wordt per beveiligde zending gemeld aan het college van burgemeester en schepenen.
Art.104. Un lotisseur peut renoncer unilatéralement aux droits que lui a conférés le permis d'environnement pour le lotissement de sols, à moins que la réalisation de ce permis d'environnement ait déjà commencé, soit par la pose d'un ou plusieurs actes juridiques, visés à l'article 102, § 1er, soit par l'exécution des travaux auxquels le permis d'environnement était lié.
Il peut être renoncé entièrement à un permis d'environnement pour le lotissement de sols par le propriétaire qui a acquis tous les lots, ou en cas d'accord de tous les propriétaires, que ce permis d'environnement ait été entièrement ou partiellement réalisé.
Un renoncement est notifié par envoi sécurisé au collège des bourgmestre et échevins.
Il peut être renoncé entièrement à un permis d'environnement pour le lotissement de sols par le propriétaire qui a acquis tous les lots, ou en cas d'accord de tous les propriétaires, que ce permis d'environnement ait été entièrement ou partiellement réalisé.
Un renoncement est notifié par envoi sécurisé au collège des bourgmestre et échevins.
HOOFDSTUK 9. - Beroep tegen beslissingen genomen in laatste administratieve aanleg
CHAPITRE 9. - Recours contre des décisions prises en dernière instance administrative
Art. 105. § 1. De uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing betreffende een omgevingsvergunning, genomen in laatste administratieve aanleg, of de aktename [4 of de niet-aktename]4 van een melding, vermeld in artikel 111, kan bestreden worden bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, vermeld in titel IV, hoofdstuk VIII, van de VCRO.
§ 2. Het beroep kan worden ingesteld door:
1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder, de exploitant of de persoon die de melding heeft verricht;
2° het betrokken publiek;
3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties, vermeld in artikel 24 of in artikel 42 of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde, als die instantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
5° [3 ...]3
6° [3 de leidend ambtenaar van het Departement Omgeving of, bij zijn afwezigheid, zijn gemachtigde.]3
[6 7° de leidend ambtenaar van het Agentschap Innoveren en Ondernemen of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde, als het project vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten omvat.]6
[7 8° de leidend ambtenaar van het agentschap, bevoegd voor natuur en bos, of, bij zijn afwezigheid, zijn gemachtigde als het project vergunningsplichtige wijzigingen van de vegetatie omvat.]7
De persoon aan wie kan worden verweten dat hij een voor hem nadelige vergunningsbeslissing niet heeft bestreden door middel van het daartoe openstaande georganiseerd administratief beroep bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, wordt geacht te hebben verzaakt aan zijn recht om zich tot de Raad voor Vergunningsbetwistingen te wenden.
[5 Als de aanvraag overeenkomstig de gewone vergunningsprocedure behandeld is, kan het betrokken publiek alleen een beroep instellen als hij tijdens het openbaar onderzoek een gemotiveerd standpunt, opmerking of bezwaar heeft ingediend, tenzij aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
1° het beroep is ingegeven door een wijziging aan de vergunningsaanvraag, aangebracht na het openbaar onderzoek;
2° het beroep is ingegeven door:
a) een bijzondere milieuvoorwaarde, opgelegd in de bestreden vergunning, in het geval van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit;
b) een voorwaarde, opgelegd in de bestreden vergunning, in het geval van een andere omgevingsvergunning, dan de vergunning vermeld in punt a);
3° het betrokken publiek toont aan dat hij door specifieke omstandigheden in de onmogelijkheid was om een standpunt, opmerking of bezwaar in te dienen tijdens het openbaar onderzoek.]5
[2 De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, die nagelaten heeft een uitdrukkelijke beslissing te nemen in eerste administratieve aanleg, wordt geacht te hebben verzaakt aan zijn recht om zich tot de Raad voor Vergunningsbetwistingen te wenden, behoudens overmacht.]2
§ 3. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een vervaltermijn [1 van vijfenveertig dagen]1 die ingaat:
1° de dag na de datum van de betekening, voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de beslissing in de overige gevallen.
§ 4. Elk van de personen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, kan in de zaak tussenkomen.
§ 2. Het beroep kan worden ingesteld door:
1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder, de exploitant of de persoon die de melding heeft verricht;
2° het betrokken publiek;
3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties, vermeld in artikel 24 of in artikel 42 of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde, als die instantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
5° [3 ...]3
6° [3 de leidend ambtenaar van het Departement Omgeving of, bij zijn afwezigheid, zijn gemachtigde.]3
[6 7° de leidend ambtenaar van het Agentschap Innoveren en Ondernemen of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde, als het project vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten omvat.]6
[7 8° de leidend ambtenaar van het agentschap, bevoegd voor natuur en bos, of, bij zijn afwezigheid, zijn gemachtigde als het project vergunningsplichtige wijzigingen van de vegetatie omvat.]7
De persoon aan wie kan worden verweten dat hij een voor hem nadelige vergunningsbeslissing niet heeft bestreden door middel van het daartoe openstaande georganiseerd administratief beroep bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, wordt geacht te hebben verzaakt aan zijn recht om zich tot de Raad voor Vergunningsbetwistingen te wenden.
[5 Als de aanvraag overeenkomstig de gewone vergunningsprocedure behandeld is, kan het betrokken publiek alleen een beroep instellen als hij tijdens het openbaar onderzoek een gemotiveerd standpunt, opmerking of bezwaar heeft ingediend, tenzij aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
1° het beroep is ingegeven door een wijziging aan de vergunningsaanvraag, aangebracht na het openbaar onderzoek;
2° het beroep is ingegeven door:
a) een bijzondere milieuvoorwaarde, opgelegd in de bestreden vergunning, in het geval van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit;
b) een voorwaarde, opgelegd in de bestreden vergunning, in het geval van een andere omgevingsvergunning, dan de vergunning vermeld in punt a);
3° het betrokken publiek toont aan dat hij door specifieke omstandigheden in de onmogelijkheid was om een standpunt, opmerking of bezwaar in te dienen tijdens het openbaar onderzoek.]5
[2 De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, die nagelaten heeft een uitdrukkelijke beslissing te nemen in eerste administratieve aanleg, wordt geacht te hebben verzaakt aan zijn recht om zich tot de Raad voor Vergunningsbetwistingen te wenden, behoudens overmacht.]2
§ 3. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een vervaltermijn [1 van vijfenveertig dagen]1 die ingaat:
1° de dag na de datum van de betekening, voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de beslissing in de overige gevallen.
§ 4. Elk van de personen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, kan in de zaak tussenkomen.
Wijzigingen
Art. 105. § 1er. La décision explicite ou tacite concernant un permis d'environnement, prise en dernière instance administrative, ou la prise d'acte [4 ou la non-prise d'acte]4 d'une notification, visée à l'article 111, peut être contestée auprès du Conseil pour les Contestations des Autorisations, visé au titre IV, chapitre VIII, du VCRO.
§ 2. Le recours peut être introduit par :
1° le demandeur du permis, le titulaire du permis, l'exploitant ou la personne qui a procédé à la notification ;
2° le public concerné ;
3° le fonctionnaire dirigeant des instances d'avis, visées à l'article 24 ou à l'article 42, ou, en son absence, son délégué, si l'instance d'avis a émis son avis en temps voulu ou si son avis n'a, à tort, pas été sollicité ;
4° le collège des bourgmestre et échevins, s'il a émis son avis en temps voulu ou si son avis n'a, à tort, pas été sollicité ;
5° [3 ...]3
6° [3 le fonctionnaire dirigeant du Département de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire ou, en son absence, son mandataire.]3
[6 7° le fonctionnaire dirigeant de l'Agence de l'Innovation et de l'Entrepreunariat, ou en son absence son mandataire, si le projet inclut des activités de commerce de détail soumises à obligation d'autorisation.]6
[7 8° le fonctionnaire dirigeant de l'" Agentschap voor Natuur en Bos " (Agence de la Nature et des Forêts) ou, en son absence, son représentant autorisé si le projet comporte des modifications de la végétation soumises à autorisation.]7
La personne à qui il peut être reproché qu'elle n'a pas contesté une décision d'autorisation désavantageuse pour elle par le biais du recours administratif organisé ouvert auprès de l'autorité compétente, visée à l'article 52, est censée avoir renoncé à son droit de s'adresser au Conseil pour les Contestations des Autorisations.
[5 Lorsque la demande a été traitée conformément à la procédure normale d'autorisation, le public concerné ne peut introduire un recours que s'il a formulé un avis, une observation ou une objection motivés durant l'enquête publique, à moins que l'une des conditions suivantes ne soit remplie :
1° le recours est motivé par une modification à la demande de permis, apportée après l'enquête publique ;
2° le recours a été motivé par :
a) une condition environnementale particulière, imposée dans le permis contesté, dans le cas d'un permis d'environnement pour l'exploitation d'une installation ou activité classée ;
b) une condition, imposée dans le permis contesté, dans le cas d'un permis d'environnement autre que le permis visé au point a) ;
3° le public concerné démontre que, en raison de circonstances spécifiques, il se trouvait dans l'impossibilité de formuler un point de vue, une remarque ou une objection pendant l'enquête publique.]5
[2 L'autorité compétente, visée à l'article 15, qui a omis de prendre une décision explicite en première instance administrative, est censée avoir renoncé à son droit de s'adresser au Conseil pour les Contestations des Autorisations, sauf en cas de force majeure.]2
§ 3. Le recours est introduit, sous peine d'irrecevabilité, dans un délai [1 de quarante-cinq jours]1 à compter :
1° du premier jour après la date de la notification, pour les personnes ou instances auxquelles la décision est notifiée ;
2° du jour après le premier jour d'affichage de la décision dans les autres cas.
§ 4. Chacune des personnes visées au paragraphe 2, alinéa premier, peut intervenir dans l'affaire.
§ 2. Le recours peut être introduit par :
1° le demandeur du permis, le titulaire du permis, l'exploitant ou la personne qui a procédé à la notification ;
2° le public concerné ;
3° le fonctionnaire dirigeant des instances d'avis, visées à l'article 24 ou à l'article 42, ou, en son absence, son délégué, si l'instance d'avis a émis son avis en temps voulu ou si son avis n'a, à tort, pas été sollicité ;
4° le collège des bourgmestre et échevins, s'il a émis son avis en temps voulu ou si son avis n'a, à tort, pas été sollicité ;
5° [3 ...]3
6° [3 le fonctionnaire dirigeant du Département de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire ou, en son absence, son mandataire.]3
[6 7° le fonctionnaire dirigeant de l'Agence de l'Innovation et de l'Entrepreunariat, ou en son absence son mandataire, si le projet inclut des activités de commerce de détail soumises à obligation d'autorisation.]6
[7 8° le fonctionnaire dirigeant de l'" Agentschap voor Natuur en Bos " (Agence de la Nature et des Forêts) ou, en son absence, son représentant autorisé si le projet comporte des modifications de la végétation soumises à autorisation.]7
La personne à qui il peut être reproché qu'elle n'a pas contesté une décision d'autorisation désavantageuse pour elle par le biais du recours administratif organisé ouvert auprès de l'autorité compétente, visée à l'article 52, est censée avoir renoncé à son droit de s'adresser au Conseil pour les Contestations des Autorisations.
[5 Lorsque la demande a été traitée conformément à la procédure normale d'autorisation, le public concerné ne peut introduire un recours que s'il a formulé un avis, une observation ou une objection motivés durant l'enquête publique, à moins que l'une des conditions suivantes ne soit remplie :
1° le recours est motivé par une modification à la demande de permis, apportée après l'enquête publique ;
2° le recours a été motivé par :
a) une condition environnementale particulière, imposée dans le permis contesté, dans le cas d'un permis d'environnement pour l'exploitation d'une installation ou activité classée ;
b) une condition, imposée dans le permis contesté, dans le cas d'un permis d'environnement autre que le permis visé au point a) ;
3° le public concerné démontre que, en raison de circonstances spécifiques, il se trouvait dans l'impossibilité de formuler un point de vue, une remarque ou une objection pendant l'enquête publique.]5
[2 L'autorité compétente, visée à l'article 15, qui a omis de prendre une décision explicite en première instance administrative, est censée avoir renoncé à son droit de s'adresser au Conseil pour les Contestations des Autorisations, sauf en cas de force majeure.]2
§ 3. Le recours est introduit, sous peine d'irrecevabilité, dans un délai [1 de quarante-cinq jours]1 à compter :
1° du premier jour après la date de la notification, pour les personnes ou instances auxquelles la décision est notifiée ;
2° du jour après le premier jour d'affichage de la décision dans les autres cas.
§ 4. Chacune des personnes visées au paragraphe 2, alinéa premier, peut intervenir dans l'affaire.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 10. - Meldingen
CHAPITRE 10. - Déclarations
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art.106. [1 Een melding kan slechts gedaan worden voor meldingsplichtige stedenbouwkundige handelingen, een meldingsplichtige exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten die het project omvat of een combinatie hiervan.]1
Art.106. [1 Une notification ne peut être émise pour les actes d'urbanisme soumis à obligation de notification, une exploitation soumise à obligation de notification d'installations ou d'activités classées qu'inclut le projet, ou une combinaison de celles-ci.]1
Wijzigingen
Art.107. [1 Artikel 15 is van overeenkomstige toepassing op de melding.
Onverminderd artikel 5.2.1 van het DABM geldt de omgevingsvergunning als aktename voor dat deel van het project dat meldingsplichtig is als tegelijkertijd uitspraak wordt gedaan over de vergunningsaanvraag en de melding. In het geval de vergunning wordt geweigerd, wordt aan de melding geen verder gevolg gegeven.]1
Onverminderd artikel 5.2.1 van het DABM geldt de omgevingsvergunning als aktename voor dat deel van het project dat meldingsplichtig is als tegelijkertijd uitspraak wordt gedaan over de vergunningsaanvraag en de melding. In het geval de vergunning wordt geweigerd, wordt aan de melding geen verder gevolg gegeven.]1
Art.107. [1 L'article 15 s'applique par analogie à la déclaration.
Sans préjudice de l'article 5.2.1 du DABM, le permis d'environnement tient lieu de prise d'acte pour la partie du projet soumise à l'obligation de déclaration, s'il est en même temps statué sur la demande de permis et la déclaration. Dans le cas où le permis est refusé, il n'est donné aucune suite à la déclaration.]1
Sans préjudice de l'article 5.2.1 du DABM, le permis d'environnement tient lieu de prise d'acte pour la partie du projet soumise à l'obligation de déclaration, s'il est en même temps statué sur la demande de permis et la déclaration. Dans le cas où le permis est refusé, il n'est donné aucune suite à la déclaration.]1
Wijzigingen
Art.108. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de wijze waarop de melding gebeurt, de procedure en de aktename, vermeld in afdeling 2 en 3 van dit hoofdstuk.
Art.108. Le Gouvernement flamand fixe les modalités pour la manière dont la déclaration est effectuée, la procédure et la prise d'acte, visées aux sections 2 et 3 du présent chapitre.
Afdeling 2. - Meldingsprocedure
Section 2. - Procédure de déclaration
Art.109. De melding wordt per beveiligde zending bezorgd aan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 107.
Art.109. La déclaration est faite par envoi sécurisé à l'autorité compétente visée à l'article 107.
Art.110. De exploitant van een ingedeelde inrichting of activiteit die meldingsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst, deelt binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de dag na de datum van de inwerkingtreding van die aanvulling of wijziging het bestaan van de exploitatie mee aan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 107.
In afwijking van artikel 112 mag de exploitatie worden voortgezet.
In afwijking van artikel 112 mag de exploitatie worden voortgezet.
Art.110. L'exploitant d'une installation ou activité classée qui est devenue soumise à l'obligation de déclaration par ajout ou modification à la liste de classification communique, dans un délai de six mois, à compter du premier jour après la date d'entrée en vigueur de cet ajout ou cette modification, l'existence de l'exploitation à l'autorité compétente, visée à l'article 107.
En dérogation de l'article 112, l'exploitation peut être poursuivie.
En dérogation de l'article 112, l'exploitation peut être poursuivie.
Art.111. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 107, gaat na of de gemelde handelingen of exploitatie meldingsplichtig zijn of niet verboden zijn bij of krachtens:
1° artikel 5.4.3, § 3, van het DABM;
2°[1 artikel 4.2.2, § 1, en artikel 4.2.4 van de VCRO.]1
Als de handelingen of de exploitatie meldingsplichtig en niet verboden zijn, neemt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 107, akte van de melding. Ze bezorgt de meldingsakte per beveiligde zending aan de persoon die de melding heeft verricht binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag na de datum van ontvangst van de melding.
Als de handelingen of de exploitatie niet meldingsplichtig of verboden zijn, stelt de overheid, vermeld in artikel 107, de persoon die de melding heeft verricht binnen dezelfde ordetermijn daarvan in kennis. In dat geval wordt geen akte genomen en wordt aan de melding geen verder gevolg gegeven.
1° artikel 5.4.3, § 3, van het DABM;
2°[1 artikel 4.2.2, § 1, en artikel 4.2.4 van de VCRO.]1
Als de handelingen of de exploitatie meldingsplichtig en niet verboden zijn, neemt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 107, akte van de melding. Ze bezorgt de meldingsakte per beveiligde zending aan de persoon die de melding heeft verricht binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag na de datum van ontvangst van de melding.
Als de handelingen of de exploitatie niet meldingsplichtig of verboden zijn, stelt de overheid, vermeld in artikel 107, de persoon die de melding heeft verricht binnen dezelfde ordetermijn daarvan in kennis. In dat geval wordt geen akte genomen en wordt aan de melding geen verder gevolg gegeven.
Art.111. L'autorité compétente, visée à l'article 107, vérifie si les actes ou l'exploitation notifiés sont soumis à l'obligation de déclaration et ne sont pas interdits par ou en vertu de :
1° l'article 5.4.3, § 3, du DBAM ;
2° [1 article 4.2.2, § 1, et article 4.2.4 du VCRO.]1
Si les actes ou l'exploitation sont soumis à l'obligation de déclaration et ne sont pas interdits, l'autorité compétente, visée à l'article 107, prend acte de la déclaration. Elle fournit l'acte de déclaration par envoi sécurisé à la personne qui a effectué la déclaration dans un délai de trente jours à compter du premier jour après la date de réception de la déclaration.
Si les actes ou l'exploitation ne sont pas soumis à l'obligation de notification ou sont interdits, l'autorité, visée à l'article 107, en informe la personne qui a effectué la déclaration dans le même délai d'ordre. Dans ce cas, il n'est pas pris acte et aucune autre suite n'est donnée à la déclaration.
1° l'article 5.4.3, § 3, du DBAM ;
2° [1 article 4.2.2, § 1, et article 4.2.4 du VCRO.]1
Si les actes ou l'exploitation sont soumis à l'obligation de déclaration et ne sont pas interdits, l'autorité compétente, visée à l'article 107, prend acte de la déclaration. Elle fournit l'acte de déclaration par envoi sécurisé à la personne qui a effectué la déclaration dans un délai de trente jours à compter du premier jour après la date de réception de la déclaration.
Si les actes ou l'exploitation ne sont pas soumis à l'obligation de notification ou sont interdits, l'autorité, visée à l'article 107, en informe la personne qui a effectué la déclaration dans le même délai d'ordre. Dans ce cas, il n'est pas pris acte et aucune autre suite n'est donnée à la déclaration.
Wijzigingen
Art.112. Het project mag worden uitgevoerd of geëxploiteerd de dag na de datum van de betekening van de meldingsakte.
[1 De vervalregeling, vermeld in artikel 99 tot en met 101, is van overeenkomstige toepassing op de meldingsakte.]1
[1 De vervalregeling, vermeld in artikel 99 tot en met 101, is van overeenkomstige toepassing op de meldingsakte.]1
Art.112. Le projet peut être exécuté ou exploité à partir du premier jour après la date de la signification de l'acte de déclaration.
[1 Le régime de péremption visé aux articles 99 à 101 inclus s'applique par analogie à l'acte de déclaration.]1
[1 Le régime de péremption visé aux articles 99 à 101 inclus s'applique par analogie à l'acte de déclaration.]1
Wijzigingen
Afdeling 3. - Kenmerken van de melding
Section 3. - Caractéristiques de la déclaration
Art.113. § 1. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 107, kan in de meldingsakte voorwaarden, met inbegrip van bijzondere milieuvoorwaarden, opleggen.
De bevoegde overheid, vermeld in artikel 107, kan ook tijdens de exploitatie bijzondere milieuvoorwaarden opleggen aan de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit. In dat geval bezorgt de bevoegde overheid haar beslissing daartoe per beveiligde zending aan de persoon die de melding heeft verricht.
§ 2. De voorwaarden mogen de melding niet onevenredig beperken of verbieden.
De bijzondere milieuvoorwaarden worden opgelegd met het oog op de bescherming van de mens en het milieu tegen de gevolgen van de exploitatie. De bijzondere milieuvoorwaarden kunnen geen emissiegrenswaarden bevatten en niet afwijken van de beste beschikbare technieken als beschreven in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, vermeld in titel V, hoofdstuk 4, van het DABM.
De bevoegde overheid, vermeld in artikel 107, kan ook tijdens de exploitatie bijzondere milieuvoorwaarden opleggen aan de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit. In dat geval bezorgt de bevoegde overheid haar beslissing daartoe per beveiligde zending aan de persoon die de melding heeft verricht.
§ 2. De voorwaarden mogen de melding niet onevenredig beperken of verbieden.
De bijzondere milieuvoorwaarden worden opgelegd met het oog op de bescherming van de mens en het milieu tegen de gevolgen van de exploitatie. De bijzondere milieuvoorwaarden kunnen geen emissiegrenswaarden bevatten en niet afwijken van de beste beschikbare technieken als beschreven in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, vermeld in titel V, hoofdstuk 4, van het DABM.
Art.113. § 1er. L'autorité compétente, visée à l'article 107, peut, dans l'acte de déclaration, imposer des conditions, y compris des conditions environnementales particulières.
L'autorité compétente, visée à l'article 107, peut également, durant l'exploitation, imposer des conditions environnementales particulières à l'exploitation d'une installation ou activité classée. Dans ce cas, l'autorité compétente communique sa décision à cet égard par envoi sécurisé à la personne qui a effectué la déclaration.
§ 2. Les conditions ne peuvent restreindre de manière disproportionnée ou interdire la déclaration.
Les conditions environnementales particulières sont imposées en vue de protéger l'homme et l'environnement des conséquences de l'exploitation. Les conditions environnementales particulières ne peuvent ni contenir de valeurs limites d'émission, ni déroger des meilleures techniques disponibles telles que décrites dans les conditions environnementales sectorielles, visées au titre V, chapitre 4, du DABM.
L'autorité compétente, visée à l'article 107, peut également, durant l'exploitation, imposer des conditions environnementales particulières à l'exploitation d'une installation ou activité classée. Dans ce cas, l'autorité compétente communique sa décision à cet égard par envoi sécurisé à la personne qui a effectué la déclaration.
§ 2. Les conditions ne peuvent restreindre de manière disproportionnée ou interdire la déclaration.
Les conditions environnementales particulières sont imposées en vue de protéger l'homme et l'environnement des conséquences de l'exploitation. Les conditions environnementales particulières ne peuvent ni contenir de valeurs limites d'émission, ni déroger des meilleures techniques disponibles telles que décrites dans les conditions environnementales sectorielles, visées au titre V, chapitre 4, du DABM.
HOOFDSTUK 11. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 11. - Dispositions modificatives
Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging
Section 1re. - Modifications à la loi du 28 décembre 1964 relative à la lutte contre la pollution atmosphérique
Art.114. In artikel 5 van de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging, vervangen bij het decreet van 27 maart 2009, wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".
Art.114. A l'article 5 de la loi du 28 décembre 1964 relative à la lutte contre la pollution atmosphérique, remplacé par le décret du 27 mars 2009, le passage " chapitre IIIbis du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " titre V, chapitre 6, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ".
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging
Section 2. - Modifications à la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution
Art.115. In artikel 2, 1°, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, vervangen bij het decreet van 23 december 2010, wordt de zinsnede "decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".
Art.115. A l'article 2, 1°, de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution, remplacé par le décret du 23 décembre 2010, le passage " décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ".
Art.116. In artikel 32septies van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 1988, vervangen bij het decreet van 12 september 1990 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 1 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 4, eerste en vijfde lid, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";
2° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "milieu-" vervangen door de zinsnede "omgevings-";
3° in paragraaf 5, eerste, derde en negende lid, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";
4° in paragraaf 6 wordt de zinsnede "decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, alle uitvoeringsbesluiten van dit decreet, evenals de bepalingen uit de betreffende milieuvergunning, door de exploitant van de hinderlijke inrichting" vervangen door de zinsnede "decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, alle uitvoeringsbesluiten van dit decreet, alsook de bepalingen uit de betreffende omgevingsvergunning, door de exploitant van de hinderlijke inrichting of activiteit".
1° in paragraaf 4, eerste en vijfde lid, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";
2° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "milieu-" vervangen door de zinsnede "omgevings-";
3° in paragraaf 5, eerste, derde en negende lid, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";
4° in paragraaf 6 wordt de zinsnede "decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, alle uitvoeringsbesluiten van dit decreet, evenals de bepalingen uit de betreffende milieuvergunning, door de exploitant van de hinderlijke inrichting" vervangen door de zinsnede "decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, alle uitvoeringsbesluiten van dit decreet, alsook de bepalingen uit de betreffende omgevingsvergunning, door de exploitant van de hinderlijke inrichting of activiteit".
Art.116. A l'article 32septies de la même loi, inséré par le décret du 13 juillet 1988, remplacé par le décret du 12 septembre 1990 et modifié en dernier lieu par le décret du 1er mars 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 4, premier et cinquième alinéas, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement ".
2° au paragraphe 4, les mots " l'autorisation écologique " et " une autorisation écologique " sont respectivement remplacés par " le permis d'environnement " et " un permis d'environnement " ;
3° au paragraphe 5, premier, troisième et neuvième alinéas, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement " ;
4° au paragraphe 6, le passage " décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique, tous les arrêtés d'exécution du présent décret, ainsi que les dispositions de l'autorisation écologique concernée, doivent être déversées par l'exploitant de l'établissement incommode " est remplacé par le passage " décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, tous les arrêtés d'exécution du présent décret, ainsi que les dispositions du permis d'environnement concerné, doivent être déversées par l'exploitant de l'installation ou activité incommode ".
1° au paragraphe 4, premier et cinquième alinéas, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement ".
2° au paragraphe 4, les mots " l'autorisation écologique " et " une autorisation écologique " sont respectivement remplacés par " le permis d'environnement " et " un permis d'environnement " ;
3° au paragraphe 5, premier, troisième et neuvième alinéas, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement " ;
4° au paragraphe 6, le passage " décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique, tous les arrêtés d'exécution du présent décret, ainsi que les dispositions de l'autorisation écologique concernée, doivent être déversées par l'exploitant de l'établissement incommode " est remplacé par le passage " décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, tous les arrêtés d'exécution du présent décret, ainsi que les dispositions du permis d'environnement concerné, doivent être déversées par l'exploitant de l'installation ou activité incommode ".
Art.117. In artikel 35bis, § 6, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 27 juni 2003, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".
Art.117. A l'article 35bis, § 6, premier alinéa, de la même loi, inséré par le décret du 27 juin 2003, dans la version néerlandaise du texte, les mots " milieuvergunning " sont remplacés par les mots " omgevingsvergunning ".
Art.118. In artikel 35ter van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 1990 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, eerste lid, a), wordt de zinsnede "het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid" en wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";
2° in paragraaf 2, eerste lid, b), paragraaf 4, 1°, tweede alinea, en paragraaf 4, 2°, tweede alinea, e), wordt de zinsnede "milieu-" vervangen door de zinsnede "omgevings-";
3° in paragraaf 4, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in punt 1°, tweede lid, wordt de zinsnede "milieu-" vervangen door de zinsnede "omgevings-";
b) in punt 2°, eerste lid, wordt de zinsnede "een milieudeskundige in de discipline water vermeld in hoofdstuk 1.3 van titel II van het Vlarem, die daarvoor is erkend overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater, die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid";
c) in punt 2°, tweede lid, e), wordt de zinsnede "milieu-" vervangen door de zinsnede "omgevings-";
4° in paragraaf 7, 3°, a), en 5°, a), wordt de zinsnede "een overeenkomstig titel I van het Vlarem als hinderlijk ingedeelde inrichting" vervangen door de zinsnede "een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel van 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid";
5° in paragraaf 8, tweede lid, a), en vierde lid, a), wordt de zinsnede "een overeenkomstig titel I van het Vlarem als hinderlijk ingedeelde inrichting" vervangen door de zinsnede "een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid";
6° in paragraaf 10 wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".
1° in paragraaf 2, eerste lid, a), wordt de zinsnede "het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid" en wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";
2° in paragraaf 2, eerste lid, b), paragraaf 4, 1°, tweede alinea, en paragraaf 4, 2°, tweede alinea, e), wordt de zinsnede "milieu-" vervangen door de zinsnede "omgevings-";
3° in paragraaf 4, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in punt 1°, tweede lid, wordt de zinsnede "milieu-" vervangen door de zinsnede "omgevings-";
b) in punt 2°, eerste lid, wordt de zinsnede "een milieudeskundige in de discipline water vermeld in hoofdstuk 1.3 van titel II van het Vlarem, die daarvoor is erkend overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater, die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid";
c) in punt 2°, tweede lid, e), wordt de zinsnede "milieu-" vervangen door de zinsnede "omgevings-";
4° in paragraaf 7, 3°, a), en 5°, a), wordt de zinsnede "een overeenkomstig titel I van het Vlarem als hinderlijk ingedeelde inrichting" vervangen door de zinsnede "een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel van 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid";
5° in paragraaf 8, tweede lid, a), en vierde lid, a), wordt de zinsnede "een overeenkomstig titel I van het Vlarem als hinderlijk ingedeelde inrichting" vervangen door de zinsnede "een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid";
6° in paragraaf 10 wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".
Art.118. A l'article 35ter de la même loi, inséré par le décret du 21 décembre 1990 et modifié en dernier lieu par le décret du 21 décembre 2012, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, premier alinéa, a), le passage " décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " et les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement ".
2° au paragraphe 2, premier alinéa, b), au paragraphe 4, 1°, deuxième alinéa, et au paragraphe 4, 2°, deuxième alinéa, e), le mot " écologique " est remplacé par le mot " environnementale " ;
3° au paragraphe 4, les modifications suivantes sont apportées :
a) au point 1°, deuxième alinéa, le mot " écologique " est remplacé par le mot " environnementale " ;
b) au point 2°, premier alinéa, le passage " un expert de l'environnement dans la discipline des eaux, visé au chapitre 1.3 du titre II du Vlarem, qui est agréé à cet effet conformément aux dispositions du chapitre IIIbis du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " un expert MER dans la discipline des eaux, sous-domaine des eaux de surface et des eaux usées, agréé à cet effet par le Gouvernement flamand en application des dispositions du titre V, chapitre 6, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " ;
c) au point 2°, deuxième alinéa, e), le mot " écologique " est remplacé par le mot " environnementale " ;
4° au paragraphe 7, 3°, a), et 5°, a), le passage " une installation incommode aux termes du titre Ier du Vlarem " est remplacé par le passage " une installation ou activité telle que visée dans la liste de classification, visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " ;
5° au paragraphe 8, deuxième alinéa, a), et quatrième alinéa, a), le passage " une installation incommode aux termes du titre Ier du Vlarem " est remplacé par le passage " une installation ou activité telle que visée dans la liste de classification, visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " ;
6° au paragraphe 10, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement ".
1° au paragraphe 2, premier alinéa, a), le passage " décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " et les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement ".
2° au paragraphe 2, premier alinéa, b), au paragraphe 4, 1°, deuxième alinéa, et au paragraphe 4, 2°, deuxième alinéa, e), le mot " écologique " est remplacé par le mot " environnementale " ;
3° au paragraphe 4, les modifications suivantes sont apportées :
a) au point 1°, deuxième alinéa, le mot " écologique " est remplacé par le mot " environnementale " ;
b) au point 2°, premier alinéa, le passage " un expert de l'environnement dans la discipline des eaux, visé au chapitre 1.3 du titre II du Vlarem, qui est agréé à cet effet conformément aux dispositions du chapitre IIIbis du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " un expert MER dans la discipline des eaux, sous-domaine des eaux de surface et des eaux usées, agréé à cet effet par le Gouvernement flamand en application des dispositions du titre V, chapitre 6, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " ;
c) au point 2°, deuxième alinéa, e), le mot " écologique " est remplacé par le mot " environnementale " ;
4° au paragraphe 7, 3°, a), et 5°, a), le passage " une installation incommode aux termes du titre Ier du Vlarem " est remplacé par le passage " une installation ou activité telle que visée dans la liste de classification, visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " ;
5° au paragraphe 8, deuxième alinéa, a), et quatrième alinéa, a), le passage " une installation incommode aux termes du titre Ier du Vlarem " est remplacé par le passage " une installation ou activité telle que visée dans la liste de classification, visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " ;
6° au paragraphe 10, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement ".
Art.119. In artikel 35quinquies van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 1990 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "milieu-" vervangen door de zinsnede "omgevings-" en wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";
2° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "milieu-" vervangen door de zinsnede "omgevings-" en wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";
2° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".
Art.119. A l'article 35quinquies de la même loi, inséré par le décret du 21 décembre 1990 et modifié en dernier lieu par le décret du 21 décembre 2012, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement " ;
2° au paragraphe 2, le passage " chapitre IIIbis du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " titre V, chapitre 6, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ".
1° au paragraphe 1, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement " ;
2° au paragraphe 2, le passage " chapitre IIIbis du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " titre V, chapitre 6, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ".
Art.120. In artikel 35sexies, § 4, van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 1990 en vervangen bij het decreet van 25 juni 1992, wordt de zinsnede "door een door de regering erkend laboratorium, zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de Milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "door een laboratorium dat daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".
Art.120. A l'article 35sexies, § 4, de la même loi, inséré par le décret du 21 décembre 1990 et remplacé par le décret du 25 juin 1992, le passage " par un laboratoire agréé par le gouvernement, tel que visé dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 février 1991 fixant le règlement flamand relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " par un laboratoire agréé à cet effet dans la Région flamande en application des dispositions du titre V, chapitre 6, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ".
Afdeling 3. - Wijzigingen van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder
Section 3. - Modifications à la loi du 18 juillet 1973 relative à la lutte contre le bruit
Art.121. In artikel 5 van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder, vervangen bij het decreet van 27 maart 2009, wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".
Art.121. A l'article 5 de la loi du 18 juillet 1973 relative à la lutte contre le bruit, remplacé par le décret du 27 mars 2009, le passage " chapitre IIIbis du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " titre V, chapitre 6, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ".
Art.122. In artikel 7 van dezelfde wet, vervangen bij het decreet van 27 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid";
2° in het tweede lid wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".
1° in het eerste lid wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid";
2° in het tweede lid wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".
Art.122. A l'article 7 de la même loi, remplacé par le décret du 27 mars 2009, les modifications suivantes sont apportées :
1° au premier alinéa, le passage " chapitre IIIbis du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " titre V, chapitre 6, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " ;
2° au deuxième alinéa, le passage " chapitre IIIbis du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " titre V, chapitre 6, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " ;
1° au premier alinéa, le passage " chapitre IIIbis du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " titre V, chapitre 6, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " ;
2° au deuxième alinéa, le passage " chapitre IIIbis du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " titre V, chapitre 6, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " ;
Afdeling 4. - Wijzigingen van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten
Section 4. - Modifications au décret du 3 mars 1976 réglant la protection des monuments et des sites urbains et ruraux
Art.123. In artikel 11 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het laatst gewijzigd bij het decreet van 27 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 4 worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
2° in paragraaf 4, derde lid, wordt de zinsnede "de stedenbouwkundige melding, vermeld in artikelen 94 en 96, § 1, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening" telkens vervangen door de zinsnede "de melding voor stedenbouwkundige handelingen, vermeld in artikel 4.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening";
3° in paragraaf 4/1, 4/2 en 4/3 worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
4° in paragraaf 4/2, derde lid, wordt de zinsnede "door het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening" vervangen door de zinsnede "door het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".
1° in paragraaf 4 worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
2° in paragraaf 4, derde lid, wordt de zinsnede "de stedenbouwkundige melding, vermeld in artikelen 94 en 96, § 1, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening" telkens vervangen door de zinsnede "de melding voor stedenbouwkundige handelingen, vermeld in artikel 4.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening";
3° in paragraaf 4/1, 4/2 en 4/3 worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
4° in paragraaf 4/2, derde lid, wordt de zinsnede "door het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening" vervangen door de zinsnede "door het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".
Art.123. A l'article 11 du décret du 3 mars 1976 réglant la protection des monuments et des sites urbains et ruraux, modifié en dernier lieu par le décret du 27 mars 2009, les modifications suivantes sont apportées ;
1° au paragraphe 4, les mots " autorisation urbanistique " sont chaque fois remplacés par les mots " permis d'environnement pour actes urbanistiques " ;
2° au paragraphe 4, troisième alinéa, le passage " dans la déclaration urbanistique mentionnée dans les articles 94 et 96, § 1er, premier alinéa, du décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire " est chaque fois remplacé par le passage " la déclaration pour les actes urbanistiques, visée à l'article 4.2.2 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire " ;
3° au paragraphe 4/1, 4/2 et 4/3, les mots " autorisation urbanistique " sont chaque fois remplacés par les mots " permis d'environnement pour les actes urbanistiques " ;
4° au paragraphe 4/2, troisième alinéa, le passage " par le décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire " est remplacé par le passage " par le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ".
1° au paragraphe 4, les mots " autorisation urbanistique " sont chaque fois remplacés par les mots " permis d'environnement pour actes urbanistiques " ;
2° au paragraphe 4, troisième alinéa, le passage " dans la déclaration urbanistique mentionnée dans les articles 94 et 96, § 1er, premier alinéa, du décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire " est chaque fois remplacé par le passage " la déclaration pour les actes urbanistiques, visée à l'article 4.2.2 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire " ;
3° au paragraphe 4/1, 4/2 et 4/3, les mots " autorisation urbanistique " sont chaque fois remplacés par les mots " permis d'environnement pour les actes urbanistiques " ;
4° au paragraphe 4/2, troisième alinéa, le passage " par le décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire " est remplacé par le passage " par le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ".
Art.124. In artikel 12/2, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 27 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning voor het slopen" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het slopen";
2° in het tweede lid wordt de zinsnede "artikelen 119 en 120 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening" vervangen door de zinsnede "artikel 4.3.3 en 4.3.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening" en worden de woorden "stedenbouwkundige vergunningsprocedure" vervangen door het woord "omgevingsvergunningsprocedure".
1° in het eerste lid worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning voor het slopen" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het slopen";
2° in het tweede lid wordt de zinsnede "artikelen 119 en 120 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening" vervangen door de zinsnede "artikel 4.3.3 en 4.3.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening" en worden de woorden "stedenbouwkundige vergunningsprocedure" vervangen door het woord "omgevingsvergunningsprocedure".
Art.124. A l'article 12/2, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 27 mars 2009, les modifications suivantes sont apportées :
1° au premier alinéa, les mots " autorisation urbanistique " sont chaque fois remplacés par les mots " permis d'environnement pour la démolition " ;
2° au deuxième alinéa, le passage " articles 119 et 120 du décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire " est remplacé par le passage " article 4.3.3 et 4.3.4 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire " et les mots " procédure d'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " procédure d'autorisation environnementale ".
1° au premier alinéa, les mots " autorisation urbanistique " sont chaque fois remplacés par les mots " permis d'environnement pour la démolition " ;
2° au deuxième alinéa, le passage " articles 119 et 120 du décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire " est remplacé par le passage " article 4.3.3 et 4.3.4 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire " et les mots " procédure d'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " procédure d'autorisation environnementale ".
Afdeling 5. - Wijzigingen van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer
Section 5. - Modifications au décret du 24 janvier 1984 portant des mesures en matière de gestion des eaux souterraines
Art.125. In artikel 7, § 2, vijfde lid, van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer, worden de woorden "Bestendige Deputatie van de provincie" vervangen door het woord "deputatie".
Art.125. A l'article 7, § 2, cinquième alinéa, du décret du 24 janvier 1984 portant des mesures en matière de gestion des eaux souterraines, les mots " Députation permanente de la province " sont remplacés par le mot " députation ".
Art.126. In artikel 9, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 20 december 1996 en vervangen bij het decreet van 1 maart 2013, wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".
Art.126. A l'article 9, deuxième alinéa, du même décret, inséré par le décret du 20 décembre 1996 et remplacé par le décret du 1er mars 2013, le passage " chapitre IIIbis du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " titre V, chapitre 6, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ".
Art.127. In artikel 12 van hetzelfde decreet, hersteld bij het decreet van 1 maart 2013, wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".
Art.127. A l'article 12 du même décret, rétabli par le décret du 1er mars 2013, le passage " chapitre IIIbis du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " titre V, chapitre 6, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ".
Art.128. In artikel 28ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 20 december 1996, vervangen bij het decreet van 22 december 1999 en gewijzigd bij de decreten van 21 december 2001, 7 mei 2004, 18 december 2009 en 23 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, 7°, a), wordt de zinsnede "een milieudeskundige die overeenkomstig titel II van het Vlarem is erkend in de discipline grondwater" vervangen door de zinsnede "een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid";
2° in paragraaf 3, eerste lid, 1°, a) en b), wordt de zinsnede "het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".
1° in paragraaf 2, 7°, a), wordt de zinsnede "een milieudeskundige die overeenkomstig titel II van het Vlarem is erkend in de discipline grondwater" vervangen door de zinsnede "een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid";
2° in paragraaf 3, eerste lid, 1°, a) en b), wordt de zinsnede "het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".
Art.128. A l'article 28ter du même décret, inséré par le décret du 20 décembre 1996, remplacé par le décret du22 décembre 1999 et modifié par les décrets des 7 mai 2004, 18 décembre 2009 et 23 décembre 2011, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, 7°, a), le passage " un expert de l'environnement qui, conformément au titre II du Vlarem, est agréé dans la discipline des eaux souterraines " est remplacé par le passage " un expert MER dans la discipline des eaux, sous-domaine de la géohydrologie, agréé à cet effet par le Gouvernement flamand en application des dispositions du titre V, chapitre 6, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " ;
2° au paragraphe 3, premier alinéa, 1°, a) et b), le passage " le décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ".
1° au paragraphe 2, 7°, a), le passage " un expert de l'environnement qui, conformément au titre II du Vlarem, est agréé dans la discipline des eaux souterraines " est remplacé par le passage " un expert MER dans la discipline des eaux, sous-domaine de la géohydrologie, agréé à cet effet par le Gouvernement flamand en application des dispositions du titre V, chapitre 6, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " ;
2° au paragraphe 3, premier alinéa, 1°, a) et b), le passage " le décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ".
Art.129. In artikel 28quater, § 2, 2°, 1) en 2), van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 20 december 1996 en vervangen bij het decreet van 23 december 2010, worden de woorden "van het Vlarem" vervangen door de zinsnede "van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".
Art.129. A l'article 28quater, § 2, 2°, 1) et 2), du même décret, inséré par le décret du 20 décembre 1996 et remplacé par le décret du 23 décembre 2010, les mots " du Vlarem " sont remplacés par le passage " du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ".
Art.130. In artikel 28quinquies, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 20 december 1996, vervangen bij het decreet van 22 december 2000 en gewijzigd bij het decreet van 9 juli 2010, wordt de zinsnede "het decreet betreffende de milieuvergunning d.d. 28 juni 1985" vervangen door de zinsnede "titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".
Art.130. A l'article 28quinquies, § 1er, premier alinéa, du même décret, inséré par le décret du 20 décembre 1996, remplacé par le décret du 22 décembre 2000 et modifié par le décret du 9 juillet 2010, le passage " décret relatif à l'autorisation écologique du 28 juin 1985 " est remplacé par le passage " titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ".
Afdeling 6. - Wijzigingen van het Bosdecreet van 13 juni 1990
Section 6. - Modifications au Décret forestier du 13 juin 1990
Art.131. In artikel 47, tweede lid, van het Bosdecreet van 13 juni 1990, vervangen bij het decreet van 21 oktober 1997 en gewijzigd bij de decreten van 10 maart 2006, 12 december 2008, 20 april 2012 en 11 mei 2012, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunningsplicht voor ontbossing" vervangen door de woorden "de vergunningsplicht voor ontbossing".
Art.131. A l'article 47, deuxième alinéa, du Décret forestier du 13 juin 1990, remplacé par le décret du 21 octobre 1997 et modifié par les décrets des 10 mars 2006, 12 décembre 2008, 20 avril 2012 et 11 mai 2012, les mots " l'obligation d'autorisation urbanistique pour le déboisement " sont remplacés par les mots " l'obligation d'autorisation pour le déboisement ".
Art.132. In artikel 87, vijfde lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 10 maart 2006, 7 december 2007, 20 april 2012 en 11 mei 2012, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunningsplicht voor ontbossing" vervangen door de woorden "de vergunningsplicht voor ontbossing".
Art.132. A l'article 87, cinquième alinéa, du même décret, modifié par les décrets des 10 mars 2006, 7 décembre 2007, 20 avril 2012 et 11 mai 2012, les mots " l'obligation d'autorisation urbanistique pour le déboisement " sont remplacés par les mots " l'obligation d'autorisation pour le déboisement "
Art.133. In artikel 90bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 oktober 1997, vervangen bij het decreet van 17 juli 2000 en gewijzigd bij de decreten van 21 december 2001, 7 december 2007, 12 december 2008, 23 december 2010 en 20 april 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door het woord "een omgevingsvergunning", worden de woorden "Een stedenbouwkundige vergunning voor ontbossing of een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "Een omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden" en wordt de zinsnede "de artikelen 4.1.1, 5°, 4.4.7, § 2, en 4.7.1, § 2," vervangen door de zinsnede "artikel 4.1.1, 5°, en artikel 4.4.7, § 2,";
2° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing of de verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden";
3° in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing of een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden";
4° in paragraaf 2, 1°, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor ontbossing";
5° in paragraaf 3, derde lid, worden de woorden "De stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing" vervangen door de woorden "De vergunning tot ontbossing";
6° in paragraaf 5, eerste lid, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning tot ontbossen" vervangen door de woorden "de vergunning tot ontbossing";
7° in paragraaf 5, derde lid, wordt de zinsnede "adviestermijn, zoals bepaald in artikelen 4.7.16 en 4.7.26, § 4, 2°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening," vervangen door de zinsnede "adviestermijn, vermeld in artikel 26 en 43 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning,".
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door het woord "een omgevingsvergunning", worden de woorden "Een stedenbouwkundige vergunning voor ontbossing of een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "Een omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden" en wordt de zinsnede "de artikelen 4.1.1, 5°, 4.4.7, § 2, en 4.7.1, § 2," vervangen door de zinsnede "artikel 4.1.1, 5°, en artikel 4.4.7, § 2,";
2° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing of de verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden";
3° in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing of een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden";
4° in paragraaf 2, 1°, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor ontbossing";
5° in paragraaf 3, derde lid, worden de woorden "De stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing" vervangen door de woorden "De vergunning tot ontbossing";
6° in paragraaf 5, eerste lid, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning tot ontbossen" vervangen door de woorden "de vergunning tot ontbossing";
7° in paragraaf 5, derde lid, wordt de zinsnede "adviestermijn, zoals bepaald in artikelen 4.7.16 en 4.7.26, § 4, 2°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening," vervangen door de zinsnede "adviestermijn, vermeld in artikel 26 en 43 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning,".
Art.133. A l'article 90bis du même décret, inséré par le décret du 21 octobre 1997, remplacé par le décret du 17 juillet 2000 et modifié par les décrets des 21 décembre 2001, 7 décembre 2007, 12 décembre 2008, 23 décembre 2010 et 20 avril 2012, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, premier alinéa, les mots " une autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement ", les mots " Un permis d'urbanisme de déboisement ou un permis de lotir " sont remplacés par les mots " Un permis d'environnement pour le déboisement ou le lotissement de sols " et le passage " aux articles 4.1.1, 5°, 4.4.7, § 2, et 4.7.1, § 2, " est remplacé par le passage " aux articles 4.1.1, 5°, et 4.4.7, § 2, " ;
2° au paragraphe 1er, deuxième alinéa, les mots " permis d'urbanisme de déboisement ou le permis de lotir " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour le déboisement ou le lotissement de sols " ;
3° au paragraphe 1er, troisième alinéa, les mots " permis d'urbanisme de déboisement ou un permis de lotir " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour le déboisement ou le lotissement de sols " ;
4° au paragraphe 2, 1°, les mots " autorisation urbanistique de déboisement " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour le déboisement " ;
5° au paragraphe 3, troisième alinéa, le passage " L'autorisation urbanistique de déboisement d'un terrain situé dans un lotissement visé au § 2, 2°, n'est ni soumise " est remplacé par le passage " Le permis d'environnement de déboisement d'un terrain situé dans un lotissement visé au § 2, 2°, n'est ni soumis " ;
6° au paragraphe 3 premier alinéa, le passage " de l'autorisation urbanistique de déboisement " est remplacé par le passage " du permis d'environnement de déboisement " ;
7° au paragraphe 5, troisième alinéa, le passage " délai d'avis, tel que visé aux articles 4.7.16 et 4.7.26, § 4, 2°, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, " est remplacé par le passage " délai d'avis, visé aux articles 26 et 43 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, ".
1° au paragraphe 1er, premier alinéa, les mots " une autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement ", les mots " Un permis d'urbanisme de déboisement ou un permis de lotir " sont remplacés par les mots " Un permis d'environnement pour le déboisement ou le lotissement de sols " et le passage " aux articles 4.1.1, 5°, 4.4.7, § 2, et 4.7.1, § 2, " est remplacé par le passage " aux articles 4.1.1, 5°, et 4.4.7, § 2, " ;
2° au paragraphe 1er, deuxième alinéa, les mots " permis d'urbanisme de déboisement ou le permis de lotir " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour le déboisement ou le lotissement de sols " ;
3° au paragraphe 1er, troisième alinéa, les mots " permis d'urbanisme de déboisement ou un permis de lotir " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour le déboisement ou le lotissement de sols " ;
4° au paragraphe 2, 1°, les mots " autorisation urbanistique de déboisement " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour le déboisement " ;
5° au paragraphe 3, troisième alinéa, le passage " L'autorisation urbanistique de déboisement d'un terrain situé dans un lotissement visé au § 2, 2°, n'est ni soumise " est remplacé par le passage " Le permis d'environnement de déboisement d'un terrain situé dans un lotissement visé au § 2, 2°, n'est ni soumis " ;
6° au paragraphe 3 premier alinéa, le passage " de l'autorisation urbanistique de déboisement " est remplacé par le passage " du permis d'environnement de déboisement " ;
7° au paragraphe 5, troisième alinéa, le passage " délai d'avis, tel que visé aux articles 4.7.16 et 4.7.26, § 4, 2°, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, " est remplacé par le passage " délai d'avis, visé aux articles 26 et 43 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, ".
Afdeling 7. - Wijzigingen van het decreet van 14 juli 1993 tot oprichting van het Grindfonds en tot regeling van de grindwinning
Section 7. - Modifications au décret du 14 juillet 1993 portant création d'un Fonds gravier et réglant l'exploitation de gravier
Art.134. In artikel 14bis, derde lid, van het decreet van 14 juli 1993 tot oprichting van het Grindfonds en tot regeling van de grindwinning, ingevoegd bij het decreet van 3 april 2009, worden de woorden "houder van de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "houder van de omgevingsvergunning".
Art.134. A l'article 14bis, troisième alinéa, du décret du 14 juillet 1993 portant création d'un Fonds gravier et réglant l'exploitation de gravier, inséré par le décret du 3 avril 2009, les mots " détenteur de l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " détenteur du permis d'environnement ".
Art.135. In artikel 20bis, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 3 april 2009, worden de woorden "houder van de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "houder van de omgevingsvergunning".
Art.135. A l'article 20bis, deuxième alinéa, du même décret, inséré par le décret du 3 avril 2009, les mots " détenteur de l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " détenteur du permis d'environnement ".
Afdeling 8. - Wijzigingen van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
Section 8. - Modifications du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
Art.136. In artikel 2.1.16 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt het woord "bestendige" opgeheven;
2° in paragraaf 2 wordt het woord "milieuvergunningscommissie" vervangen door het woord "omgevingsvergunningscommissie".
1° in paragraaf 1 wordt het woord "bestendige" opgeheven;
2° in paragraaf 2 wordt het woord "milieuvergunningscommissie" vervangen door het woord "omgevingsvergunningscommissie".
Art.136. Les modifications suivantes sont apportées à l'article 2.1.16 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement :
1° au paragraphe 1er, le mot " permanente " est abrogé ;
2° au paragraphe 2, les mots " des autorisations écologiques " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement ".
1° au paragraphe 1er, le mot " permanente " est abrogé ;
2° au paragraphe 2, les mots " des autorisations écologiques " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement ".
Art.137. In artikel 2.1.17 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt het woord "milieuvergunningscommissie" vervangen door het woord "omgevingsvergunningscommissie";
2° in paragraaf 1 en 2 wordt het woord "bestendige" telkens opgeheven.
1° in paragraaf 1 wordt het woord "milieuvergunningscommissie" vervangen door het woord "omgevingsvergunningscommissie";
2° in paragraaf 1 en 2 wordt het woord "bestendige" telkens opgeheven.
Art.137. A l'article 2.1.17 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, les mots " des autorisations écologiques " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement " ;
2° aux paragraphes 1er et 2, le mot " permanente " est chaque fois abrogé.
1° au paragraphe 1er, les mots " des autorisations écologiques " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement " ;
2° aux paragraphes 1er et 2, le mot " permanente " est chaque fois abrogé.
Art.138. In artikel 2.1.19, § 1, van hetzelfde decreet wordt het woord "bestendige" opgeheven.
Art.138. A l'article 2.1.19, § 1er, du même décret, le mot " permanente " est abrogé.
Art.139. In artikel 2.1.23 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt het woord "milieuvergunningscommissie" vervangen door het woord "omgevingsvergunningscommissie";
2° in paragraaf 1, paragraaf 3, tweede lid, en paragraaf 6 wordt het woord "bestendige" telkens opgeheven.
1° in paragraaf 1 wordt het woord "milieuvergunningscommissie" vervangen door het woord "omgevingsvergunningscommissie";
2° in paragraaf 1, paragraaf 3, tweede lid, en paragraaf 6 wordt het woord "bestendige" telkens opgeheven.
Art.139. A l'article 2.1.23 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, les mots " des autorisations écologiques " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement " ;
2° au paragraphe 1er, au paragraphe 3, deuxième alinéa, et au paragraphe 6, le mot " permanente " est chaque fois abrogé.
1° au paragraphe 1er, les mots " des autorisations écologiques " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement " ;
2° au paragraphe 1er, au paragraphe 3, deuxième alinéa, et au paragraphe 6, le mot " permanente " est chaque fois abrogé.
Art.140. In artikel 2.1.23bis, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 28 april 2006, wordt het woord "bestendige" opgeheven.
Art.140. A l'article 2.1.23bis, § 2, du même décret, inséré par le décret du 28 avril 2006, le mot " permanente " est abrogé.
Art.141. In artikel 3.1.2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij de decreten van 18 december 2002 en 21 december 2007, worden punt 1° en 2° vervangen door wat volgt:
"1° inrichtingen en activiteiten: de inrichtingen en activiteiten, vermeld in artikel 5.1.1, 8°, en artikel 5.1.1, 1° ;
2° vergunningverlenende overheid: de overheid die de omgevingsvergunning, vermeld in het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, kan afleveren;".
"1° inrichtingen en activiteiten: de inrichtingen en activiteiten, vermeld in artikel 5.1.1, 8°, en artikel 5.1.1, 1° ;
2° vergunningverlenende overheid: de overheid die de omgevingsvergunning, vermeld in het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, kan afleveren;".
Art.141. A l'article 3.1.2 du même décret, remplacé par le décret du 19 avril 1995 et modifié par les décrets des 18 décembre 2002 et 21 décembre 2007, les points 1° et 2° sont remplacés par ce qui suit :
" 1° établissements et activités : les établissements et activités mentionnés à l'article 5.1.1, 8°, et à l'article 5.1.1, 1° ;
2° autorité délivrant l'autorisation : l'autorité qui peut délivrer le permis d'environnement, visé dans le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ; ".
" 1° établissements et activités : les établissements et activités mentionnés à l'article 5.1.1, 8°, et à l'article 5.1.1, 1° ;
2° autorité délivrant l'autorisation : l'autorité qui peut délivrer le permis d'environnement, visé dans le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ; ".
Art.142. In artikel 3.2.1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij de decreten van 27 maart 2009 en 23 december 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, 3, 4, 5, eerste lid, en paragraaf 11 wordt het woord "inrichtingen" telkens vervangen door de woorden "inrichtingen of activiteiten";
2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
" § 2. De Vlaamse Regering wijst de inrichtingen of activiteiten van de tweede klasse aan waarvoor de exploitant een milieucoördinator moet aanstellen.";
3° in paragraaf 3 wordt het woord "inrichting" vervangen door de woorden "inrichting of activiteit";
4° in paragraaf 11, tweede lid, wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6".
1° in paragraaf 1, 3, 4, 5, eerste lid, en paragraaf 11 wordt het woord "inrichtingen" telkens vervangen door de woorden "inrichtingen of activiteiten";
2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
" § 2. De Vlaamse Regering wijst de inrichtingen of activiteiten van de tweede klasse aan waarvoor de exploitant een milieucoördinator moet aanstellen.";
3° in paragraaf 3 wordt het woord "inrichting" vervangen door de woorden "inrichting of activiteit";
4° in paragraaf 11, tweede lid, wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6".
Art.142. A l'article 3.2.1 du même décret, inséré par le décret du19 avril 1995 et modifié par les décrets des 27 mars 2009 et 23 décembre 2010, les modifications suivantes sont apportées :
1° aux paragraphes 1er, 3, 4, 5, premier alinéa, et 11, le mot " établissements " est chaque fois remplacé par les mots " établissements et activités " ;
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Le Gouvernement flamand désigne les établissements ou activités de deuxième classe pour lesquels l'exploitant doit désigner un coordinateur environnemental. " ;
3° au paragraphe 3, le mot " établissement " est remplacé par les mots " établissement ou activité " ;
4° au paragraphe 11, deuxième alinéa, le passage " chapitre IIIbis du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " titre V, chapitre 6 ".
1° aux paragraphes 1er, 3, 4, 5, premier alinéa, et 11, le mot " établissements " est chaque fois remplacé par les mots " établissements et activités " ;
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Le Gouvernement flamand désigne les établissements ou activités de deuxième classe pour lesquels l'exploitant doit désigner un coordinateur environnemental. " ;
3° au paragraphe 3, le mot " établissement " est remplacé par les mots " établissement ou activité " ;
4° au paragraphe 11, deuxième alinéa, le passage " chapitre IIIbis du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " titre V, chapitre 6 ".
Art.143. In artikel 3.2.2, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2011 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt e) wordt het woord "inrichting" vervangen door de woorden "inrichting of activiteit";
2° er wordt een punt f) toegevoegd, dat luidt als volgt:
"f) medewerking te verlenen en informatie aan te reiken bij de uitvoering van de evaluaties, vermeld in artikel 5.4.11.".
1° in punt e) wordt het woord "inrichting" vervangen door de woorden "inrichting of activiteit";
2° er wordt een punt f) toegevoegd, dat luidt als volgt:
"f) medewerking te verlenen en informatie aan te reiken bij de uitvoering van de evaluaties, vermeld in artikel 5.4.11.".
Art.143. A l'article 3.2.2, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 19 avril 1995 et modifié par le décret du 23 décembre 2011, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point e), le mot " établissement " est remplacé par les mots " établissement ou activité " ;
2° un point f) est ajouté et énoncé comme suit :
" f) il offre sa collaboration et procure des informations pour l'exécution des évaluations, visées à l'article 5.4.11. ".
1° au point e), le mot " établissement " est remplacé par les mots " établissement ou activité " ;
2° un point f) est ajouté et énoncé comme suit :
" f) il offre sa collaboration et procure des informations pour l'exécution des évaluations, visées à l'article 5.4.11. ".
Art.144. In artikel 3.2.3, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995, worden de woorden "sectorale voorwaarden" vervangen door de woorden "sectorale milieuvoorwaarden".
Art.144. A l'article 3.2.3, § 2, du même décret, inséré par le décret du 19 avril 1995, les mots " conditions sectorielles " sont remplacés par les mots " conditions environnementales sectorielles ".
Art.145. Aan hoofdstuk II van titel III van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij de decreten van 27 maart 2009, 23 december 2010 en 23 december 2011, wordt een artikel 3.2.6 toegevoegd dat luidt als volgt:
"Art. 3.2.6. De Vlaamse Regering bepaalt de informatie die in het kader van de toepassing van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en van titel V door de vergunningverlenende overheid, de exploitant of de milieucoördinator aan het Comité voor preventie en bescherming op het werk, bij ontstentenis daarvan aan de vakbondsafvaardiging of de werknemers, ter beschikking moet worden gesteld.
De Vlaamse Regering kan nadere regels uitvaardigen met het oog op het overleg over de bedrijfsinterne milieuzorg in de onderneming tussen de exploitant, afgevaardigde of de milieucoördinator enerzijds en het Comité voor preventie en bescherming op het werk, bij ontstentenis daarvan de vakbondsafvaardiging of de werknemers, anderzijds.".
"Art. 3.2.6. De Vlaamse Regering bepaalt de informatie die in het kader van de toepassing van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en van titel V door de vergunningverlenende overheid, de exploitant of de milieucoördinator aan het Comité voor preventie en bescherming op het werk, bij ontstentenis daarvan aan de vakbondsafvaardiging of de werknemers, ter beschikking moet worden gesteld.
De Vlaamse Regering kan nadere regels uitvaardigen met het oog op het overleg over de bedrijfsinterne milieuzorg in de onderneming tussen de exploitant, afgevaardigde of de milieucoördinator enerzijds en het Comité voor preventie en bescherming op het werk, bij ontstentenis daarvan de vakbondsafvaardiging of de werknemers, anderzijds.".
Art.145. Au chapitre II du titre III du même décret inséré par le décret du 19 avril 1995 et modifié par les décrets du 27 mars 2009, 23 décembre 2010 et 23 décembre 2011, un article 3.2.6 est ajouté et énoncé comme suit :
" Art. 3.2.6. Le Gouvernement flamand détermine les informations qui, dans le cadre de l'application du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement et du titre V, doit être mise à disposition du Comité pour la prévention et la protection au travail ou, à défaut, à la délégation syndicale ou aux travailleurs par l'autorité délivrant l'autorisation, l'exploitant ou le coordinateur environnemental.
Le Gouvernement flamand peut promulguer des règles en vue de la concertation relative à la protection de l'environnement au sein de l'entreprise entre l'exploitant, le délégué ou le coordinateur environnemental, d'une part, et le Comité pour la prévention et la protection au travail ou, à défaut, la délégation syndicale ou les travailleurs, d'autre part. ".
" Art. 3.2.6. Le Gouvernement flamand détermine les informations qui, dans le cadre de l'application du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement et du titre V, doit être mise à disposition du Comité pour la prévention et la protection au travail ou, à défaut, à la délégation syndicale ou aux travailleurs par l'autorité délivrant l'autorisation, l'exploitant ou le coordinateur environnemental.
Le Gouvernement flamand peut promulguer des règles en vue de la concertation relative à la protection de l'environnement au sein de l'entreprise entre l'exploitant, le délégué ou le coordinateur environnemental, d'une part, et le Comité pour la prévention et la protection au travail ou, à défaut, la délégation syndicale ou les travailleurs, d'autre part. ".
Art.146. In artikel 3.3.2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij de decreten van 6 februari 2004 en 27 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt het woord "inrichtingen" telkens vervangen door de woorden "inrichtingen of activiteiten";
2° in paragraaf 5 wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6".
1° in paragraaf 1 wordt het woord "inrichtingen" telkens vervangen door de woorden "inrichtingen of activiteiten";
2° in paragraaf 5 wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6".
Art.146. A l'article 3.3.2 du même décret, inséré par le décret du 19 avril 1995 et modifié par les décrets des 6 février 2004 et 27 mars 2009, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, le mot " établissements " est chaque fois remplacé par les mots " établissements ou activités " ;
2° au paragraphe 5, le passage " chapitre IIIbis du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " titre V, chapitre 6 ".
1° au paragraphe 1er, le mot " établissements " est chaque fois remplacé par les mots " établissements ou activités " ;
2° au paragraphe 5, le passage " chapitre IIIbis du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " titre V, chapitre 6 ".
Art.147. In artikel 3.4.1, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995, wordt het woord "inrichting" telkens vervangen door de woorden "inrichting of activiteit" en worden de woorden "sectorale voorwaarden" vervangen door de woorden "sectorale milieuvoorwaarden".
Art.147. A l'article 3.4.1, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 19 avril 1995, le mot " établissement " est chaque fois remplacé par les mots " établissement ou activité " et les mots " conditions sectorielles " sont remplacés par les mots " conditions environnementales sectorielles ".
Art.148. In artikel 3.4.2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij het decreet van 21 december 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt het woord "inrichting" telkens vervangen door de woorden "inrichting of activiteit" en worden de woorden "sectorale voorwaarden" vervangen door de woorden "sectorale milieuvoorwaarden";
2° in paragraaf 2 wordt het woord "inrichting" vervangen door de woorden "inrichting of activiteit".
1° in paragraaf 1 wordt het woord "inrichting" telkens vervangen door de woorden "inrichting of activiteit" en worden de woorden "sectorale voorwaarden" vervangen door de woorden "sectorale milieuvoorwaarden";
2° in paragraaf 2 wordt het woord "inrichting" vervangen door de woorden "inrichting of activiteit".
Art.148. A l'article 3.4.2 du même décret, inséré par le décret du 19 avril 1995 et modifié par le décret du 21 décembre 2007, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, le mot " établissement " est chaque fois remplacé par les mots " établissement ou activité " et les mots " conditions sectorielles " sont remplacés par les mots " conditions environnementales sectorielles ".
2° au paragraphe 2, le mot " établissement " est remplacé par les mots " établissement ou activité ".
1° au paragraphe 1er, le mot " établissement " est chaque fois remplacé par les mots " établissement ou activité " et les mots " conditions sectorielles " sont remplacés par les mots " conditions environnementales sectorielles ".
2° au paragraphe 2, le mot " établissement " est remplacé par les mots " établissement ou activité ".
Art.149. In artikel 3.4.3, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2011, wordt de zinsnede "sectorale voorwaarden of in de vergunning, de exploitant van een inrichting" vervangen door de zinsnede "sectorale milieuvoorwaarden of in de omgevingsvergunning, de exploitant van een inrichting of activiteit".
Art.149. A l'article 3.4.3, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 19 avril 1995 et modifié par le décret du 23 décembre 2011, le passage " l'exploitant peut être obligé, par voies de conditions générales ou sectorielles " est remplacé par le passage " l'exploitant d'un établissement ou d'une activité peut être obligé, par voie de conditions générales ou environnementales sectorielles ".
Art.150. In artikel 3.5.1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt het woord "inrichtingen" vervangen door de woorden "inrichtingen of activiteiten" en worden de woorden "sectorale voorwaarden" vervangen door de woorden "sectorale milieuvoorwaarden";
2° in het tweede lid wordt het woord "inrichtingen" vervangen door de woorden "inrichtingen of activiteiten".
1° in het eerste lid wordt het woord "inrichtingen" vervangen door de woorden "inrichtingen of activiteiten" en worden de woorden "sectorale voorwaarden" vervangen door de woorden "sectorale milieuvoorwaarden";
2° in het tweede lid wordt het woord "inrichtingen" vervangen door de woorden "inrichtingen of activiteiten".
Art.150. A l'article 3.5.1 du même décret, inséré par le décret du 19 avril 1995 et modifié par le décret du23 décembre 2011, les modifications suivantes sont apportées :
1° au premier alinéa, le mot " établissements " est chaque fois remplacé par les mots " établissements ou activités " et les mots " conditions sectorielles " sont remplacés par les mots " conditions environnementales sectorielles ".
2° au deuxième alinéa, le mot " établissements " est chaque fois remplacé par les mots " établissements ou activités ".
1° au premier alinéa, le mot " établissements " est chaque fois remplacé par les mots " établissements ou activités " et les mots " conditions sectorielles " sont remplacés par les mots " conditions environnementales sectorielles ".
2° au deuxième alinéa, le mot " établissements " est chaque fois remplacé par les mots " établissements ou activités ".
Art.151. In artikel 3.7.1, § 1 en § 3, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij het decreet van 21 december 2007, wordt het woord "inrichting" vervangen door de woorden "inrichting of activiteit".
Art.151. A l'article 3.7.1, § 1er et § 3 du même décret, inséré par le décret du 19 avril 1995 et modifié par le décret du 21 décembre 2007, le mot " établissement " est remplacé par les mots " établissement ou activité ".
Art.152. In artikel 4.1.1, § 1, 13°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij het decreet van 12 december 2008, wordt in punt 13° de zinsnede "overeenkomstig artikelen 41, 44 en 48 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening" telkens vervangen door de zinsnede "overeenkomstig de artikelen 2.2.6, 2.2.9 en 2.2.13 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening".
Art.152. A l'article 4.1.1, § 1er, 13°, du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2002 et modifié par le décret du 12 décembre 2008, le passage " conformément aux articles 41, 44 et 48 du décret 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire " est chaque fois remplacé par le passage " conformément aux articles 2.2.6, 2.2.9 et 2.2.13 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ".
Art.153. In artikel 4.1.6, § 1, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij het decreet van 27 april 2007, wordt de zinsnede "4.3.5, § 1, en 4.5.3, § 1" vervangen door de zinsnede "of in voorkomend geval bij haar advies als vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid, en artikel 4.5.2, § 4".
Art.153. A l'article 4.1.6, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2002 et modifié par le décret du 27 avril 2007, le passage " 4.3.5, § 1er, et 4.5.3, § 1er " est remplacé par le passage " ou, le cas échéant, dans son avis tel que mentionné à l'article 4.3.4, § 4, deuxième alinéa, et l'article 4.5.2, § 4 ".
Art.154. In artikel 4.1.7, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt het woord "daarover" vervangen door de woorden "over het rapport of de rapporten".
Art.154. A l'article 4.1.7, premier alinéa, du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2002, les mots " à ce sujet " sont remplacés par les mots " au sujet du rapport ou des rapports ".
Art.155. In artikel 4.3.2, § 1, § 2, § 2bis, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 23 maart 2012, wordt het tweede lid telkens vervangen door wat volgt:
"De verplichting tot het uitvoeren van een project-m.e.r. geldt niet voor de loutere hernieuwing van de omgevingsvergunning en de omzetting, vermeld in artikel 70 respectievelijk 390 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, tenzij de loutere hernieuwing van de vergunning of de omzetting betrekking heeft op activiteiten die fysieke ingrepen in het leefmilieu tot gevolg hebben.".
"De verplichting tot het uitvoeren van een project-m.e.r. geldt niet voor de loutere hernieuwing van de omgevingsvergunning en de omzetting, vermeld in artikel 70 respectievelijk 390 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, tenzij de loutere hernieuwing van de vergunning of de omzetting betrekking heeft op activiteiten die fysieke ingrepen in het leefmilieu tot gevolg hebben.".
Art.155. A l'article 4.3.2, § 1er, § 2, § 2bis, du même décret, inséré par le décret du 23 mars 2012, le deuxième alinéa est chaque fois remplacé par ce qui suit :
" L'obligation d'exécution d'un projet MER n'est pas applicable au simple renouvellement du permis d'environnement et à la conversion, visés respectivement aux articles 70 et 390, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, à moins que le simple renouvellement ou la conversion porte sur des activités qui entraînent des interventions physiques dans le milieu naturel. ".
" L'obligation d'exécution d'un projet MER n'est pas applicable au simple renouvellement du permis d'environnement et à la conversion, visés respectivement aux articles 70 et 390, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, à moins que le simple renouvellement ou la conversion porte sur des activités qui entraînent des interventions physiques dans le milieu naturel. ".
Art.156. In artikel 4.3.3, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 23 maart 2012, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Er moet geen milieueffectrapport over het project worden opgesteld als de overheid, vermeld in het eerste lid, oordeelt dat:
1° een toetsing aan de criteria van bijlage II uitwijst dat het voorgenomen project geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu en een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten; of
2° vroeger al een plan-MER werd goedgekeurd betreffende een plan of programma waarin een project met vergelijkbare effecten beoordeeld werd of een project-MER werd goedgekeurd betreffende een project waarvan het voorgenomen initiatief een herhaling, voortzetting of alternatief is, en een nieuw project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten.".
"Er moet geen milieueffectrapport over het project worden opgesteld als de overheid, vermeld in het eerste lid, oordeelt dat:
1° een toetsing aan de criteria van bijlage II uitwijst dat het voorgenomen project geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu en een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten; of
2° vroeger al een plan-MER werd goedgekeurd betreffende een plan of programma waarin een project met vergelijkbare effecten beoordeeld werd of een project-MER werd goedgekeurd betreffende een project waarvan het voorgenomen initiatief een herhaling, voortzetting of alternatief is, en een nieuw project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten.".
Art.156. A l'article 4.3.3, § 2, du même décret, inséré par le décret du 23 mars 2012, un deuxième alinéa est ajouté et énoncé comme suit :
" Une évaluation des incidences sur l'environnement ne doit pas être réalisée si l'autorité, visée au premier alinéa, estime que :
1° une confrontation aux critères de l'annexe II démontre que le projet envisagé ne peut pas avoir de conséquences considérables pour l'environnement et qu'un projet MER ne peut raisonnablement inclure de données nouvelles ou complémentaires quant à des incidences considérables sur l'environnement ; ou
2° un plan MER a déjà été approuvé antérieurement concernant un plan ou programme dans lequel le projet a été évalué avec des incidences comparables ou un projet MER a été approuvé pour un projet dont l'initiative envisagée constitue une répétition, une poursuite ou une alternative, sachant qu'un nouveau projet MER ne peut raisonnablement apporter de données nouvelles ou complémentaires quant à des incidences considérables sur l'environnement. ".
" Une évaluation des incidences sur l'environnement ne doit pas être réalisée si l'autorité, visée au premier alinéa, estime que :
1° une confrontation aux critères de l'annexe II démontre que le projet envisagé ne peut pas avoir de conséquences considérables pour l'environnement et qu'un projet MER ne peut raisonnablement inclure de données nouvelles ou complémentaires quant à des incidences considérables sur l'environnement ; ou
2° un plan MER a déjà été approuvé antérieurement concernant un plan ou programme dans lequel le projet a été évalué avec des incidences comparables ou un projet MER a été approuvé pour un projet dont l'initiative envisagée constitue une répétition, une poursuite ou une alternative, sachant qu'un nouveau projet MER ne peut raisonnablement apporter de données nouvelles ou complémentaires quant à des incidences considérables sur l'environnement. ".
Art.157. In titel IV, hoofdstuk III, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij de decreten van 12 december 2008 en 23 maart 2012, wordt het opschrift van afdeling II vervangen door wat volgt:
"Afdeling II. - Aanmelding en inhoudsafbakening van het voorgenomen project-MER".
"Afdeling II. - Aanmelding en inhoudsafbakening van het voorgenomen project-MER".
Art.157. Au titre IV, chapitre III, du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2002 et modifié par les décrets des 12 décembre 2008 et 23 mars 2012, le titre de la section II est remplacé par ce qui suit :
" Section II. - Notification et délimitation du contenu du projet MER envisagé ".
" Section II. - Notification et délimitation du contenu du projet MER envisagé ".
Art.158. Artikel 4.3.4 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 4.3.4. § 1. Voor de initiatiefnemer de vergunningsaanvraag of in voorkomend geval de vergunningsaanvragen indient, meldt hij aan de administratie zijn voornemen om een project-MER op te stellen.
Die aanmelding bevat ten minste:
1° een beschrijving van het project, met inbegrip van een beknopte beschrijving van de overwogen alternatieven voor het project of voor onderdelen ervan;
2° de vergunningen die moeten worden aangevraagd en in voorkomend geval de bestaande vergunningstoestand;
3° een beschrijving van de te onderzoeken aanzienlijke effecten voor mens en milieu die het project vermoedelijk zal hebben;
4° een beschrijving van het procesverloop, met in voorkomend geval een beschrijving van het participatietraject;
5° in voorkomend geval alle beschikbare informatie over de mogelijke aanzienlijke grensoverschrijdende effecten van het project;
6° de relevante gegevens over de voorgestelde erkende MER-coördinator en het voorgestelde team van erkende MER-deskundigen, vermeld in artikel 4.3.6, en de taakverdeling tussen de deskundigen, op basis van de beschrijving, vermeld in punt 3° ;
7° in voorkomend geval een verzoek tot advies over de te verstrekken informatie, vermeld in artikel 4.3.7;
8° in voorkomend geval de gronden voor de vraag tot onttrekking aan bekendmaking van de aanmelding of aangeduide delen ervan.
De administratie kan aan de initiatiefnemer steeds vragen om aanvullende informatie te verstrekken. De procedure kan pas worden voortgezet nadat de administratie de door haar gevraagde informatie heeft ontvangen.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de informatie die in de aanmelding opgenomen moet worden. Dit kan zowel gaan om aanvullende informatie die niet wordt vermeld in het tweede lid als om een verdere verduidelijking van de informatie vermeld in het tweede lid.
§ 2. Als uit de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, blijkt dat het project aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie of in verdragspartijen bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, ondertekend in Espoo op 25 februari 1991, of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken, meldt de administratie het project aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie, met de vraag of ze hun commentaar aan de administratie kunnen meedelen. Die melding omvat ten minste de volgende informatie:
1° een afschrift van de aanmelding, vermeld in paragraaf 1;
2° een beschrijving van de rapportageprocedure die op het voorgenomen project van toepassing is;
3° informatie over de vergunningsplicht waaraan het voorgenomen project onderworpen is.
De administratie brengt de initiatiefnemer ervan op de hoogte dat het project aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie gemeld werd.
§ 3. De administratie neemt een beslissing over de opstellers van het project-MER, vermeld in artikel 4.3.6, en deelt haar beslissing aan de initiatiefnemer mee binnen de termijn en op de wijze die wordt bepaald door de Vlaamse Regering.
§ 4. Als de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, een verzoek tot advies als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 7°, bevat, bezorgt de administratie een afschrift van de aanmelding voor advies aan de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen die de Vlaamse Regering heeft aangewezen.
Na ontvangst van de adviezen van de instanties, vermeld in het eerste lid, verleent de administratie een advies over de informatie die de initiatiefnemer overeenkomstig artikel 4.3.7 moet verstrekken. De administratie houdt bij haar advies rekening met de opmerkingen en commentaren van de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen in kwestie.
§ 5. De administratie maakt de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, binnen de door de Vlaamse Regering bepaalde termijn bekend op haar website.
Als de initiatiefnemer in de aanmelding een vraag stelde tot onttrekking aan bekendmaking van de aanmelding of delen ervan, maakt de administratie in haar beslissing een belangenafweging overeenkomstig artikel 15 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur. De administratie kan de gegevens in kwestie geheel of gedeeltelijk onttrekken aan bekendmaking. Als ze beslist tot gehele of gedeeltelijke onttrekking aan bekendmaking van de aangeduide gegevens, moet ze de gegevens die aan bekendmaking worden onttrokken, opnemen in een bijlage. De bijlage wordt niet bekendgemaakt.
Tegen de beslissing tot onttrekking aan bekendmaking staat beroep open overeenkomstig artikel 22 tot en met 27 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur.
§ 6. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de aanmeldingsprocedure, de grens- en gewestgrensoverschrijdende procedure en de procedure van adviesverlening vanwege de adviesinstanties en de administratie.
§ 7. De initiatiefnemer kan voorafgaand aan het indienen van de vergunningsaanvraag of vergunningsaanvragen aan de administratie vragen dat het project-MER inhoudelijk op zijn kwaliteit wordt getoetst.
In de gevallen, vermeld in het eerste lid, toetst de administratie het project-MER inhoudelijk aan:
1° de beslissing, vermeld in paragraaf 3;
2° in voorkomend geval het advies, vermeld in paragraaf 4, tweede lid;
3° de vereiste gegevens, vermeld in artikel 4.3.7;
4° in voorkomend geval de adviezen, opmerkingen en commentaren van de bevoegde autoriteiten, vermeld in paragraaf 2.
Het resultaat van de toetsing leidt tot de voorlopige goed- of afkeuring van het project-MER.
De administratie bezorgt haar beslissing over de voorlopige goed- of afkeuring van het project-MER binnen een door de Vlaamse Regering bepaalde termijn aan de initiatiefnemer.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de voorlopige goed- of afkeuring van het project-MER en voor de bekendmaking ervan.".
"Art. 4.3.4. § 1. Voor de initiatiefnemer de vergunningsaanvraag of in voorkomend geval de vergunningsaanvragen indient, meldt hij aan de administratie zijn voornemen om een project-MER op te stellen.
Die aanmelding bevat ten minste:
1° een beschrijving van het project, met inbegrip van een beknopte beschrijving van de overwogen alternatieven voor het project of voor onderdelen ervan;
2° de vergunningen die moeten worden aangevraagd en in voorkomend geval de bestaande vergunningstoestand;
3° een beschrijving van de te onderzoeken aanzienlijke effecten voor mens en milieu die het project vermoedelijk zal hebben;
4° een beschrijving van het procesverloop, met in voorkomend geval een beschrijving van het participatietraject;
5° in voorkomend geval alle beschikbare informatie over de mogelijke aanzienlijke grensoverschrijdende effecten van het project;
6° de relevante gegevens over de voorgestelde erkende MER-coördinator en het voorgestelde team van erkende MER-deskundigen, vermeld in artikel 4.3.6, en de taakverdeling tussen de deskundigen, op basis van de beschrijving, vermeld in punt 3° ;
7° in voorkomend geval een verzoek tot advies over de te verstrekken informatie, vermeld in artikel 4.3.7;
8° in voorkomend geval de gronden voor de vraag tot onttrekking aan bekendmaking van de aanmelding of aangeduide delen ervan.
De administratie kan aan de initiatiefnemer steeds vragen om aanvullende informatie te verstrekken. De procedure kan pas worden voortgezet nadat de administratie de door haar gevraagde informatie heeft ontvangen.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de informatie die in de aanmelding opgenomen moet worden. Dit kan zowel gaan om aanvullende informatie die niet wordt vermeld in het tweede lid als om een verdere verduidelijking van de informatie vermeld in het tweede lid.
§ 2. Als uit de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, blijkt dat het project aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie of in verdragspartijen bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, ondertekend in Espoo op 25 februari 1991, of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken, meldt de administratie het project aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie, met de vraag of ze hun commentaar aan de administratie kunnen meedelen. Die melding omvat ten minste de volgende informatie:
1° een afschrift van de aanmelding, vermeld in paragraaf 1;
2° een beschrijving van de rapportageprocedure die op het voorgenomen project van toepassing is;
3° informatie over de vergunningsplicht waaraan het voorgenomen project onderworpen is.
De administratie brengt de initiatiefnemer ervan op de hoogte dat het project aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie gemeld werd.
§ 3. De administratie neemt een beslissing over de opstellers van het project-MER, vermeld in artikel 4.3.6, en deelt haar beslissing aan de initiatiefnemer mee binnen de termijn en op de wijze die wordt bepaald door de Vlaamse Regering.
§ 4. Als de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, een verzoek tot advies als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 7°, bevat, bezorgt de administratie een afschrift van de aanmelding voor advies aan de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen die de Vlaamse Regering heeft aangewezen.
Na ontvangst van de adviezen van de instanties, vermeld in het eerste lid, verleent de administratie een advies over de informatie die de initiatiefnemer overeenkomstig artikel 4.3.7 moet verstrekken. De administratie houdt bij haar advies rekening met de opmerkingen en commentaren van de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen in kwestie.
§ 5. De administratie maakt de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, binnen de door de Vlaamse Regering bepaalde termijn bekend op haar website.
Als de initiatiefnemer in de aanmelding een vraag stelde tot onttrekking aan bekendmaking van de aanmelding of delen ervan, maakt de administratie in haar beslissing een belangenafweging overeenkomstig artikel 15 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur. De administratie kan de gegevens in kwestie geheel of gedeeltelijk onttrekken aan bekendmaking. Als ze beslist tot gehele of gedeeltelijke onttrekking aan bekendmaking van de aangeduide gegevens, moet ze de gegevens die aan bekendmaking worden onttrokken, opnemen in een bijlage. De bijlage wordt niet bekendgemaakt.
Tegen de beslissing tot onttrekking aan bekendmaking staat beroep open overeenkomstig artikel 22 tot en met 27 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur.
§ 6. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de aanmeldingsprocedure, de grens- en gewestgrensoverschrijdende procedure en de procedure van adviesverlening vanwege de adviesinstanties en de administratie.
§ 7. De initiatiefnemer kan voorafgaand aan het indienen van de vergunningsaanvraag of vergunningsaanvragen aan de administratie vragen dat het project-MER inhoudelijk op zijn kwaliteit wordt getoetst.
In de gevallen, vermeld in het eerste lid, toetst de administratie het project-MER inhoudelijk aan:
1° de beslissing, vermeld in paragraaf 3;
2° in voorkomend geval het advies, vermeld in paragraaf 4, tweede lid;
3° de vereiste gegevens, vermeld in artikel 4.3.7;
4° in voorkomend geval de adviezen, opmerkingen en commentaren van de bevoegde autoriteiten, vermeld in paragraaf 2.
Het resultaat van de toetsing leidt tot de voorlopige goed- of afkeuring van het project-MER.
De administratie bezorgt haar beslissing over de voorlopige goed- of afkeuring van het project-MER binnen een door de Vlaamse Regering bepaalde termijn aan de initiatiefnemer.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de voorlopige goed- of afkeuring van het project-MER en voor de bekendmaking ervan.".
Art.158. L'article 4.3.4 du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2002, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 4.3.4. § 1er. Avant d'introduire la demande d'autorisation ou, le cas échéant, les demandes d'autorisation, l'initiateur notifie à l'administration son intention d'initier un projet MER.
Cette notification contient au moins :
1° une description du projet, y compris une description succincte des alternatives envisagées pour le projet ou des parties du projet ;
2° les autorisations qui doivent être demandées et, le cas échéant, la situation actuelle en matière d'autorisation ;
3° une description des incidences considérables sur l'homme et l'environnement que le projet aura probablement et qu'il convient d'étudier ;
4° une description du déroulement du processus avec, le cas échéant, une description du trajet de participation ;
5° le cas échéant, toutes les informations disponibles concernant les incidences transfrontalières considérables du projet ;
6° les données pertinentes concernant le coordinateur MER proposé et l'équipe proposée d'experts MER, visée à l'article 4.3.6, et la répartition des tâches entre les experts, sur la base de la description, visée au point 3° ;
7° le cas échéant, une demande d'avis sur l'information fournie, visée à l'article 4.3.7 ;
8° le cas échéant, les motifs de la demande de soustraction à la publication de la notification ou de ses parties indiquées.
L'administration peut demander à l'initiateur de fournir des informations complémentaires. La procédure ne peut être poursuivie que lorsque l'administration a reçu les informations qu'elle a demandées.
Le Gouvernement flamand peut arrêter d'autres modalités concernant les informations qui doivent être reprises dans la notification. Il peut s'agir tant d'informations complémentaires qui ne sont pas mentionnées dans le deuxième alinéa que d'une clarification des informations visées au deuxième alinéa.
§ 2. S'il ressort de la notification, visée au paragraphe 1er, que le projet peut avoir des incidences considérables pour l'homme et l'environnement dans d'autres Etats membres de l'Union européenne ou dans les parties à la Convention sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière, signée à Espoo le 25 février 1991, ou dans d'autres régions, ou si les autorités compétentes de ces Etats membres, parties à la Convention ou régions en font la demande, l'administration notifie le projet aux autorités compétentes des Etats membres, partie à la Convention ou régions en question, avec la demande de communiquer leurs commentaires à l'administration. Cette notification contient au moins les informations suivantes :
1° une copie de la notification, visée au paragraphe 1er ;
2° une description de la procédure de rapportage qui est applicable au projet envisagé ;
3° l'information relative à l'obligation d'autorisation à laquelle le projet envisagé est soumis.
L'administration informe l'initiateur du fait que le projet a été notifié aux autorités compétentes des Etats membres, parties à la Convention ou régions en question.
§ 3. L'administration prend une décision concernant les auteurs du projet MER, visé à l'article 4.3.6, et communique sa décision à l'initiateur dans le délai et de la manière fixés par le Gouvernement flamand.
§ 4. Lorsque la notification, visée au paragraphe 1er, contient une demande d'avis telle que mentionnée au paragraphe 1er, deuxième alinéa, 7°, l'administration fournit une copie de la notification pour avis aux administrations, institutions publiques et administrations publiques que le Gouvernement flamand a désignées.
Après réception des avis des instances, visées au premier alinéa, l'administration rend un avis sur les informations que l'initiateur doit fournir conformément à l'article 4.3.7. Dans son avis, l'administration tient compte des remarques et commentaires des administrations, institutions publiques et administrations publiques en question.
§ 5. L'administration émet la notification, visée au paragraphe 1er, dans le délai fixé par le Gouvernement flamand et publié sur son site web.
Si l'initiateur a inclus dans la notification une demande de soustraction à la publication de la notification ou de certaines parties de celle-ci, l'administration procède, dans sa décision, à une pondération des intérêts, conformément à l'article 15 du décret du 26 mars 2004 relatif à la publicité de l'administration. L'administration peut soustraire intégralement ou partiellement les données en question à la publication. Si elle décide de soustraire intégralement ou partiellement les données indiquées à la publication, elle doit reprendre dans une annexe les données qui sont soustraites à la publication. L'annexe n'est pas publiée.
Un recours peut être introduit contre la décision de soustraction à la publication, conformément aux articles 22 à 27 inclus du décret du 26 mars 2004 relatif à la publicité de l'administration.
§ 6. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres règles relatives à la procédure de notification, la procédure transfrontalière et interrégionale et la procédure pour les avis rendus par les instances d'avis et l'administration.
§ 7. L'initiateur peut, préalablement à l'introduction de la demande d'autorisation ou des demandes d'autorisation, demander à l'administration d'examiner la qualité du contenu du projet MER.
Dans les cas visés au premier alinéa, l'administration confronte le contenu du projet MER :
1° à la décision, visée au paragraphe 3 ;
2° le cas échéant, à l'avis visé au paragraphe 4, deuxième alinéa ;
3° aux données requises, visées à l'article 4.3.7 ;
4° le cas échéant, aux avis, remarques et commentaires des autorités compétentes, visées au paragraphe 2.
Le résultat de l'examen mène à l'approbation ou au rejet provisoire du projet MER.
L'administration communique sa décision à l'initiateur concernant l'approbation ou le rejet provisoire du projet MER dans un délai déterminé par le Gouvernement flamand.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres règles pour l'approbation ou le rejet provisoire du projet MER et sa publication. ".
" Art. 4.3.4. § 1er. Avant d'introduire la demande d'autorisation ou, le cas échéant, les demandes d'autorisation, l'initiateur notifie à l'administration son intention d'initier un projet MER.
Cette notification contient au moins :
1° une description du projet, y compris une description succincte des alternatives envisagées pour le projet ou des parties du projet ;
2° les autorisations qui doivent être demandées et, le cas échéant, la situation actuelle en matière d'autorisation ;
3° une description des incidences considérables sur l'homme et l'environnement que le projet aura probablement et qu'il convient d'étudier ;
4° une description du déroulement du processus avec, le cas échéant, une description du trajet de participation ;
5° le cas échéant, toutes les informations disponibles concernant les incidences transfrontalières considérables du projet ;
6° les données pertinentes concernant le coordinateur MER proposé et l'équipe proposée d'experts MER, visée à l'article 4.3.6, et la répartition des tâches entre les experts, sur la base de la description, visée au point 3° ;
7° le cas échéant, une demande d'avis sur l'information fournie, visée à l'article 4.3.7 ;
8° le cas échéant, les motifs de la demande de soustraction à la publication de la notification ou de ses parties indiquées.
L'administration peut demander à l'initiateur de fournir des informations complémentaires. La procédure ne peut être poursuivie que lorsque l'administration a reçu les informations qu'elle a demandées.
Le Gouvernement flamand peut arrêter d'autres modalités concernant les informations qui doivent être reprises dans la notification. Il peut s'agir tant d'informations complémentaires qui ne sont pas mentionnées dans le deuxième alinéa que d'une clarification des informations visées au deuxième alinéa.
§ 2. S'il ressort de la notification, visée au paragraphe 1er, que le projet peut avoir des incidences considérables pour l'homme et l'environnement dans d'autres Etats membres de l'Union européenne ou dans les parties à la Convention sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière, signée à Espoo le 25 février 1991, ou dans d'autres régions, ou si les autorités compétentes de ces Etats membres, parties à la Convention ou régions en font la demande, l'administration notifie le projet aux autorités compétentes des Etats membres, partie à la Convention ou régions en question, avec la demande de communiquer leurs commentaires à l'administration. Cette notification contient au moins les informations suivantes :
1° une copie de la notification, visée au paragraphe 1er ;
2° une description de la procédure de rapportage qui est applicable au projet envisagé ;
3° l'information relative à l'obligation d'autorisation à laquelle le projet envisagé est soumis.
L'administration informe l'initiateur du fait que le projet a été notifié aux autorités compétentes des Etats membres, parties à la Convention ou régions en question.
§ 3. L'administration prend une décision concernant les auteurs du projet MER, visé à l'article 4.3.6, et communique sa décision à l'initiateur dans le délai et de la manière fixés par le Gouvernement flamand.
§ 4. Lorsque la notification, visée au paragraphe 1er, contient une demande d'avis telle que mentionnée au paragraphe 1er, deuxième alinéa, 7°, l'administration fournit une copie de la notification pour avis aux administrations, institutions publiques et administrations publiques que le Gouvernement flamand a désignées.
Après réception des avis des instances, visées au premier alinéa, l'administration rend un avis sur les informations que l'initiateur doit fournir conformément à l'article 4.3.7. Dans son avis, l'administration tient compte des remarques et commentaires des administrations, institutions publiques et administrations publiques en question.
§ 5. L'administration émet la notification, visée au paragraphe 1er, dans le délai fixé par le Gouvernement flamand et publié sur son site web.
Si l'initiateur a inclus dans la notification une demande de soustraction à la publication de la notification ou de certaines parties de celle-ci, l'administration procède, dans sa décision, à une pondération des intérêts, conformément à l'article 15 du décret du 26 mars 2004 relatif à la publicité de l'administration. L'administration peut soustraire intégralement ou partiellement les données en question à la publication. Si elle décide de soustraire intégralement ou partiellement les données indiquées à la publication, elle doit reprendre dans une annexe les données qui sont soustraites à la publication. L'annexe n'est pas publiée.
Un recours peut être introduit contre la décision de soustraction à la publication, conformément aux articles 22 à 27 inclus du décret du 26 mars 2004 relatif à la publicité de l'administration.
§ 6. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres règles relatives à la procédure de notification, la procédure transfrontalière et interrégionale et la procédure pour les avis rendus par les instances d'avis et l'administration.
§ 7. L'initiateur peut, préalablement à l'introduction de la demande d'autorisation ou des demandes d'autorisation, demander à l'administration d'examiner la qualité du contenu du projet MER.
Dans les cas visés au premier alinéa, l'administration confronte le contenu du projet MER :
1° à la décision, visée au paragraphe 3 ;
2° le cas échéant, à l'avis visé au paragraphe 4, deuxième alinéa ;
3° aux données requises, visées à l'article 4.3.7 ;
4° le cas échéant, aux avis, remarques et commentaires des autorités compétentes, visées au paragraphe 2.
Le résultat de l'examen mène à l'approbation ou au rejet provisoire du projet MER.
L'administration communique sa décision à l'initiateur concernant l'approbation ou le rejet provisoire du projet MER dans un délai déterminé par le Gouvernement flamand.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres règles pour l'approbation ou le rejet provisoire du projet MER et sa publication. ".
Art.159. Artikel 4.3.5 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt opgeheven.
Art.159. L'article 4.3.5 du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2002, est abrogé.
Art.160. In artikel 4.3.6 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zinsnede "de in artikel 4.3.5, § 1, bedoelde inhoudsafbakening en bijzondere richtlijnen" vervangen door de zinsnede "in voorkomend geval met het advies, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid";
2° in paragraaf 3 wordt de zin "De MER-coördinator en zijn team moeten in voorkomend geval de aanvullende bijzondere schriftelijke richtlijnen van de administratie, als aanvulling op de afgebakende inhoud en de bijzondere richtlijnen bedoeld in artikel 4.3.5, § 1, in acht nemen." opgeheven.
1° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zinsnede "de in artikel 4.3.5, § 1, bedoelde inhoudsafbakening en bijzondere richtlijnen" vervangen door de zinsnede "in voorkomend geval met het advies, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid";
2° in paragraaf 3 wordt de zin "De MER-coördinator en zijn team moeten in voorkomend geval de aanvullende bijzondere schriftelijke richtlijnen van de administratie, als aanvulling op de afgebakende inhoud en de bijzondere richtlijnen bedoeld in artikel 4.3.5, § 1, in acht nemen." opgeheven.
Art.160. A l'article 4.3.6 du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2002, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, deuxième alinéa, le passage " à la délimitation du contenu et aux directives particulières visées à l'article 4.3.5, § 1er " est remplacé par le passage " , le cas échéant, avec l'avis, visé à l'article 4.3.4, § 4, deuxième alinéa " ;
2° au paragraphe 3, la phrase " Le cas échéant, le coordinateur MER et son équipe doivent respecter les instructions écrites particulières et complémentaires de l'administration, qui constituent un complément au contenu délimité et aux directives particulières, visés à l'article 4.3.5, § 1er. " est abrogée.
1° au paragraphe 2, deuxième alinéa, le passage " à la délimitation du contenu et aux directives particulières visées à l'article 4.3.5, § 1er " est remplacé par le passage " , le cas échéant, avec l'avis, visé à l'article 4.3.4, § 4, deuxième alinéa " ;
2° au paragraphe 3, la phrase " Le cas échéant, le coordinateur MER et son équipe doivent respecter les instructions écrites particulières et complémentaires de l'administration, qui constituent un complément au contenu délimité et aux directives particulières, visés à l'article 4.3.5, § 1er. " est abrogée.
Art.161. In artikel 4.3.7, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt de zinsnede "de beslissing, bedoeld in artikel 4.3.5, § 1," vervangen door de zinsnede "het advies, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid,".
Art.161. A l'article 4.3.7, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2002, le passage " la décision, visée à l'article 4.3.5, § 1er, " est remplacée par le passage " l'avis, visé à l'article 4.3.4, § 4, deuxième alinéa, ".
Art.162. Artikel 4.3.8 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 4.3.8. § 1. Op de wijze, vermeld in de wetgeving van de desbetreffende vergunningsprocedure of -procedures, bezorgt de initiatiefnemer het project-MER aan de overheid die in eerste aanleg een beslissing zal nemen over de vergunningsaanvraag voor het project.
De initiatiefnemer kan aan de overheid, vermeld in het eerste lid, vragen dat bepaalde delen uit het project-MER aan het openbaar onderzoek binnen de vergunningsprocedure worden onttrokken. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de samenwerking en informatie-uitwisseling van de administratie met de administraties betrokken in de vergunningsprocedure.
§ 2. Na raadpleging van de adviesverlenende instanties, vermeld in het derde lid, en na afsluiting van het openbaar onderzoek van de vergunningsprocedure, toetst de administratie het project-MER inhoudelijk:
1° aan de beslissing, vermeld in artikel 4.3.4, § 3;
2° in voorkomend geval aan het advies, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid;
3° aan de vereiste gegevens, vermeld in artikel 4.3.7;
4° aan de adviezen, opmerkingen en commentaren van de instanties en het publiek over het project-MER, verstrekt naar aanleiding van het openbaar onderzoek;
5° in voorkomend geval aan de adviezen, opmerkingen en commentaren van de bevoegde autoriteiten, vermeld in artikel 4.3.4, § 2, en het publiek over het project-MER, verstrekt naar aanleiding van het openbaar onderzoek in grensoverschrijdend verband.
Het resultaat van de toetsing wordt opgenomen in het project-MER-verslag en leidt tot de goed- of afkeuring van het project-MER.
De adviesverlenende instanties, vermeld in het eerste lid, zijn de instanties die de Vlaamse Regering heeft aangewezen en die vermeld zijn in de wetgeving van de desbetreffende vergunningsprocedure.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de wijze van raadpleging van de adviesverlenende instanties, vermeld in het eerste lid, en van de bevoegde autoriteiten, vermeld in het eerste lid, 5°, door de administratie.
§ 3. De administratie bezorgt haar beslissing over de goed- of afkeuring van het project-MER:
1° aan de initiatiefnemer;
2° in voorkomend geval aan de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, eerste lid;
3° aan de adviesverlenende instanties, vermeld in paragraaf 2, derde lid;
4° in voorkomend geval aan de bevoegde autoriteiten, vermeld in artikel 4.3.4, § 2;
5° aan de overheid die in eerste aanleg een beslissing over de vergunningsaanvraag voor het project zal nemen.
De beslissing bevat ook een afschrift van het project-MER-verslag, vermeld in paragraaf 2, tweede lid.
§ 4. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de goed- of afkeuring van het project-MER en voor de bekendmaking ervan.".
"Art. 4.3.8. § 1. Op de wijze, vermeld in de wetgeving van de desbetreffende vergunningsprocedure of -procedures, bezorgt de initiatiefnemer het project-MER aan de overheid die in eerste aanleg een beslissing zal nemen over de vergunningsaanvraag voor het project.
De initiatiefnemer kan aan de overheid, vermeld in het eerste lid, vragen dat bepaalde delen uit het project-MER aan het openbaar onderzoek binnen de vergunningsprocedure worden onttrokken. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de samenwerking en informatie-uitwisseling van de administratie met de administraties betrokken in de vergunningsprocedure.
§ 2. Na raadpleging van de adviesverlenende instanties, vermeld in het derde lid, en na afsluiting van het openbaar onderzoek van de vergunningsprocedure, toetst de administratie het project-MER inhoudelijk:
1° aan de beslissing, vermeld in artikel 4.3.4, § 3;
2° in voorkomend geval aan het advies, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid;
3° aan de vereiste gegevens, vermeld in artikel 4.3.7;
4° aan de adviezen, opmerkingen en commentaren van de instanties en het publiek over het project-MER, verstrekt naar aanleiding van het openbaar onderzoek;
5° in voorkomend geval aan de adviezen, opmerkingen en commentaren van de bevoegde autoriteiten, vermeld in artikel 4.3.4, § 2, en het publiek over het project-MER, verstrekt naar aanleiding van het openbaar onderzoek in grensoverschrijdend verband.
Het resultaat van de toetsing wordt opgenomen in het project-MER-verslag en leidt tot de goed- of afkeuring van het project-MER.
De adviesverlenende instanties, vermeld in het eerste lid, zijn de instanties die de Vlaamse Regering heeft aangewezen en die vermeld zijn in de wetgeving van de desbetreffende vergunningsprocedure.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de wijze van raadpleging van de adviesverlenende instanties, vermeld in het eerste lid, en van de bevoegde autoriteiten, vermeld in het eerste lid, 5°, door de administratie.
§ 3. De administratie bezorgt haar beslissing over de goed- of afkeuring van het project-MER:
1° aan de initiatiefnemer;
2° in voorkomend geval aan de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, eerste lid;
3° aan de adviesverlenende instanties, vermeld in paragraaf 2, derde lid;
4° in voorkomend geval aan de bevoegde autoriteiten, vermeld in artikel 4.3.4, § 2;
5° aan de overheid die in eerste aanleg een beslissing over de vergunningsaanvraag voor het project zal nemen.
De beslissing bevat ook een afschrift van het project-MER-verslag, vermeld in paragraaf 2, tweede lid.
§ 4. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de goed- of afkeuring van het project-MER en voor de bekendmaking ervan.".
Art.162. L'article 4.3.8 du même décret, inséré par le décret du18 décembre 2002, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 4.3.8. § 1er. De la manière prévue par la législation de la procédure ou des procédures d'autorisation concernées, l'initiateur remet le projet MER à l'autorité qui rendra une décision en première instance administrative concernant la demande d'autorisation pour le projet.
L'initiateur peut demander à l'autorité, visée au premier alinéa, à ce que, dans le cadre de la procédure d'autorisation, certaines parties du projet MER soient soustraites à l'enquête publique. Le Gouvernement flamand peut en arrêter les modalités.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres règles concernant la collaboration et l'échange d'informations entre l'administration et les administrations concernées par la procédure d'autorisation.
§ 2. Après consultation des instances consultatives, visées au troisième alinéa, et après clôture de l'enquête publique relative à la procédure d'autorisation, l'administration confronte le contenu du projet MER :
1° à la décision, visée à l'article 4.3.4, § 3 ;
2° le cas échéant, à l'avis visé au paragraphe 4.3.4, § 4, deuxième alinéa ;
3° aux données requises, visées à l'article 4.3.7 ;
4° aux avis, remarques et commentaires des instances et du public sur le projet MER, fournis dans le cadre de l'enquête publique ;
5° le cas échéant, aux avis, remarques et commentaires des autorités compétentes, visées à l'article 4.3.4, § 2, et du public sur le projet MER, fournis dans le cadre de l'enquête publique dans un contexte transfrontière.
Le résultat de l'examen est repris dans le rapport sur le projet MER et mène à l'approbation ou au rejet du projet MER.
Les instances consultatives, visée au premier alinéa, sont les instances que le Gouvernement flamand a désignées et qui sont mentionnées dans la législation de la procédure d'autorisation concernée.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres règles concernant le mode de consultation des instances consultatives, visées au premier alinéa, et des autorités compétentes, visées au premier alinéa, 5°, par l'administration.
§ 3. L'administration communique sa décision concernant l'approbation ou le rejet du projet MER :
1° à l'initiateur ;
2° le cas échéant, aux administrations, institutions publiques et administrations publiques, visées au paragraphe 4.3.4, § 4, premier alinéa ;
3° aux instances consultatives, visées au paragraphe 2, troisième alinéa ;
4° le cas échéant, aux autorités compétentes visées au paragraphe 4.3.4, § 2 ;
5° à l'autorité qui, en première instance administrative, prendra une décision concernant la demande d'autorisation pour le projet.
La décision contient également une copie du rapport du projet MER, visée au paragraphe 2, deuxième alinéa.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres règles pour l'approbation ou le rejet du projet MER et sa publication. ".
" Art. 4.3.8. § 1er. De la manière prévue par la législation de la procédure ou des procédures d'autorisation concernées, l'initiateur remet le projet MER à l'autorité qui rendra une décision en première instance administrative concernant la demande d'autorisation pour le projet.
L'initiateur peut demander à l'autorité, visée au premier alinéa, à ce que, dans le cadre de la procédure d'autorisation, certaines parties du projet MER soient soustraites à l'enquête publique. Le Gouvernement flamand peut en arrêter les modalités.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres règles concernant la collaboration et l'échange d'informations entre l'administration et les administrations concernées par la procédure d'autorisation.
§ 2. Après consultation des instances consultatives, visées au troisième alinéa, et après clôture de l'enquête publique relative à la procédure d'autorisation, l'administration confronte le contenu du projet MER :
1° à la décision, visée à l'article 4.3.4, § 3 ;
2° le cas échéant, à l'avis visé au paragraphe 4.3.4, § 4, deuxième alinéa ;
3° aux données requises, visées à l'article 4.3.7 ;
4° aux avis, remarques et commentaires des instances et du public sur le projet MER, fournis dans le cadre de l'enquête publique ;
5° le cas échéant, aux avis, remarques et commentaires des autorités compétentes, visées à l'article 4.3.4, § 2, et du public sur le projet MER, fournis dans le cadre de l'enquête publique dans un contexte transfrontière.
Le résultat de l'examen est repris dans le rapport sur le projet MER et mène à l'approbation ou au rejet du projet MER.
Les instances consultatives, visée au premier alinéa, sont les instances que le Gouvernement flamand a désignées et qui sont mentionnées dans la législation de la procédure d'autorisation concernée.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres règles concernant le mode de consultation des instances consultatives, visées au premier alinéa, et des autorités compétentes, visées au premier alinéa, 5°, par l'administration.
§ 3. L'administration communique sa décision concernant l'approbation ou le rejet du projet MER :
1° à l'initiateur ;
2° le cas échéant, aux administrations, institutions publiques et administrations publiques, visées au paragraphe 4.3.4, § 4, premier alinéa ;
3° aux instances consultatives, visées au paragraphe 2, troisième alinéa ;
4° le cas échéant, aux autorités compétentes visées au paragraphe 4.3.4, § 2 ;
5° à l'autorité qui, en première instance administrative, prendra une décision concernant la demande d'autorisation pour le projet.
La décision contient également une copie du rapport du projet MER, visée au paragraphe 2, deuxième alinéa.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres règles pour l'approbation ou le rejet du projet MER et sa publication. ".
Art.163. In artikel 4.3.9 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 1. Vanaf de betekening van de beslissing, vermeld in artikel 4.3.8, § 3, liggen het project-MER, het project-MER-verslag, vermeld in artikel 4.3.8, § 2, tweede lid, en in voorkomend geval het advies, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid, ter inzage bij de administratie.";
2° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "artikel 8, § 5, van het decreet van 18 mei 1999" vervangen door de zinsnede "artikel 15 van het decreet van 26 maart 2004";
3° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "bedoeld in artikel 4.3.4, § 5" telkens vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 4.3.4, § 2".
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 1. Vanaf de betekening van de beslissing, vermeld in artikel 4.3.8, § 3, liggen het project-MER, het project-MER-verslag, vermeld in artikel 4.3.8, § 2, tweede lid, en in voorkomend geval het advies, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid, ter inzage bij de administratie.";
2° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "artikel 8, § 5, van het decreet van 18 mei 1999" vervangen door de zinsnede "artikel 15 van het decreet van 26 maart 2004";
3° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "bedoeld in artikel 4.3.4, § 5" telkens vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 4.3.4, § 2".
Art.163. A l'article 4.3.9 du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2002, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. A partir de la signification de la décision, visée à l'article 4.3.8, § 3, le projet MER, le rapport du projet MER, visé à l'article 4.3.8, § 2, deuxième alinéa, et, le cas échéant, l'avis, visé à l'article 4.3.4, § 4, deuxième alinéa, peuvent être consultés par l'administration. " ;
2° au paragraphe 2, le passage " article 8, § 5, du décret du 18 mai 1999 " est remplacé par le passage " article 15 du décret du 26 mars 2004 " ;
3° au paragraphe 4, les mots " visés à l'article 4.3.4, § 5 " sont chaque fois remplacés par les mots " visés à l'article 4.3.4, § 2 ".
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. A partir de la signification de la décision, visée à l'article 4.3.8, § 3, le projet MER, le rapport du projet MER, visé à l'article 4.3.8, § 2, deuxième alinéa, et, le cas échéant, l'avis, visé à l'article 4.3.4, § 4, deuxième alinéa, peuvent être consultés par l'administration. " ;
2° au paragraphe 2, le passage " article 8, § 5, du décret du 18 mai 1999 " est remplacé par le passage " article 15 du décret du 26 mars 2004 " ;
3° au paragraphe 4, les mots " visés à l'article 4.3.4, § 5 " sont chaque fois remplacés par les mots " visés à l'article 4.3.4, § 2 ".
Art.164. In artikel 4.4.1, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt de zinsnede "het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening" vervangen door de zinsnede "de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening".
Art.164. A l'article 4.4.1, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2002, le passage " décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire " est remplacé par le passage " Code flamand de l'Aménagement du Territoire ".
Art.165. In artikel 4.5.1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, 2°, wordt de zinsnede "decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning";
2° aan paragraaf 1 wordt een tweede lid toegevoegd dat luidt als volgt:
"Voor de loutere hernieuwing van de omgevingsvergunning moet geen omgevingsveiligheidsrapport opgemaakt worden.";
3° in paragraaf 3 worden de woorden "een reeds voor deze inrichting goedgekeurd omgevingsveiligheidsrapport kan worden gebruikt om te worden gevoegd bij de vergunningsaanvraag" vervangen door de woorden "er geen bijwerking nodig is van een reeds voor deze inrichting goedgekeurd omgevingsveiligheidsrapport";
4° in paragraaf 6 worden de woorden ", het omgevingsveiligheidsrapport vermeld in paragraaf 3" opgeheven.
1° in paragraaf 1, 2°, wordt de zinsnede "decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning";
2° aan paragraaf 1 wordt een tweede lid toegevoegd dat luidt als volgt:
"Voor de loutere hernieuwing van de omgevingsvergunning moet geen omgevingsveiligheidsrapport opgemaakt worden.";
3° in paragraaf 3 worden de woorden "een reeds voor deze inrichting goedgekeurd omgevingsveiligheidsrapport kan worden gebruikt om te worden gevoegd bij de vergunningsaanvraag" vervangen door de woorden "er geen bijwerking nodig is van een reeds voor deze inrichting goedgekeurd omgevingsveiligheidsrapport";
4° in paragraaf 6 worden de woorden ", het omgevingsveiligheidsrapport vermeld in paragraaf 3" opgeheven.
Art.165. A l'article 4.5.1 du même décret, inséré par le décret du18 décembre 2002 et modifié par le décret du23 décembre 2010, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, 2°, le passage " le décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation anti-pollution " est remplacé par le passage " le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement " ;
2° au paragraphe 1er est ajouté un deuxième alinéa qui s'énonce comme suit :
" Pour le simple renouvellement du permis d'environnement, aucun rapport de sécurité environnementale ne doit être établi. " ;
3° au paragraphe 3, le passage " qu'un rapport de sécurité d'environnement déjà approuvé pour un établissement autorisé peut être utilisé pour des modifications à cet établissement autorisé pour être joint à la demande d'autorisation " est remplacé par le passage " qu'aucune révision n'est nécessaire pour un rapport de sécurité environnementale déjà approuvé pour cet établissement ".
4° au paragraphe 6, le passage " , le rapport de sécurité environnementale visé au paragraphe 3 " est abrégé.
1° au paragraphe 1er, 2°, le passage " le décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation anti-pollution " est remplacé par le passage " le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement " ;
2° au paragraphe 1er est ajouté un deuxième alinéa qui s'énonce comme suit :
" Pour le simple renouvellement du permis d'environnement, aucun rapport de sécurité environnementale ne doit être établi. " ;
3° au paragraphe 3, le passage " qu'un rapport de sécurité d'environnement déjà approuvé pour un établissement autorisé peut être utilisé pour des modifications à cet établissement autorisé pour être joint à la demande d'autorisation " est remplacé par le passage " qu'aucune révision n'est nécessaire pour un rapport de sécurité environnementale déjà approuvé pour cet établissement ".
4° au paragraphe 6, le passage " , le rapport de sécurité environnementale visé au paragraphe 3 " est abrégé.
Art.166. Artikel 4.5.2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 4.5.2. § 1. Voor de initiatiefnemer de vergunningsaanvraag indient, meldt hij aan de administratie zijn voornemen om een OVR op te stellen.
Die aanmelding bevat ten minste:
1° een beschrijving van het project, met inbegrip van een beknopte beschrijving van de overwogen alternatieven voor het project of voor onderdelen ervan;
2° de reden van de rapportageplicht van de inrichting;
3° de vergunningen die moeten worden aangevraagd en in voorkomend geval de bestaande vergunningstoestand;
4° een beschrijving van het procesverloop, met in voorkomend geval een beschrijving van het participatietraject;
5° in voorkomend geval de gegevens die de administratie nodig heeft voor het aanvangen van de grensoverschrijdende informatie-uitwisseling, vermeld in paragraaf 2;
6° de relevante gegevens over de voorgestelde erkende deskundige, vermeld in artikel 4.5.5, in voorkomend geval aangevuld met de lijst van deskundigen die de erkende deskundige zullen bijstaan en de taakverdeling tussen de deskundigen;
7° overeenkomstig de vereisten van artikel 4.5.6 en van het v.r.-richtlijnenboek, een beschrijving van de inhoudelijke aanpak, met inbegrip van de methodologie van het OVR;
8° in voorkomend geval een verzoek tot advies over de te verstrekken informatie, vermeld in artikel 4.5.6;
9° in voorkomend geval de gronden voor de vraag tot onttrekking aan bekendmaking van de aanmelding of aangeduide delen ervan.
De administratie kan aan de initiatiefnemer steeds vragen om aanvullende informatie te verstrekken. De procedure kan pas worden voortgezet nadat de administratie de door haar gevraagde informatie heeft ontvangen.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de informatie die in aanmelding opgenomen moet worden. Dit kan zowel gaan om aanvullende informatie die niet wordt vermeld in het tweede lid als om een verdere verduidelijking van de informatie vermeld in het tweede lid.
§ 2. Als uit de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, blijkt dat het project ten gevolge van een zwaar ongeval betekenisvolle effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie of in verdragspartijen bij het verdrag betreffende de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen dat op 17 maart 1992 in Helsinki werd ondertekend, of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken, meldt de administratie het project aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie, met de vraag of ze hun commentaar aan de administratie kunnen meedelen. Die melding omvat ten minste de volgende informatie:
1° een afschrift van de aanmelding, vermeld in paragraaf 1;
2° een beschrijving van de rapportageprocedure die op het voorgenomen project van toepassing is;
3° informatie over de vergunningsplicht waaraan het voorgenomen project onderworpen is.
De administratie brengt de initiatiefnemer ervan op de hoogte dat het project aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie werd gemeld.
§ 3. De administratie neemt een beslissing over de opstellers van het OVR, vermeld in artikel 4.5.5, en deelt haar beslissing aan de initiatiefnemer mee binnen de termijn en op de wijze die wordt bepaald door de Vlaamse Regering.
§ 4. Als de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, een verzoek tot advies als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 8°, bevat, verleent de administratie een advies over de informatie die de initiatiefnemer overeenkomstig artikel 4.5.6 moet verstrekken.
§ 5. De administratie maakt de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, binnen de door de Vlaamse Regering bepaalde termijn bekend op haar website.
Als de initiatiefnemer in de aanmelding een vraag stelde tot onttrekking aan bekendmaking van de aanmelding of delen ervan, maakt de administratie in haar beslissing een belangenafweging overeenkomstig artikel 15 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur. De administratie kan de gegevens in kwestie geheel of gedeeltelijk onttrekken aan bekendmaking. Als ze beslist tot gehele of gedeeltelijke onttrekking aan bekendmaking van de aangeduide gegevens, moet ze de gegevens die aan bekendmaking worden onttrokken, opnemen in een bijlage. De bijlage wordt niet bekendgemaakt.
Tegen de beslissing tot onttrekking aan bekendmaking staat beroep open overeenkomstig artikel 22 tot en met 27 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur.
§ 6. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de aanmeldingsprocedure, de grens- en gewestgrensoverschrijdende procedure en de procedure van adviesverlening vanwege de administratie.
§ 7. De initiatiefnemer kan voorafgaand aan het indienen van de vergunningsaanvraag aan de administratie vragen dat het OVR inhoudelijk op zijn kwaliteit wordt getoetst.
In de gevallen, vermeld in het eerste lid, toetst de administratie het OVR inhoudelijk aan:
1° de beslissing, vermeld in paragraaf 3;
2° de beschrijving van de inhoudelijke aanpak van het OVR, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 7° ;
3° in voorkomend geval het advies, vermeld in paragraaf 4;
4° de vereiste gegevens, vermeld in artikel 4.5.6;
5° in voorkomend geval de adviezen, opmerkingen en commentaren van de bevoegde autoriteiten, vermeld in paragraaf 2.
Het resultaat van de toetsing leidt tot de voorlopige goed- of afkeuring van het OVR.
De administratie bezorgt haar beslissing over de voorlopige goed- of afkeuring van het OVR binnen een door de Vlaamse Regering bepaalde termijn aan de initiatiefnemer.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de voorlopige goed- of afkeuring van het OVR en voor de bekendmaking ervan.".
"Art. 4.5.2. § 1. Voor de initiatiefnemer de vergunningsaanvraag indient, meldt hij aan de administratie zijn voornemen om een OVR op te stellen.
Die aanmelding bevat ten minste:
1° een beschrijving van het project, met inbegrip van een beknopte beschrijving van de overwogen alternatieven voor het project of voor onderdelen ervan;
2° de reden van de rapportageplicht van de inrichting;
3° de vergunningen die moeten worden aangevraagd en in voorkomend geval de bestaande vergunningstoestand;
4° een beschrijving van het procesverloop, met in voorkomend geval een beschrijving van het participatietraject;
5° in voorkomend geval de gegevens die de administratie nodig heeft voor het aanvangen van de grensoverschrijdende informatie-uitwisseling, vermeld in paragraaf 2;
6° de relevante gegevens over de voorgestelde erkende deskundige, vermeld in artikel 4.5.5, in voorkomend geval aangevuld met de lijst van deskundigen die de erkende deskundige zullen bijstaan en de taakverdeling tussen de deskundigen;
7° overeenkomstig de vereisten van artikel 4.5.6 en van het v.r.-richtlijnenboek, een beschrijving van de inhoudelijke aanpak, met inbegrip van de methodologie van het OVR;
8° in voorkomend geval een verzoek tot advies over de te verstrekken informatie, vermeld in artikel 4.5.6;
9° in voorkomend geval de gronden voor de vraag tot onttrekking aan bekendmaking van de aanmelding of aangeduide delen ervan.
De administratie kan aan de initiatiefnemer steeds vragen om aanvullende informatie te verstrekken. De procedure kan pas worden voortgezet nadat de administratie de door haar gevraagde informatie heeft ontvangen.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de informatie die in aanmelding opgenomen moet worden. Dit kan zowel gaan om aanvullende informatie die niet wordt vermeld in het tweede lid als om een verdere verduidelijking van de informatie vermeld in het tweede lid.
§ 2. Als uit de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, blijkt dat het project ten gevolge van een zwaar ongeval betekenisvolle effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie of in verdragspartijen bij het verdrag betreffende de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen dat op 17 maart 1992 in Helsinki werd ondertekend, of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken, meldt de administratie het project aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie, met de vraag of ze hun commentaar aan de administratie kunnen meedelen. Die melding omvat ten minste de volgende informatie:
1° een afschrift van de aanmelding, vermeld in paragraaf 1;
2° een beschrijving van de rapportageprocedure die op het voorgenomen project van toepassing is;
3° informatie over de vergunningsplicht waaraan het voorgenomen project onderworpen is.
De administratie brengt de initiatiefnemer ervan op de hoogte dat het project aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie werd gemeld.
§ 3. De administratie neemt een beslissing over de opstellers van het OVR, vermeld in artikel 4.5.5, en deelt haar beslissing aan de initiatiefnemer mee binnen de termijn en op de wijze die wordt bepaald door de Vlaamse Regering.
§ 4. Als de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, een verzoek tot advies als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 8°, bevat, verleent de administratie een advies over de informatie die de initiatiefnemer overeenkomstig artikel 4.5.6 moet verstrekken.
§ 5. De administratie maakt de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, binnen de door de Vlaamse Regering bepaalde termijn bekend op haar website.
Als de initiatiefnemer in de aanmelding een vraag stelde tot onttrekking aan bekendmaking van de aanmelding of delen ervan, maakt de administratie in haar beslissing een belangenafweging overeenkomstig artikel 15 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur. De administratie kan de gegevens in kwestie geheel of gedeeltelijk onttrekken aan bekendmaking. Als ze beslist tot gehele of gedeeltelijke onttrekking aan bekendmaking van de aangeduide gegevens, moet ze de gegevens die aan bekendmaking worden onttrokken, opnemen in een bijlage. De bijlage wordt niet bekendgemaakt.
Tegen de beslissing tot onttrekking aan bekendmaking staat beroep open overeenkomstig artikel 22 tot en met 27 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur.
§ 6. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de aanmeldingsprocedure, de grens- en gewestgrensoverschrijdende procedure en de procedure van adviesverlening vanwege de administratie.
§ 7. De initiatiefnemer kan voorafgaand aan het indienen van de vergunningsaanvraag aan de administratie vragen dat het OVR inhoudelijk op zijn kwaliteit wordt getoetst.
In de gevallen, vermeld in het eerste lid, toetst de administratie het OVR inhoudelijk aan:
1° de beslissing, vermeld in paragraaf 3;
2° de beschrijving van de inhoudelijke aanpak van het OVR, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 7° ;
3° in voorkomend geval het advies, vermeld in paragraaf 4;
4° de vereiste gegevens, vermeld in artikel 4.5.6;
5° in voorkomend geval de adviezen, opmerkingen en commentaren van de bevoegde autoriteiten, vermeld in paragraaf 2.
Het resultaat van de toetsing leidt tot de voorlopige goed- of afkeuring van het OVR.
De administratie bezorgt haar beslissing over de voorlopige goed- of afkeuring van het OVR binnen een door de Vlaamse Regering bepaalde termijn aan de initiatiefnemer.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de voorlopige goed- of afkeuring van het OVR en voor de bekendmaking ervan.".
Art.166. L'article 4.5.2 du même décret, inséré par le décret du18 décembre 2002, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 4.5.2. § 1er. Avant d'introduire la demande d'autorisation, l'initiateur notifie à l'administration son intention d'établir un RSE.
Cette notification contient au moins :
1° une description du projet, y compris une description succincte des alternatives envisagées pour le projet ou des parties du projet ;
2° les motifs de l'obligation de rapportage de l'établissement ;
3° les autorisations qui doivent être demandées et, le cas échéant, la situation actuelle en matière d'autorisation ;
4° une description du déroulement du processus avec, le cas échéant, une description du trajet de participation ;
5° le cas échéant, les données dont l'administration a besoin pour commencer l'échange d'informations transfrontière, visé au paragraphe 2 ;
6° les données pertinentes relatives à l'expert agréé proposé, visé à l'article 4.5.5, le cas échéant complétées de la liste des experts qui assisteront l'expert agréé ainsi que la répartition des tâches entre les experts ;
7° conformément aux exigences de l'article 4.5.6 et du livre d'instructions v.r., une description de l'approche de fond, y compris la méthodologie du RSE ;
8° le cas échéant, une demande d'avis sur l'information fournie, visée à l'article 4.5.6 ;
9° le cas échéant, les motifs de la demande de soustraction à la publication de la notification ou de ses parties indiquées.
L'administration peut demander à l'initiateur de fournir des informations complémentaires. La procédure ne peut être poursuivie que lorsque l'administration a reçu les informations qu'elle a demandées.
Le Gouvernement flamand peut arrêter d'autres modalités concernant les informations qui doivent être reprises dans la notification. Il peut s'agir tant d'informations complémentaires qui ne sont pas mentionnées dans le deuxième alinéa que d'une clarification des informations visées au deuxième alinéa.
§ 2. S'il ressort de la notification, visée au paragraphe 1er, que le projet peut avoir, à la suite d'un accident majeur, des incidences importantes sur l'homme ou l'environnement dans d'autres Etats membres de l'Union européenne ou dans les parties signataires de la Convention sur les effets transfrontières des accidents industriels majeurs, signée à Helsinki le 17 mars 1992, ou dans d'autres régions, ou si les autorités compétentes de ces Etats membres, parties signataires de la Convention ou régions en font la demande, l'administration notifie le projet aux autorités compétentes des Etats membres, partie à la Convention ou régions en question, avec la demande de communiquer leurs commentaires à l'administration. Cette notification contient au moins les informations suivantes :
1° une copie de la notification, visée au paragraphe 1er ;
2° une description de la procédure de rapportage qui est applicable au projet envisagé ;
3° l'information relative à l'obligation d'autorisation à laquelle le projet envisagé est soumis.
L'administration informe l'initiateur du fait que le projet a été notifié aux autorités compétentes des Etats membres, parties à la Convention ou régions en question.
§ 3. L'administration prend une décision concernant les auteurs du RSE, visé à l'article 4.5.5, et communique sa décision à l'initiateur dans le délai et de la manière fixés par le Gouvernement flamand.
§ 4. Lorsque la notification, visée au paragraphe 1er, contient une demande d'avis telle que mentionnée au paragraphe 1er, deuxième alinéa, 8°, l'administration rend un avis sur l'information que l'initiateur doit fournir, conformément à l'article 4.5.6.
§ 5. L'administration émet la notification, visée au paragraphe 1er, dans le délai fixé par le Gouvernement flamand et publié sur son site web.
Si l'initiateur a inclus dans la notification une demande de soustraction à la publication de la notification ou de certaines parties de celle-ci, l'administration procède, dans sa décision, à une pondération des intérêts, conformément à l'article 15 du décret du 26 mars 2004 relatif à la publicité de l'administration. L'administration peut soustraire intégralement ou partiellement les données en question à la publication. Si elle décide de soustraire intégralement ou partiellement les données indiquées à la publication, elle doit reprendre dans une annexe les données qui sont soustraites à la publication. L'annexe n'est pas publiée.
Un recours peut être introduit contre la décision de soustraction à la publication, conformément aux articles 22 à 27 inclus du décret du 26 mars 2004 relatif à la publicité de l'administration.
§ 6. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres règles relatives à la procédure de notification, la procédure transfrontalière et interrégionale et la procédure pour les avis rendus par l'administration.
§ 7. L'initiateur peut, préalablement à l'introduction de la demande d'autorisation, demander à l'administration d'examiner la qualité du contenu du RSE.
Dans les cas visés au premier alinéa, l'administration confronte le contenu du RSE :
1° la décision, visée au paragraphe 3 ;
2° la description de l'approche de fond du RSE, visée au paragraphe 2, deuxième alinéa, 7° ;
3° le cas échéant, à l'avis, visé au paragraphe 4 ;
4° aux données requises, visées à l'article 4.5.6 ;
5° le cas échéant, aux avis, remarques et commentaires des autorités compétentes, visées au paragraphe 2.
Le résultat de l'examen mène à l'approbation ou au rejet provisoire du RSE.
L'administration communique sa décision à l'initiateur concernant l'approbation ou le rejet provisoire du RSE dans un délai déterminé par le Gouvernement flamand.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres règles pour l'approbation ou le rejet provisoire du RSE et sa publication. ".
" Art. 4.5.2. § 1er. Avant d'introduire la demande d'autorisation, l'initiateur notifie à l'administration son intention d'établir un RSE.
Cette notification contient au moins :
1° une description du projet, y compris une description succincte des alternatives envisagées pour le projet ou des parties du projet ;
2° les motifs de l'obligation de rapportage de l'établissement ;
3° les autorisations qui doivent être demandées et, le cas échéant, la situation actuelle en matière d'autorisation ;
4° une description du déroulement du processus avec, le cas échéant, une description du trajet de participation ;
5° le cas échéant, les données dont l'administration a besoin pour commencer l'échange d'informations transfrontière, visé au paragraphe 2 ;
6° les données pertinentes relatives à l'expert agréé proposé, visé à l'article 4.5.5, le cas échéant complétées de la liste des experts qui assisteront l'expert agréé ainsi que la répartition des tâches entre les experts ;
7° conformément aux exigences de l'article 4.5.6 et du livre d'instructions v.r., une description de l'approche de fond, y compris la méthodologie du RSE ;
8° le cas échéant, une demande d'avis sur l'information fournie, visée à l'article 4.5.6 ;
9° le cas échéant, les motifs de la demande de soustraction à la publication de la notification ou de ses parties indiquées.
L'administration peut demander à l'initiateur de fournir des informations complémentaires. La procédure ne peut être poursuivie que lorsque l'administration a reçu les informations qu'elle a demandées.
Le Gouvernement flamand peut arrêter d'autres modalités concernant les informations qui doivent être reprises dans la notification. Il peut s'agir tant d'informations complémentaires qui ne sont pas mentionnées dans le deuxième alinéa que d'une clarification des informations visées au deuxième alinéa.
§ 2. S'il ressort de la notification, visée au paragraphe 1er, que le projet peut avoir, à la suite d'un accident majeur, des incidences importantes sur l'homme ou l'environnement dans d'autres Etats membres de l'Union européenne ou dans les parties signataires de la Convention sur les effets transfrontières des accidents industriels majeurs, signée à Helsinki le 17 mars 1992, ou dans d'autres régions, ou si les autorités compétentes de ces Etats membres, parties signataires de la Convention ou régions en font la demande, l'administration notifie le projet aux autorités compétentes des Etats membres, partie à la Convention ou régions en question, avec la demande de communiquer leurs commentaires à l'administration. Cette notification contient au moins les informations suivantes :
1° une copie de la notification, visée au paragraphe 1er ;
2° une description de la procédure de rapportage qui est applicable au projet envisagé ;
3° l'information relative à l'obligation d'autorisation à laquelle le projet envisagé est soumis.
L'administration informe l'initiateur du fait que le projet a été notifié aux autorités compétentes des Etats membres, parties à la Convention ou régions en question.
§ 3. L'administration prend une décision concernant les auteurs du RSE, visé à l'article 4.5.5, et communique sa décision à l'initiateur dans le délai et de la manière fixés par le Gouvernement flamand.
§ 4. Lorsque la notification, visée au paragraphe 1er, contient une demande d'avis telle que mentionnée au paragraphe 1er, deuxième alinéa, 8°, l'administration rend un avis sur l'information que l'initiateur doit fournir, conformément à l'article 4.5.6.
§ 5. L'administration émet la notification, visée au paragraphe 1er, dans le délai fixé par le Gouvernement flamand et publié sur son site web.
Si l'initiateur a inclus dans la notification une demande de soustraction à la publication de la notification ou de certaines parties de celle-ci, l'administration procède, dans sa décision, à une pondération des intérêts, conformément à l'article 15 du décret du 26 mars 2004 relatif à la publicité de l'administration. L'administration peut soustraire intégralement ou partiellement les données en question à la publication. Si elle décide de soustraire intégralement ou partiellement les données indiquées à la publication, elle doit reprendre dans une annexe les données qui sont soustraites à la publication. L'annexe n'est pas publiée.
Un recours peut être introduit contre la décision de soustraction à la publication, conformément aux articles 22 à 27 inclus du décret du 26 mars 2004 relatif à la publicité de l'administration.
§ 6. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres règles relatives à la procédure de notification, la procédure transfrontalière et interrégionale et la procédure pour les avis rendus par l'administration.
§ 7. L'initiateur peut, préalablement à l'introduction de la demande d'autorisation, demander à l'administration d'examiner la qualité du contenu du RSE.
Dans les cas visés au premier alinéa, l'administration confronte le contenu du RSE :
1° la décision, visée au paragraphe 3 ;
2° la description de l'approche de fond du RSE, visée au paragraphe 2, deuxième alinéa, 7° ;
3° le cas échéant, à l'avis, visé au paragraphe 4 ;
4° aux données requises, visées à l'article 4.5.6 ;
5° le cas échéant, aux avis, remarques et commentaires des autorités compétentes, visées au paragraphe 2.
Le résultat de l'examen mène à l'approbation ou au rejet provisoire du RSE.
L'administration communique sa décision à l'initiateur concernant l'approbation ou le rejet provisoire du RSE dans un délai déterminé par le Gouvernement flamand.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres règles pour l'approbation ou le rejet provisoire du RSE et sa publication. ".
Art.167. Artikel 4.5.3 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt opgeheven.
Art.167. L'article 4.5.3 du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2002, est abrogé.
Art.168. In artikel 4.5.5, § 3, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt de zinsnede "de aanvullende bijzondere schriftelijke richtlijnen van de administratie als aanvulling op de afgebakende inhoud, bedoeld in artikel 4.5.3, § 1, 1° en 2°, " vervangen door de zinsnede "het advies, vermeld in artikel 4.5.2, § 4,".
Art.168. A l'article 4.5.5, § 3, du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2002, le passage " le cas échéant respecter les instructions écrites particulières et complémentaires de l'administration qui constituent un complément au contenu délimité, visé à l'article 4.5.3, § 1er, 1° et 2° " est remplacée par le passage " l'avis, visé à l'article 4.5.2, § 4 ".
Art.169. Artikel 4.5.7 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 4.5.7. § 1. Op de wijze, vermeld in de wetgeving van de desbetreffende vergunningsprocedure, bezorgt de initiatiefnemer het OVR aan de overheid die in eerste aanleg een beslissing zal nemen over de vergunningsaanvraag voor het project.
De initiatiefnemer kan aan de overheid, vermeld in het eerste lid, vragen dat bepaalde delen uit het OVR aan het openbaar onderzoek binnen de vergunningsprocedure worden onttrokken. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de samenwerking en informatie-uitwisseling van de administratie met de administraties betrokken in de vergunningsprocedure.
§ 2. Na raadpleging van de adviesverlenende instanties en na afsluiting van het openbaar onderzoek van de vergunningsprocedure, toetst de administratie het OVR inhoudelijk:
1° aan de beslissing, vermeld in artikel 4.5.2, § 3;
2° aan de beschrijving van de inhoudelijke aanpak van het OVR, vermeld in artikel 4.5.2, § 1, tweede lid, 7° ;
3° in voorkomend geval aan het advies, vermeld in artikel 4.5.2, § 4;
4° aan de vereiste gegevens, vermeld in artikel 4.5.6;
5° aan de adviezen, opmerkingen en commentaren van de instanties en het publiek over het OVR, verstrekt naar aanleiding van het openbaar onderzoek;
6° in voorkomend geval aan de adviezen, opmerkingen en commentaren van de bevoegde autoriteiten, vermeld in artikel 4.5.2, § 2, en het publiek over het OVR, verstrekt naar aanleiding van het openbaar onderzoek in grensoverschrijdend verband.
Het resultaat van de toetsing wordt opgenomen in het OVR-verslag en leidt tot de goed- of afkeuring van het OVR.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de wijze van raadpleging van de adviesverlenende instanties, vermeld in het eerste lid, en van de bevoegde autoriteiten, vermeld in het eerste lid, 5°, door de administratie.
§ 3. De administratie bezorgt haar beslissing over de goed- of afkeuring van het OVR:
1° aan de initiatiefnemer;
2° aan de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen die de Vlaamse Regering heeft aangewezen;
3° in voorkomend geval aan de bevoegde autoriteiten, vermeld in artikel 4.5.2, § 2;
4° aan de overheid die in eerste aanleg een beslissing zal nemen over de vergunningsaanvraag voor het project.
De beslissing bevat ook een afschrift van het OVR-verslag, vermeld in paragraaf 2, tweede lid.
§ 4. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de goed- of afkeuring van het OVR en de bekendmaking ervan.".
"Art. 4.5.7. § 1. Op de wijze, vermeld in de wetgeving van de desbetreffende vergunningsprocedure, bezorgt de initiatiefnemer het OVR aan de overheid die in eerste aanleg een beslissing zal nemen over de vergunningsaanvraag voor het project.
De initiatiefnemer kan aan de overheid, vermeld in het eerste lid, vragen dat bepaalde delen uit het OVR aan het openbaar onderzoek binnen de vergunningsprocedure worden onttrokken. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de samenwerking en informatie-uitwisseling van de administratie met de administraties betrokken in de vergunningsprocedure.
§ 2. Na raadpleging van de adviesverlenende instanties en na afsluiting van het openbaar onderzoek van de vergunningsprocedure, toetst de administratie het OVR inhoudelijk:
1° aan de beslissing, vermeld in artikel 4.5.2, § 3;
2° aan de beschrijving van de inhoudelijke aanpak van het OVR, vermeld in artikel 4.5.2, § 1, tweede lid, 7° ;
3° in voorkomend geval aan het advies, vermeld in artikel 4.5.2, § 4;
4° aan de vereiste gegevens, vermeld in artikel 4.5.6;
5° aan de adviezen, opmerkingen en commentaren van de instanties en het publiek over het OVR, verstrekt naar aanleiding van het openbaar onderzoek;
6° in voorkomend geval aan de adviezen, opmerkingen en commentaren van de bevoegde autoriteiten, vermeld in artikel 4.5.2, § 2, en het publiek over het OVR, verstrekt naar aanleiding van het openbaar onderzoek in grensoverschrijdend verband.
Het resultaat van de toetsing wordt opgenomen in het OVR-verslag en leidt tot de goed- of afkeuring van het OVR.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de wijze van raadpleging van de adviesverlenende instanties, vermeld in het eerste lid, en van de bevoegde autoriteiten, vermeld in het eerste lid, 5°, door de administratie.
§ 3. De administratie bezorgt haar beslissing over de goed- of afkeuring van het OVR:
1° aan de initiatiefnemer;
2° aan de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen die de Vlaamse Regering heeft aangewezen;
3° in voorkomend geval aan de bevoegde autoriteiten, vermeld in artikel 4.5.2, § 2;
4° aan de overheid die in eerste aanleg een beslissing zal nemen over de vergunningsaanvraag voor het project.
De beslissing bevat ook een afschrift van het OVR-verslag, vermeld in paragraaf 2, tweede lid.
§ 4. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de goed- of afkeuring van het OVR en de bekendmaking ervan.".
Art.169. L'article 4.5.7 du même décret, inséré par le décret du18 décembre 2002, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 4.5.7. § 1er. De la manière prévue par la législation de la procédure d'autorisation concernée, l'initiateur remet le RSE à l'autorité qui rendra une décision en première instance administrative concernant la demande d'autorisation pour le projet.
L'initiateur peut demander à l'autorité, visée au premier alinéa, à ce que, dans le cadre de la procédure d'autorisation, certaines parties du RSE soient soustraites à l'enquête publique. Le Gouvernement flamand peut en arrêter les modalités.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres règles concernant la collaboration et l'échange d'informations entre l'administration et les administrations concernées par la procédure d'autorisation.
§ 2. Après consultation des instances consultatives et après clôture de l'enquête publique relative à la procédure d'autorisation, l'administration confronte le contenu du RSE :
1° à la décision, visée à l'article 4.5.2, § 3 ;
2° la description de l'approche de fond du RSE, visée à l'article 4.5.2, § 1er, deuxième alinéa, 7° ;
3° le cas échéant, à l'avis visé au paragraphe 4.5.2, § 4 ;
4° aux données requises, visées à l'article 4.5.6 ;
5° aux avis, remarques et commentaires des instances et du public sur le RSE, fournis dans le cadre de l'enquête publique ;
6° le cas échéant, aux avis, remarques et commentaires des autorités compétentes, visées à l'article 4.5.2, § 2, et du public sur le RSE, fournis dans le cadre de l'enquête publique dans un contexte transfrontière.
Le résultat de l'examen est repris dans le rapport sur le rapport de RSE et mène à l'approbation ou au rejet du RSE.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres règles concernant le mode de consultation des instances consultatives, visées au premier alinéa, et des autorités compétentes, visées au premier alinéa, 5°, par l'administration.
§ 3. L'administration communique sa décision concernant l'approbation ou le rejet du RSE :
1° à l'initiateur ;
2° aux administrations, institutions publiques et administrations publiques que le Gouvernement flamand a désignées ;
3° le cas échéant, aux autorités compétentes visées au paragraphe 4.5.2, § 2 ;
4° à l'autorité qui, en première instance administrative, prendra une décision concernant la demande d'autorisation pour le projet.
La décision contient également une copie du rapport de RSE, visée au paragraphe 2, deuxième alinéa.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres règles pour l'approbation ou le rejet du RSE et sa publication. ".
" Art. 4.5.7. § 1er. De la manière prévue par la législation de la procédure d'autorisation concernée, l'initiateur remet le RSE à l'autorité qui rendra une décision en première instance administrative concernant la demande d'autorisation pour le projet.
L'initiateur peut demander à l'autorité, visée au premier alinéa, à ce que, dans le cadre de la procédure d'autorisation, certaines parties du RSE soient soustraites à l'enquête publique. Le Gouvernement flamand peut en arrêter les modalités.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres règles concernant la collaboration et l'échange d'informations entre l'administration et les administrations concernées par la procédure d'autorisation.
§ 2. Après consultation des instances consultatives et après clôture de l'enquête publique relative à la procédure d'autorisation, l'administration confronte le contenu du RSE :
1° à la décision, visée à l'article 4.5.2, § 3 ;
2° la description de l'approche de fond du RSE, visée à l'article 4.5.2, § 1er, deuxième alinéa, 7° ;
3° le cas échéant, à l'avis visé au paragraphe 4.5.2, § 4 ;
4° aux données requises, visées à l'article 4.5.6 ;
5° aux avis, remarques et commentaires des instances et du public sur le RSE, fournis dans le cadre de l'enquête publique ;
6° le cas échéant, aux avis, remarques et commentaires des autorités compétentes, visées à l'article 4.5.2, § 2, et du public sur le RSE, fournis dans le cadre de l'enquête publique dans un contexte transfrontière.
Le résultat de l'examen est repris dans le rapport sur le rapport de RSE et mène à l'approbation ou au rejet du RSE.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres règles concernant le mode de consultation des instances consultatives, visées au premier alinéa, et des autorités compétentes, visées au premier alinéa, 5°, par l'administration.
§ 3. L'administration communique sa décision concernant l'approbation ou le rejet du RSE :
1° à l'initiateur ;
2° aux administrations, institutions publiques et administrations publiques que le Gouvernement flamand a désignées ;
3° le cas échéant, aux autorités compétentes visées au paragraphe 4.5.2, § 2 ;
4° à l'autorité qui, en première instance administrative, prendra une décision concernant la demande d'autorisation pour le projet.
La décision contient également une copie du rapport de RSE, visée au paragraphe 2, deuxième alinéa.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres règles pour l'approbation ou le rejet du RSE et sa publication. ".
Art.170. In artikel 4.5.8 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 1. Vanaf de betekening van de beslissing, vermeld in artikel 4.5.7, § 3, liggen het OVR, het OVR-verslag, vermeld in artikel 4.5.7, § 2, tweede lid, en in voorkomend geval het advies, vermeld in artikel 4.5.2, § 4, ter inzage bij de administratie.";
2° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "artikel 8, § 5, van het decreet van 18 mei 1999" vervangen door de zinsnede "artikel 15 van het decreet van 26 maart 2004";
3° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "bedoeld in artikel 4.5.2, § 4" telkens vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 4.5.2, § 2".
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 1. Vanaf de betekening van de beslissing, vermeld in artikel 4.5.7, § 3, liggen het OVR, het OVR-verslag, vermeld in artikel 4.5.7, § 2, tweede lid, en in voorkomend geval het advies, vermeld in artikel 4.5.2, § 4, ter inzage bij de administratie.";
2° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "artikel 8, § 5, van het decreet van 18 mei 1999" vervangen door de zinsnede "artikel 15 van het decreet van 26 maart 2004";
3° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "bedoeld in artikel 4.5.2, § 4" telkens vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 4.5.2, § 2".
Art.170. A l'article 4.5.8 du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2002, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. A partir de la signification de la décision, visée à l'article 4.5.7, § 3, le RSE, le rapport du RSE, visé à l'article 4.5.7, § 2, deuxième alinéa, et, le cas échéant, l'avis, visé à l'article 4.5.2, § 4, peuvent être consultés par l'administration. " ;
2° au paragraphe 2, le passage " article 8, § 5, du décret du 18 mai 1999 " est remplacé par le passage " article 15 du décret du 26 mars 2004 " ;
3° au paragraphe 4, les mots " visés à l'article 4.5.2, § 4 " sont chaque fois remplacés par les mots " visés à l'article 4.5.2, § 2 ".
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. A partir de la signification de la décision, visée à l'article 4.5.7, § 3, le RSE, le rapport du RSE, visé à l'article 4.5.7, § 2, deuxième alinéa, et, le cas échéant, l'avis, visé à l'article 4.5.2, § 4, peuvent être consultés par l'administration. " ;
2° au paragraphe 2, le passage " article 8, § 5, du décret du 18 mai 1999 " est remplacé par le passage " article 15 du décret du 26 mars 2004 " ;
3° au paragraphe 4, les mots " visés à l'article 4.5.2, § 4 " sont chaque fois remplacés par les mots " visés à l'article 4.5.2, § 2 ".
Art.171. In artikel 4.6.1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en vervangen bij het decreet van 27 maart 2009, wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6".
Art.171. A l'article 4.6, deuxième alinéa, du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2002 et remplacé par le décret du 27 mars 2009, le passage " chapitre IIIbis du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " titre V, chapitre 6 ".
Art.172. In artikel 4.6.2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan paragraaf 1 wordt een derde lid toegevoegd dat luidt als volgt:
"Het advies, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid, omvat de bijzondere en in voorkomend geval de aanvullende bijzondere richtlijnen, vermeld in het tweede lid.";
2° aan paragraaf 2 wordt een derde lid toegevoegd dat luidt als volgt:
"Het advies, vermeld in artikel 4.5.2, § 4, omvat de bijzondere en in voorkomend geval de aanvullende bijzondere richtlijnen, vermeld in het tweede lid.".
1° aan paragraaf 1 wordt een derde lid toegevoegd dat luidt als volgt:
"Het advies, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid, omvat de bijzondere en in voorkomend geval de aanvullende bijzondere richtlijnen, vermeld in het tweede lid.";
2° aan paragraaf 2 wordt een derde lid toegevoegd dat luidt als volgt:
"Het advies, vermeld in artikel 4.5.2, § 4, omvat de bijzondere en in voorkomend geval de aanvullende bijzondere richtlijnen, vermeld in het tweede lid.".
Art.172. A l'article 4.6.2 du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2002 et modifié par le décret du 23 décembre 2010, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er est inséré un troisième alinéa qui s'énonce comme suit :
" L'avis, visé à l'article 4.3.4, § 4, deuxième alinéa, contient les instructions particulières et, le cas échéant, les instructions particulières complémentaires, visées au deuxième alinéa. " ;
2° au paragraphe 2, est inséré un troisième alinéa qui s'énonce comme suit :
" L'avis, visé à l'article 4.5.2, § 4, contient les instructions particulières et, le cas échéant, les instructions particulières complémentaires, visées au deuxième alinéa. ".
1° au paragraphe 1er est inséré un troisième alinéa qui s'énonce comme suit :
" L'avis, visé à l'article 4.3.4, § 4, deuxième alinéa, contient les instructions particulières et, le cas échéant, les instructions particulières complémentaires, visées au deuxième alinéa. " ;
2° au paragraphe 2, est inséré un troisième alinéa qui s'énonce comme suit :
" L'avis, visé à l'article 4.5.2, § 4, contient les instructions particulières et, le cas échéant, les instructions particulières complémentaires, visées au deuxième alinéa. ".
Art.173. In artikel 4.6.4 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij de decreten van 27 april 2007 en 23 maart 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, 1°, wordt punt b) opgeheven;
2° in paragraaf 1, 1°, wordt punt c) vervangen door wat volgt:
"c) de afkeuring van het plan-MER, vermeld in artikel 4.2.10, § 2;";
3° in paragraaf 1, 2°, wordt punt a) opgeheven;
4° in paragraaf 1, 2°, wordt punt b) vervangen door wat volgt:
"b) de afkeuring van het ruimtelijk veiligheidsrapport, vermeld in artikel 4.4.4, § 2.".
1° in paragraaf 1, 1°, wordt punt b) opgeheven;
2° in paragraaf 1, 1°, wordt punt c) vervangen door wat volgt:
"c) de afkeuring van het plan-MER, vermeld in artikel 4.2.10, § 2;";
3° in paragraaf 1, 2°, wordt punt a) opgeheven;
4° in paragraaf 1, 2°, wordt punt b) vervangen door wat volgt:
"b) de afkeuring van het ruimtelijk veiligheidsrapport, vermeld in artikel 4.4.4, § 2.".
Art.173. A l'article 4.6.4 du même décret, inséré par le décret du18 décembre 2002 et modifié par les décrets des 27 avril 2007 et23 mars 2012, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, 1°, le point b) est abrogé ;
2° au paragraphe 1er, 1°, le point c) est remplacé par ce qui suit :
" c) le rejet du plan MER, visé à l'article 4.2.10, § 2 ; " ;
3° au paragraphe 1er, 2°, le point a) est abrogé ;
4° au paragraphe 1er, 2°, le point b) est remplacé par ce qui suit :
" b) le rejet du rapport de sécurité spatiale, visé à l'article 4.4.4, § 2. ".
1° au paragraphe 1er, 1°, le point b) est abrogé ;
2° au paragraphe 1er, 1°, le point c) est remplacé par ce qui suit :
" c) le rejet du plan MER, visé à l'article 4.2.10, § 2 ; " ;
3° au paragraphe 1er, 2°, le point a) est abrogé ;
4° au paragraphe 1er, 2°, le point b) est remplacé par ce qui suit :
" b) le rejet du rapport de sécurité spatiale, visé à l'article 4.4.4, § 2. ".
Art.174. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt een titel V ingevoegd, die luidt als volgt:
"TITEL V. - Exploitatie van inrichtingen en activiteiten en erkende personen".
"TITEL V. - Exploitatie van inrichtingen en activiteiten en erkende personen".
Art.174. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, un titre V est inséré, qui s'énonce comme suit :
" Titre V. Exploitation des établissements et activités et personnes agréées ".
" Titre V. Exploitation des établissements et activités et personnes agréées ".
Art.175. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, ingevoegd bij artikel 174, een hoofdstuk 1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"HOOFDSTUK 1. - Definities en doelstelling".
"HOOFDSTUK 1. - Definities en doelstelling".
Art.175. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans le titre V, inséré par l'article 174, est inséré un chapitre 1er qui s'énonce comme suit :
" Chapitre 1er. Définitions et objectif ".
" Chapitre 1er. Définitions et objectif ".
Art.176. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 1, ingevoegd bij artikel 175, een afdeling 1 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 1. - Algemene definities".
"Afdeling 1. - Algemene definities".
Art.176. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans le titre V, chapitre 1er, inséré par l'article 175, est insérée une section 1re qui s'énonce comme suit :
" Section 1re. - Définitions générales ".
" Section 1re. - Définitions générales ".
Art.177. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 november 2012, wordt in titel V, hoofdstuk 1, afdeling 1, ingevoegd bij artikel 176, een artikel 5.1.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 5.1.1. In deze titel wordt verstaan onder:
1° activiteiten: de werken en handelingen, vermeld in de indelingslijst;
2° decreet van 25 april 2014: het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
3° emissie: de directe of indirecte uitstoot van stoffen, trillingen, warmte, licht of geluid uit puntbronnen of diffuse bronnen van inrichtingen en activiteiten in de lucht, het water of de bodem;
4° exploitant: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een ingedeelde inrichting exploiteert of voor de rekening van wie ze wordt geëxploiteerd;
5° exploiteren: het installeren, in werking stellen, gebruiken of in stand houden van ingedeelde inrichtingen of het aanvangen en uitvoeren van ingedeelde activiteiten;
6° GPBV-installatie: een vaste technische eenheid waarin een of meer van de activiteiten en processen, vermeld in de indelingslijst, en aangeduid met de letter X in de vierde kolom van de indelingslijst, alsook andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden die technisch in verband staan met de voormelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;
7° indelingslijst: de lijst, vastgesteld door de Vlaamse Regering bestaande uit rubrieken die een omschrijving omvatten van de inrichtingen en activiteiten die ernstige risico's of hinder voor de mens en het milieu kunnen inhouden;
8° ingedeelde inrichting of activiteit: één inrichting of activiteit en de aanhorigheden ervan op een bepaalde locatie of, in voorkomend geval, meerdere inrichtingen of activiteiten en de aanhorigheden ervan op een bepaalde locatie die voor hun exploitatie als een samenhangend technisch geheel moeten worden beschouwd. Het feit dat verschillende inrichtingen en activiteiten een verschillend eigendomsstatuut hebben belet niet dat ze door hun onderlinge technische samenhang als één ingedeelde inrichting of activiteit kunnen worden beschouwd;
9° inrichtingen: de bedrijven, werkplaatsen, opslagplaatsen, installaties, machines en toestellen, als omschreven in de indelingslijst;
10° mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten: de door de Vlaamse Regering aangewezen inrichtingen of activiteiten die vanwege hun aard op verschillende locaties al dan niet binnen een vergunde inrichting, kunnen worden ingezet;
11° tijdelijke inrichtingen en activiteiten: de door de Vlaamse Regering aangewezen inrichtingen en activiteiten die op tijdelijke basis, gedurende maximaal één jaar als ze verband houden met een bouwwerf of maximaal drie maanden in de overige gevallen, worden ingezet en waarvan de exploitatie geen blijvende gevolgen heeft voor de mens en het milieu;
12° veranderen van een ingedeelde inrichting of activiteit:
a) het wijzigen: het verplaatsen binnen de vergunde of gemelde inrichting of activiteit, of het aanwenden van een andere exploitatiemethode;
b) het uitbreiden: het vergroten in capaciteit, in drijfkracht of in oppervlakte op percelen waarop de geldende vergunning of melding betrekking heeft;
c) het toevoegen: het vergroten in opslagcapaciteit, in drijfkracht of in oppervlakte op percelen waarop de geldende vergunning of melding geen betrekking heeft;
13° verontreiniging: de directe of indirecte inbreng door menselijke activiteiten van stoffen, trillingen, warmte of geluid in lucht, water of bodem, die de gezondheid van de mens of de milieukwaliteit kan aantasten, schade kan toebrengen aan materiële goederen, of de belevingswaarde van het milieu of een ander rechtmatig milieugebruik kan aantasten of in de weg kan staan.".
"Art. 5.1.1. In deze titel wordt verstaan onder:
1° activiteiten: de werken en handelingen, vermeld in de indelingslijst;
2° decreet van 25 april 2014: het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
3° emissie: de directe of indirecte uitstoot van stoffen, trillingen, warmte, licht of geluid uit puntbronnen of diffuse bronnen van inrichtingen en activiteiten in de lucht, het water of de bodem;
4° exploitant: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een ingedeelde inrichting exploiteert of voor de rekening van wie ze wordt geëxploiteerd;
5° exploiteren: het installeren, in werking stellen, gebruiken of in stand houden van ingedeelde inrichtingen of het aanvangen en uitvoeren van ingedeelde activiteiten;
6° GPBV-installatie: een vaste technische eenheid waarin een of meer van de activiteiten en processen, vermeld in de indelingslijst, en aangeduid met de letter X in de vierde kolom van de indelingslijst, alsook andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden die technisch in verband staan met de voormelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;
7° indelingslijst: de lijst, vastgesteld door de Vlaamse Regering bestaande uit rubrieken die een omschrijving omvatten van de inrichtingen en activiteiten die ernstige risico's of hinder voor de mens en het milieu kunnen inhouden;
8° ingedeelde inrichting of activiteit: één inrichting of activiteit en de aanhorigheden ervan op een bepaalde locatie of, in voorkomend geval, meerdere inrichtingen of activiteiten en de aanhorigheden ervan op een bepaalde locatie die voor hun exploitatie als een samenhangend technisch geheel moeten worden beschouwd. Het feit dat verschillende inrichtingen en activiteiten een verschillend eigendomsstatuut hebben belet niet dat ze door hun onderlinge technische samenhang als één ingedeelde inrichting of activiteit kunnen worden beschouwd;
9° inrichtingen: de bedrijven, werkplaatsen, opslagplaatsen, installaties, machines en toestellen, als omschreven in de indelingslijst;
10° mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten: de door de Vlaamse Regering aangewezen inrichtingen of activiteiten die vanwege hun aard op verschillende locaties al dan niet binnen een vergunde inrichting, kunnen worden ingezet;
11° tijdelijke inrichtingen en activiteiten: de door de Vlaamse Regering aangewezen inrichtingen en activiteiten die op tijdelijke basis, gedurende maximaal één jaar als ze verband houden met een bouwwerf of maximaal drie maanden in de overige gevallen, worden ingezet en waarvan de exploitatie geen blijvende gevolgen heeft voor de mens en het milieu;
12° veranderen van een ingedeelde inrichting of activiteit:
a) het wijzigen: het verplaatsen binnen de vergunde of gemelde inrichting of activiteit, of het aanwenden van een andere exploitatiemethode;
b) het uitbreiden: het vergroten in capaciteit, in drijfkracht of in oppervlakte op percelen waarop de geldende vergunning of melding betrekking heeft;
c) het toevoegen: het vergroten in opslagcapaciteit, in drijfkracht of in oppervlakte op percelen waarop de geldende vergunning of melding geen betrekking heeft;
13° verontreiniging: de directe of indirecte inbreng door menselijke activiteiten van stoffen, trillingen, warmte of geluid in lucht, water of bodem, die de gezondheid van de mens of de milieukwaliteit kan aantasten, schade kan toebrengen aan materiële goederen, of de belevingswaarde van het milieu of een ander rechtmatig milieugebruik kan aantasten of in de weg kan staan.".
Art.177. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 16 novembre 2012, dans le titre V, chapitre 1er, inséré par l'article 176, est inséré un article 5.1.1 qui s'énonce comme suit :
" Art. 5.1.1. Dans ce titre, il y a lieu d'entendre par :
1° activités : les travaux et actes, visés dans la liste de classification ;
2° décret du 25 avril 2014 : le décret relatif au permis d'environnement ;
3° émission : l'émission directe ou indirecte, dans l'air, l'eau ou le sol, de poussières, vibrations, chaleur, lumière ou bruits à partir de sources ponctuelles ou de sources diffuses des installations ou activités ;
4° exploitant : la personne physique ou morale qui exploite une installation classée ou pour le compte de laquelle cette installation est exploitée ;
5° exploitation : l'installation, la mise en service, l'utilisation ou le maintien d'installations classées ou le commencement et l'exécution d'activités classées ;
6° installation réputée incommode : une unité technique fixe dans laquelle se déroulent les opérations et procédés indiqués dans la liste de classification, désignée par la lettre X dans la quatrième colonne de la liste de classification, ainsi que d'autres activités connexes, ayant un rapport technique direct avec les activités à exécuter à cet endroit et qui sont susceptibles d'influencer les émissions et la pollution ;
7° liste de classification : la liste établie par le Gouvernement flamand, qui se compose de rubriques qui contiennent une description des établissements et activités présentant un risque ou des nuisances sérieux pour l'homme ou l'environnement ;
8° établissement classé ou activité classée : un établissement ou une activité et ses compléments en un lieu déterminé ou, le cas échéant, plusieurs établissement ou activités et leurs compléments en un lieu déterminé qui, aux fins de leur exploitation, sont considérés comme un ensemble technique cohérent. Le fait que différents établissements et activités ont un statut différent en matière de propriété n'empêche pas qu'ils puissent, de par leur cohésion technique, être considérés comme un seul établissement ou activité ;
9° établissements : les entreprises, lieux de travail, lieux de stockage, installations, machines et appareils, tels que décrits dans la liste de classification ;
10° établissements ou activités mobiles ou déplaçables : les établissements ou activités désignés par le Gouvernement flamand qui, de par leur nature, peuvent, au sein d'un établissement autorisé ou non, être utilisés en différents endroits ;
11° établissements ou activités temporaires : les établissements ou activités désignés par le Gouvernement flamand qui sont utilisés pendant un an au maximum, s'ils concernent un chantier de construction, ou trois mois au maximum, dans les autres cas, et donc l'exploitation n'entraîne pas de conséquences permanentes pour l'homme et l'environnement ;
12° changements à un établissement classé ou une activité classée :
a) modification : le déplacement, à l'intérieur de l'établissement ou activité autorisé ou notifié, ou l'emploi d'une autre méthode d'exploitation ;
b) extension : l'agrandissement en capacité, en force motrice ou en surface sur les parcelles auxquelles a trait l'autorisation ou notification en vigueur ;
c) ajout : l'agrandissement en capacité de stockage, en force motrice ou en surface sur les parcelles auxquelles à trait l'autorisation ou notification en vigueur ;
13° pollution : l'introduction directe ou indirecte, par l'activité humaine, de substances, de vibrations, de chaleur ou de bruit dans l'air, l'eau ou le sol, susceptibles de porter atteinte à la santé humaine ou à la qualité de l'environnement, d'entraîner des détériorations des biens matériels, une détérioration ou une entrave à l'agrément de l'environnement ou à d'autresutilisations légitimes de ce dernier. ".
" Art. 5.1.1. Dans ce titre, il y a lieu d'entendre par :
1° activités : les travaux et actes, visés dans la liste de classification ;
2° décret du 25 avril 2014 : le décret relatif au permis d'environnement ;
3° émission : l'émission directe ou indirecte, dans l'air, l'eau ou le sol, de poussières, vibrations, chaleur, lumière ou bruits à partir de sources ponctuelles ou de sources diffuses des installations ou activités ;
4° exploitant : la personne physique ou morale qui exploite une installation classée ou pour le compte de laquelle cette installation est exploitée ;
5° exploitation : l'installation, la mise en service, l'utilisation ou le maintien d'installations classées ou le commencement et l'exécution d'activités classées ;
6° installation réputée incommode : une unité technique fixe dans laquelle se déroulent les opérations et procédés indiqués dans la liste de classification, désignée par la lettre X dans la quatrième colonne de la liste de classification, ainsi que d'autres activités connexes, ayant un rapport technique direct avec les activités à exécuter à cet endroit et qui sont susceptibles d'influencer les émissions et la pollution ;
7° liste de classification : la liste établie par le Gouvernement flamand, qui se compose de rubriques qui contiennent une description des établissements et activités présentant un risque ou des nuisances sérieux pour l'homme ou l'environnement ;
8° établissement classé ou activité classée : un établissement ou une activité et ses compléments en un lieu déterminé ou, le cas échéant, plusieurs établissement ou activités et leurs compléments en un lieu déterminé qui, aux fins de leur exploitation, sont considérés comme un ensemble technique cohérent. Le fait que différents établissements et activités ont un statut différent en matière de propriété n'empêche pas qu'ils puissent, de par leur cohésion technique, être considérés comme un seul établissement ou activité ;
9° établissements : les entreprises, lieux de travail, lieux de stockage, installations, machines et appareils, tels que décrits dans la liste de classification ;
10° établissements ou activités mobiles ou déplaçables : les établissements ou activités désignés par le Gouvernement flamand qui, de par leur nature, peuvent, au sein d'un établissement autorisé ou non, être utilisés en différents endroits ;
11° établissements ou activités temporaires : les établissements ou activités désignés par le Gouvernement flamand qui sont utilisés pendant un an au maximum, s'ils concernent un chantier de construction, ou trois mois au maximum, dans les autres cas, et donc l'exploitation n'entraîne pas de conséquences permanentes pour l'homme et l'environnement ;
12° changements à un établissement classé ou une activité classée :
a) modification : le déplacement, à l'intérieur de l'établissement ou activité autorisé ou notifié, ou l'emploi d'une autre méthode d'exploitation ;
b) extension : l'agrandissement en capacité, en force motrice ou en surface sur les parcelles auxquelles a trait l'autorisation ou notification en vigueur ;
c) ajout : l'agrandissement en capacité de stockage, en force motrice ou en surface sur les parcelles auxquelles à trait l'autorisation ou notification en vigueur ;
13° pollution : l'introduction directe ou indirecte, par l'activité humaine, de substances, de vibrations, de chaleur ou de bruit dans l'air, l'eau ou le sol, susceptibles de porter atteinte à la santé humaine ou à la qualité de l'environnement, d'entraîner des détériorations des biens matériels, une détérioration ou une entrave à l'agrément de l'environnement ou à d'autresutilisations légitimes de ce dernier. ".
Art.178. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 1, ingevoegd bij artikel 175, een afdeling 2 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 2. - Definities van genetisch gemodificeerde organismen of pathogene organismen".
"Afdeling 2. - Definities van genetisch gemodificeerde organismen of pathogene organismen".
Art.178. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans le titre V, chapitre 1er, inséré par l'article 175, est insérée une section 2 qui s'énonce comme suit :
" Section 2. - Définitions d'organismes génétiquement modifiés ou d'organismes pathogènes ".
" Section 2. - Définitions d'organismes génétiquement modifiés ou d'organismes pathogènes ".
Art.179. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 1, afdeling 2, ingevoegd bij artikel 178, een artikel 5.1.2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Artikel 5.1.2. In hoofdstuk V wordt verstaan onder:
1° genetisch gemodificeerd micro-organisme (ggm) of organisme (ggo): een micro-organisme of een organisme waarvan het genetische materiaal gewijzigd is op een wijze die van nature of door voortplanting of natuurlijke recombinatie niet mogelijk is;
2° pathogene organismen: fytopathogenen, menselijke pathogenen of zoöpathogenen;
3° ingeperkt gebruik: elke activiteit waarbij organismen genetisch worden gemodificeerd of waarbij dergelijke ggo's of pathogene organismen worden gekweekt, opgeslagen, getransporteerd, vernietigd, verwijderd of anderszins gebruikt en waarbij specifieke inperkingsmaatregelen worden gebruikt om het contact van die organismen met de bevolking in het algemeen en het milieu te beperken;
4° kennisgeving: het indienen van documenten met de vereiste gegevens met het oog op het uitoefenen van activiteiten van risiconiveau 1 of 2;
5° toelating: het indienen van documenten met de vereiste gegevens met het oog op het verkrijgen van een toelating voor de uitoefening van activiteiten met risiconiveau 3 of 4.".
"Artikel 5.1.2. In hoofdstuk V wordt verstaan onder:
1° genetisch gemodificeerd micro-organisme (ggm) of organisme (ggo): een micro-organisme of een organisme waarvan het genetische materiaal gewijzigd is op een wijze die van nature of door voortplanting of natuurlijke recombinatie niet mogelijk is;
2° pathogene organismen: fytopathogenen, menselijke pathogenen of zoöpathogenen;
3° ingeperkt gebruik: elke activiteit waarbij organismen genetisch worden gemodificeerd of waarbij dergelijke ggo's of pathogene organismen worden gekweekt, opgeslagen, getransporteerd, vernietigd, verwijderd of anderszins gebruikt en waarbij specifieke inperkingsmaatregelen worden gebruikt om het contact van die organismen met de bevolking in het algemeen en het milieu te beperken;
4° kennisgeving: het indienen van documenten met de vereiste gegevens met het oog op het uitoefenen van activiteiten van risiconiveau 1 of 2;
5° toelating: het indienen van documenten met de vereiste gegevens met het oog op het verkrijgen van een toelating voor de uitoefening van activiteiten met risiconiveau 3 of 4.".
Art.179. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du8 février 2013, dans le titre V, chapitre 1er, inséré par l'article 178, est inséré un article 5.1.2 qui s'énonce comme suit :
" Article 5.1.2. Au chapitre V, il convient d'entendre par :
1° micro-organisme génétiquement modifié (MGM) ou organisme génétiquement modifié (OGM) : un micro-organisme ou un organisme dont le matériel génétique est modifié d'une manière qui ne s'effectue pas naturellement, par multiplication ou recombinaison naturelle ;
2° organismes pathogènes : phytopathogènes, pathogènes humains ou zoopathogènes ;
3° utilisation confinée : toute opération dans laquelle des organismes sont génétiquement modifiés ou dans laquelle des OGM ou organismes pathogènes sont cultivés, stockés, transportés, détruits, éliminés ou utilisés de toute autre manière, et pour laquelle des mesures de confinement spécifiques sont prises pour limiter le contact de ces organismes avec l'ensemble de la population et l'environnement ;
4° notification : la remise des documents contenant les données exigées en vue de l'exercice d'activités de classe de risque 1 ou 2 ;
5° permission : la remise des documents contenant les données exigées en vue de l'obtention d'une permission pour l'exercice d'activités de classe de risque 3 ou 4. ".
" Article 5.1.2. Au chapitre V, il convient d'entendre par :
1° micro-organisme génétiquement modifié (MGM) ou organisme génétiquement modifié (OGM) : un micro-organisme ou un organisme dont le matériel génétique est modifié d'une manière qui ne s'effectue pas naturellement, par multiplication ou recombinaison naturelle ;
2° organismes pathogènes : phytopathogènes, pathogènes humains ou zoopathogènes ;
3° utilisation confinée : toute opération dans laquelle des organismes sont génétiquement modifiés ou dans laquelle des OGM ou organismes pathogènes sont cultivés, stockés, transportés, détruits, éliminés ou utilisés de toute autre manière, et pour laquelle des mesures de confinement spécifiques sont prises pour limiter le contact de ces organismes avec l'ensemble de la population et l'environnement ;
4° notification : la remise des documents contenant les données exigées en vue de l'exercice d'activités de classe de risque 1 ou 2 ;
5° permission : la remise des documents contenant les données exigées en vue de l'obtention d'une permission pour l'exercice d'activités de classe de risque 3 ou 4. ".
Art.180. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 1, ingevoegd bij artikel 175, een afdeling 3 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 3. - Doelstelling".
"Afdeling 3. - Doelstelling".
Art.180. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans le titre V, chapitre 1er, inséré par l'article 175, est insérée une section 3 qui s'énonce comme suit :
" Section 3. - Objectif ".
" Section 3. - Objectif ".
Art.181. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 1, afdeling 3, ingevoegd bij artikel 180, een artikel 5.1.3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 5.1.3. Deze titel heeft tot doel:
1° de mens en het milieu te beschermen tegen onaanvaardbare risico's en hinder, afkomstig van de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten.
De hinder en risico's omvatten:
a) de hinder en risico's als gevolg van de directe of indirecte inbreng van stoffen, trillingen, warmte, licht of geluid in lucht, water of bodem die de gezondheid van de mens of de milieukwaliteit kunnen aantasten;
b) de risico's op ongevallen als gevolg van de exploitatie en de gevolgen daarvan voor de gezondheid van de mens en het milieu;
c) de risico's en de hinder door uitputting van hernieuwbare en niet-hernieuwbare hulpbronnen, de verspilling van materialen en energie in het algemeen alsook de schadelijke gevolgen voor mens en milieu, verbonden aan materiaalgebruik en -verbruik;
d) mobiliteitshinder.
De bescherming geldt eveneens ten aanzien van personen die zich binnen de inrichting bevinden en die niet dezelfde bescherming genieten als de werknemers of hun gelijkgestelden, vermeld in artikel 2 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitoefening van hun werk;
2° een erkenning in te stellen voor het uitoefenen van bepaalde functies, het verstrekken van opleidingen, het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses door rechtspersonen of natuurlijke personen.
Deze titel draagt bij tot de realisatie van de doelstellingen omschreven in artikel 1.2.1 van dit decreet.
Deze titel beoogt tevens een proces van permanente verbetering aan te moedigen bij de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten.".
"Art. 5.1.3. Deze titel heeft tot doel:
1° de mens en het milieu te beschermen tegen onaanvaardbare risico's en hinder, afkomstig van de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten.
De hinder en risico's omvatten:
a) de hinder en risico's als gevolg van de directe of indirecte inbreng van stoffen, trillingen, warmte, licht of geluid in lucht, water of bodem die de gezondheid van de mens of de milieukwaliteit kunnen aantasten;
b) de risico's op ongevallen als gevolg van de exploitatie en de gevolgen daarvan voor de gezondheid van de mens en het milieu;
c) de risico's en de hinder door uitputting van hernieuwbare en niet-hernieuwbare hulpbronnen, de verspilling van materialen en energie in het algemeen alsook de schadelijke gevolgen voor mens en milieu, verbonden aan materiaalgebruik en -verbruik;
d) mobiliteitshinder.
De bescherming geldt eveneens ten aanzien van personen die zich binnen de inrichting bevinden en die niet dezelfde bescherming genieten als de werknemers of hun gelijkgestelden, vermeld in artikel 2 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitoefening van hun werk;
2° een erkenning in te stellen voor het uitoefenen van bepaalde functies, het verstrekken van opleidingen, het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses door rechtspersonen of natuurlijke personen.
Deze titel draagt bij tot de realisatie van de doelstellingen omschreven in artikel 1.2.1 van dit decreet.
Deze titel beoogt tevens een proces van permanente verbetering aan te moedigen bij de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten.".
Art.181. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans le titre V, chapitre 1er, section 3, inséré par l'article 180, est inséré un article 5.1.3 qui s'énonce comme suit :
" Art. 5.1.3. Le présent titre a pour but :
1° de protéger l'homme et l'environnement contre les risques et nuisances inacceptables découlant de l'exploitation d'établissements ou activités classés.
Les nuisances et risques comprennent :
a) les nuisances et les risques découlant de l'introduction directe ou indirecte de poussières, vibrations, chaleur, lumière ou bruits dans l'air, l'eau ou le sol, de nature à porter atteinte à la santé humaine ou à la qualité de l'environnement ;
b) les risques d'accident découlant de l'exploitation et leurs conséquences pour la santé humaine et l'environnement ;
c) les risques et les nuisances découlant de l'épuisement de ressources renouvelables et non renouvelables, le gaspillage de matériaux et d'énergie en général et les effets nocifs pour l'homme et l'environnement, liés à l'utilisation et la consommation de matériaux ;
d) les entraves à la mobilité.
La protection vaut également pour les personnes qui se trouvent à l'intérieur de l'établissement et qui ne jouissent pas de la même protection que les travailleurs ou les personnes y assimilées, tels que visés à l'article 2 de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail ;
2° introduire une reconnaissance pour l'exercice de certaines fonctions, la dispense de formations, le prélèvement d'échantillons et l'exécution de mesures, d'épreuves et d'analyses par des personnes morales ou physiques.
Le présent titre contribue à la réalisation des objectifs décrits à l'article 1.2.1 du présent décret.
Le présent titre vise en outre à encourager un processus d'amélioration permanente de l'exploitation d'établissements et activités classés. ".
" Art. 5.1.3. Le présent titre a pour but :
1° de protéger l'homme et l'environnement contre les risques et nuisances inacceptables découlant de l'exploitation d'établissements ou activités classés.
Les nuisances et risques comprennent :
a) les nuisances et les risques découlant de l'introduction directe ou indirecte de poussières, vibrations, chaleur, lumière ou bruits dans l'air, l'eau ou le sol, de nature à porter atteinte à la santé humaine ou à la qualité de l'environnement ;
b) les risques d'accident découlant de l'exploitation et leurs conséquences pour la santé humaine et l'environnement ;
c) les risques et les nuisances découlant de l'épuisement de ressources renouvelables et non renouvelables, le gaspillage de matériaux et d'énergie en général et les effets nocifs pour l'homme et l'environnement, liés à l'utilisation et la consommation de matériaux ;
d) les entraves à la mobilité.
La protection vaut également pour les personnes qui se trouvent à l'intérieur de l'établissement et qui ne jouissent pas de la même protection que les travailleurs ou les personnes y assimilées, tels que visés à l'article 2 de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail ;
2° introduire une reconnaissance pour l'exercice de certaines fonctions, la dispense de formations, le prélèvement d'échantillons et l'exécution de mesures, d'épreuves et d'analyses par des personnes morales ou physiques.
Le présent titre contribue à la réalisation des objectifs décrits à l'article 1.2.1 du présent décret.
Le présent titre vise en outre à encourager un processus d'amélioration permanente de l'exploitation d'établissements et activités classés. ".
Art.182. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, ingevoegd bij artikel 174, een hoofdstuk 2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"HOOFDSTUK 2. - Algemene beginselen inzake vergunnings- en meldingsplicht".
"HOOFDSTUK 2. - Algemene beginselen inzake vergunnings- en meldingsplicht".
Art.182. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans le titre V, inséré par l'article 174, est inséré un chapitre 2 qui s'énonce comme suit :
" CHAPITRE 2. - Principes généraux en matière d'obligation d'autorisation et de notification ".
" CHAPITRE 2. - Principes généraux en matière d'obligation d'autorisation et de notification ".
Art.183. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 182, een artikel 5.2.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 5.2.1. § 1. De Vlaamse Regering stelt de indelingslijst vast.
§ 2. In de indelingslijst bepaalt de Vlaamse Regering voor elke inrichting of activiteit of ze van de eerste, tweede of derde klasse is. Van de eerste klasse zijn de inrichtingen of activiteiten met de grootste risico's of hinder. Van de derde klasse zijn de inrichtingen of activiteiten met de minste risico's of hinder.
In de indelingslijst wijst de Vlaamse Regering ook de inrichtingen en activiteiten aan die tijdelijk, mobiel of verplaatsbaar zijn.
§ 3. Een ingedeelde inrichting of activiteit is van de eerste klasse als ze bestaat uit minstens één inrichting of activiteit die van de eerste klasse is.
In voorkomend geval omvat een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste klasse ook alle inrichtingen of activiteiten van de tweede en de derde klasse die samen op de locatie worden geëxploiteerd.
§ 4. Een ingedeelde inrichting of activiteit is van de tweede klasse als ze bestaat uit minstens één inrichting of activiteit die van de tweede klasse is, maar geen inrichting of activiteit omvat die van de eerste klasse is.
In voorkomend geval omvat een ingedeelde inrichting of activiteit van de tweede klasse ook alle inrichtingen of activiteiten van de derde klasse die samen op de locatie worden geëxploiteerd.
§ 5. Een ingedeelde inrichting of activiteit van de derde klasse bestaat uitsluitend uit inrichtingen of activiteiten van de derde klasse.
§ 6. Voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste of de tweede klasse of voor de verandering ervan is een omgevingsvergunning vereist als vermeld in artikel 6, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.
Voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de derde klasse of voor de verandering ervan is een meldingsakte vereist als vermeld in artikel 6, tweede lid, van het voormelde decreet.".
"Art. 5.2.1. § 1. De Vlaamse Regering stelt de indelingslijst vast.
§ 2. In de indelingslijst bepaalt de Vlaamse Regering voor elke inrichting of activiteit of ze van de eerste, tweede of derde klasse is. Van de eerste klasse zijn de inrichtingen of activiteiten met de grootste risico's of hinder. Van de derde klasse zijn de inrichtingen of activiteiten met de minste risico's of hinder.
In de indelingslijst wijst de Vlaamse Regering ook de inrichtingen en activiteiten aan die tijdelijk, mobiel of verplaatsbaar zijn.
§ 3. Een ingedeelde inrichting of activiteit is van de eerste klasse als ze bestaat uit minstens één inrichting of activiteit die van de eerste klasse is.
In voorkomend geval omvat een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste klasse ook alle inrichtingen of activiteiten van de tweede en de derde klasse die samen op de locatie worden geëxploiteerd.
§ 4. Een ingedeelde inrichting of activiteit is van de tweede klasse als ze bestaat uit minstens één inrichting of activiteit die van de tweede klasse is, maar geen inrichting of activiteit omvat die van de eerste klasse is.
In voorkomend geval omvat een ingedeelde inrichting of activiteit van de tweede klasse ook alle inrichtingen of activiteiten van de derde klasse die samen op de locatie worden geëxploiteerd.
§ 5. Een ingedeelde inrichting of activiteit van de derde klasse bestaat uitsluitend uit inrichtingen of activiteiten van de derde klasse.
§ 6. Voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste of de tweede klasse of voor de verandering ervan is een omgevingsvergunning vereist als vermeld in artikel 6, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.
Voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de derde klasse of voor de verandering ervan is een meldingsakte vereist als vermeld in artikel 6, tweede lid, van het voormelde decreet.".
Art.183. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans le titre V, chapitre 2, inséré par l'article 182, est inséré un article 5.2.1 qui s'énonce comme suit :
" Art. 5.2.1. § 1er. Le Gouvernement flamand établit la liste de classification.
§ 2. Dans la liste de classification, le Gouvernement flamand détermine, pour chaque établissement ou activité, s'il relève de la première, deuxième ou troisième classe. Les établissements ou activités de la première classe sont ceux qui présentent les risques ou nuisances les plus importants. Les établissements ou activités de la troisième classe sont ceux qui présentent les risques ou nuisances les moins importants.
Dans la liste de classification, le Gouvernement flamand désigne en outre les établissements et activités qui sont temporaires, mobiles ou déplaçables.
§ 3. Un établissement classé ou une activité classée relève de la première classe s'il comporte au moins un établissement ou une activité qui relève de la première classe.
Le cas échéant, un établissement classé ou une activité classée de la première classe contient également tous les établissements et activités des deuxième et troisième classes exploités conjointement à l'endroit en question.
§ 4. Un établissement classé ou une activité classée relève de la deuxième classe s'il comporte au moins un établissement ou une activité qui relève de la deuxième classe, sans contenir d'établissement ou activité de la première classe.
Le cas échéant, un établissement classé ou une activité classée de la deuxième classe contient également tous les établissements et activités de la troisième classe exploités conjointement à l'endroit en question.
§ 5. Un établissement classé ou une activité classée de la troisième classe comporte exclusivement des établissements ou activités classés de la troisième classe.
§ 6. Pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée de la première ou deuxième classe ou pour sa modification, un permis d'environnement, tel que visé à l'article 6, premier alinéa, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, est requis.
Pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée de la troisième classe ou pour sa modification, un acte de notification, tel que visé à l'article 6, deuxième alinéa, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, est requis. ".
" Art. 5.2.1. § 1er. Le Gouvernement flamand établit la liste de classification.
§ 2. Dans la liste de classification, le Gouvernement flamand détermine, pour chaque établissement ou activité, s'il relève de la première, deuxième ou troisième classe. Les établissements ou activités de la première classe sont ceux qui présentent les risques ou nuisances les plus importants. Les établissements ou activités de la troisième classe sont ceux qui présentent les risques ou nuisances les moins importants.
Dans la liste de classification, le Gouvernement flamand désigne en outre les établissements et activités qui sont temporaires, mobiles ou déplaçables.
§ 3. Un établissement classé ou une activité classée relève de la première classe s'il comporte au moins un établissement ou une activité qui relève de la première classe.
Le cas échéant, un établissement classé ou une activité classée de la première classe contient également tous les établissements et activités des deuxième et troisième classes exploités conjointement à l'endroit en question.
§ 4. Un établissement classé ou une activité classée relève de la deuxième classe s'il comporte au moins un établissement ou une activité qui relève de la deuxième classe, sans contenir d'établissement ou activité de la première classe.
Le cas échéant, un établissement classé ou une activité classée de la deuxième classe contient également tous les établissements et activités de la troisième classe exploités conjointement à l'endroit en question.
§ 5. Un établissement classé ou une activité classée de la troisième classe comporte exclusivement des établissements ou activités classés de la troisième classe.
§ 6. Pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée de la première ou deuxième classe ou pour sa modification, un permis d'environnement, tel que visé à l'article 6, premier alinéa, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, est requis.
Pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée de la troisième classe ou pour sa modification, un acte de notification, tel que visé à l'article 6, deuxième alinéa, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, est requis. ".
Art.184. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 2 van titel V, een artikel 5.2.2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 5.2.2. De Vlaamse overheid houdt een databank bij van de omgevingsvergunningen die toelating verlenen voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten.
De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van die databank, de gegevens die door de gemeenten en de provincies aan de voormelde afdeling worden aangeleverd en de wijze waarop dat gebeurt.".
"Art. 5.2.2. De Vlaamse overheid houdt een databank bij van de omgevingsvergunningen die toelating verlenen voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten.
De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van die databank, de gegevens die door de gemeenten en de provincies aan de voormelde afdeling worden aangeleverd en de wijze waarop dat gebeurt.".
Art.184. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans le même chapitre 2 du titre V, est inséré un article 5.2.2 qui s'énonce comme suit :
" Art. 5.2.2. Le Gouvernement flamand tient une banque de données des permis d'environnement qui octroient une permission pour l'exploitation d'établissements et activités classés.
Le Gouvernement flamand détermine le contenu de cette banque de données, les données qui sont fournies par les communes et les provinces à la division susmentionnée et la manière dont ces données sont transmises. ".
" Art. 5.2.2. Le Gouvernement flamand tient une banque de données des permis d'environnement qui octroient une permission pour l'exploitation d'établissements et activités classés.
Le Gouvernement flamand détermine le contenu de cette banque de données, les données qui sont fournies par les communes et les provinces à la division susmentionnée et la manière dont ces données sont transmises. ".
Art.185. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, ingevoegd bij artikel 174, een hoofdstuk 3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk 3. Beoordelingscriteria".
"Hoofdstuk 3. Beoordelingscriteria".
Art.185. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans le titre V, inséré par l'article 174, est inséré un chapitre 3 qui s'énonce comme suit :
" Chapitre 3. Critères d'évaluation ".
" Chapitre 3. Critères d'évaluation ".
Art.186. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 3, ingevoegd bij artikel 185, een artikel 5.3.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 5.3.1. De vergunningverlenende overheid weigert de omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ingedeelde inrichting of activiteit, als de exploitatie:
1° onaanvaardbare risico's of hinder voor de mens en het milieu inhoudt die niet door algemene, sectorale of bijzondere milieuvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden herleid;
2° in strijd is met:
a) een wettelijke, decretale of reglementaire bepaling, ingesteld ter bescherming van de mens en het milieu tegen de risico's en de hinder, afkomstig van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, voor zover daarvan niet op geldige wijze kan worden afgeweken;
b) een stedenbouwkundig voorschrift of een verkavelingsvoorschrift, voor zover daarvan niet op geldige wijze kan worden afgeweken;
c) de goede ruimtelijke ordening.".
"Art. 5.3.1. De vergunningverlenende overheid weigert de omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ingedeelde inrichting of activiteit, als de exploitatie:
1° onaanvaardbare risico's of hinder voor de mens en het milieu inhoudt die niet door algemene, sectorale of bijzondere milieuvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden herleid;
2° in strijd is met:
a) een wettelijke, decretale of reglementaire bepaling, ingesteld ter bescherming van de mens en het milieu tegen de risico's en de hinder, afkomstig van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, voor zover daarvan niet op geldige wijze kan worden afgeweken;
b) een stedenbouwkundig voorschrift of een verkavelingsvoorschrift, voor zover daarvan niet op geldige wijze kan worden afgeweken;
c) de goede ruimtelijke ordening.".
Art.186. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans le titre V, chapitre 3, inséré par l'article 185, est inséré un article 5.3.1 qui s'énonce comme suit :
" Art. 5.3.1. L'autorité délivrant l'autorisation refuse le permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée lorsque l'exploitation :
1° implique des risques ou nuisances inacceptables pour l'homme et l'environnement, qui ne peuvent être réduits à un niveau acceptable par des conditions environnementales générales, sectorielles ou particulières ;
2° est en conflit avec :
a) une disposition légale, décrétale ou réglementaire, instituée en protection de l'homme et de l'environnement contre les risques et les nuisances découlant de l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé, pour autant qu'il ne puisse y être dérogé de manière valable ;
b) une prescription urbanistique ou une prescription de lotissement, pour autant qu'il ne puisse y être dérogé de manière valable ;
c) le bon aménagement du territoire. ".
" Art. 5.3.1. L'autorité délivrant l'autorisation refuse le permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement classé ou d'une activité classée lorsque l'exploitation :
1° implique des risques ou nuisances inacceptables pour l'homme et l'environnement, qui ne peuvent être réduits à un niveau acceptable par des conditions environnementales générales, sectorielles ou particulières ;
2° est en conflit avec :
a) une disposition légale, décrétale ou réglementaire, instituée en protection de l'homme et de l'environnement contre les risques et les nuisances découlant de l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé, pour autant qu'il ne puisse y être dérogé de manière valable ;
b) une prescription urbanistique ou une prescription de lotissement, pour autant qu'il ne puisse y être dérogé de manière valable ;
c) le bon aménagement du territoire. ".
Art.187. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, ingevoegd bij artikel 174, een hoofdstuk 4 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk 4. Milieuvoorwaarden en evaluaties".
"Hoofdstuk 4. Milieuvoorwaarden en evaluaties".
Art.187. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans le titre V, inséré par l'article 174, est inséré un chapitre 4 qui s'énonce comme suit :
" CHAPITRE 4. - Conditions environnementales et évaluations ".
" CHAPITRE 4. - Conditions environnementales et évaluations ".
Art.188. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 187, een afdeling 1 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 1. - Algemeen".
"Afdeling 1. - Algemeen".
Art.188. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans le titre V, chapitre 4, inséré par l'article 187, est insérée une section 1re qui s'énonce comme suit :
" Section 1re. - Généralités ".
" Section 1re. - Généralités ".
Art.189. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, afdeling 1, ingevoegd bij artikel 188, een artikel 5.4.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 5.4.1. De Vlaamse Regering stelt de algemene en sectorale milieuvoorwaarden vast. De algemene en sectorale milieuvoorwaarden beogen het voorkomen en beperken van onaanvaardbare hinder en risico's die de betrokken inrichtingen en activiteiten kunnen veroorzaken. In voorkomend geval beogen ze tevens het ongedaan maken van de schade die de exploitatie van de inrichting of activiteit heeft toegebracht aan het milieu.
De Vlaamse Regering kan voorwaarden vaststellen ter bescherming van de mens en het milieu tegen bepaalde vormen van hinder en risico's afkomstig van niet-ingedeelde inrichtingen of activiteiten.".
"Art. 5.4.1. De Vlaamse Regering stelt de algemene en sectorale milieuvoorwaarden vast. De algemene en sectorale milieuvoorwaarden beogen het voorkomen en beperken van onaanvaardbare hinder en risico's die de betrokken inrichtingen en activiteiten kunnen veroorzaken. In voorkomend geval beogen ze tevens het ongedaan maken van de schade die de exploitatie van de inrichting of activiteit heeft toegebracht aan het milieu.
De Vlaamse Regering kan voorwaarden vaststellen ter bescherming van de mens en het milieu tegen bepaalde vormen van hinder en risico's afkomstig van niet-ingedeelde inrichtingen of activiteiten.".
Art.189. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans le titre V, chapitre 4, section 1re, inséré par l'article 188, est inséré un article 5.4.1 qui s'énonce comme suit :
" Art. 5.4.1. Le Gouvernement flamand fixe les conditions environnementales générales et sectorielles. Les conditions environnementales générales et sectorielles visent à prévenir et limiter les nuisances et risques inacceptables que peuvent provoquer les établissements et activités concernés. Le cas échéant, elles visent également la réparation des dégâts occasionnés à l'environnement par l'exploitation de l'établissement ou de l'activité.
Le Gouvernement flamand peut fixer des conditions pour la protection de l'homme et de l'environnement contre certaines formes de nuisance et de risque découlant d'établissements ou activités non classés. ".
" Art. 5.4.1. Le Gouvernement flamand fixe les conditions environnementales générales et sectorielles. Les conditions environnementales générales et sectorielles visent à prévenir et limiter les nuisances et risques inacceptables que peuvent provoquer les établissements et activités concernés. Le cas échéant, elles visent également la réparation des dégâts occasionnés à l'environnement par l'exploitation de l'établissement ou de l'activité.
Le Gouvernement flamand peut fixer des conditions pour la protection de l'homme et de l'environnement contre certaines formes de nuisance et de risque découlant d'établissements ou activités non classés. ".
Art.190. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 1 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 5.4.2. De algemene milieuvoorwaarden gelden voor alle ingedeelde inrichtingen of activiteiten.
De sectorale milieuvoorwaarden gelden voor bepaalde types van ingedeelde inrichtingen of activiteiten.
De milieuvoorwaarden voor niet-ingedeelde inrichtingen of activiteiten gelden voor de niet-ingedeelde inrichtingen of activiteiten die de Vlaamse Regering aanwijst.".
"Art. 5.4.2. De algemene milieuvoorwaarden gelden voor alle ingedeelde inrichtingen of activiteiten.
De sectorale milieuvoorwaarden gelden voor bepaalde types van ingedeelde inrichtingen of activiteiten.
De milieuvoorwaarden voor niet-ingedeelde inrichtingen of activiteiten gelden voor de niet-ingedeelde inrichtingen of activiteiten die de Vlaamse Regering aanwijst.".
Art.190. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans la même section 1re du titre V, chapitre 4, est inséré un article 5.4.2 qui s'énonce comme suit :
" Art. 5.4.2. Les conditions environnementales générales s'appliquent à tous les établissements ou activités classés.
Les conditions environnementales sectorielles s'appliquent à certains types d'établissements ou activités classés.
Les conditions environnementales pour les établissements ou activités non classés s'appliquent aux établissements ou activités non classés que désigne le Gouvernement flamand. ".
" Art. 5.4.2. Les conditions environnementales générales s'appliquent à tous les établissements ou activités classés.
Les conditions environnementales sectorielles s'appliquent à certains types d'établissements ou activités classés.
Les conditions environnementales pour les établissements ou activités non classés s'appliquent aux établissements ou activités non classés que désigne le Gouvernement flamand. ".
Art.191. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 1 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 5.4.3. § 1. Bij de vaststelling van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden wordt voor een geïntegreerde aanpak gezorgd en wordt een hoog niveau van bescherming van de mens en het milieu gewaarborgd tegen de risico's en de hinder afkomstig van de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten.
De milieuvoorwaarden, vermeld in het eerste lid, worden op de beste beschikbare technieken gebaseerd. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de beste beschikbare technieken vastgesteld worden.
§ 2. Bij de vaststelling van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden houdt de Vlaamse Regering rekening met:
1° de geldende milieukwaliteitsnormen, met inbegrip van de bijzondere milieukwaliteitsnormen;
2° de bestaande toestand van het milieu en van de gezondheid van de mens, voor zover die gezondheid wordt beïnvloed door de toestand van het milieu, telkens voor zover de betrokken inrichtingen en activiteiten hier risico's of hinder voor kunnen veroorzaken;
3° de ligging van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten in of nabij gebieden die een bijzondere bescherming behoeven of hindergevoelige objecten;
4° het feit dat de hinder en de risico's afkomstig van de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen en activiteiten moeten worden beperkt tot een aanvaardbaar niveau.
§ 3. Met het oog op de bescherming van de mens en het milieu kunnen de milieuvoorwaarden bepalingen bevatten die de toelaatbaarheid van bepaalde ingedeelde inrichtingen en activiteiten in of nabij sommige gebieden of hindergevoelige objecten beperken of verbieden.
§ 4. Waar mogelijk geven de algemene en sectorale milieuvoorwaarden de concrete doelstellingen aan die de betrokkenen op de door hen te bepalen wijze moeten verwezenlijken. Zij kunnen ook aangeven welke middelen moeten worden aangewend. Waar mogelijk geven ze dan ook aan welk beschermingsniveau of welke doelstelling hiermee wordt nagestreefd.".
"Art. 5.4.3. § 1. Bij de vaststelling van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden wordt voor een geïntegreerde aanpak gezorgd en wordt een hoog niveau van bescherming van de mens en het milieu gewaarborgd tegen de risico's en de hinder afkomstig van de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten.
De milieuvoorwaarden, vermeld in het eerste lid, worden op de beste beschikbare technieken gebaseerd. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de beste beschikbare technieken vastgesteld worden.
§ 2. Bij de vaststelling van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden houdt de Vlaamse Regering rekening met:
1° de geldende milieukwaliteitsnormen, met inbegrip van de bijzondere milieukwaliteitsnormen;
2° de bestaande toestand van het milieu en van de gezondheid van de mens, voor zover die gezondheid wordt beïnvloed door de toestand van het milieu, telkens voor zover de betrokken inrichtingen en activiteiten hier risico's of hinder voor kunnen veroorzaken;
3° de ligging van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten in of nabij gebieden die een bijzondere bescherming behoeven of hindergevoelige objecten;
4° het feit dat de hinder en de risico's afkomstig van de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen en activiteiten moeten worden beperkt tot een aanvaardbaar niveau.
§ 3. Met het oog op de bescherming van de mens en het milieu kunnen de milieuvoorwaarden bepalingen bevatten die de toelaatbaarheid van bepaalde ingedeelde inrichtingen en activiteiten in of nabij sommige gebieden of hindergevoelige objecten beperken of verbieden.
§ 4. Waar mogelijk geven de algemene en sectorale milieuvoorwaarden de concrete doelstellingen aan die de betrokkenen op de door hen te bepalen wijze moeten verwezenlijken. Zij kunnen ook aangeven welke middelen moeten worden aangewend. Waar mogelijk geven ze dan ook aan welk beschermingsniveau of welke doelstelling hiermee wordt nagestreefd.".
Art.191. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans la même section 1re du titre V, chapitre 4, est inséré un article 5.4.3 qui s'énonce comme suit :
" Art. 5.4.3. § 1er. En cas d'adoption de conditions environnementales générales et sectorielles, une approche intégrée est adoptée et la protection de l'homme et de l'environnement contre les risques et les nuisances découlant de l'exploitation d'établissements et activités classés est garantie.
Les conditions environnementales, visées au premier alinéa, se fondent sur les meilleures techniques disponibles. Le Gouvernement flamand fixe le mode de détermination des meilleures techniques disponibles.
§ 2. En cas d'adoption de conditions environnementales générales et sectorielles, le Gouvernement flamand tient compte :
1° des normes de qualité environnementale en vigueur, y compris des normes de qualité environnementale particulières ;
2° de l'état existant de l'environnement et de la santé de l'homme, dans la mesure où cette santé est influencée par l'état de l'environnement, chaque fois pour autant que les établissements et activités concernés puissent causer des risques ou nuisances ;
3° de la localisation de ces établissements ou activités dans ou à proximité des zones nécessitant une protection spéciale ou d'objets sensibles aux nuisances ;
4° du fait que les nuisances ou les risques découlant de l'exploitation des établissements et activités classés doivent être limités à un niveau acceptable.
§ 3. En vue de la protection de l'homme et de l'environnement, les conditions environnementales peuvent contenir des dispositions restreignant l'admissibilité de certains établissement et activités classés dans ou à proximité de certaines zones ou certains objets sensibles aux nuisances ou les interdisant.
§ 4. Lorsque c'est possible, les conditions environnementales générales et sectorielles mentionnent les objectifs concrets que les intéressés doivent réaliser, de la manière qu'ils déterminent. Elles peuvent également indiquer quels moyens doivent être utilisés. Lorsque c'est possible, elles précisent en outre le niveau de protection ou l'objectif à atteindre de cette manière. ".
" Art. 5.4.3. § 1er. En cas d'adoption de conditions environnementales générales et sectorielles, une approche intégrée est adoptée et la protection de l'homme et de l'environnement contre les risques et les nuisances découlant de l'exploitation d'établissements et activités classés est garantie.
Les conditions environnementales, visées au premier alinéa, se fondent sur les meilleures techniques disponibles. Le Gouvernement flamand fixe le mode de détermination des meilleures techniques disponibles.
§ 2. En cas d'adoption de conditions environnementales générales et sectorielles, le Gouvernement flamand tient compte :
1° des normes de qualité environnementale en vigueur, y compris des normes de qualité environnementale particulières ;
2° de l'état existant de l'environnement et de la santé de l'homme, dans la mesure où cette santé est influencée par l'état de l'environnement, chaque fois pour autant que les établissements et activités concernés puissent causer des risques ou nuisances ;
3° de la localisation de ces établissements ou activités dans ou à proximité des zones nécessitant une protection spéciale ou d'objets sensibles aux nuisances ;
4° du fait que les nuisances ou les risques découlant de l'exploitation des établissements et activités classés doivent être limités à un niveau acceptable.
§ 3. En vue de la protection de l'homme et de l'environnement, les conditions environnementales peuvent contenir des dispositions restreignant l'admissibilité de certains établissement et activités classés dans ou à proximité de certaines zones ou certains objets sensibles aux nuisances ou les interdisant.
§ 4. Lorsque c'est possible, les conditions environnementales générales et sectorielles mentionnent les objectifs concrets que les intéressés doivent réaliser, de la manière qu'ils déterminent. Elles peuvent également indiquer quels moyens doivent être utilisés. Lorsque c'est possible, elles précisent en outre le niveau de protection ou l'objectif à atteindre de cette manière. ".
Art.192. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 1 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.4 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 5.4.4. Het voorontwerp van besluit van de Vlaamse Regering inzake vaststelling van algemene en sectorale milieuvoorwaarden wordt gedurende een termijn van dertig dagen gepubliceerd op de website van de afdeling bevoegd voor de omgevingsvergunning van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie.
Het voorontwerp van besluit is gedurende dezelfde termijn ter inzage bij de afdeling bevoegd voor de omgevingsvergunning van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie.
Gedurende deze termijn kan elke persoon zijn opmerkingen aan deze afdeling meedelen.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels inzake bekendmaking en inspraak van de bevolking.".
"Art. 5.4.4. Het voorontwerp van besluit van de Vlaamse Regering inzake vaststelling van algemene en sectorale milieuvoorwaarden wordt gedurende een termijn van dertig dagen gepubliceerd op de website van de afdeling bevoegd voor de omgevingsvergunning van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie.
Het voorontwerp van besluit is gedurende dezelfde termijn ter inzage bij de afdeling bevoegd voor de omgevingsvergunning van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie.
Gedurende deze termijn kan elke persoon zijn opmerkingen aan deze afdeling meedelen.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels inzake bekendmaking en inspraak van de bevolking.".
Art.192. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans la même section 1re du titre V, chapitre 4, est inséré un article 5.4.4 qui s'énonce comme suit :
" Art. 5.4.4. L'avant-projet d'arrêté du Gouvernement flamand fixant les conditions environnementales générales et sectorielles est publié pour une durée de trente jours sur le site web de la division compétente pour le permis d'environnement, du Département Environnement, Nature et Energie.
L'avant-projet d'arrêté peut, durant le même délai, être consulté auprès de la division, compétente pour le permis d'environnement, du Département Environnement, Nature et Energie.
Pendant ce délai, toute personne peut communiquer ses remarques à ladite division.
Le Gouvernement flamand fixe les modalités en matière de publication et de participation de la population. ".
" Art. 5.4.4. L'avant-projet d'arrêté du Gouvernement flamand fixant les conditions environnementales générales et sectorielles est publié pour une durée de trente jours sur le site web de la division compétente pour le permis d'environnement, du Département Environnement, Nature et Energie.
L'avant-projet d'arrêté peut, durant le même délai, être consulté auprès de la division, compétente pour le permis d'environnement, du Département Environnement, Nature et Energie.
Pendant ce délai, toute personne peut communiquer ses remarques à ladite division.
Le Gouvernement flamand fixe les modalités en matière de publication et de participation de la population. ".
Art.193. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 187, een afdeling 2 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 2. - Onderlinge verhouding tussen de algemene milieuvoorwaarden, de sectorale milieuvoorwaarden en de bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 72 en 113 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".
"Afdeling 2. - Onderlinge verhouding tussen de algemene milieuvoorwaarden, de sectorale milieuvoorwaarden en de bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 72 en 113 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".
Art.193. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans le titre V, chapitre 4, inséré par l'article 187, est insérée une section 2 qui s'énonce comme suit :
" Section 2. - Proportion réciproque entre les conditions environnementales générales, les conditions environnementales sectorielles et les conditions environnementales particulières, visées aux articles 72 et 113 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ".
" Section 2. - Proportion réciproque entre les conditions environnementales générales, les conditions environnementales sectorielles et les conditions environnementales particulières, visées aux articles 72 et 113 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ".
Art.194. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, afdeling 2, ingevoegd bij artikel 193, een artikel 5.4.5 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 5.4.5. De sectorale milieuvoorwaarden kunnen de algemene milieuvoorwaarden aanvullen of stellen bijkomende eisen.
De sectorale milieuvoorwaarden kunnen strenger zijn dan de algemene milieuvoorwaarden.
De sectorale milieuvoorwaarden kunnen om technische redenen in minder strenge zin afwijken van de algemene milieuvoorwaarden, in de gevallen die door de Vlaamse Regering worden bepaald.".
"Art. 5.4.5. De sectorale milieuvoorwaarden kunnen de algemene milieuvoorwaarden aanvullen of stellen bijkomende eisen.
De sectorale milieuvoorwaarden kunnen strenger zijn dan de algemene milieuvoorwaarden.
De sectorale milieuvoorwaarden kunnen om technische redenen in minder strenge zin afwijken van de algemene milieuvoorwaarden, in de gevallen die door de Vlaamse Regering worden bepaald.".
Art.194. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans le titre V, chapitre 4, section 2, inséré par l'article 193, est inséré un article 5.4.5 qui s'énonce comme suit :
" Art. 5.4.5. Les conditions environnementales sectorielles complètent les conditions environnementales générales ou stipulent des exigences complémentaires.
Les conditions environnementales sectorielles peuvent être plus sévères que les conditions environnementales générales.
Pour des raisons techniques, les conditions environnementales sectorielles peuvent déroger dans un sens moins restrictif aux conditions environnementales générales, dans les cas fixés par le Gouvernement flamand. ".
" Art. 5.4.5. Les conditions environnementales sectorielles complètent les conditions environnementales générales ou stipulent des exigences complémentaires.
Les conditions environnementales sectorielles peuvent être plus sévères que les conditions environnementales générales.
Pour des raisons techniques, les conditions environnementales sectorielles peuvent déroger dans un sens moins restrictif aux conditions environnementales générales, dans les cas fixés par le Gouvernement flamand. ".
Art.195. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 2 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.6 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 5.4.6. De bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 72 en 113 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning vullen de algemene en sectorale milieuvoorwaarden aan of stellen bijkomende eisen.
De voormelde bijzondere milieuvoorwaarden kunnen strenger zijn dan de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, behalve als het andersluidend bepaald is door de Vlaamse Regering.
De voormelde bijzondere milieuvoorwaarden kunnen om technische redenen in minder strenge zin afwijken van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden in de gevallen die door de Vlaamse Regering worden bepaald in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden.".
"Art. 5.4.6. De bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 72 en 113 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning vullen de algemene en sectorale milieuvoorwaarden aan of stellen bijkomende eisen.
De voormelde bijzondere milieuvoorwaarden kunnen strenger zijn dan de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, behalve als het andersluidend bepaald is door de Vlaamse Regering.
De voormelde bijzondere milieuvoorwaarden kunnen om technische redenen in minder strenge zin afwijken van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden in de gevallen die door de Vlaamse Regering worden bepaald in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden.".
Art.195. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans la même section 2 du titre V, chapitre 4, est inséré un article 5.4.6 qui s'énonce comme suit :
" Art. 5.4.6. Les conditions environnementales particulières, visées aux articles 72 et 113 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, complètent les conditions environnementales générales et sectorielles ou stipulent des exigences complémentaires.
Les conditions environnementales particulières susmentionnées peuvent être plus sévères que les conditions environnementales générales et sectorielles, sauf disposition contraire du Gouvernement flamand.
Pour des raisons techniques, les conditions environnementales particulières susmentionnées peuvent déroger dans un sens moins restrictif aux conditions environnementales générales et sectorielles, dans les cas fixés par le Gouvernement flamand dans les conditions environnementales générales et sectorielles. ".
" Art. 5.4.6. Les conditions environnementales particulières, visées aux articles 72 et 113 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, complètent les conditions environnementales générales et sectorielles ou stipulent des exigences complémentaires.
Les conditions environnementales particulières susmentionnées peuvent être plus sévères que les conditions environnementales générales et sectorielles, sauf disposition contraire du Gouvernement flamand.
Pour des raisons techniques, les conditions environnementales particulières susmentionnées peuvent déroger dans un sens moins restrictif aux conditions environnementales générales et sectorielles, dans les cas fixés par le Gouvernement flamand dans les conditions environnementales générales et sectorielles. ".
Art.196. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 2 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.7 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 5.4.7. Tenzij anders bepaald door de Vlaamse Regering zijn de algemene en sectorale milieuvoorwaarden al dan niet na afloop van een door de Vlaamse Regering te bepalen overgangstermijn van toepassing op inrichtingen en activiteiten die op de datum van inwerkingtreding van het besluit houdende milieuvoorwaarden zijn vergund of waarvoor een meldingsakte bestaat. In afwijking hiervan blijven de strengere bijzondere milieuvoorwaarden uit de op die datum lopende vergunning of uit de geldende beslissing verder gelden.".
"Art. 5.4.7. Tenzij anders bepaald door de Vlaamse Regering zijn de algemene en sectorale milieuvoorwaarden al dan niet na afloop van een door de Vlaamse Regering te bepalen overgangstermijn van toepassing op inrichtingen en activiteiten die op de datum van inwerkingtreding van het besluit houdende milieuvoorwaarden zijn vergund of waarvoor een meldingsakte bestaat. In afwijking hiervan blijven de strengere bijzondere milieuvoorwaarden uit de op die datum lopende vergunning of uit de geldende beslissing verder gelden.".
Art.196. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans la même section 2 du titre V, chapitre 4, est inséré un article 5.4.7 qui s'énonce comme suit :
" Art. 5.4.7. Sauf disposition contraire du Gouvernement flamand, les conditions environnementales générales et sectorielles sont, éventuellement à l'issue d'un délai de transition à déterminer par le Gouvernement flamand, applicables aux établissements et activités qui, à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté établissant les conditions environnementales, sont autorisés ou pour lesquels il existe un acte de notification. Par dérogation à cette disposition, les conditions environnementales particulières plus restrictives de l'autorisation en cours à cette date ou de la décision en vigueur restent d'application. ".
" Art. 5.4.7. Sauf disposition contraire du Gouvernement flamand, les conditions environnementales générales et sectorielles sont, éventuellement à l'issue d'un délai de transition à déterminer par le Gouvernement flamand, applicables aux établissements et activités qui, à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté établissant les conditions environnementales, sont autorisés ou pour lesquels il existe un acte de notification. Par dérogation à cette disposition, les conditions environnementales particulières plus restrictives de l'autorisation en cours à cette date ou de la décision en vigueur restent d'application. ".
Art.197. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 187, een afdeling 3 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 3. - Afwijking van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden".
"Afdeling 3. - Afwijking van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden".
Art.197. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans le titre V, chapitre 4, inséré par l'article 187, est insérée une section 3 qui s'énonce comme suit :
" Section 3. - Dérogation aux conditions environnementales générales et sectorielles ".
" Section 3. - Dérogation aux conditions environnementales générales et sectorielles ".
Art.198. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, afdeling 3, ingevoegd bij artikel 197, een artikel 5.4.8 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 5.4.8. De Vlaamse Regering bepaalt door wie, in welke gevallen, de voorwaarden waaronder en de grenzen waarbinnen een afwijking van de algemene of sectorale milieuvoorwaarden toegestaan kan worden en stelt de verdere regels voor de indiening en de behandeling van en de beslissing over de afwijkingsaanvraag, met inbegrip van de bekendmaking ervan, vast.".
"Art. 5.4.8. De Vlaamse Regering bepaalt door wie, in welke gevallen, de voorwaarden waaronder en de grenzen waarbinnen een afwijking van de algemene of sectorale milieuvoorwaarden toegestaan kan worden en stelt de verdere regels voor de indiening en de behandeling van en de beslissing over de afwijkingsaanvraag, met inbegrip van de bekendmaking ervan, vast.".
Art.198. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans le titre V, chapitre 4, section 3, inséré par l'article 197, est inséré un article 5.4.8 qui s'énonce comme suit :
" Art. 5.4.8. Le Gouvernement flamand détermine par qui, dans quels cas, les conditions sous lesquelles et les limites dans lesquelles une dérogation aux conditions environnementales générales ou sectorielles peut être accordée et fixe les règles en matière d'introduction et de traitement de la demande de dérogation et sur la décision à cet égard, y compris sur sa publication. ".
" Art. 5.4.8. Le Gouvernement flamand détermine par qui, dans quels cas, les conditions sous lesquelles et les limites dans lesquelles une dérogation aux conditions environnementales générales ou sectorielles peut être accordée et fixe les règles en matière d'introduction et de traitement de la demande de dérogation et sur la décision à cet égard, y compris sur sa publication. ".
Art.199. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 187, een afdeling 4 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 4. - Verplichtingen van de exploitant".
"Afdeling 4. - Verplichtingen van de exploitant".
Art.199. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans le titre V, chapitre 4, inséré par l'article 187, est insérée une section 4 qui s'énonce comme suit :
" Section 4. Obligations de l'exploitant ".
" Section 4. Obligations de l'exploitant ".
Art.200. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, afdeling 4, ingevoegd bij artikel 199, een artikel 5.4.9 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 5.4.9. § 1. De exploitant van een ingedeelde inrichting of activiteit is verplicht de algemene, sectorale en bijzondere milieuvoorwaarden na te leven.
§ 2. Ongeacht de verleende omgevingsvergunning treft de exploitant altijd de nodige maatregelen om schade, hinder, incidenten en ongevallen die de mens of het milieu aanzienlijk beïnvloeden, te voorkomen.
Ongeacht de verleende omgevingsvergunning treft de exploitant, in geval van incidenten en ongevallen die de mens of het milieu aanzienlijk beïnvloeden, onmiddellijk de nodige maatregelen om de gevolgen ervan voor de mens en het milieu te beperken en om verdere mogelijke incidenten en ongevallen te voorkomen.".
"Art. 5.4.9. § 1. De exploitant van een ingedeelde inrichting of activiteit is verplicht de algemene, sectorale en bijzondere milieuvoorwaarden na te leven.
§ 2. Ongeacht de verleende omgevingsvergunning treft de exploitant altijd de nodige maatregelen om schade, hinder, incidenten en ongevallen die de mens of het milieu aanzienlijk beïnvloeden, te voorkomen.
Ongeacht de verleende omgevingsvergunning treft de exploitant, in geval van incidenten en ongevallen die de mens of het milieu aanzienlijk beïnvloeden, onmiddellijk de nodige maatregelen om de gevolgen ervan voor de mens en het milieu te beperken en om verdere mogelijke incidenten en ongevallen te voorkomen.".
Art.200. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans le titre V, chapitre 4, section 4, inséré par l'article 199, est inséré un article 5.4.9 qui s'énonce comme suit :
" Art. 5.4.9. § 1er. L'exploitant d'un établissement classé ou d'une activité classée est tenu au respect des conditions environnementales générales, sectorielles et particulières.
§ 2. Quelle que soit l'autorisation environnementale octroyée, l'exploitant prend toujours les mesures nécessaires en vue de prévenir les dommages, nuisances, incidents et accidents qui ont des effets importants sur l'homme ou l'environnement.
Quelle que soit l'autorisation environnementale octroyée, l'exploitant prend immédiatement, en cas d'incident ou d'accident qui a des effets importants sur l'homme ou l'environnement, les mesures nécessaires en vue d'en atténuer les conséquences pour l'homme et l'environnement et de prévenir d'autres incidents ou accidents possibles. ".
" Art. 5.4.9. § 1er. L'exploitant d'un établissement classé ou d'une activité classée est tenu au respect des conditions environnementales générales, sectorielles et particulières.
§ 2. Quelle que soit l'autorisation environnementale octroyée, l'exploitant prend toujours les mesures nécessaires en vue de prévenir les dommages, nuisances, incidents et accidents qui ont des effets importants sur l'homme ou l'environnement.
Quelle que soit l'autorisation environnementale octroyée, l'exploitant prend immédiatement, en cas d'incident ou d'accident qui a des effets importants sur l'homme ou l'environnement, les mesures nécessaires en vue d'en atténuer les conséquences pour l'homme et l'environnement et de prévenir d'autres incidents ou accidents possibles. ".
Art.201. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 4 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.10 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 5.4.10. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de verplichtingen van de exploitant, vermeld in artikel 5.4.9.".
"Art. 5.4.10. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de verplichtingen van de exploitant, vermeld in artikel 5.4.9.".
Art.201. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans la même section 4 du titre V, chapitre 4, est inséré un article 5.4.10 qui s'énonce comme suit :
" Art. 5.4.10. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités relatives aux obligations de l'exploitant, visées à l'article 5.4.9. ".
" Art. 5.4.10. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités relatives aux obligations de l'exploitant, visées à l'article 5.4.9. ".
Art.202. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 187, een afdeling 5 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 5. - Evaluaties".
"Afdeling 5. - Evaluaties".
Art.202. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans le titre V, chapitre 4, inséré par l'article 187, est insérée une section 5 qui s'énonce comme suit :
" Section 5. Evaluations ".
" Section 5. Evaluations ".
Art.204. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 5 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.12 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 5.4.12. § 1. De bevoegde dienst van de gemeente wordt belast met de coördinatie en de uitvoering van de evaluaties van ingedeelde inrichtingen of activiteiten die behoren tot projecten waarvoor het college van burgemeester en schepenen bevoegd is om in eerste administratieve aanleg over de vergunningsaanvraag een beslissing te nemen.
De Vlaamse Regering bepaalt de gevallen waarin de provinciale omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, voor het uitvoeren van de evaluaties een advies verleent aan het college van burgemeester en schepenen.
§ 2. De provinciale en de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, worden belast met de coördinatie en de uitvoering van de evaluaties van ingedeelde inrichtingen of activiteiten die behoren tot projecten waarvoor respectievelijk de deputatie en het Vlaamse Gewest bevoegd zijn om in eerste administratieve aanleg over de vergunningsaanvraag een beslissing te nemen.
De adviesinstanties die overeenkomstig artikel 24, eerste lid, [1 ...]1 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning zijn aangewezen om voor de ingedeelde inrichting of activiteit een advies te verlenen, verlenen advies in het kader van een evaluatie van de provinciale of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie.
[1 § 3. De Vlaamse Regering stelt de termijnen vast waarbinnen de in paragraaf 1 en 2 vermelde adviezen moeten worden uitgebracht. Als geen advies wordt uitgebracht binnen de vastgestelde termijn wordt de adviesinstantie of de adviserende provinciale omgevingsvergunningscommissie geacht van oordeel te zijn dat er geen bijstelling van de milieuvoorwaarden moet plaatsvinden.]1 ".
"Art. 5.4.12. § 1. De bevoegde dienst van de gemeente wordt belast met de coördinatie en de uitvoering van de evaluaties van ingedeelde inrichtingen of activiteiten die behoren tot projecten waarvoor het college van burgemeester en schepenen bevoegd is om in eerste administratieve aanleg over de vergunningsaanvraag een beslissing te nemen.
De Vlaamse Regering bepaalt de gevallen waarin de provinciale omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, voor het uitvoeren van de evaluaties een advies verleent aan het college van burgemeester en schepenen.
§ 2. De provinciale en de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, worden belast met de coördinatie en de uitvoering van de evaluaties van ingedeelde inrichtingen of activiteiten die behoren tot projecten waarvoor respectievelijk de deputatie en het Vlaamse Gewest bevoegd zijn om in eerste administratieve aanleg over de vergunningsaanvraag een beslissing te nemen.
De adviesinstanties die overeenkomstig artikel 24, eerste lid, [1 ...]1 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning zijn aangewezen om voor de ingedeelde inrichting of activiteit een advies te verlenen, verlenen advies in het kader van een evaluatie van de provinciale of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie.
[1 § 3. De Vlaamse Regering stelt de termijnen vast waarbinnen de in paragraaf 1 en 2 vermelde adviezen moeten worden uitgebracht. Als geen advies wordt uitgebracht binnen de vastgestelde termijn wordt de adviesinstantie of de adviserende provinciale omgevingsvergunningscommissie geacht van oordeel te zijn dat er geen bijstelling van de milieuvoorwaarden moet plaatsvinden.]1 ".
Art.204. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans la même section 5 du titre V, chapitre 4, est inséré un article 5.4.12 qui s'énonce comme suit :
" Art. 5.4.12. § 1er. Le service compétent de la commune est chargé de la coordination et de l'exécution des évaluations des établissements et activités classés qui relèvent de projets pour lesquels le collège des bourgmestre et échevins est compétent pour prendre une décision en première instance administrative concernant la demande d'autorisation.
Le Gouvernement flamand détermine les cas dans lesquels la commission provinciale du permis d'environnement, visée à l'article 16, § 1er, premier alinéa, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, remet, pour l'exécution des évaluations, un avis au collège des bourgmestre et échevins.
§ 2. Les commissions provinciale et régionale du permis d'environnement, visées à l'article 16, § 1er, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, sont chargées de la coordination et de l'exécution des évaluations des établissements et activités classés qui relèvent de projets pour lesquels, respectivement, la députation et la Région flamande sont compétentes pour prendre une décision en première instance administrative concernant la demande d'autorisation.
Les instances d'avis qui, conformément à l'article 24, premier alinéa, [1 ...]1 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, sont désignées pour rendre un avis concernant l'établissement ou l'activité classé, rendent un avis dans le cadre de l'évaluation de la commission provinciale ou régionale du permis d'environnement.
[1 § 3. Le Gouvernement flamand arrête les délais dans lesquels les avis dont question aux paragraphes 1 et 2 doivent être rendus. Si aucun avis n'est rendu dans le délai fixé, l'instance d'avis ou la commission consultative provinciale du permis d'environnement sera réputée être d'avis qu'aucune modification des conditions en matière d'environnement ne doit être apportée.]1 ".
" Art. 5.4.12. § 1er. Le service compétent de la commune est chargé de la coordination et de l'exécution des évaluations des établissements et activités classés qui relèvent de projets pour lesquels le collège des bourgmestre et échevins est compétent pour prendre une décision en première instance administrative concernant la demande d'autorisation.
Le Gouvernement flamand détermine les cas dans lesquels la commission provinciale du permis d'environnement, visée à l'article 16, § 1er, premier alinéa, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, remet, pour l'exécution des évaluations, un avis au collège des bourgmestre et échevins.
§ 2. Les commissions provinciale et régionale du permis d'environnement, visées à l'article 16, § 1er, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, sont chargées de la coordination et de l'exécution des évaluations des établissements et activités classés qui relèvent de projets pour lesquels, respectivement, la députation et la Région flamande sont compétentes pour prendre une décision en première instance administrative concernant la demande d'autorisation.
Les instances d'avis qui, conformément à l'article 24, premier alinéa, [1 ...]1 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, sont désignées pour rendre un avis concernant l'établissement ou l'activité classé, rendent un avis dans le cadre de l'évaluation de la commission provinciale ou régionale du permis d'environnement.
[1 § 3. Le Gouvernement flamand arrête les délais dans lesquels les avis dont question aux paragraphes 1 et 2 doivent être rendus. Si aucun avis n'est rendu dans le délai fixé, l'instance d'avis ou la commission consultative provinciale du permis d'environnement sera réputée être d'avis qu'aucune modification des conditions en matière d'environnement ne doit être apportée.]1 ".
Wijzigingen
Art.205. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 5 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.13 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 5.4.13. De bevoegde dienst van de gemeente, de provinciale en de gewestelijke omgevingvergunningscommissie kunnen voor de uitvoering van de evaluaties informatie vragen bij de exploitant of bij de bevoegde toezichthouder, vermeld in titel XVI.".
"Art. 5.4.13. De bevoegde dienst van de gemeente, de provinciale en de gewestelijke omgevingvergunningscommissie kunnen voor de uitvoering van de evaluaties informatie vragen bij de exploitant of bij de bevoegde toezichthouder, vermeld in titel XVI.".
Art.205. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans la même section 5 du titre V, chapitre 4, est inséré un article 5.4.13 qui s'énonce comme suit :
" Art. 5.4.13. Le service compétent de la commune et les commissions provinciale et régionale du permis d'environnement peuvent, en vue de l'exécution des évaluations, demander des informations à l'exploitant ou au contrôleur compétent, visé au titre XVI. ".
" Art. 5.4.13. Le service compétent de la commune et les commissions provinciale et régionale du permis d'environnement peuvent, en vue de l'exécution des évaluations, demander des informations à l'exploitant ou au contrôleur compétent, visé au titre XVI. ".
Art.206. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 5 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.14 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 5.4.14. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van de evaluaties.".
"Art. 5.4.14. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van de evaluaties.".
Art.206. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans la même section 5 du titre V, chapitre 4, est inséré un article 5.4.14 qui s'énonce comme suit :
" Art. 5.4.14. Le Gouvernement flamand fixe les modalités d'exécution des évaluations. ".
" Art. 5.4.14. Le Gouvernement flamand fixe les modalités d'exécution des évaluations. ".
Art.207. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, ingevoegd bij artikel 174, een hoofdstuk 5 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk 5. - Genetisch gemodificeerde organismen of pathogene organismen".
"Hoofdstuk 5. - Genetisch gemodificeerde organismen of pathogene organismen".
Art.207. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans le titre V, inséré par l'article 174, est inséré un chapitre 5 qui s'énonce comme suit :
" CHAPITRE 5. - Organismes génétiquement modifiés ou organismes pathogènes ".
" CHAPITRE 5. - Organismes génétiquement modifiés ou organismes pathogènes ".
Art.208. [1 In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 5, ingevoegd bij artikel 207, een artikel 5.5.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
" Art. 5.5.1. § 1. Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een kennisgevingsdossier of toelatingsaanvraag met betrekking tot genetisch gemodificeerde organismen, genetisch gemodificeerde micro-organismen of pathogenen indient, is een dossiertaks verschuldigd.
De opbrengst van de dossiertaks, vermeld in het eerste lid, wordt rechtstreeks en integraal in het Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur gestort.
§ 2. De dossiertaks bedraagt:
1° voor een toelatingsaanvraag bij een eerste of een volgend ingeperkt gebruik van niveau 2, 3 of 4: 500 euro;
2° voor een kennisgeving van een eerste ingeperkt gebruik risiconiveau 1 of een kennisgeving van een volgend ingeperkt gebruik van risiconiveau 2: 100 euro.
§ 3. De Vlaamse Regering kan nadere regels inzake de dossiertaks vaststellen.]1 ".
" Art. 5.5.1. § 1. Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een kennisgevingsdossier of toelatingsaanvraag met betrekking tot genetisch gemodificeerde organismen, genetisch gemodificeerde micro-organismen of pathogenen indient, is een dossiertaks verschuldigd.
De opbrengst van de dossiertaks, vermeld in het eerste lid, wordt rechtstreeks en integraal in het Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur gestort.
§ 2. De dossiertaks bedraagt:
1° voor een toelatingsaanvraag bij een eerste of een volgend ingeperkt gebruik van niveau 2, 3 of 4: 500 euro;
2° voor een kennisgeving van een eerste ingeperkt gebruik risiconiveau 1 of een kennisgeving van een volgend ingeperkt gebruik van risiconiveau 2: 100 euro.
§ 3. De Vlaamse Regering kan nadere regels inzake de dossiertaks vaststellen.]1 ".
Art.208. [1 Dans ce même décret, modifié pour la dernière fois par le décret du 8 février 2013, est inséré à l'article 207, titre V, chapitre 5, un article 5.5.1 qui s'énonce comme suit :
" Art. 5.5.1. § 1er. Toute personne physique ou morale qui introduit un dossier de notification ou une demande de permission ayant trait à des organismes génétiquement modifiés, des micro-organismes génétiquement modifiés ou des pathogènes, est sujette à une taxe de dossier.
Le produit de la taxe de dossier, dont question au premier alinéa, est directement et intégralement versé au Fonds de Prévention et d'Assainissement en matière de l'Environnement et de la Nature.
§ 2. La taxe de dossier s'élève à :
1° pour une demande de permission afférente à une première utilisation ou à une utilisation confinée subséquente de niveau 2, 3 ou 4 : 500 euros ;
2° pour une notification d'une première utilisation confinée d'un niveau de risque 1 ou pour une notification d'une utilisation confinée subséquente d'un niveau de risque 2 : 100 euros.
§ 3. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres règles en matière de taxe de dossier.]1 ".
" Art. 5.5.1. § 1er. Toute personne physique ou morale qui introduit un dossier de notification ou une demande de permission ayant trait à des organismes génétiquement modifiés, des micro-organismes génétiquement modifiés ou des pathogènes, est sujette à une taxe de dossier.
Le produit de la taxe de dossier, dont question au premier alinéa, est directement et intégralement versé au Fonds de Prévention et d'Assainissement en matière de l'Environnement et de la Nature.
§ 2. La taxe de dossier s'élève à :
1° pour une demande de permission afférente à une première utilisation ou à une utilisation confinée subséquente de niveau 2, 3 ou 4 : 500 euros ;
2° pour une notification d'une première utilisation confinée d'un niveau de risque 1 ou pour une notification d'une utilisation confinée subséquente d'un niveau de risque 2 : 100 euros.
§ 3. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres règles en matière de taxe de dossier.]1 ".
Wijzigingen
Art.209. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 5 van titel V een artikel 5.5.2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 5.5.2. § 1. Voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, ingedeeld in de eerste of de tweede klasse is, naast de omgevingsvergunning voor de inrichting bestemd voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, een kennisgeving of toelating vereist.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de kennisgeving gebeurt en de toelating wordt aangevraagd en behandeld. De Vlaamse Regering wijst de overheid aan die de toelatingen verleent en de kennisgevingen ontvangt. De overheid die de toelating verleent, kan voorwaarden aan de toelating verbinden.
§ 2. De toelating kan alleen verleend worden zodra de omgevingsvergunning voor de inrichting, bestemd voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, verleend is.
De kennisgeving voor het ingeperkte gebruik, ingedeeld in de eerste of de tweede klasse, heeft op zijn vroegst uitwerking nadat de omgevingsvergunning voor de inrichting, bestemd voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, verleend is.
§ 3. Als de omgevingsvergunning, vermeld in paragraaf 1, vervalt, vervalt het recht om het ingeperkte gebruik voort te zetten.
Als de omgevingsvergunning, vermeld in paragraaf 1, afloopt, ingetrokken, geschorst, opgeheven of vernietigd is, wordt het recht om het ingeperkte gebruik voort te zetten geschorst zolang de omgevingsvergunning is geschorst of totdat de omgevingsvergunning, vermeld in paragraaf 1, verkregen is.
In ieder geval vervalt het recht het ingeperkte gebruik voort te zetten als de einddatum, vermeld in de toelating, verstreken is.
§ 4. De voorwaarden die door de bevoegde overheid aan de toelating verbonden worden, worden beschouwd als de voorwaarden, vermeld in artikel 72 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.".
"Art. 5.5.2. § 1. Voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, ingedeeld in de eerste of de tweede klasse is, naast de omgevingsvergunning voor de inrichting bestemd voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, een kennisgeving of toelating vereist.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de kennisgeving gebeurt en de toelating wordt aangevraagd en behandeld. De Vlaamse Regering wijst de overheid aan die de toelatingen verleent en de kennisgevingen ontvangt. De overheid die de toelating verleent, kan voorwaarden aan de toelating verbinden.
§ 2. De toelating kan alleen verleend worden zodra de omgevingsvergunning voor de inrichting, bestemd voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, verleend is.
De kennisgeving voor het ingeperkte gebruik, ingedeeld in de eerste of de tweede klasse, heeft op zijn vroegst uitwerking nadat de omgevingsvergunning voor de inrichting, bestemd voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, verleend is.
§ 3. Als de omgevingsvergunning, vermeld in paragraaf 1, vervalt, vervalt het recht om het ingeperkte gebruik voort te zetten.
Als de omgevingsvergunning, vermeld in paragraaf 1, afloopt, ingetrokken, geschorst, opgeheven of vernietigd is, wordt het recht om het ingeperkte gebruik voort te zetten geschorst zolang de omgevingsvergunning is geschorst of totdat de omgevingsvergunning, vermeld in paragraaf 1, verkregen is.
In ieder geval vervalt het recht het ingeperkte gebruik voort te zetten als de einddatum, vermeld in de toelating, verstreken is.
§ 4. De voorwaarden die door de bevoegde overheid aan de toelating verbonden worden, worden beschouwd als de voorwaarden, vermeld in artikel 72 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.".
Art.209. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans le même chapitre 5 du titre V, est inséré un article 5.5.2 qui s'énonce comme suit :
" Art. 5.5.2. § 1er. Pour l'utilisation confinée d'organisme génétiquement modifiés ou d'organismes pathogènes, classés dans la première ou deuxième classe, outre le permis d'environnement pour l'établissement destiné à l'utilisation confinée d'organismes génétiquement modifiés ou d'organismes pathogènes, une notification ou permission est requise.
Le Gouvernement flamand détermine le mode de notification et la manière dont la permission est demandée et traitée. Le Gouvernement flamand désigne l'autorité qui délivre les permissions et reçoit les notifications. L'autorité qui délivre la permission peut imposer des conditions à cette délivrance.
§ 2. L'octroi de la permission est subordonné à la délivrance du permis d'environnement à l'établissement destiné à l'utilisation confinée d'organismes génétiquement modifiés ou d'organismes pathogènes.
La notification pour l'utilisation confinée appartenant à la première ou la deuxième classe, prend effet au plus tôt après la délivrance du permis d'environnement à l'établissement destiné à l'utilisation confinée d'organismes génétiquement modifiés ou d'organismes pathogènes.
§ 3. Si le permis d'environnement, visé au § 1er, expire, le droit de continuer l'utilisation confinée prend fin.
En cas d'expiration, retrait, suspension, suppression ou annulation du permis d'environnement, visé au § 1er, le droit de continuer l'utilisation confinée est suspendu tant que le permis d'environnement est suspendu ou jusqu'à ce que le permis d'environnement, visé au § 1er, soit obtenu.
Le droit de continuer l'utilisation confinée prend fin en tout cas si la date ultime mentionnée dans la permission a expiré.
§ 4. Les conditions qui sont attachées à la permission par l'autorité compétente sont considérées comme les conditions, visées à l'article 72 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement. ".
" Art. 5.5.2. § 1er. Pour l'utilisation confinée d'organisme génétiquement modifiés ou d'organismes pathogènes, classés dans la première ou deuxième classe, outre le permis d'environnement pour l'établissement destiné à l'utilisation confinée d'organismes génétiquement modifiés ou d'organismes pathogènes, une notification ou permission est requise.
Le Gouvernement flamand détermine le mode de notification et la manière dont la permission est demandée et traitée. Le Gouvernement flamand désigne l'autorité qui délivre les permissions et reçoit les notifications. L'autorité qui délivre la permission peut imposer des conditions à cette délivrance.
§ 2. L'octroi de la permission est subordonné à la délivrance du permis d'environnement à l'établissement destiné à l'utilisation confinée d'organismes génétiquement modifiés ou d'organismes pathogènes.
La notification pour l'utilisation confinée appartenant à la première ou la deuxième classe, prend effet au plus tôt après la délivrance du permis d'environnement à l'établissement destiné à l'utilisation confinée d'organismes génétiquement modifiés ou d'organismes pathogènes.
§ 3. Si le permis d'environnement, visé au § 1er, expire, le droit de continuer l'utilisation confinée prend fin.
En cas d'expiration, retrait, suspension, suppression ou annulation du permis d'environnement, visé au § 1er, le droit de continuer l'utilisation confinée est suspendu tant que le permis d'environnement est suspendu ou jusqu'à ce que le permis d'environnement, visé au § 1er, soit obtenu.
Le droit de continuer l'utilisation confinée prend fin en tout cas si la date ultime mentionnée dans la permission a expiré.
§ 4. Les conditions qui sont attachées à la permission par l'autorité compétente sont considérées comme les conditions, visées à l'article 72 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement. ".
Art.210. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, ingevoegd bij artikel 174, een hoofdstuk 6 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"HOOFDSTUK 6. - Erkenningen".
"HOOFDSTUK 6. - Erkenningen".
Art.210. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans le titre V, inséré par l'article 174, est inséré un chapitre 6 qui s'énonce comme suit :
" CHAPITRE 6. - Agréments ".
" CHAPITRE 6. - Agréments ".
Art.211. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 6, ingevoegd bij artikel 210, een artikel 5.6.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 5.6.1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de erkenningen voorgeschreven bij of krachtens titel V en de andere titels van dit decreet, voor zover die titels naar de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk verwijzen.
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn ook van toepassing op de erkenningen, voorgeschreven bij of krachtens andere wetten en decreten, voor zover die wetten en decreten naar de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk verwijzen.".
"Art. 5.6.1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de erkenningen voorgeschreven bij of krachtens titel V en de andere titels van dit decreet, voor zover die titels naar de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk verwijzen.
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn ook van toepassing op de erkenningen, voorgeschreven bij of krachtens andere wetten en decreten, voor zover die wetten en decreten naar de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk verwijzen.".
Art.211. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans le titre V, chapitre 6, inséré par l'article 210, est inséré un article 5.6.1 qui s'énonce comme suit :
" Art. 5.6.1. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux agréments prescrits par ou en vertu du titre V et des autres titres du présent décret, pour autant que ces titres fassent référence à l'application des dispositions du présent chapitre.
Les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux agréments prescrits par ou en vertu d'autres lois et décrets, pour autant que ces lois et décrets fassent référence à l'application des dispositions du présent chapitre. ".
" Art. 5.6.1. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux agréments prescrits par ou en vertu du titre V et des autres titres du présent décret, pour autant que ces titres fassent référence à l'application des dispositions du présent chapitre.
Les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux agréments prescrits par ou en vertu d'autres lois et décrets, pour autant que ces lois et décrets fassent référence à l'application des dispositions du présent chapitre. ".
Art.212. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 6 van titel V een artikel 5.6.2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 5.6.2. De uitoefening van bepaalde functies, het verstrekken van opleidingen, het nemen van monsters en de uitvoering van metingen, beproevingen en analyses door rechtspersonen of natuurlijke personen kan afhankelijk worden gemaakt van het voorafgaand verkrijgen van een erkenning.
De erkenningen, vermeld in het eerste lid, worden op grond van de aard ervan in categorieën ingedeeld.
De rechtspersonen of natuurlijke personen die in het bezit zijn van een bepaalde titel die door de Vlaamse overheid of door een door haar erkende organisatie is uitgereikt, krijgen van rechtswege een erkenning als vermeld in het eerste lid.
Rechtspersonen of natuurlijke personen die in het bezit zijn van een bepaalde titel die in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in België is uitgereikt door een andere overheid of organisatie dan de overheid of organisatie, vermeld in het derde lid, en waarvan ten aanzien van een bepaalde erkenning voorafgaandelijk de gelijkwaardigheid is vastgesteld, krijgen van rechtswege een erkenning als vermeld in het eerste lid.
In afwijking van het eerste lid kan bij een tijdelijke en incidentele uitoefening van de erkenningsplichtige handelingen, vermeld in het eerste lid, voor een persoon die niet is gevestigd in het Vlaamse Gewest alleen een voorafgaande kennisgeving worden vereist. Die procedure wordt ingesteld op voorwaarde dat door de aard van de specifieke handelingen een tijdelijke en incidentele uitoefening in redelijkheid mogelijk is en de voorwaarden alleen betrekking hebben op het bezit van beroepskwalificaties.
De Vlaamse Regering bepaalt voor welke functies, opleidingen en handelingen als vermeld in het eerste lid, de erkenningsplicht en, in voorkomend geval, de kennisgevingsplicht, vermeld in het vijfde lid, geldt. Ze stelt tevens de nadere regels vast met het oog op de uitvoering van de bepalingen van de leden 2 tot en met 5.".
"Art. 5.6.2. De uitoefening van bepaalde functies, het verstrekken van opleidingen, het nemen van monsters en de uitvoering van metingen, beproevingen en analyses door rechtspersonen of natuurlijke personen kan afhankelijk worden gemaakt van het voorafgaand verkrijgen van een erkenning.
De erkenningen, vermeld in het eerste lid, worden op grond van de aard ervan in categorieën ingedeeld.
De rechtspersonen of natuurlijke personen die in het bezit zijn van een bepaalde titel die door de Vlaamse overheid of door een door haar erkende organisatie is uitgereikt, krijgen van rechtswege een erkenning als vermeld in het eerste lid.
Rechtspersonen of natuurlijke personen die in het bezit zijn van een bepaalde titel die in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in België is uitgereikt door een andere overheid of organisatie dan de overheid of organisatie, vermeld in het derde lid, en waarvan ten aanzien van een bepaalde erkenning voorafgaandelijk de gelijkwaardigheid is vastgesteld, krijgen van rechtswege een erkenning als vermeld in het eerste lid.
In afwijking van het eerste lid kan bij een tijdelijke en incidentele uitoefening van de erkenningsplichtige handelingen, vermeld in het eerste lid, voor een persoon die niet is gevestigd in het Vlaamse Gewest alleen een voorafgaande kennisgeving worden vereist. Die procedure wordt ingesteld op voorwaarde dat door de aard van de specifieke handelingen een tijdelijke en incidentele uitoefening in redelijkheid mogelijk is en de voorwaarden alleen betrekking hebben op het bezit van beroepskwalificaties.
De Vlaamse Regering bepaalt voor welke functies, opleidingen en handelingen als vermeld in het eerste lid, de erkenningsplicht en, in voorkomend geval, de kennisgevingsplicht, vermeld in het vijfde lid, geldt. Ze stelt tevens de nadere regels vast met het oog op de uitvoering van de bepalingen van de leden 2 tot en met 5.".
Art.212. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans le même chapitre 6 du titre V, est inséré un article 5.6.2 qui s'énonce comme suit :
" Art. 5.6.2. L'exercice de certaines fonctions, la dispense de formations, le prélèvement d'échantillons et l'exécution de mesures, d'épreuves et d'analyses par des personnes morales ou physiques peuvent être subordonnés à l'obtention préalable d'un agrément.
Les agréments, mentionnés au premier alinéa, sont classés dans des catégories selon leur nature.
Les personnes morales ou physiques titulaires d'un titre spécifique qui a été accordé par l'Autorité flamande, ou une organisation agréée par celle-ci, obtiennent de plein droit un agrément tel que visé au premier alinéa.
Les personnes morales ou physiques titulaires d'un titre spécifique accordé par une autorité ou une organisation autre que l'autorité ou l'organisation visées au troisième alinéa dans un autre Etat membre de l'Espace économique européen ou en Belgique, obtiennent de plein droit un agrément, tel que visé au premier alinéa, si l'équivalence du titre à l'égard de l'agrément spécifique a été établie au préalable.
Par dérogation au premier alinéa, seule une notification préalable peut être exigée de la personne non établie en Région flamande lors de l'exercice temporaire et occasionnel par celle-ci des actes soumis à l'agrément, visés au premier alinéa. Cette procédure est instituée à condition que l'exercice temporaire et occasionnel des actes spécifiques soit raisonnable de par la nature des actes et que les conditions n'aient trait qu'à la détention de qualifications professionnelles.
Le Gouvernement flamand définit les fonctions, formations et actes, visés au premier alinéa, qui sont soumis à l'agrément, le cas échéant, à l'obligation de notification visée au cinquième alinéa. En outre, il arrête les modalités de la mise en oeuvre des dispositions des alinéa 2 à 5 inclus. ".
" Art. 5.6.2. L'exercice de certaines fonctions, la dispense de formations, le prélèvement d'échantillons et l'exécution de mesures, d'épreuves et d'analyses par des personnes morales ou physiques peuvent être subordonnés à l'obtention préalable d'un agrément.
Les agréments, mentionnés au premier alinéa, sont classés dans des catégories selon leur nature.
Les personnes morales ou physiques titulaires d'un titre spécifique qui a été accordé par l'Autorité flamande, ou une organisation agréée par celle-ci, obtiennent de plein droit un agrément tel que visé au premier alinéa.
Les personnes morales ou physiques titulaires d'un titre spécifique accordé par une autorité ou une organisation autre que l'autorité ou l'organisation visées au troisième alinéa dans un autre Etat membre de l'Espace économique européen ou en Belgique, obtiennent de plein droit un agrément, tel que visé au premier alinéa, si l'équivalence du titre à l'égard de l'agrément spécifique a été établie au préalable.
Par dérogation au premier alinéa, seule une notification préalable peut être exigée de la personne non établie en Région flamande lors de l'exercice temporaire et occasionnel par celle-ci des actes soumis à l'agrément, visés au premier alinéa. Cette procédure est instituée à condition que l'exercice temporaire et occasionnel des actes spécifiques soit raisonnable de par la nature des actes et que les conditions n'aient trait qu'à la détention de qualifications professionnelles.
Le Gouvernement flamand définit les fonctions, formations et actes, visés au premier alinéa, qui sont soumis à l'agrément, le cas échéant, à l'obligation de notification visée au cinquième alinéa. En outre, il arrête les modalités de la mise en oeuvre des dispositions des alinéa 2 à 5 inclus. ".
Art.213. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 6 van titel V een artikel 5.6.3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 5.6.3. De Vlaamse Regering stelt voor de verschillende categorieën van erkenningen de nadere regels vast voor de aanvraag, weigering of verlening en bekendmaking van erkenningen. Ze bepaalt de adviezen die worden ingewonnen en de wijze waarop ze worden uitgebracht. Ze wijst ook de overheden en organisaties aan die uitspraak doen over de erkenningsaanvragen met een met redenen omkleed besluit.
Op zijn verzoek wordt de aanvrager van een erkenning gehoord door de overheden of organisaties, vermeld in het eerste lid. Die overheden of organisaties kunnen zelf het initiatief nemen om de aanvrager over zijn aanspraken op een erkenning te horen.
De erkenning wordt verleend als voldaan is aan de voorwaarden die per categorie van erkenning of per erkenning door de Vlaamse Regering zijn vastgesteld en die voorafgaand aan de erkenningsaanvraag zijn bekendgemaakt.
Bij de toepassing van de voorwaarden, vermeld in het derde lid, wordt rekening gehouden met gelijkwaardige voorwaarden waaraan de aanvrager in een andere Europese lidstaat of in een ander gewest in België al heeft voldaan.".
"Art. 5.6.3. De Vlaamse Regering stelt voor de verschillende categorieën van erkenningen de nadere regels vast voor de aanvraag, weigering of verlening en bekendmaking van erkenningen. Ze bepaalt de adviezen die worden ingewonnen en de wijze waarop ze worden uitgebracht. Ze wijst ook de overheden en organisaties aan die uitspraak doen over de erkenningsaanvragen met een met redenen omkleed besluit.
Op zijn verzoek wordt de aanvrager van een erkenning gehoord door de overheden of organisaties, vermeld in het eerste lid. Die overheden of organisaties kunnen zelf het initiatief nemen om de aanvrager over zijn aanspraken op een erkenning te horen.
De erkenning wordt verleend als voldaan is aan de voorwaarden die per categorie van erkenning of per erkenning door de Vlaamse Regering zijn vastgesteld en die voorafgaand aan de erkenningsaanvraag zijn bekendgemaakt.
Bij de toepassing van de voorwaarden, vermeld in het derde lid, wordt rekening gehouden met gelijkwaardige voorwaarden waaraan de aanvrager in een andere Europese lidstaat of in een ander gewest in België al heeft voldaan.".
Art.213. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans le même chapitre 6 du titre V, est inséré un article 5.6.3 qui s'énonce comme suit :
" Art. 5.6.3. Le Gouvernement flamand arrête, pour les différentes catégories d'agrément, les modalités relatives à la demande, au refus ou à l'octroi et à la publication des agréments. Il détermine les avis recueillis et la manière dont ils sont émis. En outre, il désigne les autorités et organisations amenées à se prononcer de manière motivée sur les demandes d'agrément.
A sa demande, le demandeur d'un agrément est entendu par les autorités ou organisations visées au premier alinéa. Ces autorités ou organisations peuvent entendre le demandeur au sujet de sa prétention à un agrément de leur propre initiative.
L'agrément est octroyé si les conditions définies par le Gouvernement flamand par catégorie d'agrément ou par agrément et publiées préalablement à la demande d'agrément, ont été remplies.
Lors de l'application des conditions, visées au troisième alinéa, il est tenu compte de conditions équivalentes que le demandeur a déjà remplies dans un autre Etat membre européen ou une autre région en Belgique. ".
" Art. 5.6.3. Le Gouvernement flamand arrête, pour les différentes catégories d'agrément, les modalités relatives à la demande, au refus ou à l'octroi et à la publication des agréments. Il détermine les avis recueillis et la manière dont ils sont émis. En outre, il désigne les autorités et organisations amenées à se prononcer de manière motivée sur les demandes d'agrément.
A sa demande, le demandeur d'un agrément est entendu par les autorités ou organisations visées au premier alinéa. Ces autorités ou organisations peuvent entendre le demandeur au sujet de sa prétention à un agrément de leur propre initiative.
L'agrément est octroyé si les conditions définies par le Gouvernement flamand par catégorie d'agrément ou par agrément et publiées préalablement à la demande d'agrément, ont été remplies.
Lors de l'application des conditions, visées au troisième alinéa, il est tenu compte de conditions équivalentes que le demandeur a déjà remplies dans un autre Etat membre européen ou une autre région en Belgique. ".
Art.214. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 6 van titel V een artikel 5.6.4 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 5.6.4. § 1. De overheid of organisatie die over de erkenningsaanvraag uitspraak moet doen, bevestigt binnen dertig dagen de ontvangst van het dossier van de aanvrager en deelt in voorkomend geval mee welke documenten ontbreken. Binnen een termijn van negentig dagen na de indiening van het volledige dossier wordt door de bevoegde overheid of organisatie uitspraak gedaan. De bevoegde overheid of organisatie kan die termijn met maximaal dertig dagen verlengen.
§ 2. De Vlaamse Regering kan de erkenningen aanwijzen die geacht worden stilzwijgend te zijn verkregen als geen beslissing over de erkenningsaanvraag wordt betekend binnen de door haar vastgestelde termijn.
De Vlaamse Regering kan daartoe alleen besluiten nadat ze tot de vaststelling is gekomen dat de belangenafweging door de overheden en organisaties, vermeld in artikel 5.6.3, eerste lid, bij hun beslissingen over erkenningsaanvragen, niet in alle gevallen noodzakelijk is om dwingende reden van algemeen belang, met inbegrip van een rechtmatig belang van een derde partij.".
"Art. 5.6.4. § 1. De overheid of organisatie die over de erkenningsaanvraag uitspraak moet doen, bevestigt binnen dertig dagen de ontvangst van het dossier van de aanvrager en deelt in voorkomend geval mee welke documenten ontbreken. Binnen een termijn van negentig dagen na de indiening van het volledige dossier wordt door de bevoegde overheid of organisatie uitspraak gedaan. De bevoegde overheid of organisatie kan die termijn met maximaal dertig dagen verlengen.
§ 2. De Vlaamse Regering kan de erkenningen aanwijzen die geacht worden stilzwijgend te zijn verkregen als geen beslissing over de erkenningsaanvraag wordt betekend binnen de door haar vastgestelde termijn.
De Vlaamse Regering kan daartoe alleen besluiten nadat ze tot de vaststelling is gekomen dat de belangenafweging door de overheden en organisaties, vermeld in artikel 5.6.3, eerste lid, bij hun beslissingen over erkenningsaanvragen, niet in alle gevallen noodzakelijk is om dwingende reden van algemeen belang, met inbegrip van een rechtmatig belang van een derde partij.".
Art.214. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans le même chapitre 6 du titre V, est inséré un article 5.6.4 qui s'énonce comme suit :
" Art. 5.6.4. § 1er. L'autorité ou l'organisation qui doit se prononcer sur la demande d'agrément confirme, dans les trente jours, la réception du dossier du demandeur et l'informe, le cas échéant, au sujet des documents manquants. Dans un délai de nonante jours après l'introduction du dossier complet, l'autorité ou organisation compétente rend sa décision. L'autorité ou organisation compétente peut prolonger ce délai de trente jours au maximum.
§ 2. Le Gouvernement flamand peut désigner les agréments qui sont considérés comme tacitement accordés lorsqu'aucune décision quant à la demande d'agrément n'a été notifiée dans le délai qu'il a fixé.
Le Gouvernement flamand ne peut prendre cette décision qu'après le constat que la pondération des intérêts par les autorités et organisations, visées à l'article 5.6.3, premier alinéa, lors de leurs décisions au sujet des demandes d'agrément, n'est pas indispensable dans tous les cas, pour des raisons obligatoires d'intérêt général, y compris l'intérêt légitime d'une tierce partie. ".
" Art. 5.6.4. § 1er. L'autorité ou l'organisation qui doit se prononcer sur la demande d'agrément confirme, dans les trente jours, la réception du dossier du demandeur et l'informe, le cas échéant, au sujet des documents manquants. Dans un délai de nonante jours après l'introduction du dossier complet, l'autorité ou organisation compétente rend sa décision. L'autorité ou organisation compétente peut prolonger ce délai de trente jours au maximum.
§ 2. Le Gouvernement flamand peut désigner les agréments qui sont considérés comme tacitement accordés lorsqu'aucune décision quant à la demande d'agrément n'a été notifiée dans le délai qu'il a fixé.
Le Gouvernement flamand ne peut prendre cette décision qu'après le constat que la pondération des intérêts par les autorités et organisations, visées à l'article 5.6.3, premier alinéa, lors de leurs décisions au sujet des demandes d'agrément, n'est pas indispensable dans tous les cas, pour des raisons obligatoires d'intérêt général, y compris l'intérêt légitime d'une tierce partie. ".
Art.215. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 6 van titel V een artikel 5.6.5 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 5.6.5. Het gebruik van erkenningen kan aan gebruikseisen worden onderworpen. Die gebruikseisen kunnen periodieke evaluaties inhouden waarvan het resultaat het verval van rechtswege van de erkenning tot gevolg kan hebben.
De Vlaamse Regering stelt de gebruikseisen vast, alsook de nadere regels voor het verval van rechtswege van de erkenningen.".
"Art. 5.6.5. Het gebruik van erkenningen kan aan gebruikseisen worden onderworpen. Die gebruikseisen kunnen periodieke evaluaties inhouden waarvan het resultaat het verval van rechtswege van de erkenning tot gevolg kan hebben.
De Vlaamse Regering stelt de gebruikseisen vast, alsook de nadere regels voor het verval van rechtswege van de erkenningen.".
Art.215. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans le même chapitre 6 du titre V, est inséré un article 5.6.5 qui s'énonce comme suit :
" Art. 5.6.5. L'emploi d'agréments peut être soumis à des conditions d'emploi. Ces conditions d'emploi peuvent comprendre des évaluations périodiques dont les résultats peuvent entraîner la déchéance de droit de l'agrément.
Le Gouvernement flamand définit les conditions d'emploi de même que les modalités de la déchéance de droit des agréments. ".
" Art. 5.6.5. L'emploi d'agréments peut être soumis à des conditions d'emploi. Ces conditions d'emploi peuvent comprendre des évaluations périodiques dont les résultats peuvent entraîner la déchéance de droit de l'agrément.
Le Gouvernement flamand définit les conditions d'emploi de même que les modalités de la déchéance de droit des agréments. ".
Art.216. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 6 van titel V een artikel 5.6.6 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 5.6.6. Met behoud van de toepassing van de bepalingen van titel XVI kunnen de door de Vlaamse Regering aangewezen overheden de erkenning schorsen of opheffen.
De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen tot schorsing of opheffing kan worden overgegaan. De houder van de erkenning wordt gehoord op zijn verzoek. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de procedure die gevolgd moet worden bij schorsing of opheffing van de erkenning.".
"Art. 5.6.6. Met behoud van de toepassing van de bepalingen van titel XVI kunnen de door de Vlaamse Regering aangewezen overheden de erkenning schorsen of opheffen.
De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen tot schorsing of opheffing kan worden overgegaan. De houder van de erkenning wordt gehoord op zijn verzoek. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de procedure die gevolgd moet worden bij schorsing of opheffing van de erkenning.".
Art.216. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans le même chapitre 6 du titre V, est inséré un article 5.6.6 qui s'énonce comme suit :
" Art. 5.6.6. Sans préjudice de l'application des dispositions du titre XVI, l'agrément peut être suspendu ou annulé par les autorités désignées par le Gouvernement flamand.
Le Gouvernement flamand définit les cas dans lesquels on peut procéder à la suspension ou à l'annulation. Le détenteur d'un agrément est entendu à sa demande. Le Gouvernement flamand arrête les modalités de la procédure à suivre en cas de suspension ou d'annulation de l'agrément. ".
" Art. 5.6.6. Sans préjudice de l'application des dispositions du titre XVI, l'agrément peut être suspendu ou annulé par les autorités désignées par le Gouvernement flamand.
Le Gouvernement flamand définit les cas dans lesquels on peut procéder à la suspension ou à l'annulation. Le détenteur d'un agrément est entendu à sa demande. Le Gouvernement flamand arrête les modalités de la procédure à suivre en cas de suspension ou d'annulation de l'agrément. ".
Art.217. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 6 van titel V een artikel 5.6.7 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 5.6.7. Aan elke rechtspersoon of natuurlijke persoon die een erkenningsaanvraag indient, kan voor de behandeling van de erkenningsaanvraag een retributie worden gevraagd. Dezelfde retributie kan worden gevraagd voor de uitoefening van het toezicht op de erkennings- en gebruikseisen. De Vlaamse Regering bepaalt voor welke erkenningen of toezichtverplichtingen een retributie is verschuldigd en stelt de bedragen vast, alsook de wijze waarop aan de retributie moet worden voldaan.".
"Art. 5.6.7. Aan elke rechtspersoon of natuurlijke persoon die een erkenningsaanvraag indient, kan voor de behandeling van de erkenningsaanvraag een retributie worden gevraagd. Dezelfde retributie kan worden gevraagd voor de uitoefening van het toezicht op de erkennings- en gebruikseisen. De Vlaamse Regering bepaalt voor welke erkenningen of toezichtverplichtingen een retributie is verschuldigd en stelt de bedragen vast, alsook de wijze waarop aan de retributie moet worden voldaan.".
Art.217. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 8 février 2013, dans le même chapitre 6 du titre V, est inséré un article 5.6.7 qui s'énonce comme suit :
" Art. 5.6.7. Toute personne morale ou physique qui a soumis une demande d'agrément peut être sujette à une redevance pour le traitement de la demande d'agrément. Une pareille redevance peut être demandée pour l'exercice du suivi des conditions d'agrément et d'emploi. Le Gouvernement flamand définit les agréments ou les obligations de suivi pour lesquels une redevance est due et fixe les montants, de même que le mode de paiement de la redevance.
" Art. 5.6.7. Toute personne morale ou physique qui a soumis une demande d'agrément peut être sujette à une redevance pour le traitement de la demande d'agrément. Une pareille redevance peut être demandée pour l'exercice du suivi des conditions d'agrément et d'emploi. Le Gouvernement flamand définit les agréments ou les obligations de suivi pour lesquels une redevance est due et fixe les montants, de même que le mode de paiement de la redevance.
Art.218. In artikel 10.2.3, § 4, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 7 mei 2004 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2005, wordt de zinsnede "decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".
Art.218. A l'article 10.2.3, § 4, du même décret, inséré par le décret du 7 mai 2004 et modifié par le décret du 23 décembre 2005, le passage " décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ".
Art.219. In artikel 10.3.3, § 2, 6°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 7 mei 2004, wordt de zinsnede "het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V".
Art.219. A l'article 10.3.3, § 2, 6°, du même décret, remplacé par le décret du 7 mai 2004, le passage " décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " titre V ".
Afdeling 9. - Wijzigingen van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten
Section 9. - Modifications au décret du 19 avril 1995 portant des mesures visant à lutter contre et à prévenir la désaffectation et l'abandon de sites d'activité économique
Art.221. In artikel 44, § 2, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, hernummerd bij het decreet van 20 december 1996 en gewijzigd bij het decreet van 10 maart 2006, wordt de zinsnede "het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende de vaststelling van het Vlaamse Reglement betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".
Art.221. A l'article 44, § 2, du décret du 19 avril 1995 portant des mesures visant à lutter contre et à prévenir la désaffectation et l'abandon de sites d'activité économique, renuméroté par le décret du 20 décembre 1996 et modifié par le décret du 10 mars 2006, le passage " de l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 février 1991 fixant le Règlement flamand en matière d'autorisation écologique " est remplacé par le passage " du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ".
Afdeling 10. - Wijzigingen van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996
Section 10. - Modifications du décret du 22 décembre 1995 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1996
Art.222. In artikel 42, § 2, 1°, van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, gewijzigd bij het decreet van 24 maart 2006, worden de woorden "geen stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "geen omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art.222. A l'article 42, § 2, 1°, du décret du 22 décembre 1995 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1996, modifié par le décret du 24 mars 2006, les mots " aucune autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " aucun permis d'environnement pour actes urbanistiques ".
Art.223. In artikel 43 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 8 juli 1997 en gewijzigd bij de decreten van 7 juli 1998, 7 mei 2004, 24 december 2004 en 23 december 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "stedenbouwkundige vergunning" worden telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
2° in het eerste lid worden de woorden "de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar" telkens vervangen door de woorden "de gemeentelijke omgevingsambtenaar".
1° de woorden "stedenbouwkundige vergunning" worden telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
2° in het eerste lid worden de woorden "de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar" telkens vervangen door de woorden "de gemeentelijke omgevingsambtenaar".
Art.223. A l'article 43 du même décret, remplacé par le décret du 8 juillet 1997 et modifié par les décrets des 7 juillet 1998, 7 mai 2004, 24 décembre 2004 et 23 décembre 2005, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " autorisation urbanistique " sont chaque fois remplacés par les mots " permis d'environnement pour actes urbanistiques " ;
2° au premier alinéa, les mots " le fonctionnaire urbaniste communal " sont chaque fois remplacés par les mots " le fonctionnaire environnement communal ".
1° les mots " autorisation urbanistique " sont chaque fois remplacés par les mots " permis d'environnement pour actes urbanistiques " ;
2° au premier alinéa, les mots " le fonctionnaire urbaniste communal " sont chaque fois remplacés par les mots " le fonctionnaire environnement communal ".
Afdeling 11. - Wijzigingen van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg
Section 11. - Modifications au décret du 16 avril 1996 portant la protection des sites ruraux
Art.224. Artikel 25 van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, ingevoegd bij het decreet van 13 februari 2004, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 25. Als een vergunningsaanvraag niet uitgaat van een administratieve overheid en de ankerplaatsen niet zijn opgenomen in de ruimtelijke uitvoeringsplannen of de plannen van aanleg, vormen de ankerplaatsen geen beoordelingsgrond voor:
1° de omgevingsvergunning, vermeld in artikel 6, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
2° het planologisch of stedenbouwkundig attest, vermeld in de artikelen 4.4.24 en 5.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
3° de natuurvergunning, vermeld in de artikelen 9, § 2, tweede lid, 1°, en 13, § 3 tot § 5, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.".
"Art. 25. Als een vergunningsaanvraag niet uitgaat van een administratieve overheid en de ankerplaatsen niet zijn opgenomen in de ruimtelijke uitvoeringsplannen of de plannen van aanleg, vormen de ankerplaatsen geen beoordelingsgrond voor:
1° de omgevingsvergunning, vermeld in artikel 6, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
2° het planologisch of stedenbouwkundig attest, vermeld in de artikelen 4.4.24 en 5.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
3° de natuurvergunning, vermeld in de artikelen 9, § 2, tweede lid, 1°, en 13, § 3 tot § 5, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.".
Art.224. L'article 25 du décret du 16 avril 1996 portant la protection des sites ruraux, inséré par le décret du 13 février 2004, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 25. Lorsqu'une demande d'autorisation n'émane pas d'une autorité administrative et que les lieux d'ancrage ne sont pas repris dans les plans d'exécution spatiaux ou les plans d'aménagement, les lieux d'ancrage ne constituent pas de base d'appréciation pour :
1° le permis d'environnement, visé à l'article 6, premier alinéa, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ;
2° l'attestation planologique ou urbanistique, visée aux articles 4.4.24 et 5.3.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ;
3° l'autorisation d'aménagement de la nature, visée aux articles 9, § 2, deuxième alinéa, 1°, et 13, § 3 à § 5, du décret du 21 octobre 1997concernant la conservation de la nature et le milieu naturel. ".
" Art. 25. Lorsqu'une demande d'autorisation n'émane pas d'une autorité administrative et que les lieux d'ancrage ne sont pas repris dans les plans d'exécution spatiaux ou les plans d'aménagement, les lieux d'ancrage ne constituent pas de base d'appréciation pour :
1° le permis d'environnement, visé à l'article 6, premier alinéa, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ;
2° l'attestation planologique ou urbanistique, visée aux articles 4.4.24 et 5.3.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ;
3° l'autorisation d'aménagement de la nature, visée aux articles 9, § 2, deuxième alinéa, 1°, et 13, § 3 à § 5, du décret du 21 octobre 1997concernant la conservation de la nature et le milieu naturel. ".
Afdeling 12. - Wijzigingen van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode
Section 12. - Modifications au décret du 15 juillet 1997 contenant le Code flamand du Logement
Art.225. In artikel 33, § 1, vierde lid, 8°, e), van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, ingevoegd bij het decreet van 27 maart 2009, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art.225. A l'article 33, § 1er, quatrième alinéa, 8°, e), du décret du 15 juillet 1997 contenant le Code flamand du Logement, inséré par le décret du 27 mars 2009, les mots " permis d'urbanisme " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour les actes urbanistiques ".
Afdeling 13. - Wijzigingen aan het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu
Section 13. - Modifications au décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel
Art.226. In artikel 36ter, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, ingevoegd bij het decreet van 19 juli 2002 en gewijzigd bij de decreten van 27 april 2007 en 8 mei 2009, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
"Voor de loutere hernieuwing van de omgevingsvergunning of omzetting krachtens artikel 390 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning moet geen passende beoordeling uitgevoerd worden, tenzij deze loutere hernieuwing van de vergunning of de omzetting betrekking heeft op activiteiten die fysieke ingrepen in het leefmilieu vereisen.
In afwijking van het tweede lid, moet wel een passende beoordeling uitgevoerd worden indien de administratie bevoegd voor natuurbehoud in het kader van een omzetting krachtens artikel 390 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, ambtshalve of op gemotiveerd verzoek van het betrokken publiek, oordeelt dat er geen passende beoordeling werd uitgevoerd en dat het betrokken project een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken. Indien in het kader van de milieuvergunning waarvan de omzetting krachtens artikel 390 van het voormeld decreet wordt gevraagd, een passende beoordeling werd uitgevoerd of een advies van de administratie bevoegd voor natuurbehoud is verleend waaruit blijkt dat het uitvoeren van een passende beoordeling niet vereist was, is voldaan aan de verplichtingen van artikel 36ter, § 3.".
"Voor de loutere hernieuwing van de omgevingsvergunning of omzetting krachtens artikel 390 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning moet geen passende beoordeling uitgevoerd worden, tenzij deze loutere hernieuwing van de vergunning of de omzetting betrekking heeft op activiteiten die fysieke ingrepen in het leefmilieu vereisen.
In afwijking van het tweede lid, moet wel een passende beoordeling uitgevoerd worden indien de administratie bevoegd voor natuurbehoud in het kader van een omzetting krachtens artikel 390 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, ambtshalve of op gemotiveerd verzoek van het betrokken publiek, oordeelt dat er geen passende beoordeling werd uitgevoerd en dat het betrokken project een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken. Indien in het kader van de milieuvergunning waarvan de omzetting krachtens artikel 390 van het voormeld decreet wordt gevraagd, een passende beoordeling werd uitgevoerd of een advies van de administratie bevoegd voor natuurbehoud is verleend waaruit blijkt dat het uitvoeren van een passende beoordeling niet vereist was, is voldaan aan de verplichtingen van artikel 36ter, § 3.".
Art.226. A l'article 36ter, § 3, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, inséré par le décret du 19 juillet 2002 et modifié par les décrets des 27 avril 2007 et 8 mai 2009, le deuxième alinéa est remplacé par ce qui suit :
" Pour le simple renouvellement du permis d'environnement ou la conversion en vertu de l'article 390 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, il ne doit être procédé à aucune évaluation appropriée, à moins que ce simple renouvellement ou cette conversion ait trait à des activités qui requièrent des interventions physiques dans l'environnement.
Par dérogation au deuxième alinéa, une évaluation appropriée doit être exécutée si l'administration compétente pour la conservation de la nature estime d'office ou sur requête motivée, dans le cadre d'une conversion en vertu de l'article 390 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, qu'aucune évaluation appropriée n'a été exécutée et que le projet concerné peut causer une dépréciation significative des caractéristiques naturelles d'une zone spéciale de conservation. Il est satisfait aux obligations de l'article 36ter, § 3, lorsque, dans le cadre du permis d'environnement dont la conversion est demandée en vertu de l'article 390 du décret précité, une évaluation appropriée a été exécutée ou que l'administration compétente pour la conservation de la nature a rendu un avis dont il ressort qu'une évaluation approprié n'était pas exigée. ".
" Pour le simple renouvellement du permis d'environnement ou la conversion en vertu de l'article 390 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, il ne doit être procédé à aucune évaluation appropriée, à moins que ce simple renouvellement ou cette conversion ait trait à des activités qui requièrent des interventions physiques dans l'environnement.
Par dérogation au deuxième alinéa, une évaluation appropriée doit être exécutée si l'administration compétente pour la conservation de la nature estime d'office ou sur requête motivée, dans le cadre d'une conversion en vertu de l'article 390 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, qu'aucune évaluation appropriée n'a été exécutée et que le projet concerné peut causer une dépréciation significative des caractéristiques naturelles d'une zone spéciale de conservation. Il est satisfait aux obligations de l'article 36ter, § 3, lorsque, dans le cadre du permis d'environnement dont la conversion est demandée en vertu de l'article 390 du décret précité, une évaluation appropriée a été exécutée ou que l'administration compétente pour la conservation de la nature a rendu un avis dont il ressort qu'une évaluation approprié n'était pas exigée. ".
(NOTA : bij arrest nr 125/2016 van 6-10-2016 (B.St. 20-10-2016, 70856), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 125/2016 du 6-10-2016 (M.B. 20-10-2016, p. 70856) la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
Afdeling 14. - Wijzigingen van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending
Section 14. - Modifications au décret du 24 mai 2002 relatif aux eaux destinées à l'utilisation humaine
Art.227. In artikel 16sexies, § 4, van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending, ingevoegd bij het decreet 21 december 2007 en gewijzigd bij het decreet van 19 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het derde lid wordt punt a) vervangen door wat volgt:
"a) als het gaat om een krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ingedeelde inrichting of activiteit moet de exploitatie gemeld of vergund zijn conform de bepalingen van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;";
2° in het zevende lid wordt punt a) vervangen door wat volgt:
"a) als het gaat om een krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ingedeelde inrichting of activiteit, een afschrift van de melding of lopende vergunning voor de exploitatie van de individuele behandelingsinstallatie(s) voor afvalwater;".
1° in het derde lid wordt punt a) vervangen door wat volgt:
"a) als het gaat om een krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ingedeelde inrichting of activiteit moet de exploitatie gemeld of vergund zijn conform de bepalingen van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;";
2° in het zevende lid wordt punt a) vervangen door wat volgt:
"a) als het gaat om een krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ingedeelde inrichting of activiteit, een afschrift van de melding of lopende vergunning voor de exploitatie van de individuele behandelingsinstallatie(s) voor afvalwater;".
Art.227. A l'article 16sexies, § 4, du décret du 24 mai 2002 relatif aux eaux destinées à l'utilisation humaine, inséré par le décret du 21 décembre 2007 et modifié par le décret du 19 décembre 2008, les modifications suivantes sont apportées :
1° au troisième alinéa, le point a) est remplacé par ce qui suit :
" a) s'il s'agit d'un établissement classé ou d'une activité classée en vertu du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, l'exploitation doit être notifiée ou autorisée, conformément aux dispositions du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ; " ;
2° au septième alinéa, le point a) est remplacé par ce qui suit :
" a) s'il s'agit d'un établissement classé ou d'une activité classée en vertu du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, une copie de la notification ou de l'autorisation en cours pour l'exploitation de l'installation ou des installations individuelle(s) de traitement des eaux usées ; " ;
1° au troisième alinéa, le point a) est remplacé par ce qui suit :
" a) s'il s'agit d'un établissement classé ou d'une activité classée en vertu du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, l'exploitation doit être notifiée ou autorisée, conformément aux dispositions du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ; " ;
2° au septième alinéa, le point a) est remplacé par ce qui suit :
" a) s'il s'agit d'un établissement classé ou d'une activité classée en vertu du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, une copie de la notification ou de l'autorisation en cours pour l'exploitation de l'installation ou des installations individuelle(s) de traitement des eaux usées ; " ;
Afdeling 15. - Wijziging van het decreet van 4 april 2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen
Section 15. - Modifications au décret du 4 avril 2003 relatif aux minerais de surface
Art.228. In artikel 2, 4°, van het decreet van 4 april 2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen, wordt het woord "milieuvergunningsplichtige" vervangen door de zinsnede "krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ingedeelde".
Art.228. A l'article 2, 4°, du décret du 4 avril 2003 relatif aux minerais de surface, les mots " soumise à une autorisation écologique " sont remplacés par les mots " classée en vertu du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ".
Afdeling 16. - Wijzigingen van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid
Section 16. - Modifications au décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau
Art.229. In artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, derde lid, wordt de zinsnede "stedenbouwkundig of planologisch attest, vermeld in artikelen 135, § 2, en 145ter, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening" vervangen door de zinsnede "planologisch of stedenbouwkundig attest, vermeld in artikelen 4.4.24 en 5.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening";
2° in paragraaf 5, eerste lid, worden punt 1° en 2° vervangen door wat volgt:
"1° de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden van een project, vermeld in artikel 5, 1°, a) en b), van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
2° als dat relevant is, gelet op het voorwerp van de vergunningsaanvraag, de omgevingsvergunning voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten van een project, vermeld in artikel 5, 1°, c), van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;";
3° in paragraaf 5, tweede lid, 1°, wordt de zinsnede "in het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996" vervangen door de zinsnede "in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening".
1° in paragraaf 1, derde lid, wordt de zinsnede "stedenbouwkundig of planologisch attest, vermeld in artikelen 135, § 2, en 145ter, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening" vervangen door de zinsnede "planologisch of stedenbouwkundig attest, vermeld in artikelen 4.4.24 en 5.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening";
2° in paragraaf 5, eerste lid, worden punt 1° en 2° vervangen door wat volgt:
"1° de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden van een project, vermeld in artikel 5, 1°, a) en b), van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
2° als dat relevant is, gelet op het voorwerp van de vergunningsaanvraag, de omgevingsvergunning voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten van een project, vermeld in artikel 5, 1°, c), van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;";
3° in paragraaf 5, tweede lid, 1°, wordt de zinsnede "in het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996" vervangen door de zinsnede "in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening".
Art.229. A l'article 8 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, modifié par le décret du 25 mai 2007, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, troisième alinéa, le passage " dans l'attestation urbanistique ou planologique mentionnée dans les articles 135, § 2, et 145ter du décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire " est remplacé par le passage " dans l'attestation planologique ou urbanistique, visée aux articles 4.4.24 et 5.3.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire " ;
2° au paragraphe 5, alinéa premier, les points 1° et 2° sont remplacés par ce qui suit :
" 1° le permis d'environnement pour les actes urbanistiques ou pour le lotissement de sols dans le cadre d'un projet, visé à l'article 5, 1°, a) et b), du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ;
2° si pertinent, vu l'objet de la demande d'autorisation, le permis d'environnement pour l'exploitation des établissements ou activités classés d'un projet, visée à l'article 5, 1°, c), du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ; " ;
3° au paragraphe 5, deuxième alinéa, 1°, le passage " dans le décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire et le décret relatif à l'aménagement du territoire, coordonné le 22 octobre 1996 " est remplacé par le passage " dans le Code flamand de l'Aménagement du Territoire ".
1° au paragraphe 1er, troisième alinéa, le passage " dans l'attestation urbanistique ou planologique mentionnée dans les articles 135, § 2, et 145ter du décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire " est remplacé par le passage " dans l'attestation planologique ou urbanistique, visée aux articles 4.4.24 et 5.3.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire " ;
2° au paragraphe 5, alinéa premier, les points 1° et 2° sont remplacés par ce qui suit :
" 1° le permis d'environnement pour les actes urbanistiques ou pour le lotissement de sols dans le cadre d'un projet, visé à l'article 5, 1°, a) et b), du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ;
2° si pertinent, vu l'objet de la demande d'autorisation, le permis d'environnement pour l'exploitation des établissements ou activités classés d'un projet, visée à l'article 5, 1°, c), du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ; " ;
3° au paragraphe 5, deuxième alinéa, 1°, le passage " dans le décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire et le décret relatif à l'aménagement du territoire, coordonné le 22 octobre 1996 " est remplacé par le passage " dans le Code flamand de l'Aménagement du Territoire ".
Art.230. In artikel 60, § 3, 2°, c), van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 16 juli 2010, wordt de zinsnede "de inrichtingen, vermeld in artikel 41bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning," vervangen door de zinsnede "de GPBV-installaties, aangewezen in de indelingslijst, vermeld in artikel 7.2.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid,".
Art.230. A l'article 60, § 3, 2°, c), du même décret, inséré par le décret du 16 juillet 2010, le passage " les établissements, visés à l'article 41bis de l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 avril 1991 fixant le règlement flamand relatif à l'autorisation écologique, " est remplacé par le passage " les installations réputées incommodes, désignées dans la liste de classification, visées à l'article 7.2.1 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, ".
Afdeling 17. - Wijziging van het decreet van 6 februari 2004 tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid voor wat betreft de milieuaudit en tot aanvulling ervan met een titel milieuvoorwaarden
Section 17. - Modification au décret du 6 février 2004 modifiant le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement pour ce qui concerne l'audit environnemental et le complétant par un titre contenant des conditions environnementales
Art.231. De artikelen 2, 3, 10 en punt 1° en 2° van artikel 11, van het decreet van 6 februari 2004 tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid voor wat betreft de milieuaudit en tot aanvulling ervan met een titel milieuvoorwaarden, worden opgeheven.
Art.231. Les articles 2, 3, 10 et les points 1° et 2° de l'article 11, du décret du 6 février 2004 modifiant le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement pour ce qui concerne l'audit environnemental et le complétant par un titre contenant des conditions environnementales, sont abrogés.
Afdeling 18. - Wijzigingen van het decreet van 30 april 2004 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel "Strategische adviesraad" en tot wijziging van diverse andere decreten
Section 18. - Modification au décret du30 avril 2004 complétant le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement par un titre " Conseil consultatif stratégique " et modifiant divers autres décrets
Art.232. Artikel 5 van het decreet van 30 april 2004 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel "Strategische adviesraad" en tot wijziging van diverse andere decreten, wordt ingetrokken.
Art.232. L'article 5 du décret du 30 avril 2004 complétant le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement par un titre " Conseil consultatif stratégique " et modifiant divers autres décrets est abrogé.
Afdeling 19. - Wijzigingen van het decreet van 7 juli 2006 betreffende de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur
Section 19. - Modifications au décret du 7 juillet 2006 relatif au mouvement de rattrapage pour l'infrastructure scolaire
Art.233. In artikel 41, § 1, van het decreet van 7 juli 2006 betreffende de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art.233. A l'article 41, § 1er, du décret du 7 juillet 2006 relatif au mouvement de rattrapage pour l'infrastructure scolaire, inséré par le décret du 8 mai 2009, les mots " permis d'urbanisme " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour les actes urbanistiques ".
Afdeling 20. - Wijzigingen van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming
Section 20. - Modifications au décret du 27 octobre 2006 relatif à l'assainissement du sol et à la protection du sol
Art.234. In artikel 2 van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, gewijzigd bij de decreten van 12 december 2008 en 25 mei 2012, wordt punt 31° opgeheven.
Art.234. A l'article 2 du décret du 27 octobre 2006 relatif à l'assainissement du sol et à la protection du sol, modifié par les décrets des 12 décembre 2008 et 25 mai 2012, le point 31° est abrogé.
Art.235. In artikel 7, § 1, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt het woord "Bestendige" opgeheven.
Art.235. A l'article 7, § 1er, deuxième alinéa, du même décret, le mot " permanente " est abrogé.
Art.236. In artikel 11 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2012, wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
"1° als op de grond waar de bodemverontreiniging tot stand is gekomen, een inrichting of activiteit gevestigd is die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid: de exploitant, vermeld in titel V;".
"1° als op de grond waar de bodemverontreiniging tot stand is gekomen, een inrichting of activiteit gevestigd is die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid: de exploitant, vermeld in titel V;".
Art.236. A l'article 11 du même décret, modifié par le décret du 25 mai 2012, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° si, sur le terrain où la pollution du sol a été générée, il est implanté un établissement ou une activité soumis(e) à autorisation ou à déclaration en vertu du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement : l'exploitant, visé au titre V ; ".
" 1° si, sur le terrain où la pollution du sol a été générée, il est implanté un établissement ou une activité soumis(e) à autorisation ou à déclaration en vertu du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement : l'exploitant, visé au titre V ; ".
Art.237. In artikel 16 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 12 december 2008 en 25 mei 2012, wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt:
" § 2. Als de emissie waardoor de bodemverontreiniging tot stand is gebracht afkomstig is van een inrichting of activiteit die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, is de exploitant van de inrichting of activiteit, vermeld in titel V, echter aansprakelijk.".
" § 2. Als de emissie waardoor de bodemverontreiniging tot stand is gebracht afkomstig is van een inrichting of activiteit die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, is de exploitant van de inrichting of activiteit, vermeld in titel V, echter aansprakelijk.".
Art.237. A l'article 16 du même décret, modifié par les décrets des 12 décembre 2008 et 25 mai 2012, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Si l'émission qui a généré la pollution du sol provient d'un établissement ou d'une activité soumis(e) à autorisation ou à déclaration en vertu du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, l'exploitant de cet(te) établissement ou activité, tel que visé au titre V, est toutefois responsable. ".
" § 2. Si l'émission qui a généré la pollution du sol provient d'un établissement ou d'une activité soumis(e) à autorisation ou à déclaration en vertu du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, l'exploitant de cet(te) établissement ou activité, tel que visé au titre V, est toutefois responsable. ".
Art.238. In artikel 22, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2012, wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
"1° als op de grond waar de bodemverontreiniging tot stand is gekomen, een inrichting of activiteit gevestigd is die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid: de exploitant vermeld in titel V;".
"1° als op de grond waar de bodemverontreiniging tot stand is gekomen, een inrichting of activiteit gevestigd is die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid: de exploitant vermeld in titel V;".
Art.238. A l'article 22, premier alinéa, du même décret, modifié par le décret du 25 mai 2012, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° si, sur le terrain où la pollution du sol a été générée, il est implanté un établissement ou une activité soumis(e) à autorisation ou à déclaration en vertu du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement : l'exploitant visé au titre V ; ".
" 1° si, sur le terrain où la pollution du sol a été générée, il est implanté un établissement ou une activité soumis(e) à autorisation ou à déclaration en vertu du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement : l'exploitant visé au titre V ; ".
Art.239. In artikel 33bis, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 25 mei 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt de zinsnede "risico-inrichtingen die vergunningsplichtig zijn overeenkomstig artikel 4, § 1, van het Milieuvergunningsdecreet" vervangen door de zinsnede "risico-inrichtingen die vergunningsplichtig zijn krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid";
2° in het tweede lid wordt het woord "milieuvergunningsaanvraag" vervangen door het woord "omgevingsvergunningsaanvraag".
1° in het eerste lid wordt de zinsnede "risico-inrichtingen die vergunningsplichtig zijn overeenkomstig artikel 4, § 1, van het Milieuvergunningsdecreet" vervangen door de zinsnede "risico-inrichtingen die vergunningsplichtig zijn krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid";
2° in het tweede lid wordt het woord "milieuvergunningsaanvraag" vervangen door het woord "omgevingsvergunningsaanvraag".
Art.239. A l'article 33bis, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 25 mai 2012, les modifications suivantes sont apportées :
1° au premier alinéa, le passage " établissements à risque désignés par le Gouvernement flamand qui sont soumis à l'obligation d'autorisation conformément à l'article 4, § 1er, du décret sur l'autorisation écologique " est remplacé par le passage "établissements à risque désignés par le Gouvernement flamand qui sont soumis à l'obligation d'autorisation conformément à l'article 4, § 1er, du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique d'environnement " ;
2° au deuxième alinéa, le mot " écologique " est remplacé par le mot " environnementale ".
1° au premier alinéa, le passage " établissements à risque désignés par le Gouvernement flamand qui sont soumis à l'obligation d'autorisation conformément à l'article 4, § 1er, du décret sur l'autorisation écologique " est remplacé par le passage "établissements à risque désignés par le Gouvernement flamand qui sont soumis à l'obligation d'autorisation conformément à l'article 4, § 1er, du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique d'environnement " ;
2° au deuxième alinéa, le mot " écologique " est remplacé par le mot " environnementale ".
Art.240. In titel III, hoofdstuk V, afdeling I, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2012, wordt in het opschrift van onderafdeling V de zinsnede "melding, milieuvergunning of stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "meldingsakte of omgevingsvergunning".
Art.240. Au titre III, chapitre V, section Ire, du même décret, modifié par le décret du 25 mai 2012, dans le titre de la sous-section V, le passage " déclaration, autorisation écologique ou autorisation urbanistique " est remplacé par le passage " acte de déclaration ou permis d'environnement ".
Art.241. Artikel 54 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2012, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 54. Als de bodemsaneringswerken handelingen, inrichtingen of activiteiten omvatten die meldings- of vergunningsplichtig zijn krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid of krachtens titel IV, hoofdstuk II, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, geldt het conformiteitsattest als meldingsakte of omgevingsvergunning.".
"Art. 54. Als de bodemsaneringswerken handelingen, inrichtingen of activiteiten omvatten die meldings- of vergunningsplichtig zijn krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid of krachtens titel IV, hoofdstuk II, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, geldt het conformiteitsattest als meldingsakte of omgevingsvergunning.".
Art.241. L'article 54 du même décret, modifié par le décret du 25 mai 2012, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 54. Si les travaux d'assainissement du sol comportent des actes, établissements ou activités soumis à déclaration ou à autorisation en vertu du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique d'environnement ou en vertu du titre IV, chapitre II du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, l'attestation de conformité vaut acte de déclaration ou permis d'environnement. ".
" Art. 54. Si les travaux d'assainissement du sol comportent des actes, établissements ou activités soumis à déclaration ou à autorisation en vertu du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique d'environnement ou en vertu du titre IV, chapitre II du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, l'attestation de conformité vaut acte de déclaration ou permis d'environnement. ".
Art.242. In hoofdstuk V, afdeling II, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 12 december 2008, wordt in het opschrift van onderafdeling V het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".
Art.242. Au chapitre V, section II, du même décret, modifié par le décret du 12 décembre 2008, dans le titre de la sous-section V, les mots " autorisation écologique " sont remplacés par les mots " permis d'environnement ".
Art.243. In artikel 69 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2012, wordt paragraaf 3 vervangen door wat volgt:
" § 3. Als de veiligheidsmaatregelen handelingen, inrichtingen of activiteiten omvatten die meldings- of vergunningsplichtig zijn krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid of krachtens titel IV, hoofdstuk II, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, geldt het conformiteitsattest als meldingsakte of omgevingsvergunning.".
" § 3. Als de veiligheidsmaatregelen handelingen, inrichtingen of activiteiten omvatten die meldings- of vergunningsplichtig zijn krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid of krachtens titel IV, hoofdstuk II, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, geldt het conformiteitsattest als meldingsakte of omgevingsvergunning.".
Art.243. A l'article 69 du même décret, modifié par le décret du 25 mai 2012, le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Si les mesures de sécurité comportent des actes, établissements ou activités soumis à déclaration ou à autorisation en vertu du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique d'environnement ou en vertu du titre IV, chapitre II du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, l'attestation de conformité vaut acte de déclaration ou permis d'environnement. ".
" § 3. Si les mesures de sécurité comportent des actes, établissements ou activités soumis à déclaration ou à autorisation en vertu du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique d'environnement ou en vertu du titre IV, chapitre II du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, l'attestation de conformité vaut acte de déclaration ou permis d'environnement. ".
Art.244. In artikel 70 van hetzelfde decreet wordt paragraaf 3 vervangen door wat volgt:
" § 3. Als de voorzorgsmaatregelen handelingen, inrichtingen of activiteiten omvatten die meldings- of vergunningsplichtig zijn krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid of krachtens titel IV, hoofdstuk II, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, geldt het conformiteitsattest als meldingsakte of omgevingsvergunning.".
" § 3. Als de voorzorgsmaatregelen handelingen, inrichtingen of activiteiten omvatten die meldings- of vergunningsplichtig zijn krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid of krachtens titel IV, hoofdstuk II, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, geldt het conformiteitsattest als meldingsakte of omgevingsvergunning.".
Art.244. A l'article 70 du même décret, le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Si les mesures de précaution comportent des actes, établissements ou activités soumis à déclaration ou à autorisation en vertu du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique d'environnement ou en vertu du titre IV, chapitre II du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, l'attestation de conformité vaut acte de déclaration ou permis d'environnement. ".
" § 3. Si les mesures de précaution comportent des actes, établissements ou activités soumis à déclaration ou à autorisation en vertu du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique d'environnement ou en vertu du titre IV, chapitre II du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, l'attestation de conformité vaut acte de déclaration ou permis d'environnement. ".
Art.245. In artikel 75, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2012, wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
"2° een grond waarop een inrichting of activiteit is gevestigd die krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ingedeeld wordt in de eerste klasse;".
"2° een grond waarop een inrichting of activiteit is gevestigd die krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ingedeeld wordt in de eerste klasse;".
Art.245. A l'article 75, premier alinéa, du même décret, modifié par le décret du 25 mai 2012, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° un terrain sur lequel est implanté un établissement ou une activité qui est intégré(e), en vertu du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique d'environnement, à la première classe ; ".
" 2° un terrain sur lequel est implanté un établissement ou une activité qui est intégré(e), en vertu du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique d'environnement, à la première classe ; ".
Art.246. Artikel 77 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2012, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 77. Als de maatregelen, vermeld in artikel 76, § 2, handelingen, inrichtingen of activiteiten omvatten die meldings- of vergunningsplichtig zijn krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid of krachtens titel IV, hoofdstuk II, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, geldt de beslissing van de bevoegde overheid, vermeld in artikel 76, § 2, als meldingsakte of omgevingsvergunning.".
"Art. 77. Als de maatregelen, vermeld in artikel 76, § 2, handelingen, inrichtingen of activiteiten omvatten die meldings- of vergunningsplichtig zijn krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid of krachtens titel IV, hoofdstuk II, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, geldt de beslissing van de bevoegde overheid, vermeld in artikel 76, § 2, als meldingsakte of omgevingsvergunning.".
Art.246. L'article 77 du même décret, modifié par le décret du 25 mai 2012, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 77. Si les mesures, visées à l'article 76, § 2, comportent des actes, établissements ou activités soumis à déclaration ou à autorisation en vertu du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique d'environnement ou en vertu du titre IV, chapitre II du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, la décision de l'autorité compétente, visée à l'article 76, § 2, vaut acte de déclaration ou permis d'environnement. ".
" Art. 77. Si les mesures, visées à l'article 76, § 2, comportent des actes, établissements ou activités soumis à déclaration ou à autorisation en vertu du titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique d'environnement ou en vertu du titre IV, chapitre II du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, la décision de l'autorité compétente, visée à l'article 76, § 2, vaut acte de déclaration ou permis d'environnement. ".
Art.247. In artikel 80 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2012, wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
"1° de exploitant, vermeld in titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, als op de grond waar de bodemverontreiniging tot stand is gekomen een inrichting of activiteit gevestigd is die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens titel V;".
"1° de exploitant, vermeld in titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, als op de grond waar de bodemverontreiniging tot stand is gekomen een inrichting of activiteit gevestigd is die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens titel V;".
Art.247. A l'article 80 du même décret, modifié par le décret du 25 mai 2012, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° l'exploitant, visé au titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique d'environnement, si, sur le terrain où la pollution du sol a été générée, il est implanté un établissement ou une activité soumis(e) à autorisation ou à déclaration en vertu du titre V ; ".
" 1° l'exploitant, visé au titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique d'environnement, si, sur le terrain où la pollution du sol a été générée, il est implanté un établissement ou une activité soumis(e) à autorisation ou à déclaration en vertu du titre V ; ".
Art.248. In artikel 146, tweede lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 12 december 2008 en 25 mei 2012, wordt punt 3° vervangen door wat volgt:
"3° de personen, vermeld in artikel 53 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.".
"3° de personen, vermeld in artikel 53 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.".
Art.248. A l'article 146, deuxième alinéa, du même décret, modifié par les décrets des 12 décembre 2008 et 25 mai 2012, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° les personnes, visées à l'article 53 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement. ".
" 3° les personnes, visées à l'article 53 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement. ".
Afdeling 21. - Wijzigingen van het Mestdecreet van 22 december 2006
Section 21. - Modifications au Décret sur les engrais du 22 décembre 2006
Art.249. In artikel 35, eerste lid, 5°, van het Mestdecreet van 22 december 2006 wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art.249. A l'article 35, premier alinéa, 5°, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, les mots " l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e) ".
Art.250. In artikel 47, § 2, 1°, van hetzelfde decreet, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".
Art.250. A l'article 47, § 2, 1°, du même décret, les mots " de l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e) ".
Afdeling 22. - Wijzigingen van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten
Section 22. - Modifications au décret du 30 mars 2007 relatif aux conventions Brownfield
Art.251. In artikel 13, § 1, van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten, gewijzigd bij de decreten van 27 maart 2009 en 18 maart 2011, wordt punt 2° opgeheven.
Art.251. A l'article 13, § 1er, du décret du 30 mars 2007 relatif aux conventions Brownfield, modifié par les décrets des 27 mars 2009 et 18 mars 2011, le point 2° est abrogé.
Afdeling 23. - Wijzigingen van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het toeristische logies
Section 23. - Modifications au décret du 10 juillet 2008 relatif à l'hébergement touristique
Art.252. In artikel 4, 4°, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het toeristische logies worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art.252. A l'article 4, 4°, du décret du 10 juillet 2008 relatif à l'hébergement touristique, les mots " autorisation urbanistique " sont chaque fois remplacés par les mots " permis d'environnement pour les actes urbanistiques ".
Art.253. In artikel 8, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 23 december 2010 en gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2011, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art.253. A l'article 8, deuxième alinéa, du même décret, inséré par le décret du 23 décembre 2010 et modifié par le décret du 8 juillet 2011, les mots " autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour les actes urbanistiques ".
Afdeling 24. - Wijzigingen van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid
Section 24. - Modifications au décret du 27 mars 2009 relatif à la politique foncière et immobilière
Art.254. In artikel 1.2, eerste lid, van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, gewijzigd bij de decreten van 9 juli 2010, 23 december 2011 en 31 mei 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 10° wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden";
2° in punt 19° wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".
1° in punt 10° wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden";
2° in punt 19° wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".
Art.254. A l'article 1.2, premier alinéa, du décret du 27 mars 2009 relatif à la politique foncière et immobilière, modifié par les décrets des 9 juillet 2010, 23 décembre 2011 et 31 mai 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 10°, les mots " une autorisation de lotissement " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour le lotissement de sols " ;
2° au point 19°, les mots " une autorisation de lotissement " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour le lotissement de sols ".
1° au point 10°, les mots " une autorisation de lotissement " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour le lotissement de sols " ;
2° au point 19°, les mots " une autorisation de lotissement " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour le lotissement de sols ".
Art.255. In artikel 2.2.6 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 18 december 2009, 9 juli 2010 en 23 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de zinsnede "afgeleverde of gedane stedenbouwkundige vergunning, melding in de zin van artikel 4.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, milieuvergunning of melding in de zin van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "uitgereikte omgevingsvergunning of meldingsakte als vermeld in artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning";
2° in paragraaf 4 worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning in laatste administratieve aanleg" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen in laatste administratieve aanleg".
1° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de zinsnede "afgeleverde of gedane stedenbouwkundige vergunning, melding in de zin van artikel 4.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, milieuvergunning of melding in de zin van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "uitgereikte omgevingsvergunning of meldingsakte als vermeld in artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning";
2° in paragraaf 4 worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning in laatste administratieve aanleg" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen in laatste administratieve aanleg".
Art.255. A l'article 2.2.6 du même décret, modifié par les décrets des 18 décembre 2009, 9 juillet 2010 et 23 décembre 2011, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, premier alinéa, le passage " à l'autorisation urbanistique délivrée ou établie pour un immeuble ou des articles de celui-ci, d'une notification au sens de l'article 4.2.2 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, à l'autorisation écologique ou à la notification au sens du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " au permis d'environnement délivré ou à l'acte de déclaration tel que visé à l'article 6 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement " ;
2° au paragraphe 4, les mots " une autorisation urbanistique en dernière instance administrative " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour les actes urbanistiques en dernière instance administrative ".
1° au paragraphe 2, premier alinéa, le passage " à l'autorisation urbanistique délivrée ou établie pour un immeuble ou des articles de celui-ci, d'une notification au sens de l'article 4.2.2 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, à l'autorisation écologique ou à la notification au sens du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " au permis d'environnement délivré ou à l'acte de déclaration tel que visé à l'article 6 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement " ;
2° au paragraphe 4, les mots " une autorisation urbanistique en dernière instance administrative " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour les actes urbanistiques en dernière instance administrative ".
Art.256. In artikel 3.2.11 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 december 2011, wordt het woord "verkavelingsvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".
Art.256. A l'article 3.2.11 du même décret, modifié par le décret du 23 décembre 2011, les mots " une autorisation de lotissement accordée " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour le lotissement de sols accordé " et les mots " l'autorisation de lotissement " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour le lotissement de sols ".
Art.257. In artikel 3.2.21, tweede lid, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 2° worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
2° in punt 7° worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning voor stabiliteitswerken of sloopwerkzaamheden" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stabiliteitswerken of sloopwerkzaamheden" en worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "deze omgevingsvergunning".
1° in punt 2° worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
2° in punt 7° worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning voor stabiliteitswerken of sloopwerkzaamheden" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stabiliteitswerken of sloopwerkzaamheden" en worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "deze omgevingsvergunning".
Art.257. A l'article 3.2.21, deuxième alinéa, du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 2°, les mots " une autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour les actes urbanistiques " ;
2° au point 7°, les mots " une autorisation urbanistique non expirée pour des travaux de stabilité ou de démolition " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement non expiré pour des travaux de stabilité ou de démolition " et les mots " l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " ce permis d'environnement ".
1° au point 2°, les mots " une autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour les actes urbanistiques " ;
2° au point 7°, les mots " une autorisation urbanistique non expirée pour des travaux de stabilité ou de démolition " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement non expiré pour des travaux de stabilité ou de démolition " et les mots " l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " ce permis d'environnement ".
Art.258. In artikel 4.1.4, § 2, derde lid, 2°, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 9 juli 2010 en 23 december 2011, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunningen" vervangen door de woorden "omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen".
Art.258. Dans l'article 4.1.4, § 2, troisième alinéa, du même décret, modifié par les décrets des 9 juillet 2010 et 23 décembre 2011, les mots " d'autorisations urbanistiques " sont remplacés par les mots " de permis d'environnement pour les actes urbanistiques ".
Art.259. In artikel 4.2.1, eerste lid, 4°, van hetzelfde decreet worden de woorden "een verkavelingsvergunning of een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden of een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art.259. A l'article 4.2.1, premier alinéa, 4°, du même décret, les mots " un permis de lotir ou un permis d'urbanisme " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour le lotissement de sols ou un permis d'environnement pour les actes urbanistiques ".
Art.260. In artikel 4.2.4/1, 3°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 9 juli 2010, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning uitvoering geeft aan een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen uitvoering geeft aan een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".
Art.260. A l'article 4.2.4/1, 3°, du même décret, inséré par le décret du 9 juillet 2010, les mots " une autorisation urbanistique procure exécution à une autorisation de lotissement " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour les actes urbanistiques procure exécution à un permis d'environnement pour le lotissement de sols ".
Art.261. In artikel 4.2.5, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 december 2011, wordt de zinsnede "verkavelingsvergunning, respectievelijk de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de zinsnede "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, respectievelijk de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen" en de zinsnede "van artikel 4.2.20 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening" door de zinsnede "van artikel 75 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".
Art.261. A l'article 4.2.5, § 1er, premier alinéa, du même décret, modifié par le décret du 23 décembre 2011, le passage " au permis de lotir, respectivement au permis d'urbanisme " est remplacé par le passage " au permis d'environnement pour le lotissement de sols, respectivement au permis d'environnement pour les actes urbanistiques " et le passage " l'article 4.4.20 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire " est remplacé par le passage " l'article 75 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ".
Art.262. In artikel 4.2.6, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 23 december 2011 en 31 mei 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening" vervangen door de zinsnede "het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning";
2° in het derde lid worden de woorden "de verkavelingsvergunning of de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
1° in het eerste lid worden de woorden "de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening" vervangen door de zinsnede "het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning";
2° in het derde lid worden de woorden "de verkavelingsvergunning of de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art.262. A l'article 4.2.6, § 2, du même décret, modifié par les décrets des 23 décembre 2011 et 31 mai 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° au premier alinéa, les mots " du Code flamand du Logement " sont remplacés par les mots " du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement " ;
2° au troisième alinéa, les mots " de l'autorisation de lotissement ou de l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement pour le lotissement de sols ou du permis d'environnement pour les actes urbanistiques ".
1° au premier alinéa, les mots " du Code flamand du Logement " sont remplacés par les mots " du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement " ;
2° au troisième alinéa, les mots " de l'autorisation de lotissement ou de l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement pour le lotissement de sols ou du permis d'environnement pour les actes urbanistiques ".
Art.263. In artikel 7.3.11 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "specifieke stedenbouwkundige en verkavelingsvergunningen" vervangen door de zinsnede "specifieke stedenbouwkundige en verkavelingsvergunningen, omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen en omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden";
2° in het tweede lid wordt het woord "verkavelingswijzigingen" vervangen door de woorden "verkavelingswijzigingen of bijstellingen van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden" en wordt het woord "verkavelingswijziging" vervangen door de woorden "verkavelingswijziging of bijstelling van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".
1° in het eerste lid worden de woorden "specifieke stedenbouwkundige en verkavelingsvergunningen" vervangen door de zinsnede "specifieke stedenbouwkundige en verkavelingsvergunningen, omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen en omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden";
2° in het tweede lid wordt het woord "verkavelingswijzigingen" vervangen door de woorden "verkavelingswijzigingen of bijstellingen van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden" en wordt het woord "verkavelingswijziging" vervangen door de woorden "verkavelingswijziging of bijstelling van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".
Art.263. A l'article 7.3.11 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° au premier alinéa, les mots " des permis de lotir et des permis de bâtir spécifiques " sont remplacés par le passage " des permis de lotir et de bâtir, des permis d'environnement pour les actes urbanistiques et des permis d'environnement pour le lotissement de sol spécifiques " ;
2° au deuxième alinéa, les mots " de modification de lotissements " sont remplacés par les mots " de modification de lotissements ou d'actualisation du permis d'environnement pour le lotissement de sols " et les mots " la modification du lotissement " sont remplacés par les mots " la modification du lotissement ou l'actualisation du permis d'environnement pour le lotissement de sols ".
1° au premier alinéa, les mots " des permis de lotir et des permis de bâtir spécifiques " sont remplacés par le passage " des permis de lotir et de bâtir, des permis d'environnement pour les actes urbanistiques et des permis d'environnement pour le lotissement de sol spécifiques " ;
2° au deuxième alinéa, les mots " de modification de lotissements " sont remplacés par les mots " de modification de lotissements ou d'actualisation du permis d'environnement pour le lotissement de sols " et les mots " la modification du lotissement " sont remplacés par les mots " la modification du lotissement ou l'actualisation du permis d'environnement pour le lotissement de sols ".
Art.264. In artikel 7.3.12, derde lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "stedenbouwkundige of verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".
Art.264. A l'article 7.3.12, troisième alinéa, du même décret, les mots " du permis de bâtir ou du permis de lotir " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement pour les actes urbanistiques ou du permis d'environnement pour le lotissement de sols ".
Art.265. In artikel 7.3.13/1, eerste lid, 1°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 9 juli 2010, wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "verkavelingsvergunning of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".
Art.265. A l'article 7.3.13/1, premier alinéa, 1°, du même décret, inséré par le décret du 9 juillet 2010, les mots " une autorisation de lotissement non échue " sont remplacés par les mots " une autorisation de lotissement ou un permis d'environnement pour le lotissement de sols non échu ".
Afdeling 25. - Wijzigingen van het decreet van 8 mei 2009 houdende vaststelling en realisatie van de rooilijnen
Section 25. - Modifications au décret du 8 mai 2009 portant établissement et réalisation des alignements
Art.266. In artikel 7, § 3, tweede lid, 5°, van het decreet van 8 mei 2009 houdende vaststelling en realisatie van de rooilijnen worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art.266. A l'article 7, § 3, deuxième alinéa, 5°, du décret du 8 mai 2009 portant établissement et réalisation des alignements, les mots " aucune autorisation urbanistique n'est requise " sont remplacés par les mots " aucun permis d'environnement pour les actes urbanistiques n'est requis ".
Art.267. In artikel 9, § 2, tweede lid, 4°, van hetzelfde decreet worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art.267. A l'article 9, § 2, deuxième alinéa, 4°, du décret du 8 mai 2009 portant établissement et réalisation des alignements, les mots " aucune autorisation urbanistique n'est requise " sont remplacés par les mots " aucun permis d'environnement pour les actes urbanistiques n'est requis ".
Art.268. In artikel 15 van hetzelfde decreet worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden".
Art.268. A l'article 15 du même décret, les mots " d'une autorisation urbanistique ou d'une autorisation de lotir " sont remplacés par les mots " d'un permis d'environnement pour les actes urbanistiques ou pour le lotissement de sols ".
Art.269. In artikel 16, tweede en derde lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 23 maart 2012, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art.269. A l'article 16, deuxième et troisième alinéas, du même décret, remplacé par le décret du 23 mars 2012, les mots " une autorisation urbanistique peut être accordée " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour les actes urbanistiques peut être accordé ", les mots " de l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement pour les actes urbanistiques " et les mots " aucune autorisation urbanistique n'est requise " sont remplacés par les mots " aucun permis d'environnement pour les actes urbanistiques n'est requis ".
Art.270. In artikel 17, § 2, van hetzelfde decreet worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art.270. A l'article 17, § 2, du même décret, les mots " d'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " de permis d'environnement pour les actes urbanistiques ".
Art.271. In artikel 21 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 maart 2012, wordt de zinsnede "stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning, zoals bedoeld in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening" vervangen door de zinsnede "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden als vermeld in artikel 5, 1°, a) en b), van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".
Art.271. A l'article 21 du même décret, modifié par le décret du 23 mars 2012, le passage " Une autorisation urbanistique ou une autorisation de lotissement, telle que visée dans le Code flamand de l'Aménagement du Territoire " est remplacé par le passage " Un permis d'environnement pour les actes urbanistiques ou pour le lotissement de sols tel que visé à l'article 5, 1°, a) et b), du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ".
Afdeling 26. - Wijzigingen van het Energiedecreet van 8 mei 2009
Section 26. - Modifications au Décret sur l'Energie du 8 mai 2009
Art.272. In artikel 1.1.3 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, het laatst gewijzigd bij het decreet van 1 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 19° wordt vervangen door wat volgt:
"19° BKG-installatie: een vaste technische eenheid met inrichtingen of activiteiten die in de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, als BKG-inrichting of activiteit zijn aangeduid, alsook andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende inrichtingen of activiteiten die technisch in verband staan met de voormelde inrichtingen of activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;";
2° in punt 51° wordt het woord "milieuvergunning(en)" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie";
3° in punt 113° /2 worden de woorden "een stedenbouwkundige of milieuvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning";
4° in punt 113° /2 worden de zinsnede "stedenbouwkundige en/of milieuvergunning" en de woorden "stedenbouwkundige en milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";
5° in punt 113° /2 worden de woorden "de stedenbouwkundige en de milieuvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning";
6° in punt 126° /1 worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
1° punt 19° wordt vervangen door wat volgt:
"19° BKG-installatie: een vaste technische eenheid met inrichtingen of activiteiten die in de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, als BKG-inrichting of activiteit zijn aangeduid, alsook andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende inrichtingen of activiteiten die technisch in verband staan met de voormelde inrichtingen of activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;";
2° in punt 51° wordt het woord "milieuvergunning(en)" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie";
3° in punt 113° /2 worden de woorden "een stedenbouwkundige of milieuvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning";
4° in punt 113° /2 worden de zinsnede "stedenbouwkundige en/of milieuvergunning" en de woorden "stedenbouwkundige en milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";
5° in punt 113° /2 worden de woorden "de stedenbouwkundige en de milieuvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning";
6° in punt 126° /1 worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art.272. A l'article 1.1.3 du Décret sur l'Energie du 8 mai 2009, modifié en dernier lieu par le décret du 1er mars 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° le point 19° est remplacé par ce qui suit :
19° installation BKG : une unité technique fixe au sein de laquelle interviennent des établissements et activités désignés en tant qu'établissement ou activité BKG dans la liste de classification, visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, ainsi que tout autre établissement ou activité se rapportant directement aux établissements ou activités précités, intervenant sur le même site, qui est lié techniquement aux établissements ou activités énumérés et qui est susceptible d'avoir des incidences sur les émissions et la pollution ; " ;
2° au point 51°, les mots " de l'autorisation ou des autorisations écologique(s) " sont remplacés par les mots " du ou des permis d'environnement pour l'exploitation " ;
3° au point 113° /2, les mots " une autorisation urbanistique ou écologique " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement " ;
4° au point 113° /2, les mots " une autorisation urbanistique ou écologique " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement " et les mots " des autorisations urbanistique et écologique requises " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement requis " ;
5° au point 113° /2, les mots " de l'autorisation urbanistique et de l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " d'un permis d'environnement " ;
6° au point 126° /1, les mots " l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour les actes urbanistiques ".
1° le point 19° est remplacé par ce qui suit :
19° installation BKG : une unité technique fixe au sein de laquelle interviennent des établissements et activités désignés en tant qu'établissement ou activité BKG dans la liste de classification, visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, ainsi que tout autre établissement ou activité se rapportant directement aux établissements ou activités précités, intervenant sur le même site, qui est lié techniquement aux établissements ou activités énumérés et qui est susceptible d'avoir des incidences sur les émissions et la pollution ; " ;
2° au point 51°, les mots " de l'autorisation ou des autorisations écologique(s) " sont remplacés par les mots " du ou des permis d'environnement pour l'exploitation " ;
3° au point 113° /2, les mots " une autorisation urbanistique ou écologique " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement " ;
4° au point 113° /2, les mots " une autorisation urbanistique ou écologique " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement " et les mots " des autorisations urbanistique et écologique requises " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement requis " ;
5° au point 113° /2, les mots " de l'autorisation urbanistique et de l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " d'un permis d'environnement " ;
6° au point 126° /1, les mots " l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour les actes urbanistiques ".
Art.273. In artikel 4.1.14, a), van hetzelfde decreet worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art.273. A l'article 4.1.14, a), du même décret, les mots " permis de bâtir " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour les actes urbanistiques ".
Art.274. In artikel 4.1.15, a), van hetzelfde decreet worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art.274. A l'article 4.1.15, a), du même décret, les mots " permis de bâtir " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour les actes urbanistiques ".
Art.275. In artikel 4.1.27 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 16 maart 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, eerste lid, worden telkens de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
2° in paragraaf 2, tweede lid, 1°, worden de woorden "de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009" vervangen door de woorden "het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning";
3° in paragraaf 2, vierde lid, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "de omgevingsvergunning" en de zinsnede "artikel 1.1.2, 3°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009" door de woorden "artikel 2, 2°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".
1° in paragraaf 2, eerste lid, worden telkens de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
2° in paragraaf 2, tweede lid, 1°, worden de woorden "de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009" vervangen door de woorden "het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning";
3° in paragraaf 2, vierde lid, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "de omgevingsvergunning" en de zinsnede "artikel 1.1.2, 3°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009" door de woorden "artikel 2, 2°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".
Art.275. A l'article 4.1.27 du même décret, modifié par le décret du 16 mars 2012, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, premier alinéa, les mots " une autorisation urbanistique " sont chaque fois remplacés par les mots " un permis d'environnement pour les actes urbanistiques " ;
2° au paragraphe 2, deuxième alinéa, les mots " Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 " sont remplacés par les mots " décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement " ;
3° au paragraphe 2, quatrième alinéa, les mots " de l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement " et le passage " l'article 1.1.2, 3° du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 " est remplacé par le passage " l'article 2, 2°, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ".
1° au paragraphe 2, premier alinéa, les mots " une autorisation urbanistique " sont chaque fois remplacés par les mots " un permis d'environnement pour les actes urbanistiques " ;
2° au paragraphe 2, deuxième alinéa, les mots " Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 " sont remplacés par les mots " décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement " ;
3° au paragraphe 2, quatrième alinéa, les mots " de l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement " et le passage " l'article 1.1.2, 3° du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 " est remplacé par le passage " l'article 2, 2°, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ".
Art.276. In artikel 7.1.1, § 2, tweede lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 13 juli 2012, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art.276. A l'article 7.1.1, § 2, deuxième alinéa, du même décret, remplacé par le décret du 13 juillet 2012, les mots " l'autorisation urbanistique, visée " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour les actes urbanistiques, visé ".
Art.277. In artikel 7.1.6, § 1, negende lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 13 juli 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "een stedenbouwkundige vergunning en een milieuvergunning" worden vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning";
2° tussen de woorden "op het moment dat" en de woorden "de laatste van die vergunningen" wordt de zinsnede "de omgevingsvergunning of als er voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit van het project enerzijds en het uitvoeren van de stedenbouwkundige handelingen anderzijds een afzonderlijke omgevingsvergunning werd verleend," ingevoegd.
1° de woorden "een stedenbouwkundige vergunning en een milieuvergunning" worden vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning";
2° tussen de woorden "op het moment dat" en de woorden "de laatste van die vergunningen" wordt de zinsnede "de omgevingsvergunning of als er voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit van het project enerzijds en het uitvoeren van de stedenbouwkundige handelingen anderzijds een afzonderlijke omgevingsvergunning werd verleend," ingevoegd.
Art.277. A l'article 7.1.6, § 1er, neuvième alinéa, du même décret, remplacé par le décret du 13 juillet 2012, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " d'une autorisation urbanistique et d'une autorisation écologique " sont remplacés par les mots " d'un permis d'environnement " ;
2° le passage " où le permis d'environnement ou, si un permis d'environnement séparé a été octroyé pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e), d'une part, et l'exécution des actes urbanistiques, d'autre part, la dernière de ces autorisations a été octroyé(e) " est inséré entre les mots " au moment " et les mots " et moyennant la mise en service ".
1° les mots " d'une autorisation urbanistique et d'une autorisation écologique " sont remplacés par les mots " d'un permis d'environnement " ;
2° le passage " où le permis d'environnement ou, si un permis d'environnement séparé a été octroyé pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e), d'une part, et l'exécution des actes urbanistiques, d'autre part, la dernière de ces autorisations a été octroyé(e) " est inséré entre les mots " au moment " et les mots " et moyennant la mise en service ".
Art.278. In artikel 11.1.1 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 18 november 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de zinsnede "stedenbouwkundige vergunning wordt ingediend, als vermeld in artikel 4.2.1, 1°, 6° en 7°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009" vervangen door de zinsnede "de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, als vermeld in artikel 4.2.1, 1°, 6° en 7°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, wordt ingediend";
2° in paragraaf 1, vijfde lid, worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning";
3° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "stedenbouwkundige vergunning moet worden ingediend, als vermeld in artikel 4.2.1, 1°, 6° en 7°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009" vervangen door de zinsnede "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, als vermeld in artikel 4.2.1, 1°, 6° en 7°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, moet worden ingediend".
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de zinsnede "stedenbouwkundige vergunning wordt ingediend, als vermeld in artikel 4.2.1, 1°, 6° en 7°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009" vervangen door de zinsnede "de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, als vermeld in artikel 4.2.1, 1°, 6° en 7°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, wordt ingediend";
2° in paragraaf 1, vijfde lid, worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning";
3° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "stedenbouwkundige vergunning moet worden ingediend, als vermeld in artikel 4.2.1, 1°, 6° en 7°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009" vervangen door de zinsnede "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, als vermeld in artikel 4.2.1, 1°, 6° en 7°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, moet worden ingediend".
Art.278. A l'article 11.1.1 du même décret, inséré par le décret du 18 novembre 2011, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, premier alinéa, le passage " une demande d'autorisation urbanistique est introduite, telle que mentionnée à l'article 4.2.1, 1°, 6° et 7° du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 " est remplacé par le passage " le permis d'environnement pour les actes urbanistiques est introduit, tel que mentionné à l'article 4.2.1, 1°, 6° et 7°, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire " ;
2° au paragraphe 1er, les mots " d'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " d'un permis d'environnement " ;
3° au paragraphe 2, le passage " aucune demande d'autorisation urbanistique n'est requise, telle que mentionnée à l'article 4.2.1, 1°, 6° et 7°, du Code flamand de l'aménagement du territoire du 15 mai 2009 " est remplacé par le passage " aucune demande de permis d'environnement pour les actes urbanistiques n'est requise, telle que mentionné à l'article 4.2.1, 1°, 6° et 7°, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ".
1° au paragraphe 1er, premier alinéa, le passage " une demande d'autorisation urbanistique est introduite, telle que mentionnée à l'article 4.2.1, 1°, 6° et 7° du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 " est remplacé par le passage " le permis d'environnement pour les actes urbanistiques est introduit, tel que mentionné à l'article 4.2.1, 1°, 6° et 7°, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire " ;
2° au paragraphe 1er, les mots " d'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " d'un permis d'environnement " ;
3° au paragraphe 2, le passage " aucune demande d'autorisation urbanistique n'est requise, telle que mentionnée à l'article 4.2.1, 1°, 6° et 7°, du Code flamand de l'aménagement du territoire du 15 mai 2009 " est remplacé par le passage " aucune demande de permis d'environnement pour les actes urbanistiques n'est requise, telle que mentionné à l'article 4.2.1, 1°, 6° et 7°, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ".
Art.279. In artikel 11.1.4, 3°, van hetzelfde decreet worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning".
Art.279. A l'article 11.1.4, 3°, du même décret, les mots " de l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement pour les actes urbanistiques ".
Art.280. In artikel 11.1.9, § 1, van hetzelfde decreet worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art.280. A l'article 11.1.9, § 1er, du même décret, les mots " de l'autorisation urbanistique " sont chaque fois remplacés par les mots " du permis d'environnement pour les actes urbanistiques ".
Art.281. In artikel 11.1.14, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 18 november 2011, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen" en de woorden "stedenbouwkundige vergunningen" door de woorden "omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen".
Art.281. A l'article 11.1.14, § 2, du même décret, modifié par le décret du 18 novembre 2011, le passage " de la demande d'autorisation urbanistique et de l'autorisation urbanistique sont conservées sous forme électronique par l'autorité ayant octroyé l'autorisation urbanistique " est remplacé par le passage " de la demande de permis d'environnement pour les actes urbanistiques et du permis d'environnement pour les actes urbanistiques sont conservées sous forme électronique par l'autorité ayant octroyé ce permis d'environnement ".
Art.282. In artikel 13.1.4, § 2, van hetzelfde decreet worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art.282. A l'article 13.1.4, § 2, du même décret, les mots " l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " e permis d'environnement pour les actes urbanistiques "
Afdeling 27. - Wijzigingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening
Section 27. - Modifications au Code flamand de l'Aménagement du Territoire
Art.283. In titel I, hoofdstuk IV, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden afdeling 2, die bestaat uit artikel 1.4.4 en 1.4.5, en afdeling 3, die bestaat uit artikel 1.4.6, 1.4.7 en 1.4.8, opgeheven.
Art.283. Au titre Ier, chapitre IV, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, modifié par le décret du 16 juillet 2010, la section 2, qui se compose des articles 1.4.4 et 1.4.5, et la section 3, qui se compose des articles 1.4.6, 1.4.7 et 1.4.8, sont abrogées.
Art.284. In artikel 2.1.2 van dezelfde codex wordt paragraaf 7 vervangen door wat volgt:
" § 7. De ruimtelijke structuurplannen vormen geen beoordelingsgrond voor aanvragen tot stedenbouwkundig attest of omgevingsvergunning, behalve voor wat betreft de toepassing van artikel 68, tweede lid, 7°, a), van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.".
" § 7. De ruimtelijke structuurplannen vormen geen beoordelingsgrond voor aanvragen tot stedenbouwkundig attest of omgevingsvergunning, behalve voor wat betreft de toepassing van artikel 68, tweede lid, 7°, a), van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.".
Art.284. A l'article 2.1.2 du même code, le paragraphe 7 est remplacé par ce qui suit :
" § 7. Les schémas de structure d'aménagement ne constituent pas de motif d'évaluation pour les demandes d'attestation urbanistique ou de permis d'environnement, sauf en ce qui concerne l'application de l'article 68, deuxième alinéa, 7°, a), du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement. ".
" § 7. Les schémas de structure d'aménagement ne constituent pas de motif d'évaluation pour les demandes d'attestation urbanistique ou de permis d'environnement, sauf en ce qui concerne l'application de l'article 68, deuxième alinéa, 7°, a), du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement. ".
Art.285. In artikel 2.3.1, eerste lid, 6°, van dezelfde codex worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning".
Art.285. A l'article 2.3.1, premier alinéa, 6°, du même code, les mots " une autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour les actes urbanistiques ".
Art.286. In artikel 2.3.2, § 2, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
"Gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen kunnen de aanvrager van een omgevingsvergunning technische en financiële lasten opleggen. Alle lasten die in artikel 75 tot en met 77 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning vermeld worden, kunnen door middel van een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening op algemene wijze opgelegd worden.".
"Gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen kunnen de aanvrager van een omgevingsvergunning technische en financiële lasten opleggen. Alle lasten die in artikel 75 tot en met 77 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning vermeld worden, kunnen door middel van een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening op algemene wijze opgelegd worden.".
Art.286. A l'article 2.3.2, § 2, du même code, modifié par le décret du 16 juillet 2010, le deuxième alinéa est remplacé par ce qui suit :
" Des règlements urbanistiques communaux peuvent imposer des charges techniques et financières au demandeur d'un permis d'environnement. Toutes les charges visées aux articles 75 à 77 inclus du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement peuvent être imposées de manière générale au moyen d'un règlement urbanistique communal. ".
" Des règlements urbanistiques communaux peuvent imposer des charges techniques et financières au demandeur d'un permis d'environnement. Toutes les charges visées aux articles 75 à 77 inclus du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement peuvent être imposées de manière générale au moyen d'un règlement urbanistique communal. ".
Art.287. In artikel 2.4.2, 2°, van dezelfde codex wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".
Art.287. A l'article 2.4.2, 2°, du même code, les mots " permis de lotir " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour le lotissement de sols ".
Art.288. In artikel 2.6.1 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2 worden de woorden "of te verkavelen" telkens vervangen door de woorden "of voor het verkavelen van gronden";
2° in paragraaf 4, 3°, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";
3° in paragraaf 4, 6°, wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".
1° in paragraaf 2 worden de woorden "of te verkavelen" telkens vervangen door de woorden "of voor het verkavelen van gronden";
2° in paragraaf 4, 3°, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";
3° in paragraaf 4, 6°, wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".
Art.288. A l'article 2.6.1 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, les mots " ou de lotir " sont chaque fois remplacés par les mots " ou pour le lotissement de sols ".
2° au paragraphe 4, 3°, les mots " le permis écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement " ;
3° au paragraphe 4, 6°, les mots " permis de lotir " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour le lotissement de sols ".
1° au paragraphe 2, les mots " ou de lotir " sont chaque fois remplacés par les mots " ou pour le lotissement de sols ".
2° au paragraphe 4, 3°, les mots " le permis écologique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement " ;
3° au paragraphe 4, 6°, les mots " permis de lotir " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour le lotissement de sols ".
Art.289. In artikel 2.6.2, § 1, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het derde lid, 2°, worden de woorden "een vergunning om te bouwen of een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een vergunning om te bouwen of voor het verkavelen van gronden";
2° in het zesde lid worden de woorden "een vergunning om te bouwen of een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een vergunning om te bouwen of voor het verkavelen van gronden".
1° in het derde lid, 2°, worden de woorden "een vergunning om te bouwen of een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een vergunning om te bouwen of voor het verkavelen van gronden";
2° in het zesde lid worden de woorden "een vergunning om te bouwen of een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een vergunning om te bouwen of voor het verkavelen van gronden".
Art.289. A l'article 2.6.2, § 1er, du même code, les modifications suivantes sont apportées :
1° au troisième alinéa, 2°, les mots " d'un permis de construire ou d'un permis de lotir " sont remplacés par les mots " d'un permis de construire ou d'environnement pour le lotissement de sols " ;
2° au sixième alinéa, les mots " d'un permis de construire ou d'un permis de lotir " sont remplacés par les mots " d'un permis de construire ou d'environnement pour le lotissement de sols " ;
1° au troisième alinéa, 2°, les mots " d'un permis de construire ou d'un permis de lotir " sont remplacés par les mots " d'un permis de construire ou d'environnement pour le lotissement de sols " ;
2° au sixième alinéa, les mots " d'un permis de construire ou d'un permis de lotir " sont remplacés par les mots " d'un permis de construire ou d'environnement pour le lotissement de sols " ;
Art.290. In artikel 2.6.5, 1°, van dezelfde codex worden de woorden "een verkavelingsvergunning of een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning".
Art.290. A l'article 2.6.5, 1°, du même code, les mots " un permis de lotir ou une autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement ".
Art.291. In artikel 2.6.14, § 1, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 18 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° [1 ...]1;
2° in het eerste lid, 2°, b), worden de woorden "een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden";
3° in het tweede lid worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning".
1° [1 ...]1;
2° in het eerste lid, 2°, b), worden de woorden "een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden";
3° in het tweede lid worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning".
Art.291. A l'article 2.6.14, § 1er, du même code, remplacé par le décret du 18 décembre 2009, les modifications suivantes sont apportées :
1° [1 ...]1 ;
2° au premier alinéa, 2°, b), les mots " permis de lotir " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour le lotissement de sols " ;
3° au deuxième alinéa, les mots " une autorisation urbanistique ou un permis de lotir " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement ".
1° [1 ...]1 ;
2° au premier alinéa, 2°, b), les mots " permis de lotir " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour le lotissement de sols " ;
3° au deuxième alinéa, les mots " une autorisation urbanistique ou un permis de lotir " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement ".
Wijzigingen
Art.292. In artikel 2.6.17, § 3, tweede lid, van dezelfde codex wordt de zinsnede "de verwezenlijking van de ontvoogdingsvoorwaarden, vermeld in artikel 7.2.1, § 1," opgeheven.
Art.292. A l'article 2.6.17, § 3, deuxième alinéa, du même code, le passage " la réalisation des conditions d'émancipation, visées à l'article 7.2.1, § 1er " est abrogé.
Art.293. In artikel 3.1.2, § 1, van dezelfde codex, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 2° wordt opgeheven;
2° er wordt een punt 14° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"14° het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.".
1° punt 2° wordt opgeheven;
2° er wordt een punt 14° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"14° het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.".
Art.293. A l'article 3.1.2, § 1er, du même code, les modifications suivantes sont apportées :
1° le point 2° est abrogé ;
2° un point 14° est ajouté, qui s'énonce comme suit :
" 14° le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement. 5.
1° le point 2° est abrogé ;
2° un point 14° est ajouté, qui s'énonce comme suit :
" 14° le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement. 5.
Art.294. In artikel 4.1.1 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 7° wordt de zinsnede "een stedenbouwkundige vergunningstoestand, waarbij geldt dat" vervangen door de zinsnede "een vergunningstoestand, waarbij voor de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen geldt dat";
2° punt 8° en punt 13° worden opgeheven.
1° in punt 7° wordt de zinsnede "een stedenbouwkundige vergunningstoestand, waarbij geldt dat" vervangen door de zinsnede "een vergunningstoestand, waarbij voor de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen geldt dat";
2° punt 8° en punt 13° worden opgeheven.
Art.294. A l'article 4.1.1 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 7°, le passage " une situation d'autorisation urbanistique, dans le cadre de laquelle " est remplacé par le passage " une situation d'autorisation, dans le cadre de laquelle, en ce qui concerne le permis d'environnement pour les actes urbanistiques " ;
2° les points 8° et 13° sont abrogés.
1° au point 7°, le passage " une situation d'autorisation urbanistique, dans le cadre de laquelle " est remplacé par le passage " une situation d'autorisation, dans le cadre de laquelle, en ce qui concerne le permis d'environnement pour les actes urbanistiques " ;
2° les points 8° et 13° sont abrogés.
Art.295. In titel IV, hoofdstuk II, afdeling 1, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010, 11 mei 2012 en 6 juli 2012, wordt het opschrift van onderafdeling 1 vervangen door wat volgt:
"Onderafdeling 1. Vergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen".
"Onderafdeling 1. Vergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen".
Art.295. Au titre IV, chapitre II, section 1re, du même code, modifié par les décrets des 16 juillet 2010, 11 mai 2012 et 6 juillet 2012, l'intitulé de la sous-section 1re est remplacé par ce qui suit :
" Sous-section 1re. Obligation d'autorisation pour les actes urbanistiques ".
" Sous-section 1re. Obligation d'autorisation pour les actes urbanistiques ".
Art.296. In artikel 4.2.1 van dezelfde codex worden de woorden "voorafgaande stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "voorafgaande omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art.296. A l'article 4.2.1, § 2, du même code, les mots " autorisation urbanistique préalable " sont remplacés par les mots " permis d'environnement préalable pour les actes urbanistiques ".
Art.297. Artikel 4.2.2 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 4.2.2. § 1. De Vlaamse Regering bepaalt de gevallen waarin de vergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen vervangen wordt door een verplichte melding van de handelingen. De meldingsplicht betreft gevallen waarin de beoordelingsruimte van het bestuur minimaal is vanwege het eenvoudige en gangbare karakter van de handelingen in kwestie, of de onderworpenheid van de handelingen aan nauwkeurige stedenbouwkundige voorschriften, verkavelingsvoorschriften of integrale ruimtelijke voorwaarden als vermeld in artikel 4.3.1, § 2, tweede lid.
De Vlaamse Regering kan de werken die vrijgesteld zijn van de vergunningsplicht, vermeld in artikel 4.2.1, 5°, c), ook aan de meldingsplicht onderwerpen.
De meldingsplichten, vermeld in het eerste en het tweede lid, kunnen nooit worden ingevoerd voor handelingen die in een ruimtelijk kwetsbaar gebied liggen.
§ 2. Een melding wordt als een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen beschouwd voor de toepassing van regelgeving binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening. Een melding wordt ook gelijkgesteld met een voorafgaande toelating om te bouwen wat betreft de toepassing van artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, tenzij de melding alleen betrekking heeft op handelingen die niet gebouwd worden.".
"Art. 4.2.2. § 1. De Vlaamse Regering bepaalt de gevallen waarin de vergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen vervangen wordt door een verplichte melding van de handelingen. De meldingsplicht betreft gevallen waarin de beoordelingsruimte van het bestuur minimaal is vanwege het eenvoudige en gangbare karakter van de handelingen in kwestie, of de onderworpenheid van de handelingen aan nauwkeurige stedenbouwkundige voorschriften, verkavelingsvoorschriften of integrale ruimtelijke voorwaarden als vermeld in artikel 4.3.1, § 2, tweede lid.
De Vlaamse Regering kan de werken die vrijgesteld zijn van de vergunningsplicht, vermeld in artikel 4.2.1, 5°, c), ook aan de meldingsplicht onderwerpen.
De meldingsplichten, vermeld in het eerste en het tweede lid, kunnen nooit worden ingevoerd voor handelingen die in een ruimtelijk kwetsbaar gebied liggen.
§ 2. Een melding wordt als een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen beschouwd voor de toepassing van regelgeving binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening. Een melding wordt ook gelijkgesteld met een voorafgaande toelating om te bouwen wat betreft de toepassing van artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, tenzij de melding alleen betrekking heeft op handelingen die niet gebouwd worden.".
Art.297. L'article 4.2.2 du même code est remplacé par ce qui suit :
" Art. 4.2.2. § 1er. Le Gouvernement flamand détermine les cas dans lesquels l'obligation d'autorisation pour les actes urbanistiques est remplacée par une déclaration obligatoire de ces actes. L'obligation de déclaration concerne les cas où l'espace d'évaluation de l'administration est minimal en raison du caractère simple et courant des actes concernés ou de la soumission des actes à des prescriptions urbanistiques précises, à des prescriptions de lotissement ou à des conditions intégrales d'aménagement, telles que visées à 4.3.1, § 2, deuxième alinéa.
Le Gouvernement flamand peut également soumettre les travaux exemptés de l'obligation d'autorisation, visée à l'article 4.2.1, 5°, c), à l'obligation de déclaration.
Les obligations de déclaration mentionnées dans le premier et le deuxième alinéa ne peuvent jamais être introduites pour des actes qui se situent dans une zone vulnérable du point de vue spatial.
§ 2. Une déclaration est considérée comme un permis d'environnement pour actes urbanistiques pour l'application de la législation dans le cadre d'autres champs politiques que celui de l'aménagement du territoire. Une déclaration équivaut également à un permis de construire obtenu antérieurement, pour ce qui est de l'application de l'article 4 de la loi du 20 février 1939 sur la protection du titre et de la profession d'architecte, sauf si la déclaration se rapporte uniquement à des actes non construits. ".
" Art. 4.2.2. § 1er. Le Gouvernement flamand détermine les cas dans lesquels l'obligation d'autorisation pour les actes urbanistiques est remplacée par une déclaration obligatoire de ces actes. L'obligation de déclaration concerne les cas où l'espace d'évaluation de l'administration est minimal en raison du caractère simple et courant des actes concernés ou de la soumission des actes à des prescriptions urbanistiques précises, à des prescriptions de lotissement ou à des conditions intégrales d'aménagement, telles que visées à 4.3.1, § 2, deuxième alinéa.
Le Gouvernement flamand peut également soumettre les travaux exemptés de l'obligation d'autorisation, visée à l'article 4.2.1, 5°, c), à l'obligation de déclaration.
Les obligations de déclaration mentionnées dans le premier et le deuxième alinéa ne peuvent jamais être introduites pour des actes qui se situent dans une zone vulnérable du point de vue spatial.
§ 2. Une déclaration est considérée comme un permis d'environnement pour actes urbanistiques pour l'application de la législation dans le cadre d'autres champs politiques que celui de l'aménagement du territoire. Une déclaration équivaut également à un permis de construire obtenu antérieurement, pour ce qui est de l'application de l'article 4 de la loi du 20 février 1939 sur la protection du titre et de la profession d'architecte, sauf si la déclaration se rapporte uniquement à des actes non construits. ".
Art.298. In artikel 4.2.3 van dezelfde codex worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art.298. A l'article 4.2.3 du même code, les mots " une autorisation urbanistique n'est pas requise " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour actes urbanistiques n'est pas requis ".
Art.299. In artikel 4.2.4, § 2, van dezelfde codex worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning".
Art.299. A l'article 4.2.4, § 2, du même code, les mots " une autorisation urbanistique est requise " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour actes urbanistiques est requis ".
Art.300. In artikel 4.2.6 van dezelfde codex worden de woorden "vrijgestelde handelingen" vervangen door de woorden "vrijgestelde stedenbouwkundige handelingen".
Art.300. A l'article 4.2.6 du même code, les mots " actes exemptés " sont remplacés par les mots " actes urbanistiques exemptés ".
Art.301. In artikel 4.2.7, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "de omgevingsvergunning".
Art.301. A l'article 4.2.7, premier alinéa, du même code, les mots " de l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement pour actes urbanistiques ".
Art.302. In artikel 4.2.12, § 2, eerste lid, 1°, van dezelfde codex worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art.302. A l'article 4.2.12, § 2, premier alinéa, 1°, du même code, les mots " d'une autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " d'un permis d'environnement pour actes urbanistiques ".
Art.303. In titel IV, hoofdstuk II, afdeling 1, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010, 11 mei 2012 en 6 juli 2012, wordt het opschrift van onderafdeling 2 vervangen door wat volgt:
"Onderafdeling 2. Vergunningsplicht voor het verkavelen van gronden".
"Onderafdeling 2. Vergunningsplicht voor het verkavelen van gronden".
Art.303. Au titre IV, chapitre II, section 1re, du même code, modifié par les décrets des 16 juillet 2010, 11 mai 2012 et 6 juillet 2012, l'intitulé de la sous-section 2 est remplacé par ce qui suit :
" Sous-section 2. - Obligation d'autorisation pour le lotissement de sols ".
" Sous-section 2. - Obligation d'autorisation pour le lotissement de sols ".
Art.304. In artikel 4.2.15 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, wordt het woord "verkavelingsvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".
Art.304. A l'article 4.2.15 du même code, modifié par le décret du 16 juillet 2010, les mots " permis de lotir " sont chaque fois remplacés par les mots " permis d'environnement pour le lotissement de sols ".
Art.305. Artikel 4.2.17 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 4.2.17. Een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden geldt als omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen wat betreft alle handelingen die zijn opgenomen in de vergunning en die de verkaveling bouwrijp maken, zoals in het bijzonder:
1° de aanleg van nieuwe verkeerswegen, of de tracéwijziging, verbreding of opheffing daarvan;
2° de wijziging van het reliëf van de bodem;
3° de ontbossing, met behoud van de toepassing van artikel 90bis van het Bosdecreet van 13 juni 1990;
4° het afbreken van constructies.
Het eerste lid geldt als de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden ook wat betreft de handelingen die het voorwerp uitmaken van de vergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen, voldoet aan de vereisten inzake ontvankelijkheid en volledigheid.".
"Art. 4.2.17. Een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden geldt als omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen wat betreft alle handelingen die zijn opgenomen in de vergunning en die de verkaveling bouwrijp maken, zoals in het bijzonder:
1° de aanleg van nieuwe verkeerswegen, of de tracéwijziging, verbreding of opheffing daarvan;
2° de wijziging van het reliëf van de bodem;
3° de ontbossing, met behoud van de toepassing van artikel 90bis van het Bosdecreet van 13 juni 1990;
4° het afbreken van constructies.
Het eerste lid geldt als de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden ook wat betreft de handelingen die het voorwerp uitmaken van de vergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen, voldoet aan de vereisten inzake ontvankelijkheid en volledigheid.".
Art.305. L'article 4.2.17 du même code, modifié par le décret du 16 juillet 2010, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 4.2.17. Un permis d'environnement pour le lotissement de sols équivaut à un permis d'environnement pour actes urbanistiques pour tous les actes inclus dans le permis et qui rendent le lotissement constructible, plus particulièrement :
1° la construction de nouvelles routes ou leur modification de tracé, leur élargissement ou leur fermeture ;
2° la modification du relief du sol ;
3° le déboisement, sans préjudice de l'article 90bis du Décret forestier du 13 juin 1990 ;
4° la démolition de constructions.
Le premier alinéa vaut pour autant que la demande de permis d'environnement pour le lotissement de sols, également en ce qui concerne les actes soumis à une obligation de permis pour les actes urbanistiques, satisfasse aux exigences en matière de recevabilité et d'intégralité. ".
" Art. 4.2.17. Un permis d'environnement pour le lotissement de sols équivaut à un permis d'environnement pour actes urbanistiques pour tous les actes inclus dans le permis et qui rendent le lotissement constructible, plus particulièrement :
1° la construction de nouvelles routes ou leur modification de tracé, leur élargissement ou leur fermeture ;
2° la modification du relief du sol ;
3° le déboisement, sans préjudice de l'article 90bis du Décret forestier du 13 juin 1990 ;
4° la démolition de constructions.
Le premier alinéa vaut pour autant que la demande de permis d'environnement pour le lotissement de sols, également en ce qui concerne les actes soumis à une obligation de permis pour les actes urbanistiques, satisfasse aux exigences en matière de recevabilité et d'intégralité. ".
Art.306. Artikel 4.2.18 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 4.2.18. De bepalingen van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden worden niet opgeheven door de inwerkingtreding van een stedenbouwkundig voorschrift waarmee ze onverenigbaar zijn, met behoud van de toepassing van artikel 84 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.".
"Art. 4.2.18. De bepalingen van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden worden niet opgeheven door de inwerkingtreding van een stedenbouwkundig voorschrift waarmee ze onverenigbaar zijn, met behoud van de toepassing van artikel 84 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.".
Art.306. L'article 4.2.18 du même code est remplacé par ce qui suit :
" Art. 4.2.18. Les dispositions d'un permis d'environnement pour le lotissement de sols ne sont pas abolies par l'entrée en vigueur d'une prescription urbanistique avec laquelle elles s'avèrent incompatibles, et ce, sans préjudice de l'article 84 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement. ".
" Art. 4.2.18. Les dispositions d'un permis d'environnement pour le lotissement de sols ne sont pas abolies par l'entrée en vigueur d'une prescription urbanistique avec laquelle elles s'avèrent incompatibles, et ce, sans préjudice de l'article 84 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement. ".
Art.307. In titel IV, hoofdstuk II, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010 en 23 december 2011, wordt afdeling 2, die bestaat uit artikel 4.2.19 tot artikel 4.2.25, opgeheven.
Art.307. Au titre IV, chapitre II, du même code, modifié par les décrets des 16 juillet 2010 et 23 décembre 2011, la section 2, qui se compose des articles 4.2.19 à 4.2.25 inclus, est abrogée.
Art.308. In artikel 4.3.1 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° [1 in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
" Een aanpassing van de plannen, zoals vermeld in het tweede lid, is slechts mogelijk overeenkomstig artikel 30 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning "]1;
2° in paragraaf 2, eerste lid, 3°, worden de woorden "een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden";
3° in paragraaf 4 worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden".
1° [1 in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
" Een aanpassing van de plannen, zoals vermeld in het tweede lid, is slechts mogelijk overeenkomstig artikel 30 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning "]1;
2° in paragraaf 2, eerste lid, 3°, worden de woorden "een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden";
3° in paragraaf 4 worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden".
Art.308. A l'article 4.3.1 du même code, modifié par le décret du 16 juillet 2010, les modifications suivantes sont apportées :
1° [1 au paragraphe 1er, le troisième alinéa est remplacé par la disposition suivante :
" Une adaptation des plans, telle que citée au deuxième alinéa, n'est possible que conformément à l'article 30 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement; "]1
2° au paragraphe 2, premier alinéa, 3°, les mots " permis de lotir " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour le lotissement de sols " ;
3° au paragraphe 4, les mots " une autorisation urbanistique ou un permis de lotir " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour actes urbanistiques ou pour le lotissement de sols ".
1° [1 au paragraphe 1er, le troisième alinéa est remplacé par la disposition suivante :
" Une adaptation des plans, telle que citée au deuxième alinéa, n'est possible que conformément à l'article 30 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement; "]1
2° au paragraphe 2, premier alinéa, 3°, les mots " permis de lotir " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour le lotissement de sols " ;
3° au paragraphe 4, les mots " une autorisation urbanistique ou un permis de lotir " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour actes urbanistiques ou pour le lotissement de sols ".
Wijzigingen
Art.309. In artikel 4.3.5 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning";
2° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "de omgevingsvergunning".
1° in paragraaf 1 worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning";
2° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "de omgevingsvergunning".
Art.309. A l'article 4.3.5 du même code, modifié par le décret du 16 juillet 2010, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, les mots " Une autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " Un permis d'environnement " ;
2° au paragraphe 3, premier alinéa, les mots " l'autorisation urbanistique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement ".
1° au paragraphe 1er, les mots " Une autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " Un permis d'environnement " ;
2° au paragraphe 3, premier alinéa, les mots " l'autorisation urbanistique " sont chaque fois remplacés par les mots " le permis d'environnement ".
Art.310. In artikel 4.3.6 van dezelfde codex worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning".
Art.310. A l'article 4.3.6 du même code, les mots " Une autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " Un permis d'environnement ".
Art.311. In artikel 4.3.7 van dezelfde codex wordt de zinsnede "stedenbouwkundige vergunning voor de handelingen, vermeld in" vervangen door de zinsnede "omgevingsvergunning voor de handelingen, vermeld in".
Art.311. A l'article 4.3.7 du même code, le passage" L'autorisation urbanistique pour les actes visés à l'article 4.2.1, 1°, 6°, 7° et 8° n'est pas délivrée " est remplacé par le passage " Le permis d'environnement pour les actes visés à l'article 4.2.1, 1°, 6°, 7° et 8° n'est pas délivré ".
Art.312. In artikel 4.3.8, § 1 en § 2, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".
Art.312. A l'article 4.3.8, § 1er et § 2, premier alinéa, du même code, les mots " Une autorisation urbanistique ne peut pas être octroyée " et " Une autorisation urbanistique ne peut pas être délivrée " sont respectivement remplacés par les mots " Un permis d'environnement ne peut pas être octroyé " et " Un permis d'environnement ne peut pas être délivré ".
Art.313. In artikel 4.4.1, § 3, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 16 juli 2010 en gewijzigd bij het decreet van 11 mei 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "van de vergunningsplicht" worden telkens vervangen door de woorden "van de vergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen";
2° in het tweede lid wordt het woord "verkavelingsvergunningen" vervangen door het woord "verkavelingen".
1° de woorden "van de vergunningsplicht" worden telkens vervangen door de woorden "van de vergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen";
2° in het tweede lid wordt het woord "verkavelingsvergunningen" vervangen door het woord "verkavelingen".
Art.313. A l'article 4.4.1, § 3, du même code, inséré par le décret du 16 juillet 2010 et modifié par le décret du 11 mai 2012, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " de l'obligation d'autorisation " sont chaque fois remplacés par les mots " de l'obligation d'autorisation pour les actes urbanistiques " ;
2° au deuxième alinéa, les mots " permis de lotir " sont remplacés par les mots " lotissements ".
1° les mots " de l'obligation d'autorisation " sont chaque fois remplacés par les mots " de l'obligation d'autorisation pour les actes urbanistiques " ;
2° au deuxième alinéa, les mots " permis de lotir " sont remplacés par les mots " lotissements ".
Art.314. In artikel 4.4.2, § 1 en § 2, eerste lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 11 mei 2012, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door het woord "omgevingsvergunning".
Art.314. A l'article 4.4.2, § 1er et § 2, premier alinéa, du même code, modifié par le décret du 11 mai 2012, les mots " une autorisation urbanistique " sont chaque fois remplacés par les mots " un permis d'environnement ".
Art.315. In artikel 4.4.3, eerste lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 11 mei 2012, worden de woorden "een verkavelingsvergunning of een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden".
Art.315. A l'article 4.4.3, premier alinéa, du même code, modifié par le décret du 11 mai 2012, les mots " une autorisation urbanistique ou un permis de lotir peut néanmoins être octroyée " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour actes urbanistiques ou pour le lotissement de sols peut néanmoins être octroyé ".
Art.316. In artikel 4.4.4, § 1, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door het woord "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
2° in het derde lid worden de woorden "onderworpen zijn aan de milieuvergunningsplicht" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereisen".
1° in het tweede lid worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door het woord "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
2° in het derde lid worden de woorden "onderworpen zijn aan de milieuvergunningsplicht" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereisen".
Art.316. A l'article 4.4.4, § 1er, du même code, les modifications suivantes sont apportées :
1° au deuxième alinéa, le passage " Seules une autorisation urbanistique temporaire ou une autorisation urbanistique soumise à la condition que les actes concernés ne puissent être réalisés que pendant une certaine période ou à des moments spécifiques, peuvent être octroyées " est remplacé par le passage " Seuls un permis d'environnement temporaire pour actes urbanistiques ou un permis d'environnement pour actes urbanistiques soumis à la condition que les actes concernés ne puissent être réalisés que pendant une certaine période ou à des moments spécifiques, peuvent être octroyés " ;
2° au troisième alinéa, les mots " sont assujettis à l'obligation d'une autorisation écologique " sont remplacés par les mots " requièrent un permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement ou une activité classé(e) ".
1° au deuxième alinéa, le passage " Seules une autorisation urbanistique temporaire ou une autorisation urbanistique soumise à la condition que les actes concernés ne puissent être réalisés que pendant une certaine période ou à des moments spécifiques, peuvent être octroyées " est remplacé par le passage " Seuls un permis d'environnement temporaire pour actes urbanistiques ou un permis d'environnement pour actes urbanistiques soumis à la condition que les actes concernés ne puissent être réalisés que pendant une certaine période ou à des moments spécifiques, peuvent être octroyés " ;
2° au troisième alinéa, les mots " sont assujettis à l'obligation d'une autorisation écologique " sont remplacés par les mots " requièrent un permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement ou une activité classé(e) ".
Art.317. In artikel 4.4.6, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".
Art.317. A l'article 4.4.6, premier alinéa, du même code, les mots " une autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement ".
Art.318. In artikel 4.4.7/1 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 11 mei 2012, worden de woorden "aanvragen voor een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsaanvragen" vervangen door de woorden "aanvragen voor een omgevingsvergunning".
Art.318. A l'article 4.4.7/1 du même code, inséré par le décret du 11 mai 2012, les mots " demandes d'une autorisation urbanistique ou de demandes de lotissement " sont remplacés par les mots " demandes d'un permis d'environnement ".
Art.319. In artikel 4.4.9, § 1, eerste lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art.319. A l'article 4.4.9, § 1er, premier alinéa, du même code, modifié par le décret du 16 juillet 2010, les mots " d'une autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " d'un permis d'environnement pour actes urbanistiques ".
Art.320. In artikel 4.4.12 van dezelfde codex worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".
Art.320. A l'article 4.4.12 du même code, les mots " d'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " de permis d'environnement ".
Art.321. In artikel 4.4.13, § 1, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".
Art.321. A l'article 4.4.13, § 1er, premier alinéa, du même code, les mots " d'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " de permis d'environnement ".
Art.322. In artikel 4.4.14, § 1, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".
Art.322. A l'article 4.4.14, § 1er, premier alinéa, du même code, les mots " d'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " de permis d'environnement ".
Art.323. In artikel 4.4.16 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";
2° in het tweede lid, inleidende zin, worden de woorden "milieuvergunningsplichtige inrichtingen" vervangen door de woorden "projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereist is";
3° in het tweede lid, 1°, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".
1° in het eerste lid worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";
2° in het tweede lid, inleidende zin, worden de woorden "milieuvergunningsplichtige inrichtingen" vervangen door de woorden "projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereist is";
3° in het tweede lid, 1°, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".
Art.323. A l'article 4.4.16 du même code, les modifications suivantes sont apportées :
1° au premier alinéa, les mots " d'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " de permis d'environnement " ;
2° au deuxième alinéa, phrase introductive, les mots " établissements soumis au permis d'environnement " sont remplacés par les mots " projets qui requièrent un permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e) " ;
3° dans la version néerlandaise du deuxième alinéa, 1°, le mot " milieuvergunning " est remplacé par le mot " omgevingsvergunning ".
1° au premier alinéa, les mots " d'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " de permis d'environnement " ;
2° au deuxième alinéa, phrase introductive, les mots " établissements soumis au permis d'environnement " sont remplacés par les mots " projets qui requièrent un permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e) " ;
3° dans la version néerlandaise du deuxième alinéa, 1°, le mot " milieuvergunning " est remplacé par le mot " omgevingsvergunning ".
Art.324. In artikel 4.4.17, § 1, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";
2° in het tweede lid, inleidende zin, worden de woorden "milieuvergunningsplichtige inrichtingen" vervangen door de woorden "projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereist is";
3° in het tweede lid, 1°, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".
1° in het eerste lid worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";
2° in het tweede lid, inleidende zin, worden de woorden "milieuvergunningsplichtige inrichtingen" vervangen door de woorden "projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereist is";
3° in het tweede lid, 1°, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".
Art.324. A l'article 4.4.17, § 1er, du même code, les modifications suivantes sont apportées :
1° au premier alinéa, les mots " d'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " de permis d'environnement " ;
2° au deuxième alinéa, phrase introductive, les mots " établissements soumis au permis d'environnement " sont remplacés par les mots " projets qui requièrent un permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e) " ;
3° dans la version néerlandaise du deuxième alinéa, 1°, le mot " milieuvergunning " est remplacé par le mot " omgevingsvergunning ".
1° au premier alinéa, les mots " d'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " de permis d'environnement " ;
2° au deuxième alinéa, phrase introductive, les mots " établissements soumis au permis d'environnement " sont remplacés par les mots " projets qui requièrent un permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e) " ;
3° dans la version néerlandaise du deuxième alinéa, 1°, le mot " milieuvergunning " est remplacé par le mot " omgevingsvergunning ".
Art.325. In artikel 4.4.18, § 1, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";
2° in het tweede lid, inleidende zin, worden de woorden "milieuvergunningsplichtige inrichtingen" vervangen door de woorden "projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereist is";
3° in het tweede lid, 1°, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".
1° in het eerste lid worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning";
2° in het tweede lid, inleidende zin, worden de woorden "milieuvergunningsplichtige inrichtingen" vervangen door de woorden "projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereist is";
3° in het tweede lid, 1°, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".
Art.325. A l'article 4.4.18, § 1er, du même code, les modifications suivantes sont apportées :
1° au premier alinéa, les mots " d'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " de permis d'environnement " ;
2° au deuxième alinéa, phrase introductive, les mots " établissements soumis au permis d'environnement " sont remplacés par les mots " projets qui requièrent un permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e) " ;
3° dans la version néerlandaise du deuxième alinéa, 1°, le mot " milieuvergunning " est remplacé par le mot " omgevingsvergunning ".
1° au premier alinéa, les mots " d'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " de permis d'environnement " ;
2° au deuxième alinéa, phrase introductive, les mots " établissements soumis au permis d'environnement " sont remplacés par les mots " projets qui requièrent un permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e) " ;
3° dans la version néerlandaise du deuxième alinéa, 1°, le mot " milieuvergunning " est remplacé par le mot " omgevingsvergunning ".
Art.326. In artikel 4.4.19, § 1, tweede lid, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid worden de woorden "milieuvergunningsplichtige inrichtingen" vervangen door de woorden "projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereist is";
2° in het tweede lid, 1°, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".
1° in het tweede lid worden de woorden "milieuvergunningsplichtige inrichtingen" vervangen door de woorden "projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereist is";
2° in het tweede lid, 1°, wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".
Art.326. A l'article 4.4.19, § 1er, deuxième alinéa, du même code, les modifications suivantes sont apportées :
1° au deuxième alinéa, les mots " établissements soumis au permis d'environnement " sont remplacés par les mots " projets qui requièrent un permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e) " ;
2° dans la version néerlandaise du deuxième alinéa, 1°, le mot " milieuvergunning " est remplacé par le mot " omgevingsvergunning ".
1° au deuxième alinéa, les mots " établissements soumis au permis d'environnement " sont remplacés par les mots " projets qui requièrent un permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e) " ;
2° dans la version néerlandaise du deuxième alinéa, 1°, le mot " milieuvergunning " est remplacé par le mot " omgevingsvergunning ".
Art.327. In artikel 4.4.20, § 1, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door het woord "omgevingsvergunning".
Art.327. A l'article 4.4.20, § 1er, premier alinéa, du même code, les mots " une autorisation urbanistique pour transformation ou reconstruction a été délivrée " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour transformation ou reconstruction a été délivré ".
Art.328. In artikel 4.4.22, tweede lid, van dezelfde codex worden de woorden "milieuvergunningsplichtige activiteiten" vervangen door de woorden "activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereist is,".
Art.328. A l'article 4.4.22, deuxième alinéa, du même code, les mots " où sont exécutées des activités soumises à l'obligation du permis d'environnement " sont remplacés par les mots " où sont exécutés des projets qui requièrent un permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e) ".
Art.329. In artikel 4.4.23, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".
Art.329. A l'article 4.4.23, premier alinéa, du même code, les mots " d'une autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " d'un permis d'environnement ".
Art.330. In artikel 4.4.24 van dezelfde codex wordt het vierde lid vervangen door wat volgt:
"Het planologisch attest kan worden aangevraagd door en voor een bedrijf dat voldoet aan een van de volgende voorwaarden:
1° het bedrijf is onderworpen aan de vergunnings- of meldingsplicht, voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, vermeld in het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
2° het bedrijf betreft een volwaardig land- of tuinbouwbedrijf.".
"Het planologisch attest kan worden aangevraagd door en voor een bedrijf dat voldoet aan een van de volgende voorwaarden:
1° het bedrijf is onderworpen aan de vergunnings- of meldingsplicht, voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, vermeld in het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
2° het bedrijf betreft een volwaardig land- of tuinbouwbedrijf.".
Art.330. A l'article 4.4.24 du même code, le quatrième alinéa est remplacé par ce qui suit :
" L'attestation planologique peut être demandée par et pour une entreprise qui répond à l'une des conditions suivantes :
1° l'entreprise est soumise à l'obligation d'obtention d'une autorisation ou à l'obligation de déclaration pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e), visée dans le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ;
2° l'entreprise est une entreprise agricole ou horticole à part entière. ".
" L'attestation planologique peut être demandée par et pour une entreprise qui répond à l'une des conditions suivantes :
1° l'entreprise est soumise à l'obligation d'obtention d'une autorisation ou à l'obligation de déclaration pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e), visée dans le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ;
2° l'entreprise est une entreprise agricole ou horticole à part entière. ".
Art.331. In artikel 4.4.25, § 2, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar" worden telkens vervangen door de woorden "het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar";
2° de woorden "biedt de ambtenaar de aanvrager de gelegenheid" worden vervangen door de woorden "wordt de aanvrager de gelegenheid geboden";
3° het zesde lid wordt opgeheven.
1° de woorden "de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar" worden telkens vervangen door de woorden "het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar";
2° de woorden "biedt de ambtenaar de aanvrager de gelegenheid" worden vervangen door de woorden "wordt de aanvrager de gelegenheid geboden";
3° het zesde lid wordt opgeheven.
Art.331. A l'article 4.4.25, § 2, du même code, modifié par le décret du 8 juillet 2011, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " fonctionnaire urbanistique communal " sont chaque fois remplacés par les mots " le collège des bourgmestre et échevins ou le fonctionnaire environnement communal " ;
2° les mots " le fonctionnaire offre au requérant la possibilité " sont remplacés par les mots " la possibilité est offerte au requérant " ;
3° le sixième alinéa est abrogé.
1° les mots " fonctionnaire urbanistique communal " sont chaque fois remplacés par les mots " le collège des bourgmestre et échevins ou le fonctionnaire environnement communal " ;
2° les mots " le fonctionnaire offre au requérant la possibilité " sont remplacés par les mots " la possibilité est offerte au requérant " ;
3° le sixième alinéa est abrogé.
Art.332. In artikel 4.4.26, § 2, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning of een milieuvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning".
Art.332. A l'article 4.4.26, § 2, premier alinéa, du même code, les mots " d'une demande d'autorisation urbanistique ou écologique " sont remplacés par les mots " d'un permis d'environnement ".
Art.333. In artikel 4.4.28, tweede lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art.333. A l'article 4.4.28, deuxième alinéa, du même code, modifié par le décret du 16 juillet 2010, les mots " d'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " de permis d'environnement pour actes urbanistiques " et les mots " cette autorisation urbanistique est expirée " sont remplacés par les mots " ce permis d'environnement est expiré ".
Art.334. In titel IV van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 12 juli 2013, wordt hoofdstuk V, dat bestaat uit artikel 4.5.1, opgeheven.
Art.334. Au titre IV du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 12 juillet 2013, le chapitre V, qui se compose de l'article 4.5.1, est abrogé.
Art.335. In titel IV van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 12 juli 2013, wordt hoofdstuk VI, dat bestaat uit artikel 4.6.1 tot en met 4.6.8, opgeheven.
Art.335. Au titre IV du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 12 juillet 2013, le chapitre VI, qui se compose des articles 4.6.1 à 4.6.8 inclus, est abrogé.
Art.336. In titel IV van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 12 juli 2013, wordt hoofdstuk VII, dat bestaat uit artikel 4.7.1 tot en met 4.7.26/1, opgeheven.
Art.336. Au titre IV du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 12 juillet 2013, le chapitre VII, qui se compose des articles 4.7.1 à 4.7.26/1 inclus, est abrogé.
Art.337. [1 In artikel 4.8.2, eerste lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij decreet van 6 juli 2012 en 4 april 2014, worden punt 1° en 4° opgeheven.]1
Art.337. [1 A l'article 4.8.2, premier alinéa, du même code, modifié par les décrets du 6 juillet 2012 et du 4 avril 2014, les points 1° et 4° sont abrogés.]1
Wijzigingen
Art.338. Artikel 4.8.11 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 6 juli 2012, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 4.8.11. § 1. De beroepen bij de Raad inzake validerings- of registratiebeslissingen kunnen door de volgende personen worden ingesteld:
1° de aanvrager van het as-builtattest, respectievelijk de persoon die beschikt over zakelijke of persoonlijke rechten ten aanzien van een constructie die het voorwerp uitmaakt van een registratiebeslissing, of die deze constructie feitelijk gebruikt;
2° elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden als gevolg van de validerings- of registratiebeslissing;
3° procesbekwame verenigingen die optreden namens een groep wiens collectieve belangen door de validerings- of registratiebeslissing zijn bedreigd of geschaad, voor zover zij beschikken over een duurzame en effectieve werking overeenkomstig de statuten.
§ 2. De beroepen inzake validerings- of registratiebeslissingen worden ingesteld binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen, die ingaat als volgt:
1° wat betreft valideringsbeslissingen:
a) hetzij de dag na de betekening, wanneer een dergelijke betekening vereist is;
b) hetzij de dag na de opname in het vergunningenregister, in alle andere gevallen;
2° wat betreft registratiebeslissingen:
a) hetzij de dag na de betekening, wanneer een dergelijke betekening vereist is;
b) hetzij de dag na de opname van de constructie in het vergunningenregister, in alle andere gevallen.".
"Art. 4.8.11. § 1. De beroepen bij de Raad inzake validerings- of registratiebeslissingen kunnen door de volgende personen worden ingesteld:
1° de aanvrager van het as-builtattest, respectievelijk de persoon die beschikt over zakelijke of persoonlijke rechten ten aanzien van een constructie die het voorwerp uitmaakt van een registratiebeslissing, of die deze constructie feitelijk gebruikt;
2° elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden als gevolg van de validerings- of registratiebeslissing;
3° procesbekwame verenigingen die optreden namens een groep wiens collectieve belangen door de validerings- of registratiebeslissing zijn bedreigd of geschaad, voor zover zij beschikken over een duurzame en effectieve werking overeenkomstig de statuten.
§ 2. De beroepen inzake validerings- of registratiebeslissingen worden ingesteld binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen, die ingaat als volgt:
1° wat betreft valideringsbeslissingen:
a) hetzij de dag na de betekening, wanneer een dergelijke betekening vereist is;
b) hetzij de dag na de opname in het vergunningenregister, in alle andere gevallen;
2° wat betreft registratiebeslissingen:
a) hetzij de dag na de betekening, wanneer een dergelijke betekening vereist is;
b) hetzij de dag na de opname van de constructie in het vergunningenregister, in alle andere gevallen.".
Art.338. L'article 4.8.11 du même code, modifié par le décret du 6 juillet 2012, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 4.8.11. § 1er. Les recours auprès du Conseil concernant des décisions de validation ou d'enregistrement peuvent être introduits par les personnes suivantes :
1° le demandeur de l'attestation as-built, ou la personne disposant de droits réels ou personnels à l'égard d'une construction qui fait l'objet d'une décision d'enregistrement, ou qui utilise cette construction de fait ;
2° chaque personne physique ou morale à qui la décision de validation ou d'enregistrement contestée pourrait causer, directement ou indirectement, des désagréments ou des inconvénients ;
3° des associations dotées d'une compétence procédurale qui agissent au nom d'un groupe dont les intérêts collectifs sont menacés ou lésés par la décision de validation ou d'enregistrement, pour autant qu'elles disposent d'un fonctionnement durable et effectif conformément aux statuts.
§ 2. Les recours relatifs aux décisions de validation ou d'enregistrement sont introduits dans une échéance de quarante-cinq jours, qui prend cours comme suit :
1° en ce qui concerne les décisions de validation :
a) soit le jour suivant la notification, lorsqu'une telle notification est requise ;
b) soit le jour suivant la date d'inscription dans le registre des autorisations, dans tous les autres cas ;
2° en ce qui concerne les décisions d'enregistrement :
a) soit le jour suivant la notification, lorsqu'une telle notification est requise ;
b) soit le jour suivant la date d'inscription de la construction dans le registre des autorisations, dans tous les autres cas. ".
" Art. 4.8.11. § 1er. Les recours auprès du Conseil concernant des décisions de validation ou d'enregistrement peuvent être introduits par les personnes suivantes :
1° le demandeur de l'attestation as-built, ou la personne disposant de droits réels ou personnels à l'égard d'une construction qui fait l'objet d'une décision d'enregistrement, ou qui utilise cette construction de fait ;
2° chaque personne physique ou morale à qui la décision de validation ou d'enregistrement contestée pourrait causer, directement ou indirectement, des désagréments ou des inconvénients ;
3° des associations dotées d'une compétence procédurale qui agissent au nom d'un groupe dont les intérêts collectifs sont menacés ou lésés par la décision de validation ou d'enregistrement, pour autant qu'elles disposent d'un fonctionnement durable et effectif conformément aux statuts.
§ 2. Les recours relatifs aux décisions de validation ou d'enregistrement sont introduits dans une échéance de quarante-cinq jours, qui prend cours comme suit :
1° en ce qui concerne les décisions de validation :
a) soit le jour suivant la notification, lorsqu'une telle notification est requise ;
b) soit le jour suivant la date d'inscription dans le registre des autorisations, dans tous les autres cas ;
2° en ce qui concerne les décisions d'enregistrement :
a) soit le jour suivant la notification, lorsqu'une telle notification est requise ;
b) soit le jour suivant la date d'inscription de la construction dans le registre des autorisations, dans tous les autres cas. ".
Art.339. In artikel 5.1.2, § 1, van dezelfde codex wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
"Het vergunningenregister omvat ten minste de volgende gegevens, geordend per kadastraal perceel:
1° het kadastraal nummer, het huisnummer en de straatnaam;
2° de uitgereikte stedenbouwkundige en planologische attesten;
3° elke aanvraag van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen en de identiteit van de aanvrager;
4° elke aanvraag van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden en de identiteit van de aanvrager;
5° elke administratieve beslissing en rechterlijke uitspraak met betrekking tot die vergunningen, en de identiteit van de personen die beroep aantekenen;
6° elke melding van stedenbouwkundige handelingen en de identiteit van de persoon die de melding verricht;
7° de gevalideerde as-builtattesten;
8° het verval van de vergunningen, vermeld in punt 3° en punt 4° ;
9° [1 de vermelding van elke schriftelijke aanmaning, elk proces-verbaal en verslag van vaststelling dat opgemaakt wordt met betrekking tot misdrijven en inbreuken inzake ruimtelijke ordening alsook iedere navolgend proces-verbaal waarin het vrijwillig herstel of de regularisatie wordt vastgesteld, het verdere gevolg dat aan de processen-verbaal en verslagen van vaststelling gegeven wordt, iedere gerechtelijke uitspraak en ieder bestuurlijk besluit alsook iedere minnelijke schikking ter zake en de uitvoering van de herstelmaatregelen alsook elk herstelattest;]1
10° [1 de vermelding van elk rechtsmiddel dat tegen de gerechtelijke uitspraken en bestuurlijke besluiten, vermeld in punt 9°, aangewend wordt, de daaropvolgende uitspraken en besluiten en het gevolg dat eraan gegeven wordt;]1
11° het verschuldigd zijn van een planbatenheffing en het bewijs van betaling van de planbatenheffing;
12° in voorkomend geval het declaratief attest, vermeld in artikel 5.4.3, § 5.".
"Het vergunningenregister omvat ten minste de volgende gegevens, geordend per kadastraal perceel:
1° het kadastraal nummer, het huisnummer en de straatnaam;
2° de uitgereikte stedenbouwkundige en planologische attesten;
3° elke aanvraag van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen en de identiteit van de aanvrager;
4° elke aanvraag van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden en de identiteit van de aanvrager;
5° elke administratieve beslissing en rechterlijke uitspraak met betrekking tot die vergunningen, en de identiteit van de personen die beroep aantekenen;
6° elke melding van stedenbouwkundige handelingen en de identiteit van de persoon die de melding verricht;
7° de gevalideerde as-builtattesten;
8° het verval van de vergunningen, vermeld in punt 3° en punt 4° ;
9° [1 de vermelding van elke schriftelijke aanmaning, elk proces-verbaal en verslag van vaststelling dat opgemaakt wordt met betrekking tot misdrijven en inbreuken inzake ruimtelijke ordening alsook iedere navolgend proces-verbaal waarin het vrijwillig herstel of de regularisatie wordt vastgesteld, het verdere gevolg dat aan de processen-verbaal en verslagen van vaststelling gegeven wordt, iedere gerechtelijke uitspraak en ieder bestuurlijk besluit alsook iedere minnelijke schikking ter zake en de uitvoering van de herstelmaatregelen alsook elk herstelattest;]1
10° [1 de vermelding van elk rechtsmiddel dat tegen de gerechtelijke uitspraken en bestuurlijke besluiten, vermeld in punt 9°, aangewend wordt, de daaropvolgende uitspraken en besluiten en het gevolg dat eraan gegeven wordt;]1
11° het verschuldigd zijn van een planbatenheffing en het bewijs van betaling van de planbatenheffing;
12° in voorkomend geval het declaratief attest, vermeld in artikel 5.4.3, § 5.".
Art.339. A l'article 5.1.2, § 1er, du même code, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Le registre des permis comprend au moins les données suivantes, classées par parcelle cadastrale :
1° le numéro cadastral, le numéro d'habitation et le nom de rue ;
2° les attestations urbanistiques et planologiques délivrées ;
3° chaque demande de permis d'environnement pour actes urbanistiques et l'identité du requérant ;
4° chaque demande de permis d'environnement pour le lotissement de sols et l'identité du requérant ;
5° chaque décision administrative et judiciaire relative à ces permis et l'identité des personnes qui ont introduit une procédure de recours ;
6° chaque déclaration d'actes urbanistiques et l'identité de la personne qui l'a effectuée ;
7° les attestations " as built " validées ;
8° l'expiration des permis visés aux points 3° et 4° ;
9° [1 la mention de chaque sommation écrite, de chaque procès-verbal et de chaque rapport de constat qui est rédigé relativement à des délits et à des infractions en matière d'aménagement du territoire, ainsi que tout procès-verbal subséquent dans lequel le rétablissement volontaire ou la régularisation est constaté(e), la suite qui est donnée aux procès-verbaux et aux rapports de constat, tout jugement, et toute décision administrative, ainsi que tout règlement amiable en la matière et l'exécution des mesures de réparation, ainsi que toute attestation de réparation ;]1
10° [1 la mention de toute voie de droit qui excipe des jugements et des décisions administratives, mentionnées au point 9°, des jugements et décisions ultérieures, ainsi que de la suite qui y est donnée ;]1
11° le fait qu'une taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale est due et la preuve du paiement de celle-ci ;
12° le cas échéant, l'attestation de déclaration mentionnée dans l'article 5.4.3, § 5. ".
" Le registre des permis comprend au moins les données suivantes, classées par parcelle cadastrale :
1° le numéro cadastral, le numéro d'habitation et le nom de rue ;
2° les attestations urbanistiques et planologiques délivrées ;
3° chaque demande de permis d'environnement pour actes urbanistiques et l'identité du requérant ;
4° chaque demande de permis d'environnement pour le lotissement de sols et l'identité du requérant ;
5° chaque décision administrative et judiciaire relative à ces permis et l'identité des personnes qui ont introduit une procédure de recours ;
6° chaque déclaration d'actes urbanistiques et l'identité de la personne qui l'a effectuée ;
7° les attestations " as built " validées ;
8° l'expiration des permis visés aux points 3° et 4° ;
9° [1 la mention de chaque sommation écrite, de chaque procès-verbal et de chaque rapport de constat qui est rédigé relativement à des délits et à des infractions en matière d'aménagement du territoire, ainsi que tout procès-verbal subséquent dans lequel le rétablissement volontaire ou la régularisation est constaté(e), la suite qui est donnée aux procès-verbaux et aux rapports de constat, tout jugement, et toute décision administrative, ainsi que tout règlement amiable en la matière et l'exécution des mesures de réparation, ainsi que toute attestation de réparation ;]1
10° [1 la mention de toute voie de droit qui excipe des jugements et des décisions administratives, mentionnées au point 9°, des jugements et décisions ultérieures, ainsi que de la suite qui y est donnée ;]1
11° le fait qu'une taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale est due et la preuve du paiement de celle-ci ;
12° le cas échéant, l'attestation de déclaration mentionnée dans l'article 5.4.3, § 5. ".
Wijzigingen
Art.340. In artikel 5.1.4, § 1, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden de woorden "van deze codex" telkens vervangen door de woorden "van deze codex of van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".
Art.340. A l'article 5.1.4, § 1er, du même code, modifié par le décret du 16 juillet 2010, les mots " du présent code " sont chaque fois remplacés par les mots " du présent code ou du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ".
Art.341. In artikel 5.2.1, § 1, eerste lid, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 1° worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
2° in punt 5° wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".
1° in punt 1° worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
2° in punt 5° wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".
Art.341. A l'article 5.2.1, § 1er, premier alinéa, du même code, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 1°, les mots " une autorisation urbanistique a été délivrée " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour les actes urbanistiques a été délivré " ;
2° au point 5°, les mots " un permis de lotir " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour le lotissement de sols ".
1° au point 1°, les mots " une autorisation urbanistique a été délivrée " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour les actes urbanistiques a été délivré " ;
2° au point 5°, les mots " un permis de lotir " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour le lotissement de sols ".
Art.342. In artikel 5.2.2, eerste lid, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het woord "verkavelingsvergunning" wordt vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden";
2° de woorden "verkavelings- of stedenbouwkundige vergunning" worden vervangen door het woord "omgevingsvergunning".
1° het woord "verkavelingsvergunning" wordt vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden";
2° de woorden "verkavelings- of stedenbouwkundige vergunning" worden vervangen door het woord "omgevingsvergunning".
Art.342. A l'article 5.2.2, premier alinéa, du même code, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " permis de lotir " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour le lotissement de sols ".
2° les mots " aucun permis de lotir et aucune autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " aucun permis d'environnement ".
1° les mots " permis de lotir " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour le lotissement de sols ".
2° les mots " aucun permis de lotir et aucune autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " aucun permis d'environnement ".
Art.343. In artikel 5.2.3 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt het woord "verkavelingsvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden";
2° in paragraaf 2 worden de woorden "wijziging van de verkavelingsvergunning" telkens vervangen door de woorden "bijstelling van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden";
3° in paragraaf 4 wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".
1° in paragraaf 1 wordt het woord "verkavelingsvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden";
2° in paragraaf 2 worden de woorden "wijziging van de verkavelingsvergunning" telkens vervangen door de woorden "bijstelling van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden";
3° in paragraaf 4 wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".
Art.343. A l'article 5.2.3 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, les mots " permis de lotir " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour le lotissement de sols " ;
2° au paragraphe 2, les mots " une modification du permis de lotir " sont chaque fois remplacés par les mots " une actualisation du permis d'environnement pour le lotissement de sols " ;
3° au paragraphe 4, les mots " permis de lotir " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour le lotissement de sols ".
1° au paragraphe 1er, les mots " permis de lotir " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour le lotissement de sols " ;
2° au paragraphe 2, les mots " une modification du permis de lotir " sont chaque fois remplacés par les mots " une actualisation du permis d'environnement pour le lotissement de sols " ;
3° au paragraphe 4, les mots " permis de lotir " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour le lotissement de sols ".
Art.344. In artikel 5.2.5, eerste lid, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "stedenbouwkundige vergunning" worden vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
2° het woord "verkavelingsvergunning" wordt vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".
1° de woorden "stedenbouwkundige vergunning" worden vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
2° het woord "verkavelingsvergunning" wordt vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".
Art.344. A l'article 5.2.5, premier alinéa, du même code, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " une autorisation urbanistique a été délivrée " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour les actes urbanistiques a été délivré " ;
2° les mots " permis de lotir " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour le lotissement de sols ".
1° les mots " une autorisation urbanistique a été délivrée " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour les actes urbanistiques a été délivré " ;
2° les mots " permis de lotir " sont remplacés par les mots " permis d'environnement pour le lotissement de sols ".
Art.345. In artikel 5.2.6, eerste lid, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 1° worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
2° in punt 5° wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".
1° in punt 1° worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
2° in punt 5° wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".
Art.345. A l'article 5.2.6, premier alinéa, du même code, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 1°, les mots " une autorisation urbanistique a été délivrée " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour les actes urbanistiques a été délivré " ;
2° au point 5°, les mots " un permis de lotir " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour le lotissement de sols ".
1° au point 1°, les mots " une autorisation urbanistique a été délivrée " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour les actes urbanistiques a été délivré " ;
2° au point 5°, les mots " un permis de lotir " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour le lotissement de sols ".
Art.346. Artikel 5.3.1 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 5.3.1. § 1. Het stedenbouwkundig attest geeft op basis van een plan aan of een overwogen project voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden in redelijkheid de toets aan de stedenbouwkundige voorschriften, de eventuele verkavelingsvoorschriften en een goede ruimtelijke ordening zal kunnen doorstaan. Het wordt afgeleverd door de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.
Het stedenbouwkundig attest kan niet leiden tot de vrijstelling van een vergunningsaanvraag.
§ 2. De bevindingen van het stedenbouwkundig attest kunnen bij het beslissende onderzoek over een aanvraag van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden niet worden gewijzigd of tegengesproken, als:
1° in de periode waarin het stedenbouwkundig attest geldt, geen sprake is van substantiële wijzigingen van het betrokken terrein of wijzigingen van de stedenbouwkundige voorschriften of de eventuele verkavelingsvoorschriften;
2° de verplicht in te winnen adviezen of de tijdens het eventuele openbaar onderzoek ingediende standpunten, opmerkingen en bezwaren geen feiten of overwegingen aan het licht brengen waarmee bij de opmaak van het stedenbouwkundig attest geen rekening is gehouden;
3° het stedenbouwkundig attest niet is aangetast door manifeste materiële fouten.
§ 3. Het stedenbouwkundig attest blijft geldig gedurende twee jaar vanaf het ogenblik van de uitreiking ervan.
§ 4. De Vlaamse Regering kan nadere formele en procedurele regels bepalen voor de toepassing van dit artikel.".
"Art. 5.3.1. § 1. Het stedenbouwkundig attest geeft op basis van een plan aan of een overwogen project voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden in redelijkheid de toets aan de stedenbouwkundige voorschriften, de eventuele verkavelingsvoorschriften en een goede ruimtelijke ordening zal kunnen doorstaan. Het wordt afgeleverd door de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.
Het stedenbouwkundig attest kan niet leiden tot de vrijstelling van een vergunningsaanvraag.
§ 2. De bevindingen van het stedenbouwkundig attest kunnen bij het beslissende onderzoek over een aanvraag van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden niet worden gewijzigd of tegengesproken, als:
1° in de periode waarin het stedenbouwkundig attest geldt, geen sprake is van substantiële wijzigingen van het betrokken terrein of wijzigingen van de stedenbouwkundige voorschriften of de eventuele verkavelingsvoorschriften;
2° de verplicht in te winnen adviezen of de tijdens het eventuele openbaar onderzoek ingediende standpunten, opmerkingen en bezwaren geen feiten of overwegingen aan het licht brengen waarmee bij de opmaak van het stedenbouwkundig attest geen rekening is gehouden;
3° het stedenbouwkundig attest niet is aangetast door manifeste materiële fouten.
§ 3. Het stedenbouwkundig attest blijft geldig gedurende twee jaar vanaf het ogenblik van de uitreiking ervan.
§ 4. De Vlaamse Regering kan nadere formele en procedurele regels bepalen voor de toepassing van dit artikel.".
Art.346. L'article 5.3.1 du même code est remplacé par ce qui suit :
" Art. 5.3.1. § 1er. L'attestation urbanistique indique, en fonction d'un plan, si un projet pour des actes urbanistiques ou pour le lotissement de sols, évalué raisonnablement, pourra passer le test relatif aux prescriptions urbanistiques, aux éventuelles prescriptions de lotissement et à un bon aménagement du territoire. Elle est délivrée par l'autorité compétente visée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement.
L'attestation urbanistique ne peut pas mener à l'exemption d'une demande d'autorisation.
§ 2. Lors de l'enquête concernant une demande d'autorisation urbanistique ou d'un permis d'environnement pour le lotissement de sols, les résultats de l'attestation urbanistique ne peuvent pas être modifiés ou contestés, pour autant que :
1° aucune modification substantielle n'a été apportée au terrain concerné, ni aux prescriptions urbanistiques ou aux éventuelles prescriptions de lotissement, au cours de la période de validité de l'attestation urbanistique ;
2° les avis obligatoirement recueillis ou les points de vue, remarques et objections formulés au cours de l'éventuelle enquête publique n'ont pas révélé de faits ou de considérations qui n'ont pas été pris en compte lors de l'établissement de l'attestation urbanistique ;
3° l'attestation urbanistique n'est pas entachée d'erreurs matérielles manifestes.
§ 3. L'attestation urbanistique demeure valable pendant deux ans, à compter de la date de son octroi.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut déterminer des modalités formelles et procédurales plus précises pour l'application du présent article. ".
" Art. 5.3.1. § 1er. L'attestation urbanistique indique, en fonction d'un plan, si un projet pour des actes urbanistiques ou pour le lotissement de sols, évalué raisonnablement, pourra passer le test relatif aux prescriptions urbanistiques, aux éventuelles prescriptions de lotissement et à un bon aménagement du territoire. Elle est délivrée par l'autorité compétente visée à l'article 15 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement.
L'attestation urbanistique ne peut pas mener à l'exemption d'une demande d'autorisation.
§ 2. Lors de l'enquête concernant une demande d'autorisation urbanistique ou d'un permis d'environnement pour le lotissement de sols, les résultats de l'attestation urbanistique ne peuvent pas être modifiés ou contestés, pour autant que :
1° aucune modification substantielle n'a été apportée au terrain concerné, ni aux prescriptions urbanistiques ou aux éventuelles prescriptions de lotissement, au cours de la période de validité de l'attestation urbanistique ;
2° les avis obligatoirement recueillis ou les points de vue, remarques et objections formulés au cours de l'éventuelle enquête publique n'ont pas révélé de faits ou de considérations qui n'ont pas été pris en compte lors de l'établissement de l'attestation urbanistique ;
3° l'attestation urbanistique n'est pas entachée d'erreurs matérielles manifestes.
§ 3. L'attestation urbanistique demeure valable pendant deux ans, à compter de la date de son octroi.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut déterminer des modalités formelles et procédurales plus précises pour l'application du présent article. ".
Art.347. Artikel 5.3.2 van dezelfde codex wordt opgeheven.
Art.347. L'article 5.3.2 du même code est abrogé.
Art.348. In artikel 5.4.2, derde lid, van dezelfde codex worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".
Art.348. A l'article 5.4.2, troisième alinéa, du même code, les mots " une autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement ".
Art.349. In artikel 5.4.3, § 1, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".
Art.349. A l'article 5.4.3, § 1er, premier alinéa, du même code, les mots " une autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement ".
Art.350. In artikel 5.4.4 van dezelfde codex worden de woorden "vergunning voor handelingen" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning".
Art.350. A l'article 5.4.4 du même code, les mots " toute autorisation visant des actes " sont remplacés par les mots " tout permis d'environnement ".
Art.351. Artikel 5.5.2 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 11 mei 2012, wordt opgeheven.
Art.351. L'article 5.5.2 du même code, modifié par le décret du 11 mai 2012, est abrogé.
Art.352. In artikel 5.6.6 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010 en 23 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning";
2° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning";
3° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van woningen of een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor het bouwen van woningen of voor het verkavelen van gronden".
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning";
2° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning";
3° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van woningen of een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor het bouwen van woningen of voor het verkavelen van gronden".
Art.352. A l'article 5.6.6 du même code, modifié par les décrets des 16 juillet 2010 et 23 décembre 2011, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, premier alinéa, les mots " d'une autorisation urbanistique ou une autorisation de lotissement " sont remplacés par les mots " d'un permis d'environnement " ;
2° au paragraphe 1er, deuxième alinéa, les mots " d'une autorisation urbanistique ou une autorisation de lotissement " sont remplacés par les mots " d'un permis d'environnement " ;
3° au paragraphe 2, premier alinéa, les mots " une autorisation urbanistique pour la construction de logements ou un permis de lotir " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour la construction de logements ou pour le lotissement de sols ".
1° au paragraphe 1er, premier alinéa, les mots " d'une autorisation urbanistique ou une autorisation de lotissement " sont remplacés par les mots " d'un permis d'environnement " ;
2° au paragraphe 1er, deuxième alinéa, les mots " d'une autorisation urbanistique ou une autorisation de lotissement " sont remplacés par les mots " d'un permis d'environnement " ;
3° au paragraphe 2, premier alinéa, les mots " une autorisation urbanistique pour la construction de logements ou un permis de lotir " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour la construction de logements ou pour le lotissement de sols ".
Art.353. Artikel 5.6.7 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010 en 8 juli 2011, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 5.6.7. § 1. Een omgevingsvergunningsaanvraag voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit kan gunstig geadviseerd worden en vergund worden, in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift, voor zover voldaan is aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
1° de goede ruimtelijke ordening wordt niet geschaad, hetgeen in het bijzonder betekent dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de vastgestelde verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort;
2° de inrichting of activiteit is stedenbouwkundig vergunbaar in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift of, als het gaat om een bestaande inrichting of activiteit, is hoofdzakelijk vergund.
Als de goede ruimtelijke ordening geschaad wordt, kan rekening worden gehouden met de termijn die nodig is om de inrichting of activiteit te herlokaliseren. Die termijn is ten hoogste gelijk aan zeven jaar.
De Vlaamse Regering kan de categorieën van bedrijven bepalen die door hun aard en omvang van het eerste lid zijn uitgesloten. Ze kan de gebieden aanwijzen waarin het eerste lid niet kan worden toegepast.
§ 2. Een omgevingsvergunningsaanvraag voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit kan ongunstig geadviseerd worden en geweigerd worden om de reden, vermeld in artikel 4.3.2.
§ 3. De mogelijkheden of verplichtingen om af te wijken van stedenbouwkundige voorschriften of om rekening te houden met ontwerpen van stedenbouwkundige voorschriften, zoals die bij of krachtens deze codex zijn vastgesteld ten aanzien van de vergunningverlenende bestuursorganen en de ambtenaren van ruimtelijke ordening, gelden onder dezelfde voorwaarden ten aanzien van de instanties en organen die over een vergunningsaanvraag adviseren en ten aanzien van de instanties en organen die adviseren of beslissen over een onteigeningsplan of over een aanvraag van een onteigeningsmachtiging of een vergunning als vermeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu of in het Bosdecreet van 13 juni 1990, of andere vergunningen.".
"Art. 5.6.7. § 1. Een omgevingsvergunningsaanvraag voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit kan gunstig geadviseerd worden en vergund worden, in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift, voor zover voldaan is aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
1° de goede ruimtelijke ordening wordt niet geschaad, hetgeen in het bijzonder betekent dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de vastgestelde verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort;
2° de inrichting of activiteit is stedenbouwkundig vergunbaar in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift of, als het gaat om een bestaande inrichting of activiteit, is hoofdzakelijk vergund.
Als de goede ruimtelijke ordening geschaad wordt, kan rekening worden gehouden met de termijn die nodig is om de inrichting of activiteit te herlokaliseren. Die termijn is ten hoogste gelijk aan zeven jaar.
De Vlaamse Regering kan de categorieën van bedrijven bepalen die door hun aard en omvang van het eerste lid zijn uitgesloten. Ze kan de gebieden aanwijzen waarin het eerste lid niet kan worden toegepast.
§ 2. Een omgevingsvergunningsaanvraag voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit kan ongunstig geadviseerd worden en geweigerd worden om de reden, vermeld in artikel 4.3.2.
§ 3. De mogelijkheden of verplichtingen om af te wijken van stedenbouwkundige voorschriften of om rekening te houden met ontwerpen van stedenbouwkundige voorschriften, zoals die bij of krachtens deze codex zijn vastgesteld ten aanzien van de vergunningverlenende bestuursorganen en de ambtenaren van ruimtelijke ordening, gelden onder dezelfde voorwaarden ten aanzien van de instanties en organen die over een vergunningsaanvraag adviseren en ten aanzien van de instanties en organen die adviseren of beslissen over een onteigeningsplan of over een aanvraag van een onteigeningsmachtiging of een vergunning als vermeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu of in het Bosdecreet van 13 juni 1990, of andere vergunningen.".
Art.353. L'article 5.6.7 du même code, modifié par les décrets des 16 juillet 2010 et 8 juillet 2011, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 5.6.7. § 1er. Une demande de permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e) peut recevoir un avis favorable et être autorisée par dérogation aux dispositions d'une prescription urbanistique, pour autant que les deux conditions suivantes soient remplies :
1° le bon aménagement du territoire n'est pas compromis, ce qui signifie notamment que la capacité spatiale de la zone n'est pas dépassée et que l'imbrication prévue des fonctions ne compromet pas ni ne perturbe les affectations à proximité immédiate présentes ou à réaliser ;
2° l'établissement ou l'activité peut être autorisé du point de vue urbanistique par dérogation aux dispositions d'une prescription urbanistique ou, dans la mesure où il s'agit d'un établissement existant, est principalement autorisé.
Lorsque le bon aménagement du territoire est compromis, il peut être tenu compte du délai nécessaire pour relocaliser l'établissement ou l'activité. Ce délai s'élève au maximum à sept ans.
Le Gouvernement flamand fixe les catégories d'entreprises exclues de l'alinéa premier en raison de leur nature et envergure. Il désigne les zones où l'alinéa premier ne peut être appliqué.
§ 2. Une demande de permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e) peut recevoir un avis défavorable et être refusée pour la raison visée à l'article 4.3.2.
§ 3. Les possibilités ou les obligations de déroger aux prescriptions urbanistiques ou de tenir compte de projets de prescriptions urbanistiques, telles que fixées par ou en vertu du code présent à l'égard des organes administratifs délivrant l'autorisation et des fonctionnaires de l'aménagement du territoire, s'appliquent aux mêmes conditions à l'égard des instances et des organes formulant un avis sur un demande d'autorisation et à l'égard des instances et des organes formulant un avis ou décidant d'un plan d'expropriation ou d'une demande d'autorisation d'expropriation ou d'une autorisation, visée au décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et du milieu naturel ou au Décret forestier du 13 juin 1990, ou d'autres autorisations, sauf autres autorisations. ".
" Art. 5.6.7. § 1er. Une demande de permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e) peut recevoir un avis favorable et être autorisée par dérogation aux dispositions d'une prescription urbanistique, pour autant que les deux conditions suivantes soient remplies :
1° le bon aménagement du territoire n'est pas compromis, ce qui signifie notamment que la capacité spatiale de la zone n'est pas dépassée et que l'imbrication prévue des fonctions ne compromet pas ni ne perturbe les affectations à proximité immédiate présentes ou à réaliser ;
2° l'établissement ou l'activité peut être autorisé du point de vue urbanistique par dérogation aux dispositions d'une prescription urbanistique ou, dans la mesure où il s'agit d'un établissement existant, est principalement autorisé.
Lorsque le bon aménagement du territoire est compromis, il peut être tenu compte du délai nécessaire pour relocaliser l'établissement ou l'activité. Ce délai s'élève au maximum à sept ans.
Le Gouvernement flamand fixe les catégories d'entreprises exclues de l'alinéa premier en raison de leur nature et envergure. Il désigne les zones où l'alinéa premier ne peut être appliqué.
§ 2. Une demande de permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e) peut recevoir un avis défavorable et être refusée pour la raison visée à l'article 4.3.2.
§ 3. Les possibilités ou les obligations de déroger aux prescriptions urbanistiques ou de tenir compte de projets de prescriptions urbanistiques, telles que fixées par ou en vertu du code présent à l'égard des organes administratifs délivrant l'autorisation et des fonctionnaires de l'aménagement du territoire, s'appliquent aux mêmes conditions à l'égard des instances et des organes formulant un avis sur un demande d'autorisation et à l'égard des instances et des organes formulant un avis ou décidant d'un plan d'expropriation ou d'une demande d'autorisation d'expropriation ou d'une autorisation, visée au décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et du milieu naturel ou au Décret forestier du 13 juin 1990, ou d'autres autorisations, sauf autres autorisations. ".
Art.354. Artikel 7.2.1 van dezelfde codex wordt opgeheven.
Art.354. L'article 7.2.1 du même code est abrogé.
Art.355. In artikel 7.4.7 van dezelfde codex wordt de zin "Desalniettemin voldoet de gemeente niet aan de ontvoogdingsvoorwaarden, vermeld in artikel 7.2.1, § 1." opgeheven.
Art.355. A l'article 7.4.7 du même code, la phrase " La commune ne satisfait toutefois pas aux conditions d'émancipation visées à l'article 7.2.1, § 1er. " est abrogée.
Art.356. In artikel 7.5.3, § 1, vierde lid, van dezelfde codex worden de woorden "stedenbouwkundige vergunningen" vervangen door het woord "omgevingsvergunningen".
Art.356. A l'article 7.5.3, § 1er, quatrième alinéa, du même code, les mots " d'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " de permis d'environnement ".
Art.357. In artikel 7.5.4 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste, derde en vierde lid wordt het woord "verkavelingsvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden";
2° het vijfde lid wordt vervangen door wat volgt:
"Voor die kavels gelden artikel 84 tot en met 86, artikel 97 en artikel 102 en 103 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, met dien verstande dat de termijn van tien jaar na de afgifte van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 102, § 1, eerste lid, 2°, en § 2, 2°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, vervangen wordt door een termijn van vijf jaar vanaf 1 mei 2000. De termijn van vijftien jaar na de afgifte van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 102, § 2, 3°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wordt vervangen door een termijn van tien jaar vanaf 1 mei 2000.";
3° in het zesde lid wordt het woord "verkavelingsvergunningen" vervangen door de woorden "omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden".
1° in het eerste, derde en vierde lid wordt het woord "verkavelingsvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden";
2° het vijfde lid wordt vervangen door wat volgt:
"Voor die kavels gelden artikel 84 tot en met 86, artikel 97 en artikel 102 en 103 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, met dien verstande dat de termijn van tien jaar na de afgifte van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 102, § 1, eerste lid, 2°, en § 2, 2°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, vervangen wordt door een termijn van vijf jaar vanaf 1 mei 2000. De termijn van vijftien jaar na de afgifte van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 102, § 2, 3°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wordt vervangen door een termijn van tien jaar vanaf 1 mei 2000.";
3° in het zesde lid wordt het woord "verkavelingsvergunningen" vervangen door de woorden "omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden".
Art.357. A l'article 7.5.4 du même code, modifié par le décret du 16 juillet 2010, les modifications suivantes sont apportées :
1° aux premier, troisième et quatrième alinéas, les mots " permis de lotir " sont chaque fois remplacés par les mots " permis d'environnement pour le lotissement de sols " ;
2° le cinquième alinéa est remplacé par ce qui suit :
Aux présents lots s'appliquent les articles 84 à 86 inclus, 97, 102 et 103 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, étant entendu que le délai de dix ans après la délivrance du permis d'environnement pour le lotissement de sols, visé à l'article 102, § 1er, premier alinéa, 2°, et § 2, 2°, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement est remplacé par un délai de cinq ans à partir du 1er mai 2000. Le délai de quinze ans après la délivrance du permis d'environnement pour le lotissement de sols, visé à l'article 102, § 2, 3°, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, est remplacé par un délai de dix ans à partir du 1er mai 2000.
3° au sixième alinéa, les mots " des permis de lotir " sont remplacés par les mots " des permis d'environnement pour le lotissement de sols ".
1° aux premier, troisième et quatrième alinéas, les mots " permis de lotir " sont chaque fois remplacés par les mots " permis d'environnement pour le lotissement de sols " ;
2° le cinquième alinéa est remplacé par ce qui suit :
Aux présents lots s'appliquent les articles 84 à 86 inclus, 97, 102 et 103 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, étant entendu que le délai de dix ans après la délivrance du permis d'environnement pour le lotissement de sols, visé à l'article 102, § 1er, premier alinéa, 2°, et § 2, 2°, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement est remplacé par un délai de cinq ans à partir du 1er mai 2000. Le délai de quinze ans après la délivrance du permis d'environnement pour le lotissement de sols, visé à l'article 102, § 2, 3°, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, est remplacé par un délai de dix ans à partir du 1er mai 2000.
3° au sixième alinéa, les mots " des permis de lotir " sont remplacés par les mots " des permis d'environnement pour le lotissement de sols ".
Art.358. Artikel 7.5.5 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 7.5.5. Het verval van een verkavelingsakkoord of van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 7.5.4, kan niet worden tegengesteld aan personen die zich op dat verkavelingsakkoord of die omgevingsvergunning beroepen, als ze kunnen aantonen dat de overheid, na het verval, hetzij op grond van of refererend aan het verkavelingsakkoord of die vergunning omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen of stedenbouwkundige attesten heeft verleend, hetzij bijstellingen aan de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden heeft toegestaan. Daarvoor moet voldaan zijn aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
1° de vergunningen of attesten zijn verleend voor een of meer kavels van die personen binnen de omschrijving van het verkavelingsakkoord of de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden;
2° de vergunningen of attesten zijn door de hogere overheid of de rechter niet onrechtmatig bevonden.".
"Art. 7.5.5. Het verval van een verkavelingsakkoord of van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 7.5.4, kan niet worden tegengesteld aan personen die zich op dat verkavelingsakkoord of die omgevingsvergunning beroepen, als ze kunnen aantonen dat de overheid, na het verval, hetzij op grond van of refererend aan het verkavelingsakkoord of die vergunning omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen of stedenbouwkundige attesten heeft verleend, hetzij bijstellingen aan de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden heeft toegestaan. Daarvoor moet voldaan zijn aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
1° de vergunningen of attesten zijn verleend voor een of meer kavels van die personen binnen de omschrijving van het verkavelingsakkoord of de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden;
2° de vergunningen of attesten zijn door de hogere overheid of de rechter niet onrechtmatig bevonden.".
Art.358. L'article 7.5.5 du même code est remplacé par ce qui suit :
" Art. 7.5.5. L'expiration d'un accord de lotissement ou d'un permis d'environnement pour le lotissement de sols, visée à l'article 7.5.4, ne peut pas être opposée aux personnes qui font valoir cet accord de lotissement ou ce permis d'environnement, à condition qu'elles soient en mesure de démontrer que les autorités publiques ont permis, après l'expiration, soit l'octroi de permis d'environnement pour actes urbanistiques, de permis de construire ou d'attestations urbanistiques, et ce, en vertu de, ou en référence à l'accord de lotissement ou au permis d'environnement pour le lotissement de sols, soit des modifications au permis d'environnement pour le lotissement de sols. Dans ce dessein, les deux conditions suivantes doivent être remplies :
1° les autorisations ou attestations relatives à un ou à plusieurs lots de ces personnes ont été octroyées dans le cadre de l'accord de lotissement ou du permis d'environnement pour le lotissement de sols ;
2° les autorisations ou attestations n'ont pas été reconnues par une autorité supérieure ou par un juge comme étant illégitimes. ".
" Art. 7.5.5. L'expiration d'un accord de lotissement ou d'un permis d'environnement pour le lotissement de sols, visée à l'article 7.5.4, ne peut pas être opposée aux personnes qui font valoir cet accord de lotissement ou ce permis d'environnement, à condition qu'elles soient en mesure de démontrer que les autorités publiques ont permis, après l'expiration, soit l'octroi de permis d'environnement pour actes urbanistiques, de permis de construire ou d'attestations urbanistiques, et ce, en vertu de, ou en référence à l'accord de lotissement ou au permis d'environnement pour le lotissement de sols, soit des modifications au permis d'environnement pour le lotissement de sols. Dans ce dessein, les deux conditions suivantes doivent être remplies :
1° les autorisations ou attestations relatives à un ou à plusieurs lots de ces personnes ont été octroyées dans le cadre de l'accord de lotissement ou du permis d'environnement pour le lotissement de sols ;
2° les autorisations ou attestations n'ont pas été reconnues par une autorité supérieure ou par un juge comme étant illégitimes. ".
Art.359. In titel VII, hoofdstuk V, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010 en 6 juli 2012, wordt het opschrift van afdeling 4 van hetzelfde decreet vervangen door wat volgt:
"Afdeling 4. Verval, bijstelling of opheffing van omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden".
"Afdeling 4. Verval, bijstelling of opheffing van omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden".
Art.359. Au titre VII, chapitre V, du même code, modifié par les décrets des 16 juillet 2010 et 6 juillet 2012, l'intitulé de la section 4 est remplacé par ce qui suit :
" Section 4. Expiration, actualisation ou suspension du permis d'environnement pour le lotissement de sols ".
" Section 4. Expiration, actualisation ou suspension du permis d'environnement pour le lotissement de sols ".
Art.360. Artikel 7.5.6 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 7.5.6. Artikel 84 tot en met 86, artikel 97 en artikel 102 en 103 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning zijn van toepassing op de omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden die verleend zijn vanaf 22 december 1970 en vóór 1 mei 2000. De beperking, vermeld in artikel 102, § 1, tweede lid, 2°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, geldt evenwel niet voor de verkopen van verkavelingen in hun geheel die een vaste datum hebben verkregen vóór 1 september 2009, op voorwaarde dat de overheid hetzij op grond van of refererend aan de omgevingsvergunning stedenbouwkundige attesten of omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen heeft verleend, hetzij bijstellingen aan de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden heeft toegestaan, als die door de hogere overheid of de rechter niet onrechtmatig zijn bevonden. Dergelijke verkopen in hun geheel konden wel het verval van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden verhinderen. Het voorgaande heeft nooit tot gevolg dat teruggekomen wordt op in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissingen die tot het verval van omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden hebben geleid op grond van het oordeel dat verkopen van verkavelingen in hun geheel niet het verval van een verkaveling kunnen verhinderen.
De termijn van tien jaar na de afgifte van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 102, § 1, eerste lid, 2°, en § 2, 2°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wordt vervangen door een termijn van vijf jaar vanaf 1 mei 2000, voor niet-vervallen omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden die zijn uitgereikt meer dan vijf jaar vóór 1 mei 2000.
De termijn van vijftien jaar na de afgifte van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 102, § 2, 3°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wordt vervangen door een termijn van tien jaar vanaf 1 mei 2000, voor niet-vervallen omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden die zijn uitgereikt meer dan vijf jaar vóór 1 mei 2000.".
"Art. 7.5.6. Artikel 84 tot en met 86, artikel 97 en artikel 102 en 103 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning zijn van toepassing op de omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden die verleend zijn vanaf 22 december 1970 en vóór 1 mei 2000. De beperking, vermeld in artikel 102, § 1, tweede lid, 2°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, geldt evenwel niet voor de verkopen van verkavelingen in hun geheel die een vaste datum hebben verkregen vóór 1 september 2009, op voorwaarde dat de overheid hetzij op grond van of refererend aan de omgevingsvergunning stedenbouwkundige attesten of omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen heeft verleend, hetzij bijstellingen aan de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden heeft toegestaan, als die door de hogere overheid of de rechter niet onrechtmatig zijn bevonden. Dergelijke verkopen in hun geheel konden wel het verval van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden verhinderen. Het voorgaande heeft nooit tot gevolg dat teruggekomen wordt op in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissingen die tot het verval van omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden hebben geleid op grond van het oordeel dat verkopen van verkavelingen in hun geheel niet het verval van een verkaveling kunnen verhinderen.
De termijn van tien jaar na de afgifte van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 102, § 1, eerste lid, 2°, en § 2, 2°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wordt vervangen door een termijn van vijf jaar vanaf 1 mei 2000, voor niet-vervallen omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden die zijn uitgereikt meer dan vijf jaar vóór 1 mei 2000.
De termijn van vijftien jaar na de afgifte van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 102, § 2, 3°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wordt vervangen door een termijn van tien jaar vanaf 1 mei 2000, voor niet-vervallen omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden die zijn uitgereikt meer dan vijf jaar vóór 1 mei 2000.".
Art.360. L'article 7.5.6 du même code, modifié par le décret du 16 juillet 2010, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 7.5.6. Les articles 84 à 86 inclus, 97, 102 et 103 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement sont d'application aux permis d'environnement pour le lotissement de sols octroyés à partir du 22 décembre 1970 et avant le 1er mai 2000. La restriction mentionnée à l'article 102, § 1er, deuxième alinéa, 2°, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, ne vaut toutefois pas pour les ventes de lots dans leur intégralité ayant obtenu date certaine avant le 1er septembre 2009, à condition que l'autorité ait délivrée des attestations urbanistiques ou des permis d'environnement pour actes urbanistiques soit sur la base de ou par référence au permis d'environnement pour le lotissement de sols, soit ait autorisé des adaptations au permis d'environnement pour le lotissement de sols, dans la mesure où l'autorité supérieure ou le juge ne les a pas jugés illégitimes. De telles ventes dans leur intégralité étaient bien en mesure d'empêcher l'échéance d'un permis d'environnement pour le lotissement de sols. Ce qui précède n'entraîne jamais la révocation des décisions passées en force de choses jugées, qui ont déterminé l'expiration de permis d'environnement pour le lotissement de sols en vertu de l'avis que la vente de lotissements dans leur intégralité n'est pas de nature à empêcher le délabrement d'un lotissement.
Le délai de dix ans après la délivrance du permis d'environnement pour le lotissement de sols, visé à l'article 102, § 1er, alinéa premier, 2°, et § 2, 2°, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, est remplacé par un délai de cinq ans à partir du 1er mai 2000, pour les permis d'environnement pour le lotissement de sols non échus délivrés plus de cinq ans avant le 1er mai 2000.
Le délai de quinze ans après la délivrance du permis d'environnement pour le lotissement de sols, visé à l'article 102, § 2, 3°, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, est remplacé par un délai de dix ans à partir du 1er mai 2000, pour les permis d'environnement pour le lotissement de sols non échus délivrés plus de cinq ans avant le 1er mai 2000.
" Art. 7.5.6. Les articles 84 à 86 inclus, 97, 102 et 103 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement sont d'application aux permis d'environnement pour le lotissement de sols octroyés à partir du 22 décembre 1970 et avant le 1er mai 2000. La restriction mentionnée à l'article 102, § 1er, deuxième alinéa, 2°, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, ne vaut toutefois pas pour les ventes de lots dans leur intégralité ayant obtenu date certaine avant le 1er septembre 2009, à condition que l'autorité ait délivrée des attestations urbanistiques ou des permis d'environnement pour actes urbanistiques soit sur la base de ou par référence au permis d'environnement pour le lotissement de sols, soit ait autorisé des adaptations au permis d'environnement pour le lotissement de sols, dans la mesure où l'autorité supérieure ou le juge ne les a pas jugés illégitimes. De telles ventes dans leur intégralité étaient bien en mesure d'empêcher l'échéance d'un permis d'environnement pour le lotissement de sols. Ce qui précède n'entraîne jamais la révocation des décisions passées en force de choses jugées, qui ont déterminé l'expiration de permis d'environnement pour le lotissement de sols en vertu de l'avis que la vente de lotissements dans leur intégralité n'est pas de nature à empêcher le délabrement d'un lotissement.
Le délai de dix ans après la délivrance du permis d'environnement pour le lotissement de sols, visé à l'article 102, § 1er, alinéa premier, 2°, et § 2, 2°, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, est remplacé par un délai de cinq ans à partir du 1er mai 2000, pour les permis d'environnement pour le lotissement de sols non échus délivrés plus de cinq ans avant le 1er mai 2000.
Le délai de quinze ans après la délivrance du permis d'environnement pour le lotissement de sols, visé à l'article 102, § 2, 3°, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, est remplacé par un délai de dix ans à partir du 1er mai 2000, pour les permis d'environnement pour le lotissement de sols non échus délivrés plus de cinq ans avant le 1er mai 2000.
Art.361. Artikel 7.5.7 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 7.5.7. Artikel 84, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning is van toepassing op ruimtelijke uitvoeringsplannen en bijzondere plannen van aanleg die voorlopig zijn vastgesteld of aangenomen vanaf 1 september 2009.
De bijstelling of de opheffing van omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden ingevolge de definitieve vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan of een bijzonder plan van aanleg dat voorlopig is vastgesteld of aangenomen vóór 1 september 2009, wordt afgehandeld overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.".
"Art. 7.5.7. Artikel 84, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning is van toepassing op ruimtelijke uitvoeringsplannen en bijzondere plannen van aanleg die voorlopig zijn vastgesteld of aangenomen vanaf 1 september 2009.
De bijstelling of de opheffing van omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden ingevolge de definitieve vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan of een bijzonder plan van aanleg dat voorlopig is vastgesteld of aangenomen vóór 1 september 2009, wordt afgehandeld overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.".
Art.361. L'article 7.5.7 du même code est remplacé par ce qui suit :
" Art. 7.5.7. L'article 84, premier alinéa, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement s'applique aux plans d'exécution spatiaux et aux plans particuliers d'aménagement qui sont provisoirement établis ou adoptés à partir du 1er septembre 2009.
L'actualisation ou la suspension des permis d'environnement pour le lotissement de sols en conséquence de la fixation définitive d'un plan d'exécution spatial ou d'un plan particulier d'aménagement ayant été provisoirement établi ou adopté avant le 1er septembre 2009 est réglée conformément aux modalités qui étaient en vigueur avant cette date. ".
" Art. 7.5.7. L'article 84, premier alinéa, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement s'applique aux plans d'exécution spatiaux et aux plans particuliers d'aménagement qui sont provisoirement établis ou adoptés à partir du 1er septembre 2009.
L'actualisation ou la suspension des permis d'environnement pour le lotissement de sols en conséquence de la fixation définitive d'un plan d'exécution spatial ou d'un plan particulier d'aménagement ayant été provisoirement établi ou adopté avant le 1er septembre 2009 est réglée conformément aux modalités qui étaient en vigueur avant cette date. ".
Art.362. Artikel 7.5.9 van dezelfde codex wordt opgeheven.
Art.362. L'article 7.5.9 du même code est abrogé.
Art.363. Artikel 8.1.1 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 8.1.1. Deze codex wordt aangehaald als "Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening" en afgekort als VCRO.".
"Art. 8.1.1. Deze codex wordt aangehaald als "Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening" en afgekort als VCRO.".
Art.363. L'article 8.1.1 du même code est remplacé par ce qui suit :
" Art. 8.1.1. Il est référé au présent code comme " Code flamand de l'Aménagement du Territoire ", ou, en abrégé, VCRO. ".
" Art. 8.1.1. Il est référé au présent code comme " Code flamand de l'Aménagement du Territoire ", ou, en abrégé, VCRO. ".
Afdeling 28. - Wijzigingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen
Section 28. - Modifications au décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets
Art.364. In artikel 3 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 1°, d), wordt de zinsnede "het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning";
2° punt 8° wordt vervangen door wat volgt:
"8° beste beschikbare technieken: beste beschikbare technieken als vermeld bij of krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;".
1° in punt 1°, d), wordt de zinsnede "het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning";
2° punt 8° wordt vervangen door wat volgt:
"8° beste beschikbare technieken: beste beschikbare technieken als vermeld bij of krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;".
Art.364. Les modifications suivantes sont apportées à l'article 3 du décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets :
1° au point 1°, d), le passage " décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement " ;
2° le point 8° est remplacé par ce qui suit :
" 8° meilleures techniques disponibles : les meilleures techniques disponibles telles que visées dans le titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement et le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ; ".
1° au point 1°, d), le passage " décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement " ;
2° le point 8° est remplacé par ce qui suit :
" 8° meilleures techniques disponibles : les meilleures techniques disponibles telles que visées dans le titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement et le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ; ".
Art.365. In artikel 7, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid".
Art.365. A l'article 7, deuxième alinéa, du même décret, le passage " chapitre IIIbis du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " titre V, chapitre 6, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ".
Art.366. In artikel 11 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
"Op de vergunningen en meldingen, vermeld in paragraaf 1, zijn de bepalingen van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning van toepassing.";
2° in paragraaf 3, eerste en tweede lid, wordt de zinsnede "28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning" en wordt het woord "milieuvergunningen" vervangen door het woord "omgevingsvergunningen".
1° in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
"Op de vergunningen en meldingen, vermeld in paragraaf 1, zijn de bepalingen van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning van toepassing.";
2° in paragraaf 3, eerste en tweede lid, wordt de zinsnede "28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning" en wordt het woord "milieuvergunningen" vervangen door het woord "omgevingsvergunningen".
Art.366. A l'article 11 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, le premier alinéa est remplacé par ce qui suit :
" Les dispositions du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement sont applicables aux autorisations et déclarations, visées au § 1er. " ;
2° au paragraphe 3, premier et deuxième alinéas, le passage " le décret du 28 juin relatif à l'autorisation anti-pollution, les autorisations anti-pollution, visées au § 1er, ne peuvent être accordées " est remplacé par le passage " le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, les permis d'environnement, visés au § 1er, ne peuvent être accordés ".
1° au paragraphe 2, le premier alinéa est remplacé par ce qui suit :
" Les dispositions du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement sont applicables aux autorisations et déclarations, visées au § 1er. " ;
2° au paragraphe 3, premier et deuxième alinéas, le passage " le décret du 28 juin relatif à l'autorisation anti-pollution, les autorisations anti-pollution, visées au § 1er, ne peuvent être accordées " est remplacé par le passage " le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, les permis d'environnement, visés au § 1er, ne peuvent être accordés ".
Art.367. In artikel 25, § 1, 1°, van hetzelfde decreet wordt het woord "milieuvergunning" vervangen door het woord "omgevingsvergunning".
Art.367. A l'article 25, § 1er, 1°, du même décret, les mots " à l'autorisation écologique " sont remplacés par les mots " au permis d'environnement ".
Art.368. In artikel 44 van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".
Art.368. A l'article 44 du même décret, le passage " 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique " est remplacé par le passage " 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ".
Art.369. In artikel 46, § 1, 1°, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "milieu-" vervangen door de zinsnede "omgevings-".
Art.369. A l'article 46, § 1er, 1°, du même décret, les mots " une autorisation écologique " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement ".
Afdeling 29. - Wijzigingen van het decreet van 1 juni 2012 houdende de beveiliging van woningen door optische rookmelders
Section 29. - Modifications au décret du 1er juin 2012 portant protection d'habitations au moyen de détecteurs de fumée optiques
Art.370. In artikel 3 van het decreet van 1 juni 2012 houdende de beveiliging van woningen door optische rookmelders worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art.370. A l'article 3 du décret du 1er juin 2012 portant protection d'habitations au moyen de détecteurs de fumée optiques, les mots " une autorisation urbanistique est requise et pour lesquels l'autorisation urbanistique est demandée " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour actes urbanistiques est requis et pour lesquels ce permis d'environnement est demandé ".
Afdeling 30. - Wijzigingen van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed
Section 30. - Modifications au décret du 12 juillet 2013 relatif au patrimoine immobilier
Art.371. In artikel 5.4.1 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen".
Art.371. A l'article 5.4.1 du décret du 12 juillet 2013 relatif au patrimoine immobilier, les mots " d'une autorisation urbanistique " sont chaque fois remplacés par les mots " d'un permis d'environnement pour actes urbanistiques " et les mots " l'autorisation urbanistique " sont remplacés par les mots " le permis d'environnement pour actes urbanistiques ".
Art.372. In artikel 5.4.2 van hetzelfde decreet wordt het woord "verkavelingsvergunning" telkens vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".
Art.372. A l'article 5.4.2 du même décret, les mots " permis de lotir " sont chaque fois remplacés par les mots " permis d'environnement pour le lotissement de sols ".
Art.373. In artikel 5.4.3 van hetzelfde decreet worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen" en het woord "verkavelingsvergunning" door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".
Art.373. A l'article 5.4.3 du même décret, les mots " d'une autorisation urbanistique avec intervention dans le sol ou d'un permis de lotir " sont remplacés par les mots " d'un permis d'environnement pour les actes urbanistiques avec intervention dans le sol ou pour le lotissement de sols ".
Art.374. In artikel 5.4.4 van hetzelfde decreet worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden".
Art.374. A l'article 5.4.4 du même décret, les mots " une autorisation urbanistique ou un permis de lotir " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour les actes urbanistiques ou pour le lotissement de sols ".
Art.375. In artikel 5.4.5 van hetzelfde decreet worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden".
Art.375. A l'article 5.4.5 du même décret, les mots " de l'autorisation urbanistique ou du permis de lotir " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement pour les actes urbanistiques ou pour le lotissement de sols ".
Art.376. In artikel 5.4.12 van hetzelfde decreet worden de woorden "stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden".
Art.376. A l'article 5.4.12 du même décret, les mots " d'une autorisation urbanistique ou d'une autorisation de lotir " sont remplacés par les mots " d'un permis d'environnement pour les actes urbanistiques ou pour le lotissement de sols ".
Art.377. In artikel 6.4.4 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden "geen stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning, geen milieuvergunning overeenkomstig het decreet van 28 juni 1995 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de woorden "geen omgevingsvergunning";
2° in paragraaf 2 worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden" en worden tussen de woorden "van de VCRO" en de zinsnede ". Dit advies heeft" de woorden "of het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning" ingevoegd;
3° in § 3, eerste lid, worden de woorden "milieuvergunning overeenkomstig het decreet van 28 juni 1995 betreffende de milieuvergunning vereist" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vereist" en worden de woorden "procedurebepalingen van het decreet van 28 juni 1995 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de woorden "procedurebepalingen van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".
1° in paragraaf 1 worden de woorden "geen stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning, geen milieuvergunning overeenkomstig het decreet van 28 juni 1995 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de woorden "geen omgevingsvergunning";
2° in paragraaf 2 worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden" en worden tussen de woorden "van de VCRO" en de zinsnede ". Dit advies heeft" de woorden "of het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning" ingevoegd;
3° in § 3, eerste lid, worden de woorden "milieuvergunning overeenkomstig het decreet van 28 juni 1995 betreffende de milieuvergunning vereist" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vereist" en worden de woorden "procedurebepalingen van het decreet van 28 juni 1995 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de woorden "procedurebepalingen van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".
Art.377. A l'article 6.4.4 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, les mots " aucune autorisation urbanistique, aucun permis de lotir ou aucun permis d'environnement conformément au décret du 28 juin 1995 relatif au permis d'environnement " sont remplacés par les mots " aucun permis d'environnement " ;
2° au paragraphe 2, les mots " un permis urbanistique ou un permis de lotir " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour actes urbanistiques ou pour le lotissement de sols " et les mots " ou du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement " sont insérés entre les mots " du VCRO " et le passage " . L'avis " ;
3° au paragraphe 3, premier alinéa, les mots " un permis d'environnement est requis conformément au décret du 28 juin 1995 " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e) est requis " et les mots " dispositions de procédure du décret du 28 juin 1995 relatif au permis d'environnement " sont remplacés par les mots " dispositions de procédure du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ".
1° au paragraphe 1er, les mots " aucune autorisation urbanistique, aucun permis de lotir ou aucun permis d'environnement conformément au décret du 28 juin 1995 relatif au permis d'environnement " sont remplacés par les mots " aucun permis d'environnement " ;
2° au paragraphe 2, les mots " un permis urbanistique ou un permis de lotir " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour actes urbanistiques ou pour le lotissement de sols " et les mots " ou du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement " sont insérés entre les mots " du VCRO " et le passage " . L'avis " ;
3° au paragraphe 3, premier alinéa, les mots " un permis d'environnement est requis conformément au décret du 28 juin 1995 " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e) est requis " et les mots " dispositions de procédure du décret du 28 juin 1995 relatif au permis d'environnement " sont remplacés par les mots " dispositions de procédure du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ".
Art.378. In artikel 6.4.6, tweede en derde lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning; een milieuvergunning overeenkomstig het decreet van 28 juni 1995 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning".
Art.378. A l'article 6.4.6, deuxième et troisième alinéas, du même décret, les mots " d'un permis d'urbanisme ou d'un permis de lotir, d'un permis d'environnement conformément au décret du 28 juin 1995 relatif au permis d'environnement " sont remplacés par les mots " d'un permis d'environnement ".
Art.379. In artikel 10.3.1 van hetzelfde decreet worden de woorden "de stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of het verkavelen van gronden".
Art.379. A l'article 10.3.1 du même décret, les mots " du permis d'urbanisme ou du permis de lotir " sont remplacés par les mots " du permis d'environnement pour les actes urbanistiques ou pour le lotissement de sols ".
Art.381. In artikel 12.3.14 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede en het vijfde lid worden de woorden "geen stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "geen stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
2° in het zesde lid worden de woorden "van het college van burgemeester en schepenen" opgeheven en worden tussen de woorden "toekenning of weigering van" en de woorden "een stedenbouwkundige vergunning" de woorden "een omgevingsvergunning," ingevoegd;
3° in het zevende lid worden de woorden "bij het college van burgemeester en schepenen" opgeheven en worden de woorden "voor een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "voor een omgevingsvergunning, stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning" en worden de woorden "het college nog" vervangen door de woorden "de vergunningverlenende overheid nog";
4° het achtste lid wordt opgeheven;
5° in het negende lid, dat het achtste lid wordt, worden de woorden "in de in het vorige lid omschreven gevallen" en de woorden "bij de deputatie" opgeheven;
6° het tiende lid wordt opgeheven.
1° in het tweede en het vijfde lid worden de woorden "geen stedenbouwkundige vergunning" vervangen door de woorden "geen stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen";
2° in het zesde lid worden de woorden "van het college van burgemeester en schepenen" opgeheven en worden tussen de woorden "toekenning of weigering van" en de woorden "een stedenbouwkundige vergunning" de woorden "een omgevingsvergunning," ingevoegd;
3° in het zevende lid worden de woorden "bij het college van burgemeester en schepenen" opgeheven en worden de woorden "voor een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "voor een omgevingsvergunning, stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning" en worden de woorden "het college nog" vervangen door de woorden "de vergunningverlenende overheid nog";
4° het achtste lid wordt opgeheven;
5° in het negende lid, dat het achtste lid wordt, worden de woorden "in de in het vorige lid omschreven gevallen" en de woorden "bij de deputatie" opgeheven;
6° het tiende lid wordt opgeheven.
Art.381. A l'article 12.3.14 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° aux deuxième et cinquième alinéas, les mots " aucun permis d'urbanisme " sont remplacés par les mots " aucun permis d'urbanisme ou permis d'environnement pour les actes urbanistiques " ;
2° au sixième alinéa, les mots " du collège des bourgmestre et échevins " sont abrogés et les mots " d'un permis d'environnement, " sont insérés entre les mots " d'octroi ou de refus " et les mots " d'un permis d'urbanisme " ;
3° au septième alinéa, les mots " auprès du collège des bourgmestre et échevins " sont abrogés, les mots " pour un permis d'urbanisme ou un permis de lotir " sont remplacés par les mots " pour un permis d'environnement, un permis d'urbanisme ou un permis de lotir " et les mots " le collège n'a pas encore " sont remplacés par les mots " l'autorité délivrant l'autorisation n'a pas encore " ;
4° le huitième alinéa est abrogé ;
5° au neuvième alinéa, qui devient le huitième alinéa, les mots ", dans les cas décrits à l'alinéa précédent, " et les mots " auprès de la députation " sont abrogés ;
6° le dixième alinéa est abrogé.
1° aux deuxième et cinquième alinéas, les mots " aucun permis d'urbanisme " sont remplacés par les mots " aucun permis d'urbanisme ou permis d'environnement pour les actes urbanistiques " ;
2° au sixième alinéa, les mots " du collège des bourgmestre et échevins " sont abrogés et les mots " d'un permis d'environnement, " sont insérés entre les mots " d'octroi ou de refus " et les mots " d'un permis d'urbanisme " ;
3° au septième alinéa, les mots " auprès du collège des bourgmestre et échevins " sont abrogés, les mots " pour un permis d'urbanisme ou un permis de lotir " sont remplacés par les mots " pour un permis d'environnement, un permis d'urbanisme ou un permis de lotir " et les mots " le collège n'a pas encore " sont remplacés par les mots " l'autorité délivrant l'autorisation n'a pas encore " ;
4° le huitième alinéa est abrogé ;
5° au neuvième alinéa, qui devient le huitième alinéa, les mots ", dans les cas décrits à l'alinéa précédent, " et les mots " auprès de la députation " sont abrogés ;
6° le dixième alinéa est abrogé.
Afdeling 31. - Wijzigingen van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtcolleges
Section 31. - Modifications au décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la jurisprudence de certains collèges de droit administratif de Flandre
Art.382. Aan artikel 2, 1°, b), van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtcolleges worden de woorden "en waaraan tevens bevoegdheden toegekend worden bij artikel 105 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning" toegevoegd.
Art.382. Dans la version néerlandaise de l'article 2, 1°, b), du décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la jurisprudence de certains collèges de droit administratif de Flandre, les mots " en waaraan tevens bevoegdheden toegekend worden bij artikel 105 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning " sont ajoutés.
Art.383. In artikel 20 van hetzelfde decreet wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
"De decreten, vermeld in artikel 2, 1°, b), bepalen welke personen belanghebbende zijn.".
"De decreten, vermeld in artikel 2, 1°, b), bepalen welke personen belanghebbende zijn.".
Art.383. Dans la version néerlandaise de l'article 20 du même arrêté, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" De decreten, vermeld in artikel 2, 1°, b), bepalen welke personen belanghebbende zijn. ".
" De decreten, vermeld in artikel 2, 1°, b), bepalen welke personen belanghebbende zijn. ".
Art.384. In artikel 21 van hetzelfde decreet wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt:
" § 2. De leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, of bij hun afwezigheid hun gemachtigden die optreden met toepassing van artikel 105, § 2, 5°, respectievelijk 6°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning zijn vrijgesteld van de betaling van enig rolrecht, behalve in het geval de Vlaamse Regering de bevoegde overheid in eerste aanleg is.".
" § 2. De leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, of bij hun afwezigheid hun gemachtigden die optreden met toepassing van artikel 105, § 2, 5°, respectievelijk 6°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning zijn vrijgesteld van de betaling van enig rolrecht, behalve in het geval de Vlaamse Regering de bevoegde overheid in eerste aanleg is.".
Art.384. Dans la version néerlandaise de l'article 21 du même décret, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. De leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, of bij hun afwezigheid hun gemachtigden die optreden met toepassing van artikel 105, § 2, 5°, respectievelijk 6°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning zijn vrijgesteld van de betaling van enig rolrecht, behalve in het geval de Vlaamse Regering de bevoegde overheid in eerste aanleg is. ".
" § 2. De leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, of bij hun afwezigheid hun gemachtigden die optreden met toepassing van artikel 105, § 2, 5°, respectievelijk 6°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning zijn vrijgesteld van de betaling van enig rolrecht, behalve in het geval de Vlaamse Regering de bevoegde overheid in eerste aanleg is. ".
Art.385. Aan artikel 42, § 2, derde lid, 1°, van hetzelfde decreet worden de woorden "of van het Vlaamse milieurecht" toegevoegd".
Art.385. Dans la version néerlandaise de l'article 42, § 2, troisième alinéa, 1°, du même décret, les mots " of van het Vlaamse milieurecht " sont ajoutés.
HOOFDSTUK 12. - Slotbepalingen
CHAPITRE 12. - Dispositions finales
Afdeling 1. - Opheffingsbepalingen
Section 1re. - Dispositions abrogatoires
Art.386. Het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, het laatst gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012, wordt opgeheven.
Art.386. Le décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique, modifié en dernier lieu par le décret du 21 décembre 2012, est abrogé.
Afdeling 2. - Overgangsmaatregelen voor vergunningen, meldingen of erkenningen met toepassing van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning
Section 2. - Mesures transitoires visant les permis, déclarations ou agréments en application du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique
Art.387. Een aanvraag van een milieuvergunning of een erkenning, een mededeling van een kleine verandering, een melding van een derdeklasse-inrichting [2 , een overname of een verzoek tot verlenging overeenkomstig artikel 45ter, § 3, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning]2, ingediend met toepassing van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, wordt behandeld op grond van de bepalingen die geldig waren op het tijdstip waarop de aanvraag is ingediend.
Hetzelfde geldt voor de procedures tot aanvulling [2 , wijziging of afwijking]2 van milieuvoorwaarden, schorsing of opheffing van de vergunning en inzake genetisch gemodificeerde of pathogene organismen.
De vergunningverlenende overheid kan beslissen om de vergunning voor onbepaalde duur te verlenen. [2 De vergunningen die voor onbepaalde duur worden verleend, vermelden de geactualiseerde vergunningssituatie. De bijzondere milieuvoorwaarden die als gevolg van hun tijdelijk karakter, van een veranderde exploitatie of van enige wettelijke of reglementaire bepaling geen uitwerking meer hebben, worden in de geactualiseerde vergunningssituatie niet vermeld. De bevoegde overheid bezorgt de voormelde vergunningen aan de afdeling Milieu, bevoegd voor omgevingsvergunning. De Vlaamse Regering kan hierover verdere regels vaststellen.]2
[1 Artikel 18, tweede lid, en artikel 106 zijn niet van toepassing voor aspecten van exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten waarvoor voor de datum van inwerkingtreding van het decreet een melding voor een derde klasse inrichting is gebeurd of een milieuvergunningsaanvraag werd ingediend waarvoor nog geen definitieve beslissing werd genomen of waarvoor een milieuvergunning werd of wordt verleend.]1
Hetzelfde geldt voor de procedures tot aanvulling [2 , wijziging of afwijking]2 van milieuvoorwaarden, schorsing of opheffing van de vergunning en inzake genetisch gemodificeerde of pathogene organismen.
De vergunningverlenende overheid kan beslissen om de vergunning voor onbepaalde duur te verlenen. [2 De vergunningen die voor onbepaalde duur worden verleend, vermelden de geactualiseerde vergunningssituatie. De bijzondere milieuvoorwaarden die als gevolg van hun tijdelijk karakter, van een veranderde exploitatie of van enige wettelijke of reglementaire bepaling geen uitwerking meer hebben, worden in de geactualiseerde vergunningssituatie niet vermeld. De bevoegde overheid bezorgt de voormelde vergunningen aan de afdeling Milieu, bevoegd voor omgevingsvergunning. De Vlaamse Regering kan hierover verdere regels vaststellen.]2
[1 Artikel 18, tweede lid, en artikel 106 zijn niet van toepassing voor aspecten van exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten waarvoor voor de datum van inwerkingtreding van het decreet een melding voor een derde klasse inrichting is gebeurd of een milieuvergunningsaanvraag werd ingediend waarvoor nog geen definitieve beslissing werd genomen of waarvoor een milieuvergunning werd of wordt verleend.]1
Art.387. Une demande de permis d'environnement ou un agrément, la notification d'un petit changement, une déclaration d'établissement de classe trois [2 ou une reprise ou une demande de prolongation conformément à l'article 45ter, § 3, du décret du 28 juin 1985 concernant l'autorisation écologique]2, introduite en application du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique avant la date d'entrée en vigueur du présent décret est traitée sur la base des dispositions qui étaient applicables au moment où la demande a été introduite.
Il en va de même pour les procédures d'ajout [2 , ou de modification de conditions environnementales, de suspension ou d'annulation du permis ou de dérogation aux conditions environnementales, à la suspension ou à l'annulation du permis]2 et en ce qui concerne les organismes génétiquement modifiés ou pathogènes.
L'autorité délivrant le permis peut décider d'octroyer le permis pour une durée indéterminée. [2 Les autorisations octroyées pour une durée indéterminée mentionnent la situation d'autorisation actualisée. Les conditions environnementales particulières qui, consécutivement à leur caractère temporaire, à un changement d'exploitation ou à une disposition légale ou réglementaire, ont cessé de produire leur effet, ne sont pas mentionnées dans la situation d'autorisation actualisée. L'autorité compétente remet les autorisations précitées à la division de l'Environnement, compétente pour le permis d'environnement. Le Gouvernement flamand peut déterminer les modalités à cet effet.]2
[1 L'article 18, deuxième alinéa, et l'article 106 ne s'appliquent pas aux aspects de l'exploitation d'établissements et d'activités classés pour lesquels, avant la date d'entrée en vigueur du décret, une notification pour un établissement relevant de la troisième classe est effectuée ou une demande de permis d'environnement a été introduite pour laquelle aucune décision définitive n'a encore été prise ou pour laquelle un permis d'environnement a été ou est délivré.]1
Il en va de même pour les procédures d'ajout [2 , ou de modification de conditions environnementales, de suspension ou d'annulation du permis ou de dérogation aux conditions environnementales, à la suspension ou à l'annulation du permis]2 et en ce qui concerne les organismes génétiquement modifiés ou pathogènes.
L'autorité délivrant le permis peut décider d'octroyer le permis pour une durée indéterminée. [2 Les autorisations octroyées pour une durée indéterminée mentionnent la situation d'autorisation actualisée. Les conditions environnementales particulières qui, consécutivement à leur caractère temporaire, à un changement d'exploitation ou à une disposition légale ou réglementaire, ont cessé de produire leur effet, ne sont pas mentionnées dans la situation d'autorisation actualisée. L'autorité compétente remet les autorisations précitées à la division de l'Environnement, compétente pour le permis d'environnement. Le Gouvernement flamand peut déterminer les modalités à cet effet.]2
[1 L'article 18, deuxième alinéa, et l'article 106 ne s'appliquent pas aux aspects de l'exploitation d'établissements et d'activités classés pour lesquels, avant la date d'entrée en vigueur du décret, une notification pour un établissement relevant de la troisième classe est effectuée ou une demande de permis d'environnement a été introduite pour laquelle aucune décision définitive n'a encore été prise ou pour laquelle un permis d'environnement a été ou est délivré.]1
Art.388. § 1. De vergunningen en milieuvergunningen die nog geldig waren alsook de milieuvergunningen die nog worden verleend op grond van de bepalingen van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, zijn geldig voor de vastgestelde duur, met behoud van de toepassing van artikel 43 [1 , 44 en 45ter van]1 het voormelde decreet en artikel 390 van dit decreet.
Een melding van een derdeklasse-inrichting gedaan krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, blijft geldig.
[2 De afwijkingen op de algemene en de sectorale milieuvoorwaarden, de kennisgevingen en de toelatingen inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen die nog geldig waren of nog worden verleend op grond van de bepalingen van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning blijven geldig voor de vastgestelde duur of overeenkomstig de voorwaarden die erop van toepassing zijn.
In afwijking van het derde lid wordt een afwijking op de algemene en de sectorale milieuvoorwaarden overeenkomstig de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt, geacht voor onbepaalde duur geldig te zijn als met toepassing van artikel 390 voor de ingedeelde inrichting of activiteit waarop zij betrekking heeft de milieuvergunning van bepaalde duur wordt omgezet in een vergunning van onbepaalde duur.]2
§ 2. De erkenningen die zijn of worden verleend op grond van de bepalingen die van toepassing zijn voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, blijven geldig voor de vastgestelde duur van de erkenning. Op de houders van die erkenningen kan binnen het voorwerp van hun erkenning een beroep worden gedaan.
§ 3. [2 [3 De vergunning en de milieuvergunning, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, en de melding, vermeld in paragraaf 1, tweede lid]3, worden voor de toepassing van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en titel V van het DABM beschouwd als de omgevingsvergunning respectievelijk de melding, waarvan akte is genomen.]2
Voor de toepassing van de bepalingen van titel V van het DABM wordt een erkenning als vermeld in paragraaf 2, beschouwd als een erkenning als vermeld in hoofdstuk 6 van dezelfde titel V.
[2 Voor de toepassing van de bepalingen van titel V van het DABM wordt:
1° een afwijking als vermeld in paragraaf 1, derde lid, beschouwd als een afwijking vermeld in artikel 5.4.8 van dezelfde titel V;
2° een kennisgeving en een toelating als vermeld in paragraaf 1, derde lid, beschouwd als de kennisgeving en de toelating vermeld in artikel 5.5.2, § 1, van dezelfde titel V.]2
[2 § 4. De bijzondere milieuvoorwaarden opgelegd in de milieuvergunning of in een besluit betreffende een in de derde klasse ingedeelde inrichting of activiteit blijven in de mate dat zij van toepassing waren of worden gebracht op de ingedeelde inrichting of activiteit van toepassing tot zij worden gewijzigd of opgeheven.
De krachtens artikel 20 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning door de Vlaamse Regering goedgekeurde algemene en sectorale milieuvoorwaarden blijven in de mate dat zij van toepassing waren of worden gebracht op de ingedeelde inrichting of activiteit van toepassing tot zij worden gewijzigd of opgeheven.
Artikel 5.4.5 en 5.4.6 van titel V van het DABM gelden uitsluitend voor milieuvoorwaarden die vanaf de datum van inwerkingtreding van titel V van het DABM door de Vlaamse Regering worden goedgekeurd respectievelijk door de bevoegde overheid worden opgelegd.
Artikel 5.4.7 van titel V van het DABM is niet van toepassing op algemene en sectorale milieuvoorwaarden die voor de datum van inwerkingtreding van titel V van het DABM door de Vlaamse Regering werden goedgekeurd.]2
Een melding van een derdeklasse-inrichting gedaan krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, blijft geldig.
[2 De afwijkingen op de algemene en de sectorale milieuvoorwaarden, de kennisgevingen en de toelatingen inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen die nog geldig waren of nog worden verleend op grond van de bepalingen van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning blijven geldig voor de vastgestelde duur of overeenkomstig de voorwaarden die erop van toepassing zijn.
In afwijking van het derde lid wordt een afwijking op de algemene en de sectorale milieuvoorwaarden overeenkomstig de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt, geacht voor onbepaalde duur geldig te zijn als met toepassing van artikel 390 voor de ingedeelde inrichting of activiteit waarop zij betrekking heeft de milieuvergunning van bepaalde duur wordt omgezet in een vergunning van onbepaalde duur.]2
§ 2. De erkenningen die zijn of worden verleend op grond van de bepalingen die van toepassing zijn voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, blijven geldig voor de vastgestelde duur van de erkenning. Op de houders van die erkenningen kan binnen het voorwerp van hun erkenning een beroep worden gedaan.
§ 3. [2 [3 De vergunning en de milieuvergunning, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, en de melding, vermeld in paragraaf 1, tweede lid]3, worden voor de toepassing van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en titel V van het DABM beschouwd als de omgevingsvergunning respectievelijk de melding, waarvan akte is genomen.]2
Voor de toepassing van de bepalingen van titel V van het DABM wordt een erkenning als vermeld in paragraaf 2, beschouwd als een erkenning als vermeld in hoofdstuk 6 van dezelfde titel V.
[2 Voor de toepassing van de bepalingen van titel V van het DABM wordt:
1° een afwijking als vermeld in paragraaf 1, derde lid, beschouwd als een afwijking vermeld in artikel 5.4.8 van dezelfde titel V;
2° een kennisgeving en een toelating als vermeld in paragraaf 1, derde lid, beschouwd als de kennisgeving en de toelating vermeld in artikel 5.5.2, § 1, van dezelfde titel V.]2
[2 § 4. De bijzondere milieuvoorwaarden opgelegd in de milieuvergunning of in een besluit betreffende een in de derde klasse ingedeelde inrichting of activiteit blijven in de mate dat zij van toepassing waren of worden gebracht op de ingedeelde inrichting of activiteit van toepassing tot zij worden gewijzigd of opgeheven.
De krachtens artikel 20 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning door de Vlaamse Regering goedgekeurde algemene en sectorale milieuvoorwaarden blijven in de mate dat zij van toepassing waren of worden gebracht op de ingedeelde inrichting of activiteit van toepassing tot zij worden gewijzigd of opgeheven.
Artikel 5.4.5 en 5.4.6 van titel V van het DABM gelden uitsluitend voor milieuvoorwaarden die vanaf de datum van inwerkingtreding van titel V van het DABM door de Vlaamse Regering worden goedgekeurd respectievelijk door de bevoegde overheid worden opgelegd.
Artikel 5.4.7 van titel V van het DABM is niet van toepassing op algemene en sectorale milieuvoorwaarden die voor de datum van inwerkingtreding van titel V van het DABM door de Vlaamse Regering werden goedgekeurd.]2
Art.388. § 1er. Les permis et autorisations écologiques qui étaient encore valables, ainsi que les autorisations écologiques qui sont encore octroyées sur la base des dispositions du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique, sont valables pour la durée fixée, sans préjudice de l'application des articles 43 [1 , 44 et 45ter du]1 décret précité et de l'article 390 du présent décret.
La déclaration d'un établissement de classe trois effectuée en vertu du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique avant la date d'entrée en vigueur du présent décret reste valable.
[2 Les dérogations aux conditions environnementales générales et sectorielles, les notifications et les autorisations en matière d'utilisation confinée d'organismes génétiquement modifiés ou pathogènes qui étaient encore valables ou qui sont encore délivrées en exécution des dispositions du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique restent valables pour la durée déterminée conformément aux conditions qui y sont applicables.
Par dérogation au troisième alinéa, une dérogation aux conditions environnementales générales et sectorielles est réputée, conformément aux conditions déterminées par le Gouvernement flamand, être valable pour une durée déterminée si, en application des dispositions de l'article 390, le permis d'environnement à durée déterminée est converti en une autorisation à durée indéterminée pour l'établissement ou l'activité classé auquel il se rapporte.]2
§ 2. Les agréments octroyés sur la base des dispositions qui sont d'application avant la date d'entrée en vigueur du présent décret restent valables pour la durée fixée de l'agrément. Il peut être fait appel aux titulaires de ces agréments dans le cadre de leur agrément.
§ 3. [2 [3 l'autorisation et le permis d'environnement, visés au paragraphe 1er, premier alinéa, et la déclaration, visée au paragraphe 1er, deuxième alinéa]3, sont, pour l'application du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement et du titre V du DABM, considéré comme le permis d'environnement ou, respectivement, comme la déclaration dont il est pris acte.]2
Pour l'application des dispositions du titre V du DABM, un agrément tel que visé au paragraphe 2 est considéré comme un agrément tel que visé au chapitre 6 de ce même titre V.
[2 Pour l'application des dispositions du titre V du DABM :
1° une dérogation telle que mentionnée au paragraphe 1er, troisième alinéa, est considérée comme une dérogation mentionnée à l'article 5.4.8 du même titre V ;
2° une notification et une autorisation telles que mentionnées au paragraphe 1er, troisième alinéa, sont considérées comme la notification et l'autorisation dont question à l'article 5.5.2, § 1er, du même titre V.]2
[2 § 4. Les conditions environnementales particulières imposées dans le permis d'environnement ou dans une décision relative à l'établissement ou à l'activité classé(e), relevant de la troisième classe, restent d'application jusqu'à leur modification ou leur abrogation, dans la mesure où elles étaient ou sont mises en application à l'établissement ou à l'activité classé(e).
Les conditions environnementales générales et sectorielles approuvées par le Gouvernement flamand en vertu de l'article 20 du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique restent applicables jusqu'à leur modification ou leur abrogation, dans la mesure où elles étaient ou sont mises en application à l'établissement ou à l'activité classé(e).
Les articles 5.4.5 et 5.4.6 du titre V du DABM s'appliquent exclusivement aux conditions environnementales qui sont approuvées et imposées respectivement par le Gouvernement flamand et par l'autorité compétente à compter de la date d'entrée en vigueur du titre V du DABM.
L'article 5.4.7 du titre V du DABM ne s'applique pas aux conditions environnementales générales et sectorielles qui sont approuvées par le Gouvernement flamand avant la date d'entrée en vigueur du titre V du DABM.]2
La déclaration d'un établissement de classe trois effectuée en vertu du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique avant la date d'entrée en vigueur du présent décret reste valable.
[2 Les dérogations aux conditions environnementales générales et sectorielles, les notifications et les autorisations en matière d'utilisation confinée d'organismes génétiquement modifiés ou pathogènes qui étaient encore valables ou qui sont encore délivrées en exécution des dispositions du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique restent valables pour la durée déterminée conformément aux conditions qui y sont applicables.
Par dérogation au troisième alinéa, une dérogation aux conditions environnementales générales et sectorielles est réputée, conformément aux conditions déterminées par le Gouvernement flamand, être valable pour une durée déterminée si, en application des dispositions de l'article 390, le permis d'environnement à durée déterminée est converti en une autorisation à durée indéterminée pour l'établissement ou l'activité classé auquel il se rapporte.]2
§ 2. Les agréments octroyés sur la base des dispositions qui sont d'application avant la date d'entrée en vigueur du présent décret restent valables pour la durée fixée de l'agrément. Il peut être fait appel aux titulaires de ces agréments dans le cadre de leur agrément.
§ 3. [2 [3 l'autorisation et le permis d'environnement, visés au paragraphe 1er, premier alinéa, et la déclaration, visée au paragraphe 1er, deuxième alinéa]3, sont, pour l'application du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement et du titre V du DABM, considéré comme le permis d'environnement ou, respectivement, comme la déclaration dont il est pris acte.]2
Pour l'application des dispositions du titre V du DABM, un agrément tel que visé au paragraphe 2 est considéré comme un agrément tel que visé au chapitre 6 de ce même titre V.
[2 Pour l'application des dispositions du titre V du DABM :
1° une dérogation telle que mentionnée au paragraphe 1er, troisième alinéa, est considérée comme une dérogation mentionnée à l'article 5.4.8 du même titre V ;
2° une notification et une autorisation telles que mentionnées au paragraphe 1er, troisième alinéa, sont considérées comme la notification et l'autorisation dont question à l'article 5.5.2, § 1er, du même titre V.]2
[2 § 4. Les conditions environnementales particulières imposées dans le permis d'environnement ou dans une décision relative à l'établissement ou à l'activité classé(e), relevant de la troisième classe, restent d'application jusqu'à leur modification ou leur abrogation, dans la mesure où elles étaient ou sont mises en application à l'établissement ou à l'activité classé(e).
Les conditions environnementales générales et sectorielles approuvées par le Gouvernement flamand en vertu de l'article 20 du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique restent applicables jusqu'à leur modification ou leur abrogation, dans la mesure où elles étaient ou sont mises en application à l'établissement ou à l'activité classé(e).
Les articles 5.4.5 et 5.4.6 du titre V du DABM s'appliquent exclusivement aux conditions environnementales qui sont approuvées et imposées respectivement par le Gouvernement flamand et par l'autorité compétente à compter de la date d'entrée en vigueur du titre V du DABM.
L'article 5.4.7 du titre V du DABM ne s'applique pas aux conditions environnementales générales et sectorielles qui sont approuvées par le Gouvernement flamand avant la date d'entrée en vigueur du titre V du DABM.]2
Art.389. De bepalingen van artikel 5 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en van artikel 4.5.1 van de VCRO gelden onverkort voor de inrichtingen of activiteiten en stedenbouwkundige handelingen die met toepassing van een van de decreten vergund of gemeld zijn, als voor de exploitatie of de uitvoering ervan nog een bijkomende vergunning of melding noodzakelijk is.
Art.389. Les dispositions de l'article 5 du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique et de l'article 4.5.1 du VCRO valent intégralement pour les établissements ou activités et actes urbanistiques qui sont autorisés ou déclarés en application d'un des décrets, lorsqu'un permis ou une déclaration supplémentaire est requis(e) en vue de leur exploitation ou exécution.
Art.390. § 1. De milieuvergunning die [2 is]2 verleend voor een termijn van twintig jaar, wordt geacht voor onbepaalde duur verleend te zijn als aan de volgende voorwaarden cumulatief is voldaan:
1° tussen de achtenveertig en zesendertig maanden voor het verstrijken van de vergunningstermijn van de milieuvergunning deelt de vergunninghouder of exploitant bij middel van een meldingsformulier waarvan de inhoud door de Vlaamse Regering wordt bepaald aan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, per beveiligde zending mee dat hij van de regeling, vermeld in deze paragraaf, toepassing wil maken;
2° [2 het betrokken publiek dient geen kennelijk gegrond bezwaar in tegen de omzetting tijdens het openbaar onderzoek. De omgevingsvergunningscommissie onderzoekt de kennelijke gegrondheid van de bezwaren binnen een termijn van vijftig dagen die aanvangt de dag na de datum waarop de mededeling, vermeld in punt 1°, door de bevoegde overheid naar de commissie is gestuurd;
2°/1 de leidende ambtenaren van de adviesinstanties aangewezen krachtens artikel 24 of artikel 42, verlenen geen negatief advies over de mededeling van de vraag tot omzetting binnen een termijn van 30 dagen die aanvangt de dag na de datum waarop de mededeling, vermeld in punt 1°, door de bevoegde overheid naar de adviesinstantie is gestuurd.]2
3° de stedenbouwkundige handelingen die noodzakelijk zijn voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn op het tijdstip van de mededeling, vermeld in punt 1°, hoofdzakelijk vergund;
4° de vraag tot omzetting vereist geen milieueffectrapport of passende beoordeling.
De gemeente of de gemeentelijke omgevingsambtenaar staat in voor de organisatie van het openbaar onderzoek, vermeld in het eerste lid, 2°.
Als met toepassing van het eerste lid de milieuvergunning geacht wordt voor onbepaalde duur verleend te zijn, wordt de milieuvergunning voor de verandering van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit ook voor onbepaalde duur geacht verleend te zijn, behalve als in het vergunningsbesluit van die milieuvergunning in een kortere vergunningstermijn is voorzien dan die welke op dat ogenblik gold voor de inrichting waarvoor de verandering toegelaten is.
[1 § 1/1. Als met toepassing van artikel 4.3.3, § 2, van het DABM bij het meldingsformulier een project-m.e.r.-screeningsnota is gevoegd, onderzoekt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar die nota en beslist of er over het project een milieueffectrapport moet worden opgesteld.
Het resultaat van het onderzoek, vermeld in het eerste lid, wordt bij beveiligde zending aan de aanvrager meegedeeld binnen een termijn van negentig dagen vanaf de dag na de datum waarop het meldingsformulier is ingediend hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten.
De beslissing dat er voor het project een milieueffectrapport moet worden opgesteld, heeft van rechtswege de stopzetting van de omzettingsprocedure tot gevolg.
Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar, beslist dat er een milieueffectrapport over het project moet worden opgesteld, kan de aanvrager een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting indienen bij de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 4.3.3, § 3 tot en met § 9, van het DABM. De beslissing van de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage, vermeld in artikel 4.3.3, § 6, van hetzelfde decreet, is bindend voor de bevoegde overheid, vermeld in het eerste lid.]1
§ 2. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, neemt akte van de mededeling, vermeld in paragraaf 1, punt 1°. [1 De akte geeft de geactualiseerde vergunningssituatie op het vlak van de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten weer.]1 De bijzondere milieuvoorwaarden die als gevolg van hun tijdelijke karakter, van een veranderde exploitatie of van enige wettelijke of reglementaire bepaling geen uitwerking meer hebben, worden in de geactualiseerde vergunningssituatie niet vermeld.
De akte geldt als bewijs dat de milieuvergunning voortaan van onbepaalde duur is. Tegen die akte kan geen administratief beroep worden ingediend.
§ 3. Als de mededeling niet binnen de termijn, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, is gedaan of als niet aan de voorwaarde, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°, is voldaan, wordt de vergunninghouder of exploitant daarvan door de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, op de hoogte gebracht. In dat geval vervalt de milieuvergunning de dag na het verstrijken van de vergunningstermijn.
§ 4. Als door het betrokken publiek of een adviesinstantie een bezwaar als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, wordt ingediend of in het geval er een milieueffectrapport of passende beoordeling vereist is, wordt de vraag tot omzetting van de milieuvergunning van bepaalde duur in een vergunning van onbepaalde duur behandeld overeenkomstig de gewone vergunningsprocedure.
De Vlaamse Regering regelt de samenstelling van het dossier betreffende een vraag tot omzetting dat aan de gewone vergunningsprocedure wordt onderworpen.
De termijnen, vermeld in artikel 32, gaan in op de dag na de datum dat de vergunninghouder of de exploitant per beveiligde zending op de hoogte wordt gebracht van het opstarten van de gewone vergunningsprocedure voor de omzetting van de milieuvergunning van bepaalde duur in een vergunning van onbepaalde duur.
Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of, in voorkomend geval, verlengde termijn als vermeld in artikel 32, wordt de omzetting van de milieuvergunning van bepaalde duur in een vergunning van onbepaalde duur geacht te zijn geweigerd.
§ 5. Tegen de uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing, vermeld in paragraaf 4, van het college van burgemeester en schepenen of van de deputatie kan beroep worden ingesteld bij de deputatie respectievelijk de Vlaamse Regering.
Het beroep schorst de beslissing.
De bepalingen van hoofdstuk 3 zijn van overeenkomstige toepassing op het instellen, behandelen en beslissen over het beroep.
Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of, in voorkomend geval, verlengde termijn als vermeld in artikel 66, wordt het beroep geacht te zijn afgewezen en wordt de bestreden beslissing als definitief aangezien.
De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de toepassing van de bepalingen van dit artikel.
[2 § 6. De exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor de vraag tot omzetting van de milieuvergunning van bepaalde duur in een vergunning van onbepaalde duur overeenkomstig artikel 390, § 4 of § 5, wordt behandeld, kan na de einddatum van de milieuvergunning in afwachting van een definitieve beslissing over de vraag tot omzetting worden voortgezet.
De exploitatie gebeurt onder naleving van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en de tot dan toe geldende bijzondere milieuvoorwaarden uit de vergunning.]2
1° tussen de achtenveertig en zesendertig maanden voor het verstrijken van de vergunningstermijn van de milieuvergunning deelt de vergunninghouder of exploitant bij middel van een meldingsformulier waarvan de inhoud door de Vlaamse Regering wordt bepaald aan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, per beveiligde zending mee dat hij van de regeling, vermeld in deze paragraaf, toepassing wil maken;
2° [2 het betrokken publiek dient geen kennelijk gegrond bezwaar in tegen de omzetting tijdens het openbaar onderzoek. De omgevingsvergunningscommissie onderzoekt de kennelijke gegrondheid van de bezwaren binnen een termijn van vijftig dagen die aanvangt de dag na de datum waarop de mededeling, vermeld in punt 1°, door de bevoegde overheid naar de commissie is gestuurd;
2°/1 de leidende ambtenaren van de adviesinstanties aangewezen krachtens artikel 24 of artikel 42, verlenen geen negatief advies over de mededeling van de vraag tot omzetting binnen een termijn van 30 dagen die aanvangt de dag na de datum waarop de mededeling, vermeld in punt 1°, door de bevoegde overheid naar de adviesinstantie is gestuurd.]2
3° de stedenbouwkundige handelingen die noodzakelijk zijn voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn op het tijdstip van de mededeling, vermeld in punt 1°, hoofdzakelijk vergund;
4° de vraag tot omzetting vereist geen milieueffectrapport of passende beoordeling.
De gemeente of de gemeentelijke omgevingsambtenaar staat in voor de organisatie van het openbaar onderzoek, vermeld in het eerste lid, 2°.
Als met toepassing van het eerste lid de milieuvergunning geacht wordt voor onbepaalde duur verleend te zijn, wordt de milieuvergunning voor de verandering van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit ook voor onbepaalde duur geacht verleend te zijn, behalve als in het vergunningsbesluit van die milieuvergunning in een kortere vergunningstermijn is voorzien dan die welke op dat ogenblik gold voor de inrichting waarvoor de verandering toegelaten is.
[1 § 1/1. Als met toepassing van artikel 4.3.3, § 2, van het DABM bij het meldingsformulier een project-m.e.r.-screeningsnota is gevoegd, onderzoekt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar die nota en beslist of er over het project een milieueffectrapport moet worden opgesteld.
Het resultaat van het onderzoek, vermeld in het eerste lid, wordt bij beveiligde zending aan de aanvrager meegedeeld binnen een termijn van negentig dagen vanaf de dag na de datum waarop het meldingsformulier is ingediend hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten.
De beslissing dat er voor het project een milieueffectrapport moet worden opgesteld, heeft van rechtswege de stopzetting van de omzettingsprocedure tot gevolg.
Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar, beslist dat er een milieueffectrapport over het project moet worden opgesteld, kan de aanvrager een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting indienen bij de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 4.3.3, § 3 tot en met § 9, van het DABM. De beslissing van de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage, vermeld in artikel 4.3.3, § 6, van hetzelfde decreet, is bindend voor de bevoegde overheid, vermeld in het eerste lid.]1
§ 2. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, neemt akte van de mededeling, vermeld in paragraaf 1, punt 1°. [1 De akte geeft de geactualiseerde vergunningssituatie op het vlak van de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten weer.]1 De bijzondere milieuvoorwaarden die als gevolg van hun tijdelijke karakter, van een veranderde exploitatie of van enige wettelijke of reglementaire bepaling geen uitwerking meer hebben, worden in de geactualiseerde vergunningssituatie niet vermeld.
De akte geldt als bewijs dat de milieuvergunning voortaan van onbepaalde duur is. Tegen die akte kan geen administratief beroep worden ingediend.
§ 3. Als de mededeling niet binnen de termijn, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, is gedaan of als niet aan de voorwaarde, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°, is voldaan, wordt de vergunninghouder of exploitant daarvan door de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, op de hoogte gebracht. In dat geval vervalt de milieuvergunning de dag na het verstrijken van de vergunningstermijn.
§ 4. Als door het betrokken publiek of een adviesinstantie een bezwaar als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, wordt ingediend of in het geval er een milieueffectrapport of passende beoordeling vereist is, wordt de vraag tot omzetting van de milieuvergunning van bepaalde duur in een vergunning van onbepaalde duur behandeld overeenkomstig de gewone vergunningsprocedure.
De Vlaamse Regering regelt de samenstelling van het dossier betreffende een vraag tot omzetting dat aan de gewone vergunningsprocedure wordt onderworpen.
De termijnen, vermeld in artikel 32, gaan in op de dag na de datum dat de vergunninghouder of de exploitant per beveiligde zending op de hoogte wordt gebracht van het opstarten van de gewone vergunningsprocedure voor de omzetting van de milieuvergunning van bepaalde duur in een vergunning van onbepaalde duur.
Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of, in voorkomend geval, verlengde termijn als vermeld in artikel 32, wordt de omzetting van de milieuvergunning van bepaalde duur in een vergunning van onbepaalde duur geacht te zijn geweigerd.
§ 5. Tegen de uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing, vermeld in paragraaf 4, van het college van burgemeester en schepenen of van de deputatie kan beroep worden ingesteld bij de deputatie respectievelijk de Vlaamse Regering.
Het beroep schorst de beslissing.
De bepalingen van hoofdstuk 3 zijn van overeenkomstige toepassing op het instellen, behandelen en beslissen over het beroep.
Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of, in voorkomend geval, verlengde termijn als vermeld in artikel 66, wordt het beroep geacht te zijn afgewezen en wordt de bestreden beslissing als definitief aangezien.
De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de toepassing van de bepalingen van dit artikel.
[2 § 6. De exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor de vraag tot omzetting van de milieuvergunning van bepaalde duur in een vergunning van onbepaalde duur overeenkomstig artikel 390, § 4 of § 5, wordt behandeld, kan na de einddatum van de milieuvergunning in afwachting van een definitieve beslissing over de vraag tot omzetting worden voortgezet.
De exploitatie gebeurt onder naleving van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en de tot dan toe geldende bijzondere milieuvoorwaarden uit de vergunning.]2
Art.390. § 1er. L'autorisation écologique qui est [2 ...]2 et octroyée pour un délai de 20 ans est considérée comme délivrée pour une durée indéterminée si les quatre conditions suivantes sont satisfaites :
1° entre 48 et 36 mois avant l'expiration du délai d'autorisation de l'autorisation écologique, le titulaire de l'autorisation ou l'exploitant signifie par envoi sécurisé à l'autorité compétente, visée à l'article 15, au moyen d'un formulaire de notification dont le contenu est fixé par le Gouvernement flamand, qu'il souhaite faire application du règlement visé dans le présent paragraphe ;
2° [2 le public concerné ne formule aucune objection manifestement fondée à la conversion durant l'enquête publique. La commission du permis d'environnement examine le bien-fondé apparent des objections dans un délai de cinquante jours à compter du jour suivant la date à laquelle la notification visée au point 1° lui a été adressée par l'autorité compétente;
2°/1 les fonctionnaires dirigeants des instances d'avis désignées en vertu de l'article 24 ou de l'article 42 ne rendent pas un avis négatif sur la notification de la demande de conversion dans un délai de 30 jours prenant cours le jour suivant la date à laquelle la notification visée au point 1° a été adressée à l'instance d'avis par l'autorité compétente.]2
3° les actes urbanistiques requis pour l'exploitation de l'établissement ou de l'activité classé(e) sont, au moment de la notification, visée au point 1°, principalement autorisés ;
4° la demande de conversion ne requiert pas d'évaluation des incidences sur l'environnement ou d'évaluation appropriée.
La commune ou le fonctionnaire environnement communal est chargé(e) de l'organisation de l'enquête publique, visée au premier alinéa, 2°.
Si, en application du premier alinéa, l'autorisation écologique est considérée comme étant de durée indéterminée, l'autorisation écologique pour le changement de l'exploitation de l'établissement ou de l'activité classé(e) est également considérée comme étant délivrée pour une durée indéterminée, sauf lorsque la décision d'autorisation de cette autorisation écologique mentionne un délai d'autorisation plus court que celui qui valait à ce moment pour l'établissement pour lequel le changement a été autorisé.
[1 § 1er/1. Si, en application de l'article 4.3.3, § 2, du DABM, le formulaire de notification comprend une note de screening de projet MER, l'autorité compétente, visée à l'article 15, le fonctionnaire mandaté par elle ou, le cas échéant, le fonctionnaire environnement communal, examine cette note et prend une décision quant à la nécessité d'établir une évaluation des incidences sur l'environnement pour le projet.
Le résultat de l'examen, visé au premier alinéa, est communiqué au requérant par envoi sécurisé dans un délai de nonante jours à compter du jour suivant la date à laquelle le formulaire de notification a été introduit ou de la date de réception des données ou documents manquants.
La décision qu'une évaluation des incidences sur l'environnement doit être rédigée pour le projet a d'office pour conséquence l'arrêt de la procédure de conversion.
Lorsque l'autorité compétente, visée à l'article 15, le fonctionnaire mandaté par elle ou, le cas échéant, le fonctionnaire environnement communal, décide qu'une évaluation des incidences sur l'environnement doit être établie pour le projet, le demandeur peut introduire une demande motivée de dispense de l'obligation de rapportage auprès de la division compétente pour le rapportage d'évaluation des incidences sur l'environnement, conformément à la procédure visée à l'article 4.3.3, § 3 à § 9 inclus du DABM. La décision de la division compétente pour le rapportage d'évaluation des incidences sur l'environnement, visée à l'article 4.3.3., § 6, du même décret, est une décision contraignante pour l'autorité compétente, visée au premier alinéa.]1
§ 2. L'autorité compétente visée à l'article 15 prend acte de la notification visée au paragraphe 1er, point 1°. [1 L'acte mentionne la situation d'autorisation actualisée à propos de l'exploitation des établissements ou activités classé(e)s.]1 Les conditions environnementales particulières qui, consécutivement à leur caractère temporaire, à un changement d'exploitation ou à une disposition légale ou réglementaire, ont cessé de produire leur effet ne sont pas mentionnées dans la situation d'autorisation actualisée.
L'acte vaut comme preuve que l'autorisation écologique est désormais octroyée pour une durée indéterminée. Aucun recours administratif ne peut être introduit contre cet acte.
§ 3. Si la notification n'est pas effectuée dans le délai visé au paragraphe 1er, premier alinéa, 1°, ou si la condition visée au paragraphe 1er, premier alinéa, 3°, n'est pas satisfaite, le titulaire de l'autorisation ou l'exploitant en est informé par l'autorité compétente visée à l'article 15. Le cas échéant, l'autorisation écologique expire le premier jour après l'expiration du délai d'autorisation.
§ 4. Lorsque le public concerné ou une instance d'avis introduit une objection, telle que visée au paragraphe 1er, premier alinéa, 2°, ou dans le cas où une évaluation des incidences sur l'environnement ou une évaluation appropriée est requise, la demande de conversion de l'autorisation écologique à durée déterminée en un permis à durée indéterminée est traitée conformément à la procédure d'autorisation ordinaire.
Le Gouvernement flamand détermine la composition du dossier concernant une demande de conversion soumise à la procédure d'autorisation ordinaire.
Les délais, visés à l'article 32, prennent cours le premier jour après la date à laquelle le titulaire de l'autorisation ou l'exploitant est informé par envoi sécurisé du démarrage de la procédure d'autorisation ordinaire pour la conversion de l'autorisation écologique à durée déterminée en un permis à durée indéterminée.
Si aucune décision n'est prise dans le délai fixé ou, le cas échéant, prolongé, tel que visé à l'article 32, la conversion de l'autorisation écologique à durée déterminée en un permis à durée indéterminée est réputée refusée.
§ 5. Un recours peut être introduit, respectivement, auprès de la députation et du Gouvernement flamand, contre la décision explicite ou tacite, visée au paragraphe 4, du collège des bourgmestre et échevins ou de la députation par rapport à la requête d'actualisation du permis d'environnement.
Le recours suspend la décision.
Les dispositions du chapitre 3 s'appliquent de façon conforme à l'introduction du recours, à son traitement et aux décisions à cet égard.
Si aucune décision n'est prise dans le délai fixé ou, le cas échéant, prolongé, tel que visé à l'article 66, le recours est réputé rejeté et la décision contestée est considérée comme définitive.
Le Gouvernement flamand fixe les modalités plus précises pour l'application des dispositions du présent article.
[2 § 6. L'exploitation de l'installation ou activité classée pour laquelle la demande de conversion du permis d'environnement à durée déterminée en permis à durée indéterminée conformément à l'article 390, § 4 ou § 5 est traitée peut se poursuivre après la date d'expiration du permis d'environnement, en attendant une décision définitive sur la question de la conversion.
" L'exploitation s'effectue dans le respect des conditions environnementales générales et sectorielles et des conditions environnementales particulières, en vigueur jusqu'alors, définies dans le permis.]2
1° entre 48 et 36 mois avant l'expiration du délai d'autorisation de l'autorisation écologique, le titulaire de l'autorisation ou l'exploitant signifie par envoi sécurisé à l'autorité compétente, visée à l'article 15, au moyen d'un formulaire de notification dont le contenu est fixé par le Gouvernement flamand, qu'il souhaite faire application du règlement visé dans le présent paragraphe ;
2° [2 le public concerné ne formule aucune objection manifestement fondée à la conversion durant l'enquête publique. La commission du permis d'environnement examine le bien-fondé apparent des objections dans un délai de cinquante jours à compter du jour suivant la date à laquelle la notification visée au point 1° lui a été adressée par l'autorité compétente;
2°/1 les fonctionnaires dirigeants des instances d'avis désignées en vertu de l'article 24 ou de l'article 42 ne rendent pas un avis négatif sur la notification de la demande de conversion dans un délai de 30 jours prenant cours le jour suivant la date à laquelle la notification visée au point 1° a été adressée à l'instance d'avis par l'autorité compétente.]2
3° les actes urbanistiques requis pour l'exploitation de l'établissement ou de l'activité classé(e) sont, au moment de la notification, visée au point 1°, principalement autorisés ;
4° la demande de conversion ne requiert pas d'évaluation des incidences sur l'environnement ou d'évaluation appropriée.
La commune ou le fonctionnaire environnement communal est chargé(e) de l'organisation de l'enquête publique, visée au premier alinéa, 2°.
Si, en application du premier alinéa, l'autorisation écologique est considérée comme étant de durée indéterminée, l'autorisation écologique pour le changement de l'exploitation de l'établissement ou de l'activité classé(e) est également considérée comme étant délivrée pour une durée indéterminée, sauf lorsque la décision d'autorisation de cette autorisation écologique mentionne un délai d'autorisation plus court que celui qui valait à ce moment pour l'établissement pour lequel le changement a été autorisé.
[1 § 1er/1. Si, en application de l'article 4.3.3, § 2, du DABM, le formulaire de notification comprend une note de screening de projet MER, l'autorité compétente, visée à l'article 15, le fonctionnaire mandaté par elle ou, le cas échéant, le fonctionnaire environnement communal, examine cette note et prend une décision quant à la nécessité d'établir une évaluation des incidences sur l'environnement pour le projet.
Le résultat de l'examen, visé au premier alinéa, est communiqué au requérant par envoi sécurisé dans un délai de nonante jours à compter du jour suivant la date à laquelle le formulaire de notification a été introduit ou de la date de réception des données ou documents manquants.
La décision qu'une évaluation des incidences sur l'environnement doit être rédigée pour le projet a d'office pour conséquence l'arrêt de la procédure de conversion.
Lorsque l'autorité compétente, visée à l'article 15, le fonctionnaire mandaté par elle ou, le cas échéant, le fonctionnaire environnement communal, décide qu'une évaluation des incidences sur l'environnement doit être établie pour le projet, le demandeur peut introduire une demande motivée de dispense de l'obligation de rapportage auprès de la division compétente pour le rapportage d'évaluation des incidences sur l'environnement, conformément à la procédure visée à l'article 4.3.3, § 3 à § 9 inclus du DABM. La décision de la division compétente pour le rapportage d'évaluation des incidences sur l'environnement, visée à l'article 4.3.3., § 6, du même décret, est une décision contraignante pour l'autorité compétente, visée au premier alinéa.]1
§ 2. L'autorité compétente visée à l'article 15 prend acte de la notification visée au paragraphe 1er, point 1°. [1 L'acte mentionne la situation d'autorisation actualisée à propos de l'exploitation des établissements ou activités classé(e)s.]1 Les conditions environnementales particulières qui, consécutivement à leur caractère temporaire, à un changement d'exploitation ou à une disposition légale ou réglementaire, ont cessé de produire leur effet ne sont pas mentionnées dans la situation d'autorisation actualisée.
L'acte vaut comme preuve que l'autorisation écologique est désormais octroyée pour une durée indéterminée. Aucun recours administratif ne peut être introduit contre cet acte.
§ 3. Si la notification n'est pas effectuée dans le délai visé au paragraphe 1er, premier alinéa, 1°, ou si la condition visée au paragraphe 1er, premier alinéa, 3°, n'est pas satisfaite, le titulaire de l'autorisation ou l'exploitant en est informé par l'autorité compétente visée à l'article 15. Le cas échéant, l'autorisation écologique expire le premier jour après l'expiration du délai d'autorisation.
§ 4. Lorsque le public concerné ou une instance d'avis introduit une objection, telle que visée au paragraphe 1er, premier alinéa, 2°, ou dans le cas où une évaluation des incidences sur l'environnement ou une évaluation appropriée est requise, la demande de conversion de l'autorisation écologique à durée déterminée en un permis à durée indéterminée est traitée conformément à la procédure d'autorisation ordinaire.
Le Gouvernement flamand détermine la composition du dossier concernant une demande de conversion soumise à la procédure d'autorisation ordinaire.
Les délais, visés à l'article 32, prennent cours le premier jour après la date à laquelle le titulaire de l'autorisation ou l'exploitant est informé par envoi sécurisé du démarrage de la procédure d'autorisation ordinaire pour la conversion de l'autorisation écologique à durée déterminée en un permis à durée indéterminée.
Si aucune décision n'est prise dans le délai fixé ou, le cas échéant, prolongé, tel que visé à l'article 32, la conversion de l'autorisation écologique à durée déterminée en un permis à durée indéterminée est réputée refusée.
§ 5. Un recours peut être introduit, respectivement, auprès de la députation et du Gouvernement flamand, contre la décision explicite ou tacite, visée au paragraphe 4, du collège des bourgmestre et échevins ou de la députation par rapport à la requête d'actualisation du permis d'environnement.
Le recours suspend la décision.
Les dispositions du chapitre 3 s'appliquent de façon conforme à l'introduction du recours, à son traitement et aux décisions à cet égard.
Si aucune décision n'est prise dans le délai fixé ou, le cas échéant, prolongé, tel que visé à l'article 66, le recours est réputé rejeté et la décision contestée est considérée comme définitive.
Le Gouvernement flamand fixe les modalités plus précises pour l'application des dispositions du présent article.
[2 § 6. L'exploitation de l'installation ou activité classée pour laquelle la demande de conversion du permis d'environnement à durée déterminée en permis à durée indéterminée conformément à l'article 390, § 4 ou § 5 est traitée peut se poursuivre après la date d'expiration du permis d'environnement, en attendant une décision définitive sur la question de la conversion.
" L'exploitation s'effectue dans le respect des conditions environnementales générales et sectorielles et des conditions environnementales particulières, en vigueur jusqu'alors, définies dans le permis.]2
Art. 390/1. [1 § 1. De vergunningstermijn van een milieuvergunning verleend voor de exploitatie van een inrichting met een stikstofdepositie, die overeenkomstig artikel 388, § 1, verstrijkt voor 31 december 2018, wordt verlengd tot [2 uiterlijk 31 december 2019]2, mits voldaan wordt aan paragraaf 2, tenzij bij het ontbreken van een operationele programmatische aanpak stikstofdeposities deze laatste datum wordt vervangen door een latere datum die wordt vastgesteld door de Vlaamse Regering.
Onder inrichting met een stikstofdepositie, vermeld in het eerste lid, wordt verstaan een inrichting waarvan de stikstofdepositie volgens de depositiescan een risico inhoudt op een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, vermeld in artikel 2, 43°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.
Deze depositiescan, zoals aanvaard door de Vlaamse Regering, geeft als onderdeel van de online-voortoets aan of er een risico is op een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszones, vermeld in artikel 2, 43°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, voor wat betreft de gevolgen van stikstofneerslag via de lucht onder vorm van verzuring en vermesting in de betrokken speciale beschermingszone. In dit artikel wordt verstaan onder de online-voortoets: een via het internet beschikbaar gesteld instrument dat op een gestandaardiseerde en geautomatiseerde wijze een berekening maakt van de milieudruk vanuit een voorgenomen vergunningsplichtige activiteit en deze milieudruk onder vorm van mathematische grootheden uitzet ten opzichte van de gevoeligheid van de habitats en soorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen voor de betreffende speciale beschermingszone zijn vastgesteld volgens artikel 36ter, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. De online-voortoets levert levert een rapport af waarin de ingevoerde gegevens en de beoordeling van het hierboven vermelde risico vermeld worden. Dit gebeurt in termen van het al dan niet uitsluiten van een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone, met name in de zone waar het voor de berekende milieudruk gevoelige habitat of leefgebied van een soort voorkomt, of gecreëerd wordt of tot doel kan worden gesteld in het kader van de instandhoudingsdoelen overeenkomstig de daartoe in het kader van de instandhoudingsdoelstellingen toe te passen zoekzone. De toetsing gebeurt vanuit de locatie van de voorgenomen vergunningsplichtige activiteit.
§ 2. Voor de verlenging van de vergunning, vermeld in paragraaf 1, moet de vergunninghouder vóór het verstrijken van de vergunningstermijn een verzoek indienen bij de bevoegde vergunningverlenende overheid.
De bevoegde vergunningverlenende overheid neemt akte van het verzoek als aan de toepassingsvoorwaarden van paragraaf 1 en 2 is voldaan.
De aktename geldt als bevestiging dat de milieuvergunning is verlengd overeenkomstig paragraaf 1.
Tegen die akte kan geen administratief beroep worden ingediend als aan de toepassingsvoorwaarden vermeld in paragraaf 1 en 2 is voldaan.
Het ingediende verzoek, bevat het rapport van de uitgevoerde depositiescan op datum van het indienen van het verzoek, met daarin minstens vermeld, de ingevoerde gegevens en het eindresultaat van deze depositiescan. De invoer van de gegevens is in overeenstemming met de milieuvergunning vigerend op datum van het indienen van het verzoek.
§ 3. Deze bepalingen laten het verval van de vergunning, vermeld in artikel 99, § 2 en § 3, onverkort bestaan.]1
Onder inrichting met een stikstofdepositie, vermeld in het eerste lid, wordt verstaan een inrichting waarvan de stikstofdepositie volgens de depositiescan een risico inhoudt op een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, vermeld in artikel 2, 43°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.
Deze depositiescan, zoals aanvaard door de Vlaamse Regering, geeft als onderdeel van de online-voortoets aan of er een risico is op een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszones, vermeld in artikel 2, 43°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, voor wat betreft de gevolgen van stikstofneerslag via de lucht onder vorm van verzuring en vermesting in de betrokken speciale beschermingszone. In dit artikel wordt verstaan onder de online-voortoets: een via het internet beschikbaar gesteld instrument dat op een gestandaardiseerde en geautomatiseerde wijze een berekening maakt van de milieudruk vanuit een voorgenomen vergunningsplichtige activiteit en deze milieudruk onder vorm van mathematische grootheden uitzet ten opzichte van de gevoeligheid van de habitats en soorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen voor de betreffende speciale beschermingszone zijn vastgesteld volgens artikel 36ter, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. De online-voortoets levert levert een rapport af waarin de ingevoerde gegevens en de beoordeling van het hierboven vermelde risico vermeld worden. Dit gebeurt in termen van het al dan niet uitsluiten van een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone, met name in de zone waar het voor de berekende milieudruk gevoelige habitat of leefgebied van een soort voorkomt, of gecreëerd wordt of tot doel kan worden gesteld in het kader van de instandhoudingsdoelen overeenkomstig de daartoe in het kader van de instandhoudingsdoelstellingen toe te passen zoekzone. De toetsing gebeurt vanuit de locatie van de voorgenomen vergunningsplichtige activiteit.
§ 2. Voor de verlenging van de vergunning, vermeld in paragraaf 1, moet de vergunninghouder vóór het verstrijken van de vergunningstermijn een verzoek indienen bij de bevoegde vergunningverlenende overheid.
De bevoegde vergunningverlenende overheid neemt akte van het verzoek als aan de toepassingsvoorwaarden van paragraaf 1 en 2 is voldaan.
De aktename geldt als bevestiging dat de milieuvergunning is verlengd overeenkomstig paragraaf 1.
Tegen die akte kan geen administratief beroep worden ingediend als aan de toepassingsvoorwaarden vermeld in paragraaf 1 en 2 is voldaan.
Het ingediende verzoek, bevat het rapport van de uitgevoerde depositiescan op datum van het indienen van het verzoek, met daarin minstens vermeld, de ingevoerde gegevens en het eindresultaat van deze depositiescan. De invoer van de gegevens is in overeenstemming met de milieuvergunning vigerend op datum van het indienen van het verzoek.
§ 3. Deze bepalingen laten het verval van de vergunning, vermeld in artikel 99, § 2 en § 3, onverkort bestaan.]1
Art. 390/1. [1 § 1er. Le délai d'autorisation d'un permis d'environnement délivré pour l'exploitation d'un établissement avec dépôt d'azote, qui, conformément à l'article 388, § 1er, vient à échéance avant le 31 décembre 2018, est prorogé jusqu'au [2 31 décembre 2019 au plus tard]2, pour autant qu'il soit satisfait aux dispositions du paragraphe 2, à moins qu'en l'absence d'une approche programmatique opérationnelle pour les dépôts d'azote, cette dernière date soit remplacée par une date ultérieure qui est déterminée par le Gouvernement flamand.
Au premier alinéa, on entend par installation avec un dépôt d'azote, toute installation dont le dépôt d'azote, selon l'analyse du dépôt, induit un risque de dépréciation significative des caractéristiques naturelles d'une zone spéciale de conservation, tel que visé à l'article 2, 43°, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.
Cette analyse du dépôt, telle qu'admise par le Gouvernement flamand, indique, dans le cadre du contrôle préalable en ligne, s'il existe un risque de dépréciation significative des caractéristiques naturelles d'une zone spéciale de conservation, tel que visé à l'article 2, 43°, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel en ce qui concerne les conséquences du dépôt d'azote par voie aérienne sous la forme d'une acidification et d'une surfertilisation dans la zone spéciale de conservation concernée. Dans cet article, on entend par contrôle préalable en ligne : un contrôle via l'instrument mis à disposition sur l'internet qui, de manière standardisée et automatisée, effectue un calcul de la pression sur l'environnement provenant d'une activité envisagée soumise à autorisation, et exprime cette pression sur l'environnement sous la forme de paramètres mathématiques par rapport à la sensibilité des habitats et des espèces pour lesquels des objectifs de conservation pour la zone spéciale de conservation concernée ont été établis conformément à l'article 36 ter, § 1er, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel. Le contrôle préalable en ligne délivre un rapport dans lequel sont mentionnées les données introduites et l'appréciation du risque susmentionné. Cela s'effectue en termes d'exclusion ou non d'une dépréciation significative des caractéristiques naturelles d'une zone spéciale de conservation, à savoir la zone dans laquelle existe, ou est créé, l'habitat sensible ou l'habitat d'une espèce pour la pression sur l'environnement calculée, ou pouvant être fixée comme objectif conformément à la zone de recherche à appliquer à cet égard dans le cadre des objectifs de conservation. Le contrôle a lieu à partir du site de l'activité envisagée soumise à autorisation.
§ 2. Pour la prorogation de l'autorisation dont question au paragraphe 1er, le détenteur du permis doit introduire une demande auprès de l'autorité compétente délivrant l'autorisation avant l'expiration du permis.
L'autorité compétente qui délivre l'autorisation prend acte de la demande s'il est satisfait aux modalités d'application mentionnées aux paragraphes 1 et 2.
Cette prise d'acte vaut pour confirmation du fait que le permis d'environnement est prorogé conformément au paragraphe 1er.
Aucun recours administratif ne peut être déposé à l'encontre de cet acte s'il est satisfait aux conditions d'application dont question aux paragraphes 1 et 2.
La demande introduite comprend le rapport de l'analyse du dépôt exécutée à la date de l'introduction de la demande, dans lequel figurent au moins les données introduites et le résultat final de l'analyse du dépôt. L'introduction des données est en conformité avec le permis d'environnement en vigueur à la date de l'introduction de la demande.
§ 3. Ces dispositions ne portent pas préjudice à l'expiration de l'autorisation visée à l'article 99, § 2 et § 3.]1
Au premier alinéa, on entend par installation avec un dépôt d'azote, toute installation dont le dépôt d'azote, selon l'analyse du dépôt, induit un risque de dépréciation significative des caractéristiques naturelles d'une zone spéciale de conservation, tel que visé à l'article 2, 43°, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.
Cette analyse du dépôt, telle qu'admise par le Gouvernement flamand, indique, dans le cadre du contrôle préalable en ligne, s'il existe un risque de dépréciation significative des caractéristiques naturelles d'une zone spéciale de conservation, tel que visé à l'article 2, 43°, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel en ce qui concerne les conséquences du dépôt d'azote par voie aérienne sous la forme d'une acidification et d'une surfertilisation dans la zone spéciale de conservation concernée. Dans cet article, on entend par contrôle préalable en ligne : un contrôle via l'instrument mis à disposition sur l'internet qui, de manière standardisée et automatisée, effectue un calcul de la pression sur l'environnement provenant d'une activité envisagée soumise à autorisation, et exprime cette pression sur l'environnement sous la forme de paramètres mathématiques par rapport à la sensibilité des habitats et des espèces pour lesquels des objectifs de conservation pour la zone spéciale de conservation concernée ont été établis conformément à l'article 36 ter, § 1er, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel. Le contrôle préalable en ligne délivre un rapport dans lequel sont mentionnées les données introduites et l'appréciation du risque susmentionné. Cela s'effectue en termes d'exclusion ou non d'une dépréciation significative des caractéristiques naturelles d'une zone spéciale de conservation, à savoir la zone dans laquelle existe, ou est créé, l'habitat sensible ou l'habitat d'une espèce pour la pression sur l'environnement calculée, ou pouvant être fixée comme objectif conformément à la zone de recherche à appliquer à cet égard dans le cadre des objectifs de conservation. Le contrôle a lieu à partir du site de l'activité envisagée soumise à autorisation.
§ 2. Pour la prorogation de l'autorisation dont question au paragraphe 1er, le détenteur du permis doit introduire une demande auprès de l'autorité compétente délivrant l'autorisation avant l'expiration du permis.
L'autorité compétente qui délivre l'autorisation prend acte de la demande s'il est satisfait aux modalités d'application mentionnées aux paragraphes 1 et 2.
Cette prise d'acte vaut pour confirmation du fait que le permis d'environnement est prorogé conformément au paragraphe 1er.
Aucun recours administratif ne peut être déposé à l'encontre de cet acte s'il est satisfait aux conditions d'application dont question aux paragraphes 1 et 2.
La demande introduite comprend le rapport de l'analyse du dépôt exécutée à la date de l'introduction de la demande, dans lequel figurent au moins les données introduites et le résultat final de l'analyse du dépôt. L'introduction des données est en conformité avec le permis d'environnement en vigueur à la date de l'introduction de la demande.
§ 3. Ces dispositions ne portent pas préjudice à l'expiration de l'autorisation visée à l'article 99, § 2 et § 3.]1
Art. 390/2. [1 § 1. De vergunningstermijn van een milieuvergunning, verleend voor de exploitatie van een inrichting met een stikstofdepositie die minstens 50 procent bijdraagt aan de kritische depositiewaarde van een habitat, en die overeenkomstig artikel 388, § 1, of artikel 390/1 vergund is, wordt verlengd met maximaal zeven jaar als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
1° op het moment van het verstrijken van de verlengde vergunningstermijn is de exploitant ofwel een natuurlijke persoon die 65 jaar of ouder is, ofwel een personenvennootschap waarvan alle aandelen op naam zijn en waarbij minstens één van de zaakvoerders of bestuurders die sinds minstens vijf jaar voor de aanvang van de verlengde vergunningstermijn van maximaal zeven jaar meerderheidsaandeelhouder is, 65 jaar of ouder is;
2° de exploitant van de inrichting deelt de gevraagde duur van de verlenging mee en geeft uitdrukkelijk aan dat hij de exploitatie uiterlijk zeven jaar na het verstrijken van de lopende vergunning zal stopzetten;
3° de exploitatie stoot gedurende de termijn van de verlenging geen bijkomende stikstofemissies uit;
4° tijdens de verlenging van de vergunning en op het einde van de verlengde vergunning kan de exploitant van de inrichting alleen nog beroep doen op de maatregelen bedrijfsbeëindiging, koopplicht of erfdienstbaarheid.
§ 2. Voor de verlenging van de vergunning, vermeld in paragraaf 1, moet de vergunninghouder uiterlijk vier maanden vóór het verstrijken van de lopende vergunning een verzoek indienen bij de bevoegde vergunningverlenende overheid.
Het ingediende verzoek bevat het resultaat van de impactscoreberekening uitgevoerd met de onlinetoepassing `impactscore NH3', zoals beschikbaar op de website Natura 2000 die maximaal één maand vóór het indienen van het verzoek is uitgevoerd op basis van de gegevens uit de lopende milieuvergunning.
De bevoegde vergunningverlenende overheid neemt akte van het verzoek als aan de toepassingsvoorwaarden van paragraaf 1 en 2 is voldaan.
Tegen die akte kan geen administratief beroep worden ingediend als aan de toepassingsvoorwaarden van paragraaf 1 en 2 is voldaan.
§ 3. Deze bepalingen laten het verval van de vergunning, vermeld in artikel 99, § 2 en § 3, onverkort bestaan.]1
1° op het moment van het verstrijken van de verlengde vergunningstermijn is de exploitant ofwel een natuurlijke persoon die 65 jaar of ouder is, ofwel een personenvennootschap waarvan alle aandelen op naam zijn en waarbij minstens één van de zaakvoerders of bestuurders die sinds minstens vijf jaar voor de aanvang van de verlengde vergunningstermijn van maximaal zeven jaar meerderheidsaandeelhouder is, 65 jaar of ouder is;
2° de exploitant van de inrichting deelt de gevraagde duur van de verlenging mee en geeft uitdrukkelijk aan dat hij de exploitatie uiterlijk zeven jaar na het verstrijken van de lopende vergunning zal stopzetten;
3° de exploitatie stoot gedurende de termijn van de verlenging geen bijkomende stikstofemissies uit;
4° tijdens de verlenging van de vergunning en op het einde van de verlengde vergunning kan de exploitant van de inrichting alleen nog beroep doen op de maatregelen bedrijfsbeëindiging, koopplicht of erfdienstbaarheid.
§ 2. Voor de verlenging van de vergunning, vermeld in paragraaf 1, moet de vergunninghouder uiterlijk vier maanden vóór het verstrijken van de lopende vergunning een verzoek indienen bij de bevoegde vergunningverlenende overheid.
Het ingediende verzoek bevat het resultaat van de impactscoreberekening uitgevoerd met de onlinetoepassing `impactscore NH3', zoals beschikbaar op de website Natura 2000 die maximaal één maand vóór het indienen van het verzoek is uitgevoerd op basis van de gegevens uit de lopende milieuvergunning.
De bevoegde vergunningverlenende overheid neemt akte van het verzoek als aan de toepassingsvoorwaarden van paragraaf 1 en 2 is voldaan.
Tegen die akte kan geen administratief beroep worden ingediend als aan de toepassingsvoorwaarden van paragraaf 1 en 2 is voldaan.
§ 3. Deze bepalingen laten het verval van de vergunning, vermeld in artikel 99, § 2 en § 3, onverkort bestaan.]1
Art. 390/2. [1 § 1er. La période d'autorisation d'un permis d'environnement délivré pour l'exploitation d'une installation avec dépôt d'azote qui contribue pour au moins cinquante pour cent à la valeur critique de dépôt d'un habitat et qui a été autorisée conformément à l'article 388, § 1, ou à l'article 390/1, est prorogée d'une durée maximale de sept ans s'il est satisfait aux conditions suivantes :
1° à l'expiration de la période d'autorisation prorogée, l'exploitant est soit une personne physique âgée de 65 ans ou plus, soit une société de personnes dont toutes les actions sont nominatives et dans laquelle au moins un des gérants ou administrateurs ayant été actionnaire majoritaire pendant au moins cinq ans avant le début de la période d'autorisation prorogée, de sept ans maximum, est âgé de 65 ans ou plus ;
2° l'exploitant de l'installation communique la durée demandée de la prolongation et indique expressément qu'il cessera ses activités au plus tard sept ans après l'expiration de l'autorisation en cours ;
3° l'exploitation ne dégage pas d'émissions d'azote supplémentaires pendant la période de prolongation ;
4° durant la prolongation du permis et au terme du permis prorogé, l'exploitant de l'installation ne peut plus faire appel qu'aux mesures de cessation d'exploitation, d'obligation d'acquisition ou de servitude.
§ 2. Pour la prorogation de l'autorisation dont question au paragraphe 1er, le titulaire du permis doit introduire une demande auprès de l'autorité compétente délivrant l'autorisation avant l'expiration du permis en cours.
La demande introduite comprend le résultat du calcul du score d'impact effectué au moyen de l'application en ligne " impactscore NH3 ", disponible sur le site Internet Natura 2000, qui aura été effectué au moins un mois avant l'introduction de la demande sur la base des données du permis d'environnement en cours.
L'autorité compétente qui délivre l'autorisation prend acte de la demande s'il est satisfait aux modalités d'application mentionnées aux paragraphes 1 et 2.
Aucun recours administratif ne peut être déposé à l'encontre de cet acte s'il est satisfait aux conditions d'application dont question aux paragraphes 1 et 2.
§ 3. Ces dispositions ne portent pas préjudice à l'expiration de l'autorisation visée à l'article 99, § 2 et § 3.]1
1° à l'expiration de la période d'autorisation prorogée, l'exploitant est soit une personne physique âgée de 65 ans ou plus, soit une société de personnes dont toutes les actions sont nominatives et dans laquelle au moins un des gérants ou administrateurs ayant été actionnaire majoritaire pendant au moins cinq ans avant le début de la période d'autorisation prorogée, de sept ans maximum, est âgé de 65 ans ou plus ;
2° l'exploitant de l'installation communique la durée demandée de la prolongation et indique expressément qu'il cessera ses activités au plus tard sept ans après l'expiration de l'autorisation en cours ;
3° l'exploitation ne dégage pas d'émissions d'azote supplémentaires pendant la période de prolongation ;
4° durant la prolongation du permis et au terme du permis prorogé, l'exploitant de l'installation ne peut plus faire appel qu'aux mesures de cessation d'exploitation, d'obligation d'acquisition ou de servitude.
§ 2. Pour la prorogation de l'autorisation dont question au paragraphe 1er, le titulaire du permis doit introduire une demande auprès de l'autorité compétente délivrant l'autorisation avant l'expiration du permis en cours.
La demande introduite comprend le résultat du calcul du score d'impact effectué au moyen de l'application en ligne " impactscore NH3 ", disponible sur le site Internet Natura 2000, qui aura été effectué au moins un mois avant l'introduction de la demande sur la base des données du permis d'environnement en cours.
L'autorité compétente qui délivre l'autorisation prend acte de la demande s'il est satisfait aux modalités d'application mentionnées aux paragraphes 1 et 2.
Aucun recours administratif ne peut être déposé à l'encontre de cet acte s'il est satisfait aux conditions d'application dont question aux paragraphes 1 et 2.
§ 3. Ces dispositions ne portent pas préjudice à l'expiration de l'autorisation visée à l'article 99, § 2 et § 3.]1
Art.391. In afwijking van artikel 70, § 1, kan in de gevallen en volgens het tijdschema dat de Vlaamse Regering bepaalt, de vroegtijdige hernieuwing van een milieuvergunning op ontvankelijke wijze worden ingediend.
Art.391. En dérogation à l'article 70, § 1er, le renouvellement anticipé d'une autorisation écologique peut, dans les cas et selon le calendrier fixés par le Gouvernement flamand, être introduit de manière recevable.
Art.392. De inrichtingen die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet vergund of gemeld zijn, worden van rechtswege ingedeeld op grond van de indelingslijst, vastgesteld krachtens titel V van het DABM.
Art.392. Les établissement qui, à la date d'entrée en vigueur du présent décret, sont autorisés ou déclarés, sont classés de plein droit sur la base de la liste de classification, établie en vertu du titre V du DABM.
Afdeling 3. - Overgangsmaatregelen voor vergunningen met toepassing van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening
Section 3. - Mesures transitoires visant les autorisations en application du Code flamand de l'Aménagement du Territoire
Art.393. Een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning, gedaan met toepassing van titel IV, hoofdstuk 7, van de VCRO, die is ingediend voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, wordt behandeld op grond van de bepalingen die geldig waren op het tijdstip waarop de aanvraag is ingediend.
Als een melding voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet verricht werd met toepassing van artikel 4.2.2 van de VCRO, wordt de melding behandeld overeenkomstig de bepalingen die geldig waren op het tijdstip waarop de melding werd ingediend.
Tot de datum van inwerkingtreding van het decreet betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtcolleges zijn de bepalingen van afdeling 2, 3, 5 en 6, van titel IV, hoofdstuk VIII, van de VCRO van overeenkomstige toepassing op de behandeling van beroepen tegen beslissingen betreffende een omgevingsvergunning, genomen in laatste administratieve aanleg.
[1 Artikel 18, tweede lid, en artikel 106 zijn niet van toepassing voor aspecten van stedenbouwkundige handelingen waarvoor voor de datum van inwerkingtreding van het decreet de melding is gebeurd of een vergunningsaanvraag werd ingediend waarvoor nog geen definitieve beslissing werd genomen of waarvoor een stedenbouwkundige vergunning werd of wordt verleend.]1
Als een melding voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet verricht werd met toepassing van artikel 4.2.2 van de VCRO, wordt de melding behandeld overeenkomstig de bepalingen die geldig waren op het tijdstip waarop de melding werd ingediend.
Tot de datum van inwerkingtreding van het decreet betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtcolleges zijn de bepalingen van afdeling 2, 3, 5 en 6, van titel IV, hoofdstuk VIII, van de VCRO van overeenkomstige toepassing op de behandeling van beroepen tegen beslissingen betreffende een omgevingsvergunning, genomen in laatste administratieve aanleg.
[1 Artikel 18, tweede lid, en artikel 106 zijn niet van toepassing voor aspecten van stedenbouwkundige handelingen waarvoor voor de datum van inwerkingtreding van het decreet de melding is gebeurd of een vergunningsaanvraag werd ingediend waarvoor nog geen definitieve beslissing werd genomen of waarvoor een stedenbouwkundige vergunning werd of wordt verleend.]1
Art.393. Une demande d'autorisation urbanistique ou de permis de lotir, effectuée en application du titre V, chapitre 7, du VCRO, qui est introduite avant la date d'entrée en vigueur du présent décret, est traitée sur la base des dispositions qui étaient applicables au moment où la demande a été introduite.
Si une déclaration est effectuée avant la date d'entrée en vigueur du présent décret, en application de l'article 4.2.2 du VCRO, la déclaration est traitée conformément aux dispositions qui étaient en vigueur au moment où elle a été effectuée.
Jusqu'à la date d'entrée en vigueur du décret relatif à l'organisation et à la jurisprudence de certains collèges de droit administratif de Flandre, les dispositions des sections 2, 3, 5 et 6 du titre IV, chapitre VIII, du VCRO s'appliquent de manière conforme au traitement des recours à l'encontre des décisions relatives à un permis d'environnement prises en dernière instance administrative.
[1 L'article 18, deuxième alinéa, et l'article 106 ne s'appliquent pas aux aspects d'actes urbanistiques pour lesquels, avant la date d'entrée en vigueur du décret, la notification est effectuée ou une demande d'autorisation a été introduite pour laquelle aucune décision définitive n'a encore été prise ou pour laquelle un permis d'urbanisme a été ou est délivré.]1
Si une déclaration est effectuée avant la date d'entrée en vigueur du présent décret, en application de l'article 4.2.2 du VCRO, la déclaration est traitée conformément aux dispositions qui étaient en vigueur au moment où elle a été effectuée.
Jusqu'à la date d'entrée en vigueur du décret relatif à l'organisation et à la jurisprudence de certains collèges de droit administratif de Flandre, les dispositions des sections 2, 3, 5 et 6 du titre IV, chapitre VIII, du VCRO s'appliquent de manière conforme au traitement des recours à l'encontre des décisions relatives à un permis d'environnement prises en dernière instance administrative.
[1 L'article 18, deuxième alinéa, et l'article 106 ne s'appliquent pas aux aspects d'actes urbanistiques pour lesquels, avant la date d'entrée en vigueur du décret, la notification est effectuée ou une demande d'autorisation a été introduite pour laquelle aucune décision définitive n'a encore été prise ou pour laquelle un permis d'urbanisme a été ou est délivré.]1
Wijzigingen
Afdeling 4. - Overgangsbepalingen met betrekking tot milieueffect- en veiligheidsrapportage
Section 4. - Dispositions transitoires relatives aux rapports des incidences sur l'environnement et de sécurité
Art.394. § 1. [1 Milieueffectrapportages over projecten waarvoor de kennisgeving, vermeld in artikel 4.3.4, § 2, van het DABM, ter beschikking is gesteld van de administratie die bevoegd is voor milieueffectrapportage, vóór de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, worden uitgevoerd overeenkomstig de procedure die van toepassing was op de datum van de terbeschikkingstelling van de kennisgeving.]1
§ 2. Omgevingsveiligheidsrapportages waarvoor een beslissing van de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage overeenkomstig artikel 4.5.2, § 3, van het DABM, is tussengekomen voor de datum van inwerkingtreding van dit decreet, worden uitgevoerd overeenkomstig de procedure die van toepassing was op dat ogenblik.
[2 § 3. De datum van inwerkingtreding van dit decreet, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, is een van de volgende data:
1° 1 januari 2018 voor aanvragen, meldingen, verzoeken of initiatieven die voldoen aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 397, § 4;
2° de datum aangegeven door het college van burgemeester en schepenen overeenkomstig artikel 397, § 3, tweede lid, 2°, voor aanvragen, meldingen, verzoeken of initiatieven waarvoor punt 1° niet van toepassing is;
3° 23 februari 2017 voor alle andere aanvragen, meldingen, verzoeken of initiatieven.]2
§ 2. Omgevingsveiligheidsrapportages waarvoor een beslissing van de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage overeenkomstig artikel 4.5.2, § 3, van het DABM, is tussengekomen voor de datum van inwerkingtreding van dit decreet, worden uitgevoerd overeenkomstig de procedure die van toepassing was op dat ogenblik.
[2 § 3. De datum van inwerkingtreding van dit decreet, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, is een van de volgende data:
1° 1 januari 2018 voor aanvragen, meldingen, verzoeken of initiatieven die voldoen aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 397, § 4;
2° de datum aangegeven door het college van burgemeester en schepenen overeenkomstig artikel 397, § 3, tweede lid, 2°, voor aanvragen, meldingen, verzoeken of initiatieven waarvoor punt 1° niet van toepassing is;
3° 23 februari 2017 voor alle andere aanvragen, meldingen, verzoeken of initiatieven.]2
Art.394. § 1er. [1 Les rapports des incidences sur l'environnement concernant des projets, pour lesquels la notification, visée à l'article 4.3.4, § 2 du DABM, a été mise à disposition de l'administration compétente des rapports des incidences sur l'environnement avant la date de l'entrée en vigueur du présent décret, sont réalisés conformément à la procédure applicable à la date de la mise à disposition de la notification.]1
§ 2. Les rapports de sécurité environnementale concernant des projets pour lesquels une décision de la division compétente pour les rapports de sécurité environnementale, conformément à l'article 4.5.2, § 3, du DABM, est intervenue avant la date d'entrée en vigueur du présent décret sont réalisés conformément à la procédure qui était d'application à ce moment.
[2 § 3. La date d'entrée en vigueur du présent décret, visée aux paragraphes 1er et 2, est l'une des dates suivantes :
1° le 1er janvier 2018 pour les demandes, déclarations, requêtes ou initiatives qui répondent aux conditions d'application de l'article 397, § 4 ;
2° la date indiquée par le collège des bourgmestre et échevins conformément à l'article 397, § 3, alinéa 2, 2°, pour les demandes, déclarations, requêtes ou initiatives auxquelles le point 1° ne s'applique pas ;
3° le 23 février 2017 pour toutes les autres demandes, déclarations, requêtes ou initiatives. ]2
§ 2. Les rapports de sécurité environnementale concernant des projets pour lesquels une décision de la division compétente pour les rapports de sécurité environnementale, conformément à l'article 4.5.2, § 3, du DABM, est intervenue avant la date d'entrée en vigueur du présent décret sont réalisés conformément à la procédure qui était d'application à ce moment.
[2 § 3. La date d'entrée en vigueur du présent décret, visée aux paragraphes 1er et 2, est l'une des dates suivantes :
1° le 1er janvier 2018 pour les demandes, déclarations, requêtes ou initiatives qui répondent aux conditions d'application de l'article 397, § 4 ;
2° la date indiquée par le collège des bourgmestre et échevins conformément à l'article 397, § 3, alinéa 2, 2°, pour les demandes, déclarations, requêtes ou initiatives auxquelles le point 1° ne s'applique pas ;
3° le 23 février 2017 pour toutes les autres demandes, déclarations, requêtes ou initiatives. ]2
Afdeling 4/1. [1 - Overgangsmaatregelen met betrekking tot gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaren]1
Section 4/1. [1 - Mesures transitoires relatives aux fonctionnaires urbanistes communaux]1
Art. 394/1. [1 Personen die op de datum van goedkeuring van het besluit van de Vlaamse Regering waarmee de datum van inwerkingtreding wordt vastgelegd aangesteld zijn als gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar en die houder zijn van een diploma dat toegang geeft tot niveau A, B of C worden geacht als gemeentelijke omgevingsambtenaar te zijn aangewezen.
Het eerste lid is eveneens van toepassing als het personen betreft die zijn aangesteld in toepassing van artikel 15 en 18 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 mei 2000 tot vaststelling van de voorwaarden waaraan personen moeten voldoen om als ambtenaar van ruimtelijke ordening te kunnen worden aangesteld.]1
Het eerste lid is eveneens van toepassing als het personen betreft die zijn aangesteld in toepassing van artikel 15 en 18 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 mei 2000 tot vaststelling van de voorwaarden waaraan personen moeten voldoen om als ambtenaar van ruimtelijke ordening te kunnen worden aangesteld.]1
Art. 394/1. [1 Les personnes qui, à la date d'approbation de l'arrêté du Gouvernement flamand déterminant la date d'entrée en vigueur, sont désignées en qualité de fonctionnaire urbaniste communal et qui sont titulaires d'un diplôme donnant accès au niveau A, B ou C, sont réputées être désignées en qualité de fonctionnaire urbaniste communal.
Le premier alinéa s'applique également s'il s'agit de personnes qui sont désignées en application des articles 15 et 18 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 mai 2000 fixant les conditions auxquelles doivent répondre les personnes susceptibles d'être désignées comme fonctionnaires de l'aménagement du territoire. ]1
Le premier alinéa s'applique également s'il s'agit de personnes qui sont désignées en application des articles 15 et 18 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 mai 2000 fixant les conditions auxquelles doivent répondre les personnes susceptibles d'être désignées comme fonctionnaires de l'aménagement du territoire. ]1
Afdeling 4/2 [1 Overgangsmaatregelen voor vergunningen met betrekking tot de programmatische aanpak stikstof. ]1
Section 4/2 [1 Mesures transitoires pour les autorisations relatives à l'approche programmatique de l'azote . ]1
Art.394/2. [1 Ї 1. De vergunningstermijn van een milieuvergunning of een omgevingsvergunning die werd verleend voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, wordt verlengd tot en met 31 december 2024 als voldaan is aan de volgende voorwaarden:
1А de vergunning heeft betrekking op een ingedeelde inrichting of activiteit die stikstofemissies veroorzaakt;
2А de vergunningstermijn is:
a) verstreken in 2021 of 2022 en er werd ten minste vѓѓr de einddatum van de vergunning een hernieuwingsaanvraag ingediend waarover nog geen definitieve beslissing werd genomen;
b) verstreken of verstrijkt in de loop van 2023 of 2024;
3А er wordt een verzoek tot verlenging van de vergunningstermijn bij de bevoegde overheid, vermeld in paragraaf 2, ingediend, die daar uitdrukkelijk akte van neemt conform paragraaf 2, eerste lid;
4А het verzoek tot verlenging van de vergunningstermijn wordt ingediend uiterlijk op de dag voor het verstrijken van de lopende vergunningstermijn.
Voor de vergunningen waarvan de vergunningstermijn is verstreken voor de inwerkingtreding van dit artikel of waarvan de vergunningstermijn verstrijkt uiterlijk op 31 januari 2024, kan het verzoek, in afwijking van het eerste lid, alsnog ingediend worden tot uiterlijk 1 maart 2024.
In afwijking van het eerste lid wordt de vergunningstermijn van een milieuvergunning of een omgevingsvergunning die werd verleend voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die stikstofemissies veroorzaakt en waarvan de vergunningstermijn al werd verlengd tot 31 december 2023, overeenkomstig artikel 394/2, zoals dat gold op de dag vѓѓr de inwerkingtreding van het decreet van 22 december 2023 tot wijziging van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wat het invoeren van overgangsmaatregelen voor vergunningen in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof betreft, van rechtswege verlengd tot en met 31 december 2024.
Ї 2. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, neemt binnen een termijn van dertig dagen uitdrukkelijk akte van het verzoek, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3А, als aan de voorwaarden van paragraaf 1, eerste lid, is voldaan.
De termijn, vermeld in het eerste lid, gaat in op de dag na de datum van de melding.
Als het verzoek is ingediend binnen de termijn, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 4А, mag de stedenbouwkundige handeling in stand worden gehouden of mag de ingedeelde inrichting of activiteit verder geыxploiteerd worden na de einddatum in afwachting van de aktename, vermeld in het eerste lid.
De uitdrukkelijke aktename geldt als bevestiging dat de milieuvergunning of omgevingsvergunning is verlengd.
Voor de bekendmaking van de beslissing over het verzoek zijn de bepalingen die gelden voor de bekendmaking van een beslissing over een vergunningsaanvraag die behandeld wordt zonder openbaar onderzoek, van overeenkomstige toepassing.
Ї 3. Dit artikel geldt met behoud van de toepassing van de bepalingen, vermeld in artikel 99, Ї 2 en Ї 3.
Ї 4. In afwijking van artikel 70, Ї 1, tweede lid, mogen ingedeelde inrichtingen of activiteiten die stikstofemissies veroorzaken, verder geыxploiteerd worden na de einddatum van de vergunning in afwachting van een definitieve beslissing over een hernieuwingsaanvraag, op voorwaarde dat die hernieuwingsaanvraag uiterlijk voor de voormelde einddatum wordt ingediend.]1
1А de vergunning heeft betrekking op een ingedeelde inrichting of activiteit die stikstofemissies veroorzaakt;
2А de vergunningstermijn is:
a) verstreken in 2021 of 2022 en er werd ten minste vѓѓr de einddatum van de vergunning een hernieuwingsaanvraag ingediend waarover nog geen definitieve beslissing werd genomen;
b) verstreken of verstrijkt in de loop van 2023 of 2024;
3А er wordt een verzoek tot verlenging van de vergunningstermijn bij de bevoegde overheid, vermeld in paragraaf 2, ingediend, die daar uitdrukkelijk akte van neemt conform paragraaf 2, eerste lid;
4А het verzoek tot verlenging van de vergunningstermijn wordt ingediend uiterlijk op de dag voor het verstrijken van de lopende vergunningstermijn.
Voor de vergunningen waarvan de vergunningstermijn is verstreken voor de inwerkingtreding van dit artikel of waarvan de vergunningstermijn verstrijkt uiterlijk op 31 januari 2024, kan het verzoek, in afwijking van het eerste lid, alsnog ingediend worden tot uiterlijk 1 maart 2024.
In afwijking van het eerste lid wordt de vergunningstermijn van een milieuvergunning of een omgevingsvergunning die werd verleend voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die stikstofemissies veroorzaakt en waarvan de vergunningstermijn al werd verlengd tot 31 december 2023, overeenkomstig artikel 394/2, zoals dat gold op de dag vѓѓr de inwerkingtreding van het decreet van 22 december 2023 tot wijziging van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wat het invoeren van overgangsmaatregelen voor vergunningen in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof betreft, van rechtswege verlengd tot en met 31 december 2024.
Ї 2. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, neemt binnen een termijn van dertig dagen uitdrukkelijk akte van het verzoek, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3А, als aan de voorwaarden van paragraaf 1, eerste lid, is voldaan.
De termijn, vermeld in het eerste lid, gaat in op de dag na de datum van de melding.
Als het verzoek is ingediend binnen de termijn, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 4А, mag de stedenbouwkundige handeling in stand worden gehouden of mag de ingedeelde inrichting of activiteit verder geыxploiteerd worden na de einddatum in afwachting van de aktename, vermeld in het eerste lid.
De uitdrukkelijke aktename geldt als bevestiging dat de milieuvergunning of omgevingsvergunning is verlengd.
Voor de bekendmaking van de beslissing over het verzoek zijn de bepalingen die gelden voor de bekendmaking van een beslissing over een vergunningsaanvraag die behandeld wordt zonder openbaar onderzoek, van overeenkomstige toepassing.
Ї 3. Dit artikel geldt met behoud van de toepassing van de bepalingen, vermeld in artikel 99, Ї 2 en Ї 3.
Ї 4. In afwijking van artikel 70, Ї 1, tweede lid, mogen ingedeelde inrichtingen of activiteiten die stikstofemissies veroorzaken, verder geыxploiteerd worden na de einddatum van de vergunning in afwachting van een definitieve beslissing over een hernieuwingsaanvraag, op voorwaarde dat die hernieuwingsaanvraag uiterlijk voor de voormelde einddatum wordt ingediend.]1
Art.394/2. [1 § 1er. Le délai d'autorisation d'une autorisation écologique ou d'un permis d'environnement, accordés pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classés, est prolongée jusqu'au 31 décembre 2024 si les conditions suivantes sont remplies :
1° l'autorisation concerne un établissement ou activité classés à l'origine d'émissions d'azote ;
2° le délai d'autorisation :
a) a expiré en 2021 ou 2022 et une demande de renouvellement a été introduite au moins avant la date d'expiration de l'autorisation, pour laquelle aucune décision finale n'a encore été prise ;
b) a expiré ou expire en 2023 ou 2024 ;
3° une demande de prolongation du délai d'autorisation est introduite auprès de l'autorité compétente visée au paragraphe 2, qui en prend expressément acte conformément au paragraphe 2, alinéa 1er ;
4° la demande de prolongation du délai d'autorisation est introduite au plus tard la veille de l'expiration du délai d'autorisation en cours.
Par dérogation à l'alinéa 1er, pour les autorisations dont le délai d'autorisation a expiré avant l'entrée en vigueur du présent article ou dont le délai d'autorisation expire au plus tard le 31 janvier 2024, la demande peut être introduite jusqu'au 1er mars 2024.
Contrairement à l'alinéa 1er, le délai d'autorisation d'une autorisation écologique ou d'un permis d'environnement, octroyés pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classés à l'origine d'émissions d'azote, dont le délai d'autorisation a déjà été prolongé jusqu'au 31 décembre 2023, conformément à l'article 394/2, tel qu'il s'appliquait la veille de l'entrée en vigueur du décret du 22 décembre 2023 modifiant le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, en ce qui concerne l'introduction de mesures transitoires pour les permis dans le cadre de l'Approche programmatique de l'Azote, est prolongé de plein droit jusqu'au 31 décembre 2024.
§ 2. L'autorité compétente visée à l'article 15 prend explicitement acte, dans un délai de trente jours, de la demande visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 3°, si les conditions du paragraphe 1er, alinéa 1er, sont remplies.
Le délai, visé à l'alinéa 1er, prend effet le lendemain de la date de notification.
Si la demande est introduite dans le délai visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 4°, l'acte urbanistique peut être maintenu ou l'exploitation de l'établissement ou de l'activité classés peut se poursuivre après la date de fin dans l'attente de la prise d'acte visée à l'alinéa 1er.
La prise d'acte expresse fait office de confirmation que l'autorisation écologique ou le permis d'environnement est prolongé.
Les dispositions applicables à la publication d'une décision relative à une demande d'autorisation traitée sans enquête publique s'appliquent mutatis mutandis à la publication de la décision relative à la demande.
§ 3. Le présent article s'applique sans préjudice des dispositions de l'article 99, §§ 2 et 3.
§ 4. Contrairement à l'article 70, § 1er, alinéa 2, l'exploitation des établissements ou activités classés à l'origine d'émissions d'azote peut se poursuivre après la date d'expiration de l'autorisation dans l'attente d'une décision finale sur une demande de renouvellement, à condition que cette demande de renouvellement soit introduite avant la date d'expiration précitée.]1
1° l'autorisation concerne un établissement ou activité classés à l'origine d'émissions d'azote ;
2° le délai d'autorisation :
a) a expiré en 2021 ou 2022 et une demande de renouvellement a été introduite au moins avant la date d'expiration de l'autorisation, pour laquelle aucune décision finale n'a encore été prise ;
b) a expiré ou expire en 2023 ou 2024 ;
3° une demande de prolongation du délai d'autorisation est introduite auprès de l'autorité compétente visée au paragraphe 2, qui en prend expressément acte conformément au paragraphe 2, alinéa 1er ;
4° la demande de prolongation du délai d'autorisation est introduite au plus tard la veille de l'expiration du délai d'autorisation en cours.
Par dérogation à l'alinéa 1er, pour les autorisations dont le délai d'autorisation a expiré avant l'entrée en vigueur du présent article ou dont le délai d'autorisation expire au plus tard le 31 janvier 2024, la demande peut être introduite jusqu'au 1er mars 2024.
Contrairement à l'alinéa 1er, le délai d'autorisation d'une autorisation écologique ou d'un permis d'environnement, octroyés pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classés à l'origine d'émissions d'azote, dont le délai d'autorisation a déjà été prolongé jusqu'au 31 décembre 2023, conformément à l'article 394/2, tel qu'il s'appliquait la veille de l'entrée en vigueur du décret du 22 décembre 2023 modifiant le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, en ce qui concerne l'introduction de mesures transitoires pour les permis dans le cadre de l'Approche programmatique de l'Azote, est prolongé de plein droit jusqu'au 31 décembre 2024.
§ 2. L'autorité compétente visée à l'article 15 prend explicitement acte, dans un délai de trente jours, de la demande visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 3°, si les conditions du paragraphe 1er, alinéa 1er, sont remplies.
Le délai, visé à l'alinéa 1er, prend effet le lendemain de la date de notification.
Si la demande est introduite dans le délai visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 4°, l'acte urbanistique peut être maintenu ou l'exploitation de l'établissement ou de l'activité classés peut se poursuivre après la date de fin dans l'attente de la prise d'acte visée à l'alinéa 1er.
La prise d'acte expresse fait office de confirmation que l'autorisation écologique ou le permis d'environnement est prolongé.
Les dispositions applicables à la publication d'une décision relative à une demande d'autorisation traitée sans enquête publique s'appliquent mutatis mutandis à la publication de la décision relative à la demande.
§ 3. Le présent article s'applique sans préjudice des dispositions de l'article 99, §§ 2 et 3.
§ 4. Contrairement à l'article 70, § 1er, alinéa 2, l'exploitation des établissements ou activités classés à l'origine d'émissions d'azote peut se poursuivre après la date d'expiration de l'autorisation dans l'attente d'une décision finale sur une demande de renouvellement, à condition que cette demande de renouvellement soit introduite avant la date d'expiration précitée.]1
Wijzigingen
Afdeling 5. - Evaluatie, uitvoering en inwerkingtreding
Section 5. - Evaluation, exécution et entrée en vigueur
Art.395. De Vlaamse Regering evalueert de werking van dit decreet drie jaar na de inwerkingtreding ervan.
Het evaluatierapport dat mogelijke beleidsaanbevelingen bevat, wordt ter informatie voorgelegd aan het Vlaams Parlement.
Het evaluatierapport dat mogelijke beleidsaanbevelingen bevat, wordt ter informatie voorgelegd aan het Vlaams Parlement.
Art.395. Le Gouvernement flamand évalue le présent décret trois ans après son entrée en vigueur.
Le rapport d'évaluation contenant les éventuelles recommandations politiques est soumis pour information au Parlement flamand.
Le rapport d'évaluation contenant les éventuelles recommandations politiques est soumis pour information au Parlement flamand.
Art.396. De besluiten vastgesteld door de Vlaamse Regering ter uitvoering van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, blijven geldig tot ze worden opgeheven door besluiten ter uitvoering van dit decreet of titel V van het DABM.
De besluiten vastgesteld door de Vlaamse Regering ter uitvoering van de VCRO, blijven geldig tot ze worden opgeheven door besluiten ter uitvoering van dit decreet.
De besluiten vastgesteld door de Vlaamse Regering ter uitvoering van de VCRO, blijven geldig tot ze worden opgeheven door besluiten ter uitvoering van dit decreet.
Art.396. Les arrêtés pris par le Gouvernement flamand en exécution du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique restent valables jusqu'à leur abrogation par les arrêtés portant exécution du présent décret ou du titre V du DABM.
Les arrêtés pris par le Gouvernement flamand en exécution du VCRO restent valables jusqu'à leur abrogation par les arrêtés portant exécution du présent décret.
Les arrêtés pris par le Gouvernement flamand en exécution du VCRO restent valables jusqu'à leur abrogation par les arrêtés portant exécution du présent décret.
Art. 397. [1 § 1. Dit decreet treedt in werking op 23 februari 2017, met uitzondering van:
1° artikel 2, dat al in werking is getreden met toepassing van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2015 tot aanwijzing van de Vlaamse en provinciale projecten ter uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
2° artikel 9, 10 en 16 die uitwerking hebben vanaf 28 november 2016;
3° artikel 204 tot en met 206, die in werking treden op 1 januari 2018;
4° paragraaf 2 en 3 die in werking treden op 1 februari 2017.
§ 2. Als het college van burgemeester en schepenen de bevoegde overheid is, worden aanvragen, meldingen, verzoeken of initiatieven, vermeld in dit decreet, ingediend of opgestart vanaf 23 februari 2017 behandeld op grond van de [2 procedureregels]2 die geldig waren op 22 februari 2017, op voorwaarde dat akte is genomen, overeenkomstig paragraaf 3.
Er wordt evenwel gebruikgemaakt van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het DABM, zoals deze zal gelden op 23 februari 2017.
De bepalingen van het eerste en tweede lid gelden ook voor de procedures tot bijstelling of afwijking van de milieuvoorwaarden, schorsing of opheffing van de vergunning en inzake genetisch gemodificeerde of pathogene organismen.
Vergunningen die worden verleend op basis van aanvragen gedaan vanaf 23 februari 2017 die behandeld worden op grond van de [2 procedureregels]2 die geldig waren op 22 februari 2017, gelden voor onbepaalde duur. In afwijking op de onbepaalde duur kan de bevoegde overheid beslissen een vergunning geheel of gedeeltelijk voor een bepaalde duur te verlenen in de gevallen, vermeld in artikel 68.
De verplichtingen, vermeld in artikel 387, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. De Vlaamse Regering kan hierover verdere regels vaststellen.
Procedures in beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen worden behandeld op grond van de procedureregels die van toepassing waren in eerste administratieve aanleg.
§ 3. Het college van burgemeester en schepenen kan slechts gebruikmaken van de mogelijkheid om aanvragen, meldingen, verzoeken of initiatieven te behandelen op grond van de bepalingen die geldig waren op 22 februari 2017, als vermeld in paragraaf 2, als de bevoegde ministers hiervan akte hebben genomen.
Het verzoek tot aktename, vermeld in het eerste lid, wordt behandeld als volgt:
1° het college van burgemeester en schepenen deelt, op straffe van onontvankelijkheid, uiterlijk op 14 februari 2017, haar beslissing tot toepassing van de mogelijkheid, vermeld in paragraaf 1, mee aan het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed, met een aangetekend schrijven;
2° het college van burgemeester en schepenen vermeldt in haar beslissing tot wanneer zij de bepalingen die geldig waren op 22 februari 2017 wenst toe te passen, met als uiterste datum 1 juni 2017;
3° de Vlaamse minister, bevoegd voor Ruimtelijke Ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor Leefmilieu, nemen gezamenlijk akte van deze mededeling.]1
[2 § 4. Aanvragen, meldingen, verzoeken of initiatieven, vermeld in dit decreet, ingediend of opgestart vanaf 1 juni 2017 tot en met 31 december 2017, worden van rechtswege behandeld op grond van de procedureregels die geldig waren op 22 februari 2017, op voorwaarde dat:
1° het college van burgemeester en schepenen de bevoegde overheid is;
2° het college van burgemeester en schepenen besloten heeft toepassing te maken van de mogelijkheid, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, tot 1 juni 2017;
3° de Vlaamse minister, bevoegd voor Ruimtelijke Ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, gezamenlijk akte hebben genomen van de beslissing, vermeld in punt 2°.
De bepalingen van paragraaf 2, tweede tot en met zesde lid, zijn van toepassing.]2
1° artikel 2, dat al in werking is getreden met toepassing van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2015 tot aanwijzing van de Vlaamse en provinciale projecten ter uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
2° artikel 9, 10 en 16 die uitwerking hebben vanaf 28 november 2016;
3° artikel 204 tot en met 206, die in werking treden op 1 januari 2018;
4° paragraaf 2 en 3 die in werking treden op 1 februari 2017.
§ 2. Als het college van burgemeester en schepenen de bevoegde overheid is, worden aanvragen, meldingen, verzoeken of initiatieven, vermeld in dit decreet, ingediend of opgestart vanaf 23 februari 2017 behandeld op grond van de [2 procedureregels]2 die geldig waren op 22 februari 2017, op voorwaarde dat akte is genomen, overeenkomstig paragraaf 3.
Er wordt evenwel gebruikgemaakt van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het DABM, zoals deze zal gelden op 23 februari 2017.
De bepalingen van het eerste en tweede lid gelden ook voor de procedures tot bijstelling of afwijking van de milieuvoorwaarden, schorsing of opheffing van de vergunning en inzake genetisch gemodificeerde of pathogene organismen.
Vergunningen die worden verleend op basis van aanvragen gedaan vanaf 23 februari 2017 die behandeld worden op grond van de [2 procedureregels]2 die geldig waren op 22 februari 2017, gelden voor onbepaalde duur. In afwijking op de onbepaalde duur kan de bevoegde overheid beslissen een vergunning geheel of gedeeltelijk voor een bepaalde duur te verlenen in de gevallen, vermeld in artikel 68.
De verplichtingen, vermeld in artikel 387, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. De Vlaamse Regering kan hierover verdere regels vaststellen.
Procedures in beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen worden behandeld op grond van de procedureregels die van toepassing waren in eerste administratieve aanleg.
§ 3. Het college van burgemeester en schepenen kan slechts gebruikmaken van de mogelijkheid om aanvragen, meldingen, verzoeken of initiatieven te behandelen op grond van de bepalingen die geldig waren op 22 februari 2017, als vermeld in paragraaf 2, als de bevoegde ministers hiervan akte hebben genomen.
Het verzoek tot aktename, vermeld in het eerste lid, wordt behandeld als volgt:
1° het college van burgemeester en schepenen deelt, op straffe van onontvankelijkheid, uiterlijk op 14 februari 2017, haar beslissing tot toepassing van de mogelijkheid, vermeld in paragraaf 1, mee aan het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed, met een aangetekend schrijven;
2° het college van burgemeester en schepenen vermeldt in haar beslissing tot wanneer zij de bepalingen die geldig waren op 22 februari 2017 wenst toe te passen, met als uiterste datum 1 juni 2017;
3° de Vlaamse minister, bevoegd voor Ruimtelijke Ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor Leefmilieu, nemen gezamenlijk akte van deze mededeling.]1
[2 § 4. Aanvragen, meldingen, verzoeken of initiatieven, vermeld in dit decreet, ingediend of opgestart vanaf 1 juni 2017 tot en met 31 december 2017, worden van rechtswege behandeld op grond van de procedureregels die geldig waren op 22 februari 2017, op voorwaarde dat:
1° het college van burgemeester en schepenen de bevoegde overheid is;
2° het college van burgemeester en schepenen besloten heeft toepassing te maken van de mogelijkheid, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, tot 1 juni 2017;
3° de Vlaamse minister, bevoegd voor Ruimtelijke Ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, gezamenlijk akte hebben genomen van de beslissing, vermeld in punt 2°.
De bepalingen van paragraaf 2, tweede tot en met zesde lid, zijn van toepassing.]2
Art. 397. [1 § 1er. Le présent décret entre en vigueur le 23 février 2017, à l'exception :
1° de l'article 2, qui a déjà entré en vigueur en application de l'article 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 février 2015 portant désignation des projets flamands et provinciaux en exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ;
2° des articles 9, 10 et 16 qui produisent leurs effets le 28 novembre 2016 ;
3° des articles 204 à 206 inclus qui entrent en vigueur le 1er janvier 2018 ;
4° des alinéas 2 et 3 qui entrent en vigueur le 1er février 2017.
§ 2. Lorsque le collège des bourgmestre et échevins est l'autorité compétente, les demandes, notifications, requêtes ou initiatives, visées au présent décret, qui sont introduites ou démarrées à partir du 23 février 2017, sont traitées en vertu des [2 règles de procédure]2 valables le 22 février 2017, à condition qu'il en soit pris acte, conformément au paragraphe 3.
Toutefois, on utilise une liste de classification, visée à l'article 5.2.1. § 1er du DABM, telle qu'elle entrera en vigueur le 23 février 2017.
Les dispositions des alinéas premier et deux s'appliquent également aux procédures d'actualisation des conditions environnementales ou de dérogation aux conditions environnementales, de suspension ou d'abrogation de l'autorisation et en matière des organismes génétiquement modifiés ou pathogènes.
Les autorisations qui sont octroyées sur la base des demandes effectuées à partir du 23 février 2017 qui sont traitées en vertu des [2 règles de procédure]2 valables le 22 février 2017 sont valables pour une durée indéterminée. En dérogation à la durée indéterminée, l'autorité compétente peut décider d'octroyer une autorisation entièrement ou partiellement pour une durée limitée dans les cas, visés à l'article 68.
Les obligations visées à l'article 387, alinéa trois s'appliquent par analogie. Le Gouvernement flamand peut déterminer les modalités à cet effet.
Les procédures dans les recours contre des décisions explicites ou tacites sont traitées en vertu des règles de procédure qui étaient applicables en première instance administrative.
§ 3. Le collège des bourgmestre et échevins ne peut bénéficier de la possibilité de traiter les demandes, notifications, requêtes ou initiative en vertu des dispositions valables le 22 février 2017, tel que prévu au paragraphe 2, lorsque les ministres compétents en ont pris acte.
La demande de prise d'acte, visée à l'alinéa premier, est traitée comme suit :
1° le collège des bourgmestre et échevins notifie, sous peine d'irrecevabilité, au plus tard le 14 février 2017, sa décision d'application de la possibilité, visée paragraphe 1er, au Département de l'Aménagement du Territoire, de la Politique du Logement et du Patrimoine immobilier, par lettre recommandée ;
2° le collège des bourgmestre et échevins mentionne dans sa décision la date limite jusqu'à laquelle le collège souhaite appliquer les dispositions valables le 22 février 2017 (date limite 1er juin 2017) ;
3° le Ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions prennent conjointement acte de cette notification.]1
[2 § 4. Les demandes, notifications, requêtes ou initiatives, visées au présent décret, introduites ou démarrées à partir du 1er juin 2017 jusqu'au 31 décembre 2017 inclus, sont traitées de plein droit en vertu des règles de procédure valables au 22 février 2017, à condition que :
1° le collège des bourgmestre et échevins soit l'autorité compétente ;
2° le collège des bourgmestre et échevins ait décidé d'appliquer la possibilité, visée au paragraphe 2, alinéa 1er, jusqu'au 1er juin 2017 ;
3° le Ministre flamand ayant l'aménagement du territoire dans ses attributions, et le Ministre flamand ayant l'environnement et la politique de l'eau dans ses attributions aient ensemble pris acte de la décision, visée au point 2°.
Les dispositions du paragraphe 2, alinéas 2 à 6 inclus, s'appliquent.]2
1° de l'article 2, qui a déjà entré en vigueur en application de l'article 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 février 2015 portant désignation des projets flamands et provinciaux en exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ;
2° des articles 9, 10 et 16 qui produisent leurs effets le 28 novembre 2016 ;
3° des articles 204 à 206 inclus qui entrent en vigueur le 1er janvier 2018 ;
4° des alinéas 2 et 3 qui entrent en vigueur le 1er février 2017.
§ 2. Lorsque le collège des bourgmestre et échevins est l'autorité compétente, les demandes, notifications, requêtes ou initiatives, visées au présent décret, qui sont introduites ou démarrées à partir du 23 février 2017, sont traitées en vertu des [2 règles de procédure]2 valables le 22 février 2017, à condition qu'il en soit pris acte, conformément au paragraphe 3.
Toutefois, on utilise une liste de classification, visée à l'article 5.2.1. § 1er du DABM, telle qu'elle entrera en vigueur le 23 février 2017.
Les dispositions des alinéas premier et deux s'appliquent également aux procédures d'actualisation des conditions environnementales ou de dérogation aux conditions environnementales, de suspension ou d'abrogation de l'autorisation et en matière des organismes génétiquement modifiés ou pathogènes.
Les autorisations qui sont octroyées sur la base des demandes effectuées à partir du 23 février 2017 qui sont traitées en vertu des [2 règles de procédure]2 valables le 22 février 2017 sont valables pour une durée indéterminée. En dérogation à la durée indéterminée, l'autorité compétente peut décider d'octroyer une autorisation entièrement ou partiellement pour une durée limitée dans les cas, visés à l'article 68.
Les obligations visées à l'article 387, alinéa trois s'appliquent par analogie. Le Gouvernement flamand peut déterminer les modalités à cet effet.
Les procédures dans les recours contre des décisions explicites ou tacites sont traitées en vertu des règles de procédure qui étaient applicables en première instance administrative.
§ 3. Le collège des bourgmestre et échevins ne peut bénéficier de la possibilité de traiter les demandes, notifications, requêtes ou initiative en vertu des dispositions valables le 22 février 2017, tel que prévu au paragraphe 2, lorsque les ministres compétents en ont pris acte.
La demande de prise d'acte, visée à l'alinéa premier, est traitée comme suit :
1° le collège des bourgmestre et échevins notifie, sous peine d'irrecevabilité, au plus tard le 14 février 2017, sa décision d'application de la possibilité, visée paragraphe 1er, au Département de l'Aménagement du Territoire, de la Politique du Logement et du Patrimoine immobilier, par lettre recommandée ;
2° le collège des bourgmestre et échevins mentionne dans sa décision la date limite jusqu'à laquelle le collège souhaite appliquer les dispositions valables le 22 février 2017 (date limite 1er juin 2017) ;
3° le Ministre flamand qui a l'aménagement du territoire dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'environnement dans ses attributions prennent conjointement acte de cette notification.]1
[2 § 4. Les demandes, notifications, requêtes ou initiatives, visées au présent décret, introduites ou démarrées à partir du 1er juin 2017 jusqu'au 31 décembre 2017 inclus, sont traitées de plein droit en vertu des règles de procédure valables au 22 février 2017, à condition que :
1° le collège des bourgmestre et échevins soit l'autorité compétente ;
2° le collège des bourgmestre et échevins ait décidé d'appliquer la possibilité, visée au paragraphe 2, alinéa 1er, jusqu'au 1er juin 2017 ;
3° le Ministre flamand ayant l'aménagement du territoire dans ses attributions, et le Ministre flamand ayant l'environnement et la politique de l'eau dans ses attributions aient ensemble pris acte de la décision, visée au point 2°.
Les dispositions du paragraphe 2, alinéas 2 à 6 inclus, s'appliquent.]2
(NOTA : inwerkingtreding van art. 2 vastgesteld op 14-03-2015 door BVR 2015-02-13/08, art. 3) (NOTA : inwerkingtreding vastgesteld op 23-02-2017 - met uitzondering van art. 203 tot en met 206 - bij BVR 2015-11-27/29, art. 797, eerste lid) (NOTE : inwerkingtreding van art. 203 tot en met 206 vastgesteld op 01-01-2018 bij BVR 2015-11-27/29, art. 797, tweede lid)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 2 fixée au 14-03-2015 par AGF 2015-02-13/08, art. 3) (NOTE : entrée en vigueur fixée au 23-02-2017 - à l'exception des art. 203 à 206 - par AGF 2015-11-27/29, art. 797, alinéa 1er) (NOTE : entré en vigueur des art. 203 à 206 fixée au 01-01-2018 par AGF 2015-11-27/29, art. 797, alinéa 2)