Artikel 1. Artikel 3, 4°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, vervangen bij het koninklijk besluit van 25 april 2007, wordt vervangen als volgt :
" 4° indien zij een rechtspersoon is, een afschrift van haar gepubliceerde statuten en van haar gecoördineerde geldende statuten en, indien deze rechtspersoon niet door een advocaat wordt vertegenwoordigd, een afschrift van de akte van aanstelling van haar organen, alsmede het bewijs dat het daartoe bevoegde orgaan beslist heeft in rechte te treden. ".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
28 JANUARI 2014. - Koninklijk besluit tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Titre
28 JANVIER 2014. - Arrêté royal modifiant divers arrêtés relatifs à la procédure devant la section du contentieux administratif du Conseil d'Etat
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
Tekst (57)
Texte (57)
HOOFDSTUK I. - Wijzigingen aan het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
CHAPITRE Ier. - Modifications de l'arrêté du Régent du 23 août 1948 déterminant la procédure devant la section du contentieux administratif du Conseil d'Etat
Article 1er. L'article 3, 4°, de l'arrêté du Régent du 23 août 1948 déterminant la procédure devant la section du contentieux administratif du Conseil d'Etat, remplacé par l'arrêté royal du 25 avril 2007, est remplacé par ce qui suit :
" 4° dans les cas où la partie requérante est une personne morale, une copie de ses statuts publiés et de ses statuts coordonnés en vigueur et, si cette personne morale n'est pas représentée par un avocat, de l'acte de désignation de ses organes ainsi que la preuve que l'organe habilité a décidé d'agir en justice. ".
" 4° dans les cas où la partie requérante est une personne morale, une copie de ses statuts publiés et de ses statuts coordonnés en vigueur et, si cette personne morale n'est pas représentée par un avocat, de l'acte de désignation de ses organes ainsi que la preuve que l'organe habilité a décidé d'agir en justice. ".
Art. 2. In artikel 6 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 25 april 2007, wordt paragraaf 4 vervangen als volgt :
" § 4. Zodra het mogelijk is, brengt de hoofdgriffier, op basis van de aanwijzingen van de auditeur-generaal of het door hem aangewezen lid van het auditoraat, het verzoekschrift ter kennis van de personen die belang hebben bij het oplossen van de zaak, voor zover deze geïdentificeerd kunnen worden. ".
" § 4. Zodra het mogelijk is, brengt de hoofdgriffier, op basis van de aanwijzingen van de auditeur-generaal of het door hem aangewezen lid van het auditoraat, het verzoekschrift ter kennis van de personen die belang hebben bij het oplossen van de zaak, voor zover deze geïdentificeerd kunnen worden. ".
Art. 2. Dans l'article 6 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 25 avril 2007, le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Dès que possible, le greffier en chef notifie la requête, sur la base des indications de l'auditeur général ou du membre de l'auditorat qu'il désigne, aux personnes qui ont intérêt à la solution de l'affaire, pour autant qu'elles puissent être déterminées. ".
" § 4. Dès que possible, le greffier en chef notifie la requête, sur la base des indications de l'auditeur général ou du membre de l'auditorat qu'il désigne, aux personnes qui ont intérêt à la solution de l'affaire, pour autant qu'elles puissent être déterminées. ".
Art. 3. In Titel 1, hoofdstuk II, van hetzelfde besluit, wordt een sectie 1/1 ingevoegd met de artikelen 11/1 tot 11/4, luidende :
" SECTIE I/1. Bijzondere regels van toepassing op de procedure tot nietigverklaring ingeval van vordering tot schorsing.
Art. 11/1. Het toesturen van een vordering tot schorsing stuit de termijnen waarin de artikelen 6 en 7 voorzien.
Indien de schorsing bevolen wordt of de voorlopige schorsing bevestigd, loopt de onderbroken termijn opnieuw vanaf de kennisgeving van het arrest aan de verwerende partij en worden de in de artikelen 6 en 7 bedoelde termijnen die niet helemaal verlopen zijn, vastgesteld op dertig dagen. In dit geval, wordt het verslag over de zaak of de mededeling bedoeld bij artikel 11/4 aan de griffie overgemaakt die een afschrift naar de kamer stuurt, of, naargelang het geval, naar de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak, binnen de dertig dagen na de ontvangst van de memorie van wederantwoord en het volledige dossier van de zaak.
Wanneer het arrest de vordering tot schorsing verwerpt, begint de onderbroken termijn slechts te lopen vanaf de kennisgeving door de griffie van het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging dat door de verzoekende partij wordt ingediend.
Art. 11/2. § 1. Wanneer naar aanleiding van een arrest waarin de schorsing van de tenuitvoerlegging van een akte of reglement is bevolen of de voorlopige schorsing is bevestigd, de verwerende partij of degene die belang heeft bij de beslechting van de zaak, niet binnen de termijn bepaald in artikel 17, § 6, van de gecoördineerde wetten een verzoek tot voortzetting van de procedure indient, geeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, de partijen ervan kennis dat de kamer uitspraak zal doen over de vernietiging van de akte of het reglement waarvan de schorsing is bevolen. De partijen beschikken over een termijn van vijftien dagen, met ingang van de kennisgeving, om te vragen te worden gehoord.
Indien geen van de partijen vraagt te worden gehoord, kan de kamer, in hun afwezigheid, de akte of het reglement vernietigen.
Indien een partij vraagt te worden gehoord, roept de voorzitter de partijen op om spoedig te verschijnen. Nadat ze de partijen en het advies van het aangewezen lid van het auditoraat heeft gehoord, doet de kamer onverwijld uitspraak over de vernietiging.
De partijen en hun advocaat kunnen ter griffie inzage nemen van het dossier, gedurende de tijd die wordt vastgesteld in de beschikking van de voorzitter.
§ 2. Wanneer de hoofdgriffier de partijen ervan kennis geeft dat de kamer uitspraak zal doen over de vernietiging van de akte of het reglement waarvan de schorsing is bevolen, maakt hij melding van de tekst van artikel 17, § 6, van de gecoördineerde wetten, alsmede van paragraaf 1 van dit artikel.
Art. 11/3. § 1. Wanneer de verzoekende partij naar aanleiding van een arrest waarin een vordering tot schorsing van een akte of reglement is afgewezen, niet binnen de termijn vastgesteld in artikel 17, § 7, van de gecoördineerde wetten een verzoek tot voortzetting van de procedure indient, stelt de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, de verzoekende partij ervan in kennis dat de kamer de afstand van geding zal uitspreken, tenzij ze binnen een termijn van vijftien dagen vraagt te worden gehoord.
Indien de verzoekende partij niet vraagt te worden gehoord, spreekt de kamer de afstand van geding uit.
Indien de verzoekende partij vraagt te worden gehoord, roept de voorzitter de partijen op om spoedig te verschijnen. Nadat de kamer de partijen en het advies van het aangewezen lid van het auditoraat heeft gehoord, doet ze onverwijld uitspraak over de afstand van geding.
De partijen en hun advocaat kunnen ter griffie inzage nemen in het dossier, gedurende de tijd die wordt vastgesteld in de beschikking van de voorzitter.
Indien verscheidene verzoekers gemeenschappelijk een vordering tot schorsing en een verzoekschrift tot nietigverklaring hebben ingediend en een verzoek tot voortzetting van de procedure slechts door sommigen van hen wordt ingediend, worden de overigen geacht afstand te doen van geding en wordt in het arrest dat wordt gewezen over de vordering tot nietigverklaring ook uitspraak gedaan over de afstand van degenen die verzuimen een verzoek tot voortzetting van de procedure in te dienen.
§ 2. Wanneer de hoofdgriffier de verzoekende partij ervan in kennis stelt dat de kamer de afstand van geding zal uitspreken, tenzij deze partij vraagt te worden gehoord, maakt hij melding van artikel 17, § 7, van de gecoördineerde wetten alsmede van § 1 van dit artikel.
Art. 11/4. Wanneer na de uitspraak van een arrest over de vordering tot schorsing en na de uitwisseling van de memories van antwoord en van wederantwoord of van de toelichtende memorie, de auditeurverslaggever vaststelt dat de partijen geen enkel nieuw gegeven aanvoeren sedert het arrest waarbij de tenuitvoerlegging van de akte of het reglement is geschorst, of waarin alle middelen als niet ernstig werden verworpen of waarin de vordering tot schorsing werd verworpen wegens niet ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring, kan hij het dossier toezenden aan de griffie met de vermelding dat hij geen nieuw verslag zal indienen over het beroep tot nietigverklaring.
In de kennisgeving wordt gepreciseerd of wordt voorgesteld het beroep tot nietigverklaring te verwerpen dan wel de akte of het reglement te vernietigen, overeenkomstig het arrest waarbij uitspraak werd gedaan over de vordering tot schorsing.
De artikelen 13, 14, 14quater tot 14sexies van de algemene procedureregeling zijn van toepassing. ".
" SECTIE I/1. Bijzondere regels van toepassing op de procedure tot nietigverklaring ingeval van vordering tot schorsing.
Art. 11/1. Het toesturen van een vordering tot schorsing stuit de termijnen waarin de artikelen 6 en 7 voorzien.
Indien de schorsing bevolen wordt of de voorlopige schorsing bevestigd, loopt de onderbroken termijn opnieuw vanaf de kennisgeving van het arrest aan de verwerende partij en worden de in de artikelen 6 en 7 bedoelde termijnen die niet helemaal verlopen zijn, vastgesteld op dertig dagen. In dit geval, wordt het verslag over de zaak of de mededeling bedoeld bij artikel 11/4 aan de griffie overgemaakt die een afschrift naar de kamer stuurt, of, naargelang het geval, naar de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak, binnen de dertig dagen na de ontvangst van de memorie van wederantwoord en het volledige dossier van de zaak.
Wanneer het arrest de vordering tot schorsing verwerpt, begint de onderbroken termijn slechts te lopen vanaf de kennisgeving door de griffie van het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging dat door de verzoekende partij wordt ingediend.
Art. 11/2. § 1. Wanneer naar aanleiding van een arrest waarin de schorsing van de tenuitvoerlegging van een akte of reglement is bevolen of de voorlopige schorsing is bevestigd, de verwerende partij of degene die belang heeft bij de beslechting van de zaak, niet binnen de termijn bepaald in artikel 17, § 6, van de gecoördineerde wetten een verzoek tot voortzetting van de procedure indient, geeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, de partijen ervan kennis dat de kamer uitspraak zal doen over de vernietiging van de akte of het reglement waarvan de schorsing is bevolen. De partijen beschikken over een termijn van vijftien dagen, met ingang van de kennisgeving, om te vragen te worden gehoord.
Indien geen van de partijen vraagt te worden gehoord, kan de kamer, in hun afwezigheid, de akte of het reglement vernietigen.
Indien een partij vraagt te worden gehoord, roept de voorzitter de partijen op om spoedig te verschijnen. Nadat ze de partijen en het advies van het aangewezen lid van het auditoraat heeft gehoord, doet de kamer onverwijld uitspraak over de vernietiging.
De partijen en hun advocaat kunnen ter griffie inzage nemen van het dossier, gedurende de tijd die wordt vastgesteld in de beschikking van de voorzitter.
§ 2. Wanneer de hoofdgriffier de partijen ervan kennis geeft dat de kamer uitspraak zal doen over de vernietiging van de akte of het reglement waarvan de schorsing is bevolen, maakt hij melding van de tekst van artikel 17, § 6, van de gecoördineerde wetten, alsmede van paragraaf 1 van dit artikel.
Art. 11/3. § 1. Wanneer de verzoekende partij naar aanleiding van een arrest waarin een vordering tot schorsing van een akte of reglement is afgewezen, niet binnen de termijn vastgesteld in artikel 17, § 7, van de gecoördineerde wetten een verzoek tot voortzetting van de procedure indient, stelt de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, de verzoekende partij ervan in kennis dat de kamer de afstand van geding zal uitspreken, tenzij ze binnen een termijn van vijftien dagen vraagt te worden gehoord.
Indien de verzoekende partij niet vraagt te worden gehoord, spreekt de kamer de afstand van geding uit.
Indien de verzoekende partij vraagt te worden gehoord, roept de voorzitter de partijen op om spoedig te verschijnen. Nadat de kamer de partijen en het advies van het aangewezen lid van het auditoraat heeft gehoord, doet ze onverwijld uitspraak over de afstand van geding.
De partijen en hun advocaat kunnen ter griffie inzage nemen in het dossier, gedurende de tijd die wordt vastgesteld in de beschikking van de voorzitter.
Indien verscheidene verzoekers gemeenschappelijk een vordering tot schorsing en een verzoekschrift tot nietigverklaring hebben ingediend en een verzoek tot voortzetting van de procedure slechts door sommigen van hen wordt ingediend, worden de overigen geacht afstand te doen van geding en wordt in het arrest dat wordt gewezen over de vordering tot nietigverklaring ook uitspraak gedaan over de afstand van degenen die verzuimen een verzoek tot voortzetting van de procedure in te dienen.
§ 2. Wanneer de hoofdgriffier de verzoekende partij ervan in kennis stelt dat de kamer de afstand van geding zal uitspreken, tenzij deze partij vraagt te worden gehoord, maakt hij melding van artikel 17, § 7, van de gecoördineerde wetten alsmede van § 1 van dit artikel.
Art. 11/4. Wanneer na de uitspraak van een arrest over de vordering tot schorsing en na de uitwisseling van de memories van antwoord en van wederantwoord of van de toelichtende memorie, de auditeurverslaggever vaststelt dat de partijen geen enkel nieuw gegeven aanvoeren sedert het arrest waarbij de tenuitvoerlegging van de akte of het reglement is geschorst, of waarin alle middelen als niet ernstig werden verworpen of waarin de vordering tot schorsing werd verworpen wegens niet ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring, kan hij het dossier toezenden aan de griffie met de vermelding dat hij geen nieuw verslag zal indienen over het beroep tot nietigverklaring.
In de kennisgeving wordt gepreciseerd of wordt voorgesteld het beroep tot nietigverklaring te verwerpen dan wel de akte of het reglement te vernietigen, overeenkomstig het arrest waarbij uitspraak werd gedaan over de vordering tot schorsing.
De artikelen 13, 14, 14quater tot 14sexies van de algemene procedureregeling zijn van toepassing. ".
Art. 3. Dans le Titre 1er, chapitre II, du même arrêté, il est inséré une section 1ère/1 comportant les articles 11/1 à 11/4, rédigés comme suit :
" SECTION Ire/1. Des règles particulières applicables à la procédure en annulation en cas de demande de suspension.
Art. 11/1. L'envoi d'une demande de suspension interrompt les délais prévus aux articles 6 et 7.
Si la suspension est ordonnée ou la suspension provisoire confirmée, le délai interrompu recommence à courir à partir de la notification de l'arrêt à la partie adverse et les délais visés aux articles 6 et 7 qui ne sont pas entièrement écoulés sont fixés à trente jours. Dans ce cas, le rapport sur l'affaire, ou la communication visée à l'article 11/4, est transmis au greffe qui en envoie une copie à la chambre ou, selon le cas, à l'assemblée générale de la section du contentieux administratif, dans les trente jours de la réception du mémoire en réplique et du dossier complet de l'affaire.
Au cas où l'arrêt rejette la demande de suspension, le délai interrompu ne commence à courir qu'à compter de la notification par le greffe de la demande de poursuite de la procédure introduite par la partie requérante.
Art. 11/2. § 1er. Lorsqu'à la suite d'un arrêt ayant ordonné la suspension ou ayant confirmé la suspension provisoire de l'exécution d'un acte ou d'un règlement, la partie adverse ou celui qui a intérêt à la solution de l'affaire n'introduit pas une demande de poursuite de la procédure dans le délai prévu par l'article 17, § 6, des lois coordonnées, le greffier en chef, à la demande du membre de l'auditorat désigné, notifie aux parties que la chambre va statuer sur l'annulation de l'acte ou du règlement dont la suspension a été ordonnée. Les parties disposent d'un délai de quinze jours, à partir de la notification, pour demander à être entendues.
Si aucune des parties ne demande à être entendue, la chambre peut, en leur absence, annuler l'acte ou le règlement.
Si une partie demande à être entendue, le président convoque les parties à comparaître à bref délai. Entendu les parties et le membre de l'auditorat désigné en son avis, la chambre statue sans délai sur l'annulation.
Les parties et leur avocat peuvent consulter le dossier au greffe pendant le temps fixé dans l'ordonnance du président.
§ 2. Lorsque le greffier en chef notifie aux parties que la chambre va statuer sur l'annulation de l'acte ou du règlement dont la suspension a été ordonnée, il fait mention du texte de l'article 17, § 6, des lois coordonnées ainsi que du paragraphe 1er du présent article.
Art. 11/3. § 1er. Lorsqu'à la suite d'un arrêt ayant rejeté une demande de suspension d'un acte ou d'un règlement, la partie requérante n'introduit pas une demande de poursuite de la procédure dans le délai prévu par l'article 17, § 7, des lois coordonnées, le greffier en chef, à la demande du membre de l'auditorat désigné, notifie à la partie requérante que la chambre va décréter le désistement d'instance, à moins que dans un délai de quinze jours, elle ne demande à être entendue.
Si la partie requérante ne demande pas à être entendue, la chambre décrète le désistement d'instance.
Si la partie requérante demande à être entendue, le président convoque les parties à comparaître à bref délai. Entendu les parties et le membre de l'auditorat désigné en son avis, la chambre statue sans délai sur le désistement d'instance.
Les parties et leur avocat peuvent consulter le dossier au greffe pendant le temps fixé dans l'ordonnance du président.
Au cas où plusieurs requérants ont déposé une demande de suspension et une requête en annulation qui leur sont communes et où une demande de poursuite de la procédure n'est introduite que par certains d'entre eux, les autres sont présumés se désister de l'instance et l'arrêt rendu sur la demande en annulation statue également sur le désistement de ceux qui omettent d'introduire une demande de poursuite de la procédure.
§ 2. Lorsqu'il notifie à la partie requérante que la chambre va décréter le désistement d'instance à moins que cette partie ne demande à être entendue, le greffier en chef fait mention de l'article 17, § 7, des lois coordonnées ainsi que du § 1er du présent article.
Art. 11/4. Lorsqu'après la prononciation d'un arrêt ayant statué sur la demande de suspension et après l'échange des mémoires en réponse et en réplique ou du mémoire ampliatif, l'auditeur rapporteur constate que les parties n'invoquent aucun élément nouveau depuis l'arrêt qui a suspendu l'exécution de l'acte ou du règlement, ou qui a déclaré tous les moyens non sérieux ou qui a rejeté la demande de suspension pour irrecevabilité du recours, il peut communiquer le dossier au greffe en indiquant qu'il ne déposera pas de nouveau rapport sur le recours en annulation.
La communication précise s'il est proposé, conformément à l'arrêt ayant statué sur la demande de suspension, de rejeter le recours en annulation ou d'annuler l'acte ou le règlement.
Les articles 13, 14, 14quater à 14sexies du règlement général de procédure sont applicables. ".
" SECTION Ire/1. Des règles particulières applicables à la procédure en annulation en cas de demande de suspension.
Art. 11/1. L'envoi d'une demande de suspension interrompt les délais prévus aux articles 6 et 7.
Si la suspension est ordonnée ou la suspension provisoire confirmée, le délai interrompu recommence à courir à partir de la notification de l'arrêt à la partie adverse et les délais visés aux articles 6 et 7 qui ne sont pas entièrement écoulés sont fixés à trente jours. Dans ce cas, le rapport sur l'affaire, ou la communication visée à l'article 11/4, est transmis au greffe qui en envoie une copie à la chambre ou, selon le cas, à l'assemblée générale de la section du contentieux administratif, dans les trente jours de la réception du mémoire en réplique et du dossier complet de l'affaire.
Au cas où l'arrêt rejette la demande de suspension, le délai interrompu ne commence à courir qu'à compter de la notification par le greffe de la demande de poursuite de la procédure introduite par la partie requérante.
Art. 11/2. § 1er. Lorsqu'à la suite d'un arrêt ayant ordonné la suspension ou ayant confirmé la suspension provisoire de l'exécution d'un acte ou d'un règlement, la partie adverse ou celui qui a intérêt à la solution de l'affaire n'introduit pas une demande de poursuite de la procédure dans le délai prévu par l'article 17, § 6, des lois coordonnées, le greffier en chef, à la demande du membre de l'auditorat désigné, notifie aux parties que la chambre va statuer sur l'annulation de l'acte ou du règlement dont la suspension a été ordonnée. Les parties disposent d'un délai de quinze jours, à partir de la notification, pour demander à être entendues.
Si aucune des parties ne demande à être entendue, la chambre peut, en leur absence, annuler l'acte ou le règlement.
Si une partie demande à être entendue, le président convoque les parties à comparaître à bref délai. Entendu les parties et le membre de l'auditorat désigné en son avis, la chambre statue sans délai sur l'annulation.
Les parties et leur avocat peuvent consulter le dossier au greffe pendant le temps fixé dans l'ordonnance du président.
§ 2. Lorsque le greffier en chef notifie aux parties que la chambre va statuer sur l'annulation de l'acte ou du règlement dont la suspension a été ordonnée, il fait mention du texte de l'article 17, § 6, des lois coordonnées ainsi que du paragraphe 1er du présent article.
Art. 11/3. § 1er. Lorsqu'à la suite d'un arrêt ayant rejeté une demande de suspension d'un acte ou d'un règlement, la partie requérante n'introduit pas une demande de poursuite de la procédure dans le délai prévu par l'article 17, § 7, des lois coordonnées, le greffier en chef, à la demande du membre de l'auditorat désigné, notifie à la partie requérante que la chambre va décréter le désistement d'instance, à moins que dans un délai de quinze jours, elle ne demande à être entendue.
Si la partie requérante ne demande pas à être entendue, la chambre décrète le désistement d'instance.
Si la partie requérante demande à être entendue, le président convoque les parties à comparaître à bref délai. Entendu les parties et le membre de l'auditorat désigné en son avis, la chambre statue sans délai sur le désistement d'instance.
Les parties et leur avocat peuvent consulter le dossier au greffe pendant le temps fixé dans l'ordonnance du président.
Au cas où plusieurs requérants ont déposé une demande de suspension et une requête en annulation qui leur sont communes et où une demande de poursuite de la procédure n'est introduite que par certains d'entre eux, les autres sont présumés se désister de l'instance et l'arrêt rendu sur la demande en annulation statue également sur le désistement de ceux qui omettent d'introduire une demande de poursuite de la procédure.
§ 2. Lorsqu'il notifie à la partie requérante que la chambre va décréter le désistement d'instance à moins que cette partie ne demande à être entendue, le greffier en chef fait mention de l'article 17, § 7, des lois coordonnées ainsi que du § 1er du présent article.
Art. 11/4. Lorsqu'après la prononciation d'un arrêt ayant statué sur la demande de suspension et après l'échange des mémoires en réponse et en réplique ou du mémoire ampliatif, l'auditeur rapporteur constate que les parties n'invoquent aucun élément nouveau depuis l'arrêt qui a suspendu l'exécution de l'acte ou du règlement, ou qui a déclaré tous les moyens non sérieux ou qui a rejeté la demande de suspension pour irrecevabilité du recours, il peut communiquer le dossier au greffe en indiquant qu'il ne déposera pas de nouveau rapport sur le recours en annulation.
La communication précise s'il est proposé, conformément à l'arrêt ayant statué sur la demande de suspension, de rejeter le recours en annulation ou d'annuler l'acte ou le règlement.
Les articles 13, 14, 14quater à 14sexies du règlement général de procédure sont applicables. ".
Art. 4. Artikel 14 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 juli 1956, 7 januari 1991, 25 april 2007 en 10 december 2012, wordt vervangen als volgt :
" Art. 14. De griffie brengt de mededelingen of verslagen bedoeld in de artikelen 11/4, 12 en 13 overeenkomstig de door de auditeur in zijn mededeling of verslag vermelde volgorde ter kennis van de partijen en deelt een exemplaar ervan mee aan de kamer belast met de zaak.
Elk van de partijen beschikt over dertig dagen om een laatste memorie in te dienen met, in voorkomend geval, het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging.
De vordering tot behoud van de gevolgen van de bestreden akte of het bestreden reglement, in toepassing van artikel 14ter van de gecoördineerde wetten, wordt uiterlijk in de laatste memorie geformuleerd en moet gemotiveerd worden. Wanneer de vordering voor de eerste keer in een laatste memorie ingediend wordt, kunnen de andere partijen hun schriftelijke opmerkingen doen gelden binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving van deze laatste memorie. Het aangewezen lid van het auditoraat stelt binnen de vijftien dagen een aanvullend verslag met betrekking tot dit onderwerp op. Dit verslag wordt bij de oproeping gevoegd.
De vordering waarbij de afdeling bestuursrechtspraak wordt gevraagd de overheid te bevelen een beslissing te nemen binnen een bepaalde termijn, bedoeld in artikel 36, § 1, eerste lid, eerste zin, van de gecoördineerde wetten, of de vordering waarbij ze wordt gevraagd de overheid te verbieden een beslissing te nemen, bedoeld in artikel 36, § 1, derde lid, van dezelfde wetten, wordt uiterlijk in de laatste memorie geformuleerd.
Bij het verstrijken van de in het tweede en derde lid bedoelde termijnen bepaalt de kamervoorzitter de datum waarop de zaak behandeld zal worden. ".
" Art. 14. De griffie brengt de mededelingen of verslagen bedoeld in de artikelen 11/4, 12 en 13 overeenkomstig de door de auditeur in zijn mededeling of verslag vermelde volgorde ter kennis van de partijen en deelt een exemplaar ervan mee aan de kamer belast met de zaak.
Elk van de partijen beschikt over dertig dagen om een laatste memorie in te dienen met, in voorkomend geval, het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging.
De vordering tot behoud van de gevolgen van de bestreden akte of het bestreden reglement, in toepassing van artikel 14ter van de gecoördineerde wetten, wordt uiterlijk in de laatste memorie geformuleerd en moet gemotiveerd worden. Wanneer de vordering voor de eerste keer in een laatste memorie ingediend wordt, kunnen de andere partijen hun schriftelijke opmerkingen doen gelden binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving van deze laatste memorie. Het aangewezen lid van het auditoraat stelt binnen de vijftien dagen een aanvullend verslag met betrekking tot dit onderwerp op. Dit verslag wordt bij de oproeping gevoegd.
De vordering waarbij de afdeling bestuursrechtspraak wordt gevraagd de overheid te bevelen een beslissing te nemen binnen een bepaalde termijn, bedoeld in artikel 36, § 1, eerste lid, eerste zin, van de gecoördineerde wetten, of de vordering waarbij ze wordt gevraagd de overheid te verbieden een beslissing te nemen, bedoeld in artikel 36, § 1, derde lid, van dezelfde wetten, wordt uiterlijk in de laatste memorie geformuleerd.
Bij het verstrijken van de in het tweede en derde lid bedoelde termijnen bepaalt de kamervoorzitter de datum waarop de zaak behandeld zal worden. ".
Art. 4. L'article 14 du même arrêté, modifié par les arrêtés royaux des 15 juillet 1956, 7 janvier 1991, 25 avril 2007 et 10 décembre 2012, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 14. Conformément à l'ordre mentionné par l'auditeur dans sa communication ou son rapport, le greffe notifie aux parties les communications ou rapports prévus par les articles 11/4, 12 et 13 et il en communique un exemplaire à la chambre saisie de l'affaire.
Chacune des parties a trente jours pour déposer un dernier mémoire avec, le cas échéant, la demande de poursuite de la procédure.
La demande visant au maintien des effets de l'acte ou du règlement attaqué, en application de l'article 14ter des lois coordonnées, est formulée au plus tard dans le dernier mémoire. Cette demande doit être motivée. Lorsqu'elle est introduite pour la première fois dans un dernier mémoire, les autres parties peuvent faire valoir leurs observations écrites dans un délai de trente jours à dater de la notification de ce dernier mémoire. Le membre de l'auditorat désigné rédige dans les quinze jours un rapport complémentaire limité à cet objet. Ce rapport est joint à la convocation.
La demande visant à ce que la section contentieux administratif ordonne à l'autorité de prendre une décision dans un délai déterminé, visée à l'article 36, § 1er, alinéa 1er, 1ère phrase, des lois coordonnées, ou la demande visant à ce qu'elle lui interdise de prendre une décision, visée à l'article 36, § 1er, alinéa 3, des mêmes lois, est formulée au plus tard dans le dernier mémoire.
A l'expiration des délais visés aux alinéas 2 et 3, le président de la chambre fixe la date à laquelle l'affaire sera appelée. ".
" Art. 14. Conformément à l'ordre mentionné par l'auditeur dans sa communication ou son rapport, le greffe notifie aux parties les communications ou rapports prévus par les articles 11/4, 12 et 13 et il en communique un exemplaire à la chambre saisie de l'affaire.
Chacune des parties a trente jours pour déposer un dernier mémoire avec, le cas échéant, la demande de poursuite de la procédure.
La demande visant au maintien des effets de l'acte ou du règlement attaqué, en application de l'article 14ter des lois coordonnées, est formulée au plus tard dans le dernier mémoire. Cette demande doit être motivée. Lorsqu'elle est introduite pour la première fois dans un dernier mémoire, les autres parties peuvent faire valoir leurs observations écrites dans un délai de trente jours à dater de la notification de ce dernier mémoire. Le membre de l'auditorat désigné rédige dans les quinze jours un rapport complémentaire limité à cet objet. Ce rapport est joint à la convocation.
La demande visant à ce que la section contentieux administratif ordonne à l'autorité de prendre une décision dans un délai déterminé, visée à l'article 36, § 1er, alinéa 1er, 1ère phrase, des lois coordonnées, ou la demande visant à ce qu'elle lui interdise de prendre une décision, visée à l'article 36, § 1er, alinéa 3, des mêmes lois, est formulée au plus tard dans le dernier mémoire.
A l'expiration des délais visés aux alinéas 2 et 3, le président de la chambre fixe la date à laquelle l'affaire sera appelée. ".
Art. 5. In het hetzelfde besluit wordt een artikel 14septies ingevoegd, luidende :
" Art. 14septies. In het geval bedoeld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten, wordt, indien de termijn die bij artikel 14 van de algemene procedureregeling wordt toegekend om een laatste memorie in te dienen niet is verstreken, in de beschikking tot vaststelling van de rechtsdag de termijn vastgesteld waarbinnen de partij die nog geen laatste memorie heeft ingediend, zulks moet doen. ".
" Art. 14septies. In het geval bedoeld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten, wordt, indien de termijn die bij artikel 14 van de algemene procedureregeling wordt toegekend om een laatste memorie in te dienen niet is verstreken, in de beschikking tot vaststelling van de rechtsdag de termijn vastgesteld waarbinnen de partij die nog geen laatste memorie heeft ingediend, zulks moet doen. ".
Art. 5. Dans le même arrêté, il est inséré un article 14septies rédigé comme suit :
" Article 14septies. Dans le cas visé à l'article 17, § 1er, alinéa 3, des lois coordonnées, si le délai imparti par l'article 14 du règlement général de procédure pour le dépôt d'un dernier mémoire n'est pas écoulé, l'ordonnance de fixation détermine le délai dans lequel la partie qui n'a pas encore déposé de dernier mémoire doit le faire. ".
" Article 14septies. Dans le cas visé à l'article 17, § 1er, alinéa 3, des lois coordonnées, si le délai imparti par l'article 14 du règlement général de procédure pour le dépôt d'un dernier mémoire n'est pas écoulé, l'ordonnance de fixation détermine le délai dans lequel la partie qui n'a pas encore déposé de dernier mémoire doit le faire. ".
Art. 6. Artikel 52 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 25 april 2007, wordt vervangen als volgt :
" Art. 52. § 1. Het verzoekschrift tot tussenkomst wordt ingediend uiterlijk binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van de zending bedoeld in artikel 6, § 4, of de bekendmaking van het bericht bedoeld in artikel 3quater.
Bij ontstentenis van kennisgeving of bekendmaking kan de met de zaak belaste kamer een latere tussenkomst toelaten, voor zover deze de procedure niet vertraagt.
§ 2. Het verzoekschrift tot tussenkomst wordt ondertekend door de verzoeker tot tussenkomst of door een advocaat die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 19, vierde lid, van de gecoördineerde wetten.
§ 3. Het verzoekschrift wordt gedagtekend en bevat :
1° het opschrift " verzoekschrift tot tussenkomst ";
2° de naam, hoedanigheid, woonplaats of zetel van de verzoeker tot tussenkomst en de gekozen woonplaats;
3° de vermelding van de zaak waarin tot tussenkomst verzocht wordt en het rolnummer waaronder de zaak ingeschreven is, als het gekend is;
4° een uiteenzetting van het belang dat de verzoeker tot tussenkomst heeft bij de beslechting van de zaak.
§ 4. Artikel 2, § 2, artikel 3, 4°, en artikel 84, § 2, zijn van toepassing op het verzoekschrift tot tussenkomst.
§ 5. Elk verzoekschrift tot tussenkomst geldt zowel voor het beroep tot nietigverklaring als voor de eventuele vorderingen die er een accessorium van zijn. ".
" Art. 52. § 1. Het verzoekschrift tot tussenkomst wordt ingediend uiterlijk binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van de zending bedoeld in artikel 6, § 4, of de bekendmaking van het bericht bedoeld in artikel 3quater.
Bij ontstentenis van kennisgeving of bekendmaking kan de met de zaak belaste kamer een latere tussenkomst toelaten, voor zover deze de procedure niet vertraagt.
§ 2. Het verzoekschrift tot tussenkomst wordt ondertekend door de verzoeker tot tussenkomst of door een advocaat die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 19, vierde lid, van de gecoördineerde wetten.
§ 3. Het verzoekschrift wordt gedagtekend en bevat :
1° het opschrift " verzoekschrift tot tussenkomst ";
2° de naam, hoedanigheid, woonplaats of zetel van de verzoeker tot tussenkomst en de gekozen woonplaats;
3° de vermelding van de zaak waarin tot tussenkomst verzocht wordt en het rolnummer waaronder de zaak ingeschreven is, als het gekend is;
4° een uiteenzetting van het belang dat de verzoeker tot tussenkomst heeft bij de beslechting van de zaak.
§ 4. Artikel 2, § 2, artikel 3, 4°, en artikel 84, § 2, zijn van toepassing op het verzoekschrift tot tussenkomst.
§ 5. Elk verzoekschrift tot tussenkomst geldt zowel voor het beroep tot nietigverklaring als voor de eventuele vorderingen die er een accessorium van zijn. ".
Art. 6. L'article 52 du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 25 avril 2007, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 52. § 1er. La requête en intervention est introduite dans un délai de trente jours au plus tard après la réception de l'envoi visé à l'article 6, § 4, ou la publication de l'avis visé à l'article 3quater.
En l'absence de notification ou de publication, la chambre saisie de l'affaire peut permettre une intervention ultérieure pour autant qu'elle ne retarde pas la procédure.
§ 2. La requête en intervention est signée par le demandeur en intervention ou par un avocat satisfaisant aux conditions que fixe l'article 19, alinéa 4, des lois coordonnées.
§ 3. La requête est datée et contient :
1° l'intitulé " requête en intervention ";
2° les nom, qualité, domicile ou siège du demandeur en intervention et le domicile élu;
3° l'indication de l'affaire dans laquelle il demande à intervenir ainsi que le numéro de rôle sous lequel l'affaire est inscrite, s'il est connu;
4° un exposé de l'intérêt qu'a le demandeur en intervention à la solution de l'affaire.
§ 4. L'article 2, § 2, l'article 3, 4°, et l'article 84, § 2, sont applicables à la requête en intervention.
§ 5. Toute demande d'intervention vaut tant pour la procédure au fond que pour d'éventuelles procédures qui lui sont accessoires. ".
" Art. 52. § 1er. La requête en intervention est introduite dans un délai de trente jours au plus tard après la réception de l'envoi visé à l'article 6, § 4, ou la publication de l'avis visé à l'article 3quater.
En l'absence de notification ou de publication, la chambre saisie de l'affaire peut permettre une intervention ultérieure pour autant qu'elle ne retarde pas la procédure.
§ 2. La requête en intervention est signée par le demandeur en intervention ou par un avocat satisfaisant aux conditions que fixe l'article 19, alinéa 4, des lois coordonnées.
§ 3. La requête est datée et contient :
1° l'intitulé " requête en intervention ";
2° les nom, qualité, domicile ou siège du demandeur en intervention et le domicile élu;
3° l'indication de l'affaire dans laquelle il demande à intervenir ainsi que le numéro de rôle sous lequel l'affaire est inscrite, s'il est connu;
4° un exposé de l'intérêt qu'a le demandeur en intervention à la solution de l'affaire.
§ 4. L'article 2, § 2, l'article 3, 4°, et l'article 84, § 2, sont applicables à la requête en intervention.
§ 5. Toute demande d'intervention vaut tant pour la procédure au fond que pour d'éventuelles procédures qui lui sont accessoires. ".
Art. 7. Artikel 53 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 april 2007, wordt vervangen als volgt :
" Artikel 53. De met de tussenkomst belaste kamer doet onverwijld uitspraak over de ontvankelijkheid ervan en bepaalt de termijn waarbinnen de tussenkomende partij haar opmerkingen kan laten gelden.
Indien de tussenkomst werd toegelaten in de procedure in kort geding, zijn de termijnen waarover de tussenkomende partij beschikt om memories in te dienen, dezelfde als de termijnen voor de verwerende partij. ".
" Artikel 53. De met de tussenkomst belaste kamer doet onverwijld uitspraak over de ontvankelijkheid ervan en bepaalt de termijn waarbinnen de tussenkomende partij haar opmerkingen kan laten gelden.
Indien de tussenkomst werd toegelaten in de procedure in kort geding, zijn de termijnen waarover de tussenkomende partij beschikt om memories in te dienen, dezelfde als de termijnen voor de verwerende partij. ".
Art. 7. L'article 53 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 25 avril 2007, est remplacé ce qui suit :
" Article 53. La chambre saisie de l'intervention statue sans délai sur la recevabilité de celle-ci et fixe le délai dans lequel la partie intervenante peut faire valoir ses observations.
Si l'intervention a été accueillie dans la procédure en référé, les délais dont dispose la partie intervenante pour déposer des mémoires sont les mêmes que ceux dont dispose la partie adverse. ".
" Article 53. La chambre saisie de l'intervention statue sans délai sur la recevabilité de celle-ci et fixe le délai dans lequel la partie intervenante peut faire valoir ses observations.
Si l'intervention a été accueillie dans la procédure en référé, les délais dont dispose la partie intervenante pour déposer des mémoires sont les mêmes que ceux dont dispose la partie adverse. ".
Art. 8. In titel VI van hetzelfde besluit worden een hoofdstuk VII en een artikel 65/1 ingevoegd, luidende als volgt :
" Hoofdstuk VII. De bestuurlijke lus
Artikel 65/1. § 1. In het verslag van de auditeur waarin wordt voorgesteld een bestuurlijke lus toe te passen, worden alle middelen onderzocht.
Dat verslag wordt, gedagtekend en ondertekend, overgezonden aan de griffie die een exemplaar ervan aan de kamer overzendt en het ter kennis brengt van de verwerende partij en, in voorkomend geval, de tussenkomende partij, die beschikken over vijftien dagen om een laatste memorie in te dienen. Deze wordt ter kennis van de verzoekende partij gebracht die op haar beurt over vijftien dagen beschikt om een laatste memorie in te dienen.
Na het verstrijken van deze termijn stelt de kamervoorzitter de rechtsdag vast waarop de zaak voorkomt.
§ 2. Het arrest waarin wordt voorgesteld een bestuurlijke lus toe te passen, doet uitspraak over alle middelen en bepaalt dat de zaak wordt vastegesteld op een terechtzitting waarop over die bestuurlijke lus wordt gedebatteerd. Bij de kennisgeving van dit arrest maakt de hoofdgriffier melding van artikel 38, § 3, van de gecoördineerde wetten.
§ 3. Indien het aangewezen lid van het auditoraat in zijn verslag niet alle middelen heeft onderzocht, kan de kamer vragen dat een aanvullend verslag wordt neergelegd alvorens voor te stellen de bestuurlijke lus op te starten.
In voorkomend geval, wordt gehandeld overeenkomstig § 1, tweede en derde lid.
§ 4. De kamervoorzitter beslist over de verlenging van de termijn voor het herstel bedoeld in artikel 38, § 1, van de gecoördineerde wetten.
§ 5. De hoofdgriffier brengt de inlichtingen bedoeld in artikel 38, § 4, van de gecoördineerde wetten ter kennis van de verzoekende partij en, in voorkomend geval van de tussenkomende partij, die over vijftien dagen beschikken om hun opmerkingen erover mee te delen.
Na ontvangst van deze inlichtingen en opmerkingen, stelt het aangewezen lid van het auditoraat een verslag op betreffende de toepassing van de bestuurlijke lus. Nadat dat verslag is ingediend, bepaalt de kamervoorzitter de rechtsdag.
§ 6. Indien de hoofdgriffier niet binnen de gestelde termijn in kennis is gesteld van een beslissing tot herstel, brengt hij op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat de verwerende partij en de tussenkomende partij ter kennis dat de kamer uitspraak doet over de nietigverklaring van de akte of van het reglement, tenzij een van deze partijen binnen een termijn van vijftien dagen verzoekt te worden gehoord.
Indien geen enkele partij verzoekt te worden gehoord, verklaart de kamer de akte of het reglement nietig.
Indien een partij verzoekt te worden gehoord, roept de voorzitter of de aangewezen staatsraad de partijen op om spoedig te verschijnen. Nadat de kamer de partijen alsook het advies van het aangewezen lid van het auditoraat heeft gehoord, doet ze zonder verwijl uitspraak over het beroep tot nietigverklaring. ".
" Hoofdstuk VII. De bestuurlijke lus
Artikel 65/1. § 1. In het verslag van de auditeur waarin wordt voorgesteld een bestuurlijke lus toe te passen, worden alle middelen onderzocht.
Dat verslag wordt, gedagtekend en ondertekend, overgezonden aan de griffie die een exemplaar ervan aan de kamer overzendt en het ter kennis brengt van de verwerende partij en, in voorkomend geval, de tussenkomende partij, die beschikken over vijftien dagen om een laatste memorie in te dienen. Deze wordt ter kennis van de verzoekende partij gebracht die op haar beurt over vijftien dagen beschikt om een laatste memorie in te dienen.
Na het verstrijken van deze termijn stelt de kamervoorzitter de rechtsdag vast waarop de zaak voorkomt.
§ 2. Het arrest waarin wordt voorgesteld een bestuurlijke lus toe te passen, doet uitspraak over alle middelen en bepaalt dat de zaak wordt vastegesteld op een terechtzitting waarop over die bestuurlijke lus wordt gedebatteerd. Bij de kennisgeving van dit arrest maakt de hoofdgriffier melding van artikel 38, § 3, van de gecoördineerde wetten.
§ 3. Indien het aangewezen lid van het auditoraat in zijn verslag niet alle middelen heeft onderzocht, kan de kamer vragen dat een aanvullend verslag wordt neergelegd alvorens voor te stellen de bestuurlijke lus op te starten.
In voorkomend geval, wordt gehandeld overeenkomstig § 1, tweede en derde lid.
§ 4. De kamervoorzitter beslist over de verlenging van de termijn voor het herstel bedoeld in artikel 38, § 1, van de gecoördineerde wetten.
§ 5. De hoofdgriffier brengt de inlichtingen bedoeld in artikel 38, § 4, van de gecoördineerde wetten ter kennis van de verzoekende partij en, in voorkomend geval van de tussenkomende partij, die over vijftien dagen beschikken om hun opmerkingen erover mee te delen.
Na ontvangst van deze inlichtingen en opmerkingen, stelt het aangewezen lid van het auditoraat een verslag op betreffende de toepassing van de bestuurlijke lus. Nadat dat verslag is ingediend, bepaalt de kamervoorzitter de rechtsdag.
§ 6. Indien de hoofdgriffier niet binnen de gestelde termijn in kennis is gesteld van een beslissing tot herstel, brengt hij op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat de verwerende partij en de tussenkomende partij ter kennis dat de kamer uitspraak doet over de nietigverklaring van de akte of van het reglement, tenzij een van deze partijen binnen een termijn van vijftien dagen verzoekt te worden gehoord.
Indien geen enkele partij verzoekt te worden gehoord, verklaart de kamer de akte of het reglement nietig.
Indien een partij verzoekt te worden gehoord, roept de voorzitter of de aangewezen staatsraad de partijen op om spoedig te verschijnen. Nadat de kamer de partijen alsook het advies van het aangewezen lid van het auditoraat heeft gehoord, doet ze zonder verwijl uitspraak over het beroep tot nietigverklaring. ".
Art. 8. Dans le titre VI du même arrêté, il est inséré un chapitre VII et un article 65/1, rédigés comme suit :
" Chapitre VII. De la boucle administrative
Article 65/1. § 1er. Le rapport de l'auditeur qui propose de lancer une boucle administrative examine tous les moyens.
Ce rapport, daté et signé, est transmis au greffe qui en communique un exemplaire à la chambre et le notifie à la partie adverse et, le cas échéant, à la partie intervenante, qui disposent de quinze jours pour déposer un dernier mémoire. Celui-ci est notifié à la partie requérante qui dispose à son tour de quinze jours pour déposer un dernier mémoire.
A l'expiration de ces délais, le président de la chambre fixe la date à laquelle l'affaire sera appelée.
§ 2. L'arrêt qui propose de lancer une boucle administrative statue sur tous les moyens et contient fixation de l'affaire à une audience où il en sera débattu. Lors de la notification de cet arrêt, le greffier en chef fait mention de l'article 38, § 3, des lois coordonnées.
§ 3. Si le membre désigné de l'auditorat n'a pas examiné tous les moyens dans son rapport, la chambre peut demander qu'un rapport complémentaire soit déposé avant de proposer de lancer la boucle administrative.
Le cas échéant, il est procédé conformément au § 1er, alinéas 2 et 3.
§ 4. La prolongation du délai de correction visée à l'article 38, § 1er, des lois coordonnées est décidée par ordonnance du président de la chambre.
§ 5. Le greffier en chef notifie les informations recueillies en application de l'article 38, § 4, des lois coordonnées à la partie requérante et, le cas échéant, à la partie intervenante, qui disposent de quinze jours pour faire valoir leurs observations.
Après réception de ces informations et observations, le membre désigné de l'auditorat rédige un rapport sur l'application de la boucle. Ce rapport déposé, le président de la chambre fixe l'affaire.
§ 6. A défaut d'avoir reçu notification d'une décision correctrice dans le délai imparti, le greffier en chef, à la demande du membre de l'auditorat désigné, notifie à la partie adverse et à la partie intervenante que la chambre va statuer sur l'annulation de l'acte ou du règlement, à moins que dans un délai de quinze jours, l'une d'elles ne demande à être entendue.
Si aucune partie ne demande à être entendue, la chambre annule l'acte ou le règlement.
Si un partie demande à être entendue, le président ou le conseiller désigné convoque les parties à comparaître à bref délai. Entendu les parties et le membre de l'auditorat désigné en son avis, la chambre statue sans délai sur le recours en annulation. ".
" Chapitre VII. De la boucle administrative
Article 65/1. § 1er. Le rapport de l'auditeur qui propose de lancer une boucle administrative examine tous les moyens.
Ce rapport, daté et signé, est transmis au greffe qui en communique un exemplaire à la chambre et le notifie à la partie adverse et, le cas échéant, à la partie intervenante, qui disposent de quinze jours pour déposer un dernier mémoire. Celui-ci est notifié à la partie requérante qui dispose à son tour de quinze jours pour déposer un dernier mémoire.
A l'expiration de ces délais, le président de la chambre fixe la date à laquelle l'affaire sera appelée.
§ 2. L'arrêt qui propose de lancer une boucle administrative statue sur tous les moyens et contient fixation de l'affaire à une audience où il en sera débattu. Lors de la notification de cet arrêt, le greffier en chef fait mention de l'article 38, § 3, des lois coordonnées.
§ 3. Si le membre désigné de l'auditorat n'a pas examiné tous les moyens dans son rapport, la chambre peut demander qu'un rapport complémentaire soit déposé avant de proposer de lancer la boucle administrative.
Le cas échéant, il est procédé conformément au § 1er, alinéas 2 et 3.
§ 4. La prolongation du délai de correction visée à l'article 38, § 1er, des lois coordonnées est décidée par ordonnance du président de la chambre.
§ 5. Le greffier en chef notifie les informations recueillies en application de l'article 38, § 4, des lois coordonnées à la partie requérante et, le cas échéant, à la partie intervenante, qui disposent de quinze jours pour faire valoir leurs observations.
Après réception de ces informations et observations, le membre désigné de l'auditorat rédige un rapport sur l'application de la boucle. Ce rapport déposé, le président de la chambre fixe l'affaire.
§ 6. A défaut d'avoir reçu notification d'une décision correctrice dans le délai imparti, le greffier en chef, à la demande du membre de l'auditorat désigné, notifie à la partie adverse et à la partie intervenante que la chambre va statuer sur l'annulation de l'acte ou du règlement, à moins que dans un délai de quinze jours, l'une d'elles ne demande à être entendue.
Si aucune partie ne demande à être entendue, la chambre annule l'acte ou le règlement.
Si un partie demande à être entendue, le président ou le conseiller désigné convoque les parties à comparaître à bref délai. Entendu les parties et le membre de l'auditorat désigné en son avis, la chambre statue sans délai sur le recours en annulation. ".
Art. 9. Artikel 86, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt aangevuld als volgt :
" Het kan verstuurd worden per drager tegen ontvangstmelding. ".
" Het kan verstuurd worden per drager tegen ontvangstmelding. ".
Art. 9. L'article 86, alinéa 2, du même arrêté est complété par ce qui suit :
" Il peut être envoyé par porteur contre accusé de réception. ".
" Il peut être envoyé par porteur contre accusé de réception. ".
Art. 10. Artikel 93 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 25 april 2007, wordt vervangen als volgt :
" Indien blijkt dat het beroep tot nietigverklaring doelloos is of dat het slechts korte debatten vereist, brengt het lid van het auditoraat daarvan onverwijld verslag uit aan de voorzitter van de kamer belast met de zaak. Zijn verslag wordt ter kennis van de partijen gebracht.
Wanneer het aangewezen lid van het auditoraat, in zijn verslag, adviseert tot de nietigverklaring, kan de verwerende partij of een tussenkomende partij bij gemotiveerd verzoekschrift, binnen de vijftien dagen na de kennisgeving van dit verslag, vragen om artikel 14ter van de gecoördineerde wetten toe te passen. Deze aanvraag wordt ter kennis van de andere partijen gebracht, die hun schriftelijke opmerkingen kunnen doen gelden binnen een termijn van vijftien dagen. Het aangewezen lid van het auditoraat stelt binnen de vijftien dagen een aanvullend verslag met betrekking tot dit onderwerp op. Dit verslag wordt bij de oproeping gevoegd.
Binnen de vijftien dagen na de kennisgeving van het in lid 1 bedoelde verslag, kan de verzoekende partij of een tussenkomende partij bij gemotiveerd verzoekschrift vragen om artikel 35/1, artikel 36, § 1, eerste lid, eerste zin, of artikel 36, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten, toe te passen. Deze aanvraag wordt bij de oproeping gevoegd.
Indien de kamervoorzitter het eens is met de conclusies van het verslag, wordt de zaak definitief beslecht.
Indien hij van oordeel is dat de zaak niet gereed is om definitief te worden beslecht, verwijst hij deze naar de gewone rechtspleging. ".
" Indien blijkt dat het beroep tot nietigverklaring doelloos is of dat het slechts korte debatten vereist, brengt het lid van het auditoraat daarvan onverwijld verslag uit aan de voorzitter van de kamer belast met de zaak. Zijn verslag wordt ter kennis van de partijen gebracht.
Wanneer het aangewezen lid van het auditoraat, in zijn verslag, adviseert tot de nietigverklaring, kan de verwerende partij of een tussenkomende partij bij gemotiveerd verzoekschrift, binnen de vijftien dagen na de kennisgeving van dit verslag, vragen om artikel 14ter van de gecoördineerde wetten toe te passen. Deze aanvraag wordt ter kennis van de andere partijen gebracht, die hun schriftelijke opmerkingen kunnen doen gelden binnen een termijn van vijftien dagen. Het aangewezen lid van het auditoraat stelt binnen de vijftien dagen een aanvullend verslag met betrekking tot dit onderwerp op. Dit verslag wordt bij de oproeping gevoegd.
Binnen de vijftien dagen na de kennisgeving van het in lid 1 bedoelde verslag, kan de verzoekende partij of een tussenkomende partij bij gemotiveerd verzoekschrift vragen om artikel 35/1, artikel 36, § 1, eerste lid, eerste zin, of artikel 36, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten, toe te passen. Deze aanvraag wordt bij de oproeping gevoegd.
Indien de kamervoorzitter het eens is met de conclusies van het verslag, wordt de zaak definitief beslecht.
Indien hij van oordeel is dat de zaak niet gereed is om definitief te worden beslecht, verwijst hij deze naar de gewone rechtspleging. ".
Art. 10. L'article 93 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 25 avril 2007, est remplacé par ce qui suit :
" Lorsqu'il apparaît que le recours en annulation est sans objet ou qu'il n'appelle que des débats succincts, le membre de l'auditorat désigné fait immédiatement rapport au président de la chambre saisie de l'affaire. Son rapport est notifié aux parties sans délai.
Lorsque, dans son rapport, l'auditeur désigné conclut à l'annulation, la partie adverse ou une partie intervenante peut, par une requête motivée, dans les quinze jours de la notification de ce rapport, demander l'application de l'article 14ter des lois coordonnées. Cette demande est notifiée aux autres parties. Celles-ci peuvent faire valoir leurs observations écrites dans un délai de quinze jours. Le membre de l'auditorat désigné rédige dans les quinze jours un rapport complémentaire limité à cet objet. Ce rapport est joint à la convocation.
Dans les quinze jours de la notification du rapport visé à l'alinéa 1er, la partie requérante ou une partie intervenante peut, par une requête motivée, demander l'application de l'article 35/1, de l'article 36, § 1er, alinéa 1er, première phrase, ou de l'article 36, § 1, alinéa 3, des lois coordonnées. Cette demande est jointe à la convocation.
Si le président de la chambre partage les conclusions du rapport, l'affaire est définitivement tranchée.
S'il estime que l'affaire n'est pas en état d'être tranchée définitivement, il renvoie celle-ci à la procédure ordinaire. ".
" Lorsqu'il apparaît que le recours en annulation est sans objet ou qu'il n'appelle que des débats succincts, le membre de l'auditorat désigné fait immédiatement rapport au président de la chambre saisie de l'affaire. Son rapport est notifié aux parties sans délai.
Lorsque, dans son rapport, l'auditeur désigné conclut à l'annulation, la partie adverse ou une partie intervenante peut, par une requête motivée, dans les quinze jours de la notification de ce rapport, demander l'application de l'article 14ter des lois coordonnées. Cette demande est notifiée aux autres parties. Celles-ci peuvent faire valoir leurs observations écrites dans un délai de quinze jours. Le membre de l'auditorat désigné rédige dans les quinze jours un rapport complémentaire limité à cet objet. Ce rapport est joint à la convocation.
Dans les quinze jours de la notification du rapport visé à l'alinéa 1er, la partie requérante ou une partie intervenante peut, par une requête motivée, demander l'application de l'article 35/1, de l'article 36, § 1er, alinéa 1er, première phrase, ou de l'article 36, § 1, alinéa 3, des lois coordonnées. Cette demande est jointe à la convocation.
Si le président de la chambre partage les conclusions du rapport, l'affaire est définitivement tranchée.
S'il estime que l'affaire n'est pas en état d'être tranchée définitivement, il renvoie celle-ci à la procédure ordinaire. ".
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen aan het koninklijk besluit van 2 april 1991 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State inzake de dwangsom.
CHAPITRE II. - Modifications de l'arrêté royal du 2 avril 1991 déterminant la procédure devant la section du contentieux administratif du Conseil d'Etat en matière d'astreinte
Art. 11. In het opschrift van het koninklijk besluit van 2 april 1991 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State inzake de dwangsom, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 april 2007, worden de woorden " het bevel en " ingevoegd tussen de woorden " inzake " en " de dwangsom ".
Art. 11. Dans l'intitulé de l'arrêté royal du 2 avril 1991 déterminant la procédure devant la section du contentieux administratif du Conseil d'Etat en matière d'astreinte, modifié par l'arrêté royal du 25 avril 2007, les mots " d'injonction et " sont insérés entre les mots " matière " et " d'astreinte ".
Art. 12. In artikel 1, 3°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 april 2007, wordt het woord " administratieve " opgeheven.
Art. 12. Dans l'article 1er, 3°, du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 25 avril 2007, le mot " administrative " est abrogé.
Art. 13. Het opschrift van hoofdstuk II wordt vervangen als volgt :
" De procedure ".
" De procedure ".
Art. 13. L'intitulé du chapitre II est remplacé par ce qui suit :
" De la procédure ".
" De la procédure ".
Art. 14. In hetzelfde besluit wordt artikel 2 vervangen als volgt :
" Art. 2. Wanneer de vordering tot bevel niet geformuleerd werd uiterlijk in de laatste memorie van een beroep tot nietigverklaring, wordt ze ingediend na de uitspraak van het arrest tot nietigverklaring door middel van een verzoekschrift ondertekend door de verzoeker of door een advocaat die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 19, vierde lid, van de gecoördineerde wetten.
Het verzoekschrift wordt gedagtekend en bevat :
1° de naam, hoedanigheid, woonplaats of zetel van de verzoeker of, als die geen woonplaats of zetel in België heeft, de gekozen woonplaats in België;
2° de vermelding van het vernietigingsarrest;
3° het onderwerp van het verzoekschrift, alsook een uiteenzetting die aantoont dat een beslissings- of onthoudingsverplichting voortvloeit uit het vernietigingsarrest;
4° in voorkomend geval, het bewijs dat de verzoeker de overheid, bij aangetekende brief, in gebreke gesteld heeft om een nieuwe beslissing te nemen;
5° in voorkomend geval, het bedrag en de modaliteiten van de gevraagde dwangsom. ".
" Art. 2. Wanneer de vordering tot bevel niet geformuleerd werd uiterlijk in de laatste memorie van een beroep tot nietigverklaring, wordt ze ingediend na de uitspraak van het arrest tot nietigverklaring door middel van een verzoekschrift ondertekend door de verzoeker of door een advocaat die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 19, vierde lid, van de gecoördineerde wetten.
Het verzoekschrift wordt gedagtekend en bevat :
1° de naam, hoedanigheid, woonplaats of zetel van de verzoeker of, als die geen woonplaats of zetel in België heeft, de gekozen woonplaats in België;
2° de vermelding van het vernietigingsarrest;
3° het onderwerp van het verzoekschrift, alsook een uiteenzetting die aantoont dat een beslissings- of onthoudingsverplichting voortvloeit uit het vernietigingsarrest;
4° in voorkomend geval, het bewijs dat de verzoeker de overheid, bij aangetekende brief, in gebreke gesteld heeft om een nieuwe beslissing te nemen;
5° in voorkomend geval, het bedrag en de modaliteiten van de gevraagde dwangsom. ".
Art. 14. Dans le même arrêté, l'article 2 modifié par l'arrêté royal du 25 avril 2007 est remplacé par ce qui suit :
" Art. 2. Lorsque la demande d'injonction n'a pas été formulée au plus tard dans le dernier mémoire d'un recours en annulation, elle est introduite après le prononcé de l'arrêt d'annulation par une requête signée par le requérant ou par un avocat satisfaisant aux conditions fixées par l'article 19, alinéa 4, des lois coordonnées.
La requête est datée et contient :
1° les nom, qualité, domicile ou siège du requérant ou, s'il n'a en Belgique ni domicile ni siège, élection de domicile en Belgique;
2° la référence de l'arrêt d'annulation;
3° l'objet de la requête ainsi qu'un exposé de nature à établir l'obligation de décision ou d'abstention qui découle de l'arrêt d'annulation;
4° le cas échéant, la preuve que le requérant a mis l'autorité en demeure, par une lettre recommandée, de prendre une nouvelle décision;
5° le cas échéant, le montant et les modalités de l'astreinte sollicitée. "
" Art. 2. Lorsque la demande d'injonction n'a pas été formulée au plus tard dans le dernier mémoire d'un recours en annulation, elle est introduite après le prononcé de l'arrêt d'annulation par une requête signée par le requérant ou par un avocat satisfaisant aux conditions fixées par l'article 19, alinéa 4, des lois coordonnées.
La requête est datée et contient :
1° les nom, qualité, domicile ou siège du requérant ou, s'il n'a en Belgique ni domicile ni siège, élection de domicile en Belgique;
2° la référence de l'arrêt d'annulation;
3° l'objet de la requête ainsi qu'un exposé de nature à établir l'obligation de décision ou d'abstention qui découle de l'arrêt d'annulation;
4° le cas échéant, la preuve que le requérant a mis l'autorité en demeure, par une lettre recommandée, de prendre une nouvelle décision;
5° le cas échéant, le montant et les modalités de l'astreinte sollicitée. "
Art. 15. Artikel 3 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Art. 3. Het verzoekschrift tot dwangsom wordt ondertekend door de verzoeker of door een advocaat die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 19, vierde lid, van de gecoördineerde wetten.
Het verzoekschrift wordt gedagtekend en bevat :
1° de naam, hoedanigheid, woonplaats of zetel van de verzoeker of, als die geen woonplaats of zetel in België heeft, de gekozen woonplaats in België;
2° de vermelding van het vernietigingsarrest of van het arrest tot bevel;
3° het onderwerp van het verzoekschrift, alsook een uiteenzetting die aantoont dat een beslissings- of onthoudingsverplichting voortvloeit uit het vernietigingsarrest;
4° in voorkomend geval, een kopie van de beslissing waarbij de verwerende partij de uit het vernietigingsarrest of het arrest tot bevel volgende onthoudingsverplichting geschonden heeft. ".
" Art. 3. Het verzoekschrift tot dwangsom wordt ondertekend door de verzoeker of door een advocaat die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 19, vierde lid, van de gecoördineerde wetten.
Het verzoekschrift wordt gedagtekend en bevat :
1° de naam, hoedanigheid, woonplaats of zetel van de verzoeker of, als die geen woonplaats of zetel in België heeft, de gekozen woonplaats in België;
2° de vermelding van het vernietigingsarrest of van het arrest tot bevel;
3° het onderwerp van het verzoekschrift, alsook een uiteenzetting die aantoont dat een beslissings- of onthoudingsverplichting voortvloeit uit het vernietigingsarrest;
4° in voorkomend geval, een kopie van de beslissing waarbij de verwerende partij de uit het vernietigingsarrest of het arrest tot bevel volgende onthoudingsverplichting geschonden heeft. ".
Art. 15. L'article 3 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 3. La requête en astreinte est signée par le requérant ou par un avocat satisfaisant aux conditions fixées par l'article 19, alinéa 4, des lois coordonnées.
La requête est datée et contient :
1° les nom, qualité, domicile ou siège du requérant ou, s'il n'a en Belgique ni domicile ni siège, élection de domicile en Belgique;
2° la référence de l'arrêt portant annulation ou injonction;
3° l'objet de la requête ainsi qu'un exposé de nature à établir l'obligation de décision ou d'abstention qui découle de l'arrêt d'annulation;
4° le cas échéant, une copie de la décision par laquelle la partie adverse a violé l'obligation d'abstention découlant de l'arrêt d'annulation ou d'injonction. ".
" Art. 3. La requête en astreinte est signée par le requérant ou par un avocat satisfaisant aux conditions fixées par l'article 19, alinéa 4, des lois coordonnées.
La requête est datée et contient :
1° les nom, qualité, domicile ou siège du requérant ou, s'il n'a en Belgique ni domicile ni siège, élection de domicile en Belgique;
2° la référence de l'arrêt portant annulation ou injonction;
3° l'objet de la requête ainsi qu'un exposé de nature à établir l'obligation de décision ou d'abstention qui découle de l'arrêt d'annulation;
4° le cas échéant, une copie de la décision par laquelle la partie adverse a violé l'obligation d'abstention découlant de l'arrêt d'annulation ou d'injonction. ".
Art. 16. In artikel 7 van hetzelfde besluit wordt het woord " tien " vervangen door het woord " twintig ".
Art. 16. Dans l'article 7 du même arrêté, le mot " dix " est remplacé par le mot " vingt ".
Art. 17. In artikel 11, derde en vierde lid, van hetzelfde besluit worden de woorden " tot het opleggen van een dwangsom " opgeheven.
Art. 17. Dans l'article 11, alinéas 3 et 4, du même arrêté, les mots " d'imposition d'une astreinte " sont abrogés.
Art. 18. In artikel 17, derde lid, van hetzelfde besluit worden de woorden " artikelen 2 en 3 " vervangen door de woorden " artikelen 2 of 3 ".
Art. 18. Dans l'article 17, alinéa 3, du même arrêté, les mots " articles 2 et 3 " sont remplacés par les mots " articles 2 ou 3 ".
Art. 19. In artikel 18 van hetzelfde besluit worden de woorden " tot 92 " vervangen door de woorden " en 91 ".
Art. 19. Dans l'article 18 du même arrêté, les mots " à 92 " sont remplacés par les mots " et 91 ".
Art. 20. In hetzelfde besluit wordt een artikel 18/1 ingevoegd luidende :
" Art. 18/1. De dwangsom mag niet meer bedragen dan 25.000 euro per overtreding of per dag en een globaal bedrag van 1.000.000 euro in geval van een eenmalige overtreding. ".
" Art. 18/1. De dwangsom mag niet meer bedragen dan 25.000 euro per overtreding of per dag en een globaal bedrag van 1.000.000 euro in geval van een eenmalige overtreding. ".
Art. 20. Dans le même arrêté, il est inséré un article 18/1 rédigé comme suit :
" Art. 18/1. L'astreinte ne peut dépasser un montant de 25.000 euros par infraction ou par jour d'infraction et un montant global de 1.000.000 d'euros en cas d'infraction unique. "
" Art. 18/1. L'astreinte ne peut dépasser un montant de 25.000 euros par infraction ou par jour d'infraction et un montant global de 1.000.000 d'euros en cas d'infraction unique. "
Art. 21. Artikel 19 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" In geval van toepassing van artikel 21, vijfde lid, van de gecoördineerde wetten, kan de kamer hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de aangewezen auditeur of een partij, na de partijen en het advies van de auditeur te hebben gehoord, een dwangsom opleggen aan de overheid die niet het vereiste administratief dossier indient. ".
" In geval van toepassing van artikel 21, vijfde lid, van de gecoördineerde wetten, kan de kamer hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de aangewezen auditeur of een partij, na de partijen en het advies van de auditeur te hebben gehoord, een dwangsom opleggen aan de overheid die niet het vereiste administratief dossier indient. ".
Art. 21. L'article 19 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" En cas d'application de l'article 21, alinéa 5, des lois coordonnées, la chambre peut, soit d'office, soit à la demande de l'auditeur désigné ou d'une partie, après avoir entendu les parties et l'auditeur en son avis, imposer une astreinte à l'autorité qui n'introduit pas le dossier administratif requis. ".
" En cas d'application de l'article 21, alinéa 5, des lois coordonnées, la chambre peut, soit d'office, soit à la demande de l'auditeur désigné ou d'une partie, après avoir entendu les parties et l'auditeur en son avis, imposer une astreinte à l'autorité qui n'introduit pas le dossier administratif requis. ".
Art. 22. Het opschrift van hoofdstuk IV wordt vervangen als volgt :
" Het wijzigen van de dwangsom en van de bijkomende dwangsom ".
" Het wijzigen van de dwangsom en van de bijkomende dwangsom ".
Art. 22. L'intitulé du chapitre IV est remplacé par ce qui suit :
" De la modification de l'astreinte et de l'astreinte supplémentaire ".
" De la modification de l'astreinte et de l'astreinte supplémentaire ".
Art. 23. Artikel 20 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Art. 20. Het verzoekschrift strekkende tot de wijziging van een dwangsom of tot een bijkomende dwangsom wordt ondertekend en gedagtekend en bevat :
1° de vermelding van het arrest waarbij een dwangsom is opgelegd;
2° het onderwerp van het verzoekschrift, alsook een uiteenzetting tot staving van het verzoek tot wijziging van de dwangsom of tot een bijkomende dwangsom. ".
" Art. 20. Het verzoekschrift strekkende tot de wijziging van een dwangsom of tot een bijkomende dwangsom wordt ondertekend en gedagtekend en bevat :
1° de vermelding van het arrest waarbij een dwangsom is opgelegd;
2° het onderwerp van het verzoekschrift, alsook een uiteenzetting tot staving van het verzoek tot wijziging van de dwangsom of tot een bijkomende dwangsom. ".
Art. 23. L'article 20 du même arrêté est remplacé par l'article suivant :
" Art. 20. La requête en vue d'obtenir la modification d'une astreinte ou une astreinte supplémentaire est signée et datée et contient :
1° la référence de l'arrêt imposant une astreinte;
2° l'objet de la requête ainsi qu'un exposé à l'appui de la demande de modification de l'astreinte ou d'une astreinte supplémentaire. ".
" Art. 20. La requête en vue d'obtenir la modification d'une astreinte ou une astreinte supplémentaire est signée et datée et contient :
1° la référence de l'arrêt imposant une astreinte;
2° l'objet de la requête ainsi qu'un exposé à l'appui de la demande de modification de l'astreinte ou d'une astreinte supplémentaire. ".
Art. 24. Artikel 21 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" De hoofdgriffier stuurt onverwijld een kopie van het verzoekschrift naar de andere partijen en naar de auditeur-generaal. "
" De hoofdgriffier stuurt onverwijld een kopie van het verzoekschrift naar de andere partijen en naar de auditeur-generaal. "
Art. 24. L'article 21 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Le greffier en chef transmet sans délai une copie de la requête aux autres parties et à l'auditeur général ".
" Le greffier en chef transmet sans délai une copie de la requête aux autres parties et à l'auditeur général ".
Art. 25. In artikel 22 van hetzelfde besluit worden de woorden " De persoon bedoeld in artikel 21 beschikt " vervangen door de woorden " De andere partijen beschikken ".
Art. 25. Dans l'article 22 du même arrêté, les mots " La personne visée à l'article 21, dispose " sont remplacés par les mots " Les autres parties disposent ".
Art. 26. In artikel 24 van hetzelfde besluit wordt het woord " tien " vervangen door het woord " twintig ".
Art. 26. Dans l'article 24 du même arrêté, le mot " dix " est remplacé par le mot " vingt ".
Art. 27. Artikel 25 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met de volgende zin :
" De aan dit fonds toegekende middelen worden gebruikt voor de aankoop van materieel en voor de aankoop en de ontwikkeling van software voor de Raad van State. ".
" De aan dit fonds toegekende middelen worden gebruikt voor de aankoop van materieel en voor de aankoop en de ontwikkeling van software voor de Raad van State. ".
Art. 27. L'article 25 du même arrêté est complété par la phrase suivante :
" Les moyens attribués à ce fonds sont affectés à l'achat de matériel et à l'achat et la conception de logiciels informatiques pour le Conseil d'Etat. ".
" Les moyens attribués à ce fonds sont affectés à l'achat de matériel et à l'achat et la conception de logiciels informatiques pour le Conseil d'Etat. ".
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen aan het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State.
CHAPITRE III. - Modifications de l'arrêté royal du 5 décembre 1991 déterminant la procédure en référé devant le Conseil d'Etat
Art. 28. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, wordt het 6°, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 25 april 2007, opgeheven.
Art. 28. Dans l'article 1er de l'arrêté royal du 5 décembre 1991 déterminant la procédure en référé devant le Conseil d'Etat, le 6°, inséré par l'arrêté royal du 25 avril 2007, est abrogé.
Art. 29. Artikel 3 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende :
" § 3. In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kan de verzoeker een kopie van het verzoekschrift per fax naar de Raad van State sturen; hij verzendt het uiterlijk de eerstvolgende werkdag ook overeenkomstig artikel 84 tot 85 bis van de de algemene procedureregeling. ".
" § 3. In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kan de verzoeker een kopie van het verzoekschrift per fax naar de Raad van State sturen; hij verzendt het uiterlijk de eerstvolgende werkdag ook overeenkomstig artikel 84 tot 85 bis van de de algemene procedureregeling. ".
Art. 29. L'article 3 du même arrêté est complété par un paragraphe 3 rédigé comme suit :
" § 3. En cas d'extrême urgence, le requérant peut adresser une copie de la requête au Conseil d'Etat par télécopieur; il l'adresse aussi conformément aux articles 84 à 85bis du règlement général de procédure au plus tard le premier jour ouvrable qui suit. ".
" § 3. En cas d'extrême urgence, le requérant peut adresser une copie de la requête au Conseil d'Etat par télécopieur; il l'adresse aussi conformément aux articles 84 à 85bis du règlement général de procédure au plus tard le premier jour ouvrable qui suit. ".
Art. 30. Artikel 7 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 april 2007, wordt aangevuld met de woorden " of tot het bevelen van voorlopige maatregelen ".
Art. 30. L'article 7 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 25 avril 2007, est complété par les mots " ou de mesures provisoires ".
Art. 31. Het opschrift van titel II van hetzelfde besluit wordt vervangen door het opschrift " Rechtspleging ".
Art. 31. L'intitulé du titre II du même arrêté est remplacé par l'intitulé suivant : " De la procédure ".
Art. 32. Artikel 8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 april 2007, wordt vervangen als volgt :
" Art. 8. De vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen bevat naast de vermeldingen die worden opgesomd in artikel 2, § 1, 2° en 4°, en § 2, van de algemene procedureregeling :
1° het opschrift " vordering tot schorsing " of " vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen ", of deze beide vermeldingen, naast, in voorkomend geval, het opschrift " beroep tot nietigverklaring ";
2° de vermelding van de akte of van het reglement waartegen de vordering tot schorsing is gericht;
3° in voorkomend geval de verwijzing naar het beroep tot nietigverklaring waarvan de vordering het accessorium vormt;
u4° een uiteenzetting van de feiten die volgens de verzoeker de spoedeisendheid van het bevelen van de gevraagde schorsing of voorlopige maatregelen rechtvaardigen;
5° in voorkomend geval, de beschrijving van de gevorderde voorlopige maatregelen alsook een uiteenzetting van de feiten waarin wordt aangetoond dat de voorlopige maatregelen noodzakelijk zijn om de belangen van de partij die ze vordert, te vrijwaren;
6° in voorkomend geval, het bedrag van en de nadere regels betreffende de met toepassing van artikel 17, § 8, van de gecoördineerde wetten gevorderde dwangsom.
De artikelen 3 en 3bis van de algemene procedureregeling zijn van toepassing. ".
" Art. 8. De vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen bevat naast de vermeldingen die worden opgesomd in artikel 2, § 1, 2° en 4°, en § 2, van de algemene procedureregeling :
1° het opschrift " vordering tot schorsing " of " vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen ", of deze beide vermeldingen, naast, in voorkomend geval, het opschrift " beroep tot nietigverklaring ";
2° de vermelding van de akte of van het reglement waartegen de vordering tot schorsing is gericht;
3° in voorkomend geval de verwijzing naar het beroep tot nietigverklaring waarvan de vordering het accessorium vormt;
u4° een uiteenzetting van de feiten die volgens de verzoeker de spoedeisendheid van het bevelen van de gevraagde schorsing of voorlopige maatregelen rechtvaardigen;
5° in voorkomend geval, de beschrijving van de gevorderde voorlopige maatregelen alsook een uiteenzetting van de feiten waarin wordt aangetoond dat de voorlopige maatregelen noodzakelijk zijn om de belangen van de partij die ze vordert, te vrijwaren;
6° in voorkomend geval, het bedrag van en de nadere regels betreffende de met toepassing van artikel 17, § 8, van de gecoördineerde wetten gevorderde dwangsom.
De artikelen 3 en 3bis van de algemene procedureregeling zijn van toepassing. ".
Art. 32. L'article 8 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 25 avril 2007, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 8. La demande de suspension ou de mesures provisoires contient, en plus des mentions qu'énumère l'article 2, § 1er, 2° et 4°, et 2, du règlement général de procédure :
1° l'intitulé " demande de suspension " ou " demande de mesures provisoires ", ou ces deux mentions, en plus, le cas échéant, de celle de " requête en annulation ";
2° l'indication de l'acte ou du règlement qui fait l'objet de la demande de suspension;
3° le cas échéant, la référence du recours en annulation dont la demande est l'accessoire;
4° un exposé des faits qui, selon le requérant, justifient l'urgence de la suspension ou des mesures provisoires demandées;
5° le cas échéant, la description des mesures provisoires sollicitées et un exposé des faits qui établit que les mesures provisoires sont nécessaires afin de préserver les intérêts de celui qui les demande;
6° le cas échéant, le montant et les modalités de l'astreinte demandée en application de l'article 17, § 8, des lois coordonnées.
Les articles 3 et 3bis du règlement général de procédure sont applicables. ".
" Art. 8. La demande de suspension ou de mesures provisoires contient, en plus des mentions qu'énumère l'article 2, § 1er, 2° et 4°, et 2, du règlement général de procédure :
1° l'intitulé " demande de suspension " ou " demande de mesures provisoires ", ou ces deux mentions, en plus, le cas échéant, de celle de " requête en annulation ";
2° l'indication de l'acte ou du règlement qui fait l'objet de la demande de suspension;
3° le cas échéant, la référence du recours en annulation dont la demande est l'accessoire;
4° un exposé des faits qui, selon le requérant, justifient l'urgence de la suspension ou des mesures provisoires demandées;
5° le cas échéant, la description des mesures provisoires sollicitées et un exposé des faits qui établit que les mesures provisoires sont nécessaires afin de préserver les intérêts de celui qui les demande;
6° le cas échéant, le montant et les modalités de l'astreinte demandée en application de l'article 17, § 8, des lois coordonnées.
Les articles 3 et 3bis du règlement général de procédure sont applicables. ".
Art. 33. In artikel 9 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 april 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden " het enig verzoekschrift " vervangen door de woorden " de vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen ";
2° in het tweede lid worden de woorden " het enig verzoekschrift " vervangen door de woorden " deze vordering ".
1° in het eerste lid worden de woorden " het enig verzoekschrift " vervangen door de woorden " de vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen ";
2° in het tweede lid worden de woorden " het enig verzoekschrift " vervangen door de woorden " deze vordering ".
Art. 33. A l'article 9 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 25 avril 2007, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, les mots " requête unique " sont remplacés par les mots " demande de suspension ou de mesures provisoires ";
2° dans l'alinéa 2, les mots " la requête unique " sont remplacés par les mots " cette demande ".
1° dans l'alinéa 1er, les mots " requête unique " sont remplacés par les mots " demande de suspension ou de mesures provisoires ";
2° dans l'alinéa 2, les mots " la requête unique " sont remplacés par les mots " cette demande ".
Art. 34. In artikel 10, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 april 2007, worden de woorden " derde lid " vervangen door de woorden " vierde lid ".
Art. 34. Dans l'article 10, § 1er, du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 25 avril 2007, les mots " alinéa 3 " sont remplacés par les mots " alinéa 4 ".
Art. 35. In artikel 11 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 april 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
" Tenzij de afdeling bestuursrechtspraak in het kader van het beroep tot nietigverklaring reeds in het bezit werd gesteld van het administratief dossier, zendt de verwerende partij binnen vijftien dagen na de kennisgeving van het verzoekschrift het volledige administratief dossier, waarbij ze een nota met opmerkingen kan voegen, aan de hoofdgriffier over. Indien de tussenkomst reeds ontvangen werd, beschikt de tussenkomende partij over dezelfde termijn om een nota met opmerkingen in te dienen. ";
2° een lid wordt tussen het eerste en het tweede lid ingevoegd, luidende :
" Indien de memorie van antwoord reeds is ingediend, kan de nota met opmerkingen enkel op de spoedeisendheid of op de noodzaak van de schorsing of van de gevorderde voorlopige maatregelen betrekking hebben, alsook, in voorkomend geval, op de afweging van de belangen bedoeld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten. ".
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
" Tenzij de afdeling bestuursrechtspraak in het kader van het beroep tot nietigverklaring reeds in het bezit werd gesteld van het administratief dossier, zendt de verwerende partij binnen vijftien dagen na de kennisgeving van het verzoekschrift het volledige administratief dossier, waarbij ze een nota met opmerkingen kan voegen, aan de hoofdgriffier over. Indien de tussenkomst reeds ontvangen werd, beschikt de tussenkomende partij over dezelfde termijn om een nota met opmerkingen in te dienen. ";
2° een lid wordt tussen het eerste en het tweede lid ingevoegd, luidende :
" Indien de memorie van antwoord reeds is ingediend, kan de nota met opmerkingen enkel op de spoedeisendheid of op de noodzaak van de schorsing of van de gevorderde voorlopige maatregelen betrekking hebben, alsook, in voorkomend geval, op de afweging van de belangen bedoeld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten. ".
Art. 35. A l'article 11 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 25 avril 2007, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" A moins que la section du contentieux administratif n'ait été mise en possession du dossier administratif dans le cadre du recours en annulation, la partie adverse transmet au greffier en chef, dans les quinze jours de la notification de la demande, le dossier administratif complet, auquel elle peut joindre une note d'observations. Si l'intervention a déjà été accueillie, la partie intervenante dispose du même délai pour déposer une note d'observations. "
2° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
" Si le mémoire en réponse ou en intervention a déjà été déposé, la note d'observations ne porte que sur l'urgence ou la nécessité de la suspension ou des mesures provisoires sollicitées, ainsi que, le cas échéant, sur la balance des intérêts visée à l'article 17, § 2, des lois coordonnées. ".
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" A moins que la section du contentieux administratif n'ait été mise en possession du dossier administratif dans le cadre du recours en annulation, la partie adverse transmet au greffier en chef, dans les quinze jours de la notification de la demande, le dossier administratif complet, auquel elle peut joindre une note d'observations. Si l'intervention a déjà été accueillie, la partie intervenante dispose du même délai pour déposer une note d'observations. "
2° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
" Si le mémoire en réponse ou en intervention a déjà été déposé, la note d'observations ne porte que sur l'urgence ou la nécessité de la suspension ou des mesures provisoires sollicitées, ainsi que, le cas échéant, sur la balance des intérêts visée à l'article 17, § 2, des lois coordonnées. ".
Art. 36. In artikel 12 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 april 2007, worden de woorden " of tot het bevelen van voorlopige maatregelen " ingevoegd na de woorden " tot schorsing ".
Art. 36. Dans l'article 12 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 25 avril 2007, les mots " ou de mesures provisoires " sont insérés après les mots " de suspension ".
Art. 37. Artikel 13 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 april 2007, wordt vervangen als volgt :
" § 1. Na kennisneming van het verslag stelt de kamervoorzitter de datum vast van de terechtzitting waarop de vordering door de kamer wordt onderzocht bij beschikking, onverminderd de toepassing van artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten en van artikel 14septies van de algemene procedureregeling.
De hoofdgriffier geeft onverwijld kennis van de beschikking waarbij de rechtsdag wordt bepaald aan :
1° de auditeur-generaal;
2° de eiser;
3° de verwerende partij;
4° de tussenkomende partij;
Het verslag wordt bij de oproeping gevoegd.
§ 2. In afwijking van § 1, wordt, wanneer de toepassing van de bestuurlijke lus in het verslag wordt voorgesteld, gehandeld overeenkomstig artikel 38, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten, en artikel 65/1, § 1, van de algemene procedureregeling.
Wanneer de verwerende partij de toepassing van de bestuurlijke lus aanvaardt en indien de kamer beslist dat deze kan worden toegepast, wordt gehandeld overeenkomstig artikel 38, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten en artikel 65/1, §§ 4, 5 en 6 van de algemene procedureregeling. De kamer kan, daarenboven en bij hetzelfde tussenarrest, de schorsing van de akte of van het reglement, of de voorlopige maatregelen, bevelen.
Wanneer de verwerende partij de toepassing van de bestuurlijke lus niet aanvaardt of indien de kamer beslist de bestuurlijke lus niet toe te passen, kan ze niettemin rechtstreeks beslissen over het beroep tot nietigverklaring.
§ 3. Wanneer de toepassing van de bestuurlijke lus in het verslag niet wordt voorgesteld, doch alle middelen erin zijn onderzocht, en indien de spoedeisendheid wordt aangetoond, kan gehandeld worden overeenkomstig artikel 38, §§ 3 en 4, van de gecoördineerde wetten, en artikel 65/1, §§ 2, 4, 5 en 6, van de algemene procedureregeling. ".
" § 1. Na kennisneming van het verslag stelt de kamervoorzitter de datum vast van de terechtzitting waarop de vordering door de kamer wordt onderzocht bij beschikking, onverminderd de toepassing van artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten en van artikel 14septies van de algemene procedureregeling.
De hoofdgriffier geeft onverwijld kennis van de beschikking waarbij de rechtsdag wordt bepaald aan :
1° de auditeur-generaal;
2° de eiser;
3° de verwerende partij;
4° de tussenkomende partij;
Het verslag wordt bij de oproeping gevoegd.
§ 2. In afwijking van § 1, wordt, wanneer de toepassing van de bestuurlijke lus in het verslag wordt voorgesteld, gehandeld overeenkomstig artikel 38, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten, en artikel 65/1, § 1, van de algemene procedureregeling.
Wanneer de verwerende partij de toepassing van de bestuurlijke lus aanvaardt en indien de kamer beslist dat deze kan worden toegepast, wordt gehandeld overeenkomstig artikel 38, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten en artikel 65/1, §§ 4, 5 en 6 van de algemene procedureregeling. De kamer kan, daarenboven en bij hetzelfde tussenarrest, de schorsing van de akte of van het reglement, of de voorlopige maatregelen, bevelen.
Wanneer de verwerende partij de toepassing van de bestuurlijke lus niet aanvaardt of indien de kamer beslist de bestuurlijke lus niet toe te passen, kan ze niettemin rechtstreeks beslissen over het beroep tot nietigverklaring.
§ 3. Wanneer de toepassing van de bestuurlijke lus in het verslag niet wordt voorgesteld, doch alle middelen erin zijn onderzocht, en indien de spoedeisendheid wordt aangetoond, kan gehandeld worden overeenkomstig artikel 38, §§ 3 en 4, van de gecoördineerde wetten, en artikel 65/1, §§ 2, 4, 5 en 6, van de algemene procedureregeling. ".
Art. 37. L'article 13 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 25 avril 2007, est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Sur le vu du rapport, le président de la chambre fixe par ordonnance la date de l'audience à laquelle la demande sera examinée par la chambre, sans préjudice de l'application de l'article 17, § 1er, alinéa 3, des lois coordonnées et de l'article 14septies du règlement général de procédure.
L'ordonnance de fixation est notifiée sans délai par le greffier en chef :
1° à l'auditeur général;
2° au demandeur;
3° à la partie adverse;
4° à la partie intervenante.
Le rapport est joint à la convocation.
§ 2. Par dérogation au § 1er, si le rapport propose de lancer la boucle administrative, il est procédé conformément à l'article 38, §§ 1er et 4, des lois coordonnées et à l'article 65/1, § 1er, du règlement général de procédure.
En cas d'accord de la partie adverse et si la chambre décide que la boucle peut être lancée, il est procédé conformément à l'article 38, §§ 1er et 4, des lois coordonnées et de l'article 65/1, §§ 4, 5 et 6, du règlement général de procédure. La chambre peut, en outre et par le même arrêt interlocutoire, suspendre l'exécution de l'acte ou du règlement, ou ordonner des mesures provisoires.
En cas de désaccord de la partie adverse ou si la chambre ne lance pas la boucle administrative, elle peut néanmoins statuer directement sur le recours en annulation.
§ 3. Si le rapport ne propose pas de lancer la boucle administrative mais examine tous les moyens, et si l'urgence est établie, il peut être procédé conformément à l'article 38, §§ 3 et 4, des lois coordonnées et à l'article 65/1, §§ 2, 4, 5 et 6, du règlement général de procédure. ".
" § 1er. Sur le vu du rapport, le président de la chambre fixe par ordonnance la date de l'audience à laquelle la demande sera examinée par la chambre, sans préjudice de l'application de l'article 17, § 1er, alinéa 3, des lois coordonnées et de l'article 14septies du règlement général de procédure.
L'ordonnance de fixation est notifiée sans délai par le greffier en chef :
1° à l'auditeur général;
2° au demandeur;
3° à la partie adverse;
4° à la partie intervenante.
Le rapport est joint à la convocation.
§ 2. Par dérogation au § 1er, si le rapport propose de lancer la boucle administrative, il est procédé conformément à l'article 38, §§ 1er et 4, des lois coordonnées et à l'article 65/1, § 1er, du règlement général de procédure.
En cas d'accord de la partie adverse et si la chambre décide que la boucle peut être lancée, il est procédé conformément à l'article 38, §§ 1er et 4, des lois coordonnées et de l'article 65/1, §§ 4, 5 et 6, du règlement général de procédure. La chambre peut, en outre et par le même arrêt interlocutoire, suspendre l'exécution de l'acte ou du règlement, ou ordonner des mesures provisoires.
En cas de désaccord de la partie adverse ou si la chambre ne lance pas la boucle administrative, elle peut néanmoins statuer directement sur le recours en annulation.
§ 3. Si le rapport ne propose pas de lancer la boucle administrative mais examine tous les moyens, et si l'urgence est établie, il peut être procédé conformément à l'article 38, §§ 3 et 4, des lois coordonnées et à l'article 65/1, §§ 2, 4, 5 et 6, du règlement général de procédure. ".
Art. 38. Artikel 15bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 juni 2000, wordt opgeheven.
Art. 38. L'article 15bis du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 26 juin 2000, est abrogé.
Art. 39. Artikel 15ter van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 juni 2000, wordt opgeheven.
Art. 39. L'article 15ter du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 26 juin 2000 est abrogé.
Art. 40. Artikel 15quater van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 juni 2000, wordt opgeheven.
Art. 40. L'article 15quater du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 25 avril 2007, est abrogé.
Art. 41. Artikel 16 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 april 2007, wordt vervangen als volgt :
" Art. 16. § 1. Als de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, wordt de vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen gedagtekend en ondertekend door de partij of een advocaat die voldoet aan de voorwaarden van artikel 19, vierde lid, van de gecoördineerde wetten, en bevat ze :
1° in het opschrift de vermelding dat de vordering is ingesteld " bij uiterst dringende noodzakelijkheid "
2° de naam, hoedanigheid, woonplaats of zetel van de verzoekende partij alsook de gekozen woonplaats bedoeld in artikel 84, § 2, eerste lid, van de algemene procedureregeling;
3° de naam en de woonplaats of de zetel van de verwerende partij;
4° de vermelding van de akte of van het reglement waartegen de vordering is gericht;
5° indien het beroep tot nietigverklaring nog niet is ingediend, een uiteenzetting van de feiten en middelen die de nietigverklaring van de akte of het reglement kunnen rechtvaardigen;
6° in voorkomend geval, indien de memorie van wederantwoord nog niet ingediend is, een uiteenzetting van de middelen van openbare orde of die gegrond zijn op elementen van het administratief dossier die ongekend waren bij de verzoekende partij op het ogenblik van de indiening van zijn beroep tot nietigverklaring;
7° een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen;
8° in voorkomend geval het bedrag van en de nadere regels betreffende de met toepassing van artikel 17, § 8, van de gecoördineerde wetten gevorderde dwangsom.
Wanneer het opschrift van het verzoekschrift niet vermeldt dat het gaat om een vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid, wordt dat verzoekschrift behandeld volgens de regels bepaald in de hoofdstukken I en II.
§ 2. Als de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, zijn noch de artikelen 12 en 13, noch artikel 3quater van de algemene procedureregeling van toepassing.
De voorzitter kan de partijen en de personen die bij de beslechting van de zaak belang hebben, bij beschikking bijeenroepen, eventueel te zijnen huize, op het door hem aangegeven uur, zelfs op feestdagen en van dag tot dag of van uur tot uur.
De beschikking wordt ter kennis van de auditeur-generaal of van het door hem aangewezen lid van het auditoraat gebracht.
In de kennisgeving wordt in voorkomend geval vermeld of het administratief dossier is ingediend.
Indien de verwerende partij nog geen administratief dossier heeft ingediend, legt ze dat dossier waaraan ze een nota kan toevoegen, ter zitting neer. De voorzitter kan de terechtzitting schorsen om de auditeur en de andere partijen de gelegenheid te geven kennis te nemen van het dossier.
De voorzitter kan de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het arrest bevelen. ".
" Art. 16. § 1. Als de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, wordt de vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen gedagtekend en ondertekend door de partij of een advocaat die voldoet aan de voorwaarden van artikel 19, vierde lid, van de gecoördineerde wetten, en bevat ze :
1° in het opschrift de vermelding dat de vordering is ingesteld " bij uiterst dringende noodzakelijkheid "
2° de naam, hoedanigheid, woonplaats of zetel van de verzoekende partij alsook de gekozen woonplaats bedoeld in artikel 84, § 2, eerste lid, van de algemene procedureregeling;
3° de naam en de woonplaats of de zetel van de verwerende partij;
4° de vermelding van de akte of van het reglement waartegen de vordering is gericht;
5° indien het beroep tot nietigverklaring nog niet is ingediend, een uiteenzetting van de feiten en middelen die de nietigverklaring van de akte of het reglement kunnen rechtvaardigen;
6° in voorkomend geval, indien de memorie van wederantwoord nog niet ingediend is, een uiteenzetting van de middelen van openbare orde of die gegrond zijn op elementen van het administratief dossier die ongekend waren bij de verzoekende partij op het ogenblik van de indiening van zijn beroep tot nietigverklaring;
7° een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen;
8° in voorkomend geval het bedrag van en de nadere regels betreffende de met toepassing van artikel 17, § 8, van de gecoördineerde wetten gevorderde dwangsom.
Wanneer het opschrift van het verzoekschrift niet vermeldt dat het gaat om een vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid, wordt dat verzoekschrift behandeld volgens de regels bepaald in de hoofdstukken I en II.
§ 2. Als de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, zijn noch de artikelen 12 en 13, noch artikel 3quater van de algemene procedureregeling van toepassing.
De voorzitter kan de partijen en de personen die bij de beslechting van de zaak belang hebben, bij beschikking bijeenroepen, eventueel te zijnen huize, op het door hem aangegeven uur, zelfs op feestdagen en van dag tot dag of van uur tot uur.
De beschikking wordt ter kennis van de auditeur-generaal of van het door hem aangewezen lid van het auditoraat gebracht.
In de kennisgeving wordt in voorkomend geval vermeld of het administratief dossier is ingediend.
Indien de verwerende partij nog geen administratief dossier heeft ingediend, legt ze dat dossier waaraan ze een nota kan toevoegen, ter zitting neer. De voorzitter kan de terechtzitting schorsen om de auditeur en de andere partijen de gelegenheid te geven kennis te nemen van het dossier.
De voorzitter kan de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het arrest bevelen. ".
Art. 41. L'article 16 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 25 avril 2007, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 16. § 1er. Dans le cas où l'extrême urgence est invoquée, la demande de suspension ou de mesures provisoires est datée et signée par la partie ou par un avocat satisfaisant aux conditions de l'article 19, alinéa 4, des lois coordonnées, et elle contient :
1° dans l'intitulé, la mention que la demande est introduite en " extrême urgence ";
2° les nom, qualité, domicile ou siège du demandeur, ainsi que le domicile élu visé à l'article 84, § 2, alinéa 1er, du règlement général de procédure;
3° le nom et le domicile ou le siège de la partie adverse;
4° la mention de l'acte ou du règlement qui fait l'objet de la demande;
5° si la requête en annulation n'a pas encore été introduite, un exposé des faits et des moyens de nature à justifier l'annulation de l'acte ou du règlement;
6° le cas échéant, si le mémoire en réplique ou ampliatif n'a pas encore été déposé, un exposé des moyens d'ordre public ou fondés sur des éléments du dossier administratif, inconnus du requérant au moment de l'introduction de son recours en annulation;
7° un exposé des faits justifiant l'extrême urgence;
8° le cas échéant, le montant et les modalités de l'astreinte demandée en application de l'article 17, § 8, des lois coordonnées.
Lorsque l'intitulé de la requête ne précise pas qu'il s'agit d'une demande de suspension d'extrême urgence, cette requête est traitée selon les règles prévues dans les chapitres Ier et II.
§ 2. Dans le cas où l'extrême urgence est invoquée, ni les articles 12 et 13, ni l'article 3quater du règlement général de procédure ne sont applicables.
Le président peut convoquer par ordonnance les parties ainsi que les personnes ayant intérêt à la solution de l'affaire, éventuellement à son hôtel, à l'heure indiquée par lui, même les jours de fête et de jour en jour ou d'heure à heure.
L'ordonnance est notifiée à l'auditeur général ou au membre de l'auditorat désigné par lui.
La notification mentionne le cas échéant si le dossier administratif a été déposé.
Si la partie adverse ne l'a pas encore transmis, elle dépose à l'audience le dossier administratif auquel elle peut joindre une note. Le président peut suspendre l'audience afin de permettre à l'auditeur et aux autres parties d'en prendre connaissance.
Le président peut ordonner l'exécution immédiate de l'arrêt. ".
" Art. 16. § 1er. Dans le cas où l'extrême urgence est invoquée, la demande de suspension ou de mesures provisoires est datée et signée par la partie ou par un avocat satisfaisant aux conditions de l'article 19, alinéa 4, des lois coordonnées, et elle contient :
1° dans l'intitulé, la mention que la demande est introduite en " extrême urgence ";
2° les nom, qualité, domicile ou siège du demandeur, ainsi que le domicile élu visé à l'article 84, § 2, alinéa 1er, du règlement général de procédure;
3° le nom et le domicile ou le siège de la partie adverse;
4° la mention de l'acte ou du règlement qui fait l'objet de la demande;
5° si la requête en annulation n'a pas encore été introduite, un exposé des faits et des moyens de nature à justifier l'annulation de l'acte ou du règlement;
6° le cas échéant, si le mémoire en réplique ou ampliatif n'a pas encore été déposé, un exposé des moyens d'ordre public ou fondés sur des éléments du dossier administratif, inconnus du requérant au moment de l'introduction de son recours en annulation;
7° un exposé des faits justifiant l'extrême urgence;
8° le cas échéant, le montant et les modalités de l'astreinte demandée en application de l'article 17, § 8, des lois coordonnées.
Lorsque l'intitulé de la requête ne précise pas qu'il s'agit d'une demande de suspension d'extrême urgence, cette requête est traitée selon les règles prévues dans les chapitres Ier et II.
§ 2. Dans le cas où l'extrême urgence est invoquée, ni les articles 12 et 13, ni l'article 3quater du règlement général de procédure ne sont applicables.
Le président peut convoquer par ordonnance les parties ainsi que les personnes ayant intérêt à la solution de l'affaire, éventuellement à son hôtel, à l'heure indiquée par lui, même les jours de fête et de jour en jour ou d'heure à heure.
L'ordonnance est notifiée à l'auditeur général ou au membre de l'auditorat désigné par lui.
La notification mentionne le cas échéant si le dossier administratif a été déposé.
Si la partie adverse ne l'a pas encore transmis, elle dépose à l'audience le dossier administratif auquel elle peut joindre une note. Le président peut suspendre l'audience afin de permettre à l'auditeur et aux autres parties d'en prendre connaissance.
Le président peut ordonner l'exécution immédiate de l'arrêt. ".
Art. 42. Artikel 17 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 april 2007, wordt vervangen als volgt :
" Art. 17. De vordering tot tussenkomst kan worden ingesteld tot op de terechtzitting tijdens welke uitspraak wordt gedaan over de vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen. ".
" Art. 17. De vordering tot tussenkomst kan worden ingesteld tot op de terechtzitting tijdens welke uitspraak wordt gedaan over de vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen. ".
Art. 42. L'article 17 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 25 avril 2007, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 17. La demande en intervention peut être introduite jusqu'à l'audience au cours de laquelle il sera statué sur la demande de suspension ou de mesures provisoires. ".
" Art. 17. La demande en intervention peut être introduite jusqu'à l'audience au cours de laquelle il sera statué sur la demande de suspension ou de mesures provisoires. ".
Art. 43. In artikel 19 van hetzelfde besluit worden de woorden " of tot het bevelen van voorlopige maatregelen " ingevoegd na de woorden " tot schorsing ".
Art. 43. Dans l'article 19 du même arrêté, les mots " ou de mesures provisoires " sont insérés après les mots " de suspension ".
Art. 44. In artikel 21, § 3, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt de Nederlandse tekst vervangen als volgt :
" De zaak wordt aanhangig gemaakt bij de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak door het overzenden aan de hoofdgriffier van een door de voorzitter en de griffier van de kamer ondertekende uitgifte van het verwijzingsarrest. ".
" De zaak wordt aanhangig gemaakt bij de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak door het overzenden aan de hoofdgriffier van een door de voorzitter en de griffier van de kamer ondertekende uitgifte van het verwijzingsarrest. ".
Art. 44. Dans l'article 21, § 3, alinéa 1er, du même arrêté, le texte néerlandais est remplacé par ce qui suit :
" De zaak wordt aanhangig gemaakt bij de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak door het overzenden aan de hoofdgriffier van een door de voorzitter en de griffier van de kamer ondertekende uitgifte van het verwijzingsarrest. ".
" De zaak wordt aanhangig gemaakt bij de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak door het overzenden aan de hoofdgriffier van een door de voorzitter en de griffier van de kamer ondertekende uitgifte van het verwijzingsarrest. ".
Art. 45. Artikel 22 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 april 2007, wordt opgeheven.
Art. 45. L'article 22 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 25 avril 2007, est abrogé.
Art. 46. Artikel 24 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 april 2007, wordt vervangen als volgt :
" Art. 24. De dwangsom die met toepassing van artikel 17, § 8, van de gecoördineerde wetten werd opgelegd aan de betrokken overheid, wordt toegewezen overeenkomstig artikel 36, § 5, eerste lid, van dezelfde wetten. ".
" Art. 24. De dwangsom die met toepassing van artikel 17, § 8, van de gecoördineerde wetten werd opgelegd aan de betrokken overheid, wordt toegewezen overeenkomstig artikel 36, § 5, eerste lid, van dezelfde wetten. ".
Art. 46. L'article 24 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 25 avril 2007, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 24. L'astreinte imposée en application de l'article 17, § 8, des lois coordonnées à l'autorité concernée est répartie conformément à l'article 36, § 5, alinéa 1er, des mêmes lois. ".
" Art. 24. L'astreinte imposée en application de l'article 17, § 8, des lois coordonnées à l'autorité concernée est répartie conformément à l'article 36, § 5, alinéa 1er, des mêmes lois. ".
Art. 47. Titel IV van hetzelfde besluit, de drie hoofdstukken ervan alsook de artikelen 25, 26 en 28 tot 33 van hetzelfde besluit, gewijzigd, wat de artikelen 25, 26, 29, 30 en 33 betreft, bij het koninklijk besluit van 25 april 2007 en, wat artikel 32 betreft, bij het koninklijk besluit van 24 mei 2011, worden opgeheven.
Art. 47. Le titre IV du même arrêté, les trois chapitres qu'il contient, et les articles 25, 26 et 28 à 33, du même arrêté, modifiés, en ce qui concerne les articles 25, 26, 29, 30 et 33, par l'arrêté royal du 25 avril 2007 et, en ce qui concerne l'article 32, par l'arrêté royal du 24 mai 2011, sont abrogés.
Art. 48. In artikel 41 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 april 2007, worden de woorden " artikel 17, § 3, vijfde lid " vervangen door de woorden " artikel 17, § 4, derde lid ".
Art. 48. Dans l'article 41 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 25 avril 2007, les mots " article 17, § 3, alinéa 5 " sont remplacés par les mots " article 17, § 4, alinéa 3 ".
Art. 49. In artikel 42 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 april 2007, worden de woorden " , uitgezonderd het enig verzoekschrift " opgeheven.
Art. 49. Dans l'article 42 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 25 avril 2007, les mots " , à l'exception de la requête unique " sont abrogés.
HOOFDSTUK IV. - Wijziging aan het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State
CHAPITRE IV. - Modification de l'arrêté royal du 30 novembre 2006 déterminant la procédure en cassation devant le Conseil d'Etat
Art. 50. In artikel 4, 4°, van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State, worden de woorden " en van de akte van aanstelling van haar organen, evenals het bewijs dat het daartoe gemachtigde orgaan beslist heeft het cassatieberoep in te stellen " opgeheven.
Art. 50. Dans l'article 4, 4°, de l'arrêté du l'arrêté royal du 30 novembre 2006 déterminant la procédure en cassation devant le Conseil d'Etat, les mots "et de l'acte de désignation de ses organes, ainsi que de la preuve que l'organe habilité a décidé d'introduire le recours en cassation " sont abrogés.
HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen
CHAPITRE V. - Dispositions finales
Art. 51. Op 1 maart 2014 treden in werking :
1° de artikelen 3, 6, 8, 9, 12, 13 en 38, 1°, van de wet van [20] januari 2014 houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State;
2° dit besluit.
1° de artikelen 3, 6, 8, 9, 12, 13 en 38, 1°, van de wet van [20] januari 2014 houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State;
2° dit besluit.
Art. 51. Entrent en vigueur le 1er mars 2014 :
1° les articles 3, 6, 8, 9, 12, 13 et 38, 1°, de loi du [20] janvier 2014 portant réforme de la compétence, de la procédure et de l'organisation du Conseil d'Etat;
2° le présent arrêté.
1° les articles 3, 6, 8, 9, 12, 13 et 38, 1°, de loi du [20] janvier 2014 portant réforme de la compétence, de la procédure et de l'organisation du Conseil d'Etat;
2° le présent arrêté.
Art. 52. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 52. Notre ministre de l'Intérieur est chargé de l'exécution du présent arrêté.