Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
8 MEI 2014. - Koninklijk besluit tot vaststelling van de veiligheidsvoorschriften met betrekking tot het veiligheidspersoneel van de museumspoorlijnen
Titre
8 MAI 2014. - Arrêté royal fixant les dispositions de sécurité relatives au personnel de sécurité des lignes ferroviaires musées
Documentinformatie
Numac: 2014014292
Datum: 2014-05-08
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2014014292
Date: 2014-05-08
Moniteur: Voir
Tekst (47)
Texte (47)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Afdeling 1. - Definities
Section 1re. - Définitions
Artikel 1. Voor de toepassing van de bepalingen van dit besluit, wordt verstaan onder:
  1° "veiligheidspersoneel": het personeel, de medewerkers of de vrijwilligers, die, zelfs occasioneel, één of meerdere veiligheidsfunctie(s) uitoefenen.
  Indien het veiligheidspersoneel meerdere functies uitoefent, beschikt het over de beheersing van het geheel van zijn activiteiten en geeft het voorrang aan de veiligheidsfuncties, meer bepaald ingeval van een verstoorde situatie;
  2° "veiligheidsfuncties": het geheel van activiteiten, die verbonden zijn aan een betrekking of een werkpost en die deel uitmaken van het spoorveiligheidssysteem.
  De veiligheidsfuncties zijn de volgende:
  a) bestuurder;
  b) begeleider van reizigerstreinen;
  c) bediende belast met het toezicht, de toepassing van de uitbatingsprocedures, de bediening van de spoortoestellen en de seininstallaties;
  d) bediende belast met de technische inspectie van het materieel;
  e) bediende belast met het rangeren;
  f) bediende verantwoordelijk voor de uitvoering van de werken;
  g) schildwacht;
  h) overwegwachter.
Article 1er. Pour l'application des dispositions du présent arrêté, on entend par:
  1° "personnel de sécurité": le personnel, les collaborateurs ou les bénévoles, exerçant, même occasionnellement, une ou plusieurs fonction(s) de sécurité.
  Si le personnel de sécurité exerce plusieurs fonctions, il dispose de la maîtrise de l'ensemble de ses activités et privilégie les fonctions de sécurité, plus particulièrement en cas de situation perturbée;
  2° "fonctions de sécurité": l'ensemble des activités, liées à un emploi ou à un poste de travail et participant au dispositif de la sécurité ferroviaire.
  Les fonctions de sécurité sont les suivantes:
  a) conducteur;
  b) accompagnateur de trains de voyageurs;
  c) agent chargé de la surveillance, de l'application des procédures d'exploitation, de la desserte des appareils de voie et des installations de signalisation;
  d) agent chargé de la visite technique du matériel;
  e) agent préposé aux manoeuvres;
  f) agent responsable de l'exécution des travaux;
  g) factionnaire;
  h) garde-barrières.
Afdeling 2. - Vakbekwaamheden
Section 2. - Compétences professionnelles
Art. 2. § 1. Het veiligheidspersoneel krijgt een (fundamentele, aanvullende en permanente) opleiding, aangepast aan de veiligheidsfunctie die hem werd opgedragen, en dit voorafgaand aan de uitoefening van die functie en tijdens de hele duur van deze.
  § 2. De museumspoorlijnuitbater beschrijft in zijn veiligheidsbeheersysteem het pedagogische proces, dat wordt toegepast opdat het personeel, dat hij tewerkstelt of dat voor zijn rekening werkt, die vakbekwaamheden verwerft en behoudt (individueel dossier van het betrokken personeelslid, gegevens betreffende de opleiders, examinatoren, georganiseerde opleidingen,...).
  De te verwerven kennis met betrekking tot de veiligheidsfuncties worden opgesomd in Bijlage 2.
Art. 2. § 1er. Le personnel de sécurité reçoit une formation (fondamentale, complémentaire et permanente), adaptée à la fonction de sécurité qui lui est confiée et ce préalablement à l'exercice de cette fonction et pendant toute la durée de celle-ci.
  § 2. L'exploitant de la ligne ferroviaire musée décrit, dans son système de gestion de sécurité, le processus pédagogique mis en oeuvre pour que le personnel qu'il emploie ou qui travaille pour son compte acquière et maintienne ces compétences professionnelles (dossier individuel du personnel concerné, données relatives aux formateurs, examinateurs, formations organisées,...).
  Les connaissances à acquérir par rapport aux fonctions de sécurité sont énumérées dans l'Annexe 2.
Afdeling 3. - Medische en psychologische criteria
Section 3. - Critères médicaux et psychologiques
Art. 3. § 1. De treinbestuurder voldoet, voorafgaandelijk aan de uitoefening van zijn functies en tijdens de hele duur van deze, aan de medische en aan de psychologische criteria.
  § 2. Het veiligheidspersoneel, dat andere veiligheidsfuncties dan treinbestuurder uitoefent, voldoet, voorafgaandelijk aan de uitoefening van zijn functies en tijdens de hele duur van deze, aan de medische criteria.
  § 3. De museumspoorlijnuitbater kan in het kader van zijn veiligheidsbeheersysteem het veiligheidspersoneel, bedoeld in de tweede paragraaf, vrijstellen van de verplichting van medisch onderzoek.
  § 4. De museumspoorlijnuitbater beschrijft in zijn veiligheidsbeheersysteem, het medische en psychologische proces, dat wordt toegepast opdat het personeel, dat hij tewerkstelt of dat voor zijn rekening werkt, aan die criteria voldoet.
  De medische en psychologische criteria met betrekking tot de veiligheidsfunctie worden opgesomd in Bijlage 1.
  § 5. Het medisch onderzoek uitgevoerd in het kader van het rijbewijs "Bussen" (D) of "Vrachtwagen" (C) is voldoende indien dit de medische en psychologische criteria, opgesomd in de Bijlage 1, punt I. Treinbestuurder, naleeft.
Art. 3. § 1er. Le conducteur satisfait aux critères médicaux et psychologiques préalablement à l'exercice de ses fonctions et pendant toute la durée de celles-ci.
  § 2. Le personnel de sécurité exerçant des fonctions de sécurité autres que conducteur satisfait aux critères médicaux préalablement à l'exercice de ses fonctions et pendant toute la durée de celles-ci.
  § 3. L'exploitant de la ligne ferroviaire musée peut, dans le cadre de son système de gestion de sécurité dispenser le personnel de sécurité visé au deuxième paragraphe de l'obligation de l'examen médical.
  § 4. L'exploitant de la ligne ferroviaire musée décrit, dans son système de gestion de sécurité, le processus médical et psychologique mis en oeuvre pour que le personnel qu'il emploie ou qui travaille pour son compte satisfasse à ces critères.
  Les critères médicaux et psychologiques par rapport à la fonction de sécurité à exercer sont énumérés à l'Annexe 1re.
  § 5. La visite médicale réalisée dans le cadre du permis de conduire " Autobus " (D) ou " Camion " (C) est suffisante lorsqu'elle respecte les critères médicaux et psychologiques énumérés à l'Annexe 1re, point I. Conducteur de train.
Art. 4. De museumspoorlijnuitbater stelt een individuele fiche op, die de volgende gegevens vermeldt:
  1° de benaming van de medische instelling;
  2° de naam en stempel van de geneesheer;
  3° de verklaringen van fysieke en/of psychologische geschiktheid of fysieke en/of psychologische ongeschiktheid.
Art. 4. L'exploitant de la ligne ferroviaire musée établit une fiche individuelle reprenant les données suivantes:
  1° la dénomination de l'organisme médical;
  2° le nom et le cachet du médecin;
  3° les décisions d'aptitude physique et/ou psychologique ou d'inaptitude physique et/ou psychologique.
Art. 5. Het veiligheidspersoneel, dat het voorwerp uitmaakt van een certificering in het kader van de Spoorcodex, is vrijgesteld van het medisch onderzoek en, in voorkomend geval, het psychologisch onderzoek, indien hij gemachtigd is tot het uitoefenen van een gelijkaardige veiligheidsfunctie bij een spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder.
Art. 5. Le personnel de sécurité qui fait l'objet d'une certification dans le cadre du Code ferroviaire est dispensé de l'examen médical et, le cas échéant, de l'examen psychologique, s'il est habilité à exercer une fonction de sécurité similaire auprès d'une entreprise ferroviaire ou du gestionnaire de l'infrastructure.
HOOFDSTUK 2. - Certificering van het veiligheidspersoneel
CHAPITRE 2. - Certification du personnel de sécurité
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 6. Het personeel, dat een veiligheidsfunctie uitoefent, wordt gecertificeerd door de museumspoorlijnuitbater.
  Onder certificering verstaat men de handeling waarbij de museumspoorlijnuitbater beslist dat een persoon één of meer veiligheidsfunctie(s) mag uitoefenen.
  Het principe van deze procedure dient om na te gaan dat de te certificeren persoon geschikt is op:
  1° professioneel vlak (nazien of de doelstellingen van een basisopleiding of aanvullende opleiding daadwerkelijk behaald werden);
  2° medisch vlak, indien dit nodig is;
  3° psychologisch vlak, indien dit nodig is.
  De certificering wordt vorm gegeven door de aflevering van een vergunning tot het uitoefenen van een veiligheidsfunctie.
Art. 6. Le personnel exerçant une fonction de sécurité est certifié par l'exploitant de la ligne ferroviaire musée.
  Par certification, il faut entendre l'acte par lequel l'exploitant de la ligne ferroviaire musée décide qu'une personne peut exercer une ou plusieurs fonction(s) de sécurité.
  Le principe de cette procédure est de vérifier que la personne à certifier est apte au niveau:
  1° professionnel (vérification que les objectifs de la formation fondamentale ou complémentaire sont effectivement atteints);
  2° médical, si cela est nécessaire;
  3° psychologique, si cela est nécessaire.
  La certification est matérialisée par la délivrance d'un permis d'exercer une fonction de sécurité.
Art. 7. De museumspoorlijnuitbater vergewist zich er voorafgaandelijk van dat de betrokken persoon de vereiste voorwaarden van professionele bekwaamheid en, in voorkomend geval, de medische en psychologische voorwaarden vervult en dat hij werd ingelicht over de kenmerken en bijzonderheden van de veiligheidsfunctie, die hij zal moeten uitoefenen.
Art. 7. L'exploitant de la ligne ferroviaire musée s'assure préalablement que la personne concernée remplit les conditions d'aptitude professionnelle requises, et le cas échéant, les conditions médicales et psychologiques et qu'elle est informée des caractéristiques et des spécificités des fonctions de sécurité qu'elle sera appelée à exercer.
Art. 8. De minimumleeftijd vereist voor het uitoefenen van de veiligheidsfuncties bedraagt achttien jaar.
Art. 8. L'âge minimal requis pour exercer des fonctions de sécurité est de dix-huit ans.
Art. 9. Onder voorbehoud van het behoud van medische en eventuele psychologische geschiktheid, bepaalt de museumspoorlijnuitbater, indien hij dit noodzakelijk acht in het kader van zijn veiligheidsbeheersysteem:
  1° de geldigheidsduur van de certificeringen die hij aflevert en de updatemodaliteiten ervan;
  2° de maximumduur van onderbreking van de uitoefening van de veiligheidsfunctie.
Art. 9. Sous réserve du maintien de l'aptitude médicale et éventuellement psychologique, l'exploitant de la ligne ferroviaire musée fixe, s'il l'estime nécessaire, dans le cadre de son système de gestion de la sécurité:
  1° la durée de validité aux certifications qu'il délivre ainsi que les modalités de leur mise à jour;
  2° la durée maximale d'interruption dans l'exercice d'une fonction de sécurité.
Afdeling 2. - Vakbekwaamheid
Section 2. - Aptitude professionnelle
Art. 10. § 1. De vakbekwaamheid heeft betrekking op de beroepsbekwaamheden, die nodig zijn voor de uitoefening van elke veiligheidsfunctie.
  Onder beroepsbekwaamheden dient men te verstaan, de eigenlijke vakkennis en de bekwaamheid om deze op een correcte manier, zowel in een normale als in een verstoorde situatie, in de praktijk om te zetten.
  § 2. De vakkennis, nodig voor het uitoefenen van de veiligheidsfuncties, vereist:
  1° de algemene kennis van de uitbating van de museumspoorlijn, rekening houdend met de uitgeoefende veiligheidsfuncties.
  Dit omvat:
  a) de werkingsprincipes van de veiligheidssystemen;
  b) de rol van de verschillende veiligheidsfuncties;
  c) de algemene kennis van de spoorwegrisico's, in het bijzonder deze verbonden aan het verkeer, ongeacht de tractiewijze;
  2° de algemene kennis van de veiligheidsvoorschriften;
  3° de kennis eigen aan elke veiligheidsfunctie.
  § 3. De bekwaamheid om de verworven kennis operationeel toe te passen, zowel in normale als in abnormale omstandigheden, vereist de beheersing van:
  1° de toepassing van de procedures en regels van de kunst in verband met de uitgeoefende veiligheidsfuncties, met inbegrip van de communicatieprocedures;
  2° het gebruik van de installaties, het materieel en de werktuigen;
  3° de toepassing van de maatregelen ter voorkoming van de beroepsrisico's betreffende het personeel, en in het algemeen, van de gedragingen aangepast aan de verschillende werkomstandigheden.
Art. 10. § 1er. L'aptitude professionnelle porte sur les compétences professionnelles nécessaires à l'exercice de chaque fonction de sécurité.
  Par compétences professionnelles, il faut entendre les connaissances professionnelles proprement dites et l'aptitude à les mettre correctement en oeuvre en situation normale et dégradée.
  § 2. Les connaissances professionnelles nécessaires à l'exercice de fonctions de sécurité impliquent:
  1° la connaissance générale de l'exploitation de la ligne ferroviaire musée, compte tenu des fonctions de sécurité exercées.
  Ceci comprend:
  a) les principes de fonctionnement des systèmes de sécurité;
  b) le rôle des différentes fonctions de sécurité;
  c) la connaissance générale des risques ferroviaires, en particulier ceux liés à la circulation, quel que soit le mode de traction;
  2° la connaissance générale des dispositions de sécurité;
  3° la connaissance spécifique à chaque fonction de sécurité.
  § 3. L'aptitude à rendre opérationnelles les connaissances acquises en milieu professionnel, aussi bien en situation normale qu'en situation perturbée, implique la maîtrise de:
  1° l'application des procédures et des règles de l'art des fonctions de sécurité exercées, en ce compris les procédures de communication;
  2° l'utilisation des installations, de matériel et des outillages;
  3° l'application des règles de prévention des risques professionnels concernant le personnel et, d'une façon générale, des comportements adaptés aux différentes situations professionnelles.
Afdeling 3. - Onderbreking in de uitoefening van een veiligheidsfunctie
Section 3. - Interruption dans l'exercice d'une fonction de sécurité
Art. 11. Wanneer de museumspoorlijnuitbater in zijn veiligheidsbeheersysteem een maximumduur van onderbreking in de uitoefening van een veiligheidsfunctie heeft bepaald en indien die duur overschreden werd, gaat hij over tot het nazicht van de vakbekwaamheid van het betrokken veiligheidspersoneelslid, alvorens hem opnieuw tot deze functie toe te laten.
Art. 11. Lorsque l'exploitant de la ligne ferroviaire musée a fixé dans son système de gestion de sécurité une durée maximale d'interruption dans l'exercice d'une fonction de sécurité et si cette durée a été dépassée, il procède à la vérification de l'aptitude professionnelle du membre de personnel de sécurité concerné avant de l'autoriser de nouveau à exercer cette fonction.
HOOFDSTUK 3. - Documenten tot staving van de certificering van het veiligheidspersoneel
CHAPITRE 3. - Documents attestant de la certification du personnel de sécurité
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 12. § 1. De museumspoorlijnuitbater is verantwoordelijk voor de juistheid van de gegevens op de verschillende documenten, die hij overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk beheert. Hij zorgt voor de onmiddellijke bijwerking ervan wanneer dit nodig blijkt, en hij kan steeds de bewijsstukken met betrekking tot die gegevens voorleggen.
  Hij neemt alle nodige maatregelen om het gebruik van een document, waarvan de geldigheidsdatum overschreden is of dat de houder om welke reden dan ook niet meer mag gebruiken, te vermijden.
  § 2. Het veiligheidspersoneel bedoeld in artikel 5 brengt bij verlies, intrekking of schorsing van zijn certificering de museumspoorlijnuitbater hiervan onverwijld op de hoogte.
  § 3. Van zodra de certificeringvereisten niet meer nageleefd worden, verbiedt de museumspoorlijnuitbater onmiddellijk de betrokken persoon om de veiligheidsfuncties te vervullen en schrapt hem van de lijst van zijn personeel, dat die functies mag uitoefenen.
Art. 12. § 1er. L'exploitant de la ligne ferroviaire musée est responsable de l'exactitude des données présentes sur les divers documents, dont il assume la gestion conformément aux dispositions du présent chapitre. Il veille à leur mise à jour immédiate lorsque cela s'avère nécessaire, et il peut présenter à tout moment les documents justificatifs relatifs à ces données.
  Il prend toutes les mesures nécessaires pour éviter l'usage d'un document dont la date de validité serait dépassée ou dont le titulaire, pour quelque raison que ce soit, ne pourrait plus l'utiliser.
  § 2. Le personnel de sécurité visé à l'article 5 informe l'exploitant de la ligne ferroviaire musée sans délai en cas de perte, de retrait ou de suspension de sa certification.
  § 3. Dès que les exigences de certification ne sont plus respectées, l'exploitant de la ligne ferroviaire musée interdit immédiatement à la personne concernée d'assumer des fonctions de sécurité et la retire de la liste de son personnel habilité à exercer ces fonctions.
Afdeling 2. - Vergunning tot het uitoefenen van een veiligheidsfunctie
Section 2. - Permis d'exercer une fonction de sécurité
Art. 13. De vergunning wordt op naam afgeleverd aan de gecertificeerde persoon, die deze altijd bij zich draagt in de uitoefening van zijn functie.
Art. 13. Le permis est délivré nominativement à la personne certifiée, qui en est toujours porteuse dans l'exécution de sa fonction.
Art. 14. De vergunning wordt afgeleverd door de museumspoorlijnuitbater, die hiermee bevestigt dat de houder:
  1° eventueel voldaan heeft aan de medische en psychologische onderzoeken;
  2° voldaan heeft aan de basisopleidingen en aanvullende opleidingen;
  3° beschikt over de specifieke kennis voor bepaalde veiligheidsfuncties (kennis van de lijnen of de installaties, materieelkennis, kennis van de uitbatingsprocedures van de spoorlijn of van het baanvak, ...).
Art. 14. Le permis est délivré par l'exploitant de la ligne ferroviaire musée, qui atteste de ce fait que le titulaire:
  1° a éventuellement satisfait aux examens médicaux et psychologiques;
  2° a satisfait aux formations fondamentales et complémentaires;
  3° possède les connaissances spécifiques à certaines fonctions de sécurité (connaissance de lignes ou d'installations, connaissance du matériel, connaissance des procédures d'exploitation de la ligne ferroviaire ou du tronçon, ...).
Art. 15. De vergunning bevat de volgende gegevens:
  1° de naam en de voornaam;
  2° de toegestane veiligheidsfunctie(s);
  3° de spoorlijn(en) of baanvak(ken), waarop de veiligheidsfunctie(s) kunnen worden uitgeoefend;
  4° de specifieke kennis waartoe de houder geschikt bevonden werd (kennis van de lijnen of de installaties, materieelkennis, kennis van de uitbatingsprocedures van de spoorlijn of van het baanvak, ...);
  5° de datum van certificering en zijn eventuele geldigheidsduur.
Art. 15. Le permis contient les données suivantes:
  1° le nom et le prénom;
  2° la (les) fonction(s) de sécurité autorisée(s);
  3° la (les) ligne(s) ou tronçon(s), où la (les) fonction(s) peut (peuvent) être exercée(s);
  4° les connaissances spécifiques pour lesquelles le titulaire a été reconnu apte (connaissance de lignes ou d'installations, connaissance du matériel, connaissance des procédures d'exploitation de la ligne ferroviaire ou du tronçon, ...);
  5° la date de la certification et sa durée éventuelle de validité.
HOOFDSTUK 4. - Bepalingen betreffende het gebruik van alcohol of psychoactieve stoffen
CHAPITRE 4. - Dispositions relatives à la consommation d'alcool ou de substances psychoactives
Afdeling 1. - Verplichting van het veiligheidspersoneel
Section 1re. - Obligation du personnel de sécurité
Art. 16. Het veiligheidspersoneel is op geen enkel moment tijdens zijn dienst onder invloed van stoffen die de waakzaamheid, de concentratie of het gedrag aantasten.
Art. 16. Le personnel de sécurité n'est, à aucun moment de son service, sous l'emprise de substances susceptibles d'altérer la vigilance, la concentration ou le comportement.
Afdeling 2. - Verplichtingen van de museumspoorlijnuitbater
Section 2. - Obligations de l'exploitant de la ligne ferroviaire musée
Art. 17. De museumspoorlijnuitbater verbiedt het veiligheidspersoneel zijn taken uit te voeren in staat van dronkenschap of onder invloed van psychoactieve stoffen, zoals drugs, verdovende middelen of oneigenlijk gebruikte therapeutische stoffen.
Art. 17. L'exploitant de la ligne ferroviaire musée interdit au personnel de sécurité d'effectuer ses tâches en état d'ivresse ou sous l'emprise de substances psychoactives, telles que drogues, stupéfiants ou substances thérapeutiques détournées de leur usage normal.
Art. 18. De museumspoorlijnuitbater voorziet in controlemaatregelen en preventieve maatregelen in verband met het gebruik van alcohol en psychoactieve stoffen.
Art. 18. L'exploitant de la ligne ferroviaire musée prévoit des mesures de contrôle et de prévention relatives à la consommation d'alcool et de substances psychoactives.
Afdeling 3. - Toegelaten grens
Section 3. - Limite autorisée
Art. 19. Het veiligheidspersoneel is niet onder invloed van alcohol, waarvan het gehalte in het bloed gelijk aan of groter is dan 0,20 gram per 1000 of waarvan de concentratie in de uitgeademde lucht gelijk aan of groter is dan 0,10 milligram per liter.
Art. 19. Le personnel de sécurité ne se trouve pas sous l'emprise d'un état alcoolique caractérisé par la présence dans le sang d'une concentration d'alcool pur égale ou supérieure à 0,20 gramme pour 1000 ou par la présence dans l'air expiré d'une concentration d'alcool pur égale ou supérieure à 0,10 milligramme par litre.
HOOFDSTUK 5. - Veiligheidspersoneel dat een risico voor de spoorwegveiligheid inhoudt
CHAPITRE 5. - Personnel de sécurité constituant un risque pour la sécurité ferroviaire
Afdeling 1. - Verplichting van het veiligheidspersoneel
Section 1re. Obligation du personnel de sécurité
Art. 20. Zodra een lid van het veiligheidspersoneel vaststelt of verneemt dat hij persoonlijk en individueel een risico voor de spoorwegveiligheid inhoudt, zal deze de uitoefening van zijn veiligheidstaken staken en de museumspoorlijnuitbater hiervan onmiddellijk verwittigen.
  Deze bepaling is eveneens van toepassing wanneer een lid van het veiligheidspersoneel vaststelt of ingelicht wordt van een medische of psychologische ongeschiktheid betreffende zichzelf.
Art. 20. Dès qu'un membre du personnel de sécurité constate ou est informé qu'il constitue personnellement et individuellement un risque pour la sécurité ferroviaire, il s'interdit d'exercer des fonctions de sécurité et en informe immédiatement l'exploitant de la ligne ferroviaire musée.
  Cette disposition s'applique également lorsqu'un membre du personnel de sécurité constate ou est informé d'une inaptitude médicale ou psychologique le concernant.
Art. 21. Het veiligheidspersoneel dat een risico voor de spoorwegveiligheid vaststelt, brengt onmiddellijk de museumspoorlijnuitbater daarvan op de hoogte.
Art. 21. Le personnel de sécurité qui constate un risque pour la sécurité ferroviaire en informe immédiatement l'exploitant de la ligne ferroviaire musée.
Afdeling 2. - Verplichting van de museumspoorlijnuitbater
Section 2. - Obligation de l'exploitant de la ligne ferroviaire musée
Art. 22. Wanneer de museumspoorlijnuitbater vaststelt of wordt ingelicht dat het veiligheidspersoneel door hem tewerk gesteld of werkend voor zijn rekening, een risico voor de spoorwegveiligheid inhoudt, neemt hij onmiddellijk de nodige maatregelen, om een einde te stellen aan dit risico en te vermijden dat het zich herhaalt.
  Deze bepaling is eveneens van toepassing wanneer de museumspoorlijnuitbater vaststelt of ingelicht wordt over een medische of psychologische ongeschiktheid betreffende het veiligheidspersoneel dat door hem tewerk gesteld wordt of voor zijn rekening werkt.
Art. 22. Lorsque l'exploitant de la ligne ferroviaire musée constate ou est informé que le personnel de sécurité employé par lui ou travaillant pour son compte, constitue un risque pour la sécurité ferroviaire, il prend immédiatement les mesures nécessaires afin de mettre fin à ce risque et d'éviter qu'il ne se reproduise.
  Cette disposition s'applique également lorsque l'exploitant de la ligne ferroviaire musée constate ou est informé d'une inaptitude médicale ou psychologique concernant du personnel de sécurité employé par lui ou travaillant pour son compte.
Afdeling 3. - Onaangepast gedrag
Section 3. - Comportement inadapté
Art. 23. De voorschriften, hiervoor vermeld onder de artikelen 20 tot 22, zijn ook van toepassing op het veiligheidspersoneel:
  a) waarvan het gedrag doet vermoeden dat het medisch of psychologisch ongeschikt is;
  b) dat in een uitbatingsongeval betrokken is geweest.
Art. 23. Les dispositions prévues ci-dessus aux articles 20 à 22 s'appliquent également au personnel de sécurité:
  a) dont le comportement laisse présumer une inaptitude médicale ou psychologique;
  b) qui a été impliqué dans un accident d'exploitation.
HOOFDSTUK 6. - Slotbepaling
CHAPITRE 6. Disposition finale
Art. 24. De minister bevoegd voor spoorvervoer is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 24. Le ministre qui a le transport ferroviaire dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1. - Medische en psychologische criteria
  I. Treinbestuurder
  a) Minimuminhoud van het medisch onderzoek:
  1° een algemeen medisch onderzoek;
  2° een onderzoek van de zintuiglijke functies: gezicht, gehoor, kleurwaarneming;
  3° urine- of bloedonderzoek ter opsporing van suikerziekte en andere aandoeningen als geïndiceerd door klinisch onderzoek;
  4° opsporing van drugsgebruik;
  5° het medisch onderzoek vóór de aanstelling omvat een elektrocardiogram in rust.
  b) Algemene criteria
  Het personeel voert geen veiligheidstaken uit indien de waakzaamheid is aangetast door alcohol, drugs of psychotrope geneesmiddelen.
  Het personeel verkeert niet in een gezondheidstoestand noch ondergaat een medische behandeling, die vatbaar is voor het veroorzaken van:
  1° een plotseling bewustzijnsverlies;
  2° een waakzaamheids- of concentratiestoornis;
  3° een plotselinge ongeschiktheid;
  4° een evenwichts- of coördinatiestoornis;
  5° een aanzienlijke mobiliteitsbeperking.
  c) Gezichtscriteria:
  1° zichtscherpte op verre afstand, zij het al dan niet gecorrigeerd: 1,0 (binoculair); minstens 0,5 voor het zwakste oog; als men een bril nodig heeft, is men verplicht die te dragen;
  2° maximale correctie: verziendheid +5D/ bijziendheid -8D. De geneesheer kan, in uitzonderlijke gevallen en na raadpleging van een oogarts, waarden buiten dit bereik accepteren;
  3° zicht op gemiddelde afstand en van nabij: voldoende, zij het al dan niet gecorrigeerd;
  4° contactlenzen zijn toegestaan;
  5° UV-filterlenzen zijn toegestaan;
  6° gekleurde contactlenzen en fotochromatische lenzen zijn niet toegestaan;
  7° volledig normale kleurwaarneming: bij gebruik van een erkende test, zoals de Ishihara-test;
  8° normaal gezichtsveld (geen afwijkingen die de te verrichten taak nadelig beïnvloeden);
  9° zicht voor beide ogen (binoculair): aanwezig;
  10° fusie: aanwezig;
  11° contrastgevoeligheid: goed;
  12° geen progrediënte oogziekten;
  13° oogimplantaten, keratotomieën en keratectomieën zijn toegestaan, op voorwaarde dat ze jaarlijks of volgens een door de geneesheer voorgeschreven periodiciteit worden nagezien.
  d) Gehoorcriteria
  Een voldoende gehoor, aangetoond met een toonaudiogram, te weten:
  1° voldoende goed gehoor om een telefoongesprek te voeren en waarschuwingstonen en radioberichten te horen;
  2° het past de volgende waarden, die enkel ter informatie worden medegedeeld, als richtsnoer te beschouwen:
  i. het gehoorverlies is niet groter dan 40 dB bij 500 en 1000 Hz;
  ii. het gehoorverlies aan het oor met de slechtste geluidsvoortplanting is niet groter dan 45 dB bij 2000 Hz;
  3° geen anomalieën van het vestibulair systeem;
  4° geen chronische spraakgebreken (gelet op de noodzakelijkheid tot luide en duidelijke uitwisseling van berichten);
  5° aan de gehooreisen moet zonder hoorapparaat worden voldaan. In bepaalde gevallen kan het gebruik van hoorapparatuur op medisch advies worden toegestaan.
  e) Antropometrie
  De lichaamsmaten van het personeel zijn zodanig dat het materieel veilig kan worden gebruikt. De treinbestuurders worden niet verplicht of toegestaan bijzondere types van materieel te besturen, indien hun lengte, gewicht of andere lichaamseigenschappen een risico opleveren.
  f) Zwangerschap
  Bij een lage tolerantie of een pathologische aandoening wordt zwangerschap beschouwd als een tijdelijke grond voor uitsluiting. De museumspoorlijnuitbater vergewist zich er van dat de wettelijke voorschriften ter bescherming van zwangere werkneemsters worden nageleefd.
  g) Psychologisch onderzoek
  Het doel van het psychologisch onderzoek is de museumspoorlijnuitbater bij te staan in de aanstelling en het beheer van personeel, dat over de nodige cognitieve en psychomotorische geschiktheden beschikt om zijn taak veilig te kunnen vervullen.
  De bevindingen van het psychologisch onderzoek houden minstens rekening met de volgende criteria, die bij de uitvoering van elke veiligheidstaak in acht moeten worden genomen:
  1° Cognitieve criteria:
  i. aandacht en concentratie;
  ii. geheugen;
  iii. waarnemingsvermogen;
  iv. redeneringsvermogen;
  v. communicatie.
  2° Psychomotorische criteria:
  i. reactiesnelheid;
  ii. bewegingscoördinatie.
  Indien de psycholoog één van de bovenstaande criteria weglaat, verantwoordt en staaft hij zijn beslissing.
  II. Begeleider van reizigerstreinen
  a) Minimuminhoud van het medisch onderzoek:
  1° een algemeen medisch onderzoek;
  2° een onderzoek van de zintuiglijke functies: gezicht, gehoor, kleurwaarneming;
  3° urine- of bloedonderzoek ter opsporing van suikerziekte en andere aandoeningen als geïndiceerd door klinisch onderzoek;
  4° opsporing van drugsgebruik.
  b) Algemene criteria
  Het personeel voert geen veiligheidstaken uit indien de waakzaamheid is aangetast door alcohol, drugs of psychotrope geneesmiddelen.
  Het personeel verkeert niet in een gezondheidstoestand noch ondergaat een medische behandeling die vatbaar is voor het veroorzaken van:
  1° een plotseling bewustzijnsverlies;
  2° een waakzaamheids- of concentratiestoornis;
  3° een plotselinge ongeschiktheid;
  4° een evenwichts- of coördinatiestoornis;
  5° een aanzienlijke mobiliteitsbeperking.
  c) Gezichtscriteria:
  1° zichtscherpte op verre afstand, zij het al dan niet gecorrigeerd: 0,8 (binoculair); minstens 0,3 voor het zwakste oog; als men een bril nodig heeft, is men verplicht die te dragen;
  2° maximale correctie: verziendheid +5D/ bijziendheid -8D. De geneesheer kan, in uitzonderlijke gevallen en na raadpleging van een oogarts, waarden buiten dit bereik accepteren;
  3° zicht op gemiddelde afstand en van nabij: voldoende, zij het al dan niet gecorrigeerd;
  4° contactlenzen zijn toegestaan;
  5° UV-filterlenzen zijn toegestaan;
  6° gekleurde contactlenzen en fotochromatische lenzen zijn niet toegestaan;
  7° normale kleurwaarneming (maximaal 4 fouten): bij gebruik van een erkende test, zoals de Ishihara-test, en zo nodig aangevuld met een andere erkende test (Fansworth);
  8° normaal gezichtsveld (geen afwijkingen die de te verrichten taak nadelig beïnvloeden);
  9° zicht voor beide ogen (binoculair): aanwezig;
  10° fusie: aanwezig;
  11° contrastgevoeligheid: goed;
  12° geen progrediënte oogziekten;
  13° oogimplantaten, keratotomieën en keratectomieën zijn toegestaan, op voorwaarde dat ze jaarlijks of volgens een door de geneesheer voorgeschreven periodiciteit worden nagezien.
  d) Gehoorcriteria
  Geen anomalieën van het vestibulair systeem.
  Een voldoende gehoor, aangetoond met een toonaudiogram, te weten:
  1° voldoende goed gehoor om een telefoongesprek te voeren en waarschuwingstonen en radioberichten te horen;
  2° het past de volgende waarden, die enkel ter informatie worden medegedeeld, als richtsnoer te beschouwen:
  i. het gehoorverlies is niet groter dan 40 dB bij 500 en 1000 Hz;
  ii. het gehoorverlies aan het oor met de slechtste geluidsvoortplanting is niet groter dan 45 dB bij 2000 Hz.
  e) Zwangerschap
  Bij een lage tolerantie of een pathologische aandoening wordt zwangerschap beschouwd als een tijdelijke grond voor uitsluiting. De museumspoorlijnuitbater vergewist zich er van dat de wettelijke voorschriften ter bescherming van zwangere werkneemsters worden nageleefd.
  f) Antropometrie
  De lichaamsmaten van het personeel zijn zodanig dat het materieel veilig kan worden gebruikt. De begeleiders van reizigerstreinen worden niet verplicht of toegestaan om bepaalde types van materieel te besturen, indien hun lengte, gewicht of andere lichaamskarakteristieken een risico opleveren.
  III. Personeel dat andere veiligheidsfuncties dan treinbestuurder of begeleider van reizigerstreinen uitoefent
  a) Minimuminhoud van het medisch onderzoek:
  1° een algemeen medisch onderzoek;
  2° een onderzoek van de zintuiglijke functies: gezicht, gehoor, kleurwaarneming;
  3° urine- of bloedonderzoek ter opsporing van suikerziekte en andere aandoeningen als geïndiceerd door klinisch onderzoek;
  4° opsporing van drugsgebruik.
  b) Algemene criteria
  Het personeel voert geen veiligheidstaken uit indien de waakzaamheid is aangetast door alcohol, drugs of psychotrope geneesmiddelen.
  Het personeel verkeert niet in een gezondheidstoestand noch ondergaat een medische behandeling, die vatbaar is voor het veroorzaken van:
  1° een plotseling bewustzijnsverlies;
  2° een waakzaamheids- of concentratiestoornis;
  3° een plotselinge ongeschiktheid;
  4° een evenwichts- of coördinatiestoornis;
  5° een aanzienlijke mobiliteitsbeperking.
  c) Gezichtscriteria:
  1° zichtscherpte op verre afstand, zij het al dan niet gecorrigeerd: 0,8 (binoculair); minstens 0,3 voor het zwakste oog; als men een bril nodig heeft, is men verplicht die te dragen;
  2° maximale correctie: verziendheid +5D/ bijziendheid -8D. De geneesheer kan, in uitzonderlijke gevallen en na raadpleging van een oogarts, waarden buiten dit bereik accepteren;
  3° zicht op gemiddelde afstand en van nabij: voldoende, zij het al dan niet gecorrigeerd;
  4° contactlenzen zijn toegestaan;
  5° UV-filterlenzen zijn toegestaan;
  6° gekleurde contactlenzen en fotochromatische lenzen zijn niet toegestaan;
  7° normale kleurwaarneming (maximaal 4 fouten): bij gebruik van een erkende test, zoals de Ishihara-test, en zo nodig aangevuld met een andere erkende test (Fansworth);
  8° normaal gezichtsveld (geen afwijkingen, die de te verrichten taak nadelig beïnvloeden);
  9° zicht voor beide ogen (binoculair): aanwezig;
  10° fusie: aanwezig;
  11° contrastgevoeligheid: goed;
  12° geen progrediënte oogziekten;
  13° oogimplantaten, keratotomieën en keratectomieën zijn toegestaan, op voorwaarde dat ze jaarlijks of volgens een, door de geneesheer voorgeschreven, periodiciteit worden nagezien.
  d) Gehoorcriteria
  Geen anomalieën van het vestibulair systeem.
  Een voldoende gehoor, aangetoond met een toonaudiogram, te weten:
  1° voldoende goed gehoor om een telefoongesprek te voeren en waarschuwingstonen en radioberichten te horen;
  2° het past de volgende waarden, die enkel ter informatie worden medegedeeld, als richtsnoer te beschouwen:
  i. het gehoorverlies is niet groter dan 40 dB bij 500 en 1000 Hz;
  ii. het gehoorverlies aan het oor met de slechtste geluidsvoortplanting is niet groter dan 45 dB bij 2000 Hz.
  e) Zwangerschap
  Bij een lage tolerantie of een pathologische aandoening wordt zwangerschap beschouwd als een tijdelijke grond voor uitsluiting.
  De museumspoorlijnuitbater vergewist zich er van dat de wettelijke voorschriften ter bescherming van zwangere werkneemsters worden nageleefd.
Art. N1. Annexe 1. - Critères médicaux et psychologiques
  I. Conducteur de train
  a) Contenu minimal de l'examen médical:
  1° un examen de médecine générale;
  2° un examen des fonctions sensorielles: vision, audition, perception des couleurs;
  3° analyse d'urine ou de sang pour la détection du diabète sucré et d'autres états comme indiqué par l'examen clinique;
  4° dépistage de l'usage de drogues;
  5° l'examen médical avant affectation comprend une électrocardiographie au repos.
  b) Critères de portée générale
  Le personnel n'effectue pas de tâches de sécurité lorsque sa vigilance est altérée par des substances telles que l'alcool, les drogues ou des médicaments psychotropes.
  Le personnel n'est dans un état de santé et ne prend pas un traitement médical susceptible d'entraîner:
  1° une perte soudaine de connaissance;
  2° une altération de la vigilance ou de la concentration;
  3° une incapacité soudaine;
  4° une altération de l'équilibre ou de la coordination;
  5° une limitation significative de la mobilité.
  c) Critères de vision:
  1° acuité visuelle, qu'elle soit corrigée ou non, à distance: 1,0 (binoculaire); au minimum de 0,5 pour l'oeil le moins bon; si des verres sont nécessaires, le port en est obligatoire;
  2° verres correcteurs maximaux: hypermétropie +5D/ myopie -8D. Le médecin peut admettre des valeurs situées en dehors de cette plage dans des cas exceptionnels et après avis d'un ophtalmologue;
  3° vision à moyenne distance et de près: suffisante, qu'elle soit corrigée ou non;
  4° les verres de contact sont autorisés;
  5° des lentilles avec filtres UV sont autorisées;
  6° les verres de contact colorés et les lentilles photochromiques ne sont pas autorisés;
  7° vision des couleurs complètement normale: utilisation d'un test reconnu, tel que le test Ishihara;
  8° champ de vision normal (absence de toute anomalie affectant la tâche à accomplir);
  9° vision pour les deux yeux (binoculaire): effective;
  10° fusion: présente;
  11° sensibilité aux contrastes: bonne;
  12° absence de maladie ophtalmique évolutive;
  13° des implants oculaires, des kératotomies et des kératectomies sont permis, à condition qu'ils soient contrôlés annuellement ou selon une périodicité prescrite par le médecin.
  d) Critères d'audition
  Une audition suffisante confirmée par un audiogramme tonal, c'est-à-dire:
  1° audition suffisamment bonne pour maintenir une conversation téléphonique et pouvoir entendre des tonalités d'alerte et des messages radio;
  2° il convient de considérer comme des lignes directrices les valeurs suivantes, qui sont fournies uniquement pour information:
  i. le manque d'audition n'est pas supérieur à 40 dB à 500 et 1000 Hz;
  ii. le manque d'audition n'est pas supérieur à 45 dB à 2000 Hz pour l'oreille ayant la conduction aérienne du son la plus mauvaise;
  3° aucune anomalie du système vestibulaire;
  4° aucun trouble chronique du langage (vu la nécessité d'échanger des messages fortement et clairement);
  5° les exigences d'audition définies doivent être satisfaites sans l'utilisation d'appareils acoustiques. L'utilisation de ce type d'appareils peut être autorisée dans certains cas sur avis médical.
  e) Anthropométrie
  Les paramètres anthropométriques du personnel permettent l'utilisation sûre du matériel. Les conducteurs de train ne sont pas obligés ni autorisés à conduire certains types particuliers de matériel, si leur taille, leur poids ou d'autres caractéristiques physiques créent un risque.
  f) Grossesse
  En cas de faible tolérance ou de condition pathologique, la grossesse est considérée comme une cause provisoire d'exclusion. L'exploitant de la ligne ferroviaire musée s'assure que les dispositions légales protégeant les travailleuses enceintes sont appliquées.
  g) Examen psychologique
  Le but de l'examen psychologique est d'assister l'exploitant de la ligne ferroviaire musée en matière d'affectation et de gestion du personnel ayant les capacités cognitives et psychomotrices requises pour pouvoir remplir son rôle en toute sécurité.
  Les conclusions de l'examen psychologique tiennent au moins compte des critères suivants, qui doivent être respectés lors de l'exécution de chaque tâche de sécurité:
  1° Critères de cognitivité:
  i. attention et concentration;
  ii. mémoire;
  iii. capacité de perception;
  iv. capacité de raisonnement;
  v. communication.
  2° Critères psychomoteurs:
  i. vitesse de réaction;
  ii. coordination gestuelle.
  Si le psychologue omet l'un des critères ci-dessus, il justifie et atteste sa décision.
  II. Accompagnateur de trains de voyageurs
  a) Contenu minimal de l'examen médical:
  1° un examen de médecine générale;
  2° un examen des fonctions sensorielles: vision, audition, perception des couleurs;
  3° analyse d'urine ou de sang pour la détection du diabète sucré et d'autres états comme indiqué par l'examen clinique;
  4° dépistage de l'usage de drogues.
  b) Critères de portée générale
  Le personnel n'effectue pas de tâches de sécurité lorsque sa vigilance est altérée par des substances telles que l'alcool, les drogues ou des médicaments psychotropes.
  Le personnel n'est dans un état de santé et ne prend pas un traitement médical susceptible d'entraîner:
  1° une perte soudaine de connaissance;
  2° une altération de la vigilance ou de la concentration;
  3° une incapacité soudaine;
  4° une altération de l'équilibre ou de la coordination;
  5° une limitation significative de la mobilité.
  c) Critères de vision:
  1° acuité visuelle, qu'elle soit corrigée ou non, à distance: 0,8 (binoculaire); au minimum de 0,3 pour l'oeil le moins bon; si des verres sont nécessaires, le port en est obligatoire;
  2° verres correcteurs maximaux : hypermétropie +5D/ myopie -8D. Le médecin peut admettre des valeurs situées en dehors de cette plage dans des cas exceptionnels et après avis d'un ophtalmologue;
  3° vision à moyenne distance et de près: suffisante, qu'elle soit corrigée ou non;
  4° les verres de contact sont autorisés;
  5° des lentilles avec filtres UV sont autorisées;
  6° les verres de contact colorés et les lentilles photochromiques ne sont pas autorisés;
  7° vision normale des couleurs (au maximum 4 fautes): utilisation d'un test reconnu, tel que le test Ishihara, complété par un autre test reconnu en cas de besoin (Fansworth);
  8° champ de vision normal (absence de toute anomalie affectant la tâche à accomplir);
  9° vision pour les deux yeux (binoculaire): effective;
  10° fusion: présente;
  11° sensibilité aux contrastes: bonne;
  12° absence de maladie ophtalmique évolutive;
  13° des implants oculaires, des kératotomies et des kératectomies sont permis, à condition qu'ils soient contrôlés annuellement ou selon une périodicité prescrite par le médecin.
  d) Critères d'audition
  Aucune anomalie du système vestibulaire.
  Une audition suffisante confirmée par audiogramme tonal, c'est-à-dire:
  1° audition suffisamment bonne pour maintenir une conversation téléphonique et pouvoir entendre des tonalités d'alerte et des messages radio;
  2° il convient de considérer comme des lignes directrices les valeurs suivantes, qui sont fournies uniquement pour information:
  i. le manque d'audition n'est pas supérieur à 40 dB à 500 et 1000 Hz;
  ii. le manque d'audition n'est pas supérieur à 45 dB à 2000 Hz pour l'oreille ayant la conduction aérienne du son la plus mauvaise.
  e) Grossesse
  En cas de faible tolérance ou de condition pathologique, la grossesse est considérée comme une cause provisoire d'exclusion. L'exploitant de la ligne ferroviaire musée s'assure que les dispositions légales protégeant les travailleuses enceintes sont appliquées.
  f) Anthropométrie
  Les paramètres anthropométriques du personnel permettent l'utilisation sûre du matériel. Les accompagnateurs des trains de voyageurs ne sont pas obligés ni autorisés à faire fonctionner certains types particuliers de matériel, si leur taille, leur poids ou d'autres caractéristiques physiques créent un risque.
  III. Personnel exerçant des fonctions de sécurité autres que conducteur ou accompagnateur de trains de voyageurs
  a) Contenu minimal de l'examen médical:
  1° un examen de médecine générale;
  2° un examen des fonctions sensorielles: vision, audition, perception des couleurs;
  3° analyse d'urine ou de sang pour la détection du diabète sucré et d'autres états comme indiqué par l'examen clinique;
  4° dépistage de l'usage de drogues.
  b) Critères de portée générale
  Le personnel n'effectue pas de tâches de sécurité lorsque sa vigilance est altérée par des substances telles que l'alcool, les drogues ou des médicaments psychotropes.
  Le personnel n'est pas dans un état de santé et ne prend pas un traitement médical susceptible d'entraîner:
  1° une perte soudaine de connaissance;
  2° une altération de la vigilance ou de la concentration;
  3° une incapacité soudaine;
  4° une altération de l'équilibre ou de la coordination;
  5° une limitation significative de la mobilité.
  c) Critères de vision:
  1° acuité visuelle, qu'elle soit corrigée ou non, à distance: 0,8 (binoculaire); au minimum de 0,3 pour l'oeil le moins bon; si des verres sont nécessaires, le port en est obligatoire;
  2° verres correcteurs maximaux: hypermétropie +5D/ myopie -8D. Le médecin peut admettre des valeurs situées en dehors de cette plage dans des cas exceptionnels et après avis d'un ophtalmologue;
  3° vision à moyenne distance et de près: suffisante, qu'elle soit corrigée ou non;
  4° les verres de contact sont autorisés;
  5° des lentilles avec filtres UV sont autorisées;
  6° les verres de contact colorés et les lentilles photochromiques ne sont pas autorisés;
  7° vision normale des couleurs (au maximum 4 fautes): utilisation d'un test reconnu, tel que le test Ishihara, complété par un autre test reconnu en cas de besoin (Fansworth);
  8° champ de vision normal (absence de toute anomalie affectant la tâche à accomplir);
  9° vision pour les deux yeux (binoculaire): effective;
  10° fusion: présente;
  11° sensibilité aux contrastes: bonne;
  12° absence de maladie ophtalmique évolutive;
  13° des implants oculaires, des kératotomies et des kératectomies sont permis, à condition qu'ils soient contrôlés annuellement ou selon une périodicité prescrite par le médecin.
  d) Critères d'audition
  Aucune anomalie du système vestibulaire.
  Une audition suffisante confirmée par audiogramme tonal, c'est-à-dire:
  1° audition suffisamment bonne pour maintenir une conversation téléphonique et pouvoir entendre des tonalités d'alerte et des messages radio;
  2° il convient de considérer comme des lignes directrices les valeurs suivantes, qui sont fournies uniquement pour information:
  i. le manque d'audition n'est pas supérieur à 40 dB à 500 et 1000 Hz;
  ii. le manque d'audition n'est pas supérieur à 45 dB à 2000 Hz pour l'oreille ayant la conduction aérienne du son la plus mauvaise.
  e) Grossesse
  En cas de faible tolérance ou de condition pathologique, la grossesse est considérée comme une cause provisoire d'exclusion.
  L'exploitant de la ligne ferroviaire musée s'assure que les dispositions légales protégeant les travailleuses enceintes sont appliquées.
Art. N2. Bijlage 2. - Te verwerven kennis en bekwaamheden
  1. Treinbestuurder
  Naast de kennis van de lijn en van het materieel, zijn de kennis en de bekwaamheden, eigen aan deze veiligheidsfunctie, in wezen de volgende:
  1° de voorschriften met betrekking tot de veiligheid van het personeel toepassen;
  2° alleen en in alle veiligheid de trein, waarvoor hij bevoegd is, besturen;
  3° de trein volgens de regels van de kunst besturen;
  4° over voldoende kennis van de onderdelen van het materieel (draagstel, rollagers, reminrichting,...) beschikken;
  5° beschadigingen aan het materieel vaststellen en de herstellingen uitvoeren, waartoe hij bekwaam wordt geacht;
  6° beslissen over de voorwaarden waaronder een konvooi kan voortrijden in geval van beschadiging of incident;
  7° vóór het vertrek de voorgeschreven controles uitvoeren;
  8° de voorgeschreven controles en proeven uitvoeren om zich ervan te vergewissen dat het voertuig in staat is om de sleping te waarborgen;
  9° de uitwendige schouwing van het krachtvoertuig uitvoeren (remblokken, koppelingen, verbindingsslangen, lichten, enz.);
  10° de werking van de remmen controleren vóór het in beweging brengen van de trein;
  11° rekening houden met de aard van de op de trein uit te voeren remproef;
  12° helpen bij het nazicht van de werking van de remmen van de trein vóór het vertrek;
  13° tijdens de rit de doeltreffendheid van de remmen nazien;
  14° de krachtvoertuigen op bekwame en veilige wijze besturen, met inachtneming van de seinen alsook de toegelaten snelheden;
  15° de trein pas in beweging zetten wanneer alle reglementaire voorwaarden zijn vervuld (vertrekbevel of -sein, enz.);
  16° op elk ogenblik zijn positie op de lijn kennen;
  17° op elk ogenblik de aard van en de maximumsnelheid tijdens de rit, zoals opgelegd door de reglementering, en de lijngegevens bepalen;
  18° op een actieve manier de seinen in acht nemen, ze zonder aarzeling of vergissing herkennen en de voorgeschreven handelingen uitvoeren;
  19° gebruik maken van de remmen om in alle veiligheid te vertragen en te stoppen;
  20° de in de dienstregeling voorgeschreven of opgelegde haltes naleven en eventueel tijdens die stilstanden de verrichtingen op het vlak van de reizigersdienst uitvoeren (bijvoorbeeld het openen en sluiten van de deuren);
  21° veilig rijden, wanneer een bijzondere wijze van exploitatie wordt voorgeschreven (tijdelijke snelheidsbeperkingen, overschrijdingsbevel gesloten sein, ...);
  22° de boordinstrumenten in het oog houden en bedienen;
  23° in de voorziene gevallen, het geluidssignaal gebruiken om de veiligheid van de reizigers of het wegverkeer te waarborgen;
  24° zo spoedig mogelijk de technische storingen en exploitatiestoringen alsook de ongewone gebeurtenissen op het traject opmerken en lokaliseren en, in voorkomend geval, het materieel onderzoeken om de beschadigingen en gebreken op te sporen, de bescherming van de trein of van een obstakel te waarborgen en een beroep te doen op hulp van buitenaf of alarm te slaan;
  25° het nemen van maatregelen, of het nu dringende dan wel opschortende maatregelen betreft, om de veiligheid van het verkeer en van personen te waarborgen, telkens wanneer dat nodig is;
  26° in voorkomend geval, het materieel of het spoor onderzoeken om onregelmatigheden op te sporen en er de gevolgen van te beoordelen;
  27° de noodzakelijke verbindingen met andere personen verzekeren, om de onregelmatigheden te melden en eventueel de nodige hulp te vragen, met gebruik van de verschillende, beschikbare communicatiemiddelen;
  28° de trein in alle veiligheid immobiliseren en op een zijspoor plaatsen;
  29° de gedane vaststellingen van onregelmatigheden vermelden op de, eventueel bij het krachtvoertuig horende, technische documenten;
  30° bij aankomst in de uitwijkplaats van het voertuig of op het einde van de dienst, schriftelijk en/of mondeling de nodige inlichtingen verstrekken over de uitvoering van zijn opdracht en de ongewone voorvallen nauwkeurig beschrijven.
  2. Begeleider van reizigerstreinen
  De kennis en de bekwaamheden, eigen aan deze veiligheidsfunctie, zijn in wezen de volgende:
  1° de voorschriften met betrekking tot de veiligheid van het personeel toepassen;
  2° de op de rijtuigen vermelde aanduidingen aflezen (tarra, lading, rem), de toegestane maximumsnelheid van een rijtuig of een motorstel herkennen;
  3° de correcte toestand van de koppelingen, vouwbalgen en diverse verbindingen nagaan (verlichting, verwarming, continuïteit van de luchtdrukleidingen,...);
  4° het helpen bij het aandoen en doven van de eindseinen bij het eerste vertrek en bij een defect aan die uitrustingen;
  5° de vastgestelde gebreken melden;
  6° indien nodig, een deur vergrendelen (kopdeur van de trein, deur van niet-bediende stuurpost, ...);
  7° de maatregelen nemen als een deur niet vergrendeld is;
  8° de goede werking van een deur controleren bij het openen en sluiten;
  9° de nodige maatregelen nemen bij beschadiging aan het systeem voor het openen en sluiten van de deuren;
  10° de verrichtingen voor het openen en het sluiten van de deuren uitvoeren;
  11° een deur openen met de noodinrichting;
  12° het bijdragen tot de veiligheid van de reizigers;
  13° het toezicht houden op het in- en uitstappen, alleen of samen met andere bedienden;
  14° de nodige maatregelen nemen wanneer een gedeelte van de trein niet aan het perron komt;
  15° het herkennen van gevaarlijk gedrag en er op passende wijze op reageren;
  16° het zorgen voor de communicatie met de bestuurder;
  17° het aan de bestuurder meedelen van de gegevens in verband met de samenstelling en de remming van de trein;
  18° het doorgeven van de mededeling "Verrichtingen Gedaan" aan de bestuurder;
  19° het nagaan of een reizigerstrein volledig is;
  20° het reageren op de door de bestuurder gegeven akoestische signalen;
  21° een obstakel afdekken (bescherming van op afstand, bescherming ter plaatse);
  22° de maatregelen nemen bij een ongeval of in geval van brand aan boord;
  23° de passagiers van een trein evacueren;
  24° het instaan voor de bediening van lokale toestellen of de toepassing van lokale procedures voor het overschrijden van een overweg;
  25° de passende maatregelen treffen ingeval van activering van het alarmsignaal.
  3. Bediende belast met het toezicht, de toepassing van de uitbatingsprocedures, de bediening van spoortoestellen en seinposten
  De kennis en de bekwaamheden, eigen aan deze veiligheidsfunctie, zijn in wezen de volgende:
  1° de algemene reglementering op de betrokken lijn en de uitbatingsprocedures in het bijzonder, kennen en kunnen toepassen;
  2° de te bedienen installaties, de verschillende mogelijks te berijden reiswegen en de bijzondere kenmerken van sommige installaties kennen;
  3° de verschillende uit te voeren handelingen of mogelijks uit te voeren handelingen en de te bedienen toestellen kennen (wissels, ontspoortongen, stuitklampen, overwegen, sloten, wisselwachtersposten, ...);
  4° de verschillende naargelang de omstandigheden en de arbeidsvoorwaarden toe te passen procedures kennen (uitwisseling van berichten, uitwisseling van geformaliseerde mededelingen, te nemen bijzondere maatregelen in normale en gestoorde omstandigheden, ...);
  5° het in staat zijn de voorziene beweging van de treinen, in acht te nemen;
  6° het in staat zijn de verschillende dienstbestemmingen van de sporen na te leven;
  7° het in alle veiligheid reiswegen kunnen vastleggen of laten vastleggen;
  8° de bewegingen in de actiezone (rangeringen, vertrekken, ontvangsten, ...) coördineren;
  9° de adequate beschermingsmaatregelen ten overstaan van personen, materieel en het transport kennen en kunnen toepassen;
  10° het waken over het verloop van de bewegingen, hun samenstelling en hun gelijkvormigheid (onder andere, de aanwezigheid van een eindsein, ...);
  11° het instaan voor de bediening van de veiligheidsinrichtingen, alsook de procedures ingeval van storingen aan de overwegen, toepassen;
  12° de voorschriften betreffende de veiligheid van het personeel toepassen;
  13° de betrokken diensten alarmeren (museumspoorlijnuitbater, hulpdiensten, ...);
  14° alle maatregelen kunnen nemen die van aard zijn om storingen te voorkomen of de gevolgen van storingen te verminderen kunnen om zo spoedig mogelijk naar de normale toestand terug te keren;
  15° het bevel geven om een treinstel voor rangeren klaar te maken;
  16° het nagaan of een rangeerbeweging kan worden uitgevoerd, rekening houdend met het materieel en de coördinatie tussen de interveniërende partijen;
  17° de voor de uitvoering van bepaalde bewegingen vereiste toestemming geven (rangering op hoofdspoor, verplaatsing van een beschadigd voertuig);
  18° het toezien op de rangeringen aan het perron;
  19° de voorziene procedures in geval van storing(en) op de verschillende veiligheidssystemen toepassen.
  4. Bediende belast met de technische inspectie van het materieel
  De kennis en de bekwaamheden, eigen aan deze veiligheidsfunctie, zijn in wezen de volgende:
  1° het opsporen en lokaliseren van eventuele beschadigingen en gebreken aan de voertuigen die de veiligheid en de betrouwbaarheid van het vervoer in het gedrang kunnen brengen, evenals maatregelen nemen om deze te verhelpen;
  2° de voorschriften met betrekking tot de veiligheid van het personeel toepassen;
  3° de doeltreffendheid van de remapparatuur controleren;
  4° het nazien of de voertuigen beantwoorden aan de karakteristieken van het te realiseren vervoer;
  5° de datums van de periodieke verrichtingen nazien;
  6° het nazien of de koppelingen juist zijn uitgevoerd;
  7° het losmaken van de handrem(men) controleren (behalve bij tegengestelde instructies);
  8° het controleren of de verplaatsbare delen zich in de juiste stand bevinden en of hun geleidings- en remonderdelen efficiënt en ingeschakeld zijn;
  9° een remproef uitvoeren met de sleeplocomotief;
  10° bepaalde, eenvoudige werken uitvoeren om het materieel rijklaar te maken (vervanging van remblokken, pneumatische slang, schroefkoppelingen, ...);
  11° het nauwkeurig verslag uitbrengen aan de bedienden, belast met het onderhoud van de beschadigingen, gebreken en andere onregelmatigheden.
  5. Bediende belast met het rangeren
  De kennis en de bekwaamheden, eigen aan deze veiligheidsfunctie, zijn in wezen de volgende:
  1° de voorschriften met betrekking tot de veiligheid van het personeel toepassen;
  2° een uitstekende kennis van de bediende installaties hebben;
  3° de theoretische en praktische kennis van de uit te voeren verrichtingen hebben (geduwde rangering, getrokken rangering, ...);
  4° de kenmerken van de spoorvoertuigen en hun lading herkennen en meedelen;
  5° de noodzakelijke controles en uit te voeren procedures kennen en toepassen alvorens een rangering uit te voeren;
  6° de procedure kennen en de voorschriften naleven voor een correcte bediening van de remontkoppeling ingeval van geduwde rangering;
  7° de remproeven uitvoeren;
  8° de voertuigen in een stel rangschikken;
  9° een handrem lokaliseren, controleren en bedienen;
  10° de voorlopige en bijkomende immobilisaties van voertuigen en stellen uitvoeren, het vereiste aantal handremmen en/of stopblokken bepalen;
  11° de regels toepassen betreffende het remmen en het immobiliseren van voertuigen en konvooien;
  12° een immobilisatie ongedaan maken;
  13° de regels naleven met betrekking tot het invoegen en rangschikken van voertuigen, zoals deze zijn opgelegd door bijzondere technische voorschriften en veiligheidsvoorschriften (maximumsnelheid afhankelijk van het materieel, beschadigingen,...);
  14° de lengte van een stel bepalen;
  15° het correct reageren bij ontsnapping van voertuigen;
  16° de signalisatievoorwaarden van de staart van een konvooi kennen;
  17° de voertuigen aan- en afkoppelen;
  18° het treineinde, wat betreft de koppeling, de leidingen en de seinen, in orde brengen;
  19° het bevel geven om een treinstel klaar te maken voor het rangeren;
  20° de seinborden herkennen;
  21° de optische en akoestische handseinen herkennen;
  22° de bevelen aan de bestuurder doorgeven: mondeling, met akoestische signalen, met gebaren, door het bedienen van de remkoppeling, per radio;
  23° het bevel geven voor het verplaatsen en tot stilstand brengen van voertuigen en stellen;
  24° een reisweg controleren (wissels, kruisingen, ...);
  25° het materieel kunnen koppelen en ontkoppelen (mechanische, elektrische, pneumatische leidingen, overgangsbruggen en vouwbalgen, ...);
  26° de voor de uitvoering van bepaalde bewegingen vereiste toestemming vragen (rangering op hoofdspoor, verplaatsing van een beschadigd voertuig);
  27° de veiligheid van personen waarborgen;
  28° een hindernis afdekken;
  29° een ter plaatse bediende wissel in de gewenste stand plaatsen, na hiervoor de toestemming gekregen te hebben;
  30° een verplaatsbaar sein plaatsen of verwijderen, na hiertoe toestemming te hebben gekregen;
  31° het nakijken van de vrijmaking van de kruisingen ter hoogte van de vrijeruimtebalken.
  6. Bediende verantwoordelijke voor de uitvoering van de werken
  De kennis en de bekwaamheden, eigen aan deze veiligheidsfunctie, zijn in wezen de volgende:
  1° het nemen van maatregelen om de werf te beveiligen en de veiligheid van het treinverkeer en het personeel te verzekeren;
  2° het leiden en organiseren van het werk van de brigade;
  3° het toezicht houden op de uitvoering van de werken;
  4° het binnenbrengen van werktreinen op het buiten dienst gestelde spoor toestaan;
  5° het nemen van de nodige maatregelen om het verkeer van werktreinen op het buiten dienst gestelde spoor veilig te laten verlopen;
  6° het nemen van de nodige maatregelen om overwegen veilig te laten overschrijden, wanneer werktreinen op het buiten dienst gestelde spoor rijden;
  7° het zich vergewissen van de goede staat van de installatie vooraleer het spoor terug in dienst te geven;
  8° het toestaan of verhinderen van de indringing in het vrije ruimte profiel van een spoor dat in dienst is, na de gepaste veiligheidsmaatregelen te hebben toegepast;
  9° het nemen van de nodige maatregelen in geval van werken die de veiligheidsvoorschriften wijzigen;
  10° het toepassen van de voorschriften met betrekking tot de veiligheid van het personeel.
  7. Schildwacht
  De kennis en de bekwaamheden, eigen aan deze veiligheidsfunctie, zijn in wezen de volgende:
  1° het bezitten van een voldoende kennis van de plaats van de werkzaamheden (sporenplan, reiswegen, ritrichting, refertesnelheid op de werf, waarnemingsafstand, ...);
  2° het geheel van de aan de functie toegekende taken kennen;
  3° het letten op het aankomend verkeer;
  4° het opsporen van de aankomende bewegingen en hun ritrichting;
  5° het kennen van de alarmvoorzieningen en het ten gepaste tijde gebruiken ervan;
  6° er zich steeds van vergewissen dat het nodige zicht gevrijwaard wordt, en de aankondigingstijd zodoende kan nageleefd worden;
  7° het ontdekken van de gevaarlijke situaties en het kunnen nemen van de gepaste noodmaatregelen;
  8° het toepassen van de voorschriften met betrekking tot de veiligheid van het personeel;
  9° het kennen van de toe te passen voorschriften ingeval van slechte weersomstandigheden (mist, sneeuwstorm, onvoldoende zichtbaarheid, ...).
  8. Overwegwachter
  De kennis en de bekwaamheden, eigen aan deze veiligheidsfunctie, zijn in wezen de volgende:
  1° het bekwaam zijn om de nodige documenten, gereedschap en materieel klaar te maken voor de bewaking;
  2° het correct kunnen invullen van de boekjes voor de overwegwachter;
  3° het kennen van de vereiste uit te wisselen aankondigingen;
  4° het bekwaam zijn om alle ontvangen aankondigingen door te geven langs de lijn "overweg";
  5° het kennen en kunnen toepassen van de bewakingsprocedure;
  6° het bekwaam zijn om het wegverkeer te verbieden indien dit noodzakelijk blijkt;
  7° het toepassen van de voorschriften met betrekking tot de veiligheid van het personeel;
  8° het bekwaam zijn om, ingeval van vaststelling of bericht van een ongeval, een hindernis of gevaar voor aanrijding:
  i. het alarm door te geven;
  ii. in elk spoor een verplaatsbaar stopsein te plaatsen, bevestigd met een klapper;
  iii. het wegverkeer te verbieden.
Art. N2. Annexe 2. - Connaissances et compétences à acquérir
  1. Conducteur de train
  En plus de la connaissance de ligne et du matériel, les connaissances et compétences particulières à l'exécution de cette fonction de sécurité, sont principalement les suivantes:
  1° appliquer les règles relatives à la sécurité du personnel;
  2° conduire seul en toute sécurité le train pour lequel il est habilité;
  3° assurer la conduite du train dans les règles de l'art;
  4° disposer d'une connaissance suffisante des éléments constitutifs du matériel (châssis, roulements, freinage,...);
  5° diagnostiquer les avaries au matériel et effectuer les dépannages pour lesquels il est reconnu compétent;
  6° décider des conditions dans lesquelles un convoi peut poursuivre sa route en cas d'avarie ou d'incident;
  7° procéder avant le départ aux vérifications prescrites;
  8° s'assurer, en effectuant les vérifications et tests avant départ, que l'engin est en état d'assurer la remorque;
  9° effectuer la visite extérieure de l'engin (blocs de frein, attelages, boyaux de raccordement, feux, etc.);
  10° vérifier le fonctionnement du freinage avant toute mise en mouvement du train;
  11° prendre en compte la nature de l'essai de frein à effectuer avec le train;
  12° contribuer à la vérification du fonctionnement du freinage du train avant le départ;
  13° vérifier, en marche, l'efficacité du freinage;
  14° conduire de façon compétente et sûre des engins-moteur en respectant les signaux ainsi que les vitesses autorisées;
  15° mettre le train en marche lorsque toutes les conditions réglementaires sont remplies (ordre ou signal de départ, etc.);
  16° connaître à tout moment sa position sur la ligne;
  17° déterminer à tout moment le type de marche et la vitesse maximale de circulation imposés par la réglementation et les caractéristiques de la ligne;
  18° observer de façon active la signalisation, la décoder sans hésitation ni erreur, et effectuer les actions prescrites;
  19° utiliser les freins pour les ralentissements et arrêts en toute sécurité;
  20° respecter les arrêts prévus à l'horaire ou ordonnés et effectuer éventuellement les opérations liées au service des voyageurs lors de ces arrêts (ouverture et fermeture des portes par exemple);
  21° circuler en toute sécurité dans les modes particuliers d'exploitation (limitations temporaires de vitesse, ordre de franchissement de signal fermé, ...);
  22° contrôler et actionner les instruments de bord;
  23° utiliser l'avertisseur sonore pour assurer la sécurité des personnes ou de la circulation routière, dans les cas prévus;
  24° repérer et localiser dans les meilleurs délais les perturbations techniques et d'exploitation ainsi que les événements inhabituels du parcours et, le cas échéant, examiner le matériel pour détecter les détériorations et les défectuosités, assurer la protection du train ou d'un obstacle et faire appel à une aide extérieure ou lancer l'alarme;
  25° prendre les mesures susceptibles d'assurer la sécurité des personnes et des circulations, qu'il s'agisse de mesures d'urgence ou de mesures différées, chaque fois que cela est nécessaire;
  26° examiner, le cas échéant, le matériel ou la voie pour détecter les anomalies et en évaluer les conséquences;
  27° assurer les liaisons nécessaires avec d'autres personnes pour signaler les anomalies et demander éventuellement l'aide nécessaire, en utilisant les différents moyens de communication disponibles;
  28° assurer l'immobilisation du train et le garer en toute sécurité;
  29° renseigner, dans les documents techniques, éventuellement attachés à l'engin moteur, les constatations d'anomalies effectuées;
  30° donner par écrit et/ou oralement les renseignements nécessaires sur l'exercice de la mission et décrire avec précision les événements inhabituels à l'arrivée au lieu de garage de l'engin ou de fin de service.
  2. Accompagnateur de trains de voyageurs
  Les connaissances et compétences particulières à l'exécution de cette fonction de sécurité sont principalement les suivantes:
  1° appliquer les règles relatives à la sécurité du personnel;
  2° lire les indications portées par les voitures (tare, charge, frein), repérer la vitesse maximale autorisée d'une voiture, d'un autorail;
  3° vérifier la constitution correcte des attelages, des soufflets et des raccords divers (éclairage, chauffage, continuité des conduites d'air comprimé,...);
  4° intervenir dans l'allumage et l'extinction des signaux de queue et en cas de défaillance de ces équipements;
  5° rapporter les défectuosités constatées;
  6° verrouiller une porte si nécessaire (porte d'extrémité du train, porte d'un poste non desservi, ...);
  7° prendre les mesures en cas de non verrouillage d'une porte;
  8° vérifier le bon fonctionnement d'une porte à l'ouverture et à la fermeture;
  9° prendre les mesures utiles en cas d'avarie au système d'ouverture et de fermeture des portes;
  10° effectuer les opérations d'ouverture et de fermeture des portes;
  11° ouvrir une porte à l'aide du dispositif de secours;
  12° participer à la sécurité des voyageurs;
  13° surveiller les opérations d'embarquement et de débarquement, seul ou en collaboration avec d'autres agents;
  14° prendre les mesures nécessaires lorsqu'une partie du train est hors quai;
  15° discerner un comportement dangereux et réagir en conséquence;
  16° assurer les communications avec le conducteur;
  17° communiquer au conducteur les éléments relatifs à la composition et au freinage du train;
  18° donner l'information "Opérations Terminées" au conducteur;
  19° vérifier le caractère complet d'un train de voyageurs;
  20° réagir aux signaux acoustiques lancés par le conducteur;
  21° couvrir un obstacle (couverture à distance, couverture rapprochée);
  22° prendre les mesures en cas d'accident ou d'incendie à bord;
  23° évacuer les voyageurs d'un train;
  24° assurer la desserte de dispositifs locaux ou l'application de procédures locales pour le franchissement de passages à niveau;
  25° prendre les mesures adéquates en cas d'actionnement d'un signal d'alarme.
  3. Agent chargé de la surveillance, de l'application des procédures d'exploitation, de la desserte des appareils de voie et des installations de signalisation
  Les connaissances et compétences particulières à l'exécution de cette fonction de sécurité sont principalement les suivantes:
  1° connaître et savoir appliquer la réglementation générale sur la ligne concernée et en particulier les procédures d'exploitation;
  2° connaître les installations à desservir, les divers itinéraires pouvant être parcourus, et les particularités de certaines installations;
  3° connaître les différentes opérations à réaliser ou pouvant être réalisées, les appareils à desservir (aiguillages, aiguilles de déraillement, taquets, passages à niveau, slots, poste(s) d'aiguilleur, ...);
  4° connaître les diverses procédures à appliquer selon les circonstances et les conditions de travail (échange d'annonces, échange de communications formalisées, mesures spéciales à prendre en situation anormale ou perturbée, ...);
  5° être à même de respecter les programmes de circulation des trains;
  6° être à même de respecter les diverses affectations des voies desservies;
  7° pouvoir établir ou pouvoir faire établir les itinéraires en toute sécurité;
  8° coordonner les mouvements dans le secteur d'intervention (manoeuvres, départs, réceptions,...);
  9° connaître et savoir appliquer les mesures de protection adéquates à l'égard des personnes, du matériel et des transports;
  10° surveiller la marche des parcours, leur composition, leur conformité (entre autres, la présence du disque de queue, ...);
  11° assurer la desserte de dispositifs de sécurité ainsi qu'appliquer les procédures en cas de dérangements aux passages à niveau;
  12° appliquer les règles relatives à la sécurité du personnel;
  13° alerter les services concernés (exploitant de la ligne ferroviaire musée, services de secours, ...);
  14° savoir prendre toutes mesures de nature à prévenir des dérangements ou réduire les conséquences des dérangements en vue de revenir le plus vite possible à la situation normale;
  15° commander la préparation d'une rame en manoeuvre;
  16° vérifier qu'une manoeuvre peut être entamée, tenant compte du matériel et de la coordination entre les intervenants;
  17° accorder l'autorisation nécessaire pour l'exécution de certains mouvements (manoeuvre en voie principale, déplacement d'un véhicule avarié);
  18° assurer la surveillance des manoeuvres à quai;
  19° appliquer les procédures prévues en cas de dérangement(s) aux divers systèmes de sécurité.
  4. Agent chargé de la visite technique du matériel
  Les connaissances et compétences particulières à l'exécution de cette fonction de sécurité sont principalement les suivantes:
  1° rechercher et localiser les avaries et les anomalies éventuelles aux véhicules susceptibles de compromettre la sécurité et la fiabilité du transport, ainsi qu'engager des mesures en vue d'y remédier;
  2° appliquer les règles relatives à la sécurité du personnel;
  3° vérifier l'efficacité des dispositifs de freinage;
  4° vérifier si les véhicules correspondent aux caractéristiques de la circulation à effectuer;
  5° vérifier les dates des opérations périodiques;
  6° vérifier la réalisation correcte des attelages;
  7° s'assurer du desserrage du (des) frein(s) à main (sauf instructions contraires);
  8° s'assurer que les parties mobiles sont en position adéquate et que leurs organes de guidage et de freinage sont efficaces et enclenchés;
  9° conduire un essai de frein avec la locomotive de remorque;
  10° exécuter certains travaux simples pour remettre le matériel en ordre de marche (remplacement de blocs de frein, boyau pneumatique, tendeurs d'attelage, ...);
  11° rapporter avec précision aux agents chargés de la maintenance des avaries, défectuosités et autres anomalies.
  5. Agent préposé aux manoeuvres
  Les connaissances et compétences particulières à l'exécution de cette fonction de sécurité sont principalement les suivantes:
  1° appliquer les règles relatives à la sécurité du personnel;
  2° avoir une parfaite connaissance des installations desservies;
  3° avoir une connaissance théorique et pratique des opérations à réaliser (manoeuvres en rame poussée, en rame tirée, ...);
  4° repérer et communiquer les caractéristiques des véhicules ferroviaires et leur chargement;
  5° connaître et appliquer les vérifications essentielles et les procédures à opérer avant d'exécuter une manoeuvre;
  6° connaître la procédure et respecter les règles pour la desserte correcte de l'accouplement de freinage en cas de rame poussée;
  7° effectuer les essais de freins;
  8° classer les véhicules dans une rame;
  9° repérer, contrôler et manoeuvrer un frein à main;
  10° effectuer les immobilisations provisoires et complémentaires des véhicules et des rames, déterminer le nombre de freins à main et/ou de moyen d'immobilisation nécessaires;
  11° appliquer les règles relatives au freinage et à l'immobilisation des véhicules et convois;
  12° supprimer une immobilisation;
  13° respecter les règles d'incorporation et de classement des véhicules, comme celles qui sont imposées par des impératifs d'ordre technique et de sécurité particuliers (vitesse maximale en fonction du matériel, avaries,...);
  14° déterminer la longueur d'une rame;
  15° réagir correctement en cas d'échappement de véhicules;
  16° connaître les règles de la signalisation de queue d'un convoi;
  17° accoupler et désaccoupler les véhicules;
  18° mettre en ordre la queue d'un train en ce qui concerne l'attelage, les conduites et les signaux;
  19° effectuer la préparation d'une rame pour la manoeuvre;
  20° connaître la signalisation;
  21° reconnaître les signaux mobiles optiques et acoustiques;
  22° transmettre des ordres au conducteur: verbalement, par signaux acoustiques, par gestes, par desserte de l'accouplement de freinage, par radio;
  23° commander le déplacement et l'arrêt des véhicules et des rames;
  24° vérifier un itinéraire (aiguillages, croisements, ...);
  25° savoir réaliser l'accouplement /désaccouplement de matériel (liaisons mécaniques, électriques, pneumatiques, passerelles et soufflets, ...);
  26° requérir l'autorisation nécessaire pour l'exécution de certains mouvements (manoeuvre en voie principale, déplacement d'un véhicule avarié);
  27° assurer la sécurité des personnes;
  28° assurer la couverture d'un obstacle;
  29° placer un aiguillage manoeuvré à pied d'oeuvre dans la position demandée, après en avoir reçu l'autorisation;
  30° placer ou retirer un signal mobile, après en avoir reçu l'autorisation;
  31° contrôler la libération des croisements au niveau des traverses d'écartement.
  6. Agent responsable de l'exécution des travaux
  Les connaissances et compétences particulières à l'exécution de cette fonction de sécurité sont principalement les suivantes:
  1° prendre les mesures pour sécuriser le chantier et assurer la sécurité du trafic ferroviaire et du personnel;
  2° diriger et organiser le travail de la brigade;
  3° surveiller l'exécution des travaux;
  4° autoriser l'introduction des trains de travaux sur la voie mise hors service;
  5° prendre les mesures nécessaires pour sécuriser la circulation des trains de travaux sur la voie mise hors service;
  6° prendre les mesures nécessaires pour faire franchir les passages à niveau en toute sécurité lorsque des trains de travaux circulent sur la voie mise hors service;
  7° s'assurer du bon état de l'installation avant la remise en service de la voie;
  8° autoriser ou interdire l'empiétement dans le gabarit d'une voie en service, après avoir appliqué les mesures de sécurité appropriées;
  9° prendre les mesures nécessaires dans le cas de travaux modifiant les conditions de sécurité;
  10° appliquer les règles relatives à la sécurité du personnel.
  7. Factionnaire
  Les connaissances et compétences particulières à l'exécution de cette fonction de sécurité sont principalement les suivantes:
  1° avoir une connaissance suffisante des lieux de travail (plans des voies, pistes de circulation, sens des circulations, vitesse de référence dans le chantier, distance de visibilité, ...);
  2° connaître l'ensemble des tâches dévolues à la fonction:
  3° surveiller l'approche des circulations;
  4° détecter l'arrivée des parcours et leur sens de circulation;
  5° connaître et utiliser en temps utile les dispositifs d'alerte;
  6° s'assurer à tout moment que la distance de visibilité nécessaire est préservée et qu'ainsi, le délai d'annonce peut être respecté;
  7° détecter les situations critiques et pouvoir prendre les mesures d'urgence adaptées;
  8° appliquer les règles relatives à la sécurité du personnel;
  9° connaître les prescriptions à appliquer en cas de mauvaises conditions atmosphériques (brouillard, tempête de neige, visibilité insuffisante, ...).
  8. Garde barrière
  Les connaissances et compétences particulières à l'exécution de cette fonction de sécurité sont principalement les suivantes:
  1° être apte à préparer les documents, l'outillage et le matériel nécessaires au gardiennage;
  2° pouvoir compléter correctement les carnets du garde barrière;
  3° connaître les échanges d'annonces requises;
  4° être capable de transmettre toutes les annonces reçues via la ligne "passage à niveau";
  5° connaître et savoir appliquer la procédure de gardiennage;
  6° être à même d'interdire la circulation routière quand cela s'avère nécessaire;
  7° appliquer les règles relatives à la sécurité du personnel;
  8° être capable, en cas de constatation ou à l'annonce d'un accident, d'un obstacle ou d'un risque de collision, de:
  i. transmettre l'alerte;
  ii. placer sur chaque voie un signal mobile d'arrêt, appuyé d'un pétard;
  iii. interdire la circulation routière.