Artikel 1. Aan artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling in het gewoon basisonderwijs, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 14 juli 2004, 30 september 2005 en 9 november 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. Onder bewijs van pedagogische bekwaamheid wordt verstaan:
  1° het diploma van onderwijzer;
  2° het diploma van bachelor in het onderwijs: lager onderwijs;
  3° het diploma van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs, afgekort GHSO;
  4° het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs-groep 2, afgekort GVSO-groep 2;
  5° het diploma van geaggregeerde voor het onderwijs, afgekort GVO;
  6° het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs, afgekort GLSO;
  7° het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs-groep 1, afgekort GVSO-groep 1;
  8° het diploma van bachelor in het onderwijs: secundair onderwijs;
  9° het getuigschrift van middelbare technische normaalleergangen;
  10° het getuigschrift van normaalleergangen;
  11° het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid;
  12° het getuigschrift van pedagogische leergangen;
  13° het diploma van kleuteronderwijzer;
  14° het diploma van bachelor in het onderwijs: kleuteronderwijs;
  15° het diploma van de voortgezette lerarenopleiding kleuteronderwijs;
  16° het diploma van de voortgezette lerarenopleiding lager onderwijs;
  17° het diploma van leraar, uitgereikt door een specifieke lerarenopleiding, zoals bepaald in het decreet van 15 december 2006 betreffende de lerarenopleidingen in Vlaanderen, met uitzondering van het diploma van leraar dans.".
  2° er wordt een paragraaf 5 ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 5. Voor de toepassing van dit besluit moet de onderwijscyclus voor de normaalleergangen, de pedagogische leergangen, het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie en de pedagogische getuigschriften, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs, ten minste 450 lestijden hebben omvat. Dat geldt ook als ze voor de toepassing van dit besluit beschouwd worden als een basisdiploma.".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
14 FEBRUARI 2014. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling in het gewoon basisonderwijs
Titre
14 FEVRIER 2014. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand modifiant l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 27 juin 1990 relatif aux titres, aux Ă©chelles de traitement et au statut pĂ©cuniaire dans l'enseignement fondamental ordinaire
Documentinformatie
Info du document
Tekst (17)
Texte (16)
Article 1er. A l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 27 juin 1990 relatif aux titres, aux Ă©chelles de traitement et au statut pĂ©cuniaire dans l'enseignement fondamental ordinaire, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 14 juillet 2004, 30 septembre 2005 et 9 novembre 2007, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Par certificat d'aptitudes pédagogiques, il faut entendre :
  1° le diplÎme d'instituteur primaire :
  2° le diplÎme de bachelor en enseignement : enseignement primaire ;
  3° le diplÎme d'agrégé de l'enseignement secondaire supérieur, en abrégé AESS ;
  4° le diplÎme d'agrégé de l'enseignement secondaire-groupe 2, en abrégé AES-groupe 2 ;
  5° le diplÎme d'agrégé de l'enseignement, en abrégé AE ;
  6° le diplÎme d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur, en abrégé AESI ;
  7° le diplÎme d'agrégé de l'enseignement secondaire-groupe 1, en abrégé AES-groupe 1 ;
  8° le diplÎme de bachelor en enseignement : enseignement primaire ;
  9° le certificat des cours normaux techniques moyens ;
  10° le certificat de cours normaux ;
  11° le certificat d'aptitudes pédagogiques ;
  12° le certificat de cours pédagogiques ;
  13° le diplÎme d'instituteur préscolaire ;
  14° le diplÎme de bachelor en enseignement : enseignement maternel ;
  15° le diplÎme de formation continue des enseignants pour l'enseignement maternel ;
  16° le diplÎme de formation continue des enseignants pour l'enseignement primaire ;
  17° le diplÎme d'enseignant, délivré aprÚs une formation spécifique des enseignants, tel que fixé au décret du 15 décembre 2006 relatif aux formations des enseignants en Flandre, à l'exception du diplÎme de professeur de danse. ".
  2° il est ajouté un paragraphe 5, rédigé comme suit :
  " § 5. Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, il faut que pour les cours normaux, les cours pĂ©dagogiques, l'enseignement supĂ©rieur pĂ©dagogique de type court et de promotion sociale, l'enseignement supĂ©rieur pĂ©dagogique de promotion sociale et pour les certificats pĂ©dagogiques dĂ©livrĂ©s par un centre d'Ă©ducation des adultes, le cycle d'enseignement ait comportĂ© au moins 450 pĂ©riodes de cours. Ceci vaut Ă©galement s'ils sont considĂ©rĂ©s pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ© comme un diplĂŽme de base. ".
  1° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Par certificat d'aptitudes pédagogiques, il faut entendre :
  1° le diplÎme d'instituteur primaire :
  2° le diplÎme de bachelor en enseignement : enseignement primaire ;
  3° le diplÎme d'agrégé de l'enseignement secondaire supérieur, en abrégé AESS ;
  4° le diplÎme d'agrégé de l'enseignement secondaire-groupe 2, en abrégé AES-groupe 2 ;
  5° le diplÎme d'agrégé de l'enseignement, en abrégé AE ;
  6° le diplÎme d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur, en abrégé AESI ;
  7° le diplÎme d'agrégé de l'enseignement secondaire-groupe 1, en abrégé AES-groupe 1 ;
  8° le diplÎme de bachelor en enseignement : enseignement primaire ;
  9° le certificat des cours normaux techniques moyens ;
  10° le certificat de cours normaux ;
  11° le certificat d'aptitudes pédagogiques ;
  12° le certificat de cours pédagogiques ;
  13° le diplÎme d'instituteur préscolaire ;
  14° le diplÎme de bachelor en enseignement : enseignement maternel ;
  15° le diplÎme de formation continue des enseignants pour l'enseignement maternel ;
  16° le diplÎme de formation continue des enseignants pour l'enseignement primaire ;
  17° le diplÎme d'enseignant, délivré aprÚs une formation spécifique des enseignants, tel que fixé au décret du 15 décembre 2006 relatif aux formations des enseignants en Flandre, à l'exception du diplÎme de professeur de danse. ".
  2° il est ajouté un paragraphe 5, rédigé comme suit :
  " § 5. Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, il faut que pour les cours normaux, les cours pĂ©dagogiques, l'enseignement supĂ©rieur pĂ©dagogique de type court et de promotion sociale, l'enseignement supĂ©rieur pĂ©dagogique de promotion sociale et pour les certificats pĂ©dagogiques dĂ©livrĂ©s par un centre d'Ă©ducation des adultes, le cycle d'enseignement ait comportĂ© au moins 450 pĂ©riodes de cours. Ceci vaut Ă©galement s'ils sont considĂ©rĂ©s pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ© comme un diplĂŽme de base. ".
Art. 2. Aan artikel 5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 14 juli 2004, 30 september 2005 en 24 april 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1 wordt de volgende zin toegevoegd:
  "Ze kunnen eveneens uitgereikt zijn na het volgen van een opleiding die door wet of decreet gelijkgesteld is met een opleiding aan een Belgische universiteit of een door de staat of door de gemeenschap georganiseerde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling.";
  2° in paragraaf 2, 2° wordt tussen de woorden "met toepassing" en de woorden "van de procedure" de zinsnede "tot 31 augustus 2011" ingevoegd;
  3° aan paragraaf 2, eerste lid, wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "6° met ingang van 1 september 2011, met toepassing van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap en het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.".
  1° aan paragraaf 1 wordt de volgende zin toegevoegd:
  "Ze kunnen eveneens uitgereikt zijn na het volgen van een opleiding die door wet of decreet gelijkgesteld is met een opleiding aan een Belgische universiteit of een door de staat of door de gemeenschap georganiseerde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling.";
  2° in paragraaf 2, 2° wordt tussen de woorden "met toepassing" en de woorden "van de procedure" de zinsnede "tot 31 augustus 2011" ingevoegd;
  3° aan paragraaf 2, eerste lid, wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "6° met ingang van 1 september 2011, met toepassing van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap en het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.".
Art. 2. A l'article 5 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 14 juillet 2004, 30 septembre 2005 et 24 avril 2009, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° le paragraphe 1er est complété par la phrase suivante :
  " Ils peuvent Ă©galement ĂȘtre dĂ©livrĂ©s aprĂšs participation Ă une formation assimilĂ©e en vertu d'une loi ou d'un dĂ©cret Ă une formation dispensĂ©e par une universitĂ© belge ou un Ă©tablissement d'enseignement organisĂ©, subventionnĂ© ou agréé par l'Etat ou la CommunautĂ©. " ;
  2° dans le paragraphe 2, 2°, le membre de phrase " jusqu'au 31 août 2011 " est inséré entre les mots " en application " et les mots " de la procédure " ;
  3° au paragraphe 2, alinéa premier, est ajouté un point 6°, rédigé comme suit :
  " 6° à partir du 1er septembre 2011, en application du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010, du décret du 10 juillet 2008 relatif au systÚme d'apprentissage et de travail en Communauté flamande et du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes. ".
  1° le paragraphe 1er est complété par la phrase suivante :
  " Ils peuvent Ă©galement ĂȘtre dĂ©livrĂ©s aprĂšs participation Ă une formation assimilĂ©e en vertu d'une loi ou d'un dĂ©cret Ă une formation dispensĂ©e par une universitĂ© belge ou un Ă©tablissement d'enseignement organisĂ©, subventionnĂ© ou agréé par l'Etat ou la CommunautĂ©. " ;
  2° dans le paragraphe 2, 2°, le membre de phrase " jusqu'au 31 août 2011 " est inséré entre les mots " en application " et les mots " de la procédure " ;
  3° au paragraphe 2, alinéa premier, est ajouté un point 6°, rédigé comme suit :
  " 6° à partir du 1er septembre 2011, en application du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010, du décret du 10 juillet 2008 relatif au systÚme d'apprentissage et de travail en Communauté flamande et du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes. ".
Art. 3. Aan artikel 6 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse regering van 14 juli 2004 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 september 2005, 1 september 2006, 9 november 2007 en 10 september 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het punt 2bis wordt vervangen door wat volgt:
  "2bis. het diploma van master;";
  2° het punt 34bis wordt vervangen door wat volgt:
  "34bis. het diploma van professioneel gerichte bachelor;";
  3° er wordt een punt 34ter ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "34ter. het diploma van academisch gerichte bachelor;";
  4° er wordt een punt 56bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "56bis. een certificaat of diploma, uitgereikt na het volgen van een modulaire opleiding in het secundair volwassenenonderwijs, die ingevoerd is vanaf 1 september 2011 en niet gerangschikt is als bso2, bso3, bso4, tso2 of tso3;";
  5° aan de bestaande tekst, die paragraaf 1 zal vormen, wordt een paragraaf 2 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 2. Voor de toepassing van dit besluit moet de onderwijscyclus voor de basisdiploma's uitgereikt in het onderwijs voor sociale promotie of door een centrum voor volwassenenonderwijs ten minste 900 lestijden hebben omvat.".
  1° het punt 2bis wordt vervangen door wat volgt:
  "2bis. het diploma van master;";
  2° het punt 34bis wordt vervangen door wat volgt:
  "34bis. het diploma van professioneel gerichte bachelor;";
  3° er wordt een punt 34ter ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "34ter. het diploma van academisch gerichte bachelor;";
  4° er wordt een punt 56bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "56bis. een certificaat of diploma, uitgereikt na het volgen van een modulaire opleiding in het secundair volwassenenonderwijs, die ingevoerd is vanaf 1 september 2011 en niet gerangschikt is als bso2, bso3, bso4, tso2 of tso3;";
  5° aan de bestaande tekst, die paragraaf 1 zal vormen, wordt een paragraaf 2 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 2. Voor de toepassing van dit besluit moet de onderwijscyclus voor de basisdiploma's uitgereikt in het onderwijs voor sociale promotie of door een centrum voor volwassenenonderwijs ten minste 900 lestijden hebben omvat.".
Art. 3. A l'article 6 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 14 juillet 2004 et modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 30 septembre 2005, 1er septembre 2006, 9 novembre 2007 et 10 septembre 2010, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° le point 2° est remplacé par la disposition suivante :
  " 2bis. le diplÎme de master ; " ;
  2° le point 34bis est remplacé par la disposition suivante :
  " 34bis. le diplÎme de bachelor à orientation professionnelle ; " ;
  3° il est inséré un point 34ter, rédigé comme suit :
  " 34ter. le diplÎme de bachelor à orientation académique ; " ;
  4° il est inséré un point 56bis, rédigé comme suit :
  " 56bis. un certificat ou diplÎme, délivré à l'issue d'une formation modulaire dans l'enseignement secondaire des adultes, introduite à partir du 1er septembre 2011 et n'étant pas classée BSO2, BSO3, BSO4, TSO2 ou TSO3 ; " ;
  5° au texte actuel qui formera le paragraphe 1er, il est ajouté un paragraphe 2, rédigé comme suit :
  " § 2. Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, le cycle d'enseignement pour les diplĂŽmes de base dĂ©livrĂ©s par l'enseignement de promotion sociale ou par un centre d'Ă©ducation des adultes, doit avoir comportĂ© au moins 900 pĂ©riodes de cours. ".
  1° le point 2° est remplacé par la disposition suivante :
  " 2bis. le diplÎme de master ; " ;
  2° le point 34bis est remplacé par la disposition suivante :
  " 34bis. le diplÎme de bachelor à orientation professionnelle ; " ;
  3° il est inséré un point 34ter, rédigé comme suit :
  " 34ter. le diplÎme de bachelor à orientation académique ; " ;
  4° il est inséré un point 56bis, rédigé comme suit :
  " 56bis. un certificat ou diplÎme, délivré à l'issue d'une formation modulaire dans l'enseignement secondaire des adultes, introduite à partir du 1er septembre 2011 et n'étant pas classée BSO2, BSO3, BSO4, TSO2 ou TSO3 ; " ;
  5° au texte actuel qui formera le paragraphe 1er, il est ajouté un paragraphe 2, rédigé comme suit :
  " § 2. Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, le cycle d'enseignement pour les diplĂŽmes de base dĂ©livrĂ©s par l'enseignement de promotion sociale ou par un centre d'Ă©ducation des adultes, doit avoir comportĂ© au moins 900 pĂ©riodes de cours. ".
Art. 4. In artikel 7, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2004 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 9 november 2007, 24 oktober 2008 en 10 september 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 6° wordt vervangen door wat volgt:
  "6° bachelor:
  a) een diploma van professioneel gerichte bachelor, als vermeld in artikel 6, punt 34bis;
  b) een diploma van academisch gerichte bachelor, als vermeld in artikel 6, punt 34ter;";
  2° in punt 7° worden de woorden "professioneel gerichte" en "afgekort ten minste PBA" opgeheven;
  3° in punt 8bis wordt het woord "PBA" vervangen door het woord "bachelor";
  4° in punt 8quater en punt 22° wordt het getal "56" vervangen door het getal "56bis";
  5° aan punt 20° wordt een streepje toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "- het certificaat van een opleiding secundair-na-secundair (Se-n-Se), uitgereikt in het technisch secundair onderwijs vanaf 1 september 2010, met de beperking evenwel dat hieruit voor de periode van 1 september 2010 tot 14 oktober 2013 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de schoolbesturen met betrekking tot bezoldiging en terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling;";
  6° aan punt 21° wordt een streepje toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "- het certificaat van een opleiding secundair-na-secundair (Se-n-Se), uitgereikt in het kunstsecundair onderwijs vanaf 1 september 2010, met de beperking evenwel dat hieruit voor de periode van 1 september 2010 tot 14 oktober 2013 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de schoolbesturen met betrekking tot bezoldiging en terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling;";
  7° in punt 37 wordt het woord "PBA" telkens vervangen door het woord "bachelor";
  8° er wordt een punt 38° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "38° PBA: professioneel gerichte bachelor.".
  1° punt 6° wordt vervangen door wat volgt:
  "6° bachelor:
  a) een diploma van professioneel gerichte bachelor, als vermeld in artikel 6, punt 34bis;
  b) een diploma van academisch gerichte bachelor, als vermeld in artikel 6, punt 34ter;";
  2° in punt 7° worden de woorden "professioneel gerichte" en "afgekort ten minste PBA" opgeheven;
  3° in punt 8bis wordt het woord "PBA" vervangen door het woord "bachelor";
  4° in punt 8quater en punt 22° wordt het getal "56" vervangen door het getal "56bis";
  5° aan punt 20° wordt een streepje toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "- het certificaat van een opleiding secundair-na-secundair (Se-n-Se), uitgereikt in het technisch secundair onderwijs vanaf 1 september 2010, met de beperking evenwel dat hieruit voor de periode van 1 september 2010 tot 14 oktober 2013 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de schoolbesturen met betrekking tot bezoldiging en terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling;";
  6° aan punt 21° wordt een streepje toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "- het certificaat van een opleiding secundair-na-secundair (Se-n-Se), uitgereikt in het kunstsecundair onderwijs vanaf 1 september 2010, met de beperking evenwel dat hieruit voor de periode van 1 september 2010 tot 14 oktober 2013 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de schoolbesturen met betrekking tot bezoldiging en terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling;";
  7° in punt 37 wordt het woord "PBA" telkens vervangen door het woord "bachelor";
  8° er wordt een punt 38° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "38° PBA: professioneel gerichte bachelor.".
Art. 4. A l'article 7, § 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 14 juillet 2004 et modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 9 novembre 2007, 24 octobre 2008 et 10 septembre 2010, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° le point 6° est remplacé par la disposition suivante :
  " 6° bachelor :
  a) un diplÎme de bachelor à orientation professionnelle, tel que visé à l'article 6, point 34bis ;
  b) un diplÎme de bachelor à orientation académique, tel que visé à l'article 6, point 34ter ; " ;
  2° au point 7°, les mots " à orientation professionnelle " et " en abrégé au moins PBA " sont abrogés ;
  3° au point 8bis, le mot "PBA" est remplacé par le mot " bachelor " ;
  4° aux points 8quater et 22°, le nombre " 56 " est remplacé par le nombre " 56bis " ;
  5° au point 20° est ajouté un tiret, rédigé comme suit :
  " - le certificat d'une formation secondaire aprÚs secondaire (Se-n-Se), délivré dans l'enseignement secondaire technique à partir du 1er septembre 2010, avec la restriction que, pour la période du 1er septembre 2010 au 14 octobre 2013, cela n'a aucune répercussion pour les personnels et les autorités scolaires pour ce qui concerne la rémunération et la mise en disponibilité par défaut d'emploi, la réaffectation et la remise au travail ; " ;
  6° au point 21° est ajouté un tiret, rédigé comme suit :
  " - le certificat d'une formation secondaire aprÚs secondaire (Se-n-Se), délivré dans l'enseignement secondaire artistique à partir du 1er septembre 2010, avec la restriction que, pour la période du 1er septembre 2010 au 14 octobre 2013, il n'y a aucune répercussion pour les personnels et les autorités scolaires en ce qui concerne la rémunération et la mise en disponibilité par défaut d'emploi, la réaffectation et la remise au travail ; " ;
  7° dans le point 37, le mot " PBA " est chaque fois remplacé par le mot
  " bachelor " ;
  8° il est ajouté un point 38°, rédigé comme suit :
  " 38° PBA : bachelor à orientation professionnelle. ".
  1° le point 6° est remplacé par la disposition suivante :
  " 6° bachelor :
  a) un diplÎme de bachelor à orientation professionnelle, tel que visé à l'article 6, point 34bis ;
  b) un diplÎme de bachelor à orientation académique, tel que visé à l'article 6, point 34ter ; " ;
  2° au point 7°, les mots " à orientation professionnelle " et " en abrégé au moins PBA " sont abrogés ;
  3° au point 8bis, le mot "PBA" est remplacé par le mot " bachelor " ;
  4° aux points 8quater et 22°, le nombre " 56 " est remplacé par le nombre " 56bis " ;
  5° au point 20° est ajouté un tiret, rédigé comme suit :
  " - le certificat d'une formation secondaire aprÚs secondaire (Se-n-Se), délivré dans l'enseignement secondaire technique à partir du 1er septembre 2010, avec la restriction que, pour la période du 1er septembre 2010 au 14 octobre 2013, cela n'a aucune répercussion pour les personnels et les autorités scolaires pour ce qui concerne la rémunération et la mise en disponibilité par défaut d'emploi, la réaffectation et la remise au travail ; " ;
  6° au point 21° est ajouté un tiret, rédigé comme suit :
  " - le certificat d'une formation secondaire aprÚs secondaire (Se-n-Se), délivré dans l'enseignement secondaire artistique à partir du 1er septembre 2010, avec la restriction que, pour la période du 1er septembre 2010 au 14 octobre 2013, il n'y a aucune répercussion pour les personnels et les autorités scolaires en ce qui concerne la rémunération et la mise en disponibilité par défaut d'emploi, la réaffectation et la remise au travail ; " ;
  7° dans le point 37, le mot " PBA " est chaque fois remplacé par le mot
  " bachelor " ;
  8° il est ajouté un point 38°, rédigé comme suit :
  " 38° PBA : bachelor à orientation professionnelle. ".
Art. 5. Aan artikel 9, § 2, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2004, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Deze verklaring hoeft evenmin afgelegd te worden bij de aanwerving van een personeelslid dat de opleiding volgt voor het behalen van het vereiste bekwaamheidsbewijs bachelor in het onderwijs: kleuteronderwijs voor het ambt van kleuteronderwijzer of het vereiste bekwaamheidsbewijs bachelor in het onderwijs: lager onderwijs voor het ambt van onderwijzer.".
  "Deze verklaring hoeft evenmin afgelegd te worden bij de aanwerving van een personeelslid dat de opleiding volgt voor het behalen van het vereiste bekwaamheidsbewijs bachelor in het onderwijs: kleuteronderwijs voor het ambt van kleuteronderwijzer of het vereiste bekwaamheidsbewijs bachelor in het onderwijs: lager onderwijs voor het ambt van onderwijzer.".
Art. 5. A l'article 9, § 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 14 juillet 2004, il est ajoutĂ© un troisiĂšme alinĂ©a, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Cette déclaration n'est pas non plus requise lors du recrutement d'un membre du personnel qui suit la formation pour l'obtention du certificat requis de bachelor en enseignement : enseignement maternel pour la fonction d'instituteur préscolaire ou du certificat requis de bachelor en enseignement : enseignement primaire pour le fonction d'instituteur primaire. ".
  " Cette déclaration n'est pas non plus requise lors du recrutement d'un membre du personnel qui suit la formation pour l'obtention du certificat requis de bachelor en enseignement : enseignement maternel pour la fonction d'instituteur préscolaire ou du certificat requis de bachelor en enseignement : enseignement primaire pour le fonction d'instituteur primaire. ".
Art. 6. Artikel 11 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2004 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 november 2007, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 11. De personeelsleden bedoeld in artikel 2, worden bezoldigd overeenkomstig de salarisschalen vermeld in de bijlage bij dit besluit. Daarom wordt in de bijlage bij dit besluit, naast elk bekwaamheidsbewijs, de toe te kennen salarisschaal vermeld.
  Deze salarisschalen worden, met ingang van 1 december 2001, vastgesteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 november 2003, houdende de salarisschalen van bepaalde personeelsleden van het onderwijs.
  Met ingang van 15 oktober 2013 kan het personeelslid, aangesteld in het ambt van kleuteronderwijzer of in het ambt van onderwijzer, op basis van een bekwaamheidsbewijs van de categorie "andere" bekwaamheidsbewijzen, een hogere salarisschaal toegekend krijgen. De voorwaarde daarvoor is dat het personeelslid dat aangesteld is in het ambt van kleuteronderwijzer, de opleiding tot bachelor in het onderwijs: kleuteronderwijs volgt, en het personeelslid dat aangesteld is in het ambt van onderwijzer, de opleiding tot bachelor in het onderwijs: lager onderwijs. De toekenning van de hogere salarisschaal geldt uitsluitend tijdens de periode van maximaal vijf opeenvolgende kalenderjaren die aanvangt op de eerste dag van de maand waarin het personeelslid de opleiding effectief volgt en is van toepassing op alle opdrachten die het personeelslid in het betreffende ambt vervult.
  Het personeelslid levert bij de start en bij elke nieuwe aanstelling aan het schoolbestuur het bewijs van de inschrijving aan de lerarenopleiding, gedurende die opleiding alle nuttige informatie om de studievoortgang te kunnen opvolgen en meldt een eventueel stopzetten van de opleiding vooraleer de termijn van vijf jaar is verstreken. Het personeelslid heeft niet langer recht op de verhoogde salarisschaal die verbonden is aan het volgen van de opleiding:
  1° zodra het personeelslid de lerarenopleiding beëindigt zonder het behalen van het vereiste bekwaamheidsbewijs binnen de periode van vijf jaar;
  2° als de termijn van vijf jaar afloopt.
  Het personeelslid wordt na het verlies van het recht op een verhoogde salarisschaal bezoldigd in de laagste salarisschaal die verbonden is aan de categorie "andere" bekwaamheidsbewijzen.
  Het schoolbestuur brengt het Agentschap voor Onderwijsdiensten zo snel mogelijk na de ontvangst van de melding door het personeelslid dat het de opleiding tot bachelor in het onderwijs: kleuteronderwijs of de opleiding tot bachelor in het onderwijs: lager onderwijs gestart is of deze opleiding stopgezet heeft, op de hoogte.".
  "Art. 11. De personeelsleden bedoeld in artikel 2, worden bezoldigd overeenkomstig de salarisschalen vermeld in de bijlage bij dit besluit. Daarom wordt in de bijlage bij dit besluit, naast elk bekwaamheidsbewijs, de toe te kennen salarisschaal vermeld.
  Deze salarisschalen worden, met ingang van 1 december 2001, vastgesteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 november 2003, houdende de salarisschalen van bepaalde personeelsleden van het onderwijs.
  Met ingang van 15 oktober 2013 kan het personeelslid, aangesteld in het ambt van kleuteronderwijzer of in het ambt van onderwijzer, op basis van een bekwaamheidsbewijs van de categorie "andere" bekwaamheidsbewijzen, een hogere salarisschaal toegekend krijgen. De voorwaarde daarvoor is dat het personeelslid dat aangesteld is in het ambt van kleuteronderwijzer, de opleiding tot bachelor in het onderwijs: kleuteronderwijs volgt, en het personeelslid dat aangesteld is in het ambt van onderwijzer, de opleiding tot bachelor in het onderwijs: lager onderwijs. De toekenning van de hogere salarisschaal geldt uitsluitend tijdens de periode van maximaal vijf opeenvolgende kalenderjaren die aanvangt op de eerste dag van de maand waarin het personeelslid de opleiding effectief volgt en is van toepassing op alle opdrachten die het personeelslid in het betreffende ambt vervult.
  Het personeelslid levert bij de start en bij elke nieuwe aanstelling aan het schoolbestuur het bewijs van de inschrijving aan de lerarenopleiding, gedurende die opleiding alle nuttige informatie om de studievoortgang te kunnen opvolgen en meldt een eventueel stopzetten van de opleiding vooraleer de termijn van vijf jaar is verstreken. Het personeelslid heeft niet langer recht op de verhoogde salarisschaal die verbonden is aan het volgen van de opleiding:
  1° zodra het personeelslid de lerarenopleiding beëindigt zonder het behalen van het vereiste bekwaamheidsbewijs binnen de periode van vijf jaar;
  2° als de termijn van vijf jaar afloopt.
  Het personeelslid wordt na het verlies van het recht op een verhoogde salarisschaal bezoldigd in de laagste salarisschaal die verbonden is aan de categorie "andere" bekwaamheidsbewijzen.
  Het schoolbestuur brengt het Agentschap voor Onderwijsdiensten zo snel mogelijk na de ontvangst van de melding door het personeelslid dat het de opleiding tot bachelor in het onderwijs: kleuteronderwijs of de opleiding tot bachelor in het onderwijs: lager onderwijs gestart is of deze opleiding stopgezet heeft, op de hoogte.".
Art. 6. L'article 11 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 14 juillet 2004 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 novembre 2007, est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " Art. 11. Les membres du personnel visĂ©s Ă l'article 2 sont rĂ©munĂ©rĂ©s conformĂ©ment aux Ă©chelles de traitement figurant Ă l'annexe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©. A cette fin, l'annexe du prĂ©sent arrĂȘtĂ© indique, en regard de chaque titre, l'Ă©chelle de traitement Ă octroyer.
  Ces Ă©chelles de traitement sont, Ă partir du 1er dĂ©cembre 2001, fixĂ©es par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 21 novembre 2003 portant les Ă©chelles de traitement de certains membres du personnel de l'enseignement.
  A partir du 15 octobre 2013, le membre du personnel désigné dans la fonction d'instituteur préscolaire ou dans la fonction d'instituteur primaire, peut se voir octroyer une échelle de traitement supérieure, sur la base d'un titre de la catégorie " autres " titres, à condition que le membre du personnel désigné dans la fonction d'instituteur préscolaire suive la formation de bachelor en enseignement : enseignement maternel, et que le membre du personnel désigné dans la fonction d'instituteur primaire suive la formation de bachelor en enseignement : enseignement primaire. L'octroi de l'échelle de traitement supérieure vaut uniquement pendant la période de cinq années calendaires consécutives prenant cours le premier jour du mois dans lequel le membre du personnel suit effectivement la formation et d'applique à toutes les missions que le membre du personnel accomplit dans la fonction en question.
  Au dĂ©but et Ă chaque nouvelle dĂ©signation, le membre du personnel remet Ă l'autoritĂ© scolaire la preuve de son inscription Ă la formation des enseignants, et pendant cette formation toutes informations utiles permettant de suivre le dĂ©roulement de ses Ă©tudes ; il informera Ă©galement l'autoritĂ© scolaire de l'arrĂȘt Ă©ventuel de la formation avant l'expiration du dĂ©lai de cinq annĂ©es. Le membre du personnel n'a plus droit Ă l'Ă©chelle de traitement supĂ©rieur liĂ©e Ă la condition de suivre la formation des enseignants :
  1° dÚs que le membre du personnel termine la formation des enseignants sans avoir obtenu le titre requis dans le délai de cinq années ;
  2° à l'expiration du délai de cinq années.
  AprÚs la perte du droit à une échelle de traitement supérieure, le membre du personnel est rémunéré dans l'échelle de traitement la plus basse liée à la catégorie " autres " titres.
  L'autorité scolaire informe l' " Agentschap voor Onderwijsdiensten " (Agence de Services d'Enseignement) dans les plus brefs délais de la réception de la notification par le membre du personnel que la formation de bachelor en enseignement : enseignement maternel ou la formation de bachelor en enseignement : enseignement primaire a démarré ou qu'il a mis fin à la formation en question. ".
  " Art. 11. Les membres du personnel visĂ©s Ă l'article 2 sont rĂ©munĂ©rĂ©s conformĂ©ment aux Ă©chelles de traitement figurant Ă l'annexe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©. A cette fin, l'annexe du prĂ©sent arrĂȘtĂ© indique, en regard de chaque titre, l'Ă©chelle de traitement Ă octroyer.
  Ces Ă©chelles de traitement sont, Ă partir du 1er dĂ©cembre 2001, fixĂ©es par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 21 novembre 2003 portant les Ă©chelles de traitement de certains membres du personnel de l'enseignement.
  A partir du 15 octobre 2013, le membre du personnel désigné dans la fonction d'instituteur préscolaire ou dans la fonction d'instituteur primaire, peut se voir octroyer une échelle de traitement supérieure, sur la base d'un titre de la catégorie " autres " titres, à condition que le membre du personnel désigné dans la fonction d'instituteur préscolaire suive la formation de bachelor en enseignement : enseignement maternel, et que le membre du personnel désigné dans la fonction d'instituteur primaire suive la formation de bachelor en enseignement : enseignement primaire. L'octroi de l'échelle de traitement supérieure vaut uniquement pendant la période de cinq années calendaires consécutives prenant cours le premier jour du mois dans lequel le membre du personnel suit effectivement la formation et d'applique à toutes les missions que le membre du personnel accomplit dans la fonction en question.
  Au dĂ©but et Ă chaque nouvelle dĂ©signation, le membre du personnel remet Ă l'autoritĂ© scolaire la preuve de son inscription Ă la formation des enseignants, et pendant cette formation toutes informations utiles permettant de suivre le dĂ©roulement de ses Ă©tudes ; il informera Ă©galement l'autoritĂ© scolaire de l'arrĂȘt Ă©ventuel de la formation avant l'expiration du dĂ©lai de cinq annĂ©es. Le membre du personnel n'a plus droit Ă l'Ă©chelle de traitement supĂ©rieur liĂ©e Ă la condition de suivre la formation des enseignants :
  1° dÚs que le membre du personnel termine la formation des enseignants sans avoir obtenu le titre requis dans le délai de cinq années ;
  2° à l'expiration du délai de cinq années.
  AprÚs la perte du droit à une échelle de traitement supérieure, le membre du personnel est rémunéré dans l'échelle de traitement la plus basse liée à la catégorie " autres " titres.
  L'autorité scolaire informe l' " Agentschap voor Onderwijsdiensten " (Agence de Services d'Enseignement) dans les plus brefs délais de la réception de la notification par le membre du personnel que la formation de bachelor en enseignement : enseignement maternel ou la formation de bachelor en enseignement : enseignement primaire a démarré ou qu'il a mis fin à la formation en question. ".
Art. 7. In hetzelfde besluit wordt een artikel 12septies ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 12septies. § 1. Er worden overgangsmaatregelen toegekend aan de personeelsleden die in het bezit zijn van een van de volgende diploma's of getuigschriften:
  1° het diploma van de voortgezette lerarenopleiding zorgverbreding en remediërend leren;
  2° het diploma van bachelor in het onderwijs: zorgverbreding en remediërend leren;
  3° het diploma van de voortgezette studie van geaggregeerde voor het buitengewoon onderwijs;
  4° het diploma van de voortgezette studie van geaggregeerde voor het buitengewoon onderwijs en remedial teaching;
  5° het diploma van de voortgezette studie van remedial teacher;
  6° het diploma van de voortgezette lerarenopleiding buitengewoon onderwijs;
  7° het diploma van bachelor in het onderwijs: buitengewoon onderwijs;
  8° het bekwaamheidsgetuigschrift tot het geven van buitengewoon onderwijs.
  Zij moeten aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
  1° uiterlijk op 14 oktober 2013 vastbenoemd zijn;
  2° tijdens de schooljaren 2010-2011, 2011-2012, 2012-2013 of tijdens de periode van 1 september 2013 tot en met 14 oktober 2013 tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast geweest zijn met een opdracht in het onderwijs, met uitzondering van de hogescholen en universiteiten.
  § 2. De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, die op basis van de reglementering die van kracht was voor 15 oktober 2013 in het bezit waren van een bewijs van pedagogische bekwaamheid en vanaf 15 oktober 2013 krachtens de gewijzigde reglementering geen bewijs van pedagogische bekwaamheid meer hebben, worden geacht alsnog over een bewijs van pedagogische bekwaamheid te beschikken.
  § 3. De overgangsmaatregel, vermeld in paragraaf 2, wordt toegekend op 15 oktober 2013, rekening houdend met de onderstaande bepalingen:
  1° voor de personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, blijven de overgangsmaatregelen gelden, zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, met uitzondering van de hogescholen en universiteiten;
  2° voor de personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, blijven de overgangsmaatregelen gelden, zolang zij ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, met uitzondering van de hogescholen en universiteiten, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. De volgende perioden worden daarbij niet als een onderbreking beschouwd:
  a) de vakantieperioden;
  b) de loopbaanonderbreking;
  c) de militaire dienst;
  d) de perioden van wederoproeping;
  e) de ziekte- en bevallingsverloven;
  f) de onbezoldigde ouderschapsverloven;
  g) de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;
  h) de verloven van korte duur met behoud van salaris of salaristoelage ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;
  j) de verloven zonder behoud van salaris of salaristoelage voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;
  k) een onderbreking van een doorlopende periode van maximaal twee kalenderjaren.".
  "Art. 12septies. § 1. Er worden overgangsmaatregelen toegekend aan de personeelsleden die in het bezit zijn van een van de volgende diploma's of getuigschriften:
  1° het diploma van de voortgezette lerarenopleiding zorgverbreding en remediërend leren;
  2° het diploma van bachelor in het onderwijs: zorgverbreding en remediërend leren;
  3° het diploma van de voortgezette studie van geaggregeerde voor het buitengewoon onderwijs;
  4° het diploma van de voortgezette studie van geaggregeerde voor het buitengewoon onderwijs en remedial teaching;
  5° het diploma van de voortgezette studie van remedial teacher;
  6° het diploma van de voortgezette lerarenopleiding buitengewoon onderwijs;
  7° het diploma van bachelor in het onderwijs: buitengewoon onderwijs;
  8° het bekwaamheidsgetuigschrift tot het geven van buitengewoon onderwijs.
  Zij moeten aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
  1° uiterlijk op 14 oktober 2013 vastbenoemd zijn;
  2° tijdens de schooljaren 2010-2011, 2011-2012, 2012-2013 of tijdens de periode van 1 september 2013 tot en met 14 oktober 2013 tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast geweest zijn met een opdracht in het onderwijs, met uitzondering van de hogescholen en universiteiten.
  § 2. De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, die op basis van de reglementering die van kracht was voor 15 oktober 2013 in het bezit waren van een bewijs van pedagogische bekwaamheid en vanaf 15 oktober 2013 krachtens de gewijzigde reglementering geen bewijs van pedagogische bekwaamheid meer hebben, worden geacht alsnog over een bewijs van pedagogische bekwaamheid te beschikken.
  § 3. De overgangsmaatregel, vermeld in paragraaf 2, wordt toegekend op 15 oktober 2013, rekening houdend met de onderstaande bepalingen:
  1° voor de personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, blijven de overgangsmaatregelen gelden, zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, met uitzondering van de hogescholen en universiteiten;
  2° voor de personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, blijven de overgangsmaatregelen gelden, zolang zij ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, met uitzondering van de hogescholen en universiteiten, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. De volgende perioden worden daarbij niet als een onderbreking beschouwd:
  a) de vakantieperioden;
  b) de loopbaanonderbreking;
  c) de militaire dienst;
  d) de perioden van wederoproeping;
  e) de ziekte- en bevallingsverloven;
  f) de onbezoldigde ouderschapsverloven;
  g) de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;
  h) de verloven van korte duur met behoud van salaris of salaristoelage ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;
  j) de verloven zonder behoud van salaris of salaristoelage voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;
  k) een onderbreking van een doorlopende periode van maximaal twee kalenderjaren.".
Art. 7. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, il est insĂ©rĂ© un article 12septies, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 12septies. § 1er. Des mesures transitoires sont accordées aux membres du personnel titulaires d'un des diplÎmes ou certificats suivants :
  1° le diplÎme de la formation continue des enseignants encadrement renforcé et cours de rattrapage ;
  2° le diplÎme de bachelor en enseignement : encadrement renforcé et cours de rattrapage ;
  3° le diplÎme d'études complémentaires d'agrégé de l'enseignement spécial ;
  4° le diplÎme d'études complémentaires d'agrégé de l'enseignement spécial et de l'enseignement de rattrapage ;
  5° le diplÎme d'études complémentaires d'enseignant de rattrapage ;
  6° le diplÎme de formation continue des enseignants pour l'enseignement spécial ;
  7° le diplÎme de bachelor en enseignement : enseignement spécial ;
  8° le certificat d'aptitude à l'enseignement spécial ;
  lls doivent répondre à une des conditions suivantes :
  1° ĂȘtre nommĂ© Ă titre dĂ©finitif le 14 octobre 2013 au plus tard ;
  2° avoir été désigné temporairement à ou chargé temporairement d'une charge d'enseignement au cours des années scolaires 2010-2011, 2011-2013 ou 2012-2013 ou pendant la période du 1er septembre 2013 au 14 octobre 2013, à l'exception des charges dans les instituts supérieurs et les universités.
  § 2. Les membres du personnel visĂ©s au paragraphe 1er, qui Ă©taient porteurs d'un certificat d'aptitudes pĂ©dagogiques sur la base de la rĂ©glementation en vigueur avant le 15 octobre 2013 et qui n'ont plus de certificat d'aptitudes pĂ©dagogiques Ă partir du 15 octobre 2013 en vertu de la modification de la rĂ©glementation, sont censĂ©s toujours ĂȘtre porteur d'un certificat d'aptitudes pĂ©dagogiques.
  § 3. La mesure transitoire visée au paragraphe 2, est attribuée le 15 ocotbre 2013, en tenant compte des dispositions suivantes :
  1° ces mesures transitoires restent applicables aux membres du personnel visés au paragraphe premier, deuxiÚme alinéa, 1°, tant qu'ils sont occupés dans l'enseignement, à l'exception des instituts supérieurs et des universités ;
  2° ces mesures transitoires restent applicables aux membres du personnel visés au paragraphe premier, deuxiÚme alinéa, 2°, tant qu'ils sont occupés sans interruption dans l'enseignement, à l'exception des instituts supérieurs et des universités, et qu'ils sont financés ou subventionnés par la Communauté flamande. Les périodes suivantes ne sont pas considérées comme une interruption :
  a) les périodes de vacances ;
  b) l'interruption de carriÚre ;
  c) le service militaire ;
  d) les périodes de rappel sous les armes ;
  e) les congés de maladie et de maternité ;
  f) les congés parentaux non rémunérés ;
  g) les périodes d'écartement du risque de maladie professionnelle ou de protection de la maternité ;
  h) les congés de courte durée avec maintien du traitement ou de la subvention-traitement à l'occasion de certains événements d'ordre familial ou social ;
  j) les congés sans maintien du traitement ou de la subvention-traitement ne dépassant pas six jours ouvrables par année scolaire ;
  k) une interruption d'une période continue de deux années calendaires au maximum. ".
  " Art. 12septies. § 1er. Des mesures transitoires sont accordées aux membres du personnel titulaires d'un des diplÎmes ou certificats suivants :
  1° le diplÎme de la formation continue des enseignants encadrement renforcé et cours de rattrapage ;
  2° le diplÎme de bachelor en enseignement : encadrement renforcé et cours de rattrapage ;
  3° le diplÎme d'études complémentaires d'agrégé de l'enseignement spécial ;
  4° le diplÎme d'études complémentaires d'agrégé de l'enseignement spécial et de l'enseignement de rattrapage ;
  5° le diplÎme d'études complémentaires d'enseignant de rattrapage ;
  6° le diplÎme de formation continue des enseignants pour l'enseignement spécial ;
  7° le diplÎme de bachelor en enseignement : enseignement spécial ;
  8° le certificat d'aptitude à l'enseignement spécial ;
  lls doivent répondre à une des conditions suivantes :
  1° ĂȘtre nommĂ© Ă titre dĂ©finitif le 14 octobre 2013 au plus tard ;
  2° avoir été désigné temporairement à ou chargé temporairement d'une charge d'enseignement au cours des années scolaires 2010-2011, 2011-2013 ou 2012-2013 ou pendant la période du 1er septembre 2013 au 14 octobre 2013, à l'exception des charges dans les instituts supérieurs et les universités.
  § 2. Les membres du personnel visĂ©s au paragraphe 1er, qui Ă©taient porteurs d'un certificat d'aptitudes pĂ©dagogiques sur la base de la rĂ©glementation en vigueur avant le 15 octobre 2013 et qui n'ont plus de certificat d'aptitudes pĂ©dagogiques Ă partir du 15 octobre 2013 en vertu de la modification de la rĂ©glementation, sont censĂ©s toujours ĂȘtre porteur d'un certificat d'aptitudes pĂ©dagogiques.
  § 3. La mesure transitoire visée au paragraphe 2, est attribuée le 15 ocotbre 2013, en tenant compte des dispositions suivantes :
  1° ces mesures transitoires restent applicables aux membres du personnel visés au paragraphe premier, deuxiÚme alinéa, 1°, tant qu'ils sont occupés dans l'enseignement, à l'exception des instituts supérieurs et des universités ;
  2° ces mesures transitoires restent applicables aux membres du personnel visés au paragraphe premier, deuxiÚme alinéa, 2°, tant qu'ils sont occupés sans interruption dans l'enseignement, à l'exception des instituts supérieurs et des universités, et qu'ils sont financés ou subventionnés par la Communauté flamande. Les périodes suivantes ne sont pas considérées comme une interruption :
  a) les périodes de vacances ;
  b) l'interruption de carriÚre ;
  c) le service militaire ;
  d) les périodes de rappel sous les armes ;
  e) les congés de maladie et de maternité ;
  f) les congés parentaux non rémunérés ;
  g) les périodes d'écartement du risque de maladie professionnelle ou de protection de la maternité ;
  h) les congés de courte durée avec maintien du traitement ou de la subvention-traitement à l'occasion de certains événements d'ordre familial ou social ;
  j) les congés sans maintien du traitement ou de la subvention-traitement ne dépassant pas six jours ouvrables par année scolaire ;
  k) une interruption d'une période continue de deux années calendaires au maximum. ".
Art. 8. Artikel 13bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2004 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 2005, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 13bis. Voor de personeelsleden die op basis van een diploma of getuigschrift uitgereikt in het onderwijs voor sociale promotie of door een centrum voor volwassenenonderwijs uiterlijk op 31 december 2003 vast benoemd zijn of het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur hebben verworven of tijdens het schooljaar 2003-2004 tijdelijk zijn aangesteld, gelden de voorwaarden vermeld in de artikelen 4, § 5 en 6, § 2 niet.".
  "Art. 13bis. Voor de personeelsleden die op basis van een diploma of getuigschrift uitgereikt in het onderwijs voor sociale promotie of door een centrum voor volwassenenonderwijs uiterlijk op 31 december 2003 vast benoemd zijn of het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur hebben verworven of tijdens het schooljaar 2003-2004 tijdelijk zijn aangesteld, gelden de voorwaarden vermeld in de artikelen 4, § 5 en 6, § 2 niet.".
Art. 8. L'article 13bis du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 14 juillet 2004 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 30 septembre 2005, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 13bis. Les conditions visées aux articles 4, § 5, et 6, § 2, ne s'appliquent pas aux membres du personnel qui, le 31 décembre 2003 au plus tard, sont nommés à titre définitif sur la base d'un diplÎme ou certificat délivré dans l'enseignement de promotion sociale ou par un centre d'éducation des adultes, ou ont acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ou ont été temporairement désignés pendant l'année scolaire 2003-2004 sur la base de ce diplÎme ou certificat. ".
  " Art. 13bis. Les conditions visées aux articles 4, § 5, et 6, § 2, ne s'appliquent pas aux membres du personnel qui, le 31 décembre 2003 au plus tard, sont nommés à titre définitif sur la base d'un diplÎme ou certificat délivré dans l'enseignement de promotion sociale ou par un centre d'éducation des adultes, ou ont acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue ou ont été temporairement désignés pendant l'année scolaire 2003-2004 sur la base de ce diplÎme ou certificat. ".
Art. 9. Artikel 15bis. van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2004 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2008 en 24 april 2009, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 15bis. De bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen, vermeld in de bijlage, die bij dit besluit is gevoegd, treden in werking op 15 oktober 2013.".
  "Art. 15bis. De bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen, vermeld in de bijlage, die bij dit besluit is gevoegd, treden in werking op 15 oktober 2013.".
Art. 9. L'article 15bis. du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 14 juillet 2004 et modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 24 octobre 2008 et 24 avril 2009, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 15bis. Les titres et Ă©chelles de traitement visĂ©s Ă l'annexe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, entrent en vigueur le 15 octobre 2013. ".
  " Art. 15bis. Les titres et Ă©chelles de traitement visĂ©s Ă l'annexe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, entrent en vigueur le 15 octobre 2013. ".
Art. 10. Artikel 15bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2004 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2008 en 24 april 2009, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 15bis. De bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen, vermeld in de bijlage, die bij dit besluit is gevoegd, treden in werking op 1 januari 2014.".
  "Art. 15bis. De bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen, vermeld in de bijlage, die bij dit besluit is gevoegd, treden in werking op 1 januari 2014.".
Art. 10. L'article 15bis du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 14 juillet 2004 et modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 24 octobre 2008 et 24 avril 2009, est remplacĂ© par ce qui suit : " Art. 15bis. Les titres et Ă©chelles de traitement visĂ©s Ă l'annexe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, entrent en vigueur le 1er janvier 2014. ".
Art. 11. Bijlage I bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 september 2010, wordt vervangen door bijlage 1 die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 11. L'annexe Ire au mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 septembre 2010, est remplacĂ©e par l'annexe 1re jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 12. Bijlage I bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 september 2010, wordt vervangen door bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 12. L'annexe Ire au mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 septembre 2010, est remplacĂ©e par l'annexe 2 jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 13. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 15 oktober 2013. Artikel 10 en 12 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2014.
Art. 13. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© produit ses effets le 15 octobre 2013. Les articles 10 et 12 produisent leurs effets le 1er janvier 2014.
Art. 14. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 14. Le Ministre flamand qui a l'enseignement dans ses attributions est chargĂ© de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
BIJLAGE.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1. - Bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen in het gewoon basisonderwijs - geldig vanaf 15.10.2013
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 19-03-2014, p. 22398-22419)
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 19-03-2014, p. 22398-22419)
Art. N. Annexes non traduites, voir version néerlandaise.
Art. N2. Bijlage 2. - Bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen in het gewoon basisonderwijs - geldig vanaf 1.1.2014.
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 19-03-2014, p. 22420-22440)
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 19-03-2014, p. 22420-22440)
-