Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
4 AUGUSTUS 2014. - Koninklijk besluit tot wijziging van het KB/WIB 92, wat betreft de omzetting van de aftrek van giften in een belastingvermindering en wat betreft de bepalingen inzake de erkenning van instellingen die giften kunnen ontvangen
Titre
4 AOUT 2014. - Arrêté royal modifiant l'AR/CIR 92, en ce qui concerne la transformation de la déduction des libéralités en une réduction d'impôt et en ce qui concerne les dispositions relatives à l'agrément d'institutions pouvant bénéficier de libéralités
Documentinformatie
Numac: 2014003329
Datum: 2014-08-04
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2014003329
Date: 2014-08-04
Moniteur: Voir
Tekst (7)
Texte (7)
Artikel 1. Het koninklijk besluit van 26 december 2013 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de instellingen die giften ontvangen, wordt ingetrokken.
Article 1er. L'arrêté royal du 26 décembre 2013 modifiant, en ce qui concerne les institutions bénéficiant de libéralités, l'AR/CIR 92, est retiré.
Art. 2. In hoofdstuk I van het KB/WIB 92, wordt Afdeling XXII. - Instellingen die giften ontvangen. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen 108 en 110) dat de artikelen 57 tot 60/3 bevat, vervangen bij koninklijk besluit van 21 februari 2011, opgeheven.
Art. 2. Dans le chapitre Ier de l'AR/CIR 92, la section XXII. - Institutions bénéficiant de libéralités. (Code des impôts sur les revenus 1992, articles 108 et 110) comprenant les articles 57 à 60/3, remplacée par l'arrêté royal du 21 février 2011, est abrogée.
Art. 3. In hoofdstuk I van hetzelfde besluit, wordt een afdeling XXVundecies/1 ingevoegd, die de artikelen 6318/1 tot 6318/7 bevat, luidende :
  "Afdeling XXVundecies/1. - Vermindering voor giften (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 14533, § 2, eerste lid, en § 3, eerste lid)
  Art. 6318/1. 1. § 1. Voor de toepassing van artikel 14533, § 1, eerste lid, 1°, b, d, e, g, i, j en l, 2° en 3° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 kunnen worden erkend :
  1° de instellingen voor wetenschappelijk onderzoek;
  2° de instellingen die oorlogsslachtoffers bijstaan;
  3° de instellingen die mindervaliden, bejaarden, beschermde minderjarigen of behoeftigen bijstaan;
  4° de instellingen voor hulpverlening aan ontwikkelingslanden;
  5° de culturele instellingen;
  6° de instellingen opgericht voor hulpverlening aan slachtoffers van rampen die de toepassing rechtvaardigen van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen;
  7° de instellingen die zich bezighouden met het natuurbehoud of de bescherming van het leefmilieu;
  8° de instellingen die hulp verlenen aan slachtoffers van zeer grote industriële ongevallen;
  9° de instellingen die het behoud of de zorg voor monumenten en landschappen ten doel hebben;
  10° de instellingen die duurzame ontwikkeling ten doel hebben.
  § 2. De erkenning wordt voor een periode van ten hoogste zes opeenvolgende kalenderjaren verleend.
  § 3. De in paragraaf 1 vermelde instellingen moeten, naast de in de artikelen 6318/3 vermelde bijzondere voorwaarden aan volgende algemene voorwaarden voldoen :
  1° zij moeten rechtspersoonlijkheid bezitten en gevestigd zijn in België;
  2° zij mogen generlei gewin bejagen, noch voor zichzelf, noch voor hun organen, noch voor hun leden als zodanig.
  § 4. Om te worden erkend moeten de instellingen als vermeld in paragraaf 1 daartoe een schriftelijke aanvraag indienen in de vorm en binnen de termijnen als hierna bepaald.
  § 5. De aanvragen om erkenning of hernieuwing van de erkenning moeten uiterlijk op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan de periode waarvoor de erkenning of hernieuwing van de erkenning wordt aangevraagd, bij de Minister van Financiën worden ingediend; de termijn mag evenwel niet korter zijn dan 3 maanden vanaf de datum waarop de aanvragende instelling rechtspersoonlijkheid verkrijgt.
  In afwijking van het voorgaande lid kan voor de instellingen als bedoeld in paragraaf 1, 6° en 8°, een aanvraag om erkenning eveneens geldig worden ingediend binnen een termijn van 3 maanden vanaf de datum van de aanvang van de hulpverlening door de betrokken instelling. In afwijking van paragraaf 2 wordt in dat geval de erkenning toegestaan voor een periode van ten hoogste 3 kalenderjaren. Wat het eerste kalenderjaar betreft, geldt de erkenning pas vanaf de aanvang van de hulpverlening.
  § 6. Voor de instellingen bedoeld in paragraaf 1, 3°, kan de erkenning in gevallen van uitzonderlijke en dringende bijstand aan behoeftigen eveneens worden toegestaan wanneer :
  - de werkzaamheden van de instelling die bijstand verleent, niet nationaal zijn of niet gericht zijn op bijstand aan behoeftigen;
  - of nog de aanvraag om erkenning niet voorafgaat aan de bijstand.
  In die gevallen moet de aanvraag om erkenning uiterlijk 6 maanden na de aanvang van de bijstand worden ingediend en wordt de erkenning beperkt tot een maximumduur van 3 opeenvolgende kalenderjaren.
  § 7. De aanvragen om erkenning of hernieuwing van de erkenning moeten omvatten :
  1° alle nuttige gegevens die de bevoegde raadgevende instellingen van de Staat of van de Gemeenschappen in de mogelijkheid stellen te onderzoeken of de aanvragende instelling aan de in paragraaf 3 gestelde algemene voorwaarden en de in artikel 6318/3 gestelde bijzondere voorwaarden voldoet;
  2° een verklaring waarbij de aanvragende instelling de verbintenis aangaat :
  a) tot het dekken van de kosten van algemeen beheer geen hoger bedrag te zullen besteden dan 20 pct. van haar bestaansmiddelen van alle aard, vooraf verminderd met die welke voortkomen van andere erkende instellingen;
  b) aan de schenkers een ontvangstbewijs uit te reiken waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld, en aan de administratie bevoegd voor de vestiging van de belasting binnen 2 maanden na het einde van ieder kalenderjaar van de periode waarvoor de erkenning is toegestaan, langs elektronische weg een afschrift van de tijdens dat jaar uitgereikte ontvangstbewijzen en een verzamelstaat of -attest daarvan te bezorgen overeenkomstig de modaliteiten bepaald door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde;
  c) de ambtenaren van de administratie bevoegd voor de vestiging van de belasting toe te staan haar boekhouding te controleren telkens als zij dat nuttig achten;
  d) aan de diensten die worden aangewezen door de voor de erkenning bevoegde organen van de Staat, van de Gewesten of van de Gemeenschappen, binnen een maand na het eerste verzoek van die diensten, alle inlichtingen te verstrekken die voor het onderzoek van de aanvraag om erkenning nuttig zijn.
  Die aanvragen moeten bovendien worden gestaafd met een voor eensluidend verklaard afschrift van de rekening van de ontvangsten en uitgaven van het laatst afgesloten boekjaar en van de begroting van het lopende boekjaar.
  § 8. In afwijking van paragraaf 7, eerste lid, 2°, b, mogen de afschriften voor de eerste twee kalenderjaren waarvoor de erkenning wordt verleend, op papier worden bezorgd.
  Art. 6318/2. § 1. Voor de in artikel 6318/1, § 1, 1° tot 4°, beoogde instellingen beslissen de Minister van Financiën en de bevoegde organen van de Staat of van de Gemeenschappen waaronder de bevoegde raadgevende instellingen ressorteren, gezamenlijk over de aanvraag om erkenning, na het advies van de voormelde raadgevende instellingen te hebben ingewonnen, tenzij zij gebruik maken van de in het derde lid gestelde mogelijkheid.
  Hun beslissing wordt aan de aanvragende instelling betekend.
  De Minister van Financiën en de bevoegde organen van de Staat of van de Gemeenschappen waaronder de bevoegde raadgevende instellingen ressorteren, mogen zich ervan onthouden het advies van die voormelde raadgevende instellingen in te winnen met betrekking tot de instellingen waarvoor, ter gelegenheid van een vroegere aanvraag om erkenning, reeds een advies is uitgebracht.
  § 2. Voor de in artikel 6318/1, § 1, 5°, beoogde instellingen vraagt de Minister van Financiën met betrekking tot de naleving van de in artikel 6318/3, § 2, 1°, gestelde voorwaarde een gemotiveerd advies aan de Regering van de Gemeenschap waaronder het invloedsgebied van de aanvragende instelling ressorteert.
  § 3. Voor de in artikel 6318/1, § 1, 6°, beoogde instellingen beslist de Minister van Financiën over de aanvraag om erkenning.
  Zijn beslissing wordt aan de aanvragende instelling betekend.
  § 4. Voor de in artikel 6318/1, § 1, 7°, beoogde instellingen beslissen de Minister van Financiën en de Minister tot wiens bevoegdheid het leefmilieu behoort, gezamenlijk over de aanvraag om erkenning.
  Hun beslissing wordt aan de aanvragende instelling betekend.
  § 5. Voor de in artikel 6318/1, § 1, 8°, beoogde instellingen beslissen de Minister van Financiën en de Minister van Buitenlandse Zaken gezamenlijk over de aanvraag om erkenning.
  Hun beslissing wordt aan de aanvragende instelling betekend.
  § 6. Voor de in artikel 6318/1, § 1, 9°, beoogde instellingen vraagt de Minister van Financiën met betrekking tot de naleving van de in artikel 6318/3, § 6, gestelde voorwaarde een gemotiveerd advies :
  a) aan de Regering van het Gewest waaronder het invloedsgebied van de aanvragende instelling ressorteert;
  b) aan de Regering van de Duitstalige Gemeenschap wanneer het invloedsgebied van de aanvragende instelling zich uitstrekt in het Duitse taalgebied.
  § 7. Voor de in artikel 6318/1, § 1, 10°, beoogde instellingen beslissen de Minister van Financiën en de Minister tot wiens bevoegdheid de duurzame ontwikkeling behoort, gezamenlijk over de aanvraag om erkenning.
  Hun beslissing wordt aan de aanvragende instelling betekend.
  Art. 6318/3. § 1. De werkzaamheden van de in artikel 6318/1, § 1, 1° tot 4°, vermelde instellingen moeten :
  a) worden uitgeoefend op het volledige grondgebied van een of meerdere lidstaten van de Europese Economische Ruimte waar die instellingen actief zijn, of betrekking hebben op het centraliseren en coördineren van plaatselijke of gewestelijke werkzaamheden of werkzaamheden in meerdere lidstaten;
  b) gericht zijn op wetenschappelijk onderzoek, op bijstand aan misdeelden in de zin van artikel 6318/1, § 1, 2° en 3°, of op hulpverlening aan ontwikkelingslanden;
  c) de activiteiten aanvullen die op de hierboven vermelde gebieden worden verricht door de Belgische overheid of door internationale instellingen waarvan België lid is.
  § 2. De in artikel 6318/1, § 1, 5°, vermelde instellingen moeten :
  1° werkzaamheden verrichten die gericht zijn op de verspreiding van de cultuur, met name op het gebied van :
  a) bescherming en luister van de taal;
  b) aanmoediging van de vorming van navorsers;
  c) schone kunsten met inbegrip van toneel en film;
  d) cultureel patrimonium, musea en andere wetenschappelijk- culturele instellingen;
  e) bibliotheken, discotheken en soortgelijke diensten;
  f) radio-omroep en televisie;
  g) jeugdbeleid;
  h) permanente opvoeding en culturele animatie;
  i) lichamelijke opvoeding, sport en openluchtleven;
  j) vrijetijdsbesteding en toerisme;
  2° wegens hun werkzaamheden door de Staat of door één van de Gemeenschappen worden gesubsidieerd;
  3° met hun invloedsgebied één van de Gemeenschappen of het gehele land bestrijken, zodat inzonderheid de instellingen worden uitgesloten die slechts op lokaal vlak werkzaam zijn.
  § 3. De werkzaamheden van de in artikel 6318/1, § 1, 6°, vermelde instellingen moeten gericht zijn op hulpverlening aan de in dat artikel beoogde slachtoffers.
  § 4. De in artikel 6318/1, § 1, 7°, vermelde instellingen moeten :
  a) in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte werkzaamheden uitoefenen die gericht zijn op het natuurbehoud en/of de bescherming van het leefmilieu;
  b) een belangrijke rol spelen bij de bewustmaking van de bevolking en de milieuopvoeding van de jeugd;
  c) aantonen dat hun activiteiten een doorlopend en duurzaam karakter omvatten zodat instellingen die éénmalige of gelegenheidsacties uitoefenen, uitgesloten zijn;
  d) sedert ten minste twee volledige kalenderjaren die de periode waarvoor de erkenning wordt gevraagd, voorafgaat, de rechtspersoonlijkheid bezitten en voormelde activiteiten uitoefenen;
  e) wegens hun werkzaamheden door de federale overheid of door één van de Gewesten worden gesubsidieerd;
  f) met hun invloedsgebied zich over meer dan een gemeente uitstrekken.
  § 5. De werkzaamheden van de in artikel 6318/1, § 1, 8°, vermelde instellingen moeten :
  a) gericht zijn op hulpverlening, hetzij in België, hetzij in het buitenland, aan de in artikel 6318/1, § 1, 8°, vermelde slachtoffers;
  b) de activiteiten aanvullen die op het hierboven vermelde gebied worden verricht door de federale overheid of door internationale instellingen waarvan België lid is.
  § 6. De in artikel 6318/1, § 1, 9°, vermelde instellingen moeten :
  a) werkzaamheden in België verrichten die gericht zijn op het behoud of de zorg van monumenten en landschappen;
  b) wegens hun werkzaamheden door de Staat, door één van de Gewesten of de Duitstalige Gemeenschap worden gesubsidieerd;
  c) met hun invloedsgebied één van de Gewesten, de Duitstalige Gemeenschap of het gehele land bestrijken, zodat inzonderheid de instellingen worden uitgesloten die slechts op lokaal vlak werkzaam zijn.
  § 7. De in artikel 6318/1, § 1, 10°, vermelde instellingen moeten :
  a) werkzaamheden in België verrichten die gericht zijn op de duurzame ontwikkeling;
  b) wegens hun werkzaamheden door de Staat worden gesubsidieerd;
  c) met hun invloedsgebied één van de Gewesten, de Duitstalige Gemeenschap of het gehele land bestrijken, zodat inzonderheid de instellingen worden uitgesloten die slechts op lokaal vlak werkzaam zijn.
  Art. 6318/4. Ingeval een instelling als bedoeld in artikel 6318/1, § 1, één van de voor haar erkenning gestelde voorwaarden niet nakomt, kan haar erkenning ambtshalve worden ingetrokken of geweigerd :
  a) bij gezamenlijke beslissing van de Minister van Financiën en van elk van de bevoegde organen van de Staat of van de Gemeenschappen voor de in artikel 6318/1, § 1, 1° tot 4°, bedoelde instellingen;
  b) door de Koning op voorstel van de Minister van Financiën, voor de in artikel 6318/1, § 1, 5° en 9°, bedoelde instellingen;
  c) bij beslissing van de Minister van Financiën, voor de in artikel 6318/1, § 1, 6°, bedoelde instellingen;
  d) bij gezamenlijke beslissing van de Minister van Financiën en van de Minister tot wiens bevoegdheid het leefmilieu behoort voor de in artikel 6318/1, § 1, 7°, bedoelde instellingen;
  e) bij gezamenlijke beslissing van de Minister van Financiën en de Minister van Buitenlandse Zaken voor de in artikel 6318/1, § 1, 8°, bedoelde instellingen;
  f) bij gezamenlijke beslissing van de Minister van Financiën en van de Minister bevoegd voor duurzame ontwikkeling voor de in artikel 6318/1, § 1, 10°, bedoelde instellingen.
  Voor de in artikel 6318/1, § 1, 1° tot 4°, 6°, 7°, 8° en 10°, bedoelde instellingen treedt de intrekking van de erkenning in werking vanaf 1 januari volgend op de datum van de betekening van de beslissing.
  Voor de in artikel 6318/1, § 1, 5° en 9°, bedoelde instellingen heeft het besluit waarbij de erkenning wordt ingetrokken uitwerking met ingang van 1 januari volgend op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
  Art. 6318/5. § 1. Voor de toepassing van artikel 14533, § 1, 1°, k, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, moeten de werkzaamheden van de VZW's gericht zijn op het beheer van dierenasielen zoals gedefinieerd door het koninklijk besluit van 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren.
  § 2. Teneinde de machtiging te verkrijgen om voor een periode van ten hoogste zes opeenvolgende kalenderjaren ontvangstbewijzen uit te reiken die recht geven op de aftrek van de giften die zijn gedaan aan de in paragraaf 1 bedoelde VZW, moeten deze laatsten daartoe een schriftelijke aanvraag indienen in de vorm en binnen de termijnen als hierna bepaald.
  § 3. De aanvragen om machtiging moeten uiterlijk op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan de periode waarvoor de machtiging wordt aangevraagd, bij de Minister van Financiën worden ingediend; de termijn mag evenwel niet korter zijn dan 3 maanden vanaf de datum waarop de aanvragende instelling rechtspersoonlijkheid verkrijgt.
  § 4. De aanvragen om machtiging moeten omvatten :
  1° een voor eensluidend verklaard afschrift van het gedateerde en gehandtekende erkenningsbewijs afgeleverd overeenkomstig het koninklijk besluit van 27 april 2007 houdende de erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren, en dit voor de volledige periode waarvoor de erkenning wordt gevraagd;
  2° alle nuttige gegevens die de diensten, belast met de behandeling van de machtigingsaanvraag, in de mogelijkheid stellen te onderzoeken of de aanvragende VZW aan de in paragraaf 1 gestelde voorwaarden voldoet;
  3° een verklaring waarbij de aanvragende VZW de verbintenis aangaat :
  a) tot het dekken van kosten van algemeen beheer geen hoger bedrag te zullen besteden dan 20 pct. van haar bestaansmiddelen van alle aard, vooraf verminderd met die welke voortkomen van andere erkende of gemachtigde instellingen;
  b) aan de schenkers een ontvangstbewijs uit te reiken waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld, en bij de administratie bevoegd voor de vestiging van de belasting binnen 2 maanden na het einde van ieder kalenderjaar van de periode waarvoor de machtiging is toegestaan, langs elektronische weg een afschrift van de tijdens dat jaar uitgereikte ontvangstbewijzen en een verzamelstaat of -attest daarvan in te leveren overeenkomstig de modaliteiten bepaald door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde;
  c) de ambtenaren van de administratie bevoegd voor de vestiging van de belasting toe te staan haar boekhouding te controleren telkens als zij dat nuttig achten;
  d) aan de diensten bevoegd voor de machtiging, binnen een maand na het eerste verzoek van die diensten, alle inlichtingen te verstrekken die voor het onderzoek van de aanvraag om machtiging nuttig zijn.
  Die aanvragen moeten bovendien worden gestaafd met een eensluidend verklaard afschrift van de rekening van de ontvangsten en uitgaven van het laatst afgesloten boekjaar en van de begroting van het lopende boekjaar.
  § 5. In afwijking van paragraaf 4, eerste lid, 3°, b, mogen de afschriften voor de eerste twee kalenderjaren waarvoor de machtiging wordt verleend, op papier worden bezorgd.
  § 6. De beslissing van de Minister van Financiën wordt aan de aanvragende VZW betekend.
  § 7. Ingeval een VZW de voor haar machtiging gestelde voorwaarden niet nakomt, kan haar machtiging ambtshalve worden ingetrokken of geweigerd door een beslissing van de Minister van Financiën.
  De intrekking van de machtiging treedt in werking vanaf 1 januari volgend op de datum van betekening van de beslissing.
  Art. 6318/6. Vanaf het derde kalenderjaar waarvoor de erkenning of de machtiging wordt verleend, kan de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde de toelating verlenen aan de erkende of gemachtigde instelling om de in de artikelen 6318/1, § 7, eerste lid, 2°, b, en 6318/5, § 4, eerste lid, 3°, b, vermelde afschriften van de tijdens dat jaar uitgereikte ontvangstbewijzen en een verzamelstaat of -attest niet in te dienen langs elektronische weg zolang zij en, in voorkomend geval, de persoon die gemachtigd is de bedoelde ontvangstbewijzen en een verzamelstaat of -attest namens hen in te dienen, niet over de nodige geïnformatiseerde middelen beschikken om aan deze verplichting te voldoen. In dit geval moet de indiening van deze ontvangstbewijzen en een verzamelstaat of -attest geschieden op papier.
  De toelating vermeldt de na te leven voorwaarden en kan steeds worden ingetrokken.
  Art. 6318/7In het geval bedoeld in artikel 14533, § 3, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt in afwijking van de artikelen 6318/1, § 7, eerste lid, 2°, a, en 6318/5, § 4, eerste lid, 3°, a, de grens van 20 pct. ingesteld inzake het dekken van kosten van algemeen beheer, berekend op het geheel van de bestaansmiddelen van alle aard van de verschillende activiteiten, vooraf verminderd met die welke voortkomen van andere erkende of gemachtigde instellingen.".
Art. 3. Dans le chapitre Ier du même arrêté, il est inséré une section XXVundecies/1, comprenant les articles 6318/1 à 6318/7, rédigée comme suit :
  "Section XXVundecies/1. - Réduction pour libéralités (Code des impôts sur les revenus 1992, article 14533, § 2, alinéa 1er, et § 3, alinéa 1er)
  Art. 6318/1. 1. § 1er. Peuvent être agréées pour l'application de l'article 14533, § 1er, alinéa 1er, 1°, b, d, e, g, i, j et l, 2° et 3°, du Code des impôts sur les revenus 1992 :
  1° les institutions de recherche scientifique;
  2° les institutions qui assistent les victimes de guerre;
  3° les institutions qui assistent les handicapés, les personnes âgées, les mineurs d'âge protégés ou les indigents;
  4° les institutions qui assistent les pays en développement;
  5° les institutions culturelles;
  6° les institutions créées en vue de venir en aide aux victimes de calamités justifiant l'application de la loi du 12 juillet 1976 relative à la réparation de certains dommages causés à des biens privés par des calamités naturelles;
  7° les institutions qui s'attachent à la conservation de la nature ou à la protection de l'environnement;
  8° les institutions qui aident les victimes d'accidents industriels majeurs;
  9° les institutions qui ont pour but la conservation ou la protection des monuments et sites;
  10° les institutions qui ont pour but le développement durable.
  § 2. L'agrément est consenti pour une période maximale de six années civiles successives.
  § 3. Les institutions visées au paragraphe 1er doivent satisfaire aux conditions générales suivantes, outre les conditions particulières mentionnées à l'article 6318/3 :
  1° elles doivent posséder la personnalité juridique et être établies en Belgique;
  2° elles ne peuvent poursuivre aucun but de lucre, ni dans leur chef, ni dans celui de leurs organes, ni dans celui de leurs membres en tant que tels.
  § 4. Pour obtenir leur agrément, les institutions visées au paragraphe 1er doivent en faire la demande par écrit, dans les formes et délais déterminés ci-après.
  § 5. Les demandes d'agrément ou de renouvellement de l'agrément doivent être introduites auprès du Ministre des Finances, au plus tard le 31 décembre de l'année précédant la période pour laquelle l'agrément ou le renouvellement de l'agrément est demandé; le délai ne peut toutefois être inférieur à 3 mois à compter de la date à laquelle l'institution demanderesse acquiert la personnalité juridique.
  Par dérogation à l'alinéa précédent, une demande d'agrément pour les institutions visées au paragraphe 1er, 6° et 8°, peut également être valablement introduite dans un délai de 3 mois à partir de la date du début de l'octroi de l'aide par l'institution concernée. Par dérogation au paragraphe 2, l'agrément est, dans ce cas, consenti pour une période maximale de 3 années civiles. En ce qui concerne la première année civile, l'agrément ne s'applique qu'à partir du début de l'octroi de l'aide.
  § 6. Pour les institutions visées au paragraphe 1er, 3°, l'agrément peut toutefois être accordé dans les cas d'octroi d'une assistance exceptionnelle et urgente à des indigents lorsque :
  - les activités de l'institution qui assiste ne sont pas nationales ou n'ont pas pour objet l'octroi d'une assistance aux indigents;
  - ou encore lorsque la demande d'agrément ne précède pas l'octroi de l'assistance.
  Dans ces cas, la demande d'agrément doit être introduite au plus tard 6 mois après le début de l'octroi de l'assistance et l'agrément est limité à une durée maximale de 3 années civiles successives.
  § 7. Les demandes d'agrément ou de renouvellement de l'agrément doivent contenir :
  1° toutes indications utiles pour permettre aux organismes consultatifs compétents de l'Etat ou des Communautés d'apprécier si l'institution demanderesse répond aux conditions générales prévues au paragraphe 3 et aux conditions particulières prévues à l'article 6318/3;
  2° une déclaration par laquelle l'institution demanderesse s'engage :
  a) à ne pas affecter à la couverture de frais d'administration générale plus de 20 p.c. de ses ressources de toute nature, préalablement diminuées de celles qui proviennent d'autres institutions agréées;
  b) à délivrer aux donateurs un reçu dont le modèle est déterminé par le Ministre des Finances ou son délégué et à remettre par voie électronique à l'administration en charge de l'établissement de l'impôt dans les 2 mois qui suivent chaque année civile de la période pour laquelle l'agrément a été obtenu, une copie des reçus délivrés pendant cette année et un état ou une attestation récapitulative de ceux- ci conformément aux modalités déterminées par le Ministre ou son délégué;
  c) à permettre aux fonctionnaires de l'administration en charge de l'établissement de l'impôt de contrôler ses écritures comptables chaque fois qu'ils le jugent utile;
  d) à fournir aux services désignés par les organes de l'Etat, des Régions ou des Communautés, compétents pour l'agrément, dans le mois de la première demande de ces services, tous renseignements utiles à l'instruction de la demande d'agrément.
  Ces demandes doivent, en outre, être appuyées d'une copie certifiée conforme du compte des recettes et des dépenses du dernier exercice comptable clôturé et du budget de l'exercice comptable en cours.
  § 8. Par dérogation au paragraphe 7, alinéa 1er, 2°, b, les copies peuvent être transmises sur papier, pour les deux premières années civiles pour lesquelles l'agrément est accordé.
  Art. 6318/2. § 1er. Pour les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 1° à 4°, le Ministre des Finances et les organes compétents de l'Etat ou des Communautés dont relèvent les organismes consultatifs compétents, statuent conjointement sur la demande d'agrément, après avoir recueilli l'avis desdits organismes, sauf dans les cas où ils font usage de la faculté prévue à l'alinéa 3.
  Leur décision est notifiée à l'institution demanderesse.
  Le Ministre des Finances et les organes compétents de l'Etat ou des Communautés dont relèvent les organismes consultatifs compétents, peuvent se dispenser de demander l'avis desdits organismes en ce qui concerne les institutions au sujet desquelles un avis a déjà été émis à l'occasion d'une demande d'agrément antérieure.
  § 2. Pour les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 5°, en ce qui concerne le respect de la condition fixée à l'article 6318/3, § 2, 1°, le Ministre des Finances demande un avis motivé au Gouvernement de la Communauté à laquelle s'étend la zone d'influence de l'institution demanderesse.
  § 3. Pour les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 6°, le Ministre des Finances statue sur la demande d'agrément.
  Sa décision est notifiée à l'institution demanderesse.
  § 4. Pour les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 7°, le Ministre des Finances et le Ministre qui a l'environnement dans ses attributions, statuent conjointement sur la demande d'agrément.
  Leur décision est notifiée à l'institution demanderesse.
  § 5. Pour les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 8°, le Ministre des Finances et le Ministre des Affaires étrangères statuent conjointement sur la demande d'agrément.
  Leur décision est notifiée à l'institution demanderesse.
  § 6. Pour les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 9°, en ce qui concerne le respect de la condition fixée à l'article 6318/3, § 6, le Ministre des Finances demande un avis motivé :
  a) au Gouvernement de la Région à laquelle s'étend la zone d'influence de l'institution demanderesse;
  b) au Gouvernement de la Communauté germanophone si la zone d'influence de l'institution demanderesse s'étend à la région de langue allemande.
  § 7. Pour les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 10°, le Ministre des Finances et le Ministre qui a le développement durable dans ses attributions, statuent conjointement sur la demande d'agrément.
  Leur décision est notifiée à l'institution demanderesse.
  Art. 6318/3. § 1er. Les activités des institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 1° à 4°, doivent :
  a) être exercées sur tout le territoire d'un ou plusieurs Etats membres de l'Espace économique européen où ces institutions sont actives, ou se rapporter à la centralisation et à la coordination des activités locales ou régionales ou des activités dans plusieurs Etats membres;
  b) être axées sur la recherche scientifique, sur l'assistance aux personnes déshéritées au sens de l'article 6318/1, § 1er, 2° et 3°, ou sur l'assistance aux pays en développement;
  c) être complémentaires des activités que les pouvoirs publics belges ou des organisations internationales dont la Belgique est membre, exercent dans les domaines susvisés.
  § 2. Les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 5°, doivent :
  1° exercer des activités axées sur la diffusion de la culture, c'est-à-dire en matière :
  a) de défense et d'illustration de la langue;
  b) d'encouragement à la formation des chercheurs;
  c) de beaux-arts, y compris le théâtre et le cinéma;
  d) de patrimoine culturel, de musées et d'autres institutions scientifiques culturelles;
  e) de bibliothèques, discothèques et services similaires;
  f) de radiodiffusion et de télévision;
  g) de politique de la jeunesse;
  h) d'éducation permanente et d'animation culturelle;
  i) d'éducation physique, de sport et de vie en plein air;
  j) de loisirs et de tourisme;
  2° être subventionnées en raison de leurs activités par l'Etat ou par l'une des Communautés;
  3° avoir une zone d'influence qui s'étend à l'une des Communautés ou au pays tout entier, de sorte qu'en particulier les institutions qui opèrent uniquement sur le plan local sont exclues.
  § 3. Les activités des institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 6°, doivent être axées sur l'aide aux victimes visées à cet article.
  § 4. Les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 7°, doivent :
  a) exercer des activités dans un Etat membre de l'Espace économique européen axées sur la conservation de la nature et/ou la protection de l'environnement;
  b) jouer un rôle important dans la conscientisation de la population et dans l'éducation de la jeunesse au respect de l'environnement;
  c) démontrer que leurs activités revêtent un caractère continu et durable de sorte que sont exclues les institutions qui n'exercent que des activités ponctuelles ou occasionnelles;
  d) avoir la personnalité juridique et exercer les activités précitées depuis au moins deux années civiles complètes précédant la période pour laquelle l'agrément est demandé;
  e) être subventionnées en raison de leurs activités par l'autorité fédérale ou par l'une des Régions;
  f) avoir une zone d'influence qui s'étend à plus d'une commune.
  § 5. Les activités des institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 8°, doivent :
  a) être axées sur l'aide, soit en Belgique, soit à l'étranger, aux victimes désignées à l'article 6318/1, § 1er, 8° ;
  b) être complémentaires des activités exercées dans le domaine précité par l'autorité fédérale ou par des organisations internationales dont la Belgique est membre.
  § 6. Les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 9°, doivent :
  a) exercer des activités en Belgique axées sur la conservation ou la protection des monuments et sites;
  b) être subventionnées en raison de leurs activités par l'Etat, par l'une des Régions ou par la Communauté germanophone;
  c) avoir une zone d'influence qui s'étend à l'une des Régions, à la Communauté germanophone ou au pays tout entier, de sorte qu'en particulier les institutions qui opèrent uniquement sur le plan local sont exclues.
  § 7. Les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 10°, doivent :
  a) exercer des activités en Belgique axées sur le développement durable;
  b) être subventionnées en raison de leurs activités par l'Etat;
  c) avoir une zone d'influence qui s'étende à l'une des Régions, à la Communauté germanophone ou au pays tout entier, de sorte qu'en particulier les institutions qui opèrent uniquement sur le plan local sont exclues.
  Art. 6318/4. Dans le cas où une institution visée à l'article 6318/1, § 1er, ne respecte pas l'une des conditions mises à son agrément, celui-ci peut lui être retiré ou refusé d'office :
  a) par décision conjointe du Ministre des Finances et de chaque organe compétent de l'Etat ou des Communautés, pour les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 1° à 4° ;
  b) par le Roi, sur la proposition du Ministre des Finances, pour les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 5° et 9° ;
  c) par décision du Ministre des Finances, pour les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 6° ;
  d) par décision conjointe du Ministre des Finances et du Ministre qui a l'environnement dans ses attributions, pour les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 7° ;
  e) par décision conjointe du Ministre des Finances et du Ministre des Affaires étrangères, pour les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 8° ;
  f) par décision conjointe du Ministre des Finances et du Ministre qui a le développement durable dans ses attributions, pour les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 10°.
  Pour les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 1° à 4°, 6°, 7°, 8° et 10°, le retrait de l'agrément produit ses effets à partir du 1er janvier qui suit la date de la notification de la décision.
  Pour les institutions visées à l'article 6318/1, § 1er, 5° et 9°, l'arrêté retirant l'agrément produit ses effets le 1er janvier qui suit sa publication au Moniteur belge.
  Art. 6318/5. § 1er. Pour l'application de l'article 14533, § 1er, 1°, k, du Code des impôts sur les revenus 1992, les activités des ASBL doivent être axées sur l'exploitation de refuges pour animaux tels que définis par l'arrêté royal du 27 avril 2007 portant les conditions d'agrément des établissements pour animaux et portant les conditions de commercialisation des animaux.
  § 2. Pour obtenir l'autorisation de délivrer pour une période maximale de six années civiles successives des reçus octroyant le droit à la déduction des libéralités faites aux ASBL visées au paragraphe 1er, celles-ci doivent en faire la demande par écrit, dans les formes et délais déterminés ci-après.
  § 3. Les demandes d'autorisation doivent être introduites auprès du Ministre des Finances, au plus tard le 31 décembre de l'année précédant la période pour laquelle l'autorisation est demandée; le délai ne peut toutefois être inférieur à 3 mois à compter de la date à laquelle l'institution demanderesse acquiert la personnalité juridique.
  § 4. Les demandes d'autorisation doivent contenir :
  1° une copie certifiée conforme du certificat d'agrément daté, signé et délivré conformément à l'arrêté royal du 27 avril 2007 portant les conditions d'agrément des établissements pour animaux et portant les conditions de commercialisation des animaux, et ce pour la période complète pour laquelle l'agrément est demandé;
  2° toutes indications utiles pour permettre aux services chargés de traiter la demande d'autorisation d'apprécier si l'ASBL demanderesse répond aux conditions prévues au paragraphe 1er;
  3° une déclaration par laquelle l'ASBL demanderesse s'engage :
  a) à ne pas affecter à la couverture de frais d'administration générale plus de 20 p.c. de ses ressources de toute nature, préalablement diminuées de celles qui proviennent d'autres institutions agréées ou autorisées;
  b) à délivrer aux donateurs un reçu dont le modèle est déterminé par le Ministre des Finances ou son délégué et à remettre par voie électronique à l'administration en charge de l'établissement de l'impôt dans les 2 mois qui suivent chaque année civile de la période pour laquelle l'autorisation a été obtenue, une copie des reçus délivrés pendant cette année et un état ou une attestation récapitulative de ceux-ci conformément aux modalités déterminées par le Ministre des Finances ou son délégué;
  c) à permettre aux fonctionnaires de l'administration en charge de l'établissement de l'impôt de contrôler ses écritures comptables chaque fois qu'ils le jugent utile;
  d) à fournir aux services compétents pour l'autorisation, dans le mois de la première demande de ces services, tous renseignements utiles à l'instruction de la demande d'autorisation.
  Ces demandes doivent, en outre, être appuyées d'une copie certifiée conforme du compte des recettes et des dépenses du dernier exercice comptable clôturé et du budget de l'exercice comptable en cours.
  § 5. Par dérogation au paragraphe 4, alinéa 1er, 3°, b, les copies peuvent être transmises sur papier, pour les deux premières années civiles pour lesquelles l'autorisation est accordée.
  § 6. La décision du Ministre des Finances est notifiée à l'ASBL demanderesse.
  § 7. Dans le cas où une ASBL ne respecte pas l'une des conditions mises à son autorisation, celle-ci peut lui être retirée ou refusée d'office, par décision du Ministre des Finances.
  Le retrait de l'autorisation produit ses effets à partir du 1er janvier qui suit la date de la notification de la décision.
  Art.6318/6. A partir de la troisième année civile pour laquelle l'agrément ou l'autorisation est accordé(e), le Ministre des Finances ou son délégué peut donner l'autorisation à l'institution agréée ou autorisée de ne pas remettre par voie électronique les copies des reçus visés aux articles 6318/1, § 7, alinéa 1er, 2°, b, et 6318/5, § 4, alinéa 1er, 3°, b, délivrés pendant cette année et un état ou une attestation récapitulative, tant qu'elle et, le cas échéant, le mandataire qui remet les reçus et l'état ou l'attestation récapitulative en son nom, ne dispose pas des moyens informatiques nécessaires pour remplir cette exigence. Dans ce cas, la remise de ces reçus et d'un état ou d'une attestation récapitulative, peut se faire sur papier.
  L'autorisation fixe les conditions à observer et peut toujours être retirée.
  Art. 6318/7. Dans la situation visée à l'article 14533, § 3, alinéa 2, du Code des impôts sur les revenus 1992, et par dérogation aux articles 6318/1, § 7, alinéa 1er, 2°, a, et 6318/5, § 4, alinéa 1er, 3°, a, la limite de 20 p. c. instaurée en matière de couverture de frais d'administration générale se calcule sur l'ensemble des ressources de toute nature des différentes activités, préalablement diminuées de celles qui proviennent d'autres institutions agréées ou autorisées.".
Art. 4. In artikel 6318/2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij artikel 3 van dit besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 2 wordt aangevuld met twee leden, luidende :
  "De Minister van Financiën is gemachtigd om de erkenning te verlenen.
  Zijn beslissing wordt aan de aanvragende instelling betekend.";
  2° paragraaf 6 wordt aangevuld met twee leden, luidende :
  "De Minister van Financiën is gemachtigd om de erkenning te verlenen.
  Zijn beslissing wordt aan de aanvragende instelling betekend.".
Art. 4. A l'article 6318/2 du même arrêté, inséré par l'article 3 du présent arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 2 est complété de deux alinéas, rédigés comme suit :
  "Le Ministre des Finances est habilité à accorder l'agrément.
  Sa décision est notifiée à l'institution demanderesse.";
  2° le paragraphe 6 est complété de deux alinéas, rédigés comme suit :
  "Le Ministre des Finances est habilité à accorder l'agrément.
  Sa décision est notifiée à l'institution demanderesse.".
Art. 5. In artikel 6318/4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij artikel 3 van dit besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, b, worden de woorden "door de Koning op voorstel van de Minister van Financiën," vervangen door de woorden "bij beslissing van de Minister van Financiën,";
  2° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
  "De intrekking van de erkenning treedt in werking vanaf 1 januari volgend op de datum van de betekening van de beslissing.";
  3° het derde lid wordt opgeheven.
Art. 5. A l'article 6318/4, du même arrêté, inséré par l'article 3 du présent arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, b, les mots "par le Roi, sur la proposition du Ministre des Finances," sont remplacés par les mots "par décision du Ministre des Finances,";
  2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  "Le retrait de l'agrément produit ses effets à partir du 1er janvier qui suit la date de la notification de la décision.";
  3° l'alinéa 3 est abrogé.
Art. 6. De artikelen 2 en 3 hebben uitwerking met ingang van aanslagjaar 2013.
  De artikelen 4 en 5 zijn van toepassing op aanvragen tot erkenning of hernieuwing van de erkenning die worden ingediend vanaf 1 januari 2014.
Art. 6. Les articles 2 et 3 produisent leurs effets à partir de l'exercice d'imposition 2013.
  Les articles 4 et 5 sont applicables aux demandes d'agrément ou de renouvellement de l'agrément introduites à partir du 1er janvier 2014.
Art. 7. De minister die bevoegd is voor Financiën, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 7. Le ministre qui a les Finances dans ses attributions, est chargé de l'exécution du présent arrêté.