Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
6 DECEMBER 2013. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 september 2008 houdende de uitvoering van het decreet van 4 april 2003 betreffende het Sociaal-cultureel Volwassenenwerk
Titre
6 DECEMBRE 2013. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant diverses dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 septembre 2008 portant exécution du décret du 4 avril 2003 relatif à l'animation socioculturelle des adultes
Documentinformatie
Info du document
Tekst (7)
Texte (7)
Artikel 1. In het besluit van de Vlaamse Regering van 5 september 2008 houdende de uitvoering van het decreet van 4 april 2003 betreffende het sociaal-cultureel volwassenenwerk wordt titel III, die bestaat uit artikel 17 tot en met 20, vervangen door wat volgt :
  "TITEL III. - Sociaal-culturele bewegingen
  HOOFDSTUK I. - De procedure voor de erkenning en subsidiëring van nieuwe sociaal-culturele bewegingen
  Art. 17. § 1. De minister kan een nieuwe sociaal-culturele beweging erkennen en subsidiëren als die voor 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan een beleidsperiode, een aanvraag bij de administratie heeft ingediend.
  De sociaal-culturele beweging dient de aanvraag in met een aangetekende brief of tegen ontvangstmelding.
  De aanvraag draagt de handtekening van de voorzitter en de secretaris en is gebaseerd op de goedkeuring van de aanvraag door de algemene vergadering. Bij de aanvraag zijn de agenda gevoegd en een uittreksel uit de notulen van de bijeenkomst van de algemene vergadering waarin het beleidsplan is goedgekeurd.
  § 2. De aanvraag is ontvankelijk als ze :
  1° tijdig is ingediend
  2° alle vereiste documenten bevat als vermeld in artikel 15, § 2, van het decreet. De aanvraag bevat minstens de volgende documenten en gegevens :
  a) een overzicht van de werking als sociaal-culturele beweging met landelijk karakter gedurende de afgelopen twee jaar;
  b) een beleidsplan dat voldoet aan de bepalingen, vermeld in artikel 49, waarin de beweging aangeeft hoe haar beleid en werking voor de komende vijf jaar zich verhoudt tot de beoordelingscriteria als vermeld in artikel 15, § 1, 5° van het decreet;
  c) een financieel plan voor de komende vijf jaar;
  d) een ondertekende verklaring van de voorzitter en de secretaris van de beweging waaruit blijkt dat de principes en de regels van de democratie en van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens onderschreven worden en toegepast worden in de werking.
  Alle vereiste documenten worden naar de administratie gestuurd in twee exemplaren. De beweging bezorgt ook een elektronische versie van het beleidsplan en het financieel plan. De administratie brengt de aanvragende beweging voor 1 februari van het jaar dat voorafgaat aan de beleidsperiode, ervan op de hoogte of de aanvraag al dan niet ontvankelijk is. Als de aanvraag onvolledig is, krijgt de organisatie tien werkdagen de tijd om het dossier te vervolledigen. Die termijn begint te lopen vanaf de derde werkdag na de dag van de verzending van de kennisgeving van de onvolledigheid, waarbij de datum van de poststempel bepalend is. In het geval de kennisgeving de organisatie later dan drie dagen bereikt, begint de termijn te lopen vanaf de dag dat de kennisgeving de organisatie bereikt, op voorwaarde dat de organisatie dit kan bewijzen.
  § 3. De procedure voor de beoordeling van de aanvragen, vermeld in paragraaf 1 en 2, verloopt als volgt :
  1° de administratie beheert het aanvraagdossier. Ze treft de nodige voorbereidingen, controleert alle vormelijke aspecten en legt het dossier voor aan de adviescommissie, vermeld in artikel 54, met inbegrip van alle documenten, vermeld in artikel 15 van het decreet. De administratie zorgt ervoor dat de leden van de adviescommissie beschikken over alle nuttige informatie;
  2° de adviescommissie geeft een inhoudelijke en kwaliteitsbeoordeling van de ingediende aanvraag. De commissie betrekt in haar advies ook de realiteitswaarde van de financiële raming in de aanvraag;
  3° rekening houdend met de beoordeling van de adviescommissie stelt de administratie een preadvies op over alle aspecten van het aanvraagdossier. Dat pre-advies wordt aan de aanvrager toegezonden voor 1 mei van het jaar dat voorafgaat aan de beleidsperiode;
  4° een mogelijk verhaal wordt bij de administratie ingediend voor 15 mei van hetzelfde jaar;
  5° de adviescommissie behandelt voor 1 juli van hetzelfde jaar de verhaalschriften. Tijdens de verhaalprocedure krijgt de aanvrager de mogelijkheid om zijn eigen dossier mondeling toe te lichten bij de adviescommissie;
  6° de administratie bereidt, rekening houdend met het advies van de adviescommissie, het ontwerp van beslissing voor en bezorgt het volledige dossier aan de minister;
  7° de minister beslist voor 15 september van hetzelfde jaar, met toepassing van artikel 15, § 3, van het decreet, over de erkenning en de subsidie-enveloppe van de beweging.
  Art. 17/1. § 1. Voor 30 november van het jaar dat voorafgaat aan de beleidsperiode waarvoor de subsidie gevraagd wordt, bezorgt de sociaal-culturele beweging aan de administratie zo nodig twee exemplaren van het geactualiseerde beleidsplan en van het financieel plan, waarin rekening gehouden wordt met de beslissing van de minister over de grootte van de subsidie-enveloppe. Daarnaast bezorgt de organisatie een verklaring waarin ze ermee akkoord gaat om binnen drie maanden na het begin van de beleidsperiode over een voltijdsequivalent personeelslid te beschikken.
  De sociaal-culturele beweging dient de documenten, vermeld in het eerste lid, in tweevoud in met een aangetekende brief of tegen ontvangstmelding. De beweging bezorgt ook een elektronische versie van die documenten. Het dossier draagt de handtekening van de voorzitter en de secretaris. Bij de aanvraag zijn de agenda gevoegd en een uittreksel uit de notulen van de bijeenkomst van de algemene vergadering waarin de documenten zijn goedgekeurd.
  § 2. De administratie deelt voor 1 maart van het eerste jaar van de beleidsperiode mee of het geactualiseerde beleidsplan en het geactualiseerde financieel plan voldoende aangepast zijn aan de toegekende subsidie-enveloppe. De subsidie-enveloppe wordt toegekend vanaf het eerste jaar van de beleidsperiode.
  HOOFDSTUK II. - De subsidiëring van erkende sociaal-culturele bewegingen
  Art. 18. § 1. Bewegingen die al erkend zijn en gesubsidieerd worden en tijdens de voorgaande beleidsperiode een positieve eindevaluatie hebben gekregen, kunnen voor 1 februari van het jaar dat voorafgaat aan een nieuwe beleidsperiode, een aanvraag indienen bij de administratie voor de verhoging van de subsidie-enveloppe.
  De sociaal-culturele beweging dient twee exemplaren van de aanvraag in met een aangetekende brief of tegen ontvangstmelding. De beweging bezorgt ook een elektronische versie van de aanvraag.
  De aanvraag draagt de handtekening van de voorzitter en de secretaris en is gebaseerd op de goedkeuring van de aanvraag door de algemene vergadering. Bij de aanvraag zijn de agenda gevoegd en een uittreksel uit de notulen van de bijeenkomst van de algemene vergadering waarin de aanvraag is goedgekeurd.
  De administratie brengt de aanvragende beweging voor 15 februari van het jaar dat voorafgaat aan de beleidsperiode, ervan op de hoogte of de aanvraag al dan niet ontvankelijk is. Als de aanvraag onvolledig is, krijgt de organisatie tien werkdagen de tijd om het dossier te vervolledigen. Die termijn begint te lopen vanaf de derde werkdag na de dag van de verzending van de kennisgeving van de onvolledigheid, waarbij de datum van de poststempel bepalend is. In het geval de kennisgeving de organisatie later dan drie dagen bereikt, begint de termijn te lopen vanaf de dag dat de kennisgeving de organisatie bereikt, op voorwaarde dat de organisatie dit kan bewijzen.
  § 2. De aanvraag is ontvankelijk als ze :
  1° tijdig is ingediend;
  2° de vorm heeft van een financieel behoefteplan waarin de organisatie motiveert welke meerwaarde ze wil realiseren ten aanzien van de werking tijdens de vorige beleidsperiode. De volgende elementen komen daarbij aan bod :
  a) een terugblik op de inhoudelijke werking en de financiële context van de afgelopen beleidsperiode;
  b) een uiteenzetting van de plannen voor de komende beleidsperiode en de financiële en de personele consequenties. In dit onderdeel wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen werkingsonderdelen die behouden blijven, nieuwe accenten en veranderingen op het vlak van personeelsbezetting.
  § 3. De procedure voor de beoordeling van de aanvragen, vermeld in paragraaf 1 en 2, verloopt als volgt :
  1° de administratie beheert het aanvraagdossier. Ze treft de nodige voorbereidingen, controleert alle vormelijke aspecten en legt het dossier voor aan de adviescommissie, met inbegrip van alle documenten, vermeld in artikel 16 van het decreet;
  2° de adviescommissie beoordeelt de aanvragen op basis van de evaluatie van de organisatie gedurende de voorbije beleidsperiode door de administratie en op basis van het financieel behoefteplan. De administratie zorgt ervoor dat de leden van de adviescommissie over alle nuttige informatie beschikken;
  3° de administratie maakt, rekening houdend met het advies van de adviescommissie, een preadvies op. Dat preadvies wordt aan de aanvrager toegezonden voor 1 mei van het jaar dat voorafgaat aan de beleidsperiode;
  4° een mogelijk verhaal wordt bij de administratie ingediend voor 15 mei van hetzelfde jaar;
  5° de adviescommissie behandelt voor 1 juli van hetzelfde jaar de verhaalschriften. Tijdens de verhaalprocedure krijgt de aanvrager de mogelijkheid om zijn eigen dossier mondeling toe te lichten bij de adviescommissie;
  6° de administratie bereidt, rekening houdend met het advies van de adviescommissie, het ontwerp van beslissing voor en bezorgt het volledige dossier aan de minister;
  7° uiterlijk op 15 september van het jaar dat voorafgaat aan een nieuwe beleidsperiode, bepaalt de minister, met toepassing van artikel 15bis, § 2, en artikel 16, § 3, van het decreet, de subsidie-enveloppe van de erkende beweging.
  § 4. Elke erkende beweging dient uiterlijk vóór 30 november van het jaar dat voorafgaat aan een nieuwe beleidsperiode, een beleidsplan en een financieel plan in.
  De administratie deelt voor 1 maart van het eerste jaar van de beleidsperiode mee of het beleidsplan en het financieel plan aan de bepalingen, vermeld in artikel 49 van dit besluit, voldoen en conform de toegekende subsidie-enveloppe zijn opgemaakt.
  HOOFDSTUK III. - Evaluatie van sociaal-culturele bewegingen
  Art. 19. § 1. Jaarlijks bezorgt de gesubsidieerde beweging vóór 1 april van het lopende jaar aan de administratie het voortgangsrapport, de begroting voor het lopende kalenderjaar en het financiële verslag van het voorbije kalenderjaar. Nieuwe bewegingen dienen in het eerste jaar van de beleidsperiode alleen een jaarplan in.
  Het voortgangsrapport geeft een stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van het beleidsplan in het voorbije jaar en een vooruitblik op de geplande uitvoering van het beleidsplan voor het lopende jaar. In het voortgangsrapport verduidelijkt de beweging in een afzonderlijke rubriek hoe haar werking in het voorbije jaar en haar werking van het komende jaar zich verhouden ten aanzien van de door het decreet voorgeschreven beoordelingselementen.
  Bewegingen die verplicht zijn hun economisch-financiële informatie voor te leggen aan een werknemersdelegatie, bezorgen vóór 1 juli van het lopende jaar een uittreksel uit de notulen en de agenda van de bijeenkomst van de algemene vergadering waarin de documenten goedgekeurd zijn.
  § 2. Voor de opmaak van de begroting en van het financiële verslag stelt de administratie standaardformulieren ter beschikking van de beweging. Die standaardformulieren zijn ook elektronisch beschikbaar voor de bewegingen.
  § 3. Bij het jaarlijkse financiële verslag van de beweging zijn een balanssituatie gevoegd en het verificatieverslag, opgesteld door een bedrijfsrevisor of een externe accountant die niet betrokken is bij de dagelijkse inhoudelijke, organisatorische of zakelijke werking van de beweging in kwestie.
  § 4. De sociaal-culturele beweging bezorgt de administratie ook een elektronische versie van het voortgangsrapport, het financiële verslag en de begroting.
  Art. 19/1. § 1. Op basis van het voortgangsrapport, het financiële verslag en de begroting onderzoekt de administratie jaarlijks of de sociaal-culturele beweging voldoet aan de bepalingen, vermeld in artikel 15, § 1, en artikel 45, § 2, van het decreet, en of de sociaal-culturele beweging aldus haar subsidie en erkenning kan behouden.
  § 2. De minister kan beslissen de erkenning en de subsidiëring stop te zetten als de beweging niet voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 15, § 1 van het decreet of de subsidiëringsvoorwaarden, vermeld in artikel 15bis, § 1 van het decreet.
  § 3. De intrekking van de erkenning en de stopzetting van de subsidiëring gaat in op 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op de vaststelling van de feiten die aanleiding geven tot de beslissing. De beweging wordt onmiddellijk na de vaststelling van de feiten met een aangetekende brief op de hoogte gebracht van de feiten.
  De beweging in kwestie krijgt de mogelijkheid om binnen tien werkdagen haar standpunt mee te delen met een aangetekende brief. Die termijn begint te lopen vanaf de derde werkdag na de dag van de verzending van de kennisgeving, waarbij de datum van de poststempel bepalend is. In het geval de kennisgeving de organisatie later dan drie dagen bereikt, begint de termijn te lopen vanaf de dag dat de kennisgeving de organisatie bereikt, op voorwaarde dat de organisatie dit kan bewijzen. Na verloop van deze termijn zal de administratie een advies opstellen over de eventuele intrekking van de erkenning en stopzetting van de subsidiëring.
  De beweging wordt binnen een maand met een aangetekende brief op de hoogte gebracht van de beslissing van de minister over de intrekking stopzetting van de subsidies.
  Art. 20. § 1. In de loop van de beleidsperiode brengt een visitatiecommissie een bezoek aan de erkende beweging.
  Binnen drie maanden na dat bezoek bezorgt de administratie het visitatieverslag aan de beweging.
  De beweging heeft de mogelijkheid om schriftelijk commentaar op de inhoud van het visitatieverslag te bezorgen aan de administratie.
  § 2. Het visitatieverslag en de controle van de voortgangsrapporten, begrotingen en financiële verslagen van de beleidsperiode in kwestie leiden tot een eindevaluatieverslag dat bezorgd wordt aan de beweging vóór 1 september van het voorlaatste jaar van de beleidsperiode. De eindevaluatie resulteert in een positieve of negatieve uitspraak over de werking van de organisatie in de beleidsperiode als vermeld in artikel 42, derde lid, van het decreet.
  § 3. Als de beweging niet akkoord gaat met de inhoud van het eindevaluatieverslag, kan ze daartegen bezwaar aantekenen bij de administratie voor 15 september van het voorlaatste jaar van de beleidsperiode.
  De administratie behandelt het bezwaarschrift en deelt de beweging vóór 1 oktober van het voorlaatste jaar van de beleidsperiode mee of ze al dan niet rekening houdt met de inhoud van het ingediende bezwaarschrift. Als de administratie geen rekening houdt met de inhoud van het ingediende bezwaarschrift, stuurt ze het volledige dossier naar de beroepscommissie, die vóór 1 december van het voorlaatste jaar van de beleidsperiode een advies geeft aan de minister via de administratie.
  § 4. De administratie bezorgt het volledige dossier, met inbegrip van het visitatieverslag, het eindevaluatieverslag, het bezwaarschrift en het verslag van de beroepscommissie, aan de minister. De minister beslist vóór 31 december van het voorlaatste jaar van de beleidsperiode over de voorbije werking van de beweging.".
Article 1er. Dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 septembre 2008 portant exécution du décret du 4 avril 2003 relatif à l'animation socioculturelle des adultes, le titre III, comprenant les articles 17 à 20 inclus, est remplacé par les dispositions suivantes :
  " Titre III. - Les mouvements socioculturels
  CHAPITRE Ier. - La procédure d'agrément et de subventionnement de nouveaux mouvements socioculturels
  Art. 17. § 1er. Le Ministre peut agréer et subventionner un nouveau mouvement socioculturel si celui-ci a introduit une demande auprès de l'administration avant le 1er janvier de l'année précédant une période de gestion.
  Le mouvement socioculturel introduit la demande par lettre recommandée ou contre récépissé.
  La demande porte les signatures du président et du secrétaire et est basée sur l'approbation de la demande par l'assemblée générale. La demande s'accompagne de l'ordre du jour et d'un extrait du procès-verbal de la réunion de l'assemblée générale au cours de laquelle le plan de gestion a été approuvé.
  § 2. La demande est recevable si :
  1° elle est introduite à temps;
  2° elle comprend tous les documents requis, tels que visés à l'article 15, § 2 du décret. La demande comprend au moins les documents et informations suivants :
  a) un aperçu des activités comme mouvement socioculturel à caractère communautaire au cours des deux années écoulées;
  b) un plan de gestion qui répond aux dispositions, visées à l'article 49, dans lequel le mouvement indique comment sa politique et ses activités pour les cinq années suivantes se rapportent aux critères d'évaluation, tels que visés à l'article 15, § 1er, 5°, du décret;
  c) un plan financier pour les cinq années suivantes;
  d) une déclaration signée par le président et le secrétaire du mouvement certifiant qu'ils souscrivent aux principes et aux règles de la démocratie et du Traité européen des Droits de l'Homme, et qu'ils les appliquent lors des activités.
  Tous les documents requis sont envoyés en deux exemplaires à l'administration. Le mouvement remet en outre une version électronique du plan de gestion et du plan financier. L'administration informe le mouvement demandeur, avant le 1er février de l'année précédant la période de gestion, de la recevabilité ou non-recevabilité de la demande. Si la demande est incomplète, l'organisation a dix jours ouvrables pour compléter le dossier. Ce délai prend cours à partir du troisième jour ouvrable suivant la date d'envoi de la notification du caractère incomplet, la date de la poste étant déterminante. Si la notification atteint l'organisation après trois jours, le délai prend cours à partir du jour auquel la notification atteint l'organisation, à condition que l'organisation peut en fournir la preuve.
  § 3. La procédure d'évaluation des demandes, visées aux paragraphes 1er et 2, se déroule comme suit :
  1° l'administration gère le dossier de demande. Elle prend les préparatifs nécessaires, contrôle tous les aspects formels et soumet le dossier à la commission consultative, visée à l'article 54, y compris tous les documents visés à l'article 15 du décret. L'administration veille à ce que les membres de la commission consultative disposent de toutes informations utiles;
  2° la commission consultative donne une évaluation du contenu et de la qualité de la demande introduite. La commission tient compte dans son avis de la valeur en réalité de l'estimation financière dans la demande;
  3° compte tenu de l'évaluation de la commission consultative, l'administration établit un avis préalable sur tous les aspects du dossier de demande. Cet avis préalable est envoyé au demandeur avant le 1er mai de l'année précédant la période de gestion;
  4° un éventuel recours est déposé auprès de l'administration avant le 15 mai de la même année;
  5° la commission consultative traite les recours avant le 1er juillet de la même année. Au cours de la procédure de recours, le demandeur a la faculté de commenter son propre dossier devant la commission consultative;
  6° l'administration prépare le projet de décision, en tenant compte de l'avis de la commission consultative, et transmet le dossier complet au Ministre;
  7° le Ministre décide avant le 15 septembre de la même année, en application de l'article 15, § 3, du décret, sur l'agrément et l'enveloppe subventionnelle du mouvement.
  Art. 17/1. § 1er. Avant le 30 novembre de l'année précédant la période de gestion pour laquelle la subvention est demandée, le mouvement socioculturel transmet à l'administration, si nécessaire, deux exemplaires du plan de gestion actualisé et du plan financier, dans lequel il est tenu compte de la décision du Ministre sur l'ampleur de l'enveloppe subventionnelle. En outre, l'organisation transmet une déclaration marquant son accord de disposer, dans les trois mois du début de la période de gestion, d'un membre du personnel équivalent temps plein.
  Le mouvement socioculturel introduit les documents, visés à l'alinéa premier, en deux exemplaires par lettre recommandée ou contre récépissé. Le mouvement remet en outre une version électronique de ces documents. Le dossier porte les signatures du président et du secrétaire. La demande s'accompagne de l'ordre du jour et d'un extrait du procès-verbal de la réunion de l'assemblée générale au cours de laquelle les documents ont été approuvés.
  § 2. L'administration communique, avant le 1er mars de la première année de la période de gestion, si le plan de gestion actualisé et le plan financier actualisé sont suffisamment adaptés à l'enveloppe subventionnelle accordée. L'enveloppe subventionnelle est accordée à partir de la première année de la période de gestion.
  CHAPITRE II. - Le subventionnement de mouvements socioculturels agrees
  Art. 18. § 1er. Les mouvements qui sont déjà agréés et subventionnés et qui ont obtenu une évaluation finale positive, peuvent introduire auprès de l'administration, avant le 1er février de l'année précédant une nouvelle période de gestion, une demande d'augmentation de l'enveloppe subventionnelle.
  Le mouvement socioculturel introduit deux exemplaires de la demande par lettre recommandée ou contre récépissé. Le mouvement remet en outre une version électronique de la demande.
  La demande porte les signatures du président et du secrétaire et est basée sur l'approbation de la demande par l'assemblée générale. La demande s'accompagne de l'ordre du jour et d'un extrait du procès-verbal de la réunion de l'assemblée générale au cours de laquelle la demande a été approuvée.
  L'administration informe le mouvement demandeur, avant le 15 février de l'année précédant la période de gestion, de la recevabilité ou non-recevabilité de la demande. Si la demande est incomplète, l'organisation a dix jours ouvrables pour compléter le dossier. Ce délai prend cours à partir du troisième jour ouvrable suivant la date d'envoi de la notification du caractère incomplet, la date de la poste étant déterminante. Si la notification atteint l'organisation après trois jours, le délai prend cours à partir du jour auquel la notification atteint l'organisation, à condition que l'organisation peut en fournir la preuve.
  § 2. La demande est recevable si :
  1° elle est introduite à temps;
  2° elle a la forme d'un plan des besoins financiers dans lequel l'organisation motive la plus-value qu'elle souhaite réaliser par rapport au fonctionnement pendant la période de gestion précédente. Les éléments suivants y sont abordés :
  a) un rappel des activités de fond et du contexte financier de la période de gestion écoulée;
  b) un exposé des plans pour la période de gestion suivante et des conséquences financières et personnelles. Cette partie fait une distinction claire entre les éléments de fonctionnement qui sont conservés, les nouveaux accents et les changements au niveau de l'effectif en personnel.
  § 3. La procédure d'évaluation des demandes, visées aux paragraphes 1er et 2, se déroule comme suit :
  1° l'administration gère le dossier de demande. Elle prend les préparatifs nécessaires, contrôle tous les aspects formels et soumet le dossier à la commission consultative, y compris tous les documents visés à l'article 16, du décret;
  2° la commission consultative évalue les demandes sur la base de l'évaluation de l'organisation pendant la période de gestion écoulée par l'administration, et sur la base du plan des besoins financiers. L'administration veille à ce que les membres de la commission consultative disposent de toutes informations utiles;
  3° l'administration établit un avis préalable, en tenant compte de l'avis de la commission consultative. Cet avis préalable est envoyé au demandeur avant le 1er mai de l'année précédant la période de gestion;
  4° un éventuel recours est déposé auprès de l'administration avant le 15 mai de la même année;
  5° la commission consultative traite les recours avant le 1er juillet de la même année. Au cours de la procédure de recours, le demandeur a la faculté de commenter son propre dossier devant la commission consultative;
  6° l'administration prépare le projet de décision, en tenant compte de l'avis de la commission consultative, et transmet le dossier complet au Ministre;
  7° au plus tard le 15 septembre de l'année précédant une nouvelle période de gestion, le Ministre arrête l'enveloppe subventionnelle du mouvement agréé, en application de l'article 15bis, § 2, et de l'article 16, § 3, du décret.
  § 4. Chaque mouvement agréé introduit un plan de gestion et un plan financier au plus tard avant le 30 novembre de l'année précédant une nouvelle période de gestion.
  Avant le 1er mars de la première année de la période de gestion, l'administration communique si le plan de gestion et le plan financier répondent aux dispositions, visées à l'article 49 du présent arrêté, et s'ils sont établis conformément à l'enveloppe subventionnelle.
  CHAPITRE III. - Evaluation de mouvements socioculturels
  Art. 19. § 1er. Le mouvement subventionné remet chaque année à l'administration, au plus tard le 1er avril de l'année en cours, le rapport d'avancement, le budget de l'année calendaire en cours et le rapport financier de l'année calendaire écoulée. Les nouveaux mouvements introduisent uniquement un plan annuel pendant la première année de la période de gestion.
  Le rapport d'avancement fait le point sur la mise en oeuvre du plan de gestion au cours de l'année écoulée et donne une prévision de la mise en oeuvre projetée du plan de gestion pendant l'année en cours. Dans le rapport d'avancement, le mouvement explicite dans une rubrique distincte comment ses activités de l'année écoulée et ses activités de l'année suivante se rapportent à l'égard des éléments d'appréciation prescrits par le décret.
  Les mouvements qui sont tenus de présenter leurs informations économiques-financières à une délégation des travailleurs, remettent, avant le 1er juillet de l'année en cours, un extrait du procès-verbal et l'ordre du jour de la réunion de l'assemblée générale au cours de laquelle les documents ont été approuvés.
  § 2. Pour l'établissement du budget et du rapport financier, l'administration met des formulaires type à la disposition du mouvement. Ces formulaires type sont également disponibles sur support électronique pour les mouvements.
  § 3. Le rapport financier annuel du mouvement est accompagné d'une situation du bilan et du rapport de vérification établi par un réviseur d'entreprise ou d'un expert comptable extérieur, qui n'est pas associé aux activités journalières, organisationnelles ou transactionnelles du mouvement en question.
  § 4. Le mouvement socioculturel transmet en outre à l'administration une version électronique du rapport d'avancement, du rapport financier et du budget.
  Art. 19/1. § 1er. L'administration examine annuellement, sur la base du rapport d'avancement, du rapport financier et du budget, si le mouvement socioculturel remplit les conditions, visées à l'article 15, § 1er, et à l'article 45, § 2 du décret, et si par conséquent le mouvement socioculturel peut maintenir sa subvention et son agrément.
  § 2. Le Ministre peut décider d'arrêter l'agrément et le subventionnement si le mouvement ne répond pas aux conditions d'agrément, visées à l'article 15, § 1er, du décret, ou aux conditions de subventionnement, visées à l'article 15bis, § 1er, du décret.
  § 3. Le retrait de l'agrément et la cessation du subventionnement prend cours le 1er janvier de l'année calendaire qui suit la constatation des faits donnant lieu à la décision. Le mouvement est mis au courant des faits, immédiatement après constatation des faits, par lettre recommandée.
  Le mouvement en question a la faculté d'éclairer sa position dans les dix jours ouvrables et par lettre recommandée. Ce délai prend cours à partir du troisième jour ouvrable suivant la date d'envoi de la notification, la date de la poste étant déterminante. Si la notification atteint l'organisation après trois jours, le délai prend cours à partir du jour auquel la notification atteint l'organisation, à condition que l'organisation peut en fournir la preuve. A l'issue de ce délai, l'administration établira un avis sur le retrait éventuel de l'agrément et la cessation du subventionnement.
  La décision du Ministre de retirer l'agrément ou de cesser l'octroi des subventions est notifiée en recommandé au mouvement dans le mois.
  Art. 20. § 1er. Au cours de la période de gestion, une commission de visite rend visite au mouvement agréé.
  Dans les trois mois suivant cette visite, l'administration transmet le rapport de visite au mouvement.
  Le mouvement dispose de la possibilité de transmettre des commentaires écrits du contenu du rapport de visite à l'administration.
  § 2. Le rapport de visite et le contrôle des rapports d'avancement, budgets et rapports financiers de la période de gestion en question aboutissent à un rapport d'évaluation final qui est transmis au mouvement avant le 1er septembre de l'avant-dernière année de la période de gestion. L'évaluation finale donne lieu à une décision positive ou négative relative au fonctionnement de l'organisation pendant la période de gestion, telle que visée à l'article 42, alinéa trois, du décret.
  § 3. Si le mouvement n'est pas d'accord avec le contenu du rapport d'évaluation final, elle peut adresser une réclamation en la matière à l'administration avant le 15 septembre de l'avant-dernière année de la période de gestion.
  L'administration traite la réclamation et communique au mouvement, avant le 1er octobre de l'avant-dernière année de la période de gestion si elle tient compte ou non du contenu de la réclamation introduite. Si l'administration ne tient pas compte du contenu de la réclamation introduite, elle envoie le dossier complet à la commission de recours, qui rend un avis au Ministre par le biais de l'administration, avant le 1er décembre de l'avant-dernière année de la période de gestion.
  § 4. L'administration transmet le dossier complet, y compris le rapport de visite, le rapport d'évaluation final, la réclamation et le rapport de la commission de recours, au Ministre. Le Ministre décide sur les activités précédentes du mouvement, avant le 31 décembre de l'avant-dernière année de la période de gestion. ".
Art.2. In artikel 52 van hetzelfde besluit wordt het derde lid vervangen door wat volgt :
  "De sector stelt een lijst voor van mogelijke externe deskundigen per werksoort. De minister kan, na onderling overleg met de sector, wijzigingen aanbrengen aan de lijst. Uit de desgevallend aangepaste lijst maakt de minister een selectie van deskundigen".
Art.2. Dans l'article 52 du même arrêté, l'alinéa trois est remplacé par les dispositions suivantes :
  " Le secteur présente une liste d'experts externes possibles par type de travail. Après concertation avec le secteur, le Ministre peut apporter des modifications à la liste. De cette liste, adaptée le cas échéant, le Ministre opère une sélection d'experts. ".
Art.3. Artikel 54 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 54. Er wordt een adviescommissie opgericht voor de behandeling van de erkennings- en subsidieaanvragen van de sociaal-culturele bewegingen. Voor de samenstelling van die adviescommissie stelt de administratie een lijst op met achttien namen. Uit die lijst benoemt de Vlaamse Regering een voorzitter, een ondervoorzitter en maximaal zeven leden. De leden van de adviescommissie worden prioritair voorgesteld als kandidaten voor de lijst van externe deskundigen, vermeld in artikel 52, derde lid.".
Art.3. L'article 54 du même arrêté est remplacé par les dispositions suivantes :
  " Art. 54. Il est créé une commission consultative pour le traitement des demandes d'agrément et de subventions des mouvements socioculturels. En vue de la composition de cette commission consultative, l'administration établit une liste de dix-huit noms. Le Gouvernement flamand nomme un président, un vice-président et sept membres au maximum de cette liste. Les membres de la liste consultative sont présentés prioritairement comme candidats pour la liste d'experts externes, visée à l'article 52, alinéa trois. ".
Art.4. In artikel 59 van hetzelfde besluit wordt het getal "18" vervangen door het getal "20".
Art.4. Dans l'article 59 du même arrêté, le nombre " 18 " est remplacé par le nombre " 20 ".
Art.5. Artikel 60 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 60. De subsidie wordt uitbetaald in twee voorschotten : het eerste in februari en het tweede in juni. Elk voorschot bedraagt 45 percent van de vastgestelde financiële enveloppe op jaarbasis. Het saldo van de subsidie wordt uitbetaald vóór 1 juli van het jaar dat volgt op het gesubsidieerde kalenderjaar, na goedkeuring door de administratie van de in het voorbije jaar gedane uitgaven. Bij de berekening van het saldo wordt rekening gehouden met de uitgekeerde voorschotten. Als de uitgekeerde voorschotten hoger zijn dan de verantwoorde subsidie, wordt het verschil in mindering gebracht op de voorschotten van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarop de subsidie betrekking heeft.".
Art.5. L'article 60 du même arrêté est remplacé par les dispositions suivantes :
  " Art. 60. La subvention est payée en deux avances : la première en février et la deuxième en juin. Chaque avance représente 45% de l`enveloppe de subventions fixée sur une base annuelle. Le solde de la subvention est liquidé avant le 1er juillet de l'année qui suit l'année calendaire subventionnée, après l'approbation par l'administration des dépenses faites pendant l'année écoulée. Lors du calcul du solde, il est tenu compte des avances payées. Si le total des avances est supérieur à la subvention justifiée, la différence est déduite des avances de l'année calendaire qui suit l'année à laquelle se rapporte la subvention. ".
Art.6. Artikel 61 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 61. De jaarlijkse subsidie wordt verantwoord op basis van een dossier dat de federatie van organisaties voor volksontwikkelingswerk uiterlijk op 1 mei van het lopende jaar aan de administratie voorlegt en dat bestaat uit de volgende documenten :
  1° de lijst van de erkende of gesubsidieerde organisaties die voldoen aan de verplichtingen die eigen zijn aan het lidmaatschap;
  2° de activiteitenplanning en de begroting voor het lopende kalenderjaar, goedgekeurd door de algemene vergadering;
  3° een financieel en werkingsverslag over het voorbije jaar, goedgekeurd door de algemene vergadering.".
Art.6. L'article 61 du même arrêté est remplacé par les dispositions suivantes :
  " Art. 61. La subvention annuelle est justifiée sur la base d'un dossier que la fédération d'organisations d'éducation populaire soumet à l'administration au plus tard le 1er mai de l'année en cours, et qui comprend les documents suivants :
  1° la liste des organisations agréées ou subventionnées qui remplissent les obligations propres au statut de membre;
  2° le planning des activités et le budget de l'année calendaire en cours, approuvés par l'assemblée générale;
  3° un rapport financier et d'activité sur l'année écoulée, approuvé par l'assemblée générale. ".
Art. 7. De Vlaamse minister, bevoegd voor de culturele aangelegenheden, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 7. Le Ministre flamand ayant les affaires culturelles dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
  Brussel, 6 december 2013.
  De minister-president van de Vlaamse Regering,
  K. PEETERS
  De Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur,
  J. SCHAUVLIEGE
  Bruxelles, le 6 décembre 2013.
  Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
  K. PEETERS
  La Ministre flamande de l'Environnement, de la Nature et de la Culture,
  J. SCHAUVLIEGE