Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
21 MAART 2014. - Decreet betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-08-2014 en tekstbijwerking tot 02-08-2023)
Titre
21 MARS 2014. - Décret relatif à des mesures pour les élèves à besoins éducatifs spécifiques(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 28-08-2014 et mise à jour au 02-08-2023)
Documentinformatie
Numac: 2014035613
Datum: 2014-03-21
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2014035613
Date: 2014-03-21
Moniteur: Voir
Tekst (137)
Texte (137)
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen Artikel I.1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
CHAPITRE Ier. - Dispositions préliminaires Article I.1. Le présent décret règle une matière communautaire.
HOOFDSTUK II. - Decreet basisonderwijs
CHAPITRE II. - Décret relatif à l'enseignement fondamental
Art. II.1. In artikel 3 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, het laatst gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2013, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° er wordt een punt 8° quater ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "8° quater brede basiszorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school vanuit een visie op zorg de ontwikkeling van alle leerlingen stimuleert en problemen tracht te voorkomen door een krachtige leeromgeving te bieden, de leerlin- gen systematisch op te volgen en actief te werken aan het verminderen van risicofactoren en aan het versterken van beschermende factoren;";
  2° het punt 9° wordt opgeheven;
  3° er wordt een punt 9° quinquies ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "9° quinquies compenserende maatregelen: maatregelen waarbij de school orthopedagogische of orthodidactische hulpmiddelen aanbiedt, waaronder technische hulpmiddelen, waardoor de doelen van het gemeenschappelijk curriculum of de doelen die na dispensatie voor de leerling bepaald zijn, bereikt kunnen worden;";
  4° het punt 12°, opgeheven bij decreet van 22 juni 2007, wordt opnieuw opgenomen, in volgende lezing:
  "12° differentiërende maatregelen: maatregelen waarbij de school, binnen het gemeenschappelijk curriculum, een beperkte variatie aanbrengt in het onderwijsleerproces om beter tegemoet te komen aan de behoeften van individuele leerlingen of groepen van leerlingen;";
  5° er wordt een punt 12° bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "12° bis dispenserende maatregelen: maatregelen waarbij de school doelen toevoegt aan het gemeenschappelijk curriculum of de leerling vrijstelt van doelen van het gemeenschappelijk curriculum en die, waar mogelijk, vervangt door gelijkwaardige doelen, in die mate dat ofwel de doelen voor de studiebekrachtiging in functie van de finaliteit voor het onderwijsniveau ofwel de doelen voor het doorstromen naar het beoogde vervolgonderwijs, nog in voldoende mate kunnen bereikt worden;";
  6° er wordt een punt 12° ter ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "12° ter disproportionaliteit/disproportioneel: onredelijkheid van aanpassingen aangetoond na een proces van afweging met toepassing van de criteria als vermeld in artikel 2, § 2 en § 3, van het Protocol van 19 juli 2007 betreffende het begrip redelijke aanpassingen in België krachtens de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;";
  7° er wordt een punt 17° bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "17° bis gemeenschappelijk curriculum: de goedgekeurde leerplannen die ten minste herkenbaar de doelen bevatten die noodzakelijk zijn om de eindtermen te bereiken of de ontwikkelingsdoelen na te streven en de schoolgebonden planning voor het nastreven van de leergebiedoverschrijdende eindtermen en ontwikkelingsdoelen;";
  8° er wordt een punt 28° bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "28° bis leerling met specifieke onderwijsbehoeften: leerling met langdurige en belangrijke participatieproblemen die te wijten zijn aan het samenspel tussen:
  a) één of meerdere functiebeperkingen op mentaal, psychisch, lichamelijk of zintuiglijk vlak en;
  b) beperkingen bij het uitvoeren van activiteiten en;
  c) persoonlijke en externe factoren;";
  9° er wordt een punt 47° bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "47° bis remediërende maatregelen: maatregelen waarbij de school effectieve vormen van aangepaste leerhulp verstrekt binnen het gemeenschappelijk curriculum;";
  10° er wordt een punt 53° bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "53° bis uitbreiding van zorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school de maatregelen uit de fase van verhoogde zorg onverkort verderzet en het CLB een proces van handelingsgerichte diagnostiek opstart. Het CLB richt zich daarbij op een uitgebreide analyse van de onderwijs- en opvoedingsbehoeften van de leerling en op de ondersteuningsbehoeften van de leerkracht(en) en ouders met het oog op het formuleren van adviezen voor het optimaliseren van het proces van afstemming van het onderwijs- en opvoedingsaanbod op de zorgvraag van de leerling. Het CLB bepaalt in samenspraak met de school en de ouders welke bijkomende inzet van middelen, hulp of expertise, hetzij ten aanzien van de school of de leerling, al dan niet in zijn context, wenselijk is alsook de omvang en de duur daarvan;";
  11° het punt 55° bis, ingevoegd bij het decreet van 28 juni 2002 en opgeheven bij het decreet van 6 juli 2012, wordt opnieuw opgenomen, in volgende lezing:
  "55° bis verhoogde zorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school extra zorg voorziet onder de vorm van remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, afgestemd op de specifieke onder- wijsbehoeften van bepaalde leerlingen, en voorafgaand aan de fase van uitbreiding van zorg;";
  12° er wordt een punt 59° ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "59° zorgcontinuüm: opeenvolging van de fasen in de organisatie van de onderwijsomgeving op het gebied van brede basiszorg, verhoogde zorg en uitbreiding van zorg;".
Art. II.1. A l'article 3 du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997, modifié en dernier lieu par le décret du 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° il est inséré un point 8° quater ainsi rédigé :
  " 8° quater ample encadrement de base : phase dans la continuité de l'encadrement, où l'école, à partir d'une vision de l'encadrement, stimule le développement de tous les élèves et essaye d'éviter des problèmes en offrant un milieu d'éducation vigoureux, en suivant systématiquement les élèves et en contribuant activement à la réduction des facteurs à risques et au renforcement de facteurs protecteurs ; " ;
  2° le point 9° est abrogé ;
  3° il est inséré un point 9° quinquies, rédigé comme suit :
  " 9° quinquies mesures compensatoires : mesures par lesquelles l'école offre des moyens orthopédagogiques ou orthodidactiques, dont des moyens techniques, permettant d'atteindre les objectifs du programme d'études commun ou les objectifs étant déterminés pour l'élève après dispense ; " ;
  4° le point 12°, abrogé par le décret du 22 juin 2007, est réinséré dans la lecture suivante :
  " 12° mesures différenciantes : mesures par lesquelles l'école apporte, au sein du programme d'études commun, une variation restreinte dans le processus d'apprentissage, afin de mieux répondre aux besoins d'élèves individuels ou de groupes d'élèves ; " ;
  5° il est inséré un point 12° bis ainsi rédigé :
  " 12° bis mesures dispensatoires : mesures par lesquelles l'école ajoute des objectifs au programme d'études commun ou dispense l'élève de certains objectifs du programme d'études commun et les remplace, là où c'est possible, par des objectifs équivalents, dans la mesure où soit les objectifs pour la validation des études en fonction de la finalité du niveau de l'enseignement, soit les objectifs de transition à l'enseignement complémentaire envisagé puissent encore être atteints dans une mesure suffisante ; " ;
  6° il est inséré un point 12° ter ainsi rédigé :
  " 12° ter disproportionnalité/disproportionnel : déraisonnabilité d'aménagements démontrée à l'issue d'un processus de pondération par application des critères visés à l'article 2, §§ 2 et 3, du Protocole du 19 juillet 2007 relatif au concept d'aménagements raisonnables en Belgique en vertu de la loi du 25 février 2003 tendant à lutter contre la discrimination et modifiant la loi du 15 février 1993 créant un Centre pour l'égalité des chances et de lutte contre le racisme ; " ;
  7° il est inséré un point 17° bis ainsi rédigé :
  " 17° bis programme d'études commun : les programmes d'études comprenant au moins de manière reconnaissable les objectifs nécessaires pour atteindre les objectifs finaux ou pour poursuivre les objectifs de développement, ainsi que le planning scolaire pour la poursuite des objectifs finaux et objectifs de développement interdisciplinaires ; " ;
  8° il est inséré un point 28° bis ainsi rédigé :
  " 28° bis élève à besoins éducatifs spécifiques : élève posant des problèmes de participation importants et de longue durée dus à l'interférence entre :
  a) une ou plusieurs limitations de fonctionnement de nature mentale, psychique, physique ou sensorielle et ;
  b) des limitations dans l'exécution d'activités et ;
  c) des facteurs personnels et externes ; " ;
  9° il est inséré un point 47° bis ainsi rédigé :
  " 47° bis mesures correctrices : des mesures par lesquelles l'école fournit des formes effectives d'aide adaptée à l'apprentissage au sein du programme d'études commun ; " ;
  10° il est inséré un point 53° bis ainsi rédigé :
  " 53° bis élargissement de l'encadrement : phase dans la continuité de l'encadrement, où l'école poursuit intégralement les mesures de la phase de l'encadrement complémentaire et où le CLB entame un processus de diagnostic visant l'action. Le CLB se base sur une analyse approfondie des besoins spéciaux d'éducation et d'enseignement de l'élève et des besoins de soutien de la part de l'enseignant/des enseignants et des parents, en vue de formuler des avis visant à optimiser le processus d'adéquation de l'offre d'enseignement et d'éducation à la demande d'aide de l'élève. En concertation avec l'école et les parents, le CLB détermine quel apport supplémentaire de moyens, d'aide ou d'expertise, soit à l'égard de l'école soit à l'égard de l'élève, dans son contexte ou non, est souhaitable, ainsi que l'ampleur et la durée de cet apport ; " ;
  11° le point 55° bis, inséré par le décret du 28 juin 2002 et abrogé par le décret du 6 juillet 2012, est rétabli dans la rédaction suivante :
  " 55° bis encadrement complémentaire : phase dans la continuité de l'encadrement, où l'école prévoit une aide supplémentaire sous forme de mesures correctrices, différenciantes, compensatoires ou dispensatoires, adaptées aux besoins éducatifs spécifiques de certains élèves, et préalablement à la phase d'élargissement de l'encadrement ; " ;
  12° il est inséré un point 59° rédigé comme suit :
  " 59° continuité de l'encadrement : succession des phases dans l'organisation de l'environnement éducatif au niveau d'un ample encadrement de base, d'un encadrement complémentaire et d'un élargissement de l'encadrement ; ".
Art. II.2. In artikel 8 van hetzelfde decreet wordt het tweede lid aangevuld met de volgende zinnen:
  "Het werkt hiervoor op een systematische, planmatige en transparante wijze samen met het CLB en de ouders en doet, in het bijzonder voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, gepaste en redelijke aanpassingen, waaronder het inzetten van remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen naargelang de noden van de leerling. De specifieke onderwijsbehoeften van leerlingen en de ondersteuningsbehoeften van het onderwijspersoneel en de ouders staan daarbij centraal.".
Art. II.2. A l'article 8 du même décret, le deuxième alinéa est complété par les phrases suivantes :
  " A cette fin, il coopère d'une manière systématique, planifiée et transparente avec le CLB et les parents et opère, notamment pour les élèves à besoins éducatifs spécifiques, des aménagements appropriés et raisonnables, entre autres la prise de mesures correctrices, différenciantes, compensatoires ou dispensatoires suivant les besoins de l'élève. Les besoins éducatifs spécifiques des élèves et les besoins de soutien du personnel enseignant et des parents y jouent un rôle central. ".
Art. II.3. Artikel 10 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
  "Art.10. § 1. Het buitengewoon basisonderwijs is ingedeeld in volgende types:
  1° type basisaanbod, voor kinderen voor wie de onderwijsbehoeften dermate zijn en voor wie al tijdens het gewoon kleuteronderwijs of tijdens het gewoon lager onderwijs aantoonbaar blijkt dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen ofwel disproportioneel, ofwel onvoldoende zijn om de leerling binnen het gemeenschappelijk curriculum te kunnen blijven meene- men in een school voor gewoon onderwijs;
  2° type 2, voor kinderen met een verstandelijke beperking.
  Kinderen met een verstandelijke beperking voldoen aan alle onderstaande criteria:
  a) ze hebben significante beperkingen in het intellectueel functioneren, wat op basis van een psychodiagnostisch onderzoek tot uiting komt in een totaal intelligentiequotiënt op een gestandaardiseerde en genormeerde intelligentietest kleiner of gelijk aan 60, rekening houdend met het betrouwbaarheidsinterval;
  b) ze hebben significante beperkingen in het sociale aanpassingsgedrag, wat op basis van psychodiagnostisch onderzoek tot uiting komt in een uitslag op een gestandaardiseerde en genormeerde schaal voor sociaal aanpassingsgedrag, die minstens drie standaarddeviaties beneden het gemiddelde ligt ten opzichte van een normgroep van leeftijdgenoten, rekening houdend met het betrouwbaarheidsinterval;
  c) de functioneringsproblemen zijn ontstaan vóór de leeftijd van 18 jaar;
  d) het besluit "verstandelijke beperking" wordt genomen na een periode van procesdiagnostiek;
  3° type 3, voor kinderen met een emotionele of gedragsstoornis die geen verstandelijke beperking hebben zoals bepaald in 2°.
  Kinderen met een emotionele of gedragsstoornis zijn kinderen bij wie op basis van gespecialiseerde, door een multidisciplinair team aangeleverde diagnostiek, met inbegrip van psychiatrisch onderzoek, een van de volgende problematieken wordt vastgesteld:
  a) een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit;
  b) een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis;
  c) de gedragsstoornis in enge zin, `conduct disorder';
  d) een angststoornis;
  e) een stemmingsstoornis;
  f) een hechtingsstoornis;
  4° type 4, voor kinderen met een motorische beperking.
  Kinderen met een motorische beperking zijn kinderen bij wie op basis van specifieke medische diagnostiek, een uitval wordt vastgesteld in de neuromusculoskeletale en beweginggerelateerde functies, meer bepaald:
  a) de functies van gewrichten en beenderen;
  b) de spierfuncties, meer bepaald de spierkracht, de tonus en het uithoudingsvermogen, met gedeeltelijke of volledige uitval van:
  1) een van de of beide bovenste of onderste ledematen;
  2) de linkerzijde, de rechterzijde of beide zijden;
  3) de romp;
  4) overige;
  c) de bewegingsfuncties;
  d) een door medische diagnostiek geobjectiveerde problematiek met weerslag op het beweginggerelateerd functioneren die niet terug te brengen is tot criterium a) tot en met c) maar met een duidelijke impact op schoolse activiteiten;
  5° type 5, voor kinderen die opgenomen zijn in een ziekenhuis, een residentiële setting of verblijven in een preventorium.
  De regering bepaalt de voorwaarden waaraan de residentiële setting moet voldoen opdat er een school voor buitengewoon onderwijs type 5 aan verbonden kan zijn.
  Kinderen in type 5 beantwoorden aan alle onderstaande voorwaarden:
  a) de medische, psychiatrische of residentiële opvang of begeleiding laat niet toe dat de kinderen voltijds in een school aanwezig zijn;
  b) de kinderen hebben behoefte aan een individueel of geïndividualiseerd aanbod dat in de residentiële omgeving verstrekt wordt;
  6° type 6, voor kinderen met een visuele beperking.
  Kinderen met een visuele beperking zijn kinderen bij wie op basis van specifieke oogheelkundige diagnostiek een gezichtsstoornis werd vastgesteld die beantwoordt aan minstens een van de volgende criteria:
  a) een optimaal gecorrigeerde gezichtsscherpte die kleiner dan of gelijk is aan 3/10 voor het beste oog;
  b) een of meer gezichtsvelddefecten die meer dan 50% van de centrale zone van 30° beslaan of die het gezichtsveld concentrisch tot minder dan 20° verkleinen;
  c) een volledige altitudinale hemianopsie, een oftalmoplegie, een oculomotorische apraxie of een oscillopsie.
  Onder altitudinale hemianopsie wordt verstaan: halfzijdige blindheid of blindheid in de helft van het gezichtsveld met verschillende varianten die door hersenbeschadiging veroorzaakt is.
  Onder oculomotorische apraxie wordt verstaan: het niet kunnen fixeren van de ogen op één voorwerp en het niet kunnen volgen van bewegende voorwerpen.
  Onder oftalmoplegie wordt verstaan: verlamming van de oogspieren.
  Onder oscillopsie wordt verstaan: subjectieve instabiliteit van het gezichtsveld of het symptoom waarbij het beeld dat iemand van de omgeving heeft, beweegt zodra het hoofd wordt bewogen;
  d) een ernstige gezichtsstoornis die uit een geobjectiveerde cerebrale pathologie voortvloeit, zoals cerebrale visuele inperking;
  e) een door een oogarts geobjectiveerde visuele problematiek die niet tot criterium a) tot en met d) terug te brengen is, maar met een duidelijke impact op schoolse activiteiten;
  7° type 7, voor kinderen met een auditieve beperking of een spraak- of taalstoornis.
  Kinderen met een auditieve beperking zijn kinderen die, op basis van een audiologisch onderzoek door een neus-, keel- en oorarts, beantwoorden aan een van de onderstaande criteria:
  a) volgens de Fletcher-index een gemiddeld gehoorverlies hebben voor de frequenties 500, 1000 en 2000 Hz van 40 dB of meer voor het beste oor zonder correctie;
  b) als de Fletcher-index minder dan 40 dB bedraagt: een foneemscore van 80% of minder hebben bij de spraakaudiometrie met woorden met een medeklinker-klinker- medeklinker-samenstelling bij 70 dB geluidsterkte;
  c) een door een neus-, keel- en oorarts geobjectiveerde auditieve problematiek hebben die niet terug te brengen is tot criterium a) of b), maar met een duidelijke impact op schoolse activiteiten.
  Kinderen met een spraak- of taalstoornis zijn kinderen zonder een verstandelijke beperking, zoals bepaald in 2°, waarvoor, op basis van een multidisciplinair onderzoek door een erkend gespecialiseerd team met minstens een logopedist, audioloog en neus-, keel- en oorarts, een van de volgende problematieken wordt vastgesteld:
  a) voor leerlingen jonger dan 6 jaar:
  1) kinderafasie met een terugval in de taalontwikkeling of;
  2) een vermoeden van ontwikkelingsdysfasie, gebaseerd op de vaststelling van een zeer moeizame spraak- en taalontwikkeling en met een duidelijke impact op schoolse activiteiten;
  b) voor leerlingen vanaf 6 jaar: diagnose ontwikkelingsdysfasie of kinderafasie;
  8° type 9, voor kinderen met een autismespectrumstoornis en die geen verstandelijke beperking hebben zoals bepaald in 2°.
  Kinderen met een autismespectrumstoornis zijn kinderen bij wie op basis van gespecialiseerde, door een multidisciplinair team aangeleverde diagnostiek, met inbegrip van psychiatrisch onderzoek, een van de volgende problematieken wordt vastgesteld:
  a) de autistische stoornis;
  b) een pervasieve ontwikkelingsstoornis niet-anders-omschreven.
  Het basisaanbod buitengewoon onderwijs wordt niet erkend, gefinancierd of gesubsidieerd in het buitengewoon kleuteronderwijs.
  § 2. De regering legt diagnostische protocollen vast voor de oriëntering naar de types als vermeld in § 1, 2° tot 8°. ".
Art. II.3. L'article 10 du même décret est remplacé par ce qui suit :
  " Art.10. § 1er. L'enseignement fondamental spécial est réparti selon les types suivants :
  1° type offre de base, destiné aux enfants dont les besoins éducatifs sont tels et pour lesquels il s'avère déjà manifestement pendant l'enseignement maternel ou pendant l'enseignement primaire ordinaire, que les aménagements, dont des mesures correctrices, différenciantes, compensatoires ou dispensatoires sont soit disproportionnels, soit insuffisants, pour pouvoir continuer à assurer pour l'élève un programme d'études commun dans une école d'enseignement ordinaire ;
  2° type 2, destiné aux enfants atteints d'un handicap mental.
  Les enfants atteints d'un handicap mental satisfont à tous les critères ci-dessous :
  a) ils sont significativement limités dans leur fonctionnement intellectuel, ce qui se manifeste, sur la base d'un examen psychodiagnostique, dans un quotient intellectuel total inférieur ou égal à 60 sur un test d'intelligence standardisé et normé, compte tenu de l'intervalle de fiabilité ;
  b) ils sont significativement limités dans leur comportement d'adaptation sociale, ce qui se manifeste sur la base d'un examen psychodiagnostique dans un résultat à une échelle standardisée et normée de comportement d'adaptation sociale se trouvant à au moins trois déviations standard au-dessous de la moyenne par rapport à un groupe de référence de compagnons d'âge, compte tenu de l'intervalle de fiabilité ;
  c) les problèmes de fonctionnement se sont manifestés avant l'âge de 18 ans ;
  d) la décision " handicap mental " est prise après une période de diagnostic du processus ;
  3° type 3, destiné aux enfants atteints d'un trouble émotionnel ou du comportement n'ayant pas de handicap mental tel que visé au point 2°.
  Des enfants atteints d'un trouble émotionnel ou du comportement sont des enfants chez lesquels une des problématiques suivantes est constatée sur la base d'un diagnostic spécialisé, en ce compris un examen psychiatrique, établi par une équipe multidisciplinaire :
  a) un trouble de déficit de l'attention avec hyperactivité ;
  b) un trouble du comportement oppositionnel avec provocation ;
  c) un trouble du comportement au sens stricte, " conduct disorder " ;
  d) un trouble d'anxiété ;
  e) un trouble de l'humeur ;
  f) un trouble de l'attachement ;
  4° type 4, destiné aux enfants atteints d'un handicap moteur.
  Des enfants atteints d'un handicap moteur sont des enfants chez lesquels il est constaté, sur la base d'un diagnostic médical spécifique, une défaillance des fonctions neuro-musculo-squelettiques et liées aux mouvements, notamment :
  a) les fonctions des articulations et os ;
  b) les fonctions musculaires, notamment la force musculaire, le tonus et la résistance, avec une défaillance partielle ou totale :
  1) d'un ou des deux membres supérieurs ou inférieurs ;
  2) du côté gauche, du côté droit ou des deux côtés ;
  3) du tronc ;
  4) autres ;
  c) les fonctions motrices ;
  d) une problématique objectivée par un diagnostic médical ayant une répercussion sur le fonctionnement lié aux mouvements et ne pouvant être ramenée aux critères a) à c) inclus, mais avec un impact manifeste sur les activités scolaires ;
  5° type 5, destiné aux enfants admis dans un hôpital, une structure résidentielle ou séjournant dans un préventorium.
  Le Gouvernement fixe les conditions auxquelles la structure résidentielle doit satisfaire pour qu'une école d'enseignement spécial type 5 puisse y être rattachée.
  Les enfants de type 5 satisfont à toutes les conditions mentionnées ci-après :
  a) l'accueil ou l'accompagnement médical, psychiatrique ou résidentiel n'admet pas la présence à temps plein des enfants à l'école ;
  b) les enfants ont besoin d'une offre individuelle ou individualisée qui soit dispensée dans l'environnement résidentiel ;
  6° type 6, destiné aux enfants atteints d'un handicap visuel.
  Des enfants atteints d'un handicap visuel sont des enfants chez lesquels il a été constaté, sur la base d'un diagnostic oculochirurgical spécifique, un trouble de la vue répondant à au moins un des critères suivants :
  a) une acuité visuelle optimalement corrigée inférieure ou égale à 3/10 au meilleur oeil ;
  b) une ou plusieurs défaillances du champ visuel occupant plus de 50% de la zone centrale de 30° ou réduisant le champ visuel de façon concentrique à moins de 20° ;
  c) une hémianopsie altitudinale complète, une ophtalmoplégie, une apraxie oculomotrice ou une oscillopsie.
  Par hémianopsie altitudinale il faut entendre : cécité unilatérale ou cécité dans la moitié du champ visuel avec différentes variantes, causée par un endommagement cérébral.
  Par apraxie oculomotrice il faut entendre : le fait de ne pas pouvoir fixer les yeux sur un seul objet et de ne pas pouvoir suivre des objets mouvants.
  Par ophtalmoplégie il faut entendre : paralysie des muscles oculaires.
  Par oscillopsie il faut entendre : instabilité subjective du champ visuel ou symptôme de voir bouger l'environnement, lorsqu'on bouge la tête ;
  d) un sérieux trouble visuel résultant d'une pathologie cérébrale objectivée, telle qu'une limitation visuelle cérébrale ;
  e) une problématique visuelle objectivée par un ophtalmologue, ne pouvant pas être ramenée aux critères a) à d) inclus, mais avec un impact manifeste sur les activités scolaires ;
  7° type 7, destiné aux enfants atteints d'un handicap auditif ou souffrant d'un trouble du langage ou linguistique.
  Des enfants atteints d'un handicap auditif sont des enfants qui, sur la base d'un examen audiologique effectué par un médecin spécialiste en oto rhino laryngologie, répondent aux critères visés ci-dessous :
  a) avoir, selon l'indice de Fletcher, une perte auditive moyenne pour les fréquences 500, 1000 et 2000 Hz ou plus à la meilleure oreille sans correction ;
  b) si l'indice de Fletcher indique moins de 40 dB : obtenir un score phonémique de 80 % ou moins lors d'une audiométrie vocale avec des mots composés de consonne-voyelle-consonne à un volume sonore de 70 dB ;
  c) une problématique auditive objectivée par un médecin spécialiste en oto rhino laryngologie, ne pouvant être ramenée au critère a) ou b), mais avec un impact manifeste sur les activités scolaires.
  Des enfants souffrant d'un trouble du langage ou linguistique sont des enfants sans handicap mental tel que visé au point 2°, chez lesquels une des problématiques suivantes est constatée, sur la base d'un examen multidisciplinaire effectué par une équipe spécialisée agréée comprenant au moins un logopède, un audiologue et un médecin spécialiste en oto rhino laryngologie :
  a) pour les élèves de moins de 6 ans :
  1) aphasie enfantine avec une régression dans le développement du langage ou ;
  2) une présomption de dysphasie de développement, basée sur la constatation d'un développement très difficile du langage et linguistique ayant un impact manifeste sur les activités scolaires ;
  b) pour les élèves à partir de 6 ans : diagnose dysphasie de développement ou aphasie enfantine ;
  8° type 9, destiné aux enfants souffrant de troubles du spectre d'autisme n'ayant pas de handicap mental tel que visé au point 2°.
  Des enfants souffrant de troubles du spectre d'autisme sont des enfants chez lesquels une des problématiques suivantes est constatée sur la base d'un diagnostic spécialisé, en ce compris un examen psychiatrique, établi par une équipe multidisciplinaire :
  a) le trouble autistique ;
  b) un trouble envahissant du développement non spécifié.
  L'offre de base enseignement spécial n'est pas agréée, financée ou subventionnée dans l'enseignement maternel spécial.
  § 2. Le Gouvernement établit des protocoles diagnostiques pour l'orientation vers les types tels que visés au § 1er, 2° à 8°. ".
Art. II.4. Artikel 15 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2006, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 15. § 1. Naast de toelatingsvoorwaarden bepaald in de artikelen 12, § 1, en 13, § 4, is voor de toelating van een leerling tot het buitengewoon onderwijs, met uitzondering voor de toelating tot type 5, een verslag van een CLB vereist, opgesteld met inachtname van artikel 37 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, waaruit blijkt:
  1° dat de fasen van het zorgcontinuüm voor de betreffende leerling werden doorlopen, tenzij de school in uitzonderlijke omstandigheden kan motiveren dat het doorlopen van een bepaalde fase niet relevant is;
  2° dat met toepassing van de principes van artikel 8, tweede lid, de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende en dispenserende maatregelen die nodig zijn om de leerling binnen het gemeenschappelijk curriculum te blijven meenemen, ofwel disproportioneel, ofwel onvoldoende zijn;
  3° dat de onderwijsbehoeften van de leerling werden omschreven met toepassing van een classificatiesysteem dat wetenschappelijk onderbouwd is en gebaseerd is op een interactionele visie en een sociaal model van handicap;
  4° dat de onderwijsbehoeften niet louter toe te schrijven zijn aan een SES-kenmerk van de leerling, vermeld in artikel 133;
  5° welk type voor de leerling van toepassing is, als bepaald in artikel 10, § 1, 1° tot 8°, met uitzondering van 5°.
  Voor de toelating van een leerling tot het type 5, als vermeld in artikel 10, § 1, 5°, is een attest vereist dat uitgereikt is door de behandelende geneesheer van de medische of psychiatrische voorziening ofwel door de directeur van de residentiële setting. De Vlaamse Regering bepaalt wat het attest moet inhouden.
  § 2. Voor een leerling die voor het eerst naar school gaat en wil starten in het buitengewoon onderwijs moet in afwijking van § 1, 1° en 2°, worden aangetoond dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende en dispenserende maatregelen, disproportioneel of onvoldoende zullen zijn om de leerling in het gemeenschappelijk curriculum mee te nemen en moet in afwijking van § 1, 5°, bepaald worden welk type voor de leerling van toepassing is, als bepaald in artikel 10, § 1, 2° tot 8°, met uitzondering van 5°.
  § 3. Het verslag bestaat uit een attest en een protocol ter verantwoording. De regering bepaalt wat het verslag moet inhouden.
  § 4. Een leerling kan alleen het buitengewoon onderwijs volgen van het type waarnaar hij in het verslag georiënteerd wordt, met uitzondering van type 5.
  § 5. Voor leerlingen die tijdens het schooljaar 2014-2015 ingeschreven waren in een school voor buitengewoon onderwijs geldt § 1 alleen bij wijziging van onderwijsniveau of van type.
  § 6. Wanneer niet meer voldaan is aan de voorwaarden van § 1, 2° en 3°, kan het CLB op eigen initiatief, op vraag van de ouders of op vraag van de school, het verslag opheffen.
  § 7. Bij onenigheid tussen ouders, school en CLB over het afleveren van het verslag kan, op initiatief van een van de betrokken partijen, een beroep gedaan worden op een Vlaamse Bemiddelingscommissie.
  De regering bepaalt de samenstelling, de bevoegdheden en de werkingsprincipes van deze commissie.".
Art. II.4. L'article 15 du même décret, modifié par le décret du 7 juillet 2006, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 15. § 1er. Outre les conditions d'admission définies aux articles 12, § 1er, et 13, § 4, un rapport d'un CLB, établi en tenant compte de l'article 37 du décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élèves, est requis pour l'admission d'un élève à l'enseignement spécial, excepté pour l'admission au type 5. Ce rapport doit démontrer :
  1° que les phases de la continuité de l'encadrement ont été parcourues pour l'élève intéressé, à moins que l'école ne puisse motiver dans des circonstances exceptionnelles qu'il n'est pas pertinent de parcourir une phase déterminée ;
  2° que par application des principes de l'article 8, deuxième alinéa, les aménagements, dont des mesures correctrices, différenciantes, compensatoires et dispensatoires sont soit disproportionnels, soit insuffisants, pour pouvoir continuer à assurer pour l'élève un programme d'études commun ;
  3° que les besoins éducatifs de l'élève ont été définis par application du système de classification scientifiquement fondé et basé sur une vision interactionnelle et un modèle social du handicap ;
  4° que les besoins éducatifs ne sont pas simplement dus à une caractéristique SES de l'élève, mentionnée à l'article 133 ;
  5° quel est le type s'appliquant à l'élève, tel que visé à l'article 10, § 1er, 1° à 8°, à l'exception de 5°.
  Pour l'admission d'un élève au type 5, tel que visé à l'article 10, § 1er, 5°, une attestation délivrée par le médecin traitant de la structure médicale ou psychiatrique ou par le directeur de structure résidentielle est requis. Le Gouvernement flamand détermine le contenu de l'attestation.
  § 2. Pour un élève qui fréquente l'école pour la première fois et qui veut suivre l' enseignement spécial, il faut, par dérogation au § 1er, 1° et 2°, démontrer que les aménagements, dont des mesures correctrices, différenciantes, compensatoires et dispensatoires seront soit disproportionnels, soit insuffisants, pour pouvoir assurer pour l'élève un programme d'études commun et il faut, par dérogation au § 1er, 5°, déterminer quel type s'applique à l'élève, tel que visé à l'article 10, § 1er, 2° à 8°, à l'exception de 5°.
  § 3. Le rapport comprend une attestation et un protocole justificatif. Le Gouvernement flamand détermine le contenu du rapport.
  § 4. Un élève peut uniquement fréquenter l'enseignement spécial du type vers lequel il est orienté dans le rapport, à l'exception du type 5.
  § 5. Pour ce qui est des élèves inscrits pendant l'année scolaire 2014-2015 à une école d'enseignement spécial, le § 1er s'applique uniquement en cas d'une modification de niveau d'enseignement ou de type.
  § 6. S'il n'est plus satisfait aux conditions du § 1er, 2° et 3°, le CLB peut, d'initiative, à la demande des parents ou à la demande de l'école, abroger le rapport.
  § 7. En cas de désaccord entre les parents, l'école et le CLB sur la délivrance du rapport, il peut être fait appel à une Commission de médiation flamande à l'initiative d'une des parties intéressées.
  Le Gouvernement flamand fixe la composition, les attributions et les principes de fonctionnement d cette commission. ".
Art. II.5. Artikel 16 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 7 mei 2004, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 16. § 1. Naast de toelatingsvoorwaarden bepaald in de artikelen 12 en 13 is voor de toelating van een leerling tot het geïntegreerd onderwijs een gemotiveerd verslag van een CLB vereist, waaruit blijkt:
  1° dat, met toepassing van de principes van artikel 8, tweede lid, het inzetten van de ondersteuning in het kader van het geïntegreerd onderwijs, in combinatie met compenserende of dispenserende maatregelen, nodig en voldoende geacht wordt om de leerling het gemeenschappelijk curriculum te laten volgen;
  2° dat de leerling voldoet aan de criteria van een van de punten van artikel 10, § 1, 1° tot 8°, met uitzondering van 5° ;
  3° dat de leerling ten minste negen maanden voltijds buitengewoon onderwijs in het betreffende type heeft gevolgd, onmiddellijk voorafgaand aan zijn toelating tot het geïntegreerd basisonderwijs, indien blijkt dat hij voldoet aan de criteria van artikel 10, § 1, 1°.
  De regering bepaalt de inhoud van het gemotiveerd verslag en kan in uitvoering van artikel 173septies de bepaling van artikel 16, § 1, 3°, opheffen.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt voor een leerling, die toegelaten werd tot het geïntegreerd onderwijs op basis van een inschrijvingsverslag voor het buitengewoon onderwijs, slechts een gemotiveerd verslag opgemaakt bij wijziging van het onderwijsniveau, van het type, de aard van de integratie, of de aard en de ernst van de handicap.
  § 3. Om in aanmerking te komen voor aanvullende financiering of subsidiëring van een leerling in het geïntegreerd onderwijs is nog een integratieplan vereist.
  De regering bepaalt de inhoud van het integratieplan en legt de samenstelling van het integratieteam, dat het integratieplan zal opstellen, vast.
  Een nieuw integratieplan wordt opgesteld bij de wijziging van: de aard van de integratie, de aard en de ernst van de handicap of het onderwijsniveau, met inbegrip van het beroepenveld, de studierichting, de afdeling of de opties. Bij wijziging van het integratieteam kan het bestaande integratieplan bevestigd worden.
  § 4. Wanneer voor een leerling die beschikt over een verslag als vermeld in artikel 15 een gemotiveerd verslag wordt opgemaakt, vervalt het verslag als vermeld in artikel 15.".
Art. II.5. L'article 16 du même décret, modifié par le décret du 7 mai 2004, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 16. § 1er. Outre les conditions d'admission définies aux articles 12 et 13, un rapport motivé d'un CLB est requis pour l'admission d'un élève à l'enseignement spécial, excepté pour l'admission au type 5. Ce rapport doit démontrer :
  1° que, par application des principes de l'article 8, deuxième alinéa, l'engagement du soutien dans le cadre de l'enseignement intégré, en combinaison avec des mesures compensatoires ou dispensatoires, est censé nécessaire et suffisant pour que l'élève puisse suivre le programme d'études commun ;
  2° que l'élève satisfait aux critères d'un des points de l'article 10, § 1er, 1° à 8°, à l'exception de 5° ;
  3° que l'élève a fréquenté pendant au moins neuf mois l'enseignement spécial à temps plein dans le type en question, immédiatement préalablement à son admission à l'enseignement fondamental intégré, s'il s'avère qu'il remplit les critères de l'article 10, § 1er, 1°.
  Le Gouvernement détermine le contenu du rapport motivé et peut abroger la disposition de l'article 16, § 1er, 3°, en exécution de l'article 173septies.
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, un rapport motivé est uniquement rédigé pour un élève ayant été admis à l'enseignement intégré sur la base d'un rapport d'inscription pour l'enseignement spécial, en cas de modification du niveau d'enseignement, du type, de la nature de l'intégration ou de la nature et de la gravité du handicap.
  § 3. De plus, pour entrer en ligne de compte pour le financement ou subventionnement complémentaire d'un élève dans l'enseignement intégré, un plan d'intégration est requis.
  Le Gouvernement flamand détermine le contenu du plan d'intégration et statue sur la composition de l'équipe d'intégration, qui rédigera le plan d'intégration.
  Un nouveau plan d'intégration est établi lors de la modification de : la nature de l'intégration, la nature et la gravité du handicap ou le niveau d'enseignement, y compris le domaine d'activités, l'orientation, la section ou les options. En cas de modification de l'équipe intégration, le plan d'intégration actuel peut être confirmé.
  § 4. Si un rapport motivé est rédigé pour un élève qui dispose d'un rapport tel que visé à l'article 15, le rapport visé à l'article 15 échoit. ".
Art. II.6. In artikel 19 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 13 juli 2001 wordt aan § 2, een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Een inschrijving in het type basisaanbod is maximaal twee schooljaren geldig. Aan het einde van deze periode volgt een evaluatie door de klassenraad en het CLB. Wanneer de klassenraad en het CLB op basis van deze evaluatie beslissen dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, disproportioneel of onvoldoende zullen zijn om de leerling het gemeenschappelijk curriculum te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs en een verder verblijf in het basisaanbod nodig is, bevestigt het CLB dit door de opmaak van een nieuw verslag, als vermeld in artikel 15, dat de inschrijving verlengt met maximaal twee schooljaren. Ten laatste na twee schooljaren volgt opnieuw een evaluatie. Wanneer de klassenraad en het CLB op basis van de evaluatie beslissen dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen wel proportioneel zullen zijn om de leerling het gemeenschappelijk curriculum te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs dan:
  1° ondersteunen de school voor buitengewoon onderwijs en het CLB de ouders bij het vinden van een school voor gewoon onderwijs waar de leerling kan ingeschreven worden;
  2° maken de betrokken scholen, de CLB's en de ouders afspraken in functie van een vlotte overgang van de leerling van de school voor buitengewoon onderwijs naar de school voor gewoon onderwijs.".
Art. II.6. Au § 2 de l'article 19 du même décret, modifié par le décret du 13 juillet 2001, il est ajouté un troisième alinéa, rédigé comme suit :
  " Une inscription dans le type offre de base a une validité de deux années scolaires au maximum. A la fin de cette période suit une évaluation par le conseil de classe et le CLB. Si le conseil de classe et le CLB décident, au vu de cette évaluation, que les aménagements, dont des mesures correctrices, différenciantes, compensatoires ou dispensatoires seront soit disproportionnels, soit insuffisants, pour pouvoir assurer pour l'élève un programme d'études commun dans une école d'enseignement ordinaire et qu'il est nécessaire de continuer à suivre l'offre de base, le CLB confirme cette conclusion dans un nouveau rapport, tel que visé à l'article 15, qui prolonge l'inscription de deux années scolaires au maximum. A l'issue de deux années scolaires au plus tard, une nouvelle évaluation est effectuée. Si le conseil de classe et le CLB décident, au vu de l'évaluation, que les aménagements, dont des mesures correctrices, différenciantes, compensatoires ou dispensatoires, seront effectivement proportionnels pour permettre à l'élève de suivre le programme d'études commun dans une école d'enseignement ordinaire :
  1° l'école d'enseignement spécial et le CLB appuient les parents dans la recherche d'une école d'enseignement ordinaire où l'élève puisse être inscrit ;
  2° les écoles concernées, les CLB et les parents concluent les accords nécessaires en fonction d'un passage aisé de l'élève de l'école d'enseignement spécial à l'école d'enseignement ordinaire. ".
Art. II.7. Artikel 25bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 7 juli 2006, wordt opgeheven.
Art. II.7. L'article 25bis du même décret, inséré par le décret du 7 juillet 2006, est abrogé.
Art. II.8. In artikel 26 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2006, wordt in § 2 het woord "CABO" vervangen door het woord "onderwijsinspectie".
Art. II.8. Au § 2 de l'article 26 du même décret, modifié par le décret du 7 juillet 2006, les mots " la CABO " sont remplacés par les mots " l'Inspection de l'Enseignement ".
Art. II.9. Artikel 30 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 10 juli 2003, wordt opgeheven.
Art. II.9. L'article 30 du même décret, modifié par le décret du 10 juillet 2003, est abrogé.
Art. II.10. In artikel 35 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 13 juli 2001, 8 mei 2009 en 9 juli 2010 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in § 1 wordt het woord "CABO" vervangen door "onderwijsinspectie";
  2° § 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. De ouders kiezen in overleg met het CLB de dichtstbijzijnde school voor buitengewoon onderwijs van hun vrije keuze om het permanent onderwijs aan huis te organiseren. Omwille van omstandigheden eigen aan het kind en mits omstandige motivering kan een andere school voor buitengewoon onderwijs worden gekozen.".
Art. II.10. A l'article 35 du même décret, modifié par les décrets des 13 juillet 2001, 8 mai 2009 et 9 juillet 2010, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au § 1er, les mots " la CABO " sont remplacés par les mots " l'Inspection de l'Enseignement " ;
  2° le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 2. Les parents choisissent, en concertation avec le CLB, l'école d'enseignement spécial la plus proche de leur libre choix qui organisera l'enseignement permanent en milieu familial. Pour cause de circonstances propres à l'enfant et moyennant motivation détaillée, une autre école d'enseignement spécial peut être choisie.
Art. II.11. Artikel 37undecies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 37undecies. § 1. Het recht op inschrijving, vermeld in artikel 37bis, § 1, geldt onverkort voor leerlingen die het gemeenschappelijk curriculum kunnen volgen met toepassing van gepaste maatregelen, zoals remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, die proportioneel zijn. Leerlingen voor wie deze aanpassingen worden toegepast, blijven in aanmerking komen voor de gewone studiebekrachtiging toegekend door de klassenraad.
  § 2. Leerlingen die beschikken over een verslag als vermeld in artikel 15 worden door een school voor gewoon onderwijs onder ontbindende voorwaarde ingeschreven. De school organiseert overleg met de ouders, de klassenraad en het CLB, over de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in het gemeenschappelijk curriculum of om de leerling studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum.
  Indien na het overleg de school de disproportionaliteit van de aanpassingen die nodig zijn, bevestigt, wordt de inschrijving ontbonden op het moment dat deze leerling in een andere school is ingeschreven en uiterlijk 1 maand, vakantieperioden niet inbegrepen, na de kennisgeving van de bevestiging van de disproportionaliteit.
  Wanneer de school de aanpassingen wel proportioneel acht, komen deze leerlingen op dezelfde wijze als leerlingen met een gemotiveerd verslag in aanmerking voor aanvullende financiering of subsidiëring zoals van toepassing in het kader van het geïntegreerd onderwijs.
  § 3. Wanneer tijdens de schoolloopbaan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigt en de vastgestelde onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een verslag, als vermeld in artikel 15, nodig is, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de ouders en het CLB en beslist op basis daarvan en nadat het verslag werd afgeleverd, om de leerling op vraag van de ouders studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum of om de inschrijving van de leerling voor het daaropvolgende schooljaar te ontbinden.".
Art. II.11. L'article 37undecies du même décret, inséré par le décret du 25 novembre 2011, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 37undecies. § 1er. Le droit à l'inscription visé à l'article 37bis, § 1er, s'applique intégralement aux élèves qui peuvent suivre le programme d'études commun par application de mesures appropriées telles que des mesures correctrices, différenciantes, compensatoires et dispensatoires, qui sont proportionnelles. Les élèves pour lesquels ces aménagements sont apportés continuent à entrer en considération pour la validation d'études ordinaire accordée par le conseil de classe.
  § 2. Les élèves qui disposent d'un rapport tel que visé à l'article 15, sont inscrits par une école d'enseignement ordinaire à condition résolutoire. L'école organise une concertation avec les parents, le conseil de classe et le CLB au sujet des aménagements nécessaires pour que l'élève puisse suivre le programme d'études commun ou pour assurer le déroulement de ses études sur la base d'un programme adapté individuellement.
  Si, après cette concertation, l'école confirme la disproportionnalité des aménagements nécessaires, l'inscription est annulée au moment où l'élève en question est inscrit auprès d'une autre école et au plus tard dans 1 mois, périodes de vacances non comprises, de la notification de la confirmation de la disproportionnalité.
  Si par contre l'école estime que les aménagements sont proportionnels, ces élèves entrent en considération, de la même façon que les élèves au rapport motivé, pour un financement ou subventionnement complémentaire, d'application dans le cadre de l'enseignement intégré.
  § 3. Lorsqu'au cours du parcours scolaire le besoin d'aménagements change pour un élève et lorsque les besoins éducatifs constatés sont tels, qu'un rapport tel que visé à l'article 15, devient nécessaire pour l'élève, l'école organisera une concertation avec le conseil de classe, les parents et le CLB ; elle décidera sur la base de cette concertation et après production du rapport si, à la demande des parents, le déroulement des études de l'élève se fera en suivant un programme adapté individuellement ou si l'inscription de l'élève sera dissolue à partir de l'année scolaire successive. ".
Art. II.12. In artikel 37quindecies, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011 en gewijzigd bij het decreet van 8 juni 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste lid wordt opgeheven;
  2° in het tweede lid, dat eerste lid wordt, worden de woorden "op basis van andere bepalingen dan deze van artikel 37undecies," opgeheven.
Art. II.12. A l'article 37quindecies, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 25 novembre 2011 et modifié par le décret du 8 juin 2012, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa premier est abrogé ;
  2° au deuxième alinéa, qui devient l'alinéa premier, les mots " sur la base de dispositions autres que celles de l'article 37undecies " sont abrogés.
Art. II.13. In artikel 37sedecies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011, wordt een § 4 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 4. Onverminderd de toepassing van § 1 tot § 3, kan de CLR het dossier aanhangig maken bij het orgaan dat in toepassing van artikel 33, § 2, van het VN-verdrag van 13 december 2006 inzake de Rechten van Personen met een Handicap en in toepassing van artikel 40 van het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid het mandaat heeft van onafhankelijk mechanisme.".
Art. II.13. L'article 37sedecies du même décret, inséré par le décret du 25 novembre 2011, est complété par un § 4, rédigé comme suit :
  " § 4. Sans préjudice de l'application des §§ 1er à 3, la CLR peut saisir l'organisme ayant le mandat de mécanisme indépendant en application de l'article 33, § 2, de la convention du 13 décembre 2006 relative aux Droits des Personnes handicapées et en application de l'article 40 du décret du 10 juillet 2008 portant le cadre de la politique flamande de l'égalité des chances et de traitement, du dossier. ".
Art. II.14. In artikel 85quater van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 4 juli 2008, worden in 1° de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de zesde rij wordt de zinsnede "type 1, 2 en 8" vervangen door de zinsnede "type basisaanbod en type 2";
  2° in de zevende rij van de tabel wordt de zinsnede "type 3, 4, 6 of 7" vervangen door de zinsnede "type 4, 6 of 7";
  3° in de achtste rij van de tabel wordt de zinsnede "type 3" vervangen door zinsnede "type 3 of 9".
Art. II.14. Au point 1° de l'article 85quater du même décret, inséré par le décret du 4 juillet 2008, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans la sixième rangée, le membre de phrase " type 1, 2 et 8 " est remplacé par le membre de phrase " type offre de base et type 2 " ;
  2° dans la septième rangée du tableau, le membre de phrase " type 3, 4, 6 ou 7 " est remplacé par le membre de phrase " type 4, 6 ou 7 " ;
  3° dans la huitième rangée du tableau, le membre de phrase " type 3 " est remplacé par le membre de phrase " type 3 ou 9 ".
Art. II.15. In artikel 101 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangbracht:
  1° § 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. In elke gefinancierde of gesubsidieerde school voor buitengewoon onderwijs die voldoet aan de door de regering vastgelegde rationalisatienormen kunnen per 1 september types van vrije keuze, met uitzondering van type 5, worden gefinancierd of gesubsidieerd indien het type binnen de provincie niet georganiseerd wordt in een school van dezelfde groep.";
  2° er wordt een § 4 en een § 5 toegevoegd, die luiden als volgt:
  " § 4. In aanvulling op § 1 tot § 3 moet een schoolbestuur dat een nieuw type van vrije keuze wil oprichten een oprichtingsdossier indienen. Dit oprichtingsdossier moet ten minste voldoen aan onderstaande kwaliteitsvoorwaarden:
  1° het schoolbestuur is verantwoordelijk voor het indienen van het dossier na overleg binnen de schoolraad en na overleg of na onderhandeling in het lokaal comité;
  2° de school moet beschikken over de vereiste infrastructurele en materiële voorzieningen op gebied van toegankelijkheid en hulpmiddelen nodig voor het nieuwe type;
  3° de reeds bestaande expertise of de inspanningen rond professionalisering van het team met betrekking tot het nieuwe type worden in het dossier weergegeven.
  De regering kan nadere regels bepalen over de inhoud en de vorm van het oprichtingsdossier en over de wijze waarop de kwaliteitsvoorwaarden worden beoordeeld.
  § 5. De oprichting vanaf 1 september van een nieuw type van vrije keuze kan pas na een gunstige beslissing van de regering.
  Het schoolbestuur stuurt daartoe uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag met het oprichtingsdossier aan AgODi.
  In afwijking van het voorgaande lid, kunnen voor de oprichting vanaf 1 september 2015 van een type 9 van vrije keuze gemotiveerde aanvragen bij AgODi ingediend worden tot uiterlijk 1 juli 2014.
  De regering neemt deze beslissing na advies van AgODi en de onderwijsinspectie.".
Art. II.15. A l'article 101 du même décret sont apportées les modifications suivantes :
  1° le § 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Dans chaque école financée ou subventionnée d'enseignement spécial répondant aux normes de rationalisation fixées par le gouvernement, des types de libre choix, excepté le type 5, peuvent être financés ou subventionnés à partir du 1er septembre, si le type n'est pas organisé dans une école du même groupe à l'intérieur de la province. " ;
  2° il est inséré un § 4 et un § 5, rédigés comme suit :
  " § 4. En complément des §§ 1er à 3, une autorité scolaire désirant créer un nouveau type de libre choix doit introduire à cet effet un dossier de création. Ce dossier de création doit au moins répondre aux normes de qualité reprises ci-dessous :
  1° l'autorité scolaire est responsable de l'introduction du dossier après concertation au sein du conseil scolaire et après concertation ou négociation au sein du comité local ;
  2° l'école doit disposer des structures infrastructurelles et matérielles requises en matière d'accessibilité et d'aides requises pour le nouveau type ;
  3° l'expertise déjà existante ou les efforts de professionnalisation de l'équipe quant au nouveau type figurent dans le dossier.
  Le gouvernement peut arrêter des modalités relatives au contenu et à la forme du dossier de création et au mode d'évaluation des normes de qualité.
  § 5. La création à partir du 1er septembre d'un nouveau type de libre choix n'est possible qu'après une décision favorable du gouvernement.
  A cette fin, l'autorité scolaire envoie au plus tard le 30 novembre de l'année scolaire précédente une demande motivée, assortie du dossier de création, à AgODi.
  Par dérogation à l'alinéa précédent, des demandes motivées peuvent être introduites auprès d'AgODi jusqu'au 1er juillet 2014 au plus tard pour la création à partir du 1er septembre 2015 d'un type 9 de libre choix.
  Le gouvernement prend cette décision après avoir pris l'avis d'AgODi et de l'Inspection de l'Enseignement. ".
Art. II.16. In artikel 111 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 22 juni 2007, wordt een § 3, § 4 en § 5 toegevoegd, die luiden als volgt:
  " § 3. In aanvulling op § 1 en § 2 moet een schoolbestuur dat een nieuw type wil oprichten een oprichtingsdossier indienen. Dit oprichtingsdossier moet ten minste voldoen aan onderstaande kwaliteitsvoorwaarden:
  1° het schoolbestuur is verantwoordelijk voor het indienen van het dossier na overleg binnen de schoolraad en na overleg of na onderhandeling in het lokaal comité;
  2° het dossier bevat een omgevingsanalyse die de noodzaak, de doelmatigheid en de leefbaarheid van het programmatievoorstel motiveert. Bij de omgevingsanalyse wordt, waar dit voor de betrokken schoolpopulatie relevant is, de link met eventuele aangepaste begeleidingsmogelijkheden, met inbegrip van schoolexterne begeleidingsmoge- lijkheden voor kinderen met bijkomende zorgbehoeften, expliciet behandeld;
  3° de school moet beschikken over de vereiste infrastructurele en materiële voorzieningen op gebied van toegankelijkheid en hulpmiddelen nodig voor het nieuwe type;
  4° de reeds bestaande expertise of de inspanningen rond professionalisering van het team met betrekking tot het nieuwe type worden in het dossier weergegeven.
  De regering kan nadere regels bepalen over de inhoud en de vorm van het oprichtingsdossier en over de wijze waarop de kwaliteitsvoorwaarden worden beoordeeld.
  § 4. De oprichting vanaf 1 september van een nieuw type kan pas na een gunstige beslissing van de regering.
  Het schoolbestuur stuurt daartoe uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag met het oprichtingsdossier aan AgODi, dat de aanvraag voor administratief-technisch en inhoudelijk advies aan de Vlaamse Onderwijsraad bezorgt.
  In afwijking van het voorgaande lid, kunnen voor de oprichting vanaf 1 september 2015 van type 9 gemotiveerde aanvragen bij AgODi ingediend worden tot uiterlijk 1 juli 2014.
  De regering neemt deze beslissing na advies van de Vlaamse Onderwijsraad over de gegrondheid van de lokale behoefte aan extra aanbod en na advies van AgODi en de onderwijsinspectie.
  § 5. De scholen voor buitengewoon basisonderwijs die tijdens het schooljaar 2014-2015 een aanbod type 1 of type 8 aanboden, bieden vanaf 1 september 2015 het basisaanbod aan als vermeld in artikel 10, § 1, 1°. Dit wordt niet beschouwd als een herstructurering.".
Art. II.16. A l'article 111 du même décret, modifié par le décret du 22 juin 2007, il est inséré un § 3, § 4 et § 5, rédigés comme suit :
  " § 3. En complément des §§ 1er et 2, une autorité scolaire désirant créer un nouveau type de libre choix doit introduire à cet effet un dossier de création. Ce dossier de création doit au moins répondre aux normes de qualité reprises ci-dessous :
  1° l'autorité scolaire est responsable de l'introduction du dossier après concertation au sein du conseil scolaire et après concertation ou négociation au sein du comité local ;
  2° le dossier reprend une analyse de l'environnement motivant la nécessité, l'efficacité et la viabilité de la proposition de programmation. Dans l'analyse de l'environnement, le lien avec d'éventuelles possibilités d'accompagnement adapté, y compris des possibilités d'accompagnement extra-muros pour les enfants à besoins complémentaires d'aide, est explicitement traité, si nécessaire pour la population scolaire intéressée ;
  3° l'école doit disposer des structures infrastructurelles et matérielles requises en matière d'accessibilité et d'aides requises pour le nouveau type ;
  4° l'expertise déjà existante ou les efforts de professionnalisation de l'équipe quant au nouveau type figurent dans le dossier.
  Le gouvernement peut arrêter des modalités relatives au contenu et à la forme du dossier de création et au mode d'évaluation des normes de qualité.
  § 4. La création à partir du 1er septembre d'un nouveau type n'est possible qu'après une décision favorable du gouvernement.
  A cet effet, l'autorité scolaire adresse, le 30 novembre de l'année scolaire précédente au plus tard, une demande motivée assortie du dossier de création, à AgODi, qui remet la demande pour avis administratif-technique et de fond au Conseil flamand de l'Enseignement.
  Par dérogation à l'alinéa précédent, des demandes motivées peuvent être introduites auprès d'AgODi jusqu'au 1er juillet 2014 au plus tard pour la création à partir du 1er septembre 2015 d'un type 9.
  Le gouvernement prend cette décision après avoir pris l'avis du Conseil flamand de l'Enseignement sur le bien-fondé du besoin local d'offre supplémentaire et après l'avis d'AgODi et de l'Inspection de l'Enseignement.
  § 5. Les écoles d'enseignement fondamental spécial qui offraient le type 1 ou le type 8 pendant l'année scolaire 2014-2015, offrent à partir du 1er septembre 2015 l'offre de base telle que visée à l'article 10, § 1er, 1°. Ceci n'est pas considéré comme une restructuration. ".
Art. II.17. In artikel 112bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009 en laatst gewijzigd bij decreet van 5 juli 2013, worden de woorden "en 2013-2014" vervangen door de woorden ", 2013-2014 en 2014-2015".
Art. II.17. Dans l'article 112bis du même décret, inséré par le décret du 8 mai 2009 et remplacé en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, les mots " et 2013-2014 " sont remplacés par les mots " , 2013-2014 et 2014-2015 ".
Art. II.18. In artikel 139duodecies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009, wordt in § 1, 1°, de zinsnede "type 1" vervangen door de zinsnede "type basisaanbod".
Art. II.18. Au § 1er, 1°, de l'article 139duodecies du même décret, inséré par le décret du 8 mai 2009, le membre de phrase " type 1 " est remplacé par le membre de phrase " type offre de base ".
Art. II.19. In artikel 155, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 7 juli 2006 en het laatst gewijzigd bij decreet van 5 juli 2013, wordt in het eerste lid de zinsnede "voor het schooljaar 2013-2014" vervangen door de zinsnede "voor het schooljaar 2014- 2015.".
Art. II.19. A l'alinéa premier de l'article 155, § 2, du même décret, inséré par le décret du 7 juillet 2006 et modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, le membre de phrase " pour l'année scolaire 2013-2014 " est remplacé par le membre de phrase " pour l'année scolaire 2014-2015. ".
Art. II.20. In hetzelfde decreet wordt een hoofdstuk XIIquinquies ingevoegd dat luidt als volgt:
  "Hoofdstuk XIIquinquies. - Waarborgregeling bij daling van het leerlingenaantal in het buitengewoon onderwijs".
Art. II.20. Dans le même décret, il est inséré un chapitre XIIquinquies, rédigé comme suit :
  " Chapitre XIIquinquies. Régime de garanties en cas de baisse du nombre d'élèves dans l'enseignement spécial ".
Art. II.21. In hoofdstuk XIIquinquies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij artikel II.20, wordt een artikel 173septies ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 173septies. § 1. Bij het realiseren van een relatieve minderkost in het buitengewoon basisonderwijs ten opzichte van het referentieschooljaar 2014-2015, worden per schooljaar de vrijgekomen middelen, via enveloppefinanciering, ingezet voor de ondersteuning van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs.
  § 2. De regering bepaalt de procedure voor de berekening van de enveloppe en houdt voor de verdeling van de enveloppe over het gewoon en buitengewoon basisonderwijs en over de scholen minstens rekening met de volgende principes:
  1° de vastgestelde verschuivingen van leerlingen van het buitengewoon naar het gewoon basisonderwijs als gevolg van effectieve terugkeer uit of verminderde instroom in het buitengewoon basisonderwijs voor de verdeling van de enveloppe over het gewoon en buitengewoon basisonderwijs. De regering houdt hierbij ook rekening met de demografie;
  2° de relatieve aanwezigheid van leerlingen met een verslag als vermeld in artikel 15 of 16 voor de verdeling van de enveloppe over de scholen voor gewoon basisonderwijs;
  3° de vastgestelde verschuivingen in de leerlingenpopulaties van de types voor de verdeling van de enveloppe over de scholen voor buitengewoon basisonderwijs.
  § 3. De regering bepaalt tevens de wijze waarop en de ambten waarin de middelen uit de enveloppe kunnen worden ingezet voor uitbreiding van zorg in de scholen voor gewoon basisonderwijs of voor versterking van het onderwijs en de zorg in scholen voor buitengewoon basisonderwijs en voor welke leerlingen deze middelen kunnen worden aange- wend.".
Art. II.21. Au chapitre XIIquinquies du même décret, inséré par l'article II.20, il est inséré un article 173septies, rédigé comme suit :
  " Art. 173septies. § 1er. Lorsqu'il est réalisé un moindre coût relatif dans l'enseignement fondamental spécial par rapport à l'année scolaire de référence 2014-2015, les moyens libérés sont affectés, par année scolaire, par le biais d'un financement par enveloppes, à l'appui d'élèves à besoins éducatifs spécifiques dans l'enseignement fondamental ordinaire ou spécial.
  § 2. Le gouvernement détermine la procédure pour le calcul de l'enveloppe et tient au moins compte des principes suivants pour la répartition de l'enveloppe entre l'enseignement fondamental ordinaire et spécial et parmi les écoles :
  1° les glissements constatés d'élèves de l'enseignement fondamental spécial à l'enseignement fondamental ordinaire découlant du retour effectif de l'enseignement fondamental spécial ou de l'afflux réduit dans l'enseignement fondamental spécial pour la répartition de l'enveloppe entre l'enseignement fondamental ordinaire et spécial. A cet égard, le gouvernement tient également compte de la démographie ;
  2° la présence relative d'élèves ayant un rapport tel que visé à l'article 15 ou 16 pour la répartition de l'enveloppe parmi les écoles d'enseignement fondamental ordinaire ;
  3° les glissements constatés dans les populations d'élèves des types pour la répartition de l'enveloppe parmi les écoles d'enseignement fondamental spécial.
  § 3. Le gouvernement détermine également la façon dont et les fonctions dans lesquelles les moyens de l'enveloppe peuvent être affectés à l'élargissement de l'encadrement dans les écoles d'enseignement fondamental ordinaire ou au renforcement de l'enseignement et de l'encadrement dans les écoles d'enseignement fondamental spécial, ainsi que les élèves pour lesquels ces moyens peuvent être utilisés. ".
Art. II.22. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2015 voor inschrijvingen die betrekking hebben op het schooljaar 2015-2016, met uitzondering van de artikelen II.7, II.8, II.10, II.15 en II.16 die in werking treden op 1 april 2014, de artikelen II.17 en II.19 die in werking treden op 1 september 2014 en de artikelen II.6, II.14 en II.18 die in wer- king treden op 1 september 2015.
Art. II.22. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2015 pour ce qui est des inscriptions portant sur l'année scolaire 2015-2016, à l'exception des articles II.7, II.8, II.10, II.15 en II.16, qui entrent en vigueur le 1er avril 2014, des articles II.17 et II.19, qui entrent en vigueur le 1er septembre 2014, et des articles II.6, II.14 et II.18, qui entrent en vigueur le 1er septembre 2015.
HOOFDSTUK III. - Secundair onderwijs
CHAPITRE III. - Enseignement secondaire
Afdeling 1. - Codex Secundair Onderwijs
Section 1re. - Code de l'Enseignement secondaire
Art. III.1. In artikel 2, § 3, van de Codex Secundair Onderwijs worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden na het woord "onderwijs" de woorden ", met uitzondering van artikel 357, dat niet van toepassing is op het buitengewoon secundair onderwijs, maar enkel op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs" ingevoegd;
  2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De artikelen 351 tot en met 356 gelden ook voor het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs.".
Art. III.1. A l'article 2, § 3, du Code de l'Enseignement secondaire sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa premier, les mots " , à l'exception de l'article 357, qui ne s'applique pas à l'enseignement secondaire spécial, mais uniquement à l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande " sont insérés après les mots " par la Communauté flamande " ;
  2° il est ajouté un deuxième alinéa, rédigé comme suit :
  " Les articles 351 à 356 s'appliquent également à l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande et à l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel. ".
Art. III.2. In artikel 3 van de Codex Secundair Onderwijs, het laatst gewijzigd bij het decreet van19 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° er wordt een punt 9° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "9° /1 brede basiszorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school vanuit een visie op zorg de ontwikkeling van alle leerlingen stimuleert en problemen tracht te voorkomen door een krachtige leeromgeving te bieden, de leerlingen systematisch op te volgen en actief te werken aan het verminderen van risicofactoren en aan het versterken van beschermende factoren;";
  2° er wordt een punt 10° /2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "10° /2 compenserende maatregelen: maatregelen waarbij de school orthopedagogische of orthodidactische hulpmiddelen aanbiedt, waaronder technische hulpmiddelen, waardoor de doelen van het gemeenschappelijk curriculum of de doelen die na dispensatie voor de leerling bepaald zijn, bereikt kunnen worden;";
  3° er wordt een punt 12° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "12° /1 differentiërende maatregelen: maatregelen waarbij de school, binnen het gemeenschappelijk curriculum, een beperkte variatie in het onderwijsleerproces aanbrengt om beter tegemoet te komen aan de behoeften van individuele leerlingen of groepen van leerlingen;";
  4° er wordt een punt 12° /2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "12° /2 dispenserende maatregelen: maatregelen waarbij de school doelen toevoegt aan het gemeenschappelijk curriculum of de leerling vrijstelt van doelen van het gemeenschappelijk curriculum en die, waar mogelijk, vervangt door gelijkwaardige doelen, in die mate dat ofwel de doelen voor de studiebekrachtiging in functie van de finaliteit voor het betreffende structuuronderdeel ofwel de doelen voor het doorstromen naar het beoogde vervolgonderwijs of naar de arbeidsmarkt nog in voldoende mate kunnen bereikt worden;";
  5° er wordt een punt 12° /3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "12° /3 disproportionaliteit/disproportioneel: onredelijkheid van aanpassingen aangetoond na een proces van afweging met toepassing van de criteria, als vermeld in artikel 2, § 2 en § 3, van het Protocol van 19 juli 2007 betreffende het begrip redelijke aanpassingen in België krachtens de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;";
  6° er wordt een punt 14° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "14° /1 gemeenschappelijk curriculum: de goedgekeurde leerplannen die ten minste herkenbaar de doelen bevatten die noodzakelijk zijn om de eindtermen te bereiken of de ontwikkelingsdoelen na te streven en de schoolgebonden planning voor het nastreven van de vakoverschrijdende eindtermen en ontwikkelingsdoelen;";
  7° er wordt een punt 17° /3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "17° /3 leerling met specifieke onderwijsbehoeften: leerling met langdurige en belangrijke participatieproblemen die te wijten zijn aan het samenspel tussen:
  a) één of meerdere functiebeperkingen op mentaal, psychisch, lichamelijk of zintuiglijk vlak en;
  b) beperkingen bij het uitvoeren van activiteiten en;
  c) persoonlijke en externe factoren;";
  8° er wordt een punt 34° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "34° /1 preventorium: medische instelling die onder meer in residentieel verband kuurmogelijkheden biedt aan jongeren waar buitengewoon onderwijs van type 5 gegeven wordt;";
  9° er wordt een punt 36° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "36° /1 remediërende maatregelen: maatregelen waarbij de school effectieve vormen van aangepaste leerhulp verstrekt binnen het gemeenschappelijk curriculum;";
  10° er wordt een punt 44° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "44° /1 uitbreiding van zorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school de maatregelen uit de fase van verhoogde zorg onverkort verderzet en het centrum voor leerlingenbegeleiding een proces van handelingsgerichte diagnostiek opstart. Het centrum voor leerlingenbegeleiding richt zich daarbij op een uitgebreide analyse van de onderwijs- en opvoedingsbehoeften van de leerling en op de ondersteuningsbehoeften van de leerkracht(en) en ouders met het oog op het formuleren van adviezen voor het optimaliseren van het proces van afstemming van het onderwijs- en opvoedingsaanbod op de zorgvraag van de leerling. Het centrum voor leerlingenbegeleiding bepaalt in samenspraak met de school en de ouders welke bijkomende inzet van middelen, hulp of expertise, hetzij ten aanzien van de school, de leerling, al dan niet in zijn context, wense- lijk is alsook de omvang en de duur daarvan;";
  11° er wordt een punt 45° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "45° /1 verhoogde zorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school extra zorg voorziet onder de vorm van remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, afgestemd op de specifieke onderwijsbehoeften van bepaalde leerlingen, en voorafgaand aan de fase van uitbreiding van zorg;";
  12° er wordt een punt 47° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "47° /1 ziekenhuisschool: school voor buitengewoon secundair onderwijs van type 5, opleidingsvorm 4, verbonden aan een universitair ziekenhuis of een residentiële setting of een preventorium;";
  13° er wordt een punt 47° /2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "47° /2 zorgcontinuüm: opeenvolging van de fasen in de organisatie van de onderwijsomgeving van brede basiszorg, verhoogde zorg en uitbreiding van zorg;".
Art. III.2. A l'article 3 du Code de l'Enseignement secondaire, modifié en dernier lieu par le décret du 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° il est inséré un point 9° /1 rédigé comme suit :
  " 9° /1 ample encadrement de base : phase dans la continuité de l'encadrement, où l'école, à partir d'une vision de l'encadrement, stimule le développement de tous les élèves et essaye d'éviter des problèmes en offrant un environnement d'éducation vigoureux, en suivant systématiquement les élèves et en contribuant activement à la réduction des facteurs à risques et au renforcement de facteurs protecteurs ; " ;
  2° il est inséré un point 10° /2 rédigé comme suit :
  " 10° /2 mesures compensatoires : mesures par lesquelles l'école offre des moyens orthopédagogiques ou orthodidactiques, dont des moyens techniques, permettant d'atteindre les objectifs du programme d'études commun ou les objectifs étant déterminés pour l'élève après dispense ; " ;
  3° il est inséré un point 12° /1 rédigé comme suit :
  " 12° /1 mesures différenciantes : mesures par lesquelles l'école apporte, au sein du programme d'études commun, une variation restreinte dans le processus d'apprentissage, afin de mieux répondre aux besoins d'élèves individuels ou de groupes d'élèves ; " ;
  4° il est inséré un point 12° /2 rédigé comme suit :
  " 12° /2 mesures dispensatoires : mesures par lesquelles l'école ajoute des objectifs au programme d'études commun ou dispense l'élève de certains objectifs du programme d'études commun et les remplace, là où c'est possible, par des objectifs équivalents, dans la mesure où soit les objectifs pour la validation des études en fonction de la finalité de la subdivision structurelle concernée, soit les objectifs de transition à l'enseignement complémentaire envisagé ou au marché de l'emploi puissent encore être atteints dans une mesure suffisante ; " ;
  5° il est inséré un point 12° /3 rédigé comme suit :
  " 12° /3 disproportionnalité/disproportionnel : déraisonnabilité d'aménagements démontrée à l'issue d'un processus de pondération par application des critères visés à l'article 2, §§ 2 et 3, du Protocole du 19 juillet 2007 relatif au concept d'aménagements raisonnables en Belgique en vertu de la loi du 25 février 2003 tendant à lutter contre la discrimination et modifiant la loi du 15 février 1993 créant un Centre pour l'égalité des chances et de lutte contre le racisme ; " ;
  6° il est inséré un point 14° /1 rédigé comme suit :
  " 14° /1 programme d'études commun : les programmes d'études comprenant au moins de manière reconnaissable les objectifs nécessaires pour atteindre les objectifs finaux ou pour poursuivre les objectifs de développement, ainsi que le planning scolaire pour la poursuite des objectifs finaux et objectifs de développement interdisciplinaires ; " ;
  7° il est inséré un point 17° /3 rédigé comme suit :
  " 17° /3 élève à besoins éducatifs spécifiques : élève posant des problèmes de participation importants et de longue durée dus à l'interférence entre :
  a) une ou plusieurs limitations de fonctionnement de nature mentale, psychique, physique ou sensorielle et ;
  b) des limitations dans l'exécution d'activités et ;
  c) des facteurs personnels et externes ; " ;
  8° il est inséré un point 34° /1 rédigé comme suit :
  " 34° /1 préventorium : établissement médical offrant entre autres dans un contexte résidentiel des possibilités de cure à des jeunes, où il est dispensé un enseignement spécial de type 5 : " ;
  9° il est inséré un point 36° /1 rédigé comme suit :
  " 36° /1 mesures correctrices : des mesures par lesquelles l'école fournit des formes effectives d'aide adaptée à l'apprentissage au sein du programme d'études commun ; " ;
  10° il est inséré un point 44° /1 rédigé comme suit :
  " 44° /1 élargissement de l'encadrement : phase dans la continuité de l'encadrement, où l'école poursuit intégralement les mesures de la phase de l'encadrement complémentaire et où le centre d'encadrement des élèves entame un processus de diagnostic visant l'action. Le centre d'encadrement des élèves se base sur une analyse approfondie des besoins d'éducation et d'enseignement de l'élève et des besoins de soutien de la part de l'enseignant/des enseignants et des parents, en vue de formuler des avis visant à optimiser le processus d'adéquation de l'offre d'enseignement et d'éducation à la demande d'aide de l'élève. En concertation avec l'école et les parents, le centre d'encadrement des élèves détermine quel apport supplémentaire de moyens, d'aide ou d'expertise, soit à l'égard de l'école soit à l'égard de l'élève, dans son contexte ou non, est souhaitable, ainsi que l'ampleur et la durée de cet apport ; " ;
  11° il est inséré un point 45° /1 rédigé comme suit :
  " 45° /1 encadrement complémentaire : phase dans la continuité de l'encadrement, où l'école prévoit une aide supplémentaire sous forme de mesures correctrices, différenciantes, compensatoires ou dispensatoires, adaptées aux besoins éducatifs spécifiques de certains élèves, et préalablement à la phase d'élargissement de l'encadrement ; " ;
  12° il est inséré un point 47° /1 rédigé comme suit :
  " 47° /1 école hospitalière : école d'enseignement secondaire spécial de type 5, forme d'enseignement 4, rattachée à un hôpital universitaire ou une structure résidentielle ou un préventorium ; " ;
  13° il est inséré un point 47° /2 rédigé comme suit :
  " 47° /2 continuité de l'encadrement : succession des phases dans l'organisation de l'environnement éducatif au niveau d'un ample encadrement de base, d'un encadrement complémentaire et d'un élargissement de l'encadrement ; ".
Art. III.3. Het tweede lid van artikel 15, § 1, 14°, van de Codex Secundair Onderwijs wordt vervangen door:
  "Dit punt is niet van toepassing op ziekenhuisscholen.".
Art. III.3. Le deuxième alinéa de l'article 15, § 1er, 14°, du Code de l'Enseignement secondaire est remplacé par :
  " Ce point ne s'applique pas aux écoles hospitalières. ".
Art. III.4. In deel III, titel 1, hoofdstuk 5, van de Codex Secundair Onderwijs worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° afdeling 1, bestaande uit de artikelen 67 en 68, wordt opgeheven;
  2° afdeling 2 wordt afdeling 1;
  3° afdeling 3 wordt afdeling 2;
  4° afdeling 4 wordt afdeling 3.
Art. III.4. A la partie III, titre 1er, chapitre 5, du Code de l'Enseignement secondaire sont apportées les modifications suivantes :
  1° la section 1re, comportant les articles 67 et 68, est abrogée ;
  2° la section 2 devient la section 1re ;
  3° la section 3 devient la section 2 ;
  4° la section 4 devient la section 3.
Art. III.5. In artikel 110/9, § 1, derde lid, van de Codex Secundair Onderwijs, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2013, worden de woorden "in artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 juni 1978 houdende de omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs" vervangen door de woorden "in artikel 257".
Art. III.5. A l'article 110/9, § 1er, troisième alinéa, du Code de l'Enseignement secondaire, inséré par le décret du 25 novembre 2011 et modifié en dernier lieu par le décret du 19 juillet 2013, les mots " visé à l'article 11 de l'arrêté royal du 28 juin 1978 portant définition des types et organisation de l'enseignement spécial " sont remplacés par les mots " visé à l'article 257 ".
Art. III.6. Artikel 110/11 van de Codex Secundair Onderwijs, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art.110/11. § 1. Het recht op inschrijving, vermeld in artikel 110/1, § 1, geldt onverkort voor leerlingen die een gemeenschappelijk curriculum kunnen volgen met toepassing van gepaste maatregelen, zoals remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, die proportioneel zijn. Leerlingen voor wie deze aanpassingen worden toegepast, blijven in aanmerking komen voor de gewone studiebekrachtiging toegekend door de klassenraad.
  § 2. Leerlingen die beschikken over een verslag als vermeld in artikel 294 worden door een school voor gewoon onderwijs onder ontbindende voorwaarde ingeschreven. De school organiseert overleg met de ouders, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding, over de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum of om de leerling studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum.
  Indien na het overleg de school de disproportionaliteit van de aanpassingen die nodig zijn, bevestigt, wordt de inschrijving ontbonden op het moment dat deze leerling in een andere school is ingeschreven en uiterlijk 1 maand, vakantieperioden niet inbegrepen, na de kennisgeving van de bevestiging van de disproportionaliteit.
  Wanneer de school de aanpassingen wel proportioneel acht, komen deze leerlingen op dezelfde wijze als leerlingen met een gemotiveerd verslag in aanmerking voor aanvullende financiering of subsidiëring zoals van toepassing in het kader van het geïntegreerd onderwijs.
  § 3. Wanneer tijdens de schoolloopbaan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigt en de vastgestelde onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een verslag als vermeld in artikel 294 nodig is, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de ouders en het centrum voor leerlingenbegeleiding en beslist op basis daarvan en nadat het verslag werd afgeleverd, om de leerling op vraag van de ouders studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum of om de inschrijving van de leerling voor het daaropvolgende schooljaar te ontbinden.".
Art. III.6. L'article 110/11 du Code de l'Enseignement secondaire, inséré par le décret du 25 novembre 2011, est remplacé par ce qui suit :
  " Art.110/11. § 1er. Le droit à l'inscription visé à l'article 110/1, § 1er, s'applique intégralement aux élèves qui peuvent suivre le programme d'études commun par application de mesures appropriées telles que des mesures correctrices, différenciantes, compensatoires et dispensatoires, qui sont proportionnelles. Les élèves pour lesquels ces aménagements sont apportés continuent à entrer en considération pour la validation d'études ordinaire accordée par le conseil de classe.
  § 2. Les élèves qui disposent d'un rapport tel que visé à l'article 294, sont inscrits par une école d'enseignement ordinaire à condition résolutoire. L'école organise une concertation avec les parents, le conseil de classe et le centre d'encadrement des élèves au sujet des aménagements nécessaires pour que l'élève puisse suivre le programme d'études commun ou pour assurer le déroulement de ses études sur la base d'un programme adapté individuellement.
  Si, après cette concertation, l'école confirme la disproportionnalité des aménagements nécessaires, l'inscription est annulée au moment où l'élève en question est inscrit auprès d'une autre école et au plus tard dans 1 mois, périodes de vacances non comprises, de la notification de la confirmation de la disproportionnalité.
  Si par contre l'école estime que les aménagements sont proportionnels, ces élèves entrent en considération, de la même façon que les élèves au rapport motivé, pour un financement ou subventionnement complémentaire, d'application dans le cadre de l'enseignement intégré.
  § 3. Lorsqu'au cours du parcours scolaire le besoin d'aménagements change pour un élève et lorsque les besoins éducatifs constatés sont tels, qu'un rapport tel que visé à l'article 294, devient nécessaire pour l'élève, l'école organisera une concertation avec le conseil de classe, les parents et le centre d'encadrement des élèves ; elle décidera sur la base de cette concertation et après production du rapport si, à la demande des parents, le déroulement des études de l'élève se fera en suivant un programme adapté individuellement ou si l'inscription de l'élève sera dissolue à partir de l'année scolaire successive. ".
Art. III.7. In artikel 110/15, § 1, van de Codex Secundair Onderwijs, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2013, worden telkens de woorden "of 110/11" opgeheven.
Art. III.7. A l'article 110/15, § 1er, du Code de l'Enseignement secondaire, inséré par le décret du 25 novembre 2011 et modifié en dernier lieu par le décret du 19 juillet 2013, les mots " ou 110/11 " sont supprimés.
Art. III.8. In artikel 110/16 van de Codex Secundair Onderwijs, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011, wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 4. Onverminderd de toepassing van paragraaf 1 tot 3, kan de CLR het dossier aanhangig maken bij het orgaan dat in toepassing van artikel 33, § 2, van het VN-verdrag van 13 december 2006 inzake de Rechten van Personen met een Handicap en in toepassing van artikel 40 van het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijke- kansen- en gelijkebehandelingsbeleid het mandaat heeft van onafhankelijk mechanisme.".
Art. III.8. L'article 110/16 du Code de l'Enseignement secondaire, inséré par le décret du 25 novembre 2011, est complété par un paragraphe 4, rédigé comme suit :
  " § 4. Sans préjudice de l'application des paragraphes 1er à 3, la CLR peut saisir l'organisme ayant le mandat de mécanisme indépendant en application de l'article 33, § 2, de la convention du 13 décembre 2006 relative aux Droits des Personnes handicapées et en application de l'article 40 du décret du 10 juillet 2008 portant le cadre de la politique flamande de l'égalité des chances et de traitement, du dossier. ".
Art. III.9. In artikel 115, § 1, van de Codex Secundair Onderwijs, gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
  "Aan de leerlingen, vermeld in artikel 252, § 1, b), worden jaarlijks attesten van verworven bekwaamheden uitgereikt.
  Indien aan de leerlingen, vermeld in artikel 252, § 1, b), toch de reguliere studiebewijzen worden gegeven, zal voorafgaand aan de uitreiking van deze studiebewijzen, de overeenkomst van de doelen opgenomen in het individuele curriculum met de leerplandoelen van het overeenkomstige structuuronderdeel voorgelegd moeten worden aan de onderwijsinspectie.".
Art. III.9. A l'article 115, § 1er, du Code de l'Enseignement secondaire, modifié par le décret du 21 décembre 2012, le deuxième alinéa est remplacé par ce qui suit :
  "Aux élèves visés à l'article 252, § 1er, b), sont délivrées annuellement des attestations de compétences acquises.
  Si les titres réguliers sont même donnés aux élèves cités à l'article 252, § 1er, b), la concordance des objectifs repris dans le programme individuel avec les objectifs du programme d'études de la subdivision structurelle devra être soumise à l'Inspection de l'Enseignement préalablement à la délivrance de ces titres. ".
Art. III.10. In artikel 116, 3°, van de Codex Secundair Onderwijs worden de woorden "artikel 294, § 1, en in artikel 10 van het koninklijk besluit van 28 juni 1978 houdende de omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs" vervangen door de woorden "artikel 291 tot en met 295".
Art. III.10. A l'article 116, 3°, du Code de l'Enseignement secondaire, les mots " aux articles 294, § 1er, et 10 de l'arrêté royal du 28 juin 1978 portant définition des types et organisation de l'enseignement spécial et déterminant les conditions d'admission et de maintien dans les divers niveaux d'enseignement spécial " sont remplacés par les mots " aux articles 291 à 295 ".
Art. III.11. In artikel 117, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs worden tussen de woorden "een" en "ziekenhuis" de woorden "residentiële setting of een universitair" ingevoegd.
Art. III.11. A l'article 117, § 2, du Code de l'Enseignement secondaire, les mots " ou un hôpital " sont remplacés par les mots " , une structure résidentielle ou un hôpital universitaire ".
Art. III.12. In artikel 118 van de Codex Secundair Onderwijs worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de eerste paragraaf worden de woorden "Commissie van Advies voor het Buitengewoon Onderwijs" vervangen door "onderwijsinspectie";
  2° de tweede paragraaf wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. De ouders kiezen in overleg met het centrum voor leerlingenbegeleiding de dichtstbijzijnde school voor buitengewoon onderwijs van hun vrije keuze om het permanent onderwijs aan huis te organiseren. Omwille van omstandigheden eigen aan de leerling en mits omstandige motivering kan een andere school voor buitengewoon secundair onderwijs worden gekozen.".
Art. III.12. A l'article 118 du Codex de l'Enseignement secondaire sont apportées les modifications suivantes :
  1° au paragraphe premier, les mots " la " Commissie van Advies voor het Buitengewoon Onderwijs " " sont remplacés par les mots " l'Inspection de l'Enseignement " ;
  2° le deuxième paragraphe est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Les parents choisissent, en concertation avec le centre d'encadrement des élèves, l'école d'enseignement spécial la plus proche de leur libre choix qui organisera l'enseignement permanent en milieu familial. Pour cause de circonstances propres à l'élève et moyennant motivation détaillée, une autre école d'enseignement secondaire spécial peut être choisie à ce propos.
Art. III.13. In deel 3, titel 2, hoofdstuk 5, van de Codex Secundair Onderwijs wordt een artikel 123/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 123/1. § 1. Ouders zijn verplicht ervoor te zorgen dat hun leerplichtig kind daadwerkelijk onderwijs volgt, dit wil zeggen ingeschreven is in een school en er regelmatig aanwezig is, of huisonderwijs volgt.
  Voor de leerplichtige van vreemde nationaliteit geldt dit vanaf de zestigste dag na de inschrijving in het vreemdelingen- of in het bevolkingsregister.
  § 2. Indien het kind in de onmogelijkheid verkeert om onderwijs te volgen, kan de onderwijsinspectie, op vraag van de ouders, beslissen tot een tijdelijke of permanente vrijstelling van de leerplicht.".
Art. III.13. Un article 123/1, rédigé comme suit, est inséré dans la partie 3, titre 2, chapitre 5 du Codex de l'Enseignement secondaire :
  " Art. 123/1. § 1er. Les parents sont obligés de veiller à ce que leur enfant scolarisable suive réellement un enseignement, c'est à dire qu'il soit inscrit auprès d'une école et qu'il y soit régulièrement présent, ou qu'il suive l'enseignement à domicile.
  Pour l'enfant scolarisable de nationalité étrangère, cette règle s'applique à partir du soixantième jour de l'inscription dans le registre des étrangers ou de la population.
  § 2. Si l'enfant est dans l'impossibilité de suivre un enseignement, l'Inspection de l'Enseignement peut décider, à la demande des parents, de le dispenser, à titre temporaire ou permanent, de l'obligation scolaire. ".
Art. III.14. Artikel 136/2 van de Codex Secundair Onderwijs, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2011, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 136/2. De bepaling van artikel 252, § 1, a), 2), houdt ook in dat in het bijzonder voor een leerling met specifieke onderwijsbehoeften op grond van specifieke onderwijskundige argumenten de vorming van een bepaald structuuronderdeel gedurende een deel of het geheel van het schooljaar aangepast wordt door het doen van gepaste en redelijke aanpassingen, waaronder het inzetten van remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen naargelang de noden van de leerling.
  De klassenraad werkt hiervoor op een systematische, planmatige en transparante wijze samen met het centrum voor leerlingenbegeleiding en de ouders. De specifieke onderwijsbehoeften van de leerling en de ondersteuningsbehoeften van het onderwijspersoneel en de ouders staan daarbij centraal.".
Art. III.14. L'article 136/2 du Code de l'Enseignement secondaire, inséré par le décret du 1er juillet 2011, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 136/2. La disposition de l'article 252, § 1er, a), 2), implique également que notamment pour un élève à besoins éducatifs spécifiques, sur la base d'arguments didactiques spécifiques, la formation d'une subdivision structurelle déterminée est adaptée pendant une partie de l'année scolaire ou toute l'année scolaire, en apportant des aménagements appropriés et raisonnables, entre autres la prise de mesures correctrices, différenciantes, compensatoires ou dispensatoires suivant les besoins de l'élève.
  A cette fin, le conseil de classe coopère d'une manière systématique, planifiée et transparente, avec le centre d'encadrement des élèves et les parents. Les besoins éducatifs spécifiques de l'élève et les besoins de soutien du personnel enseignant et des parents y jouent un rôle central. ".
Art. III.15. In de Codex Secundair Onderwijs wordt een artikel 136/6 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 136/6. Het schoolbestuur kan op grond van specifieke onderwijskundige argumenten en met het oog op het aanbieden van meer individuele leertrajecten, beslissen om voor een leerling of leerlingengroep af te wijken van de voorwaarde, vermeld in artikel 252, § 1, a), 2), onder de volgende modaliteiten:
  1° het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van de vorming van een bepaald structuuronderdeel gedurende een deel of het geheel van het schooljaar en de vervanging door andere onderdelen die de finaliteit van het structuuronderdeel niet aantasten, mits de toelatings- of begeleidende klassenraad, naargelang van het geval, een gunstige beslissing neemt én mits akkoord van de betrokken personen, voor een leerling die onderwijsbehoeften heeft omwille van:
  a) hetzij hoogbegaafdheid, zoals vastgesteld op basis van handelingsgerichte diagnostiek van het centrum voor leerlingenbegeleiding;
  b) hetzij tijdelijke leermoeilijkheden of leerachterstanden voor een of meer vakken, die niet vallen onder de toepassing van artikel 136/2;
  2° in voorkomend geval:
  a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft en in afwijking op de vigerende regelgeving, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert;
  b) kunnen individuele vrijstellingen nooit worden verleend voor het geheel van een vak, tenzij laatstbedoeld vak wordt vervangen door het vak Nederlands;
  c) worden individuele vrijstellingen en vervangingen schriftelijk en gemotiveerd vastgelegd;
  d) doen individuele vrijstellingen en vervangingen geen afbreuk aan de studiebekrachtiging.".
Art. III.15. Dans le Code de l'Enseignement secondaire, il est inséré un article 136/6, rédigé comme suit :
  " Art. 136/6. L'autorité scolaire peut, sur la base d'arguments pédagogiques spécifiques et en vue d'offrir plus de parcours d'apprentissage individuels, décider de déroger, pour un élève ou un groupe d'élèves, à la condition visée à l'article 252, § 1er, a), 2), aux modalités suivantes :
  1° l'exemption individuelle de suivre certaines subdivisions de la formation d'une certaine subdivision structurelle pendant une partie de l'année scolaire ou l'année scolaire entière et le remplacement par d'autres subdivisions qui ne portent pas atteinte à la finalité de la subdivision structurelle, à condition que le conseil de classe d'admission ou accompagnateur, suivant le cas, prenne une décision favorable après l'accord des personnes concernées, pour un élève ayant des besoins éducatifs spécifiques en raison :
  a) soit d'une nature surdouée, constaté sur la base d'un diagnostic visant l'action et effectué par le centre d'encadrement des élèves ;
  b) soit de difficultés d'apprentissage temporaires ou de retards scolaires pour un ou plusieurs cours, ne relevant pas de l'application de l'article 136/2 ;
  2° le cas échéant :
  a) le conseil de classe d'admission se compose, pour ce qui est du personnel enseignant et par dérogation à la réglementation en vigueur, de tous les membres de la subdivision structurelle pour laquelle l'élève opte ;
  b) des exemptions individuelles ne peuvent jamais être accordées pour l'ensemble d'un cours, à moins que celui-ci soit remplacé par le cours de néerlandais ;
  c) des exemptions et remplacements individuels sont fixés par écrit et motivés ;
  d) des exemptions et remplacements individuels ne portent pas préjudice à la validation des études. ".
Art. III.16. In artikel 252, § 1, van de Codex Secundair Onderwijs worden in b) de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 2) wordt vervangen door wat volgt:
  "2) beschikken over een verslag, als bepaald in artikel 294, en het individueel aangepast curriculum dat voor hem of haar is bepaald door de klassenraad werkelijk en regelmatig volgen, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid.";
  2° punt 3) wordt opgeheven.
Art. III.16. A l'article 252, § 1er, b) du Code de l'Enseignement secondaire, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le point 2) est remplacé par la disposition suivante :
  " 2) disposer d'un rapport tel que visé à l'article 294, et suivre effectivement et régulièrement le programme adapté individuellement établi pour lui ou elle par le conseil de classe, sauf en cas d'absence justifiée. " ;
  2° le point 3) est abrogé.
Art. III.17. In artikel 253 van de Codex Secundair Onderwijs worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste streepje wordt opgeheven;
  2° in het voorlaatste streepje worden de woorden "in de ziekenhuisschool" vervangen door de woorden "in de school van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan een universitair ziekenhuis of aan een residentiële setting";
  3° in het laatste streepje wordt het woord "preventoriumschool" vervangen door de woorden "de school van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan een preventorium" en wordt de zinsnede ", wanneer hij voldoet aan de bepalingen van artikel 10 van het koninklijk besluit van 28 juni 1978 houdende de omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs" opgeheven.
Art. III.17. A l'article 253 du Code de l'Enseignement secondaire sont apportées les modifications suivantes :
  1° le premier tiret est abrogé ;
  2° à l'avant dernier tiret, les mots " dans l'école hospitalière " sont remplacés par les mots " dans l'école de la forme d'enseignement 4, type 5, rattachée à un hôpital universitaire ou une structure résidentielle " ;
  3° au dernier tiret, les mots " l'école du préventorium " sont remplacés par les mots " l'école de la forme d'enseignement 4, type 5, rattachée à un préventorium ", et le membre de phrase " , lorsqu'il satisfait aux dispositions de l'article 10 de l'arrêté royal du 28 juin 1978 portant définition des types et organisation de l'enseignement spécial et déterminant les conditions d'admission et de maintien dans les divers niveaux d'enseignement spécial " sont abrogés.
Art. III.18. In deel V, titel 1, van de Codex Secundair Onderwijs wordt het opschrift van titel 1 vervangen door wat volgt: "Titel 1. Begrippen".
Art. III.18. Dans la partie V, titre 1er, du Code de l'Enseignement secondaire, l'intitulé du titre 1er est remplacé par la disposition suivante : " Titre 1er. Définitions ".
Art. III.19. Artikel 257 van de Codex Secundair Onderwijs wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 257. Voor de toepassing van dit deel V wordt verstaan onder:
  1° klassenraad: geheel van leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het opvoedend hulppersoneel, het medisch, paramedisch, psychologisch, orthopedagogisch en sociaal personeel die voorzien in het onderwijs en de opvoeding van de leerlingen en de verantwoordelijkheid dragen voor de klas. De klassenraad wordt voorgezeten door de directeur of zijn afgevaardigde;
  2° pedagogische eenheid: leerlingen, behorende tot eenzelfde of tot verschillende types van buitengewoon onderwijs, tijdelijk of permanent gegroepeerd om opvoeding en onderwijs te krijgen aangepast aan hun onderwijsbehoeften.".
Art. III.19. L'article 257 du Code de l'Enseignement secondaire est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 257. Pour l'application de la présente partie V, on entend par :
  1° conseil de classe : l'ensemble des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel médical, paramédical, psychologique, orthopédagogique et social qui pourvoient à l'enseignement et l'éducation des élèves et qui ont la responsabilité de la classe. Le conseil de classe est présidé par le directeur ou son délégué ;
  2° unité pédagogique : les élèves appartenant au même ou à différents types d'enseignement spécial, regroupés temporairement ou en permanence pour recevoir une éducation et un enseignement adaptés à leurs besoins éducatifs. ".
Art. III.20. Artikel 258 van de Codex Secundair Onderwijs wordt opgeheven.
Art. III.20. L'article 258 du Code de l'Enseignement secondaire est abrogé.
Art. III.21. Artikel 259 van de Codex Secundair Onderwijs wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 259. § 1. Het buitengewoon secundair onderwijs wordt onderscheiden in de volgende types:
  1° type basisaanbod, voor jongeren voor wie de onderwijsbehoeften dermate zijn en aantoonbaar blijkt dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, ofwel disproportioneel, ofwel onvoldoende zijn om de leerling te kunnen blijven meenemen binnen een gemeenschappelijk curricu- lum in een school voor gewoon onderwijs;
  2° type 2, voor jongeren met een verstandelijke beperking.
  Jongeren met een verstandelijke beperking voldoen aan alle onderstaande criteria:
  a) ze hebben significante beperkingen in het intellectueel functioneren, wat op basis van een psychodiagnostisch onderzoek tot uiting komt in een totaal intelligentiequotiënt op een gestandaardiseerde en genormeerde intelligentietest kleiner of gelijk aan 60, rekening houdend met het betrouwbaarheidsinterval;
  b) ze hebben significante beperkingen in het sociale aanpassingsgedrag, wat op basis van psychodiagnostisch onderzoek tot uiting komt in een uitslag op een gestandaardiseerde en genormeerde schaal voor sociaal aanpassingsgedrag, die minstens drie standaarddeviaties beneden het gemiddelde ligt ten opzichte van een normgroep van leeftijdgenoten, rekening houdend met het betrouwbaarheidsinterval;
  c) de functioneringsproblemen zijn ontstaan vóór de leeftijd van 18 jaar;
  d) het besluit "verstandelijke beperking" wordt genomen na een periode van procesdiagnostiek;
  3° type 3, voor jongeren met een emotionele of gedragsstoornis en die geen verstandelijke beperking hebben zoals bepaald in 2°.
  Jongeren met een emotionele of gedragsstoornis zijn jongeren bij wie op basis van gespecialiseerde, door een multidisciplinair team aangeleverde diagnostiek, met inbegrip van psychiatrisch onderzoek, een van de volgende problematieken wordt vastgesteld:
  a) een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit;
  b) een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis;
  c) de gedragsstoornis in enge zin, `conduct disorder';
  d) een angststoornis;
  e) een stemmingsstoornis;
  f) een hechtingsstoornis;
  4° type 4, voor jongeren met een motorische beperking.
  Jongeren met een motorische beperking zijn jongeren bij wie op basis van specifieke medische diagnostiek, een uitval wordt vastgesteld in de neuromusculoskeletale en beweginggerelateerde functies, meer bepaald:
  a) de functies van gewrichten en beenderen;
  b) de spierfuncties, meer bepaald de spierkracht, de tonus en het uithoudingsvermogen, met gedeeltelijke of volledige uitval van:
  1) een van de of beide bovenste of onderste ledematen;
  2) de linkerzijde, de rechterzijde of beide zijden;
  3) de romp;
  4) overige;
  c) de bewegingsfuncties;
  d) een door medische diagnostiek geobjectiveerde problematiek met weerslag op het beweginggerelateerd functioneren die niet terug te brengen is tot criterium a) tot en met c) maar met een duidelijke impact op schoolse activiteiten;
  5° type 5, voor jongeren die opgenomen zijn in een universitair ziekenhuis, een residentiele setting of verblijven in een preventorium.
  De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaraan de residentiële setting moet voldoen opdat er een school voor buitengewoon onderwijs van opleidingsvorm 4, type 5, aan verbonden kan zijn.
  Jongeren in type 5 beantwoorden aan alle onderstaande voorwaarden:
  a) de medische, psychiatrische of residentiële opvang of begeleiding laat het niet toe dat de jongeren voltijds in een school aanwezig zijn;
  b) de jongeren hebben behoefte aan een individueel of geïndividualiseerd aanbod dat in de residentiële omgeving verstrekt wordt;
  6° type 6, voor jongeren met een visuele beperking.
  Jongeren met een visuele beperking zijn jongeren bij wie op basis van specifieke oogheelkundige diagnostiek een gezichtsstoornis werd vastgesteld die beantwoordt aan minstens een van de volgende criteria:
  a) een optimaal gecorrigeerde gezichtsscherpte die kleiner dan of gelijk aan 3/10 voor het beste oog is;
  b) een of meer gezichtsvelddefecten die meer dan 50% van de centrale zone van 30° beslaan of die het gezichtsveld concentrisch tot minder dan 20° verkleinen;
  c) een volledige altitudinale hemianopsie, een oftalmoplegie, een oculomotorische apraxie of een oscillopsie.
  Onder altitudinale hemianopsie wordt verstaan: halfzijdige blindheid of blindheid in de helft van het gezichtsveld met verschillende varianten die door hersenbeschadiging veroorzaakt is.
  Onder oculomotorische apraxie wordt verstaan: het niet kunnen fixeren van de ogen op één voorwerp en het niet kunnen volgen van bewegende voorwerpen.
  Onder oftalmoplegie wordt verstaan: verlamming van de oogspieren.
  Onder oscillopsie wordt verstaan: subjectieve instabiliteit van het gezichtsveld of het symptoom waarbij het beeld dat iemand van de omgeving heeft, beweegt zodra het hoofd wordt bewogen;
  d) een ernstige gezichtsstoornis die uit een geobjectiveerde cerebrale pathologie voortvloeit, zoals cerebrale visuele inperking;
  e) een door een oogarts geobjectiveerde visuele problematiek die niet tot criterium a) tot en met d) terug te brengen is, maar met een duidelijke impact op schoolse activiteiten;
  7° type 7, voor jongeren met een auditieve beperking of een spraak- of taalstoornis.
  Jongeren met een auditieve beperking zijn jongeren die, op basis van een audiologisch onderzoek door een neus-, keel- en oorarts, beantwoorden aan een van de onderstaande criteria:
  a) volgens de Fletcher-index een gemiddeld gehoorverlies hebben voor de frequenties 500, 1000 en 2000 Hz van 40 dB of meer voor het beste oor zonder correctie;
  b) als de Fletcher-index minder dan 40 dB bedraagt: een foneemscore van 80% of minder hebben bij de spraakaudiometrie met woorden met een medeklinker-klinker- medeklinker-samenstelling bij 70 dB geluidsterkte;
  c) een door een neus-, keel- en oorarts geobjectiveerde auditieve problematiek hebben die niet terug te brengen is tot criterium a) of b), maar met een duidelijke impact op schoolse activiteiten.
  Jongeren met een spraak- of taalstoornis zijn jongeren zonder een verstandelijke beperking, zoals bepaald in 2°, waarvoor, op basis van een multidisciplinair onderzoek door een erkend gespecialiseerd team, met minstens een logopedist, audioloog en neus-, keel- en oorarts, een diagnose ontwikkelingsdysfasie of kinderafasie wordt vastgesteld;
  8° type 9, voor jongeren met een autismespectrumstoornis en die geen verstandelijke beperking hebben zoals bepaald in 2°.
  Jongeren met een autismespectrumstoornis zijn jongeren bij wie op basis van gespecialiseerde, door een multidisciplinair team aangeleverde diagnostiek, met inbegrip van psychiatrisch onderzoek, een van de volgende problematieken wordt vastgesteld:
  a) de autistische stoornis;
  b) een pervasieve ontwikkelingsstoornis niet-anders-omschreven.
  § 2. Het buitengewoon secundair onderwijs wordt onderscheiden in de volgende opleidingsvormen, waarin telkens bepaalde types afzonderlijk of gezamenlijk kunnen worden georganiseerd:
  1° opleidingsvorm 1, gericht op maatschappelijk functioneren en participeren in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is en in voorkomend geval op arbeidsdeelname in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is. Jongeren met een verslag voor type 2, 3, 4, 6, 7 en 9 kunnen inschrijven in opleidingsvorm 1;
  2° opleidingsvorm 2, gericht op maatschappelijk functioneren en participeren in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is en op tewerkstelling in een werkomgeving waar in ondersteuning voorzien is. Jongeren met een verslag voor type 2, 3, 4, 6, 7 en 9 kunnen inschrijven in opleidingsvorm 2;
  3° opleidingsvorm 3, gericht op maatschappelijk functioneren en participeren en op tewerkstelling in het gewone arbeidsmilieu. Jongeren met een verslag voor type basisaanbod, 3, 4, 6, 7 en 9 kunnen inschrijven in opleidingsvorm 3;
  4° opleidingsvorm 4, gericht op maatschappelijk functioneren en participeren, al dan niet in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is, en op het aanvatten, binnen de context van het gemeenschappelijk curriculum, van vervolgonderwijs of op tewerkstelling in het gewone arbeidsmilieu, al dan niet met ondersteuning. Jongeren met een verslag voor type 3, 4, 5, 6, 7 en 9 kunnen inschrijven in opleidingsvorm 4.
  § 3. De Vlaamse Regering legt diagnostische protocollen vast voor de oriëntering naar de types als vermeld in § 1, 2° tot 8°.
  § 4. Een inschrijving in het type basisaanbod buitengewoon onderwijs is maximaal geldig tot het einde van de opleidingsfase. Op dit moment volgt een evaluatie door de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding.
  Wanneer de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding op basis van deze evaluatie beslissen dat de aanpassingen, waaronder het inzetten van remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen ofwel disproportioneel, ofwel onvoldoende zullen zijn om de leerling een gemeenschappelijk curriculum te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs en een verder verblijf in het basisaanbod nodig is, bevestigt het centrum voor leerlingenbegeleiding dit door de opmaak van een nieuw verslag, als vermeld in artikel 294, dat de inschrijving verlengt tot het einde van de kwalificatiefase en ook de inschrijving mogelijk maakt in de facultatieve integratiefase.
  Wanneer de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding op basis van de evaluatie beslissen dat de aanpassingen, waaronder het inzetten van remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen wel proportioneel of voldoende zullen zijn om de leerling een gemeenschappelijk curriculum te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs dan:
  1° ondersteunen de school voor buitengewoon onderwijs en het centrum voor leerlingenbegeleiding de ouders bij het vinden van een school voor gewoon onderwijs waar de leerling kan ingeschreven worden;
  2° maken de betrokken scholen, de centra voor leerlingenbegeleiding en de ouders afspraken in functie van een vlotte overgang van de leerling van de school voor buitengewoon onderwijs naar de school voor gewoon onderwijs;
  3° ontvangt de leerling een studiebekrachtiging van de opleidingsfase van de klassenraad van de school voor buitengewoon secundair onderwijs.".
Art. III.21. L'article 259 du Code de l'Enseignement secondaire est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 259. § 1er. Dans l'enseignement secondaire spécial, il y a lieu de distinguer les types suivants :
  1° type offre de base, destiné aux jeunes dont les besoins éducatifs sont tels et pour lesquels il s'avère que les aménagements, dont des mesures correctrices, différenciantes, compensatoires ou dispensatoires sont soit disproportionnels, soit insuffisants, pour pouvoir continuer à assurer pour l'élève un programme d'études commun dans une école d'enseignement ordinaire ;
  2° type 2, destiné aux jeunes atteints d'un handicap mental.
  Les jeunes atteints d'un handicap mental satisfont à tous les critères ci-dessous :
  a) ils sont significativement limités dans leur fonctionnement intellectuel, ce qui se manifeste, sur la base d'un examen psychodiagnostique, dans un quotient intellectuel total inférieur ou égal à 60 sur un test d'intelligence standardisé et normé, compte tenu de l'intervalle de fiabilité ;
  b) ils sont significativement limités dans leur comportement d'adaptation sociale, ce qui se manifeste sur la base d'un examen psychodiagnostique dans un résultat à une échelle standardisée et normée de comportement d'adaptation sociale se trouvant à au moins trois déviations standard au-dessous de la moyenne par rapport à un groupe de référence de compagnons d'âge, compte tenu de l'intervalle de fiabilité ;
  c) les problèmes de fonctionnement se sont manifestés avant l'âge de 18 ans ;
  d) la décision " handicap mental " est prise après une période de diagnostic du processus ;
  3° type 3, destiné aux jeunes atteints d'un trouble émotionnel ou du comportement n'ayant pas de handicap mental tel que visé au point 2°.
  Des jeunes atteints d'un trouble émotionnel ou du comportement sont des jeunes chez lesquels une des problématiques suivantes est constatée sur la base d'un diagnostic spécialisé, en ce compris un examen psychiatrique, établi par une équipe multidisciplinaire :
  a) un trouble de déficit de l'attention avec hyperactivité ;
  b) un trouble du comportement oppositionnel avec provocation ;
  c) un trouble du comportement au sens strict, " conduct disorder " ;
  d) un trouble d'anxiété ;
  e) un trouble de l'humeur ;
  f) un trouble de l'attachement ;
  4° type 4, destiné aux jeunes atteints d'un handicap moteur.
  Des jeunes atteints d'un handicap moteur sont des jeunes chez lesquels il est constaté, sur la base d'un diagnostic médical spécifique, une défaillance des fonctions neuro-musculo-squelettiques et liées aux mouvements, notamment :
  a) les fonctions des articulations et os ;
  b) les fonctions musculaires, notamment la force musculaire, le tonus et la résistance, avec une défaillance partielle ou totale :
  1) d'un ou des deux membres supérieurs ou inférieurs ;
  2) du côté gauche, du côté droit ou des deux côtés ;
  3) du tronc ;
  4) autres ;
  c) les fonctions motrices ;
  d) une problématique objectivée par un diagnostic médical ayant une répercussion sur le fonctionnement lié aux mouvements et ne pouvant être ramenée aux critères a) à c) inclus, mais avec un impact manifeste sur les activités scolaires ;
  5° type 5, destiné aux jeunes admis dans un hôpital universitaire, une structure résidentielle ou séjournant dans un préventorium.
  Le Gouvernement fixe les conditions auxquelles la structure résidentielle doit satisfaire pour qu'une école d'enseignement spécial de la forme d'enseignement 4 type 5 puisse y être rattachée.
  Les jeunes de type 5 satisfont à toutes les conditions mentionnées ci-après :
  a) l'accueil ou l'accompagnement médical, psychiatrique ou résidentiel n'admet pas la présence à temps plein des jeunes à l'école ;
  b) les jeunes ont besoin d'une offre individuelle ou individualisée qui soit dispensée dans l'environnement résidentiel ;
  6° type 6, destiné aux jeunes atteints d'un handicap visuel.
  Des jeunes atteints d'un handicap visuel sont des jeunes chez lesquels il a été constaté, sur la base d'un diagnostic oculochirurgical spécifique, un trouble de la vue répondant à au moins un des critères suivants :
  a) une acuité visuelle optimalement corrigée inférieure ou égale à 3/10 au meilleur oeil ;
  b) une ou plusieurs défaillances du champ visuel occupant plus de 50 % de la zone centrale de 30° ou réduisant le champ visuel de façon concentrique à moins de 20° ;
  c) une hémianopsie altitudinale complète, une ophtalmoplégie, une apraxie oculomotrice ou une oscillopsie.
  Par hémianopsie altitudinale il faut entendre : cécité unilatérale ou cécité dans la moitié du champ visuel avec différentes variantes, causée par un endommagement cérébral.
  Par apraxie oculomotrice il faut entendre : ne fait de ne pas pouvoir fixer les yeux sur un seul objet et de ne pas pouvoir suivre des objets mouvants.
  Par ophtalmoplégie il faut entendre : paralysie des muscles oculaires.
  Par oscillopsie il faut entendre : instabilité subjective du champ visuel ou symptôme de voir bouger l'environnement, lorsqu'on bouge la tête ;
  d) un sérieux trouble visuel résultant d'une pathologie cérébrale objectivée, telle qu'une limitation visuelle cérébrale ;
  e) une problématique visuelle objectivée par un ophtalmologue, ne pouvant pas être ramenée aux critères a) à d) inclus, mais avec un impact manifeste sur les activités scolaires ;
  7° type 7, destiné aux jeunes atteints d'un handicap auditif ou souffrant d'un trouble du langage ou linguistique.
  Des jeunes atteints d'un handicap auditif sont des jeunes qui, sur la base d'un examen audiologique effectué par un médecin spécialiste en oto rhino laryngologie, répondent aux critères visés ci-dessous :
  a) avoir, selon l'indice de Fletcher, une perte auditive moyenne pour les fréquences 500, 1000 et 2000 Hz ou plus à la meilleure oreille sans correction ;
  b) si l'indice de Fletcher indique moins de 40 dB : obtenir un score phonémique de 80% ou moins lors d'une audiométrie vocale avec des mots composés de consonne-voyelle-consonne à un volume sonore de 70 dB ;
  c) une problématique auditive objectivée par un médecin spécialiste en oto rhino laryngologie, ne pouvant être ramenée au critère a) ou b), mais avec un impact manifeste sur les activités scolaires.
  Des jeunes souffrant d'un trouble du langage ou linguistique sont des jeunes sans handicap mental tel que visé au point 2°, chez lesquels est constaté, sur la base d'un examen multidisciplinaire effectué par une équipe spécialisée agréée comprenant au moins un logopède, un audiologue et un médecin spécialiste en oto rhino laryngologie, une diagnose dysphasie de développement ou aphasie enfantine ;
  8° type 9, destiné aux jeunes souffrant de troubles du spectre d'autisme et n'ayant pas de handicap mental tel que visé au point 2°.
  Des jeunes souffrant de troubles du spectre d'autisme sont des jeunes chez lesquels une des problématiques suivantes est constatée sur la base d'un diagnostic spécialisé, en ce compris un examen psychiatrique, établi par une équipe multidisciplinaire :
  a) le trouble autistique ;
  b) un trouble envahissant du développement non spécifié.
  § 2. L'enseignement secondaire spécial est réparti dans les suivantes formes d'enseignement ; dans chacune de celles-ci, certains types peuvent être organisés à part ou conjointement :
  1° forme d'enseignement 1, axée sur le fonctionnement et la participation sociaux dans un environnement pourvu d'un encadrement et, le cas échéant, axée sur une participation au marché de l'emploi dans un environnement où il est pourvu en un encadrement. Les jeunes en possession d'un rapport pour le type 2, 3, 4, 6, 7 et 9 peuvent s'inscrire à la forme d'enseignement 1 ;
  2° forme d'enseignement 2, axée sur le fonctionnement et la participation sociaux dans un environnement pourvu d'un encadrement et sur une participation au marché de l'emploi dans un environnement professionnel où il est pourvu en un encadrement. Les jeunes en possession d'un rapport pour le type 2, 3, 4, 6, 7 et 9 peuvent s'inscrire à la forme d'enseignement 2 ;
  3° forme d'enseignement 3, axée sur le fonctionnement et la participation sociaux et sur une mise à l'emploi dans un milieu de travail commun Les jeunes en possession d'un rapport pour le type offre de base, 3, 4, 6, 7 et 9 peuvent s'inscrire à la forme d'enseignement 3 ;
  4° forme d'enseignement 4, axée sur le fonctionnement et la participation sociaux, éventuellement dans un environnement pourvu d'un encadrement, et visant à entamer, au sein du programme d'études commun, un enseignement complémentaire ou un emploi dans un milieu de travail commun, avec ou sans assistance. Les jeunes en possession d'un rapport pour le type 3, 4, 5, 6, 7 et 9 peuvent s'inscrire à la forme d'enseignement 4.
  § 3. Le Gouvernement flamand établit des protocoles diagnostiques pour l'orientation vers les types tels que visés au § 1er, 2° à 8°.
  § 4. Une inscription dans le type offre de base enseignement spécial est maximalement valable jusque la fin de la phase de formation. Cet instant est suivi d'une évaluation par le conseil de classe et le centre d'encadrement des élèves.
  Si le conseil de classe et le centre d'encadrement des élèves décident, au vu de cette évaluation, que les aménagements, dont la prise de mesures correctrices, différenciantes, compensatoires ou dispensatoires seront soit disproportionnels, soit insuffisants, pour pouvoir assurer pour l'élève un programme d'études commun dans une école d'enseignement ordinaire et qu'il est nécessaire de continuer à suivre l'offre de base, le centre d'encadrement des élèves confirme cette conclusion dans un nouveau rapport, tel que visé à l'article 294, qui prolonge l'inscription jusque la fin de la phase de formation et permet l'inscription dans la phase facultative d'intégration.
  Si le conseil de classe et le centre d'encadrement des élèves décident, au vu de l'évaluation, que les aménagements, dont la prise de mesures correctrices, différenciantes, compensatoires ou dispensatoires, seront effectivement proportionnels ou suffisants pour permettre à l'élève de suivre le programme d'études commun dans une école d'enseignement ordinaire :
  1° l'école d'enseignement spécial et le centre d'encadrement des élèves appuient les parents dans la recherche d'une école d'enseignement ordinaire où l'élève puisse être inscrit ;
  2° les écoles concernées, les centres d'encadrement des élèves et les parents concluent les accords nécessaires en fonction d'un passage aisé de l'élève de l'école d'enseignement spécial à l'école d'enseignement ordinaire ;
  3° il est octroyé par le conseil de classe de l'école d'enseignement secondaire spécial une validation des études de la phase de formation à l'élève. ".
Art. III.22. Artikel 260 van de Codex Secundair Onderwijs wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 260. De klassenraad, bijgestaan door het centrum voor leerlingenbegeleiding, brengt voor iedere leerling gemotiveerd advies uit bij de overgang van de ene opleidingsvorm naar de andere, maar het centrum voor leerlingenbegeleiding beslist over een eventuele wijziging van het verslag.
  De klasvorming en de vorming van de pedagogische eenheden gebeurt eveneens door de klassenraad, bijgestaan door het centrum voor leerlingenbegeleiding, rekening houdend met de mogelijkheden en de onderwijs- en opvoedingsbehoeften van de leerlingen.".
Art. III.22. L'article 260 du Code de l'Enseignement secondaire est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 260. Le conseil de classe, appuyé par le centre d'encadrement des élèves, émet pour chaque élève un avis motivé lors du passage d'une forme de formation à une autre, mais le centre d'encadrement des élèves statue sur une éventuelle modification du rapport.
  La formation des classes et des unités pédagogiques se fait également par le conseil de classe, assisté par le centre d'encadrement des élèves, tout en tenant compte des possibilités et des besoins en formation et en éducation des élèves. ".
Art. III.23. Artikel 261 van de Codex Secundair Onderwijs wordt opgeheven.
Art. III.23. L'article 261 du Code de l'Enseignement secondaire est abrogé.
Art. III.24. In artikel 263, § 1, van de Codex Secundair Onderwijs worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerst lid wordt het woord "overleg" vervangen door het woord "samenspraak" en worden na het woord "ouders" de woorden "en de leerling" ingevoegd;
  2° het laatste lid wordt vervangen door wat volgt:
  "De ontwikkelingsdoelen worden bepaald enerzijds voor opleidingsvorm 1 en 2 en anderzijds voor opleidingsvorm 3.".
Art. III.24. A l'article 263, § 1er, du Code de l'Enseignement secondaire sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans l'alinéa premier, le mot " concertation " est remplacé par le mot " accord " et les mots " et l'élève " sont insérés après les mots " les parents " ;
  2° le dernier alinéa est remplacé par ce qui suit :
  " Les objectifs de développement sont définis pour les formes d'enseignement 1 et 2 d'une part et pour la forme d'enseignement 3 d'autre part. ".
Art. III.25. In artikel 266, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs, gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2013, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het derde en het vierde lid worden telkens de woorden "gewoon secundair onderwijs" vervangen door de woorden "gewoon of buitengewoon secundair onderwijs" en worden telkens de woorden "van andere types van het buitengewoon secundair onderwijs" opgeheven;
  2° in het laatste lid worden de woorden "indien mogelijk met diegene die het ouderlijk gezag over de betrokken leerling uitoefent" vervangen door de woorden "zo mogelijk in samenspraak met de ouders en de leerling".
Art. III.25. A l'article 266, § 2, du Code de l'Enseignement secondaire, modifié par le décret du 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° aux troisième et quatrième alinéas, les mots " de l'enseignement secondaire ordinaire " sont chaque fois remplacés par les mots " de l'enseignement secondaire ordinaire ou spécial ", et les mots " d'autres types de l'enseignement secondaire spécial " sont chaque fois abrogés ;
  2° au dernier alinéa, les mots " si possible, avec la personne qui exerce l'autorité parentale sur l'élève concerné " sont remplacés par les mots " si possible, en accord avec les parents et l'élève ".
Art. III.26. In artikel 268 van de Codex Secundair Onderwijs worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden 1° tot en met 3° alsook 5° en het laatste lid van 6° opgeheven;
  2° in paragraaf 1, 4°, worden de woorden "in functie van zijn opvoedingsbehoeften" vervangen door de woorden ", behoudens in geval van gewettigde afwezigheid";
  3° in paragraaf 1 worden 4° en 6° hernummerd tot 1° en 2° ;
  4° in paragraaf 2 worden de woorden "dit besluit" vervangen door de woorden "deze afdeling".
Art. III.26. A l'article 268 du Code de l'Enseignement secondaire sont apportées les modifications suivantes :
  1° au paragraphe 1er, les points 1° à 3°, ainsi que le point 5° et le dernier alinéa du point 6° sont abrogés ;
  2° au paragraphe 1er, 4°, les mots " en fonction de ses besoins éducatifs " sont remplacés par les mots " , sauf en cas d'absence justifiée " ;
  3° au paragraphe 1er, les points 4° et 6° sont renumérotés 1° et 2° ;
  4° au paragraphe 2, les mots " du présent arrêté " sont remplacés par les mots " de la présente section ".
Art. III.27. In artikel 271 van de Codex Secundair Onderwijs worden de woorden "en het koninklijk besluit van 28 juni 1978 houdende de omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs" opgeheven.
Art. III.27. A l'article 271 du Code de l'Enseignement secondaire, les mots " et à l'arrêté royal du 28 juin 1978 portant définition des types et organisation de l'enseignement spécial et déterminant les conditions d'admission et de maintien dans les divers niveaux d'enseignement spécial " sont abrogés.
Art. III.28. Artikel 272 en 273 van de Codex Secundair Onderwijs worden opgeheven.
Art. III.28. Les articles 272 et 273 du Code de l'Enseignement secondaire sont abrogés.
Art. III.29. In artikel 274 van de Codex Secundair Onderwijs wordt een paragraaf 4 ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 4. Voorafgaand aan de vrijwillige fusie per 1 september, dient het schoolbestuur uiterlijk op 1 mei, een melding in bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten. Bij een gedwongen fusie dient het schoolbestuur uiterlijk op 30 september voorafgaand aan de gedwongen fusie per 1 oktober een melding in bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten.".
Art. III.29. L'article 274 du Code de l'Enseignement secondaire est complété par un paragraphe 4, rédigé comme suit :
  " § 4. Préalablement à la fusion volontaire au 1er septembre, l'autorité scolaire en fait notification à l'Agentschap voor Onderwijsdiensten, au plus tard le 1er mai. En cas d'une fusion forcée, l'autorité scolaire en fait notification à l'Agentschap voor Onderwijsdiensten, au plus tard le 30 septembre avant la fusion forcée.
Art. III.30. Artikel 275 van de Codex Secundair Onderwijs wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 275. Een school die ontstaat uit fusie kan verschillende vestigingsplaatsen hebben.".
Art. III.30. L'article 275 du Code de l'Enseignement secondaire est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 275.
Art. III.31. In artikel 276 van de Codex Secundair Onderwijs wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Deze bepaling is niet van toepassing op ziekenhuisscholen.".
Art. III.31. A l'article 276, § 1er, du Code de l'Enseignement secondaire, il est ajouté un deuxième alinéa, rédigé comme suit :
  " Cette disposition ne s'applique pas aux écoles hospitalières. ".
Art. III.32. In artikel 277 van de Codex Secundair Onderwijs worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Voor de ziekenhuisscholen wordt de datum bepaald in artikel 271 gelijkgesteld aan de periode van 12 maanden die voorafgaat aan 1 oktober van het jaar waarin het betrokken schooljaar een aanvang neemt en de berekeningswijze gebaseerd op de gemiddelde aanwezigheid van de regelmatige leerlingen.";
  2° paragraaf 4 wordt opgeheven en de paragrafen 5 en 6 worden hernummerd tot paragrafen 4 en 5.
Art. III.32. A l'article 277 du Code de l'Enseignement secondaire sont apportées les modifications suivantes :
  au paragraphe 1er, il est ajouté un deuxième alinéa, rédigé comme suit :
  " Pour les écoles hospitalières, la date fixée à l'article 271 est assimilée à la période de 12 mois préalable au 1er octobre de l'année dans laquelle l'année scolaire concernée commence et le mode de calcul est basé que la présence moyenne des élèves réguliers. ".
  2° le paragraphe 4 est abrogé et les paragraphes 5 et 6 sont renumérotés paragraphes 4 et 5.
Art. III.33. In artikel 281 van de Codex Secundair Onderwijs worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt het woord "opleidingen" vervangen door de woorden "opleidingen of samenhangende gehelen van opleidingen" en wordt het woord "opleiding" vervangen door de woorden "opleiding of samenhangend geheel van opleidingen";
  2° in paragraaf 1 wordt in de eerste rij in de tabel het woord "opleidingsvorm" vervangen door het woord "opleiding of samenhangend geheel van opleidingen";
  3° in paragraaf 3 wordt het woord "opleidingen" vervangen door de woorden "opleidingen of samenhangende gehelen van opleidingen";
  4° er wordt een nieuwe paragraaf 4 ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 4. Gedurende de periode van omvorming van de in de vroegere structuur georganiseerde opleidingen naar de nieuwe structuur van opleidingen en de samenhangende gehelen van opleidingen worden de bevolkingsminima van de opleidingen berekend door de leerlingen van de oude opleidingen samen te tellen met die van de correspon- derende nieuwe opleidingen of het nieuwe samenhangend geheel van opleidingen.".
Art. III.33. A l'article 281 du Code de l'Enseignement secondaire sont apportées les modifications suivantes :
  1° au paragraphe 1er, le mot " formations " est remplacé par les mots " formations ou d'ensembles cohérents de formations " et le mot " formation " est remplacé par les mots " et une formation supplémentaire " sont remplacés par les mots " et une formation ou un ensemble cohérent de formations " ;
  2° au paragraphe 1er, dans la première rangée du tableau, le mot " formations " est remplacé par les mots " formation ou ensemble cohérent de formations " ;
  3° au paragraphe 3, le mot " formations " est remplacé par les mots " formations ou ensembles cohérents de formations " ;
  4° il est inséré un nouveau paragraphe 4, rédigé comme suit :
  " § 4. Pendant la période de transformation des formations organisées dans l'ancienne structure en la nouvelle structure de formations et d'ensembles cohérents de formations, les minima de population des formations sont calculés en additionnant les élèves des anciennes formations à ceux des nouvelles formations ou du nouvel ensemble cohérent de formations. ".
Art. III.34. In artikel 282 van de Codex Secundair Onderwijs wordt het woord "opleiding" vervangen door de woorden "opleiding of samenhangend geheel van opleidingen".
Art. III.34. A l'article 282 du Code de l'Enseignement secondaire, les mots " de la formation " sont remplacés par les mots " de la formation ou de l'ensemble cohérent de formations ".
Art. III.35. In artikel 283 van de Codex Secundair Onderwijs wordt telkens na het woord "provincie" de woorden "of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad" ingevoegd.
Art. III.35. A l'article 283 du Code de l'Enseignement secondaire, les mots " ou dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale " sont chaque fois insérés après le mot " province ".
Art. III.36. In artikel 285 van de Codex Secundair Onderwijs wordt het woord "opleidingen" vervangen door de woorden "opleidingen of samenhangend geheel van opleidingen".
Art. III.36. A l'article 285 du Code de l'Enseignement secondaire, les mots " les formations " sont remplacés par les mots " les formations ou l'ensemble cohérent de formations ".
Art. III.37. In artikel 286 van de Codex Secundair Onderwijs worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° er wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 4. In afwijking van paragraaf 1 kan een schoolbestuur die een nieuwe school wil oprichten met enkel opleidingsvorm 4 dit eveneens doen.";
  2° er wordt een paragraaf 5 en een paragraaf 6 toegevoegd, die luiden als volgt:
  " § 5. In aanvulling op paragraaf 1 tot en met paragraaf 4 moet een schoolbestuur dat een nieuwe school wil oprichten een oprichtingsdossier indienen. Dit oprichtingsdossier moet ten minste voldoen aan onderstaande kwaliteitsvoorwaarden:
  1° het schoolbestuur is verantwoordelijk voor het indienen van het dossier;
  2° het dossier bevat een omgevingsanalyse die de noodzaak, de doelmatigheid en de leefbaarheid van het programmatievoorstel motiveert. Bij de omgevingsanalyse wordt, waar dit voor de betrokken schoolpopulatie relevant is, de link met eventuele aangepaste begeleidingsmogelijkheden, met inbegrip van schoolexterne begeleidingsmogelijkheden voor jongeren met bijkomende zorgbehoeften, expliciet behandeld. Bij een programmatievoorstel voor opleidingsvorm 4, met uitzondering van type 5, moet er een samenwerkingsovereenkomst met ten minste één school voor gewoon voltijds secundair onderwijs met een breed studieaanbod in de buurt voorgelegd kunnen worden. Er moet telkens advies voorgelegd worden over deze samenwerkingsovereenkomst tussen één of meerdere scholen van gewoon voltijds secundair onderwijs en de nieuwe school. Het advies komt tot stand na overleg binnen de schoolraad en na overleg of na onderhandeling in het bevoegde lokaal comité in een of meerdere scholen van gewoon voltijds secundair onderwijs.
  Voor de opleiding van de leerlingen in deze opleidingsvorm wordt, na de eventuele programmatie, indien mogelijk en wenselijk, samengewerkt met deze scho(o)l(en) van gewoon voltijds secundair onderwijs, zoals bedoeld in artikel 136/1;
  3° de school moet beschikken over de vereiste infrastructurele en materiële voorzieningen op gebied van toegankelijkheid en hulpmiddelen nodig voor de nieuwe school;
  4° de inspanningen rond professionalisering van het team met betrekking tot de nieuwe school worden in het dossier weergegeven.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de inhoud en de vorm van het oprichtingsdossier en over de wijze waarop de kwaliteitsvoorwaarden worden beoordeeld.
  § 6. De oprichting vanaf 1 september van een nieuwe school kan pas na een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering.
  Het schoolbestuur stuurt daartoe uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag met het oprichtingsdossier aan AgODi, dat de aanvraag voor administratief-technisch en inhoudelijk advies aan de Vlaamse Onderwijsraad bezorgt.
  In afwijking van het voorgaande lid, kunnen voor de oprichting vanaf 1 september 2015 van type 9 gemotiveerde aanvragen bij AgODi ingediend worden tot uiterlijk 1 juli 2014.
  De Vlaamse Regering neemt deze beslissing na advies van de Vlaamse Onderwijsraad over de gegrondheid van de lokale behoefte aan extra aanbod en na advies van AgODi en de onderwijsinspectie.".
Art. III.37. A l'article 286 du Code de l'Enseignement secondaire sont apportées les modifications suivantes :
  1° il est ajouté un paragraphe 4, rédigé comme suit :
  " § 4. Par dérogation au paragraphe 1er, une autorité scolaire qui souhaite créer une nouvelle école avec uniquement la forme d'enseignement 4 peut le faire également. " ;
  2° il est ajouté un paragraphe 5 et un paragraphe 6, rédigés comme suit :
  " § 5. En complément des paragraphes 1er à 4, une autorité scolaire désirant créer une nouvelle école doit introduire à cet effet un dossier de création. Ce dossier de création doit au moins répondre aux normes de qualité reprises ci-dessous :
  1° L'autorité scolaire est responsable de l'introduction du dossier ;
  2° le dossier reprend une analyse de l'environnement motivant la nécessité, l'efficacité et la viabilité de la proposition de programmation. Dans l'analyse de l'environnement, le lien avec d'éventuelles possibilités d'accompagnement adapté, y compris des possibilités d'accompagnement extra-muros pour les jeunes à besoins complémentaires d'aide, est explicitement traité, si nécessaire pour la population scolaire intéressée. Lorsqu'une proposition de programmation est faite pour la forme d'enseignement 4, à l'exception du type 5, un accord de coopération avec au moins une école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plain voisine proposant une ample offre d'études doit pouvoir être produit. Il faut chaque fois produire un avis au sujet de cet accord de coopération entre une ou plusieurs écoles d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et la nouvelle école. L'avis est pris après concertation au sein du conseil de classe et après concertation ou après négociation au sein du comité local compétent dans une ou plusieurs écoles d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein.
  Pour la formation des élèves dans cette forme d'enseignement, il est coopéré, après la programmation éventuelle, si possible et souhaitable, avec l'école/les écoles d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, tel que prévu à l'article 136/1 ;
  3° l'école doit disposer des structures infrastructurelles et matérielles requises en matière d'accessibilité et d'aides requises pour la nouvelle école ;
  4° les efforts de professionnalisation de l'équipe quant à la nouvelle école figurent dans le dossier.
  Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités relatives au contenu et à la forme du dossier de création et au mode d'évaluation des normes de qualité.
  § 6. La création à partir du 1er septembre d'une nouvelle école n'est possible qu'après une décision favorable du Gouvernement flamand.
  A cet effet, l'autorité scolaire adresse, le 30 novembre de l'année scolaire précédente au plus tard, une demande motivée assortie du dossier de création, à AgODi, qui remet la demande pour avis administratif-technique et de fond au Conseil flamand de l'Enseignement.
  Par dérogation à l'alinéa précédent, des demandes motivées peuvent être introduites auprès d'AgODi jusqu'au 1er juillet 2014 au plus tard pour la création à partir du 1er septembre 2015 d'un type 9.
  Le Gouvernement flamand prend cette décision après avoir pris l'avis du Conseil flamand de l'Enseignement sur le bien-fondé du besoin local d'offre supplémentaire et après l'avis d'AgODi et de l'Inspection de l'Enseignement.
Art. III.38. Artikel 287 van de Codex Secundair Onderwijs wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 287. § 1. Elke school die voldoet aan de rationalisatienormen, bepaald bij de artikelen 276 tot en met 278 mag één of meer vestigingsplaatsen oprichten.
  § 2. In de vestigingsplaatsen bedoeld in paragraaf 1 kunnen uitsluitend al in de school georganiseerde of in de toelageregeling opgenomen opleidingsvormen, opleidingen of samenhangende gehelen van opleidingen en types worden opgericht, tenzij er nieuwe opleidingsvormen, opleidingen of samenhangende gehelen van opleidingen en types worden opgericht.
  § 3. Onverminderd de bepalingen in paragraaf 1 en paragraaf 2 kan een school van opleidingsvorm 4, type 5, pas een nieuwe vestigingsplaats oprichten na goedkeuring door de Vlaamse Regering.".
Art. III.38. L'article 287 du Code de l'Enseignement secondaire est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 287. § 1er. Toute école satisfaisant aux normes de rationalisation fixées par les articles 276 à 278, est autorisée à créer une ou plusieurs implantations.
  § 2. Dans les implantations visées au paragraphe 1er, seules les formes d'enseignement, formations ou ensembles cohérents de formations et de types déjà organisés ou subventionnés dans l'école peuvent être créés, à moins que de nouvelles formes d'enseignement, formations ou ensembles cohérents de formations et de types y soient créés. ".
  § 3. Sans préjudice des dispositions des paragraphes 1er et 2, une école de la forme d'enseignement, type 5, ne peut créer une nouvelle implantation que moyennant l'approbation du Gouvernement flamand. ".
Art. III.39. Artikel 288 van de Codex Secundair Onderwijs wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 288. In afwijking van artikel 286 is de financiering of subsidiering van een school voor buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 4, type 5, op 1 september 2014 mogelijk, zonder een bijkomende programmatie of programmatienorm, op voorwaarde dat deze school van opleidingsvorm 4, type 5:
  1° ofwel gehecht is aan een universitair ziekenhuis, en daar tot 31 augustus 2014 een secundaire afdeling was van een school voor buitengewoon basisonderwijs type 5;
  2° ofwel gehecht is aan een residentiële setting, die valt onder toepassing van artikel 289/1.".
Art. III.39. L'article 288 du Code de l'Enseignement secondaire est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 288. Par dérogation à l'article 286, le financement ou le subventionnement d'une école d'enseignement secondaire spécial du type 5 dans la forme d'enseignement 4 est possible au 1er septembre 2014, sans une programmation ou norme de programmation supplémentaire, à condition que cette école de la forme d'enseignement 4, type 5 :
  1° soit soit rattachée à un hôpital universitaire, et y formait une section secondaire d'une école d'enseignement fondamental spécial de type 5 ;
  2° soit soit rattachée à une structure résidentielle relevant de l'application de l'article 289/1. ".
Art. III.40. In artikel 289 van de Codex Secundair Onderwijs worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, 3°, wordt het woord "opleiding" telkens vervangen door de woorden "opleiding of samenhangend geheel van opleidingen" en wordt het woord "laatste" vervangen door het woord "laagste";
  2° in paragraaf 1, 4°, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) het woord "opleiding" wordt vervangen door de woorden "opleiding of samenhangend geheel van opleidingen";
  b) er wordt een nieuw laatste lid ingevoegd dat luidt als volgt:
  "Omvormingen van een bestaande opleidingsvorm naar opleidingsvorm 4, zoals voorzien in de punten 1° en 2° van deze paragraaf zijn slechts mogelijk indien een school een samenwerkingsovereenkomst kan voorleggen met ten minste één school voor gewoon voltijds secundair onderwijs met een breed studieaanbod in de buurt. Voor de opleiding van de leerlingen in deze opleidingsvorm wordt, indien mogelijk en wenselijk, samengewerkt met deze scho(o)len van gewoon voltijds secundair onderwijs, zoals bedoeld in artikel 136/1.";
  3° in paragraaf 2 wordt na het woord "provincie" de woorden "of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad" ingevoegd en wordt het eerste streepje opgeheven;
  4° in paragraaf 3 wordt het woord "opleiding" telkens vervangen door de woorden "opleiding of samenhangend geheel van opleidingen" en wordt het woord "opleidingen" vervangen door de woorden "opleidingen of samenhangend geheel van opleidingen";
  5° er wordt een paragraaf 4, ter vervanging van de huidige paragraaf 4, en een paragraaf 5 toegevoegd, die luiden als volgt:
  " § 4. In aanvulling op paragraaf 1, 5° en 6°, en paragraaf 2, moet een schoolbestuur dat één of meer nieuwe opleidingsvormen wil oprichten een oprichtingsdossier indienen.
  Dit oprichtingsdossier moet ten minste voldoen aan onderstaande kwaliteitsvoorwaarden:
  1° het schoolbestuur is verantwoordelijk voor het indienen van het dossier na overleg binnen de schoolraad en na overleg of na onderhandeling in het lokaal comité;
  2° het dossier bevat een omgevingsanalyse die de noodzaak, de doelmatigheid en de leefbaarheid van het programmatievoorstel motiveert. Bij de omgevingsanalyse wordt, waar dit voor de betrokken schoolpopulatie relevant is, de link met eventuele aangepaste begeleidingsmogelijkheden, met inbegrip van schoolexterne begeleidingsmogelijkheden voor jongeren met bijkomende zorgbehoeften, expliciet behandeld. Bij een programmatievoorstel voor opleidingsvorm 4, met uitzondering van type 5, moet er een samenwerkingsovereenkomst met ten minste één school voor gewoon voltijds secundair onderwijs met een breed studieaanbod in de buurt voorgelegd kunnen worden. Er moet telkens advies voorgelegd worden over deze samenwerkingsovereenkomst tussen één of meerdere scholen van gewoon voltijds secundair onderwijs en de school met de nieuwe opleidingsvorm 4. Het advies komt tot stand na overleg binnen de schoolraad en na overleg of na onderhandeling in het bevoegde lokaal comité in een of meerdere scholen van gewoon voltijds secundair onderwijs. Voor de opleiding van de leerlingen in deze opleidingsvorm wordt, na de eventuele programmatie, indien mogelijk en wenselijk, samengewerkt met deze scho(o)l(en) van gewoon voltijds secundair onderwijs, zoals bedoeld in artikel 136/1.
  Dit punt is niet van toepassing indien het programmatievoorstel valt onder toepassing van paragraaf 2. Voor een programmatievoorstel voor opleidingsvorm 4, onder toepassing van paragraaf 2, is een samenwerkingsovereenkomst, zoals hierboven vermeld, wel verplicht;
  3° de school moet beschikken over de vereiste infrastructurele en materiële voorzieningen op gebied van toegankelijkheid en hulpmiddelen nodig voor de nieuwe opleidingsvorm(en);
  4° de reeds bestaande expertise of de inspanningen rond professionalisering van het team met betrekking tot het nieuwe opleidingsvorm(en) worden in het dossier weergegeven.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de inhoud en de vorm van het oprichtingsdossier en over de wijze waarop de kwaliteitsvoorwaarden worden beoordeeld.
  § 5. De oprichting vanaf 1 september van één of meer nieuwe opleidingsvormen kan pas na een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering.
  Het schoolbestuur stuurt daartoe uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag met het oprichtingsdossier aan AgODi, dat de aanvraag voor administratief-technisch en inhoudelijk advies aan de Vlaamse Onderwijsraad bezorgt. Dit advies wordt niet gevraagd aan de Vlaamse Onderwijsraad indien het pro- grammatievoorstel valt onder toepassing van paragraaf 2.
  In afwijking van het voorgaande lid, kunnen voor de oprichting vanaf 1 september 2015 van type 9 gemotiveerde aanvragen bij AgODi ingediend worden tot uiterlijk 1 juli 2014.
  De Vlaamse Regering neemt deze beslissing na advies van de Vlaamse Onderwijsraad over de gegrondheid van de lokale behoefte aan extra aanbod en na advies van AgODi en de onderwijsinspectie. Het advies van de Vlaamse Onderwijsraad is geen element in deze beslissing indien het programmatievoorstel valt onder toepassing van paragraaf 2.".
Art. III.40. A l'article 289 du Code de l'Enseignement secondaire sont apportées les modifications suivantes :
  1° au paragraphe 1er, 3°, le mot " formation " est chaque fois remplacé par les mots " formation ou ensemble cohérent de formations " et le mot " dernière " est remplacé par le mot " première " ;
  2° au paragraphe 1er, 4° sont apportées les modifications suivantes :
  a) les mots " cette formation est organisée " sont remplacés par les mots " cette formation ou cet ensemble cohérent de formations sont organisés " ;
  b) il est inséré un nouveau dernier alinéa, rédigé comme suit :
  " Des transformations d'une forme d'enseignement existante en la la forme d'enseignement 4, telles que prévues aux points 1° et 2° du présent paragraphe ne sont possibles que si une école peut produire un accord de coopération avec au moins une école d'enseignement secondaire à temps plein voisine proposant une ample offre d'études. Pour la formation des élèves dans cette forme d'enseignement, il est coopéré, si possible et souhaitable avec cette école/ces écoles d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, tel que prévu à l'article 136/1. " ;
  3° au paragraphe 2, les mots " ou dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale " sont insérés après le mot " province " et le premier tiret est abrogé ;
  4° au paragraphe 3, le mot " formation " est chaque fois remplacé par les mots " formations ou d'ensembles cohérents de formations " et le mot " formation " est remplacé par les mots " et une formation supplémentaire " sont remplacés par les mots " formation ou un ensemble cohérent de formations " ;
  5° il est ajouté un paragraphe 4 en remplacement du paragraphe 4 actuel et un paragraphe 5, rédigés comme suit :
  " § 4. En complément du paragraphe 1er, 5° et 6°, et du paragraphe 2, une autorité scolaire désirant créer une ou plusieurs nouvelles formes d'enseignement doit introduire à cet effet un dossier de création.
  Ce dossier de création doit au moins répondre aux normes de qualité reprises ci-dessous :
  1° l'autorité scolaire est responsable de l'introduction du dossier après concertation au sein du conseil scolaire et après concertation ou négociation au sein du comité local ;
  2° le dossier reprend une analyse de l'environnement motivant la nécessité, l'efficacité et la viabilité de la proposition de programmation. Dans l'analyse de l'environnement, le lien avec d'éventuelles possibilités d'accompagnement adapté, y compris des possibilités d'accompagnement extra-muros pour les jeunes à besoins complémentaires d'aide, est explicitement traité, si nécessaire pour la population scolaire intéressée. Lorsqu'une proposition de programmation est faite pour la forme d'enseignement 4, à l'exception du type 5, un accord de coopération avec au moins une école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plain voisine proposant une ample offre d'études doit pouvoir être produit. Il faut chaque fois produire un avis au sujet de cet accord de coopération entre une ou plusieurs écoles d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et l'école organisant la nouvelle forme d'enseignement 4. L'avis est pris après concertation au sein du conseil de classe et après concertation ou après négociation au sein du comité local compétent dans une ou plusieurs écoles d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein. Pour la formation des élèves dans cette forme d'enseignement, il est coopéré, après la programmation éventuelle, si possible et souhaitable, avec l'école/les écoles d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, tel que prévu à l'article 136/1.
  Le présent point n'est pas d'application si la proposition de programmation relève de l'application du paragraphe 2. Un accord de coopération tel que visé ci-dessus est obligatoire pour une proposition de programmation pour la forme d'enseignement 4 relevant de l'application du paragraphe 2 ;
  3° l'école doit disposer des structures infrastructurelles et matérielles requises en matière d'accessibilité et d'aides requises pour la/les nouvelle(s) forme(s) d'enseignement ;
  4° l'expertise déjà existante ou les efforts de professionnalisation de l'équipe quant à la/les nouvelle(s) forme(s) d'enseignement figurent dans le dossier.
  Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités relatives au contenu et à la forme du dossier de création et au mode d'évaluation des normes de qualité.
  § 5. La création à partir du 1er septembre d'une ou de plusieurs nouvelles formes d'enseignement n'est possible qu'après une décision favorable du Gouvernement flamand.
  A cet effet, l'autorité scolaire adresse, le 30 novembre de l'année scolaire précédente au plus tard, une demande motivée assortie du dossier de création, à AgODi, qui remet la demande pour avis administratif-technique et de fond au Conseil flamand de l'Enseignement. Un tel avis n'est pas demandé au Conseil flamand de l'Enseignement si la proposition de programmation relève de l'application du paragraphe 2.
  Par dérogation à l'alinéa précédent, des demandes motivées peuvent être introduites auprès d'AgODi jusqu'au 1er juillet 2014 au plus tard pour la création à partir du 1er septembre 2015 d'un type 9.
  Le Gouvernement flamand prend cette décision après avoir pris l'avis du Conseil flamand de l'Enseignement sur le bien-fondé du besoin local d'offre supplémentaire et après l'avis d'AgODi et de l'Inspection de l'Enseignement. L'avis du Conseil flamand de l'Enseignement ne constitue pas un élément dans cette décision, si la proposition de programmation relève de l'application du paragraphe 2. ".
Art. III.41. In de Codex Secundair Onderwijs wordt een artikel 289/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 289/1. In afwijking van artikel 289 kan een op 31 augustus 2014 bestaande school van buitengewoon secundair met opleidingsvorm 1, type 4, die verbonden is aan een revalidatiecentrum, per 1 september 2014 de gehele opleidingsvorm 1, type 4, omvormen tot een opleidingsvorm 4, type 5. Het schoolbestuur meldt dit uiterlijk op 1 juli 2014 aan AgODi.".
Art. III.41. Dans le Code de l'Enseignement secondaire, il est inséré un article 289/1, rédigé comme suit :
  " Art. 289/1. Par dérogation à l'article 289, une école d'enseignement secondaire spécial organisant la forme d'enseignement 1, type 4, existante au 31 août 2014 et rattachée à un centre de réadaptation fonctionnelle, peut transformer l'entière forme d'enseignement 1, type 4, à partir du 1er septembre 2014, en la forme d'enseignement 4, type 5. L'autorité scolaire en informe AgODi le 1er juillet 2014 au plus tard. ".
Art. III.42. In artikel 290 van de Codex Secundair Onderwijs, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt de zinsnede "en 2013-2014" telkens vervangen door de zinsnede ", 2013-2014 en 2014-2015".
Art. III.42. A l'article 290 du Code de l'Enseignement secondaire, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, le membre de phrase " et 2013-2014 " est remplacé par le membre de phrase " , 2013-2014 et 2014-2015 ".
Art. III.43. In de Codex Secundair Onderwijs wordt een artikel 290/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 290/1. § 1. In afwijking van de artikelen 286 en 289 wordt de oprichting van een nieuwe type ook als een programmatie beschouwd.
  De school hertelt op de datum, vermeld in artikel 271, indien er effectief leerlingen van het nieuwe type zijn op die datum en voldaan is aan de voorwaarden bepaald in paragraaf 2.
  Indien simultaan een nieuwe school wordt opgericht met dit nieuwe type, moet voor de oprichting van dit nieuwe type voldaan zijn aan de voorwaarden, bepaald in paragraaf 2 van dit artikel en voor de oprichting van de school voldaan zijn aan de voorwaarden van artikel 286.
  Indien simultaan een nieuwe opleidingsvorm of een nieuwe opleiding wordt opgericht met dit nieuwe type, moet voor de oprichting van dit nieuwe type voldaan zijn aan de voorwaarden, bepaald in paragraaf 2 van dit artikel en voor de oprichting van de opleidingsvorm en de opleiding voldaan zijn aan de voorwaarden van artikel 289.
  § 2. In een school of opleidingsvorm kan een nieuw type worden opgericht als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1° het schoolbestuur dient een programmatiedossier in dat ten minste voldoet aan onderstaande kwaliteitsvoorwaarden:
  a) het schoolbestuur dient het dossier in na overleg binnen de schoolraad en in de wettelijk voorziene overlegorganen met het personeel;
  b) het dossier bevat een omgevingsanalyse die de noodzaak, de doelmatigheid en de leefbaarheid van het programmatievoorstel motiveert. Bij de omgevingsanalyse wordt, waar dit voor de betrokken schoolpopulatie relevant is, de link met eventuele aangepaste verblijfmogelijkheden, met inbegrip van schoolexterne begeleidingsmo- gelijkheden voor jongeren met bijkomende zorgbehoeften, expliciet behandeld;
  c) de school moet beschikken over de vereiste infrastructurele en materiële voorzieningen op gebied van toegankelijkheid en hulpmiddelen nodig voor het nieuwe type;
  d) de reeds bestaande expertise of de inspanningen rond professionalisering van het team met betrekking tot het nieuwe type worden in het dossier weergegeven.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de inhoud en de vorm van het programmatiedossier en over de wijze waarop de kwaliteitsvoorwaarden worden beoordeeld;
  2° de oprichting vanaf 1 september van het nieuwe type kan pas na een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering.
  Het schoolbestuur stuurt daartoe uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag met het programmatiedossier aan AgODi, dat de aanvraag voor advies aan de Vlaamse Onderwijsraad bezorgt.
  In afwijking van het voorgaande lid, kunnen voor de oprichting vanaf 1 september 2015 van type 9 gemotiveerde aanvragen bij AgODi ingediend worden tot uiterlijk 1 juli 2014.
  De Vlaamse Regering neemt deze beslissing na advies van de Vlaamse Onderwijsraad over de gegrondheid van de lokale behoefte aan extra aanbod en na advies van AgODi en de onderwijsinspectie.
  § 3. De scholen voor buitengewoon secundair onderwijs die tijdens het schooljaar 2014- 2015 een aanbod type 1 aanboden, bieden vanaf 1 september 2015 het basisaanbod aan als vermeld in artikel 259, § 1, 1°. Dit wordt niet beschouwd als een herstructurering.".
Art. III.43. Dans le Code de l'Enseignement secondaire, il est inséré un article 290/1, rédigé comme suit :
  " Art. 290/1. § 1er. Par dérogation aux articles 286 et 289, la création d'un nouveau type est également considérée comme une programmation.
  L'école effectue un nouveau comptage à la date visée à l'article 271, s'il y a effectivement des élèves du nouveau type à cette date et si les conditions fixées au paragraphe 2 sont remplies.
  S'il est simultanément créé une nouvelle école avec ce nouveau type, les conditions fixées au paragraphe 2 du présent article doivent être remplies pour la création du nouveau type, tandis que pour la création de l'école, les conditions de l'article 286 doivent être remplies.
  S'il est simultanément créé une nouvelle forme d'enseignement ou une nouvelle formation avec ce nouveau type, les conditions fixées au paragraphe 2 du présent article doivent être remplies pour la création de ce nouveau type, tandis que pour la création de la forme d'enseignement et de la formation, les conditions de l'article 289 doivent être remplies.
  § 2. Un nouveau type peut être créé dans une école ou forme d'enseignement, si les conditions suivantes sont remplies :
  1° l'autorité scolaire introduit un dossier de programmation qui répond au moins aux normes de qualité reprises ci-dessous :
  a) l'autorité scolaire introduit le dossier après concertation au sein du conseil scolaire et dans les organes de concertation légalement prévus avec le personnel ;
  b) le dossier reprend une analyse de l'environnement motivant la nécessité, l'efficacité et la viabilité de la proposition de programmation. Dans l'analyse de l'environnement, le lien avec d'éventuelles possibilités de séjour adaptées, y compris des possibilités d'accompagnement extra-muros pour les jeunes à besoins complémentaires d'aide, est explicitement traité, si nécessaire pour la population scolaire intéressée ;
  c) l'école doit disposer des structures infrastructurelles et matérielles requises en matière d'accessibilité et d'aides requises pour le nouveau type ;
  d) l'expertise déjà existante ou les efforts de professionalisation de l'équipe quant au nouveau type figurent dans le dossier.
  Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités relatives au contenu et à la forme du dossier de programmation et au mode d'évaluation des normes de qualité ;
  2° la création à partir du 1er septembre du nouveau type n'est possible qu'après une décision favorable du Gouvernement flamand.
  A cet effet, l'autorité scolaire adresse, le 30 novembre de l'année scolaire précédente au plus tard, une demande motivée assortie du dossier de programmation, à AgODi, qui remet la demande pour avis au Conseil flamand de l'Enseignement.
  Par dérogation à l'alinéa précédent, des demandes motivées peuvent être introduites auprès d'AgODi jusqu'au 1er juillet 2014 au plus tard pour la création à partir du 1er septembre 2015 d'un type 9.
  Le Gouvernement flamand prend cette décision après avoir pris l'avis du Conseil flamand de l'Enseignement sur le bien-fondé du besoin local d'offre supplémentaire et après l'avis d'AgODi et de l'Inspection de l'Enseignement.
  § 3. Les écoles d'enseignement secondaire spécial qui offraient le type 1 pendant l'année scolaire 2014-2015, offrent à partir du 1er septembre 2015 l'offre de base telle que visée à l'article 259, § 1er, 1°. Ceci n'est pas considéré comme une restructuration. ".
Art. III.44. In artikel 292 van de Codex Secundair Onderwijs worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid en in 2° wordt telkens het woord "inschrijvingsverslag" vervangen door het woord "verslag";
  2° in 3° worden de woorden "recht hebben op een afwijking zoals bepaald in artikel 293" vervangen door de woorden "voldoen aan de bepalingen van één van de paragrafen van artikel 293".
Art. III.44. A l'article 292 du Code de l'Enseignement secondaire sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa premier et au point 2°, les mots " rapport d'inscription " sont remplacés par le mot " rapport " ;
  2° au 3°, les mots " ont droit à une dérogation telle que visée à l'article 293 " sont remplacés par les mots " remplissent les dispositions d'un des paragraphes de l'article 293 ".
Art. III.45. Artikel 293 van de Codex Secundair Onderwijs, gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2011, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 293. § 1. Een klassenraad van een leerling aangewezen op opleidingsvorm 1 of opleidingsvorm 2, kan, indien zij hiertoe een schriftelijke verlengingsaanvraag krijgt van de betrokken personen, een leerling na het schooljaar waarin hij de leeftijd van eenentwintig jaar heeft bereikt telkens voor één schooljaar verder laten genieten van het buitengewoon onderwijs in functie van het behalen van het attest. Dit is mogelijk indien er voor deze leerling uit opleidingsvorm 1 of opleidingsvorm 2 geen plaats is in een voorziening van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, niettegenstaande een expliciete vraag hiertoe door de betrokken personen en dit blijkt uit de verlengingsaanvraag van de betrokken personen. Dit is eveneens mogelijk indien er geen plaats is voor deze leerling uit opleidingsvorm 1 of opleidingsvorm 2 in de post-schoolse opvangmogelijkheden op gebied van tewerkstelling, en deze opvang geweigerd is, niettegenstaande een expliciete vraag hiertoe door de betrokken personen en dit blijkt uit de verlengingsaanvraag van de betrokken personen. Deze verlengingsaanvraag moet uiterlijk op 1 september voorgelegd worden aan de klassenraad. De klassenraad dient uitspraak te doen over deze aanvraag ten laatste op 15 september van het schooljaar waarop de verlenging van toepassing is.
  Een klassenraad kan deze verlengingsaanvraag, vermeld in het vorige lid, ofwel accepteren ofwel weigeren. De klassenraad dient bij de eventuele toekenning van een verlenging voorrang te geven aan de leerlingen met een eerste aanvraag voor verlenging op leerlingen met een tweede of een nog verdere verlengingsaanvraag. Leerlingen waarover de klassen- raad een positieve beslissing neemt, voldoen aan de toelatingsvoorwaarden inzake leeftijd, leerlingen waarover een negatieve beslissing wordt genomen, voldoen niet aan deze voorwaarden.
  De beslissing met betrekking tot de verlengingsaanvraag wordt in voorkomend geval besproken met de voorziening waar de leerling residentieel verblijft, vooraleer deze wordt meegedeeld aan de betrokken personen.
  § 2. In afwijking van de voorgaande paragraaf worden de personen die voldoen aan één van de voorwaarden, vermeld in deze paragraaf, door de klassenraad van rechtswege toegelaten tot het buitengewoon secundair onderwijs na de leeftijd van eenentwintig jaar:
  1° een leerling, aangewezen op opleidingsvorm 3 of 4, die nog ten hoogste twee schooljaren nodig heeft na het schooljaar waarin hij de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt, voor het behalen van een getuigschrift van opleidingsvorm 3 of het diploma van secundair onderwijs in opleidingsvorm 4 of het getuigschrift van alternerende beroepsoplei- ding;
  2° een leerling, aangewezen op opleidingsvorm 1, 2, 3 of 4, die ingevolge ziekte of ongeval in de loop van het gewoon of het buitengewoon secundair onderwijs een handicap of een bijkomende handicap heeft opgelopen als gevolg waarvan zich een ernstige regressie heeft voorgedaan en waarvoor de termijn waarbinnen de studie zal beëindigd zijn duidelijk is aangegeven;
  3° een persoon met een handicap van meer dan eenentwintig jaar die voor het eerst in het buitengewoon secundair onderwijs wenst ingeschreven te worden, als deze persoon door een ongeval of ziekte hem overkomen in aanmerking kan komen voor een beroepsopleiding of training in compenserende vaardigheden in het buitengewoon secundair onderwijs.
  § 3. In afwijking van de voorgaande paragrafen kunnen de leerlingen, die toegelaten worden tot het geïntegreerd onderwijs op basis van een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs of die toegelaten worden tot het geïntegreerd onderwijs op basis van paragraaf 2 van artikel 110/11, ook na de leeftijd van eenentwintig jaar van rechtswege genieten van de voordelen van het geïntegreerd onderwijs.".
Art. III.45. L'article 293 du Code de l'Enseignement secondaire, modifié par le décret du 1er juillet 2011, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 293. § 1er. Le conseil de classe d'un élève orienté vers la forme d'enseignement 1 ou 2 peut, s'il reçoit à cet effet une demande écrite de prolongation de la part des personnes concernées, continuer à faire bénéficier de l'enseignement spécial en fonction de l'obtention de l'attestation, un élève après l'année scolaire dans laquelle il a atteint l'âge de vingt-et-un ans, et ce chaque fois pour une année scolaire. Ceci est possible s'il n'y pas de place pour cet élève de la forme d'enseignement 1 ou 2 dans une structure de la Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, nonobstant une demande explicite à cet effet par les personnes concernées, et que cela résulte de la demande de prolongation des personnes concernées. Ceci est également possible s'il n'y a pas de place pour cet élève de la forme d'enseignement 1 ou 2 dans les possibilités d'accueil postscolaire au niveau de l'occupation, et si cet accueil a été refusé, nonobstant une demande explicite à cet effet par les personnes concernées, et que cela résulte de la demande de prolongation des personnes concernées. Cette demande de prolongation doit être soumise au conseil de classe le 1er septembre au plus tard. Le conseil de classe doit se prononcer sur cette demande au plus tard le 15 septembre de l'année scolaire à laquelle s'applique la prolongation.
  Un conseil de classe peut soit accepter soit refuser cette demande de prolongation visée à l'alinéa précédent. Lors de l'octroi éventuel d'une prolongation, le conseil de classe doit donner la priorité aux élèves introduisant une première demande de prolongation, avant les élèves faisant l'objet d'une deuxième ou même d'une suivante demande de prolongation. Les élèves pour lesquels le conseil de classe prend une décision positive, remplissent les conditions d'admission en matière d'âge, les élèves pour lesquels une décision négative est prise ne remplissent pas ces conditions.
  Le cas échéant, la décision relative à la demande de prolongation est discutée avec la structure résidentielle où l'élève réside, avant qu'elle ne soit communiquée aux personnes concernées.
  § 2. Par dérogation au paragraphe précédent, les personnes remplissant une des conditions mentionnées au présent paragraphe, sont admises d'office par le conseil de classe à l'enseignement secondaire spécial après l'âge de vingt-et-un ans :
  1° un élève orienté vers la forme d'enseignement 3 ou 4, qui a encore besoin tout au plus de deux années scolaires après l'année scolaire pendant laquelle il atteint l'âge de vingt-et-un ans pour obtenir un certificat de la forme d'enseignement 3 ou le diplôme de l'enseignement secondaire dans la forme d'enseignement 4 ou le certificat de formation professionnelle en alternance ;
  2° un élève orienté vers la forme d'enseignement 1, 2, 3 ou 4, qui, par suite d'une maladie ou d'un accident, a été atteint au cours de l'enseignement secondaire ordinaire ou spécial d'un handicap ou d'un handicap supplémentaire après quoi une régression sévère est survenue et pour qui le délai dans lequel il terminera ses études est clairement indiqué ;
  3° une personne handicapée âgée de plus de vingt-et-un ans qui souhaite s'inscrire pour la première fois dans l'enseignement secondaire spécial, si cette personne, en raison d'un accident ou d'une maladie, peut entrer en ligne de compte pour une formation professionnelle ou un training axé sur l'apprentissage d'aptitudes compensatoires dans l'enseignement secondaire spécial.
  § 3. Par dérogation aux paragraphes précédents, les élèves admis à l'enseignement intégré sur la base d'un rapport droit d'inscription enseignement spécial ou admis à l'enseignement intégré sur la base du paragraphe 2 de l'article 110/11, peuvent également bénéficier de plein droit des avantages de l'enseignement intégré après l'âge de vingt-et-un ans. ".
Art. III.46. In deel V, titel 2, hoofdstuk 2, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codex Secundair Onderwijs wordt het opschrift van onderafdeling 2 vervangen door wat volgt:
  "Onderafdeling 2. Verslag en attest".
Art. III.46. Dans la partie V, titre 2, chapitre 2, section 1re, sous-section 2, du Code de l'Enseignement secondaire, l'intitulé de la sous-section 2 est remplacé par la disposition suivante :
  " Sous-section 2. Rapport et attestation ".
Art. III.47. Artikel 294 van de Codex Secundair Onderwijs, gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2011, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 294. § 1. Voor de toelating van een leerling tot een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde school voor buitengewoon onderwijs van opleidingsvorm 4, type 5, is een attest vereist, dat uitgereikt is ofwel door de behandelende geneesheer van de medische of psychiatrische voorziening ofwel door de directeur van de residentiële set- ting. De Vlaamse Regering bepaalt wat het attest moet inhouden.
  § 2. Voor de toelating van een leerling tot een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde school voor buitengewoon secundair onderwijs is een verslag van centrum voor leerlingenbegeleiding vereist, opgesteld met inachtname van artikel 37 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, waaruit blijkt:
  1° voor een inschrijving in opleidingsvorm 1, 2 of 3:
  a) dat de fasen van het zorgcontinuüm voor de betreffende leerling werden doorlopen, tenzij de school in uitzonderlijke omstandigheden kan motiveren dat het doorlopen van een bepaalde fase niet relevant is;
  b) dat met toepassing van de principes van artikel 136/2 de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende en dispenserende maatregelen die nodig zijn om de leerling binnen een gemeenschappelijk curriculum te blijven meenemen, ofwel disproportioneel, ofwel onvoldoende zijn;
  c) dat de onderwijsbehoeften van de leerling werden omschreven met toepassing van een classificatiesysteem dat wetenschappelijk onderbouwd is en gebaseerd is op een interactionele visie en een sociaal model van handicap;
  d) dat de onderwijsbehoeften van de leerling niet louter toe te schrijven zijn aan een gelijkekansenindicator van de leerling als bepaald in artikel 225, § 1, 1°, 4° en 5° ;
  e) welk type en welke opleidingsvorm voor de leerling van toepassing is, als bepaald in artikel 259, § 1, 1° tot 8°, en § 2, 1° tot 3° ;
  2° voor een inschrijving in opleidingsvorm 4, met uitzondering van type 5:
  a) dat de fasen van het zorgcontinuüm voor de betreffende leerling werden doorlopen, tenzij de school in uitzonderlijke omstandigheden kan motiveren dat het doorlopen van een bepaalde fase niet relevant is;
  b) dat met toepassing van de principes van artikel 136/2 de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende en dispenserende maatregelen, die nodig zijn om de leerling binnen een gemeenschappelijk curriculum te blijven mee- nemen binnen de context van een gewone school disproportioneel zijn;
  c) dat de inzet van paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch of orthopedagogisch personeel in een gespecialiseerde onderwijsomgeving noodzakelijk is om de onderwijsdoelen te bereiken;
  d) dat de onderwijsbehoeften van de leerling werden omschreven met toepassing van een classificatiesysteem dat wetenschappelijk onderbouwd is en gebaseerd is op een interactionele visie en een sociaal model van handicap;
  e) dat de onderwijsbehoeften van de leerling niet louter toe te schrijven zijn aan een gelijkekansenindicator van de leerling als bepaald in artikel 225, § 1, 1°, 4° en 5° ;
  f) welk type voor de leerling van toepassing is, als bepaald in artikel 259, § 1, 3° tot 8°, met uitzondering van 5°.
  § 3. Voor een leerling die overgaat van het buitengewoon basisonderwijs naar het buitengewoon secundair onderwijs of die voor het eerst naar school gaat en wil starten in het buitengewoon secundair onderwijs moet in afwijking van § 1, 1°, a) en b), en § 1, 2°, a) en b), worden aangetoond dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende en dispenserende maatregelen, disproportioneel of onvoldoende zullen zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum in een school voor gewoon onderwijs.
  § 4. Het verslag bestaat uit een attest en een protocol ter verantwoording. De Vlaamse Regering bepaalt wat het verslag moet inhouden.
  § 5. Een leerling kan alleen het buitengewoon onderwijs volgen van de opleidingsvorm en het type waarnaar hij in het verslag georiënteerd wordt, met uitzondering van de leerlingen van opleidingsvorm 4, type 5.
  § 6. Voor leerlingen die tijdens het schooljaar 2014-2015 ingeschreven waren in een school voor buitengewoon onderwijs geldt paragraaf 1 alleen bij wijziging van onderwijsniveau, van type of van opleidingsvorm.
  § 7. Wanneer niet meer voldaan is aan de voorwaarden van § 1, 1°, b) en c), of § 1, 2°, b), c) en d), kan het centrum voor leerlingenbegeleiding op eigen initiatief, op vraag van de ouders of op vraag van de school het verslag opheffen.
  § 8. Bij onenigheid tussen ouders, school en centrum voor leerlingenbegeleiding over het afleveren van het verslag kan, op initiatief van een van de betrokken partijen, een beroep gedaan worden op een Vlaamse Bemiddelingscommissie.
  De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling, de bevoegdheden en de werkingsprincipes van deze commissie.".
Art. III.47. L'article 294 du Code de l'Enseignement secondaire, modifié par le décret du 1er juillet 2011, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 294. § 1er. L'admission d'un élève à une école d'enseignement spécial de la forme d'enseignement 4, type 5, financée ou subventionnée par la Communauté flamande est subordonnée à la production d'une attestation délivrée soit par le médecin traitant de la structure médicale ou psychiatrique soit par le directeur de la structure résidentielle. Le Gouvernement flamand détermine le contenu de l'attestation.
  § 2. L'admission d'un élève à une école d'enseignement secondaire spécial financée ou subventionnée par la Communauté flamande est subordonnée à un rapport du centre d'encadrement des élèves, établi conformément à l'article 37 du décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élèves, dont il ressort :
  1° pour une inscription dans la forme d'enseignement 1, 2 ou 3 :
  a) que les phases de la continuité de l'encadrement ont été parcourues pour l'élève intéressé, à moins que l'école ne puisse motiver dans des circonstances exceptionnelles qu'il n'est pas pertinent de parcourir une phase déterminée;
  b) que par application des principes de l'article 136/2, les aménagements, dont des mesures correctrices, différenciantes, compensatoires et dispensatoires sont soit disproportionnels, soit insuffisants, pour pouvoir continuer à assurer pour l'élève un programme d'études commun ;
  c) que les besoins éducatifs de l'élève ont été définis par application du système de classification scientifiquement fondé et basé sur une vision interactionnelle et un modèle social du handicap ;
  d) que les besoins éducatifs de l'élève ne sont pas simplement dus à un indicateur d'égalité des chances de l'élève, tel que défini à l'article 225, § 1er, 1°, 4° et 5° ;
  e) quel est le type et quelle est la forme d'enseignement s'appliquant à l'élève, tel que visé à l'article 259, § 1er, 1° à 8°, et § 2, 1° à 3° ;
  2° pour une inscription dans la forme d'enseignement 4, à l'exception du type 5 :
  (a) que les phases de la continuité de l'encadrement ont été parcourues pour l'élève intéressé, à moins que l'école ne puisse motiver dans des circonstances exceptionnelles qu'il n'est pas pertinent de parcourir une phase déterminée;
  (b) que par application des principes de l'article 136/2, les aménagements, dont des mesures correctrices, différenciantes, compensatoires et dispensatoires sont disproportionnels pour pouvoir continuer à assurer pour l'élève un programme d'études commun dans le contexte d'une école ordinaire ;
  (c) que l'engagement de personnel paramédical, social, médical, psychologique ou orthopédagogique dans un environnement éducatif spécialisé est nécessaire pour atteindre les objectifs pédagogiques ;
  (d) que les besoins éducatifs de l'élève ont été définis par application du système de classification scientifiquement fondé et basé sur une vision interactionnelle et un modèle social du handicap ;
  (e) que les besoins éducatifs de l'élève ne sont pas simplement dus à un indicateur d'égalité des chances de l'élève, tel que défini à l'article 225, § 1er, 1°, 4° et 5° ;
  (f) quel est le type s'appliquant à l'élève, tel que visé à l'article 259, § 1er, 3° à 8°, à l'exception de 5°.
  § 3. Pour un élève qui passe de l'enseignement fondamental spécial à l'enseignement secondaire spécial ou qui fréquente l'école pour la première fois et qui veut suivre l'enseignement secondaire spécial, il faut, par dérogation au § 1er, 1°, a) et b), et au § 1er, 2°, a) et b), démontrer que les aménagements, dont des mesures correctrices, différenciantes, compensatoires et dispensatoires, seront soit disproportionnels soit insuffisants pour pouvoir assurer pour l'élève un programme d'études commun dans une école d'enseignement ordinaire.
  § 4. Le rapport comprend une attestation et un protocole justificatif. Le Gouvernement flamand détermine le contenu du rapport.
  § 5. Un élève peut uniquement fréquenter l'enseignement spécial de la forme d'enseignement et du type vers lesquels il est orienté dans le rapport, à l'exception des élèves de la forme d'enseignement 4, type 5.
  § 6. Pour ce qui est des élèves inscrits pendant l'année scolaire 2014-2015 à une école d'enseignement spécial, le paragraphe 1er s'applique uniquement en cas d'une modification de niveau d'enseignement, de type ou de forme d'enseignement.
  § 7. Si les conditions du § 1er, 1°, b) et c), ou § 1er, 2°, b), c) et d) ne sont plus remplies, le centre d'encadrement des élèves peut, d'initiative, sur demande des parents ou sur demande de l'école, abroger le rapport.
  § 8. En cas de désaccord entre les parents, l'école et le centre d'encadrement des élèves sur la délivrance du rapport, il peut être fait appel à une Commission de médiation flamande à l'initiative d'une des parties intéressées.
  Le Gouvernement flamand fixe la composition, les attributions et les principes de fonctionnement d cette commission. ".
Art. III.48. In artikel 295 van de Codex Secundair Onderwijs worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste streepje wordt opgeheven;
  2° in het voorlaatste streepje worden de woorden "in de ziekenhuisschool" vervangen door de woorden "in de school van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan een universitair ziekenhuis of aan een residentiële setting";
  3° in het laatste streepje wordt het woord "preventoriumschool" vervangen door de woorden "de school van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan een preventorium" en wordt de zinsnede ", wanneer hij voldoet aan de bepalingen van artikel 10 van het koninklijk besluit van 28 juni 1978 houdende de omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs" opgeheven.
Art. III.48. A l'article 295 du Code de l'Enseignement secondaire sont apportées les modifications suivantes :
  1° le premier tiret est abrogé ;
  2° à l'avant dernier tiret, les mots " dans l'école hospitalière " sont remplacés par les mots " dans l'école de la forme d'enseignement 4, type 5, rattachée à un hôpital universitaire ou une structure résidentielle " ;
  3° au dernier tiret, les mots " l'école du préventorium " sont remplacés par les mots " l'école de la forme d'enseignement 4, type 5, rattachée à un préventorium ", et le membre de phrase " , lorsqu'il satisfait aux dispositions de l'article 10 de l'arrêté royal du 28 juin 1978 portant définition des types et organisation de l'enseignement spécial et déterminant les conditions d'admission et de maintien dans les divers niveaux d'enseignement spécial " sont abrogés.
Art. III.49. In artikel 297, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs worden de woorden "de bepalingen van het koninklijk besluit van 28 juni 1978 houdende de omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs" vervangen door de woorden "de artikelen 291 tot en met 295".
Art. III.49. A l'article 297, § 2, du Code de l'Enseignement secondaire, les mots " aux dispositions de l'arrêté royal du 28 juin 1978 portant définition des types et organisation de l'enseignement spécial et déterminant les conditions d'admission et de maintien dans les divers niveaux d'enseignement spécial " sont remplacés par les mots " aux articles 291 à 295 ".
Art. III.50. Artikel 299, 2°, a) en b), van de Codex Secundair Onderwijs wordt vervangen door wat volgt:
  "a) gedurende de periode van 12 maanden die voorafgaat aan 1 februari van het jaar waarin het betrokken schooljaar een aanvang neemt, indien het type gedurende heel deze duur georganiseerd was, of indien de school valt onder toepassing van artikel 288;
  b) in andere gevallen, gedurende de eerste 30 dagen te rekenen vanaf de openstelling van het type, of gedurende een periode te bepalen door de Vlaamse Regering.".
Art. III.50. L'article 299, 2°, a) et b) du Code de l'Enseignement secondaire est remplacé par la disposition suivante :
  " a) pendant la période de 12 mois qui précède le 1er février de l'année dans laquelle l'année scolaire concernée prend cours, si le type était organisé pendant toute cette durée, ou si l'école relève de l'application de l'article 288 ;
  b) dans d'autres cas, pendant les 30 premiers jours à compter de l'ouverture du type, ou pendant la période à fixer par le Gouvernement flamand. ".
Art. III.51. In artikel 302 van de Codex Secundair Onderwijs worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in 1° opleidingsvorm 1 wordt een zesde lid toegevoegd, dat luidt als volgt: "Type 9: richtgetal 6";
  2° in 2° opleidingsvorm 2 wordt een zesde lid toegevoegd, dat luidt als volgt: "Type 9: richtgetal 7";
  3° in 3° opleidingsvorm 3 wordt in het eerst lid de zinsnede "Type 1" vervangen door de zinsnede "Type basisaanbod";
  4° in 3° opleidingsvorm 3 wordt een zesde lid toegevoegd, dat luidt als volgt: "Type 9: richtgetal 7";
  5° in 4° opleidingsvorm 4 wordt in het vijfde lid het woord "4,75." vervangen door het woord "4,75";
  6° in 4° opleidingsvorm 4 wordt een zesde lid toegevoegd, dat luidt als volgt: "Type 9: richtgetal 4,75.".
Art. III.51. A l'article 302 du Code de l'Enseignement secondaire sont apportées les modifications suivantes :
  1° au 1° forme d'enseignement 1, il est ajouté un sixième alinéa, rédigé comme suit : " Type 9 : nombre guide 6 " ;
  2° au 2° forme d'enseignement 2, il est ajouté un sixième alinéa, rédigé comme suit : " Type 9 : nombre guide 7 " ;
  3° au 3° forme d'enseignement 3, alinéa premier, le membre de phrase " Type 1 " est remplacé par le membre de phrase " Type offre de base " ;
  4° au 3° forme d'enseignement 3, il est ajouté un sixième alinéa, rédigé comme suit : " Type 9 : nombre guide 7 " ;
  5° au 4° forme d'enseignement 4, cinquième alinéa, le mot " 4,75. " est remplacé par le mot " 4,75 " ;
  6° au 4° forme d'enseignement 4, il est ajouté un sixième alinéa, rédigé comme suit : " Type 9 : nombre guide 4,75. ".
Art. III.52. In artikel 304, § 4, van de Codex Secundair Onderwijs, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt in het eerste lid de zinsnede "voor het schooljaar 2013- 2014" vervangen door de zinsnede "voor het schooljaar 2014-2015".
Art. III.52. A l'article 304, § 4, alinéa premier, du Code de l'Enseignement secondaire, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, le membre de phrase " pour l'année scolaire 2013-2014 " est remplacé par le membre de phrase " pour l'année scolaire 2014-2015. ".
Art. III.53. In artikel 309, § 3, van de Codex Secundair Onderwijs worden de woorden "de bepalingen van het koninklijk besluit van 28 juni 1978 houdende de omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs" vervangen door de woorden "de artikelen 291 tot en met 295".
Art. III.53. A l'article 309, § 3, du Code de l'Enseignement secondaire, les mots " aux dispositions de l'arrêté royal du 28 juin 1978 portant définition des types et organisation de l'enseignement spécial et déterminant les conditions d'admission et de maintien dans les divers niveaux d'enseignement spécial " sont remplacés par les mots " aux articles 291 à 295 ".
Art. III.54. In artikel 311 van de Codex Secundair Onderwijs worden in paragraaf 2 de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste streepje wordt de zinsnede "type 1" vervangen door de zinsnede "type basisaanbod";
  2° in het zesde streepje wordt de aanduiding "1,6." vervangen door de aanduiding "1,6";
   3° er wordt een zevende streepje toegevoegd, dat luidt als volgt: "- type 9: 1,3.".
Art. III.54. A l'article 311, paragraphe 2, du Code de l'Enseignement secondaire sont apportées les modifications suivantes :
  1° au premier tiret, le membre de phrase " type 1 " est remplacé par le membre de phrase " type offre de base " ;
  2° au sixième tiret, l'indication " 1,6. " est remplacée par l'indication " 1,6 " ;
  3° il est ajouté un septième tiret, ainsi rédigé : " - type 9 : 1,3. ".
Art. III.55. In artikel 312, § 4, van de Codex Secundair Onderwijs, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt in het eerste lid de zinsnede "voor het schooljaar 2013- 2014" vervangen door de zinsnede "voor het schooljaar 2014-2015.".
Art. III.55. A l'article 312, § 4, alinéa premier, du Code de l'Enseignement secondaire, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, le membre de phrase " pour l'année scolaire 2013-2014 " est remplacé par le membre de phrase " pour l'année scolaire 2014-2015. ".
Art. III.56. In deel V, titel 2, hoofdstuk 3, van de Codex Secundair Onderwijs wordt een onderafdeling 3/2 ingevoegd die luidt als volgt:
  "Onderafdeling 3/2. Waarborgregeling bij daling van het leerlingenaantal in het buitengewoon onderwijs".
Art. III.56. Une sous-section 3/2, rédigée comme suit, est insérée dans la partie V, titre 2, chapitre 3, du Codex de l'Enseignement secondaire :
  " Sous-section 3/2. Régime de garanties en cas de baisse du nombre d'élèves dans l'enseignement spécial ".
Art. III.57. In de Codex Secundair Onderwijs wordt in onderafdeling 3/2, ingevoegd bij artikel III.56, een artikel 314/5 ingevoegd dat luidt als volgt:
  "Art. 314/5. § 1. Bij het realiseren van een relatieve minderkost in het buitengewoon secundair onderwijs ten opzichte van het referentieschooljaar 2014-2015, worden per schooljaar de vrijgekomen middelen, via enveloppefinanciering, ingezet voor de ondersteuning van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs.
  § 2. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de berekening van de enveloppe en houdt voor de verdeling van de enveloppe over het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en over de scholen minstens rekening met de volgende principes:
  1° de vastgestelde verschuivingen van leerlingen van het buitengewoon naar het gewoon secundair onderwijs als gevolg van effectieve terugkeer uit of verminderde instroom in het buitengewoon secundair onderwijs voor de verdeling van de enveloppe over het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. De regering houdt hierbij ook rekening met de demografie;
  2° de relatieve aanwezigheid van leerlingen met een verslag als vermeld in artikel 352 of 294 voor de verdeling van de enveloppe over de scholen voor gewoon secundair onderwijs;
  3° de vastgestelde verschuivingen in de leerlingenpopulaties van de opleidingsvormen en types voor de verdeling van de enveloppe over de scholen voor buitengewoon secundair onderwijs.
  § 3. De Vlaamse Regering bepaalt tevens de wijze waarop en de ambten waarin de middelen uit de enveloppe kunnen worden ingezet voor uitbreiding van zorg in de scholen voor gewoon secundair onderwijs of voor versterking van het onderwijs en de zorg in scholen voor buitengewoon secundair onderwijs en voor welke leerlingen deze middelen kunnen worden aangewend.".
Art. III.57. Dans le Code de l'Enseignement secondaire, il est inséré dans la sous-section 3/2, insérée par l'article III.56, un article 314/5, rédigé comme suit :
  " Art. 314/5. § 1er. Lorsqu'il est réalisé un moindre coût relatif dans l'enseignement secondaire spécial par rapport à l'année scolaire de référence 2014-2015, les moyens libérés sont affectés, par année scolaire, par le biais d'un financement par enveloppes, à l'appui d'élèves à besoins éducatifs spécifiques dans l'enseignement secondaire ordinaire ou spécial.
  § 2. Le Gouvernement flamand détermine la procédure pour le calcul de l'enveloppe et tient au moins compte des principes suivants pour la répartition de l'enveloppe entre l'enseignement secondaire ordinaire et spécial et parmi les écoles :
  1° les glissements constatés d'élèves de l'enseignement secondaire spécial à l'enseignement secondaire ordinaire découlant du retour effectif de l'enseignement secondaire spécial ou de l'afflux réduit dans l'enseignement secondaire spécial pour la répartition de l'enveloppe entre l'enseignement secondaire ordinaire et spécial. A cet égard, le gouvernement tient également compte de la démographie ;
  2° la présence relative d'élèves disposant d'un rapport tel que visé à l'article 352 ou 294 pour la répartition de l'enveloppe parmi les écoles d'enseignement secondaire ordinaire ;
  3° les glissements constatés dans les populations d'élèves des formes d'enseignement et types pour la répartition de l'enveloppe parmi les écoles d'enseignement secondaire spécial.
  § 3. Le Gouvernement flamand détermine également la façon dont et les fonctions dans lesquelles les moyens de l'enveloppe peuvent être affectés à l'élargissement de l'encadrement dans les écoles d'enseignement secondaire ordinaire ou au renforcement de l'enseignement et de l'encadrement dans les écoles d'enseignement secondaire spécial, ainsi que les élèves pour lesquels ces moyens peuvent être utilisés. ".
Art. III.58. In artikel 318 van de Codex Secundair Onderwijs wordt in paragraaf 1, 1°, de zinsnede "type 1" vervangen door de zinsnede "type basisaanbod".
Art. III.58. A l'article 318, paragraphe 1er, 1°, du Code de l'Enseignement secondaire, le membre de phrase " type 1 " est remplacé par le membre de phrase " type offre de base ".
Art. III.59. In artikel 326 van de Codex Secundair Onderwijs worden in 1° de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de vierde rij van de tabel wordt de zinsnede "type 1" vervangen door de zinsnede "type basisaanbod";
  2° in de vijfde rij van de tabel wordt de zinsnede "type 3, 4, 6 of 7" vervangen door de zinsnede "type 4, 6 of 7";
  3° in de zesde rij van de tabel wordt de zinsnede "type 3" vervangen door de zinsnede "type 3 of 9".
Art. III.59. A l'article 326, 1°, du Code de l'Enseignement secondaire sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans la quatrième rangée du tableau, le membre de phrase " type 1 " est remplacé par le membre de phrase " type offre de base " ;
  2° dans la cinquième rangée du tableau, le membre de phrase " type 3, 4, 6 ou 7 " est remplacé par le membre de phrase " type 4, 6 ou 7 " ;
  3° dans la sixième rangée du tableau, le membre de phrase " type 3 " est remplacé par le membre de phrase " type 3 ou 9 ".
Art. III.60. Artikel 333 van de Codex Secundair Onderwijs wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 333. Het buitengewoon secundair onderwijs in deze opleidingsvormen wordt verstrekt naar rata van minimum 32 lesuren en maximum 36 lesuren van 50 minuten per week, gespreid over 9 halve dagen.".
Art. III.60. L'article 333 du Code de l'Enseignement secondaire est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 333. L'enseignement secondaire spécial dans ces formes d'enseignement est dispené au prorata de 32 heures de cours minimum et de 36 heures de cours maximum de 50 minutes par semaine, étalées sur 9 demi-journées. ".
Art. III.61. In deel V, titel 3, van de Codex Secundair Onderwijs wordt een hoofdstuk 1/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Hoofdstuk 1/1. Bepalingen betreffende de scholen van opleidingsvorm 1".
Art. III.61. Un chapitre 1/1, rédigé comme suit, est inséré dans la partie V, titre 3, du Code de l'Enseignement secondaire :
  " Chapitre 1/1. Dispositions relatives aux écoles de la forme d'enseignement 1 ".
Art. III.62. In de Codex Secundair Onderwijs wordt in hoofdstuk 1/1, ingevoegd bij artikel III.61, een afdeling 1 ingevoegd, die luidt als volgt:
  "Afdeling 1. Structuur en organisatie".
Art. III.62. Dans le Code de l'Enseignement secondaire, il est inséré dans le chapitre 1/1, inséré par l'article III.61, une section 1re, rédigée comme suit :
  " Section 1re. Structure et organisation ".
Art. III.63. In de Codex Secundair Onderwijs wordt in afdeling 1, ingevoegd bij artikel III.62, een artikel 334/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 334/1. § 1. In opleidingsvorm 1 beogen de activiteiten vooral het ontwikkelen van de zelfredzaamheid, de communicatiemogelijkheden, de sensomotoriek en de sociale vorming van de leerlingen in de contexten wonen, werken en vrije tijd.
  § 2. Opleidingsvorm 1 omvat minstens vier leerjaren. Voor iedere leerling wordt de duur ervan bepaald door de klassenraad, in samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleiding.
  § 3. In deze opleidingsvorm kunnen sociaal maatschappelijke trainingen of leerlingenstages worden ingericht voor leerlingen vanaf 16 jaar, gedurende een beperkt aantal dagen. De duur en het doel ervan wordt bepaald door de klassenraad, in samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleiding en zo mogelijk in samenspraak met de ouders en de leerling. Uitzonderlijk kunnen deze sociaal maatschappelijke trainingen of leerlingenstages georganiseerd worden tijdens de vakanties.
  § 4. Iedere leerling die de school verlaat na de duur zoals bepaald in paragraaf 2, heeft recht op een attest, waarvan het model wordt bepaald door de Vlaamse Regering, uitgereikt door de directeur op het einde van het schooljaar of in de loop van het schooljaar.".
Art. III.63. Dans le Code de l'Enseignement secondaire, il est inséré dans la section 1re, insérée par l'article III.62, un article 334/1, rédigé comme suit :
  " Art. 334/1. § 1er. Dans la forme d'enseignement, les activités visent surtout le développement de l'autonomie, des possibilités de communication, de la motricité sensorielle, ainsi que la formation des élèves dans les contextes de l'habitat, du travail et des loisirs.
  § 2. La forme d'enseignement 1 comprend quatre années d'études. Pour chaque élève, la durée en est déterminée par le conseil de classe, de concert avec le centre d'encadrement des élèves.
  § 3. Dans cette forme d'enseignement, des entraînements sociétaux ou des stages d'élèves peuvent être organisés pour des élèves dès l'âge de 16 ans, pendant un nombre restreint de jours. La durée et le but de ces entraînements ou stages sont déterminés par le conseil de classe, de concert avec le centre d'encadrement des élèves et, si possible, de concert avec les parents et l'élève. A titre exceptionnel, ces entraînements sociétaux ou stages d'élèves peuvent être organisés pendant les vacances.
  § 4. Tout élève qui quitte l'école après la durée telle que fixée au paragraphe 2, a droit à une attestation, dont le modèle est fixé par le Gouvernement flamand, délivrée par le directeur à la fin de l'année scolaire ou au cours de l'année scolaire. ".
Art. III.64. In deel V, titel 3, van de Codex Secundair Onderwijs wordt een hoofdstuk 1/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Hoofdstuk 1/2. Bepalingen betreffende de scholen van opleidingsvorm 2".
Art. III.64. Un chapitre 1/2, rédigé comme suit, est inséré dans la partie V, titre 3, du Code de l'Enseignement secondaire :
  " Chapitre 1/2. Dispositions relatives aux écoles de la forme d'enseignement 2 ".
Art. III.65. In de Codex Secundair Onderwijs wordt in hoofdstuk 1/2, ingevoegd bij artikel III.64, een afdeling 1 ingevoegd, die luidt als volgt:
  "Afdeling 1. Structuur en organisatie".
Art. III.65. Dans le Code de l'Enseignement secondaire, il est inséré dans le chapitre 1/2, inséré par l'article III.64, une section 1re, rédigée comme suit :
  " Section 1re. Structure et organisation ".
Art. III.66. In de Codex Secundair Onderwijs wordt in afdeling 1, ingevoegd bij artikel III.65, een artikel 334/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 334/2. § 1. Opleidingsvorm 2 omvat twee fasen, elke fase duurt ten minste twee leerjaren:
  1° de eerste fase geeft voorrang aan de algemene en sociale vorming en waarborgt tevens de arbeidsgerichte vorming. Ten minste vijftien van de wekelijkse lesuren worden voorbehouden aan de algemene en sociale vorming;
  2° de tweede fase geeft voorrang aan de arbeidsgerichte vorming. Ten minste negen van de wekelijkse lesuren worden voorbehouden aan de algemene en sociale vorming.
  § 2. De klassenraad, in samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleiding, bepaalt voor iedere leerling de respectieve duur van elke fase.
  § 3. In deze opleidingsvorm kunnen leerlingenstages worden ingericht, gedurende een beperkt aantal dagen. Deze worden georganiseerd gedurende de tweede fase, tijdens het schooljaar. Uitzonderlijk kunnen deze leerlingenstages georganiseerd worden tijdens de vakanties. Een leerling kan tijdens het laatste jaar van de tweede fase op basis van individuele handelingsplanning, na beslissing van de klassenraad, en zo mogelijk in samenspraak met de ouders en de leerling, een leerlingenstage volgen onder een alternerende vorm van leerlingenstage en vorming op school op weekbasis.
  § 4. Iedere leerling die de school verlaat na de duur zoals bepaald in paragraaf 2, heeft recht op een attest, waarvan het model wordt bepaald door de Vlaamse Regering, uitgereikt door de directeur op het einde van het schooljaar of in de loop van het schooljaar.".
Art. III.66. Dans le Code de l'Enseignement secondaire, il est inséré dans la section 1re, insérée par l'article III.65, un article 334/2, rédigé comme suit :
  " Art. 334/2. § 1er. La forme d'enseignement 2 se compose de deux phases, chacune comprenant au moins deux années d'études :
  1° la première phase donne la priorité à la formation générale et sociale et garantit également une formation axée sur l'emploi. Au moins quinze des heures de cours hebdomadaires sont réservées à la formation générale et sociale ;
  2° la seconde phase donne la priorité à la formation axée sur l'emploi. Au moins neuf des heures de cours hebdomadaires sont réservées à la formation générale et sociale.
  § 2. Le conseil de classe, de concert avec le centre d'encadrement des élèves, détermine pour chaque élève la durée respective de chaque phase.
  § 3. Pendant un nombre restreint de jours, des stages d'élèves peuvent être organisés dans cette forme d'enseignement. Ils sont organisés au cours de la seconde phase, pendant l'année scolaire. A titre exceptionnel, ces stages d'élèves peuvent être organisés pendant les vacances. Au cours de la dernière année de la seconde phase, un élève peut, sur la base d'une planification individuelle des actions, après décision du conseil de classe et si possible de concert avec les parents et l'élève, suivre un stage d'élèves sous une forme alternante de stage d'élèves et formation à l'école sur base hebdomadaire.
  § 4. Tout élève qui quitte l'école après la durée telle que fixée au paragraphe 2, a droit à une attestation, dont le modèle est fixé par le Gouvernement flamand, délivrée par le directeur à la fin de l'année scolaire ou au cours de l'année scolaire. ".
Art. III.67. Artikel 336 van de Codex Secundair Onderwijs, gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2011, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 336. § 1. Opleidingsvorm 3 omvat 4 fases: de observatiefase, de opleidingsfase, de kwalificatiefase en de facultatieve integratiefase:
  1° de observatiefase duurt één volledig schooljaar. De klassenraad, in samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleiding, kan hier door middel van een gemotiveerde beslissing voor individuele leerlingen van afwijken;
  2° de opleidingsfase omvat ten minste twee schooljaren. De klassenraad, in samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleidingg, bepaalt voor iedere leerling de duur van deze fase;
  3° de kwalificatiefase omvat ten minste twee schooljaren. De klassenraad, in samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleiding, bepaalt voor iedere leerling de duur van deze fase en kan voor individuele leerlingen het traject ook verkorten naar één schooljaar. Op het einde van deze kwalificatiefase is er voor de leerlingen die toegelaten worden door de klassenraad een kwalificatieproef voor de kwalificatiecommissie. Er kunnen bijkomende opleidingen binnen eenzelfde samenhangend geheel van opleidingen worden georganiseerd voor dezelfde leerling, indien deze reeds een studiebekrachtiging van een opleiding behaald heeft en de klassenraad de leerling toelaat tot bijkomende opleidingen;
  4° de facultatieve integratiefase omvat één volledig schooljaar, in de vorm van een alternerende beroepsopleiding, bestaande uit 1200 uur vorming op school en werkervaring in een bedrijf. De vorming op school bestaat uit minimum 400 uur algemene en sociale vorming en beroepsgerichte vorming. De werkervaring bestaat uit minimum 700 uur werkervaring in een regulier bedrijf, onder de vorm van leerlingenstage. Er kan geen tweede schooljaar alternerende beroepsopleiding worden georganiseerd voor één leerling. Deze facultatieve integratiefase van één schooljaar kan bij wijze van uitzondering door de klassenraad wel verlengd worden tot een tweede schooljaar. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder deze verlenging mogelijk is.
  § 2. In deze opleidingsvorm moeten leerlingenstages worden ingericht, gedurende een beperkt aantal dagen. Deze worden georganiseerd gedurende de kwalificatiefase, tijdens het schooljaar. Uitzonderlijk kunnen deze leerlingenstages georganiseerd worden tijdens de vakanties. De werkervaring in de integratiefase wordt organisatorisch gelijkgesteld met een leerlingenstage.
  § 3. Op het einde van de opleidingsfase kan de leerling een studiebekrachtiging krijgen van de klassenraad. Op het einde van de kwalificatiefase en op het einde van de integratiefase moet de leerling een studiebekrachtiging van de klassenraad ontvangen. Bij wijze van uitzondering kan de klassenraad in de integratiefase ook een leerling voor het einde van het schooljaar een studiebekrachtiging geven, indien deze leerling tewerkgesteld is en voorafgaand aan deze tewerkstelling 900 uur vorming heeft gevolgd, waarvan minimaal 300 uur schoolse vorming en minimaal 525 uur werkervaring, onder de vorm van leerlingenstage. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels voor de bekrachtiging van de studie door de klassenraad en de modellen van de studiebewijzen.
  § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels inzake de organisatie en inhoud van opleidingsvorm 3, de mogelijke opleidingen en samenhangende gehelen van opleidingen die kunnen worden georganiseerd in opleidingsvorm 3 en hun opleidingsprofielen, de verdere bevoegdheden van de klassenraad en de samenstelling en de bevoegdheden van de kwalificatiecommissie.".
Art. III.67. L'article 336 du Code de l'Enseignement secondaire, modifié par le décret du 1er juillet 2011, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 336. § 1er. La forme d'enseignement 3 comprend 4 phases : la phase d'observation, la phase de formation, la phase de qualification et la phase facultative d'intégration :
  1° la phase d'observation dure une année scolaire entière. Le conseil de classe, de concert avec le centre d'encadrement des élèves, peut y déroger pour des élèves individuels moyennant une décision motivée ;
  2° la phase de formation comprend au moins deux années scolaires. Le conseil de classe, de concert avec le centre d'encadrement des élèves, détermine pour chaque élève la durée de cette phase ;
  3° la phase de qualification comprend au moins deux années scolaires. Le conseil de classe, de concert avec le centre d'encadrement des élèves, détermine pour chaque élève la durée de cette phase et peut reporter le parcours à une seule année scolaire pour des élèves individuels. A la fin de cette phase de qualification, les élèves admis par le conseil de classe doivent subir une épreuve de qualification devant la commission de qualification. Des formations supplémentaires peuvent être organisées pour un même élève au sein d'un même ensemble cohérent de formations si l'élève a déjà obtenu une validation des études d'une formation et si le conseil de classe admet l'élève à des formations supplémentaires ;
  4° la phase facultative d'intégration comprend une année scolaire entière, sous la forme d'une formation professionnelle en alternance, comprenant 1200 heures de formation à l'école et une expérience professionnelle dans une entreprise. La formation à l'école consiste en 400 heures minimum de formation générale et sociale et de formation à caractère professionnel. L'expérience professionnelle consiste en 700 heures minimum d'expérience dans une entreprise régulière, sous la forme d'un stage d'élèves. L'organisation d'une seconde année scolaire de formation professionnelle en alternance n'est pas possible pour une seul élève. Cette phase facultative d'intégration d'une seule année scolaire peut toutefois, à titre exceptionnel, être prolongée par le conseil de classe jusqu'à une seconde année scolaire. Le Gouvernement flamand fixe les conditions auxquelles cette prolongation est possible.
  § 2. Pendant un nombre restreint de jours, des stages d'élèves doivent être organisés dans cette forme d'enseignement. Ils sont organisés au cours de la phase de qualification, pendant l'année scolaire. A titre exceptionnel, ces stages d'élèves peuvent être organisés pendant les vacances. L'expérience professionnelle dans la phase d'intégration est assimilée à un stage d'élèves au niveau organisation.
  § 3. A la fin de la phase de formation, l'élève peut obtenir une validation des études de la part du conseil de classe. A la fin de la phase de qualification et à la fin de la phase d'intégration, l'élève doit obtenir une validation des études de la part du conseil de classe. A titre exceptionnel, le conseil de classe peut également délivrer une validation des études à un élève avant la fin de l'année scolaire pendant la phase d'intégration, si l'élève en question est employé et a suivi 900 heures de formation préalablement à cette occupation, dont au moins 300 heures de formation scolaire et au moins 525 heures d'expérience professionnelle, sous la forme d'un stage d'élèves. Le Gouvernement flamand détermine les modalités pour l'entérinement des études par le conseil de classe et pour les modèles des titres.
  § 4. Le Gouvernement flamand arrête les modalités pour l'organisation et le contenu de la forme d'enseignement 3, les formations possibles et les ensembles cohérents de formations pouvant être organisés dans la forme d'enseignement 3 et leurs profils de formation, les autres attributions du conseil de classe et la composition de la commission de qualification. ".
Art. III.68. In de Codex Secundair Onderwijs worden de volgende artikelen opgeheven:
  1° artikel 337;
  2° artikel 338, gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2011;
  3° artikel 339 en 340.
Art. III.68. Dans le Code de l'Enseignement secondaire, les articles suivants sont abrogés :
  1° l'article 337 ;
  2° l'article 338, modifié par le décret du 21er juillet 2011 ;
  3° les articles 339 et 340.
Art. III.69. In artikel 350 van de Codex Secundair Onderwijs, het laatst gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2013, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de getallen "125,", "129,", "130,", "131,", "133,", "135,", "137,", "150,", "155," en "170," opgeheven;
  2° op het einde van het eerste lid wordt de volgende zinsnede ingevoegd: ", behalve voor het onthaalonderwijs, Se-n-Se, de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs, en de vierde graad, die niet kunnen ingericht worden.";
  3° er wordt een tweede lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "In opleidingsvorm 4 moet een gemeenschappelijk curriculum van het gewoon voltijds secundair onderwijs gevolgd worden en moeten er eveneens, naargelang de noden van de leerlingen, gepaste en redelijke aanpassingen genomen worden, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen. De klassenraad werkt hiervoor op een systematische, planmatige en transparante wijze samen met het centrum voor leerlingenbegeleiding en de ouders.".
Art. III.69. A l'article 350 du Code de l'Enseignement secondaire, modifié en dernier lieu par le décret du 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa premier, les nombres " 125 ", " 129 ", " 130 ", " 131 ", " 133 ", " 135 ", " 137 ", " 150 ", " 155 " et " 170 " sont abrogés ;
  2° le membre de phrase suivant est inséré à la fin de l'alinéa premier : ", sauf pour ce qui est de l'enseignement d'accueil, les Se-n-Se, la formation de nursing de l'enseignement supérieur professionnel HBO 5 et le quatrième degré, qui ne peuvent pas être organisés. " ;
  3° il est ajouté un deuxième alinéa, rédigé comme suit :
  " Dans la forme d'enseignement 4 doit être suivi un programme d'études commun de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et, suivant les besoins des élèves, des aménagements appropriés et raisonnables doivent également être apportés, entre autres des mesures correctrices, différenciantes, compensatoires ou dispensatoires. A cette fin, le conseil de classe coopère d'une manière systématique, planifiée et transparente, avec le centre d'encadrement des élèves et les parents. ".
Art. III.70. In deel V, titel 4, van de Codex Secundair Onderwijs wordt een hoofdstuk 2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Hoofdstuk 2. Bepalingen betreffende de scholen van opleidingsvorm 4, in de ziekenhuisscholen".
Art. III.70. Un chapitre 2, rédigé comme suit, est inséré dans la partie V, titre 4, du Code de l'Enseignement secondaire :
  " Chapitre 2. Dispositions relatives aux écoles de la forme d'enseignement 4, dans les écoles hospitalières ".
Art. III.71. In de Codex Secundair Onderwijs wordt in hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel III.70, een artikel 350/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 350/1. § 1. In de scholen van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan een universitair ziekenhuis en verbonden aan een residentiële setting werken de leerlingen verder aan het curriculum van de oorspronkelijke school en worden hieromtrent eveneens afspraken gemaakt met de oorspronkelijke school. De oorspronkelijke school staat in voor de studiebekrachtiging.
  § 2. In ziekenhuisscholen moeten er, naargelang de noden van de leerlingen, gepaste en redelijke aanpassingen genomen worden, waaronder het inzetten van remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen. De ziekenhuisschool werkt hiervoor op een systematische, planmatige en transparante wijze samen met het centrum voor leerlingenbegeleiding en de ouders en de oorspronkelijke school, tenzij de leerling voor het verblijf in de ziekenhuisschool niet in een school ingeschreven was.
  § 3. Op basis van de behoeften van de leerlingen mag men in de school van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan het preventorium, op ieder tijdstip van het schooljaar een structuuronderdeel van het gewoon voltijds secundair onderwijs inrichten, ook indien de onderliggende structuuronderdelen niet ingericht zijn. De school kan op die wijze onder- delen van het volledig studieaanbod van het gewoon voltijds secundair onderwijs inrichten, met inbegrip van het onthaalonderwijs, Se-n-Se, de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs, en de vierde graad.
  § 4. In de school van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan het preventorium worden dezelfde studiebewijzen uitgereikt als in het gewoon voltijds secundair onderwijs. De school van opleidingsvorm 4, type 5, bij het preventorium staat zelf in voor de studiebekrachtiging.".
Art. III.71. Dans le Code de l'Enseignement secondaire, il est inséré dans le chapitre 2, inséré par l'article III.70, un article 350/1, rédigé comme suit :
  " Art. 350/1. § 1er. Dans les écoles de la forme d'enseignement 4, type 5, rattachées à un hôpital universitaire et rattachées à une structure résidentielle, les élèves poursuivent le programme d'études de l'école d'origine ; des accords à ce sujet sont également conclus avec l'école d'origine. L'école d'origine assure la validation des études.
  § 2. Dans les écoles hospitalières, il faut que des aménagements appropriés et raisonnables soient apportés, suivant les besoins des élèves, dont la prise de mesures correctrices, différenciantes, compensatoires ou dispensatoires. A cette fin, l'école hospitalière coopère d'une manière systématique, planifiée et transparente, avec le centre d'encadrement des élèves et les parents et l'école d'origine, à moins que l'élève ne fusse inscrit dans une école avant le séjour dans l'école hospitalière.
  § 3. Sur la base des besoins des élèves, une école de la forme d'enseignement 4, type 5, rattachée au préventorium, peut à tout moment de l'année scolaire organiser une subdivision structurelle de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, même si les subdivisions structurelles sous-jacentes ne sont pas organisées. De cette manière-là, l'école peut organiser des parties de l'offre d'études complète de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, y compris de l'enseignement d'accueil, des Se-n-Se, de la formation de nursing de l'enseignement supérieur professionnel HBO 5, et du quatrième degré.
  § 4. Dans l'école de la forme d'enseignement 4, type 5, rattachée au préventorium, les titres délivrés sont identiques aux titres délivrés dans l'enseignement secondaire à temps plein. L'école de la forme d'enseignement 4, type 5, rattachée au préventorium assure elle-même la validation des études. ".
Art. III.72. Artikel 352 van de Codex Secundair Onderwijs wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 352. § 1. Om toegelaten te worden tot het geïntegreerd secundair onderwijs is het volgende vereist:
  1° de leerling moet voldoen aan de toelatingsvoorwaarden die gelden voor het gewoon secundair onderwijs;
  2° een gemotiveerd verslag, opgesteld door het centrum voor leerlingenbegeleiding, waaruit blijkt:
  a) dat met toepassing van de principes van artikel 136/2 het inzetten van de ondersteuning in het kader van het geïntegreerd onderwijs, in combinatie met compenserende of dispenserende maatregelen nodig en voldoende geacht wordt om de leerling een gemeenschappelijk curriculum te laten volgen;
  b) dat de leerling voldoet aan de criteria van een van de punten van artikel 259, § 1, 1° tot 8°, met uitzondering van 5° ;
  c) dat de leerling ten minste negen maanden voltijds buitengewoon basisonderwijs of buitengewoon secundair onderwijs in het betreffende type heeft gevolgd, onmiddellijk voorafgaand aan zijn toelating tot het geïntegreerd secundair onderwijs, indien blijkt dat hij voldoet aan de criteria van artikel 259, § 1, 1°.
  De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van het gemotiveerd verslag en kan in uitvoering van artikel 314/5 de bepaling van artikel 352, § 1, 2°, c), opheffen.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt voor een leerling die toegelaten werd tot het geïntegreerd secundair onderwijs op basis van een inschrijvingsverslag slechts een gemotiveerd verslag opgemaakt bij wijziging van het onderwijsniveau, de aard van de integratie, of de aard en de ernst van de handicap.
  § 3. Om in aanmerking te komen voor aanvullende financiering of subsidiëring van een leerling in het geïntegreerd secundair onderwijs is nog een integratieplan vereist.
  De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van het integratieplan en legt de samenstelling van het integratieteam, dat het integratieplan zal opstellen, vast.
  Een nieuw integratieplan wordt opgesteld bij de wijziging van: de aard van de integratie, de aard en de ernst van de handicap of het onderwijsniveau, met inbegrip van het beroepenveld, de studierichting, de afdeling of de opties. Bij wijziging van het integratieteam kan het bestaande integratieplan bevestigd worden.
  § 4. Wanneer voor een leerling die beschikt over een verslag als vermeld in artikel 294 een gemotiveerd verslag wordt opgemaakt, vervalt het verslag als vermeld in artikel 294.".
Art. III.72. L'article 352 du Code de l'Enseignement secondaire est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 352. § 1er. Pour être admis à l'enseignement secondaire intégré, il doit être satisfait aux conditions suivantes :
  1° l'élève doit remplir les conditions d'admission fixées pour l'enseignement secondaire ordinaire ;
  2° un rapport motivé rédigé par le centre d'encadrement des élèves, dont il ressort :
  a) que, par application des principes de l'article 136/2, l'engagement du soutien dans le cadre de l'enseignement intégré, en combinaison avec des mesures compensatoires ou dispensatoires, est censé nécessaire et suffisant pour que l'élève puisse suivre le programme d'études commun ;
  b) que l'élève satisfait aux critères d'un des points de l'article 259, § 1er, 1° à 8°, à l'exception de 5° ;
  c) que l'élève a fréquenté pendant au moins neuf mois l'enseignement fondamental ou secondaire spécial à temps plein dans le type en question, immédiatement préalablement à son admission à l'enseignement secondaire intégré, s'il s'avère qu'il remplit les critères de l'article 259, § 1er, 1°.
  Le Gouvernement détermine le contenu du rapport motivé et peut abroger la disposition de l'article 352, § 1er, 2°, c), en exécution de l'article 314/5.
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, un rapport motivé est uniquement rédigé pour un élève ayant été admis à l'enseignement secondaire intégré sur la base d'un rapport d'inscription en cas de modification du niveau d'enseignement, du type, de la nature de l'intégration ou de la nature et de la gravité du handicap.
  § 3. De plus, pour entrer en ligne de compte pour le financement ou subventionnement complémentaire d'un élève dans l'enseignement secondaire intégré, un plan d'intégration est requis.
  Le Gouvernement flamand fixe le contenu du plan d'intégration et statue sur la composition de l'équipe d'intégration, qui rédigera le plan d'intégration.
  Un nouveau plan d'intégration est établi lors de la modification de : la nature de l'intégration, la nature et la gravité du handicap ou le niveau d'enseignement, y compris le domaine d'activités, l'orientation, la section ou les options. En cas de modification de l'équipe intégration, le plan d'intégration actuel peut être confirmé.
  § 4. Si un rapport motivé est rédigé pour un élève qui dispose d'un rapport tel que visé à l'article 294, le rapport visé à l'article 294 échoit. ".
Art. III.73. In de Codex Secundair Onderwijs worden de volgende artikelen opgeheven:
  1° artikel 353;
  2° artikel 355.
Art. III.73. Dans le Code de l'Enseignement secondaire, les articles suivants sont abrogés :
  1° l'article 353 ;
  2° l'article 355.
Afdeling 2. - Decreet betreffende het stelsel van leren en werken
Section 2. - Décret relatif au système d'apprentissage et de travail
Art. III.74. In artikel 3 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, het laatst gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2013, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° er wordt een punt 5° bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "5° bis compenserende maatregelen: maatregelen waarbij het centrum orthopedagogische of orthodidactische hulpmiddelen aanbiedt, waaronder technische hulpmiddelen, waardoor de doelen van het leerprogramma of de doelen die na dispensatie voor de jongere bepaald zijn, bereikt kunnen worden;";
  2° er wordt een punt 5° ter ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "5° ter differentiërende maatregelen: maatregelen, waarbij het centrum binnen het leerprogramma, van een beperkte variatie in het onderwijsleerproces aanbrengt om beter tegemoet te komen aan de behoeften van individuele jongeren of groepen van jongeren;";
  3° er wordt een punt 5° quater ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "5° quater dispenserende maatregelen: maatregelen waarbij het centrum doelen aan het leerprogramma toevoegt of de jongere vrijstelt van doelen van het leerprogramma en die, waar mogelijk, vervangt door gelijkwaardige doelen, in die mate dat ofwel de doelen voor de studiebekrachtiging in functie van de finaliteit voor het betreffende onderdeel ofwel de doelen voor het doorstromen naar het beoogde vervolgonderwijs of naar de arbeidsmarkt nog in voldoende mate kunnen bereikt worden;";
  4° er wordt een punt 7° bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "7° bis jongere met specifieke onderwijsbehoeften: jongere met langdurige en belangrijke participatieproblemen die te wijten zijn aan het samenspel tussen:
  a) één of meerdere functiebeperkingen op mentaal, psychisch, lichamelijk of zintuiglijk vlak en;
  b) beperkingen bij het uitvoeren van activiteiten en;
  c) persoonlijke en externe factoren;";
  5° er wordt een punt 13° bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "13° bis remediërende maatregelen: maatregelen waarbij het centrum effectieve vormen van aangepaste leerhulp verstrekt binnen het leerprogramma;".
Art. III.74. A l'article 3 du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande, modifié par le décret du 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° il est inséré un point 5° bis ainsi rédigé :
  " 5° bis mesures compensatoires : mesures par lesquelles le centre offre des moyens orthopédagogiques ou orthodidactiques, dont des moyens techniques, permettant d'atteindre les objectifs du programme d'études ou les objectifs étant déterminés pour le jeune après dispense ; " ;
  2° il est inséré un point 5° ter ainsi rédigé :
  " 5° ter mesures différenciantes : mesures par lesquelles le centre apporte, au sein du programme d'études, une variation restreinte dans le processus d'apprentissage, afin de mieux répondre aux besoins de jeunes individuels ou de groupes de jeunes ; " ;
  3° il est inséré un point 5° quater ainsi rédigé :
  " 5° quater mesures dispensatoires : mesures par lesquelles le centre ajoute des objectifs au programme d'études ou dispense le jeune de certains objectifs du programme d'études et les remplace, là où c'est possible, par des objectifs équivalents, dans la mesure où soit les objectifs pour la validation des études en fonction de la finalité de la subdivision concernée, soit les objectifs de transition à l'enseignement complémentaire envisagé ou au marché de l'emploi puissent encore être atteints dans une mesure suffisante ; " ;
  4° il est inséré un point 7° bis ainsi rédigé :
  " 7° bis jeune à besoins éducatifs spécifiques : élève posant des problèmes de participation importants et de longue durée dus à l'interférence entre :
  a) une ou plusieurs limitations de fonctionnement de nature mentale, psychique, physique ou sensorielle et ;
  b) des limitations dans l'exécution d'activités et ;
  c) des facteurs personnels et externes ; " ;
  5° il est inséré un point 13° bis ainsi rédigé :
  " 13° bis mesures correctrices : des mesures par lesquelles le centre fournit des formes effectives d'aide adaptée à l'apprentissage au sein du programme d'études ; ".
Art. III.75. In hoofdstuk III, afdeling II, onderafdeling III, van hetzelfde decreet wordt een artikel 30/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 30/1. Bij de organisatie van het leerprogramma werkt de klassenraad op een systematische, planmatige en transparante wijze samen met het centrum voor leerlingenbegeleiding en de betrokken personen en doet in het bijzonder voor jongeren met specifieke onderwijsbehoeften gepaste en redelijke aanpassingen, waaronder remediërende, differen- tiërende, compenserende of dispenserende maatregelen naargelang de noden van de jongere. De specifieke onderwijsbehoeften van jongeren en de ondersteuningsbehoeften van het onderwijspersoneel en de ouders staan daarbij centraal.".
Art. III.75. Dans le chapitre III, section II, sous-section III, du même décret, il est inséré un article 30/1, rédigé comme suit :
  " Art. 30/1. Pour l'organisation du programme d'études, le conseil de classe coopère d'une manière systématique, planifiée et transparente, avec le centre d'encadrement des élèves et les personnes concernées et opère, notamment pour les jeunes à besoins éducatifs spécifiques, des aménagements appropriés et raisonnables, entre autres des mesures correctrices, différenciantes, compensatoires ou dispensatoires suivant les besoins du jeune. Les besoins éducatifs spécifiques des jeunes et les besoins de soutien du personnel enseignant et des parents y jouent un rôle central. ".
Art. III.76. Aan artikel 31 van hetzelfde decreet wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Bij de organisatie van de leertijd werkt een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen op een systematische, planmatige en transparante wijze samen met het centrum voor leerlingenbegeleiding en de betrokken personen en doet in het bijzonder voor jongeren met specifieke onderwijsbehoeften gepaste en redelijke aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen naargelang de noden van de jongere. De specifieke onderwijsbehoeften van jongeren en de ondersteuningsbehoeften van het onderwijspersoneel en de ouders staan daarbij centraal.".
Art. III.76. L'article 31 du même décret est complété par un cinquième alinéa, rédigé comme suit :
  " Pour l'organisation de l'apprentissage, un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises coopère d'une manière systématique, planifiée et transparente, avec le centre d'encadrement des élèves et les personnes concernées et opère, notamment pour les jeunes à besoins éducatifs spécifiques, des aménagements appropriés et raisonnables, entre autres des mesures correctrices, différenciantes, compensatoires ou dispensatoires suivant les besoins du jeune. Les besoins éducatifs spécifiques des jeunes et les besoins de soutien du personnel enseignant et des parents y jouent un rôle central. ".
Afdeling 3. - Inwerkingtreding
Section 3. - Entrée en vigueur
Art. III.77. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2014, met uitzondering van de artikelen III.2, 1° tot en met 7°, III.2, 9° tot en met 11° en 13°, III.6, III.7, III.8, III.14, III.15, III.16, III.21, III.44, 1°, III.46, III.47, III.56, III.57, III.72, III.73, III.74, III.75 en III.76, die in werking treden op 1 januari 2015 voor inschrijvingen die betrekking hebben op het schooljaar 2015-2016 en met uitzondering van de artikelen III.4, III.9, III.12, III.13, III.37, III.40, III.41, III.43, III.44, 2°, III.45, III.67 en III.68, die in werking treden op 1 april 2014 en met uitzondering van de artikelen III.51, III.54, III.58, III.59 die in werking treden op 1 september 2015.
Art. III.77. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er septembre 2014, à l'exception des articles III.2, 1° à 7°, III.2, 9° à 11° et 13°, III.6, III.7, III.8, III.14, III.15, III.16, III.21, III.44, 1°, III.46, III.47, III.56, III.57, III.72, III.73, III.74, III.75 et III.76, qui entrent en vigueur le 1er janvier 2015 pour ce qui est des inscriptions portant sur l'année scolaire 2015-2016 et à l'exception des articles III.4, III.9, III.12, III.13, III.37, III.40, III.41, III.43, III.44, 2°, III.45, III.67 et III.68, qui entrent en vigueur le 1er avril 2014 et à l'exception des articles III.51, III.54, III.58 et III.59, qui entrent en vigueur le 1er septembre 2015.
HOOFDSTUK IV. - Decreet betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding
CHAPITRE IV. - Décret relatif aux centres d'encadrement des élèves
Art. IV.1. In artikel 2 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° er wordt een punt 6° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "6° /1 compenserende maatregelen: maatregelen waarbij de school orthopedagogische of orthodidactische hulpmiddelen aanbiedt, waaronder technische hulpmiddelen, waardoor de doelen van het gemeenschappelijk curriculum of leerprogramma of de doelen die na dispensatie voor de leerling bepaald zijn, bereikt kunnen worden;";
  2° er wordt een punt 8° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "8° /1 differentiërende maatregelen: maatregelen waarbij de school, binnen het gemeenschappelijk curriculum of leerprogramma, een beperkte variatie aanbrengt in het onderwijsleerproces om beter tegemoet te komen aan de behoeften van individu- ele leerlingen of groepen van leerlingen;";
  3° er wordt een punt 8° /2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "8° /2 dispenserende maatregelen: maatregelen waarbij de school doelen toevoegt aan het gemeenschappelijk curriculum of leerprogramma of de leerling vrijstelt van doelen van het gemeenschappelijk curriculum of leerprogramma en die, waar mogelijk, vervangt door gelijkwaardige doelen, in die mate dat ofwel de doelen voor de studiebekrachtiging in functie van de finaliteit voor het betreffende onderwijsniveau of structuuronderdeel of onderdeel ofwel de doelen voor het doorstromen naar het beoogde vervolgonderwijs nog in voldoende mate kunnen bereikt worden;";
  4° er wordt een punt 12° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "12° /1 gemeenschappelijk curriculum: de goedgekeurde leerplannen die ten minste herkenbaar de doelen bevatten die noodzakelijk zijn om de eindtermen te bereiken of de ontwikkelingsdoelen na te streven en de schoolgebonden planning voor het nastreven van de leergebiedoverschrijdende of vakoverschrijdende eindtermen en ontwikkelingsdoelen;";
  5° er wordt een punt 15° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "15° /1 handelingsgerichte diagnostiek: een cyclisch zoek- en beslissingsproces waarin informatie over het individu en zijn omgeving wordt verzameld, geïnterpreteerd en afgewogen met als doel de problemen of de hulpvragen te analyseren en te verklaren met het oog op adequate advisering voor het handelen. Het proces verloopt volgens systematische procedures, in samenwerking met de school, de ouders en de leerlingen met aandacht voor positieve kenmerken en voor de wisselwerking en wederzijdse beïnvloeding van het individu en de omgeving;";
  6° er wordt een punt 26° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "26° /1 remediërende maatregelen: maatregelen waarbij de school effectieve vormen van aangepaste leerhulp verstrekt binnen het gemeenschappelijk curriculum of het leerprogramma;".
Art. IV.1. A l'article 2 du décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élèves sont apportées les modifications suivantes :
  1° il est inséré un point 6° /1 rédigé comme suit :
  " 6° /1 mesures compensatoires : mesures par lesquelles l'école offre des moyens orthopédagogiques ou orthodidactiques, dont des moyens techniques, permettant d'atteindre les objectifs du programme d'études commun ou du programme d'études ou les objectifs étant déterminés pour l'élève après dispense ; " ;
  2° il est inséré un point 8° /1 rédigé comme suit :
  " 8° /1 mesures différenciantes : mesures par lesquelles l'école apporte, au sein du programme d'études commun ou du programme d'études, une variation restreinte dans le processus d'apprentissage, afin de mieux répondre aux besoins d'élèves individuels ou de groupes d'élèves ; " ;
  3° il est inséré un point 8° /2 rédigé comme suit :
  " 8° /2 mesures dispensatoires : mesures par lesquelles l'école ajoute des objectifs au programme d'études commun ou au programme d'études ou dispense l'élève de certains objectifs du programme d'études commun ou du programme d'études et les remplace, là où c'est possible, par des objectifs équivalents, dans la mesure où soit les objectifs pour la validation des études en fonction de la finalité du niveau de l'enseignement ou de la subdivision structurelle ou subdivision en question, soit les objectifs de transition à l'enseignement complémentaire envisagé puissent encore être atteints dans une mesure suffisante ; " ;
  4° il est inséré un point 12° /1 rédigé comme suit :
  " 12° /1 programme d'études commun : les programmes d'études comprenant au moins de manière reconnaissable les objectifs nécessaires pour atteindre les objectifs finaux ou pour poursuivre les objectifs de développement, ainsi que le planning scolaire pour la poursuite des objectifs finaux spécifiques aux différentes branches ou des objectifs finaux et objectifs de développement interdisciplinaires ; " ;
  5° il est inséré un point 15° /1 rédigé comme suit :
  " 15° /1 diagnostic visant l'action : un processus cyclique de recherche et de prise de décisions, où des informations sur l'individu et son entourage sont recueillies, interprétées et évaluées, dans le but d'analyser les problèmes ou les demandes d'aide et de les expliquer en vue de fournir des conseils adéquats avant qu'il soit procédé à l'action. Le processus se déroule suivant des procédures systématiques, en coopération avec l'école, les parents et les élèves, avec une attention particulière pour des caractéristiques positives et pour l'interaction et l'influence mutuelle de l'individu et de son entourage ; " ;
  6° il est inséré un point 26° /1 rédigé comme suit :
  " 26° /1 mesures correctrices : des mesures par lesquelles l'école fournit des formes effectives d'aide adaptée à l'apprentissage au sein du programme d'études commun ou du programme d'études ; " .
Art. IV.2. In artikel 6 van hetzelfde decreet wordt het punt 4° aangevuld met de volgende zinnen:
  "Het centrum werkt hiervoor op een systematische, planmatige en transparante wijze samen met de school en de ouders. De specifieke onderwijsbehoeften van leerlingen en de ondersteuningsbehoeften van het onderwijspersoneel en de ouders staan daarbij centraal;".
Art. IV.2. A l'article 6 du même décret, le point 4° est complété par les phrases suivantes :
  " A cette fin, le centre coopère d'une manière systématique, planifiée et transparente avec l'école et les parents. Les besoins éducatifs spécifiques des élèves et les besoins de soutien du personnel enseignant et des parents y jouent un rôle central ; ".
Art. IV.3. Artikel 23 van hetzelfde decreet wordt aangevuld met een zinsnede, die luidt als volgt:
  "In het bijzonder ondersteunt het centrum de scholen of centra bij het doen van gepaste en redelijke aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen en verricht het handelingsgerichte diagnostiek naargelang de noden van de leerlingen.".
Art. IV.3. L'article 23 du même décret est complété par un membre de phrase, rédigé comme suit :
  " Le centre appuie notamment les écoles ou centres dans la réalisation d'aménagements appropriés et raisonnables, dont des mesures correctrices, différenciantes, compensatoires ou dispensatoires, et effectue un diagnostic visant l'action suivant les besoins des élèves. ".
Art. IV.4. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2015 voor inschrijvingen die betrekking hebben op het schooljaar 2015-2016.
Art. IV.4. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2015 pour ce qui est des inscriptions portant sur l'année scolaire 2015-2016.
HOOFDSTUK V. - Onderwijsinspectie
CHAPITRE V. - Inspection de l'enseignement
Art. V.1. In het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs wordt een artikel 43bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 43bis. § 1. De onderwijsinspectie is belast met het kwaliteitstoezicht op de diagnostische praktijk van de centra voor leerlingenbegeleiding in functie van de opmaak van de verslagen, vermeld in de artikelen 15 en 16 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en in de artikelen 294 en 352 van de Codex Secundair Onderwijs.
  Dit kwaliteitstoezicht kan afzonderlijk van de doorlichting uitgevoerd worden. Als beide doorlichtingen ingepland zijn tijdens hetzelfde schooljaar, gebeuren ze geïntegreerd.
  De inspectie stemt voor de uitvoering van deze opdrachten af met het Team Inspectie Personen met een Handicap van de Zorginspectie, zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap Zorginspectie.
  De inspectie rapporteert jaarlijks over het kwaliteitstoezicht aan de Vlaamse Regering.
  § 2. De onderwijsinspectie is tevens belast met de toekenning van vrijstelling van leerplicht en het adviseren over aanvragen voor permanent onderwijs aan huis.".
Art. V.1. Dans le décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, il est inséré un article 43bis rédigé comme suit :
  " Art. 43bis. § 1er. L'inspection de l'enseignement est chargée du contrôle de la qualité sur la pratique diagnostique des centres d'éducation des élèves en fonction de la rédaction des rapports visés aux articles 15 et 16 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental et aux articles 294 et 352 du Code de l'Enseignement secondaire.
  Ce contrôle de la qualité peut être effectué séparément de l'audit. Si les deux audits sont prévus au cours de la même année scolaire, ils se font de façon intégrée.
  Pour l'accomplissement de ces missions, l'inspection se concerte avec l'Equipe Inspection des Personnes handicapées, tel qu'il est fixé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 mars 2004 portant création de l'agence autonomisée interne Zorginspectie.
  L'inspection fait annuellement rapport au Gouvernement flamand sur le contrôle de la qualité.
  § 2. L'inspection de l'enseignement est également chargée de l'octroi d'une dispense de l'obligation scolaire et de rendre des avis sur les demandes d'enseignement permanent en milieu familial. ".
Art. V.2. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 april 2014.
Art. V.2. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er avril 2014.
HOOFDSTUK VI. - Ondersteuning in scholen en competentieontwikkeling van personeelsleden
CHAPITRE VI. - Soutien dans les écoles et développement des compétences des membres du personnel
Art. VI.1. § 1. [2 ...]2
  § 2. [1 [2 ...]2.]1
  § 3. De Vlaamse Regering voorziet vanaf 1 september 2013 in een extra begeleidingskorps van 4 voltijdse betrekkingen voor de ontwikkeling en de ondersteuning van de implementatie van handelingsgerichte diagnostische protocollen en ICF in de centra voor leerlingenbegeleiding.
  De Vlaamse Regering verleent daartoe een verlof wegens bijzondere opdracht aan personeelsleden tewerkgesteld in het gemeenschapsonderwijs of in de instellingen en de centra van het gesubsidieerd onderwijs.
  § 4. De Vlaamse Regering voorziet vanaf 1 september 2013 in een extra begeleidingskorps voor het Overleg Kleine Onderwijsverstrekkers van 2 voltijdse betrekkingen voor de opdrachten als vermeld in § 2, tweede lid, 1° tot 5°. Deze personeelsleden kunnen voor de uitvoering van hun opdracht samenwerken met de personeelsleden aangesteld in toepassing van paragraaf 2.
  De Vlaamse Regering verleent daartoe aan deze personeelsleden een verlof wegens bijzondere opdracht.
  § 5. De Vlaamse Regering sluit met betrekking tot de opdrachten beschreven in paragraaf 3 een convenant af met het GO Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, de representatieve verenigingen van inrichtende machten en de vrije CLB-koepel waarin minimaal de doelstellingen, de uitvoeringsvoorwaarden en de te verwachten resultaten bepaald zullen worden. Met betrekking tot de opdrachten beschreven in paragraaf 4 sluit de Vlaamse Regering een convenant af met het Overleg Kleine Onderwijsverstrekkers.
  
Art. VI.1. § [2 ...]2.
  § 2. [1 [2 ...]2.]1
  § 3. A partir du 1er septembre 2013, le Gouvernement flamand pourvoit à une équipe d'encadrement supplémentaire de 4 emplois à temps plein pour le développement et l'appui de l'implémentation des protocoles diagnostiques axés sur les actions et d'ICF dans les centres d'encadrement des élèves.
  A cet effet, le Gouvernement flamand accorde un congé pour mission spéciale aux membres du personnel employés dans l'enseignement communautaire ou dans les établissements et les centres de l'enseignement subventionné.
  § 4. A partir du 1er septembre 2013, le Gouvernement flamand pourvoit à une équipe d'encadrement supplémentaire pour la " Overleg Kleine Onderwijsverstrekkers " (Concertation petits dispensateurs d'enseignement) de 2 emplois à temps plein pour les missions telles que visées au § 2, deuxième alinéa, 1° à 5°. Pour l'accomplissement de leur charge, ces membres du personnel peuvent coopérer avec les membres du personnel désignés en application du paragraphe 2.
  A cet effet, le Gouvernement flamand accorde à ces membres du personnel un congé pour mission spéciale.
  § 5. Le Gouvernement flamand conclut par rapport aux charges décrites au paragraphe 3, une convention avec l'Enseignement communautaire flamand GO, les associations représentatives des pouvoirs organisateurs, et la " Vrije-CLB-Koepel " (organisation coordinatrice libre CLB) dans laquelle seront décrits les objectifs, les conditions d'exécution et les résultats escomptés. Pour ce qui est des missions décrites au paragraphe 4, le Gouvernement flamand conclut une convention avec la " Overleg Kleine Onderwijsverstrekkers ".
  
Art. VI.2. Artikel XI.2. van het decreet van 19 juli 2013 betreffende het onderwijs XXIII wordt opgeheven.
Art. VI.2. L'article XI.2. du décret du 19 juillet 2013 relatif à l'enseignement XXIII est abrogé.
Art. VI.3. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2013.
Art. VI.3. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er septembre 2013.
HOOFDSTUK VII. - Andere bepalingen
CHAPITRE VII. - Autres dispositions
Afdeling 1. - Koninklijk besluit tot vaststelling van de wijze waarop voor de Rijksinstituten voor buitengewoon onderwijs en de tehuizen van het Rijk de ambten worden bepaald van het paramedisch personeel en van het personeel toegekend in het kader van het internaat
Section 1re. - L'arrêté royal fixant la façon de déterminer, pour les instituts d'enseignement spécial de l'Etat et les homes de l'Etat, les fonctions du personnel paramédical et du personnel attribué dans le cadre de leur internat
Art. VII.1. In artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 184 van 30 december 1982 tot vaststelling van de wijze waarop voor de Rijksinstituten voor buitengewoon onderwijs en de tehuizen van het Rijk de ambten worden bepaald van het paramedisch personeel en van het personeel toegekend in het kader van het internaat, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de tweede rij van de tabel wordt de zinsnede "1." vervangen door "basisaanbod.";
  2° de vijftiende rij van de tabel wordt vervangen door wat volgt:
  "9. basisonderwijs: 8,1";
  3° er wordt een zestiende rij in de tabel toegevoegd, die luidt als volgt:
  "secundair onderwijs: 6,3".
Art. VII.1. A l'article 7 de l'arrêté royal n° 184 du 30 décembre 1982 fixant la façon de déterminer, pour les instituts d'enseignement spécial de l'Etat et les homes de l'Etat, les fonctions du personnel paramédical et du personnel attribué dans le cadre de leur internat, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 novembre 2002, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans la deuxième rangée du tableau, le membre de phrase " type 1. " est remplacé par le membre de phrase " type offre de base. " ;
  2° la quinzième rangée du tableau est remplacée par ce qui suit :
  " 9. enseignement fondamental : 8,1 " ;
  3° il est ajouté une seizième rangée dans le tableau, rédigée comme suit :
  " enseignement secondaire : 6,3 ".
Art. VII.2. In artikel 9 van hetzelfde koninklijk besluit worden de paragrafen 4, 5 en 6 opgeheven.
Art. VII.2. A l'article 9 de l'arrêté royal, les paragraphes 4, 5 et 6 sont abrogés.
Afdeling 2. - Decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I
Section 2. - Le décret du 28 juin 2002 relatif à l'égalité des chances en éducation-I
Art. VII.3. In artikel IV.7 van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I, gewijzigd bij het decreet van 25 november 2011, wordt een paragraaf 4 toege- voegd, die luidt als volgt:
  " § 4. Wanneer de Commissie ten gronde adviseert en oordeelt naar recht over klachten die betrekking hebben op de toepassing van artikel 37undecies van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 110/11 van de Codex Secundair Onderwijs dan wordt de samenstelling van de Commissie, in afwijking van paragraaf 1 en paragraaf 2, uitgebreid met leden met expertise op het gebied van de praktische realisatie van redelijke aanpassingen. Daarbij wordt, in afwijking van paragraaf 1 en paragraaf 2, in elk geval de betrokkenheid verzekerd van personen met een handicap of een organisatie die hen vertegenwoordigt, van een personeelsvertegenwoordiging en een vertegenwoordiging van de onderwijsverstrekkers.".
Art. VII.3. A l'article IV.7 du décret du 28 juin 2002 relatif à à l'égalité des chances en éducation-I, modifié par le décret du 25 novembre 2011, il est ajouté un paragraphe 4, ainsi rédigé :
  " § 4. Lorsque la Commission émet des avis et se prononce en droit sur des plaintes portant sur l'application de l'article 37undecies du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental et de l'article 110/11 du Code de l'Enseignement secondaire, la composition de la Commission est, par dérogation aux paragraphes 1er et 2, étendue par des membres ayant de l'expertise dans le domaine de la réalisation pratique d'aménagements raisonnables. Ici, par dérogation aux paragraphes 1er et 2, la participation des personnes handicapées ou d'une organisation que les représente, d'une représentation des personnels et d'une représentation des dispensateurs d'enseignement est assurée. ".
Afdeling 3. - Overgangsbepaling
Section 3. - Disposition transitoire
Art. VII.4. De leerlingen met een inschrijvingsverslag voor type 1 of 8, of opleidingsvorm 3, type 1, uitgereikt voor de inwerkingtreding van dit decreet en die ingeschreven zijn in een school voor buitengewoon onderwijs, blijven voor de duur van hun inschrijving in het betreffende onderwijsniveau en op basis van een aparte telling, in aanmerking komen voor de berekening van omkadering en werkingsmiddelen volgens de normen van het type basisaanbod.
Art. VII.4. Les élèves en possession d'un rapport d'inscription pour le type 1 ou 8, ou pour la forme d'enseignement 3, type 1, délivré avant l'entrée en vigueur du présent décret, et inscrits à une école d'enseignement spécial, continuent, pour la durée de leur inscription dans le niveau d'enseignement concerné et sur la base d'un comptage séparé, à entrer en ligne de compte pour le calcul de l'encadrement et des moyens de fonctionnement suivant les normes du type offre de base.
Afdeling 4. - Opheffingen
Section 4. - Abrogations
Art.VII.5. Het koninklijk besluit van 27 juli 1971 houdende organisatiemodaliteiten van de begeleiding der leerlingen die instellingen of afdelingen voor buitengewoon onderwijs volgen, wordt opgeheven.
Art.VII.5. L'arrêté royal du 27 juillet 1971 fixant les modalités d'organisation de la guidance des élèves fréquentant les établissements ou sections d'enseignement spécial, est abrogé.
Art.VII.6. Het koninklijk besluit van 28 juni 1978 houdende de omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs, wordt opgeheven.
Art.VII.6. L'arrêté royal du 28 juin 1978 portant définition des types et organisation de l'enseignement spécial et déterminant les conditions d'admission et de maintien dans les divers niveaux d'enseignement spécial, est abrogé.
Art. VII.7. Het ministerieel besluit van 19 september 1978 tot omschrijving van de inhoud en de bestemmelingen van het inschrijvingsverslag voorzien bij artikel 294 van de Codex Secundair Onderwijs, wordt opgeheven.
Art. VII.7. L'arrêté ministériel du 19 septembre 1978 déterminant le contenu et les destinataires du rapport d'inscription prévu à l'article 294 du Code de l'Enseignement secondaire, est abrogé.
Art. VII.8. Het ministerieel besluit van 31 maart 1980 houdende oprichting van de overlegcommissie ter uitvoering van artikel 26 van het koninklijk besluit van 28 juni 1978 houdende de omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs, wordt opgeheven.
Art. VII.8. L'arrêté ministériel du 31 mars 1980 relatif à la création de la commission administrative en exécution de l'article 26 de l'arrêté royal du 28 juin 1978 portant définition des types et organisation de l'enseignement spécial et déterminant les conditions d'admission et de maintien dans les divers niveaux d'enseignement spécial, est abrogé.
Art. VII.9. Het ministerieel besluit van 31 maart 1980 tot oprichting van de kwalificatiecommissie zoals voorzien in de artikelen 39, 40, 41 en 42, van het koninklijk besluit van 28 juni 1978 houdende de omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs, wordt opgeheven.
Art. VII.9. L'arrêté ministériel du 31 mars 1980 portant création du jury de qualification prévu aux articles 39, 40, 41 et 42 de l'arrêté royal du 28 juin 1978 portant définition des types et organisation de l'enseignement spécial et déterminant les conditions d'admission et de maintien dans les divers niveaux d'enseignement spécial est abrogé.
Art. VII.10. Het ministerieel besluit van 15 april 1980 houdende vaststelling van het model van kwalificatiegetuigschrift buitengewoon secundair beroepsonderwijs, zoals vermeld in artikel 43 van het koninklijk besluit van 28 juni 1978 houdende de omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs, wordt opge- heven.
Art. VII.10. L'arrêté ministériel du 15 avril 1980 fixant le modèle du certificat de qualification d'enseignement spécial secondaire professionnel tel qu'il est prévu à l'article 43 de l'arrêté royal du 28 juin 1978, portant définition des types et organisation de l'enseignement spécial et déterminant les conditions d'admission et de maintien dans les divers niveaux d'enseignement spécial, est abrogé.
Art. VII.11. Het ministerieel besluit van 15 april 1980 houdende vaststelling van het model van attest voor het buitengewoon secundair beroepsonderwijs, zoals vermeld in artikel 39, § 2, van het koninklijk besluit van 28 juni 1978 houdende de omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs, wordt opgeheven.
Art. VII.11. L'arrêté ministériel du 15 avril 1980 fixant le modèle du certificat d'enseignement spécial secondaire professionnel tel qu'il est prévu à l'article 39, § 2, de l'arrêté royal du 28 juin 1978 portant définition des types et organisation de l'enseignement spécial et déterminant les conditions d'admission et de maintien dans les divers niveaux d'enseignement spécial, est abrogé.
Art. VII.12. Het ministerieel besluit van 15 april 1980 houdende vaststelling van het model van attest voor buitengewoon secundair onderwijs tot sociale aanpassing zoals vermeld in artikel 31 van het koninklijk besluit van 28 juni 1978 houdende de omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs, wordt opge- heven.
Art. VII.12. L'arrêté ministériel du 15 avril 1980 fixant le modèle du certificat d'enseignement spécial secondaire d'adaptation sociale tel qu'il est prévu à l'article 31 de l'arrêté royal du 28 juin 1978 portant définition des types et organisation de l'enseignement spécial et déterminant les conditions d'admission et de maintien dans les divers niveaux d'enseignement spécial, est abrogé.
Art. VII.13. Het ministerieel besluit van 15 april 1980 houdende vaststelling van het model van attest voor het buitengewoon secundair onderwijs tot sociale aanpassing en arbeidsgeschiktmaking zoals vermeld bij artikel 35 van het koninklijk besluit van 28 juni 1978 houdende de omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onder- wijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs, wordt opgeheven.
Art. VII.13. L'arrêté ministériel du 15 avril 1980 fixant le modèle du certificat d'enseignement spécial secondaire d'adaptation sociale et professionnelle, tel qu'il est prévu à l'article 35 de l'arrêté royal du 28 juin 1978 portant définition des types et organisation de l'enseignement spécial et déterminant les conditions d'admission et de maintien dans les divers niveaux d'enseignement spécial, est abrogé.
Afdeling 5. - Inwerkingtreding
Section 5. - Entrée en vigueur
Art. VII.14. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2015 voor inschrijvingen die betrekking hebben op het schooljaar 2015-2016, met uitzondering van artikel VII.2 dat in werking treedt op 1 april 2014, de artikelen VII.5, VII.8, VII.9, VII.10, VII.11, VII.12 en VII.13 die in werking treden op 1 september 2014 en de artikelen VII.1, VII.6 en VII.7 die in werking treden op 1 september 2015.
Art. VII.14. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2015 pour ce qui est des inscriptions portant sur l'année scolaire 2015-2016, à l'exception de l'article VII.2, qui entre en vigueur le 1er avril 2014, des articles VII.5, VII.8, VII.9, VII.10, VII.11, VII.12 et VII.13, qui entrent en vigueur le 1er septembre 2014 et des articles VII.1, VII.6 et VII.7, qui entrent en vigueur le 1er septembre 2015.