Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
10 APRIL 2014. - Wet houdende diverse bepalingen met betrekking tot de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en voor de Raad van State
Titre
10 AVRIL 2014. - Loi portant des dispositions diverses concernant la procédure devant le Conseil du Contentieux des étrangers et devant le Conseil d'Etat
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
TITEL I. - Algemene bepalingen
TITEL II. - De procedure bij uiterst dringende ...
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wet van 15 de...
HOOFDSTUK 2. - Overgangsbepalingen
TITEL III. - Eenheid van rechtspraak
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wet van 15 de...
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wetten op de ...
HOOFDSTUK 3. - Overgangsbepaling
TITEL IV. - De beroepsprocedure bij de Raad voo...
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wet van 15 de...
HOOFDSTUK 2. - Overgangsbepalingen
TITEL V. - Diverse bepalingen
Inhoud
TITRE Ier. - Dispositions générales
TITRE II. - La procédure en extrême urgence aup...
CHAPITRE 1er. - Modifications de la loi du 15 d...
CHAPITRE 2. - Dispositions transitoires
TITRE III. - Unité de jurisprudence
CHAPITRE 1er. - Modifications de la loi du 15 d...
CHAPITRE 2. - Modifications des lois sur le Con...
CHAPITRE 3. - Disposition transitoire
TITRE IV. - La procédure de recours auprès du C...
CHAPITRE 1er. - Modifications de la loi du 15 d...
CHAPITRE 2. - Dispositions transitoires
TITRE V. - Dispositions diverses
Tekst (44)
Texte (44)
TITEL I. - Algemene bepalingen
TITRE Ier. - Dispositions générales
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 77 de la Constitution.
Art. 2. Deze wet voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking), met name de artikelen 41 en 46.
Art. 2. La présente loi transpose partiellement la Directive 2013/32/UE du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 relative à des procédures communes pour l'octroi et le retrait de la protection internationale (refonte), c'est-à-dire les articles 41 et 46.
TITEL II. - De procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
TITRE II. - La procédure en extrême urgence auprès du Conseil du contentieux des étrangers
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen
CHAPITRE 1er. - Modifications de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers
Art. 3. In het artikel 39/28, § 2, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006, worden de woorden "de artikelen 39/82, § 4, tweede lid en 39/85, tweede lid" vervangen door de woorden "de artikelen 39/82, § 4, zesde lid, en 39/85, § 2, eerste lid,".
Art. 3. Dans l'article 39/28, § 2, alinéa 3, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, inséré par la loi du 15 septembre 2006, les mots "articles 39/82, § 4, alinéa 2 et 39/85, alinéa 2" sont remplacés par les mots "articles 39/82, § 4, alinéa 6, et 39/85, § 2, alinéa 1er".
Art. 4. Artikel 39/57, § 1, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 6 mei 2009 en gewijzigd bij de wetten van 29 december 2010 en 8 mei 2013, wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De in artikel 39/82, § 4, tweede lid, bedoelde vordering wordt ingediend bij verzoekschrift binnen tien dagen na de kennisgeving van de beslissing waartegen ze gericht is. Vanaf een tweede verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel wordt de termijn teruggebracht tot vijf dagen.".
"De in artikel 39/82, § 4, tweede lid, bedoelde vordering wordt ingediend bij verzoekschrift binnen tien dagen na de kennisgeving van de beslissing waartegen ze gericht is. Vanaf een tweede verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel wordt de termijn teruggebracht tot vijf dagen.".
Art. 4. L'article 39/57, § 1er, de la même loi, remplacé par la loi du 6 mai 2009 et modifié par les lois du 29 décembre 2010 et du 8 mai 2013, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"La demande visée à l'article 39/82, § 4, alinéa 2, est introduite, par requête, dans les dix jours suivant la notification de la décision contre laquelle elle est dirigée. Lorsque qu'il s'agit d'une deuxième mesure d'éloignement ou de refoulement, le délai est réduit à cinq jours.".
"La demande visée à l'article 39/82, § 4, alinéa 2, est introduite, par requête, dans les dix jours suivant la notification de la décision contre laquelle elle est dirigée. Lorsque qu'il s'agit d'une deuxième mesure d'éloignement ou de refoulement, le délai est réduit à cinq jours.".
Art. 5. In artikel 39/82 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006, gedeeltelijk vernietigd bij arrest nr. 81/2008 van het Grondwettelijk Hof en gewijzigd bij de wetten van 6 mei 2009 en 8 mei 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 2, eerste lid, wordt aangevuld met de volgende zin :
"Deze laatste voorwaarde is onder andere vervuld indien een ernstig middel werd aangevoerd gesteund op de grondrechten van de mens, in het bijzonder de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.";
2° paragraaf 4, tweede lid, wordt vervangen door de volgende leden :
"Indien de vreemdeling het voorwerp is van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging imminent is, in het bijzonder indien hij is vastgehouden in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 of ter beschikking is gesteld van de regering, en hij nog geen gewone vordering tot schorsing heeft ingeleid tegen de bedoelde verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, kan hij binnen de in artikel 39/57, § 1, derde lid, bedoelde termijn de schorsing van de tenuitvoerlegging van deze maatregel vorderen bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
Indien de vordering manifest laattijdig voorkomt, geeft de voorzitter van de geadieerde kamer of de rechter in vreemdelingenzaken die hij daartoe aanwijst, dit aan in zijn beschikking en roept de partijen onverwijld op te verschijnen binnen vierentwintig uur vanaf de ontvangst van de vordering.
De kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken doet een zorgvuldig en nauwgezet onderzoek van alle bewijsstukken die hem worden voorgelegd, inzonderheid die welke van dien aard zijn dat daaruit blijkt dat er redenen zijn om te geloven dat de uitvoering van de bestreden beslissing de verzoeker zou blootstellen aan het risico te worden onderworpen aan de schending van de grondrechten van de mens ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt afgedaan door de kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken binnen achtenveertig uur na de ontvangst ervan. Deze termijn wordt evenwel uitgebreid tot vijf dagen volgend op de dag van ontvangst door de Raad van de ingeleide vordering, wanneer de effectieve verwijdering of terugdrijving van de vreemdeling voorzien is voor een datum die de acht dagen te boven gaat.
Indien de kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken niet binnen de termijn tot een uitspraak komt, dan moet hij de eerste voorzitter of de voorzitter daarvan op de hoogte brengen. Deze neemt de nodige maatregelen opdat een uitspraak wordt gewezen, al naargelang het geval, ofwel ten laatste binnen tweeënzeventig uur na de ontvangst van het verzoekschrift, ofwel zo snel mogelijk. Inzonderheid kan hij daartoe de zaak evoceren en er zelf uitspraak over doen.
In afwijking van de vorige leden, doet de voorzitter van de geadieerde kamer of de rechter in vreemdelingenzaken die hij daartoe aanwijst, bij voorrang uitspraak over de ontvankelijkheid van de vordering, indien nodig zonder de partijen op te roepen, indien de volgende voorwaarden vervuld zijn :
1° het betreft een tweede verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, en
2° de vordering is manifest laattijdig, en
3° de vordering werd minder dan twaalf uur vóór de geplande uitvoering van de maatregel ingediend, en
4° de verzoeker en desgevallend zijn advocaat werden minstens achtenveertig uur vóór de geplande uitvoering van de maatregel ingelicht.
Indien hij de vordering onontvankelijk verklaart, sluit het arrest de procedure af. Indien hij de vordering ontvankelijk verklaart, wordt de procedure verdergezet zoals voorzien in het derde tot het zesde lid.".
1° paragraaf 2, eerste lid, wordt aangevuld met de volgende zin :
"Deze laatste voorwaarde is onder andere vervuld indien een ernstig middel werd aangevoerd gesteund op de grondrechten van de mens, in het bijzonder de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.";
2° paragraaf 4, tweede lid, wordt vervangen door de volgende leden :
"Indien de vreemdeling het voorwerp is van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging imminent is, in het bijzonder indien hij is vastgehouden in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 of ter beschikking is gesteld van de regering, en hij nog geen gewone vordering tot schorsing heeft ingeleid tegen de bedoelde verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, kan hij binnen de in artikel 39/57, § 1, derde lid, bedoelde termijn de schorsing van de tenuitvoerlegging van deze maatregel vorderen bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
Indien de vordering manifest laattijdig voorkomt, geeft de voorzitter van de geadieerde kamer of de rechter in vreemdelingenzaken die hij daartoe aanwijst, dit aan in zijn beschikking en roept de partijen onverwijld op te verschijnen binnen vierentwintig uur vanaf de ontvangst van de vordering.
De kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken doet een zorgvuldig en nauwgezet onderzoek van alle bewijsstukken die hem worden voorgelegd, inzonderheid die welke van dien aard zijn dat daaruit blijkt dat er redenen zijn om te geloven dat de uitvoering van de bestreden beslissing de verzoeker zou blootstellen aan het risico te worden onderworpen aan de schending van de grondrechten van de mens ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt afgedaan door de kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken binnen achtenveertig uur na de ontvangst ervan. Deze termijn wordt evenwel uitgebreid tot vijf dagen volgend op de dag van ontvangst door de Raad van de ingeleide vordering, wanneer de effectieve verwijdering of terugdrijving van de vreemdeling voorzien is voor een datum die de acht dagen te boven gaat.
Indien de kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken niet binnen de termijn tot een uitspraak komt, dan moet hij de eerste voorzitter of de voorzitter daarvan op de hoogte brengen. Deze neemt de nodige maatregelen opdat een uitspraak wordt gewezen, al naargelang het geval, ofwel ten laatste binnen tweeënzeventig uur na de ontvangst van het verzoekschrift, ofwel zo snel mogelijk. Inzonderheid kan hij daartoe de zaak evoceren en er zelf uitspraak over doen.
In afwijking van de vorige leden, doet de voorzitter van de geadieerde kamer of de rechter in vreemdelingenzaken die hij daartoe aanwijst, bij voorrang uitspraak over de ontvankelijkheid van de vordering, indien nodig zonder de partijen op te roepen, indien de volgende voorwaarden vervuld zijn :
1° het betreft een tweede verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, en
2° de vordering is manifest laattijdig, en
3° de vordering werd minder dan twaalf uur vóór de geplande uitvoering van de maatregel ingediend, en
4° de verzoeker en desgevallend zijn advocaat werden minstens achtenveertig uur vóór de geplande uitvoering van de maatregel ingelicht.
Indien hij de vordering onontvankelijk verklaart, sluit het arrest de procedure af. Indien hij de vordering ontvankelijk verklaart, wordt de procedure verdergezet zoals voorzien in het derde tot het zesde lid.".
Art. 5. A l'article 39/82 de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006, partiellement annulé par l'arrêt n° 81/2008 de la Cour constitutionnelle et modifié par les lois du 6 mai 2009 et du 8 mai 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° le § 2, alinéa 1er, est complété par la phrase suivante :
"Cette dernière condition est entre autre remplie si un moyen sérieux a été invoqué sur la base des droits fondamentaux de l'homme, en particulier des droits auxquels aucune dérogation n'est possible en vertu de l'article 15, alinéa 2, de la Convention européenne de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales.";
2° le § 4, alinéa 2, est remplacé par les alinéas suivants :
"Lorsque l'étranger fait l'objet d'une mesure d'éloignement ou de refoulement dont l'exécution est imminente, en particulier lorsqu'il est maintenu dans un lieu déterminé visé aux articles 74/8 et 74/9 ou est mis à la disposition du gouvernement, il peut, s'il n'en a pas encore demandé la suspension par la voie ordinaire, demander la suspension de l'exécution en extrême urgence de cette mesure dans le délai visé à l'article 39/57, § 1er, alinéa 3.
Si la demande apparaît manifestement tardive, le président de la chambre saisie ou le juge au contentieux des étrangers qu'il désigne l'indique dans son ordonnance et convoque sans délai les parties à comparaître dans les vingt-quatre heures de la réception de la demande.
Le président de la chambre ou le juge au contentieux des étrangers procède à un examen attentif et rigoureux de tous les éléments de preuve portés à sa connaissance, en particulier ceux qui sont de nature à indiquer qu'il existe des motifs de croire que l'exécution de la décision attaquée exposerait le requérant au risque d'être soumis à la violation des droits fondamentaux de l'homme auxquels aucune dérogation n'est possible en vertu de l'article 15, alinéa 2, de la Convention européenne de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales, qui fait l'objet d'un contrôle attentif et rigoureux.
La demande en suspension en extrême urgence est examinée dans les quarante-huit heures suivant sa réception par le président de la chambre ou par le juge au contentieux des étrangers. Ce délai est toutefois étendu à cinq jours suivant celui de la réception par le Conseil de cette demande, lorsque l'éloignement ou le refoulement effectif de l'étranger est prévu à une date ultérieure au délai de huit jours.
Si le président de la chambre ou le juge au contentieux des étrangers ne se prononce pas dans le délai, il doit en avertir le premier président ou le président. Celui-ci prend les mesures nécessaires pour qu'une décision soit rendue, selon le cas, soit, au plus tard septante-deux heures suivant la réception de la requête, soit, dans les meilleurs délais. Dans les deux cas, il peut notamment évoquer l'affaire et statuer lui-même.
Par dérogation aux alinéas qui précèdent, le président de la chambre saisie ou le juge au contentieux des étrangers qu'il désigne se prononce en priorité sur la recevabilité de la demande, au besoin sans convoquer les parties lorsque les conditions suivantes sont réunies :
1° il s'agit d'une deuxième mesure d'éloignement ou de refoulement, et
2° la demande est manifestement tardive, et
3° la demande est introduite moins de douze heures avant le moment prévu pour l'exécution de la mesure, et
4° le requérant et, le cas échéant, son avocat sont informés au moins quarante-huit heures avant le moment prévu pour l'exécution de la mesure.
S'il déclare la demande irrecevable, l'arrêt met fin à la procédure. S'il déclare la demande recevable, la procédure est poursuivie comme prévu aux alinéas 3 à 6.".
1° le § 2, alinéa 1er, est complété par la phrase suivante :
"Cette dernière condition est entre autre remplie si un moyen sérieux a été invoqué sur la base des droits fondamentaux de l'homme, en particulier des droits auxquels aucune dérogation n'est possible en vertu de l'article 15, alinéa 2, de la Convention européenne de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales.";
2° le § 4, alinéa 2, est remplacé par les alinéas suivants :
"Lorsque l'étranger fait l'objet d'une mesure d'éloignement ou de refoulement dont l'exécution est imminente, en particulier lorsqu'il est maintenu dans un lieu déterminé visé aux articles 74/8 et 74/9 ou est mis à la disposition du gouvernement, il peut, s'il n'en a pas encore demandé la suspension par la voie ordinaire, demander la suspension de l'exécution en extrême urgence de cette mesure dans le délai visé à l'article 39/57, § 1er, alinéa 3.
Si la demande apparaît manifestement tardive, le président de la chambre saisie ou le juge au contentieux des étrangers qu'il désigne l'indique dans son ordonnance et convoque sans délai les parties à comparaître dans les vingt-quatre heures de la réception de la demande.
Le président de la chambre ou le juge au contentieux des étrangers procède à un examen attentif et rigoureux de tous les éléments de preuve portés à sa connaissance, en particulier ceux qui sont de nature à indiquer qu'il existe des motifs de croire que l'exécution de la décision attaquée exposerait le requérant au risque d'être soumis à la violation des droits fondamentaux de l'homme auxquels aucune dérogation n'est possible en vertu de l'article 15, alinéa 2, de la Convention européenne de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales, qui fait l'objet d'un contrôle attentif et rigoureux.
La demande en suspension en extrême urgence est examinée dans les quarante-huit heures suivant sa réception par le président de la chambre ou par le juge au contentieux des étrangers. Ce délai est toutefois étendu à cinq jours suivant celui de la réception par le Conseil de cette demande, lorsque l'éloignement ou le refoulement effectif de l'étranger est prévu à une date ultérieure au délai de huit jours.
Si le président de la chambre ou le juge au contentieux des étrangers ne se prononce pas dans le délai, il doit en avertir le premier président ou le président. Celui-ci prend les mesures nécessaires pour qu'une décision soit rendue, selon le cas, soit, au plus tard septante-deux heures suivant la réception de la requête, soit, dans les meilleurs délais. Dans les deux cas, il peut notamment évoquer l'affaire et statuer lui-même.
Par dérogation aux alinéas qui précèdent, le président de la chambre saisie ou le juge au contentieux des étrangers qu'il désigne se prononce en priorité sur la recevabilité de la demande, au besoin sans convoquer les parties lorsque les conditions suivantes sont réunies :
1° il s'agit d'une deuxième mesure d'éloignement ou de refoulement, et
2° la demande est manifestement tardive, et
3° la demande est introduite moins de douze heures avant le moment prévu pour l'exécution de la mesure, et
4° le requérant et, le cas échéant, son avocat sont informés au moins quarante-huit heures avant le moment prévu pour l'exécution de la mesure.
S'il déclare la demande irrecevable, l'arrêt met fin à la procédure. S'il déclare la demande recevable, la procédure est poursuivie comme prévu aux alinéas 3 à 6.".
Art. 6. Artikel 39/83 van dezelfde wet, hersteld bij de wet van 6 mei 2009 en gewijzigd bij de wet van 8 mei 2013, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 39/83. Behoudens toestemming van de betrokkene, zal ten aanzien van een vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, slechts tot gedwongen tenuitvoerlegging van deze maatregel worden overgegaan na het verstrijken van de in artikel 39/57, § 1, derde lid, bedoelde beroepstermijn of, wanneer de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van deze maatregel bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd ingeleid binnen deze termijn, nadat de Raad deze vordering heeft verworpen.".
"Art. 39/83. Behoudens toestemming van de betrokkene, zal ten aanzien van een vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, slechts tot gedwongen tenuitvoerlegging van deze maatregel worden overgegaan na het verstrijken van de in artikel 39/57, § 1, derde lid, bedoelde beroepstermijn of, wanneer de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van deze maatregel bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd ingeleid binnen deze termijn, nadat de Raad deze vordering heeft verworpen.".
Art. 6. L'article 39/83 de la même loi, rétabli par la loi du 6 mai 2009 et modifié par la loi du 8 mai 2013, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 39/83. Sauf accord de l'intéressé, il ne sera procédé à l'exécution forcée de la mesure d'éloignement ou de refoulement dont l'étranger fait l'objet, qu'après l'expiration du délai de recours visé à l'article 39/57, § 1er, alinéa 3, ou, lorsque la demande de suspension en extrême urgence de l'exécution de cette mesure a été introduite dans ce délai, qu'après que le Conseil a rejeté la demande.".
"Art. 39/83. Sauf accord de l'intéressé, il ne sera procédé à l'exécution forcée de la mesure d'éloignement ou de refoulement dont l'étranger fait l'objet, qu'après l'expiration du délai de recours visé à l'article 39/57, § 1er, alinéa 3, ou, lorsque la demande de suspension en extrême urgence de l'exécution de cette mesure a été introduite dans ce délai, qu'après que le Conseil a rejeté la demande.".
Art. 7. Artikel 39/85 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006, gedeeltelijk vernietigd bij arrest nr. 81/2008 van het Grondwettelijk Hof en gewijzigd bij de wet van 8 mei 2013, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 39/85. § 1. Indien de vreemdeling het voorwerp is van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging imminent wordt, in het bijzonder indien hij naderhand wordt vastgehouden in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 of naderhand ter beschikking wordt gesteld van de regering, dan kan hij, bij wege van voorlopige maatregelen in de zin van artikel 39/84, verzoeken dat de Raad een eerder ingediende gewone vordering tot schorsing zo snel mogelijk behandelt, op voorwaarde dat deze vordering werd ingeschreven op de rol en dat de Raad er zich nog niet over heeft uitgesproken. Deze vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen dient te worden ingediend binnen de in artikel 39/57, § 1, derde lid, bedoelde termijn.
Indien de vordering manifest laattijdig voorkomt, geeft de voorzitter van de geadieerde kamer of de rechter in vreemdelingenzaken die hij daartoe aanwijst, dit aan in zijn beschikking en roept de partijen op onverwijld te verschijnen binnen vierentwintig uur vanaf de ontvangst van de vordering.
De kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken doet een zorgvuldig en nauwgezet onderzoek van alle bewijsstukken die hem worden voorgelegd, inzonderheid die welke van dien aard zijn dat daaruit blijkt dat er redenen zijn om te geloven dat de uitvoering van de bestreden beslissing de verzoeker zou blootstellen aan het risico te worden onderworpen aan de schending van de grondrechten van de mens ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Op straffe van onontvankelijkheid van de vordering waarbij de Raad bij wege van voorlopige maatregelen verzocht wordt zo snel mogelijk de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een andere beslissing te behandelen die vatbaar is voor vernietiging op grond van artikel 39/2, dient de verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, bedoeld in het eerste lid, gelijktijdig, al naargelang het geval, het voorwerp te zijn van een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen of van een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ervan bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
In afwijking van de vorige leden, doet de voorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken die hij daartoe aanwijst bij voorrang uitspraak over de ontvankelijkheid van de vordering, indien nodig zonder de partijen op te roepen, indien de volgende voorwaarden zijn vervuld :
1° het betreft een tweede verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, en
2° de vordering is manifest laattijdig, en
3° de vordering werd ingediend minder dan twaalf uur vóór de geplande uitvoering van de maatregel, en
4° de verzoeker en desgevallend zijn advocaat werden minstens achtenveertig uur vóór de geplande uitvoering van de maatregel ingelicht.
Indien hij de vordering onontvankelijk verklaart, sluit het arrest de procedure af. Indien hij de vordering ontvankelijk verklaart, wordt de procedure verdergezet zoals voorzien in §§ 2 tot 4.
§ 2. De vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen en de vordering tot schorsing worden samen behandeld en afgedaan door de Raad binnen achtenveertig uur na de ontvangst van de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen. Deze termijn wordt evenwel uitgebreid tot vijf dagen volgend op de dag van ontvangst van de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen wanneer de effectieve verwijdering of terugdrijving van de vreemdeling voorzien is voor een datum die de acht dagen te boven gaat.
Indien de geadieerde kamervoorzitter of rechter in vreemdelingenzaken niet binnen de termijn tot een uitspraak komt, brengt hij de eerste voorzitter of de voorzitter daarvan op de hoogte. Deze neemt de nodige maatregelen opdat een uitspraak wordt gewezen, al naargelang het geval, ofwel ten laatste binnen de tweeënzeventig uur na de ontvangst van het verzoekschrift, ofwel zo snel mogelijk. Inzonderheid kan hij daartoe de zaak evoceren en er zelf uitspraak over doen.
§ 3. Onverminderd § 1 kan er vanaf de ontvangst van de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen niet overgegaan worden tot een gedwongen tenuitvoerlegging van de verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel totdat de Raad zich heeft uitgesproken over de ingeleide vordering. Indien de schorsing niet werd toegestaan, wordt de dwanguitvoering van de maatregel opnieuw mogelijk.
§ 4. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de inhoud van de in dit artikel bedoelde vordering, de wijze waarop ze moet worden ingediend en de procedure.".
"Art. 39/85. § 1. Indien de vreemdeling het voorwerp is van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging imminent wordt, in het bijzonder indien hij naderhand wordt vastgehouden in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 of naderhand ter beschikking wordt gesteld van de regering, dan kan hij, bij wege van voorlopige maatregelen in de zin van artikel 39/84, verzoeken dat de Raad een eerder ingediende gewone vordering tot schorsing zo snel mogelijk behandelt, op voorwaarde dat deze vordering werd ingeschreven op de rol en dat de Raad er zich nog niet over heeft uitgesproken. Deze vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen dient te worden ingediend binnen de in artikel 39/57, § 1, derde lid, bedoelde termijn.
Indien de vordering manifest laattijdig voorkomt, geeft de voorzitter van de geadieerde kamer of de rechter in vreemdelingenzaken die hij daartoe aanwijst, dit aan in zijn beschikking en roept de partijen op onverwijld te verschijnen binnen vierentwintig uur vanaf de ontvangst van de vordering.
De kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken doet een zorgvuldig en nauwgezet onderzoek van alle bewijsstukken die hem worden voorgelegd, inzonderheid die welke van dien aard zijn dat daaruit blijkt dat er redenen zijn om te geloven dat de uitvoering van de bestreden beslissing de verzoeker zou blootstellen aan het risico te worden onderworpen aan de schending van de grondrechten van de mens ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Op straffe van onontvankelijkheid van de vordering waarbij de Raad bij wege van voorlopige maatregelen verzocht wordt zo snel mogelijk de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een andere beslissing te behandelen die vatbaar is voor vernietiging op grond van artikel 39/2, dient de verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, bedoeld in het eerste lid, gelijktijdig, al naargelang het geval, het voorwerp te zijn van een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen of van een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ervan bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
In afwijking van de vorige leden, doet de voorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken die hij daartoe aanwijst bij voorrang uitspraak over de ontvankelijkheid van de vordering, indien nodig zonder de partijen op te roepen, indien de volgende voorwaarden zijn vervuld :
1° het betreft een tweede verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, en
2° de vordering is manifest laattijdig, en
3° de vordering werd ingediend minder dan twaalf uur vóór de geplande uitvoering van de maatregel, en
4° de verzoeker en desgevallend zijn advocaat werden minstens achtenveertig uur vóór de geplande uitvoering van de maatregel ingelicht.
Indien hij de vordering onontvankelijk verklaart, sluit het arrest de procedure af. Indien hij de vordering ontvankelijk verklaart, wordt de procedure verdergezet zoals voorzien in §§ 2 tot 4.
§ 2. De vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen en de vordering tot schorsing worden samen behandeld en afgedaan door de Raad binnen achtenveertig uur na de ontvangst van de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen. Deze termijn wordt evenwel uitgebreid tot vijf dagen volgend op de dag van ontvangst van de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen wanneer de effectieve verwijdering of terugdrijving van de vreemdeling voorzien is voor een datum die de acht dagen te boven gaat.
Indien de geadieerde kamervoorzitter of rechter in vreemdelingenzaken niet binnen de termijn tot een uitspraak komt, brengt hij de eerste voorzitter of de voorzitter daarvan op de hoogte. Deze neemt de nodige maatregelen opdat een uitspraak wordt gewezen, al naargelang het geval, ofwel ten laatste binnen de tweeënzeventig uur na de ontvangst van het verzoekschrift, ofwel zo snel mogelijk. Inzonderheid kan hij daartoe de zaak evoceren en er zelf uitspraak over doen.
§ 3. Onverminderd § 1 kan er vanaf de ontvangst van de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen niet overgegaan worden tot een gedwongen tenuitvoerlegging van de verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel totdat de Raad zich heeft uitgesproken over de ingeleide vordering. Indien de schorsing niet werd toegestaan, wordt de dwanguitvoering van de maatregel opnieuw mogelijk.
§ 4. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de inhoud van de in dit artikel bedoelde vordering, de wijze waarop ze moet worden ingediend en de procedure.".
Art. 7. L'article 39/85 de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006, partiellement annulé par l'arrêt n° 81/2008 de la Cour constitutionnelle et modifié par la loi du 8 mai 2013, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 39/85. § 1er. Lorsque l'étranger fait l'objet d'une mesure d'éloignement ou de refoulement dont l'exécution devient imminente, en particulier lorsqu'il est par la suite maintenu dans un lieu déterminé visé aux articles 74/8 et 74/9 ou est mis à la disposition du gouvernement, l'étranger peut, par voie de mesures provisoires au sens de l'article 39/84, demander que le Conseil examine dans les meilleurs délais une demande de suspension ordinaire préalablement introduite, à condition qu'elle ait été inscrite au rôle et que le Conseil ne se soit pas encore prononcé à son égard. Cette demande de mesures provisoires doit être introduite dans le délai visé à l'article 39/57, § 1er, alinéa 3.
Si la demande apparaît manifestement tardive, le président de la chambre saisie ou le juge au contentieux des étrangers qu'il désigne l'indique dans son ordonnance et convoque sans délai les parties à comparaître dans les vingt-quatre heures de la réception de la demande.
Le président de la chambre ou le juge au contentieux des étrangers procède à un examen attentif et rigoureux de tous les éléments de preuve portés à sa connaissance, en particulier ceux qui sont de nature à indiquer qu'il existe des motifs de croire que l'exécution de la décision attaquée exposerait le requérant au risque d'être soumis à la violation des droits fondamentaux de l'homme auxquels aucune dérogation n'est possible en vertu de l'article 15, alinéa 2, de la Convention européenne de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales.
Sous peine d'irrecevabilité de la demande introduite par voie de mesures provisoires, tendant à l'examen de la demande de suspension de l'exécution d'un autre acte susceptible d'annulation en vertu de l'article 39/2, la mesure d'éloignement ou de refoulement, visée à l'alinéa 1er, doit, simultanément faire l'objet, selon le cas, d'une demande de mesures provisoires ou d'une demande de suspension d'extrême urgence de son exécution.
Par dérogation aux alinéas qui précèdent, le président de la chambre saisie ou le juge au contentieux des étrangers qu'il désigne se prononce en priorité sur la recevabilité de la demande, au besoin sans convoquer les parties, lorsque les conditions suivantes sont réunies :
1° il s'agit d'une deuxième mesure d'éloignement ou de refoulement, et
2° la demande est manifestement tardive, et
3° la demande est introduite moins de douze heures avant le moment prévu pour l'exécution de la mesure, et
4° le requérant et, le cas échéant, son avocat sont informés au moins quarante-huit heures avant le moment prévu pour l'exécution de la mesure.
S'il déclare la demande irrecevable, l'arrêt met fin à la procédure. S'il déclare la demande recevable, la procédure est poursuivie comme prévu aux §§ 2 à 4.
§ 2. La demande de mesures provisoires et la demande de suspension sont examinées conjointement et traitées dans les quarante-huit heures suivant la réception par le Conseil de la demande de mesures provisoires. Ce délai est toutefois étendu à cinq jours suivant celui de la réception par le Conseil de la demande de mesures provisoires, lorsque l'éloignement ou le refoulement effectif de l'étranger est prévu à une date ultérieure au délai de huit jours.
Si le président de la chambre saisie ou le juge au contentieux des étrangers saisi ne se prononce pas dans le délai, il en avertit le premier président ou le président. Celui-ci prend les mesures nécessaires pour qu'une décision soit rendue, selon le cas, soit au plus tard septante-deux heures suivant la réception de la requête, soit, dans les meilleurs délais. Il peut dans les deux cas notamment évoquer l'affaire et statuer lui-même.
§ 3. Sans préjudice du § 1er, il ne peut, dès la réception de la demande de mesures provisoires, être procédé à l'exécution forcée de la mesure d'éloignement ou de refoulement jusqu'à ce que le Conseil se soit prononcé sur la demande introduite. Si la suspension n'a pas été accordée, l'exécution forcée de la mesure est à nouveau possible.
§ 4. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le contenu de la demande visée dans le présent article, la façon dont elle doit être introduite ainsi que la procédure.".
"Art. 39/85. § 1er. Lorsque l'étranger fait l'objet d'une mesure d'éloignement ou de refoulement dont l'exécution devient imminente, en particulier lorsqu'il est par la suite maintenu dans un lieu déterminé visé aux articles 74/8 et 74/9 ou est mis à la disposition du gouvernement, l'étranger peut, par voie de mesures provisoires au sens de l'article 39/84, demander que le Conseil examine dans les meilleurs délais une demande de suspension ordinaire préalablement introduite, à condition qu'elle ait été inscrite au rôle et que le Conseil ne se soit pas encore prononcé à son égard. Cette demande de mesures provisoires doit être introduite dans le délai visé à l'article 39/57, § 1er, alinéa 3.
Si la demande apparaît manifestement tardive, le président de la chambre saisie ou le juge au contentieux des étrangers qu'il désigne l'indique dans son ordonnance et convoque sans délai les parties à comparaître dans les vingt-quatre heures de la réception de la demande.
Le président de la chambre ou le juge au contentieux des étrangers procède à un examen attentif et rigoureux de tous les éléments de preuve portés à sa connaissance, en particulier ceux qui sont de nature à indiquer qu'il existe des motifs de croire que l'exécution de la décision attaquée exposerait le requérant au risque d'être soumis à la violation des droits fondamentaux de l'homme auxquels aucune dérogation n'est possible en vertu de l'article 15, alinéa 2, de la Convention européenne de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales.
Sous peine d'irrecevabilité de la demande introduite par voie de mesures provisoires, tendant à l'examen de la demande de suspension de l'exécution d'un autre acte susceptible d'annulation en vertu de l'article 39/2, la mesure d'éloignement ou de refoulement, visée à l'alinéa 1er, doit, simultanément faire l'objet, selon le cas, d'une demande de mesures provisoires ou d'une demande de suspension d'extrême urgence de son exécution.
Par dérogation aux alinéas qui précèdent, le président de la chambre saisie ou le juge au contentieux des étrangers qu'il désigne se prononce en priorité sur la recevabilité de la demande, au besoin sans convoquer les parties, lorsque les conditions suivantes sont réunies :
1° il s'agit d'une deuxième mesure d'éloignement ou de refoulement, et
2° la demande est manifestement tardive, et
3° la demande est introduite moins de douze heures avant le moment prévu pour l'exécution de la mesure, et
4° le requérant et, le cas échéant, son avocat sont informés au moins quarante-huit heures avant le moment prévu pour l'exécution de la mesure.
S'il déclare la demande irrecevable, l'arrêt met fin à la procédure. S'il déclare la demande recevable, la procédure est poursuivie comme prévu aux §§ 2 à 4.
§ 2. La demande de mesures provisoires et la demande de suspension sont examinées conjointement et traitées dans les quarante-huit heures suivant la réception par le Conseil de la demande de mesures provisoires. Ce délai est toutefois étendu à cinq jours suivant celui de la réception par le Conseil de la demande de mesures provisoires, lorsque l'éloignement ou le refoulement effectif de l'étranger est prévu à une date ultérieure au délai de huit jours.
Si le président de la chambre saisie ou le juge au contentieux des étrangers saisi ne se prononce pas dans le délai, il en avertit le premier président ou le président. Celui-ci prend les mesures nécessaires pour qu'une décision soit rendue, selon le cas, soit au plus tard septante-deux heures suivant la réception de la requête, soit, dans les meilleurs délais. Il peut dans les deux cas notamment évoquer l'affaire et statuer lui-même.
§ 3. Sans préjudice du § 1er, il ne peut, dès la réception de la demande de mesures provisoires, être procédé à l'exécution forcée de la mesure d'éloignement ou de refoulement jusqu'à ce que le Conseil se soit prononcé sur la demande introduite. Si la suspension n'a pas été accordée, l'exécution forcée de la mesure est à nouveau possible.
§ 4. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le contenu de la demande visée dans le présent article, la façon dont elle doit être introduite ainsi que la procédure.".
HOOFDSTUK 2. - Overgangsbepalingen
CHAPITRE 2. - Dispositions transitoires
Art. 8. § 1. De artikelen 4 en 5, 2°, zijn van toepassing op de vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van elke verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, waarvan kennis gegeven wordt na de datum van inwerkingtreding van deze wet, en van de uitvoering van elke beslissing die ten aanzien van dezelfde vreemdeling getroffen wordt na een dergelijke maatregel.
§ 2. Artikel 7 is van toepassing op alle vorderingen tot het bevelen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid die ingediend worden door elke vreemdeling ten aanzien van wie een beslissing getroffen wordt waardoor de tenuitvoerlegging van de verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel imminent wordt en waarvan hem kennis wordt gegeven na de datum van inwerkingtreding van deze wet.
§ 2. Artikel 7 is van toepassing op alle vorderingen tot het bevelen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid die ingediend worden door elke vreemdeling ten aanzien van wie een beslissing getroffen wordt waardoor de tenuitvoerlegging van de verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel imminent wordt en waarvan hem kennis wordt gegeven na de datum van inwerkingtreding van deze wet.
Art. 8. § 1er. Les articles 4 et 5, 2°, sont applicables aux demandes de suspension d'extrême urgence de l'exécution de toute mesure d'éloignement ou de refoulement, notifiée après la date d'entrée en vigueur de la présente loi, et de l'exécution de toute décision prise ultérieurement à une telle mesure, à l'égard du même étranger.
§ 2. L'article 7 est applicable aux demandes de mesures provisoires d'extrême urgence, introduites par tout étranger qui fait l'objet d'une décision, par laquelle l'exécution de la mesure d'éloignement ou de refoulement devient imminente, qui lui est notifiée après la date d'entrée en vigueur de la présente loi.
§ 2. L'article 7 est applicable aux demandes de mesures provisoires d'extrême urgence, introduites par tout étranger qui fait l'objet d'une décision, par laquelle l'exécution de la mesure d'éloignement ou de refoulement devient imminente, qui lui est notifiée après la date d'entrée en vigueur de la présente loi.
TITEL III. - Eenheid van rechtspraak
TITRE III. - Unité de jurisprudence
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen
CHAPITRE 1er. - Modifications de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers
Art. 9. Artikel 39/6, § 3, vierde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006, wordt vervangen door wat volgt :
"Hij deelt onverwijld aan de eerste voorzitter en de voorzitter de zaken mee die, naar zijn mening, door de verenigde kamers dienen te worden behandeld teneinde de eenheid van de rechtspraak te verzekeren of met het oog op de rechtsontwikkeling en die waarvoor een partij de verwijzing vraagt naar de verenigde kamers in het belang van de eenheid van rechtspraak.".
"Hij deelt onverwijld aan de eerste voorzitter en de voorzitter de zaken mee die, naar zijn mening, door de verenigde kamers dienen te worden behandeld teneinde de eenheid van de rechtspraak te verzekeren of met het oog op de rechtsontwikkeling en die waarvoor een partij de verwijzing vraagt naar de verenigde kamers in het belang van de eenheid van rechtspraak.".
Art. 9. L'article 39/6, § 3, alinéa 4, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, inséré par la loi du 15 septembre 2006 est remplacé par ce qui suit :
"Il communique sans délai au premier président et au président les affaires qui, selon lui, doivent être traitées par les chambres réunies afin d'assurer l'unité de la jurisprudence ou en vue du développement du droit et celles pour lesquelles une partie demande le renvoi devant les chambres réunies dans l'intérêt de l'unité de la jurisprudence.".
"Il communique sans délai au premier président et au président les affaires qui, selon lui, doivent être traitées par les chambres réunies afin d'assurer l'unité de la jurisprudence ou en vue du développement du droit et celles pour lesquelles une partie demande le renvoi devant les chambres réunies dans l'intérêt de l'unité de la jurisprudence.".
Art. 10. Het opschrift van afdeling III van hoofdstuk 2 van titel Ibis van dezelfde wet wordt vervangen door wat volgt :
"Afdeling III. - De algemene vergadering en de verenigde kamers".
"Afdeling III. - De algemene vergadering en de verenigde kamers".
Art. 10. L'intitulé de la section III du chapitre 2 du titre Ierbis de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Section III. - L'assemblée générale et les chambres réunies".
"Section III. - L'assemblée générale et les chambres réunies".
Art. 11. Artikel 39/11 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 39/11. De algemene vergadering van de Raad is samengesteld uit de in artikel 39/4, eerste lid, bedoelde leden van de Raad. De algemene vergadering houdt terechtzitting in even getal en met ten minste tien leden, de voorzitter daaronder begrepen.
Ze bestaat uit een gelijk aantal leden van de Raad die door hun diploma bewezen hebben dat zij het examen van doctor, licentiaat of master in de rechten enerzijds in het Nederlands en anderzijds in het Frans hebben afgelegd.
De algemene vergadering wordt voorgezeten door de eerste voorzitter of, bij ontstentenis, door de voorzitter. Bij ontstentenis van beiden wordt het voorzitterschap waargenomen door de kamervoorzitter met de meeste anciënniteit of, in voorkomend geval, door de aanwezige rechter in vreemdelingenzaken met de meeste anciënniteit.
Met uitzondering van de in artikel 39/12, § 1, vierde lid, bedoelde zittingen, woont de beheerder de algemene vergaderingen bij telkens wanneer onderwerpen met betrekking tot zijn bevoegdheden op de agenda staan. Wat deze onderwerpen betreft, heeft hij een raadgevende stem.
Bij staking van stemmen is de stem van degene die de algemene vergadering voorzit beslissend.".
"Art. 39/11. De algemene vergadering van de Raad is samengesteld uit de in artikel 39/4, eerste lid, bedoelde leden van de Raad. De algemene vergadering houdt terechtzitting in even getal en met ten minste tien leden, de voorzitter daaronder begrepen.
Ze bestaat uit een gelijk aantal leden van de Raad die door hun diploma bewezen hebben dat zij het examen van doctor, licentiaat of master in de rechten enerzijds in het Nederlands en anderzijds in het Frans hebben afgelegd.
De algemene vergadering wordt voorgezeten door de eerste voorzitter of, bij ontstentenis, door de voorzitter. Bij ontstentenis van beiden wordt het voorzitterschap waargenomen door de kamervoorzitter met de meeste anciënniteit of, in voorkomend geval, door de aanwezige rechter in vreemdelingenzaken met de meeste anciënniteit.
Met uitzondering van de in artikel 39/12, § 1, vierde lid, bedoelde zittingen, woont de beheerder de algemene vergaderingen bij telkens wanneer onderwerpen met betrekking tot zijn bevoegdheden op de agenda staan. Wat deze onderwerpen betreft, heeft hij een raadgevende stem.
Bij staking van stemmen is de stem van degene die de algemene vergadering voorzit beslissend.".
Art. 11. L'article 39/11 de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 39/11. L'assemblée générale du Conseil est composée des membres du Conseil visés à l'article 39/4, alinéa 1er . Elle siège en nombre pair qui ne peut être inférieur à dix, y compris celui qui la préside.
Elle est composée en nombre égal de membres du Conseil ayant justifié par leur diplôme qu'ils ont passé l'examen de docteur, de licencié ou de master en droit dans la langue française d'une part et dans la langue néerlandaise d'autre part.
L'assemblée générale est présidée par le premier président ou, à défaut, par le président. A défaut, la présidence est exercée par le président de chambre présentant avec le plus d'ancienneté, ou, le cas échéant, par le juge au contentieux des étrangers présent avec le plus d'ancienneté.
A l'exception des audiences visées à l'article 39/12, § 1er, alinéa 4, l'administrateur assiste aux assemblées générales chaque fois que des sujets ayant trait à ses compétences figurent à l'ordre du jour. En ce qui concerne ces sujets, il a une voix consultative.
En cas de parité de voix, la voix de celui qui préside l'assemblée générale est prépondérante.".
"Art. 39/11. L'assemblée générale du Conseil est composée des membres du Conseil visés à l'article 39/4, alinéa 1er . Elle siège en nombre pair qui ne peut être inférieur à dix, y compris celui qui la préside.
Elle est composée en nombre égal de membres du Conseil ayant justifié par leur diplôme qu'ils ont passé l'examen de docteur, de licencié ou de master en droit dans la langue française d'une part et dans la langue néerlandaise d'autre part.
L'assemblée générale est présidée par le premier président ou, à défaut, par le président. A défaut, la présidence est exercée par le président de chambre présentant avec le plus d'ancienneté, ou, le cas échéant, par le juge au contentieux des étrangers présent avec le plus d'ancienneté.
A l'exception des audiences visées à l'article 39/12, § 1er, alinéa 4, l'administrateur assiste aux assemblées générales chaque fois que des sujets ayant trait à ses compétences figurent à l'ordre du jour. En ce qui concerne ces sujets, il a une voix consultative.
En cas de parité de voix, la voix de celui qui préside l'assemblée générale est prépondérante.".
Art. 12. Artikel 39/12 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 39/12. § 1. Wanneer de eerste voorzitter of de voorzitter, na het advies te hebben ingewonnen van de rechter in vreemdelingenzaken belast met het ter terechtzitting te geven verslag, oordeelt dat het noodzakelijk is met het oog op de eenheid van de rechtspraak of de rechtsontwikkeling dat een zaak door de verenigde kamers behandeld wordt, beveelt hij de verwijzing naar deze kamers.
Indien de eerste voorzitter en de voorzitter het niet nodig achten de verenigde kamers bijeen te roepen, dan licht de kamervoorzitter de kamers die van deze betwistingen kennis nemen in. Indien een van deze kamers, na beraadslaging, om bijeenroeping van de verenigde kamers verzoekt, is de eerste voorzitter gehouden daarop in te gaan of de zaak te verwijzen naar de algemene vergadering.
De eerste voorzitter of de voorzitter is tevens gehouden om in te gaan op een verzoek tot verwijzing naar de verenigde kamers met het oog op de eenheid van rechtspraak, wanneer de beide partijen dit verzoeken.
Indien hij meent dat het belang van de zaak dit vereist, kan de eerste voorzitter of de voorzitter, in afwijking van het voorgaande, beslissen de zaak te verwijzen naar de algemene vergadering.
§ 2. De verenigde kamers bestaan uit zes leden van de Raad waarvan drie die door hun diploma bewezen hebben dat zij het examen van doctor, licentiaat of master in de rechten in het Frans hebben afgelegd en drie in het Nederlands.
De eerste voorzitter en de voorzitter wijzen elk voor hun taalrol de leden van de Raad aan waaruit de verenigde kamers zijn samengesteld. Voor de in artikel 39/2, § 1, bedoelde beroepen worden de leden waaruit de verenigde kamers zijn samengesteld gekozen uit diegenen die gewoonlijk deze betwisting behandelen. Voor de in artikel 39/2, § 2, bedoelde beroepen worden de leden waaruit de verenigde kamers zijn samengesteld gekozen uit diegenen die gewoonlijk deze betwisting behandelen.
De verenigde kamers worden voorgezeten door de eerste voorzitter of door de voorzitter indien de zaak behoort tot een betwisting die hij gewoonlijk behandelt. Bij ontstentenis, worden zij voorgezeten door de kamervoorzitter met de meeste anciënniteit die gewoonlijk deze betwisting behandelt of, bij ontstentenis, door het aanwezige lid van de Raad met de meeste anciënniteit die gewoonlijk deze betwisting behandelt.
Bij staking van stemmen is de stem van degene die de verenigde kamers voorzit beslissend.".
"Art. 39/12. § 1. Wanneer de eerste voorzitter of de voorzitter, na het advies te hebben ingewonnen van de rechter in vreemdelingenzaken belast met het ter terechtzitting te geven verslag, oordeelt dat het noodzakelijk is met het oog op de eenheid van de rechtspraak of de rechtsontwikkeling dat een zaak door de verenigde kamers behandeld wordt, beveelt hij de verwijzing naar deze kamers.
Indien de eerste voorzitter en de voorzitter het niet nodig achten de verenigde kamers bijeen te roepen, dan licht de kamervoorzitter de kamers die van deze betwistingen kennis nemen in. Indien een van deze kamers, na beraadslaging, om bijeenroeping van de verenigde kamers verzoekt, is de eerste voorzitter gehouden daarop in te gaan of de zaak te verwijzen naar de algemene vergadering.
De eerste voorzitter of de voorzitter is tevens gehouden om in te gaan op een verzoek tot verwijzing naar de verenigde kamers met het oog op de eenheid van rechtspraak, wanneer de beide partijen dit verzoeken.
Indien hij meent dat het belang van de zaak dit vereist, kan de eerste voorzitter of de voorzitter, in afwijking van het voorgaande, beslissen de zaak te verwijzen naar de algemene vergadering.
§ 2. De verenigde kamers bestaan uit zes leden van de Raad waarvan drie die door hun diploma bewezen hebben dat zij het examen van doctor, licentiaat of master in de rechten in het Frans hebben afgelegd en drie in het Nederlands.
De eerste voorzitter en de voorzitter wijzen elk voor hun taalrol de leden van de Raad aan waaruit de verenigde kamers zijn samengesteld. Voor de in artikel 39/2, § 1, bedoelde beroepen worden de leden waaruit de verenigde kamers zijn samengesteld gekozen uit diegenen die gewoonlijk deze betwisting behandelen. Voor de in artikel 39/2, § 2, bedoelde beroepen worden de leden waaruit de verenigde kamers zijn samengesteld gekozen uit diegenen die gewoonlijk deze betwisting behandelen.
De verenigde kamers worden voorgezeten door de eerste voorzitter of door de voorzitter indien de zaak behoort tot een betwisting die hij gewoonlijk behandelt. Bij ontstentenis, worden zij voorgezeten door de kamervoorzitter met de meeste anciënniteit die gewoonlijk deze betwisting behandelt of, bij ontstentenis, door het aanwezige lid van de Raad met de meeste anciënniteit die gewoonlijk deze betwisting behandelt.
Bij staking van stemmen is de stem van degene die de verenigde kamers voorzit beslissend.".
Art. 12. L'article 39/12 de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 39/12. § 1er. Lorsque le premier président ou le président, après avoir recueilli l'avis du juge au contentieux des étrangers chargé du rapport d'audience, estime qu'il est nécessaire, en vue de l'unité de la jurisprudence ou du développement du droit, qu'une affaire soit traitée par les chambres réunies, il en ordonne le renvoi vers celles-ci.
Si le président et le premier président n'estiment pas nécessaire de convoquer les chambres réunies, le président de chambre en informe les chambres qui connaissent du contentieux concerné. Si l'une de ces chambres, après délibération, demande la convocation des chambres réunies, le premier président est tenu d'y donner suite ou de renvoyer l'affaire à l'assemblée générale.
Le premier président ou le président est également tenu de donner suite à une demande de renvoi devant les chambres réunies en vue de l'unité de la jurisprudence lorsqu'elle est formulée par les deux parties.
S'il estime que l'intérêt de l'affaire l'exige, le premier président ou le président peut, par dérogation à ce qui précède, décider de renvoyer l'affaire à l'assemblée générale.
§ 2. Les chambres réunies sont composées de six membres du Conseil dont trois justifient par leur diplôme qu'ils ont passé l'examen de docteur, de licencié ou de master en droit dans la langue française et trois dans la langue néerlandaise.
Le premier président et le président désignent chacun pour leur rôle linguistique les membres du Conseil qui constituent les chambres réunies. Pour les recours visés à l'article 39/2, § 1er, les membres qui composent les chambres réunies sont choisis parmi ceux qui traitent habituellement ce contentieux. Pour les recours visés à l'article 39/2, § 2, les membres qui composent les chambres réunies sont choisis parmi ceux qui traitent habituellement ce contentieux.
Les chambres réunies sont présidées par le premier président ou par le président si l'affaire relève d'un contentieux qu'il traite habituellement. A défaut, elles sont présidées par le président de chambre avec le plus d'ancienneté qui traite ce contentieux habituellement ou, à défaut, par le membre du Conseil présent avec le plus d'ancienneté qui traite ce contentieux habituellement.
En cas de parité de voix, la voix de celui qui préside les chambres réunies est prépondérante.".
"Art. 39/12. § 1er. Lorsque le premier président ou le président, après avoir recueilli l'avis du juge au contentieux des étrangers chargé du rapport d'audience, estime qu'il est nécessaire, en vue de l'unité de la jurisprudence ou du développement du droit, qu'une affaire soit traitée par les chambres réunies, il en ordonne le renvoi vers celles-ci.
Si le président et le premier président n'estiment pas nécessaire de convoquer les chambres réunies, le président de chambre en informe les chambres qui connaissent du contentieux concerné. Si l'une de ces chambres, après délibération, demande la convocation des chambres réunies, le premier président est tenu d'y donner suite ou de renvoyer l'affaire à l'assemblée générale.
Le premier président ou le président est également tenu de donner suite à une demande de renvoi devant les chambres réunies en vue de l'unité de la jurisprudence lorsqu'elle est formulée par les deux parties.
S'il estime que l'intérêt de l'affaire l'exige, le premier président ou le président peut, par dérogation à ce qui précède, décider de renvoyer l'affaire à l'assemblée générale.
§ 2. Les chambres réunies sont composées de six membres du Conseil dont trois justifient par leur diplôme qu'ils ont passé l'examen de docteur, de licencié ou de master en droit dans la langue française et trois dans la langue néerlandaise.
Le premier président et le président désignent chacun pour leur rôle linguistique les membres du Conseil qui constituent les chambres réunies. Pour les recours visés à l'article 39/2, § 1er, les membres qui composent les chambres réunies sont choisis parmi ceux qui traitent habituellement ce contentieux. Pour les recours visés à l'article 39/2, § 2, les membres qui composent les chambres réunies sont choisis parmi ceux qui traitent habituellement ce contentieux.
Les chambres réunies sont présidées par le premier président ou par le président si l'affaire relève d'un contentieux qu'il traite habituellement. A défaut, elles sont présidées par le président de chambre avec le plus d'ancienneté qui traite ce contentieux habituellement ou, à défaut, par le membre du Conseil présent avec le plus d'ancienneté qui traite ce contentieux habituellement.
En cas de parité de voix, la voix de celui qui préside les chambres réunies est prépondérante.".
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973
CHAPITRE 2. - Modifications des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973
Art. 13. Artikel 20, § 2, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, hersteld bij de wet van 15 september 2006, wordt aangevuld met de woorden "binnen het administratief rechtscollege bedoeld in artikel 14, § 2, of de Raad van State".
Art. 13. L'article 20, § 2, alinéa 4, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, rétabli par la loi du 15 septembre 2006, est complété par les mots "au sein de la juridiction administrative visée à l'article 14, § 2, ou du Conseil d'Etat".
Art. 14. In artikel 92, § 2, van dezelfde wetten, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "of met het onderzoek van dat beroep" ingevoegd tussen de woorden "in de zin van artikel 20" en de woorden ", oordeelt dat";
2° in het eerste lid wordt de laatste zin opgeheven;
3° de paragraaf wordt aangevuld met de volgende leden :
"Indien het cassatieberoep in de zin van artikel 20 toelaatbaar is verklaard, beveelt de eerste voorzitter of de voorzitter indien die de afdeling bestuursrechtspraak onder zijn verantwoordelijkheid heeft de verwijzing ervan naar de verenigde kamer van de afdeling bestuursrechtspraak telkens wanneer de bestreden beslissing door het administratief rechtscollege in algemene vergadering of in verenigde kamers genomen is. Hij doet dit evenzeer wanneer de auditeur-generaal, na het advies te hebben ingewonnen van de auditeur belast met het verslag, oordeelt dat, om de eenheid van de rechtspraak te verzekeren, de zaak door de verenigde kamers behandeld dient te worden.
Indien hij meent dat het belang van de zaak dit vereist, kan de eerste voorzitter of de voorzitter indien hij verantwoordelijk is voor de afdeling bestuursrechtspraak, in afwijking van het voorgaande, beslissen de zaak te verwijzen naar de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak. Hij doet dit evenzeer wanneer de auditeur-generaal, na het advies te hebben ingewonnen van de auditeur belast met het verslag, oordeelt dat, om de eenheid van de rechtspraak te verzekeren, de zaak door de algemene vergadering behandeld dient te worden.".
1° in het eerste lid worden de woorden "of met het onderzoek van dat beroep" ingevoegd tussen de woorden "in de zin van artikel 20" en de woorden ", oordeelt dat";
2° in het eerste lid wordt de laatste zin opgeheven;
3° de paragraaf wordt aangevuld met de volgende leden :
"Indien het cassatieberoep in de zin van artikel 20 toelaatbaar is verklaard, beveelt de eerste voorzitter of de voorzitter indien die de afdeling bestuursrechtspraak onder zijn verantwoordelijkheid heeft de verwijzing ervan naar de verenigde kamer van de afdeling bestuursrechtspraak telkens wanneer de bestreden beslissing door het administratief rechtscollege in algemene vergadering of in verenigde kamers genomen is. Hij doet dit evenzeer wanneer de auditeur-generaal, na het advies te hebben ingewonnen van de auditeur belast met het verslag, oordeelt dat, om de eenheid van de rechtspraak te verzekeren, de zaak door de verenigde kamers behandeld dient te worden.
Indien hij meent dat het belang van de zaak dit vereist, kan de eerste voorzitter of de voorzitter indien hij verantwoordelijk is voor de afdeling bestuursrechtspraak, in afwijking van het voorgaande, beslissen de zaak te verwijzen naar de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak. Hij doet dit evenzeer wanneer de auditeur-generaal, na het advies te hebben ingewonnen van de auditeur belast met het verslag, oordeelt dat, om de eenheid van de rechtspraak te verzekeren, de zaak door de algemene vergadering behandeld dient te worden.".
Art. 14. A l'article 92, § 2, des mêmes lois, inséré par la loi du 15 septembre 2006, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, les mots "ou de l'examen de ce recours" sont insérés entre les mots "au sens de l'article 20" et les mots ", estime que";
2° dans l'alinéa 1er, la dernière phrase est abrogée;
3° le paragraphe est complété par les alinéas suivants :
"Si le recours en cassation au sens de l'article 20 est déclaré admissible, le premier président ou le président, s'il est responsable de la section du contentieux administratif, en ordonne le renvoi en chambres réunies de la section du contentieux administratif chaque fois que la décision attaquée a été rendue par la juridiction administrative en assemblée générale ou en chambres réunies. Il en fait de même lorsque, après avoir pris l'avis de l'auditeur, chargé du rapport, l'auditeur général estime que, pour assurer l'unité de la jurisprudence, l'affaire doit être traitée par les chambres réunies.
S'il estime que l'intérêt de l'affaire l'exige, le premier président ou le président s'il est responsable de la section du contentieux administratif peut décider, par dérogation à ce qui précède, de renvoyer l'affaire à l'assemblée générale de la section du contentieux administratif. Il en fait de même lorsque, après avoir pris l'avis de l'auditeur, chargé du rapport, l'auditeur général estime que, pour assurer l'unité de la jurisprudence, l'affaire doit être traitée par l'assemblée générale.".
1° dans l'alinéa 1er, les mots "ou de l'examen de ce recours" sont insérés entre les mots "au sens de l'article 20" et les mots ", estime que";
2° dans l'alinéa 1er, la dernière phrase est abrogée;
3° le paragraphe est complété par les alinéas suivants :
"Si le recours en cassation au sens de l'article 20 est déclaré admissible, le premier président ou le président, s'il est responsable de la section du contentieux administratif, en ordonne le renvoi en chambres réunies de la section du contentieux administratif chaque fois que la décision attaquée a été rendue par la juridiction administrative en assemblée générale ou en chambres réunies. Il en fait de même lorsque, après avoir pris l'avis de l'auditeur, chargé du rapport, l'auditeur général estime que, pour assurer l'unité de la jurisprudence, l'affaire doit être traitée par les chambres réunies.
S'il estime que l'intérêt de l'affaire l'exige, le premier président ou le président s'il est responsable de la section du contentieux administratif peut décider, par dérogation à ce qui précède, de renvoyer l'affaire à l'assemblée générale de la section du contentieux administratif. Il en fait de même lorsque, après avoir pris l'avis de l'auditeur, chargé du rapport, l'auditeur général estime que, pour assurer l'unité de la jurisprudence, l'affaire doit être traitée par l'assemblée générale.".
HOOFDSTUK 3. - Overgangsbepaling
CHAPITRE 3. - Disposition transitoire
Art. 15. De artikelen 13 en 14 zijn van toepassing op de administratieve cassatieberoepen ingediend na de datum van inwerkingtreding van deze wet.
Art. 15. Les articles 13 et 14 sont applicables aux recours en cassation administrative introduits après la date d'entrée en vigueur de la présente loi.
TITEL IV. - De beroepsprocedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tegen de in artikel 57/6/1, eerste lid, en in artikel 57/6/2 van de wet van 15 december 1980 bedoelde beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen
TITRE IV. - La procédure de recours auprès du Conseil du contentieux des étrangers contre les décisions du Commissaire général aux réfugiés et apatrides visées à l'article 57/6/1, alinéa 1er, et à l'article 57/6/2 de la loi du 15 décembre 1980
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen
CHAPITRE 1er. - Modifications de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers
Art. 16. In artikel 39/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006 en vervangen bij de wet van 8 mei 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het tweede lid wordt aangevuld met een 3°, luidende :
"3° onverminderd het bepaalde in 1° en 2°, de bestreden beslissing tot niet-inoverwegingneming van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bedoeld in artikel 57/6/1, eerste lid, of in artikel 57/6/2, eerste lid, vernietigen omdat er ernstige aanwijzingen bestaan dat de verzoeker in aanmerking zou komen voor de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling, zoals bepaald in artikel 48/3, of voor de toekenning van de subsidiaire bescherming, zoals bepaald in artikel 48/4.";
2° in het derde lid worden het 2° en het 3° opgeheven.
1° het tweede lid wordt aangevuld met een 3°, luidende :
"3° onverminderd het bepaalde in 1° en 2°, de bestreden beslissing tot niet-inoverwegingneming van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bedoeld in artikel 57/6/1, eerste lid, of in artikel 57/6/2, eerste lid, vernietigen omdat er ernstige aanwijzingen bestaan dat de verzoeker in aanmerking zou komen voor de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling, zoals bepaald in artikel 48/3, of voor de toekenning van de subsidiaire bescherming, zoals bepaald in artikel 48/4.";
2° in het derde lid worden het 2° en het 3° opgeheven.
Art. 16. Dans l'article 39/2, § 1er, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, inséré par la loi 15 septembre 2006 et remplacé par la loi du 8 mai 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 2 est complété par un 3° rédigé comme suit :
"3° sans préjudice du 1° ou du 2°, annuler la décision attaquée du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides de non-prise en considération de la demande d'asile visée à l'article 57/6/1, alinéa 1er, ou à l'article 57/6/2, alinéa 1er, pour le motif qu'il existe des indications sérieuses que le requérant peut prétendre à la reconnaissance de la qualité de réfugié au sens de l'article 48/3 ou à l'octroi de la protection subsidiaire au sens de l'article 48/4.";
2° dans l'alinéa 3, les 2° et 3° sont abrogés.
1° l'alinéa 2 est complété par un 3° rédigé comme suit :
"3° sans préjudice du 1° ou du 2°, annuler la décision attaquée du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides de non-prise en considération de la demande d'asile visée à l'article 57/6/1, alinéa 1er, ou à l'article 57/6/2, alinéa 1er, pour le motif qu'il existe des indications sérieuses que le requérant peut prétendre à la reconnaissance de la qualité de réfugié au sens de l'article 48/3 ou à l'octroi de la protection subsidiaire au sens de l'article 48/4.";
2° dans l'alinéa 3, les 2° et 3° sont abrogés.
Art. 17. Artikel 39/57, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 8 mei 2013, wordt vervangen door wat volgt :
"Het verzoekschrift wordt ingediend binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de beslissing waartegen het is gericht :
1° indien het beroep is ingediend door een vreemdeling die zich op het ogenblik van de kennisgeving van de beslissing bevindt in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 of die ter beschikking is gesteld van de regering;
2° indien het beroep gericht is tegen de in artikel 57/6/1, eerste lid, bedoelde beslissing tot niet-inoverwegingneming;
3° indien het beroep gericht is tegen de in artikel 57/6/2, eerste lid, bedoelde beslissing tot niet-inoverwegingneming. Deze termijn wordt teruggebracht tot tien dagen in het geval dit beroep is ingediend door een vreemdeling die zich op het ogenblik van de kennisgeving van de beslissing bevindt in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 of die ter beschikking is gesteld van de regering, tegen een eerste beslissing tot niet-inoverwegingneming. Deze termijn wordt teruggebracht tot vijf dagen vanaf een tweede beslissing tot niet-inoverwegingneming.".
"Het verzoekschrift wordt ingediend binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de beslissing waartegen het is gericht :
1° indien het beroep is ingediend door een vreemdeling die zich op het ogenblik van de kennisgeving van de beslissing bevindt in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 of die ter beschikking is gesteld van de regering;
2° indien het beroep gericht is tegen de in artikel 57/6/1, eerste lid, bedoelde beslissing tot niet-inoverwegingneming;
3° indien het beroep gericht is tegen de in artikel 57/6/2, eerste lid, bedoelde beslissing tot niet-inoverwegingneming. Deze termijn wordt teruggebracht tot tien dagen in het geval dit beroep is ingediend door een vreemdeling die zich op het ogenblik van de kennisgeving van de beslissing bevindt in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 of die ter beschikking is gesteld van de regering, tegen een eerste beslissing tot niet-inoverwegingneming. Deze termijn wordt teruggebracht tot vijf dagen vanaf een tweede beslissing tot niet-inoverwegingneming.".
Art. 17. L'article 39/57, § 1er, alinéa 2, de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 8 mai 2013, est remplacé par ce qui suit :
"La requête est introduite dans les quinze jours de la notification de la décision contre laquelle il est dirigé :
1° lorsque le recours est introduit par un étranger qui se trouve, au moment de la notification de la décision, dans un lieu déterminé visé aux articles 74/8 et 74/9 ou qui est mis à la disposition du gouvernement;
2° lorsque le recours est dirigé contre une décision de non prise en considération visée à l'article 57/6/1, alinéa 1er;
3° lorsque le recours est dirigé contre une décision de non prise en considération visée à l'article 57/6/2, alinéa 1er. Ce délai est réduit à dix jours lorsque ce recours est introduit par un étranger qui se trouve, au moment de la notification de la décision, dans un lieu déterminé visé aux articles 74/8 et 74/9 ou qui est mis à la disposition du gouvernement, contre une première décision de non prise en considération. Ce délai est réduit à cinq jours dès une deuxième décision de non prise en considération.".
"La requête est introduite dans les quinze jours de la notification de la décision contre laquelle il est dirigé :
1° lorsque le recours est introduit par un étranger qui se trouve, au moment de la notification de la décision, dans un lieu déterminé visé aux articles 74/8 et 74/9 ou qui est mis à la disposition du gouvernement;
2° lorsque le recours est dirigé contre une décision de non prise en considération visée à l'article 57/6/1, alinéa 1er;
3° lorsque le recours est dirigé contre une décision de non prise en considération visée à l'article 57/6/2, alinéa 1er. Ce délai est réduit à dix jours lorsque ce recours est introduit par un étranger qui se trouve, au moment de la notification de la décision, dans un lieu déterminé visé aux articles 74/8 et 74/9 ou qui est mis à la disposition du gouvernement, contre une première décision de non prise en considération. Ce délai est réduit à cinq jours dès une deuxième décision de non prise en considération.".
Art. 18. Artikel 39/70 van dezelfde wet, ingevoegd bij wet van 15 september 2006, wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Het eerste lid is niet van toepassing wanneer een terugkeerbesluit niet leidt tot direct of indirect refoulement zoals vastgesteld in toepassing van artikel 57/6/2 en :
1° betrokkene een eerste volgende asielaanvraag heeft ingediend binnen de achtenveertig uur vóór zijn verwijdering louter teneinde de uitvoering van een beslissing die tot zijn verwijdering van het grondgebied zou leiden, te vertragen of te hinderen; of
2° betrokkene een nieuwe volgende asielaanvraag indient na een definitieve beslissing over een eerste volgende asielaanvraag.".
"Het eerste lid is niet van toepassing wanneer een terugkeerbesluit niet leidt tot direct of indirect refoulement zoals vastgesteld in toepassing van artikel 57/6/2 en :
1° betrokkene een eerste volgende asielaanvraag heeft ingediend binnen de achtenveertig uur vóór zijn verwijdering louter teneinde de uitvoering van een beslissing die tot zijn verwijdering van het grondgebied zou leiden, te vertragen of te hinderen; of
2° betrokkene een nieuwe volgende asielaanvraag indient na een definitieve beslissing over een eerste volgende asielaanvraag.".
Art. 18. L'article 39/70 de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"L'alinéa 1er ne s'applique pas lorsque une décision de retour n'entraîne pas de refoulement direct ou indirect comme déterminé en application de l'article 57/6/2 et :
1° l'intéressé n'a introduit une première demande d'asile subséquente dans les quarante-huit heures avant son éloignement qu'afin de retarder ou d'empêcher l'exécution d'une décision qui entraînerait son éloignement du territoire; ou
2° l'intéressé a introduit une nouvelle demande d'asile subséquente à la suite d'une décision finale sur une première demande subséquente.".
"L'alinéa 1er ne s'applique pas lorsque une décision de retour n'entraîne pas de refoulement direct ou indirect comme déterminé en application de l'article 57/6/2 et :
1° l'intéressé n'a introduit une première demande d'asile subséquente dans les quarante-huit heures avant son éloignement qu'afin de retarder ou d'empêcher l'exécution d'une décision qui entraînerait son éloignement du territoire; ou
2° l'intéressé a introduit une nouvelle demande d'asile subséquente à la suite d'une décision finale sur une première demande subséquente.".
Art. 19. In dezelfde wet wordt een artikel 39/72/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 39/72/1. In afwijking van artikelen 39/71 en 39/72, indien het beroep is ingesteld tegen een beslissing van niet-inoverwegingneming bedoeld in artikel 57/6/1, eerste lid, of in artikel 57/6/2, eerste lid, zendt de griffier onmiddellijk en uiterlijk binnen de werkdag, zijnde geen zaterdag, zondag of feestdag, die volgt op de inschrijving op de rol een afschrift ervan aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. In dit geval, stelt de griffier dat het administratief dossier, eventueel vergezeld van een nota met opmerkingen, moet worden neergelegd bij de griffie binnen drie werkdagen, te rekenen vanaf de kennisgeving.".
"Art. 39/72/1. In afwijking van artikelen 39/71 en 39/72, indien het beroep is ingesteld tegen een beslissing van niet-inoverwegingneming bedoeld in artikel 57/6/1, eerste lid, of in artikel 57/6/2, eerste lid, zendt de griffier onmiddellijk en uiterlijk binnen de werkdag, zijnde geen zaterdag, zondag of feestdag, die volgt op de inschrijving op de rol een afschrift ervan aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. In dit geval, stelt de griffier dat het administratief dossier, eventueel vergezeld van een nota met opmerkingen, moet worden neergelegd bij de griffie binnen drie werkdagen, te rekenen vanaf de kennisgeving.".
Art. 19. Dans la même loi, il est inséré un article 39/72/1 rédigé comme suit :
"Art. 39/72/1. Par dérogation aux articles 39/71 et 39/72, lorsque le recours est introduit contre une décision de non prise en considération visée à l'article 57/6/1, alinéa 1er ou à l'article 57/6/2, alinéa 1er, le greffier en envoie copie immédiatement et au plus tard dans le jour ouvrable, c'est-à-dire ni un samedi ni un dimanche ni un jour férié, suivant l'inscription au rôle au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides. Dans ce cas, le greffier indique que le dossier, éventuellement accompagné d'une note d'observations, doit être déposé au greffe dans les trois jours ouvrables, à partir de la notification.".
"Art. 39/72/1. Par dérogation aux articles 39/71 et 39/72, lorsque le recours est introduit contre une décision de non prise en considération visée à l'article 57/6/1, alinéa 1er ou à l'article 57/6/2, alinéa 1er, le greffier en envoie copie immédiatement et au plus tard dans le jour ouvrable, c'est-à-dire ni un samedi ni un dimanche ni un jour férié, suivant l'inscription au rôle au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides. Dans ce cas, le greffier indique que le dossier, éventuellement accompagné d'une note d'observations, doit être déposé au greffe dans les trois jours ouvrables, à partir de la notification.".
Art. 20. In artikel 39/76, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006 en vervangen bij de wet van 8 mei 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, eerste lid, wordt de eerste zin aangevuld als volgt :
", behoudens wat de beslissing tot niet-inoverwegingneming betreft bedoeld in artikel 57/6/1, eerste lid, of in artikel 57/6/2, eerste lid".
2° paragraaf 3 wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De geadieerde kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken die hij aanwijst, neemt een beslissing binnen dertig dagen na de ontvangst van het beroep tegen de beslissing tot niet-inoverwegingneming van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bedoeld in artikel 57/6/1, eerste lid, of in artikel 57/6/2, eerste lid, of, indien met toepassing van artikel 39/69, § 1, het verzoekschrift geregulariseerd werd, na ontvangst van de regularisatie, of, indien een rolrecht dient te worden gekwijt, vanaf de inschrijving op de rol.".
1° in § 1, eerste lid, wordt de eerste zin aangevuld als volgt :
", behoudens wat de beslissing tot niet-inoverwegingneming betreft bedoeld in artikel 57/6/1, eerste lid, of in artikel 57/6/2, eerste lid".
2° paragraaf 3 wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De geadieerde kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken die hij aanwijst, neemt een beslissing binnen dertig dagen na de ontvangst van het beroep tegen de beslissing tot niet-inoverwegingneming van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bedoeld in artikel 57/6/1, eerste lid, of in artikel 57/6/2, eerste lid, of, indien met toepassing van artikel 39/69, § 1, het verzoekschrift geregulariseerd werd, na ontvangst van de regularisatie, of, indien een rolrecht dient te worden gekwijt, vanaf de inschrijving op de rol.".
Art. 20. A l'article 39/76, de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006 et remplacé par la loi du 8 mai 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le § 1er, alinéa 1er, la première phrase est complétée par ce qui suit :
", sauf s'il s'agit d'une décision de non prise en considération visée à l'article 57/6/1, alinéa 1er, ou à l'article 57/6/2, alinéa 1er".
2° le § 3, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Le président de chambre saisi ou le juge au contentieux des étrangers qu'il désigne prend une décision dans les trente jours suivant la réception du recours contre la décision du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides de non prise en considération de la demande d'asile visée à l'article 57/6/1, alinéa 1er, ou à l'article 57/6/2, alinéa 1er, ou si la requête a été régularisée en application de l'article 39/69, § 1er, après réception de la régularisation, ou si un droit de rôle doit être acquitté, à partir de l'inscription au rôle.".
1° dans le § 1er, alinéa 1er, la première phrase est complétée par ce qui suit :
", sauf s'il s'agit d'une décision de non prise en considération visée à l'article 57/6/1, alinéa 1er, ou à l'article 57/6/2, alinéa 1er".
2° le § 3, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Le président de chambre saisi ou le juge au contentieux des étrangers qu'il désigne prend une décision dans les trente jours suivant la réception du recours contre la décision du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides de non prise en considération de la demande d'asile visée à l'article 57/6/1, alinéa 1er, ou à l'article 57/6/2, alinéa 1er, ou si la requête a été régularisée en application de l'article 39/69, § 1er, après réception de la régularisation, ou si un droit de rôle doit être acquitté, à partir de l'inscription au rôle.".
Art. 21. In Titel Ibis, hoofdstuk 5, afdeling II, onderafdeling 3 van dezelfde wet, wordt een artikel 39/77/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 39/77/1. § 1. Indien het een beroep tegen de in artikel 57/6/2, eerste lid, bedoelde beslissing tot niet-inoverwegingneming betreft, ingediend door een vreemdeling die zich bevindt in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 of die ter beschikking is gesteld van de regering, zendt de hoofdgriffier of de door hem aangewezen griffier onmiddellijk en ten laatste binnen de werkdag, zijnde geen zaterdag, zondag of feestdag, na de ontvangst van het beroep dat op de rol mag worden ingeschreven, een afschrift ervan aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Deze griffier verzoekt hem om het dossier ter griffie neer te leggen binnen de door hem gestelde termijn die ten hoogste twee werkdagen bedraagt, te rekenen vanaf de kennisgeving.
Onmiddellijk en ten laatste binnen de werkdag, zijnde geen zaterdag, zondag of feestdag, na de ontvangst van het beroep dat op de rol mag worden ingeschreven, stelt de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter in vreemdelingenzaken dit beroep vast en roept de partijen op om voor hem te verschijnen binnen ten hoogste drie werkdagen volgend op de dag van de ontvangst van de dagstelling.
De kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter kan de partijen bij beschikking eventueel op de welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 waar de vreemdeling zich bevindt of op de plaats waar hij ter beschikking gesteld wordt van de regering, oproepen, op de door hem bepaalde dag en uur, zelfs op zon- en feestdagen.
De oproeping bepaalt de dag vanaf wanneer het administratief dossier ter griffie kan worden ingezien door de partijen en hun advocaat.
Indien de verwerende partij het administratief dossier niet van te voren tijdig heeft overgezonden, overhandigt ze het ter terechtzitting aan de voorzitter die de nodige maatregelen neemt om aan de overige partijen in het geding de gelegenheid te geven er inzage van te nemen.
§ 2. De kamervoorzitter of de aangewezen rechter in vreemdelingenzaken beslist overeenkomstig artikel 39/76, §§ 1 en 2.
De geadieerde kamervoorzitter of rechter in vreemdelingenzaken neemt een beslissing binnen de twee werkdagen die volgen op de sluiting van de debatten. Hij kan de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing bevelen.
§ 3. Het aanhangige beroep ten aanzien van een vreemdeling die in de loop van de procedure wordt opgenomen in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 of die ter beschikking is gesteld van de regering, wordt van rechtswege afgehandeld volgens deze versnelde procedure. Tenzij het beroep reeds is vastgesteld, verloopt in dat geval de procedure overeenkomstig dit artikel ongeacht de stand waarin die zich bevindt met dien verstande dat de in § 1, tweede lid, bepaalde termijn ten minste drie werkdagen bedraagt.".
"Art. 39/77/1. § 1. Indien het een beroep tegen de in artikel 57/6/2, eerste lid, bedoelde beslissing tot niet-inoverwegingneming betreft, ingediend door een vreemdeling die zich bevindt in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 of die ter beschikking is gesteld van de regering, zendt de hoofdgriffier of de door hem aangewezen griffier onmiddellijk en ten laatste binnen de werkdag, zijnde geen zaterdag, zondag of feestdag, na de ontvangst van het beroep dat op de rol mag worden ingeschreven, een afschrift ervan aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Deze griffier verzoekt hem om het dossier ter griffie neer te leggen binnen de door hem gestelde termijn die ten hoogste twee werkdagen bedraagt, te rekenen vanaf de kennisgeving.
Onmiddellijk en ten laatste binnen de werkdag, zijnde geen zaterdag, zondag of feestdag, na de ontvangst van het beroep dat op de rol mag worden ingeschreven, stelt de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter in vreemdelingenzaken dit beroep vast en roept de partijen op om voor hem te verschijnen binnen ten hoogste drie werkdagen volgend op de dag van de ontvangst van de dagstelling.
De kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter kan de partijen bij beschikking eventueel op de welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 waar de vreemdeling zich bevindt of op de plaats waar hij ter beschikking gesteld wordt van de regering, oproepen, op de door hem bepaalde dag en uur, zelfs op zon- en feestdagen.
De oproeping bepaalt de dag vanaf wanneer het administratief dossier ter griffie kan worden ingezien door de partijen en hun advocaat.
Indien de verwerende partij het administratief dossier niet van te voren tijdig heeft overgezonden, overhandigt ze het ter terechtzitting aan de voorzitter die de nodige maatregelen neemt om aan de overige partijen in het geding de gelegenheid te geven er inzage van te nemen.
§ 2. De kamervoorzitter of de aangewezen rechter in vreemdelingenzaken beslist overeenkomstig artikel 39/76, §§ 1 en 2.
De geadieerde kamervoorzitter of rechter in vreemdelingenzaken neemt een beslissing binnen de twee werkdagen die volgen op de sluiting van de debatten. Hij kan de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing bevelen.
§ 3. Het aanhangige beroep ten aanzien van een vreemdeling die in de loop van de procedure wordt opgenomen in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 of die ter beschikking is gesteld van de regering, wordt van rechtswege afgehandeld volgens deze versnelde procedure. Tenzij het beroep reeds is vastgesteld, verloopt in dat geval de procedure overeenkomstig dit artikel ongeacht de stand waarin die zich bevindt met dien verstande dat de in § 1, tweede lid, bepaalde termijn ten minste drie werkdagen bedraagt.".
Art. 21. Dans le titre Ierbis, chapitre 5, section II, sous-section 3 de la même loi, il est inséré un article 39/77/1 rédigé comme suit :
"Art. 39/77/1. § 1er. Lorsque le recours contre la décision de non prise en considération visée à l'article 57/6/2, alinéa 1er, est introduit par un étranger qui se trouve dans un lieu déterminé visé aux articles 74/8 et 74/9 ou qui est mis à la disposition du gouvernement, le greffier en chef ou le greffier qu'il désigne en envoie copie, immédiatement et au plus tard dans le jour ouvrable c'est-à-dire ni un samedi, ni un dimanche, ni un jour férié, suivant la réception du recours qui peut être inscrit au rôle, au Commissaire général aux réfugies et aux apatrides. Ce greffier lui demande de déposer le dossier au greffe, dans le délai qu'il fixe et qui ne peut dépasser deux jours ouvrables, à partir de la notification.
Immédiatement et au plus tard dans le jour ouvrable c'est-à-dire ni un samedi, ni un dimanche, ni un jour férié, suivant la réception du recours qui peut être inscrit au rôle, le président de chambre ou le juge au contentieux des étrangers qu'il a désigné fixe l'affaire et convoque les parties à comparaître devant lui dans les trois jours ouvrables au plus tard qui suivent la date de réception de la fixation.
Le président de chambre ou le juge qu'il a désigné peut convoquer éventuellement, par ordonnance, les parties au lieu déterminé visé aux articles 74/8 et 74/9 où l'étranger se trouve ou au lieu où il est mis à la disposition du gouvernement, au jour et à l'heure qu'il fixe, même le dimanche ou un jour férié.
La convocation fixe le jour à partir duquel le dossier administratif peut être consulté au greffe par les parties et par leur avocat.
Si la partie défenderesse n'a pas transmis le dossier administratif à temps antérieurement, celui-ci est remis à l'audience au président, qui prend les mesures nécessaires pour permettre aux autres parties à l'instance de le consulter.
§ 2. Le président de chambre ou le juge au contentieux des étrangers désigné se prononce conformément à l'article 39/76, §§ 1er et 2.
Le président de chambre ou le juge au contentieux des étrangers saisi se prononce dans les deux jours ouvrables qui suivent la clôture des débats. Il peut ordonner l'exécution immédiate de la décision.
§ 3. Dans le cas d'un étranger qui est placé, au cours de la procédure, dans un lieu déterminé visé aux articles 74/8 et 74/9 ou qui est mis à la disposition du gouvernement, le recours pendant est examiné de plein droit suivant cette procédure accélérée. Sauf si le recours est déjà fixé, la procédure se déroule dans ce cas conformément au présent article, quel que soit son état, étant entendu que le délai fixé au § 1er, alinéa 2, s'élève au moins à trois jours ouvrables.".
"Art. 39/77/1. § 1er. Lorsque le recours contre la décision de non prise en considération visée à l'article 57/6/2, alinéa 1er, est introduit par un étranger qui se trouve dans un lieu déterminé visé aux articles 74/8 et 74/9 ou qui est mis à la disposition du gouvernement, le greffier en chef ou le greffier qu'il désigne en envoie copie, immédiatement et au plus tard dans le jour ouvrable c'est-à-dire ni un samedi, ni un dimanche, ni un jour férié, suivant la réception du recours qui peut être inscrit au rôle, au Commissaire général aux réfugies et aux apatrides. Ce greffier lui demande de déposer le dossier au greffe, dans le délai qu'il fixe et qui ne peut dépasser deux jours ouvrables, à partir de la notification.
Immédiatement et au plus tard dans le jour ouvrable c'est-à-dire ni un samedi, ni un dimanche, ni un jour férié, suivant la réception du recours qui peut être inscrit au rôle, le président de chambre ou le juge au contentieux des étrangers qu'il a désigné fixe l'affaire et convoque les parties à comparaître devant lui dans les trois jours ouvrables au plus tard qui suivent la date de réception de la fixation.
Le président de chambre ou le juge qu'il a désigné peut convoquer éventuellement, par ordonnance, les parties au lieu déterminé visé aux articles 74/8 et 74/9 où l'étranger se trouve ou au lieu où il est mis à la disposition du gouvernement, au jour et à l'heure qu'il fixe, même le dimanche ou un jour férié.
La convocation fixe le jour à partir duquel le dossier administratif peut être consulté au greffe par les parties et par leur avocat.
Si la partie défenderesse n'a pas transmis le dossier administratif à temps antérieurement, celui-ci est remis à l'audience au président, qui prend les mesures nécessaires pour permettre aux autres parties à l'instance de le consulter.
§ 2. Le président de chambre ou le juge au contentieux des étrangers désigné se prononce conformément à l'article 39/76, §§ 1er et 2.
Le président de chambre ou le juge au contentieux des étrangers saisi se prononce dans les deux jours ouvrables qui suivent la clôture des débats. Il peut ordonner l'exécution immédiate de la décision.
§ 3. Dans le cas d'un étranger qui est placé, au cours de la procédure, dans un lieu déterminé visé aux articles 74/8 et 74/9 ou qui est mis à la disposition du gouvernement, le recours pendant est examiné de plein droit suivant cette procédure accélérée. Sauf si le recours est déjà fixé, la procédure se déroule dans ce cas conformément au présent article, quel que soit son état, étant entendu que le délai fixé au § 1er, alinéa 2, s'élève au moins à trois jours ouvrables.".
Art. 22. In artikel 39/81 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 8 mei 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden in het voorlaatste streepje de cijfers "57/6/1, 57/6/2," opgeheven;
2° in het derde lid worden de woorden "noch de in artikel 39/68 bedoelde bijzondere procedureregels", ingevoegd tussen de woorden "toegepast" en "zendt de griffie".
1° in het eerste lid worden in het voorlaatste streepje de cijfers "57/6/1, 57/6/2," opgeheven;
2° in het derde lid worden de woorden "noch de in artikel 39/68 bedoelde bijzondere procedureregels", ingevoegd tussen de woorden "toegepast" en "zendt de griffie".
Art. 22. A l'article 39/81 de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006 et modifié en dernier lieu par la loi du 8 mai 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, dans l'avant-dernier tiret, les chiffres "57/6/1, 57/6/2," sont abrogés;
2° dans l'alinéa 3, les mots "et si l'article 39/73 ne s'applique pas" sont remplacés par les mots "et si ni l'article 39/73 ni les règles de procédure particulières visées à l'article 39/68, alinéa 2, ne s'appliquent".
1° dans l'alinéa 1er, dans l'avant-dernier tiret, les chiffres "57/6/1, 57/6/2," sont abrogés;
2° dans l'alinéa 3, les mots "et si l'article 39/73 ne s'applique pas" sont remplacés par les mots "et si ni l'article 39/73 ni les règles de procédure particulières visées à l'article 39/68, alinéa 2, ne s'appliquent".
Art. 23. In artikel 57/6/2, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 8 mei 2013, wordt de tweede zin aangevuld met de woorden "en hij oordeelt op een met redenen omklede wijze dat een terugkeerbesluit niet leidt tot direct of indirect refoulement.".
Art. 23. Dans l'article 57/6/2, alinéa 1er, de la même loi, inséré par la loi du 8 mai 2013, la deuxième phrase est complétée par les mots "et il estime d'une manière motivée qu'une décision de retour n'entraînera pas un refoulement direct ou indirect".
HOOFDSTUK 2. - Overgangsbepalingen
CHAPITRE 2. - Dispositions transitoires
Art. 24. Deze titel is van toepassing op beroepen die worden ingediend tegen beslissingen tot niet-inoverwegingneming zoals bedoeld in artikel 57/6/1, eerste lid, of in artikel 57/6/2, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen die betekend worden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet.
Art. 24. La présent titre est applicable aux recours introduits à l'encontre des décisions de non prise en considération, visées à l'article 57/6/1, alinéa 1er, ou à l'article 57/6/2, alinéa 1er, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, qui ont été notifiées à partir de la date d'entrée en vigueur de la présente loi.
Art. 25. Voor wat de beslissingen tot niet-inoverwegingneming betreft zoals bedoeld in de artikelen 57/6/1, eerste lid, en 57/6/2, eerste lid, van voormelde wet van 15 december 1980 die betekend werden vóór de inwerkingtreding van deze wet en waarvoor de beroepstermijn van dertig dagen op dat ogenblik nog loopt om een annulatieberoep in te dienen, kan de verzoekende partij ervoor opteren om binnen deze termijn een verzoekschrift in te dienen conform het gestelde in artikel 39/2, § 1, eerste lid, van de wet van 15 december 1980. Indien zij toch een annulatieberoep indient, wordt er gehandeld overeenkomstig artikel 26 van deze wet.
Art. 25. En ce qui concerne les décisions de non prise en considération, visées aux articles 57/6/1, alinéa 1er, et 57/6/2, alinéa 1er, de la loi précitée du 15 décembre 1980, qui ont été notifiées avant la date de l'entrée en vigueur de la présente loi et pour lesquelles le délai d'introduction d'un recours en annulation de trente jours, est encore en cours, la partie requérante peut choisir d'introduire, dans ce délai, une requête conforme à l'article 39/2, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 15 décembre 1980. Si elle introduit tout de même un recours en annulation, il sera procédé conformément à l'article 26, de la présente loi.
Art. 26. § 1. Voor wat de annulatieberoepen betreft die ingediend werden tegen een beslissing tot niet-inoverwegingneming bedoeld in de artikelen 57/6/1, eerste lid, en 57/6/2, eerste lid, van voormelde wet van 15 december 1980, die op de rol geplaatst zijn vóór de inwerkingtreding van deze wet en waarvoor op dat ogenblik nog geen eindarrest geveld werd, brengt de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij aangetekende zending de verzoekende partij op de hoogte van het feit dat ze een nieuw verzoekschrift kan indienen met het oog op behandeling ervan conform het gestelde in artikel 39/2, § 1, eerste en tweede lid, van de wet van 15 december 1980.
§ 2. De verzoekende partij beschikt te rekenen vanaf de kennisgeving van het in § 1 bedoelde zending, over een termijn van dertig dagen om een nieuw verzoekschrift in te dienen in de zin van § 1.
§ 3. Indien de verzoekende partij binnen de in § 2 gestelde termijn geen nieuw verzoekschrift neerlegt, doet de Raad uitspraak op basis van het oorspronkelijk ingediende verzoekschrift dat van rechtswege gelijkgesteld wordt met een beroep zoals bedoeld in artikel 39/2, § 1, eerste lid, van de wet van 15 december 1980.
Wanneer de verzoekende partij binnen de in § 2, gestelde termijn een nieuw verzoekschrift indient, wordt de verzoekende partij geacht afstand gedaan te hebben van haar initieel ingediend verzoekschrift en beslist de Raad uitsluitend op basis van het nieuwe verzoekschrift.
In de in het eerste en tweede lid bedoelde gevallen wordt de procedure verdergezet overeenkomstig de bepalingen van artikel 39/2, § 1, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 juncto artikelen 19 en 20, 2°, van deze wet, onverminderd artikel 21 van deze wet.
§ 2. De verzoekende partij beschikt te rekenen vanaf de kennisgeving van het in § 1 bedoelde zending, over een termijn van dertig dagen om een nieuw verzoekschrift in te dienen in de zin van § 1.
§ 3. Indien de verzoekende partij binnen de in § 2 gestelde termijn geen nieuw verzoekschrift neerlegt, doet de Raad uitspraak op basis van het oorspronkelijk ingediende verzoekschrift dat van rechtswege gelijkgesteld wordt met een beroep zoals bedoeld in artikel 39/2, § 1, eerste lid, van de wet van 15 december 1980.
Wanneer de verzoekende partij binnen de in § 2, gestelde termijn een nieuw verzoekschrift indient, wordt de verzoekende partij geacht afstand gedaan te hebben van haar initieel ingediend verzoekschrift en beslist de Raad uitsluitend op basis van het nieuwe verzoekschrift.
In de in het eerste en tweede lid bedoelde gevallen wordt de procedure verdergezet overeenkomstig de bepalingen van artikel 39/2, § 1, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 juncto artikelen 19 en 20, 2°, van deze wet, onverminderd artikel 21 van deze wet.
Art. 26. § 1er. En ce qui concerne les recours en annulation introduits à l'encontre d'une décision de non prise en considération visées aux articles 57/6/1, alinéa 1er, et 57/6/2, alinéa 1er, de la loi précitée du 15 décembre 1980 et enrôlés, avant l'entrée en vigueur de la présente loi, et qui n'ont pas encore fait l'objet d'un arrêt définitif à ce moment, le greffe du Conseil du contentieux des étrangers informe la partie requérante, par envoi recommandé, qu'elle peut introduire une nouvelle requête, en vue du traitement de celle-ci conformément à l'article 39/2, § 1er, alinéas 1er et 2, de la loi du 15 décembre 1980.
§ 2. La partie requérante dispose d'un délai de trente jours à partir de la notification de l'envoi visé au § 1er, pour déposer une nouvelle requête au sens visé au § 1er.
§ 3. Lorsque la partie requérante ne dépose pas une nouvelle requête dans le délai fixé au § 2, le Conseil statue sur la base de la requête initialement introduite, qui est assimilée de plein droit au recours visé à l'article 39/2, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 15 décembre 1980.
Lorsque la partie requérante a déposé une nouvelle requête dans le délai visé au § 2, la partie requérante est considérée comme s'étant désistée de la requête initialement introduite et le Conseil statue uniquement sur la base de la nouvelle requête.
Dans les cas visés aux alinéas 1er et 2, la procédure est poursuivie conformément aux dispositions de l'article 39/2, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 15 décembre 1980 et les articles 19 et 20, 2°, de la présente loi, sans préjudice de l'article 21 de la présente loi.
§ 2. La partie requérante dispose d'un délai de trente jours à partir de la notification de l'envoi visé au § 1er, pour déposer une nouvelle requête au sens visé au § 1er.
§ 3. Lorsque la partie requérante ne dépose pas une nouvelle requête dans le délai fixé au § 2, le Conseil statue sur la base de la requête initialement introduite, qui est assimilée de plein droit au recours visé à l'article 39/2, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 15 décembre 1980.
Lorsque la partie requérante a déposé une nouvelle requête dans le délai visé au § 2, la partie requérante est considérée comme s'étant désistée de la requête initialement introduite et le Conseil statue uniquement sur la base de la nouvelle requête.
Dans les cas visés aux alinéas 1er et 2, la procédure est poursuivie conformément aux dispositions de l'article 39/2, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 15 décembre 1980 et les articles 19 et 20, 2°, de la présente loi, sans préjudice de l'article 21 de la présente loi.
Art. 27. Voor wat de annulatieberoepen betreft die vóór de inwerkingtreding van deze wet ingediend werden tegen een beslissing tot niet-inoverwegingneming bedoeld in de artikelen 57/6/1, eerste lid, en 57/6/2, eerste lid, van voormelde wet van 15 december 1980, maar die op dat ogenblik nog niet op de rol geplaatst zijn, verstuurt de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, zonodig, het schrijven bepaald in artikel 39/69, § 1, vijfde lid, van de wet van 15 december 1980 gelijktijdig met de zending bedoeld in artikel 26, § 1, van deze wet.
De procedure wordt verdergezet overeenkomstig artikel 26 van deze wet, voor zover het verzoekschrift werd geregulariseerd overeenkomstig artikel 39/69, § 1, zesde lid, van de wet van 15 december 1980.
De procedure wordt verdergezet overeenkomstig artikel 26 van deze wet, voor zover het verzoekschrift werd geregulariseerd overeenkomstig artikel 39/69, § 1, zesde lid, van de wet van 15 december 1980.
Art. 27. En ce qui concerne les recours en annulation, introduits à l'encontre d'une décision de non prise en considération visées aux articles 57/6/1, alinéa 1er, et 57/6/2, alinéa 1er, de la loi précitée du 15 décembre 1980, avant l'entrée en vigueur de la présente loi, mais qui n'ont pas encore été enrôlés à ce moment, le greffe du Conseil du contentieux des étrangers adresse, le cas échéant, le courrier visé à l'article 39/69, § 1er, alinéa 5, de la loi du 15 décembre 1980, simultanément à l'envoi visé à l'article 26, § 1er, de la présente loi.
La procédure est poursuivie conformément à l'article 26 de la présente loi, pour autant que la requête soit régularisée conformément à l'article 39/69, § 1er, alinéa 6, de la loi du 15 décembre 1980.
La procédure est poursuivie conformément à l'article 26 de la présente loi, pour autant que la requête soit régularisée conformément à l'article 39/69, § 1er, alinéa 6, de la loi du 15 décembre 1980.
Art. 28. Behoudens toestemming van de vreemdeling, kan zolang de in artikelen 25, 26 en 27 bedoelde procedure loopt en tijdens het onderzoek van dit beroep door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, ten aanzien van de vreemdeling geen enkele maatregel tot verwijdering van het grondgebied gedwongen worden uitgevoerd, onverminderd het bepaalde in artikel 18 van deze wet.
Art. 28. Sauf accord de l'étranger, aucune mesure d'éloignement du territoire ne peut être exécutée de manière forcée, au cours de la procédure visée aux articles 25, 26 et 27 de la présente loi, ni pendant l'examen du recours visé, par le Conseil du contentieux des étrangers, sans préjudice de l'article 18 de la présente loi.
TITEL V. - Diverse bepalingen
TITRE V. - Dispositions diverses
Art. 29. In artikel 30, § 1, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, vervangen bij de wet van 4 augustus 1996 en gewijzigd bij de wetten van 6 en 20 januari 2014, wordt het nummer "11bis" ingevoegd tussen het cijfer "11" en het cijfer "12".
Art. 29. Dans l'article 30, § 1er, alinéa 1er, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, remplacé par la loi du 4 août 1996 et modifié par les lois des 6 et 20 janvier 2014, le mot "11bis," est inséré entre le chiffre "11" et le chiffre "12".
Art. 30. In artikel 83, tweede lid, van dezelfde wetten, ingevoegd bij de wet van 31 december 1983, wordt het woord "grondige" vervangen door het woord "voldoende".
Art. 30. Dans l'article 83, alinéa 2, des mêmes lois, inséré par la loi du 31 décembre 1983, le mot "approfondie" est remplacé par le mot "suffisante".
Art. 31. In artikel 39 van de wet van 20 januari 2014 houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State worden de woorden "op ieder beroep of vordering ingediend vanaf deze datum" vervangen door de woorden "op iedere vordering tot schorsing of tot voorlopige maatregelen ingediend bij uiterst dringende noodzakelijkheid, te rekenen van die datum, en die geen bijkomende vordering vormt bij een vóór die datum ingediend beroep tot nietigverklaring, alsook op elke aanvraag, moeilijkheid en elk beroep bedoeld in de artikelen 11, 12, 13, 14 en 16, 1° tot 8°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, ingediend te rekenen van die datum, en op de gelijktijdig dan wel later ingediende bijkomende vorderingen".
Art. 31. Dans l'article 39 de la loi du 20 janvier 2014 portant réforme de la compétence, de la procédure et de l'organisation du Conseil d'Etat, les mots "à tout recours ou demande introduit à compter de cette date" sont remplacés par les mots "à toute demande de suspension ou de mesures provisoires introduite sous le bénéfice de l'extrême urgence, à compter de cette date, et qui n'est pas l'accessoire d'un recours en annulation introduit avant cette date, ainsi qu'à toute demande, difficulté et recours, visé aux articles 11, 12, 13, 14 et 16, 1° à 8°, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, introduit à compter de cette date, et aux demandes qui lui sont accessoires et concomitantes ou postérieures".
Art. 32. Artikel 29 treedt in werking op 1 juli 2014.
Art. 32. L'article 29 entre en vigueur le 1er juillet 2014.