Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
7 FEBRUARI 2014. - Wet tot invoering van het elektronisch toezicht als autonome straf(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-02-2014 en tekstbijwerking tot 19-02-2016)
Titre
7 FEVRIER 2014. - Loi instaurant la surveillance électronique comme peine autonome(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 28-02-2014 et mise à jour au 19-02-2016)
Documentinformatie
Numac: 2014009072
Datum: 2014-02-07
Info du document
Numac: 2014009072
Date: 2014-02-07
Inhoud
Tekst (22)
Texte (22)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering
CHAPITRE 2. - Modifications du Code d'instruction criminelle
Art.2. In artikel 594, eerste lid van het Wetboek van strafvordering, hersteld bij de wet van 8 augustus 1997 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) het 4° wordt hersteld in de volgende lezing :
"4° de beslissingen die veroordelen tot een werkstraf overeenkomstig artikel 37quinquies van het Strafwetboek, met uitzondering voor het opmaken van de voorbereidende lijst van gezworenen overeenkomstig artikel 224, 13°, van het Gerechtelijk Wetboek;";
b) het lid wordt aangevuld met een 5°, luidende :
"5° de beslissingen die veroordelen tot een straf onder elektronisch toezicht overeenkomstig artikel 37ter van het Strafwetboek, met uitzondering voor het opmaken van de voorbereidende lijst van gezworenen overeenkomstig artikel 224, 13°, van het Gerechtelijk Wetboek.".
a) het 4° wordt hersteld in de volgende lezing :
"4° de beslissingen die veroordelen tot een werkstraf overeenkomstig artikel 37quinquies van het Strafwetboek, met uitzondering voor het opmaken van de voorbereidende lijst van gezworenen overeenkomstig artikel 224, 13°, van het Gerechtelijk Wetboek;";
b) het lid wordt aangevuld met een 5°, luidende :
"5° de beslissingen die veroordelen tot een straf onder elektronisch toezicht overeenkomstig artikel 37ter van het Strafwetboek, met uitzondering voor het opmaken van de voorbereidende lijst van gezworenen overeenkomstig artikel 224, 13°, van het Gerechtelijk Wetboek.".
Art.2. A l'article 594, alinéa 1er, du Code d'instruction criminelle, rétabli par la loi du 8 août 1997 et modifié en dernier lieu par la loi du 21 décembre 2009, les modifications suivantes sont apportées :
a) le 4° est rétabli dans la rédaction suivante :
"4° les décisions condamnant à une peine de travail conformément à l'article 37quinquies du Code pénal, excepté pour constituer la liste préparatoire des jurés conformément à l'article 224, 13° du Code judiciaire;";
b) l'alinéa est complété par un 5°, rédigé comme suit :
"5° les décisions condamnant à une peine de surveillance électronique conformément à l'article 37ter du Code pénal, excepté pour constituer la liste préparatoire des jurés conformément à l'article 224, 13° du Code judiciaire.".
a) le 4° est rétabli dans la rédaction suivante :
"4° les décisions condamnant à une peine de travail conformément à l'article 37quinquies du Code pénal, excepté pour constituer la liste préparatoire des jurés conformément à l'article 224, 13° du Code judiciaire;";
b) l'alinéa est complété par un 5°, rédigé comme suit :
"5° les décisions condamnant à une peine de surveillance électronique conformément à l'article 37ter du Code pénal, excepté pour constituer la liste préparatoire des jurés conformément à l'article 224, 13° du Code judiciaire.".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het Strafwetboek
CHAPITRE 3. - Modifications du Code pénal
Art.6. In het eerste boek, hoofdstuk II, van hetzelfde Wetboek wordt een afdeling [1 Vbis]1 ingevoegd, luidende : "De straf onder elektronisch toezicht".
Art.6. Dans le livre premier, chapitre II, du même Code, il est inséré une section [1 Vbis]1, intitulée : "De la peine de surveillance électronique".
Wijzigingen
Art.7. [1 In afdeling Vbis, ingevoegd bij artikel 6, wordt een artikel 37ter ingevoegd luidende :
"Art. 37ter. § 1. Indien een feit van die aard is om gestraft te worden met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar, kan de rechter als hoofdstraf een straf onder elektronisch toezicht opleggen van dezelfde duur als de gevangenisstraf die hij anders zou opleggen en die van toepassing kan worden ingeval de straf onder elektronisch toezicht niet wordt uitgevoerd. Voor de bepaling van de duur van deze vervangende gevangenisstraf staat een dag van de opgelegde straf onder elektronisch toezicht gelijk aan een dag gevangenisstraf.
Een straf onder elektronisch toezicht bestaat uit de verplichting om gedurende een door de rechter overeenkomstig paragraaf 2 bepaalde termijn aanwezig te zijn op een bepaald adres, behoudens toegestane verplaatsingen of afwezigheden, waarbij onder meer gebruik wordt gemaakt van elektronische middelen om dit te controleren, en waaraan overeenkomstig paragraaf 5 voorwaarden worden gekoppeld.
De straf onder elektronisch toezicht mag niet worden uitgesproken voor de feiten die :
1° bedoeld zijn in de artikelen 375 tot 377,
2° bedoeld zijn in de artikelen 379 tot 387, indien de feiten zijn gepleegd op of met behulp van minderjarigen;
3° bedoeld zijn in de artikelen 393 tot 397.
§ 2. De duur van de straf onder elektronisch toezicht bedraagt minstens een maand en ten hoogste een jaar. De strafrechter kan overeenkomstig artikel 85 rekening houden met verzachtende omstandigheden, zonder evenwel de duur van het elektronisch toezicht als autonome straf te bepalen op minder dan één maand.
De straf onder elektronisch toezicht moet een aanvang nemen binnen zes maanden na de dag waarop de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. Indien de overschrijding van deze termijn te wijten is aan de veroordeelde, beslist het openbaar ministerie ofwel tot verder uitstel van de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht ofwel tot uitvoering van de vervangende gevangenisstraf. Indien de overschrijding van deze termijn niet te wijten is aan de veroordeelde, moet de straf een aanvang nemen binnen zes maanden na de afloop van de eerste termijn, bij gebreke daarvan is de straf verjaard.
§ 3. Met het oog op het opleggen van een straf onder elektronisch toezicht, kunnen respectievelijk het openbaar ministerie, de onderzoeksrechter, de onderzoeksgerechten of de vonnisgerechten aan de bevoegde dienst voor de organisatie en de controle van het elektronisch toezicht, hierna "de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht" genoemd, van het gerechtelijk arrondissement van de verblijfplaats van de inverdenkinggestelde, de beklaagde of de veroordeelde de opdracht geven een beknopt voorlichtingsrapport en/of een maatschappelijke enquête uit te voeren.
Dit rapport of dit onderzoek bevat alleen de pertinente elementen die van aard zijn de overheid die het verzoek tot de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht richtte in te lichten over de opportuniteit van de overwogen straf.
Iedere meerderjarige waarmee de beklaagde samenwoont wordt in het kader van deze maatschappelijke enquête gehoord in zijn opmerkingen. Het beknopt voorlichtingsrapport of het verslag van de maatschappelijke enquête wordt binnen de maand na de aanvraag aan het dossier toegevoegd.
§ 4. Indien een straf onder elektronisch toezicht door de rechter wordt overwogen, door het openbaar ministerie wordt gevorderd of door de beklaagde wordt gevraagd, licht de rechter deze laatste vóór de sluiting van de debatten in over de draagwijdte van een dergelijke straf, de eventuele aanwijzingen over de concrete invulling die hij kan geven en de geïndividualiseerde voorwaarden die hij overeenkomstig paragraaf 5 kan opleggen en hoort hem in zijn opmerkingen. De rechter kan hierbij eveneens rekening houden met de belangen van de eventuele slachtoffers. De rechter kan de straf onder elektronisch toezicht slechts uitspreken als de beklaagde op de terechtzitting aanwezig is of vertegenwoordigd is en nadat hij, hetzij in persoon, hetzij via zijn raadsman, zijn instemming heeft gegeven. Iedere meerderjarige samenwonende van de beklaagde die in het kader van de maatschappelijke enquête niet is gehoord, of in het geval geen maatschappelijke enquête is verricht, kan door de rechter worden gehoord in zijn opmerkingen.
De rechter die weigert een door het openbaar ministerie gevorderde of door de beklaagde gevraagde straf onder elektronisch toezicht uit te spreken, moet zijn beslissing met redenen omkleden.
§ 5. De rechter bepaalt de duur van de straf onder elektronisch toezicht en kan aanwijzingen geven omtrent de concrete invulling ervan.
Aan de straf onder elektronisch toezicht worden steeds de volgende algemene voorwaarden verbonden :
1° geen strafbare feiten plegen;
2° een vast adres hebben en, bij wijziging ervan, de nieuwe verblijfplaats onmiddellijk meedelen aan het openbaar ministerie en de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht;
3° gevolg geven aan de oproepingen van de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht en de concrete invulling bepaald door deze dienst naleven.
De rechter kan de veroordeelde bovendien aan geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden onderwerpen in het belang van het slachtoffer. Deze voorwaarden hebben betrekking op het verbod om op bepaalde plaatsen te komen of met het slachtoffer contact op te nemen en/of op diens vergoeding."]1
"Art. 37ter. § 1. Indien een feit van die aard is om gestraft te worden met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar, kan de rechter als hoofdstraf een straf onder elektronisch toezicht opleggen van dezelfde duur als de gevangenisstraf die hij anders zou opleggen en die van toepassing kan worden ingeval de straf onder elektronisch toezicht niet wordt uitgevoerd. Voor de bepaling van de duur van deze vervangende gevangenisstraf staat een dag van de opgelegde straf onder elektronisch toezicht gelijk aan een dag gevangenisstraf.
Een straf onder elektronisch toezicht bestaat uit de verplichting om gedurende een door de rechter overeenkomstig paragraaf 2 bepaalde termijn aanwezig te zijn op een bepaald adres, behoudens toegestane verplaatsingen of afwezigheden, waarbij onder meer gebruik wordt gemaakt van elektronische middelen om dit te controleren, en waaraan overeenkomstig paragraaf 5 voorwaarden worden gekoppeld.
De straf onder elektronisch toezicht mag niet worden uitgesproken voor de feiten die :
1° bedoeld zijn in de artikelen 375 tot 377,
2° bedoeld zijn in de artikelen 379 tot 387, indien de feiten zijn gepleegd op of met behulp van minderjarigen;
3° bedoeld zijn in de artikelen 393 tot 397.
§ 2. De duur van de straf onder elektronisch toezicht bedraagt minstens een maand en ten hoogste een jaar. De strafrechter kan overeenkomstig artikel 85 rekening houden met verzachtende omstandigheden, zonder evenwel de duur van het elektronisch toezicht als autonome straf te bepalen op minder dan één maand.
De straf onder elektronisch toezicht moet een aanvang nemen binnen zes maanden na de dag waarop de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. Indien de overschrijding van deze termijn te wijten is aan de veroordeelde, beslist het openbaar ministerie ofwel tot verder uitstel van de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht ofwel tot uitvoering van de vervangende gevangenisstraf. Indien de overschrijding van deze termijn niet te wijten is aan de veroordeelde, moet de straf een aanvang nemen binnen zes maanden na de afloop van de eerste termijn, bij gebreke daarvan is de straf verjaard.
§ 3. Met het oog op het opleggen van een straf onder elektronisch toezicht, kunnen respectievelijk het openbaar ministerie, de onderzoeksrechter, de onderzoeksgerechten of de vonnisgerechten aan de bevoegde dienst voor de organisatie en de controle van het elektronisch toezicht, hierna "de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht" genoemd, van het gerechtelijk arrondissement van de verblijfplaats van de inverdenkinggestelde, de beklaagde of de veroordeelde de opdracht geven een beknopt voorlichtingsrapport en/of een maatschappelijke enquête uit te voeren.
Dit rapport of dit onderzoek bevat alleen de pertinente elementen die van aard zijn de overheid die het verzoek tot de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht richtte in te lichten over de opportuniteit van de overwogen straf.
Iedere meerderjarige waarmee de beklaagde samenwoont wordt in het kader van deze maatschappelijke enquête gehoord in zijn opmerkingen. Het beknopt voorlichtingsrapport of het verslag van de maatschappelijke enquête wordt binnen de maand na de aanvraag aan het dossier toegevoegd.
§ 4. Indien een straf onder elektronisch toezicht door de rechter wordt overwogen, door het openbaar ministerie wordt gevorderd of door de beklaagde wordt gevraagd, licht de rechter deze laatste vóór de sluiting van de debatten in over de draagwijdte van een dergelijke straf, de eventuele aanwijzingen over de concrete invulling die hij kan geven en de geïndividualiseerde voorwaarden die hij overeenkomstig paragraaf 5 kan opleggen en hoort hem in zijn opmerkingen. De rechter kan hierbij eveneens rekening houden met de belangen van de eventuele slachtoffers. De rechter kan de straf onder elektronisch toezicht slechts uitspreken als de beklaagde op de terechtzitting aanwezig is of vertegenwoordigd is en nadat hij, hetzij in persoon, hetzij via zijn raadsman, zijn instemming heeft gegeven. Iedere meerderjarige samenwonende van de beklaagde die in het kader van de maatschappelijke enquête niet is gehoord, of in het geval geen maatschappelijke enquête is verricht, kan door de rechter worden gehoord in zijn opmerkingen.
De rechter die weigert een door het openbaar ministerie gevorderde of door de beklaagde gevraagde straf onder elektronisch toezicht uit te spreken, moet zijn beslissing met redenen omkleden.
§ 5. De rechter bepaalt de duur van de straf onder elektronisch toezicht en kan aanwijzingen geven omtrent de concrete invulling ervan.
Aan de straf onder elektronisch toezicht worden steeds de volgende algemene voorwaarden verbonden :
1° geen strafbare feiten plegen;
2° een vast adres hebben en, bij wijziging ervan, de nieuwe verblijfplaats onmiddellijk meedelen aan het openbaar ministerie en de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht;
3° gevolg geven aan de oproepingen van de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht en de concrete invulling bepaald door deze dienst naleven.
De rechter kan de veroordeelde bovendien aan geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden onderwerpen in het belang van het slachtoffer. Deze voorwaarden hebben betrekking op het verbod om op bepaalde plaatsen te komen of met het slachtoffer contact op te nemen en/of op diens vergoeding."]1
Art.7. [1 Dans la section Vbis, insérée par l'article 6, il est inséré un article 37ter rédigé comme suit :
"Art. 37ter. § 1er. Lorsqu'un fait est de nature à entraîner une peine d'emprisonnement d'un an au maximum, le juge peut condamner à titre de peine principale à une peine de surveillance électronique d'une durée égale à la peine d'emprisonnement qu'il aurait prononcée et qui peut être applicable en cas de non-exécution de la peine de surveillance électronique. Pour la fixation de la durée de cette peine d'emprisonnement subsidiaire, un jour de la peine de surveillance électronique infligée correspond à un jour de peine d'emprisonnement.
Une peine de surveillance électronique consiste en l'obligation de présence à une adresse déterminée, exception faite des déplacements ou absences autorisés, durant une période fixée par le juge conformément au paragraphe 2. Le contrôle de la présence est assuré notamment par le recours à des moyens électroniques et, conformément au paragraphe 5, cette obligation est assortie de conditions.
La peine de surveillance électronique ne peut être prononcée pour les faits :
1° visés aux articles 375 à 377;
2° visés aux articles 379 à 387, si les faits ont été commis sur des mineurs ou à l'aide de mineurs;
3° visés aux articles 393 à 397.
§ 2. La durée de la peine de surveillance électronique ne peut être inférieure à un mois ni supérieure à un an. Conformément à l'article 85, le juge répressif peut tenir compte de circonstances atténuantes sans toutefois que la durée fixée de la surveillance électronique comme peine autonome puisse être inférieure à un mois.
La peine de surveillance électronique doit être exécutée dans les six mois qui suivent la date à laquelle la décision judiciaire est passée en force de chose jugée. Si le dépassement de ce délai est imputable au condamné, le ministère public décide soit de reporter encore l'exécution de la peine de surveillance électronique, soit de procéder à l'exécution de l'emprisonnement subsidiaire. Si le dépassement de ce délai n'est pas imputable au condamné, la peine doit être exécutée dans les six mois qui suivent l'expiration du premier délai, à défaut de quoi elle est prescrite.
§ 3. En vue de l'application d'une peine de surveillance électronique, le ministère public, le juge d'instruction, les juridictions d'instruction ou les juridictions de jugement peuvent charger le service compétent pour l'organisation et le contrôle de la surveillance électronique, ci-après désigné "service compétent pour la surveillance électronique", de l'arrondissement judiciaire du lieu de la résidence de l'inculpé, du prévenu ou du condamné de la réalisation d'un rapport d'information succinct et/ou d'une enquête sociale.
Ce rapport ou cette enquête ne contient que les éléments pertinents de nature à éclairer l'autorité qui a adressé la demande au service compétent pour la surveillance électronique sur l'opportunité de la peine envisagée.
Toute personne majeure avec laquelle cohabite le prévenu est entendue en ses observations dans le cadre de cette enquête sociale. Le rapport d'information succinct ou le rapport de l'enquête sociale est joint au dossier dans le mois de la demande.
§ 4. Lorsqu'une peine de surveillance électronique est envisagée par le juge, requise par le ministère public ou sollicitée par le prévenu, le juge informe celui-ci, avant la clôture des débats, de la portée d'une telle peine, lui fournit d'éventuelles indications quant au contenu concret qu'il peut donner et quant aux conditions individualisées qu'il peut imposer conformément au paragraphe 5 et l'entend dans ses observations. Le juge peut également tenir compte, à cet égard, des intérêts des victimes éventuelles. Le juge ne peut prononcer la peine de surveillance électronique que si le prévenu est présent ou représenté à l'audience et après qu'il a donné, soit en personne soit par l'intermédiaire de son conseil, son consentement. Tout cohabitant majeur du prévenu qui n'a pas été entendu dans le cadre de l'enquête sociale, ou si aucune enquête sociale n'a été effectuée, peut être entendu par le juge en ses observations.
Le juge qui refuse de prononcer une peine de surveillance électronique requise par le ministère public ou sollicitée par le prévenu doit motiver sa décision.
§ 5. Le juge détermine la durée de la peine de surveillance électronique et peut donner des indications quant à ses modalités concrètes.
La peine de surveillance électronique est toujours assortie des conditions générales suivantes :
1° ne pas commettre d'infractions;
2° avoir une adresse fixe et, en cas de changement d'adresse, communiquer sans délai l'adresse de sa nouvelle résidence au ministère public et au service compétent pour la surveillance électronique;
3° donner suite aux convocations du service compétent pour la surveillance électronique et respecter les modalités concrètes déterminées par ce service.
Le juge peut en outre soumettre le condamné à des conditions particulières individualisées dans l'intérêt des victimes. Ces conditions portent sur l'interdiction de fréquenter certains lieux ou de contacter la victime et/ou sur l'indemnisation de celle-ci."]1
"Art. 37ter. § 1er. Lorsqu'un fait est de nature à entraîner une peine d'emprisonnement d'un an au maximum, le juge peut condamner à titre de peine principale à une peine de surveillance électronique d'une durée égale à la peine d'emprisonnement qu'il aurait prononcée et qui peut être applicable en cas de non-exécution de la peine de surveillance électronique. Pour la fixation de la durée de cette peine d'emprisonnement subsidiaire, un jour de la peine de surveillance électronique infligée correspond à un jour de peine d'emprisonnement.
Une peine de surveillance électronique consiste en l'obligation de présence à une adresse déterminée, exception faite des déplacements ou absences autorisés, durant une période fixée par le juge conformément au paragraphe 2. Le contrôle de la présence est assuré notamment par le recours à des moyens électroniques et, conformément au paragraphe 5, cette obligation est assortie de conditions.
La peine de surveillance électronique ne peut être prononcée pour les faits :
1° visés aux articles 375 à 377;
2° visés aux articles 379 à 387, si les faits ont été commis sur des mineurs ou à l'aide de mineurs;
3° visés aux articles 393 à 397.
§ 2. La durée de la peine de surveillance électronique ne peut être inférieure à un mois ni supérieure à un an. Conformément à l'article 85, le juge répressif peut tenir compte de circonstances atténuantes sans toutefois que la durée fixée de la surveillance électronique comme peine autonome puisse être inférieure à un mois.
La peine de surveillance électronique doit être exécutée dans les six mois qui suivent la date à laquelle la décision judiciaire est passée en force de chose jugée. Si le dépassement de ce délai est imputable au condamné, le ministère public décide soit de reporter encore l'exécution de la peine de surveillance électronique, soit de procéder à l'exécution de l'emprisonnement subsidiaire. Si le dépassement de ce délai n'est pas imputable au condamné, la peine doit être exécutée dans les six mois qui suivent l'expiration du premier délai, à défaut de quoi elle est prescrite.
§ 3. En vue de l'application d'une peine de surveillance électronique, le ministère public, le juge d'instruction, les juridictions d'instruction ou les juridictions de jugement peuvent charger le service compétent pour l'organisation et le contrôle de la surveillance électronique, ci-après désigné "service compétent pour la surveillance électronique", de l'arrondissement judiciaire du lieu de la résidence de l'inculpé, du prévenu ou du condamné de la réalisation d'un rapport d'information succinct et/ou d'une enquête sociale.
Ce rapport ou cette enquête ne contient que les éléments pertinents de nature à éclairer l'autorité qui a adressé la demande au service compétent pour la surveillance électronique sur l'opportunité de la peine envisagée.
Toute personne majeure avec laquelle cohabite le prévenu est entendue en ses observations dans le cadre de cette enquête sociale. Le rapport d'information succinct ou le rapport de l'enquête sociale est joint au dossier dans le mois de la demande.
§ 4. Lorsqu'une peine de surveillance électronique est envisagée par le juge, requise par le ministère public ou sollicitée par le prévenu, le juge informe celui-ci, avant la clôture des débats, de la portée d'une telle peine, lui fournit d'éventuelles indications quant au contenu concret qu'il peut donner et quant aux conditions individualisées qu'il peut imposer conformément au paragraphe 5 et l'entend dans ses observations. Le juge peut également tenir compte, à cet égard, des intérêts des victimes éventuelles. Le juge ne peut prononcer la peine de surveillance électronique que si le prévenu est présent ou représenté à l'audience et après qu'il a donné, soit en personne soit par l'intermédiaire de son conseil, son consentement. Tout cohabitant majeur du prévenu qui n'a pas été entendu dans le cadre de l'enquête sociale, ou si aucune enquête sociale n'a été effectuée, peut être entendu par le juge en ses observations.
Le juge qui refuse de prononcer une peine de surveillance électronique requise par le ministère public ou sollicitée par le prévenu doit motiver sa décision.
§ 5. Le juge détermine la durée de la peine de surveillance électronique et peut donner des indications quant à ses modalités concrètes.
La peine de surveillance électronique est toujours assortie des conditions générales suivantes :
1° ne pas commettre d'infractions;
2° avoir une adresse fixe et, en cas de changement d'adresse, communiquer sans délai l'adresse de sa nouvelle résidence au ministère public et au service compétent pour la surveillance électronique;
3° donner suite aux convocations du service compétent pour la surveillance électronique et respecter les modalités concrètes déterminées par ce service.
Le juge peut en outre soumettre le condamné à des conditions particulières individualisées dans l'intérêt des victimes. Ces conditions portent sur l'interdiction de fréquenter certains lieux ou de contacter la victime et/ou sur l'indemnisation de celle-ci."]1
Wijzigingen
Art.8. [1 In dezelfde afdeling Vbis, wordt een artikel 37quater ingevoegd, luidende :
"Art. 37quater. § 1. Zodra de veroordeling tot de straf onder elektronisch toezicht in kracht van gewijsde is gegaan, licht de griffier de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht daarover in, zodat de straf kan worden uitgevoerd. De dienst neemt daartoe binnen zeven werkdagen nadat hij werd ingelicht, contact op met de veroordeelde, bepaalt, na de veroordeelde gehoord te hebben en rekening houdend met zijn opmerkingen, de concrete invulling van de straf en deelt deze onverwijld mee aan het bevoegde openbaar ministerie.
§ 2. Onverminderd de toepassing van artikel 20 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, is het openbaar ministerie belast met de controle op de veroordeelde. De ambtenaren van de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht controleren de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht en begeleiden de veroordeelde.
§ 3. Indien de straf onder elektronisch toezicht niet of slechts gedeeltelijk in overeenstemming met de bepalingen van artikel 37ter, § 5, wordt uitgevoerd, meldt de ambtenaar van de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht dit onverwijld aan het bevoegde openbaar ministerie. Deze laatste kan dan beslissen de in de rechterlijke beslissing voorziene gevangenisstraf uit te voeren, waarbij rekening wordt gehouden met het gedeelte van de straf onder elektronisch toezicht dat reeds door de veroordeelde werd uitgevoerd In dit geval staat een dag van de straf onder elektronisch toezicht die werd uitgevoerd gelijk aan een dag gevangenisstraf. Ingeval de niet of slechts gedeeltelijke uitvoering nieuwe strafbare feiten betreffen, moet bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing vastgesteld zijn dat de veroordeelde tijdens de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht een wanbedrijf of een misdaad, of een gelijkwaardig misdrijf dat in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99bis, heeft gepleegd.
Het bevoegde openbaar ministerie motiveert zijn beslissing en deelt deze via het snelst mogelijk schriftelijke communicatiemiddel mee :
- aan de veroordeelde;
- aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde verblijft;
- aan de nationale gegevensbank zoals bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
- aan de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht.
§ 4. Als de straf onder elektronisch toezicht drie maanden bedraagt of overschrijdt, wordt de veroordeelde vanaf de uitvoerlegging door de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht ingelicht over de mogelijkheid tot het aanvragen van een schorsing van de controle met elektronische middelen na een derde van de strafduur. De veroordeelde kan vanaf het moment dat hij aan de tijdsvoorwaarden voldoet een schriftelijk verzoek tot toekenning van deze schorsing indienen bij het bevoegde openbaar ministerie. Een kopie van dit schriftelijk verzoek wordt door de veroordeelde gericht aan de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht.
De bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht brengt binnen vijftien dagen een advies uit aan het bevoegde openbaar ministerie, dat betrekking heeft op de naleving van het programma van de concrete invulling van het elektronisch toezicht en, in voorkomend geval, van de aan de veroordeelde opgelegde geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden. Dit advies vermeldt of de veroordeelde tijdens de tenuitvoerlegging van de straf onder elektronisch toezicht nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Het omvat bovendien een met redenen omkleed voorstel tot toekenning of afwijzing van de schorsing van de controle met elektronische middelen en, in voorkomend geval, de bijzondere voorwaarden die de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht nodig acht op te leggen aan de veroordeelde.
Het bevoegde openbaar ministerie kent binnen de maand na de ontvangst van het advies de schorsing van de controle met elektronische middelen toe in geval de veroordeelde geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd en het programma van de concrete invulling van het elektronisch toezicht en, in voorkomend geval, de hem opgelegde geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden heeft nageleefd.
Wanneer de schorsing van de controle met elektronische middelen wordt toegekend, ondergaat de veroordeelde een proeftijd voor het gedeelte van de straf onder elektronisch toezicht dat hij nog moet ondergaan. In dit geval staat een dag van de proeftijd gelijk aan een dag van de straf onder elektronisch toezicht die werd opgelegd. De veroordeelde is onderworpen aan de algemene voorwaarden alsook, in voorkomend geval, aan de hem opgelegde bijzondere voorwaarden.
Het bevoegde openbaar ministerie deelt zijn beslissing via het snelst mogelijk schriftelijke communicatiemiddel mee :
- aan de veroordeelde;
- aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde verblijft;
- aan de nationale gegevensbank zoals bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
- aan de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht.
Indien het verzoek tot schorsing wordt verworpen, kan een nieuw verzoek slechts worden ingediend na een termijn van twee maanden na de verwerping ervan.
Bij niet-naleving van de algemene voorwaarden en, in voorkomend geval, van de hem opgelegde bijzondere voorwaarden, kan er overgegaan worden tot herroeping van de schorsing van de controle met elektronische middelen.
Het bevoegde openbaar ministerie hoort de veroordeelde in zijn opmerkingen ter zake. Ingeval de veroordeelde niet ingaat op de uitnodiging om te worden gehoord, kan dit openbaar ministerie beslissen tot herroeping van de schorsing van de controle met elektronische middelen of tot uitvoering van de vervangende gevangenisstraf. Ingeval de niet naleving de algemene voorwaarde van geen nieuwe strafbare feiten plegen betreft, moet bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing vastgesteld zijn dat de veroordeelde tijdens de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht of tijdens de schorsing van de controle met elektronische middelen een wanbedrijf of een misdaad, of een gelijkwaardig misdrijf dat in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99bis, heeft gepleegd.
De beslissing tot herroeping van de schorsing van de controle met elektronische middelen omvat een beslissing over :
- de bijzondere voorwaarden verbonden aan de schorsing, opgelegd door het openbaar ministerie;
- het uitvoeren van het elektronisch toezicht voor de resterende proeftijd;
- het opnieuw van kracht worden van de bijzondere voorwaarden in voorkomend geval opgelegd door de vonnisrechter.
Het bevoegde openbaar ministerie deelt zijn beslissing via het snelst mogelijk schriftelijk communicatiemiddel mee :
- aan de veroordeelde;
- aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde verblijft;
- aan de nationale gegevensbank zoals bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
- aan de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht.
§ 5. Het in de paragrafen 1 tot 4 bedoelde openbaar ministerie is het openbaar ministerie bij het vonnisgerecht dat de veroordeling tot een straf onder elektronisch toezicht heeft uitgesproken."]1
"Art. 37quater. § 1. Zodra de veroordeling tot de straf onder elektronisch toezicht in kracht van gewijsde is gegaan, licht de griffier de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht daarover in, zodat de straf kan worden uitgevoerd. De dienst neemt daartoe binnen zeven werkdagen nadat hij werd ingelicht, contact op met de veroordeelde, bepaalt, na de veroordeelde gehoord te hebben en rekening houdend met zijn opmerkingen, de concrete invulling van de straf en deelt deze onverwijld mee aan het bevoegde openbaar ministerie.
§ 2. Onverminderd de toepassing van artikel 20 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, is het openbaar ministerie belast met de controle op de veroordeelde. De ambtenaren van de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht controleren de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht en begeleiden de veroordeelde.
§ 3. Indien de straf onder elektronisch toezicht niet of slechts gedeeltelijk in overeenstemming met de bepalingen van artikel 37ter, § 5, wordt uitgevoerd, meldt de ambtenaar van de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht dit onverwijld aan het bevoegde openbaar ministerie. Deze laatste kan dan beslissen de in de rechterlijke beslissing voorziene gevangenisstraf uit te voeren, waarbij rekening wordt gehouden met het gedeelte van de straf onder elektronisch toezicht dat reeds door de veroordeelde werd uitgevoerd In dit geval staat een dag van de straf onder elektronisch toezicht die werd uitgevoerd gelijk aan een dag gevangenisstraf. Ingeval de niet of slechts gedeeltelijke uitvoering nieuwe strafbare feiten betreffen, moet bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing vastgesteld zijn dat de veroordeelde tijdens de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht een wanbedrijf of een misdaad, of een gelijkwaardig misdrijf dat in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99bis, heeft gepleegd.
Het bevoegde openbaar ministerie motiveert zijn beslissing en deelt deze via het snelst mogelijk schriftelijke communicatiemiddel mee :
- aan de veroordeelde;
- aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde verblijft;
- aan de nationale gegevensbank zoals bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
- aan de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht.
§ 4. Als de straf onder elektronisch toezicht drie maanden bedraagt of overschrijdt, wordt de veroordeelde vanaf de uitvoerlegging door de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht ingelicht over de mogelijkheid tot het aanvragen van een schorsing van de controle met elektronische middelen na een derde van de strafduur. De veroordeelde kan vanaf het moment dat hij aan de tijdsvoorwaarden voldoet een schriftelijk verzoek tot toekenning van deze schorsing indienen bij het bevoegde openbaar ministerie. Een kopie van dit schriftelijk verzoek wordt door de veroordeelde gericht aan de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht.
De bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht brengt binnen vijftien dagen een advies uit aan het bevoegde openbaar ministerie, dat betrekking heeft op de naleving van het programma van de concrete invulling van het elektronisch toezicht en, in voorkomend geval, van de aan de veroordeelde opgelegde geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden. Dit advies vermeldt of de veroordeelde tijdens de tenuitvoerlegging van de straf onder elektronisch toezicht nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Het omvat bovendien een met redenen omkleed voorstel tot toekenning of afwijzing van de schorsing van de controle met elektronische middelen en, in voorkomend geval, de bijzondere voorwaarden die de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht nodig acht op te leggen aan de veroordeelde.
Het bevoegde openbaar ministerie kent binnen de maand na de ontvangst van het advies de schorsing van de controle met elektronische middelen toe in geval de veroordeelde geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd en het programma van de concrete invulling van het elektronisch toezicht en, in voorkomend geval, de hem opgelegde geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden heeft nageleefd.
Wanneer de schorsing van de controle met elektronische middelen wordt toegekend, ondergaat de veroordeelde een proeftijd voor het gedeelte van de straf onder elektronisch toezicht dat hij nog moet ondergaan. In dit geval staat een dag van de proeftijd gelijk aan een dag van de straf onder elektronisch toezicht die werd opgelegd. De veroordeelde is onderworpen aan de algemene voorwaarden alsook, in voorkomend geval, aan de hem opgelegde bijzondere voorwaarden.
Het bevoegde openbaar ministerie deelt zijn beslissing via het snelst mogelijk schriftelijke communicatiemiddel mee :
- aan de veroordeelde;
- aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde verblijft;
- aan de nationale gegevensbank zoals bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
- aan de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht.
Indien het verzoek tot schorsing wordt verworpen, kan een nieuw verzoek slechts worden ingediend na een termijn van twee maanden na de verwerping ervan.
Bij niet-naleving van de algemene voorwaarden en, in voorkomend geval, van de hem opgelegde bijzondere voorwaarden, kan er overgegaan worden tot herroeping van de schorsing van de controle met elektronische middelen.
Het bevoegde openbaar ministerie hoort de veroordeelde in zijn opmerkingen ter zake. Ingeval de veroordeelde niet ingaat op de uitnodiging om te worden gehoord, kan dit openbaar ministerie beslissen tot herroeping van de schorsing van de controle met elektronische middelen of tot uitvoering van de vervangende gevangenisstraf. Ingeval de niet naleving de algemene voorwaarde van geen nieuwe strafbare feiten plegen betreft, moet bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing vastgesteld zijn dat de veroordeelde tijdens de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht of tijdens de schorsing van de controle met elektronische middelen een wanbedrijf of een misdaad, of een gelijkwaardig misdrijf dat in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99bis, heeft gepleegd.
De beslissing tot herroeping van de schorsing van de controle met elektronische middelen omvat een beslissing over :
- de bijzondere voorwaarden verbonden aan de schorsing, opgelegd door het openbaar ministerie;
- het uitvoeren van het elektronisch toezicht voor de resterende proeftijd;
- het opnieuw van kracht worden van de bijzondere voorwaarden in voorkomend geval opgelegd door de vonnisrechter.
Het bevoegde openbaar ministerie deelt zijn beslissing via het snelst mogelijk schriftelijk communicatiemiddel mee :
- aan de veroordeelde;
- aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde verblijft;
- aan de nationale gegevensbank zoals bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
- aan de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht.
§ 5. Het in de paragrafen 1 tot 4 bedoelde openbaar ministerie is het openbaar ministerie bij het vonnisgerecht dat de veroordeling tot een straf onder elektronisch toezicht heeft uitgesproken."]1
Art.8. [1 Dans la même section Vbis, il est inséré un article 37quater rédigé comme suit :
"Art. 37quater. § 1er. Dès que la condamnation à une peine de surveillance électronique est passée en force de chose jugée, le greffier informe le service compétent pour la surveillance électronique en vue de faire exécuter cette peine. A cette fin, ce service prend contact avec le condamné dans les sept jours ouvrables qui suivent l'information, détermine les modalités concrètes d'exécution de la peine, après avoir entendu le condamné et en tenant compte des observations de celui-ci, et en avise sans délai le ministère public compétent.
§ 2. Sans préjudice de l'application de l'article 20 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, le ministère public est chargé du contrôle du condamné. Les fonctionnaires du service compétent pour la surveillance électronique contrôlent l'exécution de la peine de surveillance électronique et assurent le suivi ou la guidance du condamné.
§ 3. Si la peine de surveillance électronique n'est pas exécutée en tout ou en partie conformément aux dispositions de l'article 37ter, § 5, le fonctionnaire du service compétent pour la surveillance électronique en informe sans délai le ministère public compétent. Ce dernier peut alors décider de procéder à l'exécution de la peine d'emprisonnement fixée dans la décision judiciaire, et ce, en tenant compte de la partie de la peine de surveillance électronique qui a déjà été exécutée par le condamné. Dans ce cas, un jour de peine de surveillance électronique exécuté équivaut à un jour d'emprisonnement. Si l'inexécution totale ou partielle concerne de nouvelles infractions, il doit être établi par une décision passée en force de chose jugée que le condamné a commis un délit ou un crime, ou une infraction équivalente prise en compte conformément à l'article 99bis, durant l'exécution de la peine de surveillance électronique.
Le ministère public compétent motive sa décision et la communique par le biais du moyen de communication écrit le plus rapide :
- au condamné;
- au chef de corps de la police locale de la commune où réside le condamné;
- à la banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police;
- au service compétent pour la surveillance électronique.
§ 4. Si la peine de surveillance électronique atteint ou excède trois mois, le condamné peut demander une suspension du contrôle effectué par des moyens électroniques après avoir purgé un tiers de la durée de la peine. Il est informé de cette possibilité par le service compétent pour la surveillance électronique dès la mise à exécution de la peine. Dès qu'il remplit les conditions de temps, le condamné peut adresser au ministère public compétent une demande écrite en vue de l'obtention de cette suspension. Le condamné envoie une copie de cette demande écrite au service compétent pour la surveillance électronique.
Dans les quinze jours, le service compétent pour la surveillance électronique rend un avis au ministère public compétent au sujet du respect du programme du contenu concret de la surveillance électronique et, le cas échéant, des conditions particulières individualisées imposées au condamné. Cet avis indique si le condamné a commis de nouvelles infractions durant l'exécution de la peine de surveillance électronique. En outre, il comporte une proposition motivée d'octroi ou de rejet de la suspension du contrôle effectué par des moyens électroniques et reprend, le cas échéant, les conditions particulières que le service compétent pour la surveillance électronique juge nécessaire d'imposer au condamné.
Le ministère public compétent octroie dans le mois après la réception de l'avis la suspension du contrôle effectué par des moyens électroniques dans le cas où le condamné n'a pas commis de nouvelles infractions et qu'il a respecté le programme du contenu concret de la surveillance électronique et, le cas échéant, les conditions particulières individualisées qui lui avaient été imposées.
Lorsque la suspension du contrôle effectué par des moyens électroniques est accordée, le condamné est soumis à un délai d'épreuve pour la partie de la peine de surveillance électronique qu'il doit encore purger. Dans ce cas, un jour du délai d'épreuve équivaut à un jour de la peine de surveillance électronique imposée. Le condamné est soumis aux conditions générales, ainsi que, le cas échéant, aux conditions particulières qui lui ont été imposées.
Le ministère public compétent communique sa décision par le moyen de communication écrit le plus rapide :
- au condamné;
- au chef de corps de la police locale de la commune où réside le condamné;
- à la banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police;
- au service compétent pour la surveillance électronique.
En cas de rejet d'une demande de suspension, une nouvelle demande ne peut être introduite qu'après l'expiration d'un délai de deux mois à compter du rejet.
En cas de non-respect des conditions générales et, le cas échéant, des conditions particulières imposées au condamné, la suspension du contrôle effectué par des moyens électroniques peut être révoquée.
Le ministère public compétent entend le condamné dans ses observations en la matière. Si le condamné ne donne pas suite à la convocation aux fins d'être entendu, ce ministère public peut décider de révoquer la suspension du contrôle effectué par des moyens électroniques ou de procéder à l'exécution de l'emprisonnement subsidiaire. Si le non-respect concerne la condition générale interdisant la commission de nouvelles infractions, il doit être établi par une décision passée en force de chose jugée que le condamné a commis un délit ou un crime, ou une infraction équivalente prise en compte conformément à l'article 99bis, durant l'exécution de la peine de surveillance électronique ou durant la suspension du contrôle effectué par des moyens électroniques.
La décision de révocation de la suspension du contrôle effectué par des moyens électroniques comprend une décision sur :
- les conditions particulières liées à la suspension, imposées par le ministère public;
- l'exécution de la surveillance électronique pour la durée restante du délai d'épreuve;
- la réinstauration des conditions particulières imposées le cas échéant par la juridiction de jugement.
Le ministère public compétent communique sa décision par le biais du moyen de communication écrit le plus rapide :
- au condamné;
- au chef de corps de la police locale de la commune où réside le condamné;
- à la banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police;
- au service compétent pour la surveillance électronique.
§ 5. Le ministère public visé aux paragraphes 1er à 4 est le ministère public près la juridiction de jugement qui a prononcé la condamnation à une peine sous surveillance électronique."]1
"Art. 37quater. § 1er. Dès que la condamnation à une peine de surveillance électronique est passée en force de chose jugée, le greffier informe le service compétent pour la surveillance électronique en vue de faire exécuter cette peine. A cette fin, ce service prend contact avec le condamné dans les sept jours ouvrables qui suivent l'information, détermine les modalités concrètes d'exécution de la peine, après avoir entendu le condamné et en tenant compte des observations de celui-ci, et en avise sans délai le ministère public compétent.
§ 2. Sans préjudice de l'application de l'article 20 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, le ministère public est chargé du contrôle du condamné. Les fonctionnaires du service compétent pour la surveillance électronique contrôlent l'exécution de la peine de surveillance électronique et assurent le suivi ou la guidance du condamné.
§ 3. Si la peine de surveillance électronique n'est pas exécutée en tout ou en partie conformément aux dispositions de l'article 37ter, § 5, le fonctionnaire du service compétent pour la surveillance électronique en informe sans délai le ministère public compétent. Ce dernier peut alors décider de procéder à l'exécution de la peine d'emprisonnement fixée dans la décision judiciaire, et ce, en tenant compte de la partie de la peine de surveillance électronique qui a déjà été exécutée par le condamné. Dans ce cas, un jour de peine de surveillance électronique exécuté équivaut à un jour d'emprisonnement. Si l'inexécution totale ou partielle concerne de nouvelles infractions, il doit être établi par une décision passée en force de chose jugée que le condamné a commis un délit ou un crime, ou une infraction équivalente prise en compte conformément à l'article 99bis, durant l'exécution de la peine de surveillance électronique.
Le ministère public compétent motive sa décision et la communique par le biais du moyen de communication écrit le plus rapide :
- au condamné;
- au chef de corps de la police locale de la commune où réside le condamné;
- à la banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police;
- au service compétent pour la surveillance électronique.
§ 4. Si la peine de surveillance électronique atteint ou excède trois mois, le condamné peut demander une suspension du contrôle effectué par des moyens électroniques après avoir purgé un tiers de la durée de la peine. Il est informé de cette possibilité par le service compétent pour la surveillance électronique dès la mise à exécution de la peine. Dès qu'il remplit les conditions de temps, le condamné peut adresser au ministère public compétent une demande écrite en vue de l'obtention de cette suspension. Le condamné envoie une copie de cette demande écrite au service compétent pour la surveillance électronique.
Dans les quinze jours, le service compétent pour la surveillance électronique rend un avis au ministère public compétent au sujet du respect du programme du contenu concret de la surveillance électronique et, le cas échéant, des conditions particulières individualisées imposées au condamné. Cet avis indique si le condamné a commis de nouvelles infractions durant l'exécution de la peine de surveillance électronique. En outre, il comporte une proposition motivée d'octroi ou de rejet de la suspension du contrôle effectué par des moyens électroniques et reprend, le cas échéant, les conditions particulières que le service compétent pour la surveillance électronique juge nécessaire d'imposer au condamné.
Le ministère public compétent octroie dans le mois après la réception de l'avis la suspension du contrôle effectué par des moyens électroniques dans le cas où le condamné n'a pas commis de nouvelles infractions et qu'il a respecté le programme du contenu concret de la surveillance électronique et, le cas échéant, les conditions particulières individualisées qui lui avaient été imposées.
Lorsque la suspension du contrôle effectué par des moyens électroniques est accordée, le condamné est soumis à un délai d'épreuve pour la partie de la peine de surveillance électronique qu'il doit encore purger. Dans ce cas, un jour du délai d'épreuve équivaut à un jour de la peine de surveillance électronique imposée. Le condamné est soumis aux conditions générales, ainsi que, le cas échéant, aux conditions particulières qui lui ont été imposées.
Le ministère public compétent communique sa décision par le moyen de communication écrit le plus rapide :
- au condamné;
- au chef de corps de la police locale de la commune où réside le condamné;
- à la banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police;
- au service compétent pour la surveillance électronique.
En cas de rejet d'une demande de suspension, une nouvelle demande ne peut être introduite qu'après l'expiration d'un délai de deux mois à compter du rejet.
En cas de non-respect des conditions générales et, le cas échéant, des conditions particulières imposées au condamné, la suspension du contrôle effectué par des moyens électroniques peut être révoquée.
Le ministère public compétent entend le condamné dans ses observations en la matière. Si le condamné ne donne pas suite à la convocation aux fins d'être entendu, ce ministère public peut décider de révoquer la suspension du contrôle effectué par des moyens électroniques ou de procéder à l'exécution de l'emprisonnement subsidiaire. Si le non-respect concerne la condition générale interdisant la commission de nouvelles infractions, il doit être établi par une décision passée en force de chose jugée que le condamné a commis un délit ou un crime, ou une infraction équivalente prise en compte conformément à l'article 99bis, durant l'exécution de la peine de surveillance électronique ou durant la suspension du contrôle effectué par des moyens électroniques.
La décision de révocation de la suspension du contrôle effectué par des moyens électroniques comprend une décision sur :
- les conditions particulières liées à la suspension, imposées par le ministère public;
- l'exécution de la surveillance électronique pour la durée restante du délai d'épreuve;
- la réinstauration des conditions particulières imposées le cas échéant par la juridiction de jugement.
Le ministère public compétent communique sa décision par le biais du moyen de communication écrit le plus rapide :
- au condamné;
- au chef de corps de la police locale de la commune où réside le condamné;
- à la banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police;
- au service compétent pour la surveillance électronique.
§ 5. Le ministère public visé aux paragraphes 1er à 4 est le ministère public près la juridiction de jugement qui a prononcé la condamnation à une peine sous surveillance électronique."]1
Wijzigingen
Art.9. In het eerste boek, hoofdstuk II, van hetzelfde Wetboek wordt "Afdeling Vbis. De werkstraf" vernummerd tot "Afdeling Vter. De werkstraf" en worden de artikelen 37ter, 37quater en 37quinquies vernummerd tot de artikelen 37quinquies, 37sexies en [1 37septies]1.
Art.9. Dans le livre premier, chapitre II, du même Code, la "Section Vbis. De la peine de travail" est renumérotée en "Section Vter. De la peine de travail", et les articles 37ter, 37quater et 37quinquies sont renumérotés en articles 37quinquies, 37sexies et [1 37septies]1.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt
CHAPITRE 4. - Modification de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police
Art.14. In artikel 20 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt aangevuld met de woorden :
", op de veroordeelden die een straf onder elektronisch toezicht in de zin van de artikelen 37ter en 37quater van het Strafwetboek ondergaan.";
2° het tweede lid wordt aangevuld met de woorden :
"en aan de veroordeelden die een straf onder elektronisch toezicht in de zin van de artikelen 37ter en 37quater van het Strafwetboek ondergaan.".
1° het eerste lid wordt aangevuld met de woorden :
", op de veroordeelden die een straf onder elektronisch toezicht in de zin van de artikelen 37ter en 37quater van het Strafwetboek ondergaan.";
2° het tweede lid wordt aangevuld met de woorden :
"en aan de veroordeelden die een straf onder elektronisch toezicht in de zin van de artikelen 37ter en 37quater van het Strafwetboek ondergaan.".
Art.14. A l'article 20 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, modifié en dernier lieu par la loi du 27 décembre 2012, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est complété par les mots :
"et les condamnés qui purgent une peine de surveillance électronique au sens des articles 37ter et 37quater du Code pénal.";
2° l'alinéa 2 est complété par les mots :
"et aux condamnés qui purgent une peine de surveillance électronique au sens des articles 37ter et 37quater du Code pénal.".
1° l'alinéa 1er est complété par les mots :
"et les condamnés qui purgent une peine de surveillance électronique au sens des articles 37ter et 37quater du Code pénal.";
2° l'alinéa 2 est complété par les mots :
"et aux condamnés qui purgent une peine de surveillance électronique au sens des articles 37ter et 37quater du Code pénal.".
HOOFDSTUK 5. - Machtiging tot coördinatie
CHAPITRE 5. - Autorisation de coordination
Art.15. De Koning is belast met de coördinatie van de andere wetteksten met de bepalingen van deze wet.
Art.15. Le Roi est chargé de la coordination des autres textes légaux avec les dispositions de la présente loi.
HOOFDSTUK 6. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 6. - Entrée en vigueur
Art. 16. Deze wet treedt in werking [1 op de dag waarop de wet van 8 mei 2014 tot wijziging van de artikelen 217, 223, 224 en 231 van het Gerechtelijk Wetboek in werking treedt]1.
Art. 16. La présente loi entre en vigueur [1 le jour de l'entrée en vigueur de la loi du 8 mai 2014 modifiant les articles 217, 223, 224 et 231 du Code judiciaire]1.