Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
25 APRIL 2014. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005 tot instelling van een bedrijfstoeslagregeling en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en tot toepassing van de randvoorwaarden
Titre
25 AVRIL 2014. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant diverses dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2005 instaurant un régime de paiement unique et établissant certains régimes d'aide pour agriculteurs et portant application de la conditionnalité
Documentinformatie
Info du document
Tekst (15)
Texte (15)
Artikel 1. In artikel 2decies, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005 tot instelling van een bedrijfstoeslagregeling en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en tot toepassing van de randvoorwaarden, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 september 2010 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 maart 2012, wordt de zinsnede "2012 en 2013" vervangen door de zinsnede "2012, 2013 en 2014".
Article 1er. Dans l'article 2decies, alinéa premier, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2005 instaurant un régime de paiement unique et établissant certains régimes d'aide pour agriculteurs et portant application de la conditionnalité, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 septembre 2010 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 mars 2012, le membre de phrase " 2012 et 2013 " est remplacé par le membre de phrase " 2012, 2013 et 2014 ".
Art. 2. In artikel 2undecies van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 maart 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, eerste lid, 1°, worden tussen het woord "zaaizaad" en de woorden "per hectare" de woorden "of, als er geen gecertificeerd zaaizaad bestaat, handelszaad" ingevoegd;
2° in paragraaf 5, eerste lid, worden tussen het woord "zaaizaad" en de woorden "per hectare" de woorden "of, als er geen gecertificeerd zaaizaad bestaat, handelszaad" ingevoegd.
1° in paragraaf 2, eerste lid, 1°, worden tussen het woord "zaaizaad" en de woorden "per hectare" de woorden "of, als er geen gecertificeerd zaaizaad bestaat, handelszaad" ingevoegd;
2° in paragraaf 5, eerste lid, worden tussen het woord "zaaizaad" en de woorden "per hectare" de woorden "of, als er geen gecertificeerd zaaizaad bestaat, handelszaad" ingevoegd.
Art. 2. Dans l'article 2undecies du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 mars 2012, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le paragraphe 2, alinéa premier, 1° les mots " ou s'il n'existe pas de semences certifiées, de semences commerciales, " sont insérés entre les mots " semences certifiées requises, " et les mots " par hectare " ;
2° dans le paragraphe 5, alinéa premier, les mots " ou s'il n'existe pas de semences certifiées, de semences commerciales, " sont insérés entre les mots " semences certifiées requises, " et les mots " par hectare ".
1° dans le paragraphe 2, alinéa premier, 1° les mots " ou s'il n'existe pas de semences certifiées, de semences commerciales, " sont insérés entre les mots " semences certifiées requises, " et les mots " par hectare " ;
2° dans le paragraphe 5, alinéa premier, les mots " ou s'il n'existe pas de semences certifiées, de semences commerciales, " sont insérés entre les mots " semences certifiées requises, " et les mots " par hectare ".
Art. 3. Artikel 8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 september 2010, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 8. § 1. De erosiegevoeligheid van een perceel wordt bepaald door de afdeling Land- en Bodembescherming, Ondergrond en Natuurlijke Rijkdommen van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse overheid. Er zijn zes erosiegevoeligheidsklassen: zeer hoog, hoog, medium, laag, zeer laag en verwaarloosbaar. De erosiegevoeligheid van een perceel wordt jaarlijks meegedeeld via de verzamelaanvraag.
Landbouwers die aan de hand van een analyse van een bodemstaal kunnen aantonen dat het koolstofgehalte 1,7 % of meer bedraagt en de pH zich in de optimale zone voor het bodemtype in kwestie bevindt, overeenkomstig de Code van Goede Praktijk Bodembescherming, kunnen bij de bevoegde entiteit aanvragen om de erosiegevoeligheid van het desbetreffende perceel dat geen blijvend grasland is met één klasse te laten dalen. De monsterneming en analyse van het bodemstaal wordt uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodembescherming als vermeld in artikel 6, 5°, c), van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu (VLAREL). De bodemanalyse heeft een geldigheidsduur van vijf jaar vanaf de datum waarop de staalname heeft plaatsgevonden. De herklassering van een perceel loopt per kalenderjaar: ze vangt aan op 1 januari van het jaar waarin de aanvraag voor herklassering wordt goedgekeurd en eindigt op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan de einddatum van de maximale geldigheidsduur van de bodemanalyse.
Als het perceel van vorm verandert, blijft de herklassering geldig voor zover het perceel voor minstens 80 % overlapt met het oorspronkelijk perceel waarop de staalname die de basis voor de herklassering vormde, is uitgevoerd.
§ 2. Op percelen met een zeer hoge erosiegevoeligheid is de landbouwer verplicht erosiebestrijdingsmaatregelen als vermeld in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd, toe te passen. De toe te passen erosiebestrijdingsmaatregelen op een dergelijk perceel variëren naargelang van de verbouwde teelt en hebben betrekking op de zorg voor een minimale bodembedekking en een aangepast minimaal landbeheer op basis van de specifieke omstandigheden ter plaatse. De te nemen maatregelen zullen gefaseerd worden verstrengd volgens het volgend tijdschema:
1° vanaf 1 januari 2014 zijn de landbouwers verplicht de maatregelen, vermeld in bijlage 1, 3.A, na te leven;
2° vanaf 1 januari 2015 zijn de landbouwers verplicht de maatregelen, vermeld in bijlage 1, 3.B, na te leven;
3° vanaf 1 januari 2016 zijn de landbouwers verplicht de maatregelen, vermeld in bijlage 1, 3.C, na te leven;
4° vanaf 1 januari 2018 zijn de landbouwers verplicht de maatregelen, vermeld in bijlage 1, 3.D, na te leven.
§ 3. Op percelen met een hoge erosiegevoeligheid is de landbouwer verplicht om erosiebestrijdingsmaatregelen als vermeld in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd, toe te passen. De toe te passen erosiebestrijdingsmaatregelen op een dergelijk perceel variëren naargelang van de verbouwde teelt en hebben betrekking op de zorg voor een minimale bodembedekking en een aangepast minimaal landbeheer op basis van de specifieke omstandigheden ter plaatse. De te nemen maatregelen zullen gefaseerd worden ingevoerd zoals aangegeven in bijlage 2, namelijk:
1° vanaf 1 januari 2014 zijn de landbouwers verplicht de maatregelen, vermeld in bijlage 2, 3.A, na te leven;
2° vanaf 1 januari 2015 zijn de landbouwers verplicht de maatregelen, vermeld in bijlage 2, 3.B, na te leven;
3° vanaf 1 januari 2016 zijn de landbouwers verplicht de maatregelen, vermeld in bijlage 2, 3.C, na te leven;
4° vanaf 1 januari 2018 zijn de landbouwers verplicht de maatregelen, vermeld in bijlage 2, 3.D, na te leven.
§ 4. De landbouwer die in het kader van educatieve demonstraties of in het kader van wetenschappelijke proefnemingen erosiebestrijdende maatregelen wil toepassen die afwijken van de bepalingen opgenomen in bijlage 1 en bijlage 2 bij dit besluit, dient daarvoor een gemotiveerde aanvraag in bij de minister.
Een aanvraag als vermeld in het eerste lid, bevat minstens de volgende gegevens:
1° voor- en achternaam of benaming van de aanvrager;
2° de teelt en het perceel waarvoor de aanvrager de afwijking wil verkrijgen;
3° de tijdsduur waarvoor de afwijking wordt aangevraagd;
4° een omschrijving van de geplande educatieve demonstratie of wetenschappelijke proefneming, met aanduiding van de bepalingen van de voormelde bijlagen waarvan de aanvrager wil afwijken.
De aanvrager moet een aanvraag als vermeld in het eerste lid minimaal dertig werkdagen voor de aanvang van de periode waarvoor hij de afwijking wil verkrijgen, indienen bij de bevoegde entiteit. De bevoegde entiteit brengt de aanvrager op de hoogte van de ontvangst van de aanvraag binnen drie werkdagen. Als de aanvraag onvolledig is of onvoldoende informatie bevat, kan de bevoegde entiteit aanvullende gegevens opvragen.
De minister kan voor een aanvraag als vermeld in het eerste lid de toelating geven om van de bepalingen opgenomen in bijlage 1 en 2 bij dit besluit, af te wijken en neemt de beslissing binnen een termijn van twintig werkdagen na ontvangst van de aanvraag door de bevoegde entiteit. Als de bevoegde entiteit bijkomende gegevens opvraagt, overeenkomstig het derde lid, wordt de lopende beslissingstermijn gestuit en begint een nieuwe beslissingstermijn te lopen vanaf ontvangst van die bijkomende gegevens.
"Art. 8. § 1. De erosiegevoeligheid van een perceel wordt bepaald door de afdeling Land- en Bodembescherming, Ondergrond en Natuurlijke Rijkdommen van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse overheid. Er zijn zes erosiegevoeligheidsklassen: zeer hoog, hoog, medium, laag, zeer laag en verwaarloosbaar. De erosiegevoeligheid van een perceel wordt jaarlijks meegedeeld via de verzamelaanvraag.
Landbouwers die aan de hand van een analyse van een bodemstaal kunnen aantonen dat het koolstofgehalte 1,7 % of meer bedraagt en de pH zich in de optimale zone voor het bodemtype in kwestie bevindt, overeenkomstig de Code van Goede Praktijk Bodembescherming, kunnen bij de bevoegde entiteit aanvragen om de erosiegevoeligheid van het desbetreffende perceel dat geen blijvend grasland is met één klasse te laten dalen. De monsterneming en analyse van het bodemstaal wordt uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodembescherming als vermeld in artikel 6, 5°, c), van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu (VLAREL). De bodemanalyse heeft een geldigheidsduur van vijf jaar vanaf de datum waarop de staalname heeft plaatsgevonden. De herklassering van een perceel loopt per kalenderjaar: ze vangt aan op 1 januari van het jaar waarin de aanvraag voor herklassering wordt goedgekeurd en eindigt op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan de einddatum van de maximale geldigheidsduur van de bodemanalyse.
Als het perceel van vorm verandert, blijft de herklassering geldig voor zover het perceel voor minstens 80 % overlapt met het oorspronkelijk perceel waarop de staalname die de basis voor de herklassering vormde, is uitgevoerd.
§ 2. Op percelen met een zeer hoge erosiegevoeligheid is de landbouwer verplicht erosiebestrijdingsmaatregelen als vermeld in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd, toe te passen. De toe te passen erosiebestrijdingsmaatregelen op een dergelijk perceel variëren naargelang van de verbouwde teelt en hebben betrekking op de zorg voor een minimale bodembedekking en een aangepast minimaal landbeheer op basis van de specifieke omstandigheden ter plaatse. De te nemen maatregelen zullen gefaseerd worden verstrengd volgens het volgend tijdschema:
1° vanaf 1 januari 2014 zijn de landbouwers verplicht de maatregelen, vermeld in bijlage 1, 3.A, na te leven;
2° vanaf 1 januari 2015 zijn de landbouwers verplicht de maatregelen, vermeld in bijlage 1, 3.B, na te leven;
3° vanaf 1 januari 2016 zijn de landbouwers verplicht de maatregelen, vermeld in bijlage 1, 3.C, na te leven;
4° vanaf 1 januari 2018 zijn de landbouwers verplicht de maatregelen, vermeld in bijlage 1, 3.D, na te leven.
§ 3. Op percelen met een hoge erosiegevoeligheid is de landbouwer verplicht om erosiebestrijdingsmaatregelen als vermeld in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd, toe te passen. De toe te passen erosiebestrijdingsmaatregelen op een dergelijk perceel variëren naargelang van de verbouwde teelt en hebben betrekking op de zorg voor een minimale bodembedekking en een aangepast minimaal landbeheer op basis van de specifieke omstandigheden ter plaatse. De te nemen maatregelen zullen gefaseerd worden ingevoerd zoals aangegeven in bijlage 2, namelijk:
1° vanaf 1 januari 2014 zijn de landbouwers verplicht de maatregelen, vermeld in bijlage 2, 3.A, na te leven;
2° vanaf 1 januari 2015 zijn de landbouwers verplicht de maatregelen, vermeld in bijlage 2, 3.B, na te leven;
3° vanaf 1 januari 2016 zijn de landbouwers verplicht de maatregelen, vermeld in bijlage 2, 3.C, na te leven;
4° vanaf 1 januari 2018 zijn de landbouwers verplicht de maatregelen, vermeld in bijlage 2, 3.D, na te leven.
§ 4. De landbouwer die in het kader van educatieve demonstraties of in het kader van wetenschappelijke proefnemingen erosiebestrijdende maatregelen wil toepassen die afwijken van de bepalingen opgenomen in bijlage 1 en bijlage 2 bij dit besluit, dient daarvoor een gemotiveerde aanvraag in bij de minister.
Een aanvraag als vermeld in het eerste lid, bevat minstens de volgende gegevens:
1° voor- en achternaam of benaming van de aanvrager;
2° de teelt en het perceel waarvoor de aanvrager de afwijking wil verkrijgen;
3° de tijdsduur waarvoor de afwijking wordt aangevraagd;
4° een omschrijving van de geplande educatieve demonstratie of wetenschappelijke proefneming, met aanduiding van de bepalingen van de voormelde bijlagen waarvan de aanvrager wil afwijken.
De aanvrager moet een aanvraag als vermeld in het eerste lid minimaal dertig werkdagen voor de aanvang van de periode waarvoor hij de afwijking wil verkrijgen, indienen bij de bevoegde entiteit. De bevoegde entiteit brengt de aanvrager op de hoogte van de ontvangst van de aanvraag binnen drie werkdagen. Als de aanvraag onvolledig is of onvoldoende informatie bevat, kan de bevoegde entiteit aanvullende gegevens opvragen.
De minister kan voor een aanvraag als vermeld in het eerste lid de toelating geven om van de bepalingen opgenomen in bijlage 1 en 2 bij dit besluit, af te wijken en neemt de beslissing binnen een termijn van twintig werkdagen na ontvangst van de aanvraag door de bevoegde entiteit. Als de bevoegde entiteit bijkomende gegevens opvraagt, overeenkomstig het derde lid, wordt de lopende beslissingstermijn gestuit en begint een nieuwe beslissingstermijn te lopen vanaf ontvangst van die bijkomende gegevens.
Art. 3. L'article 8 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 septembre 2010, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 8. § 1er. La vulnérabilité à l'érosion d'une parcelle est déterminée par la division du Sol et de la Protection du Sol, du Sous-sol et des Ressources naturelles du Département de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie de l'Autorité flamande. Il existent six classes de vulnérabilité à l'érosion : très forte, forte, moyenne, basse, très basse et négligeable. La vulnérabilité à l'érosion d'une parcelle est communiquée chaque année par le biais de la demande unique.
Les agriculteurs qui peuvent démontrer au moyen d'une analyse d'un échantillon du sol que la teneur en carbone s'élève à 1,7% ou plus et que la valeur pH se situe dans la zone optimale pour le type de sol, conformément au Code de bonne Pratiquer de la Protection du Sol, peuvent introduire une demande auprès de l'entité compétente en vue de faire descendre d'une classe la vulnérabilité à l'érosion de la parcelle concernée qui n'est pas un pâturage permanent. L'échantillonnage et l'analyse des paramètres, visés au paragraphe 1er, sont exécutés par un laboratoire agréé dans la discipline eaux, sous domaine eaux usées, telle que citée dans l'article 6, 5°, a), de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 établissant le règlement flamand en matière d'agréments relatifs à l'environnement. "
L'analyse du sol a une durée de validité de cinq ans à partir de la date à laquelle l'échantillonnage a eu lieu. Le reclassement d'une parcelle vaut par année calendaire : il prend cours le 1er janvier de l'année dans laquelle la demande de reclassement est approuvée et prend fin le 31 décembre de l'année qui précède la date finale de la durée de validité maximale de l'analyse du sol.
Lorsque la parcelle change de forme, le reclassement reste valable dans la mesure où la parcelle chevauche pour au moins 80% la parcelle originale sur laquelle a été exécuté l'échantillonnage qui constituait la base pour le reclassement.
§ 2. L'agriculteur est obligé d'appliquer les mesures de lutte contre l'érosion telles que visées à l'annexe 1re, jointe au présent arrêté, sur les parcelles ayant une très forte vulnérabilité à l'érosion. Les mesures de lutte contre l'érosion à appliquer sur une telle parcelle varient suivant la culture appliquée et ont trait à l'attention donnée à une couverture du sol minimale ainsi qu'à une gestion rurale minimale sur la base des circonstances locales spécifiques. Les mesures à prendre seront progressivement rendues plus strictes suivant le calendrier suivant :
1° à partir du 1er janvier 2014, les agriculteurs sont obligés de respecter les mesures, visées à l'annexe 1re, 3.A ;
2° à partir du 1er janvier 2015, les agriculteurs sont obligés de respecter les mesures, visées à l'annexe 1re, 3.B ;
3° à partir du 1er janvier 2016, les agriculteurs sont obligés de respecter les mesures, visées à l'annexe 1re, 3.C ;
4° à partir du 1er janvier 2018, les agriculteurs sont obligés de respecter les mesures, visées à l'annexe 1re, 3.D.
§ 3. L'agriculteur est obligé d'appliquer les mesures de lutte contre l'érosion telles que visées à l'annexe 2, jointe au présent arrêté, sur les parcelles ayant une forte vulnérabilité à l'érosion. Les mesures de lutte contre l'érosion à appliquer sur une telle parcelle varient suivant la culture appliquée et ont trait à l'attention donnée à une couverture du sol minimale ainsi qu'à une gestion rurale minimale sur la base des circonstances locales spécifiques. Les mesures à prendre seront progressivement introduites suivant tel qu'indiqué dans l'annexe 2, notamment :
1° à partir du 1er janvier 2014, les agriculteurs sont obligés de respecter les mesures, visées à l'annexe 1re, 3.A ;
2° à partir du 1er janvier 2015, les agriculteurs sont obligés de respecter les mesures, visées à l'annexe 1re, 3.B ;
3° à partir du 1er janvier 2016, les agriculteurs sont obligés de respecter les mesures, visées à l'annexe 1re, 3.C ;
4° à partir du 1er janvier 2018, les agriculteurs sont obligés de respecter les mesures, visées à l'annexe 1re, 3.D.
§ 4. L'agriculteur qui dans le cadre de démonstrations éducatives ou dans le cadre d'essais scientifiques veut appliquer des mesures de lutte contre l'érosion qui dérogent aux dispositions reprises dans les annexes 1re et 2 au présent arrêté, doit introduire une demande motivée auprès du ministre à cet effet.
Une demande telle que visée à l'alinéa premier contient au moins les données suivantes :
1° le prénom et nom ou dénomination du demandeur ;
2° la culture et la parcelle pour lesquelles le demandeur veut obtenir une dérogation ;
3° la durée pour laquelle la dérogation est demandée ;
4° une description de la démonstration éducative ou de l'essai scientifique envisagés, avec indication des dispositions des annexes précitées auxquelles le demandeur veut déroger.
Le demandeur doit introduire une demande telle que visée à l'alinéa premier auprès de l'entité compétente au moins trente jours avant le début de la période pour laquelle il veut obtenir la dérogation. L'entité compétente avise le demandeur dans les trois jours ouvrables de la réception de la demande. Si la demande est incomplète ou contient insuffisamment d'informations, l'entité compétente peut demander des informations complémentaires.
Pour une demande telle que visée à l'alinéa premier, le ministre peut autoriser une dérogation aux dispositions reprises dans les annexes 1re et 2 au présent arrêté et prend la décision dans un délai de vingt jours ouvrables après la réception de la demande par l'entité compétente. Si l'entité compétente demande des informations complémentaires, conformément à l'alinéa trois, le délai de décision courant est suspendu et un nouveau délai de décision prend cours à partir de la réception de ces informations complémentaires.
" Art. 8. § 1er. La vulnérabilité à l'érosion d'une parcelle est déterminée par la division du Sol et de la Protection du Sol, du Sous-sol et des Ressources naturelles du Département de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie de l'Autorité flamande. Il existent six classes de vulnérabilité à l'érosion : très forte, forte, moyenne, basse, très basse et négligeable. La vulnérabilité à l'érosion d'une parcelle est communiquée chaque année par le biais de la demande unique.
Les agriculteurs qui peuvent démontrer au moyen d'une analyse d'un échantillon du sol que la teneur en carbone s'élève à 1,7% ou plus et que la valeur pH se situe dans la zone optimale pour le type de sol, conformément au Code de bonne Pratiquer de la Protection du Sol, peuvent introduire une demande auprès de l'entité compétente en vue de faire descendre d'une classe la vulnérabilité à l'érosion de la parcelle concernée qui n'est pas un pâturage permanent. L'échantillonnage et l'analyse des paramètres, visés au paragraphe 1er, sont exécutés par un laboratoire agréé dans la discipline eaux, sous domaine eaux usées, telle que citée dans l'article 6, 5°, a), de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 établissant le règlement flamand en matière d'agréments relatifs à l'environnement. "
L'analyse du sol a une durée de validité de cinq ans à partir de la date à laquelle l'échantillonnage a eu lieu. Le reclassement d'une parcelle vaut par année calendaire : il prend cours le 1er janvier de l'année dans laquelle la demande de reclassement est approuvée et prend fin le 31 décembre de l'année qui précède la date finale de la durée de validité maximale de l'analyse du sol.
Lorsque la parcelle change de forme, le reclassement reste valable dans la mesure où la parcelle chevauche pour au moins 80% la parcelle originale sur laquelle a été exécuté l'échantillonnage qui constituait la base pour le reclassement.
§ 2. L'agriculteur est obligé d'appliquer les mesures de lutte contre l'érosion telles que visées à l'annexe 1re, jointe au présent arrêté, sur les parcelles ayant une très forte vulnérabilité à l'érosion. Les mesures de lutte contre l'érosion à appliquer sur une telle parcelle varient suivant la culture appliquée et ont trait à l'attention donnée à une couverture du sol minimale ainsi qu'à une gestion rurale minimale sur la base des circonstances locales spécifiques. Les mesures à prendre seront progressivement rendues plus strictes suivant le calendrier suivant :
1° à partir du 1er janvier 2014, les agriculteurs sont obligés de respecter les mesures, visées à l'annexe 1re, 3.A ;
2° à partir du 1er janvier 2015, les agriculteurs sont obligés de respecter les mesures, visées à l'annexe 1re, 3.B ;
3° à partir du 1er janvier 2016, les agriculteurs sont obligés de respecter les mesures, visées à l'annexe 1re, 3.C ;
4° à partir du 1er janvier 2018, les agriculteurs sont obligés de respecter les mesures, visées à l'annexe 1re, 3.D.
§ 3. L'agriculteur est obligé d'appliquer les mesures de lutte contre l'érosion telles que visées à l'annexe 2, jointe au présent arrêté, sur les parcelles ayant une forte vulnérabilité à l'érosion. Les mesures de lutte contre l'érosion à appliquer sur une telle parcelle varient suivant la culture appliquée et ont trait à l'attention donnée à une couverture du sol minimale ainsi qu'à une gestion rurale minimale sur la base des circonstances locales spécifiques. Les mesures à prendre seront progressivement introduites suivant tel qu'indiqué dans l'annexe 2, notamment :
1° à partir du 1er janvier 2014, les agriculteurs sont obligés de respecter les mesures, visées à l'annexe 1re, 3.A ;
2° à partir du 1er janvier 2015, les agriculteurs sont obligés de respecter les mesures, visées à l'annexe 1re, 3.B ;
3° à partir du 1er janvier 2016, les agriculteurs sont obligés de respecter les mesures, visées à l'annexe 1re, 3.C ;
4° à partir du 1er janvier 2018, les agriculteurs sont obligés de respecter les mesures, visées à l'annexe 1re, 3.D.
§ 4. L'agriculteur qui dans le cadre de démonstrations éducatives ou dans le cadre d'essais scientifiques veut appliquer des mesures de lutte contre l'érosion qui dérogent aux dispositions reprises dans les annexes 1re et 2 au présent arrêté, doit introduire une demande motivée auprès du ministre à cet effet.
Une demande telle que visée à l'alinéa premier contient au moins les données suivantes :
1° le prénom et nom ou dénomination du demandeur ;
2° la culture et la parcelle pour lesquelles le demandeur veut obtenir une dérogation ;
3° la durée pour laquelle la dérogation est demandée ;
4° une description de la démonstration éducative ou de l'essai scientifique envisagés, avec indication des dispositions des annexes précitées auxquelles le demandeur veut déroger.
Le demandeur doit introduire une demande telle que visée à l'alinéa premier auprès de l'entité compétente au moins trente jours avant le début de la période pour laquelle il veut obtenir la dérogation. L'entité compétente avise le demandeur dans les trois jours ouvrables de la réception de la demande. Si la demande est incomplète ou contient insuffisamment d'informations, l'entité compétente peut demander des informations complémentaires.
Pour une demande telle que visée à l'alinéa premier, le ministre peut autoriser une dérogation aux dispositions reprises dans les annexes 1re et 2 au présent arrêté et prend la décision dans un délai de vingt jours ouvrables après la réception de la demande par l'entité compétente. Si l'entité compétente demande des informations complémentaires, conformément à l'alinéa trois, le délai de décision courant est suspendu et un nouveau délai de décision prend cours à partir de la réception de ces informations complémentaires.
Art. 4. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 14 september 2007, 10 september 2010, 19 november 2010, 3 december 2010, 23 maart 2012 en 16 november 2012, wordt een artikel 11quater ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 11quater. Landbouwers leven in het kader van hun landbouwactiviteit het verbod na op het direct en indirect lozen in het grondwater van gevaarlijke stoffen opgenomen in de lijst I van de bijlage 3 bij dit besluit. Ze leven ook het verbod na op het direct lozen in het grondwater van gevaarlijke stoffen opgenomen in de lijst II van de bijlage 3 bij dit besluit. Voor het indirect lozen van gevaarlijke stoffen opgenomen in de voormelde lijst II moeten ze beschikken over een milieuvergunning overeenkomstig de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (VLAREM I).
Landbouwers dekken de boorgaten van verlaten grondwaterwinningen af als die boorgaten een potentieel gevaar vormen voor het verontreinigen van watervoerende lagen.".
"Art. 11quater. Landbouwers leven in het kader van hun landbouwactiviteit het verbod na op het direct en indirect lozen in het grondwater van gevaarlijke stoffen opgenomen in de lijst I van de bijlage 3 bij dit besluit. Ze leven ook het verbod na op het direct lozen in het grondwater van gevaarlijke stoffen opgenomen in de lijst II van de bijlage 3 bij dit besluit. Voor het indirect lozen van gevaarlijke stoffen opgenomen in de voormelde lijst II moeten ze beschikken over een milieuvergunning overeenkomstig de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (VLAREM I).
Landbouwers dekken de boorgaten van verlaten grondwaterwinningen af als die boorgaten een potentieel gevaar vormen voor het verontreinigen van watervoerende lagen.".
Art. 4. Dans le même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 14 septembre 2007, 10 septembre 2010, 19 novembre 2010, 3 décembre 2010, 23 mars 2012 et 16 novembre 2012, il est inséré un article 11quater, rédigé comme suit :
" Art. 11quater. Dans le cadre de leur activité agricole, les agriculteurs respectent l'interdiction de déversement direct et indirect dans les eaux souterraines de produits dangereux repris dans la liste Ire de l'annexe 3 auprès du présent arrêté. Ils respectent l'interdiction de déversement direct dans les eaux souterraines de produits dangereux repris dans la liste II de l'annexe 3 auprès du présent arrêté. Pour le déversement indirect de substances dangereuses reprises dans la liste II précitée, ils doivent disposer d'une autorisation écologique conformément aux dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 février 1991 fixant le règlement flamand relatif à l'autorisation écologique (VLAREM I).
Les agriculteurs couvrent les trous de forage de captages d'eau souterraine abandonnés si ceux-ci constituent un danger potentiel pour la pollution des nappes aquifères. ".
" Art. 11quater. Dans le cadre de leur activité agricole, les agriculteurs respectent l'interdiction de déversement direct et indirect dans les eaux souterraines de produits dangereux repris dans la liste Ire de l'annexe 3 auprès du présent arrêté. Ils respectent l'interdiction de déversement direct dans les eaux souterraines de produits dangereux repris dans la liste II de l'annexe 3 auprès du présent arrêté. Pour le déversement indirect de substances dangereuses reprises dans la liste II précitée, ils doivent disposer d'une autorisation écologique conformément aux dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 février 1991 fixant le règlement flamand relatif à l'autorisation écologique (VLAREM I).
Les agriculteurs couvrent les trous de forage de captages d'eau souterraine abandonnés si ceux-ci constituent un danger potentiel pour la pollution des nappes aquifères. ".
Art. 5. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 14 september 2007, 10 september 2010, 19 november 2010, 3 december 2010, 23 maart 2012 en 16 november 2012, wordt een artikel 11quinquies ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 11quinquies. Landbouwers moeten een gewasbeschermingsmiddelvrije zone respecteren van één meter breed landinwaarts gemeten vanaf de bovenste rand van het talud van de bevaarbare waterlopen en de onbevaarbare waterlopen van eerste, tweede en derde categorie, ingedeeld op grond van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen. Op de fotoplannen van de verzamelaanvraag worden deze waterlopen voorgedrukt.".
"Art. 11quinquies. Landbouwers moeten een gewasbeschermingsmiddelvrije zone respecteren van één meter breed landinwaarts gemeten vanaf de bovenste rand van het talud van de bevaarbare waterlopen en de onbevaarbare waterlopen van eerste, tweede en derde categorie, ingedeeld op grond van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen. Op de fotoplannen van de verzamelaanvraag worden deze waterlopen voorgedrukt.".
Art. 5. Dans le même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 14 septembre 2007, 10 septembre 2010, 19 novembre 2010, 3 décembre 2010, 23 mars 2012 et 16 novembre 2012, il est inséré un article 11quinquies, rédigé comme suit :
" Art. 11quinquies. Les agriculteurs doivent respecter une zone exempte de moyens de protection de la culture d'un mètre de large mesurée vers l'intérieur des terres à partir du bord supérieur du talus des cours d'eau navigables et des cours d'eau non navigables de première, deuxième et troisième catégorie, classés sur la base de la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables. Ces cours d'eau sont pré-imprimés sur les plans photographiques de la demande unique.
" Art. 11quinquies. Les agriculteurs doivent respecter une zone exempte de moyens de protection de la culture d'un mètre de large mesurée vers l'intérieur des terres à partir du bord supérieur du talus des cours d'eau navigables et des cours d'eau non navigables de première, deuxième et troisième catégorie, classés sur la base de la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables. Ces cours d'eau sont pré-imprimés sur les plans photographiques de la demande unique.
Art. 6. In artikel 17 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 september 2010, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
"De overtredingen van bepalingen van dit besluit worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 28 juni 2013 betreffende het landbouw- en visserijbeleid.".
"De overtredingen van bepalingen van dit besluit worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 28 juni 2013 betreffende het landbouw- en visserijbeleid.".
Art. 6. Dans l'article 17 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 septembre 2010, l'alinéa premier est remplacé par la disposition suivante :
" Les infractions aux dispositions du présent arrêté sont recherchées, constatées et sanctionnées conformément aux dispositions du décret du 28 juin 2013 relatif à la politique de l'agriculture et de la pêche. ".
" Les infractions aux dispositions du présent arrêté sont recherchées, constatées et sanctionnées conformément aux dispositions du décret du 28 juin 2013 relatif à la politique de l'agriculture et de la pêche. ".
Art. 7. Bijlage 1 bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 september 2010, wordt vervangen door bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 7. L'annexe 1re du même arrêté, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 septembre 2010, est remplacée par l'annexe 1re, jointe au présent arrêté.
Art. 8. Bijlage 2 bij hetzelfde besluit, opgeheven bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 december 2010, wordt opnieuw opgenomen door bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 8. L'annexe 2 du même arrêté, abrogée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 décembre 2010, est à nouveau reprise par l'annexe 2, jointe au présent arrêté.
Art. 9. Aan hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 14 september 2007, 10 september 2010, 19 november 2010, 3 december 2010, 23 maart 2012 en 16 november 2012, wordt een bijlage 3 toegevoegd, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 9. Au même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 14 septembre 2007, 10 septembre 2010, 19 novembre 2010, 3 décembre 2010, 23 mars 2012 et 16 novembre 2012, est ajoutée une annexe 3, jointe au présent arrêté.
Art. 10. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2014, met uitzondering van artikel 4 en bijlage 3 bij dit besluit, die uitwerking hebben met ingang van 22 december 2013.
Art. 10. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2014, à l'exception de l'article 4 et de l'annexe 3 auprès du présent arrêté, qui produisent leurs effets le 22 décembre 2013.
Art. 11. De Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid en de zeevisserij, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 11. Le Ministre flamand ayant la politique agricole et la pêche en mer dans ses attributions, est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1. - Erosiebestrijdingsmaatregelen als vermeld in artikel 8, § 2
1. In deze bijlage wordt verstaan onder:
1° mulchzaai: het direct inzaaien in een voldoende bodembedekking. Om gunstige zaaicondities te creëren wordt bij directe inzaai toegestaan dat de bodem, vóór de insnijding van de zaaikouters, wordt geopend en verkruimeld. Concreet gaat het om schijven of een combinatie van schijven en tanden die werkzaam zijn in dezelfde lijn als de zaaikouter en met een werkbreedte per schijf van maximaal 3 cm. De bodembedekking wordt verkregen door inzaai van een gewas vóór 15 september of door behoud van de mulch van korrelmaïs;
2° strip-till-techniek: de techniek waarbij maïs ingezaaid wordt op een strook bewerkte grond van maximaal 15 cm breed, terwijl de rest van het veld onbewerkt blijft en een voldoende bodembedekking heeft. De bodembedekking wordt bekomen door inzaai van een gewas vóór 15 september of door behoud van de mulch van korrelmaïs;
3° drempeltjes: aanaardingen aangebracht dwars tussen de ruggen met een aangepaste machine.
2. Op percelen met een zeer hoge erosiegevoeligheid is de landbouwer verplicht om erosiebestrijdingsmaatregelen toe te passen die bestaan uit een minimale bodembedekking en een minimaal landbeheer op basis van de specifieke omstandigheden ter plaatse.
3. Afhankelijk van de teeltcategorie zijn de volgende maatregelen verplicht:
A. vanaf 1 januari 2014:
1° teelten die het jaar rond een volledige bedekking bieden:
a) minimale bodembedekking: geen verdere maatregelen vereist;
b) minimaal landbeheer: geen verdere maatregelen vereist;
2° wintergranen en winterkoolzaad:
a) minimale bodembedekking: de bodem niet langer dan twee maanden onbedekt laten vóór de aanleg van het zaaibed;
b) minimaal landbeheer:
1) inzaaien volgens de richting die het best aansluit bij de hoogtelijnen als het perceel in die richting langer is dan honderd meter;
2) als een beheersovereenkomst "niet-kerende bodembewerking", "directe inzaai" of "aanleg en onderhoud grasbufferstrook en grasgang" is afgesloten voor het perceel in kwestie, is ook aan de voorwaarden voor minimaal landbeheer voldaan;
3° zomergranen en vlas:
a) minimale bodembedekking: het perceel mag maximaal 2 weken onbedekt zijn vóór de aanleg van het zaaibed;
b) minimaal landbeheer:
1) inzaaien volgens de richting die het best aansluit bij de hoogtelijnen als het perceel in die richting langer is dan honderd meter;
2) als een beheersovereenkomst "niet-kerende bodembewerking", "directe inzaai" of "aanleg en onderhoud grasbufferstrook en grasgang" is afgesloten voor het perceel in kwestie, is ook aan de voorwaarden voor minimaal landbeheer voldaan.
4° ruggenteelten van aardappelen, cichorei, witloof (wortelteelt) en wortelen:
a) minimale bodembedekking: de bodem in ieder geval niet langer dan twee maanden onbedekt laten vóór de datum waarop het hoofdgewas wordt ingezaaid. Om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen, geldt er een verplichting om te oogsten en in een bodembedekking te voorzien vóór 1 oktober, met uitzondering voor korrelmaïs (oogsten vóór 15 november en mulch behouden). Voor andere teelten die pas later geoogst kunnen worden, kan de landbouwer een afwijking aanvragen bij de bevoegde entiteit;
b) minimaal landbeheer: maar één ruggenteelt toegestaan om de drie jaar waarbij in de twee volgende jaren enkel teelten uit de teelcategorie vermeld in punt 1°, 2° of 3°, maïs volgens mulchzaai of strip-till, of teelten met meer dan 80 % waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen, mogen worden ingezaaid;
5° teelten, niet vermeld in punt 1° tot en met 4° :
a) minimale bodembedekking: de bodem in ieder geval niet langer dan twee maanden onbedekt laten vóór de datum waarop het hoofdgewas wordt ingezaaid. Om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen, geldt er een verplichting om te oogsten en in een bodembedekking te voorzien vóór 1 oktober, met uitzondering voor korrelmaïs (oogsten vóór 15 november en mulch behouden). Voor andere teelten die pas later geoogst kunnen worden, kan de landbouwer een afwijking aanvragen bij de bevoegde entiteit;
b) minimaal landbeheer: minstens één van volgende maatregelen:
1) een niet-kerende bodembewerking toepassen;
2) in een buffervoorziening van tien kubieke meter voorzien of een dammetje van een halve meter hoog onder aan het perceel over een lengte van minimaal een vierde van de omtrek van het perceel;
3) een beheersovereenkomst erosie afgesloten hebben.
c) voor de teelten "groenten in openlucht (inclusief aardbeien)" en "maïs" geldt daarbovenop nog een teeltrotatieverplichting waarbij die teelten maar eenmaal om de drie jaar op hetzelfde perceel ingezaaid mogen worden en waarbij in de twee volgende jaren alleen teelten uit de teelcategorie vermeld in punt 1°, 2° of 3°, maïs volgens mulchzaai of strip-till, of teelten met meer dan 80 % waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen, ingezaaid mogen worden.
6° als onder aan een perceel met een zeer hoge erosiegevoeligheid een weide van minstens tien are en overal tien meter breed ligt, is ook aan de verplichting van minimaal landbeheer voldaan.
7° als een maatregel voor minimaal landbeheer wordt toegepast die verdergaat dan de voor een bepaalde teeltcategorie verplichte maatregelen voor minimaal landbeheer, is ook aan de voorwaarde voor minimaal landbeheer voldaan. Het toepassen van niet-kerende bodembewerking is een maatregel die verdergaat dan de voorwaarden voor minimaal landbeheer voor de teelten vermeld in punt 2° en 3° ;
B. vanaf 1 januari 2015:
1° teelten die het jaar rond een volledige bedekking bieden:
a) minimale bodembedekking: het omzetten van blijvend grasland naar akkerland is verboden, met uitzondering van blijvend grasland aangelegd ter uitvoering van een beheersovereenkomst;
b) minimaal landbeheer: geen verdere maatregelen vereist;
2° wintergranen en winterkoolzaad:
a) minimale bodembedekking: de bodem niet langer dan twee maanden onbedekt laten vóór de aanleg van het zaaibed;
b) minimaal landbeheer: inzaaien volgens de richting die het best aansluit bij de hoogtelijnen als het perceel in die richting langer is dan honderd meter;
3° zomergranen en vlas:
a) minimale bodembedekking: het perceel mag maximaal 2 weken onbedekt zijn vóór de aanleg van het zaaibed;
b) minimaal landbeheer: inzaaien volgens de richting die het best aansluit bij de hoogtelijnen als het perceel in die richting langer is dan honderd meter;
4° teelten uit de groepen fruit, sierplanten, zaad- en plantgoed, houtige gewassen zoals gedefinieerd in de verzamelaanvraag:
a) minimale bodembedekking: zorgen voor minstens 80 % gras of een andere waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen;
b) minimaal landbeheer: geen verdere maatregelen vereist;
5° ruggenteelten van aardappelen, cichorei, witloof (wortelteelt) en wortelen:
a) minimale bodembedekking: de bodem in ieder geval niet langer dan twee maanden onbedekt laten voor de datum waarop het hoofdgewas wordt ingezaaid. Om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen, geldt er een verplichting om te oogsten en in een bodembedekking te voorzien vóór 1 oktober, met uitzondering voor korrelmaïs (oogsten vóór 15 november en mulch behouden). Voor andere teelten die pas later geoogst kunnen worden, kan de landbouwer een afwijking aanvragen bij de bevoegde entiteit;
b) minimaal landbeheer:
1) maar één ruggenteelt toegestaan om de drie jaar waarbij in de twee volgende jaren enkel teelten uit de teelcategorie vermeld in punt 1°, 2° of 3°, maïs volgens mulchzaai of strip-till, of teelten met meer dan 80 % waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen, ingezaaid mogen worden;
2) de aanleg van drempeltjes is verplicht;
6° teelten, niet vermeld in punt 1° tot en met 5° :
a) minimale bodembedekking: de bodem in ieder geval niet langer dan twee maanden onbedekt laten voor de datum waarop het hoofdgewas wordt ingezaaid. Om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen, geldt er een verplichting om te oogsten en in een bodembedekking te voorzien vóór 1 oktober, met uitzondering voor korrelmaïs (oogsten vóór 15 november en mulch behouden). Voor andere teelten die pas later geoogst kunnen worden, kan de landbouwer een afwijking aanvragen bij de bevoegde entiteit;
b) minimaal landbeheer: een niet-kerende bodembewerking toepassen;
c) voor de teelten "groenten in openlucht (inclusief aardbeien)" en "maïs" geldt daarbovenop nog een teeltrotatieverplichting waarbij die teelten maar eenmaal om de drie jaar op hetzelfde perceel ingezaaid mogen worden, waarbij in de twee volgende jaren enkel teelten uit de teelcategorie, vermeld in punt 1°, 2° of 3°, maïs volgens mulchzaai of strip-till, of teelten met meer dan 80 % waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen mogen worden ingezaaid;
7° als een maatregel voor minimaal landbeheer wordt toegepast die verdergaat dan de voor een bepaalde teelt verplichte maatregelen voor minimaal landbeheer is ook aan de voorwaarde voor minimaal landbeheer voldaan. Het toepassen van niet-kerende bodembewerking is een maatregel die verdergaat dan de voorwaarden voor minimaal landbeheer voor de teelten, vermeld in punt 2° en 3° ;
C. vanaf 1 januari 2016:
1° teelten die het jaar rond een volledige bedekking bieden:
a) minimale bodembedekking: het omzetten van blijvend grasland naar akkerland is verboden, met uitzondering van blijvend grasland aangelegd ter uitvoering van een beheersovereenkomst;
b) minimaal landbeheer: geen verdere maatregelen vereist;
2° wintergranen en winterkoolzaad:
a) minimale bodembedekking: de bodem niet langer dan twee maanden onbedekt laten vóór de aanleg van het zaaibed;
b) minimaal landbeheer: inzaaien volgens de richting die het best aansluit bij de hoogtelijnen als het perceel in die richting langer is dan honderd meter;
3° zomergranen en vlas:
a) minimale bodembedekking: het perceel mag maximaal 2 weken onbedekt zijn vóór de aanleg van het zaaibed;
b) minimaal landbeheer: inzaaien volgens de richting die het best aansluit bij de hoogtelijnen als het perceel in die richting langer is dan honderd meter;
4° teelten uit de groepen fruit, sierplanten, zaad- en plantgoed, houtige gewassen zoals gedefinieerd in de verzamelaanvraag:
a) minimale bodembedekking: zorgen voor minstens 80 % gras of een andere waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen;
b) minimaal landbeheer: geen verdere maatregelen vereist;
5° ruggenteelten van aardappelen, cichorei, witloof (wortelteelt) en wortelen:
a) minimale bodembedekking: de bodem in ieder geval niet langer dan twee maanden onbedekt laten voor de datum waarop het hoofdgewas wordt ingezaaid. Om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen, geldt er een verplichting om te oogsten en in een bodembedekking te voorzien vóór 1 oktober, met uitzondering voor korrelmaïs (oogsten vóór 15 november en mulch behouden). Voor andere teelten die pas later geoogst kunnen worden, kan de landbouwer een afwijking aanvragen bij de bevoegde entiteit;
b) minimaal landbeheer:
1) maar één ruggenteelt toegestaan om de drie jaar, waarbij in de twee volgende jaren alleen teelten uit de teelcategorie vermeld in punt 1°, 2° of 3°, maïs volgens mulchzaai of strip-till, of teelten met meer dan 80 % waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen, mogen worden ingezaaid;
2) de aanleg van drempeltjes is verplicht;
3) er mag geen frees gebruikt worden bij de aanleg van de ruggen;
6° teelten, niet vermeld in punt 1° tot en met 5° :
a) minimale bodembedekking: de bodem in ieder geval niet langer dan twee maanden onbedekt laten voor de datum waarop het hoofdgewas wordt ingezaaid. Om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen, geldt er een verplichting om te oogsten en in een bodembedekking te voorzien vóór 1 oktober, met uitzondering voor korrelmaïs (oogsten vóór 15 november en mulch behouden). Voor andere teelten die pas later geoogst kunnen worden, kan de landbouwer een afwijking aanvragen bij de bevoegde entiteit;
b) minimaal landbeheer: een niet-kerende bodembewerking toepassen;
c) voor de teelten "groenten in openlucht (inclusief aardbeien)" en "maïs" geldt daarbovenop nog een teeltrotatieverplichting waarbij die teelten slechts eenmaal om de drie jaar op hetzelfde perceel ingezaaid mogen worden, waarbij de twee andere jaren enkel teelten uit de teelcategorie, vermeld in 1°, 2° of 3°, maïs volgens mulchzaai of strip-till, of teelten met meer dan 80 % waterdoorlatende bodembedekking mogen worden ingezaaid;
7° als een maatregel voor minimaal landbeheer wordt toegepast die verdergaat dan de voor een bepaalde teelt verplichte maatregelen voor minimaal landbeheer is ook aan de voorwaarde voor minimaal landbeheer voldaan. Het toepassen van niet-kerende bodembewerking is een maatregel die verdergaat dan de voorwaarden voor minimaal landbeheer voor de teelten, vermeld in punt 2° en 3° ;
D. vanaf 1 januari 2018:
1° teelten die het jaar rond een volledige bedekking bieden:
a) minimale bodembedekking: het omzetten van blijvend grasland naar akkerland is verboden, met uitzondering van blijvend grasland aangelegd ter uitvoering van een beheersovereenkomst;
b) minimaal landbeheer: geen verdere maatregelen vereist;
2° wintergranen en winterkoolzaad:
a) minimale bodembedekking: de bodem niet langer dan twee maanden onbedekt laten vóór de aanleg van het zaaibed;
b) minimaal landbeheer:
1) ofwel inzaaien volgens de richting die het best aansluit bij de hoogtelijnen als het perceel in die richting langer is dan honderd meter;
2) ofwel een niet-kerende bodembewerking toepassen;
3° zomergranen en vlas:
a) minimale bodembedekking: het perceel mag maximaal 2 weken onbedekt zijn vóór de aanleg van het zaaibed;
b) minimaal landbeheer:
1) ofwel inzaaien volgens de richting die het best aansluit bij de hoogtelijnen als het perceel in die richting langer is dan honderd meter;
2) ofwel een niet-kerende bodembewerking toepassen;
4° teelten uit de groepen fruit, sierplanten, zaad- en plantgoed, houtige gewassen zoals gedefinieerd in de verzamelaanvraag:
a) minimale bodembedekking: zorgen voor minstens 80 % gras of een andere waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen;
b) minimaal landbeheer: geen verdere maatregelen vereist;
5° ruggenteelten van aardappelen, cichorei, witloof (wortelteelt) en wortelen zijn niet langer toegestaan;
6° teelten, niet vermeld in punt 1° tot en met 5° :
a) minimale bodembedekking: de bodem in ieder geval niet langer dan twee maanden onbedekt laten vóór de datum waarop het hoofdgewas wordt ingezaaid. Om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen, geldt er een verplichting om te oogsten en in een bodembedekking te voorzien vóór 1 oktober, met uitzondering voor korrelmaïs (oogsten vóór 15 november en mulch behouden). Voor andere teelten die pas later geoogst kunnen worden, kan de landbouwer een afwijking aanvragen bij de bevoegde entiteit;
b) minimaal landbeheer: een niet-kerende bodembewerking toepassen;
c) de teelten "groenten in openlucht (inclusief aardbeien)" zijn niet langer toegestaan, tenzij bovenop de maatregelen vermeld onder punt a) en b), meer dan 80 % van het perceel voorzien is van een waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen;
d) de teelt van "maïs" is niet langer toegestaan, tenzij bovenop de maatregelen vermeld onder punt a) en b), een mulchzaai of strip-till techniek wordt toegepast.
1. In deze bijlage wordt verstaan onder:
1° mulchzaai: het direct inzaaien in een voldoende bodembedekking. Om gunstige zaaicondities te creëren wordt bij directe inzaai toegestaan dat de bodem, vóór de insnijding van de zaaikouters, wordt geopend en verkruimeld. Concreet gaat het om schijven of een combinatie van schijven en tanden die werkzaam zijn in dezelfde lijn als de zaaikouter en met een werkbreedte per schijf van maximaal 3 cm. De bodembedekking wordt verkregen door inzaai van een gewas vóór 15 september of door behoud van de mulch van korrelmaïs;
2° strip-till-techniek: de techniek waarbij maïs ingezaaid wordt op een strook bewerkte grond van maximaal 15 cm breed, terwijl de rest van het veld onbewerkt blijft en een voldoende bodembedekking heeft. De bodembedekking wordt bekomen door inzaai van een gewas vóór 15 september of door behoud van de mulch van korrelmaïs;
3° drempeltjes: aanaardingen aangebracht dwars tussen de ruggen met een aangepaste machine.
2. Op percelen met een zeer hoge erosiegevoeligheid is de landbouwer verplicht om erosiebestrijdingsmaatregelen toe te passen die bestaan uit een minimale bodembedekking en een minimaal landbeheer op basis van de specifieke omstandigheden ter plaatse.
3. Afhankelijk van de teeltcategorie zijn de volgende maatregelen verplicht:
A. vanaf 1 januari 2014:
1° teelten die het jaar rond een volledige bedekking bieden:
a) minimale bodembedekking: geen verdere maatregelen vereist;
b) minimaal landbeheer: geen verdere maatregelen vereist;
2° wintergranen en winterkoolzaad:
a) minimale bodembedekking: de bodem niet langer dan twee maanden onbedekt laten vóór de aanleg van het zaaibed;
b) minimaal landbeheer:
1) inzaaien volgens de richting die het best aansluit bij de hoogtelijnen als het perceel in die richting langer is dan honderd meter;
2) als een beheersovereenkomst "niet-kerende bodembewerking", "directe inzaai" of "aanleg en onderhoud grasbufferstrook en grasgang" is afgesloten voor het perceel in kwestie, is ook aan de voorwaarden voor minimaal landbeheer voldaan;
3° zomergranen en vlas:
a) minimale bodembedekking: het perceel mag maximaal 2 weken onbedekt zijn vóór de aanleg van het zaaibed;
b) minimaal landbeheer:
1) inzaaien volgens de richting die het best aansluit bij de hoogtelijnen als het perceel in die richting langer is dan honderd meter;
2) als een beheersovereenkomst "niet-kerende bodembewerking", "directe inzaai" of "aanleg en onderhoud grasbufferstrook en grasgang" is afgesloten voor het perceel in kwestie, is ook aan de voorwaarden voor minimaal landbeheer voldaan.
4° ruggenteelten van aardappelen, cichorei, witloof (wortelteelt) en wortelen:
a) minimale bodembedekking: de bodem in ieder geval niet langer dan twee maanden onbedekt laten vóór de datum waarop het hoofdgewas wordt ingezaaid. Om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen, geldt er een verplichting om te oogsten en in een bodembedekking te voorzien vóór 1 oktober, met uitzondering voor korrelmaïs (oogsten vóór 15 november en mulch behouden). Voor andere teelten die pas later geoogst kunnen worden, kan de landbouwer een afwijking aanvragen bij de bevoegde entiteit;
b) minimaal landbeheer: maar één ruggenteelt toegestaan om de drie jaar waarbij in de twee volgende jaren enkel teelten uit de teelcategorie vermeld in punt 1°, 2° of 3°, maïs volgens mulchzaai of strip-till, of teelten met meer dan 80 % waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen, mogen worden ingezaaid;
5° teelten, niet vermeld in punt 1° tot en met 4° :
a) minimale bodembedekking: de bodem in ieder geval niet langer dan twee maanden onbedekt laten vóór de datum waarop het hoofdgewas wordt ingezaaid. Om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen, geldt er een verplichting om te oogsten en in een bodembedekking te voorzien vóór 1 oktober, met uitzondering voor korrelmaïs (oogsten vóór 15 november en mulch behouden). Voor andere teelten die pas later geoogst kunnen worden, kan de landbouwer een afwijking aanvragen bij de bevoegde entiteit;
b) minimaal landbeheer: minstens één van volgende maatregelen:
1) een niet-kerende bodembewerking toepassen;
2) in een buffervoorziening van tien kubieke meter voorzien of een dammetje van een halve meter hoog onder aan het perceel over een lengte van minimaal een vierde van de omtrek van het perceel;
3) een beheersovereenkomst erosie afgesloten hebben.
c) voor de teelten "groenten in openlucht (inclusief aardbeien)" en "maïs" geldt daarbovenop nog een teeltrotatieverplichting waarbij die teelten maar eenmaal om de drie jaar op hetzelfde perceel ingezaaid mogen worden en waarbij in de twee volgende jaren alleen teelten uit de teelcategorie vermeld in punt 1°, 2° of 3°, maïs volgens mulchzaai of strip-till, of teelten met meer dan 80 % waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen, ingezaaid mogen worden.
6° als onder aan een perceel met een zeer hoge erosiegevoeligheid een weide van minstens tien are en overal tien meter breed ligt, is ook aan de verplichting van minimaal landbeheer voldaan.
7° als een maatregel voor minimaal landbeheer wordt toegepast die verdergaat dan de voor een bepaalde teeltcategorie verplichte maatregelen voor minimaal landbeheer, is ook aan de voorwaarde voor minimaal landbeheer voldaan. Het toepassen van niet-kerende bodembewerking is een maatregel die verdergaat dan de voorwaarden voor minimaal landbeheer voor de teelten vermeld in punt 2° en 3° ;
B. vanaf 1 januari 2015:
1° teelten die het jaar rond een volledige bedekking bieden:
a) minimale bodembedekking: het omzetten van blijvend grasland naar akkerland is verboden, met uitzondering van blijvend grasland aangelegd ter uitvoering van een beheersovereenkomst;
b) minimaal landbeheer: geen verdere maatregelen vereist;
2° wintergranen en winterkoolzaad:
a) minimale bodembedekking: de bodem niet langer dan twee maanden onbedekt laten vóór de aanleg van het zaaibed;
b) minimaal landbeheer: inzaaien volgens de richting die het best aansluit bij de hoogtelijnen als het perceel in die richting langer is dan honderd meter;
3° zomergranen en vlas:
a) minimale bodembedekking: het perceel mag maximaal 2 weken onbedekt zijn vóór de aanleg van het zaaibed;
b) minimaal landbeheer: inzaaien volgens de richting die het best aansluit bij de hoogtelijnen als het perceel in die richting langer is dan honderd meter;
4° teelten uit de groepen fruit, sierplanten, zaad- en plantgoed, houtige gewassen zoals gedefinieerd in de verzamelaanvraag:
a) minimale bodembedekking: zorgen voor minstens 80 % gras of een andere waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen;
b) minimaal landbeheer: geen verdere maatregelen vereist;
5° ruggenteelten van aardappelen, cichorei, witloof (wortelteelt) en wortelen:
a) minimale bodembedekking: de bodem in ieder geval niet langer dan twee maanden onbedekt laten voor de datum waarop het hoofdgewas wordt ingezaaid. Om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen, geldt er een verplichting om te oogsten en in een bodembedekking te voorzien vóór 1 oktober, met uitzondering voor korrelmaïs (oogsten vóór 15 november en mulch behouden). Voor andere teelten die pas later geoogst kunnen worden, kan de landbouwer een afwijking aanvragen bij de bevoegde entiteit;
b) minimaal landbeheer:
1) maar één ruggenteelt toegestaan om de drie jaar waarbij in de twee volgende jaren enkel teelten uit de teelcategorie vermeld in punt 1°, 2° of 3°, maïs volgens mulchzaai of strip-till, of teelten met meer dan 80 % waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen, ingezaaid mogen worden;
2) de aanleg van drempeltjes is verplicht;
6° teelten, niet vermeld in punt 1° tot en met 5° :
a) minimale bodembedekking: de bodem in ieder geval niet langer dan twee maanden onbedekt laten voor de datum waarop het hoofdgewas wordt ingezaaid. Om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen, geldt er een verplichting om te oogsten en in een bodembedekking te voorzien vóór 1 oktober, met uitzondering voor korrelmaïs (oogsten vóór 15 november en mulch behouden). Voor andere teelten die pas later geoogst kunnen worden, kan de landbouwer een afwijking aanvragen bij de bevoegde entiteit;
b) minimaal landbeheer: een niet-kerende bodembewerking toepassen;
c) voor de teelten "groenten in openlucht (inclusief aardbeien)" en "maïs" geldt daarbovenop nog een teeltrotatieverplichting waarbij die teelten maar eenmaal om de drie jaar op hetzelfde perceel ingezaaid mogen worden, waarbij in de twee volgende jaren enkel teelten uit de teelcategorie, vermeld in punt 1°, 2° of 3°, maïs volgens mulchzaai of strip-till, of teelten met meer dan 80 % waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen mogen worden ingezaaid;
7° als een maatregel voor minimaal landbeheer wordt toegepast die verdergaat dan de voor een bepaalde teelt verplichte maatregelen voor minimaal landbeheer is ook aan de voorwaarde voor minimaal landbeheer voldaan. Het toepassen van niet-kerende bodembewerking is een maatregel die verdergaat dan de voorwaarden voor minimaal landbeheer voor de teelten, vermeld in punt 2° en 3° ;
C. vanaf 1 januari 2016:
1° teelten die het jaar rond een volledige bedekking bieden:
a) minimale bodembedekking: het omzetten van blijvend grasland naar akkerland is verboden, met uitzondering van blijvend grasland aangelegd ter uitvoering van een beheersovereenkomst;
b) minimaal landbeheer: geen verdere maatregelen vereist;
2° wintergranen en winterkoolzaad:
a) minimale bodembedekking: de bodem niet langer dan twee maanden onbedekt laten vóór de aanleg van het zaaibed;
b) minimaal landbeheer: inzaaien volgens de richting die het best aansluit bij de hoogtelijnen als het perceel in die richting langer is dan honderd meter;
3° zomergranen en vlas:
a) minimale bodembedekking: het perceel mag maximaal 2 weken onbedekt zijn vóór de aanleg van het zaaibed;
b) minimaal landbeheer: inzaaien volgens de richting die het best aansluit bij de hoogtelijnen als het perceel in die richting langer is dan honderd meter;
4° teelten uit de groepen fruit, sierplanten, zaad- en plantgoed, houtige gewassen zoals gedefinieerd in de verzamelaanvraag:
a) minimale bodembedekking: zorgen voor minstens 80 % gras of een andere waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen;
b) minimaal landbeheer: geen verdere maatregelen vereist;
5° ruggenteelten van aardappelen, cichorei, witloof (wortelteelt) en wortelen:
a) minimale bodembedekking: de bodem in ieder geval niet langer dan twee maanden onbedekt laten voor de datum waarop het hoofdgewas wordt ingezaaid. Om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen, geldt er een verplichting om te oogsten en in een bodembedekking te voorzien vóór 1 oktober, met uitzondering voor korrelmaïs (oogsten vóór 15 november en mulch behouden). Voor andere teelten die pas later geoogst kunnen worden, kan de landbouwer een afwijking aanvragen bij de bevoegde entiteit;
b) minimaal landbeheer:
1) maar één ruggenteelt toegestaan om de drie jaar, waarbij in de twee volgende jaren alleen teelten uit de teelcategorie vermeld in punt 1°, 2° of 3°, maïs volgens mulchzaai of strip-till, of teelten met meer dan 80 % waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen, mogen worden ingezaaid;
2) de aanleg van drempeltjes is verplicht;
3) er mag geen frees gebruikt worden bij de aanleg van de ruggen;
6° teelten, niet vermeld in punt 1° tot en met 5° :
a) minimale bodembedekking: de bodem in ieder geval niet langer dan twee maanden onbedekt laten voor de datum waarop het hoofdgewas wordt ingezaaid. Om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen, geldt er een verplichting om te oogsten en in een bodembedekking te voorzien vóór 1 oktober, met uitzondering voor korrelmaïs (oogsten vóór 15 november en mulch behouden). Voor andere teelten die pas later geoogst kunnen worden, kan de landbouwer een afwijking aanvragen bij de bevoegde entiteit;
b) minimaal landbeheer: een niet-kerende bodembewerking toepassen;
c) voor de teelten "groenten in openlucht (inclusief aardbeien)" en "maïs" geldt daarbovenop nog een teeltrotatieverplichting waarbij die teelten slechts eenmaal om de drie jaar op hetzelfde perceel ingezaaid mogen worden, waarbij de twee andere jaren enkel teelten uit de teelcategorie, vermeld in 1°, 2° of 3°, maïs volgens mulchzaai of strip-till, of teelten met meer dan 80 % waterdoorlatende bodembedekking mogen worden ingezaaid;
7° als een maatregel voor minimaal landbeheer wordt toegepast die verdergaat dan de voor een bepaalde teelt verplichte maatregelen voor minimaal landbeheer is ook aan de voorwaarde voor minimaal landbeheer voldaan. Het toepassen van niet-kerende bodembewerking is een maatregel die verdergaat dan de voorwaarden voor minimaal landbeheer voor de teelten, vermeld in punt 2° en 3° ;
D. vanaf 1 januari 2018:
1° teelten die het jaar rond een volledige bedekking bieden:
a) minimale bodembedekking: het omzetten van blijvend grasland naar akkerland is verboden, met uitzondering van blijvend grasland aangelegd ter uitvoering van een beheersovereenkomst;
b) minimaal landbeheer: geen verdere maatregelen vereist;
2° wintergranen en winterkoolzaad:
a) minimale bodembedekking: de bodem niet langer dan twee maanden onbedekt laten vóór de aanleg van het zaaibed;
b) minimaal landbeheer:
1) ofwel inzaaien volgens de richting die het best aansluit bij de hoogtelijnen als het perceel in die richting langer is dan honderd meter;
2) ofwel een niet-kerende bodembewerking toepassen;
3° zomergranen en vlas:
a) minimale bodembedekking: het perceel mag maximaal 2 weken onbedekt zijn vóór de aanleg van het zaaibed;
b) minimaal landbeheer:
1) ofwel inzaaien volgens de richting die het best aansluit bij de hoogtelijnen als het perceel in die richting langer is dan honderd meter;
2) ofwel een niet-kerende bodembewerking toepassen;
4° teelten uit de groepen fruit, sierplanten, zaad- en plantgoed, houtige gewassen zoals gedefinieerd in de verzamelaanvraag:
a) minimale bodembedekking: zorgen voor minstens 80 % gras of een andere waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen;
b) minimaal landbeheer: geen verdere maatregelen vereist;
5° ruggenteelten van aardappelen, cichorei, witloof (wortelteelt) en wortelen zijn niet langer toegestaan;
6° teelten, niet vermeld in punt 1° tot en met 5° :
a) minimale bodembedekking: de bodem in ieder geval niet langer dan twee maanden onbedekt laten vóór de datum waarop het hoofdgewas wordt ingezaaid. Om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen, geldt er een verplichting om te oogsten en in een bodembedekking te voorzien vóór 1 oktober, met uitzondering voor korrelmaïs (oogsten vóór 15 november en mulch behouden). Voor andere teelten die pas later geoogst kunnen worden, kan de landbouwer een afwijking aanvragen bij de bevoegde entiteit;
b) minimaal landbeheer: een niet-kerende bodembewerking toepassen;
c) de teelten "groenten in openlucht (inclusief aardbeien)" zijn niet langer toegestaan, tenzij bovenop de maatregelen vermeld onder punt a) en b), meer dan 80 % van het perceel voorzien is van een waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen;
d) de teelt van "maïs" is niet langer toegestaan, tenzij bovenop de maatregelen vermeld onder punt a) en b), een mulchzaai of strip-till techniek wordt toegepast.
Art. N1. Annexe 1. - Mesures de lutte contre l'érosion telles que visées à l'article 8, § 2
1. Dans la présente annexe, on entend par :
1° ensemencement mulch : l'ensemencement direct dans une couverture du sol suffisante. Afin de créer des conditions d'ensemencement favorables, il est autorisé que le sol soit ouvert et émietté avant d'entamer les terres d'ensemencement. En concret, il s'agit de disques ou d'une combinaison de disques et de dents qui sont actifs dans la même ligne que la terre d'ensemencement et ayant une largeur de travai par disque de 3 cm au maximum. La couverture du sol est obtenue par un ensemencement d'une culture avant le 15 septembre ou par le maintien du mulch de maïs-grain ;
2° technique strip-till : la technique où le maïs est ensemencé sur une bande de terre cultivée d'une largeur de 15 cm au maximum, tandis que le reste du champs reste non travaillé et dispose d'une couverture du sol suffisante. La couverture du sol est obtenue par un ensemencement d'une culture avant le 15 septembre ou par le maintien du mulch de maïs-grain ;
3° seuils : petits remblais de terres aménagés à travers des billons à l'aide d'une machine adaptée.
2. Sur les parcelles fortement vulnérables à l'érosion, l'agriculteur est obligé d'appliquer des mesures de lutte contre l'érosion comprenant une couverture du sol minimale et une gestion rurale minimale sur la base des circonstances locales spécifiques.
3. En fonction de la catégorie de culture, les mesures suivantes sont obligatoires :
A. à partir du 1er janvier 2014 :
1° cultures offrant une couverture entière pendant toute l'année :
a) couverture du sol minimale : aucune autre mesure requise ;
b) gestion rurale minimale : aucune autre mesure requise ;
2° céréales d'hiver et colza d'hiver :
a) couverture du sol minimale : ne pas laisser le sol en friche pendant plus de deux mois avant l'aménagement du lit de semis ;
b) gestion rurale minimale :
1) ensemencer dans la direction qui s'aligne le mieux sur les courbes de niveau lorsque la parcelle fait plus de 100 mètres de long dans ladite direction ;
2) si pour la parcelle en question un contrat de gestion " préparation du sol sans le retourner ", " ensemencement direct " ou " aménagement et entretien de la bande-tampon herbeuse et du couloir herbeux " a été conclu, il est également répondu aux conditions de gestion rurale minimale ;
3° céréales d'été et lin :
a) couverture du sol minimale : la parcelle peut rester en friche pendant 2 semaines au maximum avant l'aménagement du lit de semis ;
b) gestion rurale minimale :
1) ensemencer dans la direction qui s'aligne le mieux sur les courbes de niveau lorsque la parcelle fait plus de 100 mètres de long dans ladite direction ;
2) si pour la parcelle en question un contrat de gestion " préparation du sol sans le retourner ", " ensemencement direct " ou " aménagement et entretien de la bande-tampon herbeuse et du couloir herbeux " a été conclu, il est également répondu aux conditions de gestion rurale minimale.
4° culture en billons de pommes de terre, chicorée, chicon (plantes-racines) et carottes :
a) couverture du sol minimale : en tout cas ne pas laisser le sol en friche pendant plus de 2 mois avant l'ensemencement de la culture principale. Afin de pouvoir répondre à cette condition, il existe une obligation de récolter et de prévoir une couverture du sol avant le 1er octobre à l'exception de maïs grain (récolte avant le 15 novembre et maintien du mulch). L'agriculteur peut demander une dérogation à l'entité compétente pour les autres cultures qui ne peuvent être récoltées que plus tard ;
b) gestion rurale minimale : une seule culture en billons est autorisée tous les trois ans où pendant les deux années suivantes seules les cultures de la catégorie de cultures visée aux points 1°, 2° et 3°, " maïs " suivant l'ensemencement mulch ou strip-till, ou des cultures ayant une couverture du sol perméable à l'eau pour 80 % entre les rangées, peuvent être ensemencées ;
5° cultures, non mentionnées dans les points 1° à 4° inclus ;
a) couverture du sol minimale : en tout cas ne pas laisser le sol en friche pendant plus de 2 mois avant l'ensemencement de la culture principale. Afin de pouvoir répondre à cette condition, il existe une obligation de récolter et de prévoir une couverture du sol avant le 1er octobre à l'exception de maïs grain (récolte avant le 15 novembre et maintien du mulch). L'agriculteur peut demander une dérogation à l'entité compétente pour les autres cultures qui ne peuvent être récoltées que plus tard ;
b) gestion rurale minimale : au moins une des mesures suivantes :
1) application d'une préparation du sol sans le retourner ;
2) prévoir une zone tampon de 10 m3 ou un petit remblai de 0,5 m de hauteur au bas de la parcelle sur une longueur qui correspond au moins à un quart du pourtour de la parcelle ;
3) avoir conclu un contrat de gestion érosion.
c) une obligation de rotation de culture s'applique en outre aux cultures " légumes en plein air (y compris les fraises) " et " maïs " où ces cultures ne peuvent être ensemencées sur la même parcelle qu'une fois tous les trois ans et pendant les deux années suivantes seules les cultures de la catégorie de cultures visée aux points 1°, 2° et 3°, " maïs " suivant l'ensemencement mulch ou strip-till, ou des cultures ayant une couverture du sol perméable à l'eau de plus de 80 % entre les rangées, peuvent être ensemencées.
6° si en bas d'une parcelle avec une très forte vulnérabilité à l'érosion se situe un pâturage d'au moins 10 are qui a partout dix mètres de largeur, il est également répondu à l'obligation de gestion rurale minimale.
7° si une mesure de gestion rurale minimale qui est plus stricte que certaines mesures de gestion rurale minimale obligatoires pour une certaine catégorie de culture est appliquée, il est également répondu à l'obligation de gestion rurale minimale. L'application d'une préparation du sol sans le retourner est une mesure qui est plus stricte que les conditions d'une gestion rurale minimale pour les cultures visées au points 2° et 3°.
B. à partir du 1er janvier 2015 :
1° cultures offrant une couverture entière pendant toute l'année :
a) couverture du sol minimale : la conversion d'un pâturage permanent en une terre arable est interdite, à l'exception d'un pâturage permanent aménagé en exécution d'un contrat de gestion ;
b) gestion rurale minimale : aucune autre mesure requise ;
2° céréales d'hiver et colza d'hiver :
a) couverture du sol minimale : ne pas laisser le sol en friche pendant plus de deux mois avant l'aménagement du lit de semis ;
b) gestion rurale minimale : ensemencer dans la direction qui s'aligne le mieux sur les courbes de niveau lorsque la parcelle fait plus de cent mètres de long dans ladite direction ;
3° céréales d'été et lin :
a) couverture du sol minimale : la parcelle peut rester en friche pendant 2 semaines au maximum avant l'aménagement du lit de semis ;
b) gestion rurale minimale : ensemencer dans la direction qui s'aligne le mieux sur les courbes de niveau lorsque la parcelle fait plus de cent mètres de long dans ladite direction ;
4° cultures des groupes fruits, plantes ornementales, semences et plants, plantes ligneuses telles que définies dans la demande unique :
a) couverture du sol minimale : prévoir au moins 80 % d'herbes ou une autre couverture du sol perméable à l'eau entre les rangées ;
b) gestion rurale minimale : aucune autre mesure requise ;
5° culture en billons de pommes de terre, chicorée, chicon (plantes-racines) et carottes :
a) couverture du sol minimale : en tout cas ne pas laisser le sol en friche pendant plus de 2 mois avant l'ensemencement de la culture principale. Afin de pouvoir répondre à cette condition, il existe une obligation de récolter et de prévoir une couverture du sol avant le 1er octobre à l'exception de maïs grain (récolte avant le 15 novembre et maintien du mulch). L'agriculteur peut demander une dérogation à l'entité compétente pour les autres cultures qui ne peuvent être récoltées que plus tard ;
b) gestion rurale minimale :
1) gestion rurale minimale : une seule culture en billons est autorisée tous les trois ans où pendant les deux années suivantes seules les cultures de la catégorie de cultures visée aux points 1°, 2° et 3°, " maïs " suivant l'ensemencement mulch ou strip-till, ou des cultures ayant une couverture du sol perméable à l'eau de plus de 80 % entre les rangées, peuvent être ensemencées ;
2) l'aménagement de seuils est obligatoire ;
6° cultures, non mentionnées dans les points 1° à 5° inclus ;
a) couverture du sol minimale : en tout cas ne pas laisser le sol en friche pendant plus de 2 mois avant l'ensemencement de la culture principale. Afin de pouvoir répondre à cette condition, il existe une obligation de récolter et de prévoir une couverture du sol avant le 1er octobre à l'exception de maïs grain (récolte avant le 15 novembre et maintien du mulch). L'agriculteur peut demander une dérogation à l'entité compétente pour les autres cultures qui ne peuvent être récoltées que plus tard ;
b) gestion rurale minimale : application d'une préparation du sol sans le retourner ;
c) une obligation de rotation de culture s'applique en outre aux cultures " légumes en plein air (y compris les fraises) " et " maïs " où ces cultures ne peuvent être ensemencées sur la même parcelle qu'une fois tous les trois ans et pendant les deux années suivantes seules les cultures de la catégorie de cultures visée aux points 1°, 2° et 3°, " maïs " suivant l'ensemencement mulch ou strip-till, ou des cultures ayant une couverture du sol perméable à l'eau de plus de 80 % entre les rangées, peuvent être ensemencées.
7° si une mesure de gestion rurale minimale qui est plus stricte que certaines mesures de gestion rurale minimale obligatoires pour une certaine catégorie de culture est appliquée, il est également répondu à l'obligation de gestion rurale minimale. L'application d'une préparation du sol sans le retourner est une mesure qui est plus stricte que les conditions d'une gestion rurale minimale pour les cultures visées au points 2° et 3°.
C. à partir du 1er janvier 2016 :
1° cultures offrant une couverture entière pendant toute l'année :
a) couverture du sol minimale : la conversion d'un pâturage permanent en une terre arable est interdite, à l'exception d'un pâturage permanent aménagé en exécution d'un contrat de gestion ;
b) gestion rurale minimale : aucune autre mesure requise ;
2° céréales d'hiver et colza d'hiver :
a) couverture du sol minimale : ne pas laisser le sol en friche pendant plus de deux mois avant l'aménagement du lit de semis ;
b) gestion rurale minimale : ensemencer dans la direction qui s'aligne le mieux sur les courbes de niveau lorsque la parcelle fait plus de cent mètres de long dans ladite direction ;
3° céréales d'été et lin :
a) couverture du sol minimale : la parcelle peut rester en friche pendant 2 semaines au maximum avant l'aménagement du lit de semis ;
b) gestion rurale minimale : ensemencer dans la direction qui s'aligne le mieux sur les courbes de niveau lorsque la parcelle fait plus de cent mètres de long dans ladite direction ;
4° cultures des groupes fruits, plantes ornementales, semences et plants, plantes ligneuses telles que définies dans la demande unique :
a) couverture du sol minimale : prévoir au moins 80 % d'herbes ou une autre couverture du sol perméable à l'eau entre les rangées ;
b) gestion rurale minimale : aucune autre mesure requise ;
5° culture en billons de pommes de terre, chicorée, chicon (plantes-racines) et carottes :
a) couverture du sol minimale : en tout cas ne pas laisser le sol en friche pendant plus de 2 mois avant l'ensemencement de la culture principale. Afin de pouvoir répondre à cette condition, il existe une obligation de récolter et de prévoir une couverture du sol avant le 1er octobre à l'exception de maïs grain (récolte avant le 15 novembre et maintien du mulch). L'agriculteur peut demander une dérogation à l'entité compétente pour les autres cultures qui ne peuvent être récoltées que plus tard ;
b) gestion rurale minimale :
1) une seule culture en billons est autorisée tous les trois ans où pendant les deux années suivantes seules les cultures de la catégorie de cultures visée aux points 1°, 2° et 3°, " maïs " suivant l'ensemencement mulch ou strip-till, ou des cultures ayant une couverture du sol perméable à l'eau pour 80 % entre les rangées, peuvent être ensemencées ;
2) l'aménagement de seuils est obligatoire ;
3) l'utilisation d'une fraiseuses pour l'aménagement des billons n'est pas autorisée ;
6° cultures, non mentionnées dans les points 1° à 5° inclus ;
a) couverture du sol minimale : en tout cas ne pas laisser le sol en friche pendant plus de 2 mois avant l'ensemencement de la culture principale. Afin de pouvoir répondre à cette condition, il existe une obligation de récolter et de prévoir une couverture du sol avant le 1er octobre à l'exception de maïs grain (récolte avant le 15 novembre et maintien du mulch). L'agriculteur peut demander une dérogation à l'entité compétente pour les autres cultures qui ne peuvent être récoltées que plus tard ;
b) gestion rurale minimale : application d'une préparation du sol sans le retourner ;
c) une obligation de rotation de culture s'applique en outre aux cultures " légumes en plein air (y compris les fraises) " et " maïs " où ces cultures ne peuvent être ensemencées sur la même parcelle qu'une fois tous les trois ans et pendant les deux années suivantes seules les cultures de la catégorie de cultures visée aux points 1°, 2° et 3°, " maïs " suivant l'ensemencement mulch ou strip-till, ou des cultures ayant une couverture du sol perméable à l'eau de plus de 80 % entre les rangées, peuvent être ensemencées ;
7° si une mesure de gestion rurale minimale qui est plus stricte que certaines mesures de gestion rurale minimale obligatoires pour une certaine catégorie de culture est appliquée, il est également répondu à l'obligation de gestion rurale minimale. L'application d'une préparation du sol sans le retourner est une mesure qui est plus stricte que les conditions d'une gestion rurale minimale pour les cultures visées au points 2° et 3°.
D. à partir du 1er janvier 2018 ;
1° cultures offrant une couverture entière pendant toute l'année :
a) couverture du sol minimale : la conversion d'un pâturage permanent en une terre arable est interdite, à l'exception d'un pâturage permanent aménagé en exécution d'un contrat de gestion ;
b) gestion rurale minimale : aucune autre mesure requise ;
2° céréales d'hiver et colza d'hiver :
a) couverture du sol minimale : ne pas laisser le sol en friche pendant plus de deux mois avant l'aménagement du lit de semis ;
b) gestion rurale minimale :
1) soit, ensemencer dans la direction qui s'aligne le mieux sur les courbes de niveau lorsque la parcelle fait plus de 100 mètres de long dans ladite direction ;
2) soit, l'application d'une préparation du sol sans le retourner ;
3° céréales d'été et lin :
a) couverture du sol minimale : la parcelle peut rester en friche pendant 2 semaines au maximum avant l'aménagement du lit de semis ;
b) gestion rurale minimale :
1) soit, ensemencer dans la direction qui s'aligne le mieux sur les courbes de niveau lorsque la parcelle fait plus de 100 mètres de long dans ladite direction ;
2) soit, l'application d'une préparation du sol sans le retourner ;
4° cultures des groupes fruits, plantes ornementales, semences et plants, plantes ligneuses telles que définies dans la demande unique :
a) couverture du sol minimale : prévoir au moins 80 % d'herbes ou une autre couverture du sol perméable à l'eau entre les rangées ;
b) gestion rurale minimale : aucune autre mesure requise ;
5° les cultures en billons de pommes de terre, chicorée, chicon (plantes-racines) et carottes, ne sont dorénavant plus autorisées ;
6° cultures, non mentionnées dans les points 1° à 5° inclus ;
a) couverture du sol minimale : en tout cas ne pas laisser le sol en friche pendant plus de 2 mois avant l'ensemencement de la culture principale. Afin de pouvoir répondre à cette condition, il existe une obligation de récolter et de prévoir une couverture du sol avant le 1er octobre à l'exception de maïs grain (récolte avant le 15 novembre et maintien du mulch). L'agriculteur peut demander une dérogation à l'entité compétente pour les autres cultures qui ne peuvent être récoltées que plus tard ;
b) gestion rurale minimale : application d'une préparation du sol sans le retourner ;
c) les cultures " légumes en plein air (y compris les fraises) " ne sont dorénavant plus autorisées, sauf si en outre des mesures visées aux points a) et b), plus de 80 % de la parcelle est couverte d'une couverture du sol perméable à l'eau entre les rangées ;
d) La culture " maïs " n'est dorénavant plus autorisée, sauf si en outre des mesures visées aux points a) et b), un ensemencement mulch ou une technique strip-till est appliqué.
1. Dans la présente annexe, on entend par :
1° ensemencement mulch : l'ensemencement direct dans une couverture du sol suffisante. Afin de créer des conditions d'ensemencement favorables, il est autorisé que le sol soit ouvert et émietté avant d'entamer les terres d'ensemencement. En concret, il s'agit de disques ou d'une combinaison de disques et de dents qui sont actifs dans la même ligne que la terre d'ensemencement et ayant une largeur de travai par disque de 3 cm au maximum. La couverture du sol est obtenue par un ensemencement d'une culture avant le 15 septembre ou par le maintien du mulch de maïs-grain ;
2° technique strip-till : la technique où le maïs est ensemencé sur une bande de terre cultivée d'une largeur de 15 cm au maximum, tandis que le reste du champs reste non travaillé et dispose d'une couverture du sol suffisante. La couverture du sol est obtenue par un ensemencement d'une culture avant le 15 septembre ou par le maintien du mulch de maïs-grain ;
3° seuils : petits remblais de terres aménagés à travers des billons à l'aide d'une machine adaptée.
2. Sur les parcelles fortement vulnérables à l'érosion, l'agriculteur est obligé d'appliquer des mesures de lutte contre l'érosion comprenant une couverture du sol minimale et une gestion rurale minimale sur la base des circonstances locales spécifiques.
3. En fonction de la catégorie de culture, les mesures suivantes sont obligatoires :
A. à partir du 1er janvier 2014 :
1° cultures offrant une couverture entière pendant toute l'année :
a) couverture du sol minimale : aucune autre mesure requise ;
b) gestion rurale minimale : aucune autre mesure requise ;
2° céréales d'hiver et colza d'hiver :
a) couverture du sol minimale : ne pas laisser le sol en friche pendant plus de deux mois avant l'aménagement du lit de semis ;
b) gestion rurale minimale :
1) ensemencer dans la direction qui s'aligne le mieux sur les courbes de niveau lorsque la parcelle fait plus de 100 mètres de long dans ladite direction ;
2) si pour la parcelle en question un contrat de gestion " préparation du sol sans le retourner ", " ensemencement direct " ou " aménagement et entretien de la bande-tampon herbeuse et du couloir herbeux " a été conclu, il est également répondu aux conditions de gestion rurale minimale ;
3° céréales d'été et lin :
a) couverture du sol minimale : la parcelle peut rester en friche pendant 2 semaines au maximum avant l'aménagement du lit de semis ;
b) gestion rurale minimale :
1) ensemencer dans la direction qui s'aligne le mieux sur les courbes de niveau lorsque la parcelle fait plus de 100 mètres de long dans ladite direction ;
2) si pour la parcelle en question un contrat de gestion " préparation du sol sans le retourner ", " ensemencement direct " ou " aménagement et entretien de la bande-tampon herbeuse et du couloir herbeux " a été conclu, il est également répondu aux conditions de gestion rurale minimale.
4° culture en billons de pommes de terre, chicorée, chicon (plantes-racines) et carottes :
a) couverture du sol minimale : en tout cas ne pas laisser le sol en friche pendant plus de 2 mois avant l'ensemencement de la culture principale. Afin de pouvoir répondre à cette condition, il existe une obligation de récolter et de prévoir une couverture du sol avant le 1er octobre à l'exception de maïs grain (récolte avant le 15 novembre et maintien du mulch). L'agriculteur peut demander une dérogation à l'entité compétente pour les autres cultures qui ne peuvent être récoltées que plus tard ;
b) gestion rurale minimale : une seule culture en billons est autorisée tous les trois ans où pendant les deux années suivantes seules les cultures de la catégorie de cultures visée aux points 1°, 2° et 3°, " maïs " suivant l'ensemencement mulch ou strip-till, ou des cultures ayant une couverture du sol perméable à l'eau pour 80 % entre les rangées, peuvent être ensemencées ;
5° cultures, non mentionnées dans les points 1° à 4° inclus ;
a) couverture du sol minimale : en tout cas ne pas laisser le sol en friche pendant plus de 2 mois avant l'ensemencement de la culture principale. Afin de pouvoir répondre à cette condition, il existe une obligation de récolter et de prévoir une couverture du sol avant le 1er octobre à l'exception de maïs grain (récolte avant le 15 novembre et maintien du mulch). L'agriculteur peut demander une dérogation à l'entité compétente pour les autres cultures qui ne peuvent être récoltées que plus tard ;
b) gestion rurale minimale : au moins une des mesures suivantes :
1) application d'une préparation du sol sans le retourner ;
2) prévoir une zone tampon de 10 m3 ou un petit remblai de 0,5 m de hauteur au bas de la parcelle sur une longueur qui correspond au moins à un quart du pourtour de la parcelle ;
3) avoir conclu un contrat de gestion érosion.
c) une obligation de rotation de culture s'applique en outre aux cultures " légumes en plein air (y compris les fraises) " et " maïs " où ces cultures ne peuvent être ensemencées sur la même parcelle qu'une fois tous les trois ans et pendant les deux années suivantes seules les cultures de la catégorie de cultures visée aux points 1°, 2° et 3°, " maïs " suivant l'ensemencement mulch ou strip-till, ou des cultures ayant une couverture du sol perméable à l'eau de plus de 80 % entre les rangées, peuvent être ensemencées.
6° si en bas d'une parcelle avec une très forte vulnérabilité à l'érosion se situe un pâturage d'au moins 10 are qui a partout dix mètres de largeur, il est également répondu à l'obligation de gestion rurale minimale.
7° si une mesure de gestion rurale minimale qui est plus stricte que certaines mesures de gestion rurale minimale obligatoires pour une certaine catégorie de culture est appliquée, il est également répondu à l'obligation de gestion rurale minimale. L'application d'une préparation du sol sans le retourner est une mesure qui est plus stricte que les conditions d'une gestion rurale minimale pour les cultures visées au points 2° et 3°.
B. à partir du 1er janvier 2015 :
1° cultures offrant une couverture entière pendant toute l'année :
a) couverture du sol minimale : la conversion d'un pâturage permanent en une terre arable est interdite, à l'exception d'un pâturage permanent aménagé en exécution d'un contrat de gestion ;
b) gestion rurale minimale : aucune autre mesure requise ;
2° céréales d'hiver et colza d'hiver :
a) couverture du sol minimale : ne pas laisser le sol en friche pendant plus de deux mois avant l'aménagement du lit de semis ;
b) gestion rurale minimale : ensemencer dans la direction qui s'aligne le mieux sur les courbes de niveau lorsque la parcelle fait plus de cent mètres de long dans ladite direction ;
3° céréales d'été et lin :
a) couverture du sol minimale : la parcelle peut rester en friche pendant 2 semaines au maximum avant l'aménagement du lit de semis ;
b) gestion rurale minimale : ensemencer dans la direction qui s'aligne le mieux sur les courbes de niveau lorsque la parcelle fait plus de cent mètres de long dans ladite direction ;
4° cultures des groupes fruits, plantes ornementales, semences et plants, plantes ligneuses telles que définies dans la demande unique :
a) couverture du sol minimale : prévoir au moins 80 % d'herbes ou une autre couverture du sol perméable à l'eau entre les rangées ;
b) gestion rurale minimale : aucune autre mesure requise ;
5° culture en billons de pommes de terre, chicorée, chicon (plantes-racines) et carottes :
a) couverture du sol minimale : en tout cas ne pas laisser le sol en friche pendant plus de 2 mois avant l'ensemencement de la culture principale. Afin de pouvoir répondre à cette condition, il existe une obligation de récolter et de prévoir une couverture du sol avant le 1er octobre à l'exception de maïs grain (récolte avant le 15 novembre et maintien du mulch). L'agriculteur peut demander une dérogation à l'entité compétente pour les autres cultures qui ne peuvent être récoltées que plus tard ;
b) gestion rurale minimale :
1) gestion rurale minimale : une seule culture en billons est autorisée tous les trois ans où pendant les deux années suivantes seules les cultures de la catégorie de cultures visée aux points 1°, 2° et 3°, " maïs " suivant l'ensemencement mulch ou strip-till, ou des cultures ayant une couverture du sol perméable à l'eau de plus de 80 % entre les rangées, peuvent être ensemencées ;
2) l'aménagement de seuils est obligatoire ;
6° cultures, non mentionnées dans les points 1° à 5° inclus ;
a) couverture du sol minimale : en tout cas ne pas laisser le sol en friche pendant plus de 2 mois avant l'ensemencement de la culture principale. Afin de pouvoir répondre à cette condition, il existe une obligation de récolter et de prévoir une couverture du sol avant le 1er octobre à l'exception de maïs grain (récolte avant le 15 novembre et maintien du mulch). L'agriculteur peut demander une dérogation à l'entité compétente pour les autres cultures qui ne peuvent être récoltées que plus tard ;
b) gestion rurale minimale : application d'une préparation du sol sans le retourner ;
c) une obligation de rotation de culture s'applique en outre aux cultures " légumes en plein air (y compris les fraises) " et " maïs " où ces cultures ne peuvent être ensemencées sur la même parcelle qu'une fois tous les trois ans et pendant les deux années suivantes seules les cultures de la catégorie de cultures visée aux points 1°, 2° et 3°, " maïs " suivant l'ensemencement mulch ou strip-till, ou des cultures ayant une couverture du sol perméable à l'eau de plus de 80 % entre les rangées, peuvent être ensemencées.
7° si une mesure de gestion rurale minimale qui est plus stricte que certaines mesures de gestion rurale minimale obligatoires pour une certaine catégorie de culture est appliquée, il est également répondu à l'obligation de gestion rurale minimale. L'application d'une préparation du sol sans le retourner est une mesure qui est plus stricte que les conditions d'une gestion rurale minimale pour les cultures visées au points 2° et 3°.
C. à partir du 1er janvier 2016 :
1° cultures offrant une couverture entière pendant toute l'année :
a) couverture du sol minimale : la conversion d'un pâturage permanent en une terre arable est interdite, à l'exception d'un pâturage permanent aménagé en exécution d'un contrat de gestion ;
b) gestion rurale minimale : aucune autre mesure requise ;
2° céréales d'hiver et colza d'hiver :
a) couverture du sol minimale : ne pas laisser le sol en friche pendant plus de deux mois avant l'aménagement du lit de semis ;
b) gestion rurale minimale : ensemencer dans la direction qui s'aligne le mieux sur les courbes de niveau lorsque la parcelle fait plus de cent mètres de long dans ladite direction ;
3° céréales d'été et lin :
a) couverture du sol minimale : la parcelle peut rester en friche pendant 2 semaines au maximum avant l'aménagement du lit de semis ;
b) gestion rurale minimale : ensemencer dans la direction qui s'aligne le mieux sur les courbes de niveau lorsque la parcelle fait plus de cent mètres de long dans ladite direction ;
4° cultures des groupes fruits, plantes ornementales, semences et plants, plantes ligneuses telles que définies dans la demande unique :
a) couverture du sol minimale : prévoir au moins 80 % d'herbes ou une autre couverture du sol perméable à l'eau entre les rangées ;
b) gestion rurale minimale : aucune autre mesure requise ;
5° culture en billons de pommes de terre, chicorée, chicon (plantes-racines) et carottes :
a) couverture du sol minimale : en tout cas ne pas laisser le sol en friche pendant plus de 2 mois avant l'ensemencement de la culture principale. Afin de pouvoir répondre à cette condition, il existe une obligation de récolter et de prévoir une couverture du sol avant le 1er octobre à l'exception de maïs grain (récolte avant le 15 novembre et maintien du mulch). L'agriculteur peut demander une dérogation à l'entité compétente pour les autres cultures qui ne peuvent être récoltées que plus tard ;
b) gestion rurale minimale :
1) une seule culture en billons est autorisée tous les trois ans où pendant les deux années suivantes seules les cultures de la catégorie de cultures visée aux points 1°, 2° et 3°, " maïs " suivant l'ensemencement mulch ou strip-till, ou des cultures ayant une couverture du sol perméable à l'eau pour 80 % entre les rangées, peuvent être ensemencées ;
2) l'aménagement de seuils est obligatoire ;
3) l'utilisation d'une fraiseuses pour l'aménagement des billons n'est pas autorisée ;
6° cultures, non mentionnées dans les points 1° à 5° inclus ;
a) couverture du sol minimale : en tout cas ne pas laisser le sol en friche pendant plus de 2 mois avant l'ensemencement de la culture principale. Afin de pouvoir répondre à cette condition, il existe une obligation de récolter et de prévoir une couverture du sol avant le 1er octobre à l'exception de maïs grain (récolte avant le 15 novembre et maintien du mulch). L'agriculteur peut demander une dérogation à l'entité compétente pour les autres cultures qui ne peuvent être récoltées que plus tard ;
b) gestion rurale minimale : application d'une préparation du sol sans le retourner ;
c) une obligation de rotation de culture s'applique en outre aux cultures " légumes en plein air (y compris les fraises) " et " maïs " où ces cultures ne peuvent être ensemencées sur la même parcelle qu'une fois tous les trois ans et pendant les deux années suivantes seules les cultures de la catégorie de cultures visée aux points 1°, 2° et 3°, " maïs " suivant l'ensemencement mulch ou strip-till, ou des cultures ayant une couverture du sol perméable à l'eau de plus de 80 % entre les rangées, peuvent être ensemencées ;
7° si une mesure de gestion rurale minimale qui est plus stricte que certaines mesures de gestion rurale minimale obligatoires pour une certaine catégorie de culture est appliquée, il est également répondu à l'obligation de gestion rurale minimale. L'application d'une préparation du sol sans le retourner est une mesure qui est plus stricte que les conditions d'une gestion rurale minimale pour les cultures visées au points 2° et 3°.
D. à partir du 1er janvier 2018 ;
1° cultures offrant une couverture entière pendant toute l'année :
a) couverture du sol minimale : la conversion d'un pâturage permanent en une terre arable est interdite, à l'exception d'un pâturage permanent aménagé en exécution d'un contrat de gestion ;
b) gestion rurale minimale : aucune autre mesure requise ;
2° céréales d'hiver et colza d'hiver :
a) couverture du sol minimale : ne pas laisser le sol en friche pendant plus de deux mois avant l'aménagement du lit de semis ;
b) gestion rurale minimale :
1) soit, ensemencer dans la direction qui s'aligne le mieux sur les courbes de niveau lorsque la parcelle fait plus de 100 mètres de long dans ladite direction ;
2) soit, l'application d'une préparation du sol sans le retourner ;
3° céréales d'été et lin :
a) couverture du sol minimale : la parcelle peut rester en friche pendant 2 semaines au maximum avant l'aménagement du lit de semis ;
b) gestion rurale minimale :
1) soit, ensemencer dans la direction qui s'aligne le mieux sur les courbes de niveau lorsque la parcelle fait plus de 100 mètres de long dans ladite direction ;
2) soit, l'application d'une préparation du sol sans le retourner ;
4° cultures des groupes fruits, plantes ornementales, semences et plants, plantes ligneuses telles que définies dans la demande unique :
a) couverture du sol minimale : prévoir au moins 80 % d'herbes ou une autre couverture du sol perméable à l'eau entre les rangées ;
b) gestion rurale minimale : aucune autre mesure requise ;
5° les cultures en billons de pommes de terre, chicorée, chicon (plantes-racines) et carottes, ne sont dorénavant plus autorisées ;
6° cultures, non mentionnées dans les points 1° à 5° inclus ;
a) couverture du sol minimale : en tout cas ne pas laisser le sol en friche pendant plus de 2 mois avant l'ensemencement de la culture principale. Afin de pouvoir répondre à cette condition, il existe une obligation de récolter et de prévoir une couverture du sol avant le 1er octobre à l'exception de maïs grain (récolte avant le 15 novembre et maintien du mulch). L'agriculteur peut demander une dérogation à l'entité compétente pour les autres cultures qui ne peuvent être récoltées que plus tard ;
b) gestion rurale minimale : application d'une préparation du sol sans le retourner ;
c) les cultures " légumes en plein air (y compris les fraises) " ne sont dorénavant plus autorisées, sauf si en outre des mesures visées aux points a) et b), plus de 80 % de la parcelle est couverte d'une couverture du sol perméable à l'eau entre les rangées ;
d) La culture " maïs " n'est dorénavant plus autorisée, sauf si en outre des mesures visées aux points a) et b), un ensemencement mulch ou une technique strip-till est appliqué.
Art. N2. Bijlage 2. - Erosiebestrijdingsmaatregelen als vermeld in artikel 8, § 3
1. In deze bijlage wordt verstaan onder drempeltjes: aanaardingen, aangebracht dwars tussen de ruggen met een aangepaste machine.
2. Op percelen met een hoge erosiegevoeligheid is de landbouwer verplicht om erosiebestrijdingsmaatregelen toe te passen die bestaan uit een minimale bodembedekking en een minimaal landbeheer op basis van de specifieke omstandigheden ter plaatse.
3. De volgende maatregelen zijn verplicht voor de volgende teelten:
A. Vanaf 1 januari 2014:
1° wintergranen en winterkoolzaad:
a) minimale bodembedekking: de bodem mag niet langer dan twee maanden onbedekt zijn vóór de aanleg van het zaaibed;
b) minimaal landbeheer: geen verdere maatregelen vereist;
B. Vanaf 1 januari 2015:
1° wintergranen en winterkoolzaad:
a) minimale bodembedekking: de bodem mag niet langer dan twee maanden onbedekt zijn vóór de aanleg van het zaaibed;
b) minimaal landbeheer: de percelen worden ingezaaid volgens de richting die het best aansluit bij de hoogtelijnen als het perceel in die richting langer is dan honderd meter;
2° zomergranen en vlas:
a) minimale bodembedekking: het perceel mag maximaal 2 weken onbedekt zijn vóór de aanleg van het zaaibed;
b) minimaal landbeheer: de percelen worden ingezaaid volgens de richting die het best aansluit bij de hoogtelijnen als het perceel in die richting langer is dan honderd meter;
3° teelten uit de groepen fruit, sierplanten, zaad- en plantgoed, houtige gewassen zoals gedefinieerd in de verzamelaanvraag:
a) minimale bodembedekking: er moet minstens 75 % gras of een andere waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen aanwezig zijn;
b) minimaal landbeheer: geen verdere maatregelen vereist;
4° ruggenteelten van aardappelen, cichorei, witloof (wortelteelt) en wortelen:
a) minimale bodembedekking: de bodem in ieder geval niet langer dan twee maanden onbedekt laten voor de datum waarop het hoofdgewas wordt ingezaaid. Om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen, geldt er een verplichting om te oogsten en in een bodembedekking te voorzien vóór 1 oktober, met uitzondering voor korrelmaïs (oogsten vóór 15 november en mulch behouden). Voor andere teelten die pas later geoogst kunnen worden, kan de landbouwer een afwijking aanvragen bij de bevoegde entiteit;
b) minimaal landbeheer: geen verdere maatregelen vereist;
5° teelten, niet vermeld in punt 1° tot en met 4° :
a) minimale bodembedekking: de bodem in ieder geval niet langer dan twee maanden onbedekt laten voor de datum waarop het hoofdgewas wordt ingezaaid. Om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen, geldt er een verplichting om te oogsten en in een bodembedekking te voorzien vóór 1 oktober, met uitzondering voor korrelmaïs (oogsten vóór 15 november en mulch behouden). Voor andere teelten die pas later geoogst kunnen worden, kan de landbouwer een afwijking aanvragen bij de bevoegde entiteit;
b) minimaal landbeheer: geen verdere maatregelen vereist;
6° als een maatregel voor minimaal landbeheer wordt toegepast die verdergaat dan de voor een bepaalde teelt verplichte maatregelen voor minimaal landbeheer is ook aan de voorwaarde voor minimaal landbeheer voldaan. Het toepassen van niet-kerende bodembewerking is een maatregel die verdergaat dan de voorwaarden voor minimaal landbeheer voor de teelten, vermeld in punt 1° en 2° ;
C. vanaf 1 januari 2016
1° wintergranen en winterkoolzaad:
a) minimale bodembedekking: de bodem mag niet langer dan twee maanden onbedekt zijn vóór de aanleg van het zaaibed;
b) minimaal landbeheer: de percelen worden ingezaaid volgens de richting die het best aansluit bij de hoogtelijnen als het perceel in die richting langer is dan honderd meter;
2° zomergranen en vlas:
a) minimale bodembedekking: het perceel mag maximaal 2 weken onbedekt zijn vóór de aanleg van het zaaibed;
b) minimaal landbeheer: de percelen worden ingezaaid volgens de richting die het best aansluit bij de hoogtelijnen als het perceel in die richting langer is dan honderd meter;
3° teelten uit de groepen fruit, sierplanten, zaad- en plantgoed, houtige gewassen zoals gedefinieerd in de verzamelaanvraag:
a) minimale bodembedekking: er moet minstens 75 % gras of een andere waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen aanwezig zijn;
b) minimaal landbeheer: geen verdere maatregelen vereist;
4° ruggenteelten van aardappelen, cichorei, witloof (wortelteelt) en wortelen:
a) minimale bodembedekking: de bodem in ieder geval niet langer dan twee maanden onbedekt laten vóór de datum waarop het hoofdgewas wordt ingezaaid. Om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen, geldt er een verplichting om te oogsten en in een bodembedekking te voorzien vóór 1 oktober, met uitzondering voor korrelmaïs (oogsten vóór 15 november en mulch behouden). Voor andere teelten die pas later geoogst kunnen worden, kan de landbouwer een afwijking aanvragen bij de bevoegde entiteit;
b) minimaal landbeheer: de aanleg van drempeltjes is verplicht;
5° teelten, niet vermeld in punt 1° tot en met 4° :
a) minimale bodembedekking: de bodem in ieder geval niet langer dan twee maanden onbedekt laten voor de datum waarop het hoofdgewas wordt ingezaaid. Om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen, geldt er een verplichting om te oogsten en in een bodembedekking te voorzien vóór 1 oktober, met uitzondering voor korrelmaïs (oogsten vóór 15 november en mulch behouden). Voor andere teelten die pas later geoogst kunnen worden, kan de landbouwer een afwijking aanvragen bij de bevoegde entiteit;
b) minimaal landbeheer: geen verdere maatregelen vereist;
6° als een maatregel voor minimaal landbeheer wordt toegepast die verdergaat dan de voor een bepaalde teelt verplichte maatregelen voor minimaal landbeheer is ook aan de voorwaarde voor minimaal landbeheer voldaan. Het toepassen van niet-kerende bodembewerking is een maatregel die verdergaat dan de voorwaarden voor minimaal landbeheer voor de teelten, vermeld in punt 1° en 2° ;
D. vanaf 1 januari 2018
1° wintergranen en winterkoolzaad:
a) minimale bodembedekking: de bodem mag niet langer dan twee maanden onbedekt zijn vóór de aanleg van het zaaibed;
b) minimaal landbeheer: de percelen worden ingezaaid volgens de richting die het best aansluit bij de hoogtelijnen als het perceel in die richting langer is dan honderd meter;
2° zomergranen en vlas:
a) minimale bodembedekking: het perceel mag maximaal 2 weken onbedekt zijn vóór de aanleg van het zaaibed;
b) minimaal landbeheer: de percelen worden ingezaaid volgens de richting die het best aansluit bij de hoogtelijnen als het perceel in die richting langer is dan honderd meter;
3° teelten uit de groepen fruit, sierplanten, zaad- en plantgoed, houtige gewassen zoals gedefinieerd in de verzamelaanvraag:
a) minimale bodembedekking: er moet minstens 75 % gras of een andere waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen aanwezig zijn;
b) minimaal landbeheer: geen verdere maatregelen vereist;
4° ruggenteelten van aardappelen, cichorei, witloof (wortelteelt) en wortelen:
a) minimale bodembedekking: de bodem in ieder geval niet langer dan twee maanden onbedekt laten voor de datum waarop het hoofdgewas wordt ingezaaid. Om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen, geldt er een verplichting om te oogsten en in een bodembedekking te voorzien vóór 1 oktober, met uitzondering voor korrelmaïs (oogsten vóór 15 november en mulch behouden). Voor andere teelten die pas later geoogst kunnen worden, kan de landbouwer een afwijking aanvragen bij de bevoegde entiteit;
b) minimaal landbeheer: de aanleg van drempeltjes is verplicht;
5° teelten, niet vermeld in punt 1° tot en met 4° :
a) minimale bodembedekking: de bodem in ieder geval niet langer dan twee maanden onbedekt laten voor de datum waarop het hoofdgewas wordt ingezaaid. Om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen, geldt er een verplichting om te oogsten en in een bodembedekking te voorzien vóór 1 oktober, met uitzondering voor korrelmaïs (oogsten vóór 15 november en mulch behouden). Voor andere teelten die pas later geoogst kunnen worden, kan de landbouwer een afwijking aanvragen bij de bevoegde entiteit;
b) minimaal landbeheer: een niet-kerende bodembewerking toepassen;
6° als een maatregel voor minimaal landbeheer wordt toegepast die verdergaat dan de voor een bepaalde teelt verplichte maatregelen voor minimaal landbeheer, is ook aan de voorwaarde voor minimaal landbeheer voldaan. Het toepassen van niet-kerende bodembewerking is een maatregel die verdergaat dan de voorwaarden voor minimaal landbeheer voor de teelten, vermeld in 1° en 2°.
1. In deze bijlage wordt verstaan onder drempeltjes: aanaardingen, aangebracht dwars tussen de ruggen met een aangepaste machine.
2. Op percelen met een hoge erosiegevoeligheid is de landbouwer verplicht om erosiebestrijdingsmaatregelen toe te passen die bestaan uit een minimale bodembedekking en een minimaal landbeheer op basis van de specifieke omstandigheden ter plaatse.
3. De volgende maatregelen zijn verplicht voor de volgende teelten:
A. Vanaf 1 januari 2014:
1° wintergranen en winterkoolzaad:
a) minimale bodembedekking: de bodem mag niet langer dan twee maanden onbedekt zijn vóór de aanleg van het zaaibed;
b) minimaal landbeheer: geen verdere maatregelen vereist;
B. Vanaf 1 januari 2015:
1° wintergranen en winterkoolzaad:
a) minimale bodembedekking: de bodem mag niet langer dan twee maanden onbedekt zijn vóór de aanleg van het zaaibed;
b) minimaal landbeheer: de percelen worden ingezaaid volgens de richting die het best aansluit bij de hoogtelijnen als het perceel in die richting langer is dan honderd meter;
2° zomergranen en vlas:
a) minimale bodembedekking: het perceel mag maximaal 2 weken onbedekt zijn vóór de aanleg van het zaaibed;
b) minimaal landbeheer: de percelen worden ingezaaid volgens de richting die het best aansluit bij de hoogtelijnen als het perceel in die richting langer is dan honderd meter;
3° teelten uit de groepen fruit, sierplanten, zaad- en plantgoed, houtige gewassen zoals gedefinieerd in de verzamelaanvraag:
a) minimale bodembedekking: er moet minstens 75 % gras of een andere waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen aanwezig zijn;
b) minimaal landbeheer: geen verdere maatregelen vereist;
4° ruggenteelten van aardappelen, cichorei, witloof (wortelteelt) en wortelen:
a) minimale bodembedekking: de bodem in ieder geval niet langer dan twee maanden onbedekt laten voor de datum waarop het hoofdgewas wordt ingezaaid. Om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen, geldt er een verplichting om te oogsten en in een bodembedekking te voorzien vóór 1 oktober, met uitzondering voor korrelmaïs (oogsten vóór 15 november en mulch behouden). Voor andere teelten die pas later geoogst kunnen worden, kan de landbouwer een afwijking aanvragen bij de bevoegde entiteit;
b) minimaal landbeheer: geen verdere maatregelen vereist;
5° teelten, niet vermeld in punt 1° tot en met 4° :
a) minimale bodembedekking: de bodem in ieder geval niet langer dan twee maanden onbedekt laten voor de datum waarop het hoofdgewas wordt ingezaaid. Om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen, geldt er een verplichting om te oogsten en in een bodembedekking te voorzien vóór 1 oktober, met uitzondering voor korrelmaïs (oogsten vóór 15 november en mulch behouden). Voor andere teelten die pas later geoogst kunnen worden, kan de landbouwer een afwijking aanvragen bij de bevoegde entiteit;
b) minimaal landbeheer: geen verdere maatregelen vereist;
6° als een maatregel voor minimaal landbeheer wordt toegepast die verdergaat dan de voor een bepaalde teelt verplichte maatregelen voor minimaal landbeheer is ook aan de voorwaarde voor minimaal landbeheer voldaan. Het toepassen van niet-kerende bodembewerking is een maatregel die verdergaat dan de voorwaarden voor minimaal landbeheer voor de teelten, vermeld in punt 1° en 2° ;
C. vanaf 1 januari 2016
1° wintergranen en winterkoolzaad:
a) minimale bodembedekking: de bodem mag niet langer dan twee maanden onbedekt zijn vóór de aanleg van het zaaibed;
b) minimaal landbeheer: de percelen worden ingezaaid volgens de richting die het best aansluit bij de hoogtelijnen als het perceel in die richting langer is dan honderd meter;
2° zomergranen en vlas:
a) minimale bodembedekking: het perceel mag maximaal 2 weken onbedekt zijn vóór de aanleg van het zaaibed;
b) minimaal landbeheer: de percelen worden ingezaaid volgens de richting die het best aansluit bij de hoogtelijnen als het perceel in die richting langer is dan honderd meter;
3° teelten uit de groepen fruit, sierplanten, zaad- en plantgoed, houtige gewassen zoals gedefinieerd in de verzamelaanvraag:
a) minimale bodembedekking: er moet minstens 75 % gras of een andere waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen aanwezig zijn;
b) minimaal landbeheer: geen verdere maatregelen vereist;
4° ruggenteelten van aardappelen, cichorei, witloof (wortelteelt) en wortelen:
a) minimale bodembedekking: de bodem in ieder geval niet langer dan twee maanden onbedekt laten vóór de datum waarop het hoofdgewas wordt ingezaaid. Om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen, geldt er een verplichting om te oogsten en in een bodembedekking te voorzien vóór 1 oktober, met uitzondering voor korrelmaïs (oogsten vóór 15 november en mulch behouden). Voor andere teelten die pas later geoogst kunnen worden, kan de landbouwer een afwijking aanvragen bij de bevoegde entiteit;
b) minimaal landbeheer: de aanleg van drempeltjes is verplicht;
5° teelten, niet vermeld in punt 1° tot en met 4° :
a) minimale bodembedekking: de bodem in ieder geval niet langer dan twee maanden onbedekt laten voor de datum waarop het hoofdgewas wordt ingezaaid. Om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen, geldt er een verplichting om te oogsten en in een bodembedekking te voorzien vóór 1 oktober, met uitzondering voor korrelmaïs (oogsten vóór 15 november en mulch behouden). Voor andere teelten die pas later geoogst kunnen worden, kan de landbouwer een afwijking aanvragen bij de bevoegde entiteit;
b) minimaal landbeheer: geen verdere maatregelen vereist;
6° als een maatregel voor minimaal landbeheer wordt toegepast die verdergaat dan de voor een bepaalde teelt verplichte maatregelen voor minimaal landbeheer is ook aan de voorwaarde voor minimaal landbeheer voldaan. Het toepassen van niet-kerende bodembewerking is een maatregel die verdergaat dan de voorwaarden voor minimaal landbeheer voor de teelten, vermeld in punt 1° en 2° ;
D. vanaf 1 januari 2018
1° wintergranen en winterkoolzaad:
a) minimale bodembedekking: de bodem mag niet langer dan twee maanden onbedekt zijn vóór de aanleg van het zaaibed;
b) minimaal landbeheer: de percelen worden ingezaaid volgens de richting die het best aansluit bij de hoogtelijnen als het perceel in die richting langer is dan honderd meter;
2° zomergranen en vlas:
a) minimale bodembedekking: het perceel mag maximaal 2 weken onbedekt zijn vóór de aanleg van het zaaibed;
b) minimaal landbeheer: de percelen worden ingezaaid volgens de richting die het best aansluit bij de hoogtelijnen als het perceel in die richting langer is dan honderd meter;
3° teelten uit de groepen fruit, sierplanten, zaad- en plantgoed, houtige gewassen zoals gedefinieerd in de verzamelaanvraag:
a) minimale bodembedekking: er moet minstens 75 % gras of een andere waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen aanwezig zijn;
b) minimaal landbeheer: geen verdere maatregelen vereist;
4° ruggenteelten van aardappelen, cichorei, witloof (wortelteelt) en wortelen:
a) minimale bodembedekking: de bodem in ieder geval niet langer dan twee maanden onbedekt laten voor de datum waarop het hoofdgewas wordt ingezaaid. Om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen, geldt er een verplichting om te oogsten en in een bodembedekking te voorzien vóór 1 oktober, met uitzondering voor korrelmaïs (oogsten vóór 15 november en mulch behouden). Voor andere teelten die pas later geoogst kunnen worden, kan de landbouwer een afwijking aanvragen bij de bevoegde entiteit;
b) minimaal landbeheer: de aanleg van drempeltjes is verplicht;
5° teelten, niet vermeld in punt 1° tot en met 4° :
a) minimale bodembedekking: de bodem in ieder geval niet langer dan twee maanden onbedekt laten voor de datum waarop het hoofdgewas wordt ingezaaid. Om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen, geldt er een verplichting om te oogsten en in een bodembedekking te voorzien vóór 1 oktober, met uitzondering voor korrelmaïs (oogsten vóór 15 november en mulch behouden). Voor andere teelten die pas later geoogst kunnen worden, kan de landbouwer een afwijking aanvragen bij de bevoegde entiteit;
b) minimaal landbeheer: een niet-kerende bodembewerking toepassen;
6° als een maatregel voor minimaal landbeheer wordt toegepast die verdergaat dan de voor een bepaalde teelt verplichte maatregelen voor minimaal landbeheer, is ook aan de voorwaarde voor minimaal landbeheer voldaan. Het toepassen van niet-kerende bodembewerking is een maatregel die verdergaat dan de voorwaarden voor minimaal landbeheer voor de teelten, vermeld in 1° en 2°.
Art. N2. Annexe 2. - Mesures de lutte contre l'érosion telles que visées à l'article 8, § 3
1. Dans la présente annexe, il faut entendre par seuils : petits remblais de terres aménagés à travers des billons à l'aide d'une machine adaptée.
2. Sur les parcelles fortement vulnérables à l'érosion, l'agriculteur est obligé d'appliquer des mesures de lutte contre l'érosion comprenant une couverture du sol minimale et une gestion rurale minimale sur la base des circonstances locales spécifiques.
3. Les mesures suivantes sont obligatoires pour les cultures suivantes :
A. A partir du 1er janvier 2014 :
1° céréales d'hiver et colza d'hiver :
a) couverture du sol minimale : le sol ne peut pas être laissé en friche pendant plus de deux mois avant l'aménagement du lit de semis ;
b) gestion rurale minimale : aucune autre mesure requise ;
B. A partir du 1er janvier 2015 :
1° céréales d'hiver et colza d'hiver :
a) couverture du sol minimale : le sol ne peut pas être laissé en friche pendant plus de deux mois avant l'aménagement du lit de semis ;
b) gestion rurale minimale : ensemencer dans la direction qui s'aligne le mieux sur les courbes de niveau lorsque la parcelle fait plus de 100 mètres de long dans ladite direction ;
2° céréales d'été et lin :
a) couverture du sol minimale : la parcelle peut rester en friche pendant 2 semaines au maximum avant l'aménagement du lit de semis ;
b) gestion rurale minimale : ensemencer dans la direction qui s'aligne le mieux sur les courbes de niveau lorsque la parcelle fait plus de 100 mètres de long dans ladite direction ;
3° cultures des groupes fruits, plantes ornementales, semences et plants, plantes ligneuses telles que définies dans la demande unique :
a) couverture du sol minimale : prévoir au moins 75% d'herbes ou une autre couverture du sol perméable à l'eau entre les rangées ;
b) gestion rurale minimale : aucune autre mesure requise ;
4° culture en billons de pommes de terre, chicorée, chicon (plantes-racines) et carottes :
a) couverture du sol minimale : en tout cas ne pas laisser le sol en friche pendant plus de 2 mois avant l'ensemencement de la culture principale. Afin de pouvoir répondre à cette condition, il existe une obligation de récolter et de prévoir une couverture du sol avant le 1er octobre à l'exception de maïs grain (récolte avant le 15 novembre et maintien du mulch). L'agriculteur peut demander une dérogation à l'entité compétente pour les autres cultures qui ne peuvent être récoltées que plus tard ;
b) gestion rurale minimale : aucune autre mesure requise ;
5° cultures, non mentionnées dans les points 1° à 4° inclus ;
a) couverture du sol minimale : en tout cas ne pas laisser le sol en friche pendant plus de 2 mois avant l'ensemencement de la culture principale. Afin de pouvoir répondre à cette condition, il existe une obligation de récolter et de prévoir une couverture du sol avant le 1er octobre à l'exception de maïs grain (récolte avant le 15 novembre et maintien du mulch). L'agriculteur peut demander une dérogation à l'entité compétente pour les autres cultures qui ne peuvent être récoltées que plus tard ;
b) gestion rurale minimale : aucune autre mesure requise ;
6° si une mesure de gestion rurale minimale qui est plus stricte que certaines mesures de gestion rurale minimale obligatoires pour une certaine catégorie de culture est appliquée, il est également répondu à l'obligation de gestion rurale minimale. L'application d'une préparation du sol sans le retourner est une mesure qui est plus stricte que les conditions d'une gestion rurale minimale pour les cultures visées au points 1° et 2°.
C. à partir du 1er janvier 2016
1° céréales d'hiver et colza d'hiver :
a) couverture du sol minimale : le sol ne peut pas être laissé en friche pendant plus de deux mois avant l'aménagement du lit de semis ;
b) gestion rurale minimale : ensemencer dans la direction qui s'aligne le mieux sur les courbes de niveau lorsque la parcelle fait plus de 100 mètres de long dans ladite direction ;
2° céréales d'été et lin :
a) couverture du sol minimale : la parcelle peut rester en friche pendant 2 semaines au maximum avant l'aménagement du lit de semis ;
b) gestion rurale minimale : ensemencer dans la direction qui s'aligne le mieux sur les courbes de niveau lorsque la parcelle fait plus de 100 mètres de long dans ladite direction ;
3° cultures des groupes fruits, plantes ornementales, semences et plants, plantes ligneuses telles que définies dans la demande unique :
a) couverture du sol minimale : prévoir au moins 75 % d'herbes ou une autre couverture du sol perméable à l'eau entre les rangées ;
b) gestion rurale minimale : aucune autre mesure requise ;
4° culture en billons de pommes de terre, chicorée, chicon (plantes-racines) et carottes :
a) couverture du sol minimale : en tout cas ne pas laisser le sol en friche pendant plus de 2 mois avant l'ensemencement de la culture principale. Afin de pouvoir répondre à cette condition, il existe une obligation de récolter et de prévoir une couverture du sol avant le 1er octobre à l'exception de maïs grain (récolte avant le 15 novembre et maintien du mulch). L'agriculteur peut demander une dérogation à l'entité compétente pour les autres cultures qui ne peuvent être récoltées que plus tard ;
b) gestion rurale minimale : l'aménagement de seuils est obligatoire ;
5° cultures, non mentionnées dans les points 1° à 4° inclus ;
a) couverture du sol minimale : en tout cas ne pas laisser le sol en friche pendant plus de 2 mois avant l'ensemencement de la culture principale. Afin de pouvoir répondre à cette condition, il existe une obligation de récolter et de prévoir une couverture du sol avant le 1er octobre à l'exception de maïs grain (récolte avant le 15 novembre et maintien du mulch). L'agriculteur peut demander une dérogation à l'entité compétente pour les autres cultures qui ne peuvent être récoltées que plus tard ;
b) gestion rurale minimale : aucune autre mesure requise ;
6° si une mesure de gestion rurale minimale qui est plus stricte que certaines mesures de gestion rurale minimale obligatoires pour une certaine catégorie de culture est appliquée, il est également répondu à l'obligation de gestion rurale minimale. L'application d'une préparation du sol sans le retourner est une mesure qui est plus stricte que les conditions d'une gestion rurale minimale pour les cultures visées au points 1° et 2°.
D. A partir du 1er janvier 2018 ;
1° céréales d'hiver et colza d'hiver :
a) couverture du sol minimale : le sol ne peut pas être laissé en friche pendant plus de deux mois avant l'aménagement du lit de semis ;
b) gestion rurale minimale : ensemencer dans la direction qui s'aligne le mieux sur les courbes de niveau lorsque la parcelle fait plus de 100 mètres de long dans ladite direction ;
2° céréales d'été et lin :
a) couverture du sol minimale : la parcelle peut rester en friche pendant 2 semaines au maximum avant l'aménagement du lit de semis ;
b) gestion rurale minimale : ensemencer dans la direction qui s'aligne le mieux sur les courbes de niveau lorsque la parcelle fait plus de 100 mètres de long dans ladite direction ;
3° cultures des groupes fruits, plantes ornementales, semences et plants, plantes ligneuses telles que définies dans la demande unique :
a) couverture du sol minimale : prévoir au moins 75% d'herbes ou une autre couverture du sol perméable à l'eau entre les rangées ;
b) gestion rurale minimale : aucune autre mesure requise ;
4° culture en billons de pommes de terre, chicorée, chicon (plantes-racines) et carottes :
a) couverture du sol minimale : en tout cas ne pas laisser le sol en friche pendant plus de 2 mois avant l'ensemencement de la culture principale. Afin de pouvoir répondre à cette condition, il existe une obligation de récolter et de prévoir une couverture du sol avant le 1er octobre à l'exception de maïs grain (récolte avant le 15 novembre et maintien du mulch). L'agriculteur peut demander une dérogation à l'entité compétente pour les autres cultures qui ne peuvent être récoltées que plus tard ;
b) gestion rurale minimale : l'aménagement de seuils est obligatoire ;
5° cultures, non mentionnées dans les points 1° à 4° inclus ;
a) couverture du sol minimale : en tout cas ne pas laisser le sol en friche pendant plus de 2 mois avant l'ensemencement de la culture principale. Afin de pouvoir répondre à cette condition, il existe une obligation de récolter et de prévoir une couverture du sol avant le 1er octobre à l'exception de maïs grain (récolte avant le 15 novembre et maintien du mulch). L'agriculteur peut demander une dérogation à l'entité compétente pour les autres cultures qui ne peuvent être récoltées que plus tard ;
b) gestion rurale minimale : application d'une préparation du sol sans le retourner ;
6° si une mesure de gestion rurale minimale qui est plus stricte que certaines mesures de gestion rurale minimale obligatoires pour une certaine catégorie de culture est appliquée, il est également répondu à l'obligation de gestion rurale minimale. L'application d'une préparation du sol sans le retourner est une mesure qui est plus stricte que les conditions d'une gestion rurale minimale pour les cultures visées au points 1° et 2°.
1. Dans la présente annexe, il faut entendre par seuils : petits remblais de terres aménagés à travers des billons à l'aide d'une machine adaptée.
2. Sur les parcelles fortement vulnérables à l'érosion, l'agriculteur est obligé d'appliquer des mesures de lutte contre l'érosion comprenant une couverture du sol minimale et une gestion rurale minimale sur la base des circonstances locales spécifiques.
3. Les mesures suivantes sont obligatoires pour les cultures suivantes :
A. A partir du 1er janvier 2014 :
1° céréales d'hiver et colza d'hiver :
a) couverture du sol minimale : le sol ne peut pas être laissé en friche pendant plus de deux mois avant l'aménagement du lit de semis ;
b) gestion rurale minimale : aucune autre mesure requise ;
B. A partir du 1er janvier 2015 :
1° céréales d'hiver et colza d'hiver :
a) couverture du sol minimale : le sol ne peut pas être laissé en friche pendant plus de deux mois avant l'aménagement du lit de semis ;
b) gestion rurale minimale : ensemencer dans la direction qui s'aligne le mieux sur les courbes de niveau lorsque la parcelle fait plus de 100 mètres de long dans ladite direction ;
2° céréales d'été et lin :
a) couverture du sol minimale : la parcelle peut rester en friche pendant 2 semaines au maximum avant l'aménagement du lit de semis ;
b) gestion rurale minimale : ensemencer dans la direction qui s'aligne le mieux sur les courbes de niveau lorsque la parcelle fait plus de 100 mètres de long dans ladite direction ;
3° cultures des groupes fruits, plantes ornementales, semences et plants, plantes ligneuses telles que définies dans la demande unique :
a) couverture du sol minimale : prévoir au moins 75% d'herbes ou une autre couverture du sol perméable à l'eau entre les rangées ;
b) gestion rurale minimale : aucune autre mesure requise ;
4° culture en billons de pommes de terre, chicorée, chicon (plantes-racines) et carottes :
a) couverture du sol minimale : en tout cas ne pas laisser le sol en friche pendant plus de 2 mois avant l'ensemencement de la culture principale. Afin de pouvoir répondre à cette condition, il existe une obligation de récolter et de prévoir une couverture du sol avant le 1er octobre à l'exception de maïs grain (récolte avant le 15 novembre et maintien du mulch). L'agriculteur peut demander une dérogation à l'entité compétente pour les autres cultures qui ne peuvent être récoltées que plus tard ;
b) gestion rurale minimale : aucune autre mesure requise ;
5° cultures, non mentionnées dans les points 1° à 4° inclus ;
a) couverture du sol minimale : en tout cas ne pas laisser le sol en friche pendant plus de 2 mois avant l'ensemencement de la culture principale. Afin de pouvoir répondre à cette condition, il existe une obligation de récolter et de prévoir une couverture du sol avant le 1er octobre à l'exception de maïs grain (récolte avant le 15 novembre et maintien du mulch). L'agriculteur peut demander une dérogation à l'entité compétente pour les autres cultures qui ne peuvent être récoltées que plus tard ;
b) gestion rurale minimale : aucune autre mesure requise ;
6° si une mesure de gestion rurale minimale qui est plus stricte que certaines mesures de gestion rurale minimale obligatoires pour une certaine catégorie de culture est appliquée, il est également répondu à l'obligation de gestion rurale minimale. L'application d'une préparation du sol sans le retourner est une mesure qui est plus stricte que les conditions d'une gestion rurale minimale pour les cultures visées au points 1° et 2°.
C. à partir du 1er janvier 2016
1° céréales d'hiver et colza d'hiver :
a) couverture du sol minimale : le sol ne peut pas être laissé en friche pendant plus de deux mois avant l'aménagement du lit de semis ;
b) gestion rurale minimale : ensemencer dans la direction qui s'aligne le mieux sur les courbes de niveau lorsque la parcelle fait plus de 100 mètres de long dans ladite direction ;
2° céréales d'été et lin :
a) couverture du sol minimale : la parcelle peut rester en friche pendant 2 semaines au maximum avant l'aménagement du lit de semis ;
b) gestion rurale minimale : ensemencer dans la direction qui s'aligne le mieux sur les courbes de niveau lorsque la parcelle fait plus de 100 mètres de long dans ladite direction ;
3° cultures des groupes fruits, plantes ornementales, semences et plants, plantes ligneuses telles que définies dans la demande unique :
a) couverture du sol minimale : prévoir au moins 75 % d'herbes ou une autre couverture du sol perméable à l'eau entre les rangées ;
b) gestion rurale minimale : aucune autre mesure requise ;
4° culture en billons de pommes de terre, chicorée, chicon (plantes-racines) et carottes :
a) couverture du sol minimale : en tout cas ne pas laisser le sol en friche pendant plus de 2 mois avant l'ensemencement de la culture principale. Afin de pouvoir répondre à cette condition, il existe une obligation de récolter et de prévoir une couverture du sol avant le 1er octobre à l'exception de maïs grain (récolte avant le 15 novembre et maintien du mulch). L'agriculteur peut demander une dérogation à l'entité compétente pour les autres cultures qui ne peuvent être récoltées que plus tard ;
b) gestion rurale minimale : l'aménagement de seuils est obligatoire ;
5° cultures, non mentionnées dans les points 1° à 4° inclus ;
a) couverture du sol minimale : en tout cas ne pas laisser le sol en friche pendant plus de 2 mois avant l'ensemencement de la culture principale. Afin de pouvoir répondre à cette condition, il existe une obligation de récolter et de prévoir une couverture du sol avant le 1er octobre à l'exception de maïs grain (récolte avant le 15 novembre et maintien du mulch). L'agriculteur peut demander une dérogation à l'entité compétente pour les autres cultures qui ne peuvent être récoltées que plus tard ;
b) gestion rurale minimale : aucune autre mesure requise ;
6° si une mesure de gestion rurale minimale qui est plus stricte que certaines mesures de gestion rurale minimale obligatoires pour une certaine catégorie de culture est appliquée, il est également répondu à l'obligation de gestion rurale minimale. L'application d'une préparation du sol sans le retourner est une mesure qui est plus stricte que les conditions d'une gestion rurale minimale pour les cultures visées au points 1° et 2°.
D. A partir du 1er janvier 2018 ;
1° céréales d'hiver et colza d'hiver :
a) couverture du sol minimale : le sol ne peut pas être laissé en friche pendant plus de deux mois avant l'aménagement du lit de semis ;
b) gestion rurale minimale : ensemencer dans la direction qui s'aligne le mieux sur les courbes de niveau lorsque la parcelle fait plus de 100 mètres de long dans ladite direction ;
2° céréales d'été et lin :
a) couverture du sol minimale : la parcelle peut rester en friche pendant 2 semaines au maximum avant l'aménagement du lit de semis ;
b) gestion rurale minimale : ensemencer dans la direction qui s'aligne le mieux sur les courbes de niveau lorsque la parcelle fait plus de 100 mètres de long dans ladite direction ;
3° cultures des groupes fruits, plantes ornementales, semences et plants, plantes ligneuses telles que définies dans la demande unique :
a) couverture du sol minimale : prévoir au moins 75% d'herbes ou une autre couverture du sol perméable à l'eau entre les rangées ;
b) gestion rurale minimale : aucune autre mesure requise ;
4° culture en billons de pommes de terre, chicorée, chicon (plantes-racines) et carottes :
a) couverture du sol minimale : en tout cas ne pas laisser le sol en friche pendant plus de 2 mois avant l'ensemencement de la culture principale. Afin de pouvoir répondre à cette condition, il existe une obligation de récolter et de prévoir une couverture du sol avant le 1er octobre à l'exception de maïs grain (récolte avant le 15 novembre et maintien du mulch). L'agriculteur peut demander une dérogation à l'entité compétente pour les autres cultures qui ne peuvent être récoltées que plus tard ;
b) gestion rurale minimale : l'aménagement de seuils est obligatoire ;
5° cultures, non mentionnées dans les points 1° à 4° inclus ;
a) couverture du sol minimale : en tout cas ne pas laisser le sol en friche pendant plus de 2 mois avant l'ensemencement de la culture principale. Afin de pouvoir répondre à cette condition, il existe une obligation de récolter et de prévoir une couverture du sol avant le 1er octobre à l'exception de maïs grain (récolte avant le 15 novembre et maintien du mulch). L'agriculteur peut demander une dérogation à l'entité compétente pour les autres cultures qui ne peuvent être récoltées que plus tard ;
b) gestion rurale minimale : application d'une préparation du sol sans le retourner ;
6° si une mesure de gestion rurale minimale qui est plus stricte que certaines mesures de gestion rurale minimale obligatoires pour une certaine catégorie de culture est appliquée, il est également répondu à l'obligation de gestion rurale minimale. L'application d'une préparation du sol sans le retourner est une mesure qui est plus stricte que les conditions d'une gestion rurale minimale pour les cultures visées au points 1° et 2°.
Art. N3. Bijlage 3. - Lijsten van gevaarlijke stoffen voor lozing in grondwater
Lijst I. families en groepen van stoffen
1. Lijst I omvat de afzonderlijke stoffen van onderstaande families of groepen van stoffen met uitzondering van die stoffen welke, gezien het geringe risico van toxiciteit, persistentie en bio-accumulatie, niet geschikt voor lijst I worden geacht.
Dergelijke stoffen die gezien de toxiciteit, de persistentie en de bio-accumulatie geschikt zijn voor lijst II, moeten op die lijst worden opgenomen:
1° organische halogeenverbindingen en stoffen waaruit in water dergelijke verbindingen kunnen ontstaan;
2° organische fosforverbindingen;
3° organische tinverbindingen;
4° stoffen die in of via het water een kankerverwekkende, mutagene of teratogene werking hebben;
5° kwik en kwikverbindingen;
6° cadmium en cadmiumverbindingen;
7° minerale oliën en koolwaterstoffen;
8° cyaniden.
2. Voor zover sommige stoffen van lijst II een kankerverwekkende, mutagene of teratogene werking hebben, zijn zij begrepen onder de stoffen, vermeld in punt 1, 4°.
Lijst II. families en groepen van stoffen
Lijst II omvat afzonderlijke stoffen en categorieën van stoffen van de onderstaande families en groepen van stoffen die een schadelijke werking op het grondwater zouden kunnen hebben:
1° de volgende metalloïden en metalen alsmede verbindingen daarvan:
a) zink;
b) koper;
c) nikkel;
d) chroom;
e) lood;
f) selenium;
g) arsenicum;
h) antimoon;
i) molybdeen;
j) titaan;
k) tin;
l) barium;
m) beryllium;
n) borium;
o) uranium;
p) vanadium;
q) kobalt;
r) thallium;
s) tellurium;
t) zilver;
2° biociden en derivaten daarvan, die niet in lijst I genoemd zijn;
3° stoffen met een schadelijke werking op de smaak of de geur van het grondwater alsmede verbindingen waaruit dergelijke stoffen in het water kunnen ontstaan en die het water ongeschikt voor menselijke consumptie kunnen maken;
4° organische siliciumverbindingen die toxisch of persistent zijn en stoffen waaruit dergelijke verbindingen in het water kunnen ontstaan met uitzondering van die welke biologisch onschadelijk zijn of die in het water snel worden omgezet in onschadelijke stoffen;
5° anorganische fosforverbindingen en elementair fosfor;
6° fluoriden;
7° ammoniak en nitrieten.
Lijst I. families en groepen van stoffen
1. Lijst I omvat de afzonderlijke stoffen van onderstaande families of groepen van stoffen met uitzondering van die stoffen welke, gezien het geringe risico van toxiciteit, persistentie en bio-accumulatie, niet geschikt voor lijst I worden geacht.
Dergelijke stoffen die gezien de toxiciteit, de persistentie en de bio-accumulatie geschikt zijn voor lijst II, moeten op die lijst worden opgenomen:
1° organische halogeenverbindingen en stoffen waaruit in water dergelijke verbindingen kunnen ontstaan;
2° organische fosforverbindingen;
3° organische tinverbindingen;
4° stoffen die in of via het water een kankerverwekkende, mutagene of teratogene werking hebben;
5° kwik en kwikverbindingen;
6° cadmium en cadmiumverbindingen;
7° minerale oliën en koolwaterstoffen;
8° cyaniden.
2. Voor zover sommige stoffen van lijst II een kankerverwekkende, mutagene of teratogene werking hebben, zijn zij begrepen onder de stoffen, vermeld in punt 1, 4°.
Lijst II. families en groepen van stoffen
Lijst II omvat afzonderlijke stoffen en categorieën van stoffen van de onderstaande families en groepen van stoffen die een schadelijke werking op het grondwater zouden kunnen hebben:
1° de volgende metalloïden en metalen alsmede verbindingen daarvan:
a) zink;
b) koper;
c) nikkel;
d) chroom;
e) lood;
f) selenium;
g) arsenicum;
h) antimoon;
i) molybdeen;
j) titaan;
k) tin;
l) barium;
m) beryllium;
n) borium;
o) uranium;
p) vanadium;
q) kobalt;
r) thallium;
s) tellurium;
t) zilver;
2° biociden en derivaten daarvan, die niet in lijst I genoemd zijn;
3° stoffen met een schadelijke werking op de smaak of de geur van het grondwater alsmede verbindingen waaruit dergelijke stoffen in het water kunnen ontstaan en die het water ongeschikt voor menselijke consumptie kunnen maken;
4° organische siliciumverbindingen die toxisch of persistent zijn en stoffen waaruit dergelijke verbindingen in het water kunnen ontstaan met uitzondering van die welke biologisch onschadelijk zijn of die in het water snel worden omgezet in onschadelijke stoffen;
5° anorganische fosforverbindingen en elementair fosfor;
6° fluoriden;
7° ammoniak en nitrieten.
Art. N3. Annexe 3. - Listes des substances dangereuses pour déversement dans les eaux souterraines
Liste Ire. Familles et groupes de substances
1. La liste Ire contient les substances individuelles des familles et groupes de substances à l'exception des substances qui, vu le faible risque de toxicité, de persistance et de bio-accumulation, qui considérées ne pas cadrer dans la liste Ire.
De telles substances qui, vu le faible risque de toxicité, de persistance et de bio-accumulation, cadrent dans la liste II, doivent être reprises dans cette dernière liste.
1° composés organohalogénés et substances susceptibles de former des composés de ce type dans le milieu aquatique ;
2° composés organophosphorés ;
3° composés organostanniques ;
4° substances qui possèdent un pouvoir cancérogène, mutagène ou tératogène dans le milieu aquatique ou par l'intermédiaire de celui-ci ;
5° mercure et composés du mercure ;
6° cadmium et composés du cadmium ;
7° huiles minérales et hydrocarbures ;
8° cyanures.
2. Pour autant que certaines substances de la liste II possèdent un pouvoir cancérogène, mutagène ou tératogène, elle sont comprises parmi les substances, visées au point 1, 4°.
Liste II Familles et groupes de substances
La liste II comprend les substances individuelles et les catégories de substances qui font partie des familles et groupes de substances qui pourraient avoir un effet nuisible sur les eaux souterraines :
1° Les métalloïdes et métaux suivants, ainsi que leurs composés :
a) zinc ;
b) cuivre ;
c) nickel ;
d) chrome ;
e) plomb ;
f) sélénium ;
g) arsenic ;
h) antimoine ;
i) molybdène ;
j) titane ;
k) étain ;
l) baryum ;
m) béryllium ;
n) bore ;
o) uranium ;
p) vanadium ;
q) cobalt ;
r) thallium ;
s) tellure ;
t) argent ;
2° biocides et leurs dérivés ne figurant pas dans la liste Ire ;
3° substances ayant un effet nuisible sur la saveur ou sur l'odeur des eaux souterraines, ainsi que composés susceptibles de donner naissance à de telles substances dans les eaux et à rendre celles-ci impropres à la consommation humaine ;
4° composés organo-siliciés toxiques ou persistants et substances qui peuvent donner naissance à de tels composés dans les eaux, à l'exclusion de ceux qui sont biologiquement inoffensifs ou qui se transforment rapidement dans l'eau en substances inoffensives ;
5° composés inorganiques de phosphore et phosphore élémentaire ;
6° fluorures ;
7° ammoniaque et nitrites.
Liste Ire. Familles et groupes de substances
1. La liste Ire contient les substances individuelles des familles et groupes de substances à l'exception des substances qui, vu le faible risque de toxicité, de persistance et de bio-accumulation, qui considérées ne pas cadrer dans la liste Ire.
De telles substances qui, vu le faible risque de toxicité, de persistance et de bio-accumulation, cadrent dans la liste II, doivent être reprises dans cette dernière liste.
1° composés organohalogénés et substances susceptibles de former des composés de ce type dans le milieu aquatique ;
2° composés organophosphorés ;
3° composés organostanniques ;
4° substances qui possèdent un pouvoir cancérogène, mutagène ou tératogène dans le milieu aquatique ou par l'intermédiaire de celui-ci ;
5° mercure et composés du mercure ;
6° cadmium et composés du cadmium ;
7° huiles minérales et hydrocarbures ;
8° cyanures.
2. Pour autant que certaines substances de la liste II possèdent un pouvoir cancérogène, mutagène ou tératogène, elle sont comprises parmi les substances, visées au point 1, 4°.
Liste II Familles et groupes de substances
La liste II comprend les substances individuelles et les catégories de substances qui font partie des familles et groupes de substances qui pourraient avoir un effet nuisible sur les eaux souterraines :
1° Les métalloïdes et métaux suivants, ainsi que leurs composés :
a) zinc ;
b) cuivre ;
c) nickel ;
d) chrome ;
e) plomb ;
f) sélénium ;
g) arsenic ;
h) antimoine ;
i) molybdène ;
j) titane ;
k) étain ;
l) baryum ;
m) béryllium ;
n) bore ;
o) uranium ;
p) vanadium ;
q) cobalt ;
r) thallium ;
s) tellure ;
t) argent ;
2° biocides et leurs dérivés ne figurant pas dans la liste Ire ;
3° substances ayant un effet nuisible sur la saveur ou sur l'odeur des eaux souterraines, ainsi que composés susceptibles de donner naissance à de telles substances dans les eaux et à rendre celles-ci impropres à la consommation humaine ;
4° composés organo-siliciés toxiques ou persistants et substances qui peuvent donner naissance à de tels composés dans les eaux, à l'exclusion de ceux qui sont biologiquement inoffensifs ou qui se transforment rapidement dans l'eau en substances inoffensives ;
5° composés inorganiques de phosphore et phosphore élémentaire ;
6° fluorures ;
7° ammoniaque et nitrites.