Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
5 MEI 2014. - Wet betreffende de internering [...] <Opschrift gewijzigd bij W2016-05-04/03, art. 143, 005; Inwerkingtreding : 23-05-2016> (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 09-07-2014 en tekstbijwerking tot 01-07-2024)
Titre
5 MAI 2014. - Loi relative à l'internement [...] <Intitulé modifié par L2016-05-04/03, art. 143, 005; En vigueur : 23-05-2016> (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 09-07-2014 et mise à jour au 01-07-2024)
Documentinformatie
Numac: 2014009316
Datum: 2014-05-05
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2014009316
Date: 2014-05-05
Moniteur: Voir
Inhoud
TITEL I. - Algemene bepalingen TITEL II. - Bepalingen betreffende het slachtoffer TITEL III. - De gerechtelijke fase van de inter... HOOFDSTUK I. - Het psychiatrisch deskundigenond... HOOFDSTUK II. - Rechterlijke beslissingen tot i... HOOFDSTUK III. - Kosten, teruggave en bijkomend... HOOFDSTUK IV. - De burgerlijke rechtsvordering ... TITEL IV. - Tenuitvoerlegging van rechterlijke ... HOOFDSTUK I. - Bepaling van de uitvoeringsmodal... Afdeling I. - De plaatsing en overplaatsing Afdeling II. - De uitgaansvergunning en het verlof Onderafdeling I. - Definities Onderafdeling II. - Voorwaarden Afdeling III. - De beperkte detentie, het elekt... Onderafdeling I. - Definities Onderafdeling II. - Voorwaarden Afdeling IV. - De vervroegde invrijheidstelling... HOOFDSTUK II. - Algemene procedure inzake de pl... Afdeling I. - Eerste zitting Afdeling II. - De wijziging van de beslissing Afdeling III. - Verder beheer van de internering Afdeling IV. - Bijzondere procedure inzake de o... HOOFDSTUK III. - Opvolging en controle van de i... HOOFDSTUK IV. - De herroeping, de schorsing, de... Afdeling I. - De herroeping Afdeling II. - De schorsing Afdeling III. - De herziening Afdeling IV. - De procedure Afdeling V. - De voorlopige aanhouding HOOFDSTUK V. - De definitieve invrijheidstelling Afdeling I. - Voorwaarden Afdeling II. - De toekenningsprocedure Afdeling III. - De beslissing van de kamer voor... Onderafdeling I. - Algemene bepaling Onderafdeling II. - De beslissing tot toekenning Onderafdeling III. - De beslissing tot niet-toe... Onderafdeling IV. - De mededeling van de beslis... TITEL V. - Gelijktijdige tenuitvoerlegging van ... TITEL Vbis. - [1 De internering van veroordeeld... HOOFDSTUK I. [1 De beslissing tot internering]1 HOOFDSTUK II. - [1 Hoger beroep]1 HOOFDSTUK III. - [1 Beheer van de internering v... TITEL VI. - Het cassatieberoep TITEL VII. - Diverse bepalingen. Wijzigings-, o... HOOFDSTUK I. - Diverse bepalingen HOOFDSTUK Ibis. [1 Het gebruik van videoconfere... HOOFDSTUK II. - Wijzigingsbepalingen Afdeling I. - Wijzigingen van het Burgerlijk We... Afdeling II. - Wijziging van het Strafwetboek Afdeling III. - Wijzigingen van het Wetboek van... Afdeling IIIbis. - [1 Wijziging van het Kieswet... Afdeling IIIter. - [1 Wijziging van het koninkl... Afdeling IV. Afdeling V. - Wijziging van het Wetboek der reg... Afdeling VI. - Wijziging van de wet van 15 juni... Afdeling VII. - Wijzigingen van de Wet van 23 m... Afdeling VIII. - Wijzigingen van de wet van 26 ... Afdeling IX. - Wijziging van de wet van 5 augus... Afdeling X. - Wijzigingen van de wet van 20 jul... Afdeling Xbis . - [1 Wijziging van de basiswet ... Afdeling Xter. [1 Wijzigingen van de wet van 8 ... Afdeling XI. - Wijziging van de wet van 10 apri... HOOFDSTUK III. - Opheffingsbepaling HOOFDSTUK IV. - Overgangsbepalingen TITEL VIII. - Inwerkingtreding
Inhoud
TITRE Ier. - Dispositions générales TITRE II. - Des dispositions relatives à la vic... TITRE III. - De la phase judiciaire de l'intern... CHAPITRE Ier. - De l'expertise psychiatrique CHAPITRE II. - Des décisions judiciaires d'inte... CHAPITRE III. - Des frais, restitutions et mesu... CHAPITRE IV. - De l'action civile des victimes TITRE IV. - De l'exécution des décisions judici... CHAPITRE Ier. - Définition des modalités d'exéc... Section Ire. - Du placement et du transfèrement Section II. - De la permission de sortie et des... Sous-section Ire. - Définitions Sous-section II. - Conditions Section III. - De la détention limitée, de la s... Sous-section Ire. - Définitions Sous-section II. - Conditions Section IV. - De la libération anticipée en vue... CHAPITRE II. - De la procédure générale en mati... Section Ire. - De la première audience Section II. - De la modification de la décision Section III. - De l'organisation ultérieure de ... Section IV. - De la procédure particulière en m... CHAPITRE III. - Du suivi et du contrôle des mod... CHAPITRE IV. - De la révocation, de la suspensi... Section Ire. - De la révocation Section II. - De la suspension Section III. - De la révision Section IV. - De la procédure Section V. - De l'arrestation provisoire CHAPITRE V. - De la libération définitive Section Ire. - Des conditions Section II. - De la procédure d'octroi Section III. - De la décision de la chambre de ... Sous-section Ire. - Disposition générale Sous-section II. - De la décision d'octroi Sous-section III. - De la décision de non-octroi Sous-section IV. - De la communication de la dé... TITRE V. - De l'exécution simultanée d'un inter... TITRE Vbis. [1 De l'internement de condamnés]1 CHAPITRE Ier. - [1 De la décision d'internement]1 CHAPITRE 2. - [1 De l'appel]1 CHAPITRE III. - [1 De la gestion de l'interneme... TITRE VI. - Du pourvoi en cassation TITRE VII. - Dispositions diverses. Disposition... CHAPITRE Ier. - Dispositions diverses CHAPITRE Ierbis. [1 L'utilisation de la vidéoco... CHAPITRE II. - Dispositions modificatives Section Ire. - Modifications du Code civil Section II. - Modification du Code pénal Section III. - Modifications du Code d'instruct... Section IIIbis. - [1 Modification du Code élect... Section IIIter. - [1 Modification de l'arrêté r... Section IV. Section V. - Modification du Code des droits d'... Section VI. - Modification de la loi du 15 juin... Section VII. - Modifications de la loi du 23 ma... Section VIII. - Modifications de la loi du 26 j... Section IX. - Modification de la loi du 5 août ... Section X. - Modification de la loi du 20 juill... Section Xbis. - [1 Modification de la loi de pr... Section Xter. - [1 Modifications de la loi du 8... Section XI. - Modification de la loi du 10 avri... CHAPITRE III. - Disposition abrogatoire CHAPITRE IV. - Dispositions transitoires TITRE VIII. - Entrée en vigueur
Tekst (221)
Texte (221)
TITEL I. - Algemene bepalingen
TITRE Ier. - Dispositions générales
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 77 de la Constitution.
Art. 2. De internering van personen met een geestesstoornis, bedoeld in artikel 9 van deze wet, is een veiligheidsmaatregel die er tegelijkertijd toe strekt de maatschappij te beschermen en ervoor te zorgen dat aan de geïnterneerde persoon de zorg wordt verstrekt die zijn toestand vereist met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij.
Rekening houdend met het veiligheidsrisico en de gezondheid van de geïnterneerde persoon zal hem de nodige zorg aangeboden worden om een menswaardig leven te leiden. Die zorg is gericht op een maximaal haalbare vorm van maatschappelijke re-integratie en verloopt waar aangewezen en mogelijk via een zorgtraject waarin aan de geïnterneerde persoon telkens zorg op maat aangeboden wordt.
Art. 2. L'internement, tel que visé à l'article 9 de la présente loi, de personnes atteintes d'un trouble mental est une mesure de sûreté destinée à la fois à protéger la société et à faire en sorte que soient dispensés à la personne internée les soins requis par son état en vue de sa réinsertion dans la société.
Compte tenu du risque pour la sécurité et de l'état de santé de la personne internée, celle-ci se verra proposer les soins dont elle a besoin pour mener une vie conforme à la dignité humaine. Ces soins doivent permettre à la personne internée de se réinsérer le mieux possible dans la société et sont dispensés - lorsque cela est indiqué et réalisable - par le biais d'un trajet de soins de manière à être adaptés à la personne internée.
Art. 3. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
[1 ...]1;
[1 de directeur : de ambtenaar die belast is met het lokaal bestuur van een gevangenis of van een door de federale overheid georganiseerde inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij of zijn afgevaardigde;]1
[1 de verantwoordelijke voor de zorg : de persoon die binnen een inrichting zoals bedoeld in 4°, c) en d), verantwoordelijk is voor de zorg of zijn afgevaardigde;]1
de inrichting :
a) de psychiatrische afdeling van een gevangenis;
b) de door de federale overheid georganiseerde inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij;
c) het door de federale overheid georganiseerd forensisch psychiatrisch centrum, aangewezen bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad op voorstel van de voor Justitie, Volksgezondheid en Sociale Zaken bevoegde ministers;
d) de door de bevoegde overheid erkende inrichting die is georganiseerd door een privé-instelling, door een gemeenschap of een gewest of door een lokale overheid, die in staat is aan de geïnterneerde persoon de gepaste zorgen te verstrekken en die een [1 overeenkomst betreffende de plaatsing]1 zoals bedoeld in het 5° heeft afgesloten inzake de toepassing van deze wet;
[1 overeenkomst betreffende de plaatsing]1 : een overeenkomst die wordt afgesloten tussen [1 één of meerdere inrichtingen zoals bedoeld in het 4°, d)]1, enerzijds, en de minister van Justitie en de minister bevoegd voor het beleid inzake de zorgverstrekking in deze [1 inrichtingen]1, anderzijds, waarbij de volgende aspecten worden vastgelegd : het minimum aantal geïnterneerde personen dat de [1 inrichting of inrichtingen]1 onder de vorm van plaatsing willen opnemen, de profielen voor dewelke een plaatsing kan gebeuren en de te volgen procedure om tot plaatsing over te gaan [1 en, in voorkomend geval, de financiële tegemoetkoming door de Federale Staat voor kosten verbonden aan de veiligheid.]1;
kamer voor de bescherming van de maatschappij : de kamer van de strafuitvoeringsrechtbank die uitsluitend bevoegd is voor interneringszaken, behoudens de door de Koning bepaalde uitzonderingen;
[1 de rechter voor de bescherming van de maatschappij : de voorzitter van de kamer voor de bescherming van de maatschappij;]1
openbaar ministerie : het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrechtbank;
het slachtoffer : de volgende categorieën van personen die bij de toekenning van een uitvoeringsmodaliteit kunnen vragen om te worden geïnformeerd [1 , te worden gehoord of voorwaarden in haar belang bij de toekenning van uitvoeringsmodaliteiten te laten opleggen]1d in de door deze wet bepaalde gevallen, volgens de door de Koning bepaalde regels :
a) de natuurlijke persoon wiens burgerlijke vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
b) de natuurlijke persoon voor wie een vonnis of een arrest bepaalt dat er ten aanzien van hem strafbare feiten zijn gepleegd, of zijn wettelijke vertegenwoordiger;
c) de natuurlijke persoon die zich omwille van een situatie van materiële onmogelijkheid of kwetsbaarheid geen burgerlijke partij heeft kunnen stellen;
d) de nabestaande van de persoon van wie het overlijden rechtstreeks is veroorzaakt door het strafbaar feit of de nabestaande van een overleden persoon die zich burgerlijke partij had gesteld; onder nabestaande wordt verstaan de echtgenoot van de overleden persoon, de persoon die met hem samenleefde en met hem een duurzame affectieve relatie had, zijn bloedverwanten in opgaande of neerdalende lijn, zijn broers of zussen, alsook anderen die van hem afhankelijk waren;
e) de naaste van een niet-overleden slachtoffer die zich omwille van een situatie van materiële onmogelijkheid of kwetsbaarheid geen burgerlijke partij heeft kunnen stellen; onder naaste wordt verstaan de echtgenoot van het niet-overleden slachtoffer, de persoon die met hem samenleeft en met hem een duurzame affectieve relatie heeft, zijn bloedverwanten in opgaande of neerdalende lijn, zijn broers of zussen, alsook anderen die van hem afhankelijk zijn.
[1 f) de natuurlijke persoon die zijn wens kenbaar maakt om als slachtoffer te worden geïnformeerd, te worden gehoord of voorwaarden in zijn belang bij de toekenning van uitvoeringsmodaliteiten te laten opleggen, nadat de internering werd bevolen door een onderzoeksgerecht met betrekking tot misdrijven gepleegd ten aanzien van hem.]1
Ten aanzien van de personen die onder de categorieën [1 c), d), e) en f)]1 vallen, oordeelt de [1 rechter voor de bescherming van de maatschappij]1 op hun verzoek, overeenkomstig de bepalingen van [2 Titel II]2, of ze een direct en legitiem belang hebben;
10° [1 ...]1;
11° [1 kabinetsbeslissing : een beslissing van de rechter voor de bescherming van de maatschappij, zonder oproeping noch verschijning van de partijen.]1
Art. 3. Pour l'application de la présente loi, il y a lieu d'entendre par :
[1 ...]1;
[1 le directeur : le fonctionnaire chargé de la gestion locale d'une prison ou de la gestion locale d'un établissement ou d'une section de défense sociale organisé par l'autorité fédérale, ou son délégué;]1
[1 le responsable des soins : la personne responsable des soins au sein d'un établissement visé au 4°, c) et d), ou son délégué;]1
l'établissement :
a) [1 l'annexe]1 psychiatrique d'une prison;
b) l'établissement ou la section de défense sociale organisé par l'autorité fédérale;
c) le centre de psychiatrie légale organisé par l'autorité fédérale, désigné par arrêté délibéré en Conseil des ministres, sur la proposition des ministres qui ont la Justice, la Santé publique et les Affaires sociales dans leurs attributions;
d) l'établissement reconnu par l'autorité compétente, qui est organisé par une institution privée, une Communauté ou une Région ou par une autorité locale, qui est en mesure de dispenser les soins appropriés à la personne internée et qui a conclu un [1 accord concernant le placement]1, tel que visé au 5° relatif à l'application de la présente loi;
l'[1 accord concernant le placement]1 : l'accord conclu entre [1 un ou plusieurs établissements visés au 4°, d)]1, d'une part, et le ministre de la Justice ainsi que le ministre compétent pour la politique en matière de dispensation de soins dans ces établissements, d'autre part, qui fixe les aspects suivants : le nombre minimum de personnes internées que l'établissement ou les établissements sont prêts à accueillir dans le cadre d'un placement, les profils qui peuvent donner lieu à un placement et la procédure à suivre en vue d'un placement [1 et, le cas échéant, l'intervention financière de l'Etat fédéral pour des frais liés à la sécurité.]1;
la chambre de protection sociale : la chambre du tribunal de l'application des peines exclusivement compétente pour les affaires d'internement, sauf les exceptions prévues par le Roi;
[1 le juge de protection sociale : le président de la chambre de protection sociale;]1
le ministère public : le ministère public près le tribunal de l'application des peines;
la victime : les catégories suivantes de personnes qui, dans les cas prévus par la présente loi, peuvent demander, en cas d'octroi d'une modalité d'exécution, à être informées [1 , et entendues ou à faire imposer des conditions dans son intérêt lors de l'octroi des modalités d'exécution]1 selon les règles fixées par le Roi :
a) la personne physique dont l'action civile est déclarée recevable et fondée;
b) la personne physique à l'égard de laquelle il existe un jugement ou un arrêt établissant que des infractions ont été commises à son encontre, ou son représentant légal;
c) la personne physique qui n'a pas pu se constituer partie civile, par suite d'une situation d'impossibilité matérielle ou de vulnérabilité;
d) le proche parent de la personne dont le décès est causé directement par l'infraction ou le proche parent d'une personne décédée qui s'était constituée partie civile; par proche parent, il faut entendre l'époux/l'épouse de la personne décédée, la personne avec qui elle cohabitait et avait une relation affective durable, un ascendant ou un descendant, un frère ou une soeur, une autre personne qui dépendait d'elle;
e) un proche d'une victime non décédée qui, par suite d'une situation d'impossibilité matérielle ou de vulnérabilité, n'a pas pu se constituer partie civile; par proche, il faut entendre l'époux/l'épouse de la victime non décédée, la personne avec qui elle cohabite et a une relation affective durable, un ascendant ou un descendant, un frère ou une soeur, une autre personne qui dépend d'elle;
[1 f) la personne physique qui fait part de son souhait d'être informée, d'être entendue en qualité de victime ou de faire imposer des conditions dans son intérêt lors de l'octroi des modalités d'exécution après que l'internement a été ordonné par une juridiction d'instruction au sujet des infractions commises à son égard.]1
A l'égard des personnes relevant des catégories visées aux [1 c), d), e) et f)]1, [1 le juge de protection sociale]1 apprécie, à leur demande, conformément aux dispositions du [2 Titre II]2, si elles ont un intérêt direct et légitime;
10° [1 ...]1;
11° [1 l'ordonnance de cabinet : une décision du juge de protection sociale, sans convocation ni comparution des parties.]1
TITEL II. - Bepalingen betreffende het slachtoffer
TITRE II. - Des dispositions relatives à la victime
Art. 4. § 1. De in artikel 3, 9°, [1 c), d), e) en f),]1, bedoelde personen die in de door de wet bepaalde gevallen wensen te worden geïnformeerd inzake de toekenning van een modaliteit van internering, gehoord, of voorwaarden voor uitvoeringsmodaliteiten te laten opleggen, richten een schriftelijk verzoek aan de [1 rechter voor de bescherming van de maatschappij]1 die gevestigd is in het rechtsgebied van het hof van beroep waar het onderzoeks- of vonnisgerecht de internering heeft bevolen.
De griffie zendt onverwijld een afschrift van het verzoek over aan het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie geeft een advies binnen zeven dagen na de ontvangst van het afschrift.
§ 2. De in § 1 bedoelde personen kunnen zich te allen tijde laten vertegenwoordigen of bijstaan door hun raadsman. Zij kunnen zich eveneens laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of van een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
§ 3. Indien de [1 rechter voor de bescherming van de maatschappij]1 dit nuttig acht om te kunnen oordelen over het direct en legitiem belang, kan hij de verzoeker vragen om op een zitting hieromtrent verdere informatie te verstrekken. Deze zitting moet plaatsvinden ten laatste één maand na de ontvangst van het in § 1 bedoelde verzoek.
§ 4. De [1 rechter voor de bescherming van de maatschappij]1 oordeelt over het direct en legitiem belang binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek of, indien er een zitting heeft plaatsgevonden, binnen vijftien dagen nadat de zaak in beraad is genomen. De beslissing wordt schriftelijk meegedeeld aan de verzoeker of aan zijn advocaat en aan het openbaar ministerie.
§ 5. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Art. 4. § 1er. Les personnes visées à l'article 3, 9°, [1 c), d), e) et f),]1, qui, dans les cas prévus par la loi, souhaitent être informées sur l'octroi d'une modalité d'internement, être entendues ou faire imposer des conditions pour des modalités d'exécution, adressent une demande écrite au [1 juge de protection sociale]1 établi dans le ressort de la cour d'appel où la juridiction d'instruction ou de jugement a ordonné l'internement.
Le greffe communique sans délai une copie de la demande au ministère public. Le ministère public rend son avis dans les sept jours de la réception de la copie.
§ 2. Les personnes visées au § 1er peuvent, à tout moment, se faire représenter ou assister par leur conseil. Elles peuvent également se faire assister par le délégué d'un organisme public ou d'une association agréée à cette fin par le Roi.
§ 3. Si le [1 juge de protection sociale]1 l'estime utile pour pouvoir statuer sur l'intérêt direct et légitime, il peut demander au requérant de fournir à cet égard des informations complémentaires lors d'une audience. Cette audience doit se tenir au plus tard un mois après la réception de la demande visée au § 1er.
§ 4. Le [1 juge de protection sociale]1 statue sur l'intérêt direct et légitime dans les quinze jours de la réception de la demande ou, si une audience a eu lieu, dans les quinze jours de la mise en délibéré. La décision est notifiée par écrit au requérant ou à son conseil et portée par écrit à la connaissance du ministère public.
§ 5. Cette décision n'est susceptible d'aucun recours.
TITEL III. - De gerechtelijke fase van de internering
TITRE III. - De la phase judiciaire de l'internement
HOOFDSTUK I. - Het psychiatrisch deskundigenonderzoek
CHAPITRE Ier. - De l'expertise psychiatrique
Art. 5. [1 § 1. Wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat een persoon zich bevindt in een in artikel 9 bedoelde toestand, bevelen de procureur des Konings, de onderzoeksrechter of de onderzoeks- of vonnisgerechten een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek teneinde minstens na te gaan :
of de persoon op het ogenblik van de feiten leed aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden heeft tenietgedaan of ernstig heeft aangetast en of de persoon op het ogenblik van het deskundigenonderzoek leed aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden heeft tenietgedaan of ernstig heeft aangetast;
of er mogelijk een oorzakelijk verband bestaat tussen de geestesstoornis en de feiten;
of het gevaar bestaat dat betrokkene ten gevolge van de geestesstoornis, in voorkomend geval in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw misdrijven pleegt, zoals bepaald in artikel 9, § 1, 1° ;
dat en hoe de persoon in voorkomend geval kan worden behandeld, begeleid, verzorgd met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij;
dat desgevallend, indien de tenlastelegging betrekking heeft op de in artikelen 371/1 tot 378 van het Strafwetboek bedoelde feiten of de in de artikelen 379 tot 387 van hetzelfde Wetboek bedoelde feiten indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, de noodzaak bestaat om een gespecialiseerde begeleiding of behandeling op te leggen.
§ 2. Het forensisch psychiatrisch onderzoek wordt uitgevoerd onder de leiding en de verantwoordelijkheid van een deskundige, houder van de beroepstitel forensisch psychiater, die voldoet aan de voorwaarden welke zijn gesteld krachtens de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.
Het deskundigenonderzoek kan ook in college of met bijstand van andere gedragswetenschappers uitgevoerd worden, telkens onder leiding van voormelde deskundige.
§ 3. De deskundige maakt van zijn bevindingen een omstandig verslag op, overeenkomstig de door de Koning vastgestelde modellen.
De bevelende instantie kan een actualisering van het deskundigenonderzoek vragen wanneer zij dit nodig acht.
§ 4. Onverminderd de mogelijkheid voor de bevelende instantie om een nieuw deskundigenonderzoek te laten uitvoeren overeenkomstig de bepalingen van deze wet, blijven de deskundigenonderzoeken die een aanvang hebben genomen voor de inwerkingtreding van het ministerieel besluit van 28 oktober 2015 tot vaststelling van de bijzondere criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten houders van de bijzondere beroepstitel in de forensische psychiatrie, alsmede van stagemeesters en stagediensten rechtsgeldig.
§ 5. De deskundige ontvangt een honorarium, dat wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief dat voor een psychotherapeutische behandelingszitting van een geaccrediteerde psychiater is vastgelegd in de nomenclatuur voor de geneeskundige verstrekkingen, overeenkomstig de door de Koning bepaalde nadere regels.]1

Art. 5. [1 § 1er. Lorsqu'il y a des raisons de considérer qu'une personne se trouve dans une situation visée à l'article 9, le procureur du Roi, le juge d'instruction ainsi que les juridictions d'instruction ou de jugement ordonnent une expertise psychiatrique médicolégale afin d'établir, à tout le moins :
si, au moment des faits, la personne était atteinte d'un trouble mental qui a aboli ou gravement altéré sa capacité de discernement ou de contrôle de ses actes et si, au moment de l'expertise, la personne était atteinte d'un trouble mental qui a aboli ou gravement altéré sa capacité de discernement ou de contrôle de ses actes;
s'il existe une possibilité de lien causal entre le trouble mental et les faits;
si, du fait du trouble mental, le cas échéant conjugué à d'autres facteurs de risque, la personne risque de commettre de nouvelles infractions, comme prévu à l'article 9, § 1, 1° ;
si, le cas échéant, la personne peut être traitée, suivie, soignée et de quelle manière, en vue de sa réinsertion dans la société;
si, dans le cas où la prévention porterait sur des faits visés aux articles 371/1 à 378 du Code pénal ou sur des faits visés aux articles 379 à 387 du même Code, commis sur des mineurs ou avec leur participation, il est nécessaire d'imposer une guidance ou un traitement spécialisé.
§ 2. L'expertise psychiatrique médicolégale est réalisée sous la conduite et la responsabilité d'un expert, porteur d'un titre professionnel de psychiatre médicolégal, qui satisfait aux conditions fixées en vertu de la loi coordonnée du 10 mai 2015 relative à l'exercice des professions des soins de santé.
L'expertise peut également être réalisée en collège ou avec l'assistance d'autres spécialistes en sciences comportementales, toujours sous la conduite de l'expert précité.
§ 3. L'expert rédige, à partir de ses constatations, un rapport circonstancié, conformément aux modèles fixés par le Roi.
L'instance requérante peut, si elle l'estime nécessaire, demander une actualisation de l'expertise.
§ 4. Sans préjudice de la possibilité pour l'instance requérante de faire procéder à une nouvelle expertise conformément aux dispositions de la présente loi, les expertises débutées avant l'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel du 28 octobre 2015 fixant les critères spéciaux d'agrément des médecins spécialistes porteurs du titre professionnel particulier en psychiatrie médico-légale, ainsi que des maîtres de stage et des services de stage restent valables.
§ 5. L'expert perçoit des honoraires, fixés conformément au tarif fixé pour le traitement psychothérapeutique d'un psychiatre accrédité dans la nomenclature des prestations de santé, conformément aux modalités fixées par le Roi.]1

Art. 6. § 1. [1 Wanneer er redenen bestaan om aan te nemen dat een persoon die overeenkomstig de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis is opgesloten, zich bevindt in een in artikel 9 bedoelde toestand en de deskundige in zijn verslag aangeeft dat een forensisch psychiatrisch onderzoek met opneming ter observatie noodzakelijk is om zich uit te spreken over de punten vermeld in artikel 5, § 1, kunnen de onderzoeksrechter en de onderzoeks- of vonnisgerechten bevelen dat de verdachte aan een dergelijk onderzoek wordt onderworpen.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.]1

[1 In dat geval wordt de verdachte ter observatie overgebracht naar het door de Koning opgericht beveiligd klinisch observatiecentrum. De Koning bepaalt het aantal plaatsen in dit centrum.]1
§ 2. Tijdens de inobservatiestelling [1 ...]1, die twee maanden niet te boven mag gaan, blijven de bepalingen van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis van toepassing op de verdachte.
§ 3. Na afloop van de observatieperiode, namelijk hetzij ten laatste na het verstrijken van de in § 2 bedoelde termijn, hetzij wanneer de periode ten einde loopt krachtens een beslissing van de rechterlijke overheid die de opneming ter observatie heeft bevolen, wordt de verdachte opnieuw geplaatst in een gevangenis en blijft hij in hechtenis op grond van het bevel tot aanhouding, tenzij de internering met onmiddellijke opsluiting wordt bevolen overeenkomstig artikel 10.
De inobservatiestelling wordt beëindigd in geval van opheffing van het bevel tot aanhouding.
Art. 6. § 1er. [1 Lorsqu'il existe des raisons de croire qu'une personne incarcérée en vertu de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive se trouve dans un état visé à l'article 9 et que l'expert indique dans son rapport qu'une expertise psychiatrie médicolégale avec mise en observation est nécessaire pour pouvoir se prononcer sur les points mentionnés à l'article 5, § 1er, le juge d'instruction et les juridictions d'instruction ou de jugement peuvent ordonner que l'inculpé fasse l'objet d'une telle expertise.
Cette décision n'est susceptible d'aucun recours.]1

[1 Dans ce cas, l'inculpé est transféré pour mise en observation au centre d'observation clinique sécurisé créé par le Roi. Le Roi détermine le nombre de places dans ce centre.]1
§ 2. Durant la mise en observation [1 ...]1, qui ne peut excéder deux mois, les dispositions de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive restent applicables à l'inculpé.
§ 3. A l'issue de la période d'observation, c'est-à-dire soit au plus tard à l'expiration du délai visé au § 2, soit lorsque cette période prend fin par décision de l'autorité judiciaire qui a ordonné la mise en observation, l'inculpé réintègre une prison et reste détenu en vertu du mandat d'arrêt, sauf si son internement avec incarcération immédiate est ordonné conformément à l'article 10.
La mise en observation prend fin en cas de levée du mandat d'arrêt.
Art. 7. De persoon die aan een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek wordt onderworpen kan zich, op elk moment, laten bijstaan door een [1 arts naar keuze]1 [1 en een advocaat]1. Hij kan ook aan de gerechtelijke deskundigen schriftelijk alle voor het deskundigenonderzoek dienstige inlichtingen van de [1 zorgverlener]1 van zijn keuze overzenden. Deze arts of psycholoog wordt op de hoogte gebracht van de doelstellingen van het psychiatrisch deskundigenonderzoek.
De gerechtelijke deskundigen spreken zich over deze inlichtingen uit alvorens hun conclusies te formuleren en voegen deze inlichtingen toe aan hun verslag.
Art. 7. La personne qui fait l'objet d'une expertise psychiatrique médicolégale peut, à tout moment, se faire assister par [1 un médecin de son choix]1 [1 et par un avocat]1. Elle peut également communiquer par écrit aux experts judiciaires toutes les informations utiles pour l'expertise que lui fournit le médecin ou le psychologue de son choix. Ce [1 prestataire de soins]1 est informé des finalités de l'expertise psychiatrique.
Les experts judiciaires se prononcent sur ces informations avant de formuler leurs conclusions et les joignent à leur rapport.
Art. 8. § 1. Na afloop van zijn werkzaamheden stuurt de deskundige zijn bevindingen, waarbij hij reeds een voorlopig advies voegt, ter lezing aan de [1 advocaat]1 van de verdachte en aan het openbaar ministerie. Tenzij de rechter vooraf een termijn heeft vastgesteld, bepaalt de deskundige, rekening houdend met de aard van de zaak, een redelijke termijn waarbinnen de [1 advocaat]1 van de verdachte zijn opmerkingen moet maken. Behoudens andersluidende beslissing van de rechter of door de deskundige in zijn voorlopig advies bedoelde bijzondere omstandigheden, bedraagt die termijn ten minste vijftien dagen.
De deskundige ontvangt de opmerkingen van de [1 advocaat]1 van de verdachte en desgevallend van zijn eigen deskundige vóór het verstrijken van deze termijn. De deskundige houdt geen rekening met de opmerkingen die hij na het verstrijken van deze termijn ontvangt.
§ 2. Het eindverslag wordt gedagtekend. Het bevat ook een opgave van de stukken en nota's die de [1 advocaat]1 van de verdachte aan de deskundigen heeft overhandigd en de opmerkingen hierop. Het verslag wordt [1 ...]1 door de deskundige ondertekend.
De handtekening van de deskundige wordt [1 ...]1 voorafgegaan door de volgende eed : "Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb."
Op de dag van de neerlegging van het verslag zendt de deskundige, bij een ter post aangetekende brief of per mailcorrespondentie, een afschrift van het verslag aan de [1 advocaat]1 van de onderzochte persoon.
[1 Het verslag van de deskundige is pas rechtsgeldig als het ondertekend is en de eed is afgelegd.]1
Art. 8. § 1er. A la fin de ses travaux, l'expert envoie pour lecture [1 à l'avocat]1 de l'inculpé et au ministère public, ses constatations, auxquelles il joint déjà un avis provisoire. A moins qu'un délai n'ait été antérieurement déterminé par le juge, l'expert fixe un délai raisonnable, compte tenu de la nature de l'affaire, dans lequel [1 l'avocat]1 de l'inculpé doit formuler ses observations. Sauf décision contraire du juge ou circonstances particulières visées par l'expert en son avis provisoire, ce délai est d'au moins quinze jours.
L'expert reçoit les observations [1 de l'avocat]1 de l'inculpé et, le cas échéant, de l'expert désigné par celui-ci, avant l'expiration de ce délai. L'expert ne tient aucun compte des observations qu'il reçoit après l'expiration de ce délai.
§ 2. Le rapport final est daté. II contient également le relevé des documents et des notes remis par [1 l'avocat]1 de l'inculpé aux experts ainsi que les remarques y afférentes. Le rapport est [1 ...]1 signé par l'expert.
La signature de l'expert est [1 ...]1 précédée du serment ainsi conçu : "Je jure avoir rempli ma mission en honneur et conscience, avec exactitude et probité."
Le jour du dépôt du rapport, l'expert envoie, par lettre recommandée à la poste ou par courriel, une copie du rapport [1 de l'avocat]1 de la personne examinée.
[1 Le rapport de l'expert n'est valide que s'il est signé et si le serment a été prêté.]1
HOOFDSTUK II. - Rechterlijke beslissingen tot internering
CHAPITRE II. - Des décisions judiciaires d'internement
Art. 9. § 1. [1 De onderzoeksgerechten, tenzij het gaat om misdaden of wanbedrijven die worden beschouwd als politieke misdrijven of drukpersmisdrijven, behoudens voor drukpersmisdrijven die door racisme of xenofobie ingegeven zijn, en de vonnisgerechten kunnen de internering bevelen van een persoon :
die een misdaad of wanbedrijf heeft gepleegd die de fysieke of psychische integriteit van derden aantast of bedreigt en
die op het ogenblik van de beslissing aan een geestesstoornis lijdt die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast en
bij wie het gevaar bestaat dat hij als gevolg van zijn geestesstoornis, eventueel in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw feiten zoals bedoeld in 1° zal plegen.
Het onderzoeksgerecht of het vonnisgerecht beoordeelt op met redenen omklede wijze of het feit de fysieke of psychische integriteit van derden heeft aangetast of bedreigd.]1

§ 2. De rechter beslist na uitvoering van het in artikel 5 bedoelde forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek of actualisatie van een eerder uitgevoerd deskundigenonderzoek.
[2 § 3. In de interneringsbeslissing kan de rechter de geïnterneerde persoon uitdrukkelijk onbekwaam verklaren om de politieke rechten bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Grondwet, uit te oefenen.]2
Art. 9. § 1er. [1 Les juridictions d'instruction, sauf s'il s'agit d'un crime ou d'un délit considéré comme un délit politique ou comme un délit de presse, à l'exception des délits de presse inspirés par le racisme ou la xénophobie, et les juridictions de jugement peuvent ordonner l'internement d'une personne :
qui a commis un crime ou un délit portant atteinte à ou menaçant l'intégrité physique ou psychique de tiers et
qui, au moment de la décision, est atteinte d'un trouble mental qui abolit ou altère gravement sa capacité de discernement ou de contrôle de ses actes et
pour laquelle le danger existe qu'elle commette de nouveaux faits tels que visés au 1° en raison de son trouble mental, éventuellement combiné avec d'autres facteurs de risque.
La juridiction d'instruction ou la juridiction de jugement apprécie de manière motivée si le fait a porté atteinte ou a menacé l'intégrité physique ou psychique de tiers.]1

§ 2. Le juge prend sa décision après qu'a été effectuée l'expertise psychiatrique médicolégale visée à l'article 5, ou après l'actualisation d'une expertise antérieure.
[2 § 3. Dans la décision d'internement, le juge peut déclarer la personne internée expressément incapable d'exercer les droits politiques visés à l'article 8, alinéa 2, de la Constitution.]2
Art. 10. [1 Wanneer de onderzoeks- of vonnisgerechten de betrokkene die niet of niet meer aangehouden is interneren]1, kunnen zij, op vordering van de procureur des Konings, zijn onmiddellijke opsluiting bevelen, indien te vrezen is dat de [1 beklaagde, beschuldigde of inverdenkinggestelde]1 aan de uitvoering van de veiligheidsmaatregel zou trachten te onttrekken of indien te vrezen is dat de [1 deze een ernstig]1 en onmiddellijk gevaar voor de fysieke of psychische integriteit van derden of voor zichzelf zou vormen. Die beslissing moet nader aangeven welke omstandigheden van de zaak die vrees wettigen.
Over deze genomen beslissing moet een afzonderlijk debat worden gehouden, onmiddellijk na de uitspraak van de internering. De [1 beklaagde, beschuldigde of inverdenkinggestelde en zijn advocaat]1 worden gehoord als ze aanwezig zijn. Tegen deze beslissingen kan geen verzet of hoger beroep worden ingesteld.
Art. 10. [1 Lorsque les juridictions d'instruction ou de jugement internent l'intéressé, alors qu'il n'est pas ou plus détenu]1, elles peuvent, sur réquisition du procureur du Roi, ordonner son incarcération immédiate s'il est à craindre que [1 le prévenu, l'accusé ou l'inculpé tente]1 de se soustraire à l'exécution de la mesure de sûreté ou s'il est à craindre que [1 l'intéressé représente un danger]1 sérieux et immédiat pour l'intégrité physique ou psychique de tiers ou pour lui-même. Cette décision doit préciser les circonstances de l'affaire qui justifient cette crainte.
Un débat distinct doit être consacré à la prise de cette décision, immédiatement après le verdict d'internement. [1 Le prévenu, l'accusé ou l'inculpé et son avocat]1 sont entendus s'ils sont présents. Ces décisions ne sont pas susceptibles d'opposition ou d'appel.
Art. 11. [1 Indien de beklaagde, beschuldigde of inverdenkinggestelde]1 op het ogenblik dat de internering bevolen wordt, aangehouden is of ingeval de rechter de internering met onmiddellijke opsluiting [1 ...]1 beveelt, vindt de internering voorlopig plaats in de psychiatrische afdeling van een gevangenis.
Art. 11. Si, au moment où l'internement est ordonné, [1 le prévenu, l'accusé ou l'inculpé]1 est détenu ou si le juge ordonne l'internement avec incarcération immédiate [1 ...]1, l'internement se déroule provisoirement dans la section psychiatrique d'une prison.
Art. 12. [2 De onderzoeks- of vonnisgerechten kunnen beslissen, bij afzonderlijke gemotiveerde beschikking, ten aanzien van een beklaagde, beschuldigde of inverdenkinggestelde die zich hetzij in de toestand van opsluiting bevindt zoals omschreven in de artikelen 10 en 11, hetzij in vrijheid onder voorwaarden is gesteld, de hechtenis uit te voeren onder elektronisch toezicht, de betrokkene in vrijheid te laten of te stellen, al dan niet onder de oplegging van een of meer voorwaarden, voor de tijd die zij bepalen en uiterlijk tot [3 het in kracht van gewijsde treden van de beslissing die de kamer voor de bescherming van de maatschappij heeft genomen ingevolge de eerste zitting vastgesteld overeenkomstig artikel 29, § 2]3.
Ten aanzien van een beklaagde, beschuldigde of inverdenkinggestelde wiens bevel tot aanhouding wordt uitgevoerd door een hechtenis onder elektronisch toezicht, kunnen zij, bij afzonderlijk gemotiveerde beschikking, beslissen hetzij tot onmiddellijke opsluiting overeenkomstig artikel 10, hetzij tot de verdere uitvoering van de hechtenis onder elektronisch toezicht, hetzij tot de invrijheidstelling van betrokkene, al dan niet onder de oplegging van een of meer voorwaarden, voor de tijd die zij bepalen en uiterlijk tot [3 het in kracht van gewijsde treden van de beslissing die de kamer voor de bescherming van de maatschappij heeft genomen ingevolge de eerste zitting vastgesteld overeenkomstig artikel 29, § 2]3.
In geval de betrokkene in vrijheid wordt gelaten of gesteld onder de oplegging van een of meer voorwaarden zijn de artikelen 37, tweede lid, en 38, §§ 1 en 2, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis van toepassing. In geval de verdere uitvoering van de hechtenis onder elektronisch toezicht wordt gehandhaafd, is artikel 24bis, §§ 3 en 4, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis van toepassing.]2

Tegen deze beschikking kan geen verzet of hoger beroep worden ingesteld.
Art. 12. [2 Les juridictions d'instruction ou de jugement peuvent décider, par ordonnance distincte et motivée, à l'égard d'un prévenu, un accusé ou un inculpé qui se trouve soit dans une situation d'incarcération visée aux articles 10 et 11, soit qui a été mis en liberté sous conditions, d'exécuter la détention sous surveillance électronique, laisser ou remettre en liberté, en lui imposant ou non de respecter une ou plusieurs conditions, pour la durée qu'ils déterminent et au plus tard jusqu'à [3 l'entrée en force de chose jugée de la décision que la chambre de protection sociale a prise lors de la première audience fixée conformément à l'article 29, § 2]3.
A l'égard d'un prévenu, un accusé ou un inculpé qui se trouve sous un mandat d'arrêt qui est exécuté par une détention sous surveillance électronique, ils peuvent, par ordonnance distincte et motivée, décider soit à l'incarcération immédiate conformément à l'article 10, soit d'une continuation de la détention sous surveillance électronique, soit de le remettre en liberté, en lui imposant ou non de respecter une ou plusieurs conditions, pour la durée qu'ils déterminent et au plus tard jusqu'à [3 l'entrée en force de chose jugée de la décision que la chambre de protection sociale a prise lors de la première audience fixée conformément à l'article 29, § 2]3.
Lorsque l'intéressé est laissé ou remis en liberté en lui imposant une ou plusieurs conditions, les articles 37, alinéa 2, et 38, §§ 1 et 2, de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive sont d'application. Lorsque la détention sous surveillance électronique est maintenue, l'article 24bis, §§ 3 et 4, de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive s'applique.]2

Cette ordonnance n'est pas susceptible d'opposition ou d'appel.
Art. 13. § 1. Wanneer de vordering of het verzoek tot internering bij de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling aanhangig is gemaakt, laat zij ten minste vijftien dagen vooraf in een daartoe bestemd register ter griffie melding maken van plaats, dag en uur van verschijning. De termijn wordt teruggebracht tot drie dagen indien een van de inverdenkinggestelden zich in voorlopige hechtenis bevindt of onmiddellijk werd opgesloten bij toepassing van artikel 10. De griffier stelt de inverdenkinggestelde, de burgerlijke partij en hun [1 advocaten]1 in kennis, [2 per faxpost, bij gewone brief of langs elektronische weg]2, dat het dossier op de griffie in origineel of in kopie ter beschikking ligt en dat ze er inzage van kunnen hebben en er kopie van kunnen opvragen.
Op dezelfde wijze verwittigt de griffier, op aangeven van het openbaar ministerie, eveneens de benadeelden die zich [1 ...]1 geen burgerlijke partij hebben gesteld.
§ 2. Binnen de in § 1 bepaalde termijn kunnen de inverdenkinggestelde [1 en zijn advocaat]1 en de burgerlijke partij de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 61quinquies van het Wetboek van strafvordering verzoeken om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten. In dat geval wordt de regeling van de rechtspleging geschorst. Als het verzoek definitief is behandeld, wordt de zaak opnieuw vastgesteld voor de raadkamer overeenkomstig de in § 1 bepaalde vormen en termijnen.
§ 3. De raadkamer doet uitspraak op verslag van de onderzoeksrechter na de procureur des Konings, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde gehoord te hebben.
De burgerlijke partijen kunnen bijgestaan of vertegenwoordigd worden door een [1 advocaat]1. De inverdenkinggestelde wordt steeds bijgestaan door een [1 advocaat]1. De raadkamer kan evenwel de persoonlijke verschijning van de partijen bevelen. Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open. De beschikking wordt betekend aan de desbetreffende partij op vordering van de procureur des Konings en brengt dagvaarding mee om te verschijnen op de vastgestelde datum. Als deze partij niet verschijnt, wordt uitspraak gedaan en geldt de beschikking als op tegenspraak gewezen.
Wanneer de raadkamer de zaak in beraad houdt om haar beschikking uit te spreken, bepaalt zij de dag voor die uitspraak.
§ 4. De debatten vóór de raadkamer verlopen met gesloten deuren en de uitspraak is openbaar.
Art. 13. § 1er. Lorsque la chambre du conseil ou la chambre des mises en accusation est saisie de la réquisition ou de la demande d'internement, elle fait indiquer, quinze jours au moins à l'avance, dans un registre spécial tenu au greffe, les lieu, jour et heure de la comparution. Ce délai est réduit à trois jours lorsqu'un des inculpés est en détention préventive ou a été incarcéré immédiatement en application de l'article 10. Le greffier avertit, [2 par télécopie, par lettre simple ou par voie électronique]2, l'inculpé, la partie civile et leurs [1 avocats]1, que le dossier est mis à leur disposition au greffe en original ou en copie et qu'ils peuvent en prendre connaissance et en lever copie.
De la même manière, le greffier avertit également, sur les indications du ministère public, les personnes lésées qui ne se sont pas [1 ...]1 portées partie civile.
§ 2. L'inculpé [1 et son avocat]1 et la partie civile peuvent demander au juge d'instruction, dans le délai fixé au § 1er, l'accomplissement d'actes d'instruction complémentaires, conformément à l'article 61quinquies du Code d'instruction criminelle. Dans ce cas, le règlement de la procédure est suspendu. Lorsque la demande a été définitivement traitée, l'affaire est à nouveau fixée devant la chambre du conseil suivant les formes et les délais prévus au § 1er.
§ 3. La chambre du conseil statue sur le rapport du juge d'instruction, le procureur du Roi, la partie civile et l'inculpé entendus.
Les parties civiles peuvent se faire assister [1 d'un avocat]1 ou être représentées par lui. L'inculpé est toujours assisté [1 d'un avocat]1. La chambre du conseil peut néanmoins ordonner la comparution personnelle des parties. Cette ordonnance n'est pas susceptible de recours. L'ordonnance est signifiée à la partie qu'elle concerne, à la requête du procureur du Roi, et emporte citation à comparaître à la date fixée. Si ladite partie ne comparaît pas, la chambre du conseil statue et l'ordonnance est réputée contradictoire.
Lorsque la chambre du conseil tient la cause en délibéré pour prononcer son ordonnance, elle fixe le jour de ce prononcé.
§ 4. Les débats devant la chambre du conseil se déroulent à huis clos et le prononcé est public.
Art. 14. [1 § 1. De procureur des Konings en de partijen of hun advocaat kunnen voor de kamer van inbeschuldigingstelling beroep instellen tegen de beslissingen van de raadkamer. Het beroep wordt ingesteld in de vorm en binnen de termijnen die bepaald worden bij de artikelen 203, 203bis, en 204 van het Wetboek van strafvordering. Behalve in het geval bedoeld in artikel 205 van het Wetboek van strafvordering en in artikel 1 van de wet van 25 juli 1893 betreffende de aantekening van beroep of van voorziening in cassatie van de gedetineerde of geïnterneerde personen, wordt het beroep ingesteld door middel van een verklaring ter griffie van de correctionele rechtbank.
§ 2. De debatten voor de kamer van inbeschuldigingstelling verlopen met gesloten deuren en de uitspraak is openbaar.]1

Art. 14. [1 § 1er. Le procureur du Roi et les parties ou leur avocat peuvent interjeter appel des décisions de la chambre du conseil devant la chambre des mises en accusation. L'appel est interjeté dans les formes et délais prévus aux articles 203, 203bis et 204 du Code d'instruction criminelle. Il est formé par déclaration au greffe du tribunal correctionnel, sauf dans le cas visé à l'article 205 du Code d'instruction criminelle et à l'article 1er de la loi du 25 juillet 1893 relative aux déclarations d'appel ou de recours en cassation des personnes détenues ou internées.
§ 2. Les débats devant la chambre des mises en accusation se déroulent à huis clos et le prononcé est public.]1

Art. 15. § 1. Indien uit de debatten voor het hof van assisen [1 op dat ogenblik]1 blijkt dat de beschuldigde lijdt aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast of indien de beschuldigde of zijn [1 advocaat]1 daarom verzoekt, worden aan de jury de volgende bijkomende vragen gesteld :
"Staat het vast dat de beschuldigde een als misdaad of wanbedrijf omschreven feit heeft gepleegd ?", "Staat het vast dat de beschuldigde lijdt aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden teniet doet of ernstig aantast [1 bedoeld in artikel 9, § 1, 1°]1 ?".
§ 2. Ingeval op die vragen bevestigend wordt geantwoord, doen het hof en de jury uitspraak over de internering overeenkomstig artikel 9 van deze wet en artikel [1 343]1 van het Wetboek van strafvordering.
In het arrest van het hof van assisen worden de redenen voor de internering van de beschuldigde vermeld.
Wanneer het een politieke misdaad, een politiek wanbedrijf of een persdelict betreft, kan de internering slechts met eenparigheid van stemmen van het hof en van de gezworenen worden gelast.
Art. 15. § 1er. S'il ressort [1 à ce moment]1 des débats devant la cour d'assises que l'accusé est atteint d'un trouble mental qui abolit ou altère gravement sa capacité de discernement ou de contrôle de ses actes ou si l'accusé ou son [1 avocat]1 le demande, les questions subsidiaires suivantes sont posées au jury :
"Est-il constant que l'accusé a commis un fait qualifié crime ou délit?", "Est-il constant que l'accusé est atteint d'un trouble mental qui abolit ou altère gravement sa capacité de discernement ou de contrôle de ses actes [1 visés à l'article 9, § 1er, 1° ]1 ?".
§ 2. Dans l'affirmative, la cour et le jury statuent sur l'internement conformément à l'article 9 de la présente loi et à l'article [1 343]1 du Code d'instruction criminelle.
L'arrêt rendu par la cour d'assises énonce les motifs qui ont conduit à l'internement de l'accusé.
Lorsqu'il s'agit d'un crime ou d'un délit politique ou de presse, l'internement ne peut être prononcé qu'à l'unanimité de la cour et des jurés.
HOOFDSTUK III. - Kosten, teruggave en bijkomende veiligheidsmaatregelen
CHAPITRE III. - Des frais, restitutions et mesures de sûreté accessoires
Art. 16. Ingeval de internering wordt [1 uitgesproken]1, wordt de [1 beklaagde, beschuldigde of inverdenkinggestelde]1 veroordeeld in de kosten en, in voorkomend geval, tot teruggave. De bijzondere verbeurdverklaring wordt uitgesproken.
Art. 16. Dans le cas où l'internement est [1 prononcé]1, [1 le prévenu, l'accusé ou l'inculpé est condamné]1 aux frais et, le cas échéant, aux restitutions. La confiscation spéciale est prononcée.
Art. 17. § 1. Eenieder die geïnterneerd is wegens [1 in de artikelen 371/1 tot]1 377, 377quater, 379 tot 380ter, 381, 383 tot 387, van het Strafwetboek bedoelde feiten die zijn gepleegd op een minderjarige of met zijn deelneming, kan voor [2 de duur van de internering]2 het voorwerp uitmaken van een veiligheidsmaatregel waarbij hem door het onderzoeks- of vonnisgerecht het recht wordt ontzegd om :
in welke hoedanigheid ook deel te nemen aan onderwijs in een openbare of particuliere instelling die minderjarigen opvangt;
deel uit te maken, als vrijwilliger, als lid van het statutair of contractueel personeel of als lid van de organen van bestuur en beheer, van elke rechtspersoon of feitelijke vereniging waarvan de activiteit in hoofdzaak op minderjarigen is gericht;
een activiteit toegewezen te krijgen die de betrokkene als vrijwilliger, als lid van het statutair of contractueel personeel of als lid van de organen van bestuur en beheer, van elke rechtspersoon of feitelijke vereniging, in een vertrouwens- of gezagsrelatie tegenover minderjarigen plaatst;
te wonen, te verblijven of zich op te houden in de door de bevoegde rechter bepaalde aangewezen zone. De oplegging van die maatregel moet met bijzondere redenen worden omkleed en rekening houden met de ernst van de feiten en met de reclasseringsmogelijkheden voor de geïnterneerde persoon.
§ 2. [2 ...]2.
[2 De ontzetting heeft]2 gevolgen vanaf de dag waarop de op tegenspraak of bij verstek gewezen gerechtelijke beslissing die de ontzetting uitspreekt, onherroepelijk wordt.
§ 3. [2 ...]2.
Art. 17. § 1er. Quiconque est interné pour des faits visés [1 aux articles 371/1 à]1 377, 377quater, 379 à 380ter, 381, 383 à 387, du Code pénal commis sur un mineur ou avec sa participation, peut, pour [2 la durée de l'internement]2, faire l'objet d'une mesure de sûreté par laquelle la juridiction d'instruction ou de jugement lui interdit :
de participer, à quelque titre que ce soit, à un enseignement donné dans un établissement public ou privé qui accueille des mineurs;
de faire partie, comme membre bénévole, membre du personnel statutaire ou contractuel ou membre des organes d'administration et de gestion, de toute personne morale ou association de fait dont l'activité concerne à titre principal des mineurs;
d'être affecté à une activité qui place l'intéressé comme membre bénévole, membre du personnel statutaire ou contractuel ou membre des organes d'administration et de gestion de toute personne morale ou association de fait, en relation de confiance ou d'autorité vis-à-vis de mineurs;
d'habiter, de résider ou de se tenir dans la zone déterminée désignée par le juge compétent. L'imposition de cette mesure doit être spécialement motivée et tenir compte de la gravité des faits et de la capacité de réinsertion de la personne internée.
§ 2. [2 ...]2.
[2 L'interdiction produit]2 ses effets à compter du jour où la décision judiciaire contradictoire ou par défaut qui prononce l'interdiction devient irrévocable.
§ 3. [2 ...]2.
HOOFDSTUK IV. - De burgerlijke rechtsvordering van de slachtoffers
CHAPITRE IV. - De l'action civile des victimes
Art. 18. § 1. De onderzoeks- of vonnisgerechten doen op grond van deze wet of van artikel 71 van het Strafwetboek uitspraak over de strafvordering; tegelijkertijd doen zij uitspraak over de bij hen op regelmatige wijze ingestelde burgerlijke rechtsvordering, overeenkomstig artikel [1 6.11]1 van het Burgerlijk Wetboek, alsook over de kosten.
§ 2. De onderzoeks- of vonnisgerechten kunnen de burgerlijke belangen ook aanhouden, overeenkomstig artikel 4 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering.
Art. 18. § 1er. Les juridictions d'instruction ou de jugement statuent sur l'action publique en application de la présente loi ou de l'article 71 du Code pénal; elles statuent en même temps sur l'action civile dont elles ont été régulièrement saisies, conformément à l'article [1 6.11]1 du Code civil, ainsi que sur les dépens.
§ 2. Les juridictions d'instruction ou de jugement peuvent également réserver les intérêts civils, conformément à l'article 4 du titre préliminaire du Code de procédure pénale.
TITEL IV. - Tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen tot internering
TITRE IV. - De l'exécution des décisions judiciaires d'internement
HOOFDSTUK I. - Bepaling van de uitvoeringsmodaliteiten van de internering en van de bijhorende voorwaarden
CHAPITRE Ier. - Définition des modalités d'exécution de l'internement et conditions y afférentes
Afdeling I. - De plaatsing en overplaatsing
Section Ire. - Du placement et du transfèrement
Art. 19. De plaatsing is de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, al dan niet bij hoogdringendheid, tot aanwijzing van één van de inrichtingen bedoeld in artikel 3, 4°, b), c) en d) waar de internering ten uitvoer zal worden gelegd.
De overplaatsing is de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, al dan niet bij hoogdringendheid tot aanwijzing van één van de inrichtingen bedoeld in artikel 3, 4°, [1 b), c) en d)]1 waarnaar de geïnterneerde persoon dient te worden overgebracht, uit oogpunt van veiligheid of aangepaste zorg.
Art. 19. Le placement est la décision par laquelle la chambre de protection sociale désigne, dans l'urgence ou non, l'un des établissements visés à l'article 3, 4°, b), c) et d) dans lequel l'internement sera exécuté.
Le transfèrement est la décision par laquelle la chambre de protection sociale désigne, dans l'urgence ou non, l'un des établissements visés à l'article 3, 4°,[1 b), c) et d)]1) dans lequel la personne internée devra être transférée, pour des raisons liées à la sécurité ou à la dispense de soins appropriés.
Afdeling II. - De uitgaansvergunning en het verlof
Section II. - De la permission de sortie et des congés
Onderafdeling I. - Definities
Sous-section Ire. - Définitions
Art. 20. § 1. De uitgaansvergunning laat de geïnterneerde persoon toe de inrichting o[1 ...]1 te verlaten voor een bepaalde duur die niet langer mag zijn dan zestien uren.
§ 2. De uitgaansvergunningen kunnen aan de geïnterneerde persoon worden toegekend om :
affectieve, sociale, morele, juridische, familiale, therapeutische, opleidings- of professionele belangen te behartigen die zijn aanwezigheid buiten de inrichting vereisen;
een medisch onderzoek of een medische behandeling buiten de inrichting te ondergaan;
zijn sociale re-integratie voor te bereiden.
Deze uitgaansvergunningen kunnen met een bepaalde periodiciteit worden toegekend.
Art. 20. § 1er. La permission de sortie permet à la personne internée de quitter l'établissement [1 ...]1 pour une durée déterminée qui ne peut excéder seize heures.
§ 2. Les permissions de sortie peuvent être accordées à la personne internée en vue :
de défendre des intérêts affectifs, sociaux, moraux, juridiques, familiaux, thérapeutiques, de formation ou professionnels qui requièrent sa présence hors de l'établissement;
de subir un examen ou un traitement médical en dehors de l'établissement;
de préparer sa réinsertion sociale.
Ces permissions de sortie peuvent être accordées avec une périodicité déterminée.
Art. 21. § 1. Het verlof laat de geïnterneerde persoon toe de inrichting [1 ...]1 gedurende een periode van minimum één dag en maximum [1 veertien]1 dagen per maand te verlaten.
§ 2. Het verlof heeft tot doel :
de familiale, affectieve en sociale contacten van de geïnterneerde persoon in stand te houden en te bevorderen;
de sociale re-integratie van de geïnterneerde persoon of de behandeling voor te bereiden door hem geleidelijk naar de maatschappij te laten terugkeren;
een ambulant of residentieel behandelingsprogramma voor te bereiden.
Art. 21. § 1er. Le congé permet à la personne internée de quitter l'établissement [1 ...]1 pendant une période d'un jour au minimum et de [1 quatorze]1 jours au maximum par mois.
§ 2. Le congé a pour objectifs :
de préserver et de favoriser les contacts familiaux, affectifs et sociaux de la personne internée;
de préparer la réinsertion sociale ou le traitement de la personne internée en permettant à celle-ci de réintégrer progressivement la société;
de permettre la préparation d'un programme thérapeutique ambulatoire ou résidentiel.
Onderafdeling II. - Voorwaarden
Sous-section II. - Conditions
Art. 22. [1 § 1.]1 De uitgaansvergunning en het verlof kunnen [1 op elk ogenblik]1 van de uitvoering van de internering toegekend worden aan de geïnterneerde persoon die voldoet aan de volgende voorwaarden :
er bestaan in hoofde van de geïnterneerde persoon geen tegenaanwijzingen waaraan niet tegemoet kan worden gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op :
a) het gevaar dat de geïnterneerde persoon zich aan de uitvoering van de internering zou onttrekken;
b) het risico dat hij tijdens deze modaliteiten [1 ...]1 strafbare feiten zou plegen;
c) het risico dat hij de slachtoffers zou lastig vallen.
[1 de geïnterneerde persoon stemt in met de voorwaarden die aan de uitgaansvergunning of het verlof kunnen worden verbonden krachtens artikel 36 en 37;]1
[1 ...]1.
[1 § 2. De uitgaansvergunning kan gekoppeld worden aan de begeleiding door een vertrouwenspersoon.
Indien de begeleiding door een vertrouwenspersoon niet mogelijk is, kan de uitgaansvergunning worden gekoppeld aan de begeleiding door een personeelslid van de inrichting, in overleg met en na akkoord van de inrichting.]1

Art. 22. [1 § 1er.]1 La permission de sortie et les congés peuvent être accordés, [1 à tout moment]1 de l'exécution de l'internement, à la personne internée qui satisfait aux conditions suivantes :
il n'existe pas, dans le chef de la personne internée, de contre-indications auxquelles la fixation de conditions particulières ne puisse répondre. Ces contre-indications portent sur :
a) le risque que la personne internée se soustraie à l'exécution de l'internement;
b) le risque qu'elle commette des infractions [1 ...]1 durant ces modalités;
c) le risque qu'elle importune les victimes;
[1 la personne internée marque son accord sur les conditions qui peuvent être attachées à la permission de sortie ou au congé en vertu des articles 36 et 37;]1
[1 ...]1.
[1 § 2. La permission de sortie peut être assortie de l'accompagnement par une personne de confiance.
Si l'accompagnement par une personne de confiance n'est pas possible, la permission de sortie peut être assortie de l'accompagnement par un membre du personnel de l'établissement, en concertation avec ledit établissement et avec son accord.]1

Art. 22/1. [1 De uitgaansvergunning zoals bedoeld in artikel 20, § 2, 3° en het verlof kunnen niet worden toegekend wanneer op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de geïnterneerde persoon niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk.]1
Art. 22/1. [1 La permission de sortie visée à l'article 20, § 2, 3°, et le congé ne peuvent pas être accordés s'il ressort d'un avis de l'Office des Etrangers que la personne internée n'est pas autorisée ou habilitée à séjourner dans le Royaume.]1
Afdeling III. - De beperkte detentie, het elektronisch toezicht en de invrijheidstelling op proef
Section III. - De la détention limitée, de la surveillance électronique et de la libération à l'essai
Onderafdeling I. - Definities
Sous-section Ire. - Définitions
Art. 23. § 1. De beperkte detentie is een modaliteit van uitvoering van [1 de beslissing]1 tot internering die de geïnterneerde persoon toelaat op regelmatige wijze de inrichting [1 ...]1 te verlaten voor een duur van maximum [1 zestien]1 uren per dag.
§ 2. De beperkte detentie kan aan de geïnterneerde persoon worden toegekend om therapeutische, professionele, opleidings- of familiale belangen te behartigen die zijn aanwezigheid buiten de inrichting vereisen.
Art. 23. § 1er. La détention limitée est une modalité d'exécution [1 de la décision]1 d'internement qui permet à la personne internée de quitter, de manière régulière, l'établissement [1 ...]1 pour une durée maximum de [1 seize]1 heures par jour.
§ 2. La détention limitée peut être accordée à la personne internée afin de défendre des intérêts thérapeutiques, professionnels, de formation ou familiaux qui requièrent sa présence hors de l'établissement.
Art. 24. Het elektronisch toezicht is een modaliteit van uitvoering van [1 de beslissing]1 tot internering waardoor de geïnterneerde persoon de hem opgelegde veiligheidsmaatregel buiten de inrichting ondergaat volgens een bepaald uitvoeringsplan, waarvan de naleving onder meer door elektronische middelen wordt gecontroleerd.
Art. 24. La surveillance électronique est une modalité d'exécution [1 de la décision]1 d'internement par laquelle la personne internée subit la mesure de sûreté qui lui a été imposée en dehors de l'établissement, selon un plan d'exécution déterminé, dont le respect est contrôlé notamment par des moyens électroniques.
Art. 25. De invrijheidstelling op proef is een modaliteit van uitvoering van de beslissing tot internering, waardoor de geïnterneerde persoon de hem opgelegde veiligheidsmaatregel ondergaat in een residentieel of ambulant zorgtraject mits hij de voorwaarden naleeft die hem gedurende de proeftermijn worden opgelegd.
Art. 25. La libération à l'essai est une modalité d'exécution de la décision d'internement par laquelle la personne internée subit la mesure de sûreté qui lui a été imposée dans le cadre d'un trajet de soins résidentiel ou ambulatoire, moyennant le respect des conditions qui lui sont imposées pendant le délai d'épreuve.
Onderafdeling II. - Voorwaarden
Sous-section II. - Conditions
Art. 26. De beperkte detentie, het elektronisch toezicht en de invrijheidstelling op proef kunnen [2 op elk ogenblik van de uitvoering van de internering]2 worden toegekend aan de geïnterneerde persoon die voldoet aan de volgende voorwaarden :
er bestaan in hoofde van de geïnterneerde persoon geen tegenaanwijzingen waaraan niet tegemoet kan worden gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op :
a) de afwezigheid van vooruitzichten op sociale reclassering van de geïnterneerde persoon [2 rekening houdend met zijn geestesstoornis]2;
b) [2 ...]2;
c) het risico dat hij [2 ...]2 strafbare feiten zou plegen;
d) het risico dat hij de slachtoffers zou lastig vallen;
e) de houding van de geïnterneerde persoon ten aanzien van de slachtoffers van de feiten die tot zijn internering hebben geleid;
f) [2 ...]2;
g) de door de geïnterneerde persoon geleverde inspanningen om de burgerlijke partij te vergoeden, rekening houdend met [2 zijn vermogenssituatie]2 zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij geïnterneerd is;
de geïnterneerde persoon stemt in met de voorwaarden die aan de beperkte detentie, het elektronisch toezicht en de invrijheidstelling op proef kunnen worden verbonden krachtens de artikelen 36, 37 en 40.
Art. 26. La détention limitée, la surveillance électronique et la libération à l'essai peuvent[2 à tout moment de l'internement]2 être accordées à la personne internée qui satisfait aux conditions suivantes :
il n'existe pas, dans le chef de la personne internée, de contre-indications auxquelles la fixation de conditions particulières ne puisse répondre. Ces contre-indications portent sur :
a) l'absence de perspectives de réinsertion sociale de la personne internée [2 compte tenu de son trouble mental]2;
b) [2 ...]2;
c) le risque qu'elle commette des infractions [2 ...]2;
d) le risque qu'elle importune les victimes;
e) l'attitude de la personne internée à l'égard des victimes des faits qui ont conduit à son internement;
f) [2 ...]2;
g) les efforts consentis par la personne internée pour indemniser la partie civile, compte tenu de [2 sa situation patrimoniale]2 telle qu'elle a évolué par son fait depuis la perpétration des faits pour lesquels elle a été internée;
la personne internée marque son accord sur les conditions qui peuvent être attachées à la détention limitée, à la surveillance électronique et à la libération à l'essai en vertu des articles 36, 37 et 40.
Art. 27. [1 De beperkte detentie, het elektronisch toezicht en de invrijheidsstelling op proef kunnen niet worden toegekend wanneer op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de geïnterneerde persoon niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk.]1
Art. 27. [1 La détention limitée, la surveillance électronique et la libération à l'essai ne peuvent pas être accordées s'il ressort d'un avis de l'Office des étrangers que la personne internée n'est pas autorisée ou habilitée à séjourner dans le Royaume.]1
Afdeling IV. - De vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering
Section IV. - De la libération anticipée en vue de l'éloignement du territoire ou en vue de la remise
Art. 28. § 1. [1 De vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering is een modaliteit voor een geïnterneerde persoon ten aanzien van wie een definitieve beslissing werd genomen waarin wordt vastgesteld dat hij geen verblijfsrecht in België heeft, hetzij ter beschikking van een buitenlands rechtsorgaan wordt gesteld of die de wil geuit heeft om het land te verlaten. Deze modaliteit kan op elk ogenblik worden toegekend voor zover er in hoofde van de geïnterneerde persoon geen tegenaanwijzingen bestaan.]1. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op :
[2 ...]2
[1 ...]1;
het risico dat hij [1 ...]1 strafbare feiten zou plegen;
het risico dat hij de slachtoffers zou lastig vallen;
de door de geïnterneerde persoon geleverde inspanningen om de burgerlijke partij te vergoeden, rekening houdend met [1 zijn vermogenssituatie]1 zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij geïnterneerd is;
§ 2. de geïnterneerde persoon stemt in met de voorwaarden die aan de vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering worden verbonden krachtens de artikelen 36 en 37.
Art. 28. § 1er. [1 La libération anticipée en vue de l'éloignement du territoire ou en vue de la remise est une modalité concernant une personne internée pour laquelle une décision définitive a été prise établissant qu'elle ne dispose pas d'un droit de séjour en Belgique, qui est mise à la disposition d'une juridiction étrangère ou qui a exprimé sa volonté de quitter le pays. Cette modalité peut être octroyée à tout moment de l'internement pour autant qu'il n'existe pas de contre-indications dans le chef de la personne internée.]1 Ces contre-indications portent sur :
[2 ...]2
[1 ...]1;
le risque qu'elle commette des infractions [1 ...]1;
le risque qu'elle importune les victimes;
les efforts consentis par la personne internée pour indemniser la partie civile, compte tenu de [1 sa situation patrimoniale]1 telle qu'elle a évolué par son fait depuis la perpétration des faits pour lesquels elle a été internée;
§ 2. la personne internée marque son accord sur les conditions qui sont attachées à la libération anticipée en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise en vertu des articles 36 et 37.
HOOFDSTUK II. - Algemene procedure inzake de plaatsing, de overplaatsing, de uitgaansvergunning, het verlof, de beperkte detentie, het elektronisch toezicht, de invrijheidstelling op proef en de vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering
CHAPITRE II. - De la procédure générale en matière de placement, de transfèrement, de permission de sortie, de congé, de détention limitée, de surveillance électronique, de libération à l'essai et de libération anticipée en vue de l'éloignement du territoire ou en vue de la remise
Afdeling I. - Eerste zitting
Section Ire. - De la première audience
Art. 29. § 1. [1 Het openbaar ministerie maakt binnen de twee maanden die volgen op het in kracht van gewijsde gegane vonnis of arrest tot internering de zaak aanhangig bij de kamer voor de bescherming van de maatschappij met het oog op het laten aanwijzen van de inrichting waar de internering ten uitvoer dient te worden gelegd en/of met het oog op de toekenning van een andere uitvoeringsmodaliteit, zoals bepaald in de artikelen 20, 21, 23, 24, 25 en 28.]1
De zaak wordt door het openbaar ministerie aanhangig gemaakt bij wijze van gewone brief gericht aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij; de griffie meldt hiervan ontvangst. [1 ...]1.
Het openbaar ministerie bij het gerecht dat het in kracht van gewijsde getreden vonnis of arrest heeft uitgesproken, vat eveneens binnen de maand die volgt op het in kracht van gewijsde treden van de beslissing, de [1 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]1 teneinde de gekende slachtoffers, die door haar in de vatting worden aangeduid, te contacteren. [1 De bevoegde dienst van de Gemeenschappen bezorgt de opgestelde slachtofferfiches aan het openbaar ministerie.]1 [2 Indien de geïnterneerde persoon in vrijheid is, vat hetzelfde openbaar ministerie, binnen de maand die volgt op het in kracht van gewijsde treden van de beslissing, eveneens de bevoegde dienst van de Gemeenschappen met het oog op het opstellen van een beknopt voorlichtingsverslag of een maatschappelijke enquête. Hetzelfde openbaar ministerie maakt het dossier via het snelste, schriftelijk communicatiemiddel over aan de voornoemde bevoegde dienst van de Gemeenschappen, en ingeval de geïnterneerde persoon niet in vrijheid is, aan de directeur, indien de geïnterneerde persoon verblijft in een inrichting bedoeld in artikel 3, 4°, a) en b), of aan de verantwoordelijke voor de zorg, indien de geïnterneerde persoon geplaatst is in een inrichting bedoeld in artikel 3, 4°, c) en d). Dit dossier omvat minstens de volgende documenten : het afschrift van de vonnissen en arresten, de uiteenzetting van de feiten, de verslagen van het deskundigenonderzoek en het uittreksel uit het strafregister.]2
§ 2. De zaak wordt behandeld op de eerste nuttige zitting van de kamer voor de bescherming van de maatschappij. Deze zitting moet plaatsvinden uiterlijk drie maanden nadat het vonnis of arrest tot internering in kracht van gewijsde is gegaan.
§ 3. Het dossier, dat door het openbaar ministerie wordt samengesteld, bestaat ten minste uit het vonnis of arrest tot internering, de uiteenzetting van de feiten, een uittreksel uit het strafregister, de verslagen van het deskundigenonderzoek en, desgevallend, de slachtofferfiche(s) of slachtofferverklaringen.
Het openbaar ministerie verleent een eerste schriftelijk advies voor wat de uitvoering van de internering betreft.
[1 Het openbaar ministerie vult het dossier aan met een verslag van de directeur waaraan het verslag van de psychosociale dienst is gevoegd, indien de geïnterneerde persoon in een inrichting verblijft zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a) en b), met een verslag van de verantwoordelijke voor de zorg indien de geïnterneerde persoon geplaatst is [2 in]2 een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, c) en d), of met [2 het beknopt voorlichtingsverslag of de maatschappelijke enquête]2 van de bevoegde dienst van de Gemeenschappen, indien de geïnterneerde persoon in vrijheid is. Indien dit nodig is voor het opstellen van zijn advies omtrent de toekenning van uitvoeringsmodaliteiten bedoeld in de artikelen 20, § 2, 1° en 3°, 21, 23, 24 en 25, kan de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg de bevoegde dienst van de Gemeenschappen de opdracht geven een beknopt voorlichtingsverslag op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren, met het oog op het verkrijgen van noodzakelijke informatie over het onthaalmilieu waarin de uitvoeringsmodaliteit zal worden uitgevoerd. [2 Hij brengt deze opdracht via het snelste, schriftelijk communicatiemiddel ter kennis van de bevoegde dienst van de Gemeenschappen vergezeld van het dossier dat minstens de volgende documenten omvat : het afschrift van de vonnissen en arresten, de uiteenzetting van de feiten waarvoor de betrokkene werd geïnterneerd, de verslagen van het deskundigenonderzoek, het afschrift van de opsluitingsfiche en het uittreksel uit het strafregister.]2
Het verslag van de directeur of van de verantwoordelijke voor de zorg bevat een advies omtrent de elementen vermeld in § 1, eerste lid.]1
.
[1 ...]1.
§ 4. [1 De geïnterneerde persoon en zijn advocaat en desgevallend ook het slachtoffer worden bij aangetekende brief in kennis gesteld; de directeur, indien de geïnterneerde persoon verblijft in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4° a) en b), en de verantwoordelijke voor de zorg, indien de geïnterneerde persoon geplaatst is in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, c) en d), worden schriftelijk in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.]1.
§ 5. [1 Het dossier wordt gedurende ten minste tien dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de geïnterneerde persoon en zijn advocaat op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of op de griffie van de inrichting waar de geïnterneerde persoon verblijft.
De geïnterneerde persoon kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen. De advocaat van de geïnterneerde persoon kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
Op advies van de psychiater van de inrichting of van de behandelende psychiater kan de rechter voor de bescherming van de maatschappij de geïnterneerde persoon in een met redenen omklede beschikking inzage en afschrift van zijn dossier of een gedeelte ervan ontzeggen wanneer die inzage een klaarblijkelijk ernstig nadeel voor zijn gezondheid kan meebrengen.]1
.
Art. 29. § 1er. [1 Le ministère public saisit la chambre de protection sociale en vue de faire désigner l'établissement où l'internement doit être exécuté, et/ou en vue de l'octroi d'une autre modalité d'exécution, dans les deux mois qui suivent le jugement ou l'arrêt d'internement passé en force de chose jugée, comme prévu aux articles 20, 21, 23, 24, 25 et 28.]1.
Le ministère public saisit la chambre de protection sociale de l'affaire par courrier ordinaire; le greffe en accuse réception. [1 ...]1.
Le ministère public près la juridiction qui a prononcé le jugement ou l'arrêt ayant acquis force de chose jugée saisit également, dans le mois qui suit l'acquisition de force jugée de la décision, le [1 service compétent des Communautés]1 aux fins de contacter les victimes connues, qu'il désignera dans la saisine. [1 Le service compétent des Communautés communique les fiches victime établies au ministère public.]1 [2 Si la personne internée est en liberté, dans le mois qui suit l'acquisition de force jugée de la décision, le même ministère public saisit également le service compétent des Communautés en vue de la rédaction d'un rapport d'information succinct ou l'exécution d'une enquête sociale. Le même ministère public transmet le dossier au service compétent des Communautés précité par le moyen de communication écrite le plus rapide et, si la personne internée n'est pas en liberté, au directeur si la personne internée séjourne dans un établissement visé à l'article 3, 4°, a) et b), ou au responsable des soins, si la personne internée est placée dans un établissement visé à l'article 3, 4°, c) et d). Ce dossier contient au moins les documents suivants : la copie des jugements et des arrêts, l'exposé des faits, les rapports d'expertise et l'extrait du casier judiciaire.]2
§ 2. L'examen de l'affaire a lieu à la première audience utile de la chambre de protection sociale. Cette audience doit avoir lieu au plus tard trois mois après que le jugement ou l'arrêt d'internement est passé en force de chose jugée.
§ 3. Le dossier, constitué par le ministère public, contient au moins le jugement ou l'arrêt d'internement, l'exposé des faits, un extrait du casier judiciaire, les rapports de l'expertise et, le cas échéant, la (les) fiche(s) de la victime ou les déclarations de la victime.
Le ministère public émet un premier avis écrit en ce qui concerne l'exécution de l'internement.
[1 Le ministère public complète le dossier par un rapport du directeur auquel est joint le rapport du service psychosocial, si la personne internée séjourne dans un établissement visé à l'article 3, 4°, a) et b), par un rapport du responsable des soins si la personne internée a été placée dans un établissement visé à l'article 3, 4°, c) et d), ou par [2 le rapport d'information succinct ou l'enquête sociale]2 du service compétent des Communautés si la personne internée est en liberté. Si cela est nécessaire pour la rédaction de son avis sur l'octroi des modalités d'exécution visées aux articles 20, § 2, 1° et 3°, 21, 23, 24 et 25, le directeur ou le responsable des soins peut charger le service compétent des Communautés de rédiger un rapport d'information succinct ou d'effectuer une enquête sociale, en vue d'obtenir les informations nécessaires sur le milieu d'accueil dans lequel la modalité d'exécution sera exécutée. [2 Cette demande est envoyée au service compétent des Communautés par le moyen de communication écrite le plus rapide, accompagnée du dossier qui contient au moins les documents suivants : la copie des jugements et des arrêts, l'exposé des faits pour lesquels l'intéressé a été interné, les rapports d'expertise, la copie de la fiche d'écrou et l'extrait du casier judiciaire.]2
Le rapport du directeur ou du responsable des soins contient un avis concernant les éléments visés au § 1er, alinéa 1er.]1

[1 ...]1.
§ 4. [1 La personne internée et son avocat et, le cas échéant, la victime sont informés par lettre recommandée; le directeur, si la personne internée séjourne dans un établissement visé à l'article 3, 4°, a) et b), et le responsable des soins si la personne internée a été placée dans un établissement visé à l'article 3, 4°, c) et d), sont informés par écrit des jour, heure et lieu de l'audience.]1
§ 5. [1 Le dossier est tenu, pendant au moins dix jours avant la date fixée pour l'audience, à la disposition de la personne internée et de son avocat pour consultation au greffe du tribunal de l'application des peines ou au greffe de l'établissement où la personne internée séjourne.
La personne internée peut, à sa demande, obtenir une copie du dossier. L'avocat de la personne internée peut, à sa demande, obtenir une copie du dossier.
Sur avis du psychiatre de l'établissement ou du psychiatre traitant, le juge de protection sociale peut, par une ordonnance motivée, refuser à la personne internée d'accéder à son dossier ou à une partie de son dossier et d'en obtenir une copie si manifestement cet accès peut nuire gravement à sa santé.]1

Art. 30. [1 De kamer voor de bescherming van de maatschappij hoort de geïnterneerde persoon en zijn advocaat, het openbaar ministerie, de directeur, indien de geïnterneerde persoon verblijft in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a) en b), en de verantwoordelijke voor de zorg, indien de geïnterneerde persoon verblijft in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, c) en d).]1
De geïnterneerde persoon verschijnt persoonlijk. Hij wordt door zijn [1 advocaat]1 vertegenwoordigd indien medisch-psychiatrische vragen in verband met zijn toestand gesteld worden en het bijzonder schadelijk is om deze in zijn aanwezigheid te behandelen.
Het slachtoffer wordt op zijn verzoek gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd. Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de directeur [1 of de verantwoordelijke voor de zorg]1 lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben gesteld in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.
Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een [1 advocaat]1 en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan beslissen eveneens andere personen te horen.
Art. 30. [1 La chambre de protection sociale entend la personne internée et son avocat, le ministère public, le directeur, si la personne internée séjourne dans un établissement visé à l'article 3, 4°, a) et b), et le responsable des soins, si la personne internée séjourne dans un établissement visé à l'article 3, 4°, c) et d).]1
La personne internée comparaît en personne. Elle est représentée par son [1 avocat]1 lorsque des questions médicopsychiatriques en rapport avec son état sont posées et qu'il est particulièrement préjudiciable de les examiner en sa présence.
La victime est entendue, à sa demande, sur les conditions particulières à imposer dans son intérêt. La victime est présente à l'audience le temps nécessaire à l'examen de ces conditions. Le ministère public et, le cas échéant, le directeur [1 ou le responsable des soins]1 expliquent à cette occasion les conditions qu'ils ont formulées dans leur avis dans l'intérêt de la victime. La victime peut présenter ses observations.
La victime peut se faire représenter ou assister par un [1 avocat]1 et peut se faire assister par le délégué d'un organisme public ou d'une association agréée à cette fin par le Roi.
La chambre de protection sociale peut décider d'entendre également d'autres personnes.
Art. 31. De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
Art. 31. L'audience se déroule à huis clos.
Art. 32. De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan de behandeling van de zaak eenmaal uitstellen tot een latere zitting, zonder dat die zitting meer dan twee maanden na het uitstel mag plaatsvinden.
[1 ...]1.
Art. 32. La chambre de protection sociale peut remettre une seule fois l'examen de l'affaire à une audience ultérieure, sans que cette audience puisse avoir lieu plus de deux mois après la remise.
[1 ...]1.
Art. 33. De kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
Art. 33. La chambre de protection sociale rend sa décision dans les quatorze jours de la mise en délibéré.
Art. 34. [1 De kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist hetzij tot plaatsing, in voorkomend geval gepaard gaande met toekenning van een uitgaansvergunning, verlof of beperkte detentie, hetzij tot toekenning van elektronisch toezicht, hetzij tot toekenning van invrijheidstelling op proef, hetzij tot toekenning van een vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering.
Aan deze uitvoeringsmodaliteiten kunnen geïndividualiseerde voorwaarden gekoppeld worden, zoals bedoeld in artikel 37. Tevens beslist de kamer voor de bescherming van de maatschappij over de opheffing, de wijziging of de nadere omschrijving van de veiligheidsmaatregelen die overeenkomstig artikel 17 zijn opgelegd.]1

[2 Indien er tegelijkertijd een andere interneringsbeslissing in uitvoering is, neemt de kamer voor de bescherming van de maatschappij ook hierover een beslissing. In geval de kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist tot een invrijheidsstelling op proef, dan bepaalt zij ook de duur van de termijn overeenkomstig artikel 42, § 1, rekening houdend met het zorgtraject.]2
Art. 34. [1 La chambre de protection sociale décide soit du placement, le cas échéant assorti de l'octroi d'une permission de sortie, d'un congé ou d'une détention limitée, soit de l'octroi d'une surveillance électronique, soit de l'octroi d'une libération à l'essai, soit de l'octroi d'une libération anticipée en vue de l'éloignement du territoire ou en vue de la remise.
Ces modalités d'exécution peuvent être assorties de conditions individualisées, visées à l'article 37. La chambre de protection sociale se prononce également sur la levée, la modification ou la précision des mesures de sécurité imposées conformément à l'article 17.]1

[2 Si une autre décision d'internement est en cours d'exécution en même temps, la chambre de protection sociale prend également une décision au sujet de celle-ci. Si la chambre de protection sociale ordonne une libération à l'essai, elle fixe également la durée de la période, conformément à l'article 42, § 1er, en tenant compte du trajet de soins.]2
Art. 35. [1 Indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij een beslissing tot plaatsing of overplaatsing neemt, bepaalt zij naar welke inrichting de geïnterneerde persoon moet worden overgebracht. De inrichting wordt gekozen uit de inrichtingen bedoeld in artikel 3, 4°, b), c) en d).]1
Art. 35. [1 Si la chambre de protection sociale prend une décision de placement ou de transfèrement, elle détermine également dans quel établissement la personne internée doit être transférée. L'établissement est choisi parmi les établissements visés à l'article 3, 4°, b), c) et d).]1
Art. 36. [1 Het vonnis tot toekenning van een uitgaansvergunning, een verlof, een beperkte detentie, een elektronisch toezicht, een invrijheidstelling op proef of een vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering bepaalt dat de geïnterneerde persoon onderworpen is aan de volgende algemene voorwaarden :]1
geen strafbare feiten plegen;
behalve voor de uitgaansvergunning en de beperkte detentie, een [1 vaste verblijfplaats]1 hebben en, bij wijziging ervan, zijn nieuwe verblijfplaats onmiddellijk meedelen aan het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, aan de [1 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]1 die met de begeleiding is belast;
gevolg geven aan de oproepingen van het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, van de [1 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]1 die met de begeleiding is belast.
[1 4° voor de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied, de verplichting om het grondgebied effectief te verlaten en het verbod om tijdens de proeftijd terug te keren naar België zonder in orde te zijn met de wetgeving en de reglementering betreffende de toegang, het verblijf of de vestiging in het Rijk en zonder de voorafgaande toelating van de kamer voor de bescherming van de maatschappij.]1
Art. 36. [1 Le jugement d'octroi d'une permission de sortie, d'un congé, d'une détention limitée, d'une surveillance électronique, d'une libération à l'essai ou d'une libération anticipée en vue de l'éloignement du territoire ou en vue de la remise précise que la personne internée est soumise aux conditions générales suivantes :]1
ne pas commettre d'infractions;
sauf pour la permission de sortie et la détention limitée, avoir une [1 résidence fixe]1 et, en cas de changement d'adresse, communiquer sans délai l'adresse de sa nouvelle résidence au ministère public et, le cas échéant, [1 au service compétent des Communautés]1 chargé de la guidance;
donner suite aux convocations du ministère public et, le cas échéant, de [1 du service compétent des Communautés]1 chargé de la guidance.
[1 4° pour la mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire, l'obligation de quitter effectivement le territoire et l'interdiction de revenir en Belgique pendant le délai d'épreuve sans être en règle avec la législation et la réglementation relative à l'accès au territoire, au séjour ou à l'établissement dans le Royaume et sans l'autorisation préalable de la chambre de protection sociale.]1
Art. 37. In geval van toekenning van de in [1 artikel 34]1 vermelde modaliteiten kan de kamer voor de bescherming van de maatschappij de geïnterneerde persoon onderwerpen aan geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden die tegemoet komen aan het vooropgestelde zorgtraject, of aan de in de artikelen 22, 26 of 28 bedoelde tegenaanwijzingen, dan wel noodzakelijk blijken in het belang van de slachtoffers.
[1 ...]1.
Art. 37. En cas d'octroi des modalités visées [1 à l'article 34]1, la chambre de protection sociale peut soumettre la personne internée à des conditions particulières individualisées qui correspondent au [1 trajet de soins]1 prévu ou aux contre-indications visées aux articles 22, 26 ou 28, ou qui s'avèrent nécessaires dans l'intérêt des victimes.
[1 ...]1.
Art. 38. In geval van toekenning van een of meerdere uitgaansvergunning(en) bepaalt de kamer voor de bescherming van de maatschappij de duur en, in voorkomend geval, de periodiciteit, alsook het doel of de invulling ervan.
Art. 38. En cas d'octroi d'une ou plusieurs permissions de sortie, la chambre de protection sociale en détermine la durée et, le cas échéant, la périodicité, ainsi que l'objectif ou le contenu.
Art. 39. In geval van toekenning van het verlof bepaalt de kamer voor de bescherming van de maatschappij het aantal verlofdagen, zoals bepaald in artikel 21, dat de geïnterneerde persoon mag genieten.
Art. 39. En cas d'octroi du congé, la chambre de protection sociale détermine le nombre de jours de congé, tel que prévu à l'article 21, dont la personne internée peut bénéficier.
Art. 40. In geval van toekenning van beperkte detentie, elektronisch toezicht of invrijheidstelling op proef kan de kamer voor de bescherming van de maatschappij, indien de geïnterneerde persoon de veiligheidsmaatregel van internering ondergaat voor een van de [1 in de artikelen 371/1 tot]1 378 van het Strafwetboek bedoelde feiten, of voor de in de artikelen 379 tot 387 van hetzelfde Wetboek bedoelde feiten indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, de voorwaarde opleggen van het volgen van een begeleiding of een behandeling bij een dienst die in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten gespecialiseerd is.
Wanneer de kamer voor de bescherming van de maatschappij [2 het in artikel 5, § 1, 5°, bedoelde deskundigenadvies of het in artikel 47, § 2, tweede lid, bedoelde advies van de dienst of persoon die gespecialiseerd is in de diagnostische expertise van seksuele delinquenten,]2, niet volgt, neemt zij een bijzondere met redenen omklede beslissing.
Art. 40. En cas d'octroi d'une détention limitée, d'une surveillance électronique ou d'une libération à l'essai, la chambre de protection sociale peut, si la personne internée subit la mesure de sûreté d'internement pour un des faits visés [1 aux articles 371/1 à]1 378 du Code pénal, ou pour les faits visés aux articles 379 à 387 du même Code, si ceux-ci ont été commis sur la personne de mineurs ou avec leur participation, imposer la condition de suivre une guidance ou un traitement auprès d'un service spécialisé dans la guidance ou le traitement des délinquants sexuels.
Lorsque la chambre de protection sociale ne suit pas [2 l'avis d'expertise visé à l'article 5, § 1er, 5°, ou l'avis du service ou de la personne spécialisé dans l'expertise diagnostique des délinquants sexuels, visé à l'article 47, § 2, alinéa 2,]2, elle rend une décision spécialement motivée.
Art. 41. § 1. In geval van toekenning van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht bepaalt de kamer voor de bescherming van de maatschappij het programma.
[1 De bevoegde dienst van de Gemeenschappen, in voorkomend geval, de dienst bevoegd voor het elektronisch toezicht,]1 staat in voor de uitwerking van de concrete invulling van de toegekende uitvoeringsmodaliteit overeenkomstig de door de Koning bepaalde regels.
§ 2. De kamer voor de bescherming van de maatschappij bepaalt [1 , overeenkomstig artikel 21, § 1,]1 het aantal verlofdagen dat de geïnterneerde persoon per maand mag genieten tijdens de beperkte detentie of het elektronisch toezicht.
§ 3. In geval van toekenning van [1 ...]1 het elektronisch toezicht bepaalt de [1 de kamer voor de bescherming van de maatschappij]1 eveneens de termijn waarvoor deze modaliteit wordt toegekend. Deze termijn mag maximum zes maanden bedragen en kan eenmaal worden verlengd voor een duur van maximum zes maanden.
§ 4. [1 Vijftien dagen voor het einde van de in paragraaf 3 bepaalde termijn beslist de kamer voor de bescherming van de maatschappij over de verlenging van het elektronisch toezicht, of over de omzetting van het elektronisch toezicht in een andere uitvoeringsmodaliteit.
De geïnterneerde persoon en zijn advocaat, evenals het slachtoffer worden bij aangetekende brief in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.
Het dossier wordt gedurende ten minste tien dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de geïnterneerde persoon en zijn advocaat op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.]1

De geïnterneerde persoon kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen. Ook de [1 advocaat]1 van de geïnterneerde persoon kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier krijgen.
[1 Op advies van de psychiater van de inrichting of van de behandelende psychiater kan de rechter voor de bescherming van de maatschappij de geïnterneerde persoon in een met redenen omklede beschikking inzage en afschrift van zijn dossier of een gedeelte ervan ontzeggen wanneer die inzage een klaarblijkelijk ernstig nadeel voor zijn gezondheid kan meebrengen.]1.
§ 5. De kamer voor de bescherming van de maatschappij hoort de geïnterneerde persoon en zijn [1 advocaat]1 [1 ...]1 en het openbaar ministerie.
De geïnterneerde persoon verschijnt persoonlijk. Hij wordt door zijn [1 advocaat]1 vertegenwoordigd indien medisch-psychiatrische vragen in verband met zijn toestand gesteld worden en het bijzonder schadelijk is om deze in zijn aanwezigheid te behandelen.
Het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd. Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. [1 Het openbaar ministerie licht bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die het in zijn advies heeft geformuleerd in het belang van het slachtoffer]1. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.
Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een [1 advocaat]1 en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
[1 De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan beslissen eveneens andere personen te horen.]1
De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
§ 6. De [1 kamer voor de bescherming van de maatschappij]1 beslist binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
Artikel 44 is van toepassing.
§ 7. Bij het verstrijken van de overeenkomstig in §§ 3 en 4 bepaalde termijn kent de [1 kamer voor de bescherming van de maatschappij]1 aan de geïnterneerde persoon de invrijheidstelling op proef toe.
De §§ 4, tweede tot vijfde lid, en 5 zijn van toepassing.
De artikelen 42 en 44 zijn van toepassing.
Art. 41. § 1er. En cas d'octroi de la détention limitée ou de la surveillance électronique, la chambre de protection sociale détermine le programme.
[1 Le service compétent des Communautés, le cas échéant, le service compétent en matière de surveillance électronique,]1 est chargé de définir concrètement la modalité d'exécution octroyée conformément aux règles fixées par le Roi.
§ 2. La chambre de protection sociale détermine [1 , conformément à l'article 21, § 1er,]1 le nombre de jours de congé dont la personne internée peut bénéficier chaque mois au cours de la détention limitée ou de la surveillance électronique.
§ 3. En cas d'octroi [1 ...]1 de la surveillance électronique, [1 la chambre de protection sociale]1 fixe également la période pour laquelle cette modalité est accordée. Cette période est fixée à six mois au maximum et peut être prolongée une seule fois pour une durée de six mois au maximum.
§ 4. [1 Quinze jours avant la fin du délai prévu au paragraphe 3, la chambre de protection sociale se prononce sur la prolongation de la surveillance électronique, ou sur la conversion de la surveillance électronique en une autre modalité d'exécution.
La personne internée et son avocat ainsi que la victime sont informés par lettre recommandée des lieu, jour et heure de l'audience.
Le dossier est tenu, pendant au moins dix jours avant la date fixée pour l'audience, à la disposition de la personne internée et de son avocat pour consultation au greffe du tribunal de l'application des peines.]1

La personne internée peut, à sa demande, obtenir une copie du dossier. [1 L'avocat]1 de la personne internée peut lui aussi, à sa demande, obtenir une copie du dossier.
[1 Sur avis du psychiatre de l'établissement ou du psychiatre traitant, le juge de protection sociale peut, par une ordonnance motivée, refuser à la personne internée d'accéder à son dossier ou à une partie de son dossier et d'en obtenir une copie si manifestement cet accès peut nuire gravement à sa santé.]1
§ 5. La chambre de protection sociale entend la personne internée et son [1 avocat]1 [1 ...]1 et le ministère public.
La personne internée comparaît en personne. Elle est représentée par son [1 avocat]1 si des questions médicopsychiatriques en rapport avec son état sont posées et qu'il est particulièrement préjudiciable de les examiner en sa présence.
La victime est entendue sur les conditions particulières qui doivent être imposées dans son intérêt. La victime est présente à l'audience le temps nécessaire à l'examen de ces conditions. [1 Le ministère public explique à cette occasion les conditions qu'il a formulées dans son avis dans l'intérêt de la victime.]1 La victime peut présenter ses observations.
La victime peut se faire représenter ou assister par un [1 avocat]1 et peut se faire assister par le délégué d'un organisme public ou d'une association agréée à cette fin par le Roi.
[1 La chambre de protection sociale peut décider d'entendre également d'autres personnes.]1
L'audience se déroule à huis clos.
§ 6. [1 la chambre de protection sociale]1 rend sa décision dans les quatorze jours de la mise en délibéré.
L'article 44 est d'application.
§ 7. A l'expiration de la période fixée conformément aux §§ 3 et 4, [1 la chambre de protection sociale]1 octroie à la personne internée la libération à l'essai.
Les §§ 4, alinéas 2 à 5, et 5 sont d'application.
Les articles 42 et 44 sont d'application.
Art. 42. § 1. In geval van invrijheidstelling op proef wordt de geïnterneerde persoon onderworpen aan algemene en desgevallend bijzondere voorwaarden gedurende [1 een termijn van drie jaar, telkens hernieuwbaar met maximaal twee jaar.]1.
§ 2. In geval van vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering wordt de geïnterneerde persoon na [1 zes jaar van rechtswege definitief in vrijheid gesteld, te rekenen vanaf de uitvoering van het vonnis]1.
[1 § 3. Ingeval de invrijheidsstelling op proef wordt toegekend onder de voorwaarde te verblijven in een residentiële [2 instelling]2, worden alle beslissingen om de [2 instelling]2 [2 tijdelijk te verlaten]2 genomen door de verantwoordelijke van deze [2 instelling]2.]1
Art. 42. § 1er. En cas de libération à l'essai, la personne internée est soumise aux conditions générales et, le cas échéant, aux conditions particulières pendant [1 une période de trois ans, chaque fois renouvelable pour une durée de deux ans au maximum]1.
§ 2. En cas de libération anticipée en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise, la personne internée sera [1 libérée définitivement de plein droit après six ans, à compter de l'exécution du jugement]1.
[1 § 3. Si la libération à l'essai est octroyée à la condition de séjourner dans [2 une institution résidentielle]2, toutes les décisions relatives au fait [2 de quitter temporairement]2 [2 l'institution]2 sont prises par le responsable de [2 cette institution]2.]1
Art. 43. [1 Indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist tot een plaatsing, bepaalt zij in haar vonnis wanneer de directeur, indien de geïnterneerde persoon geplaatst is een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, b), of de verantwoordelijke voor de zorg, indien de geïnterneerde persoon geplaatst is in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, c) en d), een advies moet uitbrengen.]1.
Deze termijn mag niet langer zijn dan één jaar te rekenen van de datum van het vonnis.
[2 Indien er geen advies werd uitgebracht binnen deze termijn, vat het openbaar ministerie onverwijld de kamer voor de bescherming van de maatschappij.]2
Art. 43. [1 Si la chambre de protection sociale ordonne un placement, elle fixe dans son jugement quand le directeur, si la personne internée a été placée dans un établissement visé à l'article 3, 4°, b), ou le responsable des soins, si la personne internée a été placée dans un établissement visé à l'article 3, 4°, c) et d), doit rendre un avis.]1.
Ce délai ne peut excéder un an à compter de la date du jugement.
[2 Si aucun avis n'a été rendu dans ce délai, le ministère public saisit sans délai la chambre de protection sociale.]2
Art. 44. § 1. [1 Het vonnis of de beschikking wordt binnen een werkdag bij aangetekende brief ter kennis gebracht van de geïnterneerde persoon en zijn advocaat en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie, van de directeur, indien de geïnterneerde persoon verblijft in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a) en b), van de verantwoordelijke voor de zorg, indien de geïnterneerde persoon geplaatst is in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, c) en d), [3 van de bevoegde dienst van de Gemeenschappen, indien de geïnterneerde persoon in vrijheid is, [4 en van de verantwoordelijke van de residentiële instelling]4 ingeval het een invrijheidsstelling op proef overeenkomstig artikel 42, § 3, betreft]3.]1
Het slachtoffer wordt eveneens zo snel mogelijk, en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, op de hoogte gebracht van het vonnis en, in voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd.
§ 2. [3 Het vonnis tot plaatsing overeenkomstig artikel 19 en het vonnis tot toekenning]3 van een of meer in de artikelen 20, 21, 23, 24, 25 en 28 bedoelde modaliteiten wordt door het openbaar ministerie meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de geïnterneerde persoon zich zal vestigen;
de nationale gegevensbank die bedoeld wordt in [1 artikel 44/2]1 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
in voorkomend geval, [1 de bevoegde dienst van de Gemeenschappen]1 van het gerechtelijk arrondissement waarin de geïnterneerde persoon zijn verblijfplaats heeft;
[1 de bevoegde dienst voor elektronisch toezicht]1, ingeval het een beslissing tot toekenning van een elektronisch toezicht betreft;
[3 5° aan de bevoegde dienst van de Gemeenschappen van de verblijfplaats van het slachtoffer in geval er slachtoffergerichte voorwaarden zijn opgelegd;
aan de korpschef van de lokale politie van de plaatsen waar de veroordeelde zich niet mag begeven en van de verblijfplaatsen van de personen waarmee hij niet in contact mag komen;
in voorkomend geval, de directeur, indien het een beslissing tot plaatsing betreft in een inrichting bedoeld in artikel 3, 4°, b), of de verantwoordelijke voor de zorg, indien het een beslissing tot plaatsing betreft in een inrichting bedoeld in artikel 3, 4°, c) en d);
in voorkomend geval, indien het een beslissing tot invrijheidsstelling op proef betreft overeenkomstig artikel 42, § 3, de verantwoordelijke van de residentiële instelling;]3

[5 9° aan de Dienst Vreemdelingenzaken, ingeval de beslissing betrekking heeft op een vervroegde invrijheidstelling met het op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering.]5
[2 Indien de in de bepalingen onder 3° [3 tot 5°]3 bedoelde diensten nog niet eerder betrokken werden in het dossier, maakt de griffie eveneens onverwijld het dossier over aan hen. Dit dossier omvat minstens de volgende informatie : het afschrift van de vonnissen en arresten, de uiteenzetting van de feiten waarvoor de betrokkene werd geïnterneerd, de verslagen van het deskundigenonderzoek, het uittreksel uit het strafregister, het afschrift van de geactualiseerde opsluitingsfiche, de eventueel reeds eerder genomen beslissingen door de kamer voor de bescherming van de maatschappij, de rechter voor de bescherming van de maatschappij of het Hof van Cassatie.]2
Art. 44. § 1er. [1 Le jugement ou l'ordonnance est notifié dans un délai d'un jour ouvrable, par lettre recommandée, à la personne internée et à son avocat, et porté par écrit à la connaissance du ministère public, du directeur, si la personne internée séjourne dans un établissement visé à l'article 3, 4°, a) et b), du responsable des soins, si la personne internée a été placée dans un établissement visé à l'article 3, 4°, c) et d), [3 du service compétent des Communautés, si la personne internée est en liberté, [4 et du responsable de l'institution résidentielle]4 en cas de libération à l'essai conformément à l'article 42 § 3]3.]1
La victime est également informée, dans les plus brefs délais, et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide, du jugement et, le cas échéant, des conditions qui ont été imposées dans son intérêt.
§ 2. [3 Le jugement de placement conformément à l'article 19 et le jugement d'octroi]3 d'une ou de plusieurs modalités visées aux articles 20, 21, 23, 24, 25 et 28 est communiqué par le ministère public aux autorités et instances suivantes :
le chef de corps de la police locale de la commune où la personne internée s'établira;
la banque de données nationale visée à l'article [1 44/2]1 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police;
le cas échéant, [1 le service compétent des Communautés]1 de l'arrondissement judiciaire du lieu de résidence de la personne internée;
[1 le service compétent en matière de surveillance électronique]1, si la décision porte sur l'octroi d'une surveillance électronique;
[3 5° au service compétent des Communautés du lieu de résidence de la victime s'il y a des conditions qui ont été imposées dans l'intérêt de la victime;
au chef de corps de la police locale des lieux qu'il est interdit au condamné de fréquenter et des lieux de résidence des personnes que lui est interdit de rencontrer;
le cas échéant, le directeur, en cas de décision de placement dans un établissement visé à l'article 3, 4°, b), ou le responsable de soins, en cas de décision de placement dans un établissement visé à l'article 3, 4°, c) et d);
le cas échéant, le responsable de l'institution résidentielle en cas de décision de libération à l'essai conformément à l'article 42, § 3;]3

[5 9° à l'Office des Etrangers, si la décision porte sur une libération anticipée en vue de l'éloignement du territoire ou en vue de la remise.]5
[2 Si les services visés au 3° [3 au 5°]3 n'ont pas encore été impliqués dans ce dossier auparavant, le greffe leur transmet également le dossier sans délai. Ce dossier contient au moins les informations suivantes : la copie des jugements et des arrêts, l'exposé des faits pour lesquels l'intéressé a été interné, les rapports d'expertise, l'extrait du casier judiciaire, la copie de la fiche d'écrou actualisée, les éventuelles décisions déjà prises par le passé par la chambre de protection sociale, par le juge de protection sociale ou de la Cour de cassation.]2
Art. 45. Het vonnis tot toekenning van een in hoofdstuk I van deze titel bedoelde modaliteit wordt uitvoerbaar op de dag waarop het in kracht van gewijsde is gegaan, tenzij de kamer voor de bescherming van de maatschappij een andere datum [1 of een ander moment]1 bepaalt.
Art. 45. Le jugement d'octroi d'une modalité visée au chapitre Ier du présent titre est exécutoire à partir du jour où il est passé en force de chose jugée, sauf si la chambre de protection sociale fixe une autre date [1 ou un autre moment]1.
Afdeling II. - De wijziging van de beslissing
Section II. - De la modification de la décision
Art. 46. § 1. Indien zich, nadat de beslissing tot toekenning van een uitvoeringsmodaliteit door [2 de rechter of]2 de kamer voor de bescherming van de maatschappij is genomen maar voor de uitvoering ervan, een situatie voordoet die onverenigbaar is met de modaliteit zelf of met de voorwaarden die in deze beslissing zijn bepaald, kan [2 de rechter of]2 de kamer voor de bescherming van de maatschappij, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, een nieuwe beslissing nemen, met inbegrip van de intrekking van de modaliteit die werd toegekend.
§ 2. De geïnterneerde persoon en zijn [1 advocaat]1 en desgevallend ook het slachtoffer worden bij [1 aangetekende brief]1 opgeroepen om binnen zeven dagen na de vaststelling van de onverenigbaarheid te verschijnen voor de kamer voor de bescherming van de maatschappij. De oproeping bij gerechtsbrief schorst de tenuitvoerlegging van de beslissing tot toekenning van de desbetreffende modaliteit.
[1 De directeur, indien de geïnterneerde persoon verblijft in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a) en b), of de verantwoordelijke voor de zorg, indien de geïnterneerde persoon geplaatst is in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, c) en d), en desgevallend het slachtoffer, worden schriftelijk in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.]1
§ 3. De procedure verloopt verder overeenkomstig de artikelen 29 § 5, met dien verstande dat de inzagetermijn wordt beperkt tot ten minste twee dagen, 30, 31, 33 met dien verstande dat [2 de rechter of, in voorkomend geval,]2 de kamer voor de bescherming van de maatschappij binnen de zeven dagen beslist, 44, §§ 1 en 2, en 45.
Art. 46. § 1er. Si, entre le moment où une décision d'octroi d'une modalité d'exécution est prise par [2 le juge ou]2 la chambre de protection sociale et le moment où elle est exécutée, il se produit une situation incompatible avec la modalité elle-même ou avec les conditions fixées dans cette décision, [2 le juge ou]2 la chambre de protection sociale peut, d'office ou sur réquisition du ministère public, prendre une nouvelle décision, en ce compris le retrait de la modalité qui avait été accordée.
§ 2. La personne internée et son [1 avocat]1 et, le cas échéant, la victime, sont convoqués par pli judiciaire à comparaître devant la chambre de protection sociale dans les sept jours qui suivent la constatation de l'incompatibilité. La convocation par [1 lettre recommandée]1 suspend l'exécution de la décision d'octroi de la modalité en question.
[1 Le directeur, si la personne internée séjourne dans un établissement visé à l'article 3, 4°, a) et b), et le responsable des soins, si la personne internée a été placée dans un établissement visé à l'article 3, 4°, c) et d) et le cas écléant la victime, sont informés par écrit des jour, heure et lieu de l'audience.]1
§ 3. La procédure se déroule ensuite conformément aux articles 29, § 5, étant entendu que le délai de consultation est limité à deux jours au moins, 30, 31, 33, étant entendu que [2 le juge ou, le cas échéant,]2 la chambre de protection sociale rend une décision dans les sept jours, 44, §§ 1er et 2, et 45.
Afdeling III. - Verder beheer van de internering
Section III. - De l'organisation ultérieure de l'internement
Art. 47. [1 § 1. De directeur of de verantwoordelijke voor de zorg, naargelang van de inrichting waar de geïnterneerde persoon verblijft, bezorgt een advies aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank op het tijdstip bedoeld in artikel 43, na de geïnterneerde persoon gehoord te hebben.
§ 2. Het advies van de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg omvat een geactualiseerd multidisciplinair psychosociaal-psychiatrisch verslag en een met redenen omkleed voorstel tot toekenning of afwijzing van de overplaatsing, en de in de artikelen 20, 21, 23 tot 25 en 28 bepaalde modaliteiten en, in voorkomend geval, de bijzondere voorwaarden die hij nodig acht op te leggen aan de geïnterneerde persoon. Indien dit nodig is voor het opstellen van zijn advies omtrent de toekenning van uitvoeringsmodaliteiten bedoeld in de artikelen 20, § 2, [2 1° en]2 3°, 21 en 23 tot 25, kan de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg de bevoegde dienst van de Gemeenschappen de opdracht geven een beknopt voorlichtingsverslag op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren, met het oog op het verkrijgen van noodzakelijke informatie over het onthaalmilieu waarin de uitvoeringsmodaliteit zal worden uitgevoerd. [2 Hij brengt deze opdracht via het snelste, schriftelijk communicatiemiddel ter kennis van de bevoegde dienst van de Gemeenschappen vergezeld van het dossier, voor zover deze dienst daar nog niet over beschikt, dat minstens de volgende documenten omvat : het afschrift van de vonnissen en arresten, de uiteenzetting van de feiten waarvoor de betrokkene werd geïnterneerd, de verslagen van het deskundigenonderzoek, het afschrift van de opsluitingsfiche en het uittreksel uit het strafregister.]2
Indien de betrokkene geïnterneerd is voor de in de artikelen 371/1 tot 378 van het Strafwetboek bedoelde feiten of voor de in de artikelen 379 tot 387 van hetzelfde Wetboek bedoelde feiten indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, omvat het advies van de directeur of de verantwoordelijke van de zorg eveneens het met redenen omkleed advies dat een beoordeling van de noodzaak om een begeleiding of behandeling op te leggen omvat en dat opgesteld is door een dienst of persoon die gespecialiseerd is in de diagnostische expertise van seksuele delinquenten.
§ 3. Een afschrift van het advies van de directeur of van de verantwoordelijke voor de zorg wordt overgezonden aan het openbaar ministerie, aan de geïnterneerde persoon en aan de advocaat van de geïnterneerde persoon. Op advies van de psychiater van de inrichting of van de behandelende psychiater kan de rechter voor de bescherming van de maatschappij de geïnterneerde persoon in een met redenen omklede beschikking de afgifte van het afschrift aan de geïnterneerde persoon ontzeggen wanneer dit een klaarblijkelijk ernstig nadeel inhoudt voor zijn gezondheid.]1

Art. 47. [1 § 1er. Le directeur ou le responsable des soins, selon l'établissement où la personne internée séjourne, adresse un avis au greffe du tribunal de l'application des peines au moment visé à l'article 43, après avoir entendu la personne internée.
§ 2. L'avis du directeur ou du responsable des soins contient un rapport multidisciplinaire psychiatrique et psychosocial actualisé et une proposition motivée d'octroi ou de refus du transfèrement et des modalités prévues aux articles 20, 21, 23 à 25 et 28 et, le cas échéant, les conditions particulières qu'il estime nécessaire d'imposer à l'interné. Si cela est nécessaire pour la rédaction de son avis sur l'octroi des modalités d'exécution visées aux articles 20, § 2, [2 1° et]2 3°, 21 et 23 à 25, le directeur ou le responsable des soins peut charger le service compétent des Communautés de rédiger un rapport d'information succinct ou d'effectuer une enquête sociale, en vue d'obtenir les informations nécessaires sur le milieu d'accueil dans lequel la modalité d'exécution sera exécutée. [2 Cette demande est envoyée au service compétent des Communautés par le moyen de communication écrite le plus rapide, accompagnée du dossier, pour autant que ce service n'en dispose pas encore, qui contient au moins les documents suivants : la copie des jugements et des arrêts, l'exposé des faits pour lesquels l'intéressé a été interné, les rapports d'expertise, la copie de la fiche d'écrou et l'extrait du casier judiciaire.]2
Si l'intéressé a été interné pour des faits visés aux articles 371/1 à 378 du Code pénal ou pour des faits visés aux articles 379 à 387 du même Code, si ceux-ci ont été commis sur la personne de mineurs ou avec leur participation, l'avis du directeur ou du responsable des soins contient également l'avis motivé appréciant la nécessité d'imposer une guidance ou un traitement [3 , lequel]3 est rédigé par un service ou une personne spécialisé dans l'expertise diagnostique des délinquants sexuels.
§ 3. Une copie de l'avis du directeur ou du responsable des soins est adressée au ministère public, à la personne internée et à l'avocat de la personne internée. Sur avis du psychiatre de l'établissement ou du psychiatre traitant, le juge de protection sociale peut, par une ordonnance motivée, refuser la délivrance de la copie à la personne internée si cela peut manifestement nuire gravement à sa santé.]1

Art. 48. [1 De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank vult het dossier, zoals samengesteld overeenkomstig artikel 29, § 3, aan met :
in voorkomend geval, een recent afschrift van de opsluitingsfiche;
een recent uittreksel uit het strafregister;
het advies van de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg;
desgevallend een recent verslag van de bevoegde dienst van de Gemeenschappen;
desgevallend de slachtofferverklaring(en) en de nieuwe slachtofferfiche(s).]1

Art. 48. [1 Le greffe du tribunal de l'application des peines complète le dossier, constitué conformément à l'article 29, § 3, par les éléments suivants :
le cas échéant, une copie récente de la fiche d'écrou;
un extrait récent du casier judiciaire;
l'avis du directeur ou du responsable des soins;
le cas échéant, un rapport récent du service compétent des Communautés;
le cas échéant, la ou les déclarations de victime et la ou les nouvelles fiches victime.]1

Art. 49. [1 Binnen een maand na de ontvangst van het advies van de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg, stelt het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies op, zendt dit over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en deelt het in afschrift mee aan de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg. De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank deelt een afschrift van het advies van het openbaar ministerie mee aan de advocaat van de geïnterneerde persoon en aan de geïnterneerde persoon, tenzij op advies van de psychiater van de inrichting of van de behandelende psychiater in een met redenen omklede beschikking inzage en afschrift van zijn dossier of van een gedeelte ervan is ontzegd wanneer die inzage een klaarblijkelijk ernstig nadeel voor zijn gezondheid kan inhouden.]1
Art. 49. [1 Dans le mois de la réception de l'avis du directeur ou du responsable des soins, le ministère public rédige un avis motivé, le transmet au greffe du tribunal de l'application des peines et en communique une copie au directeur ou au responsable des soins. Le greffe du tribunal de l'application des peines communique une copie de l'avis du ministère public à l'avocat de la personne internée et à la personne internée, à moins que, sur avis du psychiatre de l'établissement ou du psychiatre traitant, il soit refusé à celle-ci, par ordonnance motivée, d'accéder à son dossier ou à une partie de son dossier et d'en obtenir une copie si cet accès peut manifestement nuire gravement à sa santé.]1
Art. 50. § 1. De zaak wordt behandeld op de eerste nuttige zitting van de kamer voor de bescherming van de maatschappij na de ontvangst van het advies van het openbaar ministerie. Deze zitting moet plaatsvinden uiterlijk twee maanden na de ontvangst van het advies van de directeur [1 of de verantwoordelijke voor de zorg]1.
§ 2. Indien geen advies van het openbaar ministerie wordt toegezonden binnen de bij artikel 49 bepaalde termijn, dient het openbaar ministerie zijn advies [1 schriftelijk uit te brengen vóór de zitting of het schriftelijke advies neer te leggen ter zitting]1.
Art. 50. § 1er. L'examen de l'affaire a lieu à la première audience utile de la chambre de protection sociale après réception de l'avis du ministère public. Cette audience doit avoir lieu au plus tard deux mois après la réception de l'avis du directeur [1 ou du responsable des soins]1).
§ 2. Si l'avis du ministère public n'est pas communiqué dans le délai fixé à l'article 49, le ministère public doit rendre son avis [1 par écrit avant l'audience ou déposer l'avis par écrit à l'audience]1.
Art. 51. § 1. De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan de [1 de bevoegde dienst van de gemeenschappen]1 de opdracht geven een beknopt voorlichtingsverslag op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren. [1 ...]1. [2 De griffie maakt het dossier over aan deze dienst voor zover deze daar nog niet over beschikt. Dit dossier omvat minstens het afschrift van de vonnissen en arresten, de uiteenzetting van de feiten waarvoor de betrokkene werd geïnterneerd, de verslagen van het deskundigenonderzoek, het uittreksel uit het strafregister, het afschrift van de opsluitingsfiche, in voorkomend geval het advies van de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg en de eventueel reeds eerder genomen beslissingen door de kamer voor de bescherming van de maatschappij, de rechter voor de bescherming van de maatschappij of het Hof van Cassatie.]2
§ 2. De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan eveneens bij gemotiveerde beschikking een aanvullend forensisch psychiatrisch onderzoek bevelen dat voldoet aan de vereisten van [1 de artikelen 5, [3 § 1]3, 7 en 8]1.
Art. 51. § 1er. La chambre de protection sociale peut charger le [1 service compétent des Communautés]1 de rédiger un rapport d'information succinct ou de procéder à une enquête sociale. [1 ...]1. [2 Le greffe transmet le dossier à ce service pour autant que ce dernier n'en dispose pas encore. Ce dossier contient au moins la copie des jugements et des arrêts, l'exposé des faits pour lesquels l'intéressé a été interné, les rapports d'expertise, l'extrait du casier judiciaire, la copie de la fiche d'écrou, le cas échéant l'avis du directeur ou du responsable des soins et les éventuelles décisions déjà prises par le passé par la chambre de protection sociale, par le juge de protection sociale ou de la Cour de cassation.]2
§ 2. La chambre de protection sociale peut aussi ordonner, par ordonnance motivée, un examen psychiatrique médicolégal complémentaire répondant aux conditions définies à l'[1 articles 5, [3 § 1]3, 7 et 8]1.
Art. 52. De procedure verloopt verder overeenkomstig de artikelen 29, §§ 4 en 5, 30 tot 45 en desgevallend 46.
Art. 52. La suite de la procédure se déroule conformément aux articles 29, §§ 4 et 5, 30 à 45, et, le cas échéant, 46.
Art. 53. [1 § 1. In afwijking van de procedure bepaald bij de artikelen 47 tot 51, kan bij hoogdringendheid een kabinetsbeslissing worden genomen omtrent een verzoek tot uitgaansvergunning zoals bedoeld in artikel 20, § 2, 1° en 2°.
In dit geval blijven de artikelen 36, 37, 38, 44, §§ 1 en 2, 45 en desgevallend 46 van toepassing.
§ 2. Daartoe wordt een schriftelijk verzoek door het openbaar ministerie, door de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg, naargelang de inrichting waar de geïnterneerde persoon geplaatst is, of door de geïnterneerde persoon en zijn advocaat, gericht tot de rechter voor de bescherming van de maatschappij dat ter griffie van de strafuitvoeringrechtbank in een daartoe speciaal gehouden register wordt ingeschreven.
In voorkomend geval kan de rechter voor de bescherming van de maatschappij via de snelst mogelijke weg bijkomende inlichtingen inwinnen die noodzakelijk zijn om zijn beslissing te kunnen nemen.
§ 3. De beschikking wordt genomen binnen de vijf werkdagen, zonder oproeping van partijen noch debat, na inschrijving in voormeld register. Ingeval er bijkomende inlichtingen worden ingewonnen, kan deze termijn worden verlengd tot zeven werkdagen.
De beschikking wordt door de griffier aan het openbaar ministerie, aan de verzoeker, aan de geïnterneerde persoon en de advocaat, de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg en/of aan het slachtoffer, via het snelst mogelijke schriftelijk communicatiemiddel, ter kennis gebracht binnen de vierentwintig uur na de beschikking.
Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open.]1

Art. 53. [1 § 1er. Par dérogation à la procédure définie aux articles 47 à 51, une ordonnance de cabinet peut être prise en urgence concernant une demande de permission de sortie visée à l'article 20, § 2, 1° et 2°.
Dans ce cas, les articles 36, 37, 38, 44, §§ 1er et 2, 45 et, le cas échéant, 46 restent d'application.
§ 2. Le ministère public, le directeur ou le responsable des soins, selon l'établissement où la personne internée est placée, ou la personne internée et son avocat adresse à cette fin une demande écrite au juge de protection sociale; elle est inscrite dans un registre spécialement tenu à cet effet au greffe du tribunal de l'application des peines.
Le cas échéant, le juge de protection sociale peut recueillir, par la voie la plus rapide possible, des renseignements complémentaires nécessaires pour pouvoir prendre sa décision.
§ 3. L'ordonnance est prise dans les cinq jours ouvrables, sans convocation des parties ni débat, après l'inscription dans le registre précité. Si des renseignements complémentaires sont recueillis, ce délai peut être porté à sept jours ouvrables.
Le greffier porte l'ordonnance à la connaissance du ministère public, du demandeur, de la personne internée et de son avocat, du directeur ou du responsable des soins et/ou de la victime, par le moyen de communication écrit le plus rapide dans les vingt-quatre heures.
Cette ordonnance n'est susceptible d'aucun recours.]1

Art. 54. § 1. [1 Bij hoogdringendheid neemt de kamer voor de bescherming van de maatschappij, bij een met redenen omklede beschikking, een beslissing omtrent een verzoek tot overplaatsing van de geïnterneerde persoon, uitgaansvergunning, zoals bedoeld in artikel 20, § 2, 3°, verlof, beperkte detentie, elektronisch toezicht, invrijheidstelling op proef en vervroegde invrijheidsstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering.]1.
§ 2. [1 Een verzoek overeenkomstig paragraaf 1, kan worden ingediend door het openbaar ministerie, door de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg, naargelang de inrichting waar de geïnterneerde persoon geplaatst is, of door de geïnterneerde persoon en zijn advocaat.]1.
§ 3. Daartoe wordt een schriftelijk verzoek gericht tot de voorzitter van de bevoegde kamer voor de bescherming van de maatschappij dat ter griffie van de strafuitvoeringrechtbank in een daartoe speciaal register wordt ingeschreven.
[1 In voorkomend geval kan de kamer voor de bescherming van de maatschappij via de snelst mogelijke weg bijkomende inlichtingen inwinnen die noodzakelijk zijn om haar beslissing te kunnen nemen.]1
§ 4. [3 Tenzij de kamer voor de bescherming van de maatschappij van oordeel is dat voorafgaandelijk aan het nemen van een beslissing een tegensprekelijke zitting moet worden georganiseerd overeenkomstig paragraaf 8, neemt ze de beschikking]3 binnen de vijf werkdagen, zonder oproeping van partijen noch debat, na inschrijving in voormeld register. [1 Ingeval er bijkomende inlichtingen worden ingewonnen, kan deze termijn worden verlengd tot zeven werkdagen.]1.
De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan bij gemotiveerde beslissing de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren niettegenstaande verzet.
[1 De beschikking wordt door de griffier aan het openbaar ministerie, aan de geïnterneerde persoon en zijn advocaat, [2 in voorkomend geval de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg, in voorkomend geval de bevoegde dienst van de Gemeenschappen of de dienst bevoegd voor elektronisch toezicht]2 en, in voorkomend geval, aan het slachtoffer, via het snelst mogelijke schriftelijk communicatiemiddel, binnen de vierentwintig uur na de beschikking ter kennis gebracht.]1 [2 De griffie maakt het dossier over aan deze dienst voor zover deze daar nog niet over beschikt. Dit dossier omvat minstens het afschrift van de vonnissen en arresten, de uiteenzetting van de feiten waarvoor de betrokkene werd geïnterneerd, de verslagen van het deskundigenonderzoek, het uittreksel uit het strafregister, het afschrift van de opsluitingsfiche, in voorkomend geval het advies van de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg en de eventueel reeds eerder genomen beslissingen door de kamer voor de bescherming van de maatschappij, de rechter voor de bescherming van de maatschappij of het Hof van Cassatie.]2
§ 5. [3 Tegen deze beschikking kan het openbaar ministerie of de advocaat van de geïnterneerde persoon, voor zover het verzoek niet van deze partij is uitgegaan, binnen vijf werkdagen na de kennisgeving verzet aantekenen bij een verklaring ter griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.]3
Het verzet heeft opschortende werking, tenzij de onmiddellijke tenuitvoerlegging werd bevolen.
§ 6. Bij verzet [1 ...]1 wordt de zaak ambtshalve vastgesteld op de eerst nuttige zitting van de kamer ter bescherming van de maatschappij, uiterlijk binnen de veertien dagen na de beschikking bij hoogdringendheid.
De procedure verloopt verder overeenkomstig [3 paragraaf 9]3.
§ 7. Indien geen of geen tijdig verzet wordt aangetekend, wordt de beschikking geacht definitief op tegenspraak te zijn gewezen.
[3 § 8. Indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij van oordeel is dat voorafgaandelijk aan het nemen van een beslissing een tegensprekelijke zitting moet georganiseerd worden om verdere informatie in te winnen, wordt de zaak ambtshalve vastgesteld op de eerste nuttige zitting van de kamer ter bescherming van de maatschappij en uiterlijk binnen de veertien dagen na het verstrijken van de termijn bepaald in paragraaf 4. De procedure verloopt verder overeenkomstig paragraaf 9.
§ 9. Indien de zaak ambtshalve is vastgesteld ter zitting, worden de geïnterneerde persoon en zijn advocaat evenals het openbaar ministerie en de directeur, indien de geïnterneerde persoon verblijft in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a) en b), en de verantwoordelijke voor de zorg, indien de geïnterneerde persoon verblijft in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, c) en d), gehoord.
De geïnterneerde persoon verschijnt persoonlijk. Hij wordt door zijn advocaat vertegenwoordigd indien medisch-psychiatrische vragen in verband met zijn toestand gesteld worden en het bijzonder schadelijk is om deze in zijn aanwezigheid te behandelen.
De advocaat van de geïnterneerde persoon kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
Indien het hoogdringend verzoek voorwaarden betreft die in zijn belang zijn opgelegd, kan het slachtoffer worden gehoord. Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben gesteld in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen. Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een advocaat en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan beslissen eveneens andere personen te horen.
De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
Binnen zeven dagen nadat de zaak in beraad is genomen, beslist de kamer voor de bescherming van de maatschappij.
§ 10. Het vonnis over het hoogdringend verzoek wordt bij aangetekende brief meegedeeld aan de geïnterneerde persoon en zijn advocaat en zo snel mogelijk en in elk geval binnen een werkdag via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel aan het slachtoffer, indien het voorwaarden betreft die in het belang van het slachtoffer zijn opgelegd, alsook schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg of de bevoegde dienst van de Gemeenschappen, in voorkomend geval, de dienst bevoegd voor het elektronisch toezicht.
De beslissingen worden eveneens meegedeeld aan de autoriteiten en instanties, overeenkomstig artikel 44, § 2.]3

Art. 54. § 1er. [1 En cas d'urgence, la chambre de protection sociale prend, par ordonnance motivée, une décision concernant une demande de transfèrement de la personne internée, de permission de sortie telle que visée à l'article 20, § 2, 3°, de congé, de détention limitée, de surveillance électronique, de libération à l'essai et de libération anticipée en vue de l'éloignement du territoire ou en vue de la remise.]1
§ 2. [1 Une demande conformément au paragraphe 1er peut être introduite par le ministère public, par le directeur ou le responsable des soins, selon l'établissement où la personne est placée, ou par la personne internée et son avocat.]1
§ 3. Une demande écrite est adressée à cet effet au président de la chambre de protection sociale compétente; elle est inscrite dans un registre spécialement tenu à cet effet au greffe du tribunal de l'application des peines.
[1 Le cas échéant, la chambre de protection sociale peut recueillir, par la voie la plus rapide possible, des renseignements complémentaires nécessaires pour pouvoir prendre sa décision.]1
§ 4. [3 Sauf si la chambre de protection sociale estime que préalablement à la prise d'une décision une audience contradictoire doit être organisée conformément au paragraphe 8, elle prend l'ordonnance]3 dans les cinq jours ouvrables, sans convocation des parties, après l'inscription dans le registre précité. [1 Si des renseignements complémentaires sont recueillis, ce délai peut être porté à sept jours ouvrables.]1
La chambre de protection sociale peut déclarer, par décision motivée, l'ordonnance exécutoire par provision nonobstant opposition.
[1 Le greffier porte l'ordonnance à la connaissance du ministère public, de la personne internée et de son conseil, [2 le cas échéant, du directeur ou du responsable des soins, le cas échéant du service compétent des Communautés ou du service compétent pour la surveillance électronique]2 et, le cas échéant, de la victime, par le moyen de communication écrit le plus rapide dans les vingt-quatre heures après l'ordonnance.]1 [2 Le greffe transmet le dossier à ce service pour autant que ce dernier n'en dispose pas encore. Ce dossier contient au moins la copie des jugements et des arrêts, l'exposé des faits pour lesquels l'intéressé a été interné, les rapports d'expertise, l'extrait du casier judiciaire, la copie de la fiche d'écrou, le cas échéant l'avis du directeur ou du responsable des soins et les éventuelles décisions déjà prises par le passé par la chambre de protection sociale, par le juge de protection sociale ou de la Cour de cassation.]2
§ 5. [3 Le ministère public ou l'avocat de la personne internée, pour autant que la requête n'émane pas de cette partie, peut former opposition à cette ordonnance, dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification par déclaration au greffe du tribunal de l'application des peines.]3
L'opposition a un effet suspensif, à moins que l'exécution immédiate ait été ordonnée.
§ 6. En cas d'opposition [1 ...]1, l'affaire est fixée d'office à la première audience utile de la chambre de protection sociale, au plus tard dans les quatorze jours qui suivent l'ordonnance prise en urgence.
La procédure se déroule ensuite conformément [3 au paragraphe 9]3.
§ 7. En cas d'absence d'opposition ou si celle-ci n'est pas formée en temps utile, l'ordonnance est réputée définitivement contradictoire.
[3 § 8. Si la chambre de protection sociale estime que préalablement à la prise d'une décision une audience contradictoire doit être organisée pour recueillir des informations complémentaires, l'affaire est fixée d'office à la première audience utile de la chambre de protection sociale et au plus tard dans les quatorze jours de l'expiration du délai visé au paragraphe 4. La procédure se déroule ensuite conformément au paragraphe 9.
§ 9. Si l'affaire a été fixée d'office à l'audience, la personne internée et son avocat ainsi que le ministère public et le directeur, si la personne internée séjourne dans un établissement visé à l'article 3, 4°, a) et b), et le responsable des soins, si la personne internée séjourne dans un établissement visé à l'article 3, 4°, c) et d), sont entendus.
La personne internée comparaît en personne. Elle est représentée par son avocat lorsque des questions médico-psychiatriques en rapport avec son état sont posées et qu'il est particulièrement préjudiciable de les examiner en sa présence.
L'avocat de la personne internée peut, à sa demande, obtenir une copie du dossier.
S'il s'agit de conditions d'une demande urgente qui ont été imposées dans l'intérêt de la victime, celle-ci peut être entendue. La victime est présente à l'audience le temps nécessaire à l'examen de ces conditions. Le ministère public et, le cas échéant, le directeur ou le responsable des soins expliquent à cette occasion les conditions qu'ils ont formulées dans leur avis dans l'intérêt de la victime. La victime peut présenter ses observations. La victime peut se faire représenter ou assister par un avocat et peut se faire assister par le délégué d'un organisme public ou d'une association agréée à cette fin par le Roi.
La chambre de protection sociale peut décider d'entendre également d'autres personnes.
L'audience se déroule à huis clos.
La chambre de protection sociale rend sa décision dans les sept jours de la mise en délibéré.
§ 10. Le jugement sur la demande urgente est notifié par lettre recommandée à la personne internée et à son avocat, est porté, le plus rapidement possible et en tout cas dans un délai d'un jour ouvrable, par le moyen de communication écrit le plus rapide, à la connaissance de la victime s'il s'agit de conditions qui ont été imposées dans son intérêt et est porté par écrit à la connaissance du ministère public et du directeur ou du responsable des soins ou du service compétent des Communautés, le cas échéant, le service compétent en matière de surveillance électronique.
Les décisions sont également communiquées aux autorités et aux instances visées à l'article 44, § 2.]3

Art. 55. [1 In geval van overbrenging om medische redenen van een geplaatste geïnterneerde persoon naar een penitentiair genees- en heelkundig centrum of naar een ziekenhuis, stelt de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg, naargelang van de inrichting waar de geïnterneerde persoon verblijft, hiervan onmiddellijk via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel de kamer voor de bescherming van de maatschappij in kennis, die zo nodig kan handelen overeenkomstig artikel 54, voor de duur van de behandeling.]1
Art. 55. [1 En cas de transfert pour raisons médicales d'une personne internée placée vers un centre médicochirurgical pénitentiaire ou un hôpital, le directeur ou le responsable des soins, selon l'établissement où la personne internée séjourne, en informe immédiatement, par le moyen de communication écrit le plus rapide, la chambre de protection sociale qui, si nécessaire, peut agir conformément à l'article 54 pendant la durée du traitement.]1
Afdeling IV. - Bijzondere procedure inzake de overplaatsing
Section IV. - De la procédure particulière en matière de transfèrement
Art. 56. In dringende gevallen en om redenen van veiligheid kan de minister van Justitie [2 of zijn gemachtigde]2 de voorlopige overplaatsing van een geïnterneerde persoon verblijvende in een [1 inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a) en b) naar een andere inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a) en b)]1 bevelen.
Deze beslissing wordt onmiddellijk ter kennis gebracht van de kamer voor de bescherming van de maatschappij die op de eerstvolgende nuttige zitting een definitieve beslissing neemt overeenkomstig de artikelen 29, §§ 3, 4, 5, evenals 30, 31, 33, 34, 44 en 45.
Art. 56. En cas d'urgence et pour des raisons de sécurité, le ministre de la Justice [2 ou son délégué]2 peut ordonner le transfèrement provisoire d'une personne internée séjournant [1 dans un établissement visé à l'article 3, 4°, a) et b) vers un autre établissement visé à l'article 3, 4°, a) et b)]1.
Cette décision est immédiatement portée à la connaissance de la chambre de protection sociale, qui prend une décision définitive à la première audience utile qui suit, conformément aux articles 29, §§ 3, 4, 5, ainsi que 30, 31, 33, 34, 44 et 45.
HOOFDSTUK III. - Opvolging en controle van de in de artikelen 19, 20, 21, 23, 24, 25 en 28 bedoelde modaliteiten
CHAPITRE III. - Du suivi et du contrôle des modalités visées aux articles 19, 20, 21, 23, 24, 25 et 28
Art. 57. § 1. Onverminderd de toepassing van artikel 19 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt is het openbaar ministerie belast met de controle op de geïnterneerde persoon tijdens het verloop [3 van de in artikel 19 bedoelde plaatsing en van de in de artikelen 20, 21, 23, 24, 25 en 28 bedoelde modaliteiten]3.
§ 2. De directeur of de [1 verantwoordelijke voor de zorg brengt over het verloop van de plaatsing en de uitgaansvergunning]1verslag uit aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij wanneer hij het nuttig acht of indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij hem erom verzoekt. De directeur of de [1 verantwoordelijke voor de zorg]1 stelt, in voorkomend geval, de maatregelen voor die hij nuttig acht.
De mededelingen tussen de kamer voor de bescherming van de maatschappij en de directeur of [1 verantwoordelijke voor de zorg]1 gebeuren in de vorm van verslagen, waarvan een afschrift aan het openbaar ministerie wordt gezonden.
§ 3. De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan aan de [1 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]1 de opdracht geven het verloop van het verlof te evalueren. [2 De griffie maakt het dossier over aan deze dienst voor zover deze daar nog niet over beschikt. Dit dossier omvat minstens het afschrift van de vonnissen en arresten, de uiteenzetting van de feiten waarvoor de betrokkene werd geïnterneerd, de verslagen van het deskundigenonderzoek, het uittreksel uit het strafregister, het afschrift van de opsluitingsfiche, in voorkomend geval het advies van de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg en de eventueel reeds eerder genomen beslissingen door de kamer voor de bescherming van de maatschappij, de rechter voor de bescherming van de maatschappij of het Hof van Cassatie.]2
Deze evaluatie wordt in de vorm van een verslag gericht aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij, dat in kopie aan het openbaar ministerie en aan de directeur [1 of de verantwoordelijke voor de zorg, naargelang de inrichting waar de geïnterneerde persoon verblijft,]1 wordt gezonden.
§ 4. Indien een beperkte detentie, een elektronisch toezicht of een invrijheidstelling op proef wordt toegekend, brengt de [1 bevoegde dienst van de Gemeenschappen, in voorkomend geval, de dienst bevoegd voor het elektronisch toezicht]1, binnen een maand na de toekenning van de modaliteit verslag uit over het verloop van de modaliteit aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij, en verder telkens hij het nuttig acht, of op verzoek van het openbaar ministerie of telkens de kamer voor de bescherming van de maatschappij hem erom verzoekt, en ten minste om de zes maanden. De [1 bevoegde dienst van de Gemeenschappen, in voorkomend geval, de dienst bevoegd voor het elektronisch toezicht]1, stelt, in voorkomend geval, de maatregelen voor die hij nuttig acht.
De mededelingen tussen de kamer voor de bescherming van de maatschappij en de [1 bevoegde dienst van de Gemeenschappen, in voorkomend geval, de dienst bevoegd voor het elektronisch toezicht]1 gebeuren in de vorm van verslagen die in afschrift aan het openbaar ministerie worden overgezonden.
§ 5. Indien aan de toekenning van een modaliteit de voorwaarde wordt gekoppeld om een begeleiding of behandeling te volgen, brengt de persoon of dienst die de opdracht aanneemt aan de [1 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]1, binnen een maand na de toekenning van de modaliteit en telkens wanneer die persoon of dienst het nuttig acht, op verzoek van de kamer voor de bescherming van de maatschappij en ten minste om de zes maanden, verslag uit over de opvolging van de begeleiding of behandeling.
Het in het eerste lid bedoelde verslag handelt over de volgende punten : de daadwerkelijke aanwezigheden van de [1 geïnterneerde persoon]1 op de voorgestelde raadplegingen, zijn ongewettigde afwezigheden, het eenzijdig stopzetten van de begeleiding of de behandeling door de [1 geïnterneerde persoon]1, de moeilijkheden die bij de uitvoering daarvan gerezen zijn en de situaties die een ernstig risico inhouden voor derden [1 of voor zichzelf]1.
§ 6. [1 ...]1.
Art. 57. § 1er. Sans préjudice de l'application de l'article 19 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, le ministère public est chargé du contrôle de la personne internée pendant le déroulement [3 du placement visé à l'article 19 et des modalités visées aux articles 20, 21, 23, 24, 25 et 28]3.
§ 2. Le directeur ou le [1 responsable des soins fait rapport à la chambre de protection sociale sur le déroulement du placement ou de la permission de sortie]1, lorsqu'il l'estime utile ou si la chambre de protection sociale l'y invite. Le cas échéant, le directeur ou le [1 responsable des soins]1 propose les mesures qu'il juge utiles.
Les communications entre la chambre de protection sociale et le directeur ou le [1 responsable des soins]1 donnent lieu à des rapports, dont une copie est adressée au ministère public.
§ 3. La chambre de protection sociale peut charger le [1 service compétente des Communautés]1 d'évaluer le déroulement du congé. [2 Le greffe transmet le dossier à ce service pour autant que ce dernier n'en dispose pas encore. Ce dossier contient au moins la copie des jugements et des arrêts, l'exposé des faits pour lesquels l'intéressé a été interné, les rapports d'expertise, l'extrait du casier judiciaire, la copie de la fiche d'écrou, le cas échéant l'avis du directeur ou du responsable des soins et les éventuelles décisions déjà prises par le passé par la chambre de protection sociale, par le juge de protection sociale ou de la Cour de cassation.]2
Cette évaluation est communiquée à la chambre de protection sociale sous la forme d'un rapport, dont une copie est adressée au ministère public et au directeur [1 ou au responsable des soins, selon l'établissement où la personne internée séjourne.]1.
§ 4. En cas d'octroi d'une détention limitée, d'une surveillance électronique ou d'une libération à l'essai, [1 le service compétent des Communautés, le cas échéant, le service compétent en matière de surveillance électronique,]1 fait rapport à la chambre de protection sociale sur le déroulement de la modalité dans le mois de l'octroi de cette dernière, puis à chaque fois qu'il l'estime utile ou que le ministère public ou la chambre de protection sociale l'y invite, et au moins une fois tous les six mois. Le cas échéant, [1 le service compétent des Communautés, le cas échéant, le service compétent en matière de surveillance électronique,]1 propose les mesures qu'il juge utiles.
Les communications entre la chambre de protection sociale et [1 le service compétent des Communautés, le cas échéant, le service compétent en matière de surveillance électronique,]1 donnent lieu à des rapports, dont une copie est adressée au ministère public.
§ 5. Si l'octroi d'une modalité est soumis à la condition de suivre une guidance ou un traitement, la personne ou le service qui accepte la mission adresse [1 au service compétent des Communautés]1, dans le mois de l'octroi de la modalité et chaque fois que cette personne ou ce service l'estime utile, à la demande de la chambre de protection sociale et au moins une fois tous les six mois, un rapport de suivi sur la guidance ou le traitement.
Le rapport visé à l'alinéa 1er porte sur les points suivants : les présences effectives de [1 la personne internée]1 aux consultations proposées, ses absences injustifiées, la cessation unilatérale de la guidance ou du traitement par [1 la personne internée]1, les difficultés survenues dans la mise en oeuvre de ceux-ci et les situations comportant un risque sérieux pour les tiers [1 ou pour elle-même]1.
§ 6. [1 ...]1.
Art. 58. § 1. De geïnterneerde persoon en zijn [1 advocaat]1, het openbaar ministerie en de directeur of de [1 verantwoordelijke voor de zorg]1 kunnen de kamer voor de bescherming van de maatschappij verzoeken een of meer opgelegde voorwaarden te schorsen, nader te omschrijven of aan te passen aan de omstandigheden, zonder dat evenwel de opgelegde voorwaarden kunnen worden verscherpt of bijkomende voorwaarden kunnen worden opgelegd.
Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de [1 strafuitvoeringsrechtbank]1.
[3 ...]3
§ 2. [3 ...]3
§ 3. [3 In voorkomend geval kan de kamer voor de bescherming van de maatschappij via de snelst mogelijke weg bijkomende inlichtingen inwinnen die noodzakelijk zijn om haar beslissing te kunnen nemen.
De kamer voor de bescherming van de maatschappij neemt onverwijld en ten laatste één maand na de ontvangst van het in paragraaf 1 bedoelde verzoek een gemotiveerde beschikking, tenzij zij van oordeel is dat een tegensprekelijke zitting overeenkomstig paragraaf 4 moet worden georganiseerd.
De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan bij gemotiveerde beslissing de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren niettegenstaande verzet.]3

[3 § 3/1. Tegen deze beschikking kan het openbaar ministerie of de advocaat van de geïnterneerde persoon, voor zover het verzoek niet van deze partij is uitgegaan, binnen vijf werkdagen na de kennisgeving verzet aantekenen bij een verklaring op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank. Het verzet heeft opschortende werking, tenzij werd beslist tot onmiddellijke uitvoering.
Ingeval van verzet, wordt de zaak ambtshalve vastgesteld op de eerste nuttige zitting van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, die uiterlijk veertien dagen na de aantekening van het verzet moet plaatsvinden.]3

§ 4. Indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij het nuttig acht om te kunnen oordelen over de schorsing, nadere omschrijving of aanpassing, overeenkomstig § 1, van de opgelegde voorwaarden, kan ze op een zitting hieromtrent verdere informatie inwinnen. Deze zitting moet plaatsvinden ten laatste één maand na de ontvangst van het in § 1 bedoelde schriftelijk verzoek. De geïnterneerde persoon en zijn [1 advocaat]1 evenals het openbaar ministerie worden gehoord. De geïnterneerde persoon verschijnt persoonlijk [2 ...]2. Hij wordt door zijn [1 advocaat]1 vertegenwoordigd indien medisch-psychiatrische vragen in verband met zijn toestand gesteld worden en het bijzonder schadelijk is om deze in zijn aanwezigheid te behandelen.
De [1 advocaat]1 van de geïnterneerde persoon kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
Indien het voorwaarden betreft die in zijn belang zijn opgelegd, kan het slachtoffer worden gehoord. Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de directeur [1 of de verantwoordelijke voor de zorg]1 lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben gesteld in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen. Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een [1 advocaat]1 en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan beslissen eveneens andere personen te horen.
De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
Binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen, beslist de kamer voor de bescherming van de maatschappij.
§ 5. Het vonnis over de schorsing, nadere omschrijving of aanpassing, overeenkomstig § 1, van de opgelegde voorwaarden, wordt bij [1 aangetekende brief]1 meegedeeld aan de geïnterneerde persoon en zijn [1 advocaat]1 en zo snel mogelijk en in elk geval binnen [1 een werkdag]1, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel aan het slachtoffer, indien het voorwaarden betreft die in het belang van het slachtoffer zijn opgelegd, alsook schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur of de [1 verantwoordelijke voor de zorg]1 of de [1 de bevoegde dienst van de Gemeenschappen, in voorkomend geval, de dienst bevoegd voor het elektronisch toezicht]1.
De wijzigingen worden eveneens meegedeeld aan de autoriteiten en instanties, overeenkomstig artikel 44, § 2.
Art. 58. § 1er. La personne internée et son [1 avocat]1, le ministère public et le directeur ou le [1 responsable des soins]1 peuvent demander à la chambre de protection sociale de suspendre une ou plusieurs conditions imposées, de les préciser ou de les adapter aux circonstances, sans toutefois les renforcer ou imposer des conditions complémentaires.
La demande écrite est introduite au greffe [1 du tribunal de l'application des peines]1.
[3 ...]3
§ 2. [3 ...]3
§ 3. [3 Le cas échéant, la chambre de protection sociale peut recueillir, par la voie la plus rapide possible, les renseignements complémentaires nécessaires pour pouvoir prendre sa décision.
La chambre de protection sociale prend sans délai et au plus tard un mois après la réception de la demande visée au paragraphe 1er une ordonnance motivée, sauf si elle estime qu'une audience contradictoire doit être organisée conformément au paragraphe 4.
La chambre de protection sociale peut déclarer, par décision motivée, l'ordonnance exécutoire par provision nonobstant opposition.]3

[3 § 3/1. Le ministère public ou l'avocat de la personne internée, pour autant que la requête n'émane pas de cette partie, peut former opposition à cette ordonnance, dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification par déclaration au greffe du tribunal de l'application des peines. L'opposition a un effet suspensif, à moins que l'exécution immédiate ait été décidée.
En cas d'opposition, l'affaire est fixée d'office à la première audience utile de la chambre de protection sociale, qui doit avoir lieu au plus tard quatorze jours après la notification de l'opposition.]3

§ 4. Si la chambre de protection sociale l'estime utile pour pouvoir se prononcer sur la suspension, la précision ou l'adaptation, conformément au § 1er, des conditions imposées, elle peut organiser une audience pour recueillir de plus amples informations à ce sujet. Cette audience doit avoir lieu au plus tard un mois après la réception de la demande écrite visée au § 1er. La personne internée et son [1 avocat]1 ainsi que le ministère public sont entendus. La personne internée comparaît en personne [2 ...]2. Elle est représentée par son [1 avocat]1 si des questions médicopsychiatriques en rapport avec son état sont posées et qu'il est particulièrement préjudiciable de les examiner en sa présence.
[1 L'avocat]1 de la personne internée peut, à sa demande, obtenir une copie du dossier.
S'il s'agit de conditions qui ont été imposées dans l'intérêt de la victime, celle-ci peut être entendue. La victime est présente à l'audience le temps nécessaire à l'examen de ces conditions. Le ministère public et, le cas échéant, le directeur [1 ou le responsable des soins]1 expliquent à cette occasion les conditions qu'ils ont formulées dans leur avis dans l'intérêt de la victime. La victime peut présenter ses observations. La victime peut se faire représenter ou assister par un [1 avocat]1 et peut se faire assister par le délégué d'un organisme public ou d'une association agréée à cette fin par le Roi.
La chambre de protection sociale peut décider d'entendre également d'autres personnes.
L'audience se déroule à huis clos.
La chambre de protection sociale rend sa décision dans les quatorze jours de la mise en délibéré.
§ 5. Le jugement sur la suspension, sur la précision ou sur l'adaptation, conformément au § 1er, des conditions imposées est notifié par [1 lettre recommandée]1 à la personne internée et à son [1 avocat]1, est porté, le plus rapidement possible et en tout cas [1 dans un délai d'un jour ouvrable]1, par le moyen de communication écrit le plus rapide, à la connaissance de la victime s'il s'agit de conditions qui ont été imposées dans son intérêt et est porté par écrit à la connaissance du ministère public et du directeur ou du [1 responsable des soins]1 ou du [1 le service compétent des Communautés, le cas échéant, le service compétent en matière de surveillance électronique]1.
Les modifications sont également communiquées aux autorités et aux instances visées à l'article 44, § 2.
HOOFDSTUK IV. - De herroeping, de schorsing, de herziening van de in de artikelen [1 ...]1 20, 21, 23, 24, 25 en 28 bedoelde modaliteiten
CHAPITRE IV. - De la révocation, de la suspension et de la révision des modalités visées aux articles [1 ...]1 20, 21, 23, 24, 25 et 28
Afdeling I. - De herroeping
Section Ire. - De la révocation
Art. 59. Het openbaar ministerie kan, met het oog op de herroeping van de toegekende modaliteit, de zaak bij de kamer voor de bescherming van de maatschappij aanhangig maken in de volgende gevallen :
wanneer bij een in kracht van gewijsde [1 gegaan vonnis of arrest]1 wordt vastgesteld dat de geïnterneerde persoon tijdens het verloop van de hem toegekende modaliteit een misdaad of een wanbedrijf [1 zoals bedoeld in artikel 9, § 1, 1°,]1 heeft gepleegd;
wanneer de geïnterneerde persoon een ernstig gevaar vormt voor de fysieke of psychische integriteit van derden of van zichzelf;
wanneer de opgelegde bijzondere voorwaarden niet worden nageleefd;
wanneer de geïnterneerde persoon geen gevolg geeft aan oproepingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, van het openbaar ministerie of, in voorkomend geval, van de [1 de bevoegde dienst van de Gemeenschappen]1;
wanneer de geïnterneerde persoon zijn adreswijziging niet doorgeeft aan het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, aan de [1 de bevoegde dienst van de Gemeenschappen]1 die met de begeleiding is belast;
wanneer er [1 op grond van een medisch verslag]1 redenen zijn om aan te nemen dat de geestestoestand van de geïnterneerde persoon in die mate achteruitgegaan is dat de toegekende modaliteit niet langer aangewezen is;
wanneer de geïnterneerde persoon het programma van de concrete invulling van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht zoals bepaald overeenkomstig artikel 41, niet naleeft.
[1 8° wanneer de geïnterneerde persoon na de toekenning van een vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering nalaat of weigert om het grondgebied effectief te verlaten, niet meewerkt aan zijn verwijdering, niet meewerkt aan zijn identificatie met het oog op het bekomen van een reisdocument of terugkeert zonder de in artikel 36, 4°, vereiste toestemming van de kamer voor de bescherming van de maatschappij.]1
Art. 59. Le ministère public peut, dans les cas suivants, saisir la chambre de protection sociale en vue de la révocation de la modalité accordée :
s'il est constaté, dans [1 un jugement ou un arrêt passé]1 en force de chose jugée, que la personne internée a commis un délit ou un crime [1 visé à l'article 9, § 1, 1°, ]1 pendant le déroulement de la modalité qui lui a été accordée;
si la personne internée met gravement en péril sa propre intégrité physique ou psychique ou celle de tiers;
si les conditions particulières imposées ne sont pas respectées;
si la personne internée ne donne pas suite aux convocations de la chambre de protection sociale, du ministère public ou, le cas échéant, [1 du service compétent des Communautés]1;
si la personne internée ne communique pas son changement d'adresse au ministère public et, le cas échéant, [1 au service compétent des Communautés]1 chargé d'exercer la guidance;
lorsqu'il existe [1 sur la base d'un rapport médical]1 des raisons de penser que l'état mental de la personne internée s'est à ce point détérioré que la modalité accordée n'est plus opportune;
si la personne internée ne respecte pas le programme du contenu concret de la détention limitée ou de la surveillance électronique, comme déterminé conformément à l'article 41.
[1 8° si, après l'octroi d'une libération anticipée en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise, la personne internée omet ou refuse de quitter effectivement le territoire, ne coopère pas à son éloignement, ne coopère pas à son identification en vue de l'obtention d'un document de voyage ou revient sans l'autorisation de la chambre de protection sociale requise à l'article 36, 4°.]1
Art. 60. § 1. In geval van herroeping van de invrijheidstelling op proef of van het elektronisch toezicht wordt de geïnterneerde persoon [2 ...]2 [1 in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, b), c) en d), geplaatst]1 die wordt aangewezen door de kamer voor de bescherming van de maatschappij.
In geval van herroeping van een andere modaliteit wordt de tenuitvoerlegging ervan onmiddellijk stopgezet.
§ 2. [1 In geval van herroeping van een modaliteit, bepaalt de kamer voor de bescherming van de maatschappij overeenkomstig artikel 43 wanneer de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg, naargelang de inrichting waar de geïnterneerde persoon geplaatst is, een nieuw advies moet uitbrengen.]1
Art. 60. § 1er. En cas de révocation de la libération à l'essai ou de la surveillance électronique, la personne internée est [2 ...]2 placée [1 dans un établissement visé à l'article 3, 4°, b), c) et d)]1 désigné par la chambre de protection sociale.
En cas de révocation d'une autre modalité, il est immédiatement mis un terme à son exécution.
§ 2. [1 En cas de révocation d'une modalité, la chambre de protection sociale fixe conformément à l'article 43 quand le directeur ou le responsable des soins, selon l'établissement où la personne internée est placée, doit émettre un nouvel avis.]1
Afdeling II. - De schorsing
Section II. - De la suspension
Art. 61. § 1. In de in artikel 59 bedoelde gevallen kan het openbaar ministerie, met het oog op het schorsen van de toegekende modaliteit, de zaak aanhangig maken bij de kamer voor de bescherming van de maatschappij.
§ 2. In geval van schorsing van de invrijheidstelling op proef of van het elektronisch toezicht wordt de geïnterneerde persoon onmiddellijk [1 in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a), b), c) en d), opgenomen]1 die wordt aangewezen door de kamer voor de bescherming van de maatschappij.
In geval van schorsing van een andere modaliteit wordt de tenuitvoerlegging ervan onmiddellijk stopgezet.
§ 3. Binnen een termijn van ten hoogste één maand, te rekenen van het vonnis tot schorsing, herroept de kamer voor de bescherming van de maatschappij de modaliteit of heft zij de schorsing van de modaliteit op. In dat laatste geval kan de modaliteit worden herzien overeenkomstig artikel 62. Indien binnen deze termijn geen beslissing is genomen, wordt de oorspronkelijke toegekende modaliteit hervat onder dezelfde voorwaarden als voorheen.
[2 De termijn van een maand wordt geschorst tijdens de duur van het uitstel verleend op verzoek van de geïnterneerde persoon en van zijn advocaat.]2
§ 4. Ter gelegenheid van de beslissing tot schorsing kan de kamer voor de bescherming van de maatschappij een uitgangsvergunning of een verlof toekennen en handelen overeenkomstig de artikelen 35, 36, 37, 38 en 39.
Art. 61. § 1er. Dans les cas visés à l'article 59, le ministère public peut saisir la chambre de protection sociale en vue de la suspension de la modalité accordée.
§ 2. En cas de suspension de la libération à l'essai ou de la surveillance électronique, la personne internée est immédiatement [1 hospitalisée dans un établissement visé à l'article 3, 4°, a), b), c) et d)]1 désigné par la chambre de protection sociale.
En cas de suspension d'une autre modalité, il est immédiatement mis un terme à son exécution.
§ 3. Dans un délai d'un mois au maximum à compter du jugement de suspension, la chambre de protection sociale révoque la modalité ou en lève la suspension. Dans ce dernier cas, la modalité peut être revue conformément aux dispositions de l'article 62. Si aucune décision n'intervient dans ce délai, la modalité initialement accordée reprend aux mêmes conditions que précédemment.
[2 Le délai d'un mois est suspendu pendant la durée de la remise accordée à la demande de la personne internée et de son avocat.]2
§ 4. La chambre de protection sociale peut, dans le cadre de la décision de suspension, accorder une permission de sortie ou un congé et agir conformément aux dispositions des articles 35, 36, 37, 38 et 39.
Afdeling III. - De herziening
Section III. - De la révision
Art. 62. § 1. Ingeval de kamer voor de bescherming van de maatschappij, waarbij overeenkomstig de artikelen 59 of 61 de zaak aanhangig is gemaakt, van oordeel is dat de herroeping niet noodzakelijk is in het belang van de geïnterneerde persoon, van de samenleving of van het slachtoffer, kan zij de modaliteit herzien. In dat geval kan de kamer voor de bescherming van de maatschappij de opgelegde voorwaarden verscherpen, bijkomende voorwaarden opleggen of overschakelen naar een andere, meer aan de situatie aangepaste modaliteit, zoals bepaald in de artikelen [1 ...]1 20, 21, 23 en 24. De modaliteit wordt evenwel herroepen indien de geïnterneerde persoon niet instemt met de nieuwe voorwaarden of met de andere meer aan de situatie aangepaste modaliteit.
§ 2. Indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist de opgelegde voorwaarden te verscherpen of bijkomende voorwaarden op te leggen of een andere meer aan de situatie aangepaste modaliteit toe te kennen, bepaalt zij het ogenblik waarop deze beslissing uitvoerbaar wordt.
Art. 62. § 1er. Si la chambre de protection sociale, saisie conformément à l'article 59 ou 61, estime que la révocation n'est pas nécessaire dans l'intérêt de la personne internée, de la société ou de la victime, elle peut revoir la modalité. Dans ce cas, la chambre de protection sociale peut renforcer les conditions imposées, imposer des conditions supplémentaires ou accorder une autre modalité mieux adaptée à la situation, conformément aux dispositions des articles [1 ...]1 20, 21, 23 et 24. La modalité est toutefois révoquée si la personne internée ne marque pas son accord sur les nouvelles conditions ou sur l'autre modalité mieux adaptée à la situation.
§ 2. Si la chambre de protection sociale décide de renforcer les conditions imposées, d'imposer des conditions supplémentaires ou d'accorder une autre modalité mieux adaptée à la situation, elle fixe le moment à partir duquel cette décision devient exécutoire.
Art. 63.
Art. 63.
Afdeling IV. - De procedure
Section IV. - De la procédure
Art. 64. § 1. Het openbaar ministerie kan, met het oog op een herroeping, schorsing of herziening van de toegekende modaliteit, de zaak aanhangig maken bij de kamer voor de bescherming van de maatschappij.
De zaak wordt behandeld op de eerste nuttige zitting van de kamer voor de bescherming van de maatschappij en uiterlijk binnen vijftien dagen na de aanhangigmaking.
De geïnterneerde persoon en zijn [1 advocaat]1 en het slachtoffer worden ten minste vijf dagen voor de datum van de behandeling van het dossier per [1 aangetekende brief]1 opgeroepen.
De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
§ 2. [1 Het dossier wordt ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de geïnterneerde persoon en zijn advocaat op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of op de griffie van de inrichting waar de geïnterneerde verblijft.
De geïnterneerde persoon en zijn advocaat kunnen op hun verzoek een afschrift van het dossier verkrijgen.
Op advies van de psychiater van de inrichting of van de behandelende psychiater kan de rechter voor de bescherming van de maatschappij de geïnterneerde persoon in een met redenen omklede beschikking inzage en afschrift van zijn dossier of een gedeelte ervan ontzeggen wanneer die inzage een klaarblijkelijk ernstig nadeel voor zijn gezondheid kan meebrengen.]1

§ 3. De kamer voor de bescherming van de maatschappij hoort de geïnterneerde persoon en zijn [1 advocaat]1, alsook het openbaar ministerie.
De geïnterneerde persoon verschijnt persoonlijk. Hij wordt door zijn [1 advocaat]1 vertegenwoordigd indien medisch-psychiatrische vragen in verband met zijn toestand gesteld worden en het bijzonder schadelijk is om deze in zijn aanwezigheid te behandelen.
Indien het de niet-naleving betreft van de voorwaarden die in het belang van het slachtoffer zijn opgelegd, wordt het slachtoffer hieromtrent gehoord. Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om [1 de niet-naleving van]1 deze voorwaarden te onderzoeken. [1 ...]1. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.
Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een [1 advocaat]1 en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan beslissen eveneens andere personen te horen.
§ 4. Binnen zeven dagen nadat de zaak in beraad is genomen, beslist de kamer voor de bescherming van de maatschappij over de herroeping, de schorsing of de herziening.
§ 5. Het vonnis wordt binnen [1 binnen een werkdag bij aangetekende brief]1 ter kennis gebracht van de geïnterneerde persoon en zijn [1 advocaat]1 en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur van de inrichting [2 zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a) en b), of de verantwoordelijke voor de zorg, indien de geïnterneerde persoon geplaatst is in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, c) en d)]2 of van [1 de bevoegde dienst van de Gemeenschappen, in voorkomend geval, de dienst bevoegd voor het elektronisch toezicht]1.
Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, op de hoogte gebracht van de herroeping of de schorsing van de modaliteit of, in geval van herziening, van de in zijn belang gewijzigde voorwaarden of van de andere modaliteit die toegekend werd.
§ 6. Het vonnis tot herroeping, schorsing of herziening wordt meegedeeld aan de autoriteiten en instanties die overeenkomstig artikel 44, § 2, op de hoogte moeten worden gebracht.
§ 7. Tegen een vonnis van herroeping, schorsing en herziening bij verstek kan verzet aangetekend worden.
Art. 64. § 1er. Le ministère public peut saisir la chambre de protection sociale en vue d'une révocation, d'une suspension ou d'une révision de la modalité accordée.
L'examen de l'affaire a lieu à la première audience utile de la chambre de protection sociale et au plus tard dans les quinze jours de la saisine.
La personne internée et son [1 avocat]1 ainsi que la victime sont convoqués par [1 lettre recommandée]1 au moins cinq jours avant la date de l'examen du dossier.
L'audience se déroule à huis clos.
§ 2. [1 Le dossier est tenu, pendant au moins quatre jours avant la date fixée pour l'audience, à la disposition de la personne internée et de son avocat pour consultation au greffe du tribunal de l'application des peines ou au greffe de l'établissement où l'interné séjourne.
La personne internée et son avocat peuvent, à leur demande, obtenir une copie du dossier.
Sur avis du psychiatre de l'établissement ou du psychiatre traitant, le juge de protection sociale peut, par une ordonnance motivée, refuser à la personne internée d'accéder à son dossier ou à une partie de son dossier et d'en obtenir une copie si cet accès peut manifestement nuire gravement à sa santé.]1

§ 3. La chambre de protection sociale entend la personne internée et son [1 avocat]1 ainsi que le ministère public.
La personne internée comparaît en personne. Elle est représentée par son [1 avocat]1 si des questions médicopsychiatriques sont posées en rapport avec son état et qu'il est particulièrement préjudiciable de les examiner en sa présence.
S'il s'agit du non-respect des conditions qui ont été imposées dans l'intérêt de la victime, la victime est entendue. La victime est présente à l'audience le temps nécessaire à l'examen [1 du non-respect]1 de ces conditions. [1 ...]1. La victime peut présenter ses observations.
La victime peut se faire représenter ou assister par un [1 avocat]1 et peut se faire assister par le délégué d'un organisme public ou d'une association agréée à cette fin par le Roi.
La chambre de protection sociale peut décider d'entendre également d'autres personnes.
§ 4. La chambre de protection sociale rend sa décision sur la révocation, la suspension ou la révision dans les sept jours de la mise en délibéré.
§ 5. Le jugement est notifié [1 dans un délai d'un jour ouvrable, par lettre recommandée]1, à la personne internée et à son [1 avocat]1 et porté par écrit à la connaissance du ministère public et du directeur de l'établissement [2 visé à l'article 3, 4°, a) et b), ou du responsable des soins, si la personne internée est placée dans un établissement visé à l'article 3, 4°, c) et d),]2 ou [1 du service compétent des Communautés, le cas échéant, le service compétent en matière de surveillance électronique]1.
La victime est informée, le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide, de la révocation ou de la suspension de la modalité ou, en cas de révision, des conditions modifiées dans son intérêt ou de l'autre modalité qui a été accordée.
§ 6. Le jugement de révocation, de suspension ou de révision est communiqué aux autorités et instances qui, conformément à l'article 44, § 2, doivent être mises au courant.
§ 7. Un jugement de révocation, de suspension ou de révision par défaut est susceptible d'opposition.
Afdeling V. - De voorlopige aanhouding
Section V. - De l'arrestation provisoire
Art. 65. [3 § 1.]3 [1 Wanneer de geïnterneerde persoon een ernstig gevaar vormt voor de fysieke of psychische integriteit van derden, kan de procureur des Konings van het arrondissement waar de geïnterneerde persoon zich bevindt of het openbaar ministerie bij de bevoegde strafuitvoeringsrechtbank, zijn voorlopige aanhouding bevelen, onder verplichting de bevoegde kamer voor de bescherming van de maatschappij en desgevallend het openbaar ministerie daarvan onmiddellijk in kennis te stellen.]1
[1 De voorlopige aanhouding wordt uitgevoerd in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a) [2 , b) en c)]2.]1
De bevoegde kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist binnen zeven werkdagen na de opsluiting van de geïnterneerde persoon over de schorsing van de toegekende modaliteit. Dit vonnis wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de geïnterneerde persoon en zijn [1 advocaat]1, aan het openbaar ministerie en aan de directeur van de inrichting of van [1 de bevoegde dienst van de Gemeenschappen, in voorkomend geval de dienst bevoegd voor het elektronisch toezich]1.
De beslissing tot schorsing is overeenkomstig artikel 61, § 3, geldig voor de duur van één maand.
[3 § 2. De voorlopige aanhouding is ook mogelijk in de periode nadat de internering bevolen werd doch vooraleer de bevoegde kamer voor de bescherming van de maatschappij een beslissing heeft genomen overeenkomstig artikel 34.
De voorlopige aanhouding wordt uitgevoerd in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a), b) en c).
De bevoegde kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist binnen zeven werkdagen na de opsluiting van de geïnterneerde persoon over de handhaving van de voorlopige aanhouding. Dit vonnis wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de geïnterneerde persoon en zijn advocaat, aan het openbaar ministerie, aan de directeur indien de geïnterneerde persoon verblijft in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a) en b), aan de verantwoordelijke voor de zorg, indien de geïnterneerde persoon geplaatst is in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, c), en aan de bevoegde dienst van de Gemeenschappen.
De beslissing tot handhaving is geldig voor de duur van één maand. Binnen deze termijn wordt de zaak behandeld op de zitting van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, overeenkomstig artikel 29 § 2.]3

Art. 65. [3 § 1er.]3 [1 Si la personne internée met gravement en péril l'intégrité physique ou psychique de tiers, le procureur du Roi de l'arrondissement dans lequel la personne internée se trouve ou le ministère public près le tribunal de l'application des peines compétent peut ordonner son arrestation provisoire, à charge d'en donner immédiatement avis à la chambre de protection sociale compétente et, le cas échéant, au ministère public.]1
[1 L'arrestation provisoire est exécutée dans un établissement visé à l'article 3, 4°, a) [2 , b) et c)]2.]1
La chambre de protection sociale compétente se prononce sur la suspension de la modalité dans les sept jours ouvrables qui suivent l'incarcération de la personne internée. Ce jugement est communiqué par écrit, dans les vingt-quatre heures, à la personne internée et à son [1 avocat]1, au ministère public et au directeur de l'établissement ou [1 du service compétent des Communautés, le cas échéant le service compétent en matière de surveillance électronique]1.
La décision de suspension est valable pour une durée d'un mois, conformément à l'article 61, § 3.
[3 § 2. L'arrestation provisoire est également possible dans la période après que l'internement a été ordonné mais avant que la chambre de protection sociale compétente ait pris une décision conformément à l'article 34.
L'arrestation provisoire est exécutée dans un établissement visé à l'article 3, 4°, a), b) en c).
La chambre de protection sociale compétente se prononce sur le maintien de l'arrestation provisoire dans les sept jours ouvrables qui suivent l'incarcération de la personne internée. Ce jugement est communiqué par écrit, dans les vingt-quatre heures, à la personne internée et à son avocat, au ministère public, au directeur, si la personne internée séjourne dans un établissement visé à l'article 3, 4°, a) et b), au responsable des soins, si la personne internée a été placée dans un établissement visé à l'article 3, 4°, c), et au service compétent des Communautés.
La décision de maintien est valable pour une durée d'un mois. Dans ce délai, l'affaire est examinée à l'audience de la chambre de protection sociale, conformément à l'article 29, § 2.]3

HOOFDSTUK V. - De definitieve invrijheidstelling
CHAPITRE V. - De la libération définitive
Afdeling I. - Voorwaarden
Section Ire. - Des conditions
Art. 66. Behoudens in het geval van artikel 42, § 2, kan de definitieve invrijheidstelling worden toegekend aan de geïnterneerde persoon :
a) bij het verstrijken van de in artikel 42, § 1, bepaalde proeftermijn; én
b) [1 op voorwaarde dat de geestesstoornis voldoende gestabiliseerd is, zodat redelijkerwijze niet te vrezen valt dat de geïnterneerde persoon, al dan niet ten gevolge van zijn geestesstoornis, eventueel in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw misdrijven zoals bedoeld in artikel 9, § 1, 1°, zal plegen.]1.
Art. 66. En dehors du cas prévu à l'article 42, § 2, la libération définitive peut être octroyée à la personne internée :
a) à l'expiration du délai d'épreuve prévu à l'article 42, § 1er; et
b) [1 à condition que le trouble mental soit suffisamment stabilisé pour qu'il n'y ait raisonnablement plus à craindre qu'à cause de son trouble mental ou non, en conjonction éventuellement avec d'autres facteurs de risque, la personne internée [2 commette]2 à nouveau des infractions visées à l'article 9, § 1, 1°.]1
Afdeling II. - De toekenningsprocedure
Section II. - De la procédure d'octroi
Art. 67. § 1. [1 Drie maanden voor het einde van de proeftermijn waaraan de invrijheidstelling op proef overeenkomstig artikel 42, § 1, onderworpen is, deelt de bevoegde dienst van de Gemeenschappen aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij een eindverslag mee waarvan een afschrift aan het openbaar ministerie wordt gezonden.
Twee maanden voor het einde van de proeftermijn stelt het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies op, zendt dit over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en deelt het in afschrift mee aan de geïnterneerde persoon en zijn advocaat. Wanneer het openbaar ministerie dit noodzakelijk acht om te oordelen of de voorwaarden voor een definitieve invrijheidstelling vervuld zijn, vordert het een nieuw forensisch psychiatrisch onderzoek dat voldoet aan de vereisten van de artikelen 5, § 2, 3° en 4°, 7 en 8.
Eén maand voor het einde van de proeftermijn beslist de kamer voor de bescherming van de maatschappij over de definitieve invrijheidstelling.
Indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist tot de uitvoering van een nieuw forensisch psychiatrisch onderzoek dat voldoet aan vereisten van de artikelen 5, § 2, 7 en 8, wordt de proeftermijn van rechtswege verlengd met vier maanden.]1

§ 2. De geïnterneerde persoon en zijn [1 advocaat]1 worden bij [1 aangetekende brief]1 in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.
§ 3. Het dossier wordt gedurende ten minste [1 tien]1 dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de geïnterneerde persoon en zijn [1 advocaat]1 op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
De geïnterneerde persoon kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen. Ook de [1 advocaat]1 van de geïnterneerde persoon kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier krijgen.
§ 4. [1 ...]1.
Art. 67. § 1er.[1 Trois mois avant la fin du délai d'épreuve auquel la libération à l'essai est soumise conformément à l'article 42, § 1er, le service compétent des Communautés communique à la chambre de protection sociale un rapport final, dont une copie est adressée au ministère public.
Deux mois avant la fin du délai d'épreuve, le ministère public rédige un avis motivé, l'adresse au greffe du tribunal de l'application des peines et en communique une copie à la personne internée et à son avocat. Si le ministère public le juge nécessaire pour apprécier si les conditions d'une libération définitive sont réunies, il requiert une nouvelle expertise psychiatrique médicolégale qui répond aux exigences des articles 5, § 2, 3° et 4°, 7 et 8.
Un mois avant la fin du délai d'épreuve, la chambre de protection sociale se prononce sur la libération définitive.
Si la chambre de protection sociale prononce l'exécution d'une nouvelle expertise psychiatrique médicolégale qui répond aux exigences des articles 5, § 2, 7 et 8, le délai d'épreuve est automatiquement prolongé de quatre mois.]1

§ 2. La personne internée et son [1 avocat]1 sont informés par [1 lettre recommandée]1 du lieu, jour et heure de l'audience.
§ 3. Le dossier est tenu, pendant au moins [1 dix]1 jours avant la date fixée pour l'audience, à la disposition de la personne internée et de son [1 avocat]1 pour consultation au greffe du tribunal de l'application des peines.
La personne internée peut, à sa demande, obtenir une copie du dossier. L'[1 avocat]1 de la personne internée peut lui aussi, à sa demande, obtenir une copie du dossier.
§ 4. [1 ...]1.
Art. 68. De kamer voor de bescherming van de maatschappij hoort de geïnterneerde persoon en zijn [1 advocaat]1 evenals het openbaar ministerie en desgevallend het slachtoffer.
De geïnterneerde persoon verschijnt persoonlijk. Hij wordt door zijn [1 advocaat]1 vertegenwoordigd indien medisch-psychiatrische vragen in verband met zijn toestand gesteld worden en het bijzonder schadelijk is om deze in zijn aanwezigheid te behandelen.
[1 Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om de in zijn belang opgelegde voorwaarden te evalueren. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.]1
Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een [1 advocaat]1 en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan beslissen eveneens andere personen te horen.
Art. 68. La chambre de protection sociale entend la personne internée et son [1 avocat]1, ainsi que le ministère public, et le cas échéant la victime.
La personne internée comparaît en personne. Elle est représentée par son [1 avocat]1 si des questions médicopsychiatriques en rapport avec son état sont posées et qu'il est particulièrement préjudiciable de les examiner en sa présence.
[1 La victime est présente à l'audience le temps nécessaire à l'évaluation des conditions imposées dans son intérêt. La victime peut présenter ses observations.]1
La victime peut se faire représenter ou assister par un [1 avocat]1 et peut se faire assister par le délégué d'un organisme public ou d'une association agréée à cette fin par le Roi.
La chambre de protection sociale peut décider d'entendre également d'autres personnes.
Art. 69. De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
Art. 69. L'audience se déroule à huis clos.
Art. 70. De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan de behandeling van de zaak eenmaal uitstellen tot een latere zitting, zonder dat die zitting meer dan twee maanden na het uitstel mag plaatsvinden en zonder dat het einde van de proeftermijn mag overschreden worden.
In voorkomend geval blijft de geïnterneerde persoon onderworpen aan de hem opgelegde voorwaarden tot hem de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij overeenkomstig artikel 75 is ter kennis gebracht.
Art. 70. La chambre de protection sociale peut remettre une seule fois l'examen de l'affaire à une audience ultérieure, sans que cette audience puisse avoir lieu plus de deux mois après la remise et sans que la fin du délai d'épreuve puisse être dépassée.
Le cas échéant, la personne internée reste soumise aux conditions qui lui sont imposées jusqu'au moment où la décision de la chambre de protection sociale lui a été notifiée conformément à l'article 75.
Afdeling III. - De beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij
Section III. - De la décision de la chambre de protection sociale
Onderafdeling I. - Algemene bepaling
Sous-section Ire. - Disposition générale
Art. 71. De kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen over de definitieve invrijheidstelling.
Art. 71. La chambre de protection sociale rend sa décision sur la libération définitive dans les quatorze jours de la mise en délibéré.
Onderafdeling II. - De beslissing tot toekenning
Sous-section II. - De la décision d'octroi
Art. 72. [1 Het in kracht van gewijsde getreden vonnis]1 tot toekenning van de definitieve invrijheidstelling maakt een einde aan de internering.
Art. 72. [1 Le jugement passé en force de chose jugée]1 d'octroi de la libération définitive met un terme à l'internement.
Onderafdeling III. - De beslissing tot niet-toekenning
Sous-section III. - De la décision de non-octroi
Art. 73. [1 Indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij de definitieve invrijheidstelling niet toekent, kan zij de proeftermijn van de invrijheidstelling op proef verlengen, onder dezelfde voorwaarden als voorheen of met aangepaste voorwaarden zonder deze echter te kunnen verscherpen of bijkomende voorwaarden te kunnen opleggen, met een telkens hernieuwbare termijn van maximaal twee jaar.]1
Art. 73. [1 Si la chambre de protection sociale n'octroie pas la libération définitive, elle peut prolonger le délai d'épreuve de la libération à l'essai, aux mêmes conditions que précédemment ou avec des conditions adaptées, sans toutefois les renforcer ou en imposer des supplémentaires, pour une durée de deux ans au maximum, chaque fois renouvelable.]1
Art. 74. Eén maand voor het einde van de overeenkomstig artikel 73 verlengde proeftermijn beslist de kamer voor de bescherming van de maatschappij overeenkomstig de artikelen 67 tot 73 over de definitieve invrijheidstelling.
Art. 74. Un mois avant la fin du délai d'épreuve prolongé conformément à l'article 73, la chambre de protection sociale se prononce conformément aux articles 67 à 73 sur la libération définitive.
Onderafdeling IV. - De mededeling van de beslissing
Sous-section IV. - De la communication de la décision
Art. 75. § 1. Het vonnis wordt [1 binnen een werkdag bij aangetekende brief]1 ter kennis gebracht van de geïnterneerde persoon en zijn [2 advocaat]2 en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie [3 , van de directeur van de bevoegde dienst van de Gemeenschappen indien de geïnterneerde persoon in vrijheid is [4 en van de verantwoordelijke van de residentiële instelling]4 ingeval de betrokkene een invrijheidsstelling op proef ondergaat overeenkomstig artikel 42, § 3]3.
Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, op de hoogte gebracht van de toekenning van de definitieve invrijheidstelling of van de verlenging van de proeftermijn.
§ 2. Het vonnis tot toekenning van de definitieve invrijheidstelling of van de verlenging van de proeftermijn wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de geïnterneerde persoon tijdens de invrijheidstelling op proef is gevestigd;
de nationale gegevensbank die bedoeld wordt in [1 artikel 44/2]1 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
[1 in voorkomend geval, de bevoegde dienst van de Gemeenschappen die met de begeleiding is belast.]1
Art. 75. § 1er. Le jugement est notifié dans [1 un délai d'un jour ouvrable par lettre recommandée]1, à la personne internée et à son [2 avocat]2 et porté par écrit à la connaissance du ministère public [3 , du directeur du service compétent des Communautés si la personne internée est en liberté [4 et du responsable de l'institution résidentielle]4 si l'intéressé fait l'objet d'une libération à l'essai conformément à l'article 42, § 3]3.
La victime est informée dans les plus brefs délais et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide, de l'octroi de la libération définitive ou de la prolongation du délai d'épreuve.
§ 2. Le jugement d'octroi de la libération définitive ou de prolongation du délai d'épreuve est communiqué aux autorités et instances suivantes :
le chef de corps de la police locale de la commune où la personne internée était établie pendant la libération à l'essai;
la banque de données nationale visée à l'[1 article 44/2]1 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police;
[1 le cas échéant, le service compétent des Communautés chargé d'exercer la guidance]1
TITEL V. - Gelijktijdige tenuitvoerlegging van een internering en een veroordeling tot een vrijheidsstraf
TITRE V. - De l'exécution simultanée d'un internement et d'une condamnation à une peine privative de liberté
Art. 76. [1 De bepalingen van deze wet zijn van toepassing op een persoon die zowel een vrijheidsstraf als een internering ondergaat.]1
[1 In afwijking van artikel 19 wordt de persoon die zowel een vrijheidsstraf als een internering ondergaat, geplaatst in een inrichting vermeld in artikel 3, 4°, b) of c). Indien hij de toelaatbaarheidsdatum voor een voorwaardelijke invrijheidstelling zoals bedoeld in artikel 25 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, heeft bereikt, kan hij ook worden geplaatst in een inrichting vermeld in artikel 3, 4°, d).]1
[1 Voor de toepassing van de voormelde wet wordt de duur van [2 de plaatsing in een inrichting vermeld in artikel 3, 4°, a), b), c) of d)]2 gelijkgesteld met detentie.]1
Art. 76. [1 Les dispositions de la présente loi s'appliquent à une personne qui subit et une peine privative de liberté et un internement.]1
[1 Par dérogation à l'article 19, la personne qui subit et une peine privative de liberté et un internement est placée dans un établissement visé à l'article 3, 4°, b) ou c). Si elle a atteint la date d'admissibilité à la libération conditionnelle telle que visée à l'article 25 de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine, elle peut également être placée dans un établissement visé à l'article 3, 4°, d).]1
[1 Pour l'application de la loi précitée, la durée [2 du placement dans un établissement visé à l'article 3, 4°, a), b), c) ou d)]2 est assimilée à la détention.]1
Art. 77. [1 § 1.]1 De toekenning van een uitgaansvergunning, verlof, beperkte detentie, elektronisch toezicht [1 , invrijheidsstelling op proef en [2 vervroegde]2 invrijheidsstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering,]1 is slechts mogelijk overeenkomstig de tijdsvoorwaarden zoals bepaald door de artikelen 4, 7, 23, § 1, 25 of 26 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten.
In geval van invrijheidsstelling op proef mag de door de kamer voor de bescherming van de maatschappij te bepalen termijn niet korter zijn dan de [2 periode dat de veroordeelde, indien hij uitsluitend een vrijheidsstraf zou ondergaan, onder toezicht van de strafuitvoeringsrechtbank zou hebben gestaan]2.
[1 § 2. Op het ogenblik dat de duur van de invrijheidstelling de [2 periode overschrijdt waarin de persoon, indien hij uitsluitend een vrijheidsstraf zou ondergaan, onder toezicht van de strafuitvoeringsrechtbank zou hebben gestaan]2, wordt de betrokken persoon van rechtswege definitief in vrijheid gesteld voor wat betreft de veroordelingen.
§ 3. Indien de geestestoestand van de betrokken persoon voldoende [2 gestabiliseerd]2 is voorafgaand aan het bereiken van de tijdsvoorwaarden voor de invrijheidstelling op proef zoals bepaald overeenkomstig paragraaf 1, kan de kamer voor de bescherming van de maatschappij, voor wat betreft de tenuitvoerlegging van de internering, beslissen tot een definitieve invrijheidsstelling overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 77/9, §§ 1 tot 9.
Ingeval een beslissing tot definitieve invrijheidsstelling van de internering wordt genomen, wordt de vrijheidsstraf verder ten uitvoer gelegd in een gevangenis. De bepalingen van de voormelde wet zijn vanaf dat ogenblik van toepassing.]1

Art. 77. [1 § 1er.]1 L'octroi d'une permission de sortie, d'un congé, d'une détention limitée, d'une surveillance électronique [1 d'une libération à l'essai et d'une mise en liberté [2 anticipée]2 en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise,]1 n'est possible que conformément aux conditions de temps prévues aux articles 4, 7, 23, § 1er, 25 ou 26 de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine.
En cas de libération à l'essai, le délai à fixer par la chambre de protection sociale ne peut être inférieur [2 à la période pendant laquelle le condamné, s'il subissait uniquement une peine privative de liberté, aurait été placé sous la surveillance du tribunal de l'application des peines]2.
[1 § 2. Au moment où la durée de la libération excède [2 la période au cours de laquelle la personne, si elle subissait uniquement une peine privative de liberté, aurait été placée sous la surveillance du tribunal de l'application des peines]2, la personne concernée est libérée définitivement de plein droit en ce qui concerne les condamnations.
§ 3. Si l'état mental de la personne concernée s'est suffisamment [2 stabilisé]2 avant qu'elle ne remplisse les conditions de temps pour bénéficier de la libération à l'essai prévue conformément au paragraphe 1er, la chambre de protection sociale peut prononcer, pour ce qui concerne l'exécution de l'internement, une libération définitive conformément à la procédure prévue à l'article 77/9, §§ 1er à 9.
Si une décision de libération définitive est prise pour la partie internement, l'exécution de la peine privative de liberté se poursuit en prison. Les dispositions de la loi précitée sont d'application à partir de ce moment.]1

TITEL Vbis. - [1 De internering van veroordeelden]1
TITRE Vbis. [1 De l'internement de condamnés]1
HOOFDSTUK I. [1 De beslissing tot internering]1
CHAPITRE Ier. - [1 De la décision d'internement]1
Art. 77/1. [1 § 1. De veroordeelde die het voorwerp is van minstens één veroordeling wegens een misdaad of wanbedrijf zoals bedoeld in artikel 9, § 1, 1°, bij wie tijdens de detentie door de psychiater van de gevangenis een geestesstoornis met een duurzaam karakter wordt vastgesteld die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden teniet doet of ernstig aantast of en ten aanzien van wie het gevaar bestaat dat hij ten gevolge van zijn geestesstoornis opnieuw misdrijven zal plegen zoals bedoeld in artikel 9, § 1, 1°, kan op verzoek van de directeur worden geïnterneerd door de bevoegde kamer voor de bescherming van de maatschappij.
§ 2. Indien bij deze persoon een in paragraaf 1 bedoelde toestand wordt vastgesteld, stelt de directeur een advies tot internering op.
Om zijn advies op te stellen, stelt de directeur een dossier samen dat bestaat uit :
een afschrift van de opsluitingsfiche;
een afschrift van de vonnissen en de arresten;
een uittreksel uit het strafregister;
de uiteenzetting van de feiten waarvoor de betrokkene werd veroordeeld;
het verslag van de psychiater van de gevangenis;
een recent verslag van de psychosociale dienst van de gevangenis.
§ 3. De directeur maakt het dossier over aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij en de griffie deelt een afschrift ervan mee aan het openbaar ministerie, de veroordeelde en zijn advocaat. De kamer voor de bescherming van de maatschappij beveelt onverwijld een forensisch psychiatrisch onderzoek dat voldoet aan de vereisten van de artikelen 5, [2 § 1]2, 3° en 4°, 7 en 8.
De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan beslissen dat de veroordeelde ter observatie wordt opgenomen. In dat geval wordt de veroordeelde overgebracht naar het door de Koning opgericht beveiligd klinisch observatiecentrum. De observatiestelling mag twee maanden niet te boven gaan.
§ 4. Binnen de maand na de ontvangst van het verslag van de deskundige, stelt het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies op, zendt dit aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij en deelt het in afschrift mee aan de veroordeelde, zijn advocaat en de directeur.]1

Art. 77/1. [1 § 1er. Le condamné qui fait l'objet d'au moins une condamnation pour un crime ou un délit visé à l'article 9, § 1er, 1°, chez qui le psychiatre de la prison constate, au cours de la détention, un trouble mental ayant un caractère durable qui abolit ou altère gravement sa capacité de discernement ou de contrôle de ses actes et qui risque de commettre de nouvelles infractions, telles que visées à l'article 9, § 1er, 1°, en raison de son trouble mental, peut être interné, sur demande du directeur, par la chambre de protection sociale compétente.
§ 2. Si un état visé au paragraphe 1er est constaté chez cette personne, le directeur rédige un avis d'internement.
Pour rédiger son avis, le directeur constitue un dossier contenant :
une copie de la fiche d'écrou;
une copie des jugements et arrêts;
un extrait du casier judiciaire;
l'exposé des faits pour lesquels l'intéressé a été condamné;
le rapport du psychiatre de la prison;
un récent rapport du service psychosocial de la prison.
§ 3. Le directeur transmet le dossier à la chambre de protection sociale et le greffe en remet une copie au ministère public, au condamné et à son avocat. La chambre de protection sociale ordonne immédiatement une expertise psychiatrique médicolégale qui répond aux conditions des articles 5, [2 § 1er]2, 3° et 4°, 7 et 8.
La chambre de protection sociale peut décider que le condamné sera mis en observation. Dans ce cas, le condamné est transféré au centre d'observation clinique sécurisé créé par le Roi. La mise en observation ne peut excéder deux mois.
§ 4. Dans le mois de la réception du rapport d'expertise, le ministère public rédige un avis motivé, le transmet à la chambre de protection sociale et en copie au condamné, à son avocat et au directeur.]1

Art. 77/2. [1 § 1. De kamer voor de bescherming van de maatschappij behandelt de zaak op de eerste nuttige zitting na de ontvangst van het advies van het openbaar ministerie. Deze zitting vindt plaats uiterlijk twee maanden na de ontvangst van het verslag van de deskundige. Indien geen advies van het openbaar ministerie wordt toegezonden binnen de bij artikel 77/1, § 4, bepaalde termijn, brengt het openbaar ministerie zijn advies mondeling uit op de zitting.
De veroordeelde en zijn advocaat worden bij aangetekende brief en de directeur schriftelijk in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.
§ 2. Het dossier wordt gedurende ten minste tien dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn advocaat op de griffie van de gevangenis waar de veroordeelde zijn straf ondergaat. De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier krijgen. De advocaat van de veroordeelde kan op zijn verzoek een afschrift van het dossier verkrijgen.]1

Art. 77/2. [1 § 1er. La chambre de protection sociale examine le dossier à la première audience utile suivant la réception de l'avis du ministère public. Cette audience a lieu au plus tard deux mois après la réception du rapport d'expertise. Si le ministère public ne communique pas d'avis dans le délai fixé à l'article 77/1, § 4, il rend son avis verbalement à l'audience.
Le condamné et son avocat sont informés par lettre recommandée et le directeur par écrit des lieu, jour et heure de l'audience.
§ 2. Le dossier est tenu, pendant au moins dix jours avant la date fixée pour l'audience, à la disposition du condamné et de son avocat pour consultation au greffe de la prison où le condamné subit sa peine. Le condamné peut, à sa demande, obtenir une copie du dossier. L' avocat du condamné peut, à sa demande, obtenir une copie du dossier.]1

Art. 77/3. [1 De kamer voor de bescherming van de maatschappij hoort de veroordeelde en zijn advocaat, het openbaar ministerie en de directeur.
De veroordeelde verschijnt persoonlijk.
De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan beslissen eveneens andere personen te horen.
De zitting vindt plaats met gesloten deuren.]1

Art. 77/3. [1 La chambre de protection sociale entend le condamné et son avocat, le ministère public et le directeur.
Le condamné comparaît en personne.
La chambre de protection sociale peut décider d'entendre d'autres personnes également.
L'audience se déroule à huis clos.]1

Art. 77/4. [1 De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan de behandeling van de zaak eenmalig uitstellen tot een latere zitting zonder dat die zitting meer dan twee maanden na het uitstel mag plaatsvinden.]1
Art. 77/4. [1 La chambre de protection sociale peut remettre une seule fois l'examen du dossier à une audience ultérieure, sans que cette audience puisse avoir lieu plus de deux mois après la remise.]1
Art. 77/5. [1 De kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
Indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij de internering van de veroordeelde uitspreekt, duidt zij de psychiatrische afdeling van de gevangenis aan waar de veroordeelde naar wordt overgebracht, in afwachting van het in kracht van gewijsde treden van het vonnis.
Het vonnis wordt binnen een werkdag bij aangetekende brief ter kennis gebracht van de betrokkene en zijn advocaat en het slachtoffer, en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur van de inrichting.]1

Art. 77/5. [1 La chambre de protection sociale prend une décision dans les quatorze jours de la mise en délibéré du dossier.
Si la chambre de protection sociale prononce l'internement du condamné, elle désigne l'annexe psychiatrique de la prison dans laquelle le condamné sera transféré dans l'attente de l'acquisition de force jugée du jugement.
Dans un délai d'un jour ouvrable, le jugement est porté à la connaissance de l'intéressé et de son avocat et à la victime par lettre recommandée et du ministère public et du directeur de l'établissement par écrit.]1

HOOFDSTUK II. - [1 Hoger beroep]1
CHAPITRE 2. - [1 De l'appel]1
Art. 77/6. [1 § 1. Tegen het vonnis van de kamer voor de bescherming van de maatschappij kan hoger beroep worden ingesteld door het openbaar ministerie en door de veroordeelde bij de correctionele kamer van het hof van beroep.
§ 2. Het hoger beroep moet worden ingesteld binnen een termijn van vijftien dagen die, ten aanzien van het openbaar ministerie begint te lopen vanaf de dag van het vonnis en ten aanzien van de veroordeelde vanaf de dag van kennisgeving.
De verklaring van hoger beroep wordt gedaan op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank die deze onverwijld overmaakt aan de griffie van het hof van beroep, die deze onmiddellijk inschrijft in het register van hoger beroep.]1

Art. 77/6. [1 § 1er. Le jugement de la chambre de protection sociale est susceptible d'appel par le ministère public et par le condamné devant la chambre correctionnelle de la cour d'appel.
§ 2. L'appel doit être interjeté dans un délai de quinze jours, qui commence à courir, pour le ministère public, à partir du jour du jugement et, pour le condamné, à partir du jour de la notification.
La déclaration d'appel est faite au greffe du tribunal de l'application des peines qui la transmet sans délai au greffe de la cour d'appel, qui l'inscrit immédiatement dans le registre des appels.]1

Art. 77/7. [1 § 1. De zaak wordt behandeld op de eerste nuttige zitting van de correctionele kamer bij het hof van beroep.
Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn advocaat op de griffie van de gevangenis waar de veroordeelde zijn straf ondergaat.
§ 2. De correctionele kamer van het hof van beroep hoort de veroordeelde en zijn advocaat en de directeur.
De veroordeelde verschijnt persoonlijk.
De correctionele kamer van het hof van beroep kan beslissen eveneens andere personen te horen.
§ 3. De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
§ 4. Over het hoger beroep wordt uitspraak gedaan uiterlijk binnen de vijftien dagen nadat het beroep is ingesteld.
§ 5. De beslissing wordt meegedeeld binnen een werkdag bij aangetekende brief aan de veroordeelde en aan zijn advocaat en aan het slachtoffer en schriftelijk aan het openbaar ministerie.]1

Art. 77/7. [1 § 1er. L'examen de l'affaire a lieu à la première audience utile de la chambre correctionnelle près la cour d'appel.
Le dossier est tenu, pendant au moins quatre jours avant la date fixée pour l'audience, à la disposition du condamné et de son avocat pour consultation au greffe de la prison où le condamné subit sa peine.
§ 2. La chambre correctionnelle de la cour d'appel entend le condamné et son avocat ainsi que le directeur.
Le condamné comparaît en personne.
Elle peut décider d'entendre d'autres personnes également.
§ 3. L'audience se déroule à huis clos.
§ 4. La chambre statue sur l'appel au plus tard dans les quinze jours qui suivent la date de l'appel.
§ 5. Dans un délai d'un jour ouvrable, la décision est communiquée au condamné et à son avocat et à la victime par lettre recommandée et au ministère public par écrit.]1

HOOFDSTUK III. - [1 Beheer van de internering van de geïnterneerde veroordeelde]1
CHAPITRE III. - [1 De la gestion de l'internement du condamné interné]1
Art. 77/8. [1 De bepalingen van deze wet zijn van toepassing op de geïnterneerde veroordeelde.
In geval van invrijheidsstelling op proef mag de door de kamer voor de bescherming van de maatschappij te bepalen termijn niet korter zijn dan de periode dat de veroordeelde, indien hij uitsluitend een vrijheidsstraf zou ondergaan, onder toezicht van de strafuitvoeringsrechtbank zou hebben gestaan.
Voor de toepassing van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de straf-uitvoeringsmodaliteiten wordt de duur van de plaatsing in een inrichting vermeld in artikel 3, 4°, a), b), c) of d) gelijk gesteld met detentie.]1

Art. 77/8. [1 Les dispositions de la présente loi s'appliquent au condamné interné.
En cas de libération à l'essai, le délai à fixer par la chambre de protection sociale ne peut être inférieur à la période pendant laquelle le condamné, s'il subissait uniquement une peine privative de liberté, aurait été placé sous la surveillance du tribunal de l'application des peines.
Pour l'application de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine, le placement dans un établissement visé à l'article 3, 4°, a), b), c) ou d) est assimilée à la détention.]1

Art. 77/9. [1 § 1. Indien voor het bereiken van de tijdsvoorwaarden voor de invrijheidstelling op proef, zoals bepaald overeenkomstig artikel 77/8, § 2, de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg, op basis van een medisch advies, van oordeel is dat de geestestoestand van de geïnterneerde veroordeelde voldoende [2 gestabiliseerd]2 is, maakt hij een verzoek tot opheffing, vergezeld van het medisch advies, over aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij.
De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank maakt het verzoek, samen met het medisch verslag, binnen de termijn van een werkdag over aan het openbaar ministerie en aan de geïnterneerde en zijn advocaat.
§ 2. Binnen de maand na de ontvangst van het verzoek, stelt het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies op, zendt dit aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij en deelt het in afschrift mee aan de veroordeelde, zijn advocaat en de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg.
§ 3. De kamer voor de bescherming van de maatschappij behandelt de zaak op de eerste nuttige zitting na de ontvangst van het advies van het openbaar ministerie. Deze zitting vindt plaats uiterlijk twee maanden na de ontvangst van het verzoek tot opheffing van de internering. Indien geen advies van het openbaar ministerie wordt toegezonden binnen de bij paragraaf 2 bepaalde termijn, legt het openbaar ministerie zijn advies schriftelijk neer op de zitting.
De veroordeelde en zijn advocaat worden bij aangetekende brief en de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg schriftelijk in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.
§ 4. Het dossier wordt gedurende ten minste tien dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn advocaat op de griffie van de inrichting waar de veroordeelde verblijft. De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier krijgen. De advocaat van de veroordeelde kan op zijn verzoek een afschrift van het dossier verkrijgen.
§ 5. Wanneer de kamer voor de bescherming van de maatschappij dit nodig acht, vordert zij een nieuw forensisch psychiatrisch onderzoek dat voldoet aan de vereisten van de artikelen 5, § 2, 3° en 4°, 7 en 8.
§ 6. De kamer voor de bescherming van de maatschappij hoort de veroordeelde en zijn advocaat, het openbaar ministerie en de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg.
De veroordeelde verschijnt persoonlijk.
De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan beslissen eveneens andere personen te horen.
De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
§ 7. De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan de behandeling van de zaak één maal uitstellen tot een latere zitting zonder dat die zitting meer dan twee maanden na het uitstel mag plaatsvinden.
§ 8. De kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
Indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij van oordeel is dat de internering niet langer aangewezen is, heft ze deze op en beveelt zij de terugkeer van de veroordeelde naar de gevangenis, tenzij de veroordeelde op dat ogenblik al zijn vrijheidsstraffen heeft ondergaan.
Het vonnis wordt binnen een werkdag bij aangetekende brief ter kennis gebracht van de geïnterneerde-veroordeelde en zijn advocaat en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg.
§ 9. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
§ 10. Indien de geestestoestand van de geïnterneerde veroordeelde niet voldoende [2 gestabiliseerd]2 is op het ogenblik van het verstrijken van de straffen, blijft deze wet op hem van toepassing.]1

Art. 77/9. [1 § 1er. Si, avant que le condamné interné ait rempli les conditions de temps pour bénéficier de la libération à l'essai prévue conformément à l'article 77/8, § 2, le directeur ou le responsable des soins estime, sur la base d'un avis médical, que l'état mental du condamné interné s'est suffisamment [2 stabilisé]2, il adresse une demande de levée, accompagnée de l'avis médical, à la chambre de protection sociale.
Le greffe du tribunal de l'application des peines transmet la demande et le rapport médical au ministère public ainsi qu'à l'interné et à son avocat dans un délai d'un jour ouvrable.
§ 2. Dans le mois de la réception de la demande, le ministère public rédige un avis motivé, le transmet à la chambre de protection sociale et en copie au condamné, à son avocat et au directeur ou au responsable des soins.
§ 3. La chambre de protection sociale examine le dossier à la première audience utile suivant la réception de l'avis du ministère public. Cette audience a lieu au plus tard deux mois après la réception de la demande de levée de l'internement. Si le ministère public ne communique pas d'avis dans le délai fixé au § 2, il dépose son avis par écrit à l'audience.
Le condamné et son avocat sont informés par lettre recommandée et le directeur ou le responsable des soins par écrit des lieu, jour et heure de l'audience.
§ 4. Le dossier est tenu, pendant au moins dix jours avant la date fixée pour l'audience, à la disposition du condamné et de son avocat pour consultation au greffe de l'établissement où le condamné séjourne. Le condamné peut, à sa demande, obtenir une copie du dossier. L'avocat du condamné peut, à sa demande, obtenir une copie du dossier.
§ 5. Si elle l'estime nécessaire, la chambre de protection sociale requiert une nouvelle expertise psychiatrique médicolégale qui répond aux conditions des articles 5, § 2, 3° et 4°, 7 et 8.
§ 6. La chambre de protection sociale entend le condamné et son avocat, le ministère public et le directeur ou le responsable des soins.
Le condamné comparaît en personne.
La chambre de protection sociale peut décider d'entendre d'autres personnes également.
L'audience se déroule à huis clos.
§ 7. La chambre de protection sociale peut remettre une seule fois l'examen du dossier à une audience ultérieure, sans que cette audience puisse avoir lieu plus de deux mois après la remise.
§ 8. La chambre de protection sociale prend une décision dans les quatorze jours de la mise en délibéré du dossier.
Si la chambre de protection sociale estime que l'internement n'est plus indiqué, elle lève l'internement et ordonne le retour du condamné en prison, sauf si le condamné, au moment de la levée de l'internement, a subi toutes ses peines privatives de liberté.
Dans un délai d'un jour ouvrable, le jugement est porté à la connaissance du condamné interné et de son avocat par lettre recommandée et du ministère public et du directeur ou du responsable des soins par écrit.
§ 9. Cette décision n'est susceptible d'aucun recours.
§ 10. Si l'état mental du condamné interné ne s'est pas suffisamment [2 stabilisé]2 à l'expiration des peines, la présente loi continue de s'appliquer au condamné interné.]1

TITEL VI. - Het cassatieberoep
TITRE VI. - Du pourvoi en cassation
Art. 78. [1 Tegen de beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij met betrekking tot de toekenning, de afwijzing of de herroeping van de beperkte detentie, het elektronisch toezicht, de vrijstelling op proef en de vervroegde invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied of met het oog op de overlevering en tot de herziening [2 overeenkomstig artikel 62]2, met betrekking tot de definitieve invrijheidstelling, evenals tegen de beslissing tot internering van een veroordeelde overeenkomstig artikel [2 77/7]2, staat cassatieberoep open voor het openbaar ministerie en de advocaat van de geïnterneerde persoon.]1
Art. 78. [1 Les décisions de la chambre de protection sociale relatives à l'octroi, au refus ou à la révocation de la détention limitée, de la surveillance électronique, de la libération à l'essai, de la libération anticipée en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise et à la révision [2 conformément à l'article 62]2, la libération définitive et la décision d'internement d'un condamné prise conformément à l'article [2 77/7]2, sont susceptibles de pourvoi en cassation par le ministère public et l'avocat de la personne internée.]1
Art. 79. § 1. [2 Het openbaar ministerie en de advocaat van de geïnterneerde persoon, desgevallend van de veroordeelde, stellen het cassatieberoep in binnen een termijn van vijf dagen, te rekenen van de uitspraak van het vonnis.]2
De cassatiemiddelen worden voorgesteld in een memorie die op de griffie van het Hof van Cassatie moet toekomen ten laatste op de vijfde dag na de datum van het cassatieberoep.
De beroepen worden ingediend bij een verklaring ter griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
§ 2. Het dossier wordt door de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank toegezonden aan de griffie van het Hof van Cassatie binnen achtenveertig uur, te rekenen van het instellen van het cassatieberoep.
§ 3. Het cassatieberoep tegen een beslissing tot toekenning van een modaliteit heeft schorsende kracht.
Het Hof van Cassatie doet uitspraak binnen dertig dagen, te rekenen van het instellen van het cassatieberoep, met dien verstande dat de tenuitvoerlegging van de beslissing inmiddels geschorst blijft.
Art. 79. § 1er. [2 Le ministère public et l'avocat de la personne internée, le cas échéant du condamné, se pourvoient en cassation dans un délai de cinq jours à compter du prononcé du jugement.]2
Les moyens de cassation sont proposés dans un mémoire qui doit parvenir au greffe de la Cour de cassation au plus tard le cinquième jour qui suit la date du pourvoi.
Les pourvois sont introduits par déclaration au greffe du tribunal de l'application des peines.
§ 2. Le dossier est transmis par le greffe du tribunal de l'application des peines au greffe de la Cour de cassation dans les quarante-huit heures du pourvoi en cassation.
§ 3. Le pourvoi en cassation contre une décision d'octroi d'une modalité a un effet suspensif.
La Cour de cassation statue dans les trente jours du pourvoi en cassation, l'exécution de la décision étant pendant ce temps suspendue.
Art. 80. Na een cassatiearrest met verwijzing doet een anders samengestelde kamer voor de bescherming van de maatschappij [1 ...]1 uitspraak binnen veertien dagen, te rekenen van de uitspraak van dit arrest, met dien verstande dat de tenuitvoerlegging van de beslissing inmiddels geschorst blijft.
Art. 80. Après un arrêt de cassation avec renvoi, une chambre de protection sociale [1 ...]1 autrement composé statue dans les quatorze jours à compter du prononcé de cet arrêt, l'exécution de la décision étant pendant ce temps suspendue.
TITEL VII. - Diverse bepalingen. Wijzigings-, opheffings- en overgangsbepalingen
TITRE VII. - Dispositions diverses. Dispositions modificatives, abrogatoires et transitoires
HOOFDSTUK I. - Diverse bepalingen
CHAPITRE Ier. - Dispositions diverses
Art. 81. § 1. De rechtscolleges kunnen over de verzoeken tot internering slechts beslissen ten aanzien van de betrokkenen die bijgestaan of vertegenwoordigd worden door een [1 advocaat]1.
§ 2. De kamer voor de bescherming van de maatschappij en het Hof van Cassatie kunnen ten aanzien van de geïnterneerde persoon, slechts beslissen indien deze bijgestaan of vertegenwoordigd wordt door een [1 advocaat]1.
[2 § 3. Heeft de betrokkene geen advocaat gekozen, dan wijst de voorzitter er ambtshalve een voor hem aan.]2
[3 § 4. De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan, op gemotiveerd verzoek van de advocaat, toestaan dat de geïnterneerde persoon zich laat vertegenwoordigen door een advocaat.]3
Art. 81. § 1er. Les juridictions ne peuvent statuer sur les demandes d'internement qu'à l'égard des personnes concernées qui sont assistées ou représentées par un [1 avocat]1.
§ 2. La chambre de protection sociale et la Cour de cassation ne peuvent statuer à l'égard d'une personne internée que si [3 celle-ci est assistée ou représentée]3 par un [1 avocat]1.
[2 § 3. Si l'intéressé n'a pas fait choix d'avocat, le président lui en désigne un d'office.]2
[3 § 4. A la demande motivée de l'avocat, la chambre de protection sociale peut autoriser la personne internée à se faire représenter par un avocat.]3
Art. 81/1. [1 De kamer voor de bescherming van de maatschappij houdt zich op de hoogte van de toestand van de geïnterneerde persoon en kan zich met het oog daarop naar de plaats van zijn internering begeven of deze taak aan één of meer van haar leden opdragen.]1
Art. 81/1. [1 La chambre de protection sociale se tient informée de l'état de la personne internée et peut à cette fin se rendre sur son lieu d'internement ou confier cette tâche à un ou à plusieurs de ses membres.]1
Art. 82. De bepalingen betreffende de vervolgingen in correctionele en criminele zaken zijn van toepassing op de bij deze wet voorgeschreven procedures, behoudens de afwijkingen die zij bepaalt.
Art. 82. Les dispositions concernant les poursuites en matière criminelle et correctionnelle sont applicables aux procédures prévues par la présente loi, sauf les dérogations qu'elle établit.
Art. 83. [1 Binnen elk ressort van het hof van beroep wordt een coördinator "extern zorgcircuit" aangewezen. De coördinatoren "extern zorgcircuit" ontwikkelen binnen hun ressort van het hof van beroep alle initiatieven die het mogelijk maken de opvang van de geïnterneerde personen te verbeteren en de samenwerking tussen Justitie en de zorgsector te bevorderen.]1
Art. 83. [1 Dans chaque ressort de cour d'appel, il est désigné un coordinateur "circuit de soins externe". Les coordinateurs "circuit de soins externe" développent au sein de leur ressort de cour d'appel toutes les initiatives qui permettent d'améliorer l'accueil des personnes internées et de promouvoir la collaboration entre la Justice et le secteur des soins.]1
Art. 84. § 1. De door de bevoegde overheid erkende inrichtingen die georganiseerd zijn door een privé-instelling, door een gemeenschap of een gewest of door een lokale overheid, die in staat zijn aan de geïnterneerde persoon de gepaste zorgen te verstrekken en die een [1 overeenkomst betreffende de plaatsing]1, zoals bedoeld in artikel 3, 5° hebben afgesloten inzake de toepassing van deze wet, ontvangen, in geval van plaatsing van een geïnterneerde, voor de administratieve activiteiten verricht in het kader van deze wet een vergoeding ten laste van de begroting van de Federale Staat. De Koning bepaalt het bedrag van de vergoeding en de uitvoeringsmodaliteiten.
§ 2. [2 De Koning stelt de aard en de voorwaarden van tenlasteneming door de Federale Overheidsdienst Justitie vast van de kosten verbonden aan een plaatsing in een in artikel 3, 4°, d), vermelde inrichting.]2
Art. 84. § 1er. Les établissements agréés par l'autorité compétente, organisés par une institution privée, une Communauté ou une Région, ou par une autorité locale, qui sont en mesure de dispenser les soins appropriés aux personnes internées et qui ont conclu un [1 accord concernant le placement]1 au sens de l'article 3, 5° concernant l'application de la présente loi reçoivent, dans le cas d'un placement d'une personne internée, pour les activités administratives effectuées dans le cadre de la présente loi, une allocation à charge du budget de l'Etat fédéral. Le Roi fixe le montant de l'allocation et les modalités d'exécution.
§ 2. [2 Le Roi définit la nature et les conditions de prise en charge par le Service public fédéral Justice des coûts liés à un placement dans un établissement mentionné à l'article 3, 4°, d).]2
HOOFDSTUK Ibis. [1 Het gebruik van videoconferentie voor zittingen van de rechter voor de bescherming van de maatschappij of voor de kamer voor de bescherming van de maatschappij]1
CHAPITRE Ierbis. [1 L'utilisation de la vidéoconférence pour les audiences devant le juge de protection sociale ou devant la chambre de protection sociale]1
Art. 84/1. [1 De artikelen 556 tot 562 en 565 tot 567 van het Wetboek van strafvordering zijn van toepassing voor zover daarvan niet wordt afgeweken door deze titel.]1
Art. 84/1. [1 Les articles 556 à 562 et 565 à 567 du Code d'instruction criminelle s'appliquent dans la mesure où il n'y est pas dérogé par le présent titre.]1
Art. 84/2. [1 § 1. De geïnterneerde persoon, voor zover deze bekwaam is of diens bewindvoerder, zijn advocaat, het slachtoffer, het openbaar ministerie, de directeur, de verantwoordelijke van de zorg of elke andere persoon waarvan de rechter voor de bescherming van de maatschappij of de kamer voor de bescherming van de maatschappij heeft beslist deze te horen, kunnen de rechter voor de bescherming van de maatschappij of de kamer voor de bescherming van de maatschappij verzoeken om toelating om aan de zitting per videoconferentie deel te nemen. Dit verzoek moet ten laatste op de zesde dag voor de zitting op elektronische wijze worden meegedeeld aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en aan de andere in deze paragraaf bedoelde personen.
De rechter voor de bescherming van de maatschappij of de kamer voor de bescherming van de maatschappij kan dit verzoek inwilligen indien hij van oordeel is dat is voldaan aan de volgende voorwaarden:
het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak;
de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem, overeenkomstig artikel 558, §§ 1 en 2, van het Wetboek van strafvordering moet voldoen, zijn vervuld.
Voor de in het tweede lid bedoelde beoordeling van de bijzondere omstandigheden van de zaak wordt rekening gehouden met de mogelijkheid tot interactie tussen de aanwezigen op de zitting, de fase van de procedure, de aard van het geschil, de complexiteit van de zaak, de bijstand van een advocaat, de geestestoestand van de geïnterneerde persoon, zijn fysieke toestand, zijn toestand van kwetsbaarheid evenals zijn verblijfssituatie, de technische capaciteit van de inrichtingen bedoeld in artikel 3, 4°, en de verblijfssituatie, de fysieke of psychische toestand evenals de kwetsbare toestand waarin het slachtoffer en elke andere persoon die het gerecht beslist te horen zich bevindt.
De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank stelt de betrokkene, het openbaar ministerie en naargelang het geval, het slachtoffer en de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg van deze beslissing in kennis, uiterlijk op de derde dag vóór de zitting.
§ 2. De rechter voor de bescherming van de maatschappij en de kamer voor de bescherming van de maatschappij kunnen, bij een met redenen omklede beslissing, de geïnterneerde persoon, zijn advocaat, het slachtoffer, het openbaar ministerie, de directeur, de verantwoordelijke voor de zorg of elke andere persoon die ze beslist hebben te horen, verbieden fysiek te verschijnen op of deel te nemen aan de zitting, wanneer ze van oordeel zijn dat is voldaan aan de volgende voorwaarden:
het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak, die worden beoordeeld zoals bedoeld in paragraaf 1, derde lid;
de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem overeenkomstig artikel 558, §§ 1 en 2, van het Wetboek van strafvordering moet voldoen, zijn vervuld;
ingeval de videoconferentie de enige mogelijkheid is om aan de zitting deel te nemen omdat de epidemische noodsituatie is afgekondigd ingevolge artikel 3, § 1, van de wet van 14 augustus 2021 betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie en maatregelen van bestuurlijke politie worden genomen die de fysieke verschijning op de zitting beletten of die tot gevolg hebben dat een dergelijke fysieke verschijning onmogelijk wordt.
De griffie geeft, ten laatste op de zesde dag voor de zitting, kennis van deze beslissing aan de personen opgeroepen om te verschijnen of deel te nemen aan de zitting per videoconferentie.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Ten aanzien van de geïnterneerde persoon die in kennis is gesteld van een verbod om fysiek te verschijnen of deel te nemen en die niet per videoconferentie op de zitting verschijnt, zijn de regels inzake het verstek van toepassing.
§ 3. De persoon die overeenkomstig paragraaf 1 werd toegelaten om per videoconferentie te verschijnen of deel te nemen, wordt verondersteld te hebben toegestemd om te verschijnen of deel te nemen per videoconferentie.
Behalve de persoon die geïnterneerd is in een inrichting als bedoeld in artikel 3, 4°, heeft de persoon die werd toegelaten om per videoconferentie te verschijnen of deel te nemen, altijd het recht om voor het begin van de zitting te beslissen om op de plaats waar het gerecht zetelt op de zitting te verschijnen of eraan deel te nemen.
Bij de aanvang van elke zitting kijkt het gerecht na of het akkoord vrij en geïnformeerd werd gegeven. Het proces-verbaal van de zitting maakt hier melding van.
§ 4. Elke kennisgeving door de griffie als bedoeld in dit hoofdstuk gebeurt op elektronische wijze aan het professioneel elektronisch adres van de advocaat of, indien het een persoon betreft die niet door een advocaat wordt bijgestaan, aan het gerechtelijk elektronisch adres van die persoon, of, bij gebreke daaraan, aan het laatste elektronisch adres dat de persoon heeft verstrekt in het kader van de rechtspleging. Indien bij de griffier geen elektronisch adres gekend is, of indien de kennisgeving aan het elektronisch adres kennelijk niet is geslaagd, kan de betrokkene enkel fysiek in de zittingszaal verschijnen op de zitting waarop hij regelmatig door het gerecht werd opgeroepen om te verschijnen. Als het verbod om fysiek te verschijnen niet kon ter kennis worden gebracht, kan het gerecht de zitting op een latere datum verdagen.]1

Art. 84/2. [1 § 1er. La personne internée, dans la mesure où elle est capable, ou son administrateur, son avocat, la victime, le ministère public, le directeur, le responsable des soins ou tout autre personne que le juge de protection sociale ou la chambre de protection sociale a décidé d'entendre, peuvent demander au juge de protection sociale ou à la chambre de protection sociale l'autorisation de participer à l'audience par vidéoconférence. Cette demande doit être communiquée au plus tard le sixième jour avant l'audience, par voie électronique, au greffe du tribunal de l'application des peines ainsi qu'aux autres personnes visées au présent paragraphe.
Le juge de protection sociale ou la chambre de protection sociale peut faire droit à cette demande s'il estime que les conditions suivantes sont réunies:
l'usage de la vidéoconférence est compatible avec les circonstances particulières de l'affaire;
les garanties auxquelles doit répondre le système de vidéoconférence conformément à l'article 558, §§ 1er et 2, du Code d'instruction criminelle sont réunies.
Pour l'évaluation des circonstances particulières de l'affaire visée à l'alinéa 2, il est notamment tenu compte de la possibilité d'interaction entre les personnes présentes à l'audience, la phase de la procédure, la nature du litige, la complexité de l'affaire, l'assistance d'un avocat, l'état mental de la personne internée, sa situation physique, sa situation de vulnérabilité ainsi que sa situation résidentielle, la capacité technique des établissements visés à l'article 3, 4°, et la situation résidentielle, la situation physique ou psychique ainsi que la situation de vulnérabilité dans laquelle se trouve la victime ou toute autre personne que la juridiction souhaite entendre.
Le greffe du tribunal de l'application des peines notifie cette décision à la personne concernée, au ministère public et selon le cas, à la victime, au directeur ou au responsable des soins au plus tard le troisième jour avant l'audience.
§ 2. Le juge de protection sociale et la chambre de protection sociale peuvent, par décision motivée, interdire la personne internée, son avocat, la victime, le ministère public, le directeur, le responsable des soins ou tout autre personne qu'ils ont décidé d'entendre, de comparaitre ou de participer à l'audience physiquement, s'ils estiment que les conditions suivantes sont réunies:
l'usage de la vidéoconférence est compatible avec les circonstances particulières de l'affaire, qui sont évaluées comme visé au paragraphe 1er, alinéa 3;
les garanties auxquelles doit répondre le système de vidéoconférence conformément à l'article 558, §§ 1er et 2, du Code d'instruction criminelle sont réunies;
lorsque la vidéoconférence est l'unique possibilité de participer à l'audience car une situation d'urgence épidémique est déclarée conformément à l'article 3, § 1er, de la loi du 14 août 2021 relative aux mesures de police administrative lors d'une situation d'urgence épidémique et des mesures de police administrative empêchant la comparution physique à l'audience ou ayant pour conséquence d'empêcher une telle comparution physique sont adoptées.
Cette décision est notifiée par le greffe aux personnes appelées à comparaitre ou participer par vidéoconférence, au plus tard, le sixième jour avant l'audience.
Cette décision n'est susceptible d'aucun recours.
A l'égard de la personne internée à qui une décision d'interdiction de comparaitre ou participer physiquement a été notifiée et qui ne comparait pas à l'audience par vidéoconférence, les règles du défaut s'appliquent.
§ 3. La personne ayant été autorisée à comparaitre ou participer par vidéoconférence conformément au paragraphe 1er est présumée avoir marqué son accord à comparaitre ou participer par vidéoconférence.
A l'exception de la personne qui est internée dans un établissement visé à l'article 3, 4°, la personne ayant été autorisée à comparaitre ou participer par vidéoconférence, a toujours le droit de décider, avant le début de l'audience, de comparaitre ou participer à l'audience dans le lieu où la juridiction siège.
Au début de chaque audience, la juridiction vérifie que l'accord est libre et éclairé. Le procès-verbal de l'audience en fait mention.
§ 4. Toute notification par le greffe visée au présent chapitre a lieu par voie électronique à l'adresse électronique professionnelle de l'avocat ou, s'il s'agit d'une personne non assistée par un avocat, à l'adresse judiciaire électronique de cette personne ou, à défaut, à la dernière adresse électronique que la personne a fournie dans le cadre de la procédure. Si aucune adresse électronique n'est connue du greffier, ou si la notification à l'adresse électronique a manifestement échoué, la personne concernée ne peut comparaitre que physiquement dans la salle d'audience à l'audience à laquelle elle a été régulièrement convoquée par la juridiction. Lorsque l'interdiction de comparaitre physiquement n'a pas pu être notifiée, la juridiction peut remettre l'audience à une date ultérieure.]1

Art. 84/3. [1 § 1. Behalve wanneer de zitting openbaar moet plaatsvinden, is de verschijning per videoconferentie van de geïnterneerde, zijn advocaat, het slachtoffer, de directeur, de verantwoordelijke voor de zorg of de persoon die de rechter voor sociale bescherming of de kamer voor de bescherming van de maatschappij heeft beslist te horen, slechts mogelijk indien de videoconferentie de waarborgen vervult bedoeld in artikel 558, §§ 1 en 2, van het Wetboek van strafvordering en:
ingeval de persoon geïnterneerd is in een inrichting als bedoeld in artikel 3, 4°, een gemachtigde van de directeur van de inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, of, in voorkomend geval, zijn advocaat als hij aanwezig is, aan het gerecht bevestigt dat niemand anders dan zijzelf, de geïnterneerde persoon en, in voorkomend geval, de met name genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, aanwezig is op de plaats waar ze zich bevinden, noch op andere wijze kan worden gevolgd wat er wordt gezegd; of
de persoon zelf of, in voorkomend geval, zijn advocaat aan het gerecht bevestigt dat niemand anders dan zijzelf en, in voorkomend geval, de met name genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, aanwezig is op de plaats waar de persoon zich bevindt op het moment van de verschijning, noch op andere wijze kan volgen wat er wordt gezegd; of
ingeval het gerecht van oordeel is dat de aanwezigheid van de advocaat of, bij gebreke ervan, een gerechtsdeurwaarder bij de persoon vereist is, de advocaat of, bij gebreke ervan, de gerechtsdeurwaarder, aan het gerecht bevestigt dat niemand anders dan hijzelf, de betrokkene en, in voorkomend geval, de met name genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, aanwezig is op de plaats waar de persoon zich bevindt op het moment van de verschijning, noch op andere wijze kan volgen wat er wordt gezegd.]1

Art. 84/3. [1 § 1er. Sauf lorsque l'audience doit se dérouler en public, la comparution par vidéoconférence de la personne internée, son avocat, la victime, le directeur, le responsable des soins ou la personne que le juge de protection sociale ou la chambre de protection sociale a décidé d'entendre, n'est possible que si la vidéoconférence réunit les garanties visées à l'article 558, §§ 1er et 2, du Code d'instruction criminelle et:
lorsque la personne est internée dans un établissement visé à l'article 3, 4°, un délégué du directeur de l'établissement tel que visé par l'article 3, 4°, ou, le cas échéant, son avocat lorsque celui-ci est présent, confirme à la juridiction que personne d'autre qu'eux-mêmes, la personne internée et, le cas échéant, les personnes nommément désignées et autorisées par le juge à être présentes, n'est présent au lieu où ils se trouvent et ne peut autrement suivre ce qui est dit; ou
que la personne-même, ou le cas échéant, son avocat confirme à la juridiction que personne d'autre qu'eux-mêmes et, le cas échéant, les personnes nommément désignées et autorisées par le juge à être présentes, n'est présent au lieu où la personne se trouve au moment de la comparution et ne peut autrement suivre ce qui est dit; ou
lorsque la juridiction estime que la présence de l'avocat ou, à défaut, d'un huissier de justice est requise auprès de la personne, l'avocat ou, à défaut, l'huissier de justice confirme à la juridiction que personne d'autre que lui-même, la personne concernée et, le cas échéant, les personnes nommément désignées et autorisées par le juge à être présentes, n'est présent au lieu où le la personne se trouve au moment de la comparution, et ne peut suivre autrement ce qui y est dit.]1

Art. 84/4. [1 Artikel 84/2, § 1, is niet van toepassing ten aanzien van de geïnterneerde persoon in de gevallen waarin de rechter voor de bescherming van de maatschappij of de kamer voor de bescherming van de maatschappij overeenkomstig artikel 76, § 4, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek zetelt in het administratieve gedeelte van de penitentiaire inrichting of de inrichting tot bescherming van de maatschappij of in een andere inrichting waar de geïnterneerde persoon verblijft.]1
Art. 84/4. [1 L'article 84/2, § 1er, ne s'applique pas à la personne internée dans les cas où le juge de protection sociale ou la chambre de protection sociale siège conformément à l'article 76, § 4, alinéa 2, du Code judiciaire dans la partie administrative de l'établissement pénitentiaire ou de l'établissement de défense sociale ou dans un autre établissement où la personne internée séjourne.]1
HOOFDSTUK II. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE II. - Dispositions modificatives
Afdeling I. - Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek
Section Ire. - Modifications du Code civil
Art. 85.
Art. 85.
Art. 86. In artikel 1386bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 16 april 1935, worden de woorden "door een persoon die zich staat van krankzinnigheid bevindt, of in een staat van ernstige geestesstoornis of van zwakzinnigheid die hem voor de controle van zijn daden ongeschikt maakt" vervangen door de woorden "door een persoon die lijdt aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast".
Art. 86. A l'article 1386bis du même Code, inséré par la loi du 16 avril 1935, les mots "Lorsqu'une personne se trouvant en état de démence, ou dans un état grave de déséquilibre mental ou de débilité mentale la rendant incapable du contrôle de ses actions" sont remplacés par les mots "Lorsqu'une personne atteinte d'un trouble mental qui abolit ou altère gravement sa capacité de discernement ou de contrôle de ses actes".
Afdeling II. - Wijziging van het Strafwetboek
Section II. - Modification du Code pénal
Art. 87. Artikel 71 van het Strafwetboek wordt vervangen als volgt :
"Er is geen misdrijf wanneer de beschuldigde of de beklaagde op het tijdstip van de feiten leed aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden heeft tenietgedaan [1 ...]1 of wanneer hij gedwongen werd door een macht die hij niet heeft kunnen weerstaan."
Art. 87. L'article 71 du Code pénal est remplacé par ce qui suit :
"Il n'y a pas d'infraction lorsque l'accusé ou le prévenu était atteint, au moment des faits, d'un trouble mental qui a aboli [1 ...]1 sa capacité de discernement ou de contrôle de ses actes ou lorsqu'il a été contraint par une force à laquelle il n'a pu résister."
Afdeling III. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering
Section III. - Modifications du Code d'instruction criminelle
Art. 88. In artikel 195 van het Wetboek van strafvordering, vervangen bij de wet van 27 april 1987 en gewijzigd bij de wetten van 24 december 1993, 22 juni en 20 juli 2005 en 17 mei 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
het zesde lid wordt vervangen als volgt :
"Als de rechter een effectieve vrijheidsstraf of de internering uitspreekt, licht hij de partijen in over de uitvoering van deze vrijheidsstraf of maatregel en over de mogelijke modaliteiten van strafuitvoering of internering.";
in het zevende lid, worden de woorden "of de tenuitvoerlegging van de internering" ingevoegd tussen de woorden "van de strafuitvoering" en de woorden "te worden gehoord".
Art. 88. A l'article 195 du Code d'instruction criminelle, remplacé par la loi du 27 avril 1987 et modifié par les lois des 24 décembre 1993, 22 juin 2005, 20 juillet 2005 et 17 mai 2006, les modifications suivantes sont apportées :
l'alinéa 6 est remplacé par ce qui suit :
"Si le juge prononce une peine privative de liberté effective ou l'internement, il informe les parties de l'exécution de cette peine privative de liberté ou de cette mesure et des éventuelles modalités d'exécution de la peine ou de l'internement.";
dans l'alinéa 7, les mots "ou de l'internement" sont insérés entre les mots "l'exécution de la peine" et les mots "au sujet des conditions".
Art. 89. In artikel 590 van hetzelfde Wetboek, opnieuw opgenomen bij de wet van 8 augustus 1997 en gewijzigd bij de wet van 7 februari 2003, wordt het 4° vervangen door wat volgt :
"4° beslissingen tot internering, tot toekenning of herroeping van de invrijheidstelling op proef of vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering en tot definitieve invrijheidstelling die genomen zijn overeenkomstig [1 de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering]1;"
Art. 89. a l'article 590 du même Code, rétabli par la loi du 8 août 1997 et modifié par la loi du 7 février 2003, le 4° est remplacé par ce qui suit :
"4° les décisions d'internement, d'octroi ou de révocation de la libération à l'essai ou de la libération anticipée en vue de l'éloignement du territoire ou en vue de la remise, et de libération définitive, prises en application [1 de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement]1";
Art. 90. Een artikel 603bis wordt ingevoegd in hetzelfde Wetboek :
"Art. 603bis. Door de Koning [1 wordt een beveiligd klinisch observatiecentrum]1 opgericht waar verdachten ter observatie in voorhechtenis kunnen opgesloten worden, overeenkomstig de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
[1 ...]1."
Art. 90. Un article 603bis est inséré dans le même Code :
"Art. 603bis. Il est créé par le Roi un centre d'observation clinique sécurisé [1 ...]1 où des inculpés pourront être placés en détention préventive pour mise en observation, conformément à la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive.
[1 ...]1."
Afdeling IIIbis. - [1 Wijziging van het Kieswetboek]1
Section IIIbis. - [1 Modification du Code électoral]1
Art. 90/1. [1 In artikel 7 van het Kieswetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) In het 1°, vervangen door de wet van 21 januari 2013, worden de woorden "van de bepalingen van de hoofdstukken I tot VI van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen,gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten, vervangen bij artikel 1 van de wet van 1 juli 1964" vervangen door de woorden "van de wet van 5 mei 2014 houdende de internering";
b) De bepaling onder 3° wordt opgeheven.]1

Art. 90/1. [1 Dans l'article 7 du Code électoral, les modifications suivants sont apportées :
a) le 1°, remplacé par la loi du 21 janvier 2013, les mots "des dispositions des chapitres Ier à VI de la loi du 9 avril 1930 de défense sociale à l'égard des anormaux, des délinquants d'habitude et des auteurs de certains délits sexuels, remplacée par l'article 1er de la loi du 1er juillet 1964" sont remplacés par les mots "de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement";
b) le 3° est abrogé.]1

Afdeling IIIter. - [1 Wijziging van het koninklijk besluit nr. 236 van 20 januari 1936 tot vereenvoudiging van sommige vormen van de strafvordering ten opzichte van de gedetineerden]1
Section IIIter. - [1 Modification de l'arrêté royal n° 236 du 20 janvier 1936 simplifiant certaines formes de la procédure pénale à l'égard des détenus]1
Art. 90/2. [1 In artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 236 van 20 januari 1936 tot vereenvoudiging van sommige vormen van de strafvordering ten opzichte van de gedetineerden, gewijzigd bij de wet van 19 december 2014, worden de woorden ", de directeur van een inrichting bedoeld in artikel 3, 4°, c) en d) van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering" ingevoegd tussen de woorden ""of adviseur-gevangenisdirecteur" en de woorden "of de directeur van een gemeenschapscentrum".]1
Art. 90/2. [1 Dans l'article 1er de l'arrêté royal n° 236 du 20 janvier 1936 simplifiant certaines formes de la procédure pénale à l'égard des détenus, modifié par la loi du 19 décembre 2014, les mots "le directeur d'un établissement visé à l'article 3, 4°, c) et d) de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement" sont insérés entre les mots "ou conseiller-directeur de prison de l'établissement pénitentiaire" et les mots "ou le directeur d'un centre communautaire".]1
Afdeling IV.
Section IV.
Art. 91.
Art. 91.
Art. 92.
Art. 92.
Art. 93.
Art. 93.
Art. 94.
Art. 94.
Art. 95.
Art. 95.
Art. 96.
Art. 96.
Art. 97.
Art. 97.
Art. 98.
Art. 98.
Art. 99.
Art. 99.
Art. 100.
Art. 100.
Art. 101.
Art. 101.
Art. 102.
Art. 102.
Art. 103.
Art. 103.
Art. 104.
Art. 104.
Art. 105.
Art. 105.
Art. 106.
Art. 106.
Art. 107.
Art. 107.
Art. 108.
Art. 108.
Art. 109.
Art. 109.
Art. 110.
Art. 110.
Art. 111.
Art. 111.
Art. 112.
Art. 112.
Art. 113.
Art. 113.
Art. 114.
Art. 114.
Art. 115.
Art. 115.
Art. 116.
Art. 116.
Art. 117.
Art. 117.
Art. 118.
Art. 118.
Art. 119.
Art. 119.
Afdeling V. - Wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten
Section V. - Modification du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe
Art. 120. Artikel 162 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten wordt aangevuld als volgt :
"48° de akten en vonnissen betreffende de procedures voor de [1 rechters voor de bescherming van de maatschappij]1 en de strafuitvoeringsrechtbanken, alsook de arresten gewezen als gevolg van een cassatieberoep tegen een beslissing van de [1 rechter voor de bescherming van de maatschappij]1 of de kamer voor de bescherming van de maatschappij."
Art. 120. L'article 162 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe est complété par ce qui suit :
"48° les actes et jugements relatifs aux procédures devant les juges [1 de protection sociale]1 et les tribunaux de l'application des peines, ainsi que les arrêts prononcés sur recours en cassation contre une décision du juge [1 de protection sociale]1 ou de la chambre de protection sociale."
Afdeling VI. - Wijziging van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken
Section VI. - Modification de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire
Art. 121. [1 "In artikel 23bis, derde lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, ingevoegd bij de wet van 17 mei 2006 en gewijzigd bij de wet van 15 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
het lid wordt aangevuld met de woorden "of van de taal van het oudste vonnis of arrest dat de internering beveelt.";
de woorden "of door artikel 3, 9° van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering" worden ingevoegd tussen het woord "strafuitvoeringsmodaliteiten" en de woorden ", dat in persoon".]1

Art. 121. [1 A l'article 23bis, alinéa 3, de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire, inséré par la loi du 17 mai 2006 et modifié par la loi du 15 décembre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
l'alinéa est complété par les mots "ou selon la langue dans laquelle a été prononcé le jugement ou l'arrêt le plus ancien ordonnant l'internement.";
les mots "ou à l'article 3, 9°, de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement" sont insérés entre les mots "modalités d'exécution de la peine" et les mots ", qui comparaît".]1

Afdeling VII. - Wijzigingen van de Wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen, de overname en de overdracht van het toezicht op voorwaardelijk veroordeelde of voorwaardelijk in vrijheid gestelde personen, en de overname en de overdracht van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen
Section VII. - Modifications de la loi du 23 mai 1990 sur le transfèrement interétatique des personnes condamnées, la reprise et le transfert de la surveillance de personnes condamnées sous condition ou libérées sous condition ainsi que la reprise et le transfert de l'exécution de peines et de mesures privatives de liberté
Art. 122. In artikel 8 van de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen, de overname en de overdracht van het toezicht op voorwaardelijk veroordeelde of voorwaardelijk in vrijheid gestelde personen, en de overname en de overdracht van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen, gewijzigd bij de wet van 26 mei 2005, worden de woorden "hoofdstuk II van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers" vervangen door de woorden "hoofdstuk II van titel III van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering [1 ...]1".
Art. 122. Dans l'article 8 de la loi du 23 mai 1990 sur le transfèrement interétatique [1 ...]1 condamnées, la reprise et le transfert de la surveillance de personnes condamnées sous condition ou libérées sous condition ainsi que la reprise et le transfert de l'exécution de peines et de mesures privatives de liberté, modifié par la loi du 26 mai 2005, les mots "au chapitre II de la loi du 9 avril 1930 de défense sociale à l'égard des anormaux et des délinquants d'habitude" sont remplacés par les mots "au chapitre II du titre III de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement [1 ...]1".
Art. 123. Artikel 9 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
"Wanneer de maatregel uitgesproken in het buitenland gelijkaardig is aan die bedoeld in hoofdstuk II van titel III van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering [1 ...]1, maakt de procureur des Konings de zaak onverwijld aanhangig bij de kamer voor de bescherming van de maatschappij van de strafuitvoeringsrechtbank in wier rechtsgebied de geïnterneerde persoon zijn domicilie heeft, of bij ontstentenis daarvan de kamer voor de bescherming van de maatschappij van het rechtsgebied waar de betrokkene nog familiale of sociale banden heeft of waarin hij zijn sociale re-integratie wenst uit te werken, opdat deze de inrichting zou aanwijzen waar de internering zal plaatsvinden."
Art. 123. L'article 9 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Lorsque la mesure prononcée à l'étranger est de même nature que celle prévue au chapitre II du titre III de la loi du loi du 5 mai 2014 relative à l'internement [1 ...]1, le procureur du Roi saisit sans délai la chambre de protection sociale du tribunal de l'application des peines dans le ressort duquel la personne internée a son domicile ou, à défaut, la chambre de protection sociale du ressort dans lequel l'intéressé a encore des liens familiaux ou sociaux ou souhaite effectuer sa réinsertion sociale, afin qu'elle désigne l'établissement dans lequel aura lieu l'internement."
Art. 124. In artikel 16 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 mei 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
in de eerste zin worden de woorden "of, indien de in de verzoekende Staat opgelegde maatregel gelijkaardig is aan die welke bedoeld wordt in hoofdstuk II van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, de commissie voor de bescherming van de maatschappij" geschrapt;
in de vierde zin worden de woorden "of in voorkomend geval, de commissie tot bescherming van de maatschappij" geschrapt.
Art. 124. Dans l'article 16 de la même loi, inséré par la loi du 26 mai 2005, les modifications suivantes sont apportées :
dans la première phrase, les mots ", la commission de libération conditionnelle ou, si la mesure imposée dans l'Etat requérant est de même nature que celle prévue au chapitre II de la loi du 9 avril 1930 de défense sociale à l'égard des anormaux et des délinquants d'habitude, la commission de défense sociale" sont remplacés par les mots "ou la commission de libération conditionnelle";
dans la quatrième phrase, les mots ", la commission de libération conditionnelle ou, le cas échéant, la commission de défense sociale" sont remplacés par les mots "ou la commission de libération conditionnelle".
Art. 125. In artikel 20, § 2, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 mei 2005, worden de woorden "hoofdstuk II van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers" vervangen door de woorden "hoofdstuk II van titel III van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering [1 ...]1".
Art. 125. Dans l'article 20, § 2, de la même loi, inséré par la loi du 26 mai 2005, les mots "au chapitre II de la loi du 9 avril 1930 de défense sociale à l'égard des anormaux et des délinquants d'habitude" sont remplacés par les mots "au chapitre II du titre III de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement [1 ...]1".
Art. 126. Artikel 21 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 mei 2005, wordt vervangen als volgt :
"Wanneer de in het buitenland uitgesproken maatregel gelijkaardig is aan die welke bedoeld wordt in hoofdstuk II van titel III van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering [1 ...]1, maakt de procureur des Konings de zaak onverwijld aanhangig bij de kamer voor de bescherming van de maatschappij van de strafuitvoeringsrechtbank in wier rechtsgebied de geïnterneerde persoon zijn domicilie heeft, of bij ontstentenis daarvan de kamer voor de bescherming van de maatschappij van het rechtsgebied waar de betrokkene nog familiale of sociale banden heeft of waarin hij zijn sociale re-integratie wenst uit te werken, opdat deze de inrichting zou aanwijzen waar de internering zal plaatsvinden."
Art. 126. L'article 21 de la même loi, inséré par la loi du 26 mai 2005, est remplacé par ce qui suit :
"Lorsque la mesure prononcée à l'étranger est de même nature que celle prévue au chapitre II du titre III de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement [1 ...]1, le procureur du Roi saisit sans délai la chambre de protection sociale du tribunal de l'application des peines dans le ressort duquel la personne internée a son domicile ou, à défaut, la chambre de protection sociale du ressort dans lequel l'intéressée a encore des liens familiaux ou sociaux ou souhaite effectuer sa réinsertion sociale, afin qu'elle désigne l'établissement dans lequel aura lieu l'internement."
Art. 127. Artikel 26, 1° van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 mei 2005, wordt aangevuld, na de woorden "voorwaardelijke invrijheidstelling", met de woorden "of de invrijheidstelling op proef".
Art. 127. Dans l'article 26, 1°, de la même loi, inséré par la loi du 26 mai 2005, les mots "ou de la libération conditionnelle" sont remplacés par les mots ", de la libération conditionnelle ou de la libération à l'essai".
Afdeling VIII. - Wijzigingen van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke
Section VIII. - Modifications de la loi du 26 juin 1990 relative à la protection de la personne des malades mentaux
Art. 128. In artikel 1 van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, gewijzigd bij de wet van 13 juni 2006, worden de woorden "de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers" vervangen door de woorden "de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering [1 ...]1".
Art. 128. Dans l'article 1er de la loi du 26 juin 1990 relative à la protection de la personne des malades mentaux, modifié par la loi du 13 juin 2006, les mots "la loi du 1er juillet 1964 de défense sociale à l'égard des anormaux et des délinquants d'habitude" sont remplacés par les mots "la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement [1 ...]1".
Afdeling IX. - Wijziging van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt
Section IX. - Modification de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police
Art. 129. Artikel 19, eerste lid, van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, gewijzigd bij wet van 7 december 1998, wordt vervangen als volgt :
"De politiediensten houden toezicht op de geïnterneerde personen aan wie door de strafuitvoeringsrechtbank een in de artikelen 20, 21, 23, 24, 25 en 28 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering [1 ...]1 bedoelde uitvoeringsmodaliteit van de internering werd toegekend. Zij houden eveneens toezicht op de naleving van de hen daartoe meegedeelde voorwaarden.".
Art. 129. L'article 19, alinéa 1er, de la loi du 5août 1992 sur la fonction de police, modifié par la loi du 7 décembre 1998, est remplacé par ce qui suit :
"Les services de police surveillent les personnes internées à qui le tribunal de l'application des peines a octroyé une des modalités d'exécution de l'internement visées aux articles 20, 21, 23, 24, 25 et 28 de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement [1 ...]1. Ils contrôlent également le respect des conditions qui leur ont été communiquées à cet effet.".
Afdeling X. - Wijzigingen van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis
Section X. - Modification de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive
Art. 130. In artikel 27 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, wordt een § 2bis ingelast :
"De voorlopige invrijheidstelling kan ook worden aangevraagd door degene die aangehouden is op het ogenblik van zijn internering of van wie de onmiddellijke opsluiting is bevolen ter gelegenheid van de internering, conform artikel 10 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering [1 ...]1, mits er tegen de internering zelf hoger beroep, verzet of cassatieberoep is aangetekend."
Art. 130. Dans l'article 27 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, il est inséré un § 2bis rédigé comme suit :
"La mise en liberté provisoire peut aussi être demandée par celui qui est privé de sa liberté au moment de son internement ou dont l'incarcération immédiate a été ordonnée à l'occasion de l'internement, conformément à l'article 10 de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement [1 ...]1 à la condition qu'appel, opposition ou pourvoi en cassation ait été formé contre la décision d'internement elle-même.".
Afdeling Xbis . - [1 Wijziging van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden]1
Section Xbis. - [1 Modification de la loi de principes du 12 janvier 2005 concernant l'administration pénitentiaire ainsi que le statut juridique des détenus]1
Art. 130/1. [1 In artikel 2 van de wet van de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in de bepaling onder 2° worden de woorden "en de internering van ter beschikking van de regering gestelde recidivisten, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten, gelast door de minister van Justitie op grond van artikel 25bis van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten" opgeheven;
b) in de bepaling onder 3° worden de woorden "artikelen 7 en 21 van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten" vervangen door de woorden "de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering".]1

Art. 130/1. [1 Dans l'article 2 de la loi de principes du 12 janvier 2005 concernant l'administration pénitentiaire ainsi que le statut juridique des détenus, les modifications suivants sont apportées :
a) dans le 2°, les mots "ainsi que l'internement de récidivistes, de délinquants d'habitude et d'auteurs de certains délits sexuels mis à la disposition du gouvernement, ordonné par le ministre de la Justice en vertu de l'article 25bis de la loi du 9 avril 1930 de défense sociale à l'égard des anormaux, des délinquants d'habitude et des auteurs de certains délits sexuels" sont abrogés;
b) dans le 3° les mots "des articles 7 et 21 de la loi du 9 avril 1930 de défense sociale à l'égard des anormaux, des délinquants d'habitude et des auteurs de certains délits sexuels" sont remplacés par les mots "sur base de la loi du 5 mei 2014 relative à l'internement".]1

Afdeling Xter. [1 Wijzigingen van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische activiteiten met wapens]1
Section Xter. - [1 Modifications de la loi du 8 juin 2006 réglant des activités économiques avec des armes]1
Art. 130/2. [1 In de artikelen 5, § 4, 1°, en 11, § 3, 4°, van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens worden de woorden "de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten" telkens vervangen door de woorden "de wet van 5 mei 2014 betreffende internering."]1
Art. 130/2. [1 Dans les articles 5, § 4, 1°, et 11, § 3, 4°, de la loi du 8 juin 2006 réglant des activités économiques et individuelles avec des armes les mots "la loi du 9 avril 1930 de défense sociale du à l'égard des anormaux, des délinquants d'habitude et des auteurs de certains délits sexuels" sont remplacés par les mots "la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement".".]1
Afdeling XI. - Wijziging van de wet van 10 april 2014 tot wijziging van verschillende bepalingen met het oog op de oprichting van een nationaal register voor gerechtsdeskundigen en tot oprichting van een nationaal register voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken
Section XI. - Modification de la loi du 10 avril 2014 modifiant diverses dispositions en vue d'établir un registre national des experts judiciaires et établissant un registre national des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés
Art. 131. In de wet van 10 april 2014 tot wijziging van verschillende bepalingen met het oog op de oprichting van een nationaal register voor gerechtsdeskundigen en tot oprichting van een nationaal register voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, wordt het hoofdstuk 4, dat artikel 19 bevat, vervangen als volgt :
"Hoofdstuk 4. Wijziging van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering [2 ...]2.
Art. 19. In artikel 5, § 2, van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering [2 ...]2 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
het eerste lid aanvullen met de woorden "en die werd opgenomen in het [3 nationaal register voor gerechtsdeskundigen en beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken]3";
[1 tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
"Enkel in de gevallen en op de wijze bepaald in [3 artikel 555/15]3 van het Gerechtelijk Wetboek, kan het psychiatrisch deskundigenonderzoek uitgevoerd worden onder de leiding en de verantwoordelijkheid van een psychiater die geen houder is van de beroepstitel forensisch psychiater".]1
.
Art. 131. Dans la loi du 10 avril 2014 modifiant diverses dispositions en vue d'établir un registre national des experts judiciaires et établissant un registre national des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés, le chapitre 4, qui contient l'article 19, est remplacé par ce qui suit :
"Chapitre 4. Modification de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement [2 ...]2.
Art. 19. Dans l'article 5, § 2, de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement[2 ...]2, les modifications suivantes sont apportées :
l'alinéa 1er est complété par les mots "et qui figure dans le [3 registre national des experts judiciaires et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes]3";
[1 un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
"Ce n'est que dans les cas et selon les modalités fixés à l'[3 article 555/15]3 du Code judiciaire que l'expertise psychiatrique pourra être effectuée sous la conduite et la responsabilité d'un psychiatre non titulaire du titre professionnel de psychiatre médicolégal."]1

HOOFDSTUK III. - Opheffingsbepaling
CHAPITRE III. - Disposition abrogatoire
Art. 132. De wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten wordt opgeheven.
Art. 132. La loi du 9 avril 1930 de défense sociale à l'égard des anormaux, des délinquants d'habitude et des auteurs de certains délits sexuels est abrogée.
Art. 133.
Art. 133.
HOOFDSTUK IV. - Overgangsbepalingen
CHAPITRE IV. - Dispositions transitoires
Art. 134. [1 Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 135, § 4, zijn de bepalingen van deze wet van toepassing op alle lopende zaken.]1
Art. 134. [1 Sous réserve de l'application de l'article 135, § 4, les dispositions de la présente loi s'appliquent à toutes les affaires en cours.]1
Art. 135. § 1. Bij de inwerkingtreding van [1 deze wet]1 worden alle dossiers van geïnterneerden waarvoor de commissies tot bescherming van de maatschappij bevoegd zijn ambtshalve en zonder kosten ingeschreven op de algemene rol van de bevoegde kamer voor de bescherming van de maatschappij van de strafuitvoeringsrechtbank.
§ 2. De kamer voor de bescherming van de maatschappij van de strafuitvoeringsrechtbank neemt binnen een termijn van een jaar te rekenen van de inwerkingtreding van dit artikel overeenkomstig de artikelen 66 tot 75 een beslissing over de dossiers van de geïnterneerde personen die reeds meer dan [1 drie]1 jaar vrij op proef zijn.
§ 3. De beslissing tot internering van veroordeelden die door de minister van Justitie overeenkomstig artikel 21 van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten werd genomen voor de inwerkingtreding van deze wet, blijft geldig.
[1 De artikelen 77/8, en 77/9 zijn van toepassing op de geïnterneerde veroordeelden. In afwijking van artikel 77/8, § 1, blijven de beslissingen tot plaatsing in inrichtingen vermeld onder artikel 3, 4°, d), genomen voor de inwerkingtreding van deze wet, geldig.
De beslissingen tot toekenning van uitvoeringsmodaliteiten die vóór de inwerkingtreding van deze wet door de commissies voor de bescherming van de maatschappij zijn genomen, blijven geldig na de inwerkingtreding ervan.]1

[1 § 3/1. Voor de personen die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet zowel een veroordeling als een internering ondergaan, wordt binnen de zes maanden na de inwerkingtreding van deze wet door de directeur een advies bezorgd aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij met het oog op de aanwijzing van de inrichting waar de internering zal plaatsvinden en de eventuele toekenning van uitvoeringsmodaliteiten.]1
§ 4. [1 De directeur of de verantwoordelijke voor de zorg stelt, overeenkomstig artikel 47, een advies op, ten vroegste vier en ten laatste zes maanden na de inwerkingtreding van deze wet.
Indien zes maanden na de inwerkingtreding van deze wet geen advies werd uitgebracht, vat het openbaar ministerie de kamer voor de bescherming van de maatschappij.]1

§ 5. [1 De geïnterneerde personen die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet geplaatst zijn in een inrichting die niet door de bevoegde overheid erkend is of waarmee geen overeenkomst betreffende de plaatsing is afgesloten, kunnen er geplaatst blijven na de inwerkingtreding van deze wet, tenzij de kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist tot plaatsing in een erkende instelling.
Gedurende deze plaatsing zijn deze inrichtingen gehouden tot dezelfde verplichtingen als de inrichtingen bedoeld in artikel 3, 4°, d).
Artikel 84 is op deze inrichtingen van toepassing.]1

§ 6. De [1 ...]1 hoge commissie tot bescherming van de maatschappij blijft [1 bevoegd]1 voor de zaken waarvoor de debatten aan de gang zijn, of die in beraad zijn.
§ 7. Eenieder die voor de inwerkingtreding van dit artikel het slachtoffer is van een als misdaad of wanbedrijf omschreven feit dat door een geïnterneerde is gepleegd, kan overeenkomstig artikel 4 een schriftelijk verzoek aan [1 de rechter voor de bescherming van de maatschappij]1 richten.
Indien op het secretariaat van de Commissies tot Bescherming van de Maatschappij een slachtofferfiche voorhanden is, wordt de hierin opgenomen informatie ambtshalve overgemaakt aan [1 de rechter voor de bescherming van de maatschappij]1 die ze behandelt overeenkomstig artikel 4.
§ 8. De dossiers worden aan de griffier van de strafuitvoeringsrechtbank toegezonden door de secretarissen van de opgeheven commissies.
§ 9. De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder de archieven van de opgeheven commissies tot bescherming van de maatschappij worden toevertrouwd aan de gerechten die hij aanwijst, en die daarvan uitgiften, afschriften en uittreksels kunnen afleveren.
Art. 135. § 1er. Lors de l'entrée en vigueur [1 de la présente loi]1, tous les dossiers de personnes internées pour lesquels les commissions de défense sociale sont compétentes sont inscrits d'office et sans frais au rôle général de la chambre de protection sociale compétente du tribunal de l'application des peines.
§ 2. Conformément aux articles 66 à 75, la chambre de protection sociale du tribunal de l'application des peines statue dans un délai d'un an à compter de l'entrée en vigueur du présent article sur les dossiers de personnes internées se trouvant en liberté à l'essai depuis plus de [1 trois]1 ans.
§ 3. La décision d'internement de personnes condamnées prise par le ministre de la Justice conformément à l'article 21 de la loi du 1er juillet 1964 de défense sociale à l'égard des anormaux, des délinquants d'habitude et des auteurs de certains délits sexuels avant l'entrée en vigueur de la présente loi, reste valable.
[1 Les articles 77/8 et 77/9 s'appliquent aux condamnés internés. Par dérogation à l'article 77/8, § 1er, les décisions de placement dans les établissements visés à l'article 3, 4°, d), prises avant l'entrée en vigueur de la présente loi, continuent d'être valables.
Les décisions d'octroi de modalités d'exécution, prises avant l'entrée en vigueur de la présente loi par les commissions de défense sociale, restent valables après l'entrée en vigueur de celle-ci.]1

[1 § 3/1. Pour les personnes qui font l'objet tant d'une condamnation que d'un internement au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi, le directeur rend un avis à la chambre de protection sociale dans les six mois de l'entrée en vigueur de la présente loi en vue de la désignation de l'établissement dans lequel aura lieu l'internement et de l'octroi éventuel de modalités d'exécution.]1
§ 4. [1 Le directeur ou le responsable des soins rédige, conformément à l'article 47, un avis, au plus tôt quatre mois et au plus tard six mois après l'entrée en vigueur de la présente loi.
Si aucun avis n'a été émis six mois après l'entrée en vigueur de la présente loi, le ministère public saisit la chambre de protection sociale.]1

§ 5. [1 Les personnes internées qui, au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi, sont placées dans un établissement qui n'est pas reconnu par l'autorité compétente ou avec lequel aucun accord concernant le placement a été conclu, peuvent y rester placées après l'entrée en vigueur de la présente loi, sauf si la chambre de protection sociale décide du placement dans un établissement agréé.
Durant ce placement, ces établissements sont tenus aux mêmes obligations que les établissements visés à l'article 3, 4°, d).
L'article 84 s'applique à ces établissements.]1

§ 6. La Commission supérieure de défense sociale [1 ...]1 [1 reste compétente]1 pour les affaires à propos desquelles les débats sont en cours ou qui sont en suspens.
§ 7. Toute personne qui, avant l'entrée en vigueur du présent article, est victime d'un fait qualifié crime ou délit commis par une personne internée peut, conformément à l'article 4, adresser une demande écrite au [1 juge de protection sociale]1.
Si une fiche de la victime est disponible au secrétariat des commissions de défense sociale, les informations qui y figurent sont transmises d'office au [1 juge de protection sociale]1 afin de lui permettre d'agir conformément à l'article 4.
§ 8. Les dossiers sont adressés au greffe du tribunal de l'application des peines par les secrétaires des commissions supprimées.
§ 9. Le Roi détermine les conditions auxquelles les archives des commissions de défense sociale supprimées sont confiées aux juridictions qu'Il désigne et qui peuvent en délivrer des expéditions, copies ou extraits.
Art. 135/1. [1 Een examen met het oog op de werving van werkende en plaatsvervangende assessoren in strafuitvoeringszaken en interneringszaken gespecialiseerd in klinische psychologie, kan georganiseerd worden overeenkomstig het koninklijk besluit van 2 oktober 2006 tot vaststelling van de nadere regels voor de examens met het oog op de werving van werkende en plaatsvervangende assessoren in strafuitvoeringszaken gespecialiseerd in penitentiaire zaken en van werkende en plaatsvervangende assessoren gespecialiseerd in sociale re-integratie, vóór de inwerkingtreding van artikel 196bis van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij deze wet.]1
Art. 135/1. [1 Un examen en vue du recrutement d'assesseurs en application des peines et d'internement spécialisés en matière de psychologie clinique effectifs et suppléants peut être organisé conformément à l'arrêté royal du 2 octobre 2006 déterminant les modalités d'examens en vue du recrutement des assesseurs en application des peines spécialisés en matière pénitentiaire effectifs et suppléants et des assesseurs spécialisés en réinsertion sociale effectifs et suppléants, avant l'entrée en vigueur de l'article 196bis du Code judiciaire, tel que modifié par la présente loi.]1
TITEL VIII. - Inwerkingtreding
TITRE VIII. - Entrée en vigueur
Art. 136. [1 Deze wet treedt in werking op [2 1 oktober 2016]2, met uitzondering van :
artikel 6, § 1, tweede lid, dat in werking treedt op 1 januari 2020;
artikel 135/1 en dit artikel die in werking treden op de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
De Koning kan data van inwerkingtreding bepalen voorafgaand aan de data vermeld in het eerste lid.]1

Art. 136. [1 La présente loi entre en vigueur le [2 1er octobre 2016]2, à l'exception de :
l'article 6, § 1er, alinéa 2, qui entre en vigueur le 1er janvier 2020;
l'article 135/1 et du présent article qui entrent en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
Le Roi peut fixer des dates d'entrée en vigueur antérieures à celles mentionnées à l'alinéa 1er.]1