Artikel 1. Doel en toepassingsgebied
Dit besluit heeft tot doel de minimale uitbatingsvoorwaarden vast te stellen voor de werkplaatsen voor het plaatsen van hulpstukken in voertuigen en de werkplaatsen voor het onderhoud, het uittesten, het demonteren en het herstellen van autovoertuigen bedoeld in de rubrieken nr. 13A en 13B van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 maart 1999 tot vaststelling van de lijst van de ingedeelde inrichtingen van klasse IB, II, IC en III in uitvoering van artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
24 APRIL 2014. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vaststelling van uitbatingsvoorwaarden betreffende de werkplaatsen voor het plaatsen van hulpstukken in voertuigen en de werkplaatsen voor het onderhoud, het uittesten, het demonteren en het herstellen van autovoertuigen
Titre
24 AVRIL 2014. - Arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale fixant des conditions d'exploiter aux ateliers de placement d'accessoires sur véhicules et ateliers d'entretien, d'essai, de démontage et de réparation de véhicules automobiles
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Algemeen
HOOFDSTUK II. - Uitbatingsvoorwaarden.
Sectie 1. - Ontwerp van de werkplaatsen
Sectie 2. - Hantering en bewaring van gevaarlij...
Sectie 2. - Bewaring, hantering en verwijdering...
Sectie 3. - Opslag en hantering van gasflessen
Sectie 5. - Ontvettingsfontein met solvent voor...
Sectie 6. - Luchtcompressoren
Sectie 7. - Parkeerzones voor voertuigen
Sectie 8. - Afgedankte voertuigen
Sectie 10. - Wasplaats voor voertuigen
Sectie 10. - Demontage van airbags
Sectie 11. - Opslag van nieuwe olie en afvalolie
Sectie 12. - Opslag van banden
Sectie 13. - Afvalwaterbeheer
Sectie 14. - Schoonmaak van de lokalen
HOOFDSTUK III. - Slotbepalingen
Inhoud
CHAPITRE Ier. - Généralités
CHAPITRE II. - Conditions d'exploiter
Section 1re. - Conception des ateliers
Section 2. - Manutention et conservation de sub...
Section 3. - Conservation, manutention et élimi...
Section 4. - Stockage et manutention de bouteil...
Section 5. - Fontaine de dégraissage de pièces ...
Section 6. - Compresseurs d'air
Section 7. - Zones de stationnement de véhicules
Section 8. - Véhicules hors d'usage
Section 9. - Aire de lavage de véhicules
Section 10. - Démontage d'airbags
Section 11. - Stockage des huiles neuves et usa...
Section 12. - Stockage de pneus
Section 13. - Gestion des eaux usées
Section 14. - Nettoyage des locaux
CHAPITRE III. - Dispositions finales
Tekst (48)
Texte (48)
HOOFDSTUK I. - Algemeen
CHAPITRE Ier. - Généralités
Article 1er. Objet et champ d'application
Le présent arrêté a pour but de fixer des conditions minimales d'exploiter pour les ateliers de placement d'accessoires sur véhicules et ateliers d'entretien, d'essai, de démontage et de réparation de véhicules automobiles visés par les rubriques n° 13A et 13B de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 4 mars 1999 fixant la liste des installations de classe IB, II, IC et III en exécution de l'article 4 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement.
Le présent arrêté a pour but de fixer des conditions minimales d'exploiter pour les ateliers de placement d'accessoires sur véhicules et ateliers d'entretien, d'essai, de démontage et de réparation de véhicules automobiles visés par les rubriques n° 13A et 13B de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 4 mars 1999 fixant la liste des installations de classe IB, II, IC et III en exécution de l'article 4 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement.
Art. 2. Definities
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° Gevaarlijke stoffen : elke stof ingedeeld als gevaarlijk volgens artikel 1 van het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot regeling van de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke mengsels met het oog op het op de markt brengen of het gebruik ervan;
2° Gevaarlijk mengsel : elk mengsel ingedeeld als gevaarlijk volgens artikel 1 van het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot regeling van de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke mengsels met het oog op het op de markt brengen of het gebruik ervan;
3° Zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare en brandbare vloeistoffen : vloeistoffen zoals omschreven door het koninklijk besluit van 13 maart 1998 betreffende de opslag van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare en brandbare vloeistoffen;
4° Opslag : de bewaring in recipiënten van een hoeveelheid van een stof die het dagverbruik (24 uur) overschrijdt;
5° Opslagplaatsen : de ruimten of plaatsen in gebouwen of in open lucht, buiten de werklokalen, bestemd om stoffen in vaste of verplaatsbare recipiënten op te slaan;
6° Inkuiping : een niet-brandbare, ondoorlatende constructie in de vorm van een kuip uit synthetisch materiaal, metaal of een stevig materiaal zoals gewapend beton of baksteen, die de vloeistoffen afkomstig van lekken of van doorsijpelen kan tegenhouden;
7° Dubbelwandige tank : tank die twee omhulsels had op het ogenblik van zijn installatie en die is uitgerust met een permanent lekdetectiesysteem;
8° Ingegraven tank : tank die volledig of gedeeltelijk in de bodem of in een aangevulde put is geplaatst;
9° Expert op het vlak van "opslaginstallaties" : natuurlijke of rechtspersoon erkend in overeenstemming met artikel 67, § 2, van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 januari 1999 tot vaststelling van de uitbatingsvoorwaarden voor benzinestations;
10° Voertuig : elk motorvoertuig dat onder het toepassingsgebied valt van richtlijn 2006/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen en houdende wijziging van richtlijn 70/156/EEG van de Raad;
11° Minister : de minister of de staatssecretaris die het Leefmilieu als bevoegdheid heeft;
12° Instituut : Brussels Instituut voor Milieubeheer, opgericht bij het koninklijk besluit van 8 maart 1989.
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° Gevaarlijke stoffen : elke stof ingedeeld als gevaarlijk volgens artikel 1 van het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot regeling van de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke mengsels met het oog op het op de markt brengen of het gebruik ervan;
2° Gevaarlijk mengsel : elk mengsel ingedeeld als gevaarlijk volgens artikel 1 van het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot regeling van de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke mengsels met het oog op het op de markt brengen of het gebruik ervan;
3° Zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare en brandbare vloeistoffen : vloeistoffen zoals omschreven door het koninklijk besluit van 13 maart 1998 betreffende de opslag van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare en brandbare vloeistoffen;
4° Opslag : de bewaring in recipiënten van een hoeveelheid van een stof die het dagverbruik (24 uur) overschrijdt;
5° Opslagplaatsen : de ruimten of plaatsen in gebouwen of in open lucht, buiten de werklokalen, bestemd om stoffen in vaste of verplaatsbare recipiënten op te slaan;
6° Inkuiping : een niet-brandbare, ondoorlatende constructie in de vorm van een kuip uit synthetisch materiaal, metaal of een stevig materiaal zoals gewapend beton of baksteen, die de vloeistoffen afkomstig van lekken of van doorsijpelen kan tegenhouden;
7° Dubbelwandige tank : tank die twee omhulsels had op het ogenblik van zijn installatie en die is uitgerust met een permanent lekdetectiesysteem;
8° Ingegraven tank : tank die volledig of gedeeltelijk in de bodem of in een aangevulde put is geplaatst;
9° Expert op het vlak van "opslaginstallaties" : natuurlijke of rechtspersoon erkend in overeenstemming met artikel 67, § 2, van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 januari 1999 tot vaststelling van de uitbatingsvoorwaarden voor benzinestations;
10° Voertuig : elk motorvoertuig dat onder het toepassingsgebied valt van richtlijn 2006/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen en houdende wijziging van richtlijn 70/156/EEG van de Raad;
11° Minister : de minister of de staatssecretaris die het Leefmilieu als bevoegdheid heeft;
12° Instituut : Brussels Instituut voor Milieubeheer, opgericht bij het koninklijk besluit van 8 maart 1989.
Art. 2. Définitions
Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
1° Substances dangereuses : toute substance étant classée comme dangereuse conformément à l'article 1er de l'arrêté royal du 11 janvier 1993 réglementant la classification, l'emballage et l'étiquetage des mélanges dangereux en vue de la mise sur le marché ou l'utilisation;
2° Mélange dangereux : tout mélange étant classé comme dangereux conformément à l'article 1er de l'arrêté royal du 11 janvier 1993 réglementant la classification, l'emballage et l'étiquetage des mélanges dangereux en vue de la mise sur le marché ou l'utilisation;
3° Liquides extrêmement inflammables, facilement inflammables, inflammables et combustibles : liquides définis comme tels par l'arrêté royal du 13 mars 1998 relatif au stockage de liquides extrêmement inflammables, facilement inflammables, inflammables et combustibles;
4° Stockage : la conservation en récipients d'une quantité de substance qui dépasse l'usage journalier (24 heures);
5° Aires de dépôt : les espaces ou endroits dans les bâtiments ou en plein air, en dehors des locaux de travail, destinés à recevoir des substances en récipients fixes ou amovibles;
6° Encuvement : équipement, construction imperméable en forme de cuve, en matière synthétique, métallique, ou en matériau solide tels que le béton armé ou la brique, non combustibles, capable de retenir les liquides provenant de fuites ou d'épanchements;
7° Réservoir à double paroi : réservoir disposant de deux enveloppes au moment de son installation et qui est équipé d'un système de détection de fuite permanent;
8° Réservoir enfoui : réservoir placé totalement ou en partie dans le sol ou dans une fosse remblayée;
9° Expert en " installations de stockage " : personne physique ou morale agréée conformément à l'article 67, § 2, de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 janvier 1999 relatif aux conditions d'exploiter des stations-service;
10° Véhicule : tout véhicule à moteur entrant dans le champ d'application de la directive 2006/40/CE du Parlement européen et du Conseil du 17 mai 2006 concernant les émissions provenant des systèmes de climatisation des véhicules à moteur et modifiant la directive 70/156/CEE du Conseil;
11° Ministre : le Ministre ou le Secrétaire d'Etat ayant l'Environnement dans ses attributions;
12° Institut : l'Institut bruxellois pour la gestion de l'environnement, créé par l'arrêté royal du 8 mars 1989.
Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
1° Substances dangereuses : toute substance étant classée comme dangereuse conformément à l'article 1er de l'arrêté royal du 11 janvier 1993 réglementant la classification, l'emballage et l'étiquetage des mélanges dangereux en vue de la mise sur le marché ou l'utilisation;
2° Mélange dangereux : tout mélange étant classé comme dangereux conformément à l'article 1er de l'arrêté royal du 11 janvier 1993 réglementant la classification, l'emballage et l'étiquetage des mélanges dangereux en vue de la mise sur le marché ou l'utilisation;
3° Liquides extrêmement inflammables, facilement inflammables, inflammables et combustibles : liquides définis comme tels par l'arrêté royal du 13 mars 1998 relatif au stockage de liquides extrêmement inflammables, facilement inflammables, inflammables et combustibles;
4° Stockage : la conservation en récipients d'une quantité de substance qui dépasse l'usage journalier (24 heures);
5° Aires de dépôt : les espaces ou endroits dans les bâtiments ou en plein air, en dehors des locaux de travail, destinés à recevoir des substances en récipients fixes ou amovibles;
6° Encuvement : équipement, construction imperméable en forme de cuve, en matière synthétique, métallique, ou en matériau solide tels que le béton armé ou la brique, non combustibles, capable de retenir les liquides provenant de fuites ou d'épanchements;
7° Réservoir à double paroi : réservoir disposant de deux enveloppes au moment de son installation et qui est équipé d'un système de détection de fuite permanent;
8° Réservoir enfoui : réservoir placé totalement ou en partie dans le sol ou dans une fosse remblayée;
9° Expert en " installations de stockage " : personne physique ou morale agréée conformément à l'article 67, § 2, de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 janvier 1999 relatif aux conditions d'exploiter des stations-service;
10° Véhicule : tout véhicule à moteur entrant dans le champ d'application de la directive 2006/40/CE du Parlement européen et du Conseil du 17 mai 2006 concernant les émissions provenant des systèmes de climatisation des véhicules à moteur et modifiant la directive 70/156/CEE du Conseil;
11° Ministre : le Ministre ou le Secrétaire d'Etat ayant l'Environnement dans ses attributions;
12° Institut : l'Institut bruxellois pour la gestion de l'environnement, créé par l'arrêté royal du 8 mars 1989.
HOOFDSTUK II. - Uitbatingsvoorwaarden.
CHAPITRE II. - Conditions d'exploiter
Sectie 1. - Ontwerp van de werkplaatsen
Section 1re. - Conception des ateliers
Art. 3. Vloer van de werkplaats
De vloer van de werkplaats is ondoordringbaar en onbrandbaar.
De vloer van de werkplaats is ondoordringbaar en onbrandbaar.
Art. 3. Sol de l'atelier
Le sol de l'atelier est étanche et incombustible.
Le sol de l'atelier est étanche et incombustible.
Art. 4. Signalisatie
§ 1. De uitbater verbiedt het publiek de toegang tot de werkzones zoals de bruggen of de putten, alsook tot de zones waar gevaarlijke stoffen zijn opgeslagen. Dit verbod is duidelijk en op een voldoende zichtbare manier voor het publiek aangegeven.
§ 2. Reglementaire pictogrammen die het rookverbod aanduiden, worden geplaatst op een voor het publiek zichtbare plaats in de werkplaats.
§ 1. De uitbater verbiedt het publiek de toegang tot de werkzones zoals de bruggen of de putten, alsook tot de zones waar gevaarlijke stoffen zijn opgeslagen. Dit verbod is duidelijk en op een voldoende zichtbare manier voor het publiek aangegeven.
§ 2. Reglementaire pictogrammen die het rookverbod aanduiden, worden geplaatst op een voor het publiek zichtbare plaats in de werkplaats.
Art. 4. Signalisation
§ 1er. L'exploitant interdit l'accès du public aux zones de travail telles que les ponts ou les fosses, ainsi qu'aux zones de stockage de substances dangereuses. Cette interdiction est clairement indiquée de manière à être suffisamment visible par le public.
§ 2. Des pictogrammes règlementaires indiquant l'interdiction de fumer sont placés dans l'atelier dans un endroit visible du public.
§ 1er. L'exploitant interdit l'accès du public aux zones de travail telles que les ponts ou les fosses, ainsi qu'aux zones de stockage de substances dangereuses. Cette interdiction est clairement indiquée de manière à être suffisamment visible par le public.
§ 2. Des pictogrammes règlementaires indiquant l'interdiction de fumer sont placés dans l'atelier dans un endroit visible du public.
Art. 5. Ventilatie en afvoer van gassen
§ 1. De werkplaatsen worden verlucht op een zodanige manier dat de lucht er nooit toxisch of explosief kan worden.
§ 2. De inrichtingen waar motoren worden getest, beschikken over een afzuigsysteem voor de uitlaatgassen.
De gassen worden geloosd in de vrije lucht door leidingen die voldoende hoog uitmonden voor een goede verspreiding van de gassen en zodanig dat de buurt er geen hinder van ondervindt. De milieuvergunning kan specifieke voorwaarden opleggen betreffende de plaats en de hoogte van de gasafvoerleidingen.
In de ondergrondse werkplaatsen moet, op een zorgvuldig gekozen plaats en in elk geval op het laagste niveau, een mechanisch ventilatiesysteem worden geïnstalleerd dat de gassen en de rook aanzuigt en naar buiten afvoert.
§ 1. De werkplaatsen worden verlucht op een zodanige manier dat de lucht er nooit toxisch of explosief kan worden.
§ 2. De inrichtingen waar motoren worden getest, beschikken over een afzuigsysteem voor de uitlaatgassen.
De gassen worden geloosd in de vrije lucht door leidingen die voldoende hoog uitmonden voor een goede verspreiding van de gassen en zodanig dat de buurt er geen hinder van ondervindt. De milieuvergunning kan specifieke voorwaarden opleggen betreffende de plaats en de hoogte van de gasafvoerleidingen.
In de ondergrondse werkplaatsen moet, op een zorgvuldig gekozen plaats en in elk geval op het laagste niveau, een mechanisch ventilatiesysteem worden geïnstalleerd dat de gassen en de rook aanzuigt en naar buiten afvoert.
Art. 5. Ventilation et évacuation des gaz
§ 1er. Les ateliers sont ventilés de telle manière que l'atmosphère n'y puisse jamais devenir toxique ou explosive.
§ 2. Les installations où l'on procède à des essais de moteurs disposent d'un système d'aspiration des gaz d'échappement.
Les gaz sont évacués à l'air libre par des conduits débouchant à une hauteur suffisante afin de permettre leur bonne dispersion et de ne pas incommoder le voisinage. Le permis d'environnement peut imposer des conditions spécifiques relatives à la localisation et à la hauteur des conduits d'évacuation des gaz.
Dans les ateliers en sous-sol, un système de ventilation mécanique aspirant les gaz et fumées et les refoulant à l'extérieur est établi à un endroit judicieusement choisi et en tout cas au niveau le plus bas.
§ 1er. Les ateliers sont ventilés de telle manière que l'atmosphère n'y puisse jamais devenir toxique ou explosive.
§ 2. Les installations où l'on procède à des essais de moteurs disposent d'un système d'aspiration des gaz d'échappement.
Les gaz sont évacués à l'air libre par des conduits débouchant à une hauteur suffisante afin de permettre leur bonne dispersion et de ne pas incommoder le voisinage. Le permis d'environnement peut imposer des conditions spécifiques relatives à la localisation et à la hauteur des conduits d'évacuation des gaz.
Dans les ateliers en sous-sol, un système de ventilation mécanique aspirant les gaz et fumées et les refoulant à l'extérieur est établi à un endroit judicieusement choisi et en tout cas au niveau le plus bas.
Art. 6. Verwarming van de lokalen
§ 1. De toestellen die bedoeld zijn voor de verwarming van de lokalen worden op zodanige manier geïnstalleerd dat het brandrisico zo klein mogelijk is
§ 2. Ontvlambare materialen of voorwerpen mogen niet worden opgeslagen in de nabijheid van deze toestellen.
§ 3 Deze toestellen worden jaarlijks onderhouden.
§ 4. Voor de toestellen die bestemd zijn voor de verwarming van de ondergrondse lokalen, moeten een markering of fysieke elementen zoals barrières rond het toestel een zone van minimaal 50 centimeter afbakenen. Deze afgebakende zone mag geen ontvlambare materialen of voorwerpen bevatten.
§ 1. De toestellen die bedoeld zijn voor de verwarming van de lokalen worden op zodanige manier geïnstalleerd dat het brandrisico zo klein mogelijk is
§ 2. Ontvlambare materialen of voorwerpen mogen niet worden opgeslagen in de nabijheid van deze toestellen.
§ 3 Deze toestellen worden jaarlijks onderhouden.
§ 4. Voor de toestellen die bestemd zijn voor de verwarming van de ondergrondse lokalen, moeten een markering of fysieke elementen zoals barrières rond het toestel een zone van minimaal 50 centimeter afbakenen. Deze afgebakende zone mag geen ontvlambare materialen of voorwerpen bevatten.
Art. 6. Chauffage des locaux
§ 1er. Les appareils destinés au chauffage des locaux sont placés de manière à réduire au maximum le risque d'incendie.
§ 2. Les matériaux ou objets inflammables ne peuvent pas être stockés à proximité de ces appareils.
§ 3. Ces appareils sont entretenus annuellement.
§ 4. Pour les appareils destinés au chauffage des locaux situés au sol, un marquage ou des éléments physiques telles que des barrières entourant l'appareil délimitent une zone de minimum 50 centimètres ne pouvant comporter de matériaux ou d'objet inflammable.
§ 1er. Les appareils destinés au chauffage des locaux sont placés de manière à réduire au maximum le risque d'incendie.
§ 2. Les matériaux ou objets inflammables ne peuvent pas être stockés à proximité de ces appareils.
§ 3. Ces appareils sont entretenus annuellement.
§ 4. Pour les appareils destinés au chauffage des locaux situés au sol, un marquage ou des éléments physiques telles que des barrières entourant l'appareil délimitent une zone de minimum 50 centimètres ne pouvant comporter de matériaux ou d'objet inflammable.
Sectie 2. - Hantering en bewaring van gevaarlijke stoffen en mengsels
Section 2. - Manutention et conservation de substances et mélanges dangereux
Art. 7. Modaliteiten voor de bewaring van gevaarlijke stoffen en mengsels
§ 1. Slechts volgende hoeveelheden van de gevaarlijke stoffen en mengsels mogen in de werkplaats worden bewaard :
- 50 liter zeer licht of licht ontvlambare vloeistoffen;
- 500 liter ontvlambare vloeistoffen;
- 50 kilogram vaste stoffen die licht ontvlambaar zijn of die brandbare gassen ontwikkelen in contact met water;
- 300 liter samengeperste, vloeibaar gemaakte of opgeloste brandbare gassen.
Elke gevaarlijke stof die of elk gevaarlijk mengsel dat de grenzen bepaald in deze paragraaf overschrijdt, moet worden opgeslagen buiten de werkplaatsen in een opslagplaats waarvoor een milieuvergunning is afgeleverd die de voorwaarden voor opslag van deze stoffen of mengsels vastlegt.
§ 2. De gevaarlijke stoffen of mengsels worden opgeslagen in gesloten en lekdichte recipiënten die een toereikende mechanische en chemische weerstand bieden die aangepast is aan de betrokken stof of het betrokken mengsel.
§ 3. De recipiënten die aanwezig zijn in de werkplaats en die gevaarlijke vloeibare stoffen of gevaarlijke vloeibare mengsels bevatten, worden in een inkuiping geplaatst.
- Wanneer de recipiënten gevaarlijke vloeibare stoffen of gevaarlijke vloeibare mengsels bevatten waarvan het vlampunt hoger is dan 100 ° C, moet de inhoud van de inkuiping minstens gelijk zijn aan 110 % van het grootste recipiënt dat ze bevat en minstens gelijk aan een kwart van de totale inhoud van alle recipiënten die ze bevat.
- Wanneer de recipiënten gevaarlijke vloeibare stoffen of gevaarlijke vloeibare mengsels bevatten waarvan het vlampunt lager is dan of gelijk aan 100 ° C, moet de inhoud van de inkuiping minstens gelijk zijn aan 100 % van de totale inhoud van alle recipiënten die ze bevat.
De niet-compatibele gevaarlijke stoffen of mengsels worden opgeslagen in gescheiden inkuipingen.
§ 4. De niet-compatibele stoffen of mengsels die aanwezig zijn in de werkplaats en die risico's kunnen inhouden van reacties waarbij gevaarlijke gassen of dampen ontstaan, of van gevaarlijke situaties zoals brand, een ontploffing of een exothermische reactie, moeten op een voldoende grote afstand van elkaar worden bewaard, of gescheiden door wanden in harde en onbrandbare materialen. In dit geval dient de uitbater toe te zien op een goede verluchting in elk compartiment.
De uitbater doet een beroep op de informatie die vermeld is op de veiligheidsinformatiebladen over de verschillende stoffen/mengsels die aanwezig zijn in de werkplaats, teneinde de incompatibiliteit ervan te bepalen.
§ 1. Slechts volgende hoeveelheden van de gevaarlijke stoffen en mengsels mogen in de werkplaats worden bewaard :
- 50 liter zeer licht of licht ontvlambare vloeistoffen;
- 500 liter ontvlambare vloeistoffen;
- 50 kilogram vaste stoffen die licht ontvlambaar zijn of die brandbare gassen ontwikkelen in contact met water;
- 300 liter samengeperste, vloeibaar gemaakte of opgeloste brandbare gassen.
Elke gevaarlijke stof die of elk gevaarlijk mengsel dat de grenzen bepaald in deze paragraaf overschrijdt, moet worden opgeslagen buiten de werkplaatsen in een opslagplaats waarvoor een milieuvergunning is afgeleverd die de voorwaarden voor opslag van deze stoffen of mengsels vastlegt.
§ 2. De gevaarlijke stoffen of mengsels worden opgeslagen in gesloten en lekdichte recipiënten die een toereikende mechanische en chemische weerstand bieden die aangepast is aan de betrokken stof of het betrokken mengsel.
§ 3. De recipiënten die aanwezig zijn in de werkplaats en die gevaarlijke vloeibare stoffen of gevaarlijke vloeibare mengsels bevatten, worden in een inkuiping geplaatst.
- Wanneer de recipiënten gevaarlijke vloeibare stoffen of gevaarlijke vloeibare mengsels bevatten waarvan het vlampunt hoger is dan 100 ° C, moet de inhoud van de inkuiping minstens gelijk zijn aan 110 % van het grootste recipiënt dat ze bevat en minstens gelijk aan een kwart van de totale inhoud van alle recipiënten die ze bevat.
- Wanneer de recipiënten gevaarlijke vloeibare stoffen of gevaarlijke vloeibare mengsels bevatten waarvan het vlampunt lager is dan of gelijk aan 100 ° C, moet de inhoud van de inkuiping minstens gelijk zijn aan 100 % van de totale inhoud van alle recipiënten die ze bevat.
De niet-compatibele gevaarlijke stoffen of mengsels worden opgeslagen in gescheiden inkuipingen.
§ 4. De niet-compatibele stoffen of mengsels die aanwezig zijn in de werkplaats en die risico's kunnen inhouden van reacties waarbij gevaarlijke gassen of dampen ontstaan, of van gevaarlijke situaties zoals brand, een ontploffing of een exothermische reactie, moeten op een voldoende grote afstand van elkaar worden bewaard, of gescheiden door wanden in harde en onbrandbare materialen. In dit geval dient de uitbater toe te zien op een goede verluchting in elk compartiment.
De uitbater doet een beroep op de informatie die vermeld is op de veiligheidsinformatiebladen over de verschillende stoffen/mengsels die aanwezig zijn in de werkplaats, teneinde de incompatibiliteit ervan te bepalen.
Art. 7. Modalités de conservation des substances et mélanges dangereux
§ 1er. Seules les quantités suivantes de substances et mélanges dangereux peuvent être conservés dans l'atelier :
- 50 litres de liquides extrêmement ou facilement inflammables;
- 500 litres de liquides inflammables;
- 50 kilogrammes de substances solides très inflammables ou dégageant des gaz combustibles au contact de l'eau;
- 300 litres de gaz combustibles comprimés, liquéfiés ou dissous.
Toute substance ou mélange dangereux dépassant les seuils prévus dans ce paragraphe est stocké dans une aire de dépôt en dehors des locaux de travail, dûment autorisé par le permis d'environnement qui fixe les conditions de stockage desdites substances ou mélanges.
§ 2. Les substances ou mélanges dangereux sont contenus dans des récipients clos et étanches offrant une résistance mécanique et chimique adaptée à la substance ou mélange concernée.
§ 3. Les récipients présents dans l'atelier et contenant des substances ou mélanges dangereux liquides sont placés dans un encuvement.
- Lorsque les récipients contiennent des substances ou mélanges dangereux liquides dont le point éclair est supérieur à 100 ° C, la capacité de l'encuvement est au moins égale à 110 % du plus grand récipient qu'elle contient et au moins égale au quart de la contenance totale de tous les récipients qu'elle contient.
- Lorsque les récipients contiennent des substances ou mélanges dangereux liquides dont le point éclair est inférieur ou égal à 100 ° C, la capacité de l'encuvement est au moins égale à 100 % de la totalité de tous les récipients qu'elle contient.
Les substances ou mélanges dangereux incompatibles sont stockées dans des encuvements séparés.
§ 4. Les substances ou mélanges incompatibles présents dans l'atelier et pouvant entraîner des risques de réaction générant des gaz ou émanations dangereux, ou des situations dangereuses telles qu'un incendie, une explosion ou une réaction exothermique, sont suffisamment éloignées ou séparées l'une de l'autre par des parois en matériaux durs et incombustibles. Dans ce cas, l'exploitant veille à maintenir une ventilation adéquate dans chaque compartiment.
L'exploitant se réfère aux informations indiquées sur les fiches de donnée de sécurité des différentes substances/mélanges présents dans l'atelier afin de définir les incompatibilités.
§ 1er. Seules les quantités suivantes de substances et mélanges dangereux peuvent être conservés dans l'atelier :
- 50 litres de liquides extrêmement ou facilement inflammables;
- 500 litres de liquides inflammables;
- 50 kilogrammes de substances solides très inflammables ou dégageant des gaz combustibles au contact de l'eau;
- 300 litres de gaz combustibles comprimés, liquéfiés ou dissous.
Toute substance ou mélange dangereux dépassant les seuils prévus dans ce paragraphe est stocké dans une aire de dépôt en dehors des locaux de travail, dûment autorisé par le permis d'environnement qui fixe les conditions de stockage desdites substances ou mélanges.
§ 2. Les substances ou mélanges dangereux sont contenus dans des récipients clos et étanches offrant une résistance mécanique et chimique adaptée à la substance ou mélange concernée.
§ 3. Les récipients présents dans l'atelier et contenant des substances ou mélanges dangereux liquides sont placés dans un encuvement.
- Lorsque les récipients contiennent des substances ou mélanges dangereux liquides dont le point éclair est supérieur à 100 ° C, la capacité de l'encuvement est au moins égale à 110 % du plus grand récipient qu'elle contient et au moins égale au quart de la contenance totale de tous les récipients qu'elle contient.
- Lorsque les récipients contiennent des substances ou mélanges dangereux liquides dont le point éclair est inférieur ou égal à 100 ° C, la capacité de l'encuvement est au moins égale à 100 % de la totalité de tous les récipients qu'elle contient.
Les substances ou mélanges dangereux incompatibles sont stockées dans des encuvements séparés.
§ 4. Les substances ou mélanges incompatibles présents dans l'atelier et pouvant entraîner des risques de réaction générant des gaz ou émanations dangereux, ou des situations dangereuses telles qu'un incendie, une explosion ou une réaction exothermique, sont suffisamment éloignées ou séparées l'une de l'autre par des parois en matériaux durs et incombustibles. Dans ce cas, l'exploitant veille à maintenir une ventilation adéquate dans chaque compartiment.
L'exploitant se réfère aux informations indiquées sur les fiches de donnée de sécurité des différentes substances/mélanges présents dans l'atelier afin de définir les incompatibilités.
Art. 8. Hantering van gevaarlijke stoffen en mengsels
De recipiënten worden leeggemaakt op zodanige manier dat er niets in de riolering terechtkomt. Gevaarlijke stoffen en mengsels mogen alleen boven een inkuiping worden overgeheveld.
De recipiënten worden leeggemaakt op zodanige manier dat er niets in de riolering terechtkomt. Gevaarlijke stoffen en mengsels mogen alleen boven een inkuiping worden overgeheveld.
Art. 8. Manutention des substances et mélanges dangereux
Les opérations de vidange de récipients sont effectuées de manière à empêcher tout écoulement accidentel dans le réseau d'égouttage. Le transvasement de substances et mélanges dangereux ne peut se faire qu'au-dessus d'un encuvement.
Les opérations de vidange de récipients sont effectuées de manière à empêcher tout écoulement accidentel dans le réseau d'égouttage. Le transvasement de substances et mélanges dangereux ne peut se faire qu'au-dessus d'un encuvement.
Art. 9. Preventie en veiligheid
§ 1. De uitbater beschikt over veiligheidsinformatiebladen van alle gevaarlijke stoffen die aanwezig zijn in de werkplaats.
Aan de volgende punten moet een bijzondere aandacht worden besteed door de uitbater :
- Brandveiligheid : preventieve maatregelen en brandbestrijdingsmiddelen;
- Preventieve maatregelen en maatregelen die moeten worden genomen in het geval van lekken of accidenteel morsen;
- Opslag en hantering;
- Stabiliteit en reactiviteit (incompatibiliteit);
- Afvoer van producten en afvalstoffen.
§ 2. De nodige interventiemiddelen zoals houtzaagsel of andere absorberende producten, zijn aanwezig in de werkplaats, teneinde accidenteel verspreide vloeistoffen onmiddellijk en efficiënt te kunnen verwijderen. Deze middelen moeten onmiddellijk toegankelijk zijn.
§ 1. De uitbater beschikt over veiligheidsinformatiebladen van alle gevaarlijke stoffen die aanwezig zijn in de werkplaats.
Aan de volgende punten moet een bijzondere aandacht worden besteed door de uitbater :
- Brandveiligheid : preventieve maatregelen en brandbestrijdingsmiddelen;
- Preventieve maatregelen en maatregelen die moeten worden genomen in het geval van lekken of accidenteel morsen;
- Opslag en hantering;
- Stabiliteit en reactiviteit (incompatibiliteit);
- Afvoer van producten en afvalstoffen.
§ 2. De nodige interventiemiddelen zoals houtzaagsel of andere absorberende producten, zijn aanwezig in de werkplaats, teneinde accidenteel verspreide vloeistoffen onmiddellijk en efficiënt te kunnen verwijderen. Deze middelen moeten onmiddellijk toegankelijk zijn.
Art. 9. Prévention et sécurité
§ 1er. L'exploitant dispose des fiches de données de sécurité de toutes les substances dangereuses présentes dans l'atelier.
Les points suivants font l'objet d'une attention particulière de l'exploitant :
- Sécurité incendie : mesures préventives et moyen de lutte contre l'incendie;
- Mesures préventives et mesures à prendre en cas de fuite ou déversement accidentel;
- Stockage et manipulation;
- Stabilité et réactivité (incompatibilités);
- Elimination des produits et déchets.
§ 2. Les moyens nécessaires tels que de la sciure de bois ou tout autre produit absorbant sont présents dans l'atelier afin d'éliminer immédiatement et efficacement tout liquide répandu accidentellement. Ces moyens sont directement accessibles.
§ 1er. L'exploitant dispose des fiches de données de sécurité de toutes les substances dangereuses présentes dans l'atelier.
Les points suivants font l'objet d'une attention particulière de l'exploitant :
- Sécurité incendie : mesures préventives et moyen de lutte contre l'incendie;
- Mesures préventives et mesures à prendre en cas de fuite ou déversement accidentel;
- Stockage et manipulation;
- Stabilité et réactivité (incompatibilités);
- Elimination des produits et déchets.
§ 2. Les moyens nécessaires tels que de la sciure de bois ou tout autre produit absorbant sont présents dans l'atelier afin d'éliminer immédiatement et efficacement tout liquide répandu accidentellement. Ces moyens sont directement accessibles.
Sectie 2. - Bewaring, hantering en verwijdering van de gevaarlijke afvalstoffen
Section 3. - Conservation, manutention et élimination des déchets dangereux
Art. 10. Bewaring en hantering van gevaarlijke afvalstoffen
§ 1. De modaliteiten voor bewaring en hantering bedoeld onder artikelen 7, 8 en 9, gelden ook voor de gevaarlijke afvalstoffen.
§ 2. Doeken die doordrongen zijn met solventen, olie of andere gevaarlijke stoffen mogen niet worden vermengd met inert afval zoals niet bevuild karton of papier. Ze moeten worden bewaard in een speciaal daarvoor voorziene bak, ver van hittebronnen.
§ 3. Gebruikte batterijen worden apart opgeslagen, in ondoorlatende, zuurbestendige bakken.
§ 1. De modaliteiten voor bewaring en hantering bedoeld onder artikelen 7, 8 en 9, gelden ook voor de gevaarlijke afvalstoffen.
§ 2. Doeken die doordrongen zijn met solventen, olie of andere gevaarlijke stoffen mogen niet worden vermengd met inert afval zoals niet bevuild karton of papier. Ze moeten worden bewaard in een speciaal daarvoor voorziene bak, ver van hittebronnen.
§ 3. Gebruikte batterijen worden apart opgeslagen, in ondoorlatende, zuurbestendige bakken.
Art. 10. Conservation et manutention des déchets dangereux
§ 1er. Les modalités de conservation et de manutention contenues aux articles 7, 8 et 9 du présent arrêté sont applicables aux déchets dangereux.
§ 2. Les chiffons imprégnés de solvants, d'huiles ou de toute autre substance dangereuse ne peuvent être mélangés aux déchets inertes tels que cartons ou papiers non souillés. Ils sont conservés dans un contenant prévu à cet effet, à l'écart de toute source de chaleur.
§ 3. Les batteries usagées sont stockées séparément, dans des contenants étanches et résistants aux acides.
§ 1er. Les modalités de conservation et de manutention contenues aux articles 7, 8 et 9 du présent arrêté sont applicables aux déchets dangereux.
§ 2. Les chiffons imprégnés de solvants, d'huiles ou de toute autre substance dangereuse ne peuvent être mélangés aux déchets inertes tels que cartons ou papiers non souillés. Ils sont conservés dans un contenant prévu à cet effet, à l'écart de toute source de chaleur.
§ 3. Les batteries usagées sont stockées séparément, dans des contenants étanches et résistants aux acides.
Art. 11. Verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen
§ 1. Overeenkomstig de geldende wetgeving met betrekking tot gevaarlijke afvalstoffen en in het bijzonder het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 19 september 1991 houdende regeling van de verwijdering van de gevaarlijke afvalstoffen, wordt de ophaling van gevaarlijke afvalstoffen, afvaloliën en elementen die doordrongen zijn met gevaarlijke stoffen, uitgevoerd door een ophaler van gevaarlijk afval die erkend is in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, aangetoond door de ontvangstbewijzen van de ophaling.
§ 2. De ontvangstbewijzen van de ophaling van gevaarlijke afvalstoffen of de afschriften ervan worden door de uitbater bijgehouden, bijvoorbeeld in een speciaal daarvoor bestemd register.
Dat register wordt ter beschikking gehouden van het Instituut en van de gemeente die de exploitatie op haar grondgebied heeft.
§ 3. De uitbater legt op vraag van het Instituut of van de gemeente een jaarlijkse balans van de opgehaalde hoeveelheden gevaarlijk afval voor.
§ 1. Overeenkomstig de geldende wetgeving met betrekking tot gevaarlijke afvalstoffen en in het bijzonder het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 19 september 1991 houdende regeling van de verwijdering van de gevaarlijke afvalstoffen, wordt de ophaling van gevaarlijke afvalstoffen, afvaloliën en elementen die doordrongen zijn met gevaarlijke stoffen, uitgevoerd door een ophaler van gevaarlijk afval die erkend is in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, aangetoond door de ontvangstbewijzen van de ophaling.
§ 2. De ontvangstbewijzen van de ophaling van gevaarlijke afvalstoffen of de afschriften ervan worden door de uitbater bijgehouden, bijvoorbeeld in een speciaal daarvoor bestemd register.
Dat register wordt ter beschikking gehouden van het Instituut en van de gemeente die de exploitatie op haar grondgebied heeft.
§ 3. De uitbater legt op vraag van het Instituut of van de gemeente een jaarlijkse balans van de opgehaalde hoeveelheden gevaarlijk afval voor.
Art. 11. Elimination des déchets dangereux
§ 1er. Conformément à la législation relative aux déchets dangereux en vigueur et en particulier l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 19 septembre 1991 réglant l'élimination des déchets dangereux, la collecte des déchets dangereux, huiles usagées et éléments souillés par des substances dangereuses est réalisée par un collecteur de déchets dangereux agréé en Région de Bruxelles-Capitale et est justifiée par des récépissés de collecte.
§ 2. Ces récépissés de collecte des déchets dangereux ou leurs copies sont conservés par l'exploitant notamment par le biais d'un registre réservé à cet usage.
Ce registre est tenu à la disposition de l'Institut et de la commune sur laquelle se situe le siège d'exploitation.
§ 3. L'exploitant produit sur demande de l'Institut ou de la commune, un bilan annuel des quantités de déchets dangereux collectés.
§ 1er. Conformément à la législation relative aux déchets dangereux en vigueur et en particulier l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 19 septembre 1991 réglant l'élimination des déchets dangereux, la collecte des déchets dangereux, huiles usagées et éléments souillés par des substances dangereuses est réalisée par un collecteur de déchets dangereux agréé en Région de Bruxelles-Capitale et est justifiée par des récépissés de collecte.
§ 2. Ces récépissés de collecte des déchets dangereux ou leurs copies sont conservés par l'exploitant notamment par le biais d'un registre réservé à cet usage.
Ce registre est tenu à la disposition de l'Institut et de la commune sur laquelle se situe le siège d'exploitation.
§ 3. L'exploitant produit sur demande de l'Institut ou de la commune, un bilan annuel des quantités de déchets dangereux collectés.
Sectie 3. - Opslag en hantering van gasflessen
Section 4. - Stockage et manutention de bouteilles de gaz
Art. 12. Toepassingsgebied
Deze voorwaarden zijn van toepassing op de gasflessen die in de werkplaats zijn opgeslagen uitgezonderd de striktere voorwaarden bepaald in de milieuvergunning.
Deze voorwaarden zijn van toepassing op de gasflessen die in de werkplaats zijn opgeslagen uitgezonderd de striktere voorwaarden bepaald in de milieuvergunning.
Art. 12. Champ d'application
Les présentes conditions sont d'application pour les bouteilles de gaz stockées en atelier sauf conditions plus strictes prévues dans le permis d'environnement.
Les présentes conditions sont d'application pour les bouteilles de gaz stockées en atelier sauf conditions plus strictes prévues dans le permis d'environnement.
Art. 13. Voorwaarden voor opslag en hantering
§ 1. De flessen worden verticaal opgeslagen en vastgezet zodat ze niet kunnen omvallen.
Ze moeten met omzichtigheid gehanteerd worden. De uitbater gebruikt daarvoor aangepaste karretjes en hijstoestellen.
§ 2. De recipiënten worden hermetisch gesloten na elk gebruik en voor elk transport.
§ 3. De uitbater slaat incompatibele gassen apart op. Zo moeten met name oxiderende gassen verplicht apart worden bewaard van licht ontvlambare of zeer licht ontvlambare gassen. Daarvoor dient de uitbater de opslagvoorwaarden te raadplegen die op de veiligheidsinformatiebladen van deze gassen worden vermeld.
§ 4. De gasflessen moeten worden beschermd tegen zonnestralen en warmtebronnen. Ze moeten op een droge, goed verluchte plaats worden opgeslagen, ver van eventuele corroderende stoffen.
§ 5. De uitbater neemt de nodige voorzorgen om te vermijden dat de flessen in contact komen met oliën, vetten of stof.
§ 6. Het rook- en vuurverbod moet met behulp van de reglementaire pictogrammen worden uitgehangen in de omgeving van de opgeslagen flessen.
§ 7. De lege flessen worden opgeslagen op plaatsen die daarvoor zijn voorbehouden. De omstandigheden waarin deze flessen worden opgeslagen, moeten voldoen aan de voorwaarden onder §§ 1 tot en met 6 hierboven.
§ 1. De flessen worden verticaal opgeslagen en vastgezet zodat ze niet kunnen omvallen.
Ze moeten met omzichtigheid gehanteerd worden. De uitbater gebruikt daarvoor aangepaste karretjes en hijstoestellen.
§ 2. De recipiënten worden hermetisch gesloten na elk gebruik en voor elk transport.
§ 3. De uitbater slaat incompatibele gassen apart op. Zo moeten met name oxiderende gassen verplicht apart worden bewaard van licht ontvlambare of zeer licht ontvlambare gassen. Daarvoor dient de uitbater de opslagvoorwaarden te raadplegen die op de veiligheidsinformatiebladen van deze gassen worden vermeld.
§ 4. De gasflessen moeten worden beschermd tegen zonnestralen en warmtebronnen. Ze moeten op een droge, goed verluchte plaats worden opgeslagen, ver van eventuele corroderende stoffen.
§ 5. De uitbater neemt de nodige voorzorgen om te vermijden dat de flessen in contact komen met oliën, vetten of stof.
§ 6. Het rook- en vuurverbod moet met behulp van de reglementaire pictogrammen worden uitgehangen in de omgeving van de opgeslagen flessen.
§ 7. De lege flessen worden opgeslagen op plaatsen die daarvoor zijn voorbehouden. De omstandigheden waarin deze flessen worden opgeslagen, moeten voldoen aan de voorwaarden onder §§ 1 tot en met 6 hierboven.
Art. 13. Conditions de stockage et de manutention
§ 1er. Les bouteilles sont rangées verticalement et fixées afin d'éviter qu'elles ne se renversent.
Elles sont manipulées avec prudence. L'exploitant utilise pour ce faire des chariots et engins de levage appropriés.
§ 2. Les récipients sont fermés hermétiquement après chaque utilisation et avant chaque transport.
§ 3. L'exploitant stocke séparément les gaz incompatibles. En particulier, les gaz oxydants doivent impérativement être séparés des gaz inflammables ou extrêmement inflammables. Il consulte pour ce faire les conditions de stockage figurant sur les fiches de données de sécurité des dits gaz.
§ 4. Les bouteilles de gaz sont protégées des rayons du soleil et autres sources de chaleur. Elles sont stockées dans un endroit sec, bien ventilé et à l'écart d'éventuels agents de corrosion.
§ 5. L'exploitant prend les précautions nécessaires pour empêcher que les bouteilles n'entrent en contact avec des huiles, des graisses ou des poussières.
§ 6. L'interdiction de fumer et de feu doit être indiquée au moyen des pictogrammes réglementaires à proximité des lieux où sont rangées les bouteilles.
§ 7. Les bouteilles vides sont stockées à un endroit réservé à cet effet. Les conditions de stockage de ces bouteilles répondent aux conditions des §§ 1er à 6 qui précèdent.
§ 1er. Les bouteilles sont rangées verticalement et fixées afin d'éviter qu'elles ne se renversent.
Elles sont manipulées avec prudence. L'exploitant utilise pour ce faire des chariots et engins de levage appropriés.
§ 2. Les récipients sont fermés hermétiquement après chaque utilisation et avant chaque transport.
§ 3. L'exploitant stocke séparément les gaz incompatibles. En particulier, les gaz oxydants doivent impérativement être séparés des gaz inflammables ou extrêmement inflammables. Il consulte pour ce faire les conditions de stockage figurant sur les fiches de données de sécurité des dits gaz.
§ 4. Les bouteilles de gaz sont protégées des rayons du soleil et autres sources de chaleur. Elles sont stockées dans un endroit sec, bien ventilé et à l'écart d'éventuels agents de corrosion.
§ 5. L'exploitant prend les précautions nécessaires pour empêcher que les bouteilles n'entrent en contact avec des huiles, des graisses ou des poussières.
§ 6. L'interdiction de fumer et de feu doit être indiquée au moyen des pictogrammes réglementaires à proximité des lieux où sont rangées les bouteilles.
§ 7. Les bouteilles vides sont stockées à un endroit réservé à cet effet. Les conditions de stockage de ces bouteilles répondent aux conditions des §§ 1er à 6 qui précèdent.
Sectie 5. - Ontvettingsfontein met solvent voor onderdelen
Section 5. - Fontaine de dégraissage de pièces utilisant du solvant
Art. 14. Voorwaarden voor veiligheid
§ 1. De ontvettingsfontein moet op een plaats staan die voldoende verlucht is en beschermd is tegen elke warmtebron zoals luchtverhitter, vlam of blootliggende elektrische weerstanden, of bron van vonken zoals elektrische motoren, slijpstenen of lasposten.
§ 2. De stabiliteit van het toestel moet steeds gewaarborgd zijn.
§ 3. De installatie moet jaarlijks door een bevoegde technicus onderhouden worden. De hele installatie moet geaard zijn.
§ 4. Het solventreservoir van het toestel wordt in een inkuiping geplaatst met een inhoud die gelijk is aan de hoeveelheid solvent die het reservoir bevat.
§ 5. Overeenkomstig de geldende wetgeving met betrekking tot afvalstoffen, moeten de gebruikte solventen worden beschouwd als gevaarlijke afvalstoffen en worden opgehaald door een ophaler die erkend is in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
§ 1. De ontvettingsfontein moet op een plaats staan die voldoende verlucht is en beschermd is tegen elke warmtebron zoals luchtverhitter, vlam of blootliggende elektrische weerstanden, of bron van vonken zoals elektrische motoren, slijpstenen of lasposten.
§ 2. De stabiliteit van het toestel moet steeds gewaarborgd zijn.
§ 3. De installatie moet jaarlijks door een bevoegde technicus onderhouden worden. De hele installatie moet geaard zijn.
§ 4. Het solventreservoir van het toestel wordt in een inkuiping geplaatst met een inhoud die gelijk is aan de hoeveelheid solvent die het reservoir bevat.
§ 5. Overeenkomstig de geldende wetgeving met betrekking tot afvalstoffen, moeten de gebruikte solventen worden beschouwd als gevaarlijke afvalstoffen en worden opgehaald door een ophaler die erkend is in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Art. 14. Conditions de sécurité
§ 1er. La fontaine de dégraissage est située dans un endroit correctement ventilé et à l'abri de toute source de chaleur telle qu'aérotherme, flamme ou résistance électrique nue ou de source d'étincelles telle que moteur électrique, meule ou poste de soudage.
§ 2. La stabilité de cet appareillage est en tout temps assurée.
§ 3. L'installation est entretenue annuellement par un technicien compétent. L'ensemble de l'appareillage est mis à la terre.
§ 4. Le réservoir à solvant de l'appareil est placé dans un encuvement d'une capacité égale à la quantité de solvants présente dans celui-ci.
§ 5. Conformément à la législation relative aux déchets en vigueur, les solvants usagés sont considérés comme déchets dangereux et doivent donc être collectés par un collecteur agréé en région de Bruxelles-Capitale.
§ 1er. La fontaine de dégraissage est située dans un endroit correctement ventilé et à l'abri de toute source de chaleur telle qu'aérotherme, flamme ou résistance électrique nue ou de source d'étincelles telle que moteur électrique, meule ou poste de soudage.
§ 2. La stabilité de cet appareillage est en tout temps assurée.
§ 3. L'installation est entretenue annuellement par un technicien compétent. L'ensemble de l'appareillage est mis à la terre.
§ 4. Le réservoir à solvant de l'appareil est placé dans un encuvement d'une capacité égale à la quantité de solvants présente dans celui-ci.
§ 5. Conformément à la législation relative aux déchets en vigueur, les solvants usagés sont considérés comme déchets dangereux et doivent donc être collectés par un collecteur agréé en région de Bruxelles-Capitale.
Sectie 6. - Luchtcompressoren
Section 6. - Compresseurs d'air
Art. 15. Plaatsing en onderhoud
§ 1. De uitbater houdt een attest, opgesteld door de constructeur van de houder of door een bevoegd technicus, ter beschikking van het Instituut en van de gemeente, waarop bevestigd staat dat :
- de houder een drukproef heeft doorstaan, gelijk aan anderhalf maal de maximale bedrijfsdruk;
- tijdens de koudwaterproef geen blijvende vormveranderingen, constructiefouten of zware gebreken bleken te ontstaan;
- de houder in staat is te weerstaan aan een druk die twee maal de maximale bedrijfsdruk bedraagt, vooraleer te breken.
§ 2. De houder wordt regelmatig ontlucht.
§ 3. De compressor wordt op een afstand van de gemeenschappelijke muren van woningen geplaatst. In voorkomend geval treft de uitbater de nodige maatregelen om de geluids- en trillingenhinder die verband houdt met het gebruik ervan, te beperken.
§ 1. De uitbater houdt een attest, opgesteld door de constructeur van de houder of door een bevoegd technicus, ter beschikking van het Instituut en van de gemeente, waarop bevestigd staat dat :
- de houder een drukproef heeft doorstaan, gelijk aan anderhalf maal de maximale bedrijfsdruk;
- tijdens de koudwaterproef geen blijvende vormveranderingen, constructiefouten of zware gebreken bleken te ontstaan;
- de houder in staat is te weerstaan aan een druk die twee maal de maximale bedrijfsdruk bedraagt, vooraleer te breken.
§ 2. De houder wordt regelmatig ontlucht.
§ 3. De compressor wordt op een afstand van de gemeenschappelijke muren van woningen geplaatst. In voorkomend geval treft de uitbater de nodige maatregelen om de geluids- en trillingenhinder die verband houdt met het gebruik ervan, te beperken.
Art. 15. Mise en place et entretien
§ 1er. L'exploitant tient à la disposition de l'Institut et de la commune un certificat établi par le constructeur du réservoir ou par un technicien compétent et attestant que :
- le réservoir a subi une pression d'épreuve égale à une fois et demie la pression maximale de service;
- l'épreuve faite à l'eau froide n'a fait découvrir ni déformation permanente, ni vices de construction, ni défauts graves;
- le réservoir est conditionné de manière à résister, avant de se rompre, à une pression égale au double de la pression maximale de service.
§ 2. Le réservoir est purgé régulièrement.
§ 3. Le compresseur est placé à l'écart des murs mitoyens d'habitations. Le cas échéant, l'exploitant prend des mesures visant à restreindre les nuisances sonores et vibratoires liées à son utilisation.
§ 1er. L'exploitant tient à la disposition de l'Institut et de la commune un certificat établi par le constructeur du réservoir ou par un technicien compétent et attestant que :
- le réservoir a subi une pression d'épreuve égale à une fois et demie la pression maximale de service;
- l'épreuve faite à l'eau froide n'a fait découvrir ni déformation permanente, ni vices de construction, ni défauts graves;
- le réservoir est conditionné de manière à résister, avant de se rompre, à une pression égale au double de la pression maximale de service.
§ 2. Le réservoir est purgé régulièrement.
§ 3. Le compresseur est placé à l'écart des murs mitoyens d'habitations. Le cas échéant, l'exploitant prend des mesures visant à restreindre les nuisances sonores et vibratoires liées à son utilisation.
Sectie 7. - Parkeerzones voor voertuigen
Section 7. - Zones de stationnement de véhicules
Art. 16. Gemeenschappelijke bepalingen aan de opstelling en beheer van de parkeerzones voor voertuigen
§ 1. Binnen de uitbatingssite moeten er voldoende parkeerplaatsen of herstelzones zijn om alle te herstellen of herstelde voertuigen te kunnen parkeren, alsook die van de bezoekers.
§ 2. Het parkeren van de voertuigen moet op zodanige wijze worden georganiseerd dat er geen voertuigen naar de weg moeten worden verplaatst telkens wanneer er een vertrekt. De uitbater voorziet indien nodig in een manoeuvreerruimte in de uitbatingssite die te allen tijde vrij moet blijven.
§ 3. Het binnen- en buitenrijden van de voertuigen moet op zodanige wijze worden georganiseerd dat deze voertuigen de voetgangers niet hinderen of het autoverkeer niet bovenmatig vertragen.
§ 4. Voertuigen zonder geldige nummerplaten die toebehoren aan de uitbater of aan zijn klanten mogen in geen geval op de openbare weg geparkeerd worden.
§ 5. Een toegangsweg van minstens 80 cm breed moet vrijgelaten worden om de hulpdiensten niet te hinderen bij eventuele interventies.
§ 6. Herstellings- of onderhoudswerken aan de voertuigen mogen alleen worden uitgevoerd in de daarvoor voorziene herstelzones. Deze werken mogen in geen geval worden uitgevoerd op de openbare weg of in een parkeerzone.
§ 7. De parkeerzone moet te allen tijde in een goede staat van netheid worden gehouden door een regelmatig onderhoud.
§ 1. Binnen de uitbatingssite moeten er voldoende parkeerplaatsen of herstelzones zijn om alle te herstellen of herstelde voertuigen te kunnen parkeren, alsook die van de bezoekers.
§ 2. Het parkeren van de voertuigen moet op zodanige wijze worden georganiseerd dat er geen voertuigen naar de weg moeten worden verplaatst telkens wanneer er een vertrekt. De uitbater voorziet indien nodig in een manoeuvreerruimte in de uitbatingssite die te allen tijde vrij moet blijven.
§ 3. Het binnen- en buitenrijden van de voertuigen moet op zodanige wijze worden georganiseerd dat deze voertuigen de voetgangers niet hinderen of het autoverkeer niet bovenmatig vertragen.
§ 4. Voertuigen zonder geldige nummerplaten die toebehoren aan de uitbater of aan zijn klanten mogen in geen geval op de openbare weg geparkeerd worden.
§ 5. Een toegangsweg van minstens 80 cm breed moet vrijgelaten worden om de hulpdiensten niet te hinderen bij eventuele interventies.
§ 6. Herstellings- of onderhoudswerken aan de voertuigen mogen alleen worden uitgevoerd in de daarvoor voorziene herstelzones. Deze werken mogen in geen geval worden uitgevoerd op de openbare weg of in een parkeerzone.
§ 7. De parkeerzone moet te allen tijde in een goede staat van netheid worden gehouden door een regelmatig onderhoud.
Art. 16. Dispositions communes relatives à la mise en place et gestion des zones de stationnement de véhicules
§ 1er. Il doit y avoir au sein de l'exploitation suffisamment de zones de stationnement ou d'aires de réparation pour garer tous les véhicules en réparation ou réparés, ainsi que pour les visiteurs.
§ 2. Le stationnement de chaque véhicule est organisé de manière à éviter le report en voirie de nombreux véhicules lors du départ de l'un de ceux-ci. L'exploitant prévoit le cas échéant, dans l'exploitation, une zone de manoeuvre devant en tout temps rester libre.
§ 3. L'entrée et la sortie des véhicules sont organisées d'une façon telle que celles-ci ne puissent constituer une gêne pour les piétons ou une source de ralentissement excessive pour la circulation automobile.
§ 4. Les véhicules sans plaques valides appartenant à l'exploitant ou à ses clients ne peuvent en aucun cas être garés sur la voie publique.
§ 5. Un couloir d'accès de minimum 80 cm de largeur est laissé libre afin de permettre l'intervention aisée des services de secours.
§ 6. Les travaux de réparation ou d'entretien de véhicules ne peuvent être effectués que dans les aires de réparation prévues à cet effet. Ces travaux ne peuvent en aucun cas être exécutés sur la voie publique ou en zone de stationnement.
§ 7. La zone de stationnement est en tout temps maintenue dans un bon état de propreté par un entretien régulier.
§ 1er. Il doit y avoir au sein de l'exploitation suffisamment de zones de stationnement ou d'aires de réparation pour garer tous les véhicules en réparation ou réparés, ainsi que pour les visiteurs.
§ 2. Le stationnement de chaque véhicule est organisé de manière à éviter le report en voirie de nombreux véhicules lors du départ de l'un de ceux-ci. L'exploitant prévoit le cas échéant, dans l'exploitation, une zone de manoeuvre devant en tout temps rester libre.
§ 3. L'entrée et la sortie des véhicules sont organisées d'une façon telle que celles-ci ne puissent constituer une gêne pour les piétons ou une source de ralentissement excessive pour la circulation automobile.
§ 4. Les véhicules sans plaques valides appartenant à l'exploitant ou à ses clients ne peuvent en aucun cas être garés sur la voie publique.
§ 5. Un couloir d'accès de minimum 80 cm de largeur est laissé libre afin de permettre l'intervention aisée des services de secours.
§ 6. Les travaux de réparation ou d'entretien de véhicules ne peuvent être effectués que dans les aires de réparation prévues à cet effet. Ces travaux ne peuvent en aucun cas être exécutés sur la voie publique ou en zone de stationnement.
§ 7. La zone de stationnement est en tout temps maintenue dans un bon état de propreté par un entretien régulier.
Art. 17. Bijzondere bepalingen voor de overdekte parkeerzones voor voertuigen.
Voor de parkeerzones voor voertuigen worden de volgende voorwaarden nageleefd :
1° De parkeerzone beschikt over voldoende uitgangen die oordeelkundig zijn verdeeld, met het oog op een snelle en vlotte evacuatie van de aanwezige personen.
2° Maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat voertuigen toegelaten worden of parkeren in de onmiddellijke nabijheid van uitgangen, nooduitgangen en brandbestrijdingsmiddelen.
3° De uitgangen, nooduitgangen en de wegen die ernaartoe leiden, alsook de brandbestrijdingsmiddelen, moeten duidelijk zichtbaar worden aangeduid.
4° De parkeerzone moet op zodanige wijze worden verlucht dat de lucht er nooit toxisch, explosief of hinderlijk voor de omgeving kan worden. De milieuvergunning kan modaliteiten voor de verluchting van de zone preciseren.
Voor de parkeerzones voor voertuigen worden de volgende voorwaarden nageleefd :
1° De parkeerzone beschikt over voldoende uitgangen die oordeelkundig zijn verdeeld, met het oog op een snelle en vlotte evacuatie van de aanwezige personen.
2° Maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat voertuigen toegelaten worden of parkeren in de onmiddellijke nabijheid van uitgangen, nooduitgangen en brandbestrijdingsmiddelen.
3° De uitgangen, nooduitgangen en de wegen die ernaartoe leiden, alsook de brandbestrijdingsmiddelen, moeten duidelijk zichtbaar worden aangeduid.
4° De parkeerzone moet op zodanige wijze worden verlucht dat de lucht er nooit toxisch, explosief of hinderlijk voor de omgeving kan worden. De milieuvergunning kan modaliteiten voor de verluchting van de zone preciseren.
Art. 17. Conditions particulières pour les zones de stationnement de véhicules couvertes
Les zones de stationnement de véhicules respectent les conditions suivantes :
1° La zone de stationnement possède un nombre suffisant de sorties réparties judicieusement de façon à permettre une évacuation rapide et aisée des personnes.
2° Des moyens sont pris pour ne pas admettre un véhicule ou le stationner à proximité immédiate de sorties, de sorties de secours, de moyens de lutte contre l'incendie.
3° Les sorties, sorties de secours, les voies qui y conduisent ainsi que les moyens de lutte contre l'incendie sont signalés de façon apparente.
4° La zone de stationnement est aérée de telle sorte que l'atmosphère n'y puisse jamais devenir toxique, explosive ou incommodante pour le voisinage. Le permis d'environnement peut préciser les modalités de ventilation de la zone.
Les zones de stationnement de véhicules respectent les conditions suivantes :
1° La zone de stationnement possède un nombre suffisant de sorties réparties judicieusement de façon à permettre une évacuation rapide et aisée des personnes.
2° Des moyens sont pris pour ne pas admettre un véhicule ou le stationner à proximité immédiate de sorties, de sorties de secours, de moyens de lutte contre l'incendie.
3° Les sorties, sorties de secours, les voies qui y conduisent ainsi que les moyens de lutte contre l'incendie sont signalés de façon apparente.
4° La zone de stationnement est aérée de telle sorte que l'atmosphère n'y puisse jamais devenir toxique, explosive ou incommodante pour le voisinage. Le permis d'environnement peut préciser les modalités de ventilation de la zone.
Art. 18. Bijzondere bepalingen voor de parkeerzones voor voertuigen in open lucht
De kunstmatige verlichting van de parkeerzones in open lucht moet op oordeelkundige wijze worden geïnstalleerd zodanig dat de buurtbewoners niet gehinderd worden.
De kunstmatige verlichting van de parkeerzones in open lucht moet op oordeelkundige wijze worden geïnstalleerd zodanig dat de buurtbewoners niet gehinderd worden.
Art. 18. Conditions particulières pour les zones de stationnement de véhicules à l'air libre
L'éclairage artificiel des zones de stationnement à l'air libre est installé judicieusement de manière à ne pas gêner le voisinage.
L'éclairage artificiel des zones de stationnement à l'air libre est installé judicieusement de manière à ne pas gêner le voisinage.
Sectie 8. - Afgedankte voertuigen
Section 8. - Véhicules hors d'usage
Art. 19. Opslag van reserveonderdelen
§ 1. De uitbater houdt zich aan de voorschriften van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 15 april 2004 betreffende het beheer van afgedankte voertuigen. Hij mag dus geen afgedankte voertuigen opslaan tenzij hij volgens de regels is geregistreerd als demonteercentrum.
§ 2. De volgende opslag is evenwel toegelaten voor het gebruik van reserveonderdelen in het kader van de activiteiten van de werkplaats :
- 2 gedeeltelijk gedemonteerde voertuigen en 6 motoren, of
- 1 gedeeltelijk gedemonteerd voertuig en 7 motoren.
De gedemonteerde onderdelen zijn uitsluitend bestemd om te worden gebruikt in het kader van de herstelactiviteiten van de werkplaats. Indien er meer gedeeltelijk gedemonteerde voertuigen en/of opgeslagen motoren zijn, of indien de uitbater gedemonteerde reserveonderdelen verkoopt, is een registratie als demonteercentrum verplicht.
§ 3. De vloer van de opslagzone van de motoren en de gedeeltelijk gedemonteerde voertuigen is ondoorlatend voor koolwaterstoffen en voorzien van de nodige hellingen en eventuele randen om alle onopzettelijk gemorste vloeistoffen af te voeren naar een voorziening die, in alle gevallen, voorkomt dat deze producten terechtkomen in de openbare of particuliere riolering, in beken, goten enzovoort.
§ 4. De reserveonderdelen worden opgeslagen in rekken in een overdekte opslagruimte.
Losse onderdelen die vloeistoffen bevatten, moeten worden opgeslagen :
- ofwel in een zone waarvan de vloer voldoet aan de voorschriften beschreven onder § 3 hierboven;
- ofwel met opvangbakken onder de rekken om eventuele lekkende vloeistoffen op te vangen.
§ 1. De uitbater houdt zich aan de voorschriften van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 15 april 2004 betreffende het beheer van afgedankte voertuigen. Hij mag dus geen afgedankte voertuigen opslaan tenzij hij volgens de regels is geregistreerd als demonteercentrum.
§ 2. De volgende opslag is evenwel toegelaten voor het gebruik van reserveonderdelen in het kader van de activiteiten van de werkplaats :
- 2 gedeeltelijk gedemonteerde voertuigen en 6 motoren, of
- 1 gedeeltelijk gedemonteerd voertuig en 7 motoren.
De gedemonteerde onderdelen zijn uitsluitend bestemd om te worden gebruikt in het kader van de herstelactiviteiten van de werkplaats. Indien er meer gedeeltelijk gedemonteerde voertuigen en/of opgeslagen motoren zijn, of indien de uitbater gedemonteerde reserveonderdelen verkoopt, is een registratie als demonteercentrum verplicht.
§ 3. De vloer van de opslagzone van de motoren en de gedeeltelijk gedemonteerde voertuigen is ondoorlatend voor koolwaterstoffen en voorzien van de nodige hellingen en eventuele randen om alle onopzettelijk gemorste vloeistoffen af te voeren naar een voorziening die, in alle gevallen, voorkomt dat deze producten terechtkomen in de openbare of particuliere riolering, in beken, goten enzovoort.
§ 4. De reserveonderdelen worden opgeslagen in rekken in een overdekte opslagruimte.
Losse onderdelen die vloeistoffen bevatten, moeten worden opgeslagen :
- ofwel in een zone waarvan de vloer voldoet aan de voorschriften beschreven onder § 3 hierboven;
- ofwel met opvangbakken onder de rekken om eventuele lekkende vloeistoffen op te vangen.
Art. 19. Stockage de pièces de rechange
§ 1er. L'exploitant se conforme aux prescriptions de l'arrêté de la Région de Bruxelles-Capitale du 15 avril 2004 relatif à la gestion des véhicules hors d'usage. Il ne peut donc stocker de véhicules hors d'usage sans être dûment enregistré comme démonteur.
§ 2. Le stockage suivant est cependant autorisé pour l'utilisation de pièces de rechange dans le cadre des activités de l'atelier :
- 2 véhicules partiellement démontés et 6 moteurs, ou
- 1 véhicule partiellement démonté et 7 moteurs.
Les pièces démontées sont exclusivement destinées à être utilisées dans le cadre des activités de réparation de l'atelier. S'il y a plus de véhicules partiellement démontés et/ou de moteurs stockés ou si l'exploitant vend des pièces de rechange démontées, un enregistrement comme démonteur est obligatoire.
§ 3. Le sol de la zone de stockage des moteurs et des véhicules partiellement démontés est imperméable aux hydrocarbures et pourvu de pentes nécessaires et de rebords éventuels afin d'évacuer tous les liquides accidentellement répandus vers un dispositif empêchant, dans tous les cas, l'envoi de ces produits dans les égouts publics ou particuliers, dans les ruisseaux, fossés, etc.
§ 4. Les pièces de rechange d'occasion sont conservées sur des rayonnages dans un espace de stockage couvert.
Pour les pièces détachées qui contiennent des liquides, il faut :
- soit les stocker dans une zone dont le sol répond aux prescriptions décrites au § 3 qui précède;
- soit prévoir des bacs collecteurs sous les rayonnages afin de pouvoir recueillir les fuites de liquides éventuelles.
§ 1er. L'exploitant se conforme aux prescriptions de l'arrêté de la Région de Bruxelles-Capitale du 15 avril 2004 relatif à la gestion des véhicules hors d'usage. Il ne peut donc stocker de véhicules hors d'usage sans être dûment enregistré comme démonteur.
§ 2. Le stockage suivant est cependant autorisé pour l'utilisation de pièces de rechange dans le cadre des activités de l'atelier :
- 2 véhicules partiellement démontés et 6 moteurs, ou
- 1 véhicule partiellement démonté et 7 moteurs.
Les pièces démontées sont exclusivement destinées à être utilisées dans le cadre des activités de réparation de l'atelier. S'il y a plus de véhicules partiellement démontés et/ou de moteurs stockés ou si l'exploitant vend des pièces de rechange démontées, un enregistrement comme démonteur est obligatoire.
§ 3. Le sol de la zone de stockage des moteurs et des véhicules partiellement démontés est imperméable aux hydrocarbures et pourvu de pentes nécessaires et de rebords éventuels afin d'évacuer tous les liquides accidentellement répandus vers un dispositif empêchant, dans tous les cas, l'envoi de ces produits dans les égouts publics ou particuliers, dans les ruisseaux, fossés, etc.
§ 4. Les pièces de rechange d'occasion sont conservées sur des rayonnages dans un espace de stockage couvert.
Pour les pièces détachées qui contiennent des liquides, il faut :
- soit les stocker dans une zone dont le sol répond aux prescriptions décrites au § 3 qui précède;
- soit prévoir des bacs collecteurs sous les rayonnages afin de pouvoir recueillir les fuites de liquides éventuelles.
Sectie 10. - Wasplaats voor voertuigen
Section 9. - Aire de lavage de véhicules
Art. 20. Ontwerp van de wasplaats voor voertuigen
§ 1. De auto's worden gewassen in een duidelijk aangeduide zone binnen de werkplaats die voorzien is van opvangsystemen voor afvalwater. Dit water mag in geen geval op de openbare weg terechtkomen.
§ 2. De waszones die zijn ingericht na de inwerkingtreding van dit besluit mogen zich niet naast een gemeenschappelijke muur bevinden.
§ 3. De vloer en de muren van de waszone moeten waterondoorlatend zijn.
§ 4. Het afvalwater dat afkomstig is van de waszone, moet worden gezuiverd door een systeem dat bestaat uit een slibafscheider en een koolwaterstofafscheider in het geval de onderkant van de carrosserie of de motor wordt gewassen, alsook vanaf 10 gewassen voertuigen per dag.
§ 5. Voor de installaties die werden ingericht na de inwerkingtreding van dit besluit, moet de koolwaterstofafscheider voorzien zijn van een coalescentiefilter.
§ 6. De waterafvoerleidingen en de inspectieruimten moeten ondoorlatend zijn.
§ 1. De auto's worden gewassen in een duidelijk aangeduide zone binnen de werkplaats die voorzien is van opvangsystemen voor afvalwater. Dit water mag in geen geval op de openbare weg terechtkomen.
§ 2. De waszones die zijn ingericht na de inwerkingtreding van dit besluit mogen zich niet naast een gemeenschappelijke muur bevinden.
§ 3. De vloer en de muren van de waszone moeten waterondoorlatend zijn.
§ 4. Het afvalwater dat afkomstig is van de waszone, moet worden gezuiverd door een systeem dat bestaat uit een slibafscheider en een koolwaterstofafscheider in het geval de onderkant van de carrosserie of de motor wordt gewassen, alsook vanaf 10 gewassen voertuigen per dag.
§ 5. Voor de installaties die werden ingericht na de inwerkingtreding van dit besluit, moet de koolwaterstofafscheider voorzien zijn van een coalescentiefilter.
§ 6. De waterafvoerleidingen en de inspectieruimten moeten ondoorlatend zijn.
Art. 20. Conception de l'aire de lavage de véhicules
§ 1er. Le lavage de véhicules automobiles s'effectue sur zone clairement identifiée au sein de l'atelier et pourvue de systèmes de récolte des eaux usées. Ces eaux ne peuvent en aucun cas se retrouver sur la voie publique.
§ 2. Les zones de lavage établies après l'entrée en vigueur du présent arrêté ne peuvent être localisées contre un mur mitoyen.
§ 3. Le sol et les murs de la zone de lavage sont rendus imperméables à l'eau.
§ 4. Les eaux usées provenant de la zone de lavage sont épurées par un système composé d'un débourbeur et d'un séparateur d'hydrocarbures en cas de lavage du bas de caisse ou de moteur ainsi qu'à partir de 10 véhicules lavés par jour.
§ 5. Pour les installations mises en place après l'entrée en vigueur du présent arrêté, le séparateur d'hydrocarbures est pourvu d'un filtre à coalescence.
§ 6. Les conduites d'évacuation des eaux et les chambres de visite sont étanches.
§ 1er. Le lavage de véhicules automobiles s'effectue sur zone clairement identifiée au sein de l'atelier et pourvue de systèmes de récolte des eaux usées. Ces eaux ne peuvent en aucun cas se retrouver sur la voie publique.
§ 2. Les zones de lavage établies après l'entrée en vigueur du présent arrêté ne peuvent être localisées contre un mur mitoyen.
§ 3. Le sol et les murs de la zone de lavage sont rendus imperméables à l'eau.
§ 4. Les eaux usées provenant de la zone de lavage sont épurées par un système composé d'un débourbeur et d'un séparateur d'hydrocarbures en cas de lavage du bas de caisse ou de moteur ainsi qu'à partir de 10 véhicules lavés par jour.
§ 5. Pour les installations mises en place après l'entrée en vigueur du présent arrêté, le séparateur d'hydrocarbures est pourvu d'un filtre à coalescence.
§ 6. Les conduites d'évacuation des eaux et les chambres de visite sont étanches.
Sectie 10. - Demontage van airbags
Section 10. - Démontage d'airbags
Art. 21. Technische vereisten
§ 1. Bij het demonteren van gasgeneratoren zoals het opblaasmechanisme van airbags is het verboden te roken, vuur te maken of een ontstekingsbron of vonken te veroorzaken, met inbegrip van het gebruik van een gsm of een andere bron van elektromagnetische golven.
§ 2. Beschadigde gasgeneratoren moeten volgens de regels worden opgehaald door een erkende ophaler van gevaarlijke afvalstoffen.
Toestellen in goede staat en ontdaan van de houder mogen niet worden verkocht of overgedragen aan particulieren; ze zijn voorbehouden voor professionals voor zover zij deze nodig hebben om hun beroep uit te oefenen.
§ 3. De milieuvergunning legt de voorwaarden vast voor de opslag van airbags op basis van een drempel van 0,5 kg pyrotechnische mengeling.
§ 1. Bij het demonteren van gasgeneratoren zoals het opblaasmechanisme van airbags is het verboden te roken, vuur te maken of een ontstekingsbron of vonken te veroorzaken, met inbegrip van het gebruik van een gsm of een andere bron van elektromagnetische golven.
§ 2. Beschadigde gasgeneratoren moeten volgens de regels worden opgehaald door een erkende ophaler van gevaarlijke afvalstoffen.
Toestellen in goede staat en ontdaan van de houder mogen niet worden verkocht of overgedragen aan particulieren; ze zijn voorbehouden voor professionals voor zover zij deze nodig hebben om hun beroep uit te oefenen.
§ 3. De milieuvergunning legt de voorwaarden vast voor de opslag van airbags op basis van een drempel van 0,5 kg pyrotechnische mengeling.
Art. 21. Exigences techniques
§ 1er. Lors du démontage des générateurs de gaz tels que gonfleurs des airbags, il est interdit de fumer, de générer un feu ou d'introduire une source d'ignition ou d'étincelle de quelque nature que ce soit; en ce compris l'utilisation d'appareil de téléphonie mobile ou d'autres sources électromagnétiques.
§ 2. Les générateurs de gaz qui sont endommagés sont régulièrement collectés par les soins d'un collecteur de déchets dangereux agréé.
Les engins en bon état et enlevés de leur support ne peuvent être vendus ou cédés aux particuliers; ils sont en effet réservés aux professionnels dans la mesure de leur besoin pour exercer leur métier.
§ 3. Le permis d'environnement fixe les modalités de stockage des airbags à partir d'un seuil de 0,5 kg de composition pyrotechnique.
§ 1er. Lors du démontage des générateurs de gaz tels que gonfleurs des airbags, il est interdit de fumer, de générer un feu ou d'introduire une source d'ignition ou d'étincelle de quelque nature que ce soit; en ce compris l'utilisation d'appareil de téléphonie mobile ou d'autres sources électromagnétiques.
§ 2. Les générateurs de gaz qui sont endommagés sont régulièrement collectés par les soins d'un collecteur de déchets dangereux agréé.
Les engins en bon état et enlevés de leur support ne peuvent être vendus ou cédés aux particuliers; ils sont en effet réservés aux professionnels dans la mesure de leur besoin pour exercer leur métier.
§ 3. Le permis d'environnement fixe les modalités de stockage des airbags à partir d'un seuil de 0,5 kg de composition pyrotechnique.
Sectie 11. - Opslag van nieuwe olie en afvalolie
Section 11. - Stockage des huiles neuves et usagées
Art. 22. Algemene bepalingen
§ 1. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing onverminderd de voorschriften die door andere wetgevingen worden vastgelegd.
§ 2. Het is verboden afvalolie te deponeren of te laten lopen in of op de bodem, in de oppervlaktewateren, in het grondwater, in de riolen, de afvoerleidingen, de collectoren of op om het even welke plaats waar ze milieuverontreiniging kan veroorzaken.
§ 3. De middelen die nodig zijn om verdere verspreiding van de olie tegen te gaan in geval van een lek of een ander incident, zoals houtzaagsel of andere absorberende producten, zijn aanwezig vlakbij de opslagplaats en dienen onmiddellijk te worden ingezet.
§ 4. Het is verboden afvalolie te verbranden.
§ 5. Het is verboden water of andere vreemde stoffen, zoals solventen, detergenten of antivriesmiddelen, toe te voegen aan of te vermengen met de afvalolie.
§ 6. De afvalolie wordt gescheiden afhankelijk van de aard ervan.
Met name afgewerkte remolie moet worden gescheiden van alle andere afvalolie.
De uitbater beschikt indien nodig over verschillende vaten om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen.
§ 1. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing onverminderd de voorschriften die door andere wetgevingen worden vastgelegd.
§ 2. Het is verboden afvalolie te deponeren of te laten lopen in of op de bodem, in de oppervlaktewateren, in het grondwater, in de riolen, de afvoerleidingen, de collectoren of op om het even welke plaats waar ze milieuverontreiniging kan veroorzaken.
§ 3. De middelen die nodig zijn om verdere verspreiding van de olie tegen te gaan in geval van een lek of een ander incident, zoals houtzaagsel of andere absorberende producten, zijn aanwezig vlakbij de opslagplaats en dienen onmiddellijk te worden ingezet.
§ 4. Het is verboden afvalolie te verbranden.
§ 5. Het is verboden water of andere vreemde stoffen, zoals solventen, detergenten of antivriesmiddelen, toe te voegen aan of te vermengen met de afvalolie.
§ 6. De afvalolie wordt gescheiden afhankelijk van de aard ervan.
Met name afgewerkte remolie moet worden gescheiden van alle andere afvalolie.
De uitbater beschikt indien nodig over verschillende vaten om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen.
Art. 22. Dispositions générales
§ 1er. Les dispositions du présent article s'appliquent sans préjudice des prescriptions fixées par d'autres législations.
§ 2. Il est interdit de déposer ou de laisser s'écouler des huiles dans ou sur le sol, dans les eaux de surface, dans les nappes souterraines, dans les égouts, les canalisations, les collecteurs ou en quelque lieu que ce soit où elles peuvent polluer l'environnement.
§ 3. Les moyens nécessaires pour lutter contre les épanchements tels que sciure de bois ou tout autre produit absorbant sont présents à proximité du stockage. Tout épanchement doit être immédiatement récolté via ces produits.
§ 4. Il est interdit de brûler des huiles usagées.
§ 5. Il est interdit d'ajouter ou de mélanger de l'eau ou tout corps étranger, tels que des solvants, des détergents ou des antigels à des huiles usagées.
§ 6. Les huiles usagées sont séparées en fonction de leur nature.
Il y a notamment lieu de séparer les huiles de freins usagées des autres huiles usagées.
L'exploitant dispose le cas échéant de contenants différents afin de remplir cette condition.
§ 1er. Les dispositions du présent article s'appliquent sans préjudice des prescriptions fixées par d'autres législations.
§ 2. Il est interdit de déposer ou de laisser s'écouler des huiles dans ou sur le sol, dans les eaux de surface, dans les nappes souterraines, dans les égouts, les canalisations, les collecteurs ou en quelque lieu que ce soit où elles peuvent polluer l'environnement.
§ 3. Les moyens nécessaires pour lutter contre les épanchements tels que sciure de bois ou tout autre produit absorbant sont présents à proximité du stockage. Tout épanchement doit être immédiatement récolté via ces produits.
§ 4. Il est interdit de brûler des huiles usagées.
§ 5. Il est interdit d'ajouter ou de mélanger de l'eau ou tout corps étranger, tels que des solvants, des détergents ou des antigels à des huiles usagées.
§ 6. Les huiles usagées sont séparées en fonction de leur nature.
Il y a notamment lieu de séparer les huiles de freins usagées des autres huiles usagées.
L'exploitant dispose le cas échéant de contenants différents afin de remplir cette condition.
Art. 23. Opslagmodaliteiten
§ 1. Opslag in verplaatsbare recipiënten
1° De olie zit in gesloten en lekdichte recipiënten, zoals vaten, die voor dit gebruik zijn voorzien.
2° De recipiënten moeten worden opgeslagen op een voldoende verluchte plaats, op een afstand van installaties die warmte afgeven of installaties die vonken en naakte vlammen voortbrengen.
3° Deze recipiënten moeten altijd in een inkuiping worden geplaatst.
4° Het vullen of leegmaken van de olierecipiënten moet op zodanige manier gebeuren dat onopzettelijk morsen van afvalolie in de riolen wordt vermeden. Overhevelingen van olie dienen altijd te gebeuren boven een inkuiping.
§ 2. Opslag in tanks
1° Nieuwe olie en afvalolie moet :
- ofwel worden opgeslagen in bovengrondse "enkelwandige" tanks die in een inkuiping zijn geplaatst;
- ofwel worden opgeslagen in bovengrondse "dubbelwandige" tanks die zijn uitgerust met een permanent lekdetectiesysteem.
In afwijking van deze voorwaarden, kan de milieuvergunning, op basis van een gemotiveerd voorstel van de uitbater, onder bepaalde voorwaarden de opslag van olie in ingegraven tanks toestaan. Deze afwijkingsmogelijkheid geldt uitsluitend voor ingegraven dubbelwandige tanks waarvoor een toelating was verleend en die werden geplaatst vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
2° Nabij de vulopening wordt een plaatje aangebracht dat de volgende informatie bevat :
- het type van olie dat is opgeslagen, zoals "remolie" of "motorolie";
- de inhoud van de tank in liter.
3° Het vullen of leegmaken van de tanks dient altijd te gebeuren onder permanent toezicht van de uitbater zodat hij onmiddellijk kan ingrijpen indien zich een probleem voordoet.
§ 1. Opslag in verplaatsbare recipiënten
1° De olie zit in gesloten en lekdichte recipiënten, zoals vaten, die voor dit gebruik zijn voorzien.
2° De recipiënten moeten worden opgeslagen op een voldoende verluchte plaats, op een afstand van installaties die warmte afgeven of installaties die vonken en naakte vlammen voortbrengen.
3° Deze recipiënten moeten altijd in een inkuiping worden geplaatst.
4° Het vullen of leegmaken van de olierecipiënten moet op zodanige manier gebeuren dat onopzettelijk morsen van afvalolie in de riolen wordt vermeden. Overhevelingen van olie dienen altijd te gebeuren boven een inkuiping.
§ 2. Opslag in tanks
1° Nieuwe olie en afvalolie moet :
- ofwel worden opgeslagen in bovengrondse "enkelwandige" tanks die in een inkuiping zijn geplaatst;
- ofwel worden opgeslagen in bovengrondse "dubbelwandige" tanks die zijn uitgerust met een permanent lekdetectiesysteem.
In afwijking van deze voorwaarden, kan de milieuvergunning, op basis van een gemotiveerd voorstel van de uitbater, onder bepaalde voorwaarden de opslag van olie in ingegraven tanks toestaan. Deze afwijkingsmogelijkheid geldt uitsluitend voor ingegraven dubbelwandige tanks waarvoor een toelating was verleend en die werden geplaatst vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
2° Nabij de vulopening wordt een plaatje aangebracht dat de volgende informatie bevat :
- het type van olie dat is opgeslagen, zoals "remolie" of "motorolie";
- de inhoud van de tank in liter.
3° Het vullen of leegmaken van de tanks dient altijd te gebeuren onder permanent toezicht van de uitbater zodat hij onmiddellijk kan ingrijpen indien zich een probleem voordoet.
Art. 23. Modalités de stockage
§ 1er. Stockage en récipients amovibles
1° Les huiles sont contenues dans des récipients clos et étanches, tels que des fûts, prévus à cet usage.
2° Le stockage des récipients se fait toujours dans un endroit suffisamment ventilé, situé à l'écart d'installations dégageant de la chaleur ou d'installations produisant des étincelles et des flammes nues.
3° Ces récipients doivent toujours être placés dans un encuvement.
4° Les opérations de remplissage ou de vidange des récipients d'huiles sont effectuées de manière à empêcher tout écoulement accidentel de ces dernières dans le réseau d'égouttage. Le transvasement d'huiles ne peut se faire qu'au-dessus d'un encuvement.
§ 2. Stockage en réservoirs
1° Les huiles neuves et les huiles usagées doivent :
- soit être stockées dans des réservoirs hors-sol " simple paroi " placés dans un encuvement;
- soit être stockées dans des réservoirs hors-sol à " double paroi " équipés d'un système de détection de fuite permanent.
Par dérogation à cette condition, le permis d'environnement peut, sur base d'une proposition motivée de l'exploitant, autoriser sous certaines conditions, le stockage d'huiles en réservoirs enfouis. Cette dérogation ne peut s'appliquer qu'aux réservoirs enfouis à double paroi antérieurement autorisé et mis en place avant l'entrée en vigueur du présent arrêté.
2° Près de l'orifice de remplissage, une plaque portant les renseignements suivants est apposée :
- le type d'huile stockée tel que " huile de frein " ou " huile moteur ";
- la contenance en litres du réservoir.
3° Les opérations de remplissage ou de vidange des réservoirs sont effectuées sous la surveillance permanente de l'exploitant de manière à ce qu'il puisse intervenir immédiatement en cas d'incident.
§ 1er. Stockage en récipients amovibles
1° Les huiles sont contenues dans des récipients clos et étanches, tels que des fûts, prévus à cet usage.
2° Le stockage des récipients se fait toujours dans un endroit suffisamment ventilé, situé à l'écart d'installations dégageant de la chaleur ou d'installations produisant des étincelles et des flammes nues.
3° Ces récipients doivent toujours être placés dans un encuvement.
4° Les opérations de remplissage ou de vidange des récipients d'huiles sont effectuées de manière à empêcher tout écoulement accidentel de ces dernières dans le réseau d'égouttage. Le transvasement d'huiles ne peut se faire qu'au-dessus d'un encuvement.
§ 2. Stockage en réservoirs
1° Les huiles neuves et les huiles usagées doivent :
- soit être stockées dans des réservoirs hors-sol " simple paroi " placés dans un encuvement;
- soit être stockées dans des réservoirs hors-sol à " double paroi " équipés d'un système de détection de fuite permanent.
Par dérogation à cette condition, le permis d'environnement peut, sur base d'une proposition motivée de l'exploitant, autoriser sous certaines conditions, le stockage d'huiles en réservoirs enfouis. Cette dérogation ne peut s'appliquer qu'aux réservoirs enfouis à double paroi antérieurement autorisé et mis en place avant l'entrée en vigueur du présent arrêté.
2° Près de l'orifice de remplissage, une plaque portant les renseignements suivants est apposée :
- le type d'huile stockée tel que " huile de frein " ou " huile moteur ";
- la contenance en litres du réservoir.
3° Les opérations de remplissage ou de vidange des réservoirs sont effectuées sous la surveillance permanente de l'exploitant de manière à ce qu'il puisse intervenir immédiatement en cas d'incident.
Art. 24. Maatregelen voor de bescherming van het water/de bodem
§ 1. Inkuiping van de tanks en verplaatsbare recipiënten
1° De inkuiping moet een inhoud hebben van ten minste 110% van het grootste recipiënt of de grootste tank die ze bevat, en ten minste een kwart van de totale inhoud van alle recipiënten of tanks die ze bevat.
2° De inkuiping moet voldoende stevig en ondoorlatend zijn om de olie op te vangen die wegloopt in het geval een recipiënt of een tank die in deze inkuiping is geplaatst, zou scheuren.
3° De inkuiping mag niet aangesloten zijn op de riolering.
4° Er moeten voorzieningen worden getroffen om te vermijden dat regenwater en afvloeiend hemelwater in de inkuiping terechtkomt (bv. luifel, dak).
5° De inkuiping moet op zodanige wijze worden gebouwd dat een visuele controle van de hele opslagruimte mogelijk is.
6° De uitbater houdt de inkuiping in goede staat en controleert regelmatig de dichtheid ervan.
7° Het volume van de inkuiping mag niet worden verkleind door er andere materialen in op te slaan.
§ 2. Dubbelwandige tanks
De dubbelwandige tanks moeten voldoen aan de volgende minimumeisen :
1° Ze zijn uitgerust met een - eventueel gedeeltelijk - omhulsel dat een gesloten ruimte vormt waarin een interstitiële vloeistof kan rondstromen die wordt gebruikt om eventuele lekken in de binnenste tank of het buitenste omhulsel op te sporen, of waarin een voorziening kan worden geplaatst om lekken op te sporen.
2° De gekozen vloeistof mag het staal of het plastic van het omhulsel niet aantasten, en mag niet stollen bij de laagste te verwachten wintertemperaturen.
3° Het permanent lekdetectiesysteem is op zodanige manier ontworpen dat de aanwezigheid van olie of druk- of niveauschommelingen van de interstitiële vloeistof een alarmsignaal genereren dat kan worden gehoord door de verantwoordelijke van de installatie.
§ 3. Hulpuitrustingen van de tanks
1° De leidingen om de tanks te vullen en leeg te maken zijn zo ontworpen dat een perfecte ondoorlatendheid van de leidingen, koppelingen en kranen gegarandeerd is.
De hulpuitrustingen zijn voorzien van een toestel (zoals een afsluitklep) dat het mogelijk maakt het verlies van olie te beperken wanneer de leidingen breken.
2° De peilmeters aan de buitenkant moeten boven de inkuiping worden geplaatst.
3° De openingen en verbindingsstukken bevinden zich op het bovenste gedeelte van de tank en in elk geval boven het hoogste niveau van de vloeistof die erin zit.
§ 1. Inkuiping van de tanks en verplaatsbare recipiënten
1° De inkuiping moet een inhoud hebben van ten minste 110% van het grootste recipiënt of de grootste tank die ze bevat, en ten minste een kwart van de totale inhoud van alle recipiënten of tanks die ze bevat.
2° De inkuiping moet voldoende stevig en ondoorlatend zijn om de olie op te vangen die wegloopt in het geval een recipiënt of een tank die in deze inkuiping is geplaatst, zou scheuren.
3° De inkuiping mag niet aangesloten zijn op de riolering.
4° Er moeten voorzieningen worden getroffen om te vermijden dat regenwater en afvloeiend hemelwater in de inkuiping terechtkomt (bv. luifel, dak).
5° De inkuiping moet op zodanige wijze worden gebouwd dat een visuele controle van de hele opslagruimte mogelijk is.
6° De uitbater houdt de inkuiping in goede staat en controleert regelmatig de dichtheid ervan.
7° Het volume van de inkuiping mag niet worden verkleind door er andere materialen in op te slaan.
§ 2. Dubbelwandige tanks
De dubbelwandige tanks moeten voldoen aan de volgende minimumeisen :
1° Ze zijn uitgerust met een - eventueel gedeeltelijk - omhulsel dat een gesloten ruimte vormt waarin een interstitiële vloeistof kan rondstromen die wordt gebruikt om eventuele lekken in de binnenste tank of het buitenste omhulsel op te sporen, of waarin een voorziening kan worden geplaatst om lekken op te sporen.
2° De gekozen vloeistof mag het staal of het plastic van het omhulsel niet aantasten, en mag niet stollen bij de laagste te verwachten wintertemperaturen.
3° Het permanent lekdetectiesysteem is op zodanige manier ontworpen dat de aanwezigheid van olie of druk- of niveauschommelingen van de interstitiële vloeistof een alarmsignaal genereren dat kan worden gehoord door de verantwoordelijke van de installatie.
§ 3. Hulpuitrustingen van de tanks
1° De leidingen om de tanks te vullen en leeg te maken zijn zo ontworpen dat een perfecte ondoorlatendheid van de leidingen, koppelingen en kranen gegarandeerd is.
De hulpuitrustingen zijn voorzien van een toestel (zoals een afsluitklep) dat het mogelijk maakt het verlies van olie te beperken wanneer de leidingen breken.
2° De peilmeters aan de buitenkant moeten boven de inkuiping worden geplaatst.
3° De openingen en verbindingsstukken bevinden zich op het bovenste gedeelte van de tank en in elk geval boven het hoogste niveau van de vloeistof die erin zit.
Art. 24. Mesures de protection des eaux/du sol
§ 1er. Encuvements des réservoirs et récipients amovibles
1° L'encuvement doit avoir une capacité au moins égale à 110% du plus grand récipient ou réservoir qu'il contient et au moins égale au quart de la contenance totale de tous les récipients ou réservoirs qu'il contient.
2° L'encuvement est suffisamment solide et étanche pour pouvoir contenir l'huile qui s'échapperait en cas de rupture d'un récipient ou d'un réservoir placé dans cet encuvement.
3° L'encuvement ne peut être raccordé au réseau d'égout.
4° Des dispositions sont prises pour empêcher l'écoulement des eaux de pluie et de ruissellement dans les encuvements (ex. : auvent, toiture).
5° L'encuvement est construit de façon à permettre un contrôle visuel de l'entièreté du stockage.
6° L'exploitant maintient l'encuvement en bon état et en contrôle régulièrement l'étanchéité.
7° Le volume de l'encuvement ne peut être réduit par le dépôt d'autres matières.
§ 2. Réservoirs à double paroi
Les réservoirs à double paroi répondent aux prescriptions minimales suivantes :
1° Ils sont dotés d'une enveloppe extérieure, éventuellement partielle, créant un espace fermé destiné à permettre la circulation d'un fluide interstitiel utilisé pour la détection des fuites éventuelles du réservoir intérieur ou de l'enveloppe extérieure ou pour permettre tout dispositif permettant la détection de fuite.
2° Le fluide choisi ne peut ni corroder l'acier ou le plastique des enveloppes, ni se solidifier aux plus basses températures hivernales prévues.
3° Le dispositif de détection de fuite permanente est conçu de manière telle que la présence d'huile ou toute variation de pression du fluide interstitiel ou de niveau du fluide interstitiel génère une alarme audible par le responsable de l'installation.
§ 3. Equipements auxiliaires aux réservoirs
1° Les tuyauteries de vidange et de remplissage des réservoirs sont conçues afin d'assurer une étanchéité parfaite des raccords, joints et robinets.
Les équipements auxiliaires sont pourvus d'un dispositif tel qu'une vanne d'arrêt permettant de limiter les pertes d'huiles en cas de rupture des canalisations.
2° Les jauges extérieures doivent être placées au-dessus des encuvements.
3° Les ouvertures et les raccords se trouvent à la partie supérieure du réservoir et en tous cas au-dessus du niveau supérieur du liquide contenu.
§ 1er. Encuvements des réservoirs et récipients amovibles
1° L'encuvement doit avoir une capacité au moins égale à 110% du plus grand récipient ou réservoir qu'il contient et au moins égale au quart de la contenance totale de tous les récipients ou réservoirs qu'il contient.
2° L'encuvement est suffisamment solide et étanche pour pouvoir contenir l'huile qui s'échapperait en cas de rupture d'un récipient ou d'un réservoir placé dans cet encuvement.
3° L'encuvement ne peut être raccordé au réseau d'égout.
4° Des dispositions sont prises pour empêcher l'écoulement des eaux de pluie et de ruissellement dans les encuvements (ex. : auvent, toiture).
5° L'encuvement est construit de façon à permettre un contrôle visuel de l'entièreté du stockage.
6° L'exploitant maintient l'encuvement en bon état et en contrôle régulièrement l'étanchéité.
7° Le volume de l'encuvement ne peut être réduit par le dépôt d'autres matières.
§ 2. Réservoirs à double paroi
Les réservoirs à double paroi répondent aux prescriptions minimales suivantes :
1° Ils sont dotés d'une enveloppe extérieure, éventuellement partielle, créant un espace fermé destiné à permettre la circulation d'un fluide interstitiel utilisé pour la détection des fuites éventuelles du réservoir intérieur ou de l'enveloppe extérieure ou pour permettre tout dispositif permettant la détection de fuite.
2° Le fluide choisi ne peut ni corroder l'acier ou le plastique des enveloppes, ni se solidifier aux plus basses températures hivernales prévues.
3° Le dispositif de détection de fuite permanente est conçu de manière telle que la présence d'huile ou toute variation de pression du fluide interstitiel ou de niveau du fluide interstitiel génère une alarme audible par le responsable de l'installation.
§ 3. Equipements auxiliaires aux réservoirs
1° Les tuyauteries de vidange et de remplissage des réservoirs sont conçues afin d'assurer une étanchéité parfaite des raccords, joints et robinets.
Les équipements auxiliaires sont pourvus d'un dispositif tel qu'une vanne d'arrêt permettant de limiter les pertes d'huiles en cas de rupture des canalisations.
2° Les jauges extérieures doivent être placées au-dessus des encuvements.
3° Les ouvertures et les raccords se trouvent à la partie supérieure du réservoir et en tous cas au-dessus du niveau supérieur du liquide contenu.
Art. 25. Controles van de bovengrondse tanks
§ 1. Frequentie van de controles
De olietanks moeten minstens om de 15 jaar worden gecontroleerd door een expert op het vlak van "opslaginstallaties".
Het BIM kan bovendien opleggen dat de tanks moeten worden gecontroleerd voorafgaand aan elke uitbreiding en/of wijziging van de installaties en voorafgaand aan elke aanvraag tot vernieuwing of verlenging van de vergunning.
§ 2. Inhoud van de controles
1° Ingekuipte enkelwandige tanks :
Het onderzoek van deze tanks omvat de volgende controles :
- Controle van de lekdichtheid van de koppelingen;
- Controle van de toebehoren;
- Controle op de aanwezigheid van water of bezinksel in de tank;
- Controle op eventuele verontreiniging in de omgeving van de tank, de toebehoren en de vulzone;
- Visuele controle van de buitenwand, controle van de stabiliteit van de tank en controle van de staat van de inkuiping;
- Controle van de inhoud van de inkuiping en op de aanwezigheid van water of slib.
2° Dubbelwandige tanks :
Het onderzoek van deze tanks omvat de volgende controles :
- Controle van de lekdichtheid van de koppelingen;
- Controle van de toebehoren;
- Controle op de aanwezigheid van water of bezinksel in de tank;
- Controle op eventuele verontreiniging in de omgeving van de tank, de toebehoren en de vulzone;
- Visuele controle van de buitenwand, controle van de stabiliteit van de tank;
- Controle van de efficiëntie van het permanente lekdetectiesysteem;
- Controle van het alarm dat gekoppeld is aan het systeem.
§ 3. Resultaten van de controles
1° Na deze controle bezorgt de expert op het vlak van "opslaginstallaties" de uitbater een controlerapport.
2° In het geval de expert onvolkomenheden vaststelt, dient de uitbater zo snel mogelijk de nodige herstellingen uit te voeren.
De controlerapporten worden bijgehouden en ter beschikking gehouden van het BIM en van de gemeente die de uitbatingszetel op haar grondgebied heeft, tot de volgende controle plaatsvindt.
§ 1. Frequentie van de controles
De olietanks moeten minstens om de 15 jaar worden gecontroleerd door een expert op het vlak van "opslaginstallaties".
Het BIM kan bovendien opleggen dat de tanks moeten worden gecontroleerd voorafgaand aan elke uitbreiding en/of wijziging van de installaties en voorafgaand aan elke aanvraag tot vernieuwing of verlenging van de vergunning.
§ 2. Inhoud van de controles
1° Ingekuipte enkelwandige tanks :
Het onderzoek van deze tanks omvat de volgende controles :
- Controle van de lekdichtheid van de koppelingen;
- Controle van de toebehoren;
- Controle op de aanwezigheid van water of bezinksel in de tank;
- Controle op eventuele verontreiniging in de omgeving van de tank, de toebehoren en de vulzone;
- Visuele controle van de buitenwand, controle van de stabiliteit van de tank en controle van de staat van de inkuiping;
- Controle van de inhoud van de inkuiping en op de aanwezigheid van water of slib.
2° Dubbelwandige tanks :
Het onderzoek van deze tanks omvat de volgende controles :
- Controle van de lekdichtheid van de koppelingen;
- Controle van de toebehoren;
- Controle op de aanwezigheid van water of bezinksel in de tank;
- Controle op eventuele verontreiniging in de omgeving van de tank, de toebehoren en de vulzone;
- Visuele controle van de buitenwand, controle van de stabiliteit van de tank;
- Controle van de efficiëntie van het permanente lekdetectiesysteem;
- Controle van het alarm dat gekoppeld is aan het systeem.
§ 3. Resultaten van de controles
1° Na deze controle bezorgt de expert op het vlak van "opslaginstallaties" de uitbater een controlerapport.
2° In het geval de expert onvolkomenheden vaststelt, dient de uitbater zo snel mogelijk de nodige herstellingen uit te voeren.
De controlerapporten worden bijgehouden en ter beschikking gehouden van het BIM en van de gemeente die de uitbatingszetel op haar grondgebied heeft, tot de volgende controle plaatsvindt.
Art. 25. Contrôles des réservoirs hors-sol
§ 1er. Fréquence des contrôles
Les réservoirs d'huiles font l'objet d'un contrôle par un expert en " installation de stockage " au moins tous les 15 ans.
L'IBGE peut en outre imposer le contrôle des réservoirs préalablement à toute extension et/ou modification des installations et avant toute demande de renouvellement ou prolongation de permis.
§ 2. Contenu des contrôles
1° Réservoirs à simple paroi encuvés :
L'examen de ces réservoirs comporte les contrôles suivants :
- Contrôle de l'étanchéité des raccordements;
- Contrôle des accessoires;
- Contrôle de la présence d'eau ou de sédiments dans le réservoir;
- Contrôle de la présence éventuelle de pollution au voisinage du réservoir, de ses accessoires et du point de remplissage;
- Contrôle visuel de la paroi extérieure, contrôle de la stabilité du réservoir et contrôle de l'état de l'encuvement;
- Contrôle de la contenance de l'encuvement et de la présence d'eau ou de boues.
2° Réservoirs à double paroi :
L'examen de ces réservoirs comporte les contrôles suivants :
- Contrôle de l'étanchéité des raccordements;
- Contrôle des accessoires;
- Contrôle de la présence d'eau ou de sédiments dans le réservoir;
- Contrôle de la présence éventuelle de pollution au voisinage du réservoir, de ses accessoires et du point de remplissage;
- Contrôle visuel de la paroi extérieure et contrôle de la stabilité du réservoir;
- Contrôle de l'efficacité du système permanent de détection de fuites;
- Contrôle de l'alarme couplée au système.
§ 3. Résultats des contrôles
1° A l'issue de ce contrôle l'expert en " installation de stockage " remet un rapport de contrôle à l'exploitant.
2° En cas de défaut constaté par l'expert, l'exploitant procède dans les plus brefs délais aux réparations nécessaires.
3° Les rapports de contrôle sont conservés et tenus à la disposition de l'IBGE et de la commune sur laquelle se situe le siège d'exploitation, jusqu'au prochain contrôle.
§ 1er. Fréquence des contrôles
Les réservoirs d'huiles font l'objet d'un contrôle par un expert en " installation de stockage " au moins tous les 15 ans.
L'IBGE peut en outre imposer le contrôle des réservoirs préalablement à toute extension et/ou modification des installations et avant toute demande de renouvellement ou prolongation de permis.
§ 2. Contenu des contrôles
1° Réservoirs à simple paroi encuvés :
L'examen de ces réservoirs comporte les contrôles suivants :
- Contrôle de l'étanchéité des raccordements;
- Contrôle des accessoires;
- Contrôle de la présence d'eau ou de sédiments dans le réservoir;
- Contrôle de la présence éventuelle de pollution au voisinage du réservoir, de ses accessoires et du point de remplissage;
- Contrôle visuel de la paroi extérieure, contrôle de la stabilité du réservoir et contrôle de l'état de l'encuvement;
- Contrôle de la contenance de l'encuvement et de la présence d'eau ou de boues.
2° Réservoirs à double paroi :
L'examen de ces réservoirs comporte les contrôles suivants :
- Contrôle de l'étanchéité des raccordements;
- Contrôle des accessoires;
- Contrôle de la présence d'eau ou de sédiments dans le réservoir;
- Contrôle de la présence éventuelle de pollution au voisinage du réservoir, de ses accessoires et du point de remplissage;
- Contrôle visuel de la paroi extérieure et contrôle de la stabilité du réservoir;
- Contrôle de l'efficacité du système permanent de détection de fuites;
- Contrôle de l'alarme couplée au système.
§ 3. Résultats des contrôles
1° A l'issue de ce contrôle l'expert en " installation de stockage " remet un rapport de contrôle à l'exploitant.
2° En cas de défaut constaté par l'expert, l'exploitant procède dans les plus brefs délais aux réparations nécessaires.
3° Les rapports de contrôle sont conservés et tenus à la disposition de l'IBGE et de la commune sur laquelle se situe le siège d'exploitation, jusqu'au prochain contrôle.
Sectie 12. - Opslag van banden
Section 12. - Stockage de pneus
Art. 26. Opslagmodaliteiten
De banden worden opgeslagen in een zone die daarvoor specifiek is voorzien. In deze zone mag geen afval of stoffen van andere aard worden opgeslagen.
De banden worden bij voorkeur opgeslagen op vaste elementen zoals rekken of schappen. Indien dit niet het geval is, mogen ze niet hoger worden gestapeld dan 2 meter.
Indien ze op de vloer worden opgeslagen, dient een markering op de vloer de opslagzone en de circulatiezones af te bakenen. Binnen de circulatiezones mogen in geen geval banden opgeslagen worden; de circulatiezones moeten minstens 80 cm breed zijn en een gemakkelijke toegankelijkheid tot de stock garanderen voor de interventiediensten.
De opslag mag in geen geval de evacuatie van personen verhinderen.
De opslag mag niet gebeuren in de onmiddellijke nabijheid van de werkzones, uitgangen, nooduitgangen of hittebronnen zoals luchtverhitter, vlam of blootliggende elektrische weerstanden.
De exploitant ziet erop toe dat er middelen aanwezig zijn, in perfecte staat van werking, voor de detectie en het blussen van brand. Dit materiaal moet in voorkomend geval worden voorzien in overleg met de Brandweerdiensten.
De opslag van meer dan 100 m2 banden is gebonden aan specifieke voorwaarden die zijn vastgelegd in de milieuvergunning.
De banden worden opgeslagen in een zone die daarvoor specifiek is voorzien. In deze zone mag geen afval of stoffen van andere aard worden opgeslagen.
De banden worden bij voorkeur opgeslagen op vaste elementen zoals rekken of schappen. Indien dit niet het geval is, mogen ze niet hoger worden gestapeld dan 2 meter.
Indien ze op de vloer worden opgeslagen, dient een markering op de vloer de opslagzone en de circulatiezones af te bakenen. Binnen de circulatiezones mogen in geen geval banden opgeslagen worden; de circulatiezones moeten minstens 80 cm breed zijn en een gemakkelijke toegankelijkheid tot de stock garanderen voor de interventiediensten.
De opslag mag in geen geval de evacuatie van personen verhinderen.
De opslag mag niet gebeuren in de onmiddellijke nabijheid van de werkzones, uitgangen, nooduitgangen of hittebronnen zoals luchtverhitter, vlam of blootliggende elektrische weerstanden.
De exploitant ziet erop toe dat er middelen aanwezig zijn, in perfecte staat van werking, voor de detectie en het blussen van brand. Dit materiaal moet in voorkomend geval worden voorzien in overleg met de Brandweerdiensten.
De opslag van meer dan 100 m2 banden is gebonden aan specifieke voorwaarden die zijn vastgelegd in de milieuvergunning.
Art. 26. Modalités de stockage
Les pneus sont stockés dans une zone spécifiquement prévue à cet effet. Les pneus ne peuvent être mélangés à des déchets ou substances d'une autre nature.
Les pneus sont préférentiellement stockés sur des éléments fixes tels que racks ou rayonnages. Si ce n'est le cas, ils ne peuvent être empilés sur une hauteur supérieure à 2m.
S'ils sont stockés à même le sol, un marquage au sol délimite la zone de stockage ainsi que des zones de circulation. Les zones de circulation ne peuvent en aucun cas comporter de stockage de pneus; elles doivent avoir une largeur minimale de 80 cm et permettre un accès aisé au stock par les services d'intervention.
Le stockage ne peut entraver l'évacuation des personnes.
Le stockage ne peut s'effectuer à proximité immédiate des zones de travail, sorties, sorties de secours ou de source de chaleur telles que aérotherme, flamme ou résistances électriques nues.
L'exploitant veille à ce que des moyens de détection et d'extinction incendie en parfait état de fonctionnement soient présents. Ceux-ci sont, le cas échéant, déterminés en concertation avec le Service Incendie.
Le stockage de plus de 100 m2 de pneus fait l'objet de conditions spécifiques fixées par le permis d'environnement.
Les pneus sont stockés dans une zone spécifiquement prévue à cet effet. Les pneus ne peuvent être mélangés à des déchets ou substances d'une autre nature.
Les pneus sont préférentiellement stockés sur des éléments fixes tels que racks ou rayonnages. Si ce n'est le cas, ils ne peuvent être empilés sur une hauteur supérieure à 2m.
S'ils sont stockés à même le sol, un marquage au sol délimite la zone de stockage ainsi que des zones de circulation. Les zones de circulation ne peuvent en aucun cas comporter de stockage de pneus; elles doivent avoir une largeur minimale de 80 cm et permettre un accès aisé au stock par les services d'intervention.
Le stockage ne peut entraver l'évacuation des personnes.
Le stockage ne peut s'effectuer à proximité immédiate des zones de travail, sorties, sorties de secours ou de source de chaleur telles que aérotherme, flamme ou résistances électriques nues.
L'exploitant veille à ce que des moyens de détection et d'extinction incendie en parfait état de fonctionnement soient présents. Ceux-ci sont, le cas échéant, déterminés en concertation avec le Service Incendie.
Le stockage de plus de 100 m2 de pneus fait l'objet de conditions spécifiques fixées par le permis d'environnement.
Sectie 13. - Afvalwaterbeheer
Section 13. - Gestion des eaux usées
Art. 27. Lozingsvoorwaarden
§ 1. Het is verboden het afvalwater van de activiteiten van de werkplaats te lozen in een oppervlaktewater of een verliesput.
§ 2. Het is verboden in de gewone oppervlaktewateren, in de openbare riolen en in de kunstmatige afvoerwegen voor regenwater, vaste afvalstoffen te brengen die een voorafgaande mechanische maling hebben ondergaan of water te lozen dat zulke stoffen bevat.
§ 3. Het geloosde water mag geen minerale oliën, afvaloliën, ontvlambare producten, vluchtige solventen of andere stoffen bevatten die het rioolwater giftig of gevaarlijk kunnen maken.
§ 4. Het geloosde water mag niet meer dan 0,5 g/l koolwaterstoffen bevatten.
§ 1. Het is verboden het afvalwater van de activiteiten van de werkplaats te lozen in een oppervlaktewater of een verliesput.
§ 2. Het is verboden in de gewone oppervlaktewateren, in de openbare riolen en in de kunstmatige afvoerwegen voor regenwater, vaste afvalstoffen te brengen die een voorafgaande mechanische maling hebben ondergaan of water te lozen dat zulke stoffen bevat.
§ 3. Het geloosde water mag geen minerale oliën, afvaloliën, ontvlambare producten, vluchtige solventen of andere stoffen bevatten die het rioolwater giftig of gevaarlijk kunnen maken.
§ 4. Het geloosde water mag niet meer dan 0,5 g/l koolwaterstoffen bevatten.
Art. 27. Conditions de rejet
§ 1er. Il est interdit de rejeter les eaux usées provenant des activités de l'atelier dans une eau de surface ou un puits perdu.
§ 2. Il est interdit de jeter ou déverser dans les eaux de surface ordinaires, dans les égouts publics et dans les voies artificielles d'écoulement des eaux pluviales, des déchets solides qui ont été préalablement soumis à un broyage mécanique ou des eaux contenant de telles matières.
§ 3. Les eaux déversées ne peuvent contenir des huiles minérales, huiles usagées, produits inflammables, solvants volatils ou tout autre substance pouvant rendre l'eau des égouts toxique ou dangereuse.
§ 4. Les eaux déversées ne peuvent contenir plus de 0,5 g/l d'hydrocarbures.
§ 1er. Il est interdit de rejeter les eaux usées provenant des activités de l'atelier dans une eau de surface ou un puits perdu.
§ 2. Il est interdit de jeter ou déverser dans les eaux de surface ordinaires, dans les égouts publics et dans les voies artificielles d'écoulement des eaux pluviales, des déchets solides qui ont été préalablement soumis à un broyage mécanique ou des eaux contenant de telles matières.
§ 3. Les eaux déversées ne peuvent contenir des huiles minérales, huiles usagées, produits inflammables, solvants volatils ou tout autre substance pouvant rendre l'eau des égouts toxique ou dangereuse.
§ 4. Les eaux déversées ne peuvent contenir plus de 0,5 g/l d'hydrocarbures.
Art. 28. Naleving van de normen voor de lozing van afvalwater
§ 1. Om de in artikel 27 vastgelegde lozingsnormen na te leven, voert de uitbater een van de volgende twee oplossingen in :
1° het afvalwater van de werkplaats wordt behandeld door een systeem dat bestaat uit een slibafscheider en een koolwaterstofafscheider. Dit systeem kan ook worden gebruikt om het afvalwater van een waszone voor voertuigen te behandelen;
2° het afschaffen van elke mogelijkheid om het afvalwater te lozen in de riool of op de weg, en het schoonmaken van de vloer van de werkplaats met water met behulp van een "schrobmachine" of droog door te vegen en gebruik te maken van absorberende stoffen.
§ 2. Elk systeem dat bestaat uit een slibafscheider en een koolwaterstofafscheider moet voldoen aan de volgende voorschriften :
1° De constructie, de installatie, de afmetingen en het minimale zuiveringsrendement van de koolwaterstofafscheider voldoen aan de normen EN 858-1 en EN 858-2 of bezitten gelijkwaardige kenmerken.
2° De koolwaterstofafscheider is uitgerust met een veiligheidssysteem dat de uitgang van de installatie afsluit wanneer de uitstromende hoeveelheid koolwaterstoffen de capaciteit van de installatie overschrijdt. Voor de installaties die zijn geplaatst na de inwerkingtreding van dit besluit, moet overigens een sensor worden geplaatst die het grenspeil tussen het water en de koolwaterstoffen controleert, en die verbonden is met een licht- en geluidsalarm dat het mogelijk maakt te bepalen op welk moment de koolwaterstofafscheider moet worden leeggemaakt.
3° De putten van de slibafscheider en de koolwaterstofafscheider moeten toegankelijk zijn voor een visuele controle.
4° Voor de installaties die werden geplaatst na de inwerkingtreding van dit besluit gaat het afvalwater door een meetput, voordat het in de riool terechtkomt. Deze meetput is voldoende groot om monsters te kunnen nemen en wordt geplaatst voordat het water zich vermengd met het huishoudelijk afvalwater.
5° De volgende jaarlijkse controles moeten worden uitgevoerd door een gekwalificeerde persoon :
- controle van de dikte van de koolwaterstoffenlaag in de koolwaterstofafscheider en van het slibniveau in de slibafscheider;
- controle van de goede werking van het automatisch sluitsysteem;
- controle, in voorkomend geval, van de goede werking van het visuele en auditieve alarm;
- controle, in voorkomend geval, van het waterpeil voor en na de coalescentiefilter wanneer een representatief waterdebiet door de koolwaterstofafscheider gaat.
In het geval onvolkomenheden worden vastgesteld, moeten deze zo snel mogelijk worden hersteld. Grote bovendrijvende brokken van een vaste stof moeten onmiddellijk worden verwijderd. Het slib van de slibafscheider en de koolwaterstofafscheider moet bovendien regelmatig worden opgehaald door een erkende ophaler van gevaarlijke afvalstoffen, om een goede werking van het waterzuiveringssysteem te garanderen.
De types van controles en hun frequentie zoals opgegeven door de constructeur van de installatie, moeten worden gerespecteerd.
§ 1. Om de in artikel 27 vastgelegde lozingsnormen na te leven, voert de uitbater een van de volgende twee oplossingen in :
1° het afvalwater van de werkplaats wordt behandeld door een systeem dat bestaat uit een slibafscheider en een koolwaterstofafscheider. Dit systeem kan ook worden gebruikt om het afvalwater van een waszone voor voertuigen te behandelen;
2° het afschaffen van elke mogelijkheid om het afvalwater te lozen in de riool of op de weg, en het schoonmaken van de vloer van de werkplaats met water met behulp van een "schrobmachine" of droog door te vegen en gebruik te maken van absorberende stoffen.
§ 2. Elk systeem dat bestaat uit een slibafscheider en een koolwaterstofafscheider moet voldoen aan de volgende voorschriften :
1° De constructie, de installatie, de afmetingen en het minimale zuiveringsrendement van de koolwaterstofafscheider voldoen aan de normen EN 858-1 en EN 858-2 of bezitten gelijkwaardige kenmerken.
2° De koolwaterstofafscheider is uitgerust met een veiligheidssysteem dat de uitgang van de installatie afsluit wanneer de uitstromende hoeveelheid koolwaterstoffen de capaciteit van de installatie overschrijdt. Voor de installaties die zijn geplaatst na de inwerkingtreding van dit besluit, moet overigens een sensor worden geplaatst die het grenspeil tussen het water en de koolwaterstoffen controleert, en die verbonden is met een licht- en geluidsalarm dat het mogelijk maakt te bepalen op welk moment de koolwaterstofafscheider moet worden leeggemaakt.
3° De putten van de slibafscheider en de koolwaterstofafscheider moeten toegankelijk zijn voor een visuele controle.
4° Voor de installaties die werden geplaatst na de inwerkingtreding van dit besluit gaat het afvalwater door een meetput, voordat het in de riool terechtkomt. Deze meetput is voldoende groot om monsters te kunnen nemen en wordt geplaatst voordat het water zich vermengd met het huishoudelijk afvalwater.
5° De volgende jaarlijkse controles moeten worden uitgevoerd door een gekwalificeerde persoon :
- controle van de dikte van de koolwaterstoffenlaag in de koolwaterstofafscheider en van het slibniveau in de slibafscheider;
- controle van de goede werking van het automatisch sluitsysteem;
- controle, in voorkomend geval, van de goede werking van het visuele en auditieve alarm;
- controle, in voorkomend geval, van het waterpeil voor en na de coalescentiefilter wanneer een representatief waterdebiet door de koolwaterstofafscheider gaat.
In het geval onvolkomenheden worden vastgesteld, moeten deze zo snel mogelijk worden hersteld. Grote bovendrijvende brokken van een vaste stof moeten onmiddellijk worden verwijderd. Het slib van de slibafscheider en de koolwaterstofafscheider moet bovendien regelmatig worden opgehaald door een erkende ophaler van gevaarlijke afvalstoffen, om een goede werking van het waterzuiveringssysteem te garanderen.
De types van controles en hun frequentie zoals opgegeven door de constructeur van de installatie, moeten worden gerespecteerd.
Art. 28. Respect des normes de rejet d'eau usée
§ 1er. Afin de respecter les normes de rejet fixées à l'article 27, l'exploitant met en place l'une des deux solutions suivantes :
1° le traitement des eaux usées provenant de l'atelier par un système composé d'un débourbeur et d'un séparateur d'hydrocarbures. Ce système peut également servir à traiter les eaux usées provenant d'une zone de lavage de véhicules;
2° la suppression de toute possibilité de rejet d'eaux usées vers les égouts ou la voirie et le nettoyage du sol de l'atelier à l'eau via " auto-laveuse " ou à sec via brossage et utilisation de substances absorbantes.
§ 2. Tout système composé d'un débourbeur et d'un séparateur d'hydrocarbures répond aux prescriptions suivantes :
1° La construction, l'installation, le dimensionnement et le rendement minimal d'épuration du séparateur d'hydrocarbures répond aux normes EN 858-1 et EN 858-2 ou disposent de caractéristiques équivalentes.
2° Le séparateur d'hydrocarbures est équipé d'un système de sécurité qui ferme la sortie de l'installation lorsque la quantité d'hydrocarbures qui afflue dépasse la capacité de l'installation. Pour les installations mises en place après l'entrée en vigueur du présent arrêté, il faut par ailleurs installer une sonde qui contrôle le niveau limite entre l'eau et les hydrocarbures reliée à une alarme avec un signal lumineux et sonore permettant de déterminer le moment où le séparateur d'hydrocarbures doit être vidé de son contenu.
3° Les puits du débourbeur et du séparateur d'hydrocarbures sont accessibles pour un contrôle visuel.
4° Pour les installations mises en place après l'entrée en vigueur du présent arrêté, les eaux usées passent par un puits de mesure avant d'être déversées en égouts. Ce puits de mesure est suffisamment grand pour pouvoir prélever des échantillons et est placé avant que ces eaux ne se mélangent aux eaux usées domestiques.
5° Les contrôles annuels suivants sont à effectuer par une personne qualifiée :
- contrôle de l'épaisseur de la couche d'hydrocarbures retenue dans le séparateur d'hydrocarbures et du niveau de boue dans le débourbeur;
- contrôle du bon fonctionnement du dispositif de fermeture automatique;
- contrôle, le cas échéant, du bon fonctionnement du dispositif d'alarme visuel et sonore;
- contrôle, le cas échéant, du niveau de l'eau avant et derrière le filtre à coalescence lorsqu'un débit d'eau représentatif passe par le séparateur d'hydrocarbures.
En cas de constat de défauts, ceux-ci sont à pallier dans les plus brefs délais. De grosses matières solides flottantes sont à enlever immédiatement. La boue du débourbeur et du séparateur d'hydrocarbures est en outre régulièrement collectée par un collecteur de déchets dangereux agréé afin d'assurer le bon fonctionnement du système d'épuration d'eau.
Les types de contrôles et leurs fréquences indiquées par le constructeur de l'installation sont à respecter.
§ 1er. Afin de respecter les normes de rejet fixées à l'article 27, l'exploitant met en place l'une des deux solutions suivantes :
1° le traitement des eaux usées provenant de l'atelier par un système composé d'un débourbeur et d'un séparateur d'hydrocarbures. Ce système peut également servir à traiter les eaux usées provenant d'une zone de lavage de véhicules;
2° la suppression de toute possibilité de rejet d'eaux usées vers les égouts ou la voirie et le nettoyage du sol de l'atelier à l'eau via " auto-laveuse " ou à sec via brossage et utilisation de substances absorbantes.
§ 2. Tout système composé d'un débourbeur et d'un séparateur d'hydrocarbures répond aux prescriptions suivantes :
1° La construction, l'installation, le dimensionnement et le rendement minimal d'épuration du séparateur d'hydrocarbures répond aux normes EN 858-1 et EN 858-2 ou disposent de caractéristiques équivalentes.
2° Le séparateur d'hydrocarbures est équipé d'un système de sécurité qui ferme la sortie de l'installation lorsque la quantité d'hydrocarbures qui afflue dépasse la capacité de l'installation. Pour les installations mises en place après l'entrée en vigueur du présent arrêté, il faut par ailleurs installer une sonde qui contrôle le niveau limite entre l'eau et les hydrocarbures reliée à une alarme avec un signal lumineux et sonore permettant de déterminer le moment où le séparateur d'hydrocarbures doit être vidé de son contenu.
3° Les puits du débourbeur et du séparateur d'hydrocarbures sont accessibles pour un contrôle visuel.
4° Pour les installations mises en place après l'entrée en vigueur du présent arrêté, les eaux usées passent par un puits de mesure avant d'être déversées en égouts. Ce puits de mesure est suffisamment grand pour pouvoir prélever des échantillons et est placé avant que ces eaux ne se mélangent aux eaux usées domestiques.
5° Les contrôles annuels suivants sont à effectuer par une personne qualifiée :
- contrôle de l'épaisseur de la couche d'hydrocarbures retenue dans le séparateur d'hydrocarbures et du niveau de boue dans le débourbeur;
- contrôle du bon fonctionnement du dispositif de fermeture automatique;
- contrôle, le cas échéant, du bon fonctionnement du dispositif d'alarme visuel et sonore;
- contrôle, le cas échéant, du niveau de l'eau avant et derrière le filtre à coalescence lorsqu'un débit d'eau représentatif passe par le séparateur d'hydrocarbures.
En cas de constat de défauts, ceux-ci sont à pallier dans les plus brefs délais. De grosses matières solides flottantes sont à enlever immédiatement. La boue du débourbeur et du séparateur d'hydrocarbures est en outre régulièrement collectée par un collecteur de déchets dangereux agréé afin d'assurer le bon fonctionnement du système d'épuration d'eau.
Les types de contrôles et leurs fréquences indiquées par le constructeur de l'installation sont à respecter.
Sectie 14. - Schoonmaak van de lokalen
Section 14. - Nettoyage des locaux
Art. 29. De vloer en de toestellen moeten regelmatig en zorgvuldig worden schoongemaakt. De uitbater ziet erop toe dat onnodige voorwerpen en met name verpakkingen, afgedankte onderdelen enzovoort, regelmatig worden verwijderd uit de werkplaats.
Art. 29. Le sol et les appareils doivent être nettoyés régulièrement et soigneusement. L'exploitant veille à ce que l'atelier soit régulièrement débarrassé des objets inutiles en particulier des emballages, pièces usagées, etc.
HOOFDSTUK III. - Slotbepalingen
CHAPITRE III. - Dispositions finales
Art. 30. Inwerkingtreding
§ 1. De bepalingen van dit besluit treden pas in werking 6 maanden na de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad.
§ 2. In afwijking op de vorige paragraaf :
1° Paragraaf 2, punt 1°, van artikel 23 treedt pas in werking drie jaar na de publicatie van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.
2° Paragraaf 4 van artikel 20 evenals artikel 28 treden pas in werking een jaar na de publicatie van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.
§ 1. De bepalingen van dit besluit treden pas in werking 6 maanden na de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad.
§ 2. In afwijking op de vorige paragraaf :
1° Paragraaf 2, punt 1°, van artikel 23 treedt pas in werking drie jaar na de publicatie van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.
2° Paragraaf 4 van artikel 20 evenals artikel 28 treden pas in werking een jaar na de publicatie van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.
Art. 30. Entrée en vigueur
§ 1er. Les dispositions du présent arrêté entrent en vigueur 6 mois après sa publication au Moniteur belge.
§ 2. Par dérogation au paragraphe précédent :
1° Le paragraphe 2, point 1°, de l'article 23 entre en vigueur trois ans après le jour de sa publication au Moniteur belge.
2° Le paragraphe 4 de l'article 20 ainsi que l'article 28 entrent en vigueur un an après le jour de sa publication au Moniteur belge.
§ 1er. Les dispositions du présent arrêté entrent en vigueur 6 mois après sa publication au Moniteur belge.
§ 2. Par dérogation au paragraphe précédent :
1° Le paragraphe 2, point 1°, de l'article 23 entre en vigueur trois ans après le jour de sa publication au Moniteur belge.
2° Le paragraphe 4 de l'article 20 ainsi que l'article 28 entrent en vigueur un an après le jour de sa publication au Moniteur belge.
Art. 31. Uitvoerbaarheid
De minister die bevoegd is voor Leefmilieu is belast met de uitvoering van dit besluit.
De minister die bevoegd is voor Leefmilieu is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 31. Exécutoire
Le Ministre qui a l'Environnement dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Le Ministre qui a l'Environnement dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.