Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
8 NOVEMBER 2013. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de organisatie van pleegzorg(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 14-01-2014 en tekstbijwerking tot 28-11-2024)
Titre
8 NOVEMBRE 2013. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand relatif Ă  l'organisation du placement familial(NOTE : Consultation des versions antĂ©rieures Ă  partir du 14-01-2014 et mise Ă  jour au 28-11-2024)
Documentinformatie
Numac: 2013207407
Datum: 2013-11-08
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2013207407
Date: 2013-11-08
Moniteur: Voir
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Definities HOOFDSTUK 2. - Modulering Afdeling 1. - Typemodules en combinatie van typ... HOOFDSTUK 3. - Diensten voor pleegzorg Afdeling 1. - Opdrachten en taken Afdeling 2. - Territoriale bevoegdheid en samen... Afdeling 3. - Vergunning Onderafdeling 1. - Vergunningsvoorwaarden Onderafdeling 2. - Procedure voor het verlenen,... Onderafdeling 3. - Sluiting Onderafdeling 4. - Bezwaarprocedure Afdeling 4. - Toezicht Afdeling 5. - Subsidiëring van de vergunde dien... HOOFDSTUK 4. - Pleegzorgers en pleeggezinnen Afdeling 1. - Screening en attestering Afdeling 2. - Intrekking en verval van een attest Afdeling 2/1. [1 - Bezwaar tegen de weigering o... Afdeling 3. - Registratie van weigering en intr... Afdeling 4. - Vergoeding van pleeggezinnen HOOFDSTUK 5. - Partnerorganisatie HOOFDSTUK 6. - Administratieve geldboeten HOOFDSTUK 7. - Wijzigingsbepalingen Afdeling 1. - Wijzigingen van het koninklijk be... Afdeling 2. - Wijzigingen van het koninklijk be... Afdeling 3. - Wijzigingen van het koninklijk be... Afdeling 4. - Wijzigingen van het besluit van d... Afdeling 5. - Wijzigingen van het besluit van d... Afdeling 6. - Wijziging van het besluit van de ... Afdeling 7. - Wijziging van het besluit van de ... Afdeling 8. - Wijzigingen van het besluit van d... Afdeling 9. Wijzigingen van het besluit van de ... Afdeling 10. Wijziging van het besluit van de V... Afdeling 11. - Wijzigingen van het besluit van ... HOOFDSTUK 8. - Opheffings- en overgangsbepalingen HOOFDSTUK 9. - Slotbepalingen
Inhoud
CHAPITRE 1er. - DĂ©finitions CHAPITRE 2. - Modulation Section 1re. - Modules type et combinaison de m... CHAPITRE 3. - Services de placement familial Section 1re. - Missions et tĂąches Section 2. - CompĂ©tence territoriale et coopĂ©ra... Section 3. - Autorisation Sous-section 1re. - Conditions d'autorisation Sous-section 2. - ProcĂ©dure pour l'octroi, la p... Sous-section 3. - Fermeture Sous-section 4. - ProcĂ©dure de rĂ©clamation Section 4. - Surveillance Section 5. - Subventionnement des services de p... CHAPITRE 4. - Accueillants et familles d'accueil Section 1re. - Screening et attestation Section 2. - Retrait et Ă©chĂ©ance d'une attestation Section 2/1. [1 - RĂ©clamation contre le refus o... Section 3. - Enregistrement de refus et de retr... Section 4. - Indemnisation des familles d'accueil CHAPITRE 5. - Organisation partenaire CHAPITRE 6. - Amendes administratives CHAPITRE 7. - Dispositions modificatives Section 1re. Modifications de l'arrĂȘtĂ© royal du... Section 2. Modifications de l'arrĂȘtĂ© royal du 2... Section 3. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© royal du... Section 4. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouve... Section 5. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouve... Section 6. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouver... Section 7. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouver... Section 8. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouver... Section 9. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouver... Section 10. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouve... Section 11. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouv... CHAPITRE 8. - Dispositions abrogatoires et tran... CHAPITRE 9. - Dispositions finales
Tekst (160)
Texte (160)
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. - Définitions
Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder :
1° Adviescommissie : de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers, vermeld in artikel 12 van het decreet van 7 december 2007 houdende de oprichting van de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid en van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers;
2° [1 agentschap: het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien regie, dat is opgericht bij artikel 3 van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Opgroeien Regie;]1
3° attestering : het toekennen van een attest aan een kandidaat-pleegzorger of pleegzorger op basis waarvan hij in zijn gezin een pleegkind of -gast kan opvangen;
4° besluit van 9 december 2005 : het besluit van de Vlaamse Regering van 9 december 2005 betreffende de modulering en de netwerken rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening en crisisjeugdhulpverlening in het raam van de integrale jeugdhulp;
5° crisissituatie : een acuut beleefde noodsituatie waarin onmiddellijk hulp moet worden geboden;
6° decreet van 29 juni 2012 : het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg;
7° gezin van oorsprong : het gezin waarvan de ouders of de wettelijke vertegenwoordiger van het pleegkind of de pleeggast deel uitmaken;
8° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen;
9° module : een duidelijk afgelijnde eenheid van hulpverlening of zorg op basis van de hulp- of zorgvraag, aangeboden door een hulp- of zorgaanbieder, gebaseerd op één typemodule, die afzonderlijk, gelijktijdig of consecutief en op een manier waarbij de flexibiliteit met andere eenheden van hulpverlening of zorg gewaarborgd is, kan worden aangeboden;
10° persoonlijk netwerk : de persoon of personen die de pleeggast heeft aangewezen om hem bij te staan;
11° toegangspoort : een orgaan dat de buitengerechtelijke toegang tot de niet rechtstreeks toegankelijke modules organiseert conform het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp;
12° verwijzer : de jeugdrechtbank of de toegangspoort.
Article 1er. Dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par :
1° Commission consultative : la Commission consultative pour les Structures de l'Aide sociale, de la Santé publique et de la Famille et des (Candidats) Accueillants, visée à l'article 12 du décret du 7 décembre 2007 portant création du Conseil consultatif stratégique pour la Politique flamande de l'Aide sociale, de la Santé et de la Famille et d'une Commission consultative pour les Structures de l'Aide sociale, de la Santé publique et de la Famille et des (Candidats) Accueillants;
2° [1 agence : l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Opgroeien regie " (Grandir régie), créée par l'article 3 du décret du 30 avril 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique Grandir régie ;]1
3° attestation : l'octroi d'une attestation à un candidat-accueillant ou accueillant sur la base de laquelle il/elle peut accueillir un enfant placé ou un adulte placé dans sa famille;
4° arrĂȘtĂ© du 9 dĂ©cembre 2005 : l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement du 9 dĂ©cembre 2005 relatif Ă  la modulation et aux rĂ©seaux de services d'aide Ă  la jeunesse directement accessibles et d'aide Ă  la jeunesse en situation de crise dans le cadre de l'aide intĂ©grale Ă  la jeunesse;
5° situation de crise : une situation d'urgence aigĂŒe, dans laquelle de l'aide immĂ©diate doit ĂȘtre offerte;
6° décret du 29 juin 2012 : le décret du 29 juin 2012 portant organisation du placement familial;
7° famille d'origine : la famille dont les parents ou le représentant légal de l'enfant placé ou de l'adulte placé font partie;
8° Ministre : le Ministre flamand chargé de l'assistance aux personnes;
9° module : une unitĂ© bien dĂ©limitĂ©e d'aide ou de soins en rĂ©ponse Ă  la demande d'aide ou de soins, offerte par un prestataire d'aide ou de soins et basĂ©e sur un seul module type, qui peut ĂȘtre offert individuellement, simultanĂ©ment ou consĂ©cutivement et de façon Ă  assurer la flexibilitĂ© avec d'autres unitĂ©s de prestation d'aide ou de soins;
10° réseau personnel : la personne ou les personnes que l'adulte placé a désignée(s) pour l'assister;
11° porte d'entrée : un organe organisant l'accÚs extrajudiciaire aux modules non directement accessibles, conformément au décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse;
12° l'instance adressant l'enfant placé ou l'adulte placé : le tribunal de la jeunesse ou la porte d'entrée.
HOOFDSTUK 2. - Modulering
CHAPITRE 2. - Modulation
Afdeling 1. - Typemodules en combinatie van typemodules
Section 1re. - Modules type et combinaison de modules type
Art. 2. De typemodules binnen de pleegzorg, vermeld in artikel 3 tot en met 6, worden naar frequentie, duur, intensiteit, doelgroep, activiteiten en combinaties met typemodules binnen en buiten de pleegzorg beschreven conform de regels die daarvoor zijn bepaald bij het besluit van 9 december 2005.
Voor pleeggasten kunnen de typemodules binnen de pleegzorg alleen worden ingezet als die personen nood hebben aan pleegzorg vanwege psychiatrische problemen of vanwege een handicap. De diensten voor pleegzorg tonen aan de hand van een document dat is opgesteld door een arts of met medewerking van een arts, aan dat aan die voorwaarde voldaan is. [1 ...]1
In het tweede lid wordt onder handicap verstaan : elk langdurig en belangrijk participatieprobleem van een persoon dat te wijten is aan het samenspel tussen functiestoornissen van mentale, psychische, lichamelijke of zintuiglijke aard, beperkingen bij het uitvoeren van activiteiten en persoonlijke en externe factoren.
Art. 2. Les modules type au sein du placement familial, visĂ©s aux articles 3 Ă  6 inclus, sont dĂ©crits en termes de frĂ©quence, de durĂ©e, d'intensitĂ©, de groupe cible, d'activitĂ©s et de combinaisons avec des modules type au sein et en dehors du placement familial, conformĂ©ment aux rĂšgles qui ont Ă©tĂ© dĂ©finies Ă  cette fin par l'arrĂȘtĂ© du 9 dĂ©cembre 2005.
Les modules type au sein du placement familial ne peuvent ĂȘtre utilisĂ©s en faveur des adultes placĂ©s que si ces personnes nĂ©cessitent du placement familial Ă  cause de problĂšmes psychiatriques ou Ă  cause d'un handicap. Les services d'accueil familial dĂ©montrent Ă  l'aide d'un document qui a Ă©tĂ© rĂ©digĂ© par un mĂ©decin ou avec la collaboration d'un mĂ©decin, qu'il a Ă©tĂ© satisfait Ă  cette condition. [1 ...]1
Dans l'alinéa deux, on entend par "handicap" : tout problÚme de participation important et de longue durée d'une personne dû à l'interférence entre des troubles de fonctionnement de nature mentale, psychique, corporelle ou sensorielle, à des limitations dans l'exécution d'activités et à des facteurs personnels et externes.
Art. 3. [1 De ondersteunende pleegzorg omvat de volgende typemodules:
1° crisisverblijf in een pleeggezin;
2° ondersteunend verblijf in een pleeggezin - lage frequentie;
3° ondersteunend verblijf in een pleeggezin - korte duur.]1

Met toepassing van artikel 4 van het decreet van 29 juni 2012 zijn de typemodules, vermeld in het eerste lid, rechtstreeks toegankelijk.
Art. 3. [1 Le placement familial Ă  titre de soutien comprend les modules de type suivants :
1° séjour de crise dans une famille d'accueil ;
2° séjour de soutien dans une famille d'accueil - faible fréquence ;
3° séjour de soutien dans une famille d'accueil - courte durée.]1

En application de l'article 4 du décret du 29 juin 2012, les modules type, visés à l'alinéa premier, sont directement accessibles.
Art. 4. [1 De typemodule die deel uitmaakt van de perspectiefzoekende pleegzorg, is: perspectiefzoekend verblijf in een pleeggezin.]1
Art. 4. [1 Le module type faisant partie du placement familial recherchant une perspective, est le suivant : séjour recherchant une perspective dans une famille d'accueil.]1
Art. 5. [1 De typemodule die deel uitmaakt van de perspectiefbiedende pleegzorg, is: perspectiefbiedend verblijf in een pleeggezin.]1
Art. 5. [1 Le module type faisant partie du placement familial offrant une perspective, est le suivant : séjour offrant une perspective dans une famille d'accueil.]1
Art. 6. [1 § 1. De typemodule die deel uitmaakt van de behandelingspleegzorg is: behandelingspleegzorg.
§ 2. Een dienst komt in aanmerking voor de subsidiëring van een module behandelingspleegzorg als het aanbod dat hij wil doen vooraf door de administrateur-generaal is goedgekeurd.
De aanvraag tot goedkeuring van het aanbod is alleen ontvankelijk als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de dienst voor pleegzorg dient de aanvraag schriftelijk in bij het agentschap;
2° de aanvraag bevat al de volgende gegevens:
a) de contactgegevens van de dienst voor pleegzorg;
b) een omschrijving van het aanbod, die de volgende elementen bevat en waaruit blijkt dat het aanbod voldoet aan de definitie, vermeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 29 juni 2012:
1) duidelijk omschreven doelgroep, doelstelling, acties en randvoorwaarden;
2) de wetenschappelijke onderbouw;
3) de specificiteit;
4) de intensiteit.]1

Art. 6. [1 § 1er. Le module type faisant partie du placement familial à traitement est le suivant : placement familial à traitement.
§ 2. Un service est éligible à une subvention pour un module de placement familial à traitement si l'offre qu'il souhaite faire a été préalablement approuvée par l'administrateur général.
La demande d'approbation de l'offre n'est recevable que si toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° le service de placement familial soumet la demande par écrit à l'agence ;
2° la demande comprend toutes les données suivantes :
a) les coordonnées du service de placement familial ;
b) une description de l'offre, contenant les éléments suivants et attestant que l'offre répond à la définition visée à l'article 2, 1° du décret du 29 juin 2012 :
1) un groupe cible, un objectif, des actions et des conditions secondaires clairement définis ;
2) l'assise scientifique ;
3) la spécificité ;
4) l'intensité.]1

Art. 7.
Art. 7.
Art. 8. Voor pleegkinderen wordt met toepassing van het besluit van 9 december 2005 bepaald of de typemodules, vermeld in artikel 4,5 en 6 [1 ...]1, rechtstreeks toegankelijk of niet rechtstreeks toegankelijk zijn.
Voor pleeggasten zijn de typemodules, vermeld in artikel 4, 5 en 6 [1 ...]1, rechtstreeks toegankelijk.
Art. 8. Pour les enfants placĂ©s, il est dĂ©cidĂ©, en application de l'arrĂȘtĂ© du 9 dĂ©cembre 2005, si les modules type, visĂ©s aux articles 4, 5 et 6 [1 ...]1 sont directement ou non directement accessibles.
Les modules type, visés aux articles 4, 5 et 6 [1 ...]1 sont directement accessibles pour les adultes placés.
Art. 9. De regels die bij het besluit van 9 december 2005 zijn bepaald om modules te beschrijven [1 ...]1, zijn van overeenkomstige toepassing voor de beschrijving van modules op basis van de typemodules, vermeld in artikel 3, 4, 5 en 6 [1 ...]1.
Art. 9. Les rĂšgles dĂ©finies dans l'arrĂȘtĂ© du 9 dĂ©cembre 2005 pour dĂ©crire [1 ...]1 des modules, s'appliquent mutatis mutandis Ă  la description de modules sur la base des modules type visĂ©s aux articles 3, 4, 5 et 6 [1 ...]1.
Art. 10.
Art. 10.
HOOFDSTUK 3. - Diensten voor pleegzorg
CHAPITRE 3. - Services de placement familial
Afdeling 1. - Opdrachten en taken
Section 1re. - Missions et tĂąches
Art. 11. Met behoud van de toepassing van artikel 7, § 1, van het decreet van 29 juni 2012 zet de dienst voor pleegzorg de modules die zijn beschreven conform artikel 9 van dit besluit, in op maat van elk pleegkind of elke pleeggast binnen de contouren die in de modules beschreven zijn.
Art. 11. Sans prĂ©judice de l'application de l'article 7, § 1er, du dĂ©cret du 29 juin 2012, le service de placement familial utilise les modules dĂ©crits conformĂ©ment Ă  l'article 9 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© en les personnalisant aux besoins de chaque enfant placĂ© ou adulte placĂ© endĂ©ans les contours dĂ©crits dans les modules.
Art. 12. Conform artikel 7, § 2, eerste lid, 8°, van het decreet van 29 juni 2012 organiseert de dienst voor pleegzorg vorming voor kandidaat-pleegzorgers, pleegzorgers en pleeggezinnen afhankelijk van de behoeften.
De dienst organiseert een specifieke vorming voor kandidaat-pleegzorgers, pleegzorgers en pleeggezinnen aan wie pleegkinderen of pleeggasten voor crisispleegzorg worden toevertrouwd.
In het tweede lid wordt verstaan onder crisispleegzorg : een zeer intensieve en kortdurende vorm van pleegzorg als antwoord op een crisissituatie.
Art. 12. Conformément à l'article 7, § 2, alinéa premier, 8° du décret du 29 juin 2012, le service de placement familial organise des formations pour les candidats-accueillants, accueillants et familles d'accueil, selon les besoins.
Le service organise une formation spécifique pour les candidats-accueillants, accueillants et familles d'accueil à qui le placement familial de crise d'enfants ou adultes placés est confié.
Dans l'alinéa deux, on entend par "placement familial de crise" : une forme de placement familial trÚs intensive et de courte durée pour répondre à une situation de crise.
Art. 12/1. [1 § 1. De dienst voor pleegzorg neemt de rol van bevoegd orgaan voor pleegzorg als vermeld in artikel 387quinquies tot en met artikel 387septies van het Burgerlijk Wetboek, op.
§ 2. De dienst voor pleegzorg voorziet in een evaluatie van elke pleegzorgsituatie.
Voor perspectiefbiedende pleegzorg wordt jaarlijks een evaluatieverslag opgemaakt. In voorkomend geval wordt dat verslag bezorgd aan het ondersteuningscentrum jeugdzorg of de sociale dienst.
Voor perspectiefzoekende pleegzorg wordt zesmaandelijks een evaluatieverslag opgemaakt. In voorkomend geval wordt dat verslag bezorgd aan het ondersteuningscentrum jeugdzorg of de sociale dienst.
§ 3. Als er persoonsvolgende financiering wordt toegekend aan een pleegkind of pleeggast en als de betaalde taken worden uitgevoerd door een pleegzorger, controleert en bewaakt de dienst voor pleegzorg, de toegevoegde waarde van die betaalde taken, in functie van het al dan niet voortzetten van pleegzorg.
§ 4. De dienst voor pleegzorg wisselt goede praktijken en expertise over zijn diverse opdrachten uit met de andere diensten voor pleegzorg en de partnerorganisatie. Hij stemt zijn procedures, minimaal voor de screening, vermeld in artikel 14 van het decreet van 29 juni 2012, af om efficiënt en optimaal kandidaat-pleeggezinnen te vinden.]1

Art. 12/1. [1 § 1er. Le service de placement familial assume le rÎle d'organe compétent en matiÚre de placement familial, tel que visé aux articles 387quinquies à 387septies inclus du Code civil.
§ 2. Le service de placement familial prévoit une évaluation de chaque situation de placement familial.
Un rapport d'évaluation annuel est établi pour le placement familial offrant une perspective. Le cas échéant, ce rapport est transmis au centre d'appui Aide à la jeunesse ou au service social.
Pour le placement familial recherchant une perspective, un rapport d'évaluation est établi tous les six mois. Le cas échéant, ce rapport est transmis au centre d'appui Aide à la jeunesse ou au service social.
§ 3. Si un financement qui suit la personne est octroyé à un enfant placé ou un adulte placé et si les tùches rémunérées sont exécutées par un accueillant, le service de placement familial vérifie et contrÎle la valeur ajoutée de ces tùches rémunérées, selon que le placement familial est poursuivi ou non.
§ 4. Le service de placement familial échange de bonnes pratiques et d'expertise sur ses différentes missions avec les autres services de placement familial et l'organisation partenaire. Il coordonne ses procédures, au moins pour le screening visé à l'article 14 du décret du 29 juin 2012, afin de trouver des candidats familles d'accueil de maniÚre efficace et optimale.]1

Art. 13. De participatieraad, vermeld in artikel 7, § 2, eerste lid, 13°, van het decreet van 29 juni 2012, brengt minstens advies uit over de documenten betreffende de planning en de evaluatie van de werking van de dienst, met inbegrip van de financiële toestand, over de resultaten van de tevredenheidsmetingen bij de pleeggezinnen, de pleegkinderen, de pleeggasten en de gezinnen van oorsprong en over alle aangelegenheden die de voormelde personen of gezinnen rechtstreeks aanbelangen. Tussen de dienst voor pleegzorg en de participatieraad is er voorafgaand overleg over wijzigingen in de strategische keuzes van de dienst voor pleegzorg en over belangrijke wijzigingen in de werking van de dienst.
De participatieraad legt zijn werking vast in een huishoudelijk reglement dat minstens de volgende elementen bevat :
1° het aantal leden van de raad;
2° de wijze van samenstelling van de raad, waarbij wordt gestreefd naar een evenwichtige vertegenwoordiging van de pleegkinderen, de pleeggasten, de gezinnen van oorsprong en de pleeggezinnen;
3° de frequentie van vergaderen;
4° de wijze waarop de raad wordt samengeroepen en waarop beslissingen worden genomen;
5° de kennisgeving van de beslissingen.
De dienst voor pleegzorg zorgt voor de logistieke en administratieve ondersteuning van de participatieraad. Hij verstrekt aan de participatieraad de informatie die noodzakelijk is voor de adviesverlening of het overleg, vermeld in het eerste lid.
Art. 13. Le conseil de participation, visĂ© Ă  l'article 7, § 2, alinĂ©a premier, 13° du dĂ©cret du 29 juin 2012, rend tout au moins avis sur les documents relatifs au planning et Ă  l'Ă©valuation du fonctionnement du service, y compris sur l'Ă©tat financier, les rĂ©sultats des enquĂȘtes de satisfaction auprĂšs des familles d'accueil, les enfants placĂ©s, adultes placĂ©s et les familles d'origine et sur toutes les matiĂšres qui concernent les personnes ou familles susvisĂ©es directement. Il y a une consultation prĂ©alable entre le service de placement familial et le conseil de participation au sujet des choix stratĂ©giques du service de placement familial et de changements importants dans le fonctionnement du service.
Le conseil de participation ancre son fonctionnement dans un rÚglement d'ordre intérieur, qui contient au moins les éléments suivants :
1° le nombre de membres du conseil;
2° la composition du conseil, dans laquelle on recherche une représentation proportionnelle des enfants placés, adultes placés, familles d'origine et familles d'accueil;
3° la fréquence des réunions;
4° la façon dont le conseil est convoqué et les décisions sont prises;
5° la publicité des décisions.
Le service de placement familial assure l'assistance logistique et administrative du conseil de participation. Il fournit au conseil de participation l'information nécessaire aux avis ou à la consultation, visés à l'alinéa premier.
Art. 14. De dienst voor pleegzorg betaalt de kostenvergoeding, vermeld in artikel 62, § 1, regelmatig en volledig uit aan de pleegzorgers.
Art. 14. Le service de placement familial procÚde au remboursement régulier et intégral des indemnités, visées à l'article 62, § 1er, au bénéfice des accueillants.
Afdeling 2. - Territoriale bevoegdheid en samenwerking van de diensten voor pleegzorg
Section 2. - Compétence territoriale et coopération des services de placement familial.
Art. 15. Als een pleegzorger of pleeggezin zijn verblijfplaats overbrengt naar het werkingsgebied van een andere dienst voor pleegzorg, is die dienst bevoegd voor die pleegzorger of dat pleeggezin. De pleegzorger of het pleeggezin behoudt een of meer attesteringen die met toepassing van artikel 14 van het decreet van 29 juni 2012 zijn verleend door de dienst voor pleegzorg in het werkgebied waarvan de vorige verblijfplaats gelegen was. Met behoud van de toepassing van artikel 21 van het decreet van 29 juni 2012 bezorgt de dienst voor pleegzorg van de vorige verblijfplaats aan de dienst van de nieuwe verblijfplaats de gegevens waarover hij beschikt over de pleegzorger of het pleeggezin en over de pleegkinderen of pleeggasten voor wie hij een attest heeft afgeleverd, aan de pleegzorger of het pleeggezin.
De samenwerkingsovereenkomsten die diensten voor pleegzorg met elkaar sluiten met toepassing van artikel 9, tweede lid, van het decreet van 29 juni 2012, bevatten een regeling voor het geval dat een pleegzorger of pleeggezin zijn verblijfplaats overbrengt naar het werkingsgebied van een andere dienst. Die regeling garandeert de continuĂŻteit van de hulpverlening voor het pleegkind en zijn gezin van oorsprong of voor de pleeggast en zijn persoonlijke netwerk, alsook voor de pleegzorger of het pleeggezin. Ze heeft minstens betrekking op afronding van de hulpverlening door de ene dienst en de overname van de hulpverlening door de andere dienst, alsook op de informatie-uitwisseling tussen beide diensten.
De samenwerkingsovereenkomsten, vermeld in het tweede lid, bevatten ook een regeling voor het geval dat het gezin van een personeelslid van een dienst voor pleegzorg, dat zijn verblijfplaats heeft in het werkingsgebied van die dienst, als pleeggezin fungeert. In dat geval worden dat pleeggezin, het pleegkind en zijn gezin van oorsprong of de pleeggast en zijn persoonlijke netwerk begeleid door een andere dienst voor pleegzorg dan de dienst die het personeelslid tewerkstelt.
Art. 15. Lorsqu'un accueillant ou famille d'accueil transfÚre sa résidence vers la zone d'activité d'un autre service de placement familial, ce service-ci est compétent de cet accueillant ou de cette famille d'accueil. L'accueillant ou la famille d'accueil conserve une ou plusieurs attestations qui ont été octroyées en application de l'article 14 du décret du 29 juin 2012 par le service de placement familial dans la zone d'activité dans laquelle l'ancienne résidence était située. Sans préjudice de l'application de l'article 21 du décret du 29 juin 2012, le service de placement familial de l'ancienne résidence remet au service de la nouvelle résidence les données disponibles relatives à l'accueillant ou à la famille d'accueil et aux enfants ou adultes placés pour qui il a délivré une attestation à l'accueillant ou à la famille d'accueil.
Les accords de coopĂ©ration que les services de placement familial concluent l'un avec l'autre en application de l'article 9, alinĂ©a deux, du dĂ©cret du 29 juin 2012, comprennent un rĂšglement pour l'Ă©ventualitĂ© qu'un accueillant ou une famille d'accueil transfĂšre sa rĂ©sidence Ă  la zone d'action d'un autre service. Ce rĂšglement assure la continuitĂ© de la prestation d'aide pour l'enfant placĂ© et sa famille d'origine ou pour l'adulte placĂ© et son rĂ©seau personnel, de mĂȘme que pour l'accueillant ou la famille d'accueil. Il concerne au minimum l'achĂšvement de la prestation d'aide par l'un service et la reprise de la prestation d'aide par l'autre service, de mĂȘme que l'Ă©change d'information entre les deux services.
Les accords de coopération, visés à l'alinéa deux, comprennent aussi un rÚglement pour l'éventualité que la famille d'un membre du personnel d'un service de placement familial, dont la résidence se trouve dans la zone d'activité de ce service, assume le rÎle de famille d'accueil. Dans ce cas, cette famille d'accueil, l'enfant placé et sa famille d'origine ou l'adulte placé et son réseau personnel sont accompagnés par un service de placement familial autre que celui employant le membre du personnel.
Art. 16. Als in het werkingsgebied van de dienst voor pleegzorg psychiatrische gezinsverpleging wordt aangeboden, sluit de dienst met het ziekenhuis dat de psychiatrische gezinsverpleging organiseert, een samenwerkingsovereenkomst conform artikel 7, § 2, eerste lid, 5°, van het decreet van 29 juni 2012, die ter goedkeuring aan het agentschap wordt voorgelegd. Met behoud van de toepassing van artikel 6 van het voormelde decreet bevat die samenwerkingsovereenkomst ook de volgende elementen :
1° de inzet en uitwisseling van expertise, in elk geval met betrekking tot de screening, vermeld in artikel 7, § 2, eerste lid, 3°, van het voormelde decreet;
2° de registratie en uitwisseling van gegevens;
3° afspraken over de vergoeding van de prestaties van het ziekenhuis in de psychiatrische gezinsverpleging, vermeld in het tweede lid.
Binnen de beschikbare begrotingskredieten wordt aan de dienst voor pleegzorg, vermeld in het eerste lid, een subsidie verleend als tegemoetkoming in de kosten van de psychiatrische gezinsverpleging van pleegkinderen. De voormelde kosten kunnen betrekking hebben op de activiteiten van de dienst, op de vergoeding van prestaties van het ziekenhuis conform de samenwerkingsovereenkomst, vermeld in het eerste lid, en op de vergoeding van onkosten van de pleegzorgers. De minister bepaalt hoeveel pleegkinderen aan wie psychiatrische gezinsverpleging wordt verleend, maximaal in aanmerking worden genomen voor de subsidiëring, alsook het subsidiebedrag per pleegkind. De minister kan nadere regels bepalen voor het verlenen van de subsidie en voor het verantwoorden van het aanwenden van de subsidie.
Art. 16. Si dans la zone d'activité du service de placement familial des soins psychiatriques en milieu familial sont offerts, le service conclut un accord de coopération avec l'hÎpital organisant les soins psychiatriques en milieu familial, conformément à l'article 7, § 2, alinéa premier, 5° du décret du 29 juin 2012 et le soumet à l'approbation de l'agence. Sans préjudice de l'application de l'article 6 du décret précité, cet accord de coopération comprend aussi les éléments suivants :
1° l'utilisation et l'échange d'expertise, en tout cas au niveau du screening, visé à l'article 7, § 2, alinéa premier, 3° du décret précité;
2° l'enregistrement et l'échange de données;
3° des dispositions relatives à l'indemnisation des prestations de la part de l'hÎpital dans les soins psychiatriques en milieu familial, visés dans l'alinéa deux.
Dans les limites des crĂ©dits budgĂ©taires disponibles, il est accordĂ© une subvention au service de placement familial visĂ© Ă  l'alinĂ©a premier comme intervention dans les frais des soins psychiatriques en milieu familial d'enfants placĂ©s. Les frais susvisĂ©s peuvent concerner les activitĂ©s du service, l'indemnisation des prestations de l'hĂŽpital conformĂ©ment Ă  l'accord de coopĂ©ration visĂ© Ă  l'alinĂ©a premier et l'indemnisation des frais des accueillants. Le ministre dĂ©finit le nombre maximal d'enfants placĂ©s bĂ©nĂ©ficiaires de soins psychiatriques en milieu familial qui sont Ă©ligibles au subventionnement de mĂȘme que le montant de la subvention par enfant placĂ©. Le ministre peut dĂ©finir les modalitĂ©s pour l'octroi de la subvention et pour la justification et l'utilisation de la subvention.
Afdeling 3. - Vergunning
Section 3. - Autorisation
Onderafdeling 1. - Vergunningsvoorwaarden
Sous-section 1re. - Conditions d'autorisation
Art. 17. Om vergund te worden en te blijven, moet de dienst voor pleegzorg voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 11, eerste lid, van het decreet van 29 juni 2012, en van dit hoofdstuk.
Art. 17. Pour ĂȘtre autorisĂ© et continuer Ă  l'ĂȘtre, le service de placement familial doit remplir les conditions visĂ©es Ă  l'article 11, alinĂ©a premier, du dĂ©cret du 29 juin 2012 et du prĂ©sent chapitre.
Art. 18. Conform artikel 11, eerste lid, 4°, van het decreet van 29 juni 2012 beschikt de dienst voor pleegzorg over voldoende en deskundig personeel in diverse disciplines om de aangeboden modules kwaliteitsvol uit te voeren ten aanzien van de pleeggezinnen, de pleegkinderen, de pleeggasten, de gezinnen van oorsprong of het persoonlijke netwerk, met inachtneming van de doelgroep waartoe die personen behoren.
Art. 18. Conformément à l'article 11, alinéa premier, 4° du décret du 29 juin 2012, le service de placement familial dispose de personnel expert en nombre suffisant en diverses disciplines pour la mise en oeuvre qualitative des modules offerts à l'égard des familles d'accueil, des enfants placés, des adultes placés, des familles d'origine ou du réseau personnel, en tenant compte du groupe-cible auquel ces personnes appartiennent.
Art. 19. [1 De dienst voor pleegzorg waakt erover dat elke medewerker van goed zedelijk gedrag is conform artikel 3 van het decreet van 3 juni 2022 houdende de verplichting voor bepaalde organisaties om een uittreksel uit het strafregister als vermeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, te controleren voor bepaalde nieuwe medewerkers.]1
Art. 19. [1 Le service de placement familial veille à ce que chaque collaborateur est de bonne vie et moeurs conformément à l'article 3 du décret du 3 juin 2022 portant l'obligation pour certaines organisations de contrÎler un extrait du casier judiciaire tel que visé à l'article 596, alinéa 2, du Code d'instruction criminelle, pour certains nouveaux collaborateurs. ]1
Art. 20. De gezondheidstoestand van de personeelsleden van de dienst voor pleegzorg mag geen gevaar inhouden voor de pleeggezinnen, de pleegkinderen, de pleeggasten, de gezinnen van oorsprong of het persoonlijke netwerk, met wie die personeelsleden in contact komen.
Art. 20. L'état de santé des membres du personnel du service de placement familial ne peut pas constituer un danger pour les familles d'accueil, les enfants placés, les adultes placés, les familles d'origine ou le réseau personnel, avec qui ces membres du personnel entrent en contact.
Art. 21. Met behoud van de toepassing van artikel 11, eerste lid, 6°, van het decreet van 29 juni 2012 organiseert de dienst voor pleegzorg ook buiten de kantooruren een telefonische dienstverlening voor pleegzorgers, pleegkinderen, de pleeggasten en de gezinnen van oorsprong die betrokken zijn in een crisissituatie. Die dienstverlening kan in samenwerking met andere vergunde of erkende welzijnsvoorzieningen worden georganiseerd.
Art. 21. Sans prĂ©judice de l'application de l'article 11, alinĂ©a premier, 6° du dĂ©cret du 29 juin 2012, le service de placement familial organise aussi un service tĂ©lĂ©phonique en dehors des heures de bureau pour les accueillants, enfants placĂ©s, adultes placĂ©s et familles d'origine se trouvant dans une situation de crise. Cette prestation de service peut ĂȘtre organisĂ©e en coopĂ©ration avec d'autres structures de l'aide sociale autorisĂ©es ou agréées.
Art. 22. Conform artikel 11, eerste lid, 7°, van het decreet van 29 juni 2012 organiseert de dienst voor pleegzorg binnen zijn werkingsgebied antennepunten die fungeren als contactpunten voor pleegzorgers of pleeggezinnen, pleegkinderen, pleeggasten en gezinnen van oorsprong of het persoonlijke netwerk waar dienstverlening wordt georganiseerd op vooraf bekendgemaakte tijdstippen. De dienst voor pleegzorg zorgt voor een evenwichtige geografische spreiding van die antennepunten afhankelijk van de behoeften en de kenmerken van zijn werkingsgebied.
Art. 22. Conformément à l'article 11, alinéa premier, 7° du décret du 29 juin 2012, le service de placement familial organise des antennes au sein de sa zone d'activité, qui servent de points de contact pour les accueillants ou familles d'accueil, enfants placés, adultes placés et familles d'origine ou le réseau personnel et qui organisent une prestation de services à des moments annoncés à l'avance. Le service de placement familial assure l'étalement géographique équilibré de ces antennes en fonction des besoins et des caractéristiques de sa zone d'activité.
Art. 23. De dienst voor pleegzorg beschikt over voldoende, veilige en aangepaste infrastructuur vanwaaruit de aangeboden begeleidings- of behandelingsmodules kwaliteitsvol kunnen worden uitgevoerd.
Art. 23. Le service de placement familial dispose d'une infrastructure adĂ©quate, sĂ»re et adaptĂ©e Ă  partir de laquelle les modules d'accompagnement et de traitement offerts peuvent ĂȘtre mis en oeuvre de façon qualitative.
Art. 24. De dienst voor pleegzorg waarborgt het respect voor de grondrechten en de rechten van de pleeggezinnen, alsook van de pleegkinderen, de pleeggasten en de gezinnen van oorsprong. De dienst voor pleegzorg regelt de toegang tot de dossiers over de voormelde personen of gezinnen met respect voor de regels over privacy en beroepsgeheim.
De dienst voor pleegzorg respecteert de wetgeving en de rechterlijke beslissingen met betrekking tot de pleeggezinnen, alsook met betrekking tot de pleegkinderen, de pleeggasten en hun ouders of wettelijke vertegenwoordiger.
Art. 24. Le service de placement familial assure le respect des droits fondamentaux et des droits des familles d'accueil de mĂȘme que de ceux des enfants placĂ©s, des adultes placĂ©s et des familles d'origine. Le service de placement familial rĂšgle l'accĂšs aux dossiers relatifs aux personnes ou familles susvisĂ©es, dans le respect des rĂšgles relatives Ă  la vie privĂ©e et au secret professionnel.
Le service de placement familial respecte la législation et les décisions judiciaires tant en matiÚre des familles d'accueil, qu'en matiÚre des enfants placés, des adultes placés et de leurs parents ou représentant légal.
Art. 25. Naast de wettelijk verplichte verzekeringen sluit de dienst voor pleegzorg minimaal een verzekering af voor :
1° de burgerlijke aansprakelijkheid van de dienst en van de personen die er werken;
2° de burgerlijke aansprakelijkheid van elk pleegkind of van elke pleeggast die hij begeleidt;
3° de burgerlijke aansprakelijkheid van elke pleegzorger die hij begeleidt;
4° de lichamelijke schade waarvan een pleegkind of pleeggast die hij begeleidt, het slachtoffer kan zijn;
5° de gevolgen van brand in de infrastructuur van de dienst.
Art. 25. Outre les assurances légalement dues, le service de placement familial conclut au minimum une assurance pour :
1° la responsabilité civile du service et des personnes qui y travaillent;
2° la responsabilité civile de tout enfant placé ou de tout adulte placé qu'il accompagne;
3° la responsabilité civile de tout accueillant qu'il accompagne;
4° les dommages corporels dont un enfant placĂ© ou un adulte placĂ© qu'il accompagne, peut ĂȘtre la victime;
5° les séquelles d'un incendie dans l'infrastructure du service.
Art. 26. Om de continuĂŻteit van de hulpverlening te waarborgen, staat de dienst voor pleegzorg in voor een verantwoorde informatieoverdracht met respect voor de regels over privacy en beroepsgeheim.
Art. 26. Pour assurer la continuité de la prestation d'aide, le service de placement familial assure une transmission appropriée d'information, dans le respect des rÚgles sur la vie privée et le secret professionnel.
Art. 27. De dienst voor pleegzorg maakt zo snel mogelijk, afhankelijk van de duur van de gekozen modules, voor elk pleegkind of elke pleeggast een handelingsplan op, in voorkomend geval rekening houdend met de beslissing van de verwijzer. Dat plan wordt opgesteld in overleg met de verschillende betrokkenen. Het plan sluit aan bij de respectieve modules waarvoor gekozen werd, en vormt de leidraad voor de begeleiding of behandeling door de dienst.
Het handelingsplan wordt afhankelijk van de duur van de modules geëvalueerd met de verschillende betrokkenen of met sommigen van hen, naargelang het geval, en bevat minstens de volgende elementen :
1° de identiteit van het pleegkind en zijn ouders of wettelijke vertegenwoordiger of van de pleeggast en van de pleegzorger;
2° de aanvangssituatie waaruit blijkt dat het verblijf in het pleeggezin en een daaraan gekoppelde begeleiding of behandeling een gepast antwoord is op de hulpvraag;
3° de doelstellingen van het verblijf en van de begeleiding of behandeling;
4° de voorgestelde modules, methoden en werkwijzen om de doelstellingen te behalen.
Het handelingsplan kan, na evaluatie en in samenspraak met de betrokkenen, worden bijgestuurd. Die bijsturing wordt schriftelijk vastgelegd.
Art. 27. Le service de placement familial rédige un plan d'action pour chaque enfant placé ou chaque adulte placé dans les plus brefs délais, en fonction de la durée des modules choisis, le cas échéant tenant compte de la décision de l'instance adressant l'enfant placé ou l'adulte placé. Ce plan est rédigé en concertation avec les différentes personnes concernées. Le plan s'aligne sur les modules respectifs choisis et constitue le fil rouge pour l'accompagnement ou le traitement par le service.
En fonction de la durée des modules, le plan d'action est évalué avec les différentes personnes concernées ou avec quelques-unes de celles-ci, selon le cas, et contient au moins les éléments suivants :
1° l'identité de l'enfant placé et de ses parents ou représentant légal ou de l'adulte placé et de l'accueillant;
2° la situation de début qui démontre que le séjour dans la famille d'accueil et l'accompagnement ou le traitement concomitants constituent une réponse appropriée à la demande d'aide;
3° les objectifs du séjour et de l'accompagnement ou traitement;
4° les modules, méthodes et modes de travail proposés afin de réaliser les objectifs.
Le plan d'action peut ĂȘtre ajustĂ© aprĂšs une Ă©valuation et en concertation avec les diffĂ©rents intĂ©ressĂ©s. Cet ajustement est Ă©tabli par Ă©crit.
Art. 28. De dienst voor pleegzorg, de pleegzorger en, als hij daarvoor bekwaam wordt geacht volgens de toepasselijke regelgeving, het pleegkind of de pleeggast maken een afsprakennota op, in voorkomend geval rekening houdend met de beslissing van de verwijzer. Ook de ouders of de wettelijke vertegenwoordiger van het pleegkind nemen deel aan de opmaak van de afsprakennota. Die afsprakennota wordt ter ondertekening voorgelegd aan alle betrokkenen. Ze expliciteert de rechten en plichten van de verschillende betrokkenen en de concrete praktische afspraken over onder meer de wijze van contactname en de frequentie van de contacten tussen hetzij de pleegzorgers, de pleegkinderen en de gezinnen van oorsprong, hetzij de pleegzorgers, de pleeggasten of het persoonlijke netwerk.
Art. 28. Le service de placement familial, l'accueillant et s'il en est jugé capable selon la réglementation applicable, l'enfant placé ou l'adulte placé, rédigent une note d'accords, le cas échéant tenant compte de la décision de l'instance adressant l'enfant placé ou l'adulte placé. Les parents ou le représentant légal de l'enfant placé prennent aussi part à la rédaction de la note d'accords. Cette note d'accord est soumise à la signature de toutes les parties concernées. Elle explicite les droits et obligations des différentes parties concernées et les arrangements pratiques concrets sur le mode de prise de contact et la fréquence des contacts entre soit les accueillants, les enfants placés et les familles d'origine, soit les accueillants, les adultes placés ou le réseau personnel.
Art. 29. De dienst voor pleegzorg heeft voor elk pleegkind of elke pleeggast een dossier dat minstens de volgende elementen bevat :
1° inlichtingen van administratieve aard;
2° de relevante individuele en sociale gegevens van het pleegkind en zijn gezin van oorsprong of van de pleeggast en zijn persoonlijke netwerk;
3° het handelingsplan, vermeld in artikel 27;
4° de afsprakennota, vermeld in artikel 28;
5° een rapportering van alle stappen in het dossier waaruit blijkt dat de begeleiding of behandeling en de ondersteuning een gepast antwoord bieden op de hulpvraag;
6° de reden van de stopzetting van de begeleiding of behandeling;
[1 7° het evaluatieverslag, vermeld in artikel 12/1, § 2.]1
Het dossier wordt door de dienst voor pleegzorg bewaard gedurende minimaal vijf jaar en maximaal dertig jaar na de beëindiging van de hulpverlening.
Art. 29. Pour chaque enfant placé ou adulte placé, le service de placement familial tient un dossier contenant au moins les éléments suivants :
1° des informations administratives;
2° les données individuelles et sociales pertinentes de l'enfant placé et de sa famille d'origine ou de l'adulte placé et son réseau personnel;
3° le plan d'action, visé à l'article 27;
4° la note d'accords visée à l'article 28;
5° un compte rendu concernant toutes les étapes du dossier démontrant que l'accompagnement ou le traitement et le soutien constituent une réponse appropriée à la demande d'aide;
6° la raison de la cessation de l'accompagnement ou du traitement;
[1 7° le rapport d'évaluation, visé à l'article 12/1, § 2.]1
Le dossier est conservé par le service de placement familial pendant au minimum cinq ans et au maximum trente ans aprÚs la cessation de la prestation d'aide.
Art. 30. De dienst voor pleegzorg meldt elke ernstige gebeurtenis waarbij het pleegkind of de pleeggast betrokken is, onmiddellijk en binnen achtenveertig uur aan het agentschap en, in voorkomend geval, aan de verwijzer.
Art. 30. Le service de placement familial informe l'agence et, le cas échéant, l'instance adressant l'enfant placé ou l'adulte placé, sans délai et dans les quarante-huit heures, de tout incident grave auquel l'enfant placé ou l'adulte placé est impliqué.
Art. 31. De dienst voor pleegzorg ontwikkelt en hanteert een procedure voor preventie en detectie van en gepaste reacties op grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van een pleegkind, een pleeggast, een gezinslid van een pleegkind of pleeggast of een lid van een pleeggezin, of gepleegd door een pleegkind, een pleeggast, een gezinslid van een pleegkind of pleeggast, het persoonlijke netwerk of een lid van een pleeggezin. In die procedure is een registratiesysteem opgenomen dat geanonimiseerde gegevens bijhoudt over de gevallen van grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van de voormelde personen of gepleegd door de voormelde personen.
De dienst voor pleegzorg meldt grensoverschrijdend gedrag aan het agentschap.
Art. 31. Le service de placement familial développe et adopte une procédure de prévention et de détection de comportement outré à l'égard d'un enfant placé, d'un adulte placé, d'un membre de famille d'un enfant placé ou adulte placé ou d'un membre d'une famille d'accueil ou de comportement outré adopté par un enfant placé, un adulte placé, un membre de famille d'un enfant placé ou adulte placé, le réseau personnel ou un membre d'une famille d'accueil et des réactions appropriées à ce comportement. Cette procédure reprend un systÚme d'enregistrement dans lequel sont conservées des données anonymisées relatives aux cas de comportement outré à l'égard des personnes susvisées ou adopté par les personnes susvisées.
Le service de placement familial informe l'agence du comportement outré.
Art. 32. De dienst voor pleegzorg leeft de kwaliteitsnormen na die gelden voor de voorzieningen, vermeld in artikel [1 78/1 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp]1.
Art. 32. Le service de placement familial respecte les normes de qualité applicables aux structures visées à l'article [1 78/1 du décret de 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse]1.
Onderafdeling 2. - Procedure voor het verlenen, verlengen en intrekken van de vergunning
Sous-section 2. - Procédure pour l'octroi, la prolongation et le retrait de l'autorisation
Art. 33. Een vergunning voor een dienst voor pleegzorg wordt verleend na een oproep van de minister, die wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De oproep vermeldt :
1° de termijn waarin een vergunningsaanvraag kan worden ingediend;
2° de wijze waarop de vergunningsaanvraag moet worden ingediend;
3° de beslissingstermijnen;
4° de ontvankelijheids- en gegrondheidsvoorwaarden;
5° het maximale aantal te vergunnen diensten;
6° de criteria voor de beoordeling van de vergunningsaanvragen en het gewicht van die criteria;
7° de duur van de vergunning.
[1 ...]1
Art. 33. Une autorisation pour un service de placement familial est accordée aprÚs un appel du ministre, publié au Moniteur belge. L'appel mentionne :
1° le dĂ©lai endĂ©ans lequel les demandes d'autorisation peuvent ĂȘtre introduites;
2° la façon dont les demandes d'autorisation doivent ĂȘtre introduites;
3° les délais de décision;
4° les conditions de recevabilité et de bien-fondé;
5° le nombre maximal de services autorisables;
6° les critÚres d'évaluation des demandes d'autorisation et la pondération de ces critÚres;
7° la durée de l'autorisation;
[1 ...]1
Art. 34. Een vergunningsaanvraag is ontvankelijk als de inrichtende macht van de dienst, binnen de indieningstermijn die in de oproep is vermeld, die aanvraag met een aangetekende zending, door afgifte tegen ontvangstbewijs of op een andere wijze die de minister bepaalt, indient bij het agentschap en als ze de volgende gegevens en stukken bevat :
1° een aanvraagformulier dat door het agentschap ter beschikking gesteld wordt. Dat formulier bevat de volgende gegevens :
a) de identiteitsgegevens van de inrichtende macht en van de dienst voor pleegzorg;
b) de provincie die het werkingsgebied van de dienst voor pleegzorg zal vormen;
c) de modules die de dienst zal aanbieden;
2° als de initiatiefnemer een privaatrechtelijke rechtspersoon is : de statuten en eventuele wijzigingen ervan;
3° de rechtsgeldige beslissing om de vergunning aan te vragen en de dienst voor pleegzorg uit te baten;
4° de verbintenis om te voldoen aan alle vergunningsvoorwaarden en om mee te werken aan de uitoefening van het toezicht op de naleving van die voorwaarden;
5° de datum en handtekening.
Art. 34. Une demande d'autorisation est recevable lorsque le pouvoir organisateur du service introduit cette demande, endéans le délai d'introduction mentionné dans l'appel, par envoi recommandé, par remise contre récépissé ou d'une autre façon définie par le ministre et qu'elle contient les données et piÚces suivantes :
1° un formulaire de demande mis à disposition par l'agence. Ce formulaire contient les données suivantes :
a) les données d'identité du pouvoir organisateur et du service de placement familial;
b) la province qui constituera la zone d'activité du service de placement familial;
c) les modules que le service offrira;
2° si l'initiateur est une personne morale de droit privé : les statuts et leurs éventuels ajustements;
3° la décision ayant force de loi pour demander l'autorisation et exploiter le service de placement familial;
4° l'engagement de satisfaire à toutes les conditions d'autorisation et de coopérer à l'exercice du contrÎle du respect de ces conditions;
5° la date et la signature.
Art. 35. Het agentschap onderzoekt de ontvankelijkheid van de aanvraag. Als de vergunningsaanvraag niet ontvankelijk is, meldt het agentschap dat aan de inrichtende macht binnen een termijn van acht kalenderdagen na de ontvangst van de aanvraag. Na het verstrijken van die termijn wordt de aanvraag geacht ontvankelijk te zijn.
Art. 35. L'agence examine la recevabilitĂ© de la demande. Lorsque la demande d'autorisation n'est pas recevable, l'agence en informe le pouvoir organisateur dans un dĂ©lai de huit jours calendaires aprĂšs la rĂ©ception de la demande. A l'expiration de ce dĂ©lai, la demande est censĂ©e ĂȘtre recevable.
Art. 36. Het agentschap onderzoekt de gegrondheid van de ontvankelijke aanvraag. Binnen dertig kalenderdagen na het einde van de indieningstermijn, vermeld in artikel 33, eerste lid, 1°, wordt aan de inrichtende macht hetzij de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap om de vergunning te verlenen, hetzij zijn voornemen om de vergunning te weigeren, betekend met een aangetekende brief of op een andere wijze die de minister bepaalt.
Bij het onderzoek toetst het agentschap de aanvraag aan de vergunningsvoorwaarden en de eventuele andere criteria, vermeld in de oproep.
Over alle vergunningsaanvragen voor een dienst voor pleegzorg in dezelfde provincie wordt tegelijkertijd een beslissing of een voornemen als vermeld in het eerste lid, betekend. Alleen aan de inrichtende macht waarvan de aanvraag het hoogst scoort op de voorwaarden en criteria, vermeld in het tweede lid, wordt een beslissing tot het verlenen van de vergunning betekend.
De beslissing, vermeld in het eerste lid, bevat de volgende gegevens :
1° de naam en het adres van de inrichtende macht;
2° de naam en het adres van de dienst;
3° de beslissing tot vergunning;
4° de duur van de vergunning.
Een voornemen als vermeld in het eerste lid, bevat minstens de volgende gegevens :
1° de naam en het adres van de inrichtende macht;
2° de naam en het adres van de dienst;
3° de gemotiveerde voorgenomen beslissing om de vergunning te weigeren;
4° de mogelijkheid en de voorwaarden om een gemotiveerd bezwaar in te dienen;
5° de bezwaarprocedure.
Als binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, geen voornemen of beslissing van de administrateur-generaal aan de inrichtende macht is betekend, wordt de inrichtende macht van rechtswege geacht een voornemen tot weigering van de vergunning te hebben ontvangen.
Art. 36. L'agence examine le bien-fondé de la demande recevable. Dans les trente jours calendaires aprÚs la fin du délai d'introduction, visé à l'article 33, alinéa premier, 1°, soit la décision de l'administrateur général de l'agence portant sur l'octroi de l'autorisation, soit son intention de refuser l'autorisation sont notifiées au pouvoir organisateur par envoi recommandé ou d'une autre façon que le ministre définit.
Lors de l'examen, l'agence confronte la demande aux conditions d'autorisation et aux autres critÚres éventuels visés dans l'appel.
Les notifications de la dĂ©cision ou de l'intention, visĂ©es Ă  l'alinĂ©a premier s'effectuent en mĂȘme temps pour toutes les demandes d'autorisation introduites par un service de placement familial dans la mĂȘme province. Le pouvoir organisateur dont la demande est Ă©valuĂ©e le plus avantageusement sur la base des conditions et critĂšres visĂ©s Ă  l'alinĂ©a deux, est le seul Ă  recevoir une notification de la dĂ©cision de l'octroi de l'autorisation.
La décision, visée à l'alinéa premier, comprend les données suivantes :
1° le nom et l'adresse du pouvoir organisateur;
2° le nom et l'adresse du service;
3° la décision d'autorisation;
4° la durée de l'autorisation;
L'intention visée au premier alinéa contient au moins les données suivantes :
1° le nom et l'adresse du pouvoir organisateur;
2° le nom et l'adresse du service;
3° la décision envisagée et motivée du refus de l'autorisation;
4° la possibilité et les conditions de l'introduction d'une réclamation motivée;
5° la procédure de réclamation.
A défaut d'une notification au pouvoir organisateur de l'intention ou de la décision de l'administrateur général, le pouvoir organisateur est réputé de plein droit avoir reçu une intention de refus de l'autorisation.
Art. 37. Op straffe van niet-ontvankelijkheid kan de inrichtende macht tot uiterlijk vijftien kalenderdagen na de ontvangst van het voornemen tot weigering van de vergunning, vermeld in artikel 36, eerste lid, tegen dat voornemen met een aangetekende zending of door afgifte tegen ontvangstbewijs een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het agentschap. In het geval, vermeld in artikel 36, zesde lid, neemt de termijn van vijftien kalenderdagen een aanvang de dag nadat de termijn, vermeld in artikel 36, eerste lid, verstreken is.
Als de inrichtende macht geen ontvankelijk bezwaarschrift indient binnen de termijn van vijftien kalenderdagen, vermeld in het eerste lid, wordt na het verstrijken van die termijn het voornemen van de administrateur-generaal van het agentschap van rechtswege geacht een weigeringsbeslissing van de administrateur-generaal te zijn. Het agentschap brengt de inrichtende macht binnen vijftien kalenderdagen na het verstrijken van die termijn daarvan op de hoogte met een aangetekende zending.
Art. 37. Sous peine de non-recevabilité, le pouvoir organisateur peut introduire auprÚs de l'agence une réclamation motivée contre l'intention de refus de l'autorisation, visée à l'article 36, alinéa premier au moyen d'un envoi recommandé ou d'une remise contre récépissé au plus tard 15 jours calendaires aprÚs la réception de celle-ci. Dans le cas, visé à l'article 36, alinéa six, le délai de quinze jours calendaires prend cours le jour suivant l'expiration du délai, visé à l'article 36, alinéa premier.
A défaut de l'introduction d'une réclamation recevable par le pouvoir organisateur dans le délai de quinze jours calendaires, visé au premier alinéa, l'intention de l'administrateur général de l'agence est réputée de plein droit s'assimiler à une décision de refus de l'administrateur-général, aprÚs l'expiration de ce délai. L'agence en informe le pouvoir organisateur par envoi recommandé dans les quinze jours calendaires aprÚs l'expiration de ce délai.
Art. 38.
Art. 38.
Art. 39. Als een vergunde dienst voor pleegzorg niet voldoet aan de vergunningsvoorwaarden of niet meewerkt aan de uitoefening van het toezicht, stuurt het agentschap met een aangetekende zending een aanmaning naar de inrichtende macht van de dienst.
De aanmaning, vermeld in het eerste lid, vermeldt :
1° de naam en het adres van de inrichtende macht van de dienst voor pleegzorg;
2° de naam en het adres van de dienst voor gezinszorg;
3° de vergunningsvoorwaarden waaraan niet wordt voldaan of het feit dat geen medewerking wordt verleend aan het toezicht;
4° de motivering waarom volgens het agentschap de vergunningsvoorwaarden, vermeld in punt 3°, niet zijn nageleefd, of waarom niet wordt meegewerkt bij de uitoefening van het toezicht;
5° de regularisatietermijn waarin aan de vergunningsvoorwaarden, vermeld in punt 3°, moet worden voldaan of aan de uitoefening van het toezicht moet zijn meegewerkt;
6° in voorkomend geval, de begeleidende maatregelen die het agentschap tijdens de termijn, vermeld in punt 5°, oplegt;
7° de juridische gevolgen als na verloop van de termijn, vermeld in punt 5°, niet aan de vergunningsvoorwaarden, vermeld in punt 3°, is voldaan of niet is meegewerkt aan de uitoefening van het toezicht;
8° de mogelijkheid om op de aanmaning te reageren met een aangetekende zending of door afgifte tegen ontvangstmelding.
Het agentschap bepaalt de termijn, vermeld in het tweede lid, 5°, die niet langer kan zijn dan zes maanden.
Art. 39. Lorsqu'un service de placement familial autorisé ne répond pas aux conditions d'autorisation ou ne coopÚre pas à l'exercice du contrÎle, l'agence enverra une sommation au pouvoir organisateur du service au moyen d'un envoi recommandé.
La sommation, visée à l'alinéa premier, mentionne :
1° le nom et l'adresse du pouvoir organisateur du service de placement familial;
2° le nom et l'adresse du service de placement familial;
3° les conditions d'autorisation qui n'ont pas été respectées ou le manque constaté de coopération au contrÎle;
4° la motivation sur la base de laquelle l'agence conclut que les conditions d'autorisation, visées au point 3°, n'ont pas été respectées ou qu'il y a un manque de coopération dans l'exercice du contrÎle;
5° le délai de régularisation endéans lequel on doit se conformer aux conditions d'autorisation, visées au point 3° ou endéans lequel on doit coopérer à l'exercice du contrÎle;
6° le cas échéant, les mesures d'accompagnement imposées par l'agence au cours du délai visé au point 5°;
7° les consĂ©quences juridiques au cas oĂč, aprĂšs l'expiration du dĂ©lai, visĂ© au point 5°, il n'aurait pas Ă©tĂ© satisfait aux conditions d'autorisation visĂ©es au point 3° ou qu'il y aurait toujours un manque de coopĂ©ration Ă  l'exercice du contrĂŽle;
8° la possibilité de réagir à la sommation au moyen d'un envoi recommandé ou d'une remise contre récépissé.
L'agence définit le délai, visé à l'alinéa deux, 5°, qui ne peut pas excéder les six mois.
Art. 40. Als de dienst voor pleegzorg binnen de termijn, vermeld in de aanmaning, zich niet naar de vergunningsvoorwaarden, vermeld in de aanmaning, heeft geschikt of niet heeft meegewerkt aan de uitoefening van het toezicht, kan tot uiterlijk twee maanden na het verstrijken van die termijn het voornemen van de administrateur-generaal van het agentschap tot intrekking van de vergunning aan de inrichtende macht van de dienst worden betekend met een aangetekende zending.
Het voornemen, vermeld in het eerste lid, vermeldt :
1° de naam en het adres van de inrichtende macht van de dienst voor pleegzorg;
2° de naam en het adres van de dienst voor pleegzorg;
3° de gemotiveerde voorgenomen beslissing tot intrekking van de vergunning;
4° de gevolgen van de intrekking van de vergunning;
5° de mogelijkheid en de voorwaarden om een gemotiveerd bezwaarschrift in te dienen;
6° de bezwaarprocedure.
Art. 40. Lorsque le service de placement familial ne s'est pas conformĂ© aux conditions d'autorisation, mentionnĂ©es dans la sommation ou n'a pas coopĂ©rĂ© Ă  l'exercice du contrĂŽle endĂ©ans le dĂ©lai visĂ© dans la sommation, l'intention de l'administrateur-gĂ©nĂ©ral de l'agence de retirer l'autorisation peut ĂȘtre notifiĂ©e au pouvoir organisateur du service au moyen d'un envoi recommandĂ© jusqu'Ă  deux mois aprĂšs l'expiration de ce dĂ©lai au plus tard.
L'intention, visée à l'alinéa premier, mentionne :
1° le nom et l'adresse du pouvoir organisateur du service de placement familial;
2° le nom et l'adresse du service de placement familial;
3° la décision motivée envisagée portant sur le retrait de l'autorisation;
4° les conséquences du retrait de l'autorisation;
5° la possibilité et les conditions d'introduction d'une réclamation motivée;
6° la procédure de réclamation.
Art. 41. Op straffe van niet-ontvankelijkheid kan de inrichtende macht tot uiterlijk vijftien kalenderdagen na de ontvangst van het voornemen tot intrekking van de vergunning, vermeld in artikel 40, tegen dat voornemen met een aangetekende zending of door afgifte tegen ontvangstbewijs een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het agentschap.
Als de inrichtende macht geen ontvankelijk bezwaarschrift indient binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, wordt na het verstrijken van die termijn de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap tot intrekking van de vergunning met een aangetekende zending aan de inrichtende macht bezorgd.
De beslissing, vermeld in het tweede lid, vermeldt :
1° de naam en het adres van de inrichtende macht;
2° de naam en het adres van de dienst;
3° de beslissing tot intrekking van de vergunning;
4° de gevolgen van de intrekking van de vergunning;
5° de mogelijkheid en de procedure om een beroep in te stellen bij de Raad van State.
Art. 41. Sous peine de non-recevabilité, le pouvoir organisateur peut introduire auprÚs de l'agence une réclamation motivée contre l'intention de retrait de l'autorisation, visée à l'article 40, au moyen d'un envoi recommandé ou d'une remise contre récépissé au plus tard 15 jours calendaires aprÚs la réception de celle-ci.
A défaut de l'introduction d'une réclamation recevable par le pouvoir organisateur endéans le délai, visé à l'alinéa premier, la décision de l'administrateur général de l'agence de retirer l'autorisation est remise au pouvoir organisateur par envoi recommandé.
La décision, visée à l'alinéa deux, mentionne :
1° le nom et l'adresse du pouvoir organisateur;
2° le nom et l'adresse du service;
3° la décision portant sur le retrait de l'autorisation;
4° les conséquences du retrait de l'autorisation;
5° la possibilité et la procédure pour introduire un appel auprÚs du Conseil d'Etat.
Art. 42. Overeenkomstig artikel 26, eerste lid, van het decreet van 29 juni 2012 heeft de intrekking van de vergunning van een dienst voor pleegzorg van rechtswege de sluiting van die dienst tot gevolg.
Het agentschap maakt afspraken met vergunde diensten voor pleegzorg van andere provincies met het oog op de tijdelijke overname van de taken van de dienst waarvan de vergunning is ingetrokken, in afwachting dat in de provincie in kwestie een vergunning wordt afgeleverd aan een andere dienst voor pleegzorg.
Art. 42. Conformément à l'article 26, alinéa premier, du décret du 29 juin 2012, le retrait de l'autorisation d'un service de placement familial entraßne de plein droit la fermeture de ce service.
L'agence conclut des accords avec des services de placement familial autorisés d'autres provinces en vue de la reprise temporaire des tùches du service dont l'autorisation a été retirée, dans l'attente qu'une autorisation est délivrée à un autre service de placement familial dans la province.
Onderafdeling 3. - Sluiting
Sous-section 3. - Fermeture
Art. 43. Als een dienst voor pleegzorg zonder vergunning wordt uitgebaat, wordt aan de inrichtende macht van de dienst het gemotiveerde voornemen van de administrateur-generaal van het agentschap tot sluiting van de dienst betekend met een aangetekende zending.
Het voornemen, vermeld in het eerste lid, vermeldt :
1° de naam en het adres van de inrichtende macht van de dienst voor pleegzorg;
2° de naam en het adres van de dienst voor pleegzorg;
3° de gemotiveerde voorgenomen beslissing tot sluiting van de dienst;
4° de gevolgen van de sluiting;
5° de mogelijkheid en de voorwaarden om een gemotiveerd bezwaarschrift in te dienen;
6° de bezwaarprocedure.
Art. 43. Si un service de placement familial est exploité sans autorisation, l'intention motivée de l'administrateur général de l'agence de fermer le service est notifié au pouvoir organisateur du service par envoi recommandé.
L'intention, visée à l'alinéa premier, mentionne :
1° le nom et l'adresse du pouvoir organisateur du service de placement familial;
2° le nom et l'adresse du service de placement familial;
3° la décision motivée envisagée de fermer le service;
4° les conséquences de la fermeture;
5° la possibilité et les conditions d'introduction d'une réclamation motivée;
6° la procédure de réclamation.
Art. 44. Op straffe van niet-ontvankelijkheid kan de inrichtende macht tot uiterlijk vijftien kalenderdagen na de ontvangst van het voornemen tot sluiting, vermeld in artikel 43, tegen dat voornemen met een aangetekende zending of door afgifte tegen ontvangstbewijs een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het agentschap.
Als de inrichtende macht geen ontvankelijk bezwaarschrift indient binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, wordt na het verstrijken van die termijn de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap tot sluiting van de dienst voor pleegzorg met een aangetekende zending aan de inrichtende macht bezorgd.
De beslissing, vermeld in het tweede lid, vermeldt :
1° de naam en het adres van de inrichtende macht;
2° de naam en het adres van de dienst;
3° de beslissing tot sluiting;
4° de datum waarop de sluiting ingaat;
5° de gevolgen van de sluiting;
6° de mogelijkheid en de procedure om een beroep in te stellen bij de Raad van State.
Art. 44. Sous peine de non-recevabilité, le pouvoir organisateur peut introduire auprÚs de l'agence une réclamation motivée contre l'intention de fermeture, visée à l'article 43, au moyen d'un envoi recommandé ou d'une remise contre récépissé au plus tard 15 jours calendaires aprÚs la réception de celle-ci.
A défaut de l'introduction d'une réclamation recevable par le pouvoir organisateur endéans le délai, visé à l'alinéa premier, la décision de l'administrateur général de l'agence de fermer le service de placement familial est remise au pouvoir organisateur par envoi recommandé.
La décision, visée à l'alinéa deux, mentionne :
1° le nom et l'adresse du pouvoir organisateur;
2° le nom et l'adresse du service;
3° la décision de fermeture;
4° la date à laquelle la fermeture prend cours;
5° les conséquences de la fermeture;
6° la possibilité et la procédure pour introduire un appel auprÚs du Conseil d'Etat.
Art. 45. Een dienst waarvan de sluiting is bevolen of waarvan de vergunning is ingetrokken, kan geen aanspraak maken op een vergoeding voor de kosten die verbonden zijn aan de activiteiten die hebben plaatsgevonden in het kader van het sluiten van de dienst, of voor het verlies van inkomsten door het sluiten van de dienst.
Art. 45. Un service dont la fermeture a été ordonnée ou dont l'autorisation a été retirée, ne peut pas prétendre au remboursement des frais liés aux activités qui ont eu lieu dans le cadre de la fermeture du service, ou des pertes de revenus occasionnées par la fermeture du service.
Onderafdeling 4. - Bezwaarprocedure
Sous-section 4. - Procédure de réclamation
Art. 46. Het bezwaarschrift, vermeld in artikel 37, eerste lid, artikel 38, vijfde lid, artikel 41, eerste lid, en artikel 44, eerste lid, van dit besluit, wordt behandeld conform de regels die zijn vastgesteld bij of krachtens hoofdstuk III van het decreet van 7 december 2007 houdende de oprichting van de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid en van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers. Over het voormelde bezwaarschrift wordt beslist conform de regels die zijn vastgesteld bij of krachtens hoofdstuk III van het voormelde decreet.
De beslissing, vermeld in het eerste lid, vermeldt :
1° de naam en het adres van de inrichtende macht;
2° de naam en het adres van de dienst;
3° de aard van de beslissing : naargelang het geval gaat het om het verlenen of weigeren van de vergunning of van de verlenging ervan, het intrekken of niet-intrekken van de vergunning, of het sluiten of niet-sluiten van de dienst voor pleegzorg;
4° de gevolgen van de beslissing;
5° in geval van een beslissing tot weigering van de vergunning of van de verlenging ervan, tot intrekking van de vergunning of tot sluiting van de dienst voor pleegzorg, de mogelijkheid en de procedure om een beroep in te stellen bij de Raad van State.
Art. 46. La rĂ©clamation, visĂ©e Ă  l'article 37, alinĂ©a premier, Ă  l'article 38, alinĂ©a cinq, Ă  l'article 41, alinĂ©a premier et Ă  l'article 44, alinĂ©a premier du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, est traitĂ©e conformĂ©ment aux rĂšgles Ă©tablies par ou en vertu du chapitre III du dĂ©cret du 7 dĂ©cembre 2007 portant crĂ©ation du Conseil consultatif stratĂ©gique pour la Politique flamande de l'Aide sociale, de la SantĂ© et de la Famille et d'une Commission consultative pour les Structures de l'Aide sociale, de la SantĂ© publique et de la Famille et des (Candidats) Accueillants. La dĂ©cision sur la rĂ©clamation susvisĂ©e se fait conformĂ©ment aux rĂšgles Ă©tablies par ou en vertu du chapitre III du dĂ©cret susvisĂ©.
La décision, visée à l'alinéa premier, mentionne :
1° le nom et l'adresse du pouvoir organisateur;
2° le nom et l'adresse du service;
3° la nature de la décision : elle concerne, selon le cas, l'octroi ou le refus de l'autorisation ou de la prolongation de celle-ci, le retrait ou le non-retrait de l'autorisation ou la fermeture ou la non-fermeture du service de placement familial;
4° les conséquences de la décision;
5° dans le cas d'une décision de refus de l'autorisation ou de refus de prolongation de celle-ci, de retrait de l'autorisation ou de fermeture du service de placement familial, la possibilité et la procédure d'introduire un appel auprÚs du Conseil d'Etat.
Afdeling 4. - Toezicht
Section 4. - Surveillance
Art. 47. Het agentschap en [1 [2 Zorginspectie als vermeld in artikel 4, § 2, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023 over het Departement Zorg]2,]1 oefenen het toezicht uit op de naleving door de diensten voor pleegzorg van de bepalingen van :
1° het decreet van 29 juni 2012 en de uitvoeringsbesluiten ervan;
2° het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen en de uitvoeringsbesluiten ervan.
Art. 47. L'agence et [1 [2 l'Inspection des Soins, telle que visĂ©e Ă  l'article 4, § 2, alinĂ©a 3, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 mai 2023 relatif au DĂ©partement Soins ]2]1 veillent au respect par les services de placement familial des dispositions du :
"1°dĂ©cret du 29 juin 2012 et ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution;
2° dĂ©cret du 17 octobre 2003 relatif Ă  la qualitĂ© des structures de soins de santĂ© et d'aide sociale et ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution.
Art. 48.
Art. 48.
Art. 49.
Art. 49.
Art. 50. Als een dienst voor pleegzorg niet aan de bepalingen van dit besluit voldoet, kan het agentschap de dienst aanmanen om de tekorten weg te werken volgens de regels, vermeld in artikel 39. Artikel 40 tot en met 42 en 46 zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 50. Si un service de placement familial ne satisfait pas aux dispositions du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, l'agence peut sommer le service Ă  remĂ©dier aux dĂ©ficiences selon les rĂšgles visĂ©es Ă  l'article 39. Les articles 40 Ă  42 inclus et l'article 46 s'appliquent par analogie.
Afdeling 5. - Subsidiëring van de vergunde diensten voor pleegzorg
Section 5. - Subventionnement des services de placement familial autorisés
Art. 51. [4 Vergunde diensten voor pleegzorg ontvangen per module begeleiding of behandeling die ze inzetten, een forfaitaire subsidie die op jaarbasis wordt vastgesteld volgens de volgende tabel:
Art. 51. [4 Par module d'accompagnement ou de traitement qu'ils organisent, les services de placement familial autorisés obtiennent une subvention forfaitaire, fixée sur base annuelle selon le tableau suivant :
Module Personeel (P) Anciënniteit extra boven vijf jaar (A) Werking (W) Totaal (T=P+W)
Ondersteunend verblijf in een pleeggezin - lage frequentie, vermeld in artikel 3, eerste lid, 2° 5245,48 108,64 784,47 6029,95
Ondersteunend verblijf in een pleeggezin - korte duur, vermeld in artikel 3, eerste lid, 3° 5245,48 108,64 784,47 6029,95
Crisisverblijf in een pleeggezin, vermeld in artikel 3, eerste lid, 1° 31.472,88 651,84 4706,82 36.179,70
Perspectiefzoekend verblijf in een pleeggezin, vermeld in artikel 4 5245,48 108,64 784,47 6029,95
Perspectiefbiedend verblijf in een pleeggezin, vermeld in artikel 5 5245,48 108,64 784,47 6029,95
Behandelingspleegzorg, vermeld in artikel 6, § 1 9835,28 203,70 1470,88 11.306,16
Module Personeel (P) Anciënniteit extra boven vijf jaar (A) Werking (W) Totaal (T=P+W) Ondersteunend verblijf in een pleeggezin - lage frequentie, vermeld in artikel 3, eerste lid, 2° 5245,48 108,64 784,47 6029,95 Ondersteunend verblijf in een pleeggezin - korte duur, vermeld in artikel 3, eerste lid, 3° 5245,48 108,64 784,47 6029,95 Crisisverblijf in een pleeggezin, vermeld in artikel 3, eerste lid, 1° 31.472,88 651,84 4706,82 36.179,70 Perspectiefzoekend verblijf in een pleeggezin, vermeld in artikel 4 5245,48 108,64 784,47 6029,95 Perspectiefbiedend verblijf in een pleeggezin, vermeld in artikel 5 5245,48 108,64 784,47 6029,95 Behandelingspleegzorg, vermeld in artikel 6, § 1 9835,28 203,70 1470,88 11.306,16
";
2° tussen het derde en het vierde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Voor personeel dat in dienst is op 1 januari van het jaar, wordt het volgende extra subsidiebedrag toegekend:
Module Personnel (P) Ancienneté supplémentaire au-delà de cinq ans (A) Fonctionnement (W) Total (T=P+W)
Séjour dans une famille d'accueil à titre de soutien - faible fréquence, visé à l'article 3, alinéa 1er, 2° 5 245,48 108,64 784,47 6 029,95
Séjour dans une famille d'accueil à titre de soutien - courte durée, visé à l'article 3, alinéa 1er, 3° 5 245,48 108,64 784,47 6 029,95
Séjour de crise dans une famille d'accueil, visé à l'article 3, alinéa 1er, 1° 31 472,88 651,84 4 706,82 36 179,70
Séjour dans une famille d'accueil en vue de chercher des perspectives, visé à l'article 4 5 245,48 108,64 784,47 6 029,95
Séjour dans une famille d'accueil, offrant une perspective, visé à l'article 5 5 245,48 108,64 784,47 6 029,95
Placement familial de traitement, visé à l'article 6, § 1er 9 835,28 203,70 1 470,88 11 306,16
Module Personnel (P) Ancienneté supplémentaire au-delà de cinq ans (A) Fonctionnement (W) Total (T=P+W) Séjour dans une famille d'accueil à titre de soutien - faible fréquence, visé à l'article 3, alinéa 1er, 2° 5 245,48 108,64 784,47 6 029,95 Séjour dans une famille d'accueil à titre de soutien - courte durée, visé à l'article 3, alinéa 1er, 3° 5 245,48 108,64 784,47 6 029,95 Séjour de crise dans une famille d'accueil, visé à l'article 3, alinéa 1er, 1° 31 472,88 651,84 4 706,82 36 179,70 Séjour dans une famille d'accueil en vue de chercher des perspectives, visé à l'article 4 5 245,48 108,64 784,47 6 029,95 Séjour dans une famille d'accueil, offrant une perspective, visé à l'article 5 5 245,48 108,64 784,47 6 029,95 Placement familial de traitement, visé à l'article 6, § 1er 9 835,28 203,70 1 470,88 11 306,16
" ;
2° entre les alinéas 3 et 4, il est inséré un alinéa, rédigé comme suit :
" Pour le personnel employé au 1er janvier de l'année, le montant de subvention supplémentaire suivant est accordé :
Anciënniteitsjaar Bedrag per vte
28 jaar 138,83
29 jaar 267,08
30 jaar 386,27
31 jaar 496,44
32 jaar 598,49
33 jaar 693,08
34 jaar 780,67
35 jaar en meer 861,72
Anciënniteitsjaar Bedrag per vte 28 jaar 138,83 29 jaar 267,08 30 jaar 386,27 31 jaar 496,44 32 jaar 598,49 33 jaar 693,08 34 jaar 780,67 35 jaar en meer 861,72
";
3° in het bestaande vierde lid, dat het vijfde lid wordt, wordt de zinsnede "de index van de consumptieprijzen die van toepassing is op 1 januari 2019" vervangen door de zinsnede "de spilindex die van toepassing is op 1 januari 2023]4
Binnen de beschikbare begrotingskredieten heeft een vergunde dienst voor pleegzorg voor het betreffende jaar recht op een subsidie die wordt berekend als volgt :
1° per module wordt het overeenstemmende bedrag T vermeerderd met het overeenstemmende bedrag A voor elk jaar dat de gemiddelde anciënniteit van alle personeelsleden van de dienst de basisanciënniteit van vijf jaar overschrijdt. De anciënniteit wordt berekend op 1 januari van het betreffende jaar en afgerond op een decimaal;
2° het bedrag dat per module wordt verkregen met toepassing van punt 1°, wordt vermenigvuldigd met het aantal modules van die aard dat door de dienst was ingezet op 31 december van het voorgaande jaar of, als dat aantal hoger ligt, door het aantal modules van die aard dat door de dienst per dag gemiddeld was ingezet tijdens het voorgaande jaar.
Voor de berekening van de subsidie, vermeld in het tweede lid, mag het aantal modules begeleiding, vermeld in artikel 4, 2°, en artikel 5, 3°, die met toepassing van artikel 6, 2°, worden ingezet binnen de behandelingspleegzorg, op jaarbasis samen [2 maximaal 15%]2 bedragen van de som van het totale aantal modules begeleiding, vermeld in artikel 4, 2°, en artikel 5, 3°, dat buiten de behandelingspleegzorg wordt ingezet. Binnen dat percentage zet de dienst voor pleegzorg de modules begeleiding die deel uitmaken van behandelingspleegzorg, tijdens het betreffende jaar voor minimaal 80 % in.
[2 De bedragen, vermeld in het eerste lid, zijn gekoppeld aan de index van de consumptieprijzen die van toepassing is op 1 januari 2019.]2
De inzet van modules wordt door het agentschap gemonitord en halfjaarlijks gerapporteerd aan de financiële overheden.]1
Année d'ancienneté Montant par ETP
28 ans 138,83
29 ans 267,08
30 ans 386,27
31 ans 496,44
32 ans 598,49
33 ans 693,08
34 ans 780,67
35 ans et plus 861,72
Année d'ancienneté Montant par ETP 28 ans 138,83 29 ans 267,08 30 ans 386,27 31 ans 496,44 32 ans 598,49 33 ans 693,08 34 ans 780,67 35 ans et plus 861,72
" ;
3° dans l'alinéa 4 existant, qui devient l'alinéa 5, le membre de phrase " l'indice des prix à la consommation en vigueur le 1er janvier 2019 " est remplacé par le membre de phrase " l'indice-pivot applicable au 1er janvier 2023.]4
Dans les limites des crédits budgétaires disponibles un service de placement familial autorisé a droit à un subventionnement pour l'année en cours, qui est calculé comme suit :
1° par module, le montant T respectif est accru du montant A respectif pour chaque année que l'ancienneté moyenne de tous les membres du personnel du service excÚde l'ancienneté de base de cinq ans. L'ancienneté est calculée au 1er janvier de l'année concernée et arrondie à une décimale ;
2° le montant obtenu par module en application du point 1° est multipliĂ© par le nombre de modules de ce type que le service a utilisĂ© au 31 dĂ©cembre de l'annĂ©e prĂ©cĂ©dente ou, au cas oĂč ce nombre serait plus Ă©levĂ©, par le nombre de modules de ce type que le service a utilisĂ© par jour en moyenne au cours de l'annĂ©e prĂ©cĂ©dente.
Pour le calcul du subventionnement, visé à l'alinéa deux, le total du nombre de modules d'accompagnement, visé à l'article 4, 2° et à l'article 5, 3°, qui sont utilisés en application de l'article 6, 2° dans le placement familial de traitement [2 ne peuvent pas excéder 15 %]2 de la somme du nombre total de modules d'accompagnement, visé à l'article 4, 2° et à l'article 5, 3°, utilisé en dehors du placement familial de traitement. Dans ce pourcentage, le service de placement familial utilise les modules d'accompagnement faisant partie du placement familial de traitement pour au minimum 80 % au cours de l'année concernée.
[2 Les montants, visés à l'alinéa premier sont liés à l'indice des prix à la consommation en vigueur le 1er janvier 2019]2
L'agence fait le suivi de l'utilisation de modules et en fait un compte rendu semestriel à l'attention des autorités financiÚres.]1
Art. 51/1. [1 Als de som van het aantal ingezette modules perspectiefzoekende, perspectiefbiedende en ondersteunende pleegzorg op 30 juni van het jaar in kwestie 2% hoger ligt dan de som van het aantal modules dat de basis vormde voor de subsidiëring van het jaar in kwestie, kan binnen de beschikbare begrotingskredieten vanaf 1 augustus van het jaar in kwestie een aanpassing van de subsidie toegepast worden.
De dienst voor pleegzorg dient op uiterlijk 15 juli van het jaar in kwestie een aanvraag in bij het agentschap om een aanpassing als vermeld in het eerste lid, te krijgen.]1

Art. 51/1. [1 Si la somme du nombre de modules de placement familial recherchant une perspective, offrant une perspective et de soutien utilisĂ©s est supĂ©rieure de 2 % Ă  la somme du nombre de modules ayant servi de base Ă  la subvention pour l'annĂ©e en question au 30 juin de l'annĂ©e en question, un ajustement de la subvention peut ĂȘtre appliquĂ© dans les limites des crĂ©dits budgĂ©taires disponibles Ă  partir du 1er aoĂ»t de l'annĂ©e en question.
Le service de placement familial introduit une demande auprÚs de l'agence au plus tard le 15 juillet de l'année en question afin d'obtenir un ajustement tel que visé à l'alinéa premier.]1

Art. 52. Minimaal 70 % van de subsidie, berekend conform artikel 51, wordt aangewend voor personeelskosten.
Minimaal 60 % van het gesubsidieerde personeel wordt in begeleidende functies ingezet.
Art. 52. Au minimum 70 % de la subvention, calculée conformément à l'article 51, est affecté à des frais de personnel.
Au minimum 60 % du personnel subventionné est affecté à des fonctions d'accompagnement.
Art. 53. De subsidie wordt in maandelijkse voorschotten uitgekeerd. Het bedrag van het maandelijkse voorschot wordt berekend op een twaalfde van 90 % van de jaarlijkse subsidie. Het saldo wordt uitbetaald in het eerste kwartaal van het volgende jaar nadat de nodige boekhoudelementen zijn voorgelegd.
De personeelskosten die voortvloeien uit de toepassing van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag, worden gesubsidieerd aan de hand van een aparte verantwoording.
Art. 53. La subvention est payée en tranches mensuelles. Le montant de l'avance mensuelle est calculé à un douziÚme de 90 % de la subvention annuelle. Le solde est payé dans le premier trimestre de l'année suivante sur production des éléments comptables nécessaires.
Les frais de personnel dĂ©coulant de l'application de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 2007 fixant le rĂ©gime de chĂŽmage avec complĂ©ment d'entreprise sont subventionnĂ©s Ă  l'aide d'une justification sĂ©parĂ©e.
Art. 54. De dienst voor pleegzorg kan op volgende wijze reserves opbouwen met de subsidies, vermeld in dit besluit :
1° de reserves worden aangewend om de specifieke dienstverlening, vermeld in dit besluit, te kunnen realiseren;
2° maximaal 20 % van de jaarlijkse subsidiebedragen, vermeld in dit besluit, kan als reserve overgedragen worden naar het volgend kalenderjaar;
3°de gecumuleerde reserve, opgebouwd uit de jaarlijkse subsidiebedragen, vermeld in punt 2°, is maximaal 50 % van de jaarlijkse subsidiebedragen, vermeld in punt 2°;
4° als het maximum, vermeld in punt 2° en 3°, overschreden wordt, wordt het overschreden bedrag teruggestort aan de Vlaamse administratie, tenzij de dienst voor pleegzorg een aanwendingsplan of aanzuiveringsplan heeft dat voldoet aan een aantal criteria, waaronder de goedkeuring van Inspectie van Financiën.
De minister bepaalt de nadere regels met betrekking tot de terugbetaling en het aanwendingsplan of aanzuiveringsplan, vermeld in het eerste lid, 4°, onder meer de criteria waaraan het aanwendingsplan of aanzuiveringsplan moet voldoen.
Art. 54. Le service de placement familial peut constituer des rĂ©serves avec les subventions, visĂ©es dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, de la façon suivante :
1° les rĂ©serves sont utilisĂ©es dans le but de rĂ©aliser les services spĂ©cifiques, visĂ©s dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©;
2° au maximum 20 % des montants annuels des subventions, visĂ©s dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, peut ĂȘtre transfĂ©rĂ© Ă  l'annĂ©e calendaire suivante;
3° la réserve cumulée, constituée à partir des montants annuels des subventions, visés au point 2°, est d'au maximum 50 % des montants annuels des subventions, visés au point 2°;
4° si le maximum, visé aux points 2° et 3° est excédé, le montant excédé est remboursé à l'administration flamande, à moins que le service de placement familial ne dispose d'un plan d'utilisation ou d'un plan d'apurement qui répond à un certain nombre de critÚres, dont l'approbation de l'Inspection des Finances en est un.
Le ministre définit les modalités relatives au remboursement et au plan d'utilisation ou plan d'apurement, visés à l'alinéa premier, 4°, entre autres les critÚres auxquels le plan d'utilisation ou le plan d'apurement doivent répondre.
Art. 54/1. [1 Voor de organisatie en coördinatie van een project als, vermeld in artikel 13/1, van het decreet van 29 juni 2012, kan ten laste van het fonds en binnen de begrotingskredieten, aan een of meer diensten voor pleegzorg of partnerorganisatie, op hun aanvraag, een subsidie worden verleend.
Een subsidieaanvraag is alleen ontvankelijk als ze voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° ze wordt door de dienst(en) voor pleegzorg of partnerorganisatie met een beveiligde zending bij de administratie ingediend;
2° ze bevat al de volgende elementen:
a) de identiteit en het adres van de dienst voor pleegzorg of partnerorganisatie;
b) een omschrijving van het project, die al de volgende elementen bevat:
1) de probleemstelling die aan de grondslag ligt van het project;
2) de manier waarop het project op de probleemstelling ingrijpt;
3) de verhouding van het project tot het bestaande aanbod;
4) de maatschappelijke relevantie van het project;
5) de doelgroep en het aantal minderjarigen op wie het project betrekking heeft;
6) de verwijzingen naar bestaand onderzoek als dat beschikbaar is;
7) de beoogde effecten van het project;
8) de indicatoren en meetfactoren om de beoogde effecten te meten;
9) de wijze waarop en de persoon door wie het project wordt opgevolgd en geëvalueerd;
10) de wijze waarop het project structureel gemaakt kan worden;
11) de duurtijd en fasering van het project;
12) een begroting van alle inkomsten en uitgaven die betrekking hebben op de realisatie van het project.
Artikel 17 tot en met 32 zijn van overeenkomstige toepassing op de projecten.
De duurtijd, vermeld in het tweede lid, 2°, b), 11), bedraagt maximaal vijf jaar. Overschrijding van die termijn kan alleen op beslissing van de minister, nadat de inrichtende macht daarvoor een aanvraag indient die, behalve de elementen, vermeld in het tweede lid, 2°, een motivatie voor de verlenging bevat.
De subsidie wordt verleend in het kader van een overeenkomst die wordt gesloten met de minister. De overeenkomst bevat:
1° de identiteit en het adres van de contracterende partijen;
2° de omschrijving van het project, vermeld in het tweede lid, 2°, b);
3° een verwijzing naar het vierde lid;
4° een verwijzing naar de specifieke criteria, vermeld in het derde lid;
5° een beschrijving van de manier waarop over de voortgang van het project wordt gerapporteerd, zowel inhoudelijk als financieel;
6° de opgave van de subsidiebedragen en van de bestemming van de bedragen;
7° de uitbetalingsmodaliteiten van de subsidies;
8° de looptijd van de overeenkomst;
9° de vermelding van de manier waarop de overeenkomst wordt beëindigd.
De subsidie wordt verleend op voorwaarde dat:
1° ze uitsluitend wordt aangewend voor de personeelskosten en de werkingskosten die nodig zijn om het project te realiseren;
2° er een boekhoudplan wordt gebruikt conform een rekeningstelsel dat de minister bepaalt;
3° toezicht van de administratie mogelijk is op de boekhouding en op de aanwending van de subsidies, zowel op basis van stukken als ter plaatse.]1

Art. 54/1. [1 Pour l'organisation et la coordination d'un projet tel que visĂ© Ă  l'article 13/1 du dĂ©cret du 29 juin 2012 une subvention peut ĂȘtre octroyĂ©e Ă  charge du fonds et dans les limites des crĂ©dits budgĂ©taires, Ă  un ou plusieurs services de placement familial ou Ă  une organisation partenaire, sur leur demande.
Une demande de subvention n'est recevable que si elle remplit toutes les conditions suivantes :
1° elle est introduite auprÚs de l'administration par le(s) service(s) de placement familial ou l'organisation partenaire par envoi sécurisé ;
2° elle contient tous les éléments suivants :
a) l'identité et l'adresse du service de placement familial ou de l'organisation partenaire ;
b) une description du projet, comprenant tous les éléments suivants :
1) la problématique qui est à la base du projet ;
2) la maniÚre dont le projet intervient dans la problématique ;
3) le rapport du projet Ă  l'offre existante ;
4) la pertinence sociale du projet ;
5) le groupe cible et le nombre de mineurs sur lesquels porte le projet ;
6) les références à la recherche existante, si elle est disponible ;
7) les effets visés du projet ;
8) les indicateurs et facteurs de mesure pour mesurer les effets visés ;
9) la maniÚre dont et la personne par qui le projet est suivi et évalué ;
10) la maniĂšre dont le projet peut ĂȘtre rendu structurel ;
11) la durée et les phases du projet ;
12) un budget de toutes les recettes et dépenses relatives à la réalisation du projet.
Les articles 17 Ă  32 inclus s'appliquent par analogie aux projets.
La durée visée à l'alinéa deux, 2°, b), 11) s'élÚve à cinq ans au maximum. Le dépassement de ce délai est uniquement possible sur la décision du Ministre, aprÚs que le pouvoir organisateur introduit une demande à cet effet qui comprend, outre les éléments visés à l'alinéa deux, 2°, une motivation de la prolongation.
La subvention est octroyée dans le cadre d'une convention qui est conclue avec le Ministre. La convention comprend au moins :
1° l'identité et l'adresse des parties contractantes ;
2° la description du projet visé à l'alinéa deux, 2°, b) ;
3° une référence à l'alinéa quatre ;
4° une référence aux critÚres spécifiques, visés à l'alinéa trois ;
5° une description de la maniÚre dont il est fait un rapport sur l'avancement du projet, tant sur le plan du contenu que sur le plan financier ;
6° une indication des montants des subventions et de leur affectation ;
7° les modalités de paiement des subventions ;
8° la durée de la convention ;
9° une indication de la façon dont la convention est résiliée.
La subvention est octroyée à condition :
1° qu'elle soit affectée uniquement aux frais de personnel et aux frais de fonctionnement qui sont nécessaires à la réalisation du projet ;
2° qu'un plan comptable soit utilisé conformément à un systÚme de comptes fixé par le Ministre ;
3° que le contrÎle par l'administration de la comptabilité et de l'affectation des subventions soit possible, tant sur la base de documents que sur place.]1

HOOFDSTUK 4. - Pleegzorgers en pleeggezinnen
CHAPITRE 4. - Accueillants et familles d'accueil
Afdeling 1. - Screening en attestering
Section 1re. - Screening et attestation
Art. 55. § 1. De dienst voor pleegzorg screent [1 kandidaat-pleeggezin en pleeggezin]1 voor bestandspleegzorg op de wijze, vermeld in paragraaf 2 en paragraaf 3.
§ 2. De dienst selecteert [1 kandidaat-pleeggezinnen]1 aan de hand van de voorwaarden, vermeld in artikel 14, § 2, eerste lid, van het decreet van 29 juni 2012. De selectieprocedure resulteert in een gemotiveerde schriftelijke beslissing waaruit blijkt dat een kandidaat-pleegzorger al dan niet als [1 pleeggezin]1 wordt geselecteerd.
De beslissing waarin [1 het kandidaat-pleeggezin]1 wordt geselecteerd, wordt aan [1 het kandidaat-pleeggezin]1 bezorgd, samen met zijn profiel. In dat profiel wordt onder meer vermeld welk profiel van pleegkinderen of -gasten aan zijn gezin kunnen worden toevertrouwd en welke typemodule of typemodules hij kan uitvoeren.
De beslissing waarin [1 het kandidaat-pleeggezin]1 niet wordt geselecteerd, wordt aan [1 het kandidaat-pleeggezin]1 meegedeeld, met vermelding van de mogelijkheid om binnen een maand na de ontvangst van de mededeling een herscreening te vragen als vermeld in artikel 14, § 5, eerste lid, van het decreet van 29 juni 2012.
§ 3. Als na de toetsing van de kenmerken van een pleegkind of pleeggast aan het profiel van [1 het geselecteerde pleeggezin]1, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, blijkt dat het [1 pleeggezin]1 geschikt is om als pleeggezin voor het pleegkind of de pleeggast te fungeren, gaat de dienst voor pleegzorg na of het pleeggezin voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 14, § 2, eerste lid, van het decreet van 29 juni 2012. Als ook aan die voorwaarden is voldaan, levert de dienst voor pleegzorg aan [1 het pleeggezin]1 een attest af waarin wordt gemotiveerd waarom het pleegkind of de pleeggast aan zijn gezin wordt toevertrouwd.
Bij de toetsing van de kenmerken van een pleegkind of pleeggast aan het profiel van [1 het pleeggezin]1 houdt de dienst voor pleegzorg in voorkomend geval rekening met bevindingen uit hulpverlening die voordien aan het pleegkind of de pleeggast werden verstrekt. Ook waakt de dienst erover dat de ideologische, filosofische en godsdienstige overtuiging van het pleegkind of de pleeggast en [2 het gezin van oorsprong]2 gerespecteerd worden.
Art. 55. § 1er. Le service de placement familial fait un screening [1 du candidat famille d'accueil et de la famille d'accueil]1 pour le placement familial non parent selon le mode, visé aux paragraphes 2 et 3.
§ 2. Le service recrute des [1 candidats familles d'accueil]1 sur la base des conditions, visées à l'article 14, § 2, alinéa premier du décret du 29 juin 2012. La procédure de sélection aboutit à une décision écrite motivée portant sur la sélection ou la non-sélection d'un candidat-accueillant comme [1 famille d'accueil]1.
La dĂ©cision portant sur la sĂ©lection du [1 candidat famille d'accueil]1 est transmise au [1 candidat famille d'accueil]1, ensemble avec son profil. Ce profil reprend entre autres le profil des enfants ou adultes placĂ©s qui peuvent ĂȘtre confiĂ©s Ă  sa famille et le module type ou les modules type qu'il peut effectuer.
La décision portant sur la non-sélection du [1 candidat famille d'accueil]1, est transmise au [1 candidat famille d'accueil]1, avec mention de la possibilité de demander un nouveau screening, tel que visé à l'article 14, § 5, alinéa premier du décret du 29 juin 2012 endéans le mois aprÚs la réception de la communication,
§ 3. S'il s'avÚre, aprÚs la confrontation des caractéristiques d'un enfant placé ou d'un adulte placé au profil [1 de la famille d'accueil sélectionnée]1, visé au paragraphe 2, alinéa deux, que la [1 famille d'accueil]1 est apte à assumer le rÎle de famille d'accueil pour l'enfant placé ou l'adulte placé, le service de placement familial vérifie si la famille d'accueil satisfait aux conditions visées à l'article 14, § 2, alinéa premier du décret du 29 juin 2012. S'il a aussi été satisfait à ces conditions, le service de placement familial délivre une attestation à [1 la famille d'accueil]1, dans laquelle la raison est motivée pour laquelle l'enfant placé ou l'adulte placé est confié à [1 la famille d'accueil]1.
Lors de la confrontation des caractéristiques d'un enfant placé ou d'un adulte placé au profil de [1 la famille d'accueil]1, le service de placement familial tient, le cas échéant, compte de constatations faites lors de prestations de service antérieures au bénéfice de l'enfant placé ou de l'adulte placé. Le service veille aussi à ce que les convictions idéologique, philosophique et religieuse de l'enfant placé ou de l'adulte placé et de [1 sa]1 [2 famille d'origine]2 soient respectées.
Art. 56. De dienst voor pleegzorg screent [1 kandidaat-pleeggezin en pleeggezin]1 voor netwerkpleegzorg binnen zes weken na de dag dat hij op de hoogte is gebracht van de opvang van een pleegkind of pleeggast in het [1 pleeggezin]1 in een geval als vermeld in artikel 14, § 3, eerste lid, van het decreet van 29 juni 2012. Als de dienst van oordeel is dat niet rechtstreeks toegankelijke pleegzorg aangewezen is, meldt hij het pleegkind onmiddellijk nadat hij van de voormelde opvang op de hoogte is gebracht, aan bij de toegangspoort conform het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp.
Als het pleeggezin voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 14, § 2, eerste lid, van het decreet van 29 juni 2012, en als de ideologische, filosofische en godsdienstige overtuiging van het pleegkind of de pleeggast en [1 het pleeggezin]1 van oorsprong gerespecteerd worden, levert de dienst voor pleegzorg aan [1 het kandidaat-pleeggezin of pleeggezin]1 een attest af waarin wordt gemotiveerd waarom het pleegkind of de pleeggast aan [1 het pleeggezin]1 wordt toevertrouwd.
De beslissing waarin het attest wordt geweigerd omdat niet voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt aan [1 het kandidaat-pleeggezin of pleeggezin]1 meegedeeld, met vermelding van de mogelijkheid om binnen een maand na de ontvangst van de mededeling een herscreening aan te vragen als vermeld in artikel 14, § 5, eerste lid, van het decreet van 29 juni 2012.
Art. 56. Le service de placement familial fait un screening [1 du candidat famille d'accueil et de la famille d'accueil]1 pour le placement familial de réseau dans les six semaines suivant le jour auquel ceux-ci ont été informés de l'accueil d'un enfant placé ou d'un adulte placé dans la [1 famille d'accueil]1 dans un cas, tel que visé à l'article 14, § 3, alinéa premier du décret du 29 juin 2012. Si le service estime que de l'accueil familial non directement accessible est indiqué, il inscrit l'enfant placé à la porte d'entrée immédiatement aprÚs qu'il a été informé de l'accueil susvisé, conformément au décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse.
Si la famille d'accueil répond aux conditions, visées à l'article 14, § 2, alinéa premier du décret du 29 juin 2012 et si les convictions idéologique, philosophique et religieuse de l'enfant placé ou de l'adulte placé et [1 la famille d'accueil]1 d'origine sont respectées, le service de placement familial délivre une attestation [1 au candidat famille d'accueil ou à la famille d'accueil]1, dans laquelle la raison est motivée pour laquelle l'enfant placé ou l'adulte placé est confié à [1 la famille d'accueil]1.
La décision dans laquelle l'attestation est refusée parce qu'il n'a pas été satisfait aux conditions, visées à l'alinéa premier, est communiquée [1 au candidat famille d'accueil ou à la famille d'accueil]1, avec mention de la possibilité de demander un nouveau screening, tel que visé à l'article 14, § 5, alinéa premier du décret du 29 juin 2012 endéans un mois aprÚs la réception de la communication.
Art. 57. Bij de screening van de draagkracht, vermeld in artikel 14, § 2, eerste lid, 2°, van het decreet van 29 juni 2012, wordt minstens rekening gehouden met de kenmerken van [1 het pleeggezin, de nodige competenties van het pleeggezin om adequaat om te gaan met een pleegzorgsituatie, de materiële mogelijkheden, de gezinssituatie en de sociale context van het pleeggezin]1.
In het geval, vermeld in artikel 55, § 3, eerste lid, of artikel 56, eerste lid, van dit besluit, wordt bij de screening van de draagkracht ook rekening gehouden met de kenmerken van het pleegkind of de pleeggast.
Art. 57. Lors du screening de la capacité, visée à l'article 14, § 2, alinéa premier, 2° du décret du 29 juin 2012, il est au minimum tenu compte des caractéristiques [1 de la famille d'accueil, des compétences nécessaires de la famille d'accueil pour approcher une situation de placement familial adéquatement, des possibilités matérielles, de la situation familiale et du contexte social de la famille d'accueil]1.
Dans le cas, visĂ© Ă  l'article 55, § 3, alinĂ©a premier ou Ă  l'article 56, alinĂ©a premier du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, il est aussi tenu compte des caractĂ©ristiques de l'enfant placĂ© ou de l'adulte placĂ© lors du screening de la capacitĂ©.
Art. 58. Rekening houdend met artikel 55, 56 en 57 expliciteert de dienst voor pleegzorg de gehanteerde procedure voor de screening van pleeggezinnen. In die procedure worden duidelijke verantwoordelijkheden, doelstellingen, werkwijzen en instrumenten benoemd. De procedure wordt intern en extern bekendgemaakt.
Art. 58. Tenant compte des articles 55, 56 et 57, le service de placement familial explicite la procédure adoptée pour le screening des familles d'accueil. Cette procédure est claire en ce qui concerne les responsabilités, objectifs, approches et instruments. La procédure est publiée tant en interne qu'en externe.
Afdeling 2. - Intrekking en verval van een attest
Section 2. - Retrait et échéance d'une attestation
Art. 59. Een attest kan door de dienst voor pleegzorg worden ingetrokken als het pleeggezin niet langer voldoet aan een van de voorwaarden, vermeld in artikel 14, § 2, eerste lid, van het decreet van 29 juni 2012. Vooraleer het attest in te trekken nodigt de dienst [1 de volwassen leden van het pleeggezin in kwestie]1 uit om hem te horen.
De beslissing tot intrekking van het attest wordt aan [1 het pleeggezin]1 meegedeeld met vermelding van de mogelijkheid om binnen een maand na de ontvangst van de mededeling een herscreening te vragen als vermeld in artikel 14, § 5, eerste lid, van het decreet van 29 juni 2012.
Art. 59. Une attestation peut ĂȘtre retirĂ©e par le service de placement familial lorsque la famille d'accueil ne rĂ©pond plus Ă  une des conditions visĂ©es Ă  l'article 14, § 2, alinĂ©a premier du dĂ©cret du 29 juin 2012. Avant de retirer l'attestation, le service invite [1 les membres adultes de la famille d'accueil concernĂ©e]1 pour l'entendre.
La décision portant sur le retrait de l'attestation est communiquée à [1 la famille d'accueil]1, avec mention de la possibilité de demander un nouveau screening, tel que visé à l'article 14, § 5, alinéa premier du décret du 29 juin 2012 endéans le mois aprÚs la réception de la communication.
Art. 60. Het attest vervalt als het verblijf van het pleegkind of de pleeggast in het pleeggezin wordt beëindigd [1 als het pleegkind of de pleeggast niet langer in het pleeggezin verblijft]1, in voorkomend geval na een beslissing van de verwijzer.
Art. 60. L'attestation expire si le séjour de l'enfant placé ou de l'adulte placé dans la famille d'accueil est terminé [1 si l'enfant placé ou l'adulte placé ne séjourne plus dans la famille d'accueil]1, le cas échéant aprÚs une décision de l'instance adressant l'enfant placé ou l'adulte placé.
Afdeling 2/1. [1 - Bezwaar tegen de weigering of intrekking van een attest]1
Section 2/1. [1 - Réclamation contre le refus ou le retrait d'une attestation]1
Art. 60/1. [1 Op straffe van niet-ontvankelijkheid kan [2 het kandidaat-pleeggezin of pleeggezin]2 tot uiterlijk dertig kalenderdagen na de ontvangst van de beslissing die volgt op een herscreening als vermeld in artikel 55, § 2, derde lid, artikel 56, derde lid, of artikel 59, tweede lid, tegen die beslissing met een aangetekende zending een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het secretariaat van de Adviescommissie.]1
Art. 60/1. [1 Sous peine d'irrecevabilité, [2 le candidat famille d'accueil ou la famille d'accueil]2 peut présenter, par lettre recommandée, une réclamation motivée contre la décision qui suit un nouveau screening, tel que visé à l'article 55, § 2, troisiÚme alinéa, à l'article 56, troisiÚme alinéa, ou à l'article 59, deuxiÚme alinéa, au secrétariat de la Commission consultative, au plus tard trente jours calendaires à compter de la réception de ladite décision.]1
Art. 60/2. [1 De Adviescommissie behandelt het bezwaarschrift, vermeld in artikel 60/1 van dit besluit, volgens de regels, vermeld in hoofdstuk 5/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013 betreffende de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers. De dienst voor pleegzorg die na een herscreening van [2 het kandidaat-pleeggezin of het pleeggezin]2 de beslissing heeft genomen waartegen het bezwaar is gericht, en de dienst voor pleegzorg van de verblijfplaats van [2 het kandidaat-pleeggezin of pleeggezin]2 verlenen daaraan hun medewerking conform de bepalingen van dat hoofdstuk.]1
Art. 60/2. [1 La Commission consultative traite la rĂ©clamation, visĂ©e Ă  l'article 60/1 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, conformĂ©ment aux rĂšgles, visĂ©es au chapitre 5/1 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 juillet 2013 concernant la Commission consultative pour les Structures de l'Aide sociale, de la SantĂ© publique et de la Famille et des (Candidats) accueillants. Le service de placement familial qui, aprĂšs un nouveau screening [2 du candidat famille d'accueil ou de la famille d'accueil]2, a pris la dĂ©cision contre laquelle est dirigĂ©e la rĂ©clamation, et le service de placement familial de la rĂ©sidence [2 du candidat famille d'accueil ou de la famille d'accueil]2 y apportent leur collaboration conformĂ©ment aux dispositions du chapitre en question.]1
Art. 60/3. [1 Binnen dertig kalenderdagen na de ontvangst van het advies van de Adviescommissie deelt de dienst voor pleegzorg van de verblijfplaats van [2 het kandidaat-pleeggezin of pleeggezin]2 zijn gemotiveerde beslissing over het bezwaarschrift, vermeld in artikel 60/1 van dit besluit, met een aangetekende zending mee aan [2 het kandidaat-pleeggezin of pleeggezin]2. Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, van het decreet van 7 december 2007 houdende de oprichting van de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid en van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers kan de dienst over het bezwaarschrift pas een beslissing nemen na ontvangst van het advies van de Adviescommissie. Als echter de Adviescommissie haar advies niet heeft meegedeeld binnen de daarvoor bepaalde termijn, deelt de dienst zijn gemotiveerde beslissing over het bezwaarschrift met een aangetekende zending mee aan [2 het kandidaat-pleeggezin of pleeggezin]2 binnen dertig kalenderdagen na het verstrijken van die termijn.]1
Art. 60/3. [1 Dans les trente jours calendaires aprĂšs rĂ©ception de l'avis de la Commission consultative, le service de placement familial de la rĂ©sidence [2 du candidat famille d'accueil ou de la famille d'accueil]2 notifie, par lettre recommandĂ©e, sa dĂ©cision motivĂ©e sur la rĂ©clamation, visĂ©e Ă  l'article 60/1 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, au [2 candidat famille d'accueil ou Ă  la famille d'accueil]2. ConformĂ©ment Ă  l'article 15, deuxiĂšme alinĂ©a, du dĂ©cret du 7 dĂ©cembre 2007 portant crĂ©ation du Conseil consultatif stratĂ©gique pour la Politique flamande de l'Aide sociale, de la SantĂ© et de la Famille et d'une Commission consultative pour les Structures de l'Aide sociale, de la SantĂ© publique et de la Famille et des (Candidats) Accueillants, le service ne peut prendre une dĂ©cision sur la rĂ©clamation qu'aprĂšs rĂ©ception de l'avis de la Commission consultative. A dĂ©faut d'un avis de la Commission consultative dans le dĂ©lai imparti, le service notifie, par lettre recommandĂ©e, au [2 candidat famille d'accueil ou Ă  la famille d'accueil]2 sa dĂ©cision motivĂ©e sur la rĂ©clamation dans les trente jours calendaires de l'expiration de ce dĂ©lai.]1
Afdeling 3. - Registratie van weigering en intrekking van attest
Section 3. - Enregistrement de refus et de retrait d'une attestation
Art. 61. Conform artikel 15 van het decreet van 29 juni 2012 deelt de dienst voor pleegzorg elke weigering en elke intrekking van een attest mee aan het agentschap. Het agentschap bewaart die gegevens in een register gedurende een periode van tien jaar.
Art. 61. Conformément à l'article 15 du décret du 29 juin 2012, le service de placement familial communique tout refus et tout retrait d'une attestation à l'agence. L'agence sauvegarde ces données dans un registre pendant une période de dix ans.
Afdeling 4. - Vergoeding van pleeggezinnen
Section 4. - Indemnisation des familles d'accueil
Art. 62. § 1. [1 Per pleegkind of pleeggast voor wie met toepassing van artikel 55, § 3, eerste lid, of artikel 56, tweede lid, een attest is afgegeven, wordt binnen de beschikbare begrotingskredieten en per opvangdag een forfaitaire kostenvergoeding uitbetaald volgens de volgende tabel. Er wordt maar één dag aangerekend voor de dag van de opname en de dag van het ontslag. Die dag wordt bestempeld als dag van de opname. De minister kan bepaalde dagen afwezigheid gelijkstellen met werkelijke aanwezigheid, afhankelijk van de ingezette modules. De forfaitaire kostenvergoeding wordt uitbetaald aan het pleeggezin. Als het pleegkind of de pleeggast bij meerdere pleeggezinnen is ondergebracht, wordt de forfaitaire kostenvergoeding evenredig verdeeld.]1
Art. 62. § 1er. [1 Par enfant placé ou adulte placé, pour qui une attestation a été délivrée en application de l'article 55, § 3, alinéa premier, ou de l'article 56, alinéa deux, une indemnité forfaitaire est payée dans les limites des crédits budgétaires disponibles, selon le tableau ci-dessous. Le jour d'admission et le jour de décharge sont considérés comme un seul jour. Ce jour est assimilé au jour d'admission. Le Ministre peut assimiler certains jours d'absence à une présence réelle, en fonction des modules utilisés. L'indemnité forfaitaire est versée à la famille d'accueil. Si l'enfant placé ou l'adulte placé est placé dans plusieurs familles d'accueil, l'indemnité forfaitaire est répartie proportionnellement.]1
[1 soort pleegzorg en/of leeftijd kindbedrag vergoeding
0-6 jaar, perspectiefzoekende en -biedende pleegzorg waarbij het kind recht geeft op gezinsbijslag13,00
6-12 jaar, perspectiefzoekende en -biedende pleegzorg waarbij het kind recht geeft op gezinsbijslag13,40
12-15 jaar, perspectiefzoekende en -biedende pleegzorg waarbij het kind recht geeft op gezinsbijslag15,20
15-18 jaar, perspectiefzoekende en -biedende pleegzorg waarbij het kind recht geeft op gezinsbijslag16,60
+18 jaar, perspectiefzoekende en -biedende pleegzorg waarbij het kind recht geeft op gezinsbijslag18,00
0-12 jaar, ondersteunende pleegzorg19,40
0-12 jaar, perspectiefzoekende en -biedende pleegzorg waarbij het kind geen recht geeft op gezinsbijslag19,40
12-18 jaar, ondersteunende pleegzorg20,95
12-18 jaar, perspectiefzoekende en -biedende pleegzorg waarbij het kind geen recht geeft op gezinsbijslag20,95
+ 18 jaar, met eigen inkomsten7,00]1
(1)2024-05-31/12, art. 4, 013; Inwerkingtreding : 08-08-2024>
[1 soort pleegzorg en/of leeftijd kindbedrag vergoeding0-6 jaar, perspectiefzoekende en -biedende pleegzorg waarbij het kind recht geeft op gezinsbijslag13,006-12 jaar, perspectiefzoekende en -biedende pleegzorg waarbij het kind recht geeft op gezinsbijslag13,4012-15 jaar, perspectiefzoekende en -biedende pleegzorg waarbij het kind recht geeft op gezinsbijslag15,2015-18 jaar, perspectiefzoekende en -biedende pleegzorg waarbij het kind recht geeft op gezinsbijslag16,60+18 jaar, perspectiefzoekende en -biedende pleegzorg waarbij het kind recht geeft op gezinsbijslag18,000-12 jaar, ondersteunende pleegzorg19,400-12 jaar, perspectiefzoekende en -biedende pleegzorg waarbij het kind geen recht geeft op gezinsbijslag19,4012-18 jaar, ondersteunende pleegzorg20,9512-18 jaar, perspectiefzoekende en -biedende pleegzorg waarbij het kind geen recht geeft op gezinsbijslag20,95+ 18 jaar, met eigen inkomsten7,00]1(1)
Aan de vergunde diensten voor pleegzorg wordt een bijkomende forfaitaire subsidie van 0,7 euro per pleegkind of pleeggast als vermeld in het eerste lid, en per opvangdag toegekend. Met die extra middelen kan de dienst voor pleegzorg zelf een bedrag toekennen aan de pleegzorger voor een aantoonbare verhoogde zorgzwaartesituatie, af te bakenen in de tijd. Die middelen worden door de dienst voor pleegzorg beheerd en jaarlijks verantwoord. Ze kunnen niet als reserve worden aangelegd. Daarvoor worden afspraken gemaakt tussen de verschillende vergunde diensten, die door elke dienst voor overleg worden voorgelegd aan de participatieraad, vermeld in artikel 13.
Als een pleegzorger een pleeggast [2 of een meerderjarig pleegkind]2 opvangt die eigen inkomsten heeft, bedraagt de bijdrage van de pleeggast [2 of een meerderjarig pleegkind]2 in de kosten van de pleegzorg 513 euro per maand. Als echter de eigen inkomsten van de pleeggast [2 of een meerderjarig pleegkind]2, na vrijstelling voor een bedrag van 344 euro, lager zijn dan 513 euro per maand, wordt het verschil bijkomend gesubsidieerd. [1 De minister kan een lijst opstellen met de eigen inkomsten die mee in rekening genomen worden om de eigen inkomsten te berekenen.]1
De bedragen, vermeld in het eerste tot en met derde lid, zijn gekoppeld aan de spilindex die van toepassing was op 1 januari 2013.
§ 2. De kostenvergoeding wordt in maandelijkse voorschotten uitgekeerd aan de diensten voor pleegzorg die de kostenvergoeding onmiddellijk doorstorten aan de pleegzorgers. Het bedrag van het maandelijkse voorschot wordt berekend op basis van de jaarlijks te verwachten uitgaven. De afrekening gebeurt in het volgende kalenderjaar.
[1 type de placement familial et/ou ùge de l'enfantmontant de l'indemnité
0-6 ans, placement familial explorant ou offrant des perspectives, l'enfant donnant droit Ă  l'allocation familiale13,00
6-12 ans, placement familial explorant ou offrant des perspectives, l'enfant donnant droit Ă  l'allocation familiale13,40
12-15 ans, placement familial explorant ou offrant des perspectives, l'enfant donnant droit Ă  l'allocation familiale15,20
15-18 ans, placement familial explorant ou offrant des perspectives, l'enfant donnant droit Ă  l'allocation familiale16,60
+18 ans, placement familial explorant ou offrant des perspectives, l'enfant donnant droit Ă  l'allocation familiale18,00
0-12 ans, placement familial de soutien19,40
0-12 ans, placement familial explorant ou offrant des perspectives, l'enfant ne donnant pas droit Ă  l'allocation familiale19,40
12-18 ans, placement familial de soutien20,95
12-18 ans, placement familial explorant ou offrant des perspectives, l'enfant ne donnant pas droit Ă  l'allocation familiale20,95
+ 18 ans, avec revenus propres7,00]1
(1)2024-05-31/12, art. 4, 013; En vigueur : 08-08-2024>
[1 type de placement familial et/ou ùge de l'enfantmontant de l'indemnité0-6 ans, placement familial explorant ou offrant des perspectives, l'enfant donnant droit à l'allocation familiale13,006-12 ans, placement familial explorant ou offrant des perspectives, l'enfant donnant droit à l'allocation familiale13,4012-15 ans, placement familial explorant ou offrant des perspectives, l'enfant donnant droit à l'allocation familiale15,2015-18 ans, placement familial explorant ou offrant des perspectives, l'enfant donnant droit à l'allocation familiale16,60+18 ans, placement familial explorant ou offrant des perspectives, l'enfant donnant droit à l'allocation familiale18,000-12 ans, placement familial de soutien19,400-12 ans, placement familial explorant ou offrant des perspectives, l'enfant ne donnant pas droit à l'allocation familiale19,4012-18 ans, placement familial de soutien20,9512-18 ans, placement familial explorant ou offrant des perspectives, l'enfant ne donnant pas droit à l'allocation familiale20,95+ 18 ans, avec revenus propres7,00]1(1)
Il est octroyĂ© aux services de placement familial autorisĂ©s une subvention supplĂ©mentaire forfaitaire de 0,7 euros par enfant placĂ© ou adulte placĂ©, telle que visĂ©e Ă  l'alinĂ©a premier et par jour d'accueil. Ces moyens supplĂ©mentaires permettent au service de placement familial d'octroyer lui-mĂȘme un montant Ă  l'accueillant en compensation d'une situation dĂ©montrable de soins plus intensifs, limitĂ©e dans le temps. Le service de placement familial gĂšre ces moyens et en donne justification annuellement. Ils ne peuvent faire l'objet d'une constitution de rĂ©serve. Des arrangements entre les divers services autorisĂ©s sont faits Ă  cet effet et soumis par chacun de ces services au conseil de participation, visĂ© Ă  l'article 13 Ă  des fins de concertation.
Lorsqu'un accueillant accueille un adulte placé [2 ou un enfant placé majeur]2 disposant de propres revenus, la contribution de l'adulte placé [2 ou de l'enfant placé majeur]2 aux frais du placement familial est de 513 euros par mois. Si toutefois, aprÚs déduction de la franchise à concurrence de 344 euros les propres revenus de l'adulte placé [2 ou de l'enfant placé majeur]2 s'avÚrent inférieurs à 513 euros par mois, la différence est subventionnée supplémentairement. [1 Le ministre peut établir une liste des revenus propres qui sont pris en compte pour le calcul des revenus propres.]1
Les montants visés aux alinéas premier à trois inclus, sont liés à l'indice pivot en vigueur le 1er janvier 2013.
§ 2. Les indemnités sont payées en tranches mensuelles aux services de placement familial, qui les transfÚrent immédiatement aux accueillants. Le montant de l'avance mensuelle est calculé sur la base des dépenses estimées pour l'année concernée. L'établissement du solde s'effectue dans l'année calendaire suivante.
Art. 63. Aan een pleegzorger wordt een bijkomende tegemoetkoming verleend om bijzondere kosten te vergoeden met betrekking tot verstrekte buitengewone en medische en paramedische verzorging aan pleegkinderen of pleeggasten, met het oog op het behoud of het herstel van de fysieke of psychische integriteit van het pleegkind of de pleeggast. Die tegemoetkoming wordt alleen toegekend voor het gedeelte van de bijzondere kosten dat per pleegkind of pleeggast meer bedraagt dan 1000 euro en kan niet als reserve worden aangelegd.
De minister bepaalt binnen de beschikbare kredieten op welke wijze de tegemoetkoming wordt aangevraagd en uitbetaald.
Art. 63. Il est octroyé une allocation supplémentaire aux accueillants pour compenser les frais particuliers afférents à l'administration des soins médicaux et paramédicaux extraordinaires en faveur d'enfants placés ou d'adultes placés, en vue du maintien ou du rétablissement de l'intégrité physique ou psychique de l'enfant placé ou de l'adulte placé. Cette allocation n'est octroyée que pour la partie des frais particuliers excédant 1000 euros par enfant placé ou adulte placé et ne peut pas faire l'objet d'une constitution de réserve.
Le ministre définit les modalités selon lesquelles l'allocation est demandée et payée dans les limites des crédits disponibles.
HOOFDSTUK 5. - Partnerorganisatie
CHAPITRE 5. - Organisation partenaire
Art. 64. § 1. De oproep tot het sluiten van een convenant vermeldt minstens de volgende elementen :
1° de verplichting dat de kandidaat een rechtspersoon zonder winstoogmerk is;
2° de verplichting dat de kandidaat, bij vestiging in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, een unicommunautaire Nederlandstalige werking heeft, wat blijkt uit de werking, de interne beheersstructuur en de taalkundige inrichting;
3° de verplichting dat de kandidaat elke wijziging van de statuten onmiddellijk meedeelt aan het agentschap als ze betrekking heeft op de uitvoering van de activiteiten in het kader van het convenant;
4° de subsidie die binnen de beschikbare kredieten wordt toegekend;
5° de vermoedelijke datum waarop het convenant ingaat en eindigt;
6° de verplichting tot indiening van een beleidsplan voor de duur van het convenant;
7° de resultaatgebieden;
8° de activiteiten die minstens uitgevoerd worden;
9° de minimale kwaliteits- en samenwerkingsvereisten om de resultaten te behalen binnen een resultaatgebied;
10° de minimale evaluatiecriteria;
11° de geldigheidsduur van de oproep;
12° de procedure voor de indiening en afhandeling van het voorstel van beleidsplan.
Het subsidiebedrag, vermeld in het eerste lid, 4°, is gekoppeld aan de spilindex die van toepassing was op 1 januari 2013.
De procedure voor de indiening en de afhandeling van het voorstel van beleidsplan, vermeld in het eerste lid, 12°, heeft minstens betrekking op :
1° de vorm van de voorstellen;
2° de wijze van indiening van de voorstellen;
3° de uiterste datum van indiening van de voorstellen;
4° de criteria waarop een voorstel van beleidsplan beoordeeld wordt.
De criteria, vermeld in het derde lid, 4°, zijn minstens de volgende :
1° wetenschappelijke onderbouw;
2° de kostenraming om de activiteiten te realiseren die opgenomen zijn in het voorstel van beleidsplan;
3° de resultaatgerichtheid van de activiteiten die opgenomen zijn in het voorstel van beleidsplan;
4° de meetbaarheid van de realisatie van de activiteiten die opgenomen zijn in het voorstel van beleidsplan;
5° de bestaande netwerking en samenwerking;
6° de vertrouwdheid met de verschillende actoren die betrokken zijn bij de pleegzorg.
§ 2. De oproep, vermeld in paragraaf 1, wordt gelanceerd, minstens twee maanden voor de vermoedelijke datum waarop het convenant ingaat, of, indien van toepassing, een jaar voor het convenant afloopt.
De oproep wordt voldoende kenbaar gemaakt, onder meer door bekendmaking in het Belgisch Staatsblad en op de website van het agentschap.
Art. 64. § 1er. L'appel à la conclusion d'une convention mentionne au moins les éléments suivants :
1° l'exigence que le candidat soit une personne morale sans but lucratif;
2° l'exigence que le candidat qui s'établit dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, ait un fonctionnement néerlandais unicommunautaire, ce qui est démontré par le fonctionnement, la structure de gestion interne et l'aménagement linguistique;
3° l'exigence que le candidat ne tarde pas à communiquer tout changement des statuts à l'agence s'il concerne la mise en oeuvre des activités dans le cadre de la convention;
4° la subvention octroyée dans les limites des crédits disponibles;
5° la date présumée à laquelle la convention prend cours et expire;
6° l'obligation d'introduction d'un plan d'orientation pour la durée de la convention;
7° les domaines de performance;
8° les activités qui sont au minimum mises en oeuvre;
9° les exigences minimales de qualité et de coopération pour atteindre les résultats dans un domaine de performance;
10° les critÚres d'évaluation minimaux;
11° la durée de validité de l'appel;
12° la procédure pour l'introduction et le traitement de la proposition de plan d'orientation.
Le montant de la subvention, visé à l'alinéa premier, 4°, est lié à l'indice-pivot en vigueur le 1er janvier 2013.
La procédure pour l'introduction et le traitement de la proposition de plan d'orientation, visée à l'alinéa premier, 12° concerne au moins :
1° la forme des propositions;
2° le mode d'introduction des propositions;
3° la date limite de l'introduction des propositions;
4° les critÚres sur la base desquels une proposition de plan d'orientation est évaluée.
Parmi les critÚres, visés à l'alinéa trois, 4°, on trouve au moins les critÚres suivants :
1° le fondement scientifique;
2° l'estimation des coûts pour réaliser les activités reprises dans la proposition de plan d'orientation;
3° l'orientation sur les résultats des activités reprises dans la proposition de plan d'orientation;
4° la mesurabilité de la réalisation des activités reprises dans la proposition de plan d'orientation;
5° le réseautage et la coopération existants;
6° la familiarité avec les différents acteurs qui sont associés au placement familial.
§ 2. L'appel visé au paragraphe 1er, est lancé au moins deux mois avant la date présumée à laquelle la convention prend cours, ou, si d'application, un an avant l'expiration de la convention.
L'appel est largement divulgué, entre autres par sa publication au Moniteur belge et sur le site web de l'agence.
Art. 65. § 1. Om in aanmerking te komen voor een subsidie via een convenant moet een partnerorganisatie aan al de volgende voorwaarden voldoen :
1° de voorwaarden, vermeld in artikel 19, § 1, tweede lid, van het decreet 29 juni 2012, en vermeld in dit hoofdstuk, naleven;
2° de bepalingen van het convenant naleven;
3° per werkingsjaar een jaarplan indienen dat kadert in het beleidsplan, vermeld in artikel 64, § 1, eerste lid, 6°, van dit besluit;
4° het jaarplan uitvoeren;
5° een jaarverslag als vermeld in paragraaf 2, indienen;
6° een financieel verslag als vermeld in paragraaf 3, indienen;
7° beschikken over een huishoudelijk reglement dat zijn werking beschrijft;
8° voorzien in een gelijkwaardige participatie van de bij de pleegzorg betrokken actoren en van experten bij haar werking.
§ 2. Het jaarverslag, vermeld in paragraaf 1, 5°, voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° het jaarverslag bevat ten minste de gegevens om aan de hand van de evaluatiecriteria de uitvoering van de activiteiten te kunnen beoordelen, en een samenvatting van het jaarverslag die aangevuld kan worden met bijlagen;
2° het jaarverslag wordt, tenzij het anders bepaald is in het convenant, ingediend bij het agentschap voor 31 maart van het jaar dat volgt op het werkingsjaar in kwestie;
3° [1 ...]1
4° het jaarverslag, of de samenvatting ervan, kan beschikbaar worden gesteld op de website van het agentschap.
§ 3. Een financieel verslag als vermeld in paragraaf 1, 6°, wordt, tenzij het anders bepaald is in de beheersovereenkomst, ingediend bij het agentschap voor 31 maart van het jaar dat volgt op het werkingsjaar in kwestie en bevat al de volgende gegevens :
1° een resultatenrekening over het convenant;
2° de oorsprong, de omvang en de besteding van de middelen die verkregen zijn buiten de beheersovereenkomst en die aangewend worden om de activiteiten, vermeld in het convenant, te realiseren;
3° een genummerde lijst van de kosten die gemaakt zijn, met verwijzing naar de uitgavencategorie. De originele bewijsstukken worden bijgehouden door de organisatie;
4° een voor waar en echt verklaarde schuldvordering;
5° indien van toepassing, een afschrijvingstabel met de lopende en de nieuwe afschrijvingen.
De resultatenrekening, vermeld in het eerste lid, 1°, geeft onder andere informatie over :
1° de besteding van de subsidie per uitgavencategorie, en in het bijzonder over :
a) de besteding van de subsidie aan personeelskosten per medewerker, met vermelding van de functie en de tewerkstellingstijd per medewerker;
b) de besteding van de subsidie aan de uitbesteding van activiteiten;
2° als het zo bepaald is in het convenant of het jaarplan, de besteding van de subsidie en de eventuele reserve, verdeeld per resultaatgebied, per activiteit of per groepering van activiteiten.
Art. 65. § 1er. Pour ĂȘtre Ă©ligible Ă  une subvention Ă  travers une convention, une organisation partenaire doit rĂ©pondre Ă  toutes les conditions suivantes :
1° respecter les conditions, visées à l'article 19, § 1er, alinéa deux du décret du 29 juin 2012 et mentionnées au présent chapitre;
2° respecter les dispositions de la convention;
3° introduire un plan annuel qui s'inscrit dans le plan d'orientation, visĂ© Ă  l'article 64, § 1er, alinĂ©a premier, 6° du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, par annĂ©e d'activitĂ©;
4° mettre en oeuvre le plan annuel;
5° introduire un plan annuel, tel que visé au paragraphe 2;
6° introduire un rapport financier, tel que visé au paragraphe 3;
7° disposer d'un rÚglement d'ordre intérieur décrivant son fonctionnement;
8° assurer la participation égale à son fonctionnement de tous les acteurs associés à l'accueil familial et des experts.
§ 2. Le rapport annuel, visé au paragraphe 1er, 5° répond aux conditions suivantes :
1° le rapport annuel contient au moins les donnĂ©es permettant d'Ă©valuer la mise en oeuvre des activitĂ©s au moyen des critĂšres d'Ă©valuation et une synthĂšse du rapport annuel qui peut ĂȘtre complĂ©tĂ©e d'annexes;
2° sauf disposition contraire stipulée dans la convention, le rapport annuel est introduit auprÚs de l'agence avant le 31 mars de l'année suivant l'exercice en question;
3° [1 ...]1
4° le rapport annuel ou la synthĂšse du rapport annuel, peut ĂȘtre rendu disponible sur le site web de l'agence.
§ 3. Sauf disposition contraire dans le contrat de gestion, un rapport financier tel que visé au paragraphe 1er, 6°, est introduit auprÚs de l'agence avant le 31 mars de l'année suivant l'année d'activité en question, et comprend toutes les données suivantes :
1° un compte de résultats relatif à la convention;
2° l'origine, l'ampleur et l'affectation des moyens qui ont été obtenus en dehors du contrat de gestion et qui sont utilisés pour réaliser les activités, visées dans la convention;
3° une liste numérotée des frais encourus, avec référence à la catégorie de dépenses afférente. Les piÚces justificatives originales sont conservées par l'organisation;
4° une créance certifiée sincÚre et véritable;
5° si d'application, un tableau d'amortissement reprenant les amortissements en cours et les nouveaux amortissements.
Le compte des résultats, visé à l'alinéa premier, 1°, fournit, entre autres, des informations sur :
1° l'affectation de la subvention par catégorie de dépenses, et en particulier sur :
a) l'affectation de la subvention aux frais de personnel par collaborateur, avec mention de la fonction et du temps d'emploi par collaborateur;
b) l'affectation de la subvention à la sous-traitance des activités;
2° au cas oĂč il en serait fait mention dans la convention ou le plan annuel, l'affectation de la subvention et de la rĂ©serve Ă©ventuelle, ventilĂ©e par domaine de performance, par activitĂ© ou groupement d'activitĂ©s.
HOOFDSTUK 6. - Administratieve geldboeten
CHAPITRE 6. - Amendes administratives
Art. 66. Als de dienst voor pleegzorg de administratieve geldboete, opgelegd met toepassing van artikel 27 van het decreet van 29 juni 2012, niet tijdig betaalt, wordt de geldboete ingevorderd [1 conform het decreet van 19 april 2024 tot regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen]1.
[1 ...]1.
Art. 66. Si le service de placement familial omet de payer l'amende administrative imposée en application de l'article 27 du décret du 29 juin 2012, l'amende est recouvrée [1 conformément au décret du 19 avril 2024 réglementant le recouvrement des créances non fiscales]1.
[1 ...]1.
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 7. - Dispositions modificatives
Afdeling 1. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 23 december 1970 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van de inrichtingen, tehuizen en diensten voor plaatsing in gezinnen ten behoeve van gehandicapten
Section 1re. Modifications de l'arrĂȘtĂ© royal du 23 dĂ©cembre 1970 fixant les conditions d'agrĂ©ation des Ă©tablissements, des homes et des services de placement familiaux pour handicapĂ©s
Art. 67. Het opschrift van het koninklijk besluit van 23 december 1970 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van de inrichtingen, tehuizen en diensten voor plaatsing in gezinnen ten behoeve van gehandicapten wordt vervangen door wat volgt :
"Koninklijk besluit van 23 december 1970 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden van de residentiële en semiresidentiële voorzieningen voor personen met een handicap".
Art. 67. L'intitulĂ© de l'arrĂȘtĂ© royal du 23 dĂ©cembre 1970 fixant les conditions d'agrĂ©ation des Ă©tablissements, des homes et des services de placement familiaux pour handicapĂ©s, est remplacĂ© par ce qui suit :
"ArrĂȘtĂ© royal du 23 dĂ©cembre 1970 fixant les conditions d'agrĂ©ation des structures rĂ©sidentielles et semi-rĂ©sidentielles pour personnes handicapĂ©es".
Art. 68. In artikel 1 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de zinsnede "inrichtingen, tehuizen en diensten voor plaatsing in gezinnen, bedoeld bij artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit nr. 81 van 10 november 1967, tot instelling van een Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten" wordt vervangen door de woorden "residentiële en semiresidentiële voorzieningen voor personen met een handicap";
2° de woorden "de instelling" worden vervangen door de woorden "de voorziening";
3° de woorden "de Minister van Volksgezondheid" worden vervangen door de woorden "het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap".
Art. 68. Dans l'article 1er du mĂȘme arrĂȘtĂ© sont apportĂ©es les modifications suivantes :
1° la partie de phrase " Ă©tablissements, homes et services de placements familiaux visĂ©s Ă  l'article 3, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal n° 81 du 10 novembre 1967, crĂ©ant un Fonds de soins mĂ©dico-socio-pĂ©dagogiques pour handicapĂ©s" est remplacĂ©e par les mots "structures rĂ©sidentielles et semi-rĂ©sidentielles pour personnes handicapĂ©es";
2° les mots "l'institution" sont remplacés par les mots "la structure";
3° les mots "au Ministre de la Santé publique" sont remplacés par "à la Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap".
Art. 69. In de bijlage bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 december 1987 en 15 december 2000, wordt hoofdstuk V opgeheven.
Art. 69. Dans l'annexe au mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ©e par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 7 dĂ©cembre 1987 et 15 dĂ©cembre 2000, le chapitre V est abrogĂ©.
Afdeling 2. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 23 december 1970 tot vaststelling van de nadere regels, toepasselijk op de opschorting en de intrekking van de erkenning van de inrichtingen, tehuizen en diensten voor plaatsing in gezinnen ten behoeve van gehandicapten
Section 2. Modifications de l'arrĂȘtĂ© royal du 23 dĂ©cembre 1970 fixant les modalitĂ©s de la suspension ou du retrait de l'agrĂ©ation des Ă©tablissements, des homes et des services de placements familiaux pour handicapĂ©s
Art. 70. Het opschrift van het koninklijk besluit van 23 december 1970 tot vaststelling van de nadere regels, toepasselijk op de opschorting en de intrekking van de erkenning van de inrichtingen, tehuizen en diensten voor plaatsing in gezinnen ten behoeve van gehandicapten wordt vervangen door wat volgt :
"Koninklijk besluit van 23 december 1970 tot vaststelling van de nadere regels, toepasselijk op de opschorting en de intrekking van de erkenning van de residentiële en semiresidentiële voorzieningen voor personen met een handicap".
Art. 70. L'intitulĂ© de l'arrĂȘtĂ© royal du 23 dĂ©cembre 1970 fixant les modalitĂ©s de la suspension ou du retrait de l'agrĂ©ation des Ă©tablissements, des homes et des services de placements familiaux pour handicapĂ©s est remplacĂ© par ce qui suit :
"ArrĂȘtĂ© royal du 23 dĂ©cembre 1970 fixant les modalitĂ©s de la suspension ou du retrait de l'agrĂ©ation des structures rĂ©sidentielles et semi-rĂ©sidentielles pour personnes handicapĂ©es".
Art. 71. In artikel 1 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "inrichtingen, tehuizen en diensten voor plaatsing in gezinnen, bedoeld bij artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit nr. 81 van 10 november 1967, tot instelling van een Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten" vervangen door de woorden "residentiële en semiresidentiële voorzieningen voor personen met een handicap".
Art. 71. Dans l'article 1er du mĂȘme arrĂȘtĂ©, la partie de phrase " Ă©tablissements, homes et services de placements familiaux visĂ©s Ă  l'article 3, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal n° 81 du 10 novembre 1967, crĂ©ant un Fonds de soins mĂ©dico-socio-pĂ©dagogiques pour handicapĂ©s" est remplacĂ©e par les mots "structures rĂ©sidentielles et semi-rĂ©sidentielles pour personnes handicapĂ©es".
Afdeling 3. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 30 maart 1973 tot bepaling van de te volgen gemeenschappelijke regels voor de vaststelling van de toelagen per dag toegekend voor onderhoud, opvoeding en behandeling van minderjarigen en van gehandicapten, geplaatst ten laste van de openbare besturen
Section 3. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 mars 1973 dĂ©terminant les rĂšgles communes Ă  suivre pour fixer les subventions journaliĂšres allouĂ©es pour l'entretien, l'Ă©ducation et le traitement des mineurs d'Ăąge et des handicapĂ©s placĂ©s Ă  charge des pouvoirs publics
Art. 72. In artikel 1, § 1, 1°, van het koninklijk besluit van 30 maart 1973 tot bepaling van de te volgen gemeenschappelijke regels voor de vaststelling van de toelagen per dag toegekend voor onderhoud, opvoeding en behandeling van minderjarigen en van gehandicapten, geplaatst ten laste van de openbare besturen worden de woorden "voor plaatsing in gezinnen of" en de woorden "alsook aan private personen" opgeheven.
Art. 72. Dans l'article 1er, § 1er, 1° de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 mars 1973 dĂ©terminant les rĂšgles communes Ă  suivre pour fixer les subventions journaliĂšres allouĂ©es pour l'entretien, l'Ă©ducation et le traitement des mineurs d'Ăąge et des handicapĂ©s placĂ©s Ă  charge des pouvoirs publics, les mots "de placements familiaux ou" et les mots "ainsi qu'aux particuliers" sont abrogĂ©s.
Art. 73. In titel I van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2006, worden hoofdstuk II, dat bestaat uit artikel 11, en hoofdstuk III, dat bestaat uit artikel 12 tot en met 16, opgeheven.
Art. 73. Dans le titre Ier du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© derniĂšrement par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 28 avril 2006, le chapitre II, comprenant l'article 11 et le chapitre III, comprenant les articles 12 Ă  16 inclus, sont abrogĂ©s.
Art. 74. In artikel 23, vijfde lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 29 juli 1989, 2 augustus 1991 en 23 juni 1998, worden de woorden "en de diensten voor plaatsing in gezinnen" opgeheven.
Art. 74. Dans l'article 23, alinĂ©a cinq, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 29 juillet 1989, 2 aoĂ»t 1991 et 23 juin 1998, les mots "et les services de placements familiaux" sont abrogĂ©s.
Art. 75. In artikel 25 van hetzelfde besluit worden de woorden "of erkende diensten voor plaatsing in gezinnen" opgeheven.
Art. 75. Dans l'article 25 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots "et les services de placements familiaux" sont abrogĂ©s.
Art. 76. In artikel 33, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "bij een private persoon" opgeheven.
Art. 76. Dans l'article 33, alinĂ©a premier du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots "chez un particulier" sont abrogĂ©s.
Art. 77. In artikel 33bis van hetzelfde besluit, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 maart 1998, worden de zinsnede "- pleeggezin en semi-internaat of dagcentrum;", de zinsnede "- pleeggezin en kort verblijf;" en de zinsnede "- pleeggezin en kort verblijf en semi-internaat of dagcentrum;" opgeheven.
Art. 77. Dans l'article 33bis du mĂȘme arrĂȘtĂ©, rĂ©tabli par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 mars 1998, la partie de phrase " - famille d'accueil et semi-internat ou centre de jour;", la partie de phrase "- famille d'accueil et court sĂ©jour;" et la partie de phrase " - famille d'accueil et court sĂ©jour en semi-internat ou centre de jour; " sont abrogĂ©s.
Afdeling 4. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1983 tot vaststelling van de financiële bijdrage van de personen met een handicap, geplaatst ten laste van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap
Section 4. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement du 28 juillet 1983 fixant l'intervention financiĂšre des personnes handicapĂ©es, placĂ©es Ă  charge de la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapĂ©es);
Art. 78. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1983 tot vaststelling van de financiële bijdrage van de personen met een handicap, geplaatst ten laste van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008, wordt paragraaf 4 opgeheven.
Art. 78. Dans l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 28 juillet 1983 fixant l'intervention financiĂšre des personnes handicapĂ©es, placĂ©es Ă  charge de l'Agence flamande pour les Personnes handicapĂ©es, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 18 juillet 2008, le paragraphe 4 est abrogĂ©.
Art. 79. Artikel 6 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008, wordt opgeheven.
Art. 79. L'article 6 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 18 juillet 2008, est abrogĂ©.
Afdeling 5. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1994 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand
Section 5. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 13 juillet 1994 relatif Ă  l'agrĂ©ment et Ă  l'octroi de subventions aux institutions de l'assistance spĂ©ciale Ă  la jeunesse
Art. 80. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1994 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 januari 2013, wordt punt 7° opgeheven.
Art. 80. A l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 13 juillet 1994 relatif Ă  l'agrĂ©ment et Ă  l'octroi de subventions aux institutions de l'assistance spĂ©ciale Ă  la jeunesse, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 11 janvier 2013, le point 7° est abrogĂ©.
Art. 81. In artikel 3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 januari 2009 en 25 juni 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "Categorie 7 : diensten voor pleegzorg." opgeheven;
2° in paragraaf 2 wordt de zin "De inrichtende macht van een voorziening van categorie 7 kan geen voorziening van een van de andere categorieën, vermeld in § 1, laten erkennen." opgeheven.
Art. 81. A l'article 3 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 16 janvier 2009 et 25 juin 2010, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
1° au paragraphe 1er la partie de phrase "Catégorie 7 : services de placement familial." est abrogée;
2° au paragraphe 2, la phrase "Le pouvoir organisateur d'une structure de la catégorie 7 ne peut pas faire agréer une structure d'une des autres catégories, visées au § 1er." est abrogée.
Art. 82. Artikel 10 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art. 82. L'article 10 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est abrogĂ©.
Art. 83. In artikel 11, 1°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2000, wordt de zinsnede "van de categorieën 2, 6 en 7" vervangen door de zinsnede "van categorie 2 en 6".
Art. 83. Dans l'article 11, 1° du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 dĂ©cembre 2000, la partie de phrase "des catĂ©gories 2, 6 et 7" est remplacĂ©e par la partie de phrase "des catĂ©gories 2 et 6".
Art. 84. In hoofdstuk II, afdeling 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 8 december 2000, 3 oktober 2008, 16 januari 2009 en 25 juni 2010, wordt onderafdeling G, die bestaat uit artikel 19, opgeheven.
Art. 84. Dans le chapitre II, section II du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ©e par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 8 dĂ©cembre 2000, 3 octobre 2008, 16 janvier 2009 et 25 juin 2010, la sous-section G, qui est constituĂ©e de l'article 19, est abrogĂ©e.
Art. 85. In artikel 30 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 oktober 2008, wordt paragraaf 2 opgeheven.
Art. 85. Dans l'article 30 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 octobre 2008, le paragraphe 2 est abrogĂ©.
Art. 86. In artikel 39 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 8 december 2000, 15 december 2006, 27 juni 2008, 3 april 2009 en 25 juni 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de zinsnede "of in een pleeggezin," opgeheven;
2° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de zinsnede "van de categorieën 1 tot 4, 6 en 7" vervangen door de zinsnede "van categorie 1 tot en met 4 en 6";
3° in paragraaf 1 wordt het tweede lid opgeheven;
4° paragraaf 3, 4 en 5 worden opgeheven.
Art. 86. Dans l'article 39 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 8 dĂ©cembre 2000, 15 dĂ©cembre 2006, 27 juin 2008, 3 avril 2009 et 25 juin 2010 sont apportĂ©es les modifications suivantes :
1° au paragraphe 1er, alinéa premier, la partie de phrase " ou dans une famille d'accueil," est abrogée;
2° au paragraphe 1er, alinéa premier, la partie de phrase "des catégories 1 à 4, 6 et 7" est remplacée par la partie de phrase "des catégories 1 à 4 et 6";
3° au paragraphe 1er, l'alinéa deux est abrogé;
4° les paragraphes 3, 4 et 5 sont abrogés.
Art. 87. In artikel 40, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "Aan de voorzieningen van de categorieën 1 tot 3 en 7 en aan de pleeggezinnen bedoeld in artikel 39, § 3," vervangen door de zinsnede "Aan de voorzieningen van categorie 1 tot en met 3".
Art. 87. Dans l'article 40, alinĂ©a premier du mĂȘme arrĂȘtĂ©, la partie de phrase "aux institutions des catĂ©gories 1 Ă  3 et 7 et aux familles d'accueil visĂ©es Ă  l'article 39, § 3" est remplacĂ©e par la partie de phrase "aux institutions des catĂ©gories 1 Ă  3".
Art. 88. In artikel 41, § 1, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "van de categorieën 1 tot 7" vervangen door de zinsnede "van categorie 1 tot en met 6".
Art. 88. Dans l'article 41, § 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, la partie de phrase "des catĂ©gories 1 Ă  7" est remplacĂ©e par la partie de phrase "des catĂ©gories 1 Ă  6".
Art. 89. In artikel 42 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 juni 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "Aan de voorzieningen van de categorieën 1 tot en met 3 en 7, en aan de pleeggezinnen vermeld in artikel 39, § 3," vervangen door de zinsnede "Aan de voorzieningen van categorie 1 tot en met 3";
2° in paragraaf 3 wordt de zinsnede "aan de voorzieningen van de categorieën 1 tot 3 en 7 en aan de pleeggezinnen bedoeld in artikel 39, § 3," vervangen door de zinsnede "aan de voorzieningen van categorie 1 tot en met 3";
3° in paragraaf 4, 2°, worden de woorden "of van het pleeggezin" opgeheven.
Art. 89. Dans l'article 42 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 25 juin 2010, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
1° au paragraphe 1er, la partie de phrase "aux structures des catégories 1re à 3 inclus et 7, et aux familles visées à l'article 39, § 3" est remplacée par la partie de phrase "aux structures des catégories 1 à 3".
2° au paragraphe 3, la partie de phrase "aux institutions des catégories 1 à 3 et 7, ainsi qu'aux familles d'accueil visées à l'article 39, § 3" est remplacée par la partie de phrase "aux structures des catégories 1 à 3 inclus".
3° au paragraphe 4, 2°, les mots "ou de la famille d'accueil" sont abrogés.
Art. 90. In artikel 46 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "door de begeleidingstehuizen, dagcentra en diensten voor pleegzorg" vervangen door de zinsnede "door de begeleidingstehuizen en dagcentra".
Art. 90. Dans l'article 46 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, la partie de phrase "par les maisons de guidance, les centres de jour et les services de placement familial" est remplacĂ©e par la partie de phrase "par les maisons de guidance et les centres de jour".
Art. 91. In artikel 49, § 2, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 april 2009, wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 91. Dans l'article 49, § 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 avril 2009, l'alinĂ©a deux est abrogĂ©.
Art. 92. Artikel 61 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 april 2009, wordt opgeheven.
Art. 92. L'article 61 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 avril 2009, est abrogĂ©.
Art. 93. In bijlage 2 bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 juni 2010, wordt in de tabellen onder A, B, C, D en E de kolom betreffende de voorzieningen van categorie 7 - Diensten voor pleegzorg, opgeheven en wordt onder C de zinsnede "(6) waarvan maximaal 0,5 klasse 1 tot 239 minderjarigen en maximaal 1 klasse 1 vanaf 240 minderjarigen" opgeheven.
Art. 93. Dans l'annexe 2 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 25 juin 2010, la colonne relative aux structures de la catĂ©gorie 7 - Services de placement familial dans les tableaux sous A, B, C, D et E est abrogĂ©e, de mĂȘme que la partie de phrase "(6) dont au maximum 0,5 de classe 1 jusqu'Ă  239 mineurs, et au maximum 1 de classe 1 Ă  partir de 240 mineurs" sous C.
Art. 94. In bijlage 3 bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 juni 2010, worden in de tabel alle rijen die betrekking hebben op de voorzieningen van categorie 7, opgeheven.
Art. 94. Dans l'annexe 3 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 25 juin 2010, toutes les rangĂ©es relatives aux structures de la catĂ©gorie 7 dans le tableau sont abrogĂ©es.
Art. 95. In bijlage 5 bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2007, wordt de zin "B. De subsidie om de uitgaven te vergoeden voor de infrastructuur en de werkingskosten van de erkende voorzieningen van categorie 7 wordt vastgesteld als volgt : een toelage van 2,09 euro per dag en per begeleide minderjarige." opgeheven.
Art. 95. Dans l'annexe 5 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 20 avril 2007, la phrase "B. La subvention destinĂ©e Ă  couvrir les frais d'infrastructure et de fonctionnement des structures agréées de la catĂ©gorie 7 est fixĂ©e comme suit : une subvention de 2,09 euro par jour et par mineur accompagnĂ©." est abrogĂ©e.
Afdeling 6. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 december 2005 betreffende de modulering en de netwerken rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening en crisishulpverlening in het raam van de integrale jeugdhulp
Section 6. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement du 9 dĂ©cembre 2005 relatif Ă  la modulation et aux rĂ©seaux de services d'aide Ă  la jeunesse directement accessibles et d'aide Ă  la jeunesse en situation de crise dans le cadre de l'aide intĂ©grale Ă  la jeunesse
Art. 96. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 december 2005 betreffende de modulering en de netwerken rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening en crisishulpverlening in het raam van de integrale jeugdhulp, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 november 2012, wordt punt 9° vervangen door wat volgt :
"9° dienst voor pleegzorg : een dienst voor pleegzorg als vermeld in hoofdstuk 3 van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg;".
Art. 96. Dans l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 dĂ©cembre 2005 relatif Ă  la modulation et aux rĂ©seaux de services d'aide Ă  la jeunesse directement accessibles et d'aide Ă  la jeunesse en situation de crise dans le cadre de l'aide intĂ©grale Ă  la jeunesse, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 novembre 2012, le point 9° est remplacĂ© par ce qui suit :
"9° service de placement familial : un service de placement familial, tel que visé dans le chapitre 3 du décret du 29 juin 2012 portant organisation du placement familial;".
Afdeling 7. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 houdende de wijze van vereffening van een vrij besteedbaar bedrag en de toekenning ervan aan de minderjarigen aan wie residentiële jeugdhulpverlening geboden wordt, ter uitvoering van een beschikking van de jeugdrechtbank of van een advies van het bureau voor bijzondere jeugdbijstand, in voorzieningen die erkend en gesubsidieerd zijn door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap
Section 7. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 juillet 2008 dĂ©terminant le mode de liquidation d'un montant librement utilisable et son octroi aux mineurs auxquels il est offert des services rĂ©sidentiels de l'aide Ă  la jeunesse, en application d'une dĂ©cision du tribunal de la jeunesse ou d'un avis du bureau d'assistance spĂ©ciale Ă  la jeunesse, dans des structures agréées et subventionnĂ©es par la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapĂ©es);
Art. 97. In artikel 1, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 houdende de wijze van vereffening van een vrij besteedbaar bedrag en de toekenning ervan aan de minderjarigen aan wie residentiële jeugdhulpverlening geboden wordt, ter uitvoering van een beschikking van de jeugdrechtbank of van een advies van het bureau voor bijzondere jeugdbijstand, in voorzieningen die erkend en gesubsidieerd zijn door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, worden de woorden "of pleeggezin" opgeheven.
Art. 97. Dans l'article 1er, 1° de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 juillet 2008 dĂ©terminant le mode de liquidation d'un montant librement utilisable et l'octroi aux mineurs auxquels il est offert des services de l'aide Ă  la jeunesse rĂ©sidentiels, en application d'une dĂ©cision du tribunal de la jeunesse ou d'un avis du bureau d'assistance spĂ©ciale Ă  la jeunesse, dans des structures reconnues et subventionnĂ©es par le " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " les mots "ou auprĂšs d'une famille d'accueil" sont abrogĂ©s.
Afdeling 8. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2008 tot uitvoering van het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand en het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 18 juli 2003
Section 8. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 octobre 2008 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 7 mars 2008 relatif Ă  l'assistance spĂ©ciale Ă  la jeunesse et du dĂ©cret cadre Politique administrative du 18 juillet 2003;
Art. 98. In artikel 3, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2008 tot uitvoering van het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand en het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 18 juli 2003 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° er wordt een punt 2°/1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
"2°/1 de pleeggasten en pleegkinderen, vermeld in artikel 2, 8° en 10°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg;";
2° in punt 3° wordt de zinsnede "de personen, vermeld in punt 1° en 2°" vervangen door de zinsnede "de personen, vermeld in punt 1°, 2° en 2°/1,".
Art. 98. Dans l'article 3, alinĂ©a deux de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 octobre 2008 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 7 mars 2008 relatif Ă  l'assistance spĂ©ciale Ă  la jeunesse et du dĂ©cret cadre Politique administrative du 18 juillet 2003, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
1° il est inséré un point 2°/1, rédigé comme suit :
"2°/1 les adultes placés et les enfants placés, tels que visés à l'article 2, 8° et 10° du décret du 29 juin 2012 portant organisation du placement familial;";
2° au point 3° la partie de phrase "les personnes visées aux points 1° et 2°" est remplacée par la partie de phrase "les personnes visées aux points 1°, 2° et 2°/1".".
Art. 99. Aan artikel 4 van hetzelfde besluit wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt :
"6° het uitvoeren en coördineren van taken met toepassing van het beleid betreffende de pleegzorg, vermeld in het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg.".
Art. 99. Dans l'article 4 du mĂȘme arrĂȘtĂ© il est ajoutĂ© un point 6°, ainsi rĂ©digĂ© :
"6° la mise en oeuvre et la coordination de tùches en application de la politique relative au placement familial, visée dans le décret du 29 juin 2012 portant organisation du placement familial.".
Afdeling 9. Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 2009 houdende de wijze van subsidiëring door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap van de opvang van personen met een handicap in een noodsituatie
Section 9. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 27 mars 2009 relatif au mode de subventionnement par la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapĂ©es) de l'accueil de personnes handicapĂ©es se trouvant en situation d'urgence
Art. 100. In artikel 4, § 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 2009 houdende de wijze van subsidiëring door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap van de opvang van personen met een handicap in een noodsituatie wordt punt 4° opgeheven.
Art. 100. Dans l'article 4, § 2, alinĂ©a premier, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 27 mars 2009 relatif au mode de subventionnement par la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapĂ©es) de l'accueil de personnes handicapĂ©es se trouvant en situation d'urgence, le point 4° est abrogĂ©.
Art. 101. In artikel 8, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt punt 4° opgeheven.
Art. 101. Dans l'article 8, § 1er, alinĂ©a premier, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le point 4° est abrogĂ©.
Afdeling 10. Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 september 2010 betreffende de subsidiëring van crisisjeugdhulpverlening en rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp verleend door voorzieningen voor personen met een handicap
Section 10. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 septembre 2010 relatif au subventionnement des services d'aide Ă  la jeunesse en situation de crise et d'aide Ă  la jeunesse directement accessible par des structures pour personnes handicapĂ©es
Art. 102. In artikel 4, § 1, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 september 2010 betreffende de subsidiëring van crisisjeugdhulpverlening en rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp verleend door voorzieningen voor personen met een handicap wordt punt 4° opgeheven.
Art. 102. Dans l'article 4, § 1er, alinĂ©a premier de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 septembre 2010 relatif au subventionnement des services d'aide Ă  la jeunesse en situation de crise et d'aide Ă  la jeunesse directement accessible par des structures pour personnes handicapĂ©es, le point 4° est abrogĂ©.
Afdeling 11. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap
Section 11. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 4 fĂ©vrier 2011 relatif aux conditions gĂ©nĂ©rales d'agrĂ©ment et Ă  la gestion de la qualitĂ© des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapĂ©es
Art. 103. Artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap wordt opgeheven.
Art. 103. L'article 10 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 4 fĂ©vrier 2011 relatif aux conditions gĂ©nĂ©rales d'agrĂ©ment et Ă  la gestion de la qualitĂ© des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapĂ©es est abrogĂ©.
Art. 104. In artikel 12 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 2011, wordt het derde lid opgeheven.
Art. 104. Dans l'article 12 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 30 septembre 2011, l'alinĂ©a trois est abrogĂ©.
Art. 105. In artikel 27 van hetzelfde besluit worden de woorden "en de diensten voor plaatsing in gezinnen" opgeheven.
Art. 105. Dans l'article 27 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots "et des services de placements familial" sont abrogĂ©s.
Art. 106. In artikel 44 van hetzelfde besluit worden de woorden "met uitzondering van de diensten voor plaatsing in gezinnen" opgeheven.
Art. 106. Dans l'article 44 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots ", Ă  l'exception des services de placement familial" sont abrogĂ©s.
HOOFDSTUK 8. - Opheffings- en overgangsbepalingen
CHAPITRE 8. - Dispositions abrogatoires et transitoires
Art. 107. Het besluit van de Vlaamse Regering van 24 maart 1998 tot vaststelling van de wijze waarop het Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap het wonen onder begeleiding van een particulier subsidieert binnen het kader van de verdere flexibilisering van de zorgvoorzieningen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003, wordt opgeheven.
Art. 107. L'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 mars 1998 fixant les modalitĂ©s de subventionnement par le "Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap" du logement sous accompagnement d'un particulier dans le cadre de la flexibilisation de l'offre de soins, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 18 juillet 2003, est abrogĂ©.
Art. 108. De erkenning of de subsidiëring van een dienst voor pleegzorg, die verleend is met toepassing van het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand of van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, eindigt op 31 december 2013.
Art. 108. L'agrément ou le subventionnement d'un service de placement familial, octroyés en application du décret du 7 mars 2008 relatif à l'assistance spéciale à la jeunesse ou du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique "Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap" (Agence flamande pour les Personnes handicapées), prend fin au 31 décembre 2013.
Art. 109. Als het verblijf van een pleegkind of een pleeggast in een pleeggezin met toepassing van het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap of van het koninklijk besluit van 10 april 1991 houdende vaststelling van de normen waaraan de functie van psychiatrische gezinsverpleging moet voldoen om te worden erkend, of ter uitvoering van het convenant dat op 29 april 2011 tussen de Vlaamse Regering en de diensten voor gezinsondersteunende pleegzorg is gesloten, voortduurt na 31 december 2013, wordt het pleeggezin van rechtswege geacht om voor de opvang van het pleegkind of de pleeggast over een attest te beschikken. De bevoegde dienst voor pleegzorg levert op verzoek van het pleeggezin zo spoedig mogelijk een attest af.
Art. 109. Lorsque le sĂ©jour d'un enfant placĂ© ou d'un adulte placĂ© dans une famille d'accueil en application du dĂ©cret du 7 mars 2008 relatif Ă  l'assistance spĂ©ciale Ă  la jeunesse, du dĂ©cret du 7 mai 2004 portant crĂ©ation de l'agence autonomisĂ©e interne dotĂ©e de la personnalitĂ© juridique "Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap" (Agence flamande pour les Personnes handicapĂ©es) ou de l'arrĂȘtĂ© royal du 10 avril 1991 fixant les normes auxquelles la fonction de soins psychiatriques en milieu familial doit satisfaire pour ĂȘtre agréée, ou en exĂ©cution de la convention conclue entre le Gouvernement flamand et les services de placement familial Ă  titre de soutien aux familles le 29 avril 2011, continue aprĂšs le 31 dĂ©cembre 2013, la famille d'accueil est censĂ©e de plein droit disposer d'une attestation pour l'accueil de l'enfant placĂ© ou de l'adulte placĂ©. Le service d'accueil familial dĂ©livre une attestation dans les meilleurs dĂ©lais Ă  la demande de la famille d'accueil.
Art. 110. Als het verblijf van een pleegkind in een pleeggezin met toepassing van het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand of van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, voortduurt na 31 december 2013, heeft de betrokken pleegzorger, in afwijking van de bepalingen van hoofdstuk 4, afdeling 4, na die datum voor dat pleegkind minimaal recht op de subsidie, berekend volgens de regels die van kracht waren op 31 december 2013.
Art. 110. Lorsque le séjour d'un enfant placé dans une famille d'accueil en application du décret du 7 mars 2008 relatif à l'assistance spéciale à la jeunesse ou du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique "Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap" (Agence flamande pour les Personnes handicapées), continue aprÚs le 31 décembre 2013, l'accueillant concerné a au minimum droit à la subvention, calculée selon les rÚgles en vigueur le 31 décembre 2013 pour cet enfant placé aprÚs cette date et ce par dérogation aux dispositions du chapitre 4, section 4.
Art. 111. Totdat de bepalingen van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp, die betrekking hebben op de toegangspoort, in werking zijn getreden :
1° [1 1° wordt in artikel 1, 12°, onder verwijzer ook verstaan:
a) het comité voor bijzondere jeugdzorg, vermeld in artikel 12 van het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand;
b) het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, behalve voor de toepassing van artikel 30 en 112.]1
;
2° wordt voor de toepassing van artikel 2, tweede lid, gelijkgesteld met een beslissing van de toegangspoort tot de voortzetting van jeugdhulpverlening in de vorm van pleegzorg : een beslissing van het bureau van een comité voor bijzondere jeugdzorg tot voortzetting van hulp en bijstand in de vorm van pleegzorg, met toepassing van artikel 36 van het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand.
Art. 111. Jusqu'à ce que les dispositions du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, afférentes à la porte d'entrée sont entrées en vigueur :
1° [1 on entend également par instance adressant l'enfant placé ou l'adulte placé dans l'article 1er, 12° :
a) le comité d'aide spéciale à la jeunesse, visé à l'article 12 du décret du 7 mars 2008 relatif à l'assistance spéciale à la jeunesse ;
b) la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", sauf pour l'application des articles 30 et 112]1
;
2° pour l'application de l'article 2, alinéa deux, une décision du bureau d'un comité d'aide spéciale à la jeunesse de continuer l'aide et l'assistance sous forme de placement familial est assimilée à une décision de la porte d'entrée de la continuation de l'aide à la jeunesse sous forme de placement familial, en application de l'article 36 du décret du 7 mars 2008 relatif à l'assistance spéciale à la jeunesse.
Art. 111/1. [1 Totdat de bepalingen van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp, die betrekking hebben op de toegangspoort, in werking zijn getreden, worden aanvragen tot ondersteuning die betrekking hebben op pleegzorg voor minderjarigen met een handicap, ingediend bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap overeenkomstig artikel 1 en 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1991 betreffende de indiening en afhandeling van de aanvraag tot ondersteuning bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap. Het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap handelt de aanvragen af overeenkomstig de bepalingen van voormeld besluit.]1
Art. 111/1. [1 Jusqu'Ă  ce que les dispositions du dĂ©cret du 12 juillet 2013 relatif Ă  l'aide intĂ©grale Ă  la jeunesse, affĂ©rentes Ă  la porte d'entrĂ©e soient entrĂ©es en vigueur, les demandes de soutien relatives au placement familial pour mineurs d'Ăąge handicapĂ©s sont introduites auprĂšs de la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", conformĂ©ment aux articles 1er et 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 juillet 1991 relatif Ă  l'enregistrement auprĂšs de la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ". La " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " traite les demandes conformĂ©ment aux dispositions de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©.]1
Art. 111/2. [1 De aanvragen tot ondersteuning die betrekking hebben op pleegzorg voor personen met een handicap en die voor 1 januari 2014 bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap werden ingediend, maar waarover dat agentschap voor die datum nog geen beslissing tot toewijzing heeft genomen, worden door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap afgehandeld.]1
Art. 111/2. [1 Les demandes de soutien qui ont trait au placement familial pour personnes handicapées et qui ont été introduites auprÚs de la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " avant le 1er janvier 2014, mais sur lesquelles cette Agence n'a pas encore pris de décision sur l'attribution avant cette date, sont traitées par la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ".]1
Art. 111/3. [1 De beslissingen van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap tot toewijzing van pleegzorg, die genomen zijn met toepassing van artikel 111/1 of 111/2, of die genomen zijn voor 1 januari 2014 maar waarvan de uitvoering voor die datum niet werd aangevat, worden door de diensten voor pleegzorg naar de meest passende modules binnen de pleegzorg vertaald en door die diensten uitgevoerd.]1
Art. 111/3. [1 Les décisions de la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " au sujet de l'attribution du placement familial, qui sont prises en application de l'article 111/1 ou de l'article 111/2 ou qui ont été prises avant le 1er janvier 2014 mais dont l'exécution n'a pas été entamée avant cette date, sont traduites par les services de placement familial en les modules les plus appropriés du placement familial et sont exécutés par ces services.]1
Art. 112. De bedragen die vóór 1 januari 2014, met toepassing van artikel 39, § 5, van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1994 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand, zijn gestort op een spaarboekje dat was geopend op naam van een minderjarige die met toepassing van de regelgeving inzake bijzondere jeugdbijstand was toevertrouwd aan een dienst voor pleegzorg of geplaatst in een pleeggezin, kunnen tijdens de minderjarigheid van de betrokkene niet worden afgehaald zonder de uitdrukkelijke machtiging van de verwijzer.
Art. 112. Les montants qui, en application de l'article 39, § 5 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 13 juillet 1994 relatif Ă  l'agrĂ©ment et Ă  l'octroi de subventions aux institutions de l'assistance spĂ©ciale Ă  la jeunesse, ont avant le 1 janvier 2014 Ă©tĂ© versĂ©s sur un carnet d'Ă©pargne qui Ă©tait ouvert au nom d'un mineur, qui, en application de la rĂ©glementation relative Ă  l'aide Ă  la jeunesse, Ă©tait confiĂ© Ă  un service de placement familial ou placĂ© dans une famille d'accueil, ne peuvent pas ĂȘtre retirĂ©s pendant la minoritĂ© de la personne concernĂ©e sans l'autorisation explicite de l'instance qui adressant l'enfant placĂ© ou l'adulte placĂ©.
HOOFDSTUK 9. - Slotbepalingen
CHAPITRE 9. - Dispositions finales
Art. 113. Uiterlijk op 1 juli 2017 bezorgt de minister aan de Vlaamse Regering een rapport waarin de toepassing van het decreet van 29 juni 2012 en van dit besluit wordt geëvalueerd.
Art. 113. Au plus tard le 1 juillet 2017, le ministre remet un rapport au Gouvernement flamand dans lequel l'application du dĂ©cret du 29 juin 2012 et du prĂ©sent arrĂȘtĂ© est Ă©valuĂ©e.
Art. 114. Artikel 1, 2, 7 tot en met 10, artikel 11, eerste lid, 1°, 2°, 3°, 4°, 6° en 7°, en tweede lid, artikel 12, 19, 23, 52 en 53 van het decreet van 29 juni 2012 hebben uitwerking met ingang van 1 juli 2013.
Art. 114. Les articles 1, 2, 7 à 10, l'article 11, alinéa premier, 1°, 2°, 3°, 4°, 6° et 7°, et l'alinéa deux, les articles 12, 19, 23, 52 et 53 du décret du 29 juin 2012 produisent leurs effets à partir du 1 juillet 2013.
Art. 115. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2014, met uitzondering van artikel 1, 17 tot en met 23, 25, 31, 33 tot en met 37, 46, artikel 47, 64, 65, § 1, artikel 108, 114 tot en met 116, die uitwerking hebben met ingang van 1 juli 2013.
Art. 115. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 1 janvier 2014, Ă  l'exception des articles 1, 17 Ă  23, 25, 31, 33 Ă  37, 46, les articles 47, 64, 65, § 1er, les articles 108, 114 Ă  116, qui produisent leurs effets Ă  partir du 1 juillet 2013.
Art. 116. De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 116. Le Ministre flamand ayant l'assistance aux personnes dans ses attributions est chargĂ© de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.