Artikel 1. In artikel 1.1.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de " Definities ozonafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen " worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) aan de definitie " ozonafbrekende stoffen " wordt de zinsnede " , met inbegrip van de isomeren ervan, afzonderlijk of in een mengsel, ongeacht of het nieuw geproduceerde, teruggewonnen, gerecycleerde of gegenereerde stoffen betreft " toegevoegd;
b) de definitie " gefluoreerde broeikasgassen " wordt vervangen door wat volgt :
" " gefluoreerde broeikasgassen " : fluorkoolwaterstoffen (HFK's), perfluorkoolstoffen (PFK's) en zwavelhexafluoride, vermeld in bijlage I van Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen en de latere wijzigingen ervan, afzonderlijk of in een mengsel; ";
c) de definitie " fluorkoolwaterstoffen (HFK's) " wordt vervangen door wat volgt :
" " fluorkoolwaterstoffen (HFK's) " : de fluorkoolwaterstoffen (HFK's), vermeld in bijlage I van Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen en de latere wijzigingen ervan; ";
d) de definitie " perfluorkoolstoffen " wordt vervangen door wat volgt :
" " perfluorkoolstoffen (PFK's) " : de perfluorkoolstoffen (PFK's), vermeld in bijlage I van Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen en de latere wijzigingen ervan. ";
e) de definitie " zwavelhexafluoride " wordt opgeheven;
2° in de " Definities koelinstallaties " worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) de definitie " een bevoegde deskundige " wordt opgeheven;
b) de definitie " bevoegde koeltechnicus " wordt vervangen door wat volgt :
" " bevoegde koeltechnicus " : een technicus die is aangewezen om werkzaamheden aan koelinstallaties op een verantwoorde manier uit te voeren, ofwel rechtstreeks door de exploitant, ofwel door het koeltechnische bedrijf dat werkzaamheden aan de koelinstallatie uitvoert. Indien de technicus aan koelinstallaties die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten, werkzaamheden verricht als vermeld in artikel 1, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van koeltechnische bedrijven en hun koeltechnici, moet de technicus gecertificeerd zijn volgens de bepalingen van dit besluit. Voor de werkzaamheden aan koelinstallaties die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten, vermeld in artikel 1, 5°, a) en b), van het voormelde besluit geldt als aanvullende voorwaarde dat de technicus werkt in een koeltechnisch bedrijf dat is gecertificeerd overeenkomstig de bepalingen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van koeltechnische bedrijven en hun koeltechnici; ";
c) de definitie " airconditioningsysteem " wordt vervangen door wat volgt :
" " airconditioningsysteem " : een combinatie van de bestanddelen die nodig zijn voor een vorm van inpandige luchtbehandeling waardoor de temperatuur wordt geregeld of kan worden verlaagd. Een reversibele warmtepomp wordt beschouwd als een airconditioningsysteem; ";
d) er wordt een definitie " nominaal koelvermogen " toegevoegd, die luidt als volgt :
" " nominaal koelvermogen " : het koelvermogen, aangegeven door de fabrikant en berekend volgens de standaardvoorwaarden, zoals bepaald in EN 14511-2. Als het airconditioningsysteem bestaat uit een aantal individuele installaties die door middel van een centrale sturing of een buizensysteem met elkaar verbonden zijn, moeten de vermogens van de verschillende individuele installaties opgeteld worden; ";
e) er wordt een definitie " gebouw " toegevoegd, die luidt als volgt :
" " gebouw " : een overdekte constructie met muren waarvoor energie gebruikt wordt om het binnenklimaat te regelen. ".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
1 MAART 2013. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het VLAREL en tot wijziging van diverse andere besluiten wat betreft erkenningen met betrekking tot het leefmilieu(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-04-2013 en tekstbijwerking tot 24-09-2014)
Titre
1 MARS 2013. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant le VLAREL et modifiant divers autres arrêtés en matière d'agréments relatifs à l'environnement(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 23-04-2013 et mise à jour au 24-09-2014)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen in titel II van het ...
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen in het besluit van d...
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen in het besluit van d...
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen in het besluit van d...
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen in het besluit van d...
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen in het besluit van d...
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen in het besluit van d...
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen in het besluit van d...
HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen in het besluit van d...
HOOFDSTUK 10. - Wijzigingen in het VLAREL
HOOFDSTUK 11. - Wijziging in het besluit van de...
HOOFDSTUK 12. - Wijziging in het besluit van de...
HOOFDSTUK 13. - Wijziging in het besluit van de...
HOOFDSTUK 14. - Opheffingsbepalingen
HOOFDSTUK 15. - Overgangsbepalingen
HOOFDSTUK 16. - Slotbepalingen
BIJLAGEN.
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Modifications au titre II du VL...
CHAPITRE 2. - Modifications dans l'arrêté du Go...
CHAPITRE 3. - Modifications dans l'arrêté du Go...
CHAPITRE 4. - Modifications dans l'arrêté du Go...
CHAPITRE 5. - Modifications dans l'arrêté du Go...
CHAPITRE 6. - Modifications dans l'arrêté du Go...
CHAPITRE 7. - Modifications dans l'arrêté du Go...
CHAPITRE 8. - Modifications dans l'arrêté du Go...
CHAPITRE 9. - Modifications dans l'arrêté du Go...
CHAPITRE 10. - Modifications dans le VLAREL
CHAPITRE 11. - Modification dans l'arrêté du Go...
CHAPITRE 12. - Modification dans l'arrêté du Go...
CHAPITRE 13. - Modification dans l'arrêté du Go...
CHAPITRE 14. - Dispositions abrogatoires
CHAPITRE 15. - Dispositions transitoires
CHAPITRE 16. - Dispositions finales
ANNEXES.
Tekst (218)
Texte (218)
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen in titel II van het VLAREM
CHAPITRE 1er. - Modifications au titre II du VLAREM
Article 1er. Dans l'article 1.1.2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans les " Définitions substances qui appauvrissent la couche d'ozone et gaz à effet de serre fluorés " sont apportées les modifications suivantes :
a) la définition " substances qui appauvrissent la couche d'ozone " est complétée par les mots " , y compris leurs isomères, séparés ou dans un mélange, qu'il s'agit de substances vierges, récupérées, recyclées ou générées ";
b) la définition " gaz à effet de serre fluorés " est remplacée par ce qui suit :
" " gaz à effet de serre fluorés " : les hydrofluorocarbones (HFC), perfluorocarbones (PFC) et hexafluorure de soufre, visés à l'annexe Ire du Règlement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil du 17 mai 2006 relatif à certains gaz à effet de serre fluorés, et ses modifications ultérieures, séparés ou dans un mélange; ";
c) la définition " hydrocarbures fluorés (HFC) " est remplacée par ce qui suit :
" " hydrofluorocarbones (HFC) " : les hydrofluorocarbones (HFC), visés à l'annexe Ire du Règlement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil du 17 mai 2006 relatif à certains gaz à effet de serre fluorés, et ses modifications ultérieures; ";
d) la définition " hydrocarbures perfluorés " est remplacée par ce qui suit :
" " perfluorocarbones (PFC) " : les perfluorocarbones (PFC), visés à l'annexe Ire du Règlement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil du 17 mai 2006 relatif à certains gaz à effet de serre fluorés, et ses modifications ultérieures. ";
e) la définition " hexafluorure de soufre " est abrogée;
Dans les " Définitions installations de réfrigération " sont apportées les modifications suivantes :
a) la définition " un expert compétent " est abrogée;
b) la définition " frigoriste compétent " est remplacée par ce qui suit :
" " frigoriste compétent " : un technicien désigné en vue d'exécuter des travaux à des installations de réfrigération de manière justifiée, soit directement par l'exploitant, soit par l'entreprise frigorifique exécutant les travaux à l'installation de réfrigération. Lorsque le technicien exécute des travaux, tels que visés à l'article 1er, 5°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 en matière de certification d'entreprises frigorifiques et de leurs frigoristes, à des installations de réfrigération qui contiennent des substances appauvrissant la couche d'ozone ou des gaz à effet de serre fluorés, le technicien doit être certifié conformément aux dispositions du présent arrêté. Pour les travaux à des installations de réfrigération qui contiennent des substances appauvrissant la couche d'ozone ou des gaz à effet de serre fluorés, visés à l'article 1er, 5°, a) et b), de l'arrêté précité, la condition supplémentaire s'applique que le technicien travaille dans une entreprise frigorifique certifiée conformément aux dispositions, visées à l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 en matière de certification d'entreprises frigorifiques et de leurs frigoristes; ";
c) la définition " système de climatisation " est remplacée par ce qui suit :
" " système de climatisation " : une combinaison des éléments nécessaires à une forme de traitement d'air incorporé dans le bâtiment permettant de régler ou de diminuer la température. Une pompe à chaleur réversible est considérée comme un système de climatisation; ";
d) il est ajouté une définition " puissance frigorifique nominale ", rédigée comme suit :
" " puissance frigorifique nominale " : la puissance frigorifique, indiquée par le fabricant et calculée conformément aux conditions standard, telles que visées à la EN 14511-2. Lorsque le système de climatisation comprend un certain nombre d'installations individuelles qui, par le biais d'une commande centrale ou d'un système de tuyaux, sont raccordées entre elles, les puissances des installations individuelles différentes doivent être additionnées; ";
e) il est ajouté une définition " bâtiment ", rédigée comme suit :
" " bâtiment " : une construction couverte avec des murs pour laquelle de l'énergie est utilisée afin de régler le climat intérieur. ".
1° dans les " Définitions substances qui appauvrissent la couche d'ozone et gaz à effet de serre fluorés " sont apportées les modifications suivantes :
a) la définition " substances qui appauvrissent la couche d'ozone " est complétée par les mots " , y compris leurs isomères, séparés ou dans un mélange, qu'il s'agit de substances vierges, récupérées, recyclées ou générées ";
b) la définition " gaz à effet de serre fluorés " est remplacée par ce qui suit :
" " gaz à effet de serre fluorés " : les hydrofluorocarbones (HFC), perfluorocarbones (PFC) et hexafluorure de soufre, visés à l'annexe Ire du Règlement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil du 17 mai 2006 relatif à certains gaz à effet de serre fluorés, et ses modifications ultérieures, séparés ou dans un mélange; ";
c) la définition " hydrocarbures fluorés (HFC) " est remplacée par ce qui suit :
" " hydrofluorocarbones (HFC) " : les hydrofluorocarbones (HFC), visés à l'annexe Ire du Règlement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil du 17 mai 2006 relatif à certains gaz à effet de serre fluorés, et ses modifications ultérieures; ";
d) la définition " hydrocarbures perfluorés " est remplacée par ce qui suit :
" " perfluorocarbones (PFC) " : les perfluorocarbones (PFC), visés à l'annexe Ire du Règlement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil du 17 mai 2006 relatif à certains gaz à effet de serre fluorés, et ses modifications ultérieures. ";
e) la définition " hexafluorure de soufre " est abrogée;
Dans les " Définitions installations de réfrigération " sont apportées les modifications suivantes :
a) la définition " un expert compétent " est abrogée;
b) la définition " frigoriste compétent " est remplacée par ce qui suit :
" " frigoriste compétent " : un technicien désigné en vue d'exécuter des travaux à des installations de réfrigération de manière justifiée, soit directement par l'exploitant, soit par l'entreprise frigorifique exécutant les travaux à l'installation de réfrigération. Lorsque le technicien exécute des travaux, tels que visés à l'article 1er, 5°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 en matière de certification d'entreprises frigorifiques et de leurs frigoristes, à des installations de réfrigération qui contiennent des substances appauvrissant la couche d'ozone ou des gaz à effet de serre fluorés, le technicien doit être certifié conformément aux dispositions du présent arrêté. Pour les travaux à des installations de réfrigération qui contiennent des substances appauvrissant la couche d'ozone ou des gaz à effet de serre fluorés, visés à l'article 1er, 5°, a) et b), de l'arrêté précité, la condition supplémentaire s'applique que le technicien travaille dans une entreprise frigorifique certifiée conformément aux dispositions, visées à l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 en matière de certification d'entreprises frigorifiques et de leurs frigoristes; ";
c) la définition " système de climatisation " est remplacée par ce qui suit :
" " système de climatisation " : une combinaison des éléments nécessaires à une forme de traitement d'air incorporé dans le bâtiment permettant de régler ou de diminuer la température. Une pompe à chaleur réversible est considérée comme un système de climatisation; ";
d) il est ajouté une définition " puissance frigorifique nominale ", rédigée comme suit :
" " puissance frigorifique nominale " : la puissance frigorifique, indiquée par le fabricant et calculée conformément aux conditions standard, telles que visées à la EN 14511-2. Lorsque le système de climatisation comprend un certain nombre d'installations individuelles qui, par le biais d'une commande centrale ou d'un système de tuyaux, sont raccordées entre elles, les puissances des installations individuelles différentes doivent être additionnées; ";
e) il est ajouté une définition " bâtiment ", rédigée comme suit :
" " bâtiment " : une construction couverte avec des murs pour laquelle de l'énergie est utilisée afin de régler le climat intérieur. ".
Art. 2. In artikel 1.3.1.1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012, wordt paragraaf 3 vervangen door wat volgt :
" § 3. Voor het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses als vermeld in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en in de bijzondere vergunningsvoorwaarden van bepaalde inrichtingen of onderdelen van inrichtingen, wordt verstaan onder een milieudeskundige in de discipline afval of bodem : een laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen of in de discipline bodem, deeldomein bodemsanering, erkend voor de uitvoering van die bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses met toepassing van het VLAREL. ".
" § 3. Voor het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses als vermeld in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en in de bijzondere vergunningsvoorwaarden van bepaalde inrichtingen of onderdelen van inrichtingen, wordt verstaan onder een milieudeskundige in de discipline afval of bodem : een laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen of in de discipline bodem, deeldomein bodemsanering, erkend voor de uitvoering van die bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses met toepassing van het VLAREL. ".
Art. 2. Dans l'article 1.3.1.1 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2012, le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Pour la prise d'échantillons et l'exécution de mesures, d'essais et d'analyses tels que visés aux conditions environnementales générales et sectorielles et aux conditions d'autorisation particulières de certains établissements ou parties d'établissements, on entend par un expert environnemental dans la discipline des déchets ou du sol : un laboratoire dans la discipline des déchets et autres matériaux ou dans la discipline du sol, sous-domaine de l'assainissement du sol, agréé pour l'exécution de ces échantillonnages, mesures, essais ou analyses en application du VLAREL. ".
" § 3. Pour la prise d'échantillons et l'exécution de mesures, d'essais et d'analyses tels que visés aux conditions environnementales générales et sectorielles et aux conditions d'autorisation particulières de certains établissements ou parties d'établissements, on entend par un expert environnemental dans la discipline des déchets ou du sol : un laboratoire dans la discipline des déchets et autres matériaux ou dans la discipline du sol, sous-domaine de l'assainissement du sol, agréé pour l'exécution de ces échantillonnages, mesures, essais ou analyses en application du VLAREL. ".
Art. 3. In artikel 1.3.4.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, wordt de zinsnede " zoals bedoeld in artikel 32quater van de wet van 26 maart 1971 houdende bescherming van oppervlaktewateren tegen verontreiniging " vervangen door de zinsnede " als vermeld in artikel 2.2.6 en 10.2.4 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ".
Art. 3. Dans l'article 1.3.4.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010, les mots " tel que visé à l'article 32quater de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution " sont remplacés par les mots " tel que visé à l'article 2.2.6 et 10.2.4 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ".
Art. 4. In artikel 1.3.4.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008 en 20 november 2009, worden de woorden " afdeling Meetnetten en Onderzoek " vervangen door de zinsnede " afdeling Lucht, Milieu en Communicatie ".
Art. 4. Dans l'article 1.3.4.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 mars 2008 et 20 novembre 2009, les mots " Le département des Réseaux de mesurage et Etude " sont remplacés par les mots " La division Air, Environnement et Communication ".
Art. 5. In artikel 5.16.3.3 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 maart 2003 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 8 december 2006, 7 maart 2008, 19 juni 2009, 4 september 2009 en 20 november 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 3 wordt punt 4° vervangen door wat volgt :
" 4° Airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW worden regelmatig gekeurd door een erkende airco-energiedeskundige als vermeld in artikel 6, 1°, f), van het VLAREL. Die keuring omvat een beoordeling van het rendement van de airconditioning en van de dimensionering ervan, rekening houdend met de koelingsbehoefte van het gebouw. De minister, bevoegd voor het leefmilieu, bepaalt uit welke elementen de keuring minstens bestaat en met welke frequentie de keuring ten minste moet worden uitgevoerd. Het keuringsverslag bevat het resultaat van de keuring, alsook aanbevelingen voor een kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van het gekeurde systeem. De exploitant bezorgt een duplicaat van het keuringsverslag aan de eigenaar van het gebouw. De exploitant en de eigenaar van het gebouw houden het keuringsverslag ten minste vijf jaar ter beschikking van de toezichthoudende overheid. Dit punt voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking). ";
2° in paragraaf 4 wordt de zin " Dat koelmiddel mag, nadat het goed bevonden is, enkel in dezelfde inrichting terug worden gebruikt. " opgeheven;
3° in paragraaf 6 wordt punt 3° vervangen door wat volgt :
" 3° Als het relatieve lekverlies meer dan 10 % per jaar bedraagt, moet zo snel mogelijk en uiterlijk binnen veertien dagen ofwel de installatie worden stilgelegd, het koelmiddel worden verwijderd en opgevangen, ofwel het koelmiddel worden verzameld in een of meer afsluitbare gedeelten van het koelsysteem. De lekkage moet worden opgespoord en gedicht.
Het koelmiddel mag pas opnieuw in het hele koelsysteem worden ingebracht nadat het defect is verholpen en een controle op lekdichtheid door een bevoegde koeltechnicus is uitgevoerd. Een nieuwe controle op lekdichtheid moet worden uitgevoerd binnen een maand na de herstelling.
Als bij lekdichtheidscontroles of uit de hoeveelheden bijgevuld koelmiddel die in het logboek genoteerd zijn, blijkt dat na herstellingen het lekverlies niet kan worden teruggebracht tot minder dan 5 % per jaar, moet de installatie binnen twaalf maanden na de vaststelling van het lekverlies uit gebruik worden genomen. Als om redenen van technische complexiteit die vervanging binnen twaalf maanden niet mogelijk is, moet de termijn voor vervanging zo kort mogelijk worden gehouden en moet dat gemeld worden aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving. ";
4° in paragraaf 6 worden punt 4° en 5° opgeheven;
5° paragraaf 7 wordt vervangen door wat volgt :
" § 7. De periodieke lekdichtheidscontrole moet voldoen aan de volgende vereisten :
1° als bij de controles, vermeld in artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen en in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen en Verordening (EG) nr. 1516/2007 van de Commissie van 19 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat, het vermoeden van lekkage bestaat, moet de controle uitgevoerd worden met lekdetectieapparatuur die geschikt is voor het betreffende koelmiddel en met een detectiegrens van ten minste 5 g per jaar, onder een lichte overdruk ten opzichte van de normale bedrijfsdruk;
2° zowel een gedetailleerde beschrijving als de resultaten en bevindingen van die controles moeten met vermelding van de datum in het logboek worden geregistreerd. ".
1° in paragraaf 3 wordt punt 4° vervangen door wat volgt :
" 4° Airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW worden regelmatig gekeurd door een erkende airco-energiedeskundige als vermeld in artikel 6, 1°, f), van het VLAREL. Die keuring omvat een beoordeling van het rendement van de airconditioning en van de dimensionering ervan, rekening houdend met de koelingsbehoefte van het gebouw. De minister, bevoegd voor het leefmilieu, bepaalt uit welke elementen de keuring minstens bestaat en met welke frequentie de keuring ten minste moet worden uitgevoerd. Het keuringsverslag bevat het resultaat van de keuring, alsook aanbevelingen voor een kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van het gekeurde systeem. De exploitant bezorgt een duplicaat van het keuringsverslag aan de eigenaar van het gebouw. De exploitant en de eigenaar van het gebouw houden het keuringsverslag ten minste vijf jaar ter beschikking van de toezichthoudende overheid. Dit punt voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking). ";
2° in paragraaf 4 wordt de zin " Dat koelmiddel mag, nadat het goed bevonden is, enkel in dezelfde inrichting terug worden gebruikt. " opgeheven;
3° in paragraaf 6 wordt punt 3° vervangen door wat volgt :
" 3° Als het relatieve lekverlies meer dan 10 % per jaar bedraagt, moet zo snel mogelijk en uiterlijk binnen veertien dagen ofwel de installatie worden stilgelegd, het koelmiddel worden verwijderd en opgevangen, ofwel het koelmiddel worden verzameld in een of meer afsluitbare gedeelten van het koelsysteem. De lekkage moet worden opgespoord en gedicht.
Het koelmiddel mag pas opnieuw in het hele koelsysteem worden ingebracht nadat het defect is verholpen en een controle op lekdichtheid door een bevoegde koeltechnicus is uitgevoerd. Een nieuwe controle op lekdichtheid moet worden uitgevoerd binnen een maand na de herstelling.
Als bij lekdichtheidscontroles of uit de hoeveelheden bijgevuld koelmiddel die in het logboek genoteerd zijn, blijkt dat na herstellingen het lekverlies niet kan worden teruggebracht tot minder dan 5 % per jaar, moet de installatie binnen twaalf maanden na de vaststelling van het lekverlies uit gebruik worden genomen. Als om redenen van technische complexiteit die vervanging binnen twaalf maanden niet mogelijk is, moet de termijn voor vervanging zo kort mogelijk worden gehouden en moet dat gemeld worden aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving. ";
4° in paragraaf 6 worden punt 4° en 5° opgeheven;
5° paragraaf 7 wordt vervangen door wat volgt :
" § 7. De periodieke lekdichtheidscontrole moet voldoen aan de volgende vereisten :
1° als bij de controles, vermeld in artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen en in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen en Verordening (EG) nr. 1516/2007 van de Commissie van 19 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat, het vermoeden van lekkage bestaat, moet de controle uitgevoerd worden met lekdetectieapparatuur die geschikt is voor het betreffende koelmiddel en met een detectiegrens van ten minste 5 g per jaar, onder een lichte overdruk ten opzichte van de normale bedrijfsdruk;
2° zowel een gedetailleerde beschrijving als de resultaten en bevindingen van die controles moeten met vermelding van de datum in het logboek worden geregistreerd. ".
Art. 5. Dans l'article 5.16.3.3 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 mars 2003 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 8 décembre 2006, 7 mars 2008, 19 juin 2009, 4 septembre 2009 et 20 novembre 2009, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le paragraphe 3, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° Les systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW sont contrôlés régulièrement par un expert agréé en matière d'énergie et de systèmes de climatisation, tel que visé à l'article 6, 1°, f), du VLAREL. Ce contrôle comprend une évaluation du rendement de la climatisation et de son dimensionnement, compte tenu des besoins de réfrigération du bâtiment. Le Ministre ayant l'environnement dans ses attributions fixe les éléments que comprend le contrôle au moins et quelle est la fréquence minimale d'exécution des contrôles. Le rapport de contrôle comprend le résultat du contrôle, ainsi que des recommandations pour une amélioration rentable de la performance énergétique du système contrôlé. L'exploitant remet un duplicata du rapport de contrôle au propriétaire du bâtiment. L'exploitant et le propriétaire du bâtiment tiennent le rapport de contrôle à la disposition de l'autorité de contrôle pendant au moins cinq ans. Ce point prévoit la transposition partielle de la Directive 2010/31/UE du Parlement européen et du Conseil du 19 mai 2010 sur la performance énergétique des bâtiments (refonte). ";
2° dans le paragraphe 4, la phrase " S'il est déclaré bon, l'agent réfrigérant peut seulement être réutilisé dans la même installation. " est abrogée;
3° dans le paragraphe 6, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° Lorsque les pertes relatives par fuite sont supérieures à 10 % par an, il faut, le plus rapidement possible et au plus tard dans les quatorze jours, soit arrêter l'installation, vider l'agent réfrigérant et le récolter, soit rassembler l'agent réfrigérant dans une ou plusieurs parties du système de réfrigération pouvant être fermé. La fuite doit être détectée et colmatée.
L'agent réfrigérant ne peut être introduit à nouveau dans l'ensemble du système de réfrigération après que le défaut a été réparé et qu'un contrôle de l'étanchéité a été exécuté par un frigoriste compétent. Un nouveau contrôle de l'étanchéité doit être exécuté dans un délai d'un mois après la réparation.
Lorsqu'il ressort de contrôles de l'étanchéité ou des quantités d'agent réfrigérant ajoutées et notées dans le livre de bord, qu'après les réparations, les pertes par fuite ne peuvent pas être ramenées à moins de 5 % par an, l'installation doit être mise hors service dans les douze mois après la constatation de la perte par fuite. Lorsque, pour des raisons de complexité technique, ce remplacement n'est pas possible dans un délai de douze mois, le délai de remplacement doit être gardé le plus court possible et il faut en informer la division, compétente pour le maintien environnemental. ";
4° dans le paragraphe 6, les points 4° et 5° sont abrogés;
5° le paragraphe 7 est remplacé par ce qui suit :
" § 7. Le contrôle périodique de l'étanchéité doit répondre aux exigences suivantes :
1° lorsqu'il existe une présomption de fuite lors des contrôles, visés à l'article 23 du Règlement (CE) n° 1005/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 relatif à des substances qui appauvrissent la couche d'ozone et à l'article 3 du Règlement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil du 17 mai 2006 relatif à certains gaz à effet de serre fluorés et Règlement (CE) n° 1516/2007 de la Commission du 19 décembre 2007 définissant, conformément au Règlement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil, les exigences types applicables au contrôle d'étanchéité pour les équipements fixes de réfrigération, de climatisation et de pompes à chaleur contenant certains gaz à effet de serre, le contrôle doit être exécuté à l'aide d'un appareil de détection approprié à l'agent réfrigérant concerné et avec une limite de détection d'au moins 5 g par an, en légère surpression par rapport à la pression normale de fonctionnement;
2° tant une description détaillée que les résultats et constatations de ces contrôles doivent être enregistrés dans le livre de bord avec mention de la date. ".
1° dans le paragraphe 3, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° Les systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW sont contrôlés régulièrement par un expert agréé en matière d'énergie et de systèmes de climatisation, tel que visé à l'article 6, 1°, f), du VLAREL. Ce contrôle comprend une évaluation du rendement de la climatisation et de son dimensionnement, compte tenu des besoins de réfrigération du bâtiment. Le Ministre ayant l'environnement dans ses attributions fixe les éléments que comprend le contrôle au moins et quelle est la fréquence minimale d'exécution des contrôles. Le rapport de contrôle comprend le résultat du contrôle, ainsi que des recommandations pour une amélioration rentable de la performance énergétique du système contrôlé. L'exploitant remet un duplicata du rapport de contrôle au propriétaire du bâtiment. L'exploitant et le propriétaire du bâtiment tiennent le rapport de contrôle à la disposition de l'autorité de contrôle pendant au moins cinq ans. Ce point prévoit la transposition partielle de la Directive 2010/31/UE du Parlement européen et du Conseil du 19 mai 2010 sur la performance énergétique des bâtiments (refonte). ";
2° dans le paragraphe 4, la phrase " S'il est déclaré bon, l'agent réfrigérant peut seulement être réutilisé dans la même installation. " est abrogée;
3° dans le paragraphe 6, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° Lorsque les pertes relatives par fuite sont supérieures à 10 % par an, il faut, le plus rapidement possible et au plus tard dans les quatorze jours, soit arrêter l'installation, vider l'agent réfrigérant et le récolter, soit rassembler l'agent réfrigérant dans une ou plusieurs parties du système de réfrigération pouvant être fermé. La fuite doit être détectée et colmatée.
L'agent réfrigérant ne peut être introduit à nouveau dans l'ensemble du système de réfrigération après que le défaut a été réparé et qu'un contrôle de l'étanchéité a été exécuté par un frigoriste compétent. Un nouveau contrôle de l'étanchéité doit être exécuté dans un délai d'un mois après la réparation.
Lorsqu'il ressort de contrôles de l'étanchéité ou des quantités d'agent réfrigérant ajoutées et notées dans le livre de bord, qu'après les réparations, les pertes par fuite ne peuvent pas être ramenées à moins de 5 % par an, l'installation doit être mise hors service dans les douze mois après la constatation de la perte par fuite. Lorsque, pour des raisons de complexité technique, ce remplacement n'est pas possible dans un délai de douze mois, le délai de remplacement doit être gardé le plus court possible et il faut en informer la division, compétente pour le maintien environnemental. ";
4° dans le paragraphe 6, les points 4° et 5° sont abrogés;
5° le paragraphe 7 est remplacé par ce qui suit :
" § 7. Le contrôle périodique de l'étanchéité doit répondre aux exigences suivantes :
1° lorsqu'il existe une présomption de fuite lors des contrôles, visés à l'article 23 du Règlement (CE) n° 1005/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 relatif à des substances qui appauvrissent la couche d'ozone et à l'article 3 du Règlement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil du 17 mai 2006 relatif à certains gaz à effet de serre fluorés et Règlement (CE) n° 1516/2007 de la Commission du 19 décembre 2007 définissant, conformément au Règlement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil, les exigences types applicables au contrôle d'étanchéité pour les équipements fixes de réfrigération, de climatisation et de pompes à chaleur contenant certains gaz à effet de serre, le contrôle doit être exécuté à l'aide d'un appareil de détection approprié à l'agent réfrigérant concerné et avec une limite de détection d'au moins 5 g par an, en légère surpression par rapport à la pression normale de fonctionnement;
2° tant une description détaillée que les résultats et constatations de ces contrôles doivent être enregistrés dans le livre de bord avec mention de la date. ".
Art. 6. In artikel 5.17.4.2.6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
" In afwijking van het eerste lid kan de test, vermeld in punt 6 van bijlage 5.17.11, uitgevoerd worden door de milieucoördinator of door de exploitant, in aanwezigheid van de milieucoördinator, of door een hersteller die aan de voorwaarden voldoet van bijlage 5.17.13. De meting van de damp-benzineverhouding, vermeld in artikel 5.17.4.2.4, § 3, kan ook door die hersteller uitgevoerd worden. ";
2° aan paragraaf 2 wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
" Voor het bijstellen van de damp-benzineverhouding volstaat de aanwezigheid van de hersteller, vermeld in paragraaf 1, tweede lid. ";
3° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. De betrokken deskundige of hersteller stelt van elke controle als vermeld in artikel 5.17.4.2.4, § 2 en § 3, en in artikel 5.17.4.2.5, met uitzondering van de test, vermeld in punt 6 van bijlage 5.17.11, een attest op waaruit ondubbelzinnig blijkt of het fase II-benzinedampterugwinningssysteem voldoet aan de voorschriften van het reglement.
De attesten, vermeld in het eerste lid, bevatten de volgende gegevens :
1° de bevindingen van de uitgevoerde onderzoeken en metingen;
2° als dat van toepassing is, het erkenningsnummer van de deskundige die het attest heeft opgesteld;
3° de naam en de handtekening van de deskundige of hersteller die het attest heeft opgesteld. ".
1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
" In afwijking van het eerste lid kan de test, vermeld in punt 6 van bijlage 5.17.11, uitgevoerd worden door de milieucoördinator of door de exploitant, in aanwezigheid van de milieucoördinator, of door een hersteller die aan de voorwaarden voldoet van bijlage 5.17.13. De meting van de damp-benzineverhouding, vermeld in artikel 5.17.4.2.4, § 3, kan ook door die hersteller uitgevoerd worden. ";
2° aan paragraaf 2 wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
" Voor het bijstellen van de damp-benzineverhouding volstaat de aanwezigheid van de hersteller, vermeld in paragraaf 1, tweede lid. ";
3° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. De betrokken deskundige of hersteller stelt van elke controle als vermeld in artikel 5.17.4.2.4, § 2 en § 3, en in artikel 5.17.4.2.5, met uitzondering van de test, vermeld in punt 6 van bijlage 5.17.11, een attest op waaruit ondubbelzinnig blijkt of het fase II-benzinedampterugwinningssysteem voldoet aan de voorschriften van het reglement.
De attesten, vermeld in het eerste lid, bevatten de volgende gegevens :
1° de bevindingen van de uitgevoerde onderzoeken en metingen;
2° als dat van toepassing is, het erkenningsnummer van de deskundige die het attest heeft opgesteld;
3° de naam en de handtekening van de deskundige of hersteller die het attest heeft opgesteld. ".
Art. 6. Dans l'article 5.17.4.2.6 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 septembre 2011, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa deux est remplacé par ce qui suit :
" Par dérogation à l'alinéa premier, le test, visé au point 6 de l'annexe 5.17.11, peut être exécuté par le coordinateur environnemental ou par l'exploitant, en présence du coordinateur environnemental, ou par un réparateur qui répond aux conditions de l'annexe 5.17.13. La mesure du rapport vapeurs/essence, visé à l'article 5.17.4.2.4, § 3, peut également être exécutée par ce réparateur. ";
2° le paragraphe 2 est complété par une phrase, rédigée comme suit :
" Pour ajuster le rapport vapeurs/essence, la présence du réparateur, visé au paragraphe 1er, alinéa deux, suffit. ";
3° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. L'expert ou réparateur concerné établit de chaque contrôle, tel que visé à l'article 5.17.4.2.4, § 2 et § 3, et à l'article 5.17.4.2.5, à l'exception du test, visé au point 6 de l'annexe 5.17.11, une attestation dont il ressort explicitement si le système de récupération des vapeurs d'essence phase II répond aux prescriptions du règlement.
Les attestations, visées à l'alinéa premier, comprennent les données suivantes :
1° les constatations des examens et des mesures exécutés;
2° le cas échéant, le numéro d'agrément de l'expert qui a établi l'attestation;
3° le nom et la signature de l'expert ou du réparateur qui a établi l'attestation. ".
1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa deux est remplacé par ce qui suit :
" Par dérogation à l'alinéa premier, le test, visé au point 6 de l'annexe 5.17.11, peut être exécuté par le coordinateur environnemental ou par l'exploitant, en présence du coordinateur environnemental, ou par un réparateur qui répond aux conditions de l'annexe 5.17.13. La mesure du rapport vapeurs/essence, visé à l'article 5.17.4.2.4, § 3, peut également être exécutée par ce réparateur. ";
2° le paragraphe 2 est complété par une phrase, rédigée comme suit :
" Pour ajuster le rapport vapeurs/essence, la présence du réparateur, visé au paragraphe 1er, alinéa deux, suffit. ";
3° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. L'expert ou réparateur concerné établit de chaque contrôle, tel que visé à l'article 5.17.4.2.4, § 2 et § 3, et à l'article 5.17.4.2.5, à l'exception du test, visé au point 6 de l'annexe 5.17.11, une attestation dont il ressort explicitement si le système de récupération des vapeurs d'essence phase II répond aux prescriptions du règlement.
Les attestations, visées à l'alinéa premier, comprennent les données suivantes :
1° les constatations des examens et des mesures exécutés;
2° le cas échéant, le numéro d'agrément de l'expert qui a établi l'attestation;
3° le nom et la signature de l'expert ou du réparateur qui a établi l'attestation. ".
Art. 7. Aan artikel 5.53.1.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt de volgende zin toegevoegd :
" Het aanleggen, wijzigen, verbouwen en buiten dienst stellen van een grondwaterwinning mag vanaf 1 januari 2015 alleen gebeuren door een boorbedrijf, erkend volgens het VLAREL, voor de desbetreffende discipline, vermeld in artikel 6, 7°, a) of b), van het voormelde besluit. ".
" Het aanleggen, wijzigen, verbouwen en buiten dienst stellen van een grondwaterwinning mag vanaf 1 januari 2015 alleen gebeuren door een boorbedrijf, erkend volgens het VLAREL, voor de desbetreffende discipline, vermeld in artikel 6, 7°, a) of b), van het voormelde besluit. ".
Art. 7. L'article 5.53.1.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, est complété par la phrase suivante :
" A partir du 1er janvier 2015, la construction, modification, transformation et mise hors service d'un captage d'eau peuvent uniquement être faites par une entreprise de forage, agréée conformément au VLAREL, pour la discipline concernée, visée à l'article 6, 7°, a) ou b), de l'arrêté précité. ".
" A partir du 1er janvier 2015, la construction, modification, transformation et mise hors service d'un captage d'eau peuvent uniquement être faites par une entreprise de forage, agréée conformément au VLAREL, pour la discipline concernée, visée à l'article 6, 7°, a) ou b), de l'arrêté précité. ".
Art. 8. Aan artikel 5.53.4.8 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 1° tot en met 6°, punt 8°, punt 9° en punt 11° worden opgeheven;
2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" De vereiste, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 6°, en 8°, 9° en 11°, is niet van toepassing voor werken die zijn uitgevoerd door een boorbedrijf, erkend volgens het VLAREL, voor de desbetreffende discipline, vermeld in artikel 6, 7°, a) of b), van het voormelde besluit. ".
1° punt 1° tot en met 6°, punt 8°, punt 9° en punt 11° worden opgeheven;
2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" De vereiste, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 6°, en 8°, 9° en 11°, is niet van toepassing voor werken die zijn uitgevoerd door een boorbedrijf, erkend volgens het VLAREL, voor de desbetreffende discipline, vermeld in artikel 6, 7°, a) of b), van het voormelde besluit. ".
Art. 8. A l'article 5.53.4.8 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mars 2008, sont apportées les modifications suivantes :
1° point 1° à 6° inclus, point 8°, point 9° et point 11° sont abrogés;
2° il est ajouté un alinéa deux, rédigé comme suit :
" L'exigence, visée à l'alinéa premier, 1° à 6° inclus, et 8°, 9° et 11°, ne s'applique pas aux travaux exécutés par une entreprise de forage, agréée conformément au VLAREL, pour la discipline concernée, visée à l'article 6, 7°, a) ou b), de l'arrêté précité. ".
1° point 1° à 6° inclus, point 8°, point 9° et point 11° sont abrogés;
2° il est ajouté un alinéa deux, rédigé comme suit :
" L'exigence, visée à l'alinéa premier, 1° à 6° inclus, et 8°, 9° et 11°, ne s'applique pas aux travaux exécutés par une entreprise de forage, agréée conformément au VLAREL, pour la discipline concernée, visée à l'article 6, 7°, a) ou b), de l'arrêté précité. ".
Art. 9. Aan artikel 5.53.5.1, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het tweede lid wordt de zin " Het meedelen van de buitendienststelling is niet van toepassing voor werken die zijn uitgevoerd door een boorbedrijf, erkend volgens het VLAREL, voor de desbetreffende discipline, vermeld in artikel 6, 7°, a) of b), van het voormelde besluit. " toegevoegd;
2° het tweede lid wordt opgeheven.
1° in het tweede lid wordt de zin " Het meedelen van de buitendienststelling is niet van toepassing voor werken die zijn uitgevoerd door een boorbedrijf, erkend volgens het VLAREL, voor de desbetreffende discipline, vermeld in artikel 6, 7°, a) of b), van het voormelde besluit. " toegevoegd;
2° het tweede lid wordt opgeheven.
Art. 9. A l'article 5.53.5.1, § 1er, alinéa deux, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mars 2008, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa deux, la phrase " La communication de la mise hors service ne s'applique pas aux travaux exécutés par une entreprise de forage, agréée conformément au VLAREL, pour la discipline concernée, visée à l'article 6, 7°, a) ou b), de l'arrêté précité. " est ajoutée;
2° l'alinéa deux est abrogé.
1° dans l'alinéa deux, la phrase " La communication de la mise hors service ne s'applique pas aux travaux exécutés par une entreprise de forage, agréée conformément au VLAREL, pour la discipline concernée, visée à l'article 6, 7°, a) ou b), de l'arrêté précité. " est ajoutée;
2° l'alinéa deux est abrogé.
Art. 10. In artikel 5.55.1.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan het eerste lid wordt de volgende zin toegevoegd :
" Het uitvoeren en buiten dienst stellen van een boring mag vanaf 1 januari 2015 alleen gebeuren door een boorbedrijf, erkend volgens het VLAREL, voor de desbetreffende discipline, vermeld in artikel 6, 7°, c), d) of e), van het voormelde besluit. ";
2° het vierde lid wordt opgeheven;
3° er wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Het bezorgen van de bovenstaande gegevens door de exploitant is niet van toepassing op boringen die worden uitgevoerd door een boorbedrijf, erkend volgens het VLAREL, voor de desbetreffende discipline, vermeld in artikel 6, 7°, c), d) of e), van het voormelde besluit. ".
1° aan het eerste lid wordt de volgende zin toegevoegd :
" Het uitvoeren en buiten dienst stellen van een boring mag vanaf 1 januari 2015 alleen gebeuren door een boorbedrijf, erkend volgens het VLAREL, voor de desbetreffende discipline, vermeld in artikel 6, 7°, c), d) of e), van het voormelde besluit. ";
2° het vierde lid wordt opgeheven;
3° er wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Het bezorgen van de bovenstaande gegevens door de exploitant is niet van toepassing op boringen die worden uitgevoerd door een boorbedrijf, erkend volgens het VLAREL, voor de desbetreffende discipline, vermeld in artikel 6, 7°, c), d) of e), van het voormelde besluit. ".
Art. 10. Dans l'article 5.55.1.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa premier est complété par la phrase suivante :
" A partir du 1er janvier 2015, l'exécution et la mise hors service d'un forage peuvent uniquement être faites par une entreprise de forage, agréée conformément au VLAREL, pour la discipline concernée, visée à l'article 6, 7°, c), d) ou e), de l'arrêté précité. ";
2° l'alinéa quatre est abrogé;
3° il est ajouté un alinéa cinq, rédigé comme suit :
" La transmission des données ci-dessus par l'exploitant ne s'applique pas aux forages exécutés par une entreprise de forage, agréée conformément au VLAREL, pour la discipline concernée, visée à l'article 6, 7°, c), d) ou e), de l'arrêté précité. ".
1° l'alinéa premier est complété par la phrase suivante :
" A partir du 1er janvier 2015, l'exécution et la mise hors service d'un forage peuvent uniquement être faites par une entreprise de forage, agréée conformément au VLAREL, pour la discipline concernée, visée à l'article 6, 7°, c), d) ou e), de l'arrêté précité. ";
2° l'alinéa quatre est abrogé;
3° il est ajouté un alinéa cinq, rédigé comme suit :
" La transmission des données ci-dessus par l'exploitant ne s'applique pas aux forages exécutés par une entreprise de forage, agréée conformément au VLAREL, pour la discipline concernée, visée à l'article 6, 7°, c), d) ou e), de l'arrêté précité. ".
Art. 11. Aan artikel 5.55.1.3, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan het tweede lid wordt de volgende zin toegevoegd :
" Het meedelen van de buitendienststelling door de exploitant is niet van toepassing voor werken die zijn uitgevoerd door een boorbedrijf, erkend volgens het VLAREL, voor de desbetreffende discipline, vermeld in artikel 6, 7°, c), d) of e), van het voormelde besluit. ";
2° het tweede lid wordt opgeheven.
1° aan het tweede lid wordt de volgende zin toegevoegd :
" Het meedelen van de buitendienststelling door de exploitant is niet van toepassing voor werken die zijn uitgevoerd door een boorbedrijf, erkend volgens het VLAREL, voor de desbetreffende discipline, vermeld in artikel 6, 7°, c), d) of e), van het voormelde besluit. ";
2° het tweede lid wordt opgeheven.
Art. 11. A l'article 5.55.1.3, § 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2011, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa deux est complété par la phrase suivante :
" La communication de la mise hors service par l'exploitant ne s'applique pas aux travaux exécutés par une entreprise de forage, agréée conformément au VLAREL, pour la discipline concernée, visée à l'article 6, 7°, c), d) ou e), de l'arrêté précité. ";
2° l'alinéa deux est abrogé.
1° l'alinéa deux est complété par la phrase suivante :
" La communication de la mise hors service par l'exploitant ne s'applique pas aux travaux exécutés par une entreprise de forage, agréée conformément au VLAREL, pour la discipline concernée, visée à l'article 6, 7°, c), d) ou e), de l'arrêté précité. ";
2° l'alinéa deux est abrogé.
Art. 12. In artikel 5bis.15.5.3.1, § 3, en artikel 5bis.19.8.3.1, § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, worden in de tabel de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de rij
"
1° de rij
"
Art. 12. Dans l'article 5bis.15.5.3.1, § 3, et l'article 5bis.19.8.3.1, § 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, sont apportées les modifications suivantes dans le tableau :
1° la ligne
"
1° la ligne
"
| Koelinstallaties (alle) | Attest opgesteld door de constructeur of een milieudeskundige m.b.t. bouw en de opstelling van koelinstallaties |
"
wordt vervangen door de volgende rij :
"
| Installations de réfrigération (toutes) | Attestation établie par le constructeur ou un expert environnemental en ce qui concerne la construction et la disposition d'installations de réfrigération |
"
est remplacée par la ligne suivante :
"
| Koelinstallaties (alle) | Attest, opgesteld door de constructeur of een erkende milieudeskundige, met betrekking tot de bouw en de opstelling van koelinstallaties (artikel 5.16.3.3, § 2) |
| Het keuringsverslag van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW (artikel 5.16.3.3, § 3, 4° ) |
";
2° de zinsnede " , behalve in geval van hermetisch gesloten koelsystemen " wordt opgeheven.
| Installations de réfrigération (toutes) | Attestation, établie par le constructeur ou un expert environnemental agréé, en ce qui concerne la construction et la disposition d'installations de réfrigération (article 5.16.3.3, § 2) |
| Le rapport de contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW (article 5.16.3.3, § 3, 4° ) |
";
2° les mots " , sauf en cas de systèmes de réfrigération hermétiquement clos " sont abrogés.
Art. 13. In artikel 5bis.15.5.3.1, § 4, en artikel 5bis.19.8.3.1, § 4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, worden in de tabel de volgende wijzigingen aangebracht :
1° na de rij
"
1° na de rij
"
Art. 13. Dans l'article 5bis.15.5.3.1, § 4, et l'article 5bis.19.8.3.1, § 4, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, sont apportées les modifications suivantes dans le tableau :
1° après la ligne
"
1° après la ligne
"
| Luchtzuiveringsinstallaties | Onderhouden overeenkomstig de specificaties van de leveranciers |
"
wordt een rij ingevoegd, die luidt als volgt :
"
| Installations de purification de l'air | Entretiens conformément aux spécifications des fournisseurs |
"
il est inséré une ligne, rédigée comme suit :
"
| Koelinstallaties (alle) | Keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW door een erkende airco-energiedeskundige (artikel 5.16.3.3, § 3, 4° ) |
";
2° de zinsnede " , behalve in geval van hermetisch gesloten koelsystemen " en de zinsnede " : koelinstallaties moeten minimaal eenmaal per twaalf maanden op goed functioneren en vanuit het oogpunt van preventie worden gecontroleerd op mogelijke oorzaken van lekkage. " worden opgeheven.
| Installations de réfrigération (toutes) | Contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW par un expert agréé en matière d'énergie et de systèmes de climatisation (article 5.16.3.3, § 3, 4° ) |
";
2° les mots " , sauf en cas de systèmes de réfrigération hermétiquement clos " et les mots " : les installations de réfrigération doivent subir au moins tous les douze mois un contrôle de leur bon fonctionnement et d'un point de vue préventif en vue d'éventuelles causes de fuites. " sont abrogés.
Art. 14. In artikel 5bis.15.5.4.5.4 en artikel 5bis.19.8.4.8.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 1 wordt opgeheven;
2° er worden een paragraaf 6 en een paragraaf 7 toegevoegd, die luiden als volgt :
" § 6. Airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW worden regelmatig gekeurd door een erkende airco-energiedeskundige als vermeld in artikel 6, 1°, f), van het VLAREL. Die keuring omvat een beoordeling van het rendement van de airconditioning en van de dimensionering ervan, rekening houdend met de koelingsbehoefte van het gebouw. De minister, bevoegd voor het leefmilieu, bepaalt uit welke elementen de keuring minstens bestaat en met welke frequentie de keuring ten minste moet worden uitgevoerd. Het keuringsverslag bevat het resultaat van de keuring, alsook aanbevelingen voor een kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van het gekeurde systeem. De exploitant bezorgt een duplicaat van het keuringsverslag aan de eigenaar van het gebouw. De exploitant en de eigenaar van het gebouw houden het keuringsverslag ten minste vijf jaar ter beschikking van de toezichthoudende overheid.
Het eerste lid voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking).
§ 7. Bij definitieve buitenbedrijfstelling moet het koelmiddel binnen een maand worden verwijderd. Bij buitenbedrijfstelling of bij herstellingen waarbij het koelmiddel moet worden afgetapt, moet het koelmiddel met doelmatige apparatuur door bevoegde koeltechnici worden opgevangen in speciaal daarvoor bestemde en gemarkeerde recipiënten. ".
1° paragraaf 1 wordt opgeheven;
2° er worden een paragraaf 6 en een paragraaf 7 toegevoegd, die luiden als volgt :
" § 6. Airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW worden regelmatig gekeurd door een erkende airco-energiedeskundige als vermeld in artikel 6, 1°, f), van het VLAREL. Die keuring omvat een beoordeling van het rendement van de airconditioning en van de dimensionering ervan, rekening houdend met de koelingsbehoefte van het gebouw. De minister, bevoegd voor het leefmilieu, bepaalt uit welke elementen de keuring minstens bestaat en met welke frequentie de keuring ten minste moet worden uitgevoerd. Het keuringsverslag bevat het resultaat van de keuring, alsook aanbevelingen voor een kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van het gekeurde systeem. De exploitant bezorgt een duplicaat van het keuringsverslag aan de eigenaar van het gebouw. De exploitant en de eigenaar van het gebouw houden het keuringsverslag ten minste vijf jaar ter beschikking van de toezichthoudende overheid.
Het eerste lid voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking).
§ 7. Bij definitieve buitenbedrijfstelling moet het koelmiddel binnen een maand worden verwijderd. Bij buitenbedrijfstelling of bij herstellingen waarbij het koelmiddel moet worden afgetapt, moet het koelmiddel met doelmatige apparatuur door bevoegde koeltechnici worden opgevangen in speciaal daarvoor bestemde en gemarkeerde recipiënten. ".
Art. 14. Dans l'article 5bis.15.5.4.5.4 et l'article 5bis.19.8.4.8.4 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° le paragraphe 1er est abrogé;
2° il est ajouté un paragraphe 6 et un paragraphe 7, rédigés comme suit :
" § 6. Les systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW sont contrôlés régulièrement par un expert agréé en matière d'énergie et de systèmes de climatisation, tel que visé à l'article 6, 1°, f), du VLAREL. Ce contrôle comprend une évaluation du rendement de la climatisation et de son dimensionnement, compte tenu des besoins de réfrigération du bâtiment. Le Ministre ayant l'environnement dans ses attributions fixe les éléments que comprend le contrôle au moins et quelle est la fréquence minimale d'exécution des contrôles. Le rapport de contrôle comprend le résultat du contrôle, ainsi que des recommandations pour une amélioration rentable de la performance énergétique du système contrôlé. L'exploitant remet un duplicata du rapport de contrôle au propriétaire du bâtiment. L'exploitant et le propriétaire du bâtiment tiennent le rapport de contrôle à la disposition de l'autorité de contrôle pendant au moins cinq ans.
L'alinéa premier prévoit la transposition partielle de la Directive 2010/31/UE du Parlement européen et du Conseil du 19 mai 2010 sur la performance énergétique des bâtiments (refonte).
§ 7. En cas de mise hors service définitive, l'agent réfrigérant doit être évacué dans le délai d'un mois. En cas de mise hors service ou de réparations nécessitant une vidange de l'agent réfrigérant, l'agent réfrigérant doit être récolté par des techniciens frigoristes compétents à l'aide d'un appareil approprié dans des récipients spécialement prévus et marqués à cet effet. ".
1° le paragraphe 1er est abrogé;
2° il est ajouté un paragraphe 6 et un paragraphe 7, rédigés comme suit :
" § 6. Les systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW sont contrôlés régulièrement par un expert agréé en matière d'énergie et de systèmes de climatisation, tel que visé à l'article 6, 1°, f), du VLAREL. Ce contrôle comprend une évaluation du rendement de la climatisation et de son dimensionnement, compte tenu des besoins de réfrigération du bâtiment. Le Ministre ayant l'environnement dans ses attributions fixe les éléments que comprend le contrôle au moins et quelle est la fréquence minimale d'exécution des contrôles. Le rapport de contrôle comprend le résultat du contrôle, ainsi que des recommandations pour une amélioration rentable de la performance énergétique du système contrôlé. L'exploitant remet un duplicata du rapport de contrôle au propriétaire du bâtiment. L'exploitant et le propriétaire du bâtiment tiennent le rapport de contrôle à la disposition de l'autorité de contrôle pendant au moins cinq ans.
L'alinéa premier prévoit la transposition partielle de la Directive 2010/31/UE du Parlement européen et du Conseil du 19 mai 2010 sur la performance énergétique des bâtiments (refonte).
§ 7. En cas de mise hors service définitive, l'agent réfrigérant doit être évacué dans le délai d'un mois. En cas de mise hors service ou de réparations nécessitant une vidange de l'agent réfrigérant, l'agent réfrigérant doit être récolté par des techniciens frigoristes compétents à l'aide d'un appareil approprié dans des récipients spécialement prévus et marqués à cet effet. ".
Art. 15. In artikel 5bis.15.5.4.5.5 en artikel 5bis.19.8.4.8.5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt de zin " De bepalingen van de hiernavolgende paragrafen zijn niet van toepassing op hermetisch gesloten koelsystemen. " opgeheven;
2° in paragraaf 3 worden de woorden " dertig dagen " vervangen door de woorden " veertien dagen " en worden de woorden " drie maanden " vervangen door de woorden " een maand ";
3° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt :
" § 4. Als het relatieve lekverlies meer dan 10 % per jaar bedraagt, moet zo snel mogelijk en uiterlijk binnen veertien dagen ofwel de installatie worden stilgelegd, het koelmiddel worden verwijderd en opgevangen, ofwel het koelmiddel worden verzameld in een of meer afsluitbare gedeelten van het koelsysteem. De lekkage moet worden opgespoord en gedicht.
Het koelmiddel mag pas opnieuw in het hele koelsysteem worden ingebracht nadat het defect is verholpen en een controle op lekdichtheid door een bevoegde koeltechnicus is uitgevoerd. Een nieuwe controle op lekdichtheid moet worden uitgevoerd binnen een maand na de herstelling.
Als bij lekdichtheidscontroles of uit de hoeveelheden bijgevuld koelmiddel die in het logboek genoteerd zijn, blijkt dat na herstellingen het lekverlies niet kan worden teruggebracht tot minder dan 5 % per jaar, moet de installatie binnen twaalf maanden na de vaststelling van het lekverlies uit gebruik worden genomen. Als om redenen van technische complexiteit die vervanging binnen twaalf maanden niet mogelijk is, moet de termijn voor vervanging zo kort mogelijk worden gehouden en moet dat gemeld worden aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving. ";
4° paragraaf 5 en 6 worden opgeheven.
1° in paragraaf 1 wordt de zin " De bepalingen van de hiernavolgende paragrafen zijn niet van toepassing op hermetisch gesloten koelsystemen. " opgeheven;
2° in paragraaf 3 worden de woorden " dertig dagen " vervangen door de woorden " veertien dagen " en worden de woorden " drie maanden " vervangen door de woorden " een maand ";
3° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt :
" § 4. Als het relatieve lekverlies meer dan 10 % per jaar bedraagt, moet zo snel mogelijk en uiterlijk binnen veertien dagen ofwel de installatie worden stilgelegd, het koelmiddel worden verwijderd en opgevangen, ofwel het koelmiddel worden verzameld in een of meer afsluitbare gedeelten van het koelsysteem. De lekkage moet worden opgespoord en gedicht.
Het koelmiddel mag pas opnieuw in het hele koelsysteem worden ingebracht nadat het defect is verholpen en een controle op lekdichtheid door een bevoegde koeltechnicus is uitgevoerd. Een nieuwe controle op lekdichtheid moet worden uitgevoerd binnen een maand na de herstelling.
Als bij lekdichtheidscontroles of uit de hoeveelheden bijgevuld koelmiddel die in het logboek genoteerd zijn, blijkt dat na herstellingen het lekverlies niet kan worden teruggebracht tot minder dan 5 % per jaar, moet de installatie binnen twaalf maanden na de vaststelling van het lekverlies uit gebruik worden genomen. Als om redenen van technische complexiteit die vervanging binnen twaalf maanden niet mogelijk is, moet de termijn voor vervanging zo kort mogelijk worden gehouden en moet dat gemeld worden aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving. ";
4° paragraaf 5 en 6 worden opgeheven.
Art. 15. Dans l'article 5bis.15.5.4.5.5 et l'article 5bis.19.8.4.8.5 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le paragraphe 1er, la phrase " Les dispositions des paragraphes suivants ne sont pas applicables aux systèmes réfrigérants hermétiquement clos. " est abrogée;
2° dans le paragraphe 3, les mots " trente jours " sont remplacés par les mots " quatorze jours " et les mots " trois mois " sont remplacés par les mots " un mois ";
3° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Lorsque les pertes relatives par fuite sont supérieures à 10 % par an, il faut, le plus rapidement possible et au plus tard dans les quatorze jours, soit arrêter l'installation, vider l'agent réfrigérant et le récolter, soit rassembler l'agent réfrigérant dans une ou plusieurs parties du système de réfrigération pouvant être fermé. La fuite doit être détectée et colmatée.
L'agent réfrigérant ne peut être introduit à nouveau dans l'ensemble du système de réfrigération après que le défaut a été réparé et qu'un contrôle de l'étanchéité a été exécuté par un frigoriste compétent. Un nouveau contrôle de l'étanchéité doit être exécuté dans un délai d'un mois après la réparation.
Lorsqu'il ressort de contrôles de l'étanchéité ou des quantités d'agent réfrigérant ajoutées et notées dans le livre de bord, qu'après les réparations, les pertes par fuite ne peuvent pas être ramenées à moins de 5 % par an, l'installation doit être mise hors service dans les douze mois après la constatation de la perte par fuite. Lorsque, pour des raisons de complexité technique, ce remplacement n'est pas possible dans un délai de douze mois, le délai de remplacement doit être gardé le plus court possible et il faut en informer la division, compétente pour le maintien environnemental. ";
4° les paragraphes 5 et 6 sont abrogés.
1° dans le paragraphe 1er, la phrase " Les dispositions des paragraphes suivants ne sont pas applicables aux systèmes réfrigérants hermétiquement clos. " est abrogée;
2° dans le paragraphe 3, les mots " trente jours " sont remplacés par les mots " quatorze jours " et les mots " trois mois " sont remplacés par les mots " un mois ";
3° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Lorsque les pertes relatives par fuite sont supérieures à 10 % par an, il faut, le plus rapidement possible et au plus tard dans les quatorze jours, soit arrêter l'installation, vider l'agent réfrigérant et le récolter, soit rassembler l'agent réfrigérant dans une ou plusieurs parties du système de réfrigération pouvant être fermé. La fuite doit être détectée et colmatée.
L'agent réfrigérant ne peut être introduit à nouveau dans l'ensemble du système de réfrigération après que le défaut a été réparé et qu'un contrôle de l'étanchéité a été exécuté par un frigoriste compétent. Un nouveau contrôle de l'étanchéité doit être exécuté dans un délai d'un mois après la réparation.
Lorsqu'il ressort de contrôles de l'étanchéité ou des quantités d'agent réfrigérant ajoutées et notées dans le livre de bord, qu'après les réparations, les pertes par fuite ne peuvent pas être ramenées à moins de 5 % par an, l'installation doit être mise hors service dans les douze mois après la constatation de la perte par fuite. Lorsque, pour des raisons de complexité technique, ce remplacement n'est pas possible dans un délai de douze mois, le délai de remplacement doit être gardé le plus court possible et il faut en informer la division, compétente pour le maintien environnemental. ";
4° les paragraphes 5 et 6 sont abrogés.
Art. 16. In artikel 5bis.15.5.4.5.6 en artikel 5bis.19.8.4.8.6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt :
" § 1. Als bij de controles, vermeld in artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen en in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen en Verordening (EG) nr. 1516/2007 van de Commissie van 19 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat, het vermoeden van lekkage bestaat, moet die controle uitgevoerd worden met lekdetectieapparatuur die geschikt is voor het betreffende koelmiddel en met een detectiegrens van ten minste 5 g per jaar, onder een lichte overdruk ten opzichte van de normale bedrijfsdruk. ";
2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt :
" § 2. Zowel een gedetailleerde beschrijving als de resultaten en bevindingen van die controles moeten met vermelding van de datum in het logboek worden geregistreerd. ";
3° paragraaf 3 wordt opgeheven.
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt :
" § 1. Als bij de controles, vermeld in artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen en in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen en Verordening (EG) nr. 1516/2007 van de Commissie van 19 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat, het vermoeden van lekkage bestaat, moet die controle uitgevoerd worden met lekdetectieapparatuur die geschikt is voor het betreffende koelmiddel en met een detectiegrens van ten minste 5 g per jaar, onder een lichte overdruk ten opzichte van de normale bedrijfsdruk. ";
2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt :
" § 2. Zowel een gedetailleerde beschrijving als de resultaten en bevindingen van die controles moeten met vermelding van de datum in het logboek worden geregistreerd. ";
3° paragraaf 3 wordt opgeheven.
Art. 16. Dans l'article 5bis.15.5.4.5.6 et l'article 5bis.19.8.4.8.6 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Lorsqu'il existe une présomption de fuite lors des contrôles, visés à l'article 23 du Règlement (CE) n° 1005/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 relatif à des substances qui appauvrissent la couche d'ozone et à l'article 3 du Règlement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil du 17 mai 2006 relatif à certains gaz à effet de serre fluorés et Règlement (CE) n° 1516/2007 de la Commission du 19 décembre 2007 définissant, conformément au Règlement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil, les exigences types applicables au contrôle d'étanchéité pour les équipements fixes de réfrigération, de climatisation et de pompes à chaleur contenant certains gaz à effet de serre, ce contrôle doit être exécuté à l'aide d'un appareil de détection approprié à l'agent réfrigérant concerné et avec une limite de détection d'au moins 5 g par an, en légère surpression par rapport à la pression normale de fonctionnement. ";
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Tant une description détaillée que les résultats et constatations de ces contrôles doivent être enregistrés dans le livre de bord avec mention de la date. ";
3° le paragraphe 3 est abrogé.
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Lorsqu'il existe une présomption de fuite lors des contrôles, visés à l'article 23 du Règlement (CE) n° 1005/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 relatif à des substances qui appauvrissent la couche d'ozone et à l'article 3 du Règlement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil du 17 mai 2006 relatif à certains gaz à effet de serre fluorés et Règlement (CE) n° 1516/2007 de la Commission du 19 décembre 2007 définissant, conformément au Règlement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil, les exigences types applicables au contrôle d'étanchéité pour les équipements fixes de réfrigération, de climatisation et de pompes à chaleur contenant certains gaz à effet de serre, ce contrôle doit être exécuté à l'aide d'un appareil de détection approprié à l'agent réfrigérant concerné et avec une limite de détection d'au moins 5 g par an, en légère surpression par rapport à la pression normale de fonctionnement. ";
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Tant une description détaillée que les résultats et constatations de ces contrôles doivent être enregistrés dans le livre de bord avec mention de la date. ";
3° le paragraphe 3 est abrogé.
Art. 17. In artikel 6.5.4.1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de eerste zin wordt de zinsnede " ofwel door een installateur die gemachtigd is om hiervoor een certificaat af te leveren ofwel " opgeheven;
2° in de tweede zin en derde zin worden de woorden " de gemachtigde installateur of " telkens opgeheven.
1° in de eerste zin wordt de zinsnede " ofwel door een installateur die gemachtigd is om hiervoor een certificaat af te leveren ofwel " opgeheven;
2° in de tweede zin en derde zin worden de woorden " de gemachtigde installateur of " telkens opgeheven.
Art. 17. Dans l'article 6.5.4.1 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans la première phrase, les mots " soit par un installateur autorisé à délivrer un certificat à cet effet soit " sont abrogés;
2° dans la deuxième phrase et troisième phrase, les mots " l'installateur autorisé ou " sont chaque fois abrogés.
1° dans la première phrase, les mots " soit par un installateur autorisé à délivrer un certificat à cet effet soit " sont abrogés;
2° dans la deuxième phrase et troisième phrase, les mots " l'installateur autorisé ou " sont chaque fois abrogés.
Art. 18. In artikel 6.5.4.3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, worden de woorden " de gemachtigde installateur of " opgeheven.
Art. 18. Dans l'article 6.5.4.3 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mars 2008 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, les mots " l'installateur autorisé ou " sont abrogés.
Art. 19. In artikel 6.5.4.4 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, worden de woorden " de gemachtigde installateur of " opgeheven.
Art. 19. Dans l'article 6.5.4.4 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, les mots " l'installateur autorisé ou " sont abrogés.
Art. 20. In het opschrift van afdeling 6.5.6 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, worden de woorden " en gemachtigde installateurs " opgeheven.
Art. 20. Dans l'intitulé de la section 6.5.6 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, les mots " et installateurs autorisés " sont abrogés.
Art. 21. In artikel 6.5.6.1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt de zinsnede " wet van 20 juli 1990 betreffende de accreditatie van de certificatie- en keuringsinstellingen, alsmede van de beproevingslaboratoria " vervangen door de zinsnede " wet van 20 juli 1990 betreffende de accreditatie van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling ".
Art. 21. Dans l'article 6.5.6.1 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, les mots " loi du 20 juillet 1990 concernant l'accréditation des organismes de certification et de contrôle et laboratoires d'essais " sont remplacés par les mots " loi du 20 juillet 1990 concernant l'accréditation des organismes d'évaluation de la conformité ".
Art. 22. In artikel 6.5.6.3 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid wordt de zinsnede " persoon die erkend wordt volgens artikel 17 van " vervangen door de zinsnede " persoon, erkend volgens ";
2° in het tweede lid worden de woorden " of bijscholing " opgeheven.
1° in het eerste lid wordt de zinsnede " persoon die erkend wordt volgens artikel 17 van " vervangen door de zinsnede " persoon, erkend volgens ";
2° in het tweede lid worden de woorden " of bijscholing " opgeheven.
Art. 22. Dans l'article 6.5.6.3 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa premier, les mots " personne physique agréée conformément à l'article 17 de " sont remplacés par les mots " personne, agréée conformément à ";
2° dans l'alinéa deux, les mots " ou le perfectionnement " sont abrogés;
1° dans l'alinéa premier, les mots " personne physique agréée conformément à l'article 17 de " sont remplacés par les mots " personne, agréée conformément à ";
2° dans l'alinéa deux, les mots " ou le perfectionnement " sont abrogés;
Art. 23. In artikel 6.5.6.4 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, wordt de zinsnede " erkend met toepassing van artikel 24 van " vervangen door de zinsnede " erkend als opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, volgens ".
Art. 23. Dans l'article 6.5.6.4 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010, les mots " agréés en application de l'article 24 de " sont remplacés par les mots " agréés comme centre de formation pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout, conformément à ".
Art. 24. Artikel 6.6.0.1 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 6.6.0.1. Voor andere centrale stooktoestellen dan de centrale stooktoestellen, vermeld in rubriek 43 van de indelingslijst, die in hoofdzaak gebruikt worden voor de verwarming van gebouwen en, optioneel, voor de aanmaak van warm verbruikswater, gelden de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater. ".
" Art. 6.6.0.1. Voor andere centrale stooktoestellen dan de centrale stooktoestellen, vermeld in rubriek 43 van de indelingslijst, die in hoofdzaak gebruikt worden voor de verwarming van gebouwen en, optioneel, voor de aanmaak van warm verbruikswater, gelden de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater. ".
Art. 24. L'article 6.6.0.1 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 6.6.0.1. Aux appareils de chauffage central autres que les appareils de chauffage central, visés à la rubrique 43 de la liste de classification, qui sont utilisés principalement pour le chauffage de bâtiments et, optionnellement, pour la production d'eau chaude utilitaire, s'appliquent les dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2006 relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage central pour le chauffage de bâtiments ou pour la production d'eau chaude utilitaire. ".
" Art. 6.6.0.1. Aux appareils de chauffage central autres que les appareils de chauffage central, visés à la rubrique 43 de la liste de classification, qui sont utilisés principalement pour le chauffage de bâtiments et, optionnellement, pour la production d'eau chaude utilitaire, s'appliquent les dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2006 relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage central pour le chauffage de bâtiments ou pour la production d'eau chaude utilitaire. ".
Art. 25. Artikel 6.6.0.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006, wordt opgeheven.
Art. 25. L'article 6.6.0.2 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2006, est abrogé.
Art. 26. Artikel 6.8.0 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 maart 2003 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 6.8.0. Voor niet-ingedeelde koelinstallaties geldt artikel 5.16.3.3, § 3, 4°. ".
" Art. 6.8.0. Voor niet-ingedeelde koelinstallaties geldt artikel 5.16.3.3, § 3, 4°. ".
Art. 26. L'article 6.8.0 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 mars 2003 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 est remplacé par ce qui suit :
" Art. 6.8.0. Aux installations de réfrigération non classées s'applique l'article 5.16.3.3, § 3, 4°. ".
" Art. 6.8.0. Aux installations de réfrigération non classées s'applique l'article 5.16.3.3, § 3, 4°. ".
Art. 27. Artikel 6.8.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 maart 2003, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 6.8.1. Dit artikel is van toepassing op vast opgestelde koelinstallaties die gebruikmaken van ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op hermetisch gesloten koelsystemen met een geïnstalleerde drijfkracht van 500 W of minder.
Het is verboden chloorfluorkoolstoffen en halonen aan te wenden in of voorhanden te houden voor koelinstallaties.
De handelingen, voorafgaand aan de ingebruikname van een koelinstallatie, worden uitgevoerd conform de bepalingen van de norm EN 378 of een gelijkwaardige code van goede praktijk.
De bepalingen van artikel 5.16.3.3, § 3, 1°, 2° en 3°, en § 4 tot en met § 8, gelden ook voor de koelinstallaties, vermeld in dit artikel. ".
" Art. 6.8.1. Dit artikel is van toepassing op vast opgestelde koelinstallaties die gebruikmaken van ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op hermetisch gesloten koelsystemen met een geïnstalleerde drijfkracht van 500 W of minder.
Het is verboden chloorfluorkoolstoffen en halonen aan te wenden in of voorhanden te houden voor koelinstallaties.
De handelingen, voorafgaand aan de ingebruikname van een koelinstallatie, worden uitgevoerd conform de bepalingen van de norm EN 378 of een gelijkwaardige code van goede praktijk.
De bepalingen van artikel 5.16.3.3, § 3, 1°, 2° en 3°, en § 4 tot en met § 8, gelden ook voor de koelinstallaties, vermeld in dit artikel. ".
Art. 27. L'article 6.8.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 mars 2003, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 6.8.1. Le présent article s'applique aux installations de réfrigération fixes qui utilisent des substances appauvrissant la couche d'ozone ou des gaz à effet de serre fluorés. Les dispositions du présent chapitre ne s'appliquent pas aux systèmes de réfrigération hermétiquement clos ayant une capacité électrique installée de 500 W ou moins.
Il est interdit d'utiliser ou de stocker des chlorofluorocarbones et des halons pour les installations de réfrigération.
Les opérations, précédant la mise en service d'une installation de réfrigération, sont effectuées conformément aux dispositions de la norme EN 378 ou d'un code de bonne pratique équivalent.
Les dispositions de l'article 5.16.3.3, § 3, 1°, 2° et 3°, et § 4 à § 8 inclus, s'appliquent également aux installations de réfrigération, visées au présent article. ".
" Art. 6.8.1. Le présent article s'applique aux installations de réfrigération fixes qui utilisent des substances appauvrissant la couche d'ozone ou des gaz à effet de serre fluorés. Les dispositions du présent chapitre ne s'appliquent pas aux systèmes de réfrigération hermétiquement clos ayant une capacité électrique installée de 500 W ou moins.
Il est interdit d'utiliser ou de stocker des chlorofluorocarbones et des halons pour les installations de réfrigération.
Les opérations, précédant la mise en service d'une installation de réfrigération, sont effectuées conformément aux dispositions de la norme EN 378 ou d'un code de bonne pratique équivalent.
Les dispositions de l'article 5.16.3.3, § 3, 1°, 2° et 3°, et § 4 à § 8 inclus, s'appliquent également aux installations de réfrigération, visées au présent article. ".
Art. 28. Artikel 6.8.2 en 6.8.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 maart 2003, worden opgeheven.
Art. 28. Les articles 6.8.2 et 6.8.3 du même arrêté, insérés par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 mars 2003, sont abrogés.
Art. 29. Aan artikel 6.9.1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009, wordt de volgende zin toegevoegd :
" Het aanleggen, wijzigen, verbouwen en buiten dienst stellen van een grondwaterwinning en het uitvoeren en buiten dienst stellen van een boring, met uitzondering van grondwaterwinningen voor handpompen, mag vanaf 1 januari 2015 alleen gebeuren door een boorbedrijf, erkend volgens het VLAREL, voor de desbetreffende discipline, vermeld in artikel 6, 7°, van het voormelde besluit. ".
" Het aanleggen, wijzigen, verbouwen en buiten dienst stellen van een grondwaterwinning en het uitvoeren en buiten dienst stellen van een boring, met uitzondering van grondwaterwinningen voor handpompen, mag vanaf 1 januari 2015 alleen gebeuren door een boorbedrijf, erkend volgens het VLAREL, voor de desbetreffende discipline, vermeld in artikel 6, 7°, van het voormelde besluit. ".
Art. 29. L'article 6.9.1.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 novembre 2009, est complété par la phrase suivante :
" A partir du 1er janvier 2015, la construction, modification, transformation et mise hors service d'un captage d'eau et l'exécution et la mise hors service d'un forage, à l'exception des captages d'eau pour pompes manuelles, peuvent uniquement être faites par une entreprise de forage, agréée conformément au VLAREL, pour la discipline concernée, visée à l'article 6, 7°, de l'arrêté précité. ".
" A partir du 1er janvier 2015, la construction, modification, transformation et mise hors service d'un captage d'eau et l'exécution et la mise hors service d'un forage, à l'exception des captages d'eau pour pompes manuelles, peuvent uniquement être faites par une entreprise de forage, agréée conformément au VLAREL, pour la discipline concernée, visée à l'article 6, 7°, de l'arrêté précité. ".
Art. 30. Bijlage 4.4.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt vervangen door bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 30. L'annexe 4.4.2 du même arrêté, modifiée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, est remplacée par l'annexe 1re, jointe au présent arrêté.
Art. 31. Bijlage 5.16.5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 maart 2003, wordt opgeheven.
Art. 31. L'annexe 5.16.5 du même arrêté, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 mars 2003, est abrogée.
Art. 32. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 2011, wordt een bijlage 5.17.13 ingevoegd, die als bijlage 2 bij dit besluit is gevoegd.
Art. 32. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 décembre 2011, il est inséré une annexe 5.17.13, jointe en tant qu'annexe 2 au présent arrêté.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater
CHAPITRE 2. - Modifications dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2006 relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage pour le chauffage de bâtiments ou pour la production d'eau chaude utilitaire
Art. 33. In het opschrift van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater wordt tussen de woorden " nazicht van " en het woord " stooktoestellen " het woord " centrale " ingevoegd.
Art. 33. Dans l'intitulé de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2006 relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage pour le chauffage de bâtiments ou pour la production d'eau chaude utilitaire, le mot " central " est inséré entre les mots " d'appareils de chauffage " et les mots " pour le chauffage de bâtiments ".
Art. 34. In artikel 2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 12 september 2008 en 19 november 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 5° wordt vervangen door wat volgt :
" 5° de toezichthoudende ambtenaar : de toezichthouder, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, die het toezicht uitoefent op de toepassing van de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging; ";
2° aan punt 32° worden de woorden " of de schoorsteen " toegevoegd;
3° punt 35° wordt vervangen door wat volgt :
" 35° verwarmingsauditrapport : verslag van de verwarmingsaudit van de gehele verwarmingsinstallatie, dat een beoordeling van het rendement van de ketel en van de ketelgrootte vergeleken met de verwarmingsbehoeften van het gebouw bevat, alsook het advies over vervanging van de ketel, over andere wijzigingen van het verwarmingssysteem en alternatieve oplossingen die een significante energiebesparing kunnen realiseren; ";
4° punt 36° wordt opgeheven;
5° er worden een punt 40° en een punt 41° toegevoegd, die luiden als volgt :
" 40° gebouw : een overdekte constructie met muren waarvoor energie gebruikt wordt om het binnenklimaat te regelen;
41° nominaal vermogen : het maximale verwarmingsvermogen, uitgedrukt in kW, dat door de fabrikant voor continu gebruik is aangegeven en gegarandeerd, waarbij het door hem aangegeven nuttig rendement wordt gehaald. ".
1° punt 5° wordt vervangen door wat volgt :
" 5° de toezichthoudende ambtenaar : de toezichthouder, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, die het toezicht uitoefent op de toepassing van de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging; ";
2° aan punt 32° worden de woorden " of de schoorsteen " toegevoegd;
3° punt 35° wordt vervangen door wat volgt :
" 35° verwarmingsauditrapport : verslag van de verwarmingsaudit van de gehele verwarmingsinstallatie, dat een beoordeling van het rendement van de ketel en van de ketelgrootte vergeleken met de verwarmingsbehoeften van het gebouw bevat, alsook het advies over vervanging van de ketel, over andere wijzigingen van het verwarmingssysteem en alternatieve oplossingen die een significante energiebesparing kunnen realiseren; ";
4° punt 36° wordt opgeheven;
5° er worden een punt 40° en een punt 41° toegevoegd, die luiden als volgt :
" 40° gebouw : een overdekte constructie met muren waarvoor energie gebruikt wordt om het binnenklimaat te regelen;
41° nominaal vermogen : het maximale verwarmingsvermogen, uitgedrukt in kW, dat door de fabrikant voor continu gebruik is aangegeven en gegarandeerd, waarbij het door hem aangegeven nuttig rendement wordt gehaald. ".
Art. 34. Dans l'article 2 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 12 septembre 2008 et 19 novembre 2010, sont apportées les modifications suivantes :
1° le point 5° est remplacé par ce qui suit :
" 5° le fonctionnaire de surveillance : le surveillant, visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, qui est chargé de la surveillance de l'application de la loi du 28 décembre 1964 relative à la lutte contre la pollution atmosphérique; ";
2° le point 32° est complété par les mots " ou de la cheminée ";
3° le point 35° est remplacé par ce qui suit :
" 35° rapport d'audit de chauffage : rapport de l'audit de chauffage de l'ensemble de l'installation de chauffage, comprenant une évaluation du rendement de la chaudière et du dimensionnement de la chaudière par rapport aux besoins de chauffage du bâtiment, ainsi qu'un avis sur le remplacement de la chaudière, sur d'autres modifications du système de chauffage et sur des solutions alternatives pouvant réaliser une économie d'énergie significative; ";
4° le point 36° est abrogé;
5° il est ajouté un point 40° et un point 41°, rédigés comme suit :
" 40° bâtiment : une construction couverte avec des murs pour laquelle de l'énergie est utilisée afin de régler le climat intérieur;
41° puissance nominale : la puissance de chauffage maximale, exprimée en kW, fixée et garantie par le fabricant comme pouvant être fournie en marche continue tout en respectant les rendements utiles annoncés par le constructeur. ".
1° le point 5° est remplacé par ce qui suit :
" 5° le fonctionnaire de surveillance : le surveillant, visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, qui est chargé de la surveillance de l'application de la loi du 28 décembre 1964 relative à la lutte contre la pollution atmosphérique; ";
2° le point 32° est complété par les mots " ou de la cheminée ";
3° le point 35° est remplacé par ce qui suit :
" 35° rapport d'audit de chauffage : rapport de l'audit de chauffage de l'ensemble de l'installation de chauffage, comprenant une évaluation du rendement de la chaudière et du dimensionnement de la chaudière par rapport aux besoins de chauffage du bâtiment, ainsi qu'un avis sur le remplacement de la chaudière, sur d'autres modifications du système de chauffage et sur des solutions alternatives pouvant réaliser une économie d'énergie significative; ";
4° le point 36° est abrogé;
5° il est ajouté un point 40° et un point 41°, rédigés comme suit :
" 40° bâtiment : une construction couverte avec des murs pour laquelle de l'énergie est utilisée afin de régler le climat intérieur;
41° puissance nominale : la puissance de chauffage maximale, exprimée en kW, fixée et garantie par le fabricant comme pouvant être fournie en marche continue tout en respectant les rendements utiles annoncés par le constructeur. ".
Art. 35. In artikel 8, 4°, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° na de zin " De tijd tussen twee opeenvolgende onderhoudsbeurten mag niet langer zijn dan de weergegeven onderhoudsfrequentie, vermeerderd met 3 maanden. " wordt een zin ingevoegd, die luidt als volgt :
" Die vermeerdering verstoort de onderhoudsfrequentie, vermeld in het eerste lid, niet. ";
2° de volgende zinnen worden toegevoegd :
" Als bij de onderhoudsbeurt, vermeld in artikel 13, de schoorsteen gereinigd en gecontroleerd moet worden, zal dat voorafgaand aan de reinigingsbeurt van het centrale stooktoestel gebeuren. Als de technicus de reiniging en controle van de schoorsteen niet zelf uitvoert, zal het reinigingsattest daarvan aan de erkende technicus worden voorgelegd. ".
1° na de zin " De tijd tussen twee opeenvolgende onderhoudsbeurten mag niet langer zijn dan de weergegeven onderhoudsfrequentie, vermeerderd met 3 maanden. " wordt een zin ingevoegd, die luidt als volgt :
" Die vermeerdering verstoort de onderhoudsfrequentie, vermeld in het eerste lid, niet. ";
2° de volgende zinnen worden toegevoegd :
" Als bij de onderhoudsbeurt, vermeld in artikel 13, de schoorsteen gereinigd en gecontroleerd moet worden, zal dat voorafgaand aan de reinigingsbeurt van het centrale stooktoestel gebeuren. Als de technicus de reiniging en controle van de schoorsteen niet zelf uitvoert, zal het reinigingsattest daarvan aan de erkende technicus worden voorgelegd. ".
Art. 35. Dans l'article 8, 4°, du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° il est inséré une phrase après la phrase " L'intervalle entre deux entretiens consécutifs ne peut pas excéder la fréquence d'entretien indiquée, majorée de 3 mois. ", rédigée comme suit :
" Cette majoration ne perturbe pas la fréquence d'entretien, visée à l'alinéa premier. ";
2° les phrases suivantes sont ajoutées :
" Lorsque la cheminée doit être nettoyée et contrôlée lors de l'entretien, visé à l'article 13, cela aura lieu préalablement au nettoyage de l'appareil de chauffage central. Lorsque le technicien n'exécute pas le nettoyage et le contrôle de la cheminée lui-même, l'attestation de nettoyage en sera présentée au technicien agréé. ".
1° il est inséré une phrase après la phrase " L'intervalle entre deux entretiens consécutifs ne peut pas excéder la fréquence d'entretien indiquée, majorée de 3 mois. ", rédigée comme suit :
" Cette majoration ne perturbe pas la fréquence d'entretien, visée à l'alinéa premier. ";
2° les phrases suivantes sont ajoutées :
" Lorsque la cheminée doit être nettoyée et contrôlée lors de l'entretien, visé à l'article 13, cela aura lieu préalablement au nettoyage de l'appareil de chauffage central. Lorsque le technicien n'exécute pas le nettoyage et le contrôle de la cheminée lui-même, l'attestation de nettoyage en sera présentée au technicien agréé. ".
Art. 36. In artikel 9 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 september 2008, worden de volgende wijzingen aangebracht :
1° in het opschrift worden de woorden " Eenmalige verwarmingsaudit " vervangen door het woord " Verwarmingsaudit ";
2° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt :
" § 1. De eigenaar van een centraal stooktoestel met een nominaal vermogen van 20 kW of meer laat telkens een verwarmingsaudit uitvoeren samen met de eerstvolgende onderhoudsbeurt, vermeld in artikel 8, 4°, nadat het toestel vijf jaar oud is geworden en nadien vijfjaarlijks.
In afwijking van het eerste lid, laat de eigenaar van een centraal stooktoestel met een nominaal vermogen van meer dan 100 kW een verwarmingsaudit uitvoeren met de volgende frequentie :
1° tweejaarlijks in het geval van een centraal stooktoestel gevoed met vloeibare brandstof;
2° vierjaarlijks in het geval van een centraal stooktoestel gevoed met gasvormige brandstof. ".
1° in het opschrift worden de woorden " Eenmalige verwarmingsaudit " vervangen door het woord " Verwarmingsaudit ";
2° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt :
" § 1. De eigenaar van een centraal stooktoestel met een nominaal vermogen van 20 kW of meer laat telkens een verwarmingsaudit uitvoeren samen met de eerstvolgende onderhoudsbeurt, vermeld in artikel 8, 4°, nadat het toestel vijf jaar oud is geworden en nadien vijfjaarlijks.
In afwijking van het eerste lid, laat de eigenaar van een centraal stooktoestel met een nominaal vermogen van meer dan 100 kW een verwarmingsaudit uitvoeren met de volgende frequentie :
1° tweejaarlijks in het geval van een centraal stooktoestel gevoed met vloeibare brandstof;
2° vierjaarlijks in het geval van een centraal stooktoestel gevoed met gasvormige brandstof. ".
Art. 36. Dans l'article 9 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 septembre 2008, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'intitulé, les mots " Audit de chauffage unique " sont remplacés par les mots " Audit de chauffage ";
2° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Le propriétaire d'un appareil de chauffage central ayant une puissance nominale de 20 kW ou plus fait exécuter un audit de chauffage lors de chaque entretien prochain, visé à l'article 8, 4°, après que l'appareil a atteint l'âge de cinq ans et ensuite tous les cinq ans.
Par dérogation à l'alinéa premier, le propriétaire d'un appareil de chauffage central ayant une puissance nominale supérieure à 100 kW fait exécuter un audit de chauffage selon la fréquence suivante :
1° tous les deux ans en cas d'un appareil de chauffage central alimenté par des combustibles liquides;
2° tous les quatre ans en cas d'un appareil de chauffage central alimenté par des combustibles gazeux. ".
1° dans l'intitulé, les mots " Audit de chauffage unique " sont remplacés par les mots " Audit de chauffage ";
2° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Le propriétaire d'un appareil de chauffage central ayant une puissance nominale de 20 kW ou plus fait exécuter un audit de chauffage lors de chaque entretien prochain, visé à l'article 8, 4°, après que l'appareil a atteint l'âge de cinq ans et ensuite tous les cinq ans.
Par dérogation à l'alinéa premier, le propriétaire d'un appareil de chauffage central ayant une puissance nominale supérieure à 100 kW fait exécuter un audit de chauffage selon la fréquence suivante :
1° tous les deux ans en cas d'un appareil de chauffage central alimenté par des combustibles liquides;
2° tous les quatre ans en cas d'un appareil de chauffage central alimenté par des combustibles gazeux. ".
Art. 37. Aan artikel 12 van hetzelfde besluit wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 3. De technicus voert na de uitvoering van de keuring een verbrandingscontrole uit als vermeld in artikel 13. ".
" § 3. De technicus voert na de uitvoering van de keuring een verbrandingscontrole uit als vermeld in artikel 13. ".
Art. 37. L'article 12 du même arrêté est complété par un paragraphe 3, rédigé comme suit :
" § 3. Après l'exécution du contrôle, le technicien exécute un contrôle de la combustion, tel que visé à l'article 13. ".
" § 3. Après l'exécution du contrôle, le technicien exécute un contrôle de la combustion, tel que visé à l'article 13. ".
Art. 38. In artikel 15 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 september 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan paragraaf 1 worden de woorden " en een verbrandingsattest " toegevoegd;
2° paragraaf 4 wordt opgeheven;
3° in paragraaf 6 worden de twee laatste zinnen opgeheven.
1° aan paragraaf 1 worden de woorden " en een verbrandingsattest " toegevoegd;
2° paragraaf 4 wordt opgeheven;
3° in paragraaf 6 worden de twee laatste zinnen opgeheven.
Art. 38. Dans l'article 15 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 septembre 2008, sont apportées les modifications suivantes :
1° le paragraphe 1er est complété par les mots " et une attestation de combustion ";
2° le paragraphe 4 est abrogé;
3° dans le paragraphe 6, les deux dernières phrases sont abrogées.
1° le paragraphe 1er est complété par les mots " et une attestation de combustion ";
2° le paragraphe 4 est abrogé;
3° dans le paragraphe 6, les deux dernières phrases sont abrogées.
Art. 39. Artikel 34 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 12 september 2008 en 19 november 2010, wordt opgeheven.
Art. 39. L'article 34 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 12 septembre 2008 et 19 novembre 2010, est abrogé.
Art. 40. Artikel 38 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 12 september 2008 en 12 december 2008, wordt opgeheven.
Art. 40. L'article 38 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 12 septembre 2008 et 12 décembre 2008, est abrogé.
Art. 41. Artikel 39 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 september 2008, wordt opgeheven.
Art. 41. L'article 39 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 septembre 2008, est abrogé.
Art. 42. Artikel 40 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, wordt opgeheven.
Art. 42. L'article 40 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010, est abrogé.
Art. 43. Aan bijlage I, hoofdstuk I, 3, van hetzelfde besluit wordt een tweede alinea toegevoegd, die luidt als volgt :
" Het verbrandingsattest vermeldt de waarden, gemeten met het elektronische rookgasanalysetoestel. De afdruk van het toestel wordt opgenomen in de daarvoor bestemde ruimte. ".
" Het verbrandingsattest vermeldt de waarden, gemeten met het elektronische rookgasanalysetoestel. De afdruk van het toestel wordt opgenomen in de daarvoor bestemde ruimte. ".
Art. 43. L'annexe Ire, chapitre Ier, 3, du même arrêté, est complétée par un alinéa deux, rédigé comme suit :
" L'attestation de combustion mentionne les valeurs, mesurées à l'aide de l'analyseur électronique de gaz de fumée. Le résultat imprimé des données de l'analyseur est repris dans l'espace destinée à cet effet. ".
" L'attestation de combustion mentionne les valeurs, mesurées à l'aide de l'analyseur électronique de gaz de fumée. Le résultat imprimé des données de l'analyseur est repris dans l'espace destinée à cet effet. ".
Art. 44. In bijlage III, I Model, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de zinsnede " schoorsteenonderdruk (hPa of mbar) : " wordt vervangen door de zinsnede " druk schoorsteen (Pa) : ";
2° de woorden " Vlaamse regering " worden vervangen door de zinsnede " Vlaamse Regering van 8 december 2006 ";
3° tussen de woorden " nazicht van " en het woord " stooktoestellen " wordt het woord " centrale " ingevoegd.
1° de zinsnede " schoorsteenonderdruk (hPa of mbar) : " wordt vervangen door de zinsnede " druk schoorsteen (Pa) : ";
2° de woorden " Vlaamse regering " worden vervangen door de zinsnede " Vlaamse Regering van 8 december 2006 ";
3° tussen de woorden " nazicht van " en het woord " stooktoestellen " wordt het woord " centrale " ingevoegd.
Art. 44. Dans l'annexe III, Modèle Ier, du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots " dépression de la cheminée (hPa ou mbar) : " sont remplacés par les mots " pression de la cheminée (Pa) : ";
2° les mots " Gouvernement flamand " sont remplacés par les mots " Gouvernement flamand du 8 décembre 2006 ";
3° le mot " central " est inséré entre les mots " d'appareils de chauffage " et les mots " pour le chauffage ".
1° les mots " dépression de la cheminée (hPa ou mbar) : " sont remplacés par les mots " pression de la cheminée (Pa) : ";
2° les mots " Gouvernement flamand " sont remplacés par les mots " Gouvernement flamand du 8 décembre 2006 ";
3° le mot " central " est inséré entre les mots " d'appareils de chauffage " et les mots " pour le chauffage ".
Art. 45. In bijlage III, II Model, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de rijen
"
1° de rijen
"
Art. 45. Dans l'annexe III, Modèle II, du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
1° les lignes
"
1° les lignes
"
| pompdruk | MPa (of bar) | 1 | ||
| Gasdruk | MPa of bar | 2 | ||
| onderdruk schoorsteen | hPa (of mbar) | 1, 2 |
"
worden vervangen door de volgende rijen :
"
| pression de la pompe | MPa (ou bar) | 1 | ||
| pression du gaz | MPa ou bar | 2 | ||
| dépression de la cheminée | hPa (ou mbar) | 1, 2 |
"
sont remplacées par les lignes suivantes :
"
| pompdruk | bar | 1 | ||
| gasdruk | mbar | 2 | ||
| druk schoorsteen | Pa | 1, 2 |
";
2° de zinsnede " EINDBEOORDELING : (kruis aan wat van toepassing is) O Het stooktoestel werkt goed O het toestel werkt niet goed " wordt vervangen door de volgende zinsnede :
" EINDBEOORDELING : Het stooktoestel werkt :
(Kruis aan wat van toepassing is.)O goed O niet goed
O veilig O niet veilig ";
3° de woorden " Vlaamse regering " worden vervangen door de zinsnede " Vlaamse Regering van 8 december 2006 ";
4° tussen de woorden " nazicht van " en het woord " stooktoestellen " wordt het woord " centrale " ingevoegd.
| pression de la pompe | bar | 1 | ||
| pression du gaz | mbar | 2 | ||
| pression de la cheminée | Pa | 1, 2 |
";
2° les mots " EVALUATION FINALE : (cochez la mention utile) O L'appareil de chauffage fonctionne bien O l'appareil ne fonctionne pas bien " sont remplacés par les mots suivants :
" EVALUATION FINALE : L'appareil de chauffage fonctionne :
(Cochez la mention utile.) O bien O pas bien
O de manière sûre O de manière peu sûre ";
3° les mots " Gouvernement flamand " sont remplacés par les mots " Gouvernement flamand du 8 décembre 2006 ";
4° le mot " central " est inséré entre les mots " d'appareils de chauffage " et les mots " pour le chauffage ".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming
CHAPITRE 3. - Modifications dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2007 fixant le règlement flamand relatif à l'assainissement du sol et à la protection du sol
Art. 46. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012, wordt punt 7° vervangen door wat volgt :
" 7° CMA : compendium voor de monsterneming en analyse in het kader van het Materialendecreet en het Bodemdecreet, vermeld in het VLAREL. ".
" 7° CMA : compendium voor de monsterneming en analyse in het kader van het Materialendecreet en het Bodemdecreet, vermeld in het VLAREL. ".
Art. 46. Dans l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2007 fixant le règlement flamand relatif à l'assainissement du sol et à la protection du sol, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2012, le point 7° est remplacé par ce qui suit :
" 7° CMA : Compendium pour l'échantillonnage et l'analyse dans le cadre du décret sur les matériaux et du décret relatif au sol, visé au VLAREL. ".
" 7° CMA : Compendium pour l'échantillonnage et l'analyse dans le cadre du décret sur les matériaux et du décret relatif au sol, visé au VLAREL. ".
Art. 47. In artikel 20 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede " vermeld in artikel 28 en 29 " vervangen door de woorden " vermeld in het Bodemdecreet en in dit besluit ".
Art. 47. Dans l'article 20 du même arrêté, les mots " visé aux articles 28 et 29 " sont remplacés par les mots " visé au décret relatif au sol et au présent arrêté ".
Art. 48. Hoofdstuk II, dat bestaat uit artikel 27 tot en met 46, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, 12 december 2008, 13 februari 2009 en 23 september 2011, wordt opgeheven.
Art. 48. Le chapitre II qui comprend les articles 27 à 46 inclus, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 septembre 2008, 12 décembre 2008, 13 février 2009 et 23 septembre 2011, est abrogé.
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
CHAPITRE 4. - Modifications dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
Art. 49. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, 15 juli 20011 en 23 september 2011, wordt een punt 35° /3 ingevoegd, dat luidt als volgt :
" 35° /3 de afdeling, bevoegd voor grondwater : de afdeling Operationeel Waterbeheer van de Vlaamse Milieumaatschappij; ".
" 35° /3 de afdeling, bevoegd voor grondwater : de afdeling Operationeel Waterbeheer van de Vlaamse Milieumaatschappij; ".
Art. 49. Dans l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 avril 2009 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 novembre 2010, 15 juillet 2011 et 23 septembre 2011, il est inséré un point 35° /3, rédigé comme suit :
" 35° /3 la division, compétente pour les eaux souterraines : la division Gestion opérationnelle des Eaux de la " Vlaamse Milieumaatschappij " (Société flamande de l'Environnement); ".
" 35° /3 la division, compétente pour les eaux souterraines : la division Gestion opérationnelle des Eaux de la " Vlaamse Milieumaatschappij " (Société flamande de l'Environnement); ".
Art. 50. In artikel 12 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 en 19 november 2010, wordt een punt 9° /2 ingevoegd, dat luidt als volgt :
" 9° /2 de door de minister aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor grondwater; ".
" 9° /2 de door de minister aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor grondwater; ".
Art. 50. Dans l'article 12 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 30 avril 2009 et 19 novembre 2010, il est inséré un point 9° /2, rédigé comme suit :
" 9° /2 les membres du personnel à désigner par le Ministre de la division, compétente pour les eaux souterraines; ".
" 9° /2 les membres du personnel à désigner par le Ministre de la division, compétente pour les eaux souterraines; ".
Art. 51. In artikel 22 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, wordt de zinsnede " hoofdstuk IIIbis. - Erkenningen van het Milieuvergunningendecreet " vervangen door de zinsnede " hoofdstuk IIIbis van het Milieuvergunningendecreet ".
Art. 51. Dans l'article 22 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010, les mots " chapitre IIIbis - Agréments découlant du décret relatif à l'Autorisation écologique " sont remplacés par les mots " chapitre IIIbis du décret sur l'autorisation écologique ".
Art. 52. In artikel 23 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 en 19 november 2010, wordt de zinsnede " artikel 22 " vervangen door de zinsnede " artikel 22, artikel 26, § 1, derde lid, artikel 27, tweede lid, artikel 28/2 en artikel 29, 5° ".
Art. 52. Dans l'article 23 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 4 septembre 2009 et 19 novembre 2010, les mots " article 22 " sont remplacés par les mots " article 22, article 26, § 1er, alinéa trois, article 27, alinéa deux, article 28/2 et article 29, 5° ".
Art. 53. Aan artikel 26, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 oktober 2010, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 6°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van hoofdstuk IIIbis van het Milieuvergunningendecreet en de uitvoeringsbepalingen ervan, wat betreft de verplichtingen inzake erkenning als laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen, en het gebruik van die erkenning. ".
" De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 6°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van hoofdstuk IIIbis van het Milieuvergunningendecreet en de uitvoeringsbepalingen ervan, wat betreft de verplichtingen inzake erkenning als laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen, en het gebruik van die erkenning. ".
Art. 53. A l'article 26, § 1er, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 octobre 2010, il est ajouté un alinéa trois, rédigé comme suit :
" Les fonctionnaires de surveillance, visés à l'article 12, 6°, exercent le contrôle de l'application du chapitre IIIbis du décret relatif à l'autorisation écologique et de ses dispositions d'exécution, en ce qui concerne les obligations en matière d'agrément en tant que laboratoire dans la discipline des déchets et autres matériaux, et l'utilisation de cet agrément. ".
" Les fonctionnaires de surveillance, visés à l'article 12, 6°, exercent le contrôle de l'application du chapitre IIIbis du décret relatif à l'autorisation écologique et de ses dispositions d'exécution, en ce qui concerne les obligations en matière d'agrément en tant que laboratoire dans la discipline des déchets et autres matériaux, et l'utilisation de cet agrément. ".
Art. 54. Aan artikel 27 van hetzelfde besluit wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 7°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van hoofdstuk IIIbis van het Milieuvergunningendecreet en de uitvoeringsbepalingen ervan, wat betreft de verplichtingen inzake erkenning als opleidingscentrum voor de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, erkenning als bodemsaneringsdeskundigen en inzake erkenning als laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodemsanering, en het gebruik van die erkenningen. ".
" De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 7°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van hoofdstuk IIIbis van het Milieuvergunningendecreet en de uitvoeringsbepalingen ervan, wat betreft de verplichtingen inzake erkenning als opleidingscentrum voor de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, erkenning als bodemsaneringsdeskundigen en inzake erkenning als laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodemsanering, en het gebruik van die erkenningen. ".
Art. 54. L'article 27 du même arrêté est complété par un alinéa deux, rédigé comme suit :
" Les fonctionnaires de surveillance, visés à l'article 12, 7°, exercent le contrôle, de l'application du chapitre IIIbis du décret relatif à l'autorisation écologique et de ses dispositions d'exécution, en ce qui concerne les obligations en matière d'agrément en tant que centre de formation pour la formation complémentaire d'experts en assainissement du sol, d'agrément en tant qu'experts en assainissement du sol et en matière d'agrément en tant que laboratoire dans la discipline du sol, sous-domaine de l'assainissement du sol, et l'utilisation de ces agréments. ".
" Les fonctionnaires de surveillance, visés à l'article 12, 7°, exercent le contrôle, de l'application du chapitre IIIbis du décret relatif à l'autorisation écologique et de ses dispositions d'exécution, en ce qui concerne les obligations en matière d'agrément en tant que centre de formation pour la formation complémentaire d'experts en assainissement du sol, d'agrément en tant qu'experts en assainissement du sol et en matière d'agrément en tant que laboratoire dans la discipline du sol, sous-domaine de l'assainissement du sol, et l'utilisation de ces agréments. ".
Art. 55. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2011, wordt een artikel 28/2 ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 28/2. De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 9° /2, van dit besluit, oefenen het toezicht uit op de toepassing van hoofdstuk IIIbis van het Milieuvergunningendecreet en de uitvoeringsbepalingen ervan, wat betreft de verplichtingen inzake de erkenning als boorbedrijf, en het gebruik van die erkenning. ".
" Art. 28/2. De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 9° /2, van dit besluit, oefenen het toezicht uit op de toepassing van hoofdstuk IIIbis van het Milieuvergunningendecreet en de uitvoeringsbepalingen ervan, wat betreft de verplichtingen inzake de erkenning als boorbedrijf, en het gebruik van die erkenning. ".
Art. 55. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2011, il est inséré un article 28/2, rédigé comme suit :
" Art. 28/2. " Les fonctionnaires de surveillance, visés à l'article 12, 9° /2, du présent arrêté, exercent le contrôle de l'application du chapitre IIIbis du décret relatif à l'autorisation écologique et de ses dispositions d'exécution, en ce qui concerne les obligations en matière d'agrément en tant qu'entreprise de forage, et l'utilisation de cet agrément. ".
" Art. 28/2. " Les fonctionnaires de surveillance, visés à l'article 12, 9° /2, du présent arrêté, exercent le contrôle de l'application du chapitre IIIbis du décret relatif à l'autorisation écologique et de ses dispositions d'exécution, en ce qui concerne les obligations en matière d'agrément en tant qu'entreprise de forage, et l'utilisation de cet agrément. ".
Art. 56. Aan artikel 29 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 en 28 oktober 2011, wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 5° hoofdstuk IIIbis van het Milieuvergunningendecreet en de uitvoeringsbepalingen ervan, wat betreft de verplichtingen inzake erkenning als laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bemesting, de discipline mest en de discipline diervoeder, en het gebruik van die erkenning. ".
" 5° hoofdstuk IIIbis van het Milieuvergunningendecreet en de uitvoeringsbepalingen ervan, wat betreft de verplichtingen inzake erkenning als laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bemesting, de discipline mest en de discipline diervoeder, en het gebruik van die erkenning. ".
Art. 56. A l'article 29 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 30 avril 2009 et 28 octobre 2011, il est ajouté un point 5°, rédigé comme suit :
" 5° chapitre IIIbis du décret relatif à l'autorisation écologique et ses dispositions d'exécution, en ce qui concerne les obligations en matière d'agrément en tant que laboratoire dans la discipline du sol, sous-domaine de la fertilisation, la discipline des engrais et la discipline des aliments pour animaux, et l'utilisation de cet agrément. ".
" 5° chapitre IIIbis du décret relatif à l'autorisation écologique et ses dispositions d'exécution, en ce qui concerne les obligations en matière d'agrément en tant que laboratoire dans la discipline du sol, sous-domaine de la fertilisation, la discipline des engrais et la discipline des aliments pour animaux, et l'utilisation de cet agrément. ".
Art. 57. In bijlage VII, artikel 1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° na de rij
"
1° na de rij
"
Art. 57. Dans l'annexe VII, article 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2011, sont apportées les modifications suivantes :
1° après la ligne
"
1° après la ligne
"
| 5.16.3.3, § 3, eerste lid, 2° | De resultaten van deze onderzoeken worden ingeschreven in een register dat ter inzage is van de toezichthoudende ambtenaar. |
"
wordt de volgende rij ingevoegd :
"
| 5.16.3.3, § 3, alinéa premier, 2° | Les résultats de ces enquêtes sont consignés dans un registre tenu à la disposition du fonctionnaire surveillant. |
"
est insérée la ligne suivante :
"
| 5.16.3.3, § 3, 4° | De exploitant bezorgt een duplicaat van het keuringsverslag aan de eigenaar van het gebouw. De exploitant en de eigenaar van het gebouw houden het keuringsverslag ten minste vijf jaar ter beschikking van de toezichthoudende overheid. |
";
2° de rij
"
| 5.16.3.3, § 3, 4° | L'exploitant remet un duplicata du rapport de contrôle au propriétaire du bâtiment. L'exploitant et le propriétaire du bâtiment tiennent le rapport de contrôle à la disposition de l'autorité de contrôle pendant au moins cinq ans. |
";
2° la ligne
"
| 5.16.3.3, § 7, 3° | Zowel een gedetailleerde beschrijving als de resultaten en bevindingen van die controles moeten onder vermelding van datum in het logboek worden geregistreerd. |
"
wordt vervangen door de volgende rij :
"
| 5.16.3.3, § 7, 3° | Tant une description détaillée que les résultats et constatations desdits contrôles doivent être consignés dans le livret de bord avec mention de la date. |
"
est remplacée par la ligne suivante :
"
| 5.16.3.3, § 7, 2° | Zowel een gedetailleerde beschrijving als de resultaten en bevindingen van die controles moeten met vermelding van de datum in het logboek worden geregistreerd. |
".
| 5.16.3.3, § 7, 2° | Tant une description détaillée que les résultats et constatations de ces contrôles doivent être enregistrés dans le livre de bord avec mention de la date. |
".
Art. 58. In bijlage VIII van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012, worden de volgende rijen opgeheven :
"
"
Art. 58. Dans l'annexe VII du même arrêté, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2012, les lignes suivantes sont abrogées :
"
"
| 8.1.4.1, eerste lid | Elke wijziging die wordt aangebracht aan de gegevens, vermeld in artikel 8.1.2.2, 1°, 7°, 8°, 9°, en elke wijziging van leidinggevende personeelsleden of in het adres van het laboratorium, worden onmiddellijk met een aangetekende brief meegedeeld aan de OVAM. |
| 8.1.4.2, 3° | 3° als het laboratorium analyses uitvoert waarvoor het niet erkend is, moet de niet-erkenning voor de analyses in kwestie expliciet in het analyseverslag vermeld worden; |
| 8.1.4.2, 4° | 4° als het laboratorium analyses laat uitvoeren in een ander daartoe erkend laboratorium, moet de uitbesteding voor de analyses in kwestie expliciet in het analyseverslag vermeld worden. |
".
| 8.1.4.1, alinéa premier | Toute modification qui est apportée aux données, visées à l'article 8.1.2.2, 1°, 7°, 8°, 9° et toute modification de membres du personnel dirigeant ou dans l'adresse du laboratoire, sont immédiatement communiquées à l'OVAM par courrier recommandé. |
| 8.1.4.2, 3° | 3° si le laboratoire effectue des analyses pour lesquelles il n'est pas agréé, le défaut de reconnaissance pour les analyses en question doit être mentionné explicitement dans le rapport d'analyse; |
| 8.1.4.2, 4° | 4° lorsque le laboratoire fait effectuer des analyses dans un autre laboratoire agréé à cette fin, la sous-traitance pour les analyses en question doit être mentionnée explicitement dans le rapport d'analyse. |
".
Art. 59. In bijlage IX van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° tussen de woorden " nazicht van " en het woord " stooktoestellen " wordt het woord " centrale " ingevoegd;
2° de rij
"
1° tussen de woorden " nazicht van " en het woord " stooktoestellen " wordt het woord " centrale " ingevoegd;
2° de rij
"
Art. 59. Dans l'annexe IX du même arrêté, modifiée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010, sont apportées les modifications suivantes :
1° le mot " central " est inséré entre les mots " d'appareils de chauffage " et les mots " pour le chauffage ";
2° la ligne
"
1° le mot " central " est inséré entre les mots " d'appareils de chauffage " et les mots " pour le chauffage ";
2° la ligne
"
| 15, § 1 | Afgeven en ter beschikking houden van attesten en rapporten |
| § 1. De persoon die de keuring van een nieuw centraal stooktoestel, bedoeld in artikel 7, uitvoert, overhandigt aan de eigenaar een behoorlijk ingevuld keuringsrapport. |
"
wordt vervangen door de volgende rij :
"
| 15, § 1er | Délivrance et mise à la disposition d'attestations et de rapports |
| § 1er. La personne exécutant l'inspection d'un nouvel appareil de chauffage central, visé à l'article 7, transmet un rapport d'inspection dûment complété au propriétaire. |
"
est remplacée par la ligne suivante :
"
| 15, § 1 | Afgeven en ter beschikking houden van attesten en rapporten |
| § 1. De persoon die de keuring van een nieuw centraal stooktoestel, bedoeld in artikel 7, uitvoert, overhandigt aan de eigenaar een behoorlijk ingevuld keuringsrapport en een verbrandingsattest. |
";
3° de rij
"
| 15, § 1er | Délivrance et tenue à disposition d'attestations et de rapports |
| § 1er. La personne exécutant l'inspection d'un nouvel appareil de chauffage central, visé à l'article 7, transmet un rapport de contrôle dûment complété et une attestation de combustion au propriétaire. |
";
3° la ligne
"
| 15, § 4 | Afgeven en ter beschikking houden van attesten en rapporten |
| § 4. De erkende technicus bezorgt de afdeling uiterlijk 2 maanden na het verloop van elk kalenderjaar een overzichtslijst van alle installaties welke hij dat kalenderjaar heeft gekeurd, onderhouden of aan een verwarmingsaudit heeft ontworpen, samen met het eindresultaat (al dan niet in orde bevonden) van elke door hem uitgevoerde controle. |
"
wordt opgeheven.
| 15, § 4 | Délivrance et mise à disposition d'attestations et de rapports |
| § 4. Au plus tard 2 mois après chaque année civile écoulée, le technicien agréé fournit à la division une liste récapitulative de toutes les installations qu'il a inspectées, entretenues ou soumises à un audit de chauffage pendant cette année civile, conjointement avec le résultat final (déclarée en ordre ou non) de tout contrôle qu'il a effectué. |
"
est abrogée.
Art. 60. In hetzelfde besluit wordt bijlage XXIII, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 en hernummerd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2011, vervangen door bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 60. Dans le même arrêté, l'annexe XXIII, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 et renumérotée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2011, est remplacée par l'annexe 3, jointe au présent arrêté.
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van bedrijven en hun technici voor brandbeveiligingssystemen die ozonlaag afbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten
CHAPITRE 5. - Modifications dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 relatif à la certification d'entreprises et de leurs techniciens en systèmes de protection contre l'incendie contenant des substances appauvrissant la couche d'ozone ou des gaz à effet de serre fluorés
Art. 61. In het opschrift van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van bedrijven en hun technici voor brandbeveiligingssystemen die ozonlaag afbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten worden de woorden " ozonlaag afbrekende " vervangen door het woord " ozonlaagafbrekende ".
Art. 61. Dans l'intitulé de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 relatif à la certification d'entreprises et de leurs techniciens en systèmes de protection contre l'incendie contenant des substances appauvrissant la couche d'ozone ou des gaz à effet de serre fluorés, le mot " appauvrissant " est remplacé par les mots " qui appauvrissent ".
Art. 62. In artikel 1 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 1° wordt vervangen door wat volgt :
" 1° ozonafbrekende stoffen : de stoffen, vermeld in bijlage I van Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen, met inbegrip van de isomeren ervan, afzonderlijk of in een mengsel, ongeacht of het nieuw geproduceerde, teruggewonnen, gerecycleerde of gegenereerde stoffen betreft; ";
2° in punt 2° wordt de zinsnede " en de latere wijzigingen ervan " opgeheven;
3° er wordt een punt 10° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 10° het één-loket : het ondernemersloket, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2009 tot gedeeltelijke omzetting van artikel 6 en 8 van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt. ".
1° punt 1° wordt vervangen door wat volgt :
" 1° ozonafbrekende stoffen : de stoffen, vermeld in bijlage I van Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen, met inbegrip van de isomeren ervan, afzonderlijk of in een mengsel, ongeacht of het nieuw geproduceerde, teruggewonnen, gerecycleerde of gegenereerde stoffen betreft; ";
2° in punt 2° wordt de zinsnede " en de latere wijzigingen ervan " opgeheven;
3° er wordt een punt 10° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 10° het één-loket : het ondernemersloket, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2009 tot gedeeltelijke omzetting van artikel 6 en 8 van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt. ".
Art. 62. Dans l'article 1er du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° substances qui appauvrissent la couche d'ozone : les substances, visées à l'annexe Ire du Règlement (CE) n° 1005/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 relatif à des substances qui appauvrissent la couche d'ozone, y compris leurs isomères, séparés ou dans un mélange, qu'il s'agit de substances vierges, récupérées, recyclées ou générées; ";
2° dans le point 2°, les mots " et ses modifications ultérieures " sont abrogés;
3° il est ajouté un point 10°, rédigé comme suit :
" 10° le guichet unique : le guichet d'entreprises, visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2009 portant transposition partielle des articles 6 et 8 de la Directive 2006/123/CE du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2006 relative aux services dans le marché intérieur. ".
1° le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° substances qui appauvrissent la couche d'ozone : les substances, visées à l'annexe Ire du Règlement (CE) n° 1005/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 relatif à des substances qui appauvrissent la couche d'ozone, y compris leurs isomères, séparés ou dans un mélange, qu'il s'agit de substances vierges, récupérées, recyclées ou générées; ";
2° dans le point 2°, les mots " et ses modifications ultérieures " sont abrogés;
3° il est ajouté un point 10°, rédigé comme suit :
" 10° le guichet unique : le guichet d'entreprises, visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2009 portant transposition partielle des articles 6 et 8 de la Directive 2006/123/CE du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2006 relative aux services dans le marché intérieur. ".
Art. 63. In artikel 4 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden " dat binnen zes maanden na de inwerkingtreding van dit besluit erkend is " worden vervangen door de zinsnede " dat erkend is voor de werkzaamheden aan brandbeveiligingssystemen en handelingen met blusmiddel, vermeld in artikel 1, 3°, a) en b) ";
2° aan paragraaf 2 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Een gecertificeerde technicus voor brandbeveiligingssystemen is van rechtswege gecertificeerd als vervoerder van blusmiddelen. ".
1° de woorden " dat binnen zes maanden na de inwerkingtreding van dit besluit erkend is " worden vervangen door de zinsnede " dat erkend is voor de werkzaamheden aan brandbeveiligingssystemen en handelingen met blusmiddel, vermeld in artikel 1, 3°, a) en b) ";
2° aan paragraaf 2 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Een gecertificeerde technicus voor brandbeveiligingssystemen is van rechtswege gecertificeerd als vervoerder van blusmiddelen. ".
Art. 63. Dans l'article 4 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots " agréée dans les six mois après l'entrée en vigueur du présent arrêté " sont remplacés par les mots " agréée pour les travaux à des systèmes de protection contre l'incendie et opérations à l'aide de produits extincteurs, visés à l'article 1er, 3°, a) et b) ";
2° le paragraphe 2 est complété par un alinéa deux, rédigé comme suit :
" Un technicien certifié en systèmes de protection contre l'incendie est certifié de plein droit comme transporteur de produits extincteurs. ".
1° les mots " agréée dans les six mois après l'entrée en vigueur du présent arrêté " sont remplacés par les mots " agréée pour les travaux à des systèmes de protection contre l'incendie et opérations à l'aide de produits extincteurs, visés à l'article 1er, 3°, a) et b) ";
2° le paragraphe 2 est complété par un alinéa deux, rédigé comme suit :
" Un technicien certifié en systèmes de protection contre l'incendie est certifié de plein droit comme transporteur de produits extincteurs. ".
Art. 64. In artikel 5, § 1, van hetzelfde besluit wordt de zin " Het bedrijf stuurt de aanvraag tot erkenning aangetekend naar de afdeling. " vervangen door de zin " De aanvraag tot erkenning wordt aangetekend, tegen afgifte van ontvangstbewijs of elektronisch via het één-loket ingediend bij de afdeling. ".
Art. 64. Dans l'article 5, § 1er, du même arrêté, la phrase " L'entreprise fait parvenir la demande d'agrément par lettre recommandée à la division. " est remplacée par la phrase " La demande d'agrément est introduite auprès de la division par lettre recommandée, par remise contre récépissé ou par voie électronique via le guichet unique. ".
Art. 65. In artikel 11, § 1, van hetzelfde besluit wordt de zin " Het examencentrum stuurt de aanvraag tot erkenning aangetekend naar de afdeling. " vervangen door de zin " De aanvraag tot erkenning wordt aangetekend, tegen afgifte van ontvangstbewijs of elektronisch via het één-loket ingediend bij de afdeling. ".
Art. 65. Dans l'article 11, § 1er, du même arrêté, la phrase " Le centre d'examen fait parvenir la demande d'agrément par lettre recommandée à la division. " est remplacée par la phrase " La demande d'agrément est introduite auprès de la division par lettre recommandée, par remise contre récépissé ou par voie électronique via le guichet unique. ".
Art. 66. In bijlage IV, a), 3, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede " Verordening (EG) nr. 2037/2000 " vervangen door de zinsnede " Verordening (EG) nr. 1005/2009 ".
Art. 66. Dans l'annexe IV, a), 3, du même arrêté, les mots " n° 2037/2000 " sont remplacés par les mots " n° 1005/2009 ".
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van koeltechnische bedrijven en hun koeltechnici
CHAPITRE 6. - Modifications dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 en matière de certification d'entreprises frigorifiques et de leurs frigoristes
Art. 67. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van koeltechnische bedrijven en hun koeltechnici worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 3° wordt vervangen door wat volgt :
" 3° ozonafbrekende stoffen : de stoffen, vermeld in bijlage I van Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen, met inbegrip van de isomeren ervan, afzonderlijk of in een mengsel, ongeacht of het nieuw geproduceerde, teruggewonnen, gerecycleerde of gegenereerde stoffen betreft; ";
2° in punt 2° wordt de zinsnede " en de latere wijzigingen ervan " opgeheven;
3° er wordt een punt 20° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 20° het één-loket : het ondernemersloket, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2009 tot gedeeltelijke omzetting van artikel 6 en 8 van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt. ".
1° punt 3° wordt vervangen door wat volgt :
" 3° ozonafbrekende stoffen : de stoffen, vermeld in bijlage I van Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen, met inbegrip van de isomeren ervan, afzonderlijk of in een mengsel, ongeacht of het nieuw geproduceerde, teruggewonnen, gerecycleerde of gegenereerde stoffen betreft; ";
2° in punt 2° wordt de zinsnede " en de latere wijzigingen ervan " opgeheven;
3° er wordt een punt 20° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 20° het één-loket : het ondernemersloket, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2009 tot gedeeltelijke omzetting van artikel 6 en 8 van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt. ".
Art. 67. Dans l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 en matière de certification d'entreprises frigorifiques et de leurs frigoristes sont apportées les modifications suivantes :
1° le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° substances qui appauvrissent la couche d'ozone : les substances, visées à l'annexe Ire du Règlement (CE) n° 1005/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 relatif à des substances qui appauvrissent la couche d'ozone, y compris leurs isomères, séparés ou dans un mélange, qu'il s'agit de substances vierges, récupérées, recyclées ou générées; ";
2° dans le point 2°, les mots " et ses modifications ultérieures " sont abrogés;
3° il est ajouté un point 20°, rédigé comme suit :
" 20° le guichet unique : le guichet d'entreprises, visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2009 portant transposition partielle des articles 6 et 8 de la Directive 2006/123/CE du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2006 relative aux services dans le marché intérieur. ".
1° le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° substances qui appauvrissent la couche d'ozone : les substances, visées à l'annexe Ire du Règlement (CE) n° 1005/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 relatif à des substances qui appauvrissent la couche d'ozone, y compris leurs isomères, séparés ou dans un mélange, qu'il s'agit de substances vierges, récupérées, recyclées ou générées; ";
2° dans le point 2°, les mots " et ses modifications ultérieures " sont abrogés;
3° il est ajouté un point 20°, rédigé comme suit :
" 20° le guichet unique : le guichet d'entreprises, visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2009 portant transposition partielle des articles 6 et 8 de la Directive 2006/123/CE du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2006 relative aux services dans le marché intérieur. ".
Art. 68. In artikel 2 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede " artikel 5.16.3.3 en artikel 6.8.0 van " opgeheven.
Art. 68. Dans l'article 2 du même arrêté, les mots " à l'article 5.16.3.3 et l'article 6.8.0 du " sont remplacés par le mot " au ".
Art. 69. In artikel 6 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt het woord " keuringinstelling " vervangen door het woord " keuringsinstelling ";
2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt :
" § 2. Het certificaat voor een bedrijf vervalt :
1° na een periode van 24 maanden vanaf de datum van de uitreiking van het certificaat bij een bedrijf dat personeel als vermeld in artikel 14, § 1, 1°, in dienst heeft dat werkzaamheden aan koelinstallaties uitvoert die alleen door personeel als vermeld in artikel 14, § 1, 1°, uitgevoerd mogen worden;
2° na een periode van vijf jaar vanaf de datum van de uitreiking van het certificaat bij een bedrijf dat personeel als vermeld in artikel 14, § 1, 1° of 2°, in dienst heeft dat werkzaamheden aan koelinstallaties uitvoert die ten minste uitgevoerd moeten worden door personeel als vermeld in artikel 14, § 1, 2°. ".
1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt het woord " keuringinstelling " vervangen door het woord " keuringsinstelling ";
2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt :
" § 2. Het certificaat voor een bedrijf vervalt :
1° na een periode van 24 maanden vanaf de datum van de uitreiking van het certificaat bij een bedrijf dat personeel als vermeld in artikel 14, § 1, 1°, in dienst heeft dat werkzaamheden aan koelinstallaties uitvoert die alleen door personeel als vermeld in artikel 14, § 1, 1°, uitgevoerd mogen worden;
2° na een periode van vijf jaar vanaf de datum van de uitreiking van het certificaat bij een bedrijf dat personeel als vermeld in artikel 14, § 1, 1° of 2°, in dienst heeft dat werkzaamheden aan koelinstallaties uitvoert die ten minste uitgevoerd moeten worden door personeel als vermeld in artikel 14, § 1, 2°. ".
Art. 69. Dans l'article 6 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa deux, du texte en néerlandais, le mot " keuringinstelling " est remplacé par le mot " keuringsinstelling ";
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Le certificat d'une entreprise échoit :
1° après une période de 24 mois à partir de la date de délivrance du certificat pour une entreprise occupant du personnel tel que visé à l'article 14, § 1er, 1°, exécutant des travaux à des installations de réfrigération qui peuvent uniquement être exécutés par du personnel tel que visé à l'article 14, § 1er, 1° ;
2° après une période de cinq ans à partir de la date de délivrance du certificat pour une entreprise occupant du personnel tel que visé à l'article 14, § 1er, 1° ou 2°, exécutant des travaux à des installations de réfrigération qui doivent au moins être exécutés par du personnel tel que visé à l'article 14, § 1er, 2°. ".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa deux, du texte en néerlandais, le mot " keuringinstelling " est remplacé par le mot " keuringsinstelling ";
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Le certificat d'une entreprise échoit :
1° après une période de 24 mois à partir de la date de délivrance du certificat pour une entreprise occupant du personnel tel que visé à l'article 14, § 1er, 1°, exécutant des travaux à des installations de réfrigération qui peuvent uniquement être exécutés par du personnel tel que visé à l'article 14, § 1er, 1° ;
2° après une période de cinq ans à partir de la date de délivrance du certificat pour une entreprise occupant du personnel tel que visé à l'article 14, § 1er, 1° ou 2°, exécutant des travaux à des installations de réfrigération qui doivent au moins être exécutés par du personnel tel que visé à l'article 14, § 1er, 2°. ".
Art. 70. In artikel 7, § 1, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° tussen de zinsnede " als vermeld in artikel 14, § 1, 1°, in dienst heeft " en de zinsnede " , of voor een periode van vijf jaar " wordt de zinsnede " dat werkzaamheden aan koelinstallaties uitvoert die alleen door personeel als vermeld in artikel 14, § 1, 1°, uitgevoerd mogen worden " ingevoegd;
2° de zinsnede " personeel als vermeld in artikel 14, § 1, 2°, 3° of 4°, in dienst heeft " wordt vervangen door de zinsnede " personeel als vermeld in artikel 14, § 1, 1° of 2°, in dienst heeft dat werkzaamheden aan koelinstallaties uitvoert die ten minste moeten worden uitgevoerd door personeel als vermeld in artikel 14, § 1, 2° ".
1° tussen de zinsnede " als vermeld in artikel 14, § 1, 1°, in dienst heeft " en de zinsnede " , of voor een periode van vijf jaar " wordt de zinsnede " dat werkzaamheden aan koelinstallaties uitvoert die alleen door personeel als vermeld in artikel 14, § 1, 1°, uitgevoerd mogen worden " ingevoegd;
2° de zinsnede " personeel als vermeld in artikel 14, § 1, 2°, 3° of 4°, in dienst heeft " wordt vervangen door de zinsnede " personeel als vermeld in artikel 14, § 1, 1° of 2°, in dienst heeft dat werkzaamheden aan koelinstallaties uitvoert die ten minste moeten worden uitgevoerd door personeel als vermeld in artikel 14, § 1, 2° ".
Art. 70. Dans l'article 7, § 1er, du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
1° entre les mots " tel que visé à l'article 14, § 1er, 1°, " et les mots " ou pour une période de cinq ans " sont insérés les mots " exécutant des travaux à des installations de réfrigération qui peuvent uniquement être exécutés par du personnel tel que visé à l'article 14, § 1er, 1° ";
2° les mots " personnel tel que visé à l'article 14, § 1er, 2°, 3° ou 4°, " sont remplacés par les mots " personnel tel que visé à l'article 14, § 1er, 1° ou 2°, exécutant des travaux à des installations de réfrigération qui doivent au moins être exécutés par du personnel tel que visé à l'article 14, § 1er, 2° ".
1° entre les mots " tel que visé à l'article 14, § 1er, 1°, " et les mots " ou pour une période de cinq ans " sont insérés les mots " exécutant des travaux à des installations de réfrigération qui peuvent uniquement être exécutés par du personnel tel que visé à l'article 14, § 1er, 1° ";
2° les mots " personnel tel que visé à l'article 14, § 1er, 2°, 3° ou 4°, " sont remplacés par les mots " personnel tel que visé à l'article 14, § 1er, 1° ou 2°, exécutant des travaux à des installations de réfrigération qui doivent au moins être exécutés par du personnel tel que visé à l'article 14, § 1er, 2° ".
Art. 71. In artikel 11, § 4, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid, 1°, wordt tussen de zinsnede " artikel 5.16.3.3, § 7, " en de zinsnede " van titel II van het VLAREM " de zinsnede " artikel 5bis.15.5.4.5.6 en 5bis.19.8.4.8.6 " ingevoegd;
2° in het tweede lid wordt de zinsnede " Als uit de koelmiddelregistratie blijkt dat uit een koelinstallatie een relatief lekverlies optreedt waarbij overeenkomstig artikel 5.16.3.3, § 6, van titel II van het VLAREM " vervangen door de zinsnede " Als uit de koelmiddelregistratie blijkt dat met betrekking tot het relatieve lekverlies, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 6, artikel 5bis.15.5.4.5.5 en artikel 5bis.19.8.4.8.5 van titel II van het VLAREM ".
1° in het eerste lid, 1°, wordt tussen de zinsnede " artikel 5.16.3.3, § 7, " en de zinsnede " van titel II van het VLAREM " de zinsnede " artikel 5bis.15.5.4.5.6 en 5bis.19.8.4.8.6 " ingevoegd;
2° in het tweede lid wordt de zinsnede " Als uit de koelmiddelregistratie blijkt dat uit een koelinstallatie een relatief lekverlies optreedt waarbij overeenkomstig artikel 5.16.3.3, § 6, van titel II van het VLAREM " vervangen door de zinsnede " Als uit de koelmiddelregistratie blijkt dat met betrekking tot het relatieve lekverlies, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 6, artikel 5bis.15.5.4.5.5 en artikel 5bis.19.8.4.8.5 van titel II van het VLAREM ".
Art. 71. Dans l'article 11, § 4, du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa premier, les mots " 5bis.15.5.4.5.6 et 5bis.19.8.4.8.6 " sont insérés entre les mots " l'article 5.16.3.3, § 7, " et les mots " du titre II du VLAREM ";
2° dans l'alinéa deux, les mots " S'il paraît de l'enregistrement des agents réfrigérants qu'il y a une fuite relative d'une installation de réfrigération pour laquelle des mesures doivent être prises conformément à l'article 5.16.3.3, § 6, du titre II du VLAREM " sont remplacés par les mots " S'il paraît de l'enregistrement des agents réfrigérants que des mesures doivent être prises en ce qui concerne la fuite relative, visée à l'article 5.16.3.3, § 6, article 5bis.15.5.4.5.5 et article 5bis.19.8.4.8.5 du titre II du VLAREM ".
1° dans l'alinéa premier, les mots " 5bis.15.5.4.5.6 et 5bis.19.8.4.8.6 " sont insérés entre les mots " l'article 5.16.3.3, § 7, " et les mots " du titre II du VLAREM ";
2° dans l'alinéa deux, les mots " S'il paraît de l'enregistrement des agents réfrigérants qu'il y a une fuite relative d'une installation de réfrigération pour laquelle des mesures doivent être prises conformément à l'article 5.16.3.3, § 6, du titre II du VLAREM " sont remplacés par les mots " S'il paraît de l'enregistrement des agents réfrigérants que des mesures doivent être prises en ce qui concerne la fuite relative, visée à l'article 5.16.3.3, § 6, article 5bis.15.5.4.5.5 et article 5bis.19.8.4.8.5 du titre II du VLAREM ".
Art. 72. In artikel 24, 3°, van hetzelfde besluit wordt punt b) vervangen door wat volgt :
" b) minstens drie leden van de examenjury bezitten een geldig certificaat als vermeld in artikel 14 en 15. In afwijking daarvan bezitten minstens twee leden van de examenjury een geldig certificaat als vermeld in artikel 14 en 15, als een examen georganiseerd wordt om een certificaat van categorie IV te behalen; ".
" b) minstens drie leden van de examenjury bezitten een geldig certificaat als vermeld in artikel 14 en 15. In afwijking daarvan bezitten minstens twee leden van de examenjury een geldig certificaat als vermeld in artikel 14 en 15, als een examen georganiseerd wordt om een certificaat van categorie IV te behalen; ".
Art. 72. Dans l'article 24, 3°, du même arrêté, le point b) est remplacé par ce qui suit :
" b) au moins trois membres du jury d'examen disposent d'un certificat valable tel que visé aux articles 14 et 15. Par dérogation à ce qui précède, au moins deux membres du jury d'examen disposent d'un certificat valable tel que visé aux articles 14 et 15 lorsqu'il est organisé un examen pour obtenir un certificat de la catégorie IV; ".
" b) au moins trois membres du jury d'examen disposent d'un certificat valable tel que visé aux articles 14 et 15. Par dérogation à ce qui précède, au moins deux membres du jury d'examen disposent d'un certificat valable tel que visé aux articles 14 et 15 lorsqu'il est organisé un examen pour obtenir un certificat de la catégorie IV; ".
Art. 73. Artikel 26 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 26. Een keuringsinstelling is een instelling die de koelinstallatiebeheersystemen en examensystemen, vermeld in dit besluit, keurt en voor die activiteiten geaccrediteerd is als keuringsinstelling van het type A op basis van de criteria van de norm ISO/IEC 17020. ".
" Art. 26. Een keuringsinstelling is een instelling die de koelinstallatiebeheersystemen en examensystemen, vermeld in dit besluit, keurt en voor die activiteiten geaccrediteerd is als keuringsinstelling van het type A op basis van de criteria van de norm ISO/IEC 17020. ".
Art. 73. L'article 26 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 26. Un organisme de contrôle est un organisme qui contrôle les systèmes de gestion des installations de réfrigération et les systèmes d'examen, visés au présent arrêté, et qui est accrédité pour ces activités comme organisme de contrôle du type A sur la base des critères de la norme ISO/IEC 17020. ".
" Art. 26. Un organisme de contrôle est un organisme qui contrôle les systèmes de gestion des installations de réfrigération et les systèmes d'examen, visés au présent arrêté, et qui est accrédité pour ces activités comme organisme de contrôle du type A sur la base des critères de la norme ISO/IEC 17020. ".
Art. 74. In artikel 28, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt de zin " De aanvraag tot erkenning als keuringsinstelling, vermeld in artikel 27, wordt door de instelling aangetekend naar de afdeling gestuurd. " vervangen door de zin " De aanvraag tot erkenning als keuringsinstelling, vermeld in artikel 27, wordt aangetekend, tegen afgifte van ontvangstbewijs of elektronisch via het één-loket ingediend bij de afdeling. ".
Art. 74. Dans l'article 28, § 1er, alinéa premier, du même arrêté, la phrase " La demande d'agrément en tant qu'organisme de contrôle, visée à l'article 27, est envoyée par l'organisme à la division par lettre recommandée. " est remplacée par la phrase " La demande d'agrément en tant qu'organisme de contrôle, visée à l'article 27, est introduite auprès de la division par lettre recommandée, par remise contre récépissé ou par voie électronique via le guichet unique. ".
Art. 75. In hetzelfde besluit wordt een artikel 28/1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 28/1. De keuringsinstelling richt zich naar de instructies die door de afdeling worden gegeven. ".
" Art. 28/1. De keuringsinstelling richt zich naar de instructies die door de afdeling worden gegeven. ".
Art. 75. Dans le même arrêté, il est inséré un article 28/1, rédigé comme suit :
" Art. 28/1. L'organisme de contrôle se conforme aux instructions données par la division. ".
" Art. 28/1. L'organisme de contrôle se conforme aux instructions données par la division. ".
Art. 76. In bijlage I van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de bepaling " 2.fundamentele kennis : EU-Verordening 2037/2000 betreffende ozonafbrekende stoffen(2), VLAREM en VLAREA(3) " wordt vervangen door de bepaling " 2. fundamentele kennis : Verordening (EG) nr. 1005/2009(2), titel I en II van het VLAREM en VLAREMA(3) ";
2° de zinsnede " Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen, en de latere wijzigingen ervan " wordt vervangen door de zinsnede " Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen ";
3° de zinsnede " besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer, en de latere wijzigingen ervan " wordt vervangen door de zinsnede " besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen ".
1° de bepaling " 2.fundamentele kennis : EU-Verordening 2037/2000 betreffende ozonafbrekende stoffen(2), VLAREM en VLAREA(3) " wordt vervangen door de bepaling " 2. fundamentele kennis : Verordening (EG) nr. 1005/2009(2), titel I en II van het VLAREM en VLAREMA(3) ";
2° de zinsnede " Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen, en de latere wijzigingen ervan " wordt vervangen door de zinsnede " Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen ";
3° de zinsnede " besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer, en de latere wijzigingen ervan " wordt vervangen door de zinsnede " besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen ".
Art. 76. Dans l'annexe Ire du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° la disposition " 2. connaissance fondamentale : Règlement UE 2037/2000 relatif à des substances qui appauvrissent la couche d'ozone (2), VLAREM et VLAREA(3) " est remplacée par la disposition " 2. connaissance fondamentale : Règlement (CE) n° 1005/2009(2), titre Ire et II, du VLAREM et VLAREMA (3) ";
2° les mots " Règlement (CE) n° 2037/2000 du Parlement européen et du Conseil du 29 juin 2000 relatif à des substances qui appauvrissent la couche d'ozone, et ses modifications ultérieures " sont remplacés par les mots " Règlement (CE) n° 1005/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 relatif à des substances qui appauvrissent la couche d'ozone ";
3° les mots " arrêté du Gouvernement flamand du 5 décembre 2003 fixant le règlement flamand relatif à la prévention et à la gestion des déchets, et ses modifications ultérieures " sont remplacés par les mots " arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2012 fixant le règlement flamand relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et déchets ".
1° la disposition " 2. connaissance fondamentale : Règlement UE 2037/2000 relatif à des substances qui appauvrissent la couche d'ozone (2), VLAREM et VLAREA(3) " est remplacée par la disposition " 2. connaissance fondamentale : Règlement (CE) n° 1005/2009(2), titre Ire et II, du VLAREM et VLAREMA (3) ";
2° les mots " Règlement (CE) n° 2037/2000 du Parlement européen et du Conseil du 29 juin 2000 relatif à des substances qui appauvrissent la couche d'ozone, et ses modifications ultérieures " sont remplacés par les mots " Règlement (CE) n° 1005/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 relatif à des substances qui appauvrissent la couche d'ozone ";
3° les mots " arrêté du Gouvernement flamand du 5 décembre 2003 fixant le règlement flamand relatif à la prévention et à la gestion des déchets, et ses modifications ultérieures " sont remplacés par les mots " arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2012 fixant le règlement flamand relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et déchets ".
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de opleiding van technici die betrokken zijn bij de terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit klimaatregelingssystemen in bepaalde motorvoertuigen
CHAPITRE 7. - Modifications dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 en matière de la formation de techniciens concernés par la récupération de gaz à effet de serre fluorés provenant de systèmes de climatisation de certains véhicules à moteur
Art. 77. Aan artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de opleiding van technici die betrokken zijn bij de terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit klimaatregelingssystemen in bepaalde motorvoertuigen wordt een punt 9° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 9° het één-loket : het ondernemersloket, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2009 tot gedeeltelijke omzetting van artikel 6 en 8 van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt. ".
" 9° het één-loket : het ondernemersloket, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2009 tot gedeeltelijke omzetting van artikel 6 en 8 van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt. ".
Art. 77. L'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 en matière de la formation de techniciens concernés par la récupération de gaz à effet de serre fluorés provenant de systèmes de climatisation de certains véhicules à moteur est complété par un point 9°, rédigé comme suit :
" 9° le guichet unique : le guichet d'entreprises, visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2009 portant transposition partielle des articles 6 et 8 de la Directive 2006/123/CE du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2006 relative aux services dans le marché intérieur. ".
" 9° le guichet unique : le guichet d'entreprises, visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2009 portant transposition partielle des articles 6 et 8 de la Directive 2006/123/CE du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2006 relative aux services dans le marché intérieur. ".
Art. 78. In artikel 8 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt de zin " Het opleidingscentrum stuurt de aanvraag tot erkenning aangetekend naar de afdeling. " vervangen door de zin " De aanvraag tot erkenning wordt aangetekend, tegen afgifte van ontvangstbewijs of elektronisch via het één-loket ingediend bij de afdeling. ";
2° in paragraaf 2 worden in de eerste zin de woorden " na de ontvangst " vervangen door de woorden " na de aanvraag ";
3° in paragraaf 2 worden in de tweede zin de woorden " de ontvangst van " opgeheven;
4° in paragraaf 3 worden de woorden " de ontvangst van " opgeheven.
1° in paragraaf 1 wordt de zin " Het opleidingscentrum stuurt de aanvraag tot erkenning aangetekend naar de afdeling. " vervangen door de zin " De aanvraag tot erkenning wordt aangetekend, tegen afgifte van ontvangstbewijs of elektronisch via het één-loket ingediend bij de afdeling. ";
2° in paragraaf 2 worden in de eerste zin de woorden " na de ontvangst " vervangen door de woorden " na de aanvraag ";
3° in paragraaf 2 worden in de tweede zin de woorden " de ontvangst van " opgeheven;
4° in paragraaf 3 worden de woorden " de ontvangst van " opgeheven.
Art. 78. Dans l'article 8 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° Dans le paragraphe 1er, la phrase " Le centre de formation envoie la demande d'agrément à la division par lettre recommandée. " est remplacée par la phrase " La demande d'agrément est introduite auprès de la division par lettre recommandée, par remise contre récépissé ou par voie électronique via le guichet unique. ";
2° dans le paragraphe 2, les mots " après sa réception " dans la première phrase sont remplacés par les mots " après la demande ";
3° dans le paragraphe 2, les mots " la réception de " dans la deuxième phrase sont abrogés;
4° dans le paragraphe 3, les mots " de deux mois de la demande " sont remplacés par les mots " de trois mois après la demande ".
1° Dans le paragraphe 1er, la phrase " Le centre de formation envoie la demande d'agrément à la division par lettre recommandée. " est remplacée par la phrase " La demande d'agrément est introduite auprès de la division par lettre recommandée, par remise contre récépissé ou par voie électronique via le guichet unique. ";
2° dans le paragraphe 2, les mots " après sa réception " dans la première phrase sont remplacés par les mots " après la demande ";
3° dans le paragraphe 2, les mots " la réception de " dans la deuxième phrase sont abrogés;
4° dans le paragraphe 3, les mots " de deux mois de la demande " sont remplacés par les mots " de trois mois après la demande ".
Art. 79. In artikel 12, 4°, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt d) wordt vervangen door wat volgt :
" d) minstens de helft van de juryleden is een gecertificeerde technicus; ";
2° er wordt een punt e) toegevoegd, dat luidt als volgt :
" e) minstens één jurylid heeft praktijkervaring met de toestellen die worden gebruikt bij het examen; ".
1° punt d) wordt vervangen door wat volgt :
" d) minstens de helft van de juryleden is een gecertificeerde technicus; ";
2° er wordt een punt e) toegevoegd, dat luidt als volgt :
" e) minstens één jurylid heeft praktijkervaring met de toestellen die worden gebruikt bij het examen; ".
Art. 79. Dans l'article 12, 4°, du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
1° le point d) est remplacé par ce qui suit :
" d) au moins la moitié des membres du jury sont des techniciens certifiés; ";
2° il est ajouté un point e), rédigé comme suit :
" e) au moins un membre du jury a de l'expérience pratique en ce qui concerne les appareils utilisés lors de l'examen; ".
1° le point d) est remplacé par ce qui suit :
" d) au moins la moitié des membres du jury sont des techniciens certifiés; ";
2° il est ajouté un point e), rédigé comme suit :
" e) au moins un membre du jury a de l'expérience pratique en ce qui concerne les appareils utilisés lors de l'examen; ".
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van technici die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen terugwinnen uit hoogspanningsschakelaars
CHAPITRE 8. - Modifications dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 en matière de la certification de techniciens récupérant certains gaz à effet de serre fluorés d'appareillages de connexion à haute tension
Art. 80. Aan artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van technici die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen terugwinnen uit hoogspanningsschakelaars wordt een punt 8° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 8° het één-loket : het ondernemersloket, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2009 tot gedeeltelijke omzetting van artikel 6 en 8 van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt. ".
" 8° het één-loket : het ondernemersloket, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2009 tot gedeeltelijke omzetting van artikel 6 en 8 van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt. ".
Art. 80. L'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 en matière de la certification de techniciens récupérant certains gaz à effet de serre fluorés d'appareillages de connexion à haute tension est complété par un point 8°, rédigé comme suit :
" 8° le guichet unique : le guichet d'entreprises, visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2009 portant transposition partielle des articles 6 et 8 de la Directive 2006/123/CE du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2006 relative aux services dans le marché intérieur. ".
" 8° le guichet unique : le guichet d'entreprises, visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2009 portant transposition partielle des articles 6 et 8 de la Directive 2006/123/CE du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2006 relative aux services dans le marché intérieur. ".
Art. 81. Aan artikel 4, § 1, van hetzelfde besluit wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" De betrokkene kan altijd gevraagd worden een bewijs van inschrijving voor te leggen aan de afdeling. ".
" De betrokkene kan altijd gevraagd worden een bewijs van inschrijving voor te leggen aan de afdeling. ".
Art. 81. L'article 4, § 1er, du même arrêté, est complété par un alinéa trois, rédigé comme suit :
" Il peut toujours être demandé à la personne concernée de présenter une preuve d'inscription à la division. ".
" Il peut toujours être demandé à la personne concernée de présenter une preuve d'inscription à la division. ".
Art. 82. In artikel 8, § 1, van hetzelfde besluit wordt de zin " Het examencentrum stuurt de aanvraag tot erkenning aangetekend naar de afdeling. " vervangen door de zin " De aanvraag tot erkenning wordt aangetekend, tegen afgifte van ontvangstbewijs of elektronisch via het één-loket ingediend bij de afdeling. ".
Art. 82. Dans l'article 8, § 1er, du même arrêté, la phrase " Le centre d'examen transmet la demande d'agrément à la division par lettre recommandée. " est remplacée par la phrase " La demande d'agrément est introduite auprès de la division par lettre recommandée, par remise contre récépissé ou par voie électronique via le guichet unique. ".
HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van personeel voor de terugwinning van bepaalde oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen uit apparatuur
CHAPITRE 9. - Modifications dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 relatif à la certification de personnel chargé de récupérer certains solvants à base de gaz à effet de serre fluorés contenus dans des équipements
Art. 83. Aan artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van personeel voor de terugwinning van bepaalde oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen uit apparatuur wordt een punt 8° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 8° het één-loket : het ondernemersloket, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2009 tot gedeeltelijke omzetting van artikel 6 en 8 van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt. ".
" 8° het één-loket : het ondernemersloket, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2009 tot gedeeltelijke omzetting van artikel 6 en 8 van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt. ".
Art. 83. L'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 relatif à la certification de personnel chargé de récupérer certains solvants à base de gaz à effet de serre fluorés contenus dans des équipements est complété par un point 8°, rédigé comme suit :
" 8° le guichet unique : le guichet d'entreprises, visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2009 portant transposition partielle des articles 6 et 8 de la Directive 2006/123/CE du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2006 relative aux services dans le marché intérieur. ".
" 8° le guichet unique : le guichet d'entreprises, visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2009 portant transposition partielle des articles 6 et 8 de la Directive 2006/123/CE du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2006 relative aux services dans le marché intérieur. ".
Art. 84. In artikel 8, § 1, van hetzelfde besluit wordt de zin " Het examencentrum stuurt de aanvraag tot erkenning aangetekend naar de afdeling. " vervangen door de zin " De aanvraag tot erkenning wordt aangetekend, tegen afgifte van ontvangstbewijs of elektronisch via het één-loket ingediend bij de afdeling. ".
Art. 84. Dans l'article 8, § 1er, du même arrêté, la phrase " Le centre d'examen transmet la demande d'agrément à la division par lettre recommandée. " est remplacée par la phrase " La demande d'agrément est introduite auprès de la division par lettre recommandée, par remise contre récépissé ou par voie électronique via le guichet unique. ".
HOOFDSTUK 10. - Wijzigingen in het VLAREL
CHAPITRE 10. - Modifications dans le VLAREL
Art. 85. In artikel 1 van het VLAREL worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden " beroepskwalificaties en in " worden vervangen door de zinsnede " beroepskwalificaties, in ";
2° de volgende zinsnede wordt toegevoegd :
" en in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking) ".
1° de woorden " beroepskwalificaties en in " worden vervangen door de zinsnede " beroepskwalificaties, in ";
2° de volgende zinsnede wordt toegevoegd :
" en in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking) ".
Art. 85. Dans l'article 1er du VLAREL sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots " des qualifications professionnelles et " sont remplacés par les mots " des qualifications professionnelles, ";
2° les mots suivants sont ajoutés :
" et la transposition partielle de la Directive 2010/31/UE du Parlement européen et du Conseil du 19 mai 2010 sur la performance énergétique des bâtiments (refonte) ".
1° les mots " des qualifications professionnelles et " sont remplacés par les mots " des qualifications professionnelles, ";
2° les mots suivants sont ajoutés :
" et la transposition partielle de la Directive 2010/31/UE du Parlement européen et du Conseil du 19 mai 2010 sur la performance énergétique des bâtiments (refonte) ".
Art. 86. In artikel 4 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de bestaande tekst die paragraaf 1 zal vormen, wordt in punt 5° tussen de woorden " nazicht van " en het woord " stooktoestellen " het woord " centrale " ingevoegd;
2° in punt 6° wordt de zinsnede " de afdeling : de afdeling, bevoegd voor erkenningen, namelijk " vervangen door de zinsnede " de afdeling, bevoegd voor erkenningen : ";
3° in punt 11° en 12° wordt de zinsnede " Land- en Bodembescherming, Ondergrond en Natuurlijke Rijkdommen " telkens vervangen door de zinsnede " Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen ";
4° in punt 13° worden de woorden " voor toezicht " vervangen door de woorden " voor het toezicht ";
5° aan punt 16° worden de woorden " en het waterbeleid " toegevoegd;
6° in punt 18° wordt de zinsnede " vermeld in artikel 6, 5°, a), b) en c), voor een gedeelte van een pakket of een volledig pakket, als vermeld in bijlage 3, 1°, 2°, respectievelijk 3°, " vervangen door de zinsnede " vermeld in artikel 6, 5°, voor een gedeelte van een pakket of een volledig pakket als vermeld in bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd, ";
7° in punt 20° worden de woorden " de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek " vervangen door de woorden " het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest ";
8° in punt 21° wordt tussen de woorden " door de " en het woord " afdeling " het woord " bevoegde " ingevoegd;
9° er worden een punt 26° tot en met 43° ingevoegd, die luiden als volgt :
" 26° Materialendecreet : het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
27° Bodemdecreet : het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming;
28° VLAREBO : het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming;
29° OVAM : Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij;
30° de afdeling, bevoegd voor afval- en materialenbeheer : de afdeling Afval- en Materialenbeheer van de OVAM;
31° afdeling, bevoegd voor bodembeheer : de afdeling Bodembeheer van de OVAM;
32° Mestbank : de afdeling Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij;
33° Mestdecreet : het Mestdecreet van 22 december 2006;
34° gps-datalogger : systeem dat plaats en tijdstip van een monsterneming ondubbelzinnig registreert op basis van global positioning;
35° het compendium bemonsterings- en analysemethodes in het kader van het Mestdecreet : het methodenboek met bemonsterings- en analysemethodes voor meststoffen, bodem en diervoeders in het kader van het Mestdecreet, vermeld in artikel 62, § 7, van het Mestdecreet;
36° het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest : de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek;
37° VMM : Vlaamse Milieumaatschappij;
38° de afdeling, bevoegd voor grondwater : de afdeling Operationeel Waterbeheer van de VMM;
39° de afdeling, bevoegd voor operationeel waterbeheer : de afdeling Operationeel Waterbeheer van de VMM;
40° de afdeling, bevoegd voor het ecologisch toezicht : de afdeling Ecologisch Toezicht van de VMM;
41° de afdeling, bevoegd voor het opvolgen van de luchtkwaliteit : de afdeling Lucht, Milieu en Communicatie van de VMM;
42° agentschap Onroerend Erfgoed : het agentschap Onroerend Erfgoed van het beleidsdomein Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed;
43° bevoegde afdeling :
a) voor de aanvragen tot erkenning, vermeld in artikel 6, 1°, 2°, 4°, b) tot en met f), en 5°, a) tot en met c) : de afdeling, bevoegd voor erkenningen;
b) voor de aanvragen tot erkenning, vermeld in artikel 6, 3° en 4°, a) : de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen;
c) voor de aanvragen tot erkenning, vermeld in artikel 6, 5°, d) : de Mestbank;
d) voor de aanvragen tot erkenning, vermeld in artikel 6, 5°, e) : de afdeling, bevoegd voor afval- en materialenbeheer;
e) voor de aanvragen tot erkenning, vermeld in artikel 6, 4°, g), 5°, f), en 6° : de afdeling, bevoegd voor bodembeheer;
f) voor de aanvragen tot erkenning, vermeld in artikel 6, 7° : de afdeling, bevoegd voor grondwater. ";
10° er wordt een paragraaf 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 2. Voor de toepassing van artikel 25/1 en 25/2 wordt verstaan onder in dienst hebben : kennis of ervaring op continue basis ter beschikking hebben van :
1° een werknemer die zich via arbeidsovereenkomst ertoe verbindt om tegen loon en onder het gezag van de bodemsaneringsdeskundige arbeid te verrichten;
2° een zelfstandige op voorwaarde dat hij zijn dienstverlening met betrekking tot die kennis of ervaring maximaal aan drie bodemsaneringsdeskundigen ter beschikking stelt. ".
1° in de bestaande tekst die paragraaf 1 zal vormen, wordt in punt 5° tussen de woorden " nazicht van " en het woord " stooktoestellen " het woord " centrale " ingevoegd;
2° in punt 6° wordt de zinsnede " de afdeling : de afdeling, bevoegd voor erkenningen, namelijk " vervangen door de zinsnede " de afdeling, bevoegd voor erkenningen : ";
3° in punt 11° en 12° wordt de zinsnede " Land- en Bodembescherming, Ondergrond en Natuurlijke Rijkdommen " telkens vervangen door de zinsnede " Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen ";
4° in punt 13° worden de woorden " voor toezicht " vervangen door de woorden " voor het toezicht ";
5° aan punt 16° worden de woorden " en het waterbeleid " toegevoegd;
6° in punt 18° wordt de zinsnede " vermeld in artikel 6, 5°, a), b) en c), voor een gedeelte van een pakket of een volledig pakket, als vermeld in bijlage 3, 1°, 2°, respectievelijk 3°, " vervangen door de zinsnede " vermeld in artikel 6, 5°, voor een gedeelte van een pakket of een volledig pakket als vermeld in bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd, ";
7° in punt 20° worden de woorden " de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek " vervangen door de woorden " het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest ";
8° in punt 21° wordt tussen de woorden " door de " en het woord " afdeling " het woord " bevoegde " ingevoegd;
9° er worden een punt 26° tot en met 43° ingevoegd, die luiden als volgt :
" 26° Materialendecreet : het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
27° Bodemdecreet : het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming;
28° VLAREBO : het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming;
29° OVAM : Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij;
30° de afdeling, bevoegd voor afval- en materialenbeheer : de afdeling Afval- en Materialenbeheer van de OVAM;
31° afdeling, bevoegd voor bodembeheer : de afdeling Bodembeheer van de OVAM;
32° Mestbank : de afdeling Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij;
33° Mestdecreet : het Mestdecreet van 22 december 2006;
34° gps-datalogger : systeem dat plaats en tijdstip van een monsterneming ondubbelzinnig registreert op basis van global positioning;
35° het compendium bemonsterings- en analysemethodes in het kader van het Mestdecreet : het methodenboek met bemonsterings- en analysemethodes voor meststoffen, bodem en diervoeders in het kader van het Mestdecreet, vermeld in artikel 62, § 7, van het Mestdecreet;
36° het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest : de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek;
37° VMM : Vlaamse Milieumaatschappij;
38° de afdeling, bevoegd voor grondwater : de afdeling Operationeel Waterbeheer van de VMM;
39° de afdeling, bevoegd voor operationeel waterbeheer : de afdeling Operationeel Waterbeheer van de VMM;
40° de afdeling, bevoegd voor het ecologisch toezicht : de afdeling Ecologisch Toezicht van de VMM;
41° de afdeling, bevoegd voor het opvolgen van de luchtkwaliteit : de afdeling Lucht, Milieu en Communicatie van de VMM;
42° agentschap Onroerend Erfgoed : het agentschap Onroerend Erfgoed van het beleidsdomein Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed;
43° bevoegde afdeling :
a) voor de aanvragen tot erkenning, vermeld in artikel 6, 1°, 2°, 4°, b) tot en met f), en 5°, a) tot en met c) : de afdeling, bevoegd voor erkenningen;
b) voor de aanvragen tot erkenning, vermeld in artikel 6, 3° en 4°, a) : de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen;
c) voor de aanvragen tot erkenning, vermeld in artikel 6, 5°, d) : de Mestbank;
d) voor de aanvragen tot erkenning, vermeld in artikel 6, 5°, e) : de afdeling, bevoegd voor afval- en materialenbeheer;
e) voor de aanvragen tot erkenning, vermeld in artikel 6, 4°, g), 5°, f), en 6° : de afdeling, bevoegd voor bodembeheer;
f) voor de aanvragen tot erkenning, vermeld in artikel 6, 7° : de afdeling, bevoegd voor grondwater. ";
10° er wordt een paragraaf 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 2. Voor de toepassing van artikel 25/1 en 25/2 wordt verstaan onder in dienst hebben : kennis of ervaring op continue basis ter beschikking hebben van :
1° een werknemer die zich via arbeidsovereenkomst ertoe verbindt om tegen loon en onder het gezag van de bodemsaneringsdeskundige arbeid te verrichten;
2° een zelfstandige op voorwaarde dat hij zijn dienstverlening met betrekking tot die kennis of ervaring maximaal aan drie bodemsaneringsdeskundigen ter beschikking stelt. ".
Art. 86. Dans l'article 4 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le texte existant qui constituera le paragraphe 1er, le mot " central " est inséré entre les mots " d'appareils de chauffage " et les mots " pour le chauffage ", dans le point 5° ;
2° dans le point 6°, les mots " la division : la division, compétente pour les agréments, à savoir " sont remplacés par les mots " la division, compétente pour les agréments : ";
3° dans les points 11° et 12°, les mots " Land- en Bodembescherming, Ondergrond en Natuurlijke Rijkdommen " dans le texte néerlandais sont chaque fois remplacés par les mots " Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen ";
4° dans le point 13°, les mots " voor toezicht " dans le texte néerlandais sont remplacés par les mots " voor het toezicht ";
5° le point 16° est complété par les mots " et la politique des eaux ";
6° dans le point 18°, les mots " visés à l'article 6, 5°, a), b) et c) pour une partie d'un paquet ou pour un paquet complet, tel que visé à l'annexe 3, 1°, 2°, respectivement 3°, " sont remplacés par les mots " visés à l'article 6, 5°, pour une partie d'un paquet ou pour un paquet complet tel que visé à l'annexe 3, jointe au présent arrêté, ";
7° dans le point 20°, les mots " par la " Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek " sur " sont remplacés par les mots " par le laboratoire de référence de la Région flamande sur ";
8° dans le point 21°, les mots " par la division " sont remplacés par les mots " par la division compétente ";
9° il est inséré les points 26° à 43° inclus, rédigés comme suit :
" 26° Décret sur les Matériaux : le décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable des cycles de matériaux et des déchets;
27° Décret relatif au sol : le décret du 27 octobre 2006 relatif à l'assainissement du sol et à la protection du sol;
28° VLAREBO : l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2007 fixant le règlement flamand relatif à l'assainissement du sol et à la protection du sol;
29° OVAM : Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (Société publique des Déchets pour la Région flamande);
30° la division, compétente pour la gestion des déchets et des matériaux : la division de la gestion des Déchets et des Matériaux de l'OVAM;
31° division, compétente pour la gestion du sol : la division de la Gestion du Sol de l'OVAM;
32° Mestbank : la division Mestbank de la Société terrienne flamande;
33° Décret sur les engrais : le Décret sur les engrais du 22 décembre 2006;
34° enregistreur de données GPS : un système qui enregistre incontestablement la date et le lieu d'un échantillonnage sur la base du système de positionnement global;
35° le compendium des méthodes d'échantillonnage et d'analyse dans le cadre du décret sur les engrais : le livre des méthodes reprenant les procédures d'échantillonnage et d'analyse des engrais, sols et aliments pour animaux dans le cadre du décret sur les engrais, visé à l'article 62, § 7, du décret sur les engrais;
36° le laboratoire de référence de la Région flamande : l'Institut flamand de recherche technologique;
37° VMM : la Société flamande de l'Environnement;
38° la division, compétente pour les eaux souterraines : la division de la Gestion opérationnelle des Eaux de la VMM;
39° la division, compétente pour la gestion opérationnelle des eaux : la division de la Gestion opérationnelle des Eaux de la VMM;
40° la division, compétente pour la surveillance écologique : la division de la Surveillance écologique de la VMM;
41° la division, compétente pour le suivi de la qualité de l'air : la division de l'Air, de l'Environnement et de la Communication de la VMM;
42° agence du Patrimoine immobilier : l'agence du Patrimoine immobilier du domaine politique de l'Aménagement du Territoire, de la Politique du Logement et du Patrimoine immobilier;
43° division compétente :
a) pour les demandes d'agrément, visées à l'article 6, 1°, 2°, 4°, b) à f) inclus, et 5°, a) à c) inclus : la division, compétente pour les agréments;
b) pour les demandes d'agrément, visées à l'article 6, 3° et 4°, a) : la division, compétente pour les autorisations écologiques;
c) pour les demandes d'agrément, visées à l'article 6, 5°, d) : la Mestbank;
d) pour les demandes d'agrément, visées à l'article 6, 5°, e) : la division, compétente pour la gestion des déchets et des matériaux;
e) pour les demandes d'agrément, visées à l'article 6, 4°, g), 5°, f), et 6° : la division, compétente pour la gestion du sol;
f) pour les demandes d'agrément, visées à l'article 6, 7° : la division, compétente pour les eaux souterraines. ";
10° il est ajouté un paragraphe 2, rédigé comme suit :
" § 2. Pour l'application des articles 25/1 et 25/2, on entend par employer : avoir des connaissances ou de l'expérience à disposition sur une base continue :
1° d'un travailleur qui s'engage, via un contrat de travail, à travailler contre rémunération et sous l'autorité de l'expert en assainissement du sol;
2° d'une personne indépendante, à condition qu'elle mette ses services relatifs à ces connaissances ou cette expérience à disposition de trois experts en assainissement du sol au maximum. ".
1° dans le texte existant qui constituera le paragraphe 1er, le mot " central " est inséré entre les mots " d'appareils de chauffage " et les mots " pour le chauffage ", dans le point 5° ;
2° dans le point 6°, les mots " la division : la division, compétente pour les agréments, à savoir " sont remplacés par les mots " la division, compétente pour les agréments : ";
3° dans les points 11° et 12°, les mots " Land- en Bodembescherming, Ondergrond en Natuurlijke Rijkdommen " dans le texte néerlandais sont chaque fois remplacés par les mots " Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen ";
4° dans le point 13°, les mots " voor toezicht " dans le texte néerlandais sont remplacés par les mots " voor het toezicht ";
5° le point 16° est complété par les mots " et la politique des eaux ";
6° dans le point 18°, les mots " visés à l'article 6, 5°, a), b) et c) pour une partie d'un paquet ou pour un paquet complet, tel que visé à l'annexe 3, 1°, 2°, respectivement 3°, " sont remplacés par les mots " visés à l'article 6, 5°, pour une partie d'un paquet ou pour un paquet complet tel que visé à l'annexe 3, jointe au présent arrêté, ";
7° dans le point 20°, les mots " par la " Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek " sur " sont remplacés par les mots " par le laboratoire de référence de la Région flamande sur ";
8° dans le point 21°, les mots " par la division " sont remplacés par les mots " par la division compétente ";
9° il est inséré les points 26° à 43° inclus, rédigés comme suit :
" 26° Décret sur les Matériaux : le décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable des cycles de matériaux et des déchets;
27° Décret relatif au sol : le décret du 27 octobre 2006 relatif à l'assainissement du sol et à la protection du sol;
28° VLAREBO : l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2007 fixant le règlement flamand relatif à l'assainissement du sol et à la protection du sol;
29° OVAM : Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (Société publique des Déchets pour la Région flamande);
30° la division, compétente pour la gestion des déchets et des matériaux : la division de la gestion des Déchets et des Matériaux de l'OVAM;
31° division, compétente pour la gestion du sol : la division de la Gestion du Sol de l'OVAM;
32° Mestbank : la division Mestbank de la Société terrienne flamande;
33° Décret sur les engrais : le Décret sur les engrais du 22 décembre 2006;
34° enregistreur de données GPS : un système qui enregistre incontestablement la date et le lieu d'un échantillonnage sur la base du système de positionnement global;
35° le compendium des méthodes d'échantillonnage et d'analyse dans le cadre du décret sur les engrais : le livre des méthodes reprenant les procédures d'échantillonnage et d'analyse des engrais, sols et aliments pour animaux dans le cadre du décret sur les engrais, visé à l'article 62, § 7, du décret sur les engrais;
36° le laboratoire de référence de la Région flamande : l'Institut flamand de recherche technologique;
37° VMM : la Société flamande de l'Environnement;
38° la division, compétente pour les eaux souterraines : la division de la Gestion opérationnelle des Eaux de la VMM;
39° la division, compétente pour la gestion opérationnelle des eaux : la division de la Gestion opérationnelle des Eaux de la VMM;
40° la division, compétente pour la surveillance écologique : la division de la Surveillance écologique de la VMM;
41° la division, compétente pour le suivi de la qualité de l'air : la division de l'Air, de l'Environnement et de la Communication de la VMM;
42° agence du Patrimoine immobilier : l'agence du Patrimoine immobilier du domaine politique de l'Aménagement du Territoire, de la Politique du Logement et du Patrimoine immobilier;
43° division compétente :
a) pour les demandes d'agrément, visées à l'article 6, 1°, 2°, 4°, b) à f) inclus, et 5°, a) à c) inclus : la division, compétente pour les agréments;
b) pour les demandes d'agrément, visées à l'article 6, 3° et 4°, a) : la division, compétente pour les autorisations écologiques;
c) pour les demandes d'agrément, visées à l'article 6, 5°, d) : la Mestbank;
d) pour les demandes d'agrément, visées à l'article 6, 5°, e) : la division, compétente pour la gestion des déchets et des matériaux;
e) pour les demandes d'agrément, visées à l'article 6, 4°, g), 5°, f), et 6° : la division, compétente pour la gestion du sol;
f) pour les demandes d'agrément, visées à l'article 6, 7° : la division, compétente pour les eaux souterraines. ";
10° il est ajouté un paragraphe 2, rédigé comme suit :
" § 2. Pour l'application des articles 25/1 et 25/2, on entend par employer : avoir des connaissances ou de l'expérience à disposition sur une base continue :
1° d'un travailleur qui s'engage, via un contrat de travail, à travailler contre rémunération et sous l'autorité de l'expert en assainissement du sol;
2° d'une personne indépendante, à condition qu'elle mette ses services relatifs à ces connaissances ou cette expérience à disposition de trois experts en assainissement du sol au maximum. ".
Art. 87. In hetzelfde besluit wordt hoofdstuk 2, dat bestaat uit artikel 5, vervangen door wat volgt :
" Hoofdstuk 2. Het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest
" Art. 5. Het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest publiceert op zijn website :
1° de beoordelingscriteria van ringtesten en technische proeven, vermeld in bijlage 10, die bij dit besluit is gevoegd, per pakket;
2° de voorwaarden waaraan ringtesten moeten voldoen, vermeld in bijlage 10/1, die bij dit besluit is gevoegd;
3° welke ringtesten of technische proeven het organiseert.
Het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest brengt een laboratorium schriftelijk per brief of per e-mail op de hoogte van de beoordelingscriteria, voorafgaand aan de deelname aan een ringtest of technische proef, als die georganiseerd wordt door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest.
Het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest wordt geacht erkend te zijn als laboratorium in de verschillende disciplines en deeldomeinen als vermeld in artikel 6, 5°. ".
" Hoofdstuk 2. Het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest
" Art. 5. Het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest publiceert op zijn website :
1° de beoordelingscriteria van ringtesten en technische proeven, vermeld in bijlage 10, die bij dit besluit is gevoegd, per pakket;
2° de voorwaarden waaraan ringtesten moeten voldoen, vermeld in bijlage 10/1, die bij dit besluit is gevoegd;
3° welke ringtesten of technische proeven het organiseert.
Het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest brengt een laboratorium schriftelijk per brief of per e-mail op de hoogte van de beoordelingscriteria, voorafgaand aan de deelname aan een ringtest of technische proef, als die georganiseerd wordt door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest.
Het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest wordt geacht erkend te zijn als laboratorium in de verschillende disciplines en deeldomeinen als vermeld in artikel 6, 5°. ".
Art. 87. Dans le même arrêté, le chapitre 2, comprenant l'article 5, est remplacé par ce qui suit :
" Chapitre 2. Le laboratoire de référence de la Région flamande
Art. 5. Le laboratoire de référence de la Région flamande publie sur son site web :
1° les critères d'évaluation d'épreuves de l'anneau et d'épreuves techniques, visées à l'annexe 10, jointe au présent arrêté, par paquet;
2° les conditions auxquelles doivent répondre des épreuves de l'anneau, visées à l'annexe 10/1, jointe au présent arrêté;
3° quelles épreuves de l'anneau ou épreuves techniques il organise.
Le laboratoire de référence de la Région flamande informe un laboratoire par écrit, par courrier ou par voie électronique, des critères d'évaluation, préalablement à la participation à une épreuve de l'anneau ou épreuve technique, lorsqu'elle est organisée par le laboratoire de référence de la Région flamande.
Le laboratoire de référence de la Région flamande est censé être agréé comme laboratoire dans les différentes disciplines et sous-domaines tels que visés à l'article 6, 5°. ".
" Chapitre 2. Le laboratoire de référence de la Région flamande
Art. 5. Le laboratoire de référence de la Région flamande publie sur son site web :
1° les critères d'évaluation d'épreuves de l'anneau et d'épreuves techniques, visées à l'annexe 10, jointe au présent arrêté, par paquet;
2° les conditions auxquelles doivent répondre des épreuves de l'anneau, visées à l'annexe 10/1, jointe au présent arrêté;
3° quelles épreuves de l'anneau ou épreuves techniques il organise.
Le laboratoire de référence de la Région flamande informe un laboratoire par écrit, par courrier ou par voie électronique, des critères d'évaluation, préalablement à la participation à une épreuve de l'anneau ou épreuve technique, lorsqu'elle est organisée par le laboratoire de référence de la Région flamande.
Le laboratoire de référence de la Région flamande est censé être agréé comme laboratoire dans les différentes disciplines et sous-domaines tels que visés à l'article 6, 5°. ".
Art. 88. In artikel 6 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan punt 1° wordt een punt f) toegevoegd, dat luidt als volgt :
" f) airco-energiedeskundige : deskundige voor het uitvoeren van keuringen aan airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW als vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, eerste lid, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, of artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM; ";
2° aan punt 4° worden een punt f) en g) toegevoegd, die luiden als volgt :
" f) voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, of artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM;
g) voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, vermeld in artikel 8 van het Bodemdecreet; ";
3° in punt 5°, a), wordt de eerste alinea vervangen door wat volgt :
" laboratorium in de discipline water voor het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses op afvalwater, oppervlaktewater, grondwater en drinkwater in het kader van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer en het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending, en de uitvoeringsbesluiten ervan, en titel I en titel II van het VLAREM, voor een of meer van de pakketten, vermeld in bijlage 3, 1°, die bij dit besluit is gevoegd. ";
4° in punt 5°, b), wordt de zinsnede " in het kader van de bestrijding van de luchtverontreiniging als vermeld in artikel 1.3.1.1, § 1, van titel II van het VLAREM " vervangen door de zinsnede " in het kader van de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging, en de uitvoeringsbesluiten ervan, en titel I en titel II van het VLAREM ";
5° aan punt 5° worden een punt d) tot en met f) toegevoegd, die luiden als volgt :
" d) laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bemesting, de discipline mest en de discipline diervoeder, voor het nemen van monsters en het uitvoeren van analyses op bodem, meststoffen en diervoeders in het kader van het Mestdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, voor een of meer van de pakketten, vermeld in bijlage 3, 4°, die bij dit besluit is gevoegd;
e) laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen voor het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses ter uitvoering van titel I en titel II van het VLAREM en het Materialendecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, voor een of meer van de pakketten, vermeld in bijlage 3, 5°, die bij dit besluit is gevoegd;
f) laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodemsanering, voor het uitvoeren van analyses op bodems in het kader van bodemonderzoek ter uitvoering van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, voor een of meer van de pakketten, vermeld in bijlage 3, 6°, die bij dit besluit is gevoegd; ";
6° er worden een punt 6° en 7° toegevoegd, die luiden als volgt :
" 6° bodemsaneringsdeskundigen : bodemsaneringsdeskundigen als vermeld in het Bodemdecreet, van type 1 of type 2 :
Een bodemsaneringsdeskundige van type 1 kan de volgende taken uitvoeren in het kader van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan :
a) het leiden van de uitvoering van een oriënterend bodemonderzoek;
b) het voorstellen en het leiden van de uitvoering van voorzorgsmaatregelen en veiligheidsmaatregelen, voor zover die maatregelen geen grondwateronttrekkingen omvatten;
c) het leiden van het opstellen van een technisch verslag;
d) het leiden van het opstellen van een studie van de ontvangende grond;
e) het opstellen van een evaluatierapport als vermeld in artikel 78 van het Bodemdecreet.
Een bodemsaneringsdeskundige van type 2 kan alle taken uitvoeren die in het kader van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan aan een bodemsaneringsdeskundige zijn toegewezen;
7° boorbedrijven : boorbedrijven met betrekking tot een of meer van de volgende disciplines, waarbij de boringen uitgevoerd in het kader van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, en horizontale boringen, voor zover deze niet vergunningsplichtig zijn, worden uitgesloten van het toepassingsgebied van deze disciplines :
a) bemalingen en draineringen : bemalingen en draineringen als vermeld in rubriek 53.2, 53.3, 53.4 en 53.5 van bijlage 1 van titel I van het VLAREM;
b) andere grondwaterwinningen : andere grondwaterwinningen dan de grondwaterwinningen, vermeld in punt a);
c) stabiliteitsboringen en geotechnische boringen, met uitzondering van stabiliteitsboringen en geotechnische boringen als vermeld in rubriek 55.2 en 55.3 van bijlage 1 van titel I van het VLAREM;
d) verticale boringen : verticale boringen als vermeld in rubriek 55.1 van bijlage 1 van titel I van het VLAREM, met uitzondering van de boringen, vermeld in punt c);
e) andere boringen : andere boringen dan de boringen, vermeld in punt a) tot en met d). ".
1° aan punt 1° wordt een punt f) toegevoegd, dat luidt als volgt :
" f) airco-energiedeskundige : deskundige voor het uitvoeren van keuringen aan airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW als vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, eerste lid, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, of artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM; ";
2° aan punt 4° worden een punt f) en g) toegevoegd, die luiden als volgt :
" f) voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, of artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM;
g) voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, vermeld in artikel 8 van het Bodemdecreet; ";
3° in punt 5°, a), wordt de eerste alinea vervangen door wat volgt :
" laboratorium in de discipline water voor het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses op afvalwater, oppervlaktewater, grondwater en drinkwater in het kader van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer en het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending, en de uitvoeringsbesluiten ervan, en titel I en titel II van het VLAREM, voor een of meer van de pakketten, vermeld in bijlage 3, 1°, die bij dit besluit is gevoegd. ";
4° in punt 5°, b), wordt de zinsnede " in het kader van de bestrijding van de luchtverontreiniging als vermeld in artikel 1.3.1.1, § 1, van titel II van het VLAREM " vervangen door de zinsnede " in het kader van de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging, en de uitvoeringsbesluiten ervan, en titel I en titel II van het VLAREM ";
5° aan punt 5° worden een punt d) tot en met f) toegevoegd, die luiden als volgt :
" d) laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bemesting, de discipline mest en de discipline diervoeder, voor het nemen van monsters en het uitvoeren van analyses op bodem, meststoffen en diervoeders in het kader van het Mestdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, voor een of meer van de pakketten, vermeld in bijlage 3, 4°, die bij dit besluit is gevoegd;
e) laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen voor het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses ter uitvoering van titel I en titel II van het VLAREM en het Materialendecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, voor een of meer van de pakketten, vermeld in bijlage 3, 5°, die bij dit besluit is gevoegd;
f) laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodemsanering, voor het uitvoeren van analyses op bodems in het kader van bodemonderzoek ter uitvoering van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, voor een of meer van de pakketten, vermeld in bijlage 3, 6°, die bij dit besluit is gevoegd; ";
6° er worden een punt 6° en 7° toegevoegd, die luiden als volgt :
" 6° bodemsaneringsdeskundigen : bodemsaneringsdeskundigen als vermeld in het Bodemdecreet, van type 1 of type 2 :
Een bodemsaneringsdeskundige van type 1 kan de volgende taken uitvoeren in het kader van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan :
a) het leiden van de uitvoering van een oriënterend bodemonderzoek;
b) het voorstellen en het leiden van de uitvoering van voorzorgsmaatregelen en veiligheidsmaatregelen, voor zover die maatregelen geen grondwateronttrekkingen omvatten;
c) het leiden van het opstellen van een technisch verslag;
d) het leiden van het opstellen van een studie van de ontvangende grond;
e) het opstellen van een evaluatierapport als vermeld in artikel 78 van het Bodemdecreet.
Een bodemsaneringsdeskundige van type 2 kan alle taken uitvoeren die in het kader van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan aan een bodemsaneringsdeskundige zijn toegewezen;
7° boorbedrijven : boorbedrijven met betrekking tot een of meer van de volgende disciplines, waarbij de boringen uitgevoerd in het kader van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, en horizontale boringen, voor zover deze niet vergunningsplichtig zijn, worden uitgesloten van het toepassingsgebied van deze disciplines :
a) bemalingen en draineringen : bemalingen en draineringen als vermeld in rubriek 53.2, 53.3, 53.4 en 53.5 van bijlage 1 van titel I van het VLAREM;
b) andere grondwaterwinningen : andere grondwaterwinningen dan de grondwaterwinningen, vermeld in punt a);
c) stabiliteitsboringen en geotechnische boringen, met uitzondering van stabiliteitsboringen en geotechnische boringen als vermeld in rubriek 55.2 en 55.3 van bijlage 1 van titel I van het VLAREM;
d) verticale boringen : verticale boringen als vermeld in rubriek 55.1 van bijlage 1 van titel I van het VLAREM, met uitzondering van de boringen, vermeld in punt c);
e) andere boringen : andere boringen dan de boringen, vermeld in punt a) tot en met d). ".
Art. 88. Dans l'article 6 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° le point 1° est complété par un point f), rédigé comme suit :
" f) expert en matière d'énergie et de systèmes de climatisation : expert pour l'exécution de contrôles de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW tels que visés à l'article 5.16.3.3, § 3, alinéa premier, 4°, article 5bis.15.5.4.5.4, § 6, alinéa premier, ou article 5bis.19.8.4.8.4, § 6, alinéa premier, du titre II du VLAREM; ";
2° le point 4° est complété par les points f) et g), rédigés comme suit :
" f) pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW, visés à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, article 5bis.15.5.4.5.4, § 6, alinéa premier, ou article 5bis.19.8.4.8.4, § 6, alinéa premier, du titre II du VLAREM;
g) pour dispenser la formation complémentaire destinée aux experts en assainissement du sol, visés à l'article 8 du décret relatif au sol; ";
3° dans le point 5°, a), l'alinéa premier est remplacé par ce qui suit :
" laboratoire dans la discipline de l'eau pour la prise d'échantillons et l'exécution de mesures, d'essais et d'analyses appliqués sur des eaux usées, des eaux de surface et des eaux souterraines dans le cadre de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution, du décret du 24 janvier 1984 portant des mesures en matière de gestion des eaux souterraines et du décret du 24 mai 2002 relatif aux eaux destinées à l'utilisation humaine, et de ses arrêtés d'exécution, et des titres Ier et II du VLAREM, pour un paquet ou plusieurs des paquets, visés à l'annexe 3, 1°, jointe au présent arrêté. ";
4° dans le point 5°, b), les mots " dans le cadre de la lutte contre la pollution de l'air visés à l'article 1.3.1.1, § 1er, du titre II du VLAREM " sont remplacés par les mots " dans le cadre de la loi du 28 décembre 1964 relative à la lutte contre la pollution atmosphérique, et de ses arrêtés d'exécution, et des titres Ier et II du VLAREM ";
5° le point 5° est complété par les points d) à f) inclus, rédigés comme suit :
" d) laboratoire dans la discipline du sol, sous-domaine de la fertilisation, la discipline des engrais et la discipline des aliments pour animaux, pour la prise d'échantillons et l'exécution d'analyses sur le sol, des engrais et des aliments pour animaux dans le cadre du décret sur les engrais et ses arrêtés d'exécution, pour un paquet ou plusieurs des paquets, visés à l'annexe 3, 4°, jointe au présent arrêté;
e) laboratoire dans la discipline des déchets et d'autres matériaux pour la prise d'échantillons et l'exécution de mesures, d'essais et d'analyses en exécution des titres Ier et II du VLAREM et du décret sur les matériaux et ses arrêtés d'exécution, pour un paquet ou plusieurs des paquets, visés à l'annexe 3, 5°, jointe au présent arrêté;
f) laboratoire dans la discipline du sol, sous-domaine de l'assainissement du sol, pour l'exécution d'analyses sur des sols dans le cadre de reconnaissances du sol en exécution du décret relatif au sol et ses arrêtés d'exécution, pour un paquet ou plusieurs des paquets, visés à l'annexe 3, 6°, jointe au présent arrêté; ";
6° il est ajouté les points 6° et 7°, rédigés comme suit :
" 6° experts en assainissement du sol : experts en assainissement du sol, tel que visés au décret relatif au sol, du type 1 ou 2 :
Un expert en assainissement du sol du type 1 peut exécuter les tâches suivantes dans le cadre du décret relatif au sol et ses arrêtés d'exécution :
a) diriger l'exécution d'une reconnaissance d'orientation du sol;
b) proposer et diriger l'exécution de mesures de précaution et de sécurité, pour autant que ces mesures ne comportent pas le captage d'eau souterraine;
c) diriger l'établissement d'un rapport technique;
d) diriger l'établissement d'une étude du terrain receveur;
e) établir un rapport d'évaluation tel que visé à l'article 78 du décret relatif au sol.
Un expert en assainissement du sol du type 2 peut exécuter toutes les tâches qui sont assignées à un expert en assainissement du sol dans le cadre du décret relatif au sol et ses arrêtés d'exécution;
7° entreprises de forage : entreprises de forage relatives à une ou plusieurs des disciplines suivantes, où les forages exécutés dans le cadre du décret relatif au sol et ses arrêtés d'exécution, et les forages horizontaux, sont exclus du champ d'application de ces disciplines, pour autant qu'ils ne sont pas soumis à l'obligation d'autorisation :
a) épuisements et drainages : épuisements et drainages tels que visés aux rubriques 53.2, 53.3, 53.4 et 53.5 de l'annexe 1re du titre Ier du VLAREM;
b) autres captages deaux souterraines : des captages deaux souterraines autres que les captages deaux souterraines, visés au point a);
c) forages de stabilité et forages géotechniques, à l'exception des forages de stabilité et forages géotechniques telles que visés aux rubriques 55.2 et 55.3 de l'annexe 1re du titre Ier du VLAREM;
d) forages verticaux : forages verticaux tels que visés à la rubrique 55.1 de l'annexe 1re du titre Ier du VLAREM, à l'exception des forages, visés au point c);
e) autres forages : les forages autres que les forages, visés aux points a) à d) inclus. ".
1° le point 1° est complété par un point f), rédigé comme suit :
" f) expert en matière d'énergie et de systèmes de climatisation : expert pour l'exécution de contrôles de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW tels que visés à l'article 5.16.3.3, § 3, alinéa premier, 4°, article 5bis.15.5.4.5.4, § 6, alinéa premier, ou article 5bis.19.8.4.8.4, § 6, alinéa premier, du titre II du VLAREM; ";
2° le point 4° est complété par les points f) et g), rédigés comme suit :
" f) pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW, visés à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, article 5bis.15.5.4.5.4, § 6, alinéa premier, ou article 5bis.19.8.4.8.4, § 6, alinéa premier, du titre II du VLAREM;
g) pour dispenser la formation complémentaire destinée aux experts en assainissement du sol, visés à l'article 8 du décret relatif au sol; ";
3° dans le point 5°, a), l'alinéa premier est remplacé par ce qui suit :
" laboratoire dans la discipline de l'eau pour la prise d'échantillons et l'exécution de mesures, d'essais et d'analyses appliqués sur des eaux usées, des eaux de surface et des eaux souterraines dans le cadre de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution, du décret du 24 janvier 1984 portant des mesures en matière de gestion des eaux souterraines et du décret du 24 mai 2002 relatif aux eaux destinées à l'utilisation humaine, et de ses arrêtés d'exécution, et des titres Ier et II du VLAREM, pour un paquet ou plusieurs des paquets, visés à l'annexe 3, 1°, jointe au présent arrêté. ";
4° dans le point 5°, b), les mots " dans le cadre de la lutte contre la pollution de l'air visés à l'article 1.3.1.1, § 1er, du titre II du VLAREM " sont remplacés par les mots " dans le cadre de la loi du 28 décembre 1964 relative à la lutte contre la pollution atmosphérique, et de ses arrêtés d'exécution, et des titres Ier et II du VLAREM ";
5° le point 5° est complété par les points d) à f) inclus, rédigés comme suit :
" d) laboratoire dans la discipline du sol, sous-domaine de la fertilisation, la discipline des engrais et la discipline des aliments pour animaux, pour la prise d'échantillons et l'exécution d'analyses sur le sol, des engrais et des aliments pour animaux dans le cadre du décret sur les engrais et ses arrêtés d'exécution, pour un paquet ou plusieurs des paquets, visés à l'annexe 3, 4°, jointe au présent arrêté;
e) laboratoire dans la discipline des déchets et d'autres matériaux pour la prise d'échantillons et l'exécution de mesures, d'essais et d'analyses en exécution des titres Ier et II du VLAREM et du décret sur les matériaux et ses arrêtés d'exécution, pour un paquet ou plusieurs des paquets, visés à l'annexe 3, 5°, jointe au présent arrêté;
f) laboratoire dans la discipline du sol, sous-domaine de l'assainissement du sol, pour l'exécution d'analyses sur des sols dans le cadre de reconnaissances du sol en exécution du décret relatif au sol et ses arrêtés d'exécution, pour un paquet ou plusieurs des paquets, visés à l'annexe 3, 6°, jointe au présent arrêté; ";
6° il est ajouté les points 6° et 7°, rédigés comme suit :
" 6° experts en assainissement du sol : experts en assainissement du sol, tel que visés au décret relatif au sol, du type 1 ou 2 :
Un expert en assainissement du sol du type 1 peut exécuter les tâches suivantes dans le cadre du décret relatif au sol et ses arrêtés d'exécution :
a) diriger l'exécution d'une reconnaissance d'orientation du sol;
b) proposer et diriger l'exécution de mesures de précaution et de sécurité, pour autant que ces mesures ne comportent pas le captage d'eau souterraine;
c) diriger l'établissement d'un rapport technique;
d) diriger l'établissement d'une étude du terrain receveur;
e) établir un rapport d'évaluation tel que visé à l'article 78 du décret relatif au sol.
Un expert en assainissement du sol du type 2 peut exécuter toutes les tâches qui sont assignées à un expert en assainissement du sol dans le cadre du décret relatif au sol et ses arrêtés d'exécution;
7° entreprises de forage : entreprises de forage relatives à une ou plusieurs des disciplines suivantes, où les forages exécutés dans le cadre du décret relatif au sol et ses arrêtés d'exécution, et les forages horizontaux, sont exclus du champ d'application de ces disciplines, pour autant qu'ils ne sont pas soumis à l'obligation d'autorisation :
a) épuisements et drainages : épuisements et drainages tels que visés aux rubriques 53.2, 53.3, 53.4 et 53.5 de l'annexe 1re du titre Ier du VLAREM;
b) autres captages deaux souterraines : des captages deaux souterraines autres que les captages deaux souterraines, visés au point a);
c) forages de stabilité et forages géotechniques, à l'exception des forages de stabilité et forages géotechniques telles que visés aux rubriques 55.2 et 55.3 de l'annexe 1re du titre Ier du VLAREM;
d) forages verticaux : forages verticaux tels que visés à la rubrique 55.1 de l'annexe 1re du titre Ier du VLAREM, à l'exception des forages, visés au point c);
e) autres forages : les forages autres que les forages, visés aux points a) à d) inclus. ".
Art. 89. In artikel 11 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede " vermeld in artikel 6, 1°, c " vervangen door de zinsnede " vermeld in artikel 6, 1°, c) ".
Art. 89. Dans l'article 11 du même arrêté, les mots " visés à l'article 6, 1°, c) " sont remplacés par les mots " visés à l'article 6, 1°, c) ".
Art. 90. In artikel 13 van hetzelfde besluit wordt het woord " voorwaarden " vervangen door het woord " erkenningsvoorwaarden ".
Art. 90. Dans l'article 13 du même arrêté, les mots " conditions particulières " sont remplacés par les mots " conditions particulières d'agrément ".
Art. 91. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011, wordt een artikel 13/1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 13/1. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor de airco-energiedeskundige, vermeld in artikel 6, 1°, f) :
1° een natuurlijke persoon zijn;
2° voldoen aan minstens een van de voorwaarden, vermeld in bijlage 13, die bij dit besluit is gevoegd;
3° in het bezit zijn van het certificaat van bekwaamheid inzake de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, f), nadat de persoon de opleiding gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/4, § 1. Als het certificaat van bekwaamheid ouder is dan vijf jaar na de datum van het slagen voor het examen, moet hij een bewijs voorleggen dat hij een bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/4, § 2, in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, f). De datum van het slagen voor het examen van de bijscholing mag niet ouder zijn dan vijf jaar, voorafgaand aan de datum van de betaling van de retributie, vermeld in punt 4° ;
4° een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, hebben voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen, of aan een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, f). ".
" Art. 13/1. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor de airco-energiedeskundige, vermeld in artikel 6, 1°, f) :
1° een natuurlijke persoon zijn;
2° voldoen aan minstens een van de voorwaarden, vermeld in bijlage 13, die bij dit besluit is gevoegd;
3° in het bezit zijn van het certificaat van bekwaamheid inzake de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, f), nadat de persoon de opleiding gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/4, § 1. Als het certificaat van bekwaamheid ouder is dan vijf jaar na de datum van het slagen voor het examen, moet hij een bewijs voorleggen dat hij een bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/4, § 2, in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, f). De datum van het slagen voor het examen van de bijscholing mag niet ouder zijn dan vijf jaar, voorafgaand aan de datum van de betaling van de retributie, vermeld in punt 4° ;
4° een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, hebben voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen, of aan een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, f). ".
Art. 91. Dans le même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2011, il est inséré un article 13/1, rédigé comme suit :
" Art. 13/1. Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à l'expert en matière d'énergie et de systèmes de climatisation, visé à l'article 6, 1°, f) :
1° être une personne physique;
2° répondre à au moins une des conditions, visées à l'annexe 13, jointe au présent arrêté;
3° être en possession du certificat d'aptitude en matière de contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW, délivré par un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, f), après que la personne a suivi la formation et a réussi l'examen y afférent, visé à l'article 43/4, § 1er. Lorsque le certificat d'aptitude a plus de cinq ans après la date de réussite à l'examen, il doit présenter une preuve d'avoir suivi un perfectionnement et d'avoir réussi l'examen y afférent, visé à l'article 43/4, § 2, dans un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, f). La date de réussite à l'examen de perfectionnement ne peut pas avoir plus de cinq ans, précédant la date du paiement de la rétribution, visée au point 4° ;
4° avoir présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 54/1, § 2, à la division, compétente pour les agréments, ou à un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, f). ".
" Art. 13/1. Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à l'expert en matière d'énergie et de systèmes de climatisation, visé à l'article 6, 1°, f) :
1° être une personne physique;
2° répondre à au moins une des conditions, visées à l'annexe 13, jointe au présent arrêté;
3° être en possession du certificat d'aptitude en matière de contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW, délivré par un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, f), après que la personne a suivi la formation et a réussi l'examen y afférent, visé à l'article 43/4, § 1er. Lorsque le certificat d'aptitude a plus de cinq ans après la date de réussite à l'examen, il doit présenter une preuve d'avoir suivi un perfectionnement et d'avoir réussi l'examen y afférent, visé à l'article 43/4, § 2, dans un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, f). La date de réussite à l'examen de perfectionnement ne peut pas avoir plus de cinq ans, précédant la date du paiement de la rétribution, visée au point 4° ;
4° avoir présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 54/1, § 2, à la division, compétente pour les agréments, ou à un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, f). ".
Art. 92. In artikel 14 van hetzelfde besluit worden punt 2° en 3° vervangen door wat volgt :
" 2° in het bezit zijn van een certificaat van bekwaamheid inzake vloeibare brandstof, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, b), nadat de persoon de opleiding gevolgd heeft en geslaagd is voor het examen, vermeld in artikel 43, § 1. Als het certificaat van bekwaamheid ouder is dan vijf jaar na de datum van het slagen voor het examen, moet hij een bewijs voorleggen dat hij een bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 40, eerste lid, 3°, in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, b). De datum van het slagen voor het examen van de bijscholing mag niet ouder zijn dan vijf jaar, voorafgaand aan de datum van de betaling van de retributie, vermeld in punt 3° ;
3° een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, hebben voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen, of aan een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, b). ".
" 2° in het bezit zijn van een certificaat van bekwaamheid inzake vloeibare brandstof, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, b), nadat de persoon de opleiding gevolgd heeft en geslaagd is voor het examen, vermeld in artikel 43, § 1. Als het certificaat van bekwaamheid ouder is dan vijf jaar na de datum van het slagen voor het examen, moet hij een bewijs voorleggen dat hij een bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 40, eerste lid, 3°, in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, b). De datum van het slagen voor het examen van de bijscholing mag niet ouder zijn dan vijf jaar, voorafgaand aan de datum van de betaling van de retributie, vermeld in punt 3° ;
3° een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, hebben voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen, of aan een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, b). ".
Art. 92. Dans l'article 14 du même arrêté, les points 2° et 3° sont remplacés par ce qui suit :
" 2° être en possession d'un certificat d'aptitude en matière de combustibles liquides, délivré par un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, b), après que la personne a suivi la formation et a réussi l'examen, visé à l'article 43, § 1er. Lorsque le certificat d'aptitude a plus de cinq ans après la date de réussite à l'examen, il doit présenter une preuve d'avoir suivi un perfectionnement et d'avoir réussi l'examen y afférent, visé à l'article 40, alinéa premier, 3°, dans un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, b). La date de réussite à l'examen de perfectionnement ne peut pas avoir plus de cinq ans, précédant la date du paiement de la rétribution, visée au point 3° ;
3° avoir présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 54/1, § 2, à la division, compétente pour les agréments, ou à un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, b). ".
" 2° être en possession d'un certificat d'aptitude en matière de combustibles liquides, délivré par un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, b), après que la personne a suivi la formation et a réussi l'examen, visé à l'article 43, § 1er. Lorsque le certificat d'aptitude a plus de cinq ans après la date de réussite à l'examen, il doit présenter une preuve d'avoir suivi un perfectionnement et d'avoir réussi l'examen y afférent, visé à l'article 40, alinéa premier, 3°, dans un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, b). La date de réussite à l'examen de perfectionnement ne peut pas avoir plus de cinq ans, précédant la date du paiement de la rétribution, visée au point 3° ;
3° avoir présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 54/1, § 2, à la division, compétente pour les agréments, ou à un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, b). ".
Art. 93. In artikel 15 van hetzelfde besluit worden punt 2° en 3° vervangen door wat volgt :
" 2° in het bezit zijn van een certificaat van bekwaamheid inzake gasvormige brandstof, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, c), nadat de persoon de opleiding gevolgd heeft en geslaagd is voor het examen, vermeld in artikel 43/1, § 1. Als het certificaat van bekwaamheid ouder is dan vijf jaar na de datum van het slagen voor het examen, moet hij een bewijs voorleggen dat hij een bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 40, eerste lid, 3°, in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, c). De datum van het slagen voor het examen van de bijscholing mag niet ouder zijn dan vijf jaar, voorafgaand aan de datum van de betaling van de retributie, vermeld in punt 3° ;
3° een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, hebben voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen, of aan een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, c). ".
" 2° in het bezit zijn van een certificaat van bekwaamheid inzake gasvormige brandstof, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, c), nadat de persoon de opleiding gevolgd heeft en geslaagd is voor het examen, vermeld in artikel 43/1, § 1. Als het certificaat van bekwaamheid ouder is dan vijf jaar na de datum van het slagen voor het examen, moet hij een bewijs voorleggen dat hij een bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 40, eerste lid, 3°, in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, c). De datum van het slagen voor het examen van de bijscholing mag niet ouder zijn dan vijf jaar, voorafgaand aan de datum van de betaling van de retributie, vermeld in punt 3° ;
3° een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, hebben voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen, of aan een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, c). ".
Art. 93. Dans l'article 15 du même arrêté, les points 2° et 3° sont remplacés par ce qui suit :
" 2° être en possession d'un certificat d'aptitude en matière de combustibles gazeux, délivré par un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, c), après que la personne a suivi la formation et a réussi l'examen, visé à l'article 43/1, § 1er. Lorsque le certificat d'aptitude a plus de cinq ans après la date de réussite à l'examen, il doit présenter une preuve d'avoir suivi un perfectionnement et d'avoir réussi l'examen y afférent, visé à l'article 40, alinéa premier, 3°, dans un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, c). La date de réussite à l'examen de perfectionnement ne peut pas avoir plus de cinq ans, précédant la date du paiement de la rétribution, visée au point 3° ;
3° avoir présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 54/1, § 2, à la division, compétente pour les agréments, ou à un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, c). ".
" 2° être en possession d'un certificat d'aptitude en matière de combustibles gazeux, délivré par un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, c), après que la personne a suivi la formation et a réussi l'examen, visé à l'article 43/1, § 1er. Lorsque le certificat d'aptitude a plus de cinq ans après la date de réussite à l'examen, il doit présenter une preuve d'avoir suivi un perfectionnement et d'avoir réussi l'examen y afférent, visé à l'article 40, alinéa premier, 3°, dans un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, c). La date de réussite à l'examen de perfectionnement ne peut pas avoir plus de cinq ans, précédant la date du paiement de la rétribution, visée au point 3° ;
3° avoir présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 54/1, § 2, à la division, compétente pour les agréments, ou à un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, c). ".
Art. 94. In artikel 16 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 3° wordt vervangen door wat volgt :
" 3° in het bezit zijn van een certificaat van bekwaamheid inzake de verwarmingsaudit, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, d), nadat de persoon de opleiding gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/2, § 1. Als het certificaat van bekwaamheid ouder is dan vijf jaar na de datum van het slagen voor het examen, moet hij een bewijs voorleggen dat hij een bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 40, eerste lid, 3°, in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, d). De datum van het slagen voor het examen van de bijscholing mag niet ouder zijn dan vijf jaar, voorafgaand aan de datum van de betaling van de retributie, vermeld in punt 4° ; ";
2° er wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 4° een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, hebben voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen, of aan een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, d). ".
1° punt 3° wordt vervangen door wat volgt :
" 3° in het bezit zijn van een certificaat van bekwaamheid inzake de verwarmingsaudit, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, d), nadat de persoon de opleiding gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/2, § 1. Als het certificaat van bekwaamheid ouder is dan vijf jaar na de datum van het slagen voor het examen, moet hij een bewijs voorleggen dat hij een bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 40, eerste lid, 3°, in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, d). De datum van het slagen voor het examen van de bijscholing mag niet ouder zijn dan vijf jaar, voorafgaand aan de datum van de betaling van de retributie, vermeld in punt 4° ; ";
2° er wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 4° een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, hebben voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen, of aan een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, d). ".
Art. 94. Dans l'article 16 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° être en possession d'un certificat d'aptitude en matière d'audit de chauffage, délivré par un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, d), après que la personne a suivi la formation et a réussi l'examen y afférent, visé à l'article 43/2, § 1er. Lorsque le certificat d'aptitude a plus de cinq ans après la date de réussite à l'examen, il doit présenter une preuve d'avoir suivi un perfectionnement et d'avoir réussi l'examen y afférent, visé à l'article 40, alinéa premier, 3°, dans un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, d). La date de réussite à l'examen de perfectionnement ne peut pas avoir plus de cinq ans, précédant la date du paiement de la rétribution, visée au point 4° ; ";
2° il est ajouté un point 4°, rédigé comme suit :
" 4° avoir présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 54/1, § 2, à la division, compétente pour les agréments, ou à un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, d). ".
1° le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° être en possession d'un certificat d'aptitude en matière d'audit de chauffage, délivré par un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, d), après que la personne a suivi la formation et a réussi l'examen y afférent, visé à l'article 43/2, § 1er. Lorsque le certificat d'aptitude a plus de cinq ans après la date de réussite à l'examen, il doit présenter une preuve d'avoir suivi un perfectionnement et d'avoir réussi l'examen y afférent, visé à l'article 40, alinéa premier, 3°, dans un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, d). La date de réussite à l'examen de perfectionnement ne peut pas avoir plus de cinq ans, précédant la date du paiement de la rétribution, visée au point 4° ; ";
2° il est ajouté un point 4°, rédigé comme suit :
" 4° avoir présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 54/1, § 2, à la division, compétente pour les agréments, ou à un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, d). ".
Art. 95. In artikel 17 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 2° wordt vervangen door wat volgt :
" 2° in het bezit zijn van een certificaat van bekwaamheid inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, e), nadat de persoon de opleiding gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/3, § 1. Als het certificaat van bekwaamheid ouder is dan vijf jaar na de datum van het slagen voor het examen, moet hij een bewijs voorleggen dat hij een bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 40, eerste lid, 3°, in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, e). De datum van het slagen voor het examen van de bijscholing mag niet ouder zijn dan vijf jaar, voorafgaand aan de datum van de betaling van de retributie, vermeld in punt 3° ; ";
2° er wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 3° een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, hebben voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen, of aan een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, e). ".
1° punt 2° wordt vervangen door wat volgt :
" 2° in het bezit zijn van een certificaat van bekwaamheid inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, e), nadat de persoon de opleiding gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/3, § 1. Als het certificaat van bekwaamheid ouder is dan vijf jaar na de datum van het slagen voor het examen, moet hij een bewijs voorleggen dat hij een bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 40, eerste lid, 3°, in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, e). De datum van het slagen voor het examen van de bijscholing mag niet ouder zijn dan vijf jaar, voorafgaand aan de datum van de betaling van de retributie, vermeld in punt 3° ; ";
2° er wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 3° een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, hebben voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen, of aan een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, e). ".
Art. 95. Dans l'article 17 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° être en possession d'un certificat d'aptitude en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout, délivré par un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, e), après que la personne a suivi la formation et a réussi l'examen y afférent, visé à l'article 43/3, § 1er. Lorsque le certificat d'aptitude a plus de cinq ans après la date de réussite à l'examen, il doit présenter une preuve d'avoir suivi un perfectionnement et d'avoir réussi l'examen y afférent, visé à l'article 40, alinéa premier, 3°, dans un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, e). La date de réussite à l'examen de perfectionnement ne peut pas avoir plus de cinq ans, précédant la date du paiement de la rétribution, visée au point 3° ; ";
2° il est ajouté un point 3°, rédigé comme suit :
" 3° avoir présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 54/1, § 2, à la division, compétente pour les agréments, ou à un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, e). ".
1° le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° être en possession d'un certificat d'aptitude en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout, délivré par un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, e), après que la personne a suivi la formation et a réussi l'examen y afférent, visé à l'article 43/3, § 1er. Lorsque le certificat d'aptitude a plus de cinq ans après la date de réussite à l'examen, il doit présenter une preuve d'avoir suivi un perfectionnement et d'avoir réussi l'examen y afférent, visé à l'article 40, alinéa premier, 3°, dans un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, e). La date de réussite à l'examen de perfectionnement ne peut pas avoir plus de cinq ans, précédant la date du paiement de la rétribution, visée au point 3° ; ";
2° il est ajouté un point 3°, rédigé comme suit :
" 3° avoir présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 54/1, § 2, à la division, compétente pour les agréments, ou à un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, e). ".
Art. 96. Artikel 19 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 19. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor de milieuverificateur die belast is met de validatie van de decretale milieuaudit, vermeld in artikel 6, 3°, b) :
1° houder zijn van de titel van milieuverificateur, vermeld in Verordening nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie;
2° een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, hebben voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen. ".
" Art. 19. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor de milieuverificateur die belast is met de validatie van de decretale milieuaudit, vermeld in artikel 6, 3°, b) :
1° houder zijn van de titel van milieuverificateur, vermeld in Verordening nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie;
2° een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, hebben voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen. ".
Art. 96. L'article 19 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 19. Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent au vérificateur environnemental chargé de la validation de l'audit environnemental décrétal, visé à l'article 6, 3°, b) :
1° être titulaire du titre de vérificateur environnemental, visé au Règlement n° 1221/2009 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2009 concernant la participation volontaire des organisations à un système communautaire de management environnemental et d'audit (EMAS), abrogeant le Règlement (CE) n° 761/2001 et les décisions de la Commission 2001/681/CE et 2006/193/CE;
2° avoir présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 54/1, § 2, à la division, compétente pour les autorisations écologiques. ".
" Art. 19. Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent au vérificateur environnemental chargé de la validation de l'audit environnemental décrétal, visé à l'article 6, 3°, b) :
1° être titulaire du titre de vérificateur environnemental, visé au Règlement n° 1221/2009 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2009 concernant la participation volontaire des organisations à un système communautaire de management environnemental et d'audit (EMAS), abrogeant le Règlement (CE) n° 761/2001 et les décisions de la Commission 2001/681/CE et 2006/193/CE;
2° avoir présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 54/1, § 2, à la division, compétente pour les autorisations écologiques. ".
Art. 97. In artikel 20, 3°, van hetzelfde besluit wordt de zin " Het afdelingshoofd van de afdeling of zijn afgevaardigde maken van rechtswege deel uit van de opvolgingscommissie. " opgeheven.
Art. 97. Dans l'article 20, 3°, du même arrêté, la phrase " Le chef de division de la division ou son mandataire siègent d'office à la commission de suivi. " est abrogée.
Art. 98. Artikel 21 tot en met 24 van hetzelfde besluit worden vervangen door wat volgt :
" Art. 21. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake vloeibare brandstof, vermeld in artikel 6, 4°, b) :
1° beschikken over degelijke procedures om de opleiding of de opleiding en de bijscholing inzake vloeibare brandstof met het bijhorende examen, vermeld in artikel 43, § 1, te organiseren;
2° beschikken over bevoegd technisch personeel dat belast wordt met het theoretische en praktische onderricht. Het personeel dat belast wordt met het onderricht, beschikt over een erkenning als technicus vloeibare brandstof als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 1°. Het certificaat van bekwaamheid inzake vloeibare brandstof werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar het personeelslid onderricht geeft;
3° een examenjury samenstellen, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
a) de jury bestaat uit minstens drie specialisten in de onderwezen vakken en staat onder het voorzitterschap van een master of een bachelor uit een afstudeerrichting of opleiding als vermeld in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd, of een persoon met minstens tien jaar ervaring in de materie die erkend is als technicus vloeibare brandstof en die actief is in het vak;
b) minstens twee juryleden beschikken over een erkenning als technicus vloeibare brandstof als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 1°. Het certificaat van bekwaamheid inzake vloeibare brandstof werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar ze jureren;
c) minstens een van de leden van de examenjury is een erkende technicus vloeibare brandstof die extern is aan het opleidingscentrum en die actief is in de verwarmingswereld.
Art. 22. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake gasvormige brandstof, vermeld in artikel 6, 4°, c) :
1° beschikken over degelijke procedures om de opleiding of de opleiding en de bijscholing inzake gasvormige brandstof module G1 of de modules G1 en G2 of de modules G1, G2 en G3 met het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/1, § 1 en § 2, te organiseren;
2° beschikken over bevoegd technisch personeel dat belast wordt met het theoretische en praktische onderricht. Het personeel dat belast wordt met het onderricht, beschikt over een erkenning als technicus gasvormige brandstof als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 2°. Het certificaat van bekwaamheid inzake gasvormige brandstof werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar het personeelslid onderricht geeft;
3° een examenjury samenstellen, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
a) de jury bestaat uit minstens drie specialisten in de onderwezen vakken en staat onder het voorzitterschap van een master of een bachelor uit een afstudeerrichting of opleiding als vermeld in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd, of een persoon met minstens tien jaar ervaring in de materie die erkend is als technicus gasvormige brandstof en die actief is in het vak;
b) minstens twee juryleden beschikken over een erkenning als technicus gasvormige brandstof als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 2°. Het certificaat van bekwaamheid inzake gasvormige brandstof werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar ze jureren;
c) minstens een van de leden van de examenjury is een erkende technicus gasvormige brandstof die extern is aan het opleidingscentrum en die actief is in de verwarmingswereld.
Art. 23. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de verwarmingsaudit, vermeld in artikel 6, 4°, d) :
1° erkend zijn als opleidingscentrum vloeibare brandstof of gasvormige brandstof als vermeld in artikel 6, 4°, b) of c);
2° beschikken over degelijke procedures om de opleiding of de opleiding en de bijscholing inzake de verwarmingsaudit met het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/2, § 1, te organiseren;
3° beschikken over bevoegd technisch personeel dat belast wordt met het theoretische en praktische onderricht. Het personeel dat belast wordt met het onderricht, beschikt over een erkenning als technicus verwarmingsaudit als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 3°. Het certificaat van bekwaamheid inzake de verwarmingsaudit werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar het personeelslid onderricht geeft;
4° een examenjury samenstellen, waarbij ten minste aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
a) de jury bestaat uit minstens twee specialisten in de onderwezen vakken en staat onder het voorzitterschap van een master of een bachelor uit een afstudeerrichting of opleiding als vermeld in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd, of een persoon met minstens tien jaar ervaring in de materie die erkend is als technicus verwarmingsaudit en die actief is in het vak;
b) minstens één jurylid beschikt over een erkenning als technicus verwarmingsaudit als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 3°. Het certificaat van bekwaamheid inzake de verwarmingsaudit werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar het jurylid jureert;
c) minstens een van de leden van de examenjury is een erkende technicus verwarmingsaudit die extern is aan het opleidingscentrum en die actief is in de verwarmingswereld.
Art. 24. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, vermeld in artikel 6, 4°, e) :
1° beschikken over degelijke procedures om de opleiding of de opleiding en de bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks met het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/3, § 1, te organiseren;
2° beschikken over bevoegd technisch personeel dat belast wordt met het theoretische en praktische onderricht. Het personeel dat belast wordt met het onderricht, beschikt over een erkenning als stookolietechnicus als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 4°. Het certificaat van bekwaamheid inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar het personeelslid onderricht geeft;
3° een examenjury samenstellen, waarbij ten minste aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
a) de jury bestaat uit minstens drie specialisten in de onderwezen vakken en staat onder het voorzitterschap van een master of een bachelor uit een afstudeerrichting of opleiding als vermeld in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd, of een persoon met minstens tien jaar ervaring in de materie die erkend is als stookolietechnicus en die actief is in het vak;
b) minstens twee juryleden beschikken over een erkenning als stookolietechnicus als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 4°. Het certificaat van bekwaamheid inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar ze jureren;
c) minstens een van de leden van de examenjury is een erkende stookolietechnicus die extern is aan het opleidingscentrum en die actief is in de verwarmingswereld. ".
" Art. 21. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake vloeibare brandstof, vermeld in artikel 6, 4°, b) :
1° beschikken over degelijke procedures om de opleiding of de opleiding en de bijscholing inzake vloeibare brandstof met het bijhorende examen, vermeld in artikel 43, § 1, te organiseren;
2° beschikken over bevoegd technisch personeel dat belast wordt met het theoretische en praktische onderricht. Het personeel dat belast wordt met het onderricht, beschikt over een erkenning als technicus vloeibare brandstof als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 1°. Het certificaat van bekwaamheid inzake vloeibare brandstof werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar het personeelslid onderricht geeft;
3° een examenjury samenstellen, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
a) de jury bestaat uit minstens drie specialisten in de onderwezen vakken en staat onder het voorzitterschap van een master of een bachelor uit een afstudeerrichting of opleiding als vermeld in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd, of een persoon met minstens tien jaar ervaring in de materie die erkend is als technicus vloeibare brandstof en die actief is in het vak;
b) minstens twee juryleden beschikken over een erkenning als technicus vloeibare brandstof als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 1°. Het certificaat van bekwaamheid inzake vloeibare brandstof werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar ze jureren;
c) minstens een van de leden van de examenjury is een erkende technicus vloeibare brandstof die extern is aan het opleidingscentrum en die actief is in de verwarmingswereld.
Art. 22. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake gasvormige brandstof, vermeld in artikel 6, 4°, c) :
1° beschikken over degelijke procedures om de opleiding of de opleiding en de bijscholing inzake gasvormige brandstof module G1 of de modules G1 en G2 of de modules G1, G2 en G3 met het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/1, § 1 en § 2, te organiseren;
2° beschikken over bevoegd technisch personeel dat belast wordt met het theoretische en praktische onderricht. Het personeel dat belast wordt met het onderricht, beschikt over een erkenning als technicus gasvormige brandstof als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 2°. Het certificaat van bekwaamheid inzake gasvormige brandstof werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar het personeelslid onderricht geeft;
3° een examenjury samenstellen, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
a) de jury bestaat uit minstens drie specialisten in de onderwezen vakken en staat onder het voorzitterschap van een master of een bachelor uit een afstudeerrichting of opleiding als vermeld in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd, of een persoon met minstens tien jaar ervaring in de materie die erkend is als technicus gasvormige brandstof en die actief is in het vak;
b) minstens twee juryleden beschikken over een erkenning als technicus gasvormige brandstof als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 2°. Het certificaat van bekwaamheid inzake gasvormige brandstof werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar ze jureren;
c) minstens een van de leden van de examenjury is een erkende technicus gasvormige brandstof die extern is aan het opleidingscentrum en die actief is in de verwarmingswereld.
Art. 23. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de verwarmingsaudit, vermeld in artikel 6, 4°, d) :
1° erkend zijn als opleidingscentrum vloeibare brandstof of gasvormige brandstof als vermeld in artikel 6, 4°, b) of c);
2° beschikken over degelijke procedures om de opleiding of de opleiding en de bijscholing inzake de verwarmingsaudit met het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/2, § 1, te organiseren;
3° beschikken over bevoegd technisch personeel dat belast wordt met het theoretische en praktische onderricht. Het personeel dat belast wordt met het onderricht, beschikt over een erkenning als technicus verwarmingsaudit als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 3°. Het certificaat van bekwaamheid inzake de verwarmingsaudit werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar het personeelslid onderricht geeft;
4° een examenjury samenstellen, waarbij ten minste aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
a) de jury bestaat uit minstens twee specialisten in de onderwezen vakken en staat onder het voorzitterschap van een master of een bachelor uit een afstudeerrichting of opleiding als vermeld in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd, of een persoon met minstens tien jaar ervaring in de materie die erkend is als technicus verwarmingsaudit en die actief is in het vak;
b) minstens één jurylid beschikt over een erkenning als technicus verwarmingsaudit als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 3°. Het certificaat van bekwaamheid inzake de verwarmingsaudit werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar het jurylid jureert;
c) minstens een van de leden van de examenjury is een erkende technicus verwarmingsaudit die extern is aan het opleidingscentrum en die actief is in de verwarmingswereld.
Art. 24. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, vermeld in artikel 6, 4°, e) :
1° beschikken over degelijke procedures om de opleiding of de opleiding en de bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks met het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/3, § 1, te organiseren;
2° beschikken over bevoegd technisch personeel dat belast wordt met het theoretische en praktische onderricht. Het personeel dat belast wordt met het onderricht, beschikt over een erkenning als stookolietechnicus als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 4°. Het certificaat van bekwaamheid inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar het personeelslid onderricht geeft;
3° een examenjury samenstellen, waarbij ten minste aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
a) de jury bestaat uit minstens drie specialisten in de onderwezen vakken en staat onder het voorzitterschap van een master of een bachelor uit een afstudeerrichting of opleiding als vermeld in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd, of een persoon met minstens tien jaar ervaring in de materie die erkend is als stookolietechnicus en die actief is in het vak;
b) minstens twee juryleden beschikken over een erkenning als stookolietechnicus als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 4°. Het certificaat van bekwaamheid inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar ze jureren;
c) minstens een van de leden van de examenjury is een erkende stookolietechnicus die extern is aan het opleidingscentrum en die actief is in de verwarmingswereld. ".
Art. 98. Les articles 21 à 24 inclus du même arrêté sont remplacés par ce qui suit :
" Art. 21. Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un centre de formation pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de combustibles liquides, visé à l'article 6, 4°, b) :
1° disposer de procédures de bonne qualité afin d'organiser la formation ou la formation et le perfectionnement en matière de combustibles liquides et l'examen y afférent, visés à l'article 43, § 1er;
2° disposer de personnel technique compétent chargé de l'enseignement théorique et pratique. Le personnel chargé de l'enseignement dispose d'un agrément comme technicien en combustibles liquides tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 1°. Le certificat d'aptitude en matière de combustibles liquides a été obtenu dans un autre centre de formation que celui où le membre du personnel enseigne;
3° composer un jury d'examen, où il est satisfait aux conditions suivantes :
a) le jury comprend au moins trois spécialistes dans les matières enseignées et est présidé par un master ou un bachelor d'une orientation en dernière année ou formation telle que visée à l'annexe 5, jointe au présent arrêté, ou par une personne ayant au moins dix années d'expérience en la matière, qui est agréée comme technicien en combustibles liquides et qui est active dans le métier;
b) au moins deux membres du jury disposent d'un agrément comme technicien en combustibles liquides tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 1°. Le certificat d'aptitude en matière de combustibles liquides a été obtenu dans un autre centre de formation que celui où ils sont membres du jury;
c) au moins un des membres du jury d'examen est un technicien agréé en combustibles liquides qui n'est pas lié au centre de formation et qui est actif dans le domaine du chauffage.
Art. 22. Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un centre de formation pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de combustibles gazeux, visé à l'article 6, 4°, c) :
1° disposer de procédures de bonne qualité afin d'organiser la formation ou la formation et le perfectionnement en matière de combustibles gazeux module G1 ou les modules G1 et G2 ou les modules G1, G2 et G3, et l'examen y afférent, visés à l'article 43/1, § 1er et § 2;
2° disposer de personnel technique compétent chargé de l'enseignement théorique et pratique. Le personnel chargé de l'enseignement dispose d'un agrément comme technicien en combustibles gazeux tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 2°. Le certificat d'aptitude en matière de combustibles gazeux a été obtenu dans un autre centre de formation que celui où le membre du personnel enseigne;
3° composer un jury d'examen, où il est satisfait aux conditions suivantes :
a) le jury comprend au moins trois spécialistes dans les matières enseignées et est présidé par un master ou un bachelor d'une orientation en dernière année ou formation telle que visée à l'annexe 5, jointe au présent arrêté, ou par une personne ayant au moins dix années d'expérience en la matière, qui est agréée comme technicien en combustibles gazeux et qui est active dans le métier;
b) au moins deux membres du jury disposent d'un agrément comme technicien en combustibles gazeux tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 2°. Le certificat d'aptitude en matière de combustibles gazeux a été obtenu dans un autre centre de formation que celui où ils sont membres du jury;
c) au moins un des membres du jury d'examen est un technicien agréé en combustibles gazeux qui n'est pas lié au centre de formation et qui est actif dans le domaine du chauffage.
Art. 23. Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un centre de formation pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière d'audit de chauffage, visé à l'article 6, 4°, d) :
1° être agréé comme centre de formation en matière de combustibles liquides ou gazeux tel que visé à l'article 6, 4°, b) ou c);
2° disposer de procédures de bonne qualité afin d'organiser la formation ou la formation et le perfectionnement en matière d'audit de chauffage et l'examen y afférent, visés à l'article 43/2, § 1er;
3° disposer de personnel technique compétent chargé de l'enseignement théorique et pratique. Le personnel chargé de l'enseignement dispose d'un agrément comme technicien en matière d'audit de chauffage tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 3°. Le certificat d'aptitude en matière d'audit de chauffage a été obtenu dans un autre centre de formation que celui où le membre du personnel enseigne;
4° composer un jury d'examen, où il est au moins satisfait aux conditions suivantes :
a) le jury comprend au moins deux spécialistes dans les matières enseignées et est présidé par un master ou un bachelor d'une orientation en dernière année ou formation telle que visée à l'annexe 5, jointe au présent arrêté, ou par une personne ayant au moins dix années d'expérience en la matière, qui est agréée comme technicien en matière d'audit de chauffage et qui est active dans le métier;
b) au moins un membre du jury dispose d'un agrément comme technicien en matière d'audit de chauffage tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 3°. Le certificat d'aptitude en matière d'audit de chauffage a été obtenu dans un autre centre de formation que celui où le membre du jury est membre du jury;
c) au moins un des membres du jury d'examen est un technicien agréé en matière d'audit de chauffage qui n'est pas lié au centre de formation et qui est actif dans le domaine du chauffage.
Art. 24. Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un centre de formation pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout, visé à l'article 6, 4°, e) :
1° disposer de procédures de bonne qualité afin d'organiser la formation ou la formation et le perfectionnement en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout et l'examen y afférent, visés à l'article 43/3, § 1er;
2° disposer de personnel technique compétent chargé de l'enseignement théorique et pratique. Le personnel chargé de l'enseignement dispose d'un agrément comme technicien en mazout tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 4°. Le certificat d'aptitude en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout a été obtenu dans un autre centre de formation que celui où le membre du personnel enseigne;
3° composer un jury d'examen, où il est au moins satisfait aux conditions suivantes :
a) le jury comprend au moins trois spécialistes dans les matières enseignées et est présidé par un master ou un bachelor d'une orientation en dernière année ou formation telle que visée à l'annexe 5, jointe au présent arrêté, ou par une personne ayant au moins dix années d'expérience en la matière, qui est agréée comme technicien en mazout et qui est active dans le métier;
b) au moins deux membres du jury disposent d'un agrément comme technicien en mazout tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 4°. Le certificat d'aptitude en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout a été obtenu dans un autre centre de formation que celui où ils sont membres du jury;
c) au moins un des membres du jury d'examen est un technicien agréé en mazout qui n'est pas lié au centre de formation et qui est actif dans le domaine du chauffage. ".
" Art. 21. Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un centre de formation pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de combustibles liquides, visé à l'article 6, 4°, b) :
1° disposer de procédures de bonne qualité afin d'organiser la formation ou la formation et le perfectionnement en matière de combustibles liquides et l'examen y afférent, visés à l'article 43, § 1er;
2° disposer de personnel technique compétent chargé de l'enseignement théorique et pratique. Le personnel chargé de l'enseignement dispose d'un agrément comme technicien en combustibles liquides tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 1°. Le certificat d'aptitude en matière de combustibles liquides a été obtenu dans un autre centre de formation que celui où le membre du personnel enseigne;
3° composer un jury d'examen, où il est satisfait aux conditions suivantes :
a) le jury comprend au moins trois spécialistes dans les matières enseignées et est présidé par un master ou un bachelor d'une orientation en dernière année ou formation telle que visée à l'annexe 5, jointe au présent arrêté, ou par une personne ayant au moins dix années d'expérience en la matière, qui est agréée comme technicien en combustibles liquides et qui est active dans le métier;
b) au moins deux membres du jury disposent d'un agrément comme technicien en combustibles liquides tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 1°. Le certificat d'aptitude en matière de combustibles liquides a été obtenu dans un autre centre de formation que celui où ils sont membres du jury;
c) au moins un des membres du jury d'examen est un technicien agréé en combustibles liquides qui n'est pas lié au centre de formation et qui est actif dans le domaine du chauffage.
Art. 22. Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un centre de formation pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de combustibles gazeux, visé à l'article 6, 4°, c) :
1° disposer de procédures de bonne qualité afin d'organiser la formation ou la formation et le perfectionnement en matière de combustibles gazeux module G1 ou les modules G1 et G2 ou les modules G1, G2 et G3, et l'examen y afférent, visés à l'article 43/1, § 1er et § 2;
2° disposer de personnel technique compétent chargé de l'enseignement théorique et pratique. Le personnel chargé de l'enseignement dispose d'un agrément comme technicien en combustibles gazeux tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 2°. Le certificat d'aptitude en matière de combustibles gazeux a été obtenu dans un autre centre de formation que celui où le membre du personnel enseigne;
3° composer un jury d'examen, où il est satisfait aux conditions suivantes :
a) le jury comprend au moins trois spécialistes dans les matières enseignées et est présidé par un master ou un bachelor d'une orientation en dernière année ou formation telle que visée à l'annexe 5, jointe au présent arrêté, ou par une personne ayant au moins dix années d'expérience en la matière, qui est agréée comme technicien en combustibles gazeux et qui est active dans le métier;
b) au moins deux membres du jury disposent d'un agrément comme technicien en combustibles gazeux tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 2°. Le certificat d'aptitude en matière de combustibles gazeux a été obtenu dans un autre centre de formation que celui où ils sont membres du jury;
c) au moins un des membres du jury d'examen est un technicien agréé en combustibles gazeux qui n'est pas lié au centre de formation et qui est actif dans le domaine du chauffage.
Art. 23. Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un centre de formation pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière d'audit de chauffage, visé à l'article 6, 4°, d) :
1° être agréé comme centre de formation en matière de combustibles liquides ou gazeux tel que visé à l'article 6, 4°, b) ou c);
2° disposer de procédures de bonne qualité afin d'organiser la formation ou la formation et le perfectionnement en matière d'audit de chauffage et l'examen y afférent, visés à l'article 43/2, § 1er;
3° disposer de personnel technique compétent chargé de l'enseignement théorique et pratique. Le personnel chargé de l'enseignement dispose d'un agrément comme technicien en matière d'audit de chauffage tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 3°. Le certificat d'aptitude en matière d'audit de chauffage a été obtenu dans un autre centre de formation que celui où le membre du personnel enseigne;
4° composer un jury d'examen, où il est au moins satisfait aux conditions suivantes :
a) le jury comprend au moins deux spécialistes dans les matières enseignées et est présidé par un master ou un bachelor d'une orientation en dernière année ou formation telle que visée à l'annexe 5, jointe au présent arrêté, ou par une personne ayant au moins dix années d'expérience en la matière, qui est agréée comme technicien en matière d'audit de chauffage et qui est active dans le métier;
b) au moins un membre du jury dispose d'un agrément comme technicien en matière d'audit de chauffage tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 3°. Le certificat d'aptitude en matière d'audit de chauffage a été obtenu dans un autre centre de formation que celui où le membre du jury est membre du jury;
c) au moins un des membres du jury d'examen est un technicien agréé en matière d'audit de chauffage qui n'est pas lié au centre de formation et qui est actif dans le domaine du chauffage.
Art. 24. Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un centre de formation pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout, visé à l'article 6, 4°, e) :
1° disposer de procédures de bonne qualité afin d'organiser la formation ou la formation et le perfectionnement en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout et l'examen y afférent, visés à l'article 43/3, § 1er;
2° disposer de personnel technique compétent chargé de l'enseignement théorique et pratique. Le personnel chargé de l'enseignement dispose d'un agrément comme technicien en mazout tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 4°. Le certificat d'aptitude en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout a été obtenu dans un autre centre de formation que celui où le membre du personnel enseigne;
3° composer un jury d'examen, où il est au moins satisfait aux conditions suivantes :
a) le jury comprend au moins trois spécialistes dans les matières enseignées et est présidé par un master ou un bachelor d'une orientation en dernière année ou formation telle que visée à l'annexe 5, jointe au présent arrêté, ou par une personne ayant au moins dix années d'expérience en la matière, qui est agréée comme technicien en mazout et qui est active dans le métier;
b) au moins deux membres du jury disposent d'un agrément comme technicien en mazout tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 4°. Le certificat d'aptitude en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout a été obtenu dans un autre centre de formation que celui où ils sont membres du jury;
c) au moins un des membres du jury d'examen est un technicien agréé en mazout qui n'est pas lié au centre de formation et qui est actif dans le domaine du chauffage. ".
Art. 99. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011, worden een artikel 24/1 en 24/2 ingevoegd, die luiden als volgt :
" Art. 24/1. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW als vermeld in artikel 6, 4°, f) :
1° beschikken over degelijke procedures om de opleiding en de bijscholing met het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/4, § 1 en § 2, te organiseren, waarbij alleen de personen tot de opleiding worden toegelaten die voldoen aan minstens een van de voorwaarden, vermeld in bijlage 13, die bij dit besluit is gevoegd;
2° het personeel dat belast wordt met het onderricht, beschikt over een erkenning als airco-energiedeskundige als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 6° ;
3° een examenjury samenstellen, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
a) de voorzitter van de examenjury is master in de ingenieurswetenschappen, master in de bio-ingenieurswetenschappen, master in de industriële wetenschappen, bachelor in de elektromechanica met afstudeerrichting klimatisering, of een persoon met minstens drie jaar praktijkervaring in de koelsector;
b) minstens één examenjurylid beschikt over een erkenning als airco-energiedeskundige als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 6°.
Art. 24/2. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, vermeld in artikel 6, 4°, g) :
1° de cursussen en de examens organiseren, waarvan het programma minstens beantwoordt aan de voorwaarden, vermeld in bijlage 17, die bij dit besluit is gevoegd;
2° over in de materie onderlegde docenten beschikken die de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad bezitten, of die meer dan vijf jaar ervaring hebben in het lesdomein in kwestie;
3° over een opvolgingscommissie beschikken die de organisatie en de programma-inhoud van de cursussen bewaakt. ".
" Art. 24/1. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW als vermeld in artikel 6, 4°, f) :
1° beschikken over degelijke procedures om de opleiding en de bijscholing met het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/4, § 1 en § 2, te organiseren, waarbij alleen de personen tot de opleiding worden toegelaten die voldoen aan minstens een van de voorwaarden, vermeld in bijlage 13, die bij dit besluit is gevoegd;
2° het personeel dat belast wordt met het onderricht, beschikt over een erkenning als airco-energiedeskundige als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 6° ;
3° een examenjury samenstellen, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
a) de voorzitter van de examenjury is master in de ingenieurswetenschappen, master in de bio-ingenieurswetenschappen, master in de industriële wetenschappen, bachelor in de elektromechanica met afstudeerrichting klimatisering, of een persoon met minstens drie jaar praktijkervaring in de koelsector;
b) minstens één examenjurylid beschikt over een erkenning als airco-energiedeskundige als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 6°.
Art. 24/2. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, vermeld in artikel 6, 4°, g) :
1° de cursussen en de examens organiseren, waarvan het programma minstens beantwoordt aan de voorwaarden, vermeld in bijlage 17, die bij dit besluit is gevoegd;
2° over in de materie onderlegde docenten beschikken die de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad bezitten, of die meer dan vijf jaar ervaring hebben in het lesdomein in kwestie;
3° over een opvolgingscommissie beschikken die de organisatie en de programma-inhoud van de cursussen bewaakt. ".
Art. 99. Dans le même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2011, sont insérés les articles 24/1 et 24/2, rédigés comme suit :
" Art. 24/1. Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un centre de formation pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW tels que visés à l'article 6, 4°, f) :
1° disposer de procédures de bonne qualité afin d'organiser la formation et le perfectionnement ainsi que l'examen y afférent, visés à l'article 43/4, § 1er et § 2, où seulement les personnes qui répondent à au moins une des conditions, visées à l'annexe 13, jointe au présent arrêté, sont admises à la formation;
2° le personnel chargé de l'enseignement dispose d'un agrément comme expert en matière d'énergie et de systèmes de climatisation tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 6° ;
3° composer un jury d'examen, où il est satisfait aux conditions suivantes :
a) le président du jury d'examen est master en sciences de l'ingénieur, master en bioingénieur, master en sciences industrielles, bachelor en électromécanique avec orientation climatisation en dernière année ou une personne ayant au moins trois années d'expérience pratique dans le secteur frigorifique;
b) au moins un membre du jury d'examen dispose d'un agrément comme expert en matière d'énergie et de systèmes de climatisation tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 6°.
Art. 24/2. Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un centre de formation pour dispenser la formation complémentaire destinée aux experts en assainissement du sol, visés à l'article 6, 4°, g) :
1° organiser les cours et les examens, dont le programme répond au moins aux conditions, visées à l'annexe 17, jointe au présent arrêté;
2° disposer de chargés de cours instruits en la matière, titulaires du grade de masterou d'un grade y assimilé, ou ayant plus de cinq années d'expérience dans la matière en question;
3° disposer d'une commission de suivi veillant à l'organisation et au contenu du programme des cours. ".
" Art. 24/1. Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un centre de formation pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW tels que visés à l'article 6, 4°, f) :
1° disposer de procédures de bonne qualité afin d'organiser la formation et le perfectionnement ainsi que l'examen y afférent, visés à l'article 43/4, § 1er et § 2, où seulement les personnes qui répondent à au moins une des conditions, visées à l'annexe 13, jointe au présent arrêté, sont admises à la formation;
2° le personnel chargé de l'enseignement dispose d'un agrément comme expert en matière d'énergie et de systèmes de climatisation tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 6° ;
3° composer un jury d'examen, où il est satisfait aux conditions suivantes :
a) le président du jury d'examen est master en sciences de l'ingénieur, master en bioingénieur, master en sciences industrielles, bachelor en électromécanique avec orientation climatisation en dernière année ou une personne ayant au moins trois années d'expérience pratique dans le secteur frigorifique;
b) au moins un membre du jury d'examen dispose d'un agrément comme expert en matière d'énergie et de systèmes de climatisation tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 6°.
Art. 24/2. Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un centre de formation pour dispenser la formation complémentaire destinée aux experts en assainissement du sol, visés à l'article 6, 4°, g) :
1° organiser les cours et les examens, dont le programme répond au moins aux conditions, visées à l'annexe 17, jointe au présent arrêté;
2° disposer de chargés de cours instruits en la matière, titulaires du grade de masterou d'un grade y assimilé, ou ayant plus de cinq années d'expérience dans la matière en question;
3° disposer d'une commission de suivi veillant à l'organisation et au contenu du programme des cours. ".
Art. 100. Artikel 25 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 25. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5° :
1° een rechtspersoon zijn;
2° voor de aangevraagde pakketten over een gunstige beoordeling van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest beschikken, gegeven op basis van de evaluatie van beproevingen, monsternemingen, metingen en analyses op typemonsters van referentiestalen of reële stalen die door een referentielaboratorium ter beschikking gesteld zijn en die door de aanvrager uitgevoerd zijn. De beproevingen, monsternemingen, metingen en analyses zijn uitgevoerd volgens de methoden, vermeld in artikel 45. Een gedeelte van een pakket of een volledig pakket wordt beoordeeld :
a) in geval van een ringtest op basis van de evaluatie van de criteria, vermeld in bijlage 10, hoofdstuk 1, die bij dit besluit is gevoegd. Alleen de resultaten van ringtesten die georganiseerd zijn overeenkomstig de voorwaarden, vermeld in bijlage 10/1, die bij dit besluit is gevoegd, komen in aanmerking voor evaluatie;
b) in geval van een technische proef op basis van de evaluatie van de criteria, vermeld in bijlage 10, hoofdstuk 2, die bij dit besluit is gevoegd;
3° voor ten minste één parameter per discipline waarvoor het laboratorium de erkenning aanvraagt, over een ISO/IEC 17025-accreditatie beschikken met betrekking tot de te volgen methoden, vermeld in artikel 45. Als het laboratorium over een ISO/IEC 17025-accreditatie beschikt voor een parameter waarvoor het al een erkenning heeft verkregen en die deel uitmaakt van dezelfde discipline als de parameter waarvoor het de erkenning aanvraagt, wordt deze erkenningsvoorwaarde als vervuld beschouwd;
4° voor de overige parameters die het voorwerp uitmaken van de erkenningsaanvraag, beschikken over :
a) hetzij een ISO/IEC 17025-accreditatie met betrekking tot de te volgen methoden, vermeld in artikel 45;
b) hetzij een gunstige beoordeling van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest over de toepassing van ISO/IEC 17025 met betrekking tot de te volgen methoden, vermeld in artikel 45.
De gunstige beoordeling, vermeld in het eerste lid, 2° en 4°, b), mag niet ouder zijn dan één jaar, voorafgaand aan de datum van de indiening van de volledige erkenningsaanvraag.
Een laboratorium dat alleen erkend wil worden voor een pakket dat alleen monstername en monstervoorbehandeling ter plaatse omvat of een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, b), dat alleen erkend wil worden voor het pakket L.11.1, L.11.2 of L.18, vermeld in bijlage 3, 2°, die bij dit besluit is gevoegd, is vrijgesteld van de erkenningsvoorwaarden, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°. Dat laboratorium moet beschikken over een gunstige beoordeling van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest over de toepassing van ISO/IEC 17025 met betrekking tot de te volgen methoden, vermeld in artikel 45. De gunstige beoordeling mag niet ouder zijn dan één jaar, voorafgaand aan de datum van de indiening van de volledige erkenningsaanvraag.
Voor monstername wordt ISO/IEC 17020 evenwaardig beschouwd aan ISO/IEC 17025.
Een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e) en f), kan maximaal 10 % van de parameters van een pakket uitbesteden aan andere laboratoria op voorwaarde dat het pakket tien of meer parameters bevat. De laboratoria waaraan de parameters worden uitbesteed, moeten erkend zijn voor de analyse van de desbetreffende parameters en moeten de analyses zelf uitvoeren. ".
" Art. 25. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5° :
1° een rechtspersoon zijn;
2° voor de aangevraagde pakketten over een gunstige beoordeling van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest beschikken, gegeven op basis van de evaluatie van beproevingen, monsternemingen, metingen en analyses op typemonsters van referentiestalen of reële stalen die door een referentielaboratorium ter beschikking gesteld zijn en die door de aanvrager uitgevoerd zijn. De beproevingen, monsternemingen, metingen en analyses zijn uitgevoerd volgens de methoden, vermeld in artikel 45. Een gedeelte van een pakket of een volledig pakket wordt beoordeeld :
a) in geval van een ringtest op basis van de evaluatie van de criteria, vermeld in bijlage 10, hoofdstuk 1, die bij dit besluit is gevoegd. Alleen de resultaten van ringtesten die georganiseerd zijn overeenkomstig de voorwaarden, vermeld in bijlage 10/1, die bij dit besluit is gevoegd, komen in aanmerking voor evaluatie;
b) in geval van een technische proef op basis van de evaluatie van de criteria, vermeld in bijlage 10, hoofdstuk 2, die bij dit besluit is gevoegd;
3° voor ten minste één parameter per discipline waarvoor het laboratorium de erkenning aanvraagt, over een ISO/IEC 17025-accreditatie beschikken met betrekking tot de te volgen methoden, vermeld in artikel 45. Als het laboratorium over een ISO/IEC 17025-accreditatie beschikt voor een parameter waarvoor het al een erkenning heeft verkregen en die deel uitmaakt van dezelfde discipline als de parameter waarvoor het de erkenning aanvraagt, wordt deze erkenningsvoorwaarde als vervuld beschouwd;
4° voor de overige parameters die het voorwerp uitmaken van de erkenningsaanvraag, beschikken over :
a) hetzij een ISO/IEC 17025-accreditatie met betrekking tot de te volgen methoden, vermeld in artikel 45;
b) hetzij een gunstige beoordeling van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest over de toepassing van ISO/IEC 17025 met betrekking tot de te volgen methoden, vermeld in artikel 45.
De gunstige beoordeling, vermeld in het eerste lid, 2° en 4°, b), mag niet ouder zijn dan één jaar, voorafgaand aan de datum van de indiening van de volledige erkenningsaanvraag.
Een laboratorium dat alleen erkend wil worden voor een pakket dat alleen monstername en monstervoorbehandeling ter plaatse omvat of een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, b), dat alleen erkend wil worden voor het pakket L.11.1, L.11.2 of L.18, vermeld in bijlage 3, 2°, die bij dit besluit is gevoegd, is vrijgesteld van de erkenningsvoorwaarden, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°. Dat laboratorium moet beschikken over een gunstige beoordeling van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest over de toepassing van ISO/IEC 17025 met betrekking tot de te volgen methoden, vermeld in artikel 45. De gunstige beoordeling mag niet ouder zijn dan één jaar, voorafgaand aan de datum van de indiening van de volledige erkenningsaanvraag.
Voor monstername wordt ISO/IEC 17020 evenwaardig beschouwd aan ISO/IEC 17025.
Een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e) en f), kan maximaal 10 % van de parameters van een pakket uitbesteden aan andere laboratoria op voorwaarde dat het pakket tien of meer parameters bevat. De laboratoria waaraan de parameters worden uitbesteed, moeten erkend zijn voor de analyse van de desbetreffende parameters en moeten de analyses zelf uitvoeren. ".
Art. 100. L'article 25 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 25. Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5° :
1° être une personne morale;
2° disposer, pour les paquets demandés, d'une évaluation favorable du laboratoire de référence de la Région flamande, rendue sur la base de l'évaluation d'essais, d'échantillonnages, de mesures et d'analyses sur des échantillons type d'échantillons de référence ou d'échantillons réels qui ont été mis à disposition par un laboratoire de référence et qui ont été exécutés par le demandeur. Les essais, échantillonnages, mesures et analyses ont été exécutés conformément aux méthodes, visées à l'article 45. Une partie d'un paquet ou un paquet complet est évalué :
a) en cas d'une épreuve de l'anneau sur la base de l'évaluation des critères, visés à l'annexe 10, chapitre 1er, jointe au présent arrêté. Seulement les résultats d'épreuves de l'anneau organisées conformément aux conditions, visées à l'annexe 10/1, jointe au présent arrêté, sont éligibles à l'évaluation;
b) en cas d'une épreuve technique sur la base de l'évaluation des critères, visés à l'annexe 10, chapitre 2, jointe au présent arrêté;
3° disposer, pour au moins un paramètre par discipline pour laquelle le laboratoire demande l'agrément, d'une accréditation ISO/IEC 17025 relative aux méthodes à suivre, visées à l'article 45. Lorsque le laboratoire dispose d'une accréditation ISO/IEC 17025 pour un paramètre pour lequel il a déjà obtenu un agrément et qui fait partie de la même discipline que le paramètre pour lequel il demande l'agrément, cette condition d'agrément est considérée comme remplie;
4° disposer, pour les autres paramètres faisant l'objet de la demande d'agrément :
a) soit d'une accréditation ISO/IEC 17025 relative aux méthodes à suivre, visée à l'article 45;
b) soit d'une évaluation favorable du laboratoire de référence de la Région flamande en ce qui concerne l'application d'ISO/IEC 17025 relative aux méthodes à suivre, visée à l'article 45.
L'évaluation favorable, visée à l'alinéa premier, 2° et 4°, b), ne peut pas avoir plus d'un an, précédant la date d'introduction de la demande complète d'agrément.
Un laboratoire qui ne veut être agréé que pour un paquet qui comprend uniquement l'échantillonnage et le prétraitement d'échantillons sur place ou un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, b), qui ne veut être agréé que pour le paquet L.11.1, L.11.2 ou L.18, visé à l'annexe 3, 2°, jointe au présent arrêté, est exempté des conditions d'agrément, visées à l'alinéa premier, 3° et 4°. Ce laboratoire doit disposer d'une évaluation favorable du laboratoire de référence de la Région flamande en ce qui concerne l'application d'ISO/IEC 17025 relative aux méthodes à suivre, visée à l'article 45. L'évaluation favorable ne peut pas avoir plus d'un an, précédant la date d'introduction de la demande complète d'agrément.
Pour l'échantillonnage, ISO/IEC 17020 est considérée équivalente à ISO/IEC 17025.
Un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, e) et f), peut sous-traiter au maximum 10 % des paramètres d'un paquet à d'autres laboratoires à condition que le paquet comprend dix paramètres ou plus. Les laboratoires auxquels les paramètres sont sous-traités, doivent être agréés pour l'analyse des paramètres concernés et doivent exécuter les analyses eux-mêmes. ".
" Art. 25. Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5° :
1° être une personne morale;
2° disposer, pour les paquets demandés, d'une évaluation favorable du laboratoire de référence de la Région flamande, rendue sur la base de l'évaluation d'essais, d'échantillonnages, de mesures et d'analyses sur des échantillons type d'échantillons de référence ou d'échantillons réels qui ont été mis à disposition par un laboratoire de référence et qui ont été exécutés par le demandeur. Les essais, échantillonnages, mesures et analyses ont été exécutés conformément aux méthodes, visées à l'article 45. Une partie d'un paquet ou un paquet complet est évalué :
a) en cas d'une épreuve de l'anneau sur la base de l'évaluation des critères, visés à l'annexe 10, chapitre 1er, jointe au présent arrêté. Seulement les résultats d'épreuves de l'anneau organisées conformément aux conditions, visées à l'annexe 10/1, jointe au présent arrêté, sont éligibles à l'évaluation;
b) en cas d'une épreuve technique sur la base de l'évaluation des critères, visés à l'annexe 10, chapitre 2, jointe au présent arrêté;
3° disposer, pour au moins un paramètre par discipline pour laquelle le laboratoire demande l'agrément, d'une accréditation ISO/IEC 17025 relative aux méthodes à suivre, visées à l'article 45. Lorsque le laboratoire dispose d'une accréditation ISO/IEC 17025 pour un paramètre pour lequel il a déjà obtenu un agrément et qui fait partie de la même discipline que le paramètre pour lequel il demande l'agrément, cette condition d'agrément est considérée comme remplie;
4° disposer, pour les autres paramètres faisant l'objet de la demande d'agrément :
a) soit d'une accréditation ISO/IEC 17025 relative aux méthodes à suivre, visée à l'article 45;
b) soit d'une évaluation favorable du laboratoire de référence de la Région flamande en ce qui concerne l'application d'ISO/IEC 17025 relative aux méthodes à suivre, visée à l'article 45.
L'évaluation favorable, visée à l'alinéa premier, 2° et 4°, b), ne peut pas avoir plus d'un an, précédant la date d'introduction de la demande complète d'agrément.
Un laboratoire qui ne veut être agréé que pour un paquet qui comprend uniquement l'échantillonnage et le prétraitement d'échantillons sur place ou un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, b), qui ne veut être agréé que pour le paquet L.11.1, L.11.2 ou L.18, visé à l'annexe 3, 2°, jointe au présent arrêté, est exempté des conditions d'agrément, visées à l'alinéa premier, 3° et 4°. Ce laboratoire doit disposer d'une évaluation favorable du laboratoire de référence de la Région flamande en ce qui concerne l'application d'ISO/IEC 17025 relative aux méthodes à suivre, visée à l'article 45. L'évaluation favorable ne peut pas avoir plus d'un an, précédant la date d'introduction de la demande complète d'agrément.
Pour l'échantillonnage, ISO/IEC 17020 est considérée équivalente à ISO/IEC 17025.
Un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, e) et f), peut sous-traiter au maximum 10 % des paramètres d'un paquet à d'autres laboratoires à condition que le paquet comprend dix paramètres ou plus. Les laboratoires auxquels les paramètres sont sous-traités, doivent être agréés pour l'analyse des paramètres concernés et doivent exécuter les analyses eux-mêmes. ".
Art. 101. Aan hoofdstuk 4, afdeling 3, van hetzelfde besluit wordt een onderafdeling 6, die bestaat uit artikel 25/1 en 25/2, toegevoegd, die luidt als volgt :
" Onderafdeling 6. Erkenningsvoorwaarden voor bodemsaneringsdeskundigen
Art. 25/1. § 1. Om als natuurlijke persoon te worden erkend als bodemsaneringsdeskundige van type 1 als vermeld in artikel 6, 6°, gelden de hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden :
1° a) ofwel minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald in een opleiding of in opleidingen waarin de disciplines bodemkunde, geologie en scheikunde aan bod komen, en minstens drie jaar praktische ervaring hebben wat betreft het onderzoek inzake bodemverontreiniging, verworven binnen zes jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
b) ofwel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald in een opleiding of in opleidingen waarin de disciplines bodemkunde, geologie en scheikunde aan bod komen, en minstens zes jaar praktische ervaring hebben wat betreft het onderzoek inzake bodemverontreiniging, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
2° in het bezit zijn van een getuigschrift van aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, module 1, dat door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, g), is uitgereikt met toepassing van de bepalingen van bijlage 17, die bij dit besluit is gevoegd.
§ 2. Om als rechtspersoon te worden erkend als bodemsaneringsdeskundige van type 1 als vermeld in artikel 6, 6°, gelden de hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden :
1° een natuurlijke persoon in dienst hebben die voldoet aan de volgende vereisten, of verschillende natuurlijke personen in dienst hebben die afzonderlijk of samen voldoen aan de volgende vereisten :
a) minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald in een opleiding waarin de discipline scheikunde aan bod komt, dan wel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald in een dergelijke opleiding op voorwaarde dat die personen minstens zes jaar praktische ervaring hebben in het uitvoeren van bodemonderzoeken, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
b) minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald in een opleiding waarin de disciplines geologie en bodemkunde aan bod komen, dan wel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald in een dergelijke opleiding op voorwaarde dat die personen minstens zes jaar praktische ervaring hebben in het uitvoeren van bodemonderzoeken, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
2° minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben die minstens drie jaar praktische ervaring heeft in een milieusector die relevant is voor het onderzoek inzake bodemverontreiniging, verworven binnen zes jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
3° minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben die in het bezit is van een getuigschrift van aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, module 1, dat door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, g), is uitgereikt met toepassing van de bepalingen van bijlage 17, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 25/2. De volgende bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een bodemsaneringsdeskundige van type 2 als vermeld in artikel 6, 6° :
1° een rechtspersoon zijn;
2° een natuurlijke persoon in dienst hebben die voldoet aan de volgende vereisten, of verschillende natuurlijke personen in dienst hebben die afzonderlijk of samen voldoen aan de volgende vereisten :
a) minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald in een opleiding waarin de discipline biologie aan bod komt, dan wel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald in een dergelijke opleiding op voorwaarde dat die personen minstens zes jaar praktische ervaring hebben in het uitvoeren van bodemonderzoeken en bodemsanering, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
b) minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald in een opleiding waarin de discipline microbiologie aan bod komt, dan wel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald in een dergelijke opleiding op voorwaarde dat die personen minstens zes jaar praktische ervaring hebben in het uitvoeren van bodemonderzoeken en bodemsanering, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
c) minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald in een opleiding waarin de discipline scheikunde aan bod komt, dan wel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald in een dergelijke opleiding op voorwaarde dat die personen minstens zes jaar praktische ervaring hebben in het uitvoeren van bodemonderzoeken en bodemsanering, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
d) minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald in een opleiding waarin de disciplines geologie en bodemkunde aan bod komen, dan wel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald in een dergelijke opleiding op voorwaarde dat die personen minstens zes jaar praktische ervaring hebben in het uitvoeren van bodemonderzoeken en bodemsanering, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
3° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben of contractueel ter beschikking hebben die minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald in een opleiding waarin de disciplines bouwkunde en grondmechanica aan bod komen, dan wel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgestelde graad hebben behaald in een dergelijke opleiding op voorwaarde dat die personen minstens zes jaar ervaring hebben in het leiden van de bodemsanering, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
4° minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben die minstens drie jaar praktische ervaring heeft in een milieusector die relevant is zowel voor het uitvoeren van bodemonderzoeken als voor het onderzoek inzake risico's van bodemverontreiniging, verworven binnen zes jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
5° minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben die minstens vijf jaar praktische ervaring heeft in een milieusector die relevant is voor het leiden van de bodemsanering, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
6° minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben die minstens vijf jaar praktische ervaring heeft met werfopvolging, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
7° minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben die in het bezit is van een getuigschrift van aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, module 2, dat door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, g), is uitgereikt met toepassing van de bepalingen van bijlage 17, die bij dit besluit is gevoegd;
8° minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben die met gunstig gevolg een opleiding heeft genoten waarin minstens de volgende onderwerpen aan bod zijn gekomen : de Vlaamse reglementeringen inzake de milieuvergunning, het grondwaterbeheer en de stedenbouw en ruimtelijke ordening;
9° minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben of contractueel ter beschikking hebben met de nodige ervaring om een mathematisch grondwatermodel te hanteren en de resultaten ervan correct te interpreteren. ".
" Onderafdeling 6. Erkenningsvoorwaarden voor bodemsaneringsdeskundigen
Art. 25/1. § 1. Om als natuurlijke persoon te worden erkend als bodemsaneringsdeskundige van type 1 als vermeld in artikel 6, 6°, gelden de hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden :
1° a) ofwel minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald in een opleiding of in opleidingen waarin de disciplines bodemkunde, geologie en scheikunde aan bod komen, en minstens drie jaar praktische ervaring hebben wat betreft het onderzoek inzake bodemverontreiniging, verworven binnen zes jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
b) ofwel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald in een opleiding of in opleidingen waarin de disciplines bodemkunde, geologie en scheikunde aan bod komen, en minstens zes jaar praktische ervaring hebben wat betreft het onderzoek inzake bodemverontreiniging, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
2° in het bezit zijn van een getuigschrift van aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, module 1, dat door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, g), is uitgereikt met toepassing van de bepalingen van bijlage 17, die bij dit besluit is gevoegd.
§ 2. Om als rechtspersoon te worden erkend als bodemsaneringsdeskundige van type 1 als vermeld in artikel 6, 6°, gelden de hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden :
1° een natuurlijke persoon in dienst hebben die voldoet aan de volgende vereisten, of verschillende natuurlijke personen in dienst hebben die afzonderlijk of samen voldoen aan de volgende vereisten :
a) minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald in een opleiding waarin de discipline scheikunde aan bod komt, dan wel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald in een dergelijke opleiding op voorwaarde dat die personen minstens zes jaar praktische ervaring hebben in het uitvoeren van bodemonderzoeken, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
b) minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald in een opleiding waarin de disciplines geologie en bodemkunde aan bod komen, dan wel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald in een dergelijke opleiding op voorwaarde dat die personen minstens zes jaar praktische ervaring hebben in het uitvoeren van bodemonderzoeken, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
2° minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben die minstens drie jaar praktische ervaring heeft in een milieusector die relevant is voor het onderzoek inzake bodemverontreiniging, verworven binnen zes jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
3° minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben die in het bezit is van een getuigschrift van aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, module 1, dat door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, g), is uitgereikt met toepassing van de bepalingen van bijlage 17, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 25/2. De volgende bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een bodemsaneringsdeskundige van type 2 als vermeld in artikel 6, 6° :
1° een rechtspersoon zijn;
2° een natuurlijke persoon in dienst hebben die voldoet aan de volgende vereisten, of verschillende natuurlijke personen in dienst hebben die afzonderlijk of samen voldoen aan de volgende vereisten :
a) minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald in een opleiding waarin de discipline biologie aan bod komt, dan wel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald in een dergelijke opleiding op voorwaarde dat die personen minstens zes jaar praktische ervaring hebben in het uitvoeren van bodemonderzoeken en bodemsanering, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
b) minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald in een opleiding waarin de discipline microbiologie aan bod komt, dan wel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald in een dergelijke opleiding op voorwaarde dat die personen minstens zes jaar praktische ervaring hebben in het uitvoeren van bodemonderzoeken en bodemsanering, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
c) minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald in een opleiding waarin de discipline scheikunde aan bod komt, dan wel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald in een dergelijke opleiding op voorwaarde dat die personen minstens zes jaar praktische ervaring hebben in het uitvoeren van bodemonderzoeken en bodemsanering, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
d) minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald in een opleiding waarin de disciplines geologie en bodemkunde aan bod komen, dan wel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald in een dergelijke opleiding op voorwaarde dat die personen minstens zes jaar praktische ervaring hebben in het uitvoeren van bodemonderzoeken en bodemsanering, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
3° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben of contractueel ter beschikking hebben die minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald in een opleiding waarin de disciplines bouwkunde en grondmechanica aan bod komen, dan wel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgestelde graad hebben behaald in een dergelijke opleiding op voorwaarde dat die personen minstens zes jaar ervaring hebben in het leiden van de bodemsanering, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
4° minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben die minstens drie jaar praktische ervaring heeft in een milieusector die relevant is zowel voor het uitvoeren van bodemonderzoeken als voor het onderzoek inzake risico's van bodemverontreiniging, verworven binnen zes jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
5° minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben die minstens vijf jaar praktische ervaring heeft in een milieusector die relevant is voor het leiden van de bodemsanering, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
6° minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben die minstens vijf jaar praktische ervaring heeft met werfopvolging, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
7° minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben die in het bezit is van een getuigschrift van aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, module 2, dat door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, g), is uitgereikt met toepassing van de bepalingen van bijlage 17, die bij dit besluit is gevoegd;
8° minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben die met gunstig gevolg een opleiding heeft genoten waarin minstens de volgende onderwerpen aan bod zijn gekomen : de Vlaamse reglementeringen inzake de milieuvergunning, het grondwaterbeheer en de stedenbouw en ruimtelijke ordening;
9° minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben of contractueel ter beschikking hebben met de nodige ervaring om een mathematisch grondwatermodel te hanteren en de resultaten ervan correct te interpreteren. ".
Art. 101. Le chapitre 4, section 3, du même arrêté, est complété par une sous-section 6, comprenant les articles 25/1 et 25/2, rédigée comme suit :
" Sous-section 6. Conditions d'agrément pour experts en assainissement du sol
Art. 25/1. § 1er. Afin d'être agréée, en tant que personne physique, comme expert en assainissement du sol du type 1, tel que visé à l'article 6, 6°, les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent :
1° a) soit avoir obtenu au moins le grade de master ou un grade y assimilé dans une formation ou dans des formations où les disciplines de la pédologie, de la géologie et de la chimie sont abordées, et avoir au moins trois années d'expérience pratique en ce qui concerne la recherche en matière de pollution du sol, acquise dans un délai de six ans, précédant la demande d'agrément;
b) soit avoir obtenu au moins le grade de bachelor ou un grade y assimilé dans une formation ou dans des formations où les disciplines de la pédologie, de la géologie et de la chimie sont abordées, et avoir au moins six années d'expérience pratique en ce qui concerne la recherche en matière de pollution du sol, acquise dans un délai de dix ans, précédant la demande d'agrément;
2° être en possession d'un certificat de formation complémentaire pour experts en assainissement du sol, module 1, délivré par un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, g), en application des dispositions de l'annexe 17, jointe au présent arrêté.
§ 2. Afin d'être agréée, en tant que personne morale, comme expert en assainissement du sol du type 1, tel que visé à l'article 6, 6°, les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent :
1° employer une personne physique qui répond aux exigences suivantes, ou employer différentes personnes physiques qui, séparément ou conjointement, répondent aux exigences suivantes :
a) avoir obtenu au moins le grade de master ou un grade y assimilé dans une formation où la discipline de la chimie est abordée, soit avoir obtenu au moins le grade de bachelor ou un grade y assimilé dans une telle formation à condition que ces personnes aient au moins six années d'expérience pratique en ce qui concerne l'exécution de reconnaissances du sol, acquise dans un délai de dix ans, précédant la demande d'agrément;
b) avoir obtenu au moins le grade de master ou un grade y assimilé dans une formation où les disciplines de la géologie et de la pédologie sont abordées, soit avoir obtenu au moins le grade de bachelor ou un grade y assimilé dans une telle formation à condition que ces personnes aient au moins six années d'expérience pratique en ce qui concerne l'exécution de reconnaissances du sol, acquise dans un délai de dix ans, précédant la demande d'agrément;
2° employer au moins une personne physique ayant au moins trois années d'expérience pratique dans un secteur environnemental qui est pertinente pour la recherche en matière de pollution du sol, acquise dans un délai de six ans, précédant la demande d'agrément;
3° employer au moins une personne physique qui est en possession d'un certificat de formation complémentaire pour experts en assainissement du sol, module 1, délivré par un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, g), en application des dispositions de l'annexe 17, jointe au présent arrêté.
Art. 25/2. Les conditions particulières d'agrément suivantes s'appliquent à un expert en assainissement du sol du type 2 tel que visé à l'article 6, 6° :
1° être une personne morale;
2° employer une personne physique qui répond aux exigences suivantes, ou employer différentes personnes physiques qui, séparément ou conjointement, répondent aux exigences suivantes :
a) avoir obtenu au moins le grade de master ou un grade y assimilé dans une formation où la discipline de la biologie est abordée, soit avoir obtenu au moins le grade de bachelor ou un grade y assimilé dans une telle formation à condition que ces personnes aient au moins six années d'expérience pratique en ce qui concerne l'exécution de reconnaissances du sol et l'assainissement du sol, acquise dans un délai de dix ans, précédant la demande d'agrément;
b) avoir obtenu au moins le grade de master ou un grade y assimilé dans une formation où la discipline de la microbiologie est abordée, soit avoir obtenu au moins le grade de bachelor ou un grade y assimilé dans une telle formation à condition que ces personnes aient au moins six années d'expérience pratique en ce qui concerne l'exécution de reconnaissances du sol et l'assainissement du sol, acquise dans un délai de dix ans, précédant la demande d'agrément;
c) avoir obtenu au moins le grade de master ou un grade y assimilé dans une formation où la discipline de la chimie est abordée, soit avoir obtenu au moins le grade de bachelor ou un grade y assimilé dans une telle formation à condition que ces personnes aient au moins six années d'expérience pratique en ce qui concerne l'exécution de reconnaissances du sol et l'assainissement du sol, acquise dans un délai de dix ans, précédant la demande d'agrément;
d) avoir obtenu au moins le grade de master ou un grade y assimilé dans une formation où les disciplines de la géologie et de la pédologie sont abordées, soit avoir obtenu au moins le grade de bachelor ou un grade y assimilé dans une telle formation à condition que ces personnes aient au moins six années d'expérience pratique en ce qui concerne l'exécution de reconnaissances du sol et l'assainissement du sol, acquise dans un délai de dix ans, précédant la demande d'agrément;
3° employer une ou plusieurs personnes physiques, ou les avoir à disposition contractuellement, ayant obtenu au moins le grade de master ou un grade y assimilé dans une formation où les disciplines de l'architecture et de la mécanique des sols sont abordées, soit avoir obtenu au moins le grade de bachelor ou un grade y assimilé dans une telle formation à condition que ces personnes aient au moins six années d'expérience en ce qui concerne la direction de l'assainissement du sol, acquise dans un délai de dix ans, précédant la demande d'agrément;
4° employer au moins une personne physique ayant au moins trois années d'expérience pratique dans un secteur environnemental qui est pertinente tant pour l'exécution de reconnaissances du sol que pour la recherche en matière de risques de pollution du sol, acquise dans un délai de six ans, précédant la demande d'agrément;
5° employer au moins une personne physique ayant au moins cinq années d'expérience pratique dans un secteur environnemental qui est pertinente pour la direction de l'assainissement du sol, acquise dans un délai de dix ans, précédant la demande d'agrément;
6° employer au moins une personne physique ayant au moins cinq années d'expérience pratique en matière de suivi de chantier, acquise dans un délai de dix ans, précédant la demande d'agrément;
7° employer au moins une personne physique qui est en possession d'un certificat de formation complémentaire pour experts en assainissement du sol, module 2, délivré par un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, g), en application des dispositions de l'annexe 17, jointe au présent arrêté;
8° employer au moins une personne physique qui a réussi une formation où au moins les sujets suivants ont été abordés : les règlements flamands en matière d'autorisation écologique, la gestion des eaux souterraines et l'urbanisme et l'aménagement du territoire;
9° employer, ou avoir à disposition contractuellement, au moins une personne physique ayant l'expérience nécessaire pour utiliser un modèle mathématique des eaux souterraines et en interpréter les résultats correctement. ".
" Sous-section 6. Conditions d'agrément pour experts en assainissement du sol
Art. 25/1. § 1er. Afin d'être agréée, en tant que personne physique, comme expert en assainissement du sol du type 1, tel que visé à l'article 6, 6°, les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent :
1° a) soit avoir obtenu au moins le grade de master ou un grade y assimilé dans une formation ou dans des formations où les disciplines de la pédologie, de la géologie et de la chimie sont abordées, et avoir au moins trois années d'expérience pratique en ce qui concerne la recherche en matière de pollution du sol, acquise dans un délai de six ans, précédant la demande d'agrément;
b) soit avoir obtenu au moins le grade de bachelor ou un grade y assimilé dans une formation ou dans des formations où les disciplines de la pédologie, de la géologie et de la chimie sont abordées, et avoir au moins six années d'expérience pratique en ce qui concerne la recherche en matière de pollution du sol, acquise dans un délai de dix ans, précédant la demande d'agrément;
2° être en possession d'un certificat de formation complémentaire pour experts en assainissement du sol, module 1, délivré par un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, g), en application des dispositions de l'annexe 17, jointe au présent arrêté.
§ 2. Afin d'être agréée, en tant que personne morale, comme expert en assainissement du sol du type 1, tel que visé à l'article 6, 6°, les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent :
1° employer une personne physique qui répond aux exigences suivantes, ou employer différentes personnes physiques qui, séparément ou conjointement, répondent aux exigences suivantes :
a) avoir obtenu au moins le grade de master ou un grade y assimilé dans une formation où la discipline de la chimie est abordée, soit avoir obtenu au moins le grade de bachelor ou un grade y assimilé dans une telle formation à condition que ces personnes aient au moins six années d'expérience pratique en ce qui concerne l'exécution de reconnaissances du sol, acquise dans un délai de dix ans, précédant la demande d'agrément;
b) avoir obtenu au moins le grade de master ou un grade y assimilé dans une formation où les disciplines de la géologie et de la pédologie sont abordées, soit avoir obtenu au moins le grade de bachelor ou un grade y assimilé dans une telle formation à condition que ces personnes aient au moins six années d'expérience pratique en ce qui concerne l'exécution de reconnaissances du sol, acquise dans un délai de dix ans, précédant la demande d'agrément;
2° employer au moins une personne physique ayant au moins trois années d'expérience pratique dans un secteur environnemental qui est pertinente pour la recherche en matière de pollution du sol, acquise dans un délai de six ans, précédant la demande d'agrément;
3° employer au moins une personne physique qui est en possession d'un certificat de formation complémentaire pour experts en assainissement du sol, module 1, délivré par un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, g), en application des dispositions de l'annexe 17, jointe au présent arrêté.
Art. 25/2. Les conditions particulières d'agrément suivantes s'appliquent à un expert en assainissement du sol du type 2 tel que visé à l'article 6, 6° :
1° être une personne morale;
2° employer une personne physique qui répond aux exigences suivantes, ou employer différentes personnes physiques qui, séparément ou conjointement, répondent aux exigences suivantes :
a) avoir obtenu au moins le grade de master ou un grade y assimilé dans une formation où la discipline de la biologie est abordée, soit avoir obtenu au moins le grade de bachelor ou un grade y assimilé dans une telle formation à condition que ces personnes aient au moins six années d'expérience pratique en ce qui concerne l'exécution de reconnaissances du sol et l'assainissement du sol, acquise dans un délai de dix ans, précédant la demande d'agrément;
b) avoir obtenu au moins le grade de master ou un grade y assimilé dans une formation où la discipline de la microbiologie est abordée, soit avoir obtenu au moins le grade de bachelor ou un grade y assimilé dans une telle formation à condition que ces personnes aient au moins six années d'expérience pratique en ce qui concerne l'exécution de reconnaissances du sol et l'assainissement du sol, acquise dans un délai de dix ans, précédant la demande d'agrément;
c) avoir obtenu au moins le grade de master ou un grade y assimilé dans une formation où la discipline de la chimie est abordée, soit avoir obtenu au moins le grade de bachelor ou un grade y assimilé dans une telle formation à condition que ces personnes aient au moins six années d'expérience pratique en ce qui concerne l'exécution de reconnaissances du sol et l'assainissement du sol, acquise dans un délai de dix ans, précédant la demande d'agrément;
d) avoir obtenu au moins le grade de master ou un grade y assimilé dans une formation où les disciplines de la géologie et de la pédologie sont abordées, soit avoir obtenu au moins le grade de bachelor ou un grade y assimilé dans une telle formation à condition que ces personnes aient au moins six années d'expérience pratique en ce qui concerne l'exécution de reconnaissances du sol et l'assainissement du sol, acquise dans un délai de dix ans, précédant la demande d'agrément;
3° employer une ou plusieurs personnes physiques, ou les avoir à disposition contractuellement, ayant obtenu au moins le grade de master ou un grade y assimilé dans une formation où les disciplines de l'architecture et de la mécanique des sols sont abordées, soit avoir obtenu au moins le grade de bachelor ou un grade y assimilé dans une telle formation à condition que ces personnes aient au moins six années d'expérience en ce qui concerne la direction de l'assainissement du sol, acquise dans un délai de dix ans, précédant la demande d'agrément;
4° employer au moins une personne physique ayant au moins trois années d'expérience pratique dans un secteur environnemental qui est pertinente tant pour l'exécution de reconnaissances du sol que pour la recherche en matière de risques de pollution du sol, acquise dans un délai de six ans, précédant la demande d'agrément;
5° employer au moins une personne physique ayant au moins cinq années d'expérience pratique dans un secteur environnemental qui est pertinente pour la direction de l'assainissement du sol, acquise dans un délai de dix ans, précédant la demande d'agrément;
6° employer au moins une personne physique ayant au moins cinq années d'expérience pratique en matière de suivi de chantier, acquise dans un délai de dix ans, précédant la demande d'agrément;
7° employer au moins une personne physique qui est en possession d'un certificat de formation complémentaire pour experts en assainissement du sol, module 2, délivré par un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, g), en application des dispositions de l'annexe 17, jointe au présent arrêté;
8° employer au moins une personne physique qui a réussi une formation où au moins les sujets suivants ont été abordés : les règlements flamands en matière d'autorisation écologique, la gestion des eaux souterraines et l'urbanisme et l'aménagement du territoire;
9° employer, ou avoir à disposition contractuellement, au moins une personne physique ayant l'expérience nécessaire pour utiliser un modèle mathématique des eaux souterraines et en interpréter les résultats correctement. ".
Art. 102. Aan hoofdstuk 4, afdeling 3, van hetzelfde besluit wordt een onderafdeling 7, die bestaat uit artikel 25/3, toegevoegd, die luidt als volgt :
" Onderafdeling 7. Erkenningsvoorwaarden voor boorbedrijven
Art. 25/3. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een boorbedrijf als vermeld in artikel 6, 7° :
1° een rechtspersoon zijn;
2° voor elk operationeel boortoestel voor het uitvoeren van de werken in het kader van de gewenste erkenning een natuurlijke persoon in dienst hebben die aan minstens een van de volgende voorwaarden voldoet :
a) over minstens drie jaar praktische ervaring beschikken in het uitvoeren van werken in het kader van de gewenste erkenning, verworven binnen vijf jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
b) over een attest beschikken dat een algemene opleiding als vermeld in bijlage 16, die bij dit besluit is gevoegd, met gunstig gevolg werd gevolgd binnen vijf jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag. ".
" Onderafdeling 7. Erkenningsvoorwaarden voor boorbedrijven
Art. 25/3. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een boorbedrijf als vermeld in artikel 6, 7° :
1° een rechtspersoon zijn;
2° voor elk operationeel boortoestel voor het uitvoeren van de werken in het kader van de gewenste erkenning een natuurlijke persoon in dienst hebben die aan minstens een van de volgende voorwaarden voldoet :
a) over minstens drie jaar praktische ervaring beschikken in het uitvoeren van werken in het kader van de gewenste erkenning, verworven binnen vijf jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
b) over een attest beschikken dat een algemene opleiding als vermeld in bijlage 16, die bij dit besluit is gevoegd, met gunstig gevolg werd gevolgd binnen vijf jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag. ".
Art. 102. Le chapitre 4, section 3, du même arrêté, est complété par une sous-section 7, comprenant l'article 25/3, rédigée comme suit :
" Sous-section 7. Conditions d'agrément pour entreprises de forage
Art. 25/3. Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à une entreprise de forage telle que visée à l'article 6, 7° :
1° être une personne morale;
2° employer, pour chaque appareil de forage pour l'exécution des travaux dans le cadre de l'agrément souhaité, une personne physique qui répond au moins à une des conditions suivantes :
a) disposer d'au moins trois années d'expérience pratique dans l'exécution de travaux dans le cadre de l'agrément souhaité, acquise dans un délai de cinq ans, précédant la demande d'agrément;
b) disposer d'une attestation de réussite à une formation générale telle que visée à l'annexe 16, jointe au présent arrêté, dans un délai de cinq ans, précédant la demande d'agrément. ".
" Sous-section 7. Conditions d'agrément pour entreprises de forage
Art. 25/3. Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à une entreprise de forage telle que visée à l'article 6, 7° :
1° être une personne morale;
2° employer, pour chaque appareil de forage pour l'exécution des travaux dans le cadre de l'agrément souhaité, une personne physique qui répond au moins à une des conditions suivantes :
a) disposer d'au moins trois années d'expérience pratique dans l'exécution de travaux dans le cadre de l'agrément souhaité, acquise dans un délai de cinq ans, précédant la demande d'agrément;
b) disposer d'une attestation de réussite à une formation générale telle que visée à l'annexe 16, jointe au présent arrêté, dans un délai de cinq ans, précédant la demande d'agrément. ".
Art. 103. In artikel 27 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt tussen de woorden " bij de " en het woord " afdeling " het woord " bevoegde " ingevoegd;
2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt :
" § 2. De aanvraag bevat minstens :
1° het aanvraagformulier, waarvan het model wordt vastgesteld door de bevoegde afdeling, dat minstens de volgende gegevens omvat :
a) de identificatiegegevens van de aanvrager :
indien een natuurlijke persoon :
1) de voor- en achternaam;
2) het privéadres;
3) het rijksregisternummer;
4) in voorkomend geval, de naam van het statuut, het ondernemingsnummer en het adres van de werkgever;
5) de contactgegevens van de aanvrager;
6) als de erkenningsaanvraag uitgaat van een natuurlijke persoon die een zelfstandig beroep uitoefent : het ondernemingsnummer;
indien een rechtspersoon :
1) de naam;
2) het statuut van de rechtspersoon die de aanvraag indient of namens wie ze wordt ingediend;
3) het adres van de maatschappelijke zetel;
4) het ondernemingsnummer;
5) de identificatiegegevens van de personeelsleden en de erkenningen of beroepskwalificaties die ze bezitten;
6) de identificatiegegevens van de bestuurders;
b) een omschrijving van het voorwerp van de erkenning die wordt aangevraagd. Als een erkenning als vermeld in artikel 6, 1°, a), wordt aangevraagd, wordt het voorwerp van de aanvraag gespecificeerd op basis van de deeldomeinen, vermeld in bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd. Als een erkenning als vermeld in artikel 6, 1°, c) en d), wordt aangevraagd, wordt het voorwerp van de aanvraag gespecificeerd op basis van de deeldomeinen, vermeld in de respectieve artikels. Als een erkenning als vermeld in artikel 6, 5°, wordt aangevraagd, wordt het voorwerp van de aanvraag gespecificeerd op basis van de pakketten, vermeld in bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd, en, in voorkomend geval, op basis van een of meer van de deeldomeinen, vermeld in artikel 6, 5°, a). Als een erkenning als vermeld in artikel 6, 7°, wordt aangevraagd, wordt het voorwerp van de aanvraag gespecificeerd op basis van een of meer van de disciplines, vermeld in artikel 6, 7° ;
c) de gegevens en verklaringen die bewijzen dat voldaan is aan de van toepassing zijnde erkenningsvoorwaarden, vermeld in hoofdstuk 4;
2° een ondertekende verklaring van de aanvrager dat alle gegevens naar waarheid zijn ingevuld;
3° in voorkomend geval, een kopie van de diploma's en getuigschriften, alsook de andere bewijsstukken, vermeld in de erkenningsvoorwaarden;
4° in voorkomend geval, als een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e) of f), geen volledig pakket ontleedt en gebruikmaakt van de mogelijkheid, vermeld in artikel 25, vijfde lid : alle schriftelijke overeenkomsten met erkende laboratoria waaraan parameters worden uitbesteed met vermelding van welke parameters worden uitbesteed;
5° in voorkomend geval, het bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 1. ".
1° in paragraaf 1 wordt tussen de woorden " bij de " en het woord " afdeling " het woord " bevoegde " ingevoegd;
2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt :
" § 2. De aanvraag bevat minstens :
1° het aanvraagformulier, waarvan het model wordt vastgesteld door de bevoegde afdeling, dat minstens de volgende gegevens omvat :
a) de identificatiegegevens van de aanvrager :
indien een natuurlijke persoon :
1) de voor- en achternaam;
2) het privéadres;
3) het rijksregisternummer;
4) in voorkomend geval, de naam van het statuut, het ondernemingsnummer en het adres van de werkgever;
5) de contactgegevens van de aanvrager;
6) als de erkenningsaanvraag uitgaat van een natuurlijke persoon die een zelfstandig beroep uitoefent : het ondernemingsnummer;
indien een rechtspersoon :
1) de naam;
2) het statuut van de rechtspersoon die de aanvraag indient of namens wie ze wordt ingediend;
3) het adres van de maatschappelijke zetel;
4) het ondernemingsnummer;
5) de identificatiegegevens van de personeelsleden en de erkenningen of beroepskwalificaties die ze bezitten;
6) de identificatiegegevens van de bestuurders;
b) een omschrijving van het voorwerp van de erkenning die wordt aangevraagd. Als een erkenning als vermeld in artikel 6, 1°, a), wordt aangevraagd, wordt het voorwerp van de aanvraag gespecificeerd op basis van de deeldomeinen, vermeld in bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd. Als een erkenning als vermeld in artikel 6, 1°, c) en d), wordt aangevraagd, wordt het voorwerp van de aanvraag gespecificeerd op basis van de deeldomeinen, vermeld in de respectieve artikels. Als een erkenning als vermeld in artikel 6, 5°, wordt aangevraagd, wordt het voorwerp van de aanvraag gespecificeerd op basis van de pakketten, vermeld in bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd, en, in voorkomend geval, op basis van een of meer van de deeldomeinen, vermeld in artikel 6, 5°, a). Als een erkenning als vermeld in artikel 6, 7°, wordt aangevraagd, wordt het voorwerp van de aanvraag gespecificeerd op basis van een of meer van de disciplines, vermeld in artikel 6, 7° ;
c) de gegevens en verklaringen die bewijzen dat voldaan is aan de van toepassing zijnde erkenningsvoorwaarden, vermeld in hoofdstuk 4;
2° een ondertekende verklaring van de aanvrager dat alle gegevens naar waarheid zijn ingevuld;
3° in voorkomend geval, een kopie van de diploma's en getuigschriften, alsook de andere bewijsstukken, vermeld in de erkenningsvoorwaarden;
4° in voorkomend geval, als een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e) of f), geen volledig pakket ontleedt en gebruikmaakt van de mogelijkheid, vermeld in artikel 25, vijfde lid : alle schriftelijke overeenkomsten met erkende laboratoria waaraan parameters worden uitbesteed met vermelding van welke parameters worden uitbesteed;
5° in voorkomend geval, het bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 1. ".
Art. 103. Dans l'article 27 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le paragraphe 1er, les mots " rentrée à la division " sont remplacés par les mots " introduite auprès de la division compétente ";
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. La demande comprend au moins :
1° le formulaire de demande, dont le modèle est fixé par la division compétente, comprenant au moins les données suivantes :
a) les données d'identification du demandeur :
en cas d'une personne physique :
1) le prénom et le nom;
2) l'adresse privée;
3) le numéro du registre national;
4) le cas échéant, le nom du statut, le numéro d'entreprise et l'adresse de l'employeur;
5) les données de contact du demandeur;
6) lorsque la demande d'agrément émane d'une personne physique exerçant une profession indépendante : le numéro d'entreprise;
en cas d'une personne morale :
1) le nom;
2) le statut de la personne morale qui introduit la demande ou au nom de laquelle elle est introduite;
3) l'adresse du siège social;
4) le numéro d'entreprise;
5) les données d'identification des membres du personnel et les agréments ou qualifications professionnelles qu'ils possèdent;
6) les données d'identification des administrateurs;
b) une description de l'objet de l'agrément demandé. Lorsqu'un agrément, tel que visé à l'article 6, 1°, a), est demandé, l'objet de la demande est spécifié sur la base des sous-domaines, visés à l'annexe 4, jointe au présent arrêté. Lorsqu'un agrément, tel que visé à l'article 6, 1°, c) et d), est demandé, l'objet de la demande est spécifié sur la base des sous-domaines, visés aux articles respectifs. Lorsqu'un agrément, tel que visé à l'article 6, 5°, est demandé, l'objet de la demande est spécifié sur la base des paquets, visés à l'annexe 3, jointe au présent arrêté, et, le cas échéant, sur la base d'un ou de plusieurs des sous-domaines, visés à l'article 6, 5°, a). Lorsqu'un agrément, tel que visé à l'article 6, 7°, est demandé, l'objet de la demande est spécifié sur la base d'un ou de plusieurs des disciplines, visées à l'article 6, 7° ;
c) les données et déclarations qui prouvent qu'il a été satisfait aux conditions d'agrément applicables, visées au chapitre 4;
2° une déclaration signée du demandeur attestant la véridicité de toutes les données remplies;
3° le cas échéant, une copie des diplômes et des certificats, ainsi que des autres pièces justificatives, visés aux conditions d'agrément;
4° le cas échéant, lorsqu'un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, e) ou f), n'analyse pas un paquet complet et utilise la possibilité, visée à l'article 25, alinéa cinq : tous les accords écrits avec des laboratoires agréés auxquels des paramètres sont sous-traités mentionnant quels paramètres sont sous-traités;
5° le cas échéant, la preuve de paiement de la rétribution, visée à l'article 54/1, § 1er. ".
1° dans le paragraphe 1er, les mots " rentrée à la division " sont remplacés par les mots " introduite auprès de la division compétente ";
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. La demande comprend au moins :
1° le formulaire de demande, dont le modèle est fixé par la division compétente, comprenant au moins les données suivantes :
a) les données d'identification du demandeur :
en cas d'une personne physique :
1) le prénom et le nom;
2) l'adresse privée;
3) le numéro du registre national;
4) le cas échéant, le nom du statut, le numéro d'entreprise et l'adresse de l'employeur;
5) les données de contact du demandeur;
6) lorsque la demande d'agrément émane d'une personne physique exerçant une profession indépendante : le numéro d'entreprise;
en cas d'une personne morale :
1) le nom;
2) le statut de la personne morale qui introduit la demande ou au nom de laquelle elle est introduite;
3) l'adresse du siège social;
4) le numéro d'entreprise;
5) les données d'identification des membres du personnel et les agréments ou qualifications professionnelles qu'ils possèdent;
6) les données d'identification des administrateurs;
b) une description de l'objet de l'agrément demandé. Lorsqu'un agrément, tel que visé à l'article 6, 1°, a), est demandé, l'objet de la demande est spécifié sur la base des sous-domaines, visés à l'annexe 4, jointe au présent arrêté. Lorsqu'un agrément, tel que visé à l'article 6, 1°, c) et d), est demandé, l'objet de la demande est spécifié sur la base des sous-domaines, visés aux articles respectifs. Lorsqu'un agrément, tel que visé à l'article 6, 5°, est demandé, l'objet de la demande est spécifié sur la base des paquets, visés à l'annexe 3, jointe au présent arrêté, et, le cas échéant, sur la base d'un ou de plusieurs des sous-domaines, visés à l'article 6, 5°, a). Lorsqu'un agrément, tel que visé à l'article 6, 7°, est demandé, l'objet de la demande est spécifié sur la base d'un ou de plusieurs des disciplines, visées à l'article 6, 7° ;
c) les données et déclarations qui prouvent qu'il a été satisfait aux conditions d'agrément applicables, visées au chapitre 4;
2° une déclaration signée du demandeur attestant la véridicité de toutes les données remplies;
3° le cas échéant, une copie des diplômes et des certificats, ainsi que des autres pièces justificatives, visés aux conditions d'agrément;
4° le cas échéant, lorsqu'un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, e) ou f), n'analyse pas un paquet complet et utilise la possibilité, visée à l'article 25, alinéa cinq : tous les accords écrits avec des laboratoires agréés auxquels des paramètres sont sous-traités mentionnant quels paramètres sont sous-traités;
5° le cas échéant, la preuve de paiement de la rétribution, visée à l'article 54/1, § 1er. ".
Art. 104. In artikel 28 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 worden de woorden " De afdeling " vervangen door de woorden " De bevoegde afdeling ";
2° in paragraaf 2 worden de zinnen " De afdeling onderzoekt de aanvraag tot erkenning. De afdeling vraagt advies aan de hierna vermelde overheidsorganen : " vervangen door de zinnen " De bevoegde afdeling onderzoekt de aanvraag tot erkenning. De bevoegde afdeling vraagt advies aan de volgende overheidsorganen : ";
3° in paragraaf 2, 2°, a), worden de woorden " voor toezicht volksgezondheid " telkens vervangen door de woorden " voor het toezicht volksgezondheid " en wordt de zinsnede " ruimtelijke ordening : de afdeling Beleid, Mobiliteit en Verkeersveilgheid van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken " vervangen door de zinsnede " ruimtelijke aspecten : de afdeling Ruimtelijke Planning van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed ";
4° in paragraaf 2, 2°, c) en d), worden de woorden " de afdeling Bodembeheer van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij " telkens vervangen door de zinsnede " de afdeling, bevoegd voor bodembeheer ", worden de woorden " de afdeling Operationeel Waterbeheer van de Vlaamse Milieumaatschappij " telkens vervangen door de zinsnede " de afdeling, bevoegd voor operationeel waterbeheer " en worden de woorden " de afdeling Ecologisch Toezicht van de Vlaamse Milieumaatschappij " telkens vervangen door de zinsnede " de afdeling, bevoegd voor het ecologisch toezicht ";
5° in paragraaf 2, 2°, e), worden de woorden " de afdeling Lucht, Milieu en Communicatie van de Vlaamse Milieumaatschappij " vervangen door de zinsnede " de afdeling, bevoegd voor het opvolgen van de luchtkwaliteit ";
6° in paragraaf 2, 2°, i), wordt de zinsnede " het agentschap van het beleidsdomein Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed dat belast is met de uitvoering van het beleid inzake onroerend erfgoed " vervangen door de woorden " het agentschap Onroerend Erfgoed ";
7° aan paragraaf 2 wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 5° voor de aanvragen tot erkenning als boorbedrijf als vermeld in artikel 6, 7°, voor de disciplines, vermeld in artikel 6, 7°, c), d) en e) : de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen. ";
8° in paragraaf 4 worden de woorden " De afdeling " vervangen door de woorden " De bevoegde afdeling ";
9° in paragraaf 5 worden de woorden " de afdeling " telkens vervangen door de woorden " de bevoegde afdeling ";
10° paragraaf 6 wordt opgeheven.
1° in paragraaf 1 worden de woorden " De afdeling " vervangen door de woorden " De bevoegde afdeling ";
2° in paragraaf 2 worden de zinnen " De afdeling onderzoekt de aanvraag tot erkenning. De afdeling vraagt advies aan de hierna vermelde overheidsorganen : " vervangen door de zinnen " De bevoegde afdeling onderzoekt de aanvraag tot erkenning. De bevoegde afdeling vraagt advies aan de volgende overheidsorganen : ";
3° in paragraaf 2, 2°, a), worden de woorden " voor toezicht volksgezondheid " telkens vervangen door de woorden " voor het toezicht volksgezondheid " en wordt de zinsnede " ruimtelijke ordening : de afdeling Beleid, Mobiliteit en Verkeersveilgheid van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken " vervangen door de zinsnede " ruimtelijke aspecten : de afdeling Ruimtelijke Planning van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed ";
4° in paragraaf 2, 2°, c) en d), worden de woorden " de afdeling Bodembeheer van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij " telkens vervangen door de zinsnede " de afdeling, bevoegd voor bodembeheer ", worden de woorden " de afdeling Operationeel Waterbeheer van de Vlaamse Milieumaatschappij " telkens vervangen door de zinsnede " de afdeling, bevoegd voor operationeel waterbeheer " en worden de woorden " de afdeling Ecologisch Toezicht van de Vlaamse Milieumaatschappij " telkens vervangen door de zinsnede " de afdeling, bevoegd voor het ecologisch toezicht ";
5° in paragraaf 2, 2°, e), worden de woorden " de afdeling Lucht, Milieu en Communicatie van de Vlaamse Milieumaatschappij " vervangen door de zinsnede " de afdeling, bevoegd voor het opvolgen van de luchtkwaliteit ";
6° in paragraaf 2, 2°, i), wordt de zinsnede " het agentschap van het beleidsdomein Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed dat belast is met de uitvoering van het beleid inzake onroerend erfgoed " vervangen door de woorden " het agentschap Onroerend Erfgoed ";
7° aan paragraaf 2 wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 5° voor de aanvragen tot erkenning als boorbedrijf als vermeld in artikel 6, 7°, voor de disciplines, vermeld in artikel 6, 7°, c), d) en e) : de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen. ";
8° in paragraaf 4 worden de woorden " De afdeling " vervangen door de woorden " De bevoegde afdeling ";
9° in paragraaf 5 worden de woorden " de afdeling " telkens vervangen door de woorden " de bevoegde afdeling ";
10° paragraaf 6 wordt opgeheven.
Art. 104. Dans l'article 28 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2011, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le paragraphe 1er, les mots " La division " sont remplacés par les mots " La division compétente ";
2° dans le paragraphe 2, les phrases " La division examine la demande d'agrément. La division sollicite l'avis des organismes publics cités ci-après : " sont remplacées par les phrases " La division compétente examine la demande d'agrément. La division compétente sollicite l'avis des organismes publics suivants : ";
3° dans le paragraphe 2, 2°, a), les mots " voor toezicht volksgezondheid " dans le texte néerlandais sont chaque fois remplacés par les mots " voor het toezicht volksgezondheid " et les mots " de l'aménagement du territoire : la division de la Politique, de la Mobilité et la Sécurité routière du département de la Mobilité et des Travaux publics " sont remplacés par les mots suivants " des aspects spatiaux : la division de la Planification spatiale du Département de l'Aménagement du Territoire, de la Politique du Logement et du Patrimoine immobilier ";
4° dans le paragraphe 2, 2°, c) et d), les mots " la " afdeling Bodembeheer " (division de la Gestion du Sol) de la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij " (Société publique des Déchets de la Région flamande) " sont chaque fois remplacés par les mots " la division, compétente pour la gestion du sol " et les mots " la " afdeling Operationeel Waterbeheer " de la " Vlaamse Milieumaatschappij " " sont chaque fois remplacés par les mots " la division, compétente pour la gestion opérationnelle des eaux " et les mots " la " afdeling Ecologisch Toezicht " de la " Vlaamse Milieumaatschappij " " sont chaque fois remplacés par les mots " la division, compétente pour la surveillance écologique ";
5° dans le paragraphe 2, 2°, e), les mots " la " afdeling Lucht, Milieu en Communicatie " de la " Vlaamse Milieumaatschappij " " sont remplacés par les mots " la division, compétente pour le suivi de la qualité de l'air ";
6° dans le paragraphe 2, 2°, i), les mots " l'agence du domaine politique de l'Aménagement du Territoire, de la Politique du Logement et du Patrimoine immobilier chargée de l'exécution de la politique en matière de patrimoine immobilier " sont remplacés par les mots " l'agence du Patrimoine immobilier ";
7° le paragraphe 2 est complété par un point 5°, rédigé comme suit :
" 5° pour les demandes d'agrément comme entreprise de forage, telle que visée à l'article 6, 7°, pour les disciplines, visées à l'article 6, 7°, c), d) et e) : la division, compétente pour les ressources naturelles. ";
8° dans le paragraphe 4, les mots " La division " sont remplacés par les mots " La division compétente ";
9° dans le paragraphe 5, les mots " la division " sont chaque fois remplacés par les mots " la division compétente ";
10° le paragraphe 6 est abrogé.
1° dans le paragraphe 1er, les mots " La division " sont remplacés par les mots " La division compétente ";
2° dans le paragraphe 2, les phrases " La division examine la demande d'agrément. La division sollicite l'avis des organismes publics cités ci-après : " sont remplacées par les phrases " La division compétente examine la demande d'agrément. La division compétente sollicite l'avis des organismes publics suivants : ";
3° dans le paragraphe 2, 2°, a), les mots " voor toezicht volksgezondheid " dans le texte néerlandais sont chaque fois remplacés par les mots " voor het toezicht volksgezondheid " et les mots " de l'aménagement du territoire : la division de la Politique, de la Mobilité et la Sécurité routière du département de la Mobilité et des Travaux publics " sont remplacés par les mots suivants " des aspects spatiaux : la division de la Planification spatiale du Département de l'Aménagement du Territoire, de la Politique du Logement et du Patrimoine immobilier ";
4° dans le paragraphe 2, 2°, c) et d), les mots " la " afdeling Bodembeheer " (division de la Gestion du Sol) de la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij " (Société publique des Déchets de la Région flamande) " sont chaque fois remplacés par les mots " la division, compétente pour la gestion du sol " et les mots " la " afdeling Operationeel Waterbeheer " de la " Vlaamse Milieumaatschappij " " sont chaque fois remplacés par les mots " la division, compétente pour la gestion opérationnelle des eaux " et les mots " la " afdeling Ecologisch Toezicht " de la " Vlaamse Milieumaatschappij " " sont chaque fois remplacés par les mots " la division, compétente pour la surveillance écologique ";
5° dans le paragraphe 2, 2°, e), les mots " la " afdeling Lucht, Milieu en Communicatie " de la " Vlaamse Milieumaatschappij " " sont remplacés par les mots " la division, compétente pour le suivi de la qualité de l'air ";
6° dans le paragraphe 2, 2°, i), les mots " l'agence du domaine politique de l'Aménagement du Territoire, de la Politique du Logement et du Patrimoine immobilier chargée de l'exécution de la politique en matière de patrimoine immobilier " sont remplacés par les mots " l'agence du Patrimoine immobilier ";
7° le paragraphe 2 est complété par un point 5°, rédigé comme suit :
" 5° pour les demandes d'agrément comme entreprise de forage, telle que visée à l'article 6, 7°, pour les disciplines, visées à l'article 6, 7°, c), d) et e) : la division, compétente pour les ressources naturelles. ";
8° dans le paragraphe 4, les mots " La division " sont remplacés par les mots " La division compétente ";
9° dans le paragraphe 5, les mots " la division " sont chaque fois remplacés par les mots " la division compétente ";
10° le paragraphe 6 est abrogé.
Art. 105. In artikel 29 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 worden de woorden " De minister neemt op voorstel van de afdeling " vervangen door de zinsnede " De leidinggevende ambtenaar van het agentschap of departement waartoe de bevoegde afdeling behoort, neemt ";
2° in paragraaf 2 worden de woorden " De minister " vervangen door de zinsnede " De leidinggevende ambtenaar van het agentschap of departement waartoe de bevoegde afdeling behoort, " en worden de woorden " De afdeling " vervangen door de woorden " De bevoegde afdeling ";
3° in paragraaf 3 wordt de zinsnede " vermeld in de paragraaf 1 en 2 " vervangen door de zinsnede " vermeld in paragraaf 1 en 2 ".
1° in paragraaf 1 worden de woorden " De minister neemt op voorstel van de afdeling " vervangen door de zinsnede " De leidinggevende ambtenaar van het agentschap of departement waartoe de bevoegde afdeling behoort, neemt ";
2° in paragraaf 2 worden de woorden " De minister " vervangen door de zinsnede " De leidinggevende ambtenaar van het agentschap of departement waartoe de bevoegde afdeling behoort, " en worden de woorden " De afdeling " vervangen door de woorden " De bevoegde afdeling ";
3° in paragraaf 3 wordt de zinsnede " vermeld in de paragraaf 1 en 2 " vervangen door de zinsnede " vermeld in paragraaf 1 en 2 ".
Art. 105. Dans l'article 29 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le paragraphe 1er, les mots " Sur la proposition de la division, le Ministre prend une décision " sont remplacés par les mots " Le fonctionnaire dirigeant de l'agence ou du département auquel appartient la division compétente prend une décision ";
2° dans le paragraphe 2, les mots " le Ministre " sont remplacés par les mots " Le fonctionnaire dirigeant de l'agence ou du département auquel appartient la division compétente " et les mots " la division " sont remplacés par les mots " la division compétente ";
3° dans le paragraphe 3, les mots " visés aux §§ 1er et 2 " sont remplacés par les mots " visés aux paragraphes 1er et 2 ".
1° dans le paragraphe 1er, les mots " Sur la proposition de la division, le Ministre prend une décision " sont remplacés par les mots " Le fonctionnaire dirigeant de l'agence ou du département auquel appartient la division compétente prend une décision ";
2° dans le paragraphe 2, les mots " le Ministre " sont remplacés par les mots " Le fonctionnaire dirigeant de l'agence ou du département auquel appartient la division compétente " et les mots " la division " sont remplacés par les mots " la division compétente ";
3° dans le paragraphe 3, les mots " visés aux §§ 1er et 2 " sont remplacés par les mots " visés aux paragraphes 1er et 2 ".
Art. 106. In artikel 30 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden " de afdeling " worden vervangen door de woorden " de bevoegde afdeling ";
2° er wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
" Bij de betekening van de beslissing worden ook de beschikbare rechtsmiddelen, de bevoegde instanties die er kennis van nemen, alsook de te respecteren formaliteiten en termijnen vermeld. ".
1° de woorden " de afdeling " worden vervangen door de woorden " de bevoegde afdeling ";
2° er wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
" Bij de betekening van de beslissing worden ook de beschikbare rechtsmiddelen, de bevoegde instanties die er kennis van nemen, alsook de te respecteren formaliteiten en termijnen vermeld. ".
Art. 106. Dans l'article 30 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots " la division " sont remplacés par les mots " la division compétente ";
2° il est ajouté une phrase, rédigée comme suit :
" Lors de la notification de la décision, les moyens de droit disponibles, les instances compétentes qui en prennent connaissance, ainsi que les formalités à respecter et les délais sont également mentionnés. ".
1° les mots " la division " sont remplacés par les mots " la division compétente ";
2° il est ajouté une phrase, rédigée comme suit :
" Lors de la notification de la décision, les moyens de droit disponibles, les instances compétentes qui en prennent connaissance, ainsi que les formalités à respecter et les délais sont également mentionnés. ".
Art. 107. In artikel 31 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, 4 en 6 worden de woorden " de afdeling " vervangen door de woorden " de bevoegde afdeling ";
2° in paragraaf 2 worden de woorden " De afdeling " vervangen door de woorden " De bevoegde afdeling ";
3° in paragraaf 3 worden de woorden " De minister beslist op voorstel van de afdeling " vervangen door de zinsnede " De leidinggevende ambtenaar van het agentschap of departement waartoe de bevoegde afdeling behoort, beslist ".
1° in paragraaf 1, 4 en 6 worden de woorden " de afdeling " vervangen door de woorden " de bevoegde afdeling ";
2° in paragraaf 2 worden de woorden " De afdeling " vervangen door de woorden " De bevoegde afdeling ";
3° in paragraaf 3 worden de woorden " De minister beslist op voorstel van de afdeling " vervangen door de zinsnede " De leidinggevende ambtenaar van het agentschap of departement waartoe de bevoegde afdeling behoort, beslist ".
Art. 107. Dans l'article 31 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° dans les paragraphes 1er, 4 et 6, les mots " la division " sont remplacés par les mots " la division compétente ";
2° dans le paragraphe 2, les mots " La division " sont remplacés par les mots " La division compétente ";
3° dans le paragraphe 3, les mots " Le Ministre décide de l'équivalence complète ou partielle du titre sur la proposition de la division " sont remplacés par les mots " Le fonctionnaire dirigeant de l'agence ou du département auquel appartient la division compétente décide de l'équivalence complète ou partielle du titre ".
1° dans les paragraphes 1er, 4 et 6, les mots " la division " sont remplacés par les mots " la division compétente ";
2° dans le paragraphe 2, les mots " La division " sont remplacés par les mots " La division compétente ";
3° dans le paragraphe 3, les mots " Le Ministre décide de l'équivalence complète ou partielle du titre sur la proposition de la division " sont remplacés par les mots " Le fonctionnaire dirigeant de l'agence ou du département auquel appartient la division compétente décide de l'équivalence complète ou partielle du titre ".
Art. 108. In artikel 32 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
" De erkenning gaat in op de datum waarop het gebruik van de erkenning wordt gemeld aan de bevoegde afdeling en een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, wordt voorgelegd aan de bevoegde afdeling. ";
2° in paragraaf 2, 5°, wordt het woord " erkenningsvoorwaarde " vervangen door het woord " erkenningsvoorwaarden ";
3° aan paragraaf 2 wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 6° airco-energiedeskundige als vermeld in artikel 6, 1°, f) : de personen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 13/1. ";
4° aan paragraaf 2 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" De erkenning, vermeld in het eerste lid, 5°, gaat in op de datum waarop het gebruik van de erkenning wordt gemeld aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, en een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, wordt voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen. ".
1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
" De erkenning gaat in op de datum waarop het gebruik van de erkenning wordt gemeld aan de bevoegde afdeling en een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, wordt voorgelegd aan de bevoegde afdeling. ";
2° in paragraaf 2, 5°, wordt het woord " erkenningsvoorwaarde " vervangen door het woord " erkenningsvoorwaarden ";
3° aan paragraaf 2 wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 6° airco-energiedeskundige als vermeld in artikel 6, 1°, f) : de personen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 13/1. ";
4° aan paragraaf 2 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" De erkenning, vermeld in het eerste lid, 5°, gaat in op de datum waarop het gebruik van de erkenning wordt gemeld aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, en een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, wordt voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen. ".
Art. 108. Dans l'article 32 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa deux est remplacé par ce qui suit :
" L'agrément prend cours à la date à laquelle l'utilisation de l'agrément est notifiée à la division compétente et une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 54/1, § 2, est présentée à la division compétente. ";
2° dans le paragraphe 2, 5°, les mots " à la condition particulière d'agrément, visée " sont remplacés par les mots " aux conditions particulières d'agrément, visées ";
3° le paragraphe 2 est complété par un point 6°, rédigé comme suit :
" 6° expert en matière d'énergie et de systèmes de climatisation tel que visé à l'article 6, 1°, f) : les personnes qui répondent aux conditions particulières d'agrément, visées à l'article 13/1. ";
4° le paragraphe 2 est complété par un alinéa deux, rédigé comme suit :
" L'agrément, visé à l'alinéa premier, 5°, prend cours à la date à laquelle l'utilisation de l'agrément est notifiée à la division, compétente pour les autorisations écologiques, et une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 54/1, § 2, est présentée à la division, compétente pour les autorisations écologiques. ".
1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa deux est remplacé par ce qui suit :
" L'agrément prend cours à la date à laquelle l'utilisation de l'agrément est notifiée à la division compétente et une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 54/1, § 2, est présentée à la division compétente. ";
2° dans le paragraphe 2, 5°, les mots " à la condition particulière d'agrément, visée " sont remplacés par les mots " aux conditions particulières d'agrément, visées ";
3° le paragraphe 2 est complété par un point 6°, rédigé comme suit :
" 6° expert en matière d'énergie et de systèmes de climatisation tel que visé à l'article 6, 1°, f) : les personnes qui répondent aux conditions particulières d'agrément, visées à l'article 13/1. ";
4° le paragraphe 2 est complété par un alinéa deux, rédigé comme suit :
" L'agrément, visé à l'alinéa premier, 5°, prend cours à la date à laquelle l'utilisation de l'agrément est notifiée à la division, compétente pour les autorisations écologiques, et une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 54/1, § 2, est présentée à la division, compétente pour les autorisations écologiques. ".
Art. 109. In artikel 34 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
" De erkende persoon neemt daarbij een objectieve en onafhankelijke houding aan. Het is hem verboden om zijn erkenning te gebruiken als :
1° hij, in rechte of in feite, bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de opdrachtgever;
2° de opdrachtgever, zelf of met een tussenpersoon, in rechte of in feite bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de erkende persoon;
3° hij bloed- of aanverwant in de rechte lijn tot en met de derde graad en in de zijlijn tot en met de vierde graad is met de opdrachtgever;
4° er financiële banden zijn tussen hem en de opdrachtgever;
5° hij rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, gecontroleerd of beheerd wordt door de opdrachtgever. ";
2° aan paragraaf 1 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Het gebruiksverbod, vermeld in het tweede lid, is niet van toepassing op bodemsaneringsdeskundigen. Voor de bodemsaneringsdeskundige geldt de onverenigbaarheidsregeling, vermeld in artikel 53/5. ";
3° in paragraaf 5 en 8 worden de woorden " de afdeling " telkens vervangen door de woorden " de bevoegde afdeling ";
4° er wordt een paragraaf 9 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 9. De erkende persoon legt vijfjaarlijks een bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, voor aan de bevoegde afdeling. ".
1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
" De erkende persoon neemt daarbij een objectieve en onafhankelijke houding aan. Het is hem verboden om zijn erkenning te gebruiken als :
1° hij, in rechte of in feite, bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de opdrachtgever;
2° de opdrachtgever, zelf of met een tussenpersoon, in rechte of in feite bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de erkende persoon;
3° hij bloed- of aanverwant in de rechte lijn tot en met de derde graad en in de zijlijn tot en met de vierde graad is met de opdrachtgever;
4° er financiële banden zijn tussen hem en de opdrachtgever;
5° hij rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, gecontroleerd of beheerd wordt door de opdrachtgever. ";
2° aan paragraaf 1 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Het gebruiksverbod, vermeld in het tweede lid, is niet van toepassing op bodemsaneringsdeskundigen. Voor de bodemsaneringsdeskundige geldt de onverenigbaarheidsregeling, vermeld in artikel 53/5. ";
3° in paragraaf 5 en 8 worden de woorden " de afdeling " telkens vervangen door de woorden " de bevoegde afdeling ";
4° er wordt een paragraaf 9 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 9. De erkende persoon legt vijfjaarlijks een bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, voor aan de bevoegde afdeling. ".
Art. 109. Dans l'article 34 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa deux est remplacé par ce qui suit :
" Dans ce contexte, la personne agréée adopte une attitude objective et indépendante. Il lui est interdit d'utiliser son agrément :
1° lorsqu'elle, de droit ou de fait, assume des mandats de direction ou exerce des fonctions de direction auprès du donneur d'ordre;
2° lorsque le donneur d'ordre, lui-même ou par un intermédiaire, de droit ou de fait, assume des mandats de direction ou exerce des fonctions de direction auprès de la personne agréée;
3° lorsqu'elle est parente ou alliée en ligne directe jusqu'au troisième degré et en ligne collatérale jusqu'au quatrième degré du donneur d'ordre;
4° lorsqu'il existe des liens financiers entre elle et le donneur d'ordre;
5° lorsqu'elle est, directement ou indirectement, complètement ou partiellement, contrôlée ou gérée par le donneur d'ordre. ";
2° le paragraphe 1er est complété par un alinéa trois, rédigé comme suit :
" L'interdiction d'utilisation, visée à l'alinéa deux, ne s'applique pas aux experts en assainissement du sol. Le règlement d'incompatibilité, visé à l'article 53/5, s'applique à l'expert en assainissement du sol. ";
3° dans les paragraphes 5 et 8, les mots " la division " sont chaque fois remplacés par les mots " la division compétente ";
4° il est ajouté un paragraphe 9, rédigé comme suit :
" § 9. La personne agréée présente tous les cinq ans une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 54/1, § 2, à la division compétente. ".
1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa deux est remplacé par ce qui suit :
" Dans ce contexte, la personne agréée adopte une attitude objective et indépendante. Il lui est interdit d'utiliser son agrément :
1° lorsqu'elle, de droit ou de fait, assume des mandats de direction ou exerce des fonctions de direction auprès du donneur d'ordre;
2° lorsque le donneur d'ordre, lui-même ou par un intermédiaire, de droit ou de fait, assume des mandats de direction ou exerce des fonctions de direction auprès de la personne agréée;
3° lorsqu'elle est parente ou alliée en ligne directe jusqu'au troisième degré et en ligne collatérale jusqu'au quatrième degré du donneur d'ordre;
4° lorsqu'il existe des liens financiers entre elle et le donneur d'ordre;
5° lorsqu'elle est, directement ou indirectement, complètement ou partiellement, contrôlée ou gérée par le donneur d'ordre. ";
2° le paragraphe 1er est complété par un alinéa trois, rédigé comme suit :
" L'interdiction d'utilisation, visée à l'alinéa deux, ne s'applique pas aux experts en assainissement du sol. Le règlement d'incompatibilité, visé à l'article 53/5, s'applique à l'expert en assainissement du sol. ";
3° dans les paragraphes 5 et 8, les mots " la division " sont chaque fois remplacés par les mots " la division compétente ";
4° il est ajouté un paragraphe 9, rédigé comme suit :
" § 9. La personne agréée présente tous les cinq ans une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 54/1, § 2, à la division compétente. ".
Art. 110. In artikel 37 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt 1° wordt de zinsnede " in bijlage 8 " vervangen door de zinsnede " vermeld in bijlage 8, die bij dit besluit is gevoegd ";
2° in punt 3° wordt tussen de zinsnede " bijlage 7, " en het woord " bevat " de woorden " die bij dit besluit is gevoegd, " ingevoegd;
3° punt 5° wordt vervangen door wat volgt :
" 5° blijft op de hoogte van de recentste ontwikkelingen en wetgeving inzake de discipline geluid en trillingen door jaarlijks een bijscholing van minstens acht uur te volgen; ";
4° er worden een punt 8°, 9° en 10° toegevoegd, die luiden als volgt :
" 8° houdt de logboeken en de procedures, vermeld in bijlage 7/1, die bij dit besluit is gevoegd, ten minste vijf jaar bij;
9° kalibreert de meetapparatuur op de tijdstippen die hieronder aangegeven worden, en houdt de resultaten daarvan bij in een logboek :
a) eerstelijnskalibratie : ijking van meetapparatuur voor en na elke meting;
b) tweedelijnskalibratie : jaarlijkse reciproque ijking van meetapparatuur met behulp van een extern gekalibreerd referentiemeetapparaat;
c) derdelijnskalibratie : tweejaarlijkse externe ijking van een referentiemeetapparaat;
10° houdt de meetgegevens van onderzoeken in het kader van de erkenning ten minste vijf jaar bij. ".
1° in punt 1° wordt de zinsnede " in bijlage 8 " vervangen door de zinsnede " vermeld in bijlage 8, die bij dit besluit is gevoegd ";
2° in punt 3° wordt tussen de zinsnede " bijlage 7, " en het woord " bevat " de woorden " die bij dit besluit is gevoegd, " ingevoegd;
3° punt 5° wordt vervangen door wat volgt :
" 5° blijft op de hoogte van de recentste ontwikkelingen en wetgeving inzake de discipline geluid en trillingen door jaarlijks een bijscholing van minstens acht uur te volgen; ";
4° er worden een punt 8°, 9° en 10° toegevoegd, die luiden als volgt :
" 8° houdt de logboeken en de procedures, vermeld in bijlage 7/1, die bij dit besluit is gevoegd, ten minste vijf jaar bij;
9° kalibreert de meetapparatuur op de tijdstippen die hieronder aangegeven worden, en houdt de resultaten daarvan bij in een logboek :
a) eerstelijnskalibratie : ijking van meetapparatuur voor en na elke meting;
b) tweedelijnskalibratie : jaarlijkse reciproque ijking van meetapparatuur met behulp van een extern gekalibreerd referentiemeetapparaat;
c) derdelijnskalibratie : tweejaarlijkse externe ijking van een referentiemeetapparaat;
10° houdt de meetgegevens van onderzoeken in het kader van de erkenning ten minste vijf jaar bij. ".
Art. 110. Dans l'article 37 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le point 1°, les mots " à l'annexe 8 " sont remplacés par les mots " à l'annexe 8, jointe au présent arrêté ";
2° dans le point 3°, les mots " à l'annexe 7 " sont remplacés par les mots " à l'annexe 7, jointe au présent arrêté ";
3° le point 5° est remplacé par ce qui suit :
" 5° reste au courant des développements les plus récents et de la législation en matière de la discipline du bruit et des vibrations en suivant annuellement un perfectionnement annuel d'au moins huit heures; ";
4° les points 8°, 9° et 10° sont ajoutés, rédigés comme suit :
" 8° tient les livres de bord et les procédures, visés à l'annexe 7/1, jointe au présent arrêté, pendant au moins cinq ans;
9° étalonne les appareils de mesure aux moments indiqués ci-dessous, et en tient les résultats dans un livre de bord :
a) étalonnage primaire : étalonnage d'appareils de mesure avant et après chaque mesure;
b) étalonnage secondaire : étalonnage annuel réciproque d'appareils de mesure à l'aide d'un appareil de mesure de référence externe étalonné;
c) étalonnage tertiaire : étalonnage externe biennal d'un appareil de mesure de référence;
10° tient les données de mesure de recherches dans le cadre de l'agrément pendant au moins cinq ans. ".
1° dans le point 1°, les mots " à l'annexe 8 " sont remplacés par les mots " à l'annexe 8, jointe au présent arrêté ";
2° dans le point 3°, les mots " à l'annexe 7 " sont remplacés par les mots " à l'annexe 7, jointe au présent arrêté ";
3° le point 5° est remplacé par ce qui suit :
" 5° reste au courant des développements les plus récents et de la législation en matière de la discipline du bruit et des vibrations en suivant annuellement un perfectionnement annuel d'au moins huit heures; ";
4° les points 8°, 9° et 10° sont ajoutés, rédigés comme suit :
" 8° tient les livres de bord et les procédures, visés à l'annexe 7/1, jointe au présent arrêté, pendant au moins cinq ans;
9° étalonne les appareils de mesure aux moments indiqués ci-dessous, et en tient les résultats dans un livre de bord :
a) étalonnage primaire : étalonnage d'appareils de mesure avant et après chaque mesure;
b) étalonnage secondaire : étalonnage annuel réciproque d'appareils de mesure à l'aide d'un appareil de mesure de référence externe étalonné;
c) étalonnage tertiaire : étalonnage externe biennal d'un appareil de mesure de référence;
10° tient les données de mesure de recherches dans le cadre de l'agrément pendant au moins cinq ans. ".
Art. 111. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011, wordt een artikel 39/1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 39/1. De erkende airco-energiedeskundige, vermeld in artikel 6, 1°, f) :
1° toont op verzoek het materiaal dat hij gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;
2° voert de keuring, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, of artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM correct uit en interpreteert de resultaten correct;
3° bezorgt na iedere keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW als vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, of artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM, een verslag van de keuring aan de exploitant van het gebouw met het airconditioningsysteem. Het keuringsverslag bevat het resultaat van de keuring, alsook aanbevelingen voor een kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van het gekeurde systeem en, in voorkomend geval, de evaluatie van de aanbevelingen die bij de vorige keuring werden geformuleerd;
4° houdt alle gegevens van de keuring op dusdanige wijze bij dat een controle op het verloop van de keuring mogelijk is. Die gegevens en het keuringsverslag worden gedurende ten minste drie jaar bewaard en worden ter beschikking gehouden van de afdeling, bevoegd voor erkenningen, en de keuringsinstelling, vermeld in artikel 58/2;
5° houdt een overzichtslijst bij van alle keuringen als vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, of artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM, die hij in het voorbije kalenderjaar uitgevoerd heeft;
6° volgt vijfjaarlijks de bijscholing en slaagt voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/4, 2°, in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, f).
Als een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 13/1, 4°, na een termijn van vijf jaar na het behalen van het certificaat van bekwaamheid inzake de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW, vermeld in artikel 13/1, 3°, voorgelegd wordt, moet de airco-energiedeskundige de bijscholing gevolgd hebben en voor het bijhorende examen geslaagd zijn, vermeld in het eerste lid, van dit artikel, voor hij de erkenning van rechtswege, vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 6°, kan gebruiken. ".
" Art. 39/1. De erkende airco-energiedeskundige, vermeld in artikel 6, 1°, f) :
1° toont op verzoek het materiaal dat hij gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;
2° voert de keuring, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, of artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM correct uit en interpreteert de resultaten correct;
3° bezorgt na iedere keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW als vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, of artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM, een verslag van de keuring aan de exploitant van het gebouw met het airconditioningsysteem. Het keuringsverslag bevat het resultaat van de keuring, alsook aanbevelingen voor een kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van het gekeurde systeem en, in voorkomend geval, de evaluatie van de aanbevelingen die bij de vorige keuring werden geformuleerd;
4° houdt alle gegevens van de keuring op dusdanige wijze bij dat een controle op het verloop van de keuring mogelijk is. Die gegevens en het keuringsverslag worden gedurende ten minste drie jaar bewaard en worden ter beschikking gehouden van de afdeling, bevoegd voor erkenningen, en de keuringsinstelling, vermeld in artikel 58/2;
5° houdt een overzichtslijst bij van alle keuringen als vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, of artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM, die hij in het voorbije kalenderjaar uitgevoerd heeft;
6° volgt vijfjaarlijks de bijscholing en slaagt voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/4, 2°, in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, f).
Als een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 13/1, 4°, na een termijn van vijf jaar na het behalen van het certificaat van bekwaamheid inzake de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW, vermeld in artikel 13/1, 3°, voorgelegd wordt, moet de airco-energiedeskundige de bijscholing gevolgd hebben en voor het bijhorende examen geslaagd zijn, vermeld in het eerste lid, van dit artikel, voor hij de erkenning van rechtswege, vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 6°, kan gebruiken. ".
Art. 111. Dans le même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2011, il est inséré un article 39/1, rédigé comme suit :
" Art. 39/1. L'expert agréé en matière d'énergie et de systèmes de climatisation, visé à l'article 6, 1°, f) :
1° montre, sur demande, le matériel qu'il utilise lors de l'exécution des travaux relatifs à l'agrément;
2° exécute correctement le contrôle, visé à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, à l'article 5bis.15.5.4.5.4, § 6, alinéa premier, ou à l'article 5bis.19.8.4.8.4, § 6, alinéa premier, du titre II du VLAREM et interprète les résultats correctement;
3° transmet après chaque contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW tels que visés à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, à l'article 5bis.15.5.4.5.4, § 6, alinéa premier, ou à l'article 5bis.19.8.4.8.4, § 6, alinéa premier, du titre II du VLAREM, un rapport du contrôle à l'exploitant du bâtiment disposant du système de climatisation. Le rapport de contrôle comprend le résultat du contrôle, ainsi que des recommandations pour une amélioration rentable de la performance énergétique du système contrôlé et, le cas échéant, l'évaluation des recommandations qui ont été formulées lors du contrôle précédent;
4° tient toutes les données du contrôle d'une telle manière qu'un contrôle du déroulement du contrôle soit possible. Ces données et le rapport de contrôle sont conservés pendant au moins trois ans et sont tenus à la disposition de la division, compétente pour les agréments, et de l'organisme de contrôle, visé à l'article 58/2;
5° tient une liste récapitulative de tous les contrôles tels que visés à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, à l'article 5bis.15.5.4.5.4, § 6, alinéa premier, ou à l'article 5bis.19.8.4.8.4, § 6, alinéa premier, du titre II du VLAREM, qu'il a exécutés au cours de l'année calendaire écoulée;
6° suit tous les cinq ans le perfectionnement et réussit l'examen y afférent, visé à l'article 43/4, 2°, dans un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, f).
Lorsqu'une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 13/1, 4°, est présentée après un délai de cinq ans après l'obtention du certificat d'aptitude en matière de contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW, visé à l'article 13/1, 3°, l'expert en matière d'énergie et de systèmes de climatisation doit avoir suivi le perfectionnement et doit avoir réussi l'examen y afférent, visé à l'alinéa premier, du présent article, avant de pouvoir utiliser l'agrément de plein droit, visé à l'article 32, § 2, alinéa premier. ".
" Art. 39/1. L'expert agréé en matière d'énergie et de systèmes de climatisation, visé à l'article 6, 1°, f) :
1° montre, sur demande, le matériel qu'il utilise lors de l'exécution des travaux relatifs à l'agrément;
2° exécute correctement le contrôle, visé à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, à l'article 5bis.15.5.4.5.4, § 6, alinéa premier, ou à l'article 5bis.19.8.4.8.4, § 6, alinéa premier, du titre II du VLAREM et interprète les résultats correctement;
3° transmet après chaque contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW tels que visés à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, à l'article 5bis.15.5.4.5.4, § 6, alinéa premier, ou à l'article 5bis.19.8.4.8.4, § 6, alinéa premier, du titre II du VLAREM, un rapport du contrôle à l'exploitant du bâtiment disposant du système de climatisation. Le rapport de contrôle comprend le résultat du contrôle, ainsi que des recommandations pour une amélioration rentable de la performance énergétique du système contrôlé et, le cas échéant, l'évaluation des recommandations qui ont été formulées lors du contrôle précédent;
4° tient toutes les données du contrôle d'une telle manière qu'un contrôle du déroulement du contrôle soit possible. Ces données et le rapport de contrôle sont conservés pendant au moins trois ans et sont tenus à la disposition de la division, compétente pour les agréments, et de l'organisme de contrôle, visé à l'article 58/2;
5° tient une liste récapitulative de tous les contrôles tels que visés à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, à l'article 5bis.15.5.4.5.4, § 6, alinéa premier, ou à l'article 5bis.19.8.4.8.4, § 6, alinéa premier, du titre II du VLAREM, qu'il a exécutés au cours de l'année calendaire écoulée;
6° suit tous les cinq ans le perfectionnement et réussit l'examen y afférent, visé à l'article 43/4, 2°, dans un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, f).
Lorsqu'une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 13/1, 4°, est présentée après un délai de cinq ans après l'obtention du certificat d'aptitude en matière de contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW, visé à l'article 13/1, 3°, l'expert en matière d'énergie et de systèmes de climatisation doit avoir suivi le perfectionnement et doit avoir réussi l'examen y afférent, visé à l'alinéa premier, du présent article, avant de pouvoir utiliser l'agrément de plein droit, visé à l'article 32, § 2, alinéa premier. ".
Art. 112. In artikel 40 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° er worden een punt 4° en 5° toegevoegd, die luiden als volgt :
" 4° voert de keuring, onderhoudsbeurt of verwarmingsaudit, vermeld in artikel 12, 13, en 14 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van stooktoestellen, correct uit;
5° levert de attesten en rapporten af en houdt die ter beschikking, zoals bepaald in artikel 15 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van stooktoestellen. ".
2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Als een geldig bewijs van betaling van de desbetreffende retributie, vermeld in artikel 14, 3°, artikel 15, 3°, artikel 16, 4°, of artikel 17, 3°, na een termijn van vijf jaar na het behalen van het desbetreffende certificaat van bekwaamheid, vermeld in artikel 14, 2°, artikel 15, 2°, artikel 16, 3°, of artikel 17, 2°, voorgelegd wordt, moet de technicus de bijscholing, vermeld in het eerste lid, 3°, gevolgd hebben, en voor het bijhorende examen, vermeld in het eerste lid, 3°, geslaagd zijn voor hij de desbetreffende erkenning van rechtswege, vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 1° tot en met 4°, kan gebruiken. ";
1° er worden een punt 4° en 5° toegevoegd, die luiden als volgt :
" 4° voert de keuring, onderhoudsbeurt of verwarmingsaudit, vermeld in artikel 12, 13, en 14 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van stooktoestellen, correct uit;
5° levert de attesten en rapporten af en houdt die ter beschikking, zoals bepaald in artikel 15 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van stooktoestellen. ".
2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Als een geldig bewijs van betaling van de desbetreffende retributie, vermeld in artikel 14, 3°, artikel 15, 3°, artikel 16, 4°, of artikel 17, 3°, na een termijn van vijf jaar na het behalen van het desbetreffende certificaat van bekwaamheid, vermeld in artikel 14, 2°, artikel 15, 2°, artikel 16, 3°, of artikel 17, 2°, voorgelegd wordt, moet de technicus de bijscholing, vermeld in het eerste lid, 3°, gevolgd hebben, en voor het bijhorende examen, vermeld in het eerste lid, 3°, geslaagd zijn voor hij de desbetreffende erkenning van rechtswege, vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 1° tot en met 4°, kan gebruiken. ";
Art. 112. Dans l'article 40 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° il est ajouté les points 4° et 5°, rédigés comme suit :
" 4° exécute correctement le contrôle, l'entretien ou l'audit de chauffage, visé aux article 12, 13 et 14, de l'arrêté relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage;
5° délivre les attestations et rapports et les tient à disposition, tel que fixé à l'article 15 de l'arrêté relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage. ".
2° il est ajouté un alinéa deux, rédigé comme suit :
" Lorsqu'une preuve valable de paiement de la rétribution concernée, visée à l'article 14, 3°, à l'article 15, 3°, à l'article 16, 4°, ou à l'article 17, 3°, est présentée après un délai de cinq ans après l'obtention du certificat d'aptitude concerné, visé à l'article 14, 2°, à l'article 15, 2°, à l'article 16, 3°, ou à l'article 17, 2°, le technicien doit avoir suivi le perfectionnement, visé à l'alinéa premier, 3°, et doit avoir réussi l'examen y afférent, visé à l'alinéa premier, 3°, avant de pouvoir utiliser l'agrément concerné de plein droit, visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 1° à 4° inclus. ";
1° il est ajouté les points 4° et 5°, rédigés comme suit :
" 4° exécute correctement le contrôle, l'entretien ou l'audit de chauffage, visé aux article 12, 13 et 14, de l'arrêté relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage;
5° délivre les attestations et rapports et les tient à disposition, tel que fixé à l'article 15 de l'arrêté relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage. ".
2° il est ajouté un alinéa deux, rédigé comme suit :
" Lorsqu'une preuve valable de paiement de la rétribution concernée, visée à l'article 14, 3°, à l'article 15, 3°, à l'article 16, 4°, ou à l'article 17, 3°, est présentée après un délai de cinq ans après l'obtention du certificat d'aptitude concerné, visé à l'article 14, 2°, à l'article 15, 2°, à l'article 16, 3°, ou à l'article 17, 2°, le technicien doit avoir suivi le perfectionnement, visé à l'alinéa premier, 3°, et doit avoir réussi l'examen y afférent, visé à l'alinéa premier, 3°, avant de pouvoir utiliser l'agrément concerné de plein droit, visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 1° à 4° inclus. ";
Art. 113. In artikel 42 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 4° wordt vervangen door wat volgt :
" 4° brengt de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, minstens één maand vooraf op de hoogte van de datum van de examens en van de bespreking van de eindwerken. Een lijst met de vermelding van de titels van de eindwerken wordt gelijktijdig met de lijst van voormelde data aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, bezorgd. De afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, kan zetelen in de examen- of eindwerkjury; ";
2° punt 5° wordt vervangen door wat volgt :
" 5° stelt ten minste tweemaal per jaar een verslag op over de inhoudelijke werking van de opvolgingscommissie die waakt over de organisatie en de programma-inhoud van de cursussen. Dit verslag omvat minimaal een beschrijving van de vergadering en activiteiten, en wordt aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, bezorgd; ";
3° er worden een punt 6° en 7° toegevoegd, die luiden als volgt :
" 6° nodigt de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, uit op elke vergadering van de opvolgingscommissie. Het afdelingshoofd van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, of zijn afgevaardigde maken van rechtswege deel uit van de opvolgingscommissie;
7° moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, ambtenaren de mogelijkheid bieden om de opleidingen en examens bij te wonen. ".
1° punt 4° wordt vervangen door wat volgt :
" 4° brengt de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, minstens één maand vooraf op de hoogte van de datum van de examens en van de bespreking van de eindwerken. Een lijst met de vermelding van de titels van de eindwerken wordt gelijktijdig met de lijst van voormelde data aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, bezorgd. De afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, kan zetelen in de examen- of eindwerkjury; ";
2° punt 5° wordt vervangen door wat volgt :
" 5° stelt ten minste tweemaal per jaar een verslag op over de inhoudelijke werking van de opvolgingscommissie die waakt over de organisatie en de programma-inhoud van de cursussen. Dit verslag omvat minimaal een beschrijving van de vergadering en activiteiten, en wordt aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, bezorgd; ";
3° er worden een punt 6° en 7° toegevoegd, die luiden als volgt :
" 6° nodigt de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, uit op elke vergadering van de opvolgingscommissie. Het afdelingshoofd van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, of zijn afgevaardigde maken van rechtswege deel uit van de opvolgingscommissie;
7° moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, ambtenaren de mogelijkheid bieden om de opleidingen en examens bij te wonen. ".
Art. 113. Dans l'article 42 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° informe la division, compétente pour les autorisations écologiques, au moins un mois au préalable, de la date des examens et de la discussion des mémoires. Une liste mentionnant les titres des mémoires est transmise à la division, compétente pour les autorisations écologiques, en même temps que la liste des dates précitées. La division, compétente pour les autorisations écologiques, peut siéger dans le jury d'examen ou le jury de mémoire; ";
2° le point 5° est remplacé par ce qui suit :
" 5° établit au moins deux fois par an un rapport sur le fonctionnement de fond de la commission de suivi qui veille sur l'organisation et le contenu du programme des cours. Ce rapport comprend au minimum une description de la réunion et des activités, et est transmis à la division, compétente pour les autorisations écologiques; ";
3° il est ajouté les points 6° et 7°, rédigés comme suit :
" 6° invite la division, compétente pour les autorisations écologiques, à chaque réunion de la commission de suivi. Le chef de division de la division, compétente pour les autorisations écologiques, ou son mandataire, fait partie de la commission de suivi de plein droit;
7° doit, lorsque la division, compétente pour les autorisations écologiques, le demande, offrir aux fonctionnaires la possibilité d'assister aux formations et aux examens. ".
1° le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° informe la division, compétente pour les autorisations écologiques, au moins un mois au préalable, de la date des examens et de la discussion des mémoires. Une liste mentionnant les titres des mémoires est transmise à la division, compétente pour les autorisations écologiques, en même temps que la liste des dates précitées. La division, compétente pour les autorisations écologiques, peut siéger dans le jury d'examen ou le jury de mémoire; ";
2° le point 5° est remplacé par ce qui suit :
" 5° établit au moins deux fois par an un rapport sur le fonctionnement de fond de la commission de suivi qui veille sur l'organisation et le contenu du programme des cours. Ce rapport comprend au minimum une description de la réunion et des activités, et est transmis à la division, compétente pour les autorisations écologiques; ";
3° il est ajouté les points 6° et 7°, rédigés comme suit :
" 6° invite la division, compétente pour les autorisations écologiques, à chaque réunion de la commission de suivi. Le chef de division de la division, compétente pour les autorisations écologiques, ou son mandataire, fait partie de la commission de suivi de plein droit;
7° doit, lorsque la division, compétente pour les autorisations écologiques, le demande, offrir aux fonctionnaires la possibilité d'assister aux formations et aux examens. ".
Art. 114. Artikel 43 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 43. § 1. Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake vloeibare brandstof, vermeld in artikel 6, 4°, b), organiseert de opleiding met het bijhorende examen inzake vloeibare brandstof, waarvan de inhoud en de minimale duur van de opleiding worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 1, onderafdeling 1 en 2, die bij dit besluit is gevoegd, en organiseert, in voorkomend geval, de bijscholing met het bijhorende examen inzake vloeibare brandstof, waarvan de inhoud van de bijscholing en de minimale duur van de bijscholing en het bijhorende examen worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 1, onderafdeling 3, die bij dit besluit is gevoegd.
Het bijhorende examen bestaat uit vijf onderdelen :
1° een schriftelijk theoretisch deel;
2° een praktische proef;
3° een mondeling theoretisch deel;
4° een onderdeel over de kennis van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie;
5° een proef over de verwarmingsaudit.
De proef over de verwarmingsaudit bestaat uit het beoordelen van het rendement en de correcte dimensionering van centrale verwarmingsketels met het rekeninstrument, vermeld in artikel 14 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van stooktoestellen.
Een persoon is geslaagd voor het examen als hij voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° voor het schriftelijke theoretische deel, de praktische proef, het mondelinge theoretische deel en het onderdeel over de kennis van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie telkens minstens vijftig procent van de punten behalen en voor die vier onderdelen in totaal minstens zestig procent van de punten behalen;
2° voor de proef over de verwarmingsaudit minstens zestig procent van de punten behalen.
§ 2. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt een certificaat van bekwaamheid of, in voorkomend geval, van bijscholing inzake vloeibare brandstof uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in paragraaf 1.
Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
§ 3. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.
§ 4. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat door de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 14, 3°, of artikel 34, § 9, voorgelegd is, een kopie van dat bewijsaan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
§ 5. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de infrastructuur en het materiaal, vermeld in bijlage 1, hoofdstuk 1, afdeling 1, die bij dit besluit is gevoegd, om de opleiding, theoretische en praktische oefeningen, examens en, in voorkomend geval, de bijscholing te organiseren. De infrastructuur biedt elke leerling de mogelijkheid om zelf proefnemingen uit te voeren.
§ 6. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
§ 7. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding of, in voorkomend geval, van de bijscholing en het bijhorende examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, ambtenaren de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen. De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.
§ 8. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen. ".
" Art. 43. § 1. Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake vloeibare brandstof, vermeld in artikel 6, 4°, b), organiseert de opleiding met het bijhorende examen inzake vloeibare brandstof, waarvan de inhoud en de minimale duur van de opleiding worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 1, onderafdeling 1 en 2, die bij dit besluit is gevoegd, en organiseert, in voorkomend geval, de bijscholing met het bijhorende examen inzake vloeibare brandstof, waarvan de inhoud van de bijscholing en de minimale duur van de bijscholing en het bijhorende examen worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 1, onderafdeling 3, die bij dit besluit is gevoegd.
Het bijhorende examen bestaat uit vijf onderdelen :
1° een schriftelijk theoretisch deel;
2° een praktische proef;
3° een mondeling theoretisch deel;
4° een onderdeel over de kennis van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie;
5° een proef over de verwarmingsaudit.
De proef over de verwarmingsaudit bestaat uit het beoordelen van het rendement en de correcte dimensionering van centrale verwarmingsketels met het rekeninstrument, vermeld in artikel 14 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van stooktoestellen.
Een persoon is geslaagd voor het examen als hij voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° voor het schriftelijke theoretische deel, de praktische proef, het mondelinge theoretische deel en het onderdeel over de kennis van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie telkens minstens vijftig procent van de punten behalen en voor die vier onderdelen in totaal minstens zestig procent van de punten behalen;
2° voor de proef over de verwarmingsaudit minstens zestig procent van de punten behalen.
§ 2. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt een certificaat van bekwaamheid of, in voorkomend geval, van bijscholing inzake vloeibare brandstof uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in paragraaf 1.
Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
§ 3. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.
§ 4. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat door de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 14, 3°, of artikel 34, § 9, voorgelegd is, een kopie van dat bewijsaan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
§ 5. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de infrastructuur en het materiaal, vermeld in bijlage 1, hoofdstuk 1, afdeling 1, die bij dit besluit is gevoegd, om de opleiding, theoretische en praktische oefeningen, examens en, in voorkomend geval, de bijscholing te organiseren. De infrastructuur biedt elke leerling de mogelijkheid om zelf proefnemingen uit te voeren.
§ 6. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
§ 7. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding of, in voorkomend geval, van de bijscholing en het bijhorende examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, ambtenaren de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen. De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.
§ 8. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen. ".
Art. 114. L'article 43 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 43. § 1er. Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de combustibles liquides, visé à l'article 6, 4°, b), organise la formation et l'examen y afférent en matière de combustibles liquides, dont le contenu et la durée minimale de la formation sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 1re, sous-sections 1re et 2, jointe au présent arrêté, et organise, le cas échéant, le perfectionnement et l'examen y afférent en matière de combustibles liquides, dont le contenu du perfectionnement et la durée minimale du perfectionnement et l'examen y afférent sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 1re, sous-section 3, jointe au présent arrêté.
L'examen y afférent se compose de cinq parties :
1° une partie théorique écrite;
2° une épreuve pratique;
3° une partie théorique orale;
4° une partie sur la connaissance de la législation flamande et la terminologie y reprise;
5° une épreuve sur l'audit de chauffage.
L'épreuve sur l'audit de chauffage se compose de l'évaluation du rendement et le dimensionnement correct de chaudières de chauffage central à l'aide de l'instrument de calcul, visé à l'article 14 de l'arrêté relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage.
Une personne réussit l'examen lorsqu'elle répond aux conditions suivantes :
1° obtenir pour la partie théorique écrite, l'épreuve pratique, la partie théorique orale et la partie sur la connaissance de la législation flamande et la terminologie y reprise chaque fois au moins cinquante pour cent des points et obtenir au total pour ces quatre parties au moins soixante pour cent des points;
2° obtenir pour l'épreuve sur l'audit de chauffage au moins soixante pour cent des points.
§ 2. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre un certificat d'aptitude ou, le cas échéant, de perfectionnement en matière de combustibles liquides après qu'une personne a suivi la formation ou, le cas échéant, le perfectionnement et a réussi l'examen y afférent, visé au paragraphe 1er.
Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté. Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division, compétente pour les agréments. Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division, compétente pour les agréments. Une copie du certificat délivré est transmise à la division, compétente pour les agréments.
§ 3. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division, compétente pour les agréments. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données, visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.
§ 4. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après qu'une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 14, 3°, ou l'article 34, § 9, est présentée par le candidat reçu, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.
§ 5. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure et du matériel, visés à l'annexe 1re, chapitre 1er, section 1re, jointe au présent arrêté, afin d'organiser la formation, les exercices théoriques et pratiques, les examens et, le cas échéant, le perfectionnement. L'infrastructure donne l'opportunité à chaque participant d'effectuer lui-même des essais.
§ 6. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultat des examens des cinq dernières années.
§ 7. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division, compétente pour les agréments, au moins un mois avant le début d'une formation ou, le cas échéant, du perfectionnement, du lieu et de l'heure de la formation prévue ou, le cas échéant, du perfectionnement et de l'examen y afférent. Le centre de formation agréé doit, lorsque la division, compétente pour les agréments, le demande, offrir aux fonctionnaires la possibilité d'assister aux formations, aux perfectionnements et aux examens. La division, compétente pour les agréments, peut siéger dans le jury d'examen.
§ 8. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par la division, compétente pour les agréments. ".
" Art. 43. § 1er. Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de combustibles liquides, visé à l'article 6, 4°, b), organise la formation et l'examen y afférent en matière de combustibles liquides, dont le contenu et la durée minimale de la formation sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 1re, sous-sections 1re et 2, jointe au présent arrêté, et organise, le cas échéant, le perfectionnement et l'examen y afférent en matière de combustibles liquides, dont le contenu du perfectionnement et la durée minimale du perfectionnement et l'examen y afférent sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 1re, sous-section 3, jointe au présent arrêté.
L'examen y afférent se compose de cinq parties :
1° une partie théorique écrite;
2° une épreuve pratique;
3° une partie théorique orale;
4° une partie sur la connaissance de la législation flamande et la terminologie y reprise;
5° une épreuve sur l'audit de chauffage.
L'épreuve sur l'audit de chauffage se compose de l'évaluation du rendement et le dimensionnement correct de chaudières de chauffage central à l'aide de l'instrument de calcul, visé à l'article 14 de l'arrêté relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage.
Une personne réussit l'examen lorsqu'elle répond aux conditions suivantes :
1° obtenir pour la partie théorique écrite, l'épreuve pratique, la partie théorique orale et la partie sur la connaissance de la législation flamande et la terminologie y reprise chaque fois au moins cinquante pour cent des points et obtenir au total pour ces quatre parties au moins soixante pour cent des points;
2° obtenir pour l'épreuve sur l'audit de chauffage au moins soixante pour cent des points.
§ 2. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre un certificat d'aptitude ou, le cas échéant, de perfectionnement en matière de combustibles liquides après qu'une personne a suivi la formation ou, le cas échéant, le perfectionnement et a réussi l'examen y afférent, visé au paragraphe 1er.
Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté. Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division, compétente pour les agréments. Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division, compétente pour les agréments. Une copie du certificat délivré est transmise à la division, compétente pour les agréments.
§ 3. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division, compétente pour les agréments. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données, visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.
§ 4. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après qu'une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 14, 3°, ou l'article 34, § 9, est présentée par le candidat reçu, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.
§ 5. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure et du matériel, visés à l'annexe 1re, chapitre 1er, section 1re, jointe au présent arrêté, afin d'organiser la formation, les exercices théoriques et pratiques, les examens et, le cas échéant, le perfectionnement. L'infrastructure donne l'opportunité à chaque participant d'effectuer lui-même des essais.
§ 6. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultat des examens des cinq dernières années.
§ 7. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division, compétente pour les agréments, au moins un mois avant le début d'une formation ou, le cas échéant, du perfectionnement, du lieu et de l'heure de la formation prévue ou, le cas échéant, du perfectionnement et de l'examen y afférent. Le centre de formation agréé doit, lorsque la division, compétente pour les agréments, le demande, offrir aux fonctionnaires la possibilité d'assister aux formations, aux perfectionnements et aux examens. La division, compétente pour les agréments, peut siéger dans le jury d'examen.
§ 8. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par la division, compétente pour les agréments. ".
Art. 115. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011, worden een artikel 43/1 tot en met artikel 43/5 ingevoegd, die luiden als volgt :
" Art. 43/1. § 1. Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake gasvormige brandstof, vermeld in artikel 6, 4°, c), organiseert de opleiding met het bijhorende examen inzake gasvormige brandstof, waarvan de inhoud en de minimale duur van de opleiding worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 2, onderafdeling 1 tot en met 5, die bij dit besluit is gevoegd, en organiseert, in voorkomend geval, de bijscholing met het bijhorende examen inzake gasvormige brandstof waarvan de inhoud en de minimale duur van de bijscholing worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 2, onderafdeling 6, die bij dit besluit is gevoegd.
De opleiding en bijscholing gasvormige brandstof bestaan telkens uit drie modules : een basismodule G1 over algemeenheden met betrekking tot het verwarmen met gasvormige brandstof en over de atmosferische gastoestellen, en twee uitbreidingsmodules, namelijk module G2 over gasunits en module G3 over gasketels met ventilatorbrander. Na elke module volgt een examen.
Het bijhorende examen van de module G1 bestaat uit vijf onderdelen :
1° een schriftelijk theoretisch deel;
2° een praktische proef;
3° een mondeling theoretisch deel;
4° een onderdeel over de kennis van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie;
5° een proef over de verwarmingsaudit.
De proef over de verwarmingsaudit bestaat uit het beoordelen van het rendement en de correcte dimensionering van centrale verwarmingsketels met het rekeninstrument, vermeld in artikel 14 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van stooktoestellen.
Een persoon is geslaagd voor het examen module G1 als hij voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° voor het schriftelijke theoretische deel, de praktische proef, het mondelinge theoretische deel en het onderdeel over de kennis van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie telkens minstens vijftig procent van de punten behalen en voor die vier onderdelen in totaal minstens zestig procent van de punten behalen;
2° voor de proef over de verwarmingsaudit minstens zestig procent van de punten behalen.
Het bijhorende examen van de module G2 bestaat uit drie onderdelen :
1° een schriftelijk theoretisch deel;
2° een praktische proef;
3° een mondeling theoretisch deel.
Een persoon is geslaagd voor het examen module G2 als hij voor ieder onderdeel minstens vijftig procent van de punten behaalt en in totaal minstens zestig procent van de punten behaalt.
Het bijhorende examen van de module G3 bestaat uit drie onderdelen :
1° een schriftelijk theoretisch deel;
2° een praktische proef;
3° een mondeling theoretisch deel.
Een persoon is geslaagd voor het examen module G3 als hij voor ieder onderdeel minstens vijftig procent van de punten behaalt en in totaal minstens zestig procent van de punten behaalt.
§ 2. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, past de volgende voorwaarden voor toelating tot het bijhorende examen van de betreffende module toe :
1° aan het examen met betrekking tot de uitbreidingsmodule G2 over gasunits kan alleen deelgenomen worden door een technicus met een certificaat van bekwaamheid inzake gasvormige brandstof niveau G1;
2° aan het examen met betrekking tot de uitbreidingsmodule G3 over gasketels met ventilatorbrander kan alleen deelgenomen worden door een technicus met een certificaat van bekwaamheid inzake gasvormige brandstof niveau G2, die geslaagd is voor een voorafgaande test over elektriciteit.
§ 3. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt een certificaat van bekwaamheid of, in voorkomend geval, van bijscholing inzake gasvormige brandstof uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in paragraaf 1.
Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
§ 4. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.
§ 5. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van de betaling van de retributie, vermeld in artikel 15, 3°, of artikel 34, § 9, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
§ 6. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de infrastructuur en het materiaal, vermeld in bijlage 1, hoofdstuk 1, afdeling 2, die bij dit besluit is gevoegd, om de opleiding, theoretische en praktische oefeningen, examens en, in voorkomend geval, de bijscholing te organiseren. De infrastructuur biedt elke leerling de mogelijkheid om zelf proefnemingen uit te voeren.
§ 7. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
§ 8. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding of, in voorkomend geval, van de bijscholing en het bijhorende examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, ambtenaren de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen. De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.
§ 9. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
Art. 43/2. § 1. Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake verwarmingsaudit, vermeld in artikel 6, 4°, d), organiseert de opleiding met het bijhorende examen inzake de verwarmingsaudit, waarvan de inhoud en de minimale duur van de opleiding worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 4, onderafdeling 1, die bij dit besluit is gevoegd, en organiseert, in voorkomend geval, de bijscholing met het bijhorende examen inzake de verwarmingsaudit. De minister kan de inhoud en de minimale duur van de bijscholing vastleggen.
Het bijhorende examen bestaat uit twee onderdelen :
1° een schriftelijk deel;
2° een praktische proef.
De proef over de verwarmingsaudit bestaat uit het beoordelen van het rendement en de correcte dimensionering van centrale verwarmingsketels met software die geschikt is voor toestellen op vloeibare en gasvormige brandstof.
Een persoon is geslaagd voor het examen als hij in totaal minstens zestig procent van de punten behaalt.
§ 2. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt een certificaat van bekwaamheid of, in voorkomend geval, van bijscholing inzake de verwarmingsaudit uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in paragraaf 1.
Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
§ 3. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.
§ 4. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van de betaling van de retributie, vermeld in artikel 16, 4°, of artikel 34, § 9, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
§ 5. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de infrastructuur en het materiaal, vermeld in bijlage 1, hoofdstuk 1, afdeling 3, die bij dit besluit is gevoegd, om de opleiding, theoretische en praktische oefeningen, examens en, in voorkomend geval, de bijscholing te organiseren. De infrastructuur biedt elke leerling de mogelijkheid om zelf proefnemingen uit te voeren.
§ 6. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
§ 7. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing en het bijhorende examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, ambtenaren de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen. De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.
§ 8. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
Art. 43/3. § 1. Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, vermeld in artikel 6, 4°, e), organiseert de opleiding met het bijhorende examen inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, waarvan de inhoud en de minimale duur van de opleiding worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 5, onderafdeling 1 en 2, die bij dit besluit is gevoegd, en organiseert, in voorkomend geval, de bijscholing met het bijhorende examen inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, waarvan de inhoud en de minimale duur van de bijscholing worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 5, onderafdeling 3, die bij dit besluit is gevoegd.
Het bijhorende examen bestaat uit vier onderdelen :
1° een schriftelijk theoretisch deel;
2° een praktische proef;
3° een mondeling theoretisch deel;
4° een onderdeel over de kennis van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie.
De praktische proef wordt afgesloten met het invullen van het bijhorende certificaat van de gecontroleerde opslaghouder.
Een persoon is geslaagd voor het examen als hij voor ieder onderdeel minstens vijftig procent van de punten behaalt en in totaal minstens zestig procent van de punten behaalt.
§ 2. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt een certificaat van bekwaamheid of, in voorkomend geval, van bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in paragraaf 1.
Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
§ 3. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.
§ 4. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van de betaling van de retributie, vermeld in artikel 17, 3°, of artikel 34, § 9, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
§ 5. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de infrastructuur en het materiaal, vermeld in bijlage 1, hoofdstuk 1, afdeling 4, die bij dit besluit is gevoegd, om de opleiding, theoretische en praktische oefeningen, examens en, in voorkomend geval, de bijscholing te organiseren. De infrastructuur biedt elke leerling de mogelijkheid om zelf proefnemingen uit te voeren.
§ 6. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
§ 7. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding of, in voorkomend geval, van de bijscholing en het bijhorende examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, ambtenaren de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen. De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.
§ 8. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
Art. 43/4. § 1. Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW, vermeld in artikel 6, 4°, f), organiseert de opleiding met het bijhorende examen voor de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW waarvan de inhoud van de opleiding en de minimale duur van de opleiding en het bijhorende examen worden vastgelegd in bijlage 12, 1°, die bij dit besluit is gevoegd.
De opleiding bestaat uit drie modules :
1° module 1 : wetgeving;
2° module 2 : energetische aspecten;
3° module 3 : de correcte uitvoering van de keuring, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, en artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM.
Het bijhorende examen bestaat uit twee onderdelen :
1° een theorieonderdeel over de onderwerpen die in de opleiding aan bod zijn gekomen;
2° een oefening over de keuring, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, en artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM.
Een persoon is geslaagd voor het examen als hij voor ieder onderdeel minstens zeventig procent van de punten behaalt.
§ 2. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, organiseert de bijscholing met het bijhorende examen voor de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW waarvan de inhoud van de bijscholing en de minimale duur van de bijscholing en het bijhorende examen worden vastgelegd in bijlage 12, 2°, die bij dit besluit is gevoegd.
Het bijhorende examen bestaat uit een oefening met betrekking tot de keuring, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, en artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM.
Een persoon is geslaagd voor het examen als hij minstens zeventig procent van de punten behaalt.
§ 3. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt een certificaat van bekwaamheid of van bijscholing inzake de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing, gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in § 1, respectievelijk § 2.
Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
§ 4. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.
§ 5. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 13/1, 4°, of artikel 34, § 9, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
§ 6. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur en apparatuur om de opleiding, bijscholing en examens, vermeld in paragraaf 1 en 2, te organiseren.
§ 7. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
§ 8. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een opleiding of bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding of bijscholing en het bijhorende examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, ambtenaren de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen. De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.
§ 9. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
Art. 43/5. Het erkende opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, vermeld in artikel 6, 4°, g) :
1° beschikt over de nodige infrastructuur om de cursist in staat te stellen de nodige kennis en bekwaamheid te verwerven voor het vervullen van de taken van de bodemsaneringsdeskundige;
2° brengt de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, minstens één maand vooraf op de hoogte van de datum van de examens. De afdeling, bevoegd voor bodembeheer, kan zetelen in de examenjury;
3° moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, ambtenaren de mogelijkheid bieden om de opleidingen en examens bij te wonen;
4° nodigt de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, uit op elke vergadering van de opvolgingscommissie. Het afdelingshoofd van de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, of zijn afgevaardigde maakt van rechtswege deel uit van de opvolgingscommissie. De afdeling, bevoegd voor bodembeheer, wordt ook in het bezit gesteld van het verslag van de vergadering van de opvolgingscommissie. ".
" Art. 43/1. § 1. Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake gasvormige brandstof, vermeld in artikel 6, 4°, c), organiseert de opleiding met het bijhorende examen inzake gasvormige brandstof, waarvan de inhoud en de minimale duur van de opleiding worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 2, onderafdeling 1 tot en met 5, die bij dit besluit is gevoegd, en organiseert, in voorkomend geval, de bijscholing met het bijhorende examen inzake gasvormige brandstof waarvan de inhoud en de minimale duur van de bijscholing worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 2, onderafdeling 6, die bij dit besluit is gevoegd.
De opleiding en bijscholing gasvormige brandstof bestaan telkens uit drie modules : een basismodule G1 over algemeenheden met betrekking tot het verwarmen met gasvormige brandstof en over de atmosferische gastoestellen, en twee uitbreidingsmodules, namelijk module G2 over gasunits en module G3 over gasketels met ventilatorbrander. Na elke module volgt een examen.
Het bijhorende examen van de module G1 bestaat uit vijf onderdelen :
1° een schriftelijk theoretisch deel;
2° een praktische proef;
3° een mondeling theoretisch deel;
4° een onderdeel over de kennis van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie;
5° een proef over de verwarmingsaudit.
De proef over de verwarmingsaudit bestaat uit het beoordelen van het rendement en de correcte dimensionering van centrale verwarmingsketels met het rekeninstrument, vermeld in artikel 14 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van stooktoestellen.
Een persoon is geslaagd voor het examen module G1 als hij voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° voor het schriftelijke theoretische deel, de praktische proef, het mondelinge theoretische deel en het onderdeel over de kennis van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie telkens minstens vijftig procent van de punten behalen en voor die vier onderdelen in totaal minstens zestig procent van de punten behalen;
2° voor de proef over de verwarmingsaudit minstens zestig procent van de punten behalen.
Het bijhorende examen van de module G2 bestaat uit drie onderdelen :
1° een schriftelijk theoretisch deel;
2° een praktische proef;
3° een mondeling theoretisch deel.
Een persoon is geslaagd voor het examen module G2 als hij voor ieder onderdeel minstens vijftig procent van de punten behaalt en in totaal minstens zestig procent van de punten behaalt.
Het bijhorende examen van de module G3 bestaat uit drie onderdelen :
1° een schriftelijk theoretisch deel;
2° een praktische proef;
3° een mondeling theoretisch deel.
Een persoon is geslaagd voor het examen module G3 als hij voor ieder onderdeel minstens vijftig procent van de punten behaalt en in totaal minstens zestig procent van de punten behaalt.
§ 2. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, past de volgende voorwaarden voor toelating tot het bijhorende examen van de betreffende module toe :
1° aan het examen met betrekking tot de uitbreidingsmodule G2 over gasunits kan alleen deelgenomen worden door een technicus met een certificaat van bekwaamheid inzake gasvormige brandstof niveau G1;
2° aan het examen met betrekking tot de uitbreidingsmodule G3 over gasketels met ventilatorbrander kan alleen deelgenomen worden door een technicus met een certificaat van bekwaamheid inzake gasvormige brandstof niveau G2, die geslaagd is voor een voorafgaande test over elektriciteit.
§ 3. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt een certificaat van bekwaamheid of, in voorkomend geval, van bijscholing inzake gasvormige brandstof uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in paragraaf 1.
Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
§ 4. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.
§ 5. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van de betaling van de retributie, vermeld in artikel 15, 3°, of artikel 34, § 9, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
§ 6. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de infrastructuur en het materiaal, vermeld in bijlage 1, hoofdstuk 1, afdeling 2, die bij dit besluit is gevoegd, om de opleiding, theoretische en praktische oefeningen, examens en, in voorkomend geval, de bijscholing te organiseren. De infrastructuur biedt elke leerling de mogelijkheid om zelf proefnemingen uit te voeren.
§ 7. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
§ 8. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding of, in voorkomend geval, van de bijscholing en het bijhorende examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, ambtenaren de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen. De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.
§ 9. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
Art. 43/2. § 1. Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake verwarmingsaudit, vermeld in artikel 6, 4°, d), organiseert de opleiding met het bijhorende examen inzake de verwarmingsaudit, waarvan de inhoud en de minimale duur van de opleiding worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 4, onderafdeling 1, die bij dit besluit is gevoegd, en organiseert, in voorkomend geval, de bijscholing met het bijhorende examen inzake de verwarmingsaudit. De minister kan de inhoud en de minimale duur van de bijscholing vastleggen.
Het bijhorende examen bestaat uit twee onderdelen :
1° een schriftelijk deel;
2° een praktische proef.
De proef over de verwarmingsaudit bestaat uit het beoordelen van het rendement en de correcte dimensionering van centrale verwarmingsketels met software die geschikt is voor toestellen op vloeibare en gasvormige brandstof.
Een persoon is geslaagd voor het examen als hij in totaal minstens zestig procent van de punten behaalt.
§ 2. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt een certificaat van bekwaamheid of, in voorkomend geval, van bijscholing inzake de verwarmingsaudit uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in paragraaf 1.
Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
§ 3. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.
§ 4. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van de betaling van de retributie, vermeld in artikel 16, 4°, of artikel 34, § 9, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
§ 5. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de infrastructuur en het materiaal, vermeld in bijlage 1, hoofdstuk 1, afdeling 3, die bij dit besluit is gevoegd, om de opleiding, theoretische en praktische oefeningen, examens en, in voorkomend geval, de bijscholing te organiseren. De infrastructuur biedt elke leerling de mogelijkheid om zelf proefnemingen uit te voeren.
§ 6. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
§ 7. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing en het bijhorende examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, ambtenaren de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen. De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.
§ 8. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
Art. 43/3. § 1. Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, vermeld in artikel 6, 4°, e), organiseert de opleiding met het bijhorende examen inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, waarvan de inhoud en de minimale duur van de opleiding worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 5, onderafdeling 1 en 2, die bij dit besluit is gevoegd, en organiseert, in voorkomend geval, de bijscholing met het bijhorende examen inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, waarvan de inhoud en de minimale duur van de bijscholing worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 5, onderafdeling 3, die bij dit besluit is gevoegd.
Het bijhorende examen bestaat uit vier onderdelen :
1° een schriftelijk theoretisch deel;
2° een praktische proef;
3° een mondeling theoretisch deel;
4° een onderdeel over de kennis van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie.
De praktische proef wordt afgesloten met het invullen van het bijhorende certificaat van de gecontroleerde opslaghouder.
Een persoon is geslaagd voor het examen als hij voor ieder onderdeel minstens vijftig procent van de punten behaalt en in totaal minstens zestig procent van de punten behaalt.
§ 2. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt een certificaat van bekwaamheid of, in voorkomend geval, van bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in paragraaf 1.
Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
§ 3. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.
§ 4. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van de betaling van de retributie, vermeld in artikel 17, 3°, of artikel 34, § 9, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
§ 5. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de infrastructuur en het materiaal, vermeld in bijlage 1, hoofdstuk 1, afdeling 4, die bij dit besluit is gevoegd, om de opleiding, theoretische en praktische oefeningen, examens en, in voorkomend geval, de bijscholing te organiseren. De infrastructuur biedt elke leerling de mogelijkheid om zelf proefnemingen uit te voeren.
§ 6. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
§ 7. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding of, in voorkomend geval, van de bijscholing en het bijhorende examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, ambtenaren de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen. De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.
§ 8. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
Art. 43/4. § 1. Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW, vermeld in artikel 6, 4°, f), organiseert de opleiding met het bijhorende examen voor de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW waarvan de inhoud van de opleiding en de minimale duur van de opleiding en het bijhorende examen worden vastgelegd in bijlage 12, 1°, die bij dit besluit is gevoegd.
De opleiding bestaat uit drie modules :
1° module 1 : wetgeving;
2° module 2 : energetische aspecten;
3° module 3 : de correcte uitvoering van de keuring, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, en artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM.
Het bijhorende examen bestaat uit twee onderdelen :
1° een theorieonderdeel over de onderwerpen die in de opleiding aan bod zijn gekomen;
2° een oefening over de keuring, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, en artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM.
Een persoon is geslaagd voor het examen als hij voor ieder onderdeel minstens zeventig procent van de punten behaalt.
§ 2. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, organiseert de bijscholing met het bijhorende examen voor de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW waarvan de inhoud van de bijscholing en de minimale duur van de bijscholing en het bijhorende examen worden vastgelegd in bijlage 12, 2°, die bij dit besluit is gevoegd.
Het bijhorende examen bestaat uit een oefening met betrekking tot de keuring, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 6, eerste lid, en artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 6, eerste lid, van titel II van het VLAREM.
Een persoon is geslaagd voor het examen als hij minstens zeventig procent van de punten behaalt.
§ 3. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt een certificaat van bekwaamheid of van bijscholing inzake de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing, gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in § 1, respectievelijk § 2.
Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
§ 4. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.
§ 5. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, bezorgt binnen een maand nadat de geslaagde kandidaat een geldig bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 13/1, 4°, of artikel 34, § 9, voorgelegd heeft, een kopie van dat bewijs aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
§ 6. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur en apparatuur om de opleiding, bijscholing en examens, vermeld in paragraaf 1 en 2, te organiseren.
§ 7. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
§ 8. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, minstens een maand voor een opleiding of bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding of bijscholing en het bijhorende examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor erkenningen, ambtenaren de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen. De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan zetelen in de examenjury.
§ 9. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
Art. 43/5. Het erkende opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, vermeld in artikel 6, 4°, g) :
1° beschikt over de nodige infrastructuur om de cursist in staat te stellen de nodige kennis en bekwaamheid te verwerven voor het vervullen van de taken van de bodemsaneringsdeskundige;
2° brengt de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, minstens één maand vooraf op de hoogte van de datum van de examens. De afdeling, bevoegd voor bodembeheer, kan zetelen in de examenjury;
3° moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, ambtenaren de mogelijkheid bieden om de opleidingen en examens bij te wonen;
4° nodigt de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, uit op elke vergadering van de opvolgingscommissie. Het afdelingshoofd van de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, of zijn afgevaardigde maakt van rechtswege deel uit van de opvolgingscommissie. De afdeling, bevoegd voor bodembeheer, wordt ook in het bezit gesteld van het verslag van de vergadering van de opvolgingscommissie. ".
Art. 115. Dans le même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2011, sont insérés les articles 43/1 à 43/5 inclus, rédigés comme suit :
" Art. 43/1. § 1er. Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de combustibles gazeux, visé à l'article 6, 4°, c), organise la formation et l'examen y afférent en matière de combustibles gazeux, dont le contenu et la durée minimale de la formation sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 2, sous-sections 1re à 5 inclus, jointe au présent arrêté, et organise, le cas échéant, le perfectionnement et l'examen y afférent en matière de combustibles gazeux, dont le contenu et la durée minimale du perfectionnement sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 2, sous-section 6, jointe au présent arrêté.
La formation et le perfectionnement en matière de combustibles gazeux comprennent chaque fois trois modules : un module de base G1 ayant trait aux généralités relatives au chauffage aux combustibles gazeux et aux appareils atmosphériques à gaz, et deux modules d'extension, à savoir le module G2 sur les unités à gaz et le module G3 sur les chaudières à gaz à brûleur à air pulsé. Chaque module est suivi d'un examen.
L'examen afférent au module G1 se compose de cinq parties :
1° une partie théorique écrite;
2° une épreuve pratique;
3° une partie théorique orale;
4° une partie sur la connaissance de la législation flamande et la terminologie y reprise;
5° une épreuve sur l'audit de chauffage.
L'épreuve sur l'audit de chauffage se compose de l'évaluation du rendement et le dimensionnement correct de chaudières de chauffage central à l'aide de l'instrument de calcul, visé à l'article 14 de l'arrêté relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage.
Une personne réussit l'examen du module G1 lorsqu'elle répond aux conditions suivantes :
1° obtenir pour la partie théorique écrite, l'épreuve pratique, la partie théorique orale et la partie sur la connaissance de la législation flamande et la terminologie y reprise chaque fois au moins cinquante pour cent des points et obtenir au total pour ces quatre parties au moins soixante pour cent des points;
2° obtenir pour l'épreuve sur l'audit de chauffage au moins soixante pour cent des points.
L'examen afférent au module G2 se compose de trois parties :
1° une partie théorique écrite;
2° une épreuve pratique;
3° une partie théorique orale.
Une personne réussit l'examen du module G2 lorsqu'elle obtient pour chaque partie au moins cinquante pour cent des points et au total au moins soixante pour cent des points.
L'examen afférent au module G3 se compose de trois parties :
1° une partie théorique écrite;
2° une épreuve pratique;
3° une partie théorique orale.
Une personne réussit l'examen du module G3 lorsqu'elle obtient pour chaque partie au moins cinquante pour cent des points et au total au moins soixante pour cent des points.
§ 2. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, applique les conditions suivantes d'admission à l'examen afférent du module concerné :
1° seulement un technicien ayant un certificat d'aptitude en combustibles gazeux du niveau G1 peut participer à l'examen ayant trait au module d'extension G2 sur les unités à gaz;
2° seulement un technicien ayant un certificat d'aptitude en combustibles gazeux du niveau G2, qui a réussi une épreuve préalable en électricité, peut participer à l'examen ayant trait au module d'extension G3 sur les chaudières à gaz à brûleur à air pulsé.
§ 3. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre un certificat d'aptitude ou, le cas échéant, de perfectionnement en matière de combustibles gazeux après qu'une personne a suivi la formation ou, le cas échéant, le perfectionnement et a réussi l'examen y afférent, visé au paragraphe 1er.
Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté. Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division, compétente pour les agréments. Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division, compétente pour les agréments. Une copie du certificat délivré est transmise à la division, compétente pour les agréments.
§ 4. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division, compétente pour les agréments. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données, visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.
§ 5. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après que le candidat reçu a présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 15, 3°, ou l'article 34, § 9, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.
§ 6. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure et du matériel, visés à l'annexe 1re, chapitre 1er, section 2, jointe au présent arrêté, afin d'organiser la formation, les exercices théoriques et pratiques, les examens et, le cas échéant, le perfectionnement. L'infrastructure donne l'opportunité à chaque participant d'effectuer lui-même des essais.
§ 7. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultat des examens des cinq dernières années.
§ 8. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division, compétente pour les agréments, au moins un mois avant le début d'une formation ou, le cas échéant, du perfectionnement, du lieu et de l'heure de la formation prévue ou, le cas échéant, du perfectionnement et de l'examen y afférent. Le centre de formation agréé doit, lorsque la division, compétente pour les agréments, le demande, offrir aux fonctionnaires la possibilité d'assister aux formations, aux perfectionnements et aux examens. La division, compétente pour les agréments, peut siéger dans le jury d'examen.
§ 9. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par la division, compétente pour les agréments.
Art. 43/2. § 1er. Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière d'audit de chauffage, visé à l'article 6, 4°, d), organise la formation et l'examen y afférent en matière d'audit de chauffage, dont le contenu et la durée minimale de la formation sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 4, sous-sections 1re, jointe au présent arrêté, et organise, le cas échéant, le perfectionnement et l'examen y afférent en matière d'audit de chauffage. Le Ministre peut fixer le contenu et la durée minimale du perfectionnement.
L'examen y afférent se compose de deux parties :
1° une partie écrite;
2° une épreuve pratique.
L'épreuve sur l'audit de chauffage se compose de l'évaluation du rendement et le dimensionnement correct de chaudières de chauffage central à l'aide d'un logiciel qui convient aux appareils alimentés en combustibles liquides et gazeux.
Une personne réussit l'examen lorsqu'elle obtient au total au moins soixante pour cent des points.
§ 2. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre un certificat d'aptitude ou, le cas échéant, de perfectionnement en matière d'audit de chauffage après qu'une personne a suivi la formation ou, le cas échéant, le perfectionnement et a réussi l'examen y afférent, visé au paragraphe 1er.
Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté. Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division, compétente pour les agréments. Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division, compétente pour les agréments. Une copie du certificat délivré est transmise à la division, compétente pour les agréments.
§ 3. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division, compétente pour les agréments. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données, visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.
§ 4. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après que le candidat reçu a présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 16, 4°, ou l'article 34, § 9, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.
§ 5. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure et du matériel, visés à l'annexe 1re, chapitre 1er, section 3, jointe au présent arrêté, afin d'organiser la formation, les exercices théoriques et pratiques, les examens et, le cas échéant, le perfectionnement. L'infrastructure donne l'opportunité à chaque participant d'effectuer lui-même des essais.
§ 6. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultat des examens des cinq dernières années.
§ 7. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division, compétente pour les agréments, au moins un mois avant le début d'une formation ou, le cas échéant, du perfectionnement, du lieu et de l'heure de la formation prévue ou, le cas échéant, du perfectionnement et de l'examen y afférent. Le centre de formation agréé doit, lorsque la division, compétente pour les agréments, le demande, offrir aux fonctionnaires la possibilité d'assister aux formations, aux perfectionnements et aux examens. La division, compétente pour les agréments, peut siéger dans le jury d'examen.
§ 8. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par la division, compétente pour les agréments.
Art. 43/3. § 1er. Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout, visé à l'article 6, 4°, e), organise la formation et l'examen y afférent en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout, dont le contenu et la durée minimale de la formation sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 5, sous-sections 1re et 2, jointe au présent arrêté, et organise, le cas échéant, le perfectionnement et l'examen y afférent en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout, dont le contenu et la durée minimale du perfectionnement sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 5, sous-section 3, jointe au présent arrêté.
L'examen y afférent se compose de quatre parties :
1° une partie théorique écrite;
2° une épreuve pratique;
3° une partie théorique orale;
4° une partie sur la connaissance de la législation flamande et la terminologie y reprise.
L'épreuve pratique se termine par le fait de remplir le certificat afférent de l'installation de stockage contrôlée.
Une personne réussit l'examen lorsqu'elle obtient pour chaque partie au moins cinquante pour cent des points et au total au moins soixante pour cent des points.
§ 2. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre un certificat d'aptitude ou, le cas échéant, de perfectionnement en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout après qu'une personne a suivi la formation ou, le cas échéant, le perfectionnement et a réussi l'examen y afférent, visé au paragraphe 1er.
Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté. Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division, compétente pour les agréments. Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division, compétente pour les agréments. Une copie du certificat délivré est transmise à la division, compétente pour les agréments.
§ 3. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division, compétente pour les agréments. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données, visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.
§ 4. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après que le candidat reçu a présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 17, 3°, ou l'article 34, § 9, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.
§ 5. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure et du matériel, visés à l'annexe 1re, chapitre 1er, section 4, jointe au présent arrêté, afin d'organiser la formation, les exercices théoriques et pratiques, les examens et, le cas échéant, le perfectionnement. L'infrastructure donne l'opportunité à chaque participant d'effectuer lui-même des essais.
§ 6. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultat des examens des cinq dernières années.
§ 7. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division, compétente pour les agréments, au moins un mois avant le début d'une formation ou, le cas échéant, du perfectionnement, du lieu et de l'heure de la formation prévue ou, le cas échéant, du perfectionnement et de l'examen y afférent. Le centre de formation agréé doit, lorsque la division, compétente pour les agréments, le demande, offrir aux fonctionnaires la possibilité d'assister aux formations, aux perfectionnements et aux examens. La division, compétente pour les agréments, peut siéger dans le jury d'examen.
§ 8. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par la division, compétente pour les agréments.
Art. 43/4. § 1er. Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW, visé à l'article 6, 4°, f), organise la formation et l'examen y afférent en matière de contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW, dont le contenu de la formation et la durée minimale de la formation et l'examen y afférent sont fixés dans l'annexe 12, 1°, jointe au présent arrêté.
La formation se compose de trois modules :
1° module 1 : législation;
2° module 2 : aspects énergétiques;
3° module 3 : l'exécution correcte du contrôle, visé à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, à l'article 5bis.15.5.4.5.4, § 6, alinéa premier, et à l'article 5bis.19.8.4.8.4, § 6, alinéa premier, du titre II du VLAREM.
L'examen y afférent se compose de deux parties :
1° une partie théorique sur les sujets qui ont été abordés lors de la formation;
2° un exercice sur le contrôle, visé à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, à l'article 5bis.15.5.4.5.4, § 6, alinéa premier, et à l'article 5bis.19.8.4.8.4, § 6, alinéa premier, du titre II du VLAREM.
Une personne réussit l'examen lorsqu'elle obtient pour chaque partie au moins soixante-dix pour cent des points.
§ 2. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, organise le perfectionnement et l'examen y afférent en matière de contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW, dont le contenu du perfectionnement et la durée minimale du perfectionnement et l'examen y afférent sont fixés dans l'annexe 12, 2°, jointe au présent arrêté.
L'examen afférent se compose d'un exercice relatif au contrôle, visé à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, à l'article 5bis.15.5.4.5.4, § 6, alinéa premier, et à l'article 5bis.19.8.4.8.4, § 6, alinéa premier, du titre II du VLAREM.
Une personne réussit l'examen lorsqu'elle obtient au moins soixante-dix pour cent des points.
§ 3. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre un certificat d'aptitude ou de perfectionnement en matière de contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW après qu'une personne a suivi la formation ou, le cas échéant, le perfectionnement et a réussi l'examen y afférent, visé au § 1er, respectivement au § 2.
Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté. Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division, compétente pour les agréments. Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division, compétente pour les agréments. Une copie du certificat délivré est transmise à la division, compétente pour les agréments.
§ 4. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division, compétente pour les agréments. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données, visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.
§ 5. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après que le candidat reçu a présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 13/1, 4°, ou l'article 34, § 9, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.
§ 6. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure nécessaire et des appareils afin d'organiser la formation, le perfectionnement et les examens, visés aux paragraphes 1er et 2.
§ 7. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultat des examens des cinq dernières années.
§ 8. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division, compétente pour les agréments, au moins un mois avant le début d'une formation ou d'un perfectionnement, du lieu et de l'heure de la formation prévue ou du perfectionnement prévu et de l'examen y afférent. Le centre de formation agréé doit, lorsque la division, compétente pour les agréments, le demande, offrir aux fonctionnaires la possibilité d'assister aux formations, aux perfectionnements et aux examens. La division, compétente pour les agréments, peut siéger dans le jury d'examen.
§ 9. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par la division, compétente pour les agréments.
Art. 43/5. Le centre de formation agréé pour dispenser la formation complémentaire destinée aux experts en assainissement du sol, visé à l'article 6, 4°, g) :
1° dispose de l'infrastructure nécessaire afin de permettre au participant d'acquérir les connaissances nécessaires et les aptitudes pour accomplir les tâches de l'expert en assainissement du sol;
2° informe la division, compétente pour la gestion du sol, au moins un mois au préalable, de la date des examens. La division, compétente pour la gestion du sol, peut siéger dans le jury d'examen;
3° doit, lorsque la division, compétente pour la gestion du sol, le demande, offrir aux fonctionnaires la possibilité d'assister aux formations et aux examens;
4° invite la division, compétente pour la gestion du sol, à chaque réunion de la commission de suivi. Le chef de division de la division, compétente pour la gestion du sol, ou son mandataire, fait partie de la commission de suivi de plein droit. La division, compétente pour la gestion du sol, est également mise en possession du rapport de la réunion de la commission de suivi. ".
" Art. 43/1. § 1er. Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de combustibles gazeux, visé à l'article 6, 4°, c), organise la formation et l'examen y afférent en matière de combustibles gazeux, dont le contenu et la durée minimale de la formation sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 2, sous-sections 1re à 5 inclus, jointe au présent arrêté, et organise, le cas échéant, le perfectionnement et l'examen y afférent en matière de combustibles gazeux, dont le contenu et la durée minimale du perfectionnement sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 2, sous-section 6, jointe au présent arrêté.
La formation et le perfectionnement en matière de combustibles gazeux comprennent chaque fois trois modules : un module de base G1 ayant trait aux généralités relatives au chauffage aux combustibles gazeux et aux appareils atmosphériques à gaz, et deux modules d'extension, à savoir le module G2 sur les unités à gaz et le module G3 sur les chaudières à gaz à brûleur à air pulsé. Chaque module est suivi d'un examen.
L'examen afférent au module G1 se compose de cinq parties :
1° une partie théorique écrite;
2° une épreuve pratique;
3° une partie théorique orale;
4° une partie sur la connaissance de la législation flamande et la terminologie y reprise;
5° une épreuve sur l'audit de chauffage.
L'épreuve sur l'audit de chauffage se compose de l'évaluation du rendement et le dimensionnement correct de chaudières de chauffage central à l'aide de l'instrument de calcul, visé à l'article 14 de l'arrêté relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage.
Une personne réussit l'examen du module G1 lorsqu'elle répond aux conditions suivantes :
1° obtenir pour la partie théorique écrite, l'épreuve pratique, la partie théorique orale et la partie sur la connaissance de la législation flamande et la terminologie y reprise chaque fois au moins cinquante pour cent des points et obtenir au total pour ces quatre parties au moins soixante pour cent des points;
2° obtenir pour l'épreuve sur l'audit de chauffage au moins soixante pour cent des points.
L'examen afférent au module G2 se compose de trois parties :
1° une partie théorique écrite;
2° une épreuve pratique;
3° une partie théorique orale.
Une personne réussit l'examen du module G2 lorsqu'elle obtient pour chaque partie au moins cinquante pour cent des points et au total au moins soixante pour cent des points.
L'examen afférent au module G3 se compose de trois parties :
1° une partie théorique écrite;
2° une épreuve pratique;
3° une partie théorique orale.
Une personne réussit l'examen du module G3 lorsqu'elle obtient pour chaque partie au moins cinquante pour cent des points et au total au moins soixante pour cent des points.
§ 2. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, applique les conditions suivantes d'admission à l'examen afférent du module concerné :
1° seulement un technicien ayant un certificat d'aptitude en combustibles gazeux du niveau G1 peut participer à l'examen ayant trait au module d'extension G2 sur les unités à gaz;
2° seulement un technicien ayant un certificat d'aptitude en combustibles gazeux du niveau G2, qui a réussi une épreuve préalable en électricité, peut participer à l'examen ayant trait au module d'extension G3 sur les chaudières à gaz à brûleur à air pulsé.
§ 3. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre un certificat d'aptitude ou, le cas échéant, de perfectionnement en matière de combustibles gazeux après qu'une personne a suivi la formation ou, le cas échéant, le perfectionnement et a réussi l'examen y afférent, visé au paragraphe 1er.
Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté. Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division, compétente pour les agréments. Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division, compétente pour les agréments. Une copie du certificat délivré est transmise à la division, compétente pour les agréments.
§ 4. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division, compétente pour les agréments. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données, visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.
§ 5. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après que le candidat reçu a présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 15, 3°, ou l'article 34, § 9, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.
§ 6. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure et du matériel, visés à l'annexe 1re, chapitre 1er, section 2, jointe au présent arrêté, afin d'organiser la formation, les exercices théoriques et pratiques, les examens et, le cas échéant, le perfectionnement. L'infrastructure donne l'opportunité à chaque participant d'effectuer lui-même des essais.
§ 7. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultat des examens des cinq dernières années.
§ 8. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division, compétente pour les agréments, au moins un mois avant le début d'une formation ou, le cas échéant, du perfectionnement, du lieu et de l'heure de la formation prévue ou, le cas échéant, du perfectionnement et de l'examen y afférent. Le centre de formation agréé doit, lorsque la division, compétente pour les agréments, le demande, offrir aux fonctionnaires la possibilité d'assister aux formations, aux perfectionnements et aux examens. La division, compétente pour les agréments, peut siéger dans le jury d'examen.
§ 9. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par la division, compétente pour les agréments.
Art. 43/2. § 1er. Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière d'audit de chauffage, visé à l'article 6, 4°, d), organise la formation et l'examen y afférent en matière d'audit de chauffage, dont le contenu et la durée minimale de la formation sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 4, sous-sections 1re, jointe au présent arrêté, et organise, le cas échéant, le perfectionnement et l'examen y afférent en matière d'audit de chauffage. Le Ministre peut fixer le contenu et la durée minimale du perfectionnement.
L'examen y afférent se compose de deux parties :
1° une partie écrite;
2° une épreuve pratique.
L'épreuve sur l'audit de chauffage se compose de l'évaluation du rendement et le dimensionnement correct de chaudières de chauffage central à l'aide d'un logiciel qui convient aux appareils alimentés en combustibles liquides et gazeux.
Une personne réussit l'examen lorsqu'elle obtient au total au moins soixante pour cent des points.
§ 2. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre un certificat d'aptitude ou, le cas échéant, de perfectionnement en matière d'audit de chauffage après qu'une personne a suivi la formation ou, le cas échéant, le perfectionnement et a réussi l'examen y afférent, visé au paragraphe 1er.
Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté. Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division, compétente pour les agréments. Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division, compétente pour les agréments. Une copie du certificat délivré est transmise à la division, compétente pour les agréments.
§ 3. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division, compétente pour les agréments. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données, visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.
§ 4. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après que le candidat reçu a présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 16, 4°, ou l'article 34, § 9, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.
§ 5. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure et du matériel, visés à l'annexe 1re, chapitre 1er, section 3, jointe au présent arrêté, afin d'organiser la formation, les exercices théoriques et pratiques, les examens et, le cas échéant, le perfectionnement. L'infrastructure donne l'opportunité à chaque participant d'effectuer lui-même des essais.
§ 6. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultat des examens des cinq dernières années.
§ 7. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division, compétente pour les agréments, au moins un mois avant le début d'une formation ou, le cas échéant, du perfectionnement, du lieu et de l'heure de la formation prévue ou, le cas échéant, du perfectionnement et de l'examen y afférent. Le centre de formation agréé doit, lorsque la division, compétente pour les agréments, le demande, offrir aux fonctionnaires la possibilité d'assister aux formations, aux perfectionnements et aux examens. La division, compétente pour les agréments, peut siéger dans le jury d'examen.
§ 8. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par la division, compétente pour les agréments.
Art. 43/3. § 1er. Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout, visé à l'article 6, 4°, e), organise la formation et l'examen y afférent en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout, dont le contenu et la durée minimale de la formation sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 5, sous-sections 1re et 2, jointe au présent arrêté, et organise, le cas échéant, le perfectionnement et l'examen y afférent en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout, dont le contenu et la durée minimale du perfectionnement sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 5, sous-section 3, jointe au présent arrêté.
L'examen y afférent se compose de quatre parties :
1° une partie théorique écrite;
2° une épreuve pratique;
3° une partie théorique orale;
4° une partie sur la connaissance de la législation flamande et la terminologie y reprise.
L'épreuve pratique se termine par le fait de remplir le certificat afférent de l'installation de stockage contrôlée.
Une personne réussit l'examen lorsqu'elle obtient pour chaque partie au moins cinquante pour cent des points et au total au moins soixante pour cent des points.
§ 2. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre un certificat d'aptitude ou, le cas échéant, de perfectionnement en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout après qu'une personne a suivi la formation ou, le cas échéant, le perfectionnement et a réussi l'examen y afférent, visé au paragraphe 1er.
Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté. Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division, compétente pour les agréments. Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division, compétente pour les agréments. Une copie du certificat délivré est transmise à la division, compétente pour les agréments.
§ 3. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division, compétente pour les agréments. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données, visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.
§ 4. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après que le candidat reçu a présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 17, 3°, ou l'article 34, § 9, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.
§ 5. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure et du matériel, visés à l'annexe 1re, chapitre 1er, section 4, jointe au présent arrêté, afin d'organiser la formation, les exercices théoriques et pratiques, les examens et, le cas échéant, le perfectionnement. L'infrastructure donne l'opportunité à chaque participant d'effectuer lui-même des essais.
§ 6. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultat des examens des cinq dernières années.
§ 7. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division, compétente pour les agréments, au moins un mois avant le début d'une formation ou, le cas échéant, du perfectionnement, du lieu et de l'heure de la formation prévue ou, le cas échéant, du perfectionnement et de l'examen y afférent. Le centre de formation agréé doit, lorsque la division, compétente pour les agréments, le demande, offrir aux fonctionnaires la possibilité d'assister aux formations, aux perfectionnements et aux examens. La division, compétente pour les agréments, peut siéger dans le jury d'examen.
§ 8. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par la division, compétente pour les agréments.
Art. 43/4. § 1er. Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW, visé à l'article 6, 4°, f), organise la formation et l'examen y afférent en matière de contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW, dont le contenu de la formation et la durée minimale de la formation et l'examen y afférent sont fixés dans l'annexe 12, 1°, jointe au présent arrêté.
La formation se compose de trois modules :
1° module 1 : législation;
2° module 2 : aspects énergétiques;
3° module 3 : l'exécution correcte du contrôle, visé à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, à l'article 5bis.15.5.4.5.4, § 6, alinéa premier, et à l'article 5bis.19.8.4.8.4, § 6, alinéa premier, du titre II du VLAREM.
L'examen y afférent se compose de deux parties :
1° une partie théorique sur les sujets qui ont été abordés lors de la formation;
2° un exercice sur le contrôle, visé à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, à l'article 5bis.15.5.4.5.4, § 6, alinéa premier, et à l'article 5bis.19.8.4.8.4, § 6, alinéa premier, du titre II du VLAREM.
Une personne réussit l'examen lorsqu'elle obtient pour chaque partie au moins soixante-dix pour cent des points.
§ 2. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, organise le perfectionnement et l'examen y afférent en matière de contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW, dont le contenu du perfectionnement et la durée minimale du perfectionnement et l'examen y afférent sont fixés dans l'annexe 12, 2°, jointe au présent arrêté.
L'examen afférent se compose d'un exercice relatif au contrôle, visé à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, à l'article 5bis.15.5.4.5.4, § 6, alinéa premier, et à l'article 5bis.19.8.4.8.4, § 6, alinéa premier, du titre II du VLAREM.
Une personne réussit l'examen lorsqu'elle obtient au moins soixante-dix pour cent des points.
§ 3. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre un certificat d'aptitude ou de perfectionnement en matière de contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW après qu'une personne a suivi la formation ou, le cas échéant, le perfectionnement et a réussi l'examen y afférent, visé au § 1er, respectivement au § 2.
Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté. Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de la division, compétente pour les agréments. Le modèle du certificat est soumis à l'approbation de la division, compétente pour les agréments. Une copie du certificat délivré est transmise à la division, compétente pour les agréments.
§ 4. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après chaque examen, un rapport de la session d'examen à la division, compétente pour les agréments. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et comprend au moins les données, visées à l'annexe 15, jointe au présent arrêté.
§ 5. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, transmet, dans le délai d'un mois après que le candidat reçu a présenté une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 13/1, 4°, ou l'article 34, § 9, une copie de cette preuve à la division, compétente pour les agréments.
§ 6. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure nécessaire et des appareils afin d'organiser la formation, le perfectionnement et les examens, visés aux paragraphes 1er et 2.
§ 7. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultat des examens des cinq dernières années.
§ 8. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe la division, compétente pour les agréments, au moins un mois avant le début d'une formation ou d'un perfectionnement, du lieu et de l'heure de la formation prévue ou du perfectionnement prévu et de l'examen y afférent. Le centre de formation agréé doit, lorsque la division, compétente pour les agréments, le demande, offrir aux fonctionnaires la possibilité d'assister aux formations, aux perfectionnements et aux examens. La division, compétente pour les agréments, peut siéger dans le jury d'examen.
§ 9. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par la division, compétente pour les agréments.
Art. 43/5. Le centre de formation agréé pour dispenser la formation complémentaire destinée aux experts en assainissement du sol, visé à l'article 6, 4°, g) :
1° dispose de l'infrastructure nécessaire afin de permettre au participant d'acquérir les connaissances nécessaires et les aptitudes pour accomplir les tâches de l'expert en assainissement du sol;
2° informe la division, compétente pour la gestion du sol, au moins un mois au préalable, de la date des examens. La division, compétente pour la gestion du sol, peut siéger dans le jury d'examen;
3° doit, lorsque la division, compétente pour la gestion du sol, le demande, offrir aux fonctionnaires la possibilité d'assister aux formations et aux examens;
4° invite la division, compétente pour la gestion du sol, à chaque réunion de la commission de suivi. Le chef de division de la division, compétente pour la gestion du sol, ou son mandataire, fait partie de la commission de suivi de plein droit. La division, compétente pour la gestion du sol, est également mise en possession du rapport de la réunion de la commission de suivi. ".
Art. 116. In artikel 44 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden het woord " jaarlijks " en de woorden " voor een gedeelte van een pakket of een volledig pakket " opgeheven.
2° in het eerste lid worden de woorden " de afdeling " vervangen door de woorden " de bevoegde afdeling ";
3° in het tweede lid worden de woorden " De afdeling " vervangen door de woorden " De bevoegde afdeling ", worden de woorden " door de VITO " vervangen door de woorden " door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest " en worden de woorden " De VITO " vervangen door de woorden " Het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest ";
4° het derde lid wordt opgeheven;
5° het vierde lid wordt vervangen door wat volgt :
" Een gedeelte van een pakket of een volledig pakket wordt beoordeeld :
1° in geval van een ringtest op basis van de evaluatie van de criteria, vermeld in bijlage 10, hoofdstuk 1, die bij dit besluit is gevoegd;
2° in geval van een technische proef op basis van de evaluatie van de criteria, vermeld in bijlage 10, hoofdstuk 2, die bij dit besluit is gevoegd. ";
6° er worden een vijfde en een zesde lid toegevoegd, die luiden als volgt :
" Bij de beoordeling kan ook rekening gehouden worden met het geheel van pakketten waarvoor een laboratorium erkend is binnen een discipline, of, in voorkomend geval, het deeldomein, of met de resultaten van de ringtesten of technische proeven van de voorbije twee kalenderjaren.
Het erkende laboratorium geeft op verzoek van de bevoegde afdeling het nodige gevolg aan het beoordelingsverslag en legt, in voorkomend geval, een plan van aanpak met corrigerende maatregelen en termijnen van uitvoering voor aan de bevoegde afdeling en het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest. Het plan van aanpak moet door de bevoegde afdeling goedgekeurd worden. Het erkende laboratorium voert de corrigerende maatregelen uit binnen de termijn die is opgenomen in het plan van aanpak. ".
1° in het eerste lid worden het woord " jaarlijks " en de woorden " voor een gedeelte van een pakket of een volledig pakket " opgeheven.
2° in het eerste lid worden de woorden " de afdeling " vervangen door de woorden " de bevoegde afdeling ";
3° in het tweede lid worden de woorden " De afdeling " vervangen door de woorden " De bevoegde afdeling ", worden de woorden " door de VITO " vervangen door de woorden " door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest " en worden de woorden " De VITO " vervangen door de woorden " Het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest ";
4° het derde lid wordt opgeheven;
5° het vierde lid wordt vervangen door wat volgt :
" Een gedeelte van een pakket of een volledig pakket wordt beoordeeld :
1° in geval van een ringtest op basis van de evaluatie van de criteria, vermeld in bijlage 10, hoofdstuk 1, die bij dit besluit is gevoegd;
2° in geval van een technische proef op basis van de evaluatie van de criteria, vermeld in bijlage 10, hoofdstuk 2, die bij dit besluit is gevoegd. ";
6° er worden een vijfde en een zesde lid toegevoegd, die luiden als volgt :
" Bij de beoordeling kan ook rekening gehouden worden met het geheel van pakketten waarvoor een laboratorium erkend is binnen een discipline, of, in voorkomend geval, het deeldomein, of met de resultaten van de ringtesten of technische proeven van de voorbije twee kalenderjaren.
Het erkende laboratorium geeft op verzoek van de bevoegde afdeling het nodige gevolg aan het beoordelingsverslag en legt, in voorkomend geval, een plan van aanpak met corrigerende maatregelen en termijnen van uitvoering voor aan de bevoegde afdeling en het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest. Het plan van aanpak moet door de bevoegde afdeling goedgekeurd worden. Het erkende laboratorium voert de corrigerende maatregelen uit binnen de termijn die is opgenomen in het plan van aanpak. ".
Art. 116. Dans l'article 44 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa premier, le mot " annuellement " et les mots " pour une partie d'un paquet ou pour un paquet complet " sont abrogés.
2° dans l'alinéa premier alinéa, les mots " la division " sont remplacés par les mots " la division compétente ";
3° dans l'alinéa deux, les mots " la division " sont remplacés par les mots " la division compétente ", les mots " par la VITO " sont remplacés par les mots " par le laboratoire de référence de la Région flamande " et les mots " La VITO " sont remplacés par les mots " Le laboratoire de référence de la Région flamande ";
4° l'alinéa trois est abrogé;
5° l'alinéa quatre est remplacé par ce qui suit :
" Une partie d'un paquet ou un paquet complet est évalué :
1° en cas d'une épreuve de l'anneau sur la base de l'évaluation des critères, visés à l'annexe 10, chapitre 1er, jointe au présent arrêté;
2° en cas d'une épreuve technique sur la base de l'évaluation des critères, visés à l'annexe 10, chapitre 2, jointe au présent arrêté. ";
6° il est ajouté un alinéa cinq et un alinéa six, rédigés comme suit :
" Lors de l'évaluation, il peut également être tenu compte de l'ensemble des paquets pour lesquels un laboratoire est agréé dans une discipline ou, le cas échéant, le sous-domaine, ou des résultats des épreuves de l'anneau ou des épreuves techniques des deux années calendaires précédentes.
Sur la demande de la division compétente, le laboratoire agréé donne la suite nécessaire au rapport d'évaluation et présente, le cas échéant, un plan d'approche avec des mesures de correction et des délais d'exécution à la division compétente et au laboratoire de référence de la Région flamande. Le plan d'approche doit être approuvé par la division compétente. Le laboratoire agréé exécute les mesures de correction dans le délai qui est repris dans le plan d'approche. ".
1° dans l'alinéa premier, le mot " annuellement " et les mots " pour une partie d'un paquet ou pour un paquet complet " sont abrogés.
2° dans l'alinéa premier alinéa, les mots " la division " sont remplacés par les mots " la division compétente ";
3° dans l'alinéa deux, les mots " la division " sont remplacés par les mots " la division compétente ", les mots " par la VITO " sont remplacés par les mots " par le laboratoire de référence de la Région flamande " et les mots " La VITO " sont remplacés par les mots " Le laboratoire de référence de la Région flamande ";
4° l'alinéa trois est abrogé;
5° l'alinéa quatre est remplacé par ce qui suit :
" Une partie d'un paquet ou un paquet complet est évalué :
1° en cas d'une épreuve de l'anneau sur la base de l'évaluation des critères, visés à l'annexe 10, chapitre 1er, jointe au présent arrêté;
2° en cas d'une épreuve technique sur la base de l'évaluation des critères, visés à l'annexe 10, chapitre 2, jointe au présent arrêté. ";
6° il est ajouté un alinéa cinq et un alinéa six, rédigés comme suit :
" Lors de l'évaluation, il peut également être tenu compte de l'ensemble des paquets pour lesquels un laboratoire est agréé dans une discipline ou, le cas échéant, le sous-domaine, ou des résultats des épreuves de l'anneau ou des épreuves techniques des deux années calendaires précédentes.
Sur la demande de la division compétente, le laboratoire agréé donne la suite nécessaire au rapport d'évaluation et présente, le cas échéant, un plan d'approche avec des mesures de correction et des délais d'exécution à la division compétente et au laboratoire de référence de la Région flamande. Le plan d'approche doit être approuvé par la division compétente. Le laboratoire agréé exécute les mesures de correction dans le délai qui est repris dans le plan d'approche. ".
Art. 117. Artikel 45 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 45. § 1. Het erkende laboratorium past voor de monsternemingen, beproevingen, metingen en analyses waarvoor het erkend is, de volgende methoden toe :
1° een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, a) : het compendium voor de monsterneming, meting en analyse van water, afgekort WAC;
2° een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, b) : het compendium voor de monsterneming, meting en analyse van lucht, afgekort LUC;
3° een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, c) : het compendium voor de monsterneming, meting en analyse in het kader van bodembescherming, afgekort BOC;
4° een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, d) : het compendium bemonsterings- en analysemethodes in het kader van het Mestdecreet, afgekort BAM;
5° een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e) en f) : het compendium voor de monsterneming en analyse in het kader van het Materialendecreet en het Bodemdecreet, afgekort CMA.
§ 2. Het erkende laboratorium past voor de monsternemingen, beproevingen, metingen en analyses waarvoor het erkend is, en waarvoor in de compendia, vermeld onder paragraaf 1, geen methoden opgenomen zijn, de volgende methoden toe :
1° de methoden, vermeld in de toepasselijke bepalingen in de wetten, decreten en besluiten die van toepassing zijn in het Vlaamse Gewest;
2° de methoden, vermeld in Belgische normen die uitgegeven zijn door het NBN;
3° de methoden, vermeld in normen die uitgegeven zijn door het Comité Européen de Normalisation (CEN);
4° de methoden, vermeld in normen die uitgegeven zijn door de International Organisation for Standardization (ISO);
5° de methoden van een in die materie onderlegde instelling of erkend laboratorium, die door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest en de bevoegde afdeling geschikt bevonden zijn.
De volgorde, vermeld in het eerste lid, is bepalend. De minister kan de methoden als vermeld in punt 3° en 4° bepalen. ".
" Art. 45. § 1. Het erkende laboratorium past voor de monsternemingen, beproevingen, metingen en analyses waarvoor het erkend is, de volgende methoden toe :
1° een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, a) : het compendium voor de monsterneming, meting en analyse van water, afgekort WAC;
2° een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, b) : het compendium voor de monsterneming, meting en analyse van lucht, afgekort LUC;
3° een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, c) : het compendium voor de monsterneming, meting en analyse in het kader van bodembescherming, afgekort BOC;
4° een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, d) : het compendium bemonsterings- en analysemethodes in het kader van het Mestdecreet, afgekort BAM;
5° een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e) en f) : het compendium voor de monsterneming en analyse in het kader van het Materialendecreet en het Bodemdecreet, afgekort CMA.
§ 2. Het erkende laboratorium past voor de monsternemingen, beproevingen, metingen en analyses waarvoor het erkend is, en waarvoor in de compendia, vermeld onder paragraaf 1, geen methoden opgenomen zijn, de volgende methoden toe :
1° de methoden, vermeld in de toepasselijke bepalingen in de wetten, decreten en besluiten die van toepassing zijn in het Vlaamse Gewest;
2° de methoden, vermeld in Belgische normen die uitgegeven zijn door het NBN;
3° de methoden, vermeld in normen die uitgegeven zijn door het Comité Européen de Normalisation (CEN);
4° de methoden, vermeld in normen die uitgegeven zijn door de International Organisation for Standardization (ISO);
5° de methoden van een in die materie onderlegde instelling of erkend laboratorium, die door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest en de bevoegde afdeling geschikt bevonden zijn.
De volgorde, vermeld in het eerste lid, is bepalend. De minister kan de methoden als vermeld in punt 3° en 4° bepalen. ".
Art. 117. L'article 45 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 45. § 1er. Le laboratoire agréé adopte les méthodes suivantes pour les échantillonnages, les essais, les mesures et les analyses pour lesquels il est agréé :
1° un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, a) : le compendium pour l'échantillonnage, la mesure et l'analyse de l'eau, " WAC " en abrégé;
2° un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, b) : le compendium pour l'échantillonnage, la mesure et l'analyse de l'air, " LUC " en abrégé;
3° un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, c) : le compendium pour l'échantillonnage, la mesure et l'analyse dans le cadre de la protection du sol, " BOC " en abrégé;
4° un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, d) : le compendium pour les méthodes d'échantillonnage et d'analyse dans le cadre du décret sur les engrais, " BAM " en abrégé;
5° un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, e) et f) : le compendium pour l'échantillonnage et l'analyse dans le cadre du décret sur les matériaux et du décret relatif au sol, " CMA " en abrégé.
§ 2. Le laboratoire agréé adopte les méthodes suivantes pour les échantillonnages, les essais, les mesures et les analyses pour lesquels il est agréé et pour lesquels aucune méthode n'a été reprise dans les compendiums, visés au paragraphe 1er :
1° les méthodes, visées aux dispositions applicables dans les lois, décrets et arrêtés qui s'appliquent en Région flamande;
2° les méthodes, visées aux normes belges publiées par le NBN;
3° les méthodes, visées aux normes publiées par le Comité européen de Normalisation (CEN);
4° les méthodes, visées aux normes publiées par l'Organisation internationale de normalisation (ISO);
5° les méthodes d'un organisme instruit en la matière ou d'un laboratoire agréé, qui sont jugées appropriées par le laboratoire de référence de la Région flamande et la division compétente.
L'ordre, visé à l'alinéa premier, est déterminant. Le Ministre peut fixer les méthodes telles que visées aux points 3° et 4°. ".
" Art. 45. § 1er. Le laboratoire agréé adopte les méthodes suivantes pour les échantillonnages, les essais, les mesures et les analyses pour lesquels il est agréé :
1° un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, a) : le compendium pour l'échantillonnage, la mesure et l'analyse de l'eau, " WAC " en abrégé;
2° un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, b) : le compendium pour l'échantillonnage, la mesure et l'analyse de l'air, " LUC " en abrégé;
3° un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, c) : le compendium pour l'échantillonnage, la mesure et l'analyse dans le cadre de la protection du sol, " BOC " en abrégé;
4° un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, d) : le compendium pour les méthodes d'échantillonnage et d'analyse dans le cadre du décret sur les engrais, " BAM " en abrégé;
5° un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, e) et f) : le compendium pour l'échantillonnage et l'analyse dans le cadre du décret sur les matériaux et du décret relatif au sol, " CMA " en abrégé.
§ 2. Le laboratoire agréé adopte les méthodes suivantes pour les échantillonnages, les essais, les mesures et les analyses pour lesquels il est agréé et pour lesquels aucune méthode n'a été reprise dans les compendiums, visés au paragraphe 1er :
1° les méthodes, visées aux dispositions applicables dans les lois, décrets et arrêtés qui s'appliquent en Région flamande;
2° les méthodes, visées aux normes belges publiées par le NBN;
3° les méthodes, visées aux normes publiées par le Comité européen de Normalisation (CEN);
4° les méthodes, visées aux normes publiées par l'Organisation internationale de normalisation (ISO);
5° les méthodes d'un organisme instruit en la matière ou d'un laboratoire agréé, qui sont jugées appropriées par le laboratoire de référence de la Région flamande et la division compétente.
L'ordre, visé à l'alinéa premier, est déterminant. Le Ministre peut fixer les méthodes telles que visées aux points 3° et 4°. ".
Art. 118. In artikel 46 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 worden de woorden " de bevoegde personeelsleden van " opgeheven;
2° in paragraaf 1 worden de woorden " de VITO " vervangen door de woorden " het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest " en worden de woorden " de afdeling " telkens vervangen door de woorden " de bevoegde afdeling ";
3° in paragraaf 2 worden de woorden " de VITO " vervangen door de woorden " het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest " en worden de woorden " met betrekking tot de erkenning " vervangen door de woorden " in het kader van de audit ";
4° er wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 3. Het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest stelt het verslag op van de uitgevoerde audit. Het erkende laboratorium geeft op verzoek van de bevoegde afdeling het nodige gevolg aan het auditverslag en legt in voorkomend geval een plan van aanpak met corrigerende maatregelen en termijnen van uitvoering voor aan de bevoegde afdeling en het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest. Het plan van aanpak moet door de bevoegde afdeling goedgekeurd worden. Het erkende laboratorium voert de corrigerende maatregelen uit binnen de termijn die is opgenomen in het plan van aanpak. ".
1° in paragraaf 1 worden de woorden " de bevoegde personeelsleden van " opgeheven;
2° in paragraaf 1 worden de woorden " de VITO " vervangen door de woorden " het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest " en worden de woorden " de afdeling " telkens vervangen door de woorden " de bevoegde afdeling ";
3° in paragraaf 2 worden de woorden " de VITO " vervangen door de woorden " het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest " en worden de woorden " met betrekking tot de erkenning " vervangen door de woorden " in het kader van de audit ";
4° er wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 3. Het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest stelt het verslag op van de uitgevoerde audit. Het erkende laboratorium geeft op verzoek van de bevoegde afdeling het nodige gevolg aan het auditverslag en legt in voorkomend geval een plan van aanpak met corrigerende maatregelen en termijnen van uitvoering voor aan de bevoegde afdeling en het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest. Het plan van aanpak moet door de bevoegde afdeling goedgekeurd worden. Het erkende laboratorium voert de corrigerende maatregelen uit binnen de termijn die is opgenomen in het plan van aanpak. ".
Art. 118. Dans l'article 46 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le paragraphe 1er, les mots " aux membres du personnel compétents de " sont abrogés;
2° dans le paragraphe 1er, les mots " la VITO " sont remplacés par les mots " au laboratoire de référence de la Région flamande " et les mots " la division " sont chaque fois remplacés par les mots " la division compétente ";
3° dans le paragraphe 2, les mots " de la VITO " sont remplacés par les mots " du laboratoire de référence de la Région flamande " et les mots " concernant l'agrément " sont remplacés par les mots " dans le cadre de l'audit ";
4° il est ajouté un paragraphe 3, rédigé comme suit :
" § 3. Le laboratoire de référence de la Région flamande établit le rapport de l'audit exécuté. Sur la demande de la division compétente, le laboratoire agréé donne la suite nécessaire au rapport d'audit et présente, le cas échéant, un plan d'approche avec des mesures de correction et des délais d'exécution à la division compétente et au laboratoire de référence de la Région flamande. Le plan d'approche doit être approuvé par la division compétente. Le laboratoire agréé exécute les mesures de correction dans le délai qui est repris dans le plan d'approche. ".
1° dans le paragraphe 1er, les mots " aux membres du personnel compétents de " sont abrogés;
2° dans le paragraphe 1er, les mots " la VITO " sont remplacés par les mots " au laboratoire de référence de la Région flamande " et les mots " la division " sont chaque fois remplacés par les mots " la division compétente ";
3° dans le paragraphe 2, les mots " de la VITO " sont remplacés par les mots " du laboratoire de référence de la Région flamande " et les mots " concernant l'agrément " sont remplacés par les mots " dans le cadre de l'audit ";
4° il est ajouté un paragraphe 3, rédigé comme suit :
" § 3. Le laboratoire de référence de la Région flamande établit le rapport de l'audit exécuté. Sur la demande de la division compétente, le laboratoire agréé donne la suite nécessaire au rapport d'audit et présente, le cas échéant, un plan d'approche avec des mesures de correction et des délais d'exécution à la division compétente et au laboratoire de référence de la Région flamande. Le plan d'approche doit être approuvé par la division compétente. Le laboratoire agréé exécute les mesures de correction dans le délai qui est repris dans le plan d'approche. ".
Art. 119. In artikel 47 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden " de afdeling " worden vervangen door de woorden " de bevoegde afdeling " en de woorden " de VITO " worden vervangen door de woorden " het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest ";
2° er wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
" Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, c), verleent bovendien op elk moment toegang tot het laboratorium aan de afdeling, bevoegd voor bodembescherming. ".
1° de woorden " de afdeling " worden vervangen door de woorden " de bevoegde afdeling " en de woorden " de VITO " worden vervangen door de woorden " het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest ";
2° er wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
" Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, c), verleent bovendien op elk moment toegang tot het laboratorium aan de afdeling, bevoegd voor bodembescherming. ".
Art. 119. Dans l'article 47 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots " la division " sont remplacés par les mots " la division compétente " et les mots " de la VITO " sont remplacés par les mots " du laboratoire de référence de la Région flamande ";
2° il est ajouté une phrase, rédigée comme suit :
" En outre, le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, c), donne accès au laboratoire à la division, compétente pour la protection du sol, à tout moment. ".
1° les mots " la division " sont remplacés par les mots " la division compétente " et les mots " de la VITO " sont remplacés par les mots " du laboratoire de référence de la Région flamande ";
2° il est ajouté une phrase, rédigée comme suit :
" En outre, le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, c), donne accès au laboratoire à la division, compétente pour la protection du sol, à tout moment. ".
Art. 120. Artikel 48 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 48. Het erkende laboratorium beschikt voor ten minste één parameter per discipline waarvoor het erkend is, over een ISO/IEC 17025-accreditatie met betrekking tot de te volgen methoden, vermeld in artikel 45. Voor de overige parameters waarvoor het laboratorium erkend is, wordt ISO/IEC 17025 met betrekking tot de te volgen methoden, vermeld in artikel 45, toegepast.
Een laboratorium dat alleen erkend is voor een pakket dat alleen monstername en monstervoorbehandeling ter plaatse omvat of een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, b), dat alleen erkend wil worden voor het pakket L.11.1, L.11.2 of L.18, vermeld in bijlage 3, 2°, die bij dit besluit is gevoegd, is vrijgesteld van de gebruikseis, vermeld in het eerste lid. Het voormelde laboratorium moet ISO/IEC 17025 met betrekking tot de te volgen methoden, vermeld in artikel 45, toepassen.
Voor monstername wordt ISO/IEC 17020 evenwaardig beschouwd aan ISO/IEC 17025. ".
" Art. 48. Het erkende laboratorium beschikt voor ten minste één parameter per discipline waarvoor het erkend is, over een ISO/IEC 17025-accreditatie met betrekking tot de te volgen methoden, vermeld in artikel 45. Voor de overige parameters waarvoor het laboratorium erkend is, wordt ISO/IEC 17025 met betrekking tot de te volgen methoden, vermeld in artikel 45, toegepast.
Een laboratorium dat alleen erkend is voor een pakket dat alleen monstername en monstervoorbehandeling ter plaatse omvat of een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, b), dat alleen erkend wil worden voor het pakket L.11.1, L.11.2 of L.18, vermeld in bijlage 3, 2°, die bij dit besluit is gevoegd, is vrijgesteld van de gebruikseis, vermeld in het eerste lid. Het voormelde laboratorium moet ISO/IEC 17025 met betrekking tot de te volgen methoden, vermeld in artikel 45, toepassen.
Voor monstername wordt ISO/IEC 17020 evenwaardig beschouwd aan ISO/IEC 17025. ".
Art. 120. L'article 48 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 48. Le laboratoire agréé dispose, pour au moins un paramètre par discipline pour laquelle il est agréé, d'une accréditation ISO/IEC 17025 relative aux méthodes à suivre, visées à l'article 45. Pour les autres paramètres pour lesquels le laboratoire est agréé, ISO/IEC 17025 relative aux méthodes à suivre, visées à l'article 45, est appliquée.
Un laboratoire qui n'est agréé que pour un paquet qui comprend uniquement l'échantillonnage et le prétraitement d'échantillons sur place ou un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, b), qui ne veut être agréé que pour le paquet L.11.1, L.11.2 ou L.18, visé à l'annexe 3, 2°, jointe au présent arrêté, est exempté de la condition d'utilisation, visée à l'alinéa premier. Le laboratoire précité doit appliquer ISO/IEC 17025 relative aux méthodes à suivre, visée à l'article 45.
Pour l'échantillonnage, ISO/IEC 17020 est considérée équivalente à ISO/IEC 17025. ".
" Art. 48. Le laboratoire agréé dispose, pour au moins un paramètre par discipline pour laquelle il est agréé, d'une accréditation ISO/IEC 17025 relative aux méthodes à suivre, visées à l'article 45. Pour les autres paramètres pour lesquels le laboratoire est agréé, ISO/IEC 17025 relative aux méthodes à suivre, visées à l'article 45, est appliquée.
Un laboratoire qui n'est agréé que pour un paquet qui comprend uniquement l'échantillonnage et le prétraitement d'échantillons sur place ou un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, b), qui ne veut être agréé que pour le paquet L.11.1, L.11.2 ou L.18, visé à l'annexe 3, 2°, jointe au présent arrêté, est exempté de la condition d'utilisation, visée à l'alinéa premier. Le laboratoire précité doit appliquer ISO/IEC 17025 relative aux méthodes à suivre, visée à l'article 45.
Pour l'échantillonnage, ISO/IEC 17020 est considérée équivalente à ISO/IEC 17025. ".
Art. 121. Artikel 49 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 49. Op de verslagen en andere documenten die afgeleverd worden door een erkend laboratorium, wordt een erkenningslogo aangebracht en wordt duidelijk vermeld voor welke uitgevoerde monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses het laboratorium erkend is en voor welke niet. Het erkenningslogo kan door de minister vastgesteld worden. ".
" Art. 49. Op de verslagen en andere documenten die afgeleverd worden door een erkend laboratorium, wordt een erkenningslogo aangebracht en wordt duidelijk vermeld voor welke uitgevoerde monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses het laboratorium erkend is en voor welke niet. Het erkenningslogo kan door de minister vastgesteld worden. ".
Art. 121. L'article 49 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 49. Un logo d'agrément est appliqué et il est clairement mentionné sur les rapports et les autres documents délivrés par un laboratoire agréé pour quels échantillonnages, mesures, essais et analyses exécutés le laboratoire est agréé et pour lesquels il ne l'est pas. Le logo d'agrément peut être fixé par le Ministre. ".
" Art. 49. Un logo d'agrément est appliqué et il est clairement mentionné sur les rapports et les autres documents délivrés par un laboratoire agréé pour quels échantillonnages, mesures, essais et analyses exécutés le laboratoire est agréé et pour lesquels il ne l'est pas. Le logo d'agrément peut être fixé par le Ministre. ".
Art. 122. Artikel 50 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 50. § 1. Alle gegevens van de monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses die nuttig kunnen zijn, worden bijgehouden en blijven op dusdanige wijze bewaard dat een controle mogelijk is, zowel op het verloop van de verrichtingen als op de wijze waarop de resultaten verkregen zijn. Die gegevens blijven gedurende ten minste drie jaar bewaard en worden ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest.
§ 2. Het erkende laboratorium stelt over de uitgevoerde monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses telkens een verslag op dat op zijn minst de volgende gegevens bevat :
1° de naam en hoedanigheid van de persoon die de monsters genomen heeft, de volledige identificatie van de monsters en de datum en het uur van monsterneming;
2° het resultaat van de uitgevoerde monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses, met vermelding van de gebruikte methode, de meet- en analyseomstandigheden en, in voorkomend geval, de afwijkingen van de monsternemingsmethode, de meet- en analysemethode en de reden daarvoor.
Als een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e) of f), analyses heeft uitbesteed aan andere erkende laboratoria, vermeldt het analyseverslag dat wordt opgesteld door het erkende laboratorium, waaraan de desbetreffende parameters zijn uitbesteed, de gebruikte methoden en de gedetailleerde verwijzing naar het monster. Dat analyseverslag wordt gevoegd bij het analyseverslag van de parameters die niet zijn uitbesteed. ".
" Art. 50. § 1. Alle gegevens van de monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses die nuttig kunnen zijn, worden bijgehouden en blijven op dusdanige wijze bewaard dat een controle mogelijk is, zowel op het verloop van de verrichtingen als op de wijze waarop de resultaten verkregen zijn. Die gegevens blijven gedurende ten minste drie jaar bewaard en worden ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest.
§ 2. Het erkende laboratorium stelt over de uitgevoerde monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses telkens een verslag op dat op zijn minst de volgende gegevens bevat :
1° de naam en hoedanigheid van de persoon die de monsters genomen heeft, de volledige identificatie van de monsters en de datum en het uur van monsterneming;
2° het resultaat van de uitgevoerde monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses, met vermelding van de gebruikte methode, de meet- en analyseomstandigheden en, in voorkomend geval, de afwijkingen van de monsternemingsmethode, de meet- en analysemethode en de reden daarvoor.
Als een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e) of f), analyses heeft uitbesteed aan andere erkende laboratoria, vermeldt het analyseverslag dat wordt opgesteld door het erkende laboratorium, waaraan de desbetreffende parameters zijn uitbesteed, de gebruikte methoden en de gedetailleerde verwijzing naar het monster. Dat analyseverslag wordt gevoegd bij het analyseverslag van de parameters die niet zijn uitbesteed. ".
Art. 122. L'article 50 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 50. § 1er. Toutes les données des échantillonnages, mesures, essais et analyses pouvant être utiles, sont conservées et stockées d'une telle manière qu'un contrôle soit possible, tant du déroulement des opérations que du mode d'obtention des résultats. Ces données sont conservées pendant au moins trois ans et sont tenues à la disposition de la division compétente et du laboratoire de référence de la Région flamande.
§ 2. Le laboratoire agréé établit à chaque fois un rapport sur les échantillonnages, mesures, essais et analyses exécutés, comprenant au moins les données suivantes :
1° le nom et la qualité de la personne ayant prélevé les échantillons, l'identification complète des échantillons et la date et l'heure de l'échantillonnage;
2° le résultat des échantillonnages, mesures, essais et analyses exécutés, avec mention de la méthode utilisée, des conditions de mesure et d'analyse et, le cas échéant, les dérogations à la méthode d'échantillonnage, de mesure et d'analyse, et le motif.
Lorsqu'un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, e) ou f), a sous-traité des analyses à d'autres laboratoires agréés, le rapport d'analyse qui est établi par le laboratoire agréé, auquel les paramètres concernés ont été sous-traités, mentionne les méthodes utilisées et la référence détaillée à l'échantillon. Ce rapport d'analyse est joint au rapport d'analyse des paramètres qui n'ont pas été sous-traités. ".
" Art. 50. § 1er. Toutes les données des échantillonnages, mesures, essais et analyses pouvant être utiles, sont conservées et stockées d'une telle manière qu'un contrôle soit possible, tant du déroulement des opérations que du mode d'obtention des résultats. Ces données sont conservées pendant au moins trois ans et sont tenues à la disposition de la division compétente et du laboratoire de référence de la Région flamande.
§ 2. Le laboratoire agréé établit à chaque fois un rapport sur les échantillonnages, mesures, essais et analyses exécutés, comprenant au moins les données suivantes :
1° le nom et la qualité de la personne ayant prélevé les échantillons, l'identification complète des échantillons et la date et l'heure de l'échantillonnage;
2° le résultat des échantillonnages, mesures, essais et analyses exécutés, avec mention de la méthode utilisée, des conditions de mesure et d'analyse et, le cas échéant, les dérogations à la méthode d'échantillonnage, de mesure et d'analyse, et le motif.
Lorsqu'un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, e) ou f), a sous-traité des analyses à d'autres laboratoires agréés, le rapport d'analyse qui est établi par le laboratoire agréé, auquel les paramètres concernés ont été sous-traités, mentionne les méthodes utilisées et la référence détaillée à l'échantillon. Ce rapport d'analyse est joint au rapport d'analyse des paramètres qui n'ont pas été sous-traités. ".
Art. 123. Artikel 51 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art. 123. L'article 51 du même arrêté est abrogé.
Art. 124. In artikel 53 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt 1° wordt de zinsnede " , conform ISO 17025 " opgeheven;
2° in punt 1° worden de woorden " uitvoeren in " vervangen door de woorden " uitvoeren door ";
3° aan punt 1° wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
" Het verslag bevat ook de gedetailleerde verwijzing naar het monster; ";
4° in punt 2° wordt de zinsnede " in artikel 6, 5°, c) " vervangen door de zinsnede " in artikel 6, 5°, a), c), d) en e) ";
5° er wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 3° als een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e) of f), gebruikmaakt van de mogelijkheid, vermeld in artikel 25, vijfde lid. Als de analyses uitgevoerd worden door derden in opdracht van het erkende laboratorium, blijft het erkende laboratorium verantwoordelijk voor de correcte uitvoering ervan. ".
1° in punt 1° wordt de zinsnede " , conform ISO 17025 " opgeheven;
2° in punt 1° worden de woorden " uitvoeren in " vervangen door de woorden " uitvoeren door ";
3° aan punt 1° wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
" Het verslag bevat ook de gedetailleerde verwijzing naar het monster; ";
4° in punt 2° wordt de zinsnede " in artikel 6, 5°, c) " vervangen door de zinsnede " in artikel 6, 5°, a), c), d) en e) ";
5° er wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 3° als een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e) of f), gebruikmaakt van de mogelijkheid, vermeld in artikel 25, vijfde lid. Als de analyses uitgevoerd worden door derden in opdracht van het erkende laboratorium, blijft het erkende laboratorium verantwoordelijk voor de correcte uitvoering ervan. ".
Art. 124. Dans l'article 53 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le point 1°, les mots " , conformément à l'ISO 17025 " sont abrogés;
2° dans le point 1°, les mots " fait exécuter des échantillonnages, des mesures, des essais et des analyses dans " sont remplacés par les mots " fait exécuter des échantillonnages, des mesures, des essais et des analyses par ";
3° le point 1° est complété par une phrase, rédigée comme suit :
" Le rapport comprend également la référence détaillée à l'échantillon; ";
4° dans le point 2°, les mots " à l'article 6, 5°, c) " sont remplacés par les mots " à l'article 6, 5°, a), c), d) et e) ";
5° il est ajouté un point 3°, rédigé comme suit :
" 3° lorsqu'un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, e) ou f), utilise la possibilité, visée à l'article 25, alinéa cinq. Lorsque les analyses sont exécutés par des tiers, sur l'ordre du laboratoire agréé, le laboratoire agréé reste responsable de la bonne exécution. ".
1° dans le point 1°, les mots " , conformément à l'ISO 17025 " sont abrogés;
2° dans le point 1°, les mots " fait exécuter des échantillonnages, des mesures, des essais et des analyses dans " sont remplacés par les mots " fait exécuter des échantillonnages, des mesures, des essais et des analyses par ";
3° le point 1° est complété par une phrase, rédigée comme suit :
" Le rapport comprend également la référence détaillée à l'échantillon; ";
4° dans le point 2°, les mots " à l'article 6, 5°, c) " sont remplacés par les mots " à l'article 6, 5°, a), c), d) et e) ";
5° il est ajouté un point 3°, rédigé comme suit :
" 3° lorsqu'un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, e) ou f), utilise la possibilité, visée à l'article 25, alinéa cinq. Lorsque les analyses sont exécutés par des tiers, sur l'ordre du laboratoire agréé, le laboratoire agréé reste responsable de la bonne exécution. ".
Art. 125. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011, worden een artikel 53/1 en 53/2 ingevoegd, die luiden als volgt :
" Art. 53/1. § 1. Voor bepaalde door de minister vastgestelde monsternemingen en analyses die uitgevoerd worden in het kader van het Mestdecreet, wordt een aanmelding gedaan door het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), aan de Mestbank via een webapplicatie die de Mestbank ter beschikking stelt. De minister bepaalt de nadere regels voor de aanmelding en de webapplicatie. Alleen de analyseresultaten van de monsternemingen die voorafgaand zijn aangemeld bij de Mestbank, kunnen gebruikt worden om bepaalde rechten te verkrijgen in het kader van het Mestdecreet of om te voldoen aan bepaalde verplichtingen in het kader van het Mestdecreet.
§ 2. Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), bezorgt van elke aangemelde monsterneming de analyseresultaten aan de Mestbank. De minister bepaalt de procedure voor die gegevensoverdracht.
§ 3. Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), maakt gebruik van een gps-datalogger bij de uitvoering van de monsternemingen die betrekking hebben op monsterneming en analyse van de bodem voor het bepalen van :
1° het nitraatresidu, vermeld in artikel 13, § 12 en § 13, en artikel 14 van het Mestdecreet;
2° de fosfaatverzadigingsgraad en het fosfaatbindend vermogen, vermeld in artikel 17, § 2, § 5 en § 6, van het Mestdecreet;
3° het gehalte aan stikstof uit kunstmest of uit andere specifieke meststoffen bij de bodemanalyses, vermeld in artikel 4, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2008 betreffende nadere regels rond tuinbouw ter uitvoering van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen;
4° het gehalte aan fosfaat uit kunstmest bij de bodemanalyses, vermeld in artikel 6, § 1, van het besluit, vermeld in punt 3° ;
5° het nitraatresidu en het koolstofgehalte met het oog op het opbrengen van compost op percelen met een te laag koolstofgehalte, vermeld in artikel 8 van het besluit, vermeld in punt 3° ;
6° het nitraatresidu, vermeld in artikel 58, 9°, van het ministerieel besluit van 11 juni 2008 betreffende het sluiten van beheersovereenkomsten en het toekennen van vergoedingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling.
De minister kan bijkomende categorieën van monsternemingen bepalen waarvoor het erkende laboratorium moet gebruikmaken van een gps-datalogger.
De gps-dataloggegevens worden bezorgd aan de Mestbank. De minister bepaalt de nadere regels voor het gebruik van de gps-datalogger en de procedure voor de overdracht van de gps-dataloggegevens.
Art. 53/2. Voor bepaalde door de minister vastgelegde monsternemingen en analyses die uitgevoerd worden in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005 tot instelling van een bedrijfstoeslagregeling en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en tot toepassing van de randvoorwaarden, moet het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, c), een rapportering van de analyseresultaten bezorgen aan de afdeling, bevoegd voor bodembescherming. De minister bepaalt de procedure voor die rapportering.
De minister bepaalt voor welke monsternemingen die uitgevoerd worden in het kader van het voormelde besluit, het erkende laboratorium moet gebruikmaken van een gps-datalogger. ".
" Art. 53/1. § 1. Voor bepaalde door de minister vastgestelde monsternemingen en analyses die uitgevoerd worden in het kader van het Mestdecreet, wordt een aanmelding gedaan door het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), aan de Mestbank via een webapplicatie die de Mestbank ter beschikking stelt. De minister bepaalt de nadere regels voor de aanmelding en de webapplicatie. Alleen de analyseresultaten van de monsternemingen die voorafgaand zijn aangemeld bij de Mestbank, kunnen gebruikt worden om bepaalde rechten te verkrijgen in het kader van het Mestdecreet of om te voldoen aan bepaalde verplichtingen in het kader van het Mestdecreet.
§ 2. Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), bezorgt van elke aangemelde monsterneming de analyseresultaten aan de Mestbank. De minister bepaalt de procedure voor die gegevensoverdracht.
§ 3. Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), maakt gebruik van een gps-datalogger bij de uitvoering van de monsternemingen die betrekking hebben op monsterneming en analyse van de bodem voor het bepalen van :
1° het nitraatresidu, vermeld in artikel 13, § 12 en § 13, en artikel 14 van het Mestdecreet;
2° de fosfaatverzadigingsgraad en het fosfaatbindend vermogen, vermeld in artikel 17, § 2, § 5 en § 6, van het Mestdecreet;
3° het gehalte aan stikstof uit kunstmest of uit andere specifieke meststoffen bij de bodemanalyses, vermeld in artikel 4, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2008 betreffende nadere regels rond tuinbouw ter uitvoering van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen;
4° het gehalte aan fosfaat uit kunstmest bij de bodemanalyses, vermeld in artikel 6, § 1, van het besluit, vermeld in punt 3° ;
5° het nitraatresidu en het koolstofgehalte met het oog op het opbrengen van compost op percelen met een te laag koolstofgehalte, vermeld in artikel 8 van het besluit, vermeld in punt 3° ;
6° het nitraatresidu, vermeld in artikel 58, 9°, van het ministerieel besluit van 11 juni 2008 betreffende het sluiten van beheersovereenkomsten en het toekennen van vergoedingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling.
De minister kan bijkomende categorieën van monsternemingen bepalen waarvoor het erkende laboratorium moet gebruikmaken van een gps-datalogger.
De gps-dataloggegevens worden bezorgd aan de Mestbank. De minister bepaalt de nadere regels voor het gebruik van de gps-datalogger en de procedure voor de overdracht van de gps-dataloggegevens.
Art. 53/2. Voor bepaalde door de minister vastgelegde monsternemingen en analyses die uitgevoerd worden in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005 tot instelling van een bedrijfstoeslagregeling en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en tot toepassing van de randvoorwaarden, moet het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, c), een rapportering van de analyseresultaten bezorgen aan de afdeling, bevoegd voor bodembescherming. De minister bepaalt de procedure voor die rapportering.
De minister bepaalt voor welke monsternemingen die uitgevoerd worden in het kader van het voormelde besluit, het erkende laboratorium moet gebruikmaken van een gps-datalogger. ".
Art. 125. Dans le même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2011, sont insérés les articles 53/1 et 53/2, rédigés comme suit :
" Art. 53/1. § 1er. Pour certaines échantillonnages et analyses fixés par le Ministre qui sont exécutés dans le cadre du décret sur les engrais, une notification est faite par le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), à la Mestbank via une application web, mise à disposition par la Mestbank. Le Ministre fixe les modalités de la notification et de l'application web. Seulement les résultats d'analyse des échantillonnages qui sont notifiés au préalable à la Mestbank, peuvent être utilisés pour obtenir certains droits dans le cadre du décret sur les engrais ou pour satisfaire à certaines obligations dans le cadre du décret sur les engrais.
§ 2. Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), transmet les résultats d'analyse de chaque échantillonnage notifié à la Mestbank. Le Ministre fixe la procédure de ce transfert de données.
§ 3. Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), utilise un enregistreur de données GPS lors de l'exécution des échantillonnages ayant trait à l'échantillonnage et l'analyse du sol pour déterminer :
1° les résidus de nitrates, visés à l'article 13, § 12 et § 13, et à l'article 14 du décret sur les engrais;
2° le degré de saturation en phosphates et la capacité de fixation de phosphates, visés à l'article 17, § 2, § 5 et § 6 du décret sur les engrais;
3° la teneur en azote provenant d'engrais chimiques ou d'autres engrais spécifiques lors des analyses du sol, visées à l'article 4, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 octobre 2008 relatif aux modalités en matière d'horticulture en exécution du décret du 22 décembre 2006 concernant la protection des eaux contre la pollution par les nitrates à partir de sources agricoles;
4° la teneur en phosphates provenant d'engrais chimiques lors des analyses du sol, visées à l'article 6, § 1er, de l'arrêté, visé au point 3° ;
5° les résidus de nitrates et la teneur en carbone en vue de l'épandage de compost sur des parcelles dont la teneur en carbone est trop basse, visés à l'article 8, de l'arrêté, visé au point 3° ;
6° les résidus de nitrates, visés à l'article 58, 9°, de l'arrêté ministériel du 11 juin 2008 relatif à la conclusion de contrats de gestion et à l'octroi d'indemnités en exécution du Règlement (CE) n° 1698/2005 du Conseil du 20 septembre 2005 concernant le soutien au développement rural.
Le Ministre peut fixer des catégories supplémentaires d'échantillonnages pour lesquels le laboratoire agréé doit utiliser un enregistreur de données GPS.
Les données de l'enregistreur de données GPS sont transmises à la Mestbank. Le Ministre fixe les modalités de l'utilisation de l'enregistreur de données GPS et la procédure du transfert des données de l'enregistreur de données GPS.
Art. 53/2. Pour certains échantillonnages et analyses fixés par le Ministre qui sont exécutés dans le cadre de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2005 instaurant un régime de paiement unique et établissant certains régimes d'aide pour agriculteurs et portant application de la conditionnalité, le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, c), doit transmettre un rapportage des résultats d'analyse à la division, compétente pour la protection du sol. Le Ministre fixe la procédure de ce rapportage.
Le Ministre fixe pour quels échantillonnages qui sont exécutés dans le cadre de l'arrêté précité, le laboratoire agréé doit utiliser un enregistreur de données GPS. ".
" Art. 53/1. § 1er. Pour certaines échantillonnages et analyses fixés par le Ministre qui sont exécutés dans le cadre du décret sur les engrais, une notification est faite par le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), à la Mestbank via une application web, mise à disposition par la Mestbank. Le Ministre fixe les modalités de la notification et de l'application web. Seulement les résultats d'analyse des échantillonnages qui sont notifiés au préalable à la Mestbank, peuvent être utilisés pour obtenir certains droits dans le cadre du décret sur les engrais ou pour satisfaire à certaines obligations dans le cadre du décret sur les engrais.
§ 2. Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), transmet les résultats d'analyse de chaque échantillonnage notifié à la Mestbank. Le Ministre fixe la procédure de ce transfert de données.
§ 3. Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), utilise un enregistreur de données GPS lors de l'exécution des échantillonnages ayant trait à l'échantillonnage et l'analyse du sol pour déterminer :
1° les résidus de nitrates, visés à l'article 13, § 12 et § 13, et à l'article 14 du décret sur les engrais;
2° le degré de saturation en phosphates et la capacité de fixation de phosphates, visés à l'article 17, § 2, § 5 et § 6 du décret sur les engrais;
3° la teneur en azote provenant d'engrais chimiques ou d'autres engrais spécifiques lors des analyses du sol, visées à l'article 4, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 octobre 2008 relatif aux modalités en matière d'horticulture en exécution du décret du 22 décembre 2006 concernant la protection des eaux contre la pollution par les nitrates à partir de sources agricoles;
4° la teneur en phosphates provenant d'engrais chimiques lors des analyses du sol, visées à l'article 6, § 1er, de l'arrêté, visé au point 3° ;
5° les résidus de nitrates et la teneur en carbone en vue de l'épandage de compost sur des parcelles dont la teneur en carbone est trop basse, visés à l'article 8, de l'arrêté, visé au point 3° ;
6° les résidus de nitrates, visés à l'article 58, 9°, de l'arrêté ministériel du 11 juin 2008 relatif à la conclusion de contrats de gestion et à l'octroi d'indemnités en exécution du Règlement (CE) n° 1698/2005 du Conseil du 20 septembre 2005 concernant le soutien au développement rural.
Le Ministre peut fixer des catégories supplémentaires d'échantillonnages pour lesquels le laboratoire agréé doit utiliser un enregistreur de données GPS.
Les données de l'enregistreur de données GPS sont transmises à la Mestbank. Le Ministre fixe les modalités de l'utilisation de l'enregistreur de données GPS et la procédure du transfert des données de l'enregistreur de données GPS.
Art. 53/2. Pour certains échantillonnages et analyses fixés par le Ministre qui sont exécutés dans le cadre de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2005 instaurant un régime de paiement unique et établissant certains régimes d'aide pour agriculteurs et portant application de la conditionnalité, le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, c), doit transmettre un rapportage des résultats d'analyse à la division, compétente pour la protection du sol. Le Ministre fixe la procédure de ce rapportage.
Le Ministre fixe pour quels échantillonnages qui sont exécutés dans le cadre de l'arrêté précité, le laboratoire agréé doit utiliser un enregistreur de données GPS. ".
Art. 126. Aan hoofdstuk 8, afdeling 3, van hetzelfde besluit wordt een onderafdeling 6, die bestaat uit artikel 53/3, 53/4 en 53/5, toegevoegd, die luidt als volgt :
" Onderafdeling 6. Gebruikseisen voor bodemsaneringsdeskundigen
Art. 53/3. § 1. De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
1° ziet erop toe dat alle monsters die genomen zijn in het kader van het Bodemdecreet, geanalyseerd worden overeenkomstig het CMA, door een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, f);
2° voert het veldwerk uit of ziet erop toe dat het veldwerk wordt uitgevoerd overeenkomstig het CMA;
3° deelt op eenvoudig verzoek onmiddellijk aan de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, mee waar veldwerk in het kader van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan wordt gepland in de periode die is aangegeven in het verzoek van de afdeling, bevoegd voor bodembeheer;
4° voert de taken, vermeld in artikel 6, 6°, uit in overeenstemming met de standaardprocedures of de codes van goede praktijk, vermeld in het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan;
5° houdt een klachtenregister bij dat ter inzage ligt voor de toezichthoudende overheid;
6° beschikt zelf over een model voor risicoanalyse van bodemverontreiniging dat aanvaard wordt door de afdeling, bevoegd voor bodembeheer;
7° stelt jaarlijks een jaarverslag op dat minstens de volgende elementen bevat :
a) een overzicht van de personen die beschikken over de vereiste kennis en beroepservaring;
b) een evaluatie van de genomen acties voor de kwaliteitsborging, de opleiding van het personeel en de inhoud van het klachtenregister;
8° houdt een kwaliteitshandboek bij;
9° schoolt zich of de personen die bij hem in dienst zijn permanent bij wat betreft het milieucompartiment bodem, inclusief milieutechnologie en milieuwetgeving in verband met bodem, door cursussen, seminaries, studiedagen en dergelijke te volgen. De totale bijscholing van de bodemsaneringsdeskundige van type 1 of de personen die bij hem in dienst zijn, bedraagt ten minste vijftien uur per kalenderjaar. De totale bijscholing voor de personen die in dienst zijn bij een bodemsaneringsdeskundige van type 2, bedraagt ten minste zestig uur per kalenderjaar.
§ 2. De erkende bodemsaneringsdeskundige van type 2 beschikt bovendien over een mathematisch grondwatermodel dat aanvaard wordt door de afdeling, bevoegd voor bodembeheer.
Art. 53/4. § 1. De verslagen en rapporten die worden opgesteld in het kader van de taken van de bodemsaneringsdeskundige van type 1, vermeld in artikel 6, 6°, worden ondertekend door de bodemsaneringsdeskundige of door minstens één persoon die bij hem in dienst is die beschikt over de individuele handtekeningsbevoegdheid, vermeld in § 2, eerste lid, van dit artikel.
De verslagen, rapporten en projecten die worden opgesteld in het kader van de taken van de bodemsaneringsdeskundige van type 2, met uitzondering van de taken van de bodemsaneringsdeskundige van type 1, vermeld in artikel 6, 6°, worden ondertekend door minstens één persoon die bij de bodemsaneringsdeskundige in dienst is en die beschikt over de individuele handtekeningsbevoegdheid, vermeld in § 2, tweede lid, van dit artikel.
§ 2. Het afdelingshoofd van de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, verleent op aanvraag de bevoegdheid om verslagen en rapporten van de bodemsaneringsdeskundige te ondertekenen aan de personen die in het bezit zijn van een getuigschrift van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, module 1.
Het afdelingshoofd van de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, verleent op aanvraag de bevoegdheid om verslagen, rapporten en projecten te ondertekenen aan de personen die in het bezit zijn van een getuigschrift van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, module 2.
§ 3. Naar aanleiding van de vaststelling van een ernstige fout of van herhaalde fouten in de verslagen, rapporten of projecten van de erkende bodemsaneringsdeskundige, opgesteld in het kader van de taken, vermeld in artikel 6, 6°, kan het afdelingshoofd van de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, de persoon met de individuele handtekeningsbevoegdheid, vermeld in paragraaf 2, die de verslagen, rapporten of projecten heeft ondertekend, de verplichting opleggen om binnen een termijn van één jaar, te rekenen vanaf de datum van die beslissing, deel te nemen aan het examen van de aanvullende vorming voor de overeenstemmende module, vermeld in bijlage 17, die bij dit besluit is gevoegd.
Als die persoon niet slaagt voor dat examen of binnen die termijn niet deelneemt aan dat examen, vervalt van rechtswege de individuele handtekeningsbevoegdheid, vermeld in paragraaf 2, die aan hem toegekend is.
De afdeling, bevoegd voor bodembeheer, betekent de beslissing aan de bodemsaneringsdeskundige en aan de houder van de individuele handtekeningsbevoegdheid, per adres van de bodemsaneringsdeskundige.
Art. 53/5. § 1. Van de erkenning als bodemsaneringsdeskundige kan niet gebruikgemaakt worden in de volgende gevallen :
1° de bodemsaneringsdeskundige of een persoon die bij de bodemsaneringsdeskundige een bestuursmandaat opneemt of een bestuursfunctie uitoefent, is bloed- of aanverwant in de rechte lijn tot en met de derde graad en in de zijlijn tot en met de vierde graad met :
a) de opdrachtgever;
b) de uitvoerder van de bodemsaneringswerken of risicobeheersmaatregelen;
c) iedere andere persoon die bij de voormelde opdrachtgever of uitvoerder een bestuursmandaat opneemt of een bestuursfunctie uitoefent;
2° de bodemsaneringsdeskundige of een persoon die bij de bodemsaneringsdeskundige een bestuursmandaat opneemt of een bestuursfunctie uitoefent, is zelf of met een tussenpersoon eigenaar of werkende vennoot van :
a) de opdrachtgever;
b) de uitvoerder van de bodemsaneringswerken of risicobeheersmaatregelen;
3° de bodemsaneringsdeskundige of een persoon die bij de bodemsaneringsdeskundige een bestuursmandaat opneemt of een bestuursfunctie uitoefent, oefent zelf of met een tussenpersoon, in rechte of in feite, een bestuursmandaat of bestuursfunctie uit bij :
a) de opdrachtgever;
b) de uitvoerder van de bodemsaneringswerken of risicobeheersmaatregelen;
4° de bodemsaneringsdeskundige wordt rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, gefinancierd, gecontroleerd of beheerd door :
a) de opdrachtgever;
b) de uitvoerder van de bodemsaneringswerken of risicobeheersmaatregelen;
c) een persoon die ook de voormelde opdrachtgever of uitvoerder rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, financiert, controleert of beheert.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de minister op schriftelijk verzoek van de opdrachtgever of de bodemsaneringsdeskundige beslissen dat toch gebruikgemaakt kan worden van de erkenning als bodemsaneringsdeskundige als de verzoeker :
1° aantoont dat de kwaliteit van de uitvoering van de werkzaamheden kan worden gewaarborgd;
2° zich ertoe verbindt de bijkomende controlekosten van de OVAM te vergoeden.
De minister neemt een beslissing binnen vijfenveertig dagen na de ontvangst van het gemotiveerde schriftelijke verzoek. ".
" Onderafdeling 6. Gebruikseisen voor bodemsaneringsdeskundigen
Art. 53/3. § 1. De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
1° ziet erop toe dat alle monsters die genomen zijn in het kader van het Bodemdecreet, geanalyseerd worden overeenkomstig het CMA, door een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, f);
2° voert het veldwerk uit of ziet erop toe dat het veldwerk wordt uitgevoerd overeenkomstig het CMA;
3° deelt op eenvoudig verzoek onmiddellijk aan de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, mee waar veldwerk in het kader van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan wordt gepland in de periode die is aangegeven in het verzoek van de afdeling, bevoegd voor bodembeheer;
4° voert de taken, vermeld in artikel 6, 6°, uit in overeenstemming met de standaardprocedures of de codes van goede praktijk, vermeld in het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan;
5° houdt een klachtenregister bij dat ter inzage ligt voor de toezichthoudende overheid;
6° beschikt zelf over een model voor risicoanalyse van bodemverontreiniging dat aanvaard wordt door de afdeling, bevoegd voor bodembeheer;
7° stelt jaarlijks een jaarverslag op dat minstens de volgende elementen bevat :
a) een overzicht van de personen die beschikken over de vereiste kennis en beroepservaring;
b) een evaluatie van de genomen acties voor de kwaliteitsborging, de opleiding van het personeel en de inhoud van het klachtenregister;
8° houdt een kwaliteitshandboek bij;
9° schoolt zich of de personen die bij hem in dienst zijn permanent bij wat betreft het milieucompartiment bodem, inclusief milieutechnologie en milieuwetgeving in verband met bodem, door cursussen, seminaries, studiedagen en dergelijke te volgen. De totale bijscholing van de bodemsaneringsdeskundige van type 1 of de personen die bij hem in dienst zijn, bedraagt ten minste vijftien uur per kalenderjaar. De totale bijscholing voor de personen die in dienst zijn bij een bodemsaneringsdeskundige van type 2, bedraagt ten minste zestig uur per kalenderjaar.
§ 2. De erkende bodemsaneringsdeskundige van type 2 beschikt bovendien over een mathematisch grondwatermodel dat aanvaard wordt door de afdeling, bevoegd voor bodembeheer.
Art. 53/4. § 1. De verslagen en rapporten die worden opgesteld in het kader van de taken van de bodemsaneringsdeskundige van type 1, vermeld in artikel 6, 6°, worden ondertekend door de bodemsaneringsdeskundige of door minstens één persoon die bij hem in dienst is die beschikt over de individuele handtekeningsbevoegdheid, vermeld in § 2, eerste lid, van dit artikel.
De verslagen, rapporten en projecten die worden opgesteld in het kader van de taken van de bodemsaneringsdeskundige van type 2, met uitzondering van de taken van de bodemsaneringsdeskundige van type 1, vermeld in artikel 6, 6°, worden ondertekend door minstens één persoon die bij de bodemsaneringsdeskundige in dienst is en die beschikt over de individuele handtekeningsbevoegdheid, vermeld in § 2, tweede lid, van dit artikel.
§ 2. Het afdelingshoofd van de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, verleent op aanvraag de bevoegdheid om verslagen en rapporten van de bodemsaneringsdeskundige te ondertekenen aan de personen die in het bezit zijn van een getuigschrift van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, module 1.
Het afdelingshoofd van de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, verleent op aanvraag de bevoegdheid om verslagen, rapporten en projecten te ondertekenen aan de personen die in het bezit zijn van een getuigschrift van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, module 2.
§ 3. Naar aanleiding van de vaststelling van een ernstige fout of van herhaalde fouten in de verslagen, rapporten of projecten van de erkende bodemsaneringsdeskundige, opgesteld in het kader van de taken, vermeld in artikel 6, 6°, kan het afdelingshoofd van de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, de persoon met de individuele handtekeningsbevoegdheid, vermeld in paragraaf 2, die de verslagen, rapporten of projecten heeft ondertekend, de verplichting opleggen om binnen een termijn van één jaar, te rekenen vanaf de datum van die beslissing, deel te nemen aan het examen van de aanvullende vorming voor de overeenstemmende module, vermeld in bijlage 17, die bij dit besluit is gevoegd.
Als die persoon niet slaagt voor dat examen of binnen die termijn niet deelneemt aan dat examen, vervalt van rechtswege de individuele handtekeningsbevoegdheid, vermeld in paragraaf 2, die aan hem toegekend is.
De afdeling, bevoegd voor bodembeheer, betekent de beslissing aan de bodemsaneringsdeskundige en aan de houder van de individuele handtekeningsbevoegdheid, per adres van de bodemsaneringsdeskundige.
Art. 53/5. § 1. Van de erkenning als bodemsaneringsdeskundige kan niet gebruikgemaakt worden in de volgende gevallen :
1° de bodemsaneringsdeskundige of een persoon die bij de bodemsaneringsdeskundige een bestuursmandaat opneemt of een bestuursfunctie uitoefent, is bloed- of aanverwant in de rechte lijn tot en met de derde graad en in de zijlijn tot en met de vierde graad met :
a) de opdrachtgever;
b) de uitvoerder van de bodemsaneringswerken of risicobeheersmaatregelen;
c) iedere andere persoon die bij de voormelde opdrachtgever of uitvoerder een bestuursmandaat opneemt of een bestuursfunctie uitoefent;
2° de bodemsaneringsdeskundige of een persoon die bij de bodemsaneringsdeskundige een bestuursmandaat opneemt of een bestuursfunctie uitoefent, is zelf of met een tussenpersoon eigenaar of werkende vennoot van :
a) de opdrachtgever;
b) de uitvoerder van de bodemsaneringswerken of risicobeheersmaatregelen;
3° de bodemsaneringsdeskundige of een persoon die bij de bodemsaneringsdeskundige een bestuursmandaat opneemt of een bestuursfunctie uitoefent, oefent zelf of met een tussenpersoon, in rechte of in feite, een bestuursmandaat of bestuursfunctie uit bij :
a) de opdrachtgever;
b) de uitvoerder van de bodemsaneringswerken of risicobeheersmaatregelen;
4° de bodemsaneringsdeskundige wordt rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, gefinancierd, gecontroleerd of beheerd door :
a) de opdrachtgever;
b) de uitvoerder van de bodemsaneringswerken of risicobeheersmaatregelen;
c) een persoon die ook de voormelde opdrachtgever of uitvoerder rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, financiert, controleert of beheert.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de minister op schriftelijk verzoek van de opdrachtgever of de bodemsaneringsdeskundige beslissen dat toch gebruikgemaakt kan worden van de erkenning als bodemsaneringsdeskundige als de verzoeker :
1° aantoont dat de kwaliteit van de uitvoering van de werkzaamheden kan worden gewaarborgd;
2° zich ertoe verbindt de bijkomende controlekosten van de OVAM te vergoeden.
De minister neemt een beslissing binnen vijfenveertig dagen na de ontvangst van het gemotiveerde schriftelijke verzoek. ".
Art. 126. Le chapitre 8, section 3, du même arrêté, est complété par une sous-section 6, comprenant les articles 53/3, 53/4 et 53/5, rédigée comme suit :
" Sous-section 6. Exigences d'utilisation pour experts en assainissement du sol
Art. 53/3. § 1er. L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
1° veille à ce que tous les échantillons prélevés dans le cadre du décret relatif au sol soient analysés conformément au CMA, par un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, f);
2° exécute le travail sur le terrain ou veille à ce que le travail sur le terrain soit exécuté conformément au CMA;
3° communique, sur simple demande, immédiatement à la division, compétente pour la gestion du sol, où du travail sur le terrain dans le cadre du décret relatif au sol et ses arrêtés d'exécution est prévu dans la période indiquée dans la demande de la division, compétente pour la gestion du sol;
4° exécute les tâches, visées à l'article 6, 6°, conformément aux procédures standard ou aux codes de bonne pratique, visés au décret relatif au sol et ses arrêtés d'exécution;
5° tient un registre des plaintes qui peut être consulté par l'autorité de contrôle;
6° dispose lui-même d'un modèle d'analyse des risques de pollution du sol qui est accepté par la division, compétente pour la gestion du sol;
7° établit annuellement un rapport annuel qui comprend au moins les éléments suivants :
a) un aperçu des personnes qui disposent de la connaissance et de l'expérience professionnelle requises;
b) une évaluation des actions entreprises pour l'assurance de la qualité, la formation du personnel et le contenu du registre des plaintes;
8° tient un manuel de la qualité;
9° se perfectionne ou perfectionne les personnes qu'il emploie en permanence en ce qui concerne le compartiment écologique du sol, y compris la technologie environnementale et la législation environnementale concernant le sol, en suivant des cours, séminaires, journées d'étude et cetera. Le perfectionnement total de l'expert en assainissement du sol du type 1 ou des personnes qu'il emploie s'élève au moins à quinze heures par année calendaire. Le perfectionnement total des personnes employées par un expert en assainissement du sol du type 2 s'élève au moins à soixante heures par année calendaire.
§ 2. En outre, l'expert en assainissement du sol agréé du type 2 dispose d'un modèle mathématique des eaux souterraines qui est accepté par la division, compétente pour la gestion du sol.
Art. 53/4. § 1er. Les rapports établis dans le cadre des tâches de l'expert en assainissement du sol du type 1, visées à l'article 6, 6°, sont signés par l'expert en assainissement du sol ou par au moins une personne employée par lui qui dispose du pouvoir de signature individuelle, visé au § 2, alinéa premier, du présent article.
Les rapports et projets établis dans le cadre des tâches de l'expert enassainissement du sol du type 2, à l'exception des tâches de l'expert enassainissement du sol du type 1, visées à l'article 6, 6°, sont signés par au moins unepersonne employée par l'expert en assainissement du sol et qui dispose du pouvoirde signature individuelle, visé au § 2, alinéa deux, du présent article.
§ 2. Le chef de division de la division, compétente pour la gestion du sol, octroie, sur demande, la compétence de signer des rapports de l'expert en assainissement du sol aux personnes qui sont en possession d'un certificat de formation complémentaire pour experts en assainissement du sol, module 1.
Le chef de division de la division, compétente pour la gestion du sol, octroie, sur demande, la compétence de signer des rapports et des projets aux personnes qui sont en possession d'un certificat de formation complémentaire pour experts en assainissement du sol, module 2.
§ 3. A l'occasion de la constatation d'une faute grave ou de fautes répétées dans les rapports ou projets de l'expert en assainissement du sol agréé, établis dans le cadre des tâches, visées à l'article 6, 6°, le chef de division de la division, compétente pour la gestion du sol, peut imposer à la personne disposant du pouvoir de signature individuelle, visée au paragraphe 2, qui a signé les rapports ou projets, l'obligation de participer, dans un délai d'un an, à compter de la date de cette décision, à l'examen de la formation complémentaire pour le module correspondant, visé à l'annexe 17, jointe au présent arrêté.
Lorsque cette personne ne réussit pas cet examen ou ne participe pas à cet examen dans ce délai, le pouvoir de signature individuelle, visé au paragraphe 2, qui lui est octroyé, échoit de plein droit.
La division, compétente pour la gestion du sol, notifie la décision à l'expert en assainissement du sol et au titulaire du pouvoir de signature individuelle, à l'attention de l'expert en assainissement du sol.
Art. 53/5. § 1er. L'agrément d'expert en assainissement du sol ne peut pas être utilisé dans les cas suivants :
1° l'expert en assainissement du sol ou une personne qui assume un mandat de direction ou exerce une fonction de direction auprès de l'expert en assainissement du sol est parent ou allié en ligne directe jusqu'au troisième degré et en ligne collatérale jusqu'au quatrième degré :
a) du donneur d'ordre;
b) de l'exécutant des travaux d'assainissement du sol ou des mesures de gestion des risques;
c) de toute autre personne qui assume un mandat de direction ou exerce une fonction de direction auprès du donneur d'ordre précité;
2° l'expert en assainissement du sol ou une personne qui assume un mandat de direction ou exerce une fonction de direction auprès de l'expert en assainissement du sol est lui-même ou par un intermédiaire propriétaire ou associé actif :
a) du donneur d'ordre;
b) de l'exécutant des travaux d'assainissement du sol ou des mesures de gestion des risques;
3° l'expert en assainissement du sol ou une personne qui assume un mandat de direction ou exerce une fonction de direction auprès de l'expert en assainissement du sol exerce lui-même ou par un intermédiaire, de droit ou de fait, un mandat de direction ou une fonction de direction auprès :
a) du donneur d'ordre;
b) de l'exécutant des travaux d'assainissement du sol ou des mesures de gestion des risques;
4° l'expert en assainissement du sol est, directement ou indirectement, complètement ou partiellement, financé, contrôlé ou géré par :
a) le donneur d'ordre;
b) l'exécutant des travaux d'assainissement du sol ou des mesures de gestion des risques;
c) une personne qui finance, contrôle ou gère également le donneur d'ordre précité ou l'exécutant, directement ou indirectement, complètement ou partiellement.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le Ministre peut décider, sur la demande écrite du donneur d'ordre ou de l'expert en assainissement du sol, que l'agrément d'expert en assainissement du sol peut tout de même être utilisé lorsque le demandeur :
1° démontre que la qualité de l'exécution des travaux peut être garantie;
2° s'engage à indemniser les frais de contrôle supplémentaires de l'OVAM.
Le Ministre prend une décision dans les quarante-cinq jours suivant la réception de la demande écrite motivée. ".
" Sous-section 6. Exigences d'utilisation pour experts en assainissement du sol
Art. 53/3. § 1er. L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
1° veille à ce que tous les échantillons prélevés dans le cadre du décret relatif au sol soient analysés conformément au CMA, par un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, f);
2° exécute le travail sur le terrain ou veille à ce que le travail sur le terrain soit exécuté conformément au CMA;
3° communique, sur simple demande, immédiatement à la division, compétente pour la gestion du sol, où du travail sur le terrain dans le cadre du décret relatif au sol et ses arrêtés d'exécution est prévu dans la période indiquée dans la demande de la division, compétente pour la gestion du sol;
4° exécute les tâches, visées à l'article 6, 6°, conformément aux procédures standard ou aux codes de bonne pratique, visés au décret relatif au sol et ses arrêtés d'exécution;
5° tient un registre des plaintes qui peut être consulté par l'autorité de contrôle;
6° dispose lui-même d'un modèle d'analyse des risques de pollution du sol qui est accepté par la division, compétente pour la gestion du sol;
7° établit annuellement un rapport annuel qui comprend au moins les éléments suivants :
a) un aperçu des personnes qui disposent de la connaissance et de l'expérience professionnelle requises;
b) une évaluation des actions entreprises pour l'assurance de la qualité, la formation du personnel et le contenu du registre des plaintes;
8° tient un manuel de la qualité;
9° se perfectionne ou perfectionne les personnes qu'il emploie en permanence en ce qui concerne le compartiment écologique du sol, y compris la technologie environnementale et la législation environnementale concernant le sol, en suivant des cours, séminaires, journées d'étude et cetera. Le perfectionnement total de l'expert en assainissement du sol du type 1 ou des personnes qu'il emploie s'élève au moins à quinze heures par année calendaire. Le perfectionnement total des personnes employées par un expert en assainissement du sol du type 2 s'élève au moins à soixante heures par année calendaire.
§ 2. En outre, l'expert en assainissement du sol agréé du type 2 dispose d'un modèle mathématique des eaux souterraines qui est accepté par la division, compétente pour la gestion du sol.
Art. 53/4. § 1er. Les rapports établis dans le cadre des tâches de l'expert en assainissement du sol du type 1, visées à l'article 6, 6°, sont signés par l'expert en assainissement du sol ou par au moins une personne employée par lui qui dispose du pouvoir de signature individuelle, visé au § 2, alinéa premier, du présent article.
Les rapports et projets établis dans le cadre des tâches de l'expert enassainissement du sol du type 2, à l'exception des tâches de l'expert enassainissement du sol du type 1, visées à l'article 6, 6°, sont signés par au moins unepersonne employée par l'expert en assainissement du sol et qui dispose du pouvoirde signature individuelle, visé au § 2, alinéa deux, du présent article.
§ 2. Le chef de division de la division, compétente pour la gestion du sol, octroie, sur demande, la compétence de signer des rapports de l'expert en assainissement du sol aux personnes qui sont en possession d'un certificat de formation complémentaire pour experts en assainissement du sol, module 1.
Le chef de division de la division, compétente pour la gestion du sol, octroie, sur demande, la compétence de signer des rapports et des projets aux personnes qui sont en possession d'un certificat de formation complémentaire pour experts en assainissement du sol, module 2.
§ 3. A l'occasion de la constatation d'une faute grave ou de fautes répétées dans les rapports ou projets de l'expert en assainissement du sol agréé, établis dans le cadre des tâches, visées à l'article 6, 6°, le chef de division de la division, compétente pour la gestion du sol, peut imposer à la personne disposant du pouvoir de signature individuelle, visée au paragraphe 2, qui a signé les rapports ou projets, l'obligation de participer, dans un délai d'un an, à compter de la date de cette décision, à l'examen de la formation complémentaire pour le module correspondant, visé à l'annexe 17, jointe au présent arrêté.
Lorsque cette personne ne réussit pas cet examen ou ne participe pas à cet examen dans ce délai, le pouvoir de signature individuelle, visé au paragraphe 2, qui lui est octroyé, échoit de plein droit.
La division, compétente pour la gestion du sol, notifie la décision à l'expert en assainissement du sol et au titulaire du pouvoir de signature individuelle, à l'attention de l'expert en assainissement du sol.
Art. 53/5. § 1er. L'agrément d'expert en assainissement du sol ne peut pas être utilisé dans les cas suivants :
1° l'expert en assainissement du sol ou une personne qui assume un mandat de direction ou exerce une fonction de direction auprès de l'expert en assainissement du sol est parent ou allié en ligne directe jusqu'au troisième degré et en ligne collatérale jusqu'au quatrième degré :
a) du donneur d'ordre;
b) de l'exécutant des travaux d'assainissement du sol ou des mesures de gestion des risques;
c) de toute autre personne qui assume un mandat de direction ou exerce une fonction de direction auprès du donneur d'ordre précité;
2° l'expert en assainissement du sol ou une personne qui assume un mandat de direction ou exerce une fonction de direction auprès de l'expert en assainissement du sol est lui-même ou par un intermédiaire propriétaire ou associé actif :
a) du donneur d'ordre;
b) de l'exécutant des travaux d'assainissement du sol ou des mesures de gestion des risques;
3° l'expert en assainissement du sol ou une personne qui assume un mandat de direction ou exerce une fonction de direction auprès de l'expert en assainissement du sol exerce lui-même ou par un intermédiaire, de droit ou de fait, un mandat de direction ou une fonction de direction auprès :
a) du donneur d'ordre;
b) de l'exécutant des travaux d'assainissement du sol ou des mesures de gestion des risques;
4° l'expert en assainissement du sol est, directement ou indirectement, complètement ou partiellement, financé, contrôlé ou géré par :
a) le donneur d'ordre;
b) l'exécutant des travaux d'assainissement du sol ou des mesures de gestion des risques;
c) une personne qui finance, contrôle ou gère également le donneur d'ordre précité ou l'exécutant, directement ou indirectement, complètement ou partiellement.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le Ministre peut décider, sur la demande écrite du donneur d'ordre ou de l'expert en assainissement du sol, que l'agrément d'expert en assainissement du sol peut tout de même être utilisé lorsque le demandeur :
1° démontre que la qualité de l'exécution des travaux peut être garantie;
2° s'engage à indemniser les frais de contrôle supplémentaires de l'OVAM.
Le Ministre prend une décision dans les quarante-cinq jours suivant la réception de la demande écrite motivée. ".
Art. 127. Aan hoofdstuk 8, afdeling 3, van hetzelfde besluit wordt een onderafdeling 7, die bestaat uit artikel 53/6, toegevoegd, die luidt als volgt :
" Onderafdeling 7. Gebruikseisen voor boorbedrijven
Art. 53/6. Het erkende boorbedrijf, vermeld in artikel 6, 7° :
1° beschikt over de nodige actuele vakliteratuur en technische gegevens over de uit te voeren werken met betrekking tot de erkenning;
2° zorgt ervoor dat een van de volgende voorwaarden vervuld is :
a) ieder boortoestel wordt bediend door, of de bediening staat onder het directe toezicht van een verantwoordelijke die over minstens drie jaar praktische ervaring beschikt in het uitvoeren van werken in het kader van de erkenning;
b) ieder boortoestel wordt bediend door een werknemer die beschikt over een attest dat hij de algemene opleiding, vermeld in bijlage 16, die bij dit besluit is gevoegd, met gunstig gevolg heeft gevolgd;
3° zorgt ervoor dat het personeel dat de werken in het kader van de erkenning uitvoert, vijfjaarlijks een opleiding met gunstig gevolg volgt. Die opleiding bestaat uit de algemene opleiding, vermeld in bijlage 16, die bij dit besluit is gevoegd, of uit een bijscholing als vermeld in dezelfde bijlage, voor het personeel dat de algemene opleiding al met gunstig gevolg heeft gevolgd;
4° zorgt ervoor dat het personeel dat de werken in het kader van de erkenning uitvoert, over het meest geschikte en in goede staat verkerende materieel beschikt dat voldoet aan alle reglementaire eisen en dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de werken waarvoor de erkenning werd verkregen;
5° zorgt ervoor dat het personeel de nodige notities neemt tijdens de werken in het kader van de erkenning en, in voorkomend geval, een volledig boorverslag als vermeld in bijlage 5.53.1 van titel II van het VLAREM, opstelt;
6° blijft op de hoogte van de recentste ontwikkelingen en wetgeving inzake de werken waarvoor de erkenning werd verkregen;
7° voert alleen werken uit met betrekking tot ingedeelde inrichtingen als de nodige vergunning of aktename daarvoor voorhanden is, en houdt zich strikt aan de geldende milieuvoorwaarden;
8° houdt een inventaris ter beschikking van de toezichthouders van alle werken die de laatste vijf jaar zijn uitgevoerd, met telkens de unieke code die verkregen is bij de Databank Ondergrond Vlaanderen, een boorverslag en de datum van de vergunning of aktename dan wel een verklaring dat het werken betrof voor een niet-ingedeelde inrichting;
9° bezorgt minimaal tweemaandelijks via een webapplicatie van de Databank Ondergrond Vlaanderen een inventaris van de werken die de voorbije periode zijn uitgevoerd, waarbij de boorverslagen in het formaat, vastgesteld door de Databank Ondergrond Vlaanderen, digitaal worden bezorgd. ".
" Onderafdeling 7. Gebruikseisen voor boorbedrijven
Art. 53/6. Het erkende boorbedrijf, vermeld in artikel 6, 7° :
1° beschikt over de nodige actuele vakliteratuur en technische gegevens over de uit te voeren werken met betrekking tot de erkenning;
2° zorgt ervoor dat een van de volgende voorwaarden vervuld is :
a) ieder boortoestel wordt bediend door, of de bediening staat onder het directe toezicht van een verantwoordelijke die over minstens drie jaar praktische ervaring beschikt in het uitvoeren van werken in het kader van de erkenning;
b) ieder boortoestel wordt bediend door een werknemer die beschikt over een attest dat hij de algemene opleiding, vermeld in bijlage 16, die bij dit besluit is gevoegd, met gunstig gevolg heeft gevolgd;
3° zorgt ervoor dat het personeel dat de werken in het kader van de erkenning uitvoert, vijfjaarlijks een opleiding met gunstig gevolg volgt. Die opleiding bestaat uit de algemene opleiding, vermeld in bijlage 16, die bij dit besluit is gevoegd, of uit een bijscholing als vermeld in dezelfde bijlage, voor het personeel dat de algemene opleiding al met gunstig gevolg heeft gevolgd;
4° zorgt ervoor dat het personeel dat de werken in het kader van de erkenning uitvoert, over het meest geschikte en in goede staat verkerende materieel beschikt dat voldoet aan alle reglementaire eisen en dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de werken waarvoor de erkenning werd verkregen;
5° zorgt ervoor dat het personeel de nodige notities neemt tijdens de werken in het kader van de erkenning en, in voorkomend geval, een volledig boorverslag als vermeld in bijlage 5.53.1 van titel II van het VLAREM, opstelt;
6° blijft op de hoogte van de recentste ontwikkelingen en wetgeving inzake de werken waarvoor de erkenning werd verkregen;
7° voert alleen werken uit met betrekking tot ingedeelde inrichtingen als de nodige vergunning of aktename daarvoor voorhanden is, en houdt zich strikt aan de geldende milieuvoorwaarden;
8° houdt een inventaris ter beschikking van de toezichthouders van alle werken die de laatste vijf jaar zijn uitgevoerd, met telkens de unieke code die verkregen is bij de Databank Ondergrond Vlaanderen, een boorverslag en de datum van de vergunning of aktename dan wel een verklaring dat het werken betrof voor een niet-ingedeelde inrichting;
9° bezorgt minimaal tweemaandelijks via een webapplicatie van de Databank Ondergrond Vlaanderen een inventaris van de werken die de voorbije periode zijn uitgevoerd, waarbij de boorverslagen in het formaat, vastgesteld door de Databank Ondergrond Vlaanderen, digitaal worden bezorgd. ".
Art. 127. Le chapitre 8, section 3, du même arrêté, est complété par une sous-section 7, comprenant l'article 53/6, rédigée comme suit :
" Sous-section 7. Exigences d'utilisation pour des entreprises de forage
Art. 53/6. L'entreprise de forage agréée, visé à l'article 6, 7° :
1° dispose de la littérature spécialisée actuelle et des données techniques nécessaires en ce qui concerne les travaux à exécuter relatives à l'agrément;
2° veille à ce qu'une des conditions suivantes soit remplie :
a) chaque appareil de forage est opéré par, ou la commande est placée sous le contrôle direct d'un responsable disposant d'au moins trois ans d'expérience pratique dans l'exécution de travaux dans le cadre de l'agrément;
b) chaque appareil de forage est opéré par un travailleur qui dispose d'une attestation qu'il a passé avec succès la formation générale, visée à l'annexe 16, jointe au présent arrêté;
3° veille à ce que le personnel exécutant les travaux dans le cadre de l'agrément passe tous les cinq ans une formation avec succès. Cette formation comprend la formation générale, visée à l'annexe 16, jointe au présent arrêté, ou un perfectionnement tel que visé à la même annexe, pour le personnel qui a déjà passé la formation générale avec succès;
4° veille à ce que le personnel exécutant les travaux dans le cadre de l'agrément dispose du matériel le plus approprié et se trouvant en bon état, qui répond à toutes les exigences réglementaires et qui est nécessaire pour l'exécution des travaux pour lesquels l'agrément a été obtenu;
5° veille à ce que le personnel prenne les notes nécessaires lors des travaux dans le cadre de l'agrément et, le cas échéant, établisse un rapport de forage complet tel que visé à l'annexe 5.53.1 du titre II du VLAREM;
6° reste au courant des développements les plus récents et de la législation en matière de travaux pour lesquels l'agrément a été obtenu;
7° n'exécute des travaux relatifs aux établissements classés que lorsque l'autorisation nécessaire ou prise d'acte à cet effet soit disponible, et respecte strictement les conditions environnementales en vigueur;
8° tient un inventaire à disposition des surveillants de tous les travaux qui ont été exécutés au cours des cinq dernières années, avec chaque fois le code unique que a été obtenu auprès de la " Databank Ondergrond Vlaanderen " (banque de données du sous-sol de la Flandre), un rapport de forage et la date de l'autorisation ou de la prise d'acte soit une déclaration qu'il s'agissait de travaux pour un établissement non classé;
9° transmet au moins tous les deux mois via une application web de la " Databank Ondergrond Vlaanderen " un inventaire des travaux qui ont été exécutés pendant la période écoulée, où les rapports de forage sont transmis par voie numérique dans le format, fixé par la " Databank Ondergrond Vlaanderen ". ".
" Sous-section 7. Exigences d'utilisation pour des entreprises de forage
Art. 53/6. L'entreprise de forage agréée, visé à l'article 6, 7° :
1° dispose de la littérature spécialisée actuelle et des données techniques nécessaires en ce qui concerne les travaux à exécuter relatives à l'agrément;
2° veille à ce qu'une des conditions suivantes soit remplie :
a) chaque appareil de forage est opéré par, ou la commande est placée sous le contrôle direct d'un responsable disposant d'au moins trois ans d'expérience pratique dans l'exécution de travaux dans le cadre de l'agrément;
b) chaque appareil de forage est opéré par un travailleur qui dispose d'une attestation qu'il a passé avec succès la formation générale, visée à l'annexe 16, jointe au présent arrêté;
3° veille à ce que le personnel exécutant les travaux dans le cadre de l'agrément passe tous les cinq ans une formation avec succès. Cette formation comprend la formation générale, visée à l'annexe 16, jointe au présent arrêté, ou un perfectionnement tel que visé à la même annexe, pour le personnel qui a déjà passé la formation générale avec succès;
4° veille à ce que le personnel exécutant les travaux dans le cadre de l'agrément dispose du matériel le plus approprié et se trouvant en bon état, qui répond à toutes les exigences réglementaires et qui est nécessaire pour l'exécution des travaux pour lesquels l'agrément a été obtenu;
5° veille à ce que le personnel prenne les notes nécessaires lors des travaux dans le cadre de l'agrément et, le cas échéant, établisse un rapport de forage complet tel que visé à l'annexe 5.53.1 du titre II du VLAREM;
6° reste au courant des développements les plus récents et de la législation en matière de travaux pour lesquels l'agrément a été obtenu;
7° n'exécute des travaux relatifs aux établissements classés que lorsque l'autorisation nécessaire ou prise d'acte à cet effet soit disponible, et respecte strictement les conditions environnementales en vigueur;
8° tient un inventaire à disposition des surveillants de tous les travaux qui ont été exécutés au cours des cinq dernières années, avec chaque fois le code unique que a été obtenu auprès de la " Databank Ondergrond Vlaanderen " (banque de données du sous-sol de la Flandre), un rapport de forage et la date de l'autorisation ou de la prise d'acte soit une déclaration qu'il s'agissait de travaux pour un établissement non classé;
9° transmet au moins tous les deux mois via une application web de la " Databank Ondergrond Vlaanderen " un inventaire des travaux qui ont été exécutés pendant la période écoulée, où les rapports de forage sont transmis par voie numérique dans le format, fixé par la " Databank Ondergrond Vlaanderen ". ".
Art. 128. In artikel 54 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 worden de woorden " De minister " vervangen door de zinsnede " De leidinggevende ambtenaar van het agentschap of departement waartoe de bevoegde afdeling behoort, ";
2° aan paragraaf 1 worden een punt 4° en 5° toegevoegd, die luiden als volgt :
" 4° geen enkele werknemer die geslaagd is voor de ringtest met betrekking tot het pakket voor een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, c), of voor de technische proef, vermeld in bijlage 10, hoofdstuk 2, 8°, die bij dit besluit is gevoegd, werkt nog bij het erkende laboratorium;
5° de retributie als vermeld in artikel 54/1, § 2, niet betaald wordt. ";
3° in paragraaf 2 worden de woorden " De afdeling " vervangen door de woorden " De bevoegde afdeling ";
4° in paragraaf 3 worden de woorden " De minister neemt op voorstel van de afdeling " vervangen door de zinsnede " De leidinggevende ambtenaar van het agentschap of departement waartoe de bevoegde afdeling behoort, neemt ";
5° in paragraaf 4 worden de woorden " de afdeling " vervangen door de woorden " de bevoegde afdeling ".
1° in paragraaf 1 worden de woorden " De minister " vervangen door de zinsnede " De leidinggevende ambtenaar van het agentschap of departement waartoe de bevoegde afdeling behoort, ";
2° aan paragraaf 1 worden een punt 4° en 5° toegevoegd, die luiden als volgt :
" 4° geen enkele werknemer die geslaagd is voor de ringtest met betrekking tot het pakket voor een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, c), of voor de technische proef, vermeld in bijlage 10, hoofdstuk 2, 8°, die bij dit besluit is gevoegd, werkt nog bij het erkende laboratorium;
5° de retributie als vermeld in artikel 54/1, § 2, niet betaald wordt. ";
3° in paragraaf 2 worden de woorden " De afdeling " vervangen door de woorden " De bevoegde afdeling ";
4° in paragraaf 3 worden de woorden " De minister neemt op voorstel van de afdeling " vervangen door de zinsnede " De leidinggevende ambtenaar van het agentschap of departement waartoe de bevoegde afdeling behoort, neemt ";
5° in paragraaf 4 worden de woorden " de afdeling " vervangen door de woorden " de bevoegde afdeling ".
Art. 128. Dans l'article 54 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le paragraphe 1er, les mots " Le Ministre " sont remplacés par les mots " Le fonctionnaire dirigeant de l'agence ou du département auquel appartient la division compétente ";
2° le paragraphe 2 est complété par les points 4° et 5°, rédigés comme suit :
" 4° aucun employé qui a réussi l'épreuve de l'anneau relatif au paquet pour un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, c), ou l'épreuve technique, visée à l'annexe 10, chapitre 2, 8°, jointe au présent arrêté, ne travaille encore auprès du laboratoire agréé;
5° la rétribution telle que visée à l'article 54/1, § 2, n'est pas payée. ";
3° dans le paragraphe 2, les mots " La division " sont remplacés par les mots " La division compétente ";
4° dans le paragraphe 3, les mots " Sur la proposition de la division, le Ministre statue " sont remplacés par les mots " Le fonctionnaire dirigeant de l'agence ou du département auquel appartient la division compétente prend une décision ";
5° dans le paragraphe 4, les mots " la division " sont remplacés par les mots " la division compétente ".
1° dans le paragraphe 1er, les mots " Le Ministre " sont remplacés par les mots " Le fonctionnaire dirigeant de l'agence ou du département auquel appartient la division compétente ";
2° le paragraphe 2 est complété par les points 4° et 5°, rédigés comme suit :
" 4° aucun employé qui a réussi l'épreuve de l'anneau relatif au paquet pour un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, c), ou l'épreuve technique, visée à l'annexe 10, chapitre 2, 8°, jointe au présent arrêté, ne travaille encore auprès du laboratoire agréé;
5° la rétribution telle que visée à l'article 54/1, § 2, n'est pas payée. ";
3° dans le paragraphe 2, les mots " La division " sont remplacés par les mots " La division compétente ";
4° dans le paragraphe 3, les mots " Sur la proposition de la division, le Ministre statue " sont remplacés par les mots " Le fonctionnaire dirigeant de l'agence ou du département auquel appartient la division compétente prend une décision ";
5° dans le paragraphe 4, les mots " la division " sont remplacés par les mots " la division compétente ".
Art. 129. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011, wordt een hoofdstuk 9/1, dat bestaat uit artikel 54/1 en 54/2, ingevoegd, dat luidt als volgt :
" HOOFDSTUK 9/1. - Retributie
Art. 54/1. § 1. Voor de behandeling van een aanvraag tot erkenning wordt een retributie geheven, waarvan de opbrengst rechtstreeks en integraal in het Fonds voor de behandeling van de erkenningsaanvragen en de uitoefening van het toezicht op de erkenningen met betrekking tot het leefmilieu wordt gestort, ten laste van elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een aanvraag tot erkenning als vermeld in artikel 6, indient.
De bedragen van die retributie worden vastgesteld in bijlage 18, A, die bij dit besluit is gevoegd.
§ 2. Voor de uitoefening van het toezicht op de erkenning wordt een retributie geheven, waarvan de opbrengst rechtstreeks en integraal in het Fonds voor de behandeling van de erkenningsaanvragen en de uitoefening van het toezicht op de erkenningen met betrekking tot het leefmilieu wordt gestort, ten laste van elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die in het bezit is van een erkenning als vermeld in artikel 6. Die retributie is op de volgende tijdstippen verschuldigd :
1° in geval van personen die van rechtswege erkend zijn conform artikel 32, § 2, eerste lid, 1° tot en met 4° en 6° : een eerste keer voor het verkrijgen van het erkenningscertificaat en vervolgens vijfjaarlijks, te rekenen vanaf de datum, vermeld op dit certificaat;
2° in alle andere gevallen : uiterlijk op 31 december 2014 en vervolgens vijfjaarlijks.
De bedragen van die retributie worden vastgesteld in bijlage 18, B, die bij dit besluit is gevoegd.
§ 3. De retributies, vermeld in paragraaf 1 en 2, gelden niet voor de volgende categorieën van erkenningen :
1° de opleidingscentra, vermeld in artikel 6, 4° ;
2° de laboratoria, vermeld in artikel 6, 5°.
§ 4. De retributies, vermeld in paragraaf 1 en 2, gelden ook niet in de volgende gevallen :
1° bij een uitbreiding van de erkenning van een milieudeskundige als vermeld in artikel 6, 1°, a) en c), in de discipline waarvoor de milieudeskundige erkend is;
2° bij een uitbreiding van de erkenning van een MER-deskundige in de discipline waarvoor de MER-deskundige erkend is;
3° bij de erkenning als MER-deskundige in de discipline geluid en trillingen als vermeld in artikel 6, 1°, d), 7);
4° bij een uitbreiding van de erkenning van een technicus gasvormige brandstof als vermeld in artikel 6, 2°, b), met de modules G2 of G2 en G3.
§ 5. De retributie, vermeld in paragraaf 1, is niet van toepassing op de personen die van rechtswege erkend zijn conform artikel 32.
§ 6. In uitzonderlijke gevallen kan het afdelingshoofd van de bevoegde afdeling of diens plaatsvervanger op basis van een gemotiveerde aanvraag beslissen een persoon geheel of gedeeltelijk vrij te stellen van een verschuldigde retributie, vermeld in paragraaf 2.
Art. 54/2. § 1. De retributiebedragen, vermeld in bijlage 18, A, en 18, B, worden jaarlijks aangepast aan de schommelingen van de gezondheidsindex op basis van de volgende formule :
retributiebedrag x het nieuwe indexcijfer / het basisindexcijfer.
Het nieuwe indexcijfer is de gezondheidsindex van de maand oktober van het voorgaande jaar, en het basisindexcijfer is de gezondheidsindex van oktober 2010, namelijk 113,46 met het jaar 2004 als basisjaar. De retributiebedragen worden afgerond op een geheel getal.
§ 2. De geïndexeerde retributiebedragen worden jaarlijks gepubliceerd op de website van de bevoegde afdeling, uiterlijk vijftien dagen voorafgaand aan het jaar waarvoor de retributiebedragen gelden. ".
" HOOFDSTUK 9/1. - Retributie
Art. 54/1. § 1. Voor de behandeling van een aanvraag tot erkenning wordt een retributie geheven, waarvan de opbrengst rechtstreeks en integraal in het Fonds voor de behandeling van de erkenningsaanvragen en de uitoefening van het toezicht op de erkenningen met betrekking tot het leefmilieu wordt gestort, ten laste van elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een aanvraag tot erkenning als vermeld in artikel 6, indient.
De bedragen van die retributie worden vastgesteld in bijlage 18, A, die bij dit besluit is gevoegd.
§ 2. Voor de uitoefening van het toezicht op de erkenning wordt een retributie geheven, waarvan de opbrengst rechtstreeks en integraal in het Fonds voor de behandeling van de erkenningsaanvragen en de uitoefening van het toezicht op de erkenningen met betrekking tot het leefmilieu wordt gestort, ten laste van elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die in het bezit is van een erkenning als vermeld in artikel 6. Die retributie is op de volgende tijdstippen verschuldigd :
1° in geval van personen die van rechtswege erkend zijn conform artikel 32, § 2, eerste lid, 1° tot en met 4° en 6° : een eerste keer voor het verkrijgen van het erkenningscertificaat en vervolgens vijfjaarlijks, te rekenen vanaf de datum, vermeld op dit certificaat;
2° in alle andere gevallen : uiterlijk op 31 december 2014 en vervolgens vijfjaarlijks.
De bedragen van die retributie worden vastgesteld in bijlage 18, B, die bij dit besluit is gevoegd.
§ 3. De retributies, vermeld in paragraaf 1 en 2, gelden niet voor de volgende categorieën van erkenningen :
1° de opleidingscentra, vermeld in artikel 6, 4° ;
2° de laboratoria, vermeld in artikel 6, 5°.
§ 4. De retributies, vermeld in paragraaf 1 en 2, gelden ook niet in de volgende gevallen :
1° bij een uitbreiding van de erkenning van een milieudeskundige als vermeld in artikel 6, 1°, a) en c), in de discipline waarvoor de milieudeskundige erkend is;
2° bij een uitbreiding van de erkenning van een MER-deskundige in de discipline waarvoor de MER-deskundige erkend is;
3° bij de erkenning als MER-deskundige in de discipline geluid en trillingen als vermeld in artikel 6, 1°, d), 7);
4° bij een uitbreiding van de erkenning van een technicus gasvormige brandstof als vermeld in artikel 6, 2°, b), met de modules G2 of G2 en G3.
§ 5. De retributie, vermeld in paragraaf 1, is niet van toepassing op de personen die van rechtswege erkend zijn conform artikel 32.
§ 6. In uitzonderlijke gevallen kan het afdelingshoofd van de bevoegde afdeling of diens plaatsvervanger op basis van een gemotiveerde aanvraag beslissen een persoon geheel of gedeeltelijk vrij te stellen van een verschuldigde retributie, vermeld in paragraaf 2.
Art. 54/2. § 1. De retributiebedragen, vermeld in bijlage 18, A, en 18, B, worden jaarlijks aangepast aan de schommelingen van de gezondheidsindex op basis van de volgende formule :
retributiebedrag x het nieuwe indexcijfer / het basisindexcijfer.
Het nieuwe indexcijfer is de gezondheidsindex van de maand oktober van het voorgaande jaar, en het basisindexcijfer is de gezondheidsindex van oktober 2010, namelijk 113,46 met het jaar 2004 als basisjaar. De retributiebedragen worden afgerond op een geheel getal.
§ 2. De geïndexeerde retributiebedragen worden jaarlijks gepubliceerd op de website van de bevoegde afdeling, uiterlijk vijftien dagen voorafgaand aan het jaar waarvoor de retributiebedragen gelden. ".
Art. 129. Dans le même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2011, il est inséré un chapitre 9/1, comprenant les articles 54/1 et 54/2, rédigé comme suit :
" Chapitre 9/1. Rétribution
Art. 54/1. § 1er. Pour le traitement d'une demande d'agrément, une rétribution est levée, dont le produit est versé directement et intégralement dans le Fonds pour le traitement des demandes d'agrément et l'exercice du contrôle des agréments relatifs à l'environnement, à charge de chaque personne physique ou morale qui introduit une demande d'agrément telle que visée à l'article 6.
Les montants de cette rétribution sont fixés dans l'annexe 18, A, jointe au présent arrêté.
§ 2. Pour l'exercice du contrôle sur l'agrément, une rétribution est levée, dont le produit est versé directement et intégralement dans le Fonds pour le traitement des demandes d'agrément et l'exercice du contrôle des agréments relatifs à l'environnement, à charge de chaque personne physique ou morale en possession d'un agrément tel que visé à l'article 6. Cette rétribution est due aux moments suivants :
1° en cas de personnes agréées de plein droit conformément à l'article 32, § 2, alinéa premier, 1° à 4° inclus et 6° : une première fois pour obtenir le certificat d'agrément et ensuite tous les cinq ans, à compter de la date, visée au présent certificat;
2° dans tous les autres cas : au plus tard le 31 décembre 2014 et ensuite tous les cinq ans.
Les montants de cette rétribution sont fixés dans l'annexe 18, B, jointe au présent arrêté.
§ 3. Les rétributions, visées au paragraphe 1er et 2, ne s'appliquent pas aux catégories d'agréments suivantes :
1° les centres de formation, visés à l'article 6, 4° ;
2° les laboratoires, visés à l'article 6, 5°.
§ 4. Les rétributions, visées au paragraphe 1er et 2, ne s'appliquent pas non plus dans les cas suivants :
1° lors d'une extension de l'agrément d'un expert environnemental tel que visé à l'article 6, 1°, a) et c), dans la discipline pour laquelle l'expert environnemental est agréé;
2° lors d'une extension de l'agrément d'un expert MER dans la discipline pour laquelle l'expert MER est agréé;
3° lors de l'agrément comme expert MER dans la discipline du bruit et des vibrations telle que visée à l'article 6, 1°, d), 7);
4° lors d'une extension de l'agrément d'un technicien en combustibles gazeux tel que visé à l'article 6, 2°, b), des modules G2 ou G2 et G3.
§ 5. La rétribution, visée au paragraphe 1er, ne s'applique pas aux personnes agréées de plein droit conformément à l'article 32.
§ 6. Dans des cas exceptionnels, le chef de division de la division compétente ou son suppléant peut décider, sur la base d'une demande motivée, d'exempter une personne entièrement ou partiellement d'une rétribution due, visée au paragraphe 2.
Art. 54/2. § 1er. Les montants de la rétribution, visés aux annexes 18, A et 18, B, sont adaptés annuellement aux fluctuations de l'indice santé sur la base de la formule suivante :
montant de la rétribution x le nouvel indice / l'indice de base.
Le nouvel indice est l'indice santé du mois d'octobre de l'année précédente, et l'indice de base est l'indice santé du mois d'octobre 2010, notamment 113,46, l'année 2004 étant l'année de base. Les montants de la rétribution sont arrondis au nombre entier.
§ 2. Les montants indexés de la rétribution sont publiés annuellement sur le site web de la division compétente, au plus tard quinze jours précédant l'année à laquelle les montants de la rétribution s'appliquent. ".
" Chapitre 9/1. Rétribution
Art. 54/1. § 1er. Pour le traitement d'une demande d'agrément, une rétribution est levée, dont le produit est versé directement et intégralement dans le Fonds pour le traitement des demandes d'agrément et l'exercice du contrôle des agréments relatifs à l'environnement, à charge de chaque personne physique ou morale qui introduit une demande d'agrément telle que visée à l'article 6.
Les montants de cette rétribution sont fixés dans l'annexe 18, A, jointe au présent arrêté.
§ 2. Pour l'exercice du contrôle sur l'agrément, une rétribution est levée, dont le produit est versé directement et intégralement dans le Fonds pour le traitement des demandes d'agrément et l'exercice du contrôle des agréments relatifs à l'environnement, à charge de chaque personne physique ou morale en possession d'un agrément tel que visé à l'article 6. Cette rétribution est due aux moments suivants :
1° en cas de personnes agréées de plein droit conformément à l'article 32, § 2, alinéa premier, 1° à 4° inclus et 6° : une première fois pour obtenir le certificat d'agrément et ensuite tous les cinq ans, à compter de la date, visée au présent certificat;
2° dans tous les autres cas : au plus tard le 31 décembre 2014 et ensuite tous les cinq ans.
Les montants de cette rétribution sont fixés dans l'annexe 18, B, jointe au présent arrêté.
§ 3. Les rétributions, visées au paragraphe 1er et 2, ne s'appliquent pas aux catégories d'agréments suivantes :
1° les centres de formation, visés à l'article 6, 4° ;
2° les laboratoires, visés à l'article 6, 5°.
§ 4. Les rétributions, visées au paragraphe 1er et 2, ne s'appliquent pas non plus dans les cas suivants :
1° lors d'une extension de l'agrément d'un expert environnemental tel que visé à l'article 6, 1°, a) et c), dans la discipline pour laquelle l'expert environnemental est agréé;
2° lors d'une extension de l'agrément d'un expert MER dans la discipline pour laquelle l'expert MER est agréé;
3° lors de l'agrément comme expert MER dans la discipline du bruit et des vibrations telle que visée à l'article 6, 1°, d), 7);
4° lors d'une extension de l'agrément d'un technicien en combustibles gazeux tel que visé à l'article 6, 2°, b), des modules G2 ou G2 et G3.
§ 5. La rétribution, visée au paragraphe 1er, ne s'applique pas aux personnes agréées de plein droit conformément à l'article 32.
§ 6. Dans des cas exceptionnels, le chef de division de la division compétente ou son suppléant peut décider, sur la base d'une demande motivée, d'exempter une personne entièrement ou partiellement d'une rétribution due, visée au paragraphe 2.
Art. 54/2. § 1er. Les montants de la rétribution, visés aux annexes 18, A et 18, B, sont adaptés annuellement aux fluctuations de l'indice santé sur la base de la formule suivante :
montant de la rétribution x le nouvel indice / l'indice de base.
Le nouvel indice est l'indice santé du mois d'octobre de l'année précédente, et l'indice de base est l'indice santé du mois d'octobre 2010, notamment 113,46, l'année 2004 étant l'année de base. Les montants de la rétribution sont arrondis au nombre entier.
§ 2. Les montants indexés de la rétribution sont publiés annuellement sur le site web de la division compétente, au plus tard quinze jours précédant l'année à laquelle les montants de la rétribution s'appliquent. ".
Art. 130. In artikel 55 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 en 3 worden de woorden " de afdeling " telkens vervangen door de woorden " de bevoegde afdeling ";
2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt :
" § 2. De erkenning van een airco-energiedeskundige als vermeld in artikel 6, 1°, f), of een technicus als vermeld in artikel 6, 2°, vervalt ook in een van de volgende gevallen :
1° als hij de bijscholing niet heeft gevolgd;
2° als de erkende persoon niet tijdig slaagt voor de proef inzake de bijscholing.
In dat geval moet, voor de erkenning opnieuw kan worden verleend, de airco-energiedeskundige of de technicus de bijscholing volgen en slagen voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 39/1, eerste lid, 6°, respectievelijk artikel 40, eerste lid, 3°. ";
3° er wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, die luidt als volgt :
" § 2/1. De erkenning van een deskundige als vermeld in artikel 6, 1°, c), d) of e), of een milieucoördinator als vermeld in artikel 6, 3°, a), vervalt ook als hij gedurende twee opeenvolgende kalenderjaren het totale aantal te volgen uren van de bijscholing niet gevolgd heeft.
In dat geval moet hij, voor de erkenning opnieuw kan worden verleend, het resterende aantal nog te volgen uren van de bijscholing volgen.
Met behoud van de toepassing van hoofdstuk 9 en 13 van dit besluit zijn de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 18, § 1, 2°, of § 2, 2°, niet van toepassing voor milieucoördinatoren die erkend zijn op basis van een aanvraag die is ingediend voor 1 januari 2016, en die opnieuw een erkenning willen verkrijgen nadat hun erkenning van rechtswege is vervallen.
Met behoud van de toepassing van hoofdstuk 9 en 13 van dit besluit zijn de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 18, § 1, 3°, of § 2, 3°, niet van toepassing voor milieucoördinatoren die erkend zijn op basis van een aanvraag die is ingediend voor 1 januari 2000, en die opnieuw een erkenning willen verkrijgen nadat hun erkenning van rechtswege is vervallen. ";
4° in paragraaf 4 worden de woorden " De afdeling " vervangen door de woorden " De bevoegde afdeling ".
1° in paragraaf 1 en 3 worden de woorden " de afdeling " telkens vervangen door de woorden " de bevoegde afdeling ";
2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt :
" § 2. De erkenning van een airco-energiedeskundige als vermeld in artikel 6, 1°, f), of een technicus als vermeld in artikel 6, 2°, vervalt ook in een van de volgende gevallen :
1° als hij de bijscholing niet heeft gevolgd;
2° als de erkende persoon niet tijdig slaagt voor de proef inzake de bijscholing.
In dat geval moet, voor de erkenning opnieuw kan worden verleend, de airco-energiedeskundige of de technicus de bijscholing volgen en slagen voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 39/1, eerste lid, 6°, respectievelijk artikel 40, eerste lid, 3°. ";
3° er wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, die luidt als volgt :
" § 2/1. De erkenning van een deskundige als vermeld in artikel 6, 1°, c), d) of e), of een milieucoördinator als vermeld in artikel 6, 3°, a), vervalt ook als hij gedurende twee opeenvolgende kalenderjaren het totale aantal te volgen uren van de bijscholing niet gevolgd heeft.
In dat geval moet hij, voor de erkenning opnieuw kan worden verleend, het resterende aantal nog te volgen uren van de bijscholing volgen.
Met behoud van de toepassing van hoofdstuk 9 en 13 van dit besluit zijn de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 18, § 1, 2°, of § 2, 2°, niet van toepassing voor milieucoördinatoren die erkend zijn op basis van een aanvraag die is ingediend voor 1 januari 2016, en die opnieuw een erkenning willen verkrijgen nadat hun erkenning van rechtswege is vervallen.
Met behoud van de toepassing van hoofdstuk 9 en 13 van dit besluit zijn de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 18, § 1, 3°, of § 2, 3°, niet van toepassing voor milieucoördinatoren die erkend zijn op basis van een aanvraag die is ingediend voor 1 januari 2000, en die opnieuw een erkenning willen verkrijgen nadat hun erkenning van rechtswege is vervallen. ";
4° in paragraaf 4 worden de woorden " De afdeling " vervangen door de woorden " De bevoegde afdeling ".
Art. 130. Dans l'article 55 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° dans les paragraphes 1er et 3, les mots " la division " sont chaque fois remplacés par les mots " la division compétente ";
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. L'agrément d'un expert agréé en matière d'énergie et de systèmes de climatisation, tel que visé à l'article 6, 1°, f), ou d'un technicien tel que visé à l'article 6, 2°, échoit également dans un des cas suivants :
1° lorsqu'il n'a pas suivi le perfectionnement;
2° lorsque la personne agréée ne réussit pas l'épreuve en matière de perfectionnement à temps.
Dans ce cas, l'expert en matière d'énergie et de systèmes de climatisation ou le technicien doit, avant que l'agrément puisse à nouveau être octroyé, suivre le perfectionnement et réussir l'examen y afférent, visé à l'article 39/1, alinéa premier, 6°, respectivement à l'article 40, alinéa premier, 3°. ";
3° il est inséré un paragraphe 2/1, rédigé comme suit :
" § 2/1. L'agrément d'un expert tel que visé à l'article 6, 1°, c), d) ou e), ou d'un coordinateur environnemental tel que visé à l'article 6, 3°, a), échoit également lorsqu'il n'a pas suivi le nombre total des heures à suivre du perfectionnement pendant deux années calendaires consécutives.
Dans ce cas, il doit suivre le nombre d'heures restantes du perfectionnement avant que l'agrément puisse à nouveau être octroyé.
Sans préjudice de l'application des chapitres 9 et 13 du présent arrêté, les conditions particulières d'agrément, visées à l'article 18, § 1er, 2°, ou § 2, 2°, ne s'appliquent pas aux coordinateurs environnementaux agréés sur la base d'une demande qui est introduite avant le 1er janvier 2016, et qui souhaitent à nouveau obtenir un agrément après que leur agrément est échu de plein droit.
Sans préjudice de l'application des chapitres 9 et 13 du présent arrêté, les conditions particulières d'agrément, visées à l'article 18, § 1er, 3°, ou § 2, 3°, ne s'appliquent pas aux coordinateurs environnementaux agréés sur la base d'une demande qui est introduite avant le 1er janvier 2000, et qui souhaitent à nouveau obtenir un agrément après que leur agrément est échu de plein droit. ";
4° dans le paragraphe 4, les mots " La division " sont remplacés par les mots " La division compétente ".
1° dans les paragraphes 1er et 3, les mots " la division " sont chaque fois remplacés par les mots " la division compétente ";
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. L'agrément d'un expert agréé en matière d'énergie et de systèmes de climatisation, tel que visé à l'article 6, 1°, f), ou d'un technicien tel que visé à l'article 6, 2°, échoit également dans un des cas suivants :
1° lorsqu'il n'a pas suivi le perfectionnement;
2° lorsque la personne agréée ne réussit pas l'épreuve en matière de perfectionnement à temps.
Dans ce cas, l'expert en matière d'énergie et de systèmes de climatisation ou le technicien doit, avant que l'agrément puisse à nouveau être octroyé, suivre le perfectionnement et réussir l'examen y afférent, visé à l'article 39/1, alinéa premier, 6°, respectivement à l'article 40, alinéa premier, 3°. ";
3° il est inséré un paragraphe 2/1, rédigé comme suit :
" § 2/1. L'agrément d'un expert tel que visé à l'article 6, 1°, c), d) ou e), ou d'un coordinateur environnemental tel que visé à l'article 6, 3°, a), échoit également lorsqu'il n'a pas suivi le nombre total des heures à suivre du perfectionnement pendant deux années calendaires consécutives.
Dans ce cas, il doit suivre le nombre d'heures restantes du perfectionnement avant que l'agrément puisse à nouveau être octroyé.
Sans préjudice de l'application des chapitres 9 et 13 du présent arrêté, les conditions particulières d'agrément, visées à l'article 18, § 1er, 2°, ou § 2, 2°, ne s'appliquent pas aux coordinateurs environnementaux agréés sur la base d'une demande qui est introduite avant le 1er janvier 2016, et qui souhaitent à nouveau obtenir un agrément après que leur agrément est échu de plein droit.
Sans préjudice de l'application des chapitres 9 et 13 du présent arrêté, les conditions particulières d'agrément, visées à l'article 18, § 1er, 3°, ou § 2, 3°, ne s'appliquent pas aux coordinateurs environnementaux agréés sur la base d'une demande qui est introduite avant le 1er janvier 2000, et qui souhaitent à nouveau obtenir un agrément après que leur agrément est échu de plein droit. ";
4° dans le paragraphe 4, les mots " La division " sont remplacés par les mots " La division compétente ".
Art. 131. Artikel 56 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 56. § 1. De bevoegde afdeling publiceert op haar website de voorwaarden, de modaliteiten die moeten zijn vervuld bij de indiening van de erkenningsaanvraag, de procedure en de lijsten van de erkende personen. Op vraag van de erkenninghouder kunnen gegevens van de erkende persoon niet gepubliceerd worden op de website van de bevoegde afdeling.
§ 2. De bevoegde afdeling verschaft op eenvoudig verzoek alle algemene informatie over de procedure tot erkenning en de toepassing van de erkenningsvoorwaarden. ".
" Art. 56. § 1. De bevoegde afdeling publiceert op haar website de voorwaarden, de modaliteiten die moeten zijn vervuld bij de indiening van de erkenningsaanvraag, de procedure en de lijsten van de erkende personen. Op vraag van de erkenninghouder kunnen gegevens van de erkende persoon niet gepubliceerd worden op de website van de bevoegde afdeling.
§ 2. De bevoegde afdeling verschaft op eenvoudig verzoek alle algemene informatie over de procedure tot erkenning en de toepassing van de erkenningsvoorwaarden. ".
Art. 131. L'article 56 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 56. § 1er. La division compétente publie sur son site web les conditions, les modalités qui doivent être remplies lors de l'introduction de la demande d'agrément, la procédure et les listes des personnes agréées. Sur la demande du titulaire de l'agrément, des données de la personne agréée peuvent ne pas être publiées sur le site web de la division compétente.
§ 2. Sur simple demande, la division compétente fournit toutes les informations générales sur la procédure d'agrément et l'application des conditions d'agrément. ".
" Art. 56. § 1er. La division compétente publie sur son site web les conditions, les modalités qui doivent être remplies lors de l'introduction de la demande d'agrément, la procédure et les listes des personnes agréées. Sur la demande du titulaire de l'agrément, des données de la personne agréée peuvent ne pas être publiées sur le site web de la division compétente.
§ 2. Sur simple demande, la division compétente fournit toutes les informations générales sur la procédure d'agrément et l'application des conditions d'agrément. ".
Art. 132. In artikel 57, § 2, van hetzelfde besluit worden de woorden " de afdeling " vervangen door de woorden " de bevoegde afdeling ".
Art. 132. Dans l'article 57, § 2, du même arrêté, les mots " la division " sont remplacés par les mots " l'entité compétente ".
Art. 133. In hetzelfde besluit worden een hoofdstuk 13/1, dat bestaat uit artikel 58/1, en een hoofdstuk 13/2, dat bestaat uit artikel 58/2, ingevoegd, die luiden als volgt :
" Hoofdstuk 13/1. Periodieke evaluatie van erkende technici vloeibare brandstof, gasvormige brandstof en verwarmingsaudit en erkende airco-energiedeskundigen
Art. 58/1. § 1. De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan een stooktoestel dat door een erkende technicus onderhouden is of aan een verwarmingsaudit onderworpen is als vermeld in het besluit inzake het onderhoud en nazicht van stooktoestellen, op ieder moment onderwerpen aan een controle door een keuringsinstelling die aangewezen is door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
Een willekeurige selectie van ten minste een statistisch relevant percentage van alle attesten van de onderhoudsbeurten en verwarmingsauditrapporten die jaarlijks worden verstrekt, wordt aan een controle onderworpen.
§ 2. De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan de keuringen, vermeld in artikel 39/1, eerste lid, 2°, of de keuringsverslagen, vermeld in artikel 39/1, eerste lid, 3°, op ieder moment onderwerpen aan een controle door een keuringsinstelling die aangewezen is door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
Een willekeurige selectie van ten minste een statistisch relevant percentage van alle keuringsverslagen die jaarlijks worden verstrekt, wordt aan een controle onderworpen.
Hoofdstuk 13/2. Keuringsinstelling
Art. 58/2. Om aangewezen te worden als keuringsinstelling, moet een instelling aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° een rechtspersoonlijkheid zijn;
2° een of meer keurders aanwijzen die aan de volgende voorwaarden voldoen :
a) in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, § 1 : een erkenning als technicus vloeibare brandstof, gasvormige brandstof of verwarmingsaudit als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 1°, 2°, en 3°, bezitten en beschikken over minstens drie jaar praktijkervaring in de verwarmingssector;
b) in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, § 2 : een erkenning als airco-energiedeskundige als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 6°, bezitten;
3° in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, § 1, voor de activiteiten, vermeld in artikel 58/1, § 1, eerste lid, of in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, § 2, voor de activiteiten, vermeld in artikel 58/1, § 2, eerste lid, geaccrediteerd zijn als keuringsinstelling van het type A op basis van de criteria van de norm ISO/IEC 17020, hetzij een bewijs leveren dat een aanvraag om die accreditatie te verkrijgen, aanvaard is door BELAC of een gelijkwaardig accreditatiesysteem.
De afdeling, bevoegd voor erkenningen, wijst een keuringsinstelling aan voor een periode van maximaal vier jaar. ".
" Hoofdstuk 13/1. Periodieke evaluatie van erkende technici vloeibare brandstof, gasvormige brandstof en verwarmingsaudit en erkende airco-energiedeskundigen
Art. 58/1. § 1. De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan een stooktoestel dat door een erkende technicus onderhouden is of aan een verwarmingsaudit onderworpen is als vermeld in het besluit inzake het onderhoud en nazicht van stooktoestellen, op ieder moment onderwerpen aan een controle door een keuringsinstelling die aangewezen is door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
Een willekeurige selectie van ten minste een statistisch relevant percentage van alle attesten van de onderhoudsbeurten en verwarmingsauditrapporten die jaarlijks worden verstrekt, wordt aan een controle onderworpen.
§ 2. De afdeling, bevoegd voor erkenningen, kan de keuringen, vermeld in artikel 39/1, eerste lid, 2°, of de keuringsverslagen, vermeld in artikel 39/1, eerste lid, 3°, op ieder moment onderwerpen aan een controle door een keuringsinstelling die aangewezen is door de afdeling, bevoegd voor erkenningen.
Een willekeurige selectie van ten minste een statistisch relevant percentage van alle keuringsverslagen die jaarlijks worden verstrekt, wordt aan een controle onderworpen.
Hoofdstuk 13/2. Keuringsinstelling
Art. 58/2. Om aangewezen te worden als keuringsinstelling, moet een instelling aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° een rechtspersoonlijkheid zijn;
2° een of meer keurders aanwijzen die aan de volgende voorwaarden voldoen :
a) in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, § 1 : een erkenning als technicus vloeibare brandstof, gasvormige brandstof of verwarmingsaudit als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 1°, 2°, en 3°, bezitten en beschikken over minstens drie jaar praktijkervaring in de verwarmingssector;
b) in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, § 2 : een erkenning als airco-energiedeskundige als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 6°, bezitten;
3° in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, § 1, voor de activiteiten, vermeld in artikel 58/1, § 1, eerste lid, of in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, § 2, voor de activiteiten, vermeld in artikel 58/1, § 2, eerste lid, geaccrediteerd zijn als keuringsinstelling van het type A op basis van de criteria van de norm ISO/IEC 17020, hetzij een bewijs leveren dat een aanvraag om die accreditatie te verkrijgen, aanvaard is door BELAC of een gelijkwaardig accreditatiesysteem.
De afdeling, bevoegd voor erkenningen, wijst een keuringsinstelling aan voor een periode van maximaal vier jaar. ".
Art. 133. Dans le même arrêté, il est inséré un chapitre 13/1, comprenant l'article 58/1, et un chapitre 13/2, comprenant l'article 58/2, rédigés comme suit :
" Chapitre 13/1. Evaluation périodique de techniciens agréés en combustibles liquides, en combustibles gazeux et en matière d'audit de chauffage et d'experts agréés en matière d'énergie et de systèmes de climatisation
Art. 58/1. § 1er. La division, compétente pour les agréments, peut, à chaque moment, soumettre un appareil de chauffage qui est entretenu par un technicien agréé ou qui est soumis à un audit de chauffage tel que visé à l'arrêté relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage à un contrôle par un organisme de contrôle qui est désigné par la division, compétente pour les agréments.
Une sélection au hasard d'au moins un pourcentage statistiquement pertinent de toutes les attestations des entretiens et rapports d'audit de chauffage qui sont fournis annuellement est soumise à un contrôle.
§ 2. La division, compétente pour les agréments peut, à chaque moment, soumettre les contrôles, visés à l'article 39/1, alinéa premier, 2°, ou les rapports de contrôle, visés à l'article 39/1, alinéa premier, 3°, à un contrôle par un organisme de contrôle qui est désigné par la division, compétente pour les agréments.
Une sélection au hasard d'au moins un pourcentage statistiquement pertinent de tous les rapports de contrôle qui sont fournis annuellement est soumise à un contrôle.
Chapitre 13/2. Organisme de contrôle
Art. 58/2. Afin d'être désigné comme organisme de contrôle, un organisme doit remplir les conditions suivantes :
1° être une personne morale;
2° désigner un ou plusieurs contrôleurs qui répondent aux conditions suivantes :
a) en cas d'un organisme de contrôle tel que visé à l'article 58/1, § 1er : posséder un agrément comme technicien en combustibles liquides, en combustibles gazeux ou en matière d'audit de chauffage tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 1°, 2°, et 3°, et disposer d'au moins trois années d'expérience pratique dans le secteur du chauffage;
b) en cas d'un organisme de contrôle tel que visé à l'article 58/1, § 2 : posséder un agrément comme expert en matière d'énergie et de systèmes de climatisation tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 6° ;
3° en cas d'un organisme de contrôle tel que visé à l'article 58/1, § 1er, pour les activités, visées à l'article 58/1, § 1er, alinéa premier, ou en cas d'un organisme de contrôle tel que visé à l'article 58/1, § 2, pour les activités, visées à l'article 58/1, § 2, alinéa premier, être accrédité comme organisme de contrôle du type A sur la base des critères de la norme ISO/IEC 17020, soit fournir une preuve qu'une demande afin d'obtenir cette accréditation est acceptée par BELAC ou un système d'accréditation équivalent.
La division, compétente pour les agréments, désigne un organisme de contrôle pour une période de quatre ans au maximum. ".
" Chapitre 13/1. Evaluation périodique de techniciens agréés en combustibles liquides, en combustibles gazeux et en matière d'audit de chauffage et d'experts agréés en matière d'énergie et de systèmes de climatisation
Art. 58/1. § 1er. La division, compétente pour les agréments, peut, à chaque moment, soumettre un appareil de chauffage qui est entretenu par un technicien agréé ou qui est soumis à un audit de chauffage tel que visé à l'arrêté relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage à un contrôle par un organisme de contrôle qui est désigné par la division, compétente pour les agréments.
Une sélection au hasard d'au moins un pourcentage statistiquement pertinent de toutes les attestations des entretiens et rapports d'audit de chauffage qui sont fournis annuellement est soumise à un contrôle.
§ 2. La division, compétente pour les agréments peut, à chaque moment, soumettre les contrôles, visés à l'article 39/1, alinéa premier, 2°, ou les rapports de contrôle, visés à l'article 39/1, alinéa premier, 3°, à un contrôle par un organisme de contrôle qui est désigné par la division, compétente pour les agréments.
Une sélection au hasard d'au moins un pourcentage statistiquement pertinent de tous les rapports de contrôle qui sont fournis annuellement est soumise à un contrôle.
Chapitre 13/2. Organisme de contrôle
Art. 58/2. Afin d'être désigné comme organisme de contrôle, un organisme doit remplir les conditions suivantes :
1° être une personne morale;
2° désigner un ou plusieurs contrôleurs qui répondent aux conditions suivantes :
a) en cas d'un organisme de contrôle tel que visé à l'article 58/1, § 1er : posséder un agrément comme technicien en combustibles liquides, en combustibles gazeux ou en matière d'audit de chauffage tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 1°, 2°, et 3°, et disposer d'au moins trois années d'expérience pratique dans le secteur du chauffage;
b) en cas d'un organisme de contrôle tel que visé à l'article 58/1, § 2 : posséder un agrément comme expert en matière d'énergie et de systèmes de climatisation tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 6° ;
3° en cas d'un organisme de contrôle tel que visé à l'article 58/1, § 1er, pour les activités, visées à l'article 58/1, § 1er, alinéa premier, ou en cas d'un organisme de contrôle tel que visé à l'article 58/1, § 2, pour les activités, visées à l'article 58/1, § 2, alinéa premier, être accrédité comme organisme de contrôle du type A sur la base des critères de la norme ISO/IEC 17020, soit fournir une preuve qu'une demande afin d'obtenir cette accréditation est acceptée par BELAC ou un système d'accréditation équivalent.
La division, compétente pour les agréments, désigne un organisme de contrôle pour une période de quatre ans au maximum. ".
Art. 134. In artikel 89, § 1, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede " de erkenning. Erkenningen " vervangen door de zinsnede " de erkenning. Erkenningen ".
Art. 134. Dans l'article 89, § 1er, du même arrêté, les mots " de erkenning.Erkenningen " dans le texte néerlandais sont remplacés par les mots " de erkenning. Erkenningen ".
Art. 135. In artikel 91 van hetzelfde besluit wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
" § 1. In afwijking van artikel 11, 3°, kan op basis van een aanvraag die moet worden ingediend binnen een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, een persoon die de onderwerpen, vermeld in bijlage 9, die bij dit besluit is gevoegd, niet heeft gevolgd, als milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen in de van toepassing zijnde deeldomeinen worden erkend als hij minstens vijf jaar ervaring heeft met de uitvoering van opdrachten in het kader van de erkenning.
In afwijking van artikel 11, 3°, moet die milieudeskundige van wie de erkenning van rechtswege is vervallen en die zijn erkenning opnieuw aanvraagt, de opleiding, waarvan de inhoud wordt beschreven in bijlage 9, 1°, niet volgen als hij minstens vijf jaar ervaring heeft in de uitvoering van de opdrachten in het kader van de erkenning. ".
" § 1. In afwijking van artikel 11, 3°, kan op basis van een aanvraag die moet worden ingediend binnen een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, een persoon die de onderwerpen, vermeld in bijlage 9, die bij dit besluit is gevoegd, niet heeft gevolgd, als milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen in de van toepassing zijnde deeldomeinen worden erkend als hij minstens vijf jaar ervaring heeft met de uitvoering van opdrachten in het kader van de erkenning.
In afwijking van artikel 11, 3°, moet die milieudeskundige van wie de erkenning van rechtswege is vervallen en die zijn erkenning opnieuw aanvraagt, de opleiding, waarvan de inhoud wordt beschreven in bijlage 9, 1°, niet volgen als hij minstens vijf jaar ervaring heeft in de uitvoering van de opdrachten in het kader van de erkenning. ".
Art. 135. Dans l'article 91 du même arrêté, l'alinéa premier est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Par dérogation à l'article 11, 3°, une personne qui n'a pas suivi les sujets, visés à l'annexe 9, jointe au présent arrêté, peut être agréée comme expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, dans les sous-domaines applicables, sur la base d'une demande qui doit être introduite dans un délai de cinq ans, à compter de la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté, lorsqu'il dispose d'au moins cinq années d'expérience dans l'exécution de missions dans le cadre de l'agrément.
Par dérogation à l'article 11, 3°, cet expert environnemental dont l'agrément est échu de plein droit et qui demande à nouveau son agrément, ne doit pas suivre la formation, dont le contenu est décrit à l'annexe 9, 1°, lorsqu'il dispose d'au moins cinq années d'expérience dans l'exécution de missions dans le cadre de l'agrément. ".
" § 1er. Par dérogation à l'article 11, 3°, une personne qui n'a pas suivi les sujets, visés à l'annexe 9, jointe au présent arrêté, peut être agréée comme expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, dans les sous-domaines applicables, sur la base d'une demande qui doit être introduite dans un délai de cinq ans, à compter de la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté, lorsqu'il dispose d'au moins cinq années d'expérience dans l'exécution de missions dans le cadre de l'agrément.
Par dérogation à l'article 11, 3°, cet expert environnemental dont l'agrément est échu de plein droit et qui demande à nouveau son agrément, ne doit pas suivre la formation, dont le contenu est décrit à l'annexe 9, 1°, lorsqu'il dispose d'au moins cinq années d'expérience dans l'exécution de missions dans le cadre de l'agrément. ".
Art. 136. Aan artikel 92 van hetzelfde besluit wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" In afwijking van artikel 12, § 1, 3°, moet die MER-deskundige van wie de erkenning van rechtswege is vervallen en die zijn erkenning opnieuw aanvraagt, de opleiding, waarvan de inhoud wordt beschreven in bijlage 9, 2° of 3°, niet volgen als hij minstens vijf jaar ervaring heeft in de uitvoering van de opdrachten in het kader van de erkenning. ".
" In afwijking van artikel 12, § 1, 3°, moet die MER-deskundige van wie de erkenning van rechtswege is vervallen en die zijn erkenning opnieuw aanvraagt, de opleiding, waarvan de inhoud wordt beschreven in bijlage 9, 2° of 3°, niet volgen als hij minstens vijf jaar ervaring heeft in de uitvoering van de opdrachten in het kader van de erkenning. ".
Art. 136. L'article 92 du même arrêté est complété par un alinéa deux, rédigé comme suit :
" Par dérogation à l'article 12, § 1er, 3°, cet expert MER dont l'agrément est échu de plein droit et qui demande à nouveau son agrément, ne doit pas suivre la formation, dont le contenu est décrit à l'annexe 9, 2° ou 3°, lorsqu'il dispose d'au moins cinq années d'expérience dans l'exécution de missions dans le cadre de l'agrément. ".
" Par dérogation à l'article 12, § 1er, 3°, cet expert MER dont l'agrément est échu de plein droit et qui demande à nouveau son agrément, ne doit pas suivre la formation, dont le contenu est décrit à l'annexe 9, 2° ou 3°, lorsqu'il dispose d'au moins cinq années d'expérience dans l'exécution de missions dans le cadre de l'agrément. ".
Art. 137. Aan artikel 93 van hetzelfde besluit wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" In afwijking van artikel 13, 3°, moet die VR-deskundige van wie de erkenning van rechtswege is vervallen en die zijn erkenning opnieuw aanvraagt, de opleiding, waarvan de inhoud wordt beschreven in bijlage 9, 4°, niet volgen als hij minstens vijf jaar ervaring heeft in de uitvoering van de opdrachten in het kader van de erkenning. ".
" In afwijking van artikel 13, 3°, moet die VR-deskundige van wie de erkenning van rechtswege is vervallen en die zijn erkenning opnieuw aanvraagt, de opleiding, waarvan de inhoud wordt beschreven in bijlage 9, 4°, niet volgen als hij minstens vijf jaar ervaring heeft in de uitvoering van de opdrachten in het kader van de erkenning. ".
Art. 137. L'article 93 du même arrêté est complété par un alinéa deux, rédigé comme suit :
" Par dérogation à l'article 13, 3°, cet expert en matière de rapports de sécurité dont l'agrément est échu de plein droit et qui demande à nouveau son agrément, ne doit pas suivre la formation, dont le contenu est décrit à l'annexe 9, 4°, lorsqu'il dispose d'au moins cinq années d'expérience dans l'exécution de missions dans le cadre de l'agrément. ".
" Par dérogation à l'article 13, 3°, cet expert en matière de rapports de sécurité dont l'agrément est échu de plein droit et qui demande à nouveau son agrément, ne doit pas suivre la formation, dont le contenu est décrit à l'annexe 9, 4°, lorsqu'il dispose d'au moins cinq années d'expérience dans l'exécution de missions dans le cadre de l'agrément. ".
Art. 138. In artikel 100 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede " vermeld in artikel 25, 3° " vervangen door de zinsnede " vermeld in artikel 25, eerste lid, 3° ".
Art. 138. Dans l'article 100 du même arrêté, les mots " visée à l'article 25, 3° " sont remplacés par les mots " visée à l'article 25, alinéa premier, 3°, ".
Art. 139. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011, worden een artikel 100/1 en 100/2 ingevoegd, die luiden als volgt :
" Art. 100/1. Het erkende laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen, in de discipline bodem, deeldomein bodemsanering, in de discipline bodem, deeldomein bemesting, in de discipline mest of in de discipline diervoeder voldoet uiterlijk op 1 juli 2014 aan de erkenningsvoorwaarde, vermeld in artikel 25, eerste lid, 3°.
Art. 100/2. In afwachting van de goedkeuring door de minister van het BAM ter uitvoering van artikel 4, § 1, 20°, van dit besluit, geldt als BAM het compendium bemonsterings- en analysemethodes in het kader van het Mestdecreet, dat als bijlage 2 is gevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 januari 2011 betreffende de erkenning van laboratoria in het kader van het Mestdecreet. ".
" Art. 100/1. Het erkende laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen, in de discipline bodem, deeldomein bodemsanering, in de discipline bodem, deeldomein bemesting, in de discipline mest of in de discipline diervoeder voldoet uiterlijk op 1 juli 2014 aan de erkenningsvoorwaarde, vermeld in artikel 25, eerste lid, 3°.
Art. 100/2. In afwachting van de goedkeuring door de minister van het BAM ter uitvoering van artikel 4, § 1, 20°, van dit besluit, geldt als BAM het compendium bemonsterings- en analysemethodes in het kader van het Mestdecreet, dat als bijlage 2 is gevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 januari 2011 betreffende de erkenning van laboratoria in het kader van het Mestdecreet. ".
Art. 139. Dans le même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2011, sont insérés les articles 100/1 et 100/2, rédigés comme suit :
" Art. 100/1. Le laboratoire agréé dans la discipline des déchets et autres matériaux, dans la discipline du sol, sous-domaine de l'assainissement du sol, dans la discipline du sol, sous-domaine de la fertilisation, dans la discipline des engrais ou dans la discipline des aliments pour animaux, répond au plus tard le 1er juillet 2014 à la condition d'agrément, visée à l'article 25, alinéa premier, 3°.
Art. 100/2. Dans l'attente de l'approbation par le Ministre de la BAM en exécution de l'article 4, § 1er, 20°, du présent arrêté, le compendium pour les méthodes d'échantillonnage et d'analyse dans le cadre du décret sur les engrais, joint en annexe 2 à l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 janvier 2011 relatif à l'agrément de laboratoires dans le cadre du décret sur les engrais, fait office de BAM. ".
" Art. 100/1. Le laboratoire agréé dans la discipline des déchets et autres matériaux, dans la discipline du sol, sous-domaine de l'assainissement du sol, dans la discipline du sol, sous-domaine de la fertilisation, dans la discipline des engrais ou dans la discipline des aliments pour animaux, répond au plus tard le 1er juillet 2014 à la condition d'agrément, visée à l'article 25, alinéa premier, 3°.
Art. 100/2. Dans l'attente de l'approbation par le Ministre de la BAM en exécution de l'article 4, § 1er, 20°, du présent arrêté, le compendium pour les méthodes d'échantillonnage et d'analyse dans le cadre du décret sur les engrais, joint en annexe 2 à l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 janvier 2011 relatif à l'agrément de laboratoires dans le cadre du décret sur les engrais, fait office de BAM. ".
Art. 140. In artikel 103 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° er wordt een paragraaf 4/1 ingevoegd, die luidt als volgt :
" § 4/1. Een MER-deskundige die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is in de discipline geluid en trillingen, is met toepassing van dit besluit erkend als MER-deskundige in de discipline geluid en trillingen voor de deeldomeinen geluid en trillingen. ";
2° er worden een paragraaf 8, 9 en 10 toegevoegd, die luiden als volgt :
" § 8. Een milieudeskundige die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is in de discipline geluid en trillingen, is met toepassing van dit besluit erkend als milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen voor de deeldomeinen geluid en trillingen.
§ 9. Een milieudeskundige die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is voor de code 1), a, mag met toepassing van dit besluit ook geluidsplannen als vermeld in artikel 5.32.2.2bis, § 2, 4°, b), van titel II van het VLAREM, opmaken.
§ 10. Een deskundige die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is als deskundige voor het opstellen van omgevingsveiligheidsrapporten, is met toepassing van dit besluit erkend als VR-deskundige voor het opstellen van omgevings- en ruimtelijke veiligheidsrapporten. ".
1° er wordt een paragraaf 4/1 ingevoegd, die luidt als volgt :
" § 4/1. Een MER-deskundige die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is in de discipline geluid en trillingen, is met toepassing van dit besluit erkend als MER-deskundige in de discipline geluid en trillingen voor de deeldomeinen geluid en trillingen. ";
2° er worden een paragraaf 8, 9 en 10 toegevoegd, die luiden als volgt :
" § 8. Een milieudeskundige die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is in de discipline geluid en trillingen, is met toepassing van dit besluit erkend als milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen voor de deeldomeinen geluid en trillingen.
§ 9. Een milieudeskundige die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is voor de code 1), a, mag met toepassing van dit besluit ook geluidsplannen als vermeld in artikel 5.32.2.2bis, § 2, 4°, b), van titel II van het VLAREM, opmaken.
§ 10. Een deskundige die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is als deskundige voor het opstellen van omgevingsveiligheidsrapporten, is met toepassing van dit besluit erkend als VR-deskundige voor het opstellen van omgevings- en ruimtelijke veiligheidsrapporten. ".
Art. 140. Dans l'article 103 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° il est inséré un paragraphe 4/1, rédigé comme suit :
" § 4/1. Un expert MER qui est agréé dans la discipline des bruits et des vibrations à la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté est, en application du présent arrêté, agréé comme expert MER dans la discipline des bruits et des vibrations pour les sous-domaines des bruits et des vibrations. ";
2° il est ajouté les paragraphes 8, 9 et 10, rédigés comme suit :
" § 8. Un expert environnemental qui est agréé dans la discipline des bruits et des vibrations à la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté est, en application du présent arrêté, agréé comme expert environnemental dans la discipline des bruits et des vibrations pour les sous-domaines des bruits et des vibrations.
§ 9. Un expert environnemental qui, à la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le code 1), a, peut, en application du présent arrêté, également établir des plans sonores tels que visés à l'article 5.32.2.2bis, § 2, 4°, b), du titre II du VLAREM.
§ 10. Un expert qui, à la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé comme expert pour l'établissement de rapports de sécurité environnementale radiations, est agréé, en application du présent arrêté, comme expert en matière de rapports de sécurité pour l'établissement de rapports de sécurité environnementale et spatiale. ".
1° il est inséré un paragraphe 4/1, rédigé comme suit :
" § 4/1. Un expert MER qui est agréé dans la discipline des bruits et des vibrations à la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté est, en application du présent arrêté, agréé comme expert MER dans la discipline des bruits et des vibrations pour les sous-domaines des bruits et des vibrations. ";
2° il est ajouté les paragraphes 8, 9 et 10, rédigés comme suit :
" § 8. Un expert environnemental qui est agréé dans la discipline des bruits et des vibrations à la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté est, en application du présent arrêté, agréé comme expert environnemental dans la discipline des bruits et des vibrations pour les sous-domaines des bruits et des vibrations.
§ 9. Un expert environnemental qui, à la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le code 1), a, peut, en application du présent arrêté, également établir des plans sonores tels que visés à l'article 5.32.2.2bis, § 2, 4°, b), du titre II du VLAREM.
§ 10. Un expert qui, à la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé comme expert pour l'établissement de rapports de sécurité environnementale radiations, est agréé, en application du présent arrêté, comme expert en matière de rapports de sécurité pour l'établissement de rapports de sécurité environnementale et spatiale. ".
Art. 141. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011, worden een artikel 103/1, 103/2 en 103/3 ingevoegd, die luiden als volgt :
" Art. 103/1. In afwijking van artikel 32, § 2, eerste lid, 6°, wordt tot uiterlijk 1 januari 2015 een persoon die minstens aan een van de volgende voorwaarden voldoet, beschouwd als een erkende airco-energiedeskundige :
1° een certificaat als vermeld in artikel 14, § 1, 1° en 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van koeltechnische bedrijven en hun koeltechnici, behaald hebben;
2° een bachelor in de elektromechanica, afstudeerrichting klimatisering behaald hebben;
3° een diploma van het secundair onderwijs in koel- en warmtetechnieken, industriële koeltechnieken of koeltechnische installaties behaald hebben;
4° een van de volgende getuigschriften behaald hebben die erkend zijn door de Vlaamse overheid :
a) een getuigschrift van technicus klimaatbeheersing - airconditioning;
b) een getuigschrift van installateur airco- en warmtepompen;
c) een getuigschrift van koeltechnicus;
d) een modulegetuigschrift airco;
5° in het volwassenenonderwijs het diploma van koeltechnicus, het certificaat van aircotechnicus of het certificaat van koeltechnicus behaald hebben;
6° onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte en in het bezit zijn van de kwalificatie of erkenning die in het andere gewest of in de andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte verplicht is voor de keuring van airconditioningsystemen als vermeld in artikel 15 van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking);
7° minstens drie jaar aantoonbare ervaring hebben in onderhoud en afregelaspecten van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW.
De persoon is vrijgesteld van de retributie, vermeld in artikel 34, § 9.
Art. 103/2. De personen aan wie de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, in het kader van artikel 36, 6°, van het VLAREBO handtekeningsbevoegdheid heeft verleend voor de vereiste grondige kennis van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan en voor de vereiste drie jaar ervaring in het uitvoeren van bodemonderzoeken, krijgen van rechtswege uiterlijk tot 31 december 2017 de handtekeningsbevoegdheid, vermeld in artikel 53/4, § 2, eerste lid, van dit besluit, met behoud van de toepassing van artikel 53/4, § 3, van dit besluit.
Art. 103/3. De personen aan wie de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, in het kader van artikel 36, 6°, van het VLAREBO handtekeningsbevoegdheid heeft verleend voor de vereiste vijf jaar ervaring in het leiden van de bodemsanering en voor de vereiste drie jaar ervaring in het uitvoeren van bodemonderzoeken, krijgen van rechtswege uiterlijk tot 31 december 2017 de handtekeningsbevoegdheid, vermeld in artikel 53/4, § 2, tweede lid, van dit besluit, met behoud van de toepassing van artikel 53/4, § 3, van dit besluit. ".
" Art. 103/1. In afwijking van artikel 32, § 2, eerste lid, 6°, wordt tot uiterlijk 1 januari 2015 een persoon die minstens aan een van de volgende voorwaarden voldoet, beschouwd als een erkende airco-energiedeskundige :
1° een certificaat als vermeld in artikel 14, § 1, 1° en 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van koeltechnische bedrijven en hun koeltechnici, behaald hebben;
2° een bachelor in de elektromechanica, afstudeerrichting klimatisering behaald hebben;
3° een diploma van het secundair onderwijs in koel- en warmtetechnieken, industriële koeltechnieken of koeltechnische installaties behaald hebben;
4° een van de volgende getuigschriften behaald hebben die erkend zijn door de Vlaamse overheid :
a) een getuigschrift van technicus klimaatbeheersing - airconditioning;
b) een getuigschrift van installateur airco- en warmtepompen;
c) een getuigschrift van koeltechnicus;
d) een modulegetuigschrift airco;
5° in het volwassenenonderwijs het diploma van koeltechnicus, het certificaat van aircotechnicus of het certificaat van koeltechnicus behaald hebben;
6° onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte en in het bezit zijn van de kwalificatie of erkenning die in het andere gewest of in de andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte verplicht is voor de keuring van airconditioningsystemen als vermeld in artikel 15 van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking);
7° minstens drie jaar aantoonbare ervaring hebben in onderhoud en afregelaspecten van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW.
De persoon is vrijgesteld van de retributie, vermeld in artikel 34, § 9.
Art. 103/2. De personen aan wie de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, in het kader van artikel 36, 6°, van het VLAREBO handtekeningsbevoegdheid heeft verleend voor de vereiste grondige kennis van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan en voor de vereiste drie jaar ervaring in het uitvoeren van bodemonderzoeken, krijgen van rechtswege uiterlijk tot 31 december 2017 de handtekeningsbevoegdheid, vermeld in artikel 53/4, § 2, eerste lid, van dit besluit, met behoud van de toepassing van artikel 53/4, § 3, van dit besluit.
Art. 103/3. De personen aan wie de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, in het kader van artikel 36, 6°, van het VLAREBO handtekeningsbevoegdheid heeft verleend voor de vereiste vijf jaar ervaring in het leiden van de bodemsanering en voor de vereiste drie jaar ervaring in het uitvoeren van bodemonderzoeken, krijgen van rechtswege uiterlijk tot 31 december 2017 de handtekeningsbevoegdheid, vermeld in artikel 53/4, § 2, tweede lid, van dit besluit, met behoud van de toepassing van artikel 53/4, § 3, van dit besluit. ".
Art. 141. Dans le même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2011, sont insérés les articles 103/1, 103/2 et 103/3, rédigés comme suit :
" Art. 103/1. Par dérogation à l'article 32, § 2, alinéa premier, 6°, une personne qui répond au moins à une des conditions suivantes est considérée comme un expert agréé en matière d'énergie et de systèmes de climatisation, jusqu'au 1er janvier 2015 au plus tard :
1° avoir obtenu un certificat tel que visé à l'article 14, § 1er, 1° et 2°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 en matière de certification d'entreprises frigorifiques et de leurs frigoristes;
2° avoir obtenu un bachelor en électromécanique, orientation climatisation en dernière année;
3° avoir obtenu un diplôme de l'enseignement secondaire en techniques frigorifiques et calorifiques, techniques frigorifiques industrielles ou installations frigorifiques;
4° avoir obtenu une des attestations suivantes qui sont agréées par les autorités flamandes :
a) une attestation de technicien conditionnement de l'air - climatisation;
b) une attestation d'installateur de pompes de climatisation et de pompes à chaleur;
c) une attestation de frigoriste;
d) une attestation du module climatisation;
5° avoir obtenu dans l'éducation des adultes le diplôme de frigoriste, le certificat de technicien en climatisation ou le certificat de frigoriste;
6° être ressortissant d'un Etat membre de l'Espace économique européen et être en possession de la qualification ou de l'agrément qui est obligatoire dans l'autre région ou dans l'autre Etat membre de l'Espace économique européen pour le contrôle de systèmes de climatisation tels que visés à l'article 15 de la Directive 2010/31/UE du Parlement européen et du Conseil du 19 mai 2010 sur la performance énergétique des bâtiments (refonte);
7° avoir au moins trois années d'expérience démontrable en matière d'entretien et d'aspects de réglage de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW.
La personne est exemptée de la rétribution, visée à l'article 34, § 9.
Art. 103/2. Les personnes à qui la division, compétente pour la gestion du sol, a octroyée le pouvoir de signature, dans le cadre de l'article 36, 6°, du VLAREBO, pour la connaissance approfondie requise du décret relatif au sol et ses arrêtés d'exécution et pour les trois années d'expérience requises dans l'exécution de reconnaissances du sol, reçoivent de plein droit le pouvoir de signature, visé à l'article 53/4, § 2, alinéa premier, du présent arrêté, sans préjudice de l'application de l'article 53/4, § 3, du présent arrêté, jusqu'au 31 décembre 2017 au plus tard.
Art. 103/3. Les personnes à qui la division, compétente pour la gestion du sol, a octroyée le pouvoir de signature, dans le cadre de l'article 36, 6°, du VLAREBO, pour les cinq années d'expérience requises dans la direction de l'assainissement du sol et pour les trois années d'expérience requises dans l'exécution de reconnaissances du sol, reçoivent de plein droit le pouvoir de signature, visé à l'article 53/4, § 2, alinéa deux, du présent arrêté, sans préjudice de l'application de l'article 53/4, § 3, du présent arrêté, jusqu'au 31 décembre 2017 au plus tard. ".
" Art. 103/1. Par dérogation à l'article 32, § 2, alinéa premier, 6°, une personne qui répond au moins à une des conditions suivantes est considérée comme un expert agréé en matière d'énergie et de systèmes de climatisation, jusqu'au 1er janvier 2015 au plus tard :
1° avoir obtenu un certificat tel que visé à l'article 14, § 1er, 1° et 2°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 en matière de certification d'entreprises frigorifiques et de leurs frigoristes;
2° avoir obtenu un bachelor en électromécanique, orientation climatisation en dernière année;
3° avoir obtenu un diplôme de l'enseignement secondaire en techniques frigorifiques et calorifiques, techniques frigorifiques industrielles ou installations frigorifiques;
4° avoir obtenu une des attestations suivantes qui sont agréées par les autorités flamandes :
a) une attestation de technicien conditionnement de l'air - climatisation;
b) une attestation d'installateur de pompes de climatisation et de pompes à chaleur;
c) une attestation de frigoriste;
d) une attestation du module climatisation;
5° avoir obtenu dans l'éducation des adultes le diplôme de frigoriste, le certificat de technicien en climatisation ou le certificat de frigoriste;
6° être ressortissant d'un Etat membre de l'Espace économique européen et être en possession de la qualification ou de l'agrément qui est obligatoire dans l'autre région ou dans l'autre Etat membre de l'Espace économique européen pour le contrôle de systèmes de climatisation tels que visés à l'article 15 de la Directive 2010/31/UE du Parlement européen et du Conseil du 19 mai 2010 sur la performance énergétique des bâtiments (refonte);
7° avoir au moins trois années d'expérience démontrable en matière d'entretien et d'aspects de réglage de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW.
La personne est exemptée de la rétribution, visée à l'article 34, § 9.
Art. 103/2. Les personnes à qui la division, compétente pour la gestion du sol, a octroyée le pouvoir de signature, dans le cadre de l'article 36, 6°, du VLAREBO, pour la connaissance approfondie requise du décret relatif au sol et ses arrêtés d'exécution et pour les trois années d'expérience requises dans l'exécution de reconnaissances du sol, reçoivent de plein droit le pouvoir de signature, visé à l'article 53/4, § 2, alinéa premier, du présent arrêté, sans préjudice de l'application de l'article 53/4, § 3, du présent arrêté, jusqu'au 31 décembre 2017 au plus tard.
Art. 103/3. Les personnes à qui la division, compétente pour la gestion du sol, a octroyée le pouvoir de signature, dans le cadre de l'article 36, 6°, du VLAREBO, pour les cinq années d'expérience requises dans la direction de l'assainissement du sol et pour les trois années d'expérience requises dans l'exécution de reconnaissances du sol, reçoivent de plein droit le pouvoir de signature, visé à l'article 53/4, § 2, alinéa deux, du présent arrêté, sans préjudice de l'application de l'article 53/4, § 3, du présent arrêté, jusqu'au 31 décembre 2017 au plus tard. ".
Art. 142. In artikel 105 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede " , behalve de bepalingen inzake het één-loket vermeld in de artikels 28 tot en met 30 die in werking treden tesamen met de inwerkingtreding van het samenwerkingsakkoord met de Federale Staat inzake het gebruik van de erkende ondernemingsloketten conform de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen " opgeheven.
Art. 142. Dans l'article 105 du même arrêté, les mots " , à l'exception des dispositions relatives au guichet unique visées aux articles 28 à 30 inclus, qui entrent en vigueur au moment de l'entrée en vigueur de l'accord de coopération avec l'Etat fédéral en matière de l'utilisation des guichets-entreprises agréés conformément à la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des Entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets-entreprises agréés et portant diverses dispositions " sont abrogés.
Art. 143. In bijlage 1, hoofdstuk 1, van hetzelfde besluit wordt het opschrift van afdeling 1 vervangen door wat volgt :
" Afdeling 1. Voor een opleidingscentrum vloeibare brandstof ".
" Afdeling 1. Voor een opleidingscentrum vloeibare brandstof ".
Art. 143. Dans l'annexe 1re, chapitre 1er, du même arrêté, l'intitulé de la section 1re est remplacé par ce qui suit :
" Section 1re. Pour un centre de formation en combustibles liquides ".
" Section 1re. Pour un centre de formation en combustibles liquides ".
Art. 144. In bijlage 1, hoofdstuk 1, afdeling 1, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede " Een opleidingscentrum dat erkend wil worden als opleidingscentrum vloeibare brandstof, " vervangen door de zinsnede " Een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, b), ".
Art. 144. Dans l'annexe 1re, chapitre 1er, section 1re, du même arrêté, les mots " Un centre de formation souhaitant obtenir un agrément en tant que centre de formation en combustibles liquides, " sont remplacés par les mots " Un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, b), ".
Art. 145. In bijlage 1, hoofdstuk 1, van hetzelfde besluit wordt het opschrift van afdeling 2 vervangen door wat volgt :
" Afdeling 2. Voor een opleidingscentrum gasvormige brandstof ".
" Afdeling 2. Voor een opleidingscentrum gasvormige brandstof ".
Art. 145. Dans l'annexe 1re, chapitre 1er, du même arrêté, l'intitulé de la section 2 est remplacé par ce qui suit :
" Section 2. Pour un centre de formation en combustibles gazeux ".
" Section 2. Pour un centre de formation en combustibles gazeux ".
Art. 146. In bijlage 1, hoofdstuk 1, afdeling 2, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede " Een opleidingscentrum dat erkend wil worden als opleidingscentrum gasvormige brandstof, " vervangen door zinsnede " Een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, c), ".
Art. 146. Dans l'annexe 1re, chapitre 1er, section 2, du même arrêté, les mots " Un centre de formation souhaitant obtenir un agrément en tant que centre de formation en combustibles gazeux, " sont remplacés par les mots " Un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, c), ".
Art. 147. In bijlage 1, hoofdstuk 1, van hetzelfde besluit wordt het opschrift van afdeling 3 vervangen door wat volgt :
" Afdeling 3. Voor een opleidingscentrum verwarmingsaudit (installaties met totaal geïnstalleerd nominaal vermogen groter dan 100 kW, installaties, gevoed met vaste brandstof, of installaties die bestaan uit verschillende ketels) ".
" Afdeling 3. Voor een opleidingscentrum verwarmingsaudit (installaties met totaal geïnstalleerd nominaal vermogen groter dan 100 kW, installaties, gevoed met vaste brandstof, of installaties die bestaan uit verschillende ketels) ".
Art. 147. Dans l'annexe 1re, chapitre 1er, du même arrêté, l'intitulé de la section 3 est remplacé par ce qui suit :
" Section 3. Pour une centre de formation en matière d'audit de chauffage (installations avec une puissance nominale totale installée supérieure à 100 kW, installations alimentées en carburants solides ou installations comprenant plusieurs chaudières) ".
" Section 3. Pour une centre de formation en matière d'audit de chauffage (installations avec une puissance nominale totale installée supérieure à 100 kW, installations alimentées en carburants solides ou installations comprenant plusieurs chaudières) ".
Art. 148. In bijlage 1, hoofdstuk 1, afdeling 3, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede " Een opleidingscentrum dat erkend wil worden als opleidingscentrum verwarmingsaudit, " vervangen door de zinsnede " Een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, d), ".
Art. 148. Dans l'annexe 1re, chapitre 1er, section 3, du même arrêté, les mots " Un centre de formation souhaitant obtenir un agrément en tant que centre de formation en matière d'audit de chauffage, " sont remplacés par les mots " Un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, d), ".
Art. 149. In bijlage 1, hoofdstuk 1, afdeling 3, van hetzelfde besluit wordt aan de eerste zin de zinsnede " (gasvormige brandstof) " toegevoegd.
Art. 149. Dans l'annexe 1re, chapitre 1er, section 3, du même arrêté, la première phrase est complétée par les mots " (combustibles gazeux) ".
Art. 150. In bijlage 1, hoofdstuk 1, van hetzelfde besluit wordt het opschrift van afdeling 4 vervangen door wat volgt :
" Afdeling 4. Voor een opleidingscentrum inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks ".
" Afdeling 4. Voor een opleidingscentrum inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks ".
Art. 150. Dans l'annexe 1re, chapitre 1er, du même arrêté, l'intitulé de la section 4 est remplacé par ce qui suit :
" Section 4. Pour un centre de formation en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout ".
" Section 4. Pour un centre de formation en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout ".
Art. 151. In bijlage 1, hoofdstuk 1, afdeling 4, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede " Een opleidingscentrum dat erkend wil worden inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, " vervangen door de zinsnede " Een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, e), ".
Art. 151. Dans l'annexe 1re, chapitre 1er, section 4, du même arrêté, les mots " Un centre de formation souhaitant obtenir un agrément en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout, " sont remplacés par les mots " Un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, e), ".
Art. 152. In bijlage 1 van hetzelfde besluit wordt hoofdstuk 2 opgeheven.
Art. 152. Dans l'annexe 1re du même arrêté, le chapitre 2 est abrogé.
Art. 153. In bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 1, onderafdeling 1, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de zin " De technische opleiding vloeibare brandstof omvat minstens 24 uur theorie en minstens 44 uur praktijk met betrekking tot de centrale stooktoestellen, gevoed met vloeibare brandstof. " wordt vervangen door de zin " De technische opleiding vloeibare brandstof omvat 24 uur theorie en 44 uur praktijk met betrekking tot de centrale stooktoestellen, gevoed met vloeibare brandstof, waarbij het totale aantal te besteden lesuren als richtwaarde geldt. ";
2° er wordt een punt 25° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 25° de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal in en rond stookketels en rond verwarmingsbuizen : wat is asbest, de gezondheidsrisico's van asbest, het voorkomen in en rond stookketels en rond verwarmingsbuizen, hoe herkennen, wat te doen bij aantreffen, de noodzaak van bewerken en afbraak van asbesthoudend materiaal in en rond stookketels en rond verwarmingsbuizen, persoonlijke beschermingsmiddelen en nuttige websites met betrekking tot asbest. ".
1° de zin " De technische opleiding vloeibare brandstof omvat minstens 24 uur theorie en minstens 44 uur praktijk met betrekking tot de centrale stooktoestellen, gevoed met vloeibare brandstof. " wordt vervangen door de zin " De technische opleiding vloeibare brandstof omvat 24 uur theorie en 44 uur praktijk met betrekking tot de centrale stooktoestellen, gevoed met vloeibare brandstof, waarbij het totale aantal te besteden lesuren als richtwaarde geldt. ";
2° er wordt een punt 25° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 25° de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal in en rond stookketels en rond verwarmingsbuizen : wat is asbest, de gezondheidsrisico's van asbest, het voorkomen in en rond stookketels en rond verwarmingsbuizen, hoe herkennen, wat te doen bij aantreffen, de noodzaak van bewerken en afbraak van asbesthoudend materiaal in en rond stookketels en rond verwarmingsbuizen, persoonlijke beschermingsmiddelen en nuttige websites met betrekking tot asbest. ".
Art. 153. Dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 1re, sous-section 1re, du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
1° la phrase " La formation technique en combustibles liquides comprend au moins 24 heures de théorie et au moins 44 heures de pratique relatives aux appareils de chauffage central, alimentés en combustibles liquides. " est remplacée par la phrase " La formation technique en combustibles liquides comprend 24 heures de théorie et 44 heures de pratique relatives aux appareils de chauffage central, alimentés en combustibles liquides, où le nombre d'heures de cours à y consacrer est une valeur guide. ";
2° il est ajouté un point 25°, rédigé comme suit :
" 25° la présence de matériaux contenant de l'amiante dans et autour des chaudières et autour des tuyaux de chauffage : qu'est-ce que l'amiante, les risques pour la santé associés à l'amiante, la prévention dans et autour des chaudières et autour des tuyaux de chauffage, comment le reconnaitre, que faire en cas de découverte, la nécessité du traitement et de la destruction de matériaux contenant de l'amiante dans et autour des chaudières et autour des tuyaux de chauffage, équipements de protection individuelle et sites web utiles relatifs à l'amiante. ".
1° la phrase " La formation technique en combustibles liquides comprend au moins 24 heures de théorie et au moins 44 heures de pratique relatives aux appareils de chauffage central, alimentés en combustibles liquides. " est remplacée par la phrase " La formation technique en combustibles liquides comprend 24 heures de théorie et 44 heures de pratique relatives aux appareils de chauffage central, alimentés en combustibles liquides, où le nombre d'heures de cours à y consacrer est une valeur guide. ";
2° il est ajouté un point 25°, rédigé comme suit :
" 25° la présence de matériaux contenant de l'amiante dans et autour des chaudières et autour des tuyaux de chauffage : qu'est-ce que l'amiante, les risques pour la santé associés à l'amiante, la prévention dans et autour des chaudières et autour des tuyaux de chauffage, comment le reconnaitre, que faire en cas de découverte, la nécessité du traitement et de la destruction de matériaux contenant de l'amiante dans et autour des chaudières et autour des tuyaux de chauffage, équipements de protection individuelle et sites web utiles relatifs à l'amiante. ".
Art. 154. In bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 1, onderafdeling 2, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° tussen de woorden " Vlaamse Regering " en de woorden " betreffende het onderhoud " wordt de zinsnede " van 8 december 2006 " ingevoegd;
2° tussen de woorden " nazicht van " en het woord " stooktoestellen " wordt het woord " centrale " ingevoegd.
1° tussen de woorden " Vlaamse Regering " en de woorden " betreffende het onderhoud " wordt de zinsnede " van 8 december 2006 " ingevoegd;
2° tussen de woorden " nazicht van " en het woord " stooktoestellen " wordt het woord " centrale " ingevoegd.
Art. 154. Dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 1re, sous-section 2, du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots " du 8 décembre 2006 " sont insérés entre les mots " du Gouvernement flamand " et les mots " relatif à l'entretien ";
2° le mot " central " est inséré entre les mots " d'appareils de chauffage " et les mots " pour le chauffage ".
1° les mots " du 8 décembre 2006 " sont insérés entre les mots " du Gouvernement flamand " et les mots " relatif à l'entretien ";
2° le mot " central " est inséré entre les mots " d'appareils de chauffage " et les mots " pour le chauffage ".
Art. 155. In bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 1, onderafdeling 3, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de zinsnede " Het programma van de bijscholing vloeibare brandstof centrale verwarming bestaat uit een herhaling van de belangrijkste aspecten met betrekking tot verwarmen met centrale verwarming, gevoegd met vloeibare brandstof " wordt vervangen door de zinsnede " Het programma van de bijscholing vloeibare brandstof bestaat uit een herhaling van de belangrijkste aspecten met betrekking tot het verwarmen met een centrale verwarming, gevoegd met vloeibare brandstof ";
2° de woorden " de rol van een erkende technicus vloeibare brandstof centrale verwarming " worden vervangen door de woorden " de rol van een erkende technicus vloeibare brandstof ";
3° de woorden " praktische proef " worden vervangen door het woord " proeven ".
1° de zinsnede " Het programma van de bijscholing vloeibare brandstof centrale verwarming bestaat uit een herhaling van de belangrijkste aspecten met betrekking tot verwarmen met centrale verwarming, gevoegd met vloeibare brandstof " wordt vervangen door de zinsnede " Het programma van de bijscholing vloeibare brandstof bestaat uit een herhaling van de belangrijkste aspecten met betrekking tot het verwarmen met een centrale verwarming, gevoegd met vloeibare brandstof ";
2° de woorden " de rol van een erkende technicus vloeibare brandstof centrale verwarming " worden vervangen door de woorden " de rol van een erkende technicus vloeibare brandstof ";
3° de woorden " praktische proef " worden vervangen door het woord " proeven ".
Art. 155. Dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 1re, sous-section 3, du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots " Le programme de la formation de perfectionnement en matière d'installations de chauffage central à combustibles liquides consiste en une récapitulation des aspects les plus importants relatifs aux installations de chauffage central, alimentées en combustibles liquides " sont remplacés par les mots " Le programme du perfectionnement en matière de combustibles liquides comprend une récapitulation des aspects les plus importants relatifs au chauffage par une installation de chauffage central, alimentée en combustibles liquides ";
2° les mots " le rôle du technicien agréé en matière d'installations de chauffage central à combustibles liquides " sont remplacés par les mots " le rôle d'un technicien agréé en combustibles liquides ";
3° les mots " l'épreuve pratique " sont remplacés par les mots " les épreuves ".
1° les mots " Le programme de la formation de perfectionnement en matière d'installations de chauffage central à combustibles liquides consiste en une récapitulation des aspects les plus importants relatifs aux installations de chauffage central, alimentées en combustibles liquides " sont remplacés par les mots " Le programme du perfectionnement en matière de combustibles liquides comprend une récapitulation des aspects les plus importants relatifs au chauffage par une installation de chauffage central, alimentée en combustibles liquides ";
2° les mots " le rôle du technicien agréé en matière d'installations de chauffage central à combustibles liquides " sont remplacés par les mots " le rôle d'un technicien agréé en combustibles liquides ";
3° les mots " l'épreuve pratique " sont remplacés par les mots " les épreuves ".
Art. 156. In bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 2, onderafdeling 1, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de zin " Module G2 kan pas aangevat worden nadat module G1 met vrucht werd gevolgd. " wordt vervangen door de zin " Er kan pas deelgenomen worden aan het examen over module G2 nadat module G1 met vrucht is afgerond. ";
2° de zin " Module G3 kan pas aangevat worden nadat module G2 met vrucht werd gevolgd. " wordt vervangen door de zin " Aan het examen over module G3 kan pas deelgenomen worden nadat module G2 met vrucht is afgerond en nadat de persoon geslaagd is voor een voorafgaande test over elektriciteit. ".
1° de zin " Module G2 kan pas aangevat worden nadat module G1 met vrucht werd gevolgd. " wordt vervangen door de zin " Er kan pas deelgenomen worden aan het examen over module G2 nadat module G1 met vrucht is afgerond. ";
2° de zin " Module G3 kan pas aangevat worden nadat module G2 met vrucht werd gevolgd. " wordt vervangen door de zin " Aan het examen over module G3 kan pas deelgenomen worden nadat module G2 met vrucht is afgerond en nadat de persoon geslaagd is voor een voorafgaande test over elektriciteit. ".
Art. 156. Dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 2, sous-section 1re, du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
1° la phrase " Module G2 ne peut être entamé qu'après avoir suivi module G1 avec succès. " est remplacée par la phrase " On ne peut participer à l'examen sur le module G2 qu'après avoir suivi le module G1 avec succès. ";
2° la phrase " Module G3 ne peut être entamé qu'après avoir suivi module G2 avec succès. " est remplacée par la phrase " On ne peut participer à l'examen sur le module G3 qu'après avoir suivi le module G2 avec succès et après que la personne a réussi une épreuve préalable en électricité. ".
1° la phrase " Module G2 ne peut être entamé qu'après avoir suivi module G1 avec succès. " est remplacée par la phrase " On ne peut participer à l'examen sur le module G2 qu'après avoir suivi le module G1 avec succès. ";
2° la phrase " Module G3 ne peut être entamé qu'après avoir suivi module G2 avec succès. " est remplacée par la phrase " On ne peut participer à l'examen sur le module G3 qu'après avoir suivi le module G2 avec succès et après que la personne a réussi une épreuve préalable en électricité. ".
Art. 157. In bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 2, onderafdeling 2, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de zin " De technische opleiding gasvormige brandstof, module G1, omvat minstens 68 uur met betrekking tot gastoestellen type B, waarbij het aantal te besteden lesuren als richtwaarde geldt en het overzicht niet limitatief is : " wordt vervangen door de zinnen " De technische opleiding gasvormige brandstof, module G1, omvat 68 uur met betrekking tot gastoestellen type B, waarbij het totale aantal te besteden lesuren en, in voorkomend geval, het aantal te besteden lesuren per programmaonderdeel als richtwaarden gelden. Het programma bestaat uit de volgende onderdelen (niet limitatief) : ";
2° aan punt 5° wordt een punt c) toegevoegd, dat luidt als volgt :
" c) de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal in en rond stookketels en rond verwarmingsbuizen : wat is asbest, de gezondheidsrisico's van asbest, het voorkomen in en rond stookketels en rond verwarmingsbuizen, hoe herkennen, wat te doen bij aantreffen, de noodzaak van bewerken en afbraak van asbesthoudend materiaal in en rond stookketels en rond verwarmingsbuizen, persoonlijke beschermingsmiddelen en nuttige websites met betrekking tot asbest; ";
3° de zin " Deze opleiding wordt gevolgd door de proef tot vaststelling van de kwalificatie van een technicus gasvormige brandstof niveau G1. " wordt opgeheven.
1° de zin " De technische opleiding gasvormige brandstof, module G1, omvat minstens 68 uur met betrekking tot gastoestellen type B, waarbij het aantal te besteden lesuren als richtwaarde geldt en het overzicht niet limitatief is : " wordt vervangen door de zinnen " De technische opleiding gasvormige brandstof, module G1, omvat 68 uur met betrekking tot gastoestellen type B, waarbij het totale aantal te besteden lesuren en, in voorkomend geval, het aantal te besteden lesuren per programmaonderdeel als richtwaarden gelden. Het programma bestaat uit de volgende onderdelen (niet limitatief) : ";
2° aan punt 5° wordt een punt c) toegevoegd, dat luidt als volgt :
" c) de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal in en rond stookketels en rond verwarmingsbuizen : wat is asbest, de gezondheidsrisico's van asbest, het voorkomen in en rond stookketels en rond verwarmingsbuizen, hoe herkennen, wat te doen bij aantreffen, de noodzaak van bewerken en afbraak van asbesthoudend materiaal in en rond stookketels en rond verwarmingsbuizen, persoonlijke beschermingsmiddelen en nuttige websites met betrekking tot asbest; ";
3° de zin " Deze opleiding wordt gevolgd door de proef tot vaststelling van de kwalificatie van een technicus gasvormige brandstof niveau G1. " wordt opgeheven.
Art. 157. Dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 2, sous-section 2, du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
1° la phrase " La formation technique en combustibles gazeux, module G1, comporte au moins 68 heures en matière d'appareils à gaz du type B, pour lesquelles vaut que le nombre d'heures à y consacrer est une valeur guide et que l'aperçu n'est pas limitatif : " est remplacée par les phrases " La formation technique en combustibles gazeux, module G1, comprend 68 heures en matière d'appareils à gaz du type B, où le nombre total d'heures de cours à y consacrer et, le cas échéant, le nombre d'heures de cours à y consacrer par partie de programme sont des valeurs guides. Le programme comprend les parties suivantes (non limitatif) : ";
2° le point 5° est complété par un point c), rédigé comme suit :
" c) la présence de matériaux contenant de l'amiante dans et autour des chaudières et autour des tuyaux de chauffage : qu'est-ce que l'amiante, les risques pour la santé associés à l'amiante, la prévention dans et autour des chaudières et autour des tuyaux de chauffage, comment le reconnaitre, que faire en cas de découverte, la nécessité du traitement et de la destruction de matériaux contenant de l'amiante dans et autour des chaudières et autour des tuyaux de chauffage, équipements de protection individuelle et sites web utiles relatifs à l'amiante; ";
3° la phrase " Cette formation est suivie par l'épreuve constatant la qualification d'un technicien en combustibles gazeux de niveau G1. " est abrogée.
1° la phrase " La formation technique en combustibles gazeux, module G1, comporte au moins 68 heures en matière d'appareils à gaz du type B, pour lesquelles vaut que le nombre d'heures à y consacrer est une valeur guide et que l'aperçu n'est pas limitatif : " est remplacée par les phrases " La formation technique en combustibles gazeux, module G1, comprend 68 heures en matière d'appareils à gaz du type B, où le nombre total d'heures de cours à y consacrer et, le cas échéant, le nombre d'heures de cours à y consacrer par partie de programme sont des valeurs guides. Le programme comprend les parties suivantes (non limitatif) : ";
2° le point 5° est complété par un point c), rédigé comme suit :
" c) la présence de matériaux contenant de l'amiante dans et autour des chaudières et autour des tuyaux de chauffage : qu'est-ce que l'amiante, les risques pour la santé associés à l'amiante, la prévention dans et autour des chaudières et autour des tuyaux de chauffage, comment le reconnaitre, que faire en cas de découverte, la nécessité du traitement et de la destruction de matériaux contenant de l'amiante dans et autour des chaudières et autour des tuyaux de chauffage, équipements de protection individuelle et sites web utiles relatifs à l'amiante; ";
3° la phrase " Cette formation est suivie par l'épreuve constatant la qualification d'un technicien en combustibles gazeux de niveau G1. " est abrogée.
Art. 158. In bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 2, onderafdeling 3, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de zin " De technische opleiding gasvormige brandstof, module G2, omvat minstens 28 uur met betrekking tot gastoestellen type C, waarbij het aantal te besteden lesuren als richtwaarden geldt en het overzicht niet limitatief is) : " wordt vervangen door de zinnen " De technische opleiding gasvormige brandstof, module G2, omvat 28 uur met betrekking tot gastoestellen type C, waarbij het totale aantal te besteden lesuren en, in voorkomend geval, het aantal te besteden lesuren per programmaonderdeel als richtwaarden gelden. Het programma bestaat uit de volgende onderdelen (niet limitatief) : ";
2° in punt 3° wordt het woord " Onderhoud " vervangen door het woord " onderhoud ";
3° de zinnen " Als beginvoorwaarde geldt de kalificatie van technicus gasvormige brandstof niveau G1. De opleiding wordt gevolgd door de proef tot vaststelling van de kwalificatie van technicus gasvormige brandstof niveau G2. " worden opgeheven.
1° de zin " De technische opleiding gasvormige brandstof, module G2, omvat minstens 28 uur met betrekking tot gastoestellen type C, waarbij het aantal te besteden lesuren als richtwaarden geldt en het overzicht niet limitatief is) : " wordt vervangen door de zinnen " De technische opleiding gasvormige brandstof, module G2, omvat 28 uur met betrekking tot gastoestellen type C, waarbij het totale aantal te besteden lesuren en, in voorkomend geval, het aantal te besteden lesuren per programmaonderdeel als richtwaarden gelden. Het programma bestaat uit de volgende onderdelen (niet limitatief) : ";
2° in punt 3° wordt het woord " Onderhoud " vervangen door het woord " onderhoud ";
3° de zinnen " Als beginvoorwaarde geldt de kalificatie van technicus gasvormige brandstof niveau G1. De opleiding wordt gevolgd door de proef tot vaststelling van de kwalificatie van technicus gasvormige brandstof niveau G2. " worden opgeheven.
Art. 158. Dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 2, sous-section 3, du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
1° la phrase " La formation technique en combustibles gazeux, module G2, comporte au moins 28 heures en matière d'appareils à gaz du type C, pour lesquelles vaut que le nombre d'heures à y consacrer est une valeur guide et que l'aperçu n'est pas limitatif : " est remplacée par les phrases " La formation technique en combustibles gazeux, module G2, comprend 28 heures en matière d'appareils à gaz du type C, où le nombre total d'heures de cours à y consacrer et, le cas échéant, le nombre d'heures de cours à y consacrer par partie de programme sont des valeurs guides. Le programme comprend les parties suivantes (non limitatif) : ";
2° dans le point 3°, le mot " Onderhoud " dans le texte néerlandais est remplacé par le mot " onderhoud ";
3° les phrases " La qualification de technicien agréé en combustibles gazeux de niveau G1 vaut comme condition initiale. La formation est suivie par l'épreuve constatant la qualification de technicien en combustibles gazeux de niveau G2. " sont abrogées.
1° la phrase " La formation technique en combustibles gazeux, module G2, comporte au moins 28 heures en matière d'appareils à gaz du type C, pour lesquelles vaut que le nombre d'heures à y consacrer est une valeur guide et que l'aperçu n'est pas limitatif : " est remplacée par les phrases " La formation technique en combustibles gazeux, module G2, comprend 28 heures en matière d'appareils à gaz du type C, où le nombre total d'heures de cours à y consacrer et, le cas échéant, le nombre d'heures de cours à y consacrer par partie de programme sont des valeurs guides. Le programme comprend les parties suivantes (non limitatif) : ";
2° dans le point 3°, le mot " Onderhoud " dans le texte néerlandais est remplacé par le mot " onderhoud ";
3° les phrases " La qualification de technicien agréé en combustibles gazeux de niveau G1 vaut comme condition initiale. La formation est suivie par l'épreuve constatant la qualification de technicien en combustibles gazeux de niveau G2. " sont abrogées.
Art. 159. In bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 2, onderafdeling 4, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de zin " De technische opleiding gasvormige brandstof, module G3, omvat minstens 56 uur met betrekking tot gasketels met ventilatorbrander, waarbij het aantal te besteden lesuren als richtwaarde geldt en het overzicht niet limitatief is. " wordt vervangen door de zinnen " De technische opleiding gasvormige brandstof, module G3, omvat 56 uur met betrekking tot gasketels met ventilatorbrander, waarbij het totale aantal te besteden lesuren en, in voorkomend geval, het aantal te besteden lesuren als programmaonderdeel als richtwaarden gelden. Het programma bestaat uit de volgende onderdelen (niet limitatief) : ";
2° de zinnen " Als beginvoorwaarden gelden de kwalificatie als technicus gasvormige brandstof niveau G2 en het bewijs van bekwaamheid kennis van elektriciteit. De opleiding wordt gevolgd door de proef tot vaststelling van de kwalificatie van technicus gasvormige brandstof niveau G3. " worden opgeheven.
1° de zin " De technische opleiding gasvormige brandstof, module G3, omvat minstens 56 uur met betrekking tot gasketels met ventilatorbrander, waarbij het aantal te besteden lesuren als richtwaarde geldt en het overzicht niet limitatief is. " wordt vervangen door de zinnen " De technische opleiding gasvormige brandstof, module G3, omvat 56 uur met betrekking tot gasketels met ventilatorbrander, waarbij het totale aantal te besteden lesuren en, in voorkomend geval, het aantal te besteden lesuren als programmaonderdeel als richtwaarden gelden. Het programma bestaat uit de volgende onderdelen (niet limitatief) : ";
2° de zinnen " Als beginvoorwaarden gelden de kwalificatie als technicus gasvormige brandstof niveau G2 en het bewijs van bekwaamheid kennis van elektriciteit. De opleiding wordt gevolgd door de proef tot vaststelling van de kwalificatie van technicus gasvormige brandstof niveau G3. " worden opgeheven.
Art. 159. Dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 2, sous-section 4, du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
1° la phrase " La formation technique en combustibles gazeux, module G3, comporte au moins 56 heures en matière d'appareils à gaz munis d'un brûleur ventilé, pour lesquelles vaut que le nombre d'heures à y consacrer est une valeur guide et que l'aperçu n'est pas limitatif : " est remplacée par les phrases " La formation technique en combustibles gazeux, module G3, comprend 56 heures en matière de chaudières à gaz à brûleur à air pulsé, où le nombre total d'heures de cours à y consacrer et, le cas échéant, le nombre d'heures de cours à y consacrer comme partie de programme sont des valeurs guides. Le programme comprend les parties suivantes (non limitatif) : ";
2° les phrases " La qualification de technicien agréé en combustibles gazeux de niveau G2 et le certificat d'aptitude de connaissances en électricité valent comme conditions initiales. La formation est suivie par l'épreuve constatant la qualification de technicien en combustibles gazeux de niveau G3. " sont abrogées.
1° la phrase " La formation technique en combustibles gazeux, module G3, comporte au moins 56 heures en matière d'appareils à gaz munis d'un brûleur ventilé, pour lesquelles vaut que le nombre d'heures à y consacrer est une valeur guide et que l'aperçu n'est pas limitatif : " est remplacée par les phrases " La formation technique en combustibles gazeux, module G3, comprend 56 heures en matière de chaudières à gaz à brûleur à air pulsé, où le nombre total d'heures de cours à y consacrer et, le cas échéant, le nombre d'heures de cours à y consacrer comme partie de programme sont des valeurs guides. Le programme comprend les parties suivantes (non limitatif) : ";
2° les phrases " La qualification de technicien agréé en combustibles gazeux de niveau G2 et le certificat d'aptitude de connaissances en électricité valent comme conditions initiales. La formation est suivie par l'épreuve constatant la qualification de technicien en combustibles gazeux de niveau G3. " sont abrogées.
Art. 160. In bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 2, onderafdeling 5, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° tussen de woorden " centrale verwarming " en het woord " omvat " wordt de zinsnede " (minstens 2 uur) " ingevoegd;
2° tussen de woorden " Vlaamse Regering " en de woorden " betreffende het onderhoud " wordt de zinsnede " van 8 december 2006 " ingevoegd;
3° tussen de woorden " nazicht van " en het woord " stooktoestellen " wordt het woord " centrale " ingevoegd.
1° tussen de woorden " centrale verwarming " en het woord " omvat " wordt de zinsnede " (minstens 2 uur) " ingevoegd;
2° tussen de woorden " Vlaamse Regering " en de woorden " betreffende het onderhoud " wordt de zinsnede " van 8 december 2006 " ingevoegd;
3° tussen de woorden " nazicht van " en het woord " stooktoestellen " wordt het woord " centrale " ingevoegd.
Art. 160. Dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 2, sous-section 5, du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots " (au moins 2 heures) " sont insérés entre les mots " combustibles gazeux " et le mot " comporte ";
2° les mots " du 8 décembre 2006 " sont insérés entre les mots " du Gouvernement flamand " et les mots " relatif à l'entretien ";
3° le mot " central " est inséré entre les mots " d'appareils de chauffage " et les mots " pour le chauffage ".
1° les mots " (au moins 2 heures) " sont insérés entre les mots " combustibles gazeux " et le mot " comporte ";
2° les mots " du 8 décembre 2006 " sont insérés entre les mots " du Gouvernement flamand " et les mots " relatif à l'entretien ";
3° le mot " central " est inséré entre les mots " d'appareils de chauffage " et les mots " pour le chauffage ".
Art. 161. In bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 2, onderafdeling 6, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° tussen de zinsnede " (atmosferische gasketels) " en de zinsnede " 4 uur opleiding " wordt het woord " minstens " ingevoegd;
2° tussen de zinsnede " (atmosferische gasketels en gasunits) " en de zinsnede " 6 uur opleiding " wordt het woord " minstens " ingevoegd;
3° tussen de zinsnede " (atmosferische ketels, gasunit en gasketels met ventilatorbrander) " en de zinsnede " 8 uur opleiding " wordt het woord " minstens " ingevoegd;
4° de woorden " de praktische proef " worden vervangen door het woord " proeven ".
1° tussen de zinsnede " (atmosferische gasketels) " en de zinsnede " 4 uur opleiding " wordt het woord " minstens " ingevoegd;
2° tussen de zinsnede " (atmosferische gasketels en gasunits) " en de zinsnede " 6 uur opleiding " wordt het woord " minstens " ingevoegd;
3° tussen de zinsnede " (atmosferische ketels, gasunit en gasketels met ventilatorbrander) " en de zinsnede " 8 uur opleiding " wordt het woord " minstens " ingevoegd;
4° de woorden " de praktische proef " worden vervangen door het woord " proeven ".
Art. 161. Dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 2, sous-section 6, du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots " au moins " sont insérés entre les mots " (chaudières à gaz atmosphériques), " et les mots " 4 heures de formation ";
2° les mots " au moins " sont insérés entre les mots " (chaudières à gaz atmosphériques et unités à gaz), " et les mots " 6 heures de formation ";
3° les mots " munis d'un brûleur ventilé), " sont remplacés par les mots " à brûleur à air pulsé, au moins ";
4° les mots " l'épreuve pratique " sont remplacés par les mots " les épreuves ".
1° les mots " au moins " sont insérés entre les mots " (chaudières à gaz atmosphériques), " et les mots " 4 heures de formation ";
2° les mots " au moins " sont insérés entre les mots " (chaudières à gaz atmosphériques et unités à gaz), " et les mots " 6 heures de formation ";
3° les mots " munis d'un brûleur ventilé), " sont remplacés par les mots " à brûleur à air pulsé, au moins ";
4° les mots " l'épreuve pratique " sont remplacés par les mots " les épreuves ".
Art. 162. In bijlage 1, hoofdstuk 3, van hetzelfde besluit wordt afdeling 3 opgeheven.
Art. 162. Dans l'annexe 1re, chapitre 3, du même arrêté, la section 3 est abrogée.
Art. 163. In bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 4, onderafdeling 1, van hetzelfde besluit, worden de zinnen " De opleiding wordt gevolgd door de proef tot vaststelling van de kwalificatie van technicus verwarmingsaudit (installaties met totaal geïnstalleerd nominaal vermogen groter dan 100 kW, of installaties bestaande uit meerdere ketels). De huidige software is geschikt voor toestellen op vloeibare en gasvormige brandstof. " opgeheven.
Art. 163. Dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 4, sous-section 1re, du même arrêté, les phrases " La formation est suivie par l'épreuve constatant la qualification de technicien en matière d'audit de chauffage (installations avec une puissance nominale totale installée supérieure à 100 kW, ou installations comprenant plusieurs chaudières). Le logiciel actuel convient aux appareils alimentés en combustibles liquides et gazeux. " sont abrogées.
Art. 164. In bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 4, van hetzelfde besluit wordt onderafdeling 2 opgeheven.
Art. 164. Dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 4, du même arrêté, la sous-section 2 est abrogée.
Art. 165. In bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 5, onderafdeling 1, van hetzelfde besluit wordt het woord " corrisiviteit " vervangen door het woord " corrosiviteit ".
Art. 165. Dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 5, sous-section 1re, du même arrêté, le mot " corrisiviteit " dans le texte néerlandais est remplacé par le mot " corrosiviteit ".
Art. 166. Aan bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 5, onderafdeling 3, van hetzelfde besluit worden de woorden " en wordt gevolgd door proeven " toegevoegd.
Art. 166. L'annexe 1re, chapitre 3, section 5, sous-section 3, du même arrêté, est complétée par les mots " et est suivi par des épreuves ".
Art. 167. In bijlage 2, 2°, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden " Uitgangspunten achtergronden " worden vervangen door de zinsnede " Uitgangspunten, achtergronden ";
2° de zinsnede " 1.1. Grondslagen van milieuwetenschappen 1.1. Grondslagen van milieuwetenschappen " wordt vervangen door de zinsnede " 1.1. Grondslagen van milieuwetenschappen ";
3° het woord " oner " wordt vervangen door het woord " onder ";
4° het woord " milieu-eisen " wordt telkens vervangen door het woord " milieueisen ";
5° de zinsnede " (MER, VR, audit, LCA) convenanten " wordt vervangen door de zinsnede " (MER, VR, audit, LCA), convenanten ";
6° het woord " emissie-normen " wordt vervangen door het woord " emissienormen ";
7° het woord " Environmenteal " wordt vervangen door het woord " Environmental ";
8° het woord " ingebrip " wordt vervangen door het woord " inbegrip ";
9° de zinsnede " bodem- (grond)water- en luchtverontreiniging " wordt vervangen door de zinsnede " bodem-, (grond)water- en luchtverontreiniging ";
10° de zinsnede " 3.2.2. Het stimuleren van preventieve gedragsveranderingen " wordt vervangen door de zinsnede " 3.3.2. Het stimuleren van preventieve gedragsveranderingen ";
11° de woorden " Veiligheidsrapportering en risico-analysetechniekenvanuit " worden vervangen door de woorden " Veiligheidsrapportering en risicoanalysetechnieken vanuit ".
1° de woorden " Uitgangspunten achtergronden " worden vervangen door de zinsnede " Uitgangspunten, achtergronden ";
2° de zinsnede " 1.1. Grondslagen van milieuwetenschappen 1.1. Grondslagen van milieuwetenschappen " wordt vervangen door de zinsnede " 1.1. Grondslagen van milieuwetenschappen ";
3° het woord " oner " wordt vervangen door het woord " onder ";
4° het woord " milieu-eisen " wordt telkens vervangen door het woord " milieueisen ";
5° de zinsnede " (MER, VR, audit, LCA) convenanten " wordt vervangen door de zinsnede " (MER, VR, audit, LCA), convenanten ";
6° het woord " emissie-normen " wordt vervangen door het woord " emissienormen ";
7° het woord " Environmenteal " wordt vervangen door het woord " Environmental ";
8° het woord " ingebrip " wordt vervangen door het woord " inbegrip ";
9° de zinsnede " bodem- (grond)water- en luchtverontreiniging " wordt vervangen door de zinsnede " bodem-, (grond)water- en luchtverontreiniging ";
10° de zinsnede " 3.2.2. Het stimuleren van preventieve gedragsveranderingen " wordt vervangen door de zinsnede " 3.3.2. Het stimuleren van preventieve gedragsveranderingen ";
11° de woorden " Veiligheidsrapportering en risico-analysetechniekenvanuit " worden vervangen door de woorden " Veiligheidsrapportering en risicoanalysetechnieken vanuit ".
Art. 167. Dans l'annexe 2, 2°, du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots " Uitgangspunten achtergronden " dans le texte néerlandais sont remplacés par les mots " Uitgangspunten, achtergronden ";
2° les mots " 1.1. Grondslagen van milieuwetenschappen 1.1. Grondslagen van milieuwetenschappen " dans le texte néerlandais sont remplacés par les mots " 1.1. Grondslagen van milieuwetenschappen ";
3° le mot " oner " dans le texte néerlandais est remplacé par le mot " onder ";
4° le mot " milieu-eisen " dans le texte néerlandais est chaque fois remplacé par le mot " milieueisen ";
5° les mots " (MER, VR, audit, LCA) convenanten " dans le texte néerlandais sont remplacés par les mots " (MER, VR, audit, LCA), convenanten ";
6° le mot " emissie-normen " dans le texte néerlandais est remplacé par le mot " emissienormen ";
7° le mot " Environmenteal " dans le texte néerlandais est remplacé par le mot " Environmental ";
8° le mot " ingebrip " dans le texte néerlandais est remplacé par le mot " inbegrip ";
9° les mots " bodem- (grond)water- en luchtverontreiniging " dans le texte néerlandais sont remplacés par les mots " bodem-, (grond)water- en luchtverontreiniging ";
10° les mots " 3.2.2. Het stimuleren van preventieve gedragsveranderingen " dans le texte néerlandais sont remplacés par les mots " 3.3.2. Het stimuleren van preventieve gedragsveranderingen ";
11° les mots " Veiligheidsrapportering en risico-analysetechniekenvanuit " dans le texte néerlandais sont remplacés par les mots " Veiligheidsrapportering en risicoanalysetechnieken vanuit ".
1° les mots " Uitgangspunten achtergronden " dans le texte néerlandais sont remplacés par les mots " Uitgangspunten, achtergronden ";
2° les mots " 1.1. Grondslagen van milieuwetenschappen 1.1. Grondslagen van milieuwetenschappen " dans le texte néerlandais sont remplacés par les mots " 1.1. Grondslagen van milieuwetenschappen ";
3° le mot " oner " dans le texte néerlandais est remplacé par le mot " onder ";
4° le mot " milieu-eisen " dans le texte néerlandais est chaque fois remplacé par le mot " milieueisen ";
5° les mots " (MER, VR, audit, LCA) convenanten " dans le texte néerlandais sont remplacés par les mots " (MER, VR, audit, LCA), convenanten ";
6° le mot " emissie-normen " dans le texte néerlandais est remplacé par le mot " emissienormen ";
7° le mot " Environmenteal " dans le texte néerlandais est remplacé par le mot " Environmental ";
8° le mot " ingebrip " dans le texte néerlandais est remplacé par le mot " inbegrip ";
9° les mots " bodem- (grond)water- en luchtverontreiniging " dans le texte néerlandais sont remplacés par les mots " bodem-, (grond)water- en luchtverontreiniging ";
10° les mots " 3.2.2. Het stimuleren van preventieve gedragsveranderingen " dans le texte néerlandais sont remplacés par les mots " 3.3.2. Het stimuleren van preventieve gedragsveranderingen ";
11° les mots " Veiligheidsrapportering en risico-analysetechniekenvanuit " dans le texte néerlandais sont remplacés par les mots " Veiligheidsrapportering en risicoanalysetechnieken vanuit ".
Art. 168. Aan bijlage 2, 3°, van hetzelfde besluit wordt de volgende zin toegevoegd :
" Een persoon die slaagt voor de aanvullende vorming, krijgt een getuigschrift van de aanvullende vorming voor milieucoördinatoren voor het overeenstemmende niveau. ".
" Een persoon die slaagt voor de aanvullende vorming, krijgt een getuigschrift van de aanvullende vorming voor milieucoördinatoren voor het overeenstemmende niveau. ".
Art. 168. L'annexe 2, 3°, du même arrêté, est complété par la phrase suivante :
" Une personne qui réussit la formation complémentaire, reçoit une attestation de la formation complémentaire pour coordinateurs environnementaux pour le niveau correspondant. ".
" Une personne qui réussit la formation complémentaire, reçoit une attestation de la formation complémentaire pour coordinateurs environnementaux pour le niveau correspondant. ".
Art. 169. Bijlage 3 bij hetzelfde besluit wordt vervangen door bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 169. L'annexe 3 au même arrêté est remplacée par l'annexe 4, jointe au présent arrêté.
Art. 170. In het opschrift van bijlage 4 van hetzelfde besluit wordt het woord " voorgassen " vervangen door de woorden " voor gassen ".
Art. 170. Dans l'intitulé de l'annexe 4 du même arrêté, le mot " voorgassen " dans le texte néerlandais est remplacé par les mots " voor gassen ".
Art. 171. In bijlage 4 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede " van P-.producten " vervangen door de zinsnede " van P-producten ".
Art. 171. Dans l'annexe 4 du même arrêté, les mots " van P-.producten " dans le texte néerlandais sont remplacés par les mots " van P-producten ".
Art. 172. In het opschrift van bijlage 6 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede " vermeld in artikel 40, § 2 " vervangen door de zinsnede " vermeld in artikel 40, eerste lid, 2° ".
Art. 172. Dans l'intitulé de l'annexe 6 du même arrêté, les mots " visées à l'article 40, § 2 " sont remplacés par les mots " visées à l'article 40, alinéa premier, 2° ".
Art. 173. In bijlage 6 van hetzelfde besluit worden de zin " De erkende technicus moet de door hem gebruikte meettoestellen tonen aan de toezichthouders als hem daarom gevraagd wordt. " en de zinnen " De fabrikant of invoerder bevestigt na controle van het apparaat een klever op de toegangswegen tot het toestel. Op die klever wordt de datum van de laatste controle en de uiterlijke datum van de eerstvolgende controle genoteerd. De fabrikant of invoerder maakt een zogenaamd attest van goede werking van het toestel op. Dat attest van goede werking bevindt zich steeds bij het desbetreffende apparaat. De erkende technicus moet het attest tonen aan de toezichthouders of aan de afdeling als hem daarom gevraagd wordt. " opgeheven.
Art. 173. Dans l'annexe 6 du même arrêté, la phrase " Le technicien agréé doit montrer les appareils qu'il utilise pour le mesurage aux personnes chargées du contrôle lorsque tel lui est demandé. " et les phrases " Après le contrôle de l'appareil, le fabricant ou l'importateur applique un autocollant sur les voies d'accès à l'appareil. Cet autocollant mentionne la date du dernier contrôle et la date limite du prochain contrôle. Le fabricant ou l'importateur établit une attestation dite du bon fonctionnement de l'appareil. Cette attestation du bon fonctionnement accompagne toujours l'appareil concerné. Le technicien agréé doit montrer l'attestation aux personnes chargées du contrôle ou à la division lorsque tel lui est demandé. " sont abrogées.
Art. 174. In bijlage 7 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in hoofdstuk II wordt de zinsnede " II.2.b Kalibratie en onderhoud apparatuur " vervangen door de volgende zinsnede :
" II.2.b. Kalibratie en onderhoud apparatuur
1° eerstelijnskalibratie : ijking voor en na elke meting
2° tweedelijnskalibratie : jaarlijkse reciproque ijking ten opzichte van referentietoestel dat tweejaarlijks wordt geijkt door de fabrikant
3° derdelijnskalibratie : tweejaarlijkse ijking door de fabrikant ";
2° in hoofdstuk IV worden de volgende zinnen opgeheven :
" De gegevens (inclusief originele metingen, bandopnames,... worden minstens 5 jaar bijgehouden. LNE heeft toegang tot de laboratoria voor het uitvoeren van controles op de kwaliteit van het handboek en op de toepassing ervan.
HET MINIMUM AANTAL LOGBOEKEN
Onder logboek wordt verstaan, een eenduidige verwijzing naar een bestand of document waarin informatie wordt bijgehouden om alles traceerbaar te maken. Er wordt hier alleen een minimumindeling vooropgesteld. Qua inhoud heeft men de vrijheid om die logboeken naar believen in te vullen.
1) Log Offerten en bestellingen bevat alle gegevens (details, opvolging,...) van offerteaanvragen en bestellingen
2) Log Beheer van apparatuur bevat gegevens zoals de datum van aankoop, laatste ijking, buitendienststellingen over de apparatuur, en bevat ook alle gegevens betreffende de uitgeleende apparatuur
3) Log Methodologie van alle procedures bevat alle gegevens over de manier van werken in het laboratorium
4) Log Klachten bevat alle gegevens over de klachten
5) Log Corrigerende Maatregelen bevat alle gegevens over correcties die werden uitgevoerd
6) Log Personeel bevat onder meer een omschrijving van wie welke taken uitvoert in het bedrijf
7) Log Registratie is een lijst zonder details van alle uitgevoerde projecten ".
1° in hoofdstuk II wordt de zinsnede " II.2.b Kalibratie en onderhoud apparatuur " vervangen door de volgende zinsnede :
" II.2.b. Kalibratie en onderhoud apparatuur
1° eerstelijnskalibratie : ijking voor en na elke meting
2° tweedelijnskalibratie : jaarlijkse reciproque ijking ten opzichte van referentietoestel dat tweejaarlijks wordt geijkt door de fabrikant
3° derdelijnskalibratie : tweejaarlijkse ijking door de fabrikant ";
2° in hoofdstuk IV worden de volgende zinnen opgeheven :
" De gegevens (inclusief originele metingen, bandopnames,... worden minstens 5 jaar bijgehouden. LNE heeft toegang tot de laboratoria voor het uitvoeren van controles op de kwaliteit van het handboek en op de toepassing ervan.
HET MINIMUM AANTAL LOGBOEKEN
Onder logboek wordt verstaan, een eenduidige verwijzing naar een bestand of document waarin informatie wordt bijgehouden om alles traceerbaar te maken. Er wordt hier alleen een minimumindeling vooropgesteld. Qua inhoud heeft men de vrijheid om die logboeken naar believen in te vullen.
1) Log Offerten en bestellingen bevat alle gegevens (details, opvolging,...) van offerteaanvragen en bestellingen
2) Log Beheer van apparatuur bevat gegevens zoals de datum van aankoop, laatste ijking, buitendienststellingen over de apparatuur, en bevat ook alle gegevens betreffende de uitgeleende apparatuur
3) Log Methodologie van alle procedures bevat alle gegevens over de manier van werken in het laboratorium
4) Log Klachten bevat alle gegevens over de klachten
5) Log Corrigerende Maatregelen bevat alle gegevens over correcties die werden uitgevoerd
6) Log Personeel bevat onder meer een omschrijving van wie welke taken uitvoert in het bedrijf
7) Log Registratie is een lijst zonder details van alle uitgevoerde projecten ".
Art. 174. Dans l'annexe 7 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le chapitre II, les mots " II.2.b. Calibrage et entretien des appareils " sont remplacés par les mots suivants :
" II.2.b. Etalonnage et entretien des appareils
1° étalonnage primaire : étalonnage avant et après chaque mesure
2° étalonnage secondaire : étalonnage annuel réciproque par rapport à un appareil de référence qui est étalonné tous les deux ans par le fabricant
3° étalonnage tertiaire : étalonnage biennal par le fabricant ";
2° dans le chapitre IV, les phrases suivantes sont abrogées :
" Les données (y compris les mesures originales, des enregistrements,...) sont conservées pendant au moins 5 ans. LNE a accès aux laboratoires pour l'exécution de contrôles concernant la qualité du manuel et concernant son application.
LE NOMBRE MINIMAL DE LIVRES DE BORD
Par livre de bord, on entend une référence univoque à un fichier ou document où sont reprises des informations afin de pouvoir tout tracer. On ne prévoit qu'une subdivision minimale. En ce qui concerne le contenu, on est libre de remplir ces livres de bord à son gré.
1) Livre de bord Offres et des commandes contient toutes les données (détails, suivi,...) des demandes d'offre et des commandes
2) Livre de bord Gestion des appareils contient des données telles que la date d'achat, le dernier étalonnage, les mises hors service des appareils, et contient également toutes les données relatives aux appareils prêtés
3) Livre de bord Méthodologie de toutes les procédures contient toutes les données relatives aux méthodes au laboratoire
4) Livre de bord Plaintes contient toutes les données relatives aux plaintes
5) Livre de bord Mesures de correction contient toutes les données relatives aux corrections exécutées
6) Livre de bord Personnel contient entre autres une description précisant quelles tâches sont effectuées par qui au sein de l'entreprise
7) Livre de bord Enregistrement est une liste sans détails de tous les projets exécutés ".
1° dans le chapitre II, les mots " II.2.b. Calibrage et entretien des appareils " sont remplacés par les mots suivants :
" II.2.b. Etalonnage et entretien des appareils
1° étalonnage primaire : étalonnage avant et après chaque mesure
2° étalonnage secondaire : étalonnage annuel réciproque par rapport à un appareil de référence qui est étalonné tous les deux ans par le fabricant
3° étalonnage tertiaire : étalonnage biennal par le fabricant ";
2° dans le chapitre IV, les phrases suivantes sont abrogées :
" Les données (y compris les mesures originales, des enregistrements,...) sont conservées pendant au moins 5 ans. LNE a accès aux laboratoires pour l'exécution de contrôles concernant la qualité du manuel et concernant son application.
LE NOMBRE MINIMAL DE LIVRES DE BORD
Par livre de bord, on entend une référence univoque à un fichier ou document où sont reprises des informations afin de pouvoir tout tracer. On ne prévoit qu'une subdivision minimale. En ce qui concerne le contenu, on est libre de remplir ces livres de bord à son gré.
1) Livre de bord Offres et des commandes contient toutes les données (détails, suivi,...) des demandes d'offre et des commandes
2) Livre de bord Gestion des appareils contient des données telles que la date d'achat, le dernier étalonnage, les mises hors service des appareils, et contient également toutes les données relatives aux appareils prêtés
3) Livre de bord Méthodologie de toutes les procédures contient toutes les données relatives aux méthodes au laboratoire
4) Livre de bord Plaintes contient toutes les données relatives aux plaintes
5) Livre de bord Mesures de correction contient toutes les données relatives aux corrections exécutées
6) Livre de bord Personnel contient entre autres une description précisant quelles tâches sont effectuées par qui au sein de l'entreprise
7) Livre de bord Enregistrement est une liste sans détails de tous les projets exécutés ".
Art. 175. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011, wordt een bijlage 7/1 ingevoegd, die als bijlage 5 bij dit besluit is gevoegd.
Art. 175. Dans le même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2011, il est inséré une annexe 7/1, jointe en tant qu'annexe 5 au présent arrêté.
Art. 176. In bijlage 8, 1°, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede " vermeld in artikel 6, 1°, c), 1), a, " vervangen door de zinsnede " vermeld in artikel 6, 1°, c), 1), a. ".
Art. 176. Dans l'annexe 8, 1°, du même arrêté, les mots " visé à l'article 6, 1°, c), 1), a, " sont remplacés par les mots " visé à l'article 6, 1°, c), 1), a. ".
Art. 177. In bijlage 9 bij hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 1° wordt vervangen door wat volgt :
" 1° a) Een milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein geluid als vermeld in artikel 6, 1°, c), 1), heeft met gunstig gevolg een opleiding van minstens 50 uur gevolgd, waarin de volgende onderwerpen aan bod kwamen :
1) elementaire fysische begrippen in verband met de geluidsleer;
2) geluidsgrootheden en -begrippen;
3) grondbeginselen geluid;
4) gehoor, gehoorschade, effecten van lawaai, geluidshinder;
5) lawaaibeheersing;
6) meettechnieken en -apparatuur;
7) berekenen van emissie- en immissieniveaus;
8) bronnen van lawaai;
b) een milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein trillingen als vermeld in artikel 6, 1°, c), 2), heeft met gunstig gevolg een opleiding van minstens 20 uur gevolgd, waarin de volgende onderwerpen aan bod kwamen :
1) elementaire fysische begrippen in verband met de trillingsleer;
2) trillingsparameters en -begrippen;
3) grondbeginselen trillingen;
4) effecten van trillingen, trillingshinder;
5) trillingsbeheersing;
6) meettechnieken en -apparatuur;
7) berekenen van emissie- en immissieniveaus;
8) bronnen van trillingen; ";
2° punt 3° wordt vervangen door wat volgt :
" 3° a) Een MER-deskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein geluid als vermeld in artikel 6, 1°, d), heeft met gunstig gevolg een opleiding gevolgd van minstens 10 uur inzake het beperken van geluidshinder;
b) Een MER-deskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein trillingen als vermeld in artikel 6, 1°, d), heeft met gunstig gevolg een opleiding gevolgd van minstens 4 uur inzake het beperken van trillingshinder; ";
3° in punt 4° worden de woorden " waarin minstens de volgende onderwerpen " vervangen door de woorden " waarin de volgende onderwerpen ".
1° punt 1° wordt vervangen door wat volgt :
" 1° a) Een milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein geluid als vermeld in artikel 6, 1°, c), 1), heeft met gunstig gevolg een opleiding van minstens 50 uur gevolgd, waarin de volgende onderwerpen aan bod kwamen :
1) elementaire fysische begrippen in verband met de geluidsleer;
2) geluidsgrootheden en -begrippen;
3) grondbeginselen geluid;
4) gehoor, gehoorschade, effecten van lawaai, geluidshinder;
5) lawaaibeheersing;
6) meettechnieken en -apparatuur;
7) berekenen van emissie- en immissieniveaus;
8) bronnen van lawaai;
b) een milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein trillingen als vermeld in artikel 6, 1°, c), 2), heeft met gunstig gevolg een opleiding van minstens 20 uur gevolgd, waarin de volgende onderwerpen aan bod kwamen :
1) elementaire fysische begrippen in verband met de trillingsleer;
2) trillingsparameters en -begrippen;
3) grondbeginselen trillingen;
4) effecten van trillingen, trillingshinder;
5) trillingsbeheersing;
6) meettechnieken en -apparatuur;
7) berekenen van emissie- en immissieniveaus;
8) bronnen van trillingen; ";
2° punt 3° wordt vervangen door wat volgt :
" 3° a) Een MER-deskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein geluid als vermeld in artikel 6, 1°, d), heeft met gunstig gevolg een opleiding gevolgd van minstens 10 uur inzake het beperken van geluidshinder;
b) Een MER-deskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein trillingen als vermeld in artikel 6, 1°, d), heeft met gunstig gevolg een opleiding gevolgd van minstens 4 uur inzake het beperken van trillingshinder; ";
3° in punt 4° worden de woorden " waarin minstens de volgende onderwerpen " vervangen door de woorden " waarin de volgende onderwerpen ".
Art. 177. Dans l'annexe 9 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° a) Un expert environnemental dans la discipline des bruits et des vibrations, sous-domaine des bruits, tel que visé à l'article 6, 1°, c), 1), a réussi une formation d'au moins 50 heures pendant laquelle les sujets suivants ont été abordés :
1) notions physiques élémentaires relatives à l'acoustique;
2) grandeurs et notions acoustiques;
3) principes fondamentaux en matière de bruits;
4) audition, surdité, effets du bruit, nuisances acoustiques;
5) contrôle acoustique;
6) techniques et appareils de mesure;
7) calcul des niveaux d'émission et d'immission;
8) sources de bruit;
b) un expert environnemental dans la discipline des bruits et des vibrations, sous-domaine des vibrations, tel que visé à l'article 6, 1°, c), 2), a réussi une formation d'au moins 20 heures pendant laquelle les sujets suivants ont été abordés :
1) notions physiques élémentaires relatives à la science des vibrations;
2) paramètres et notions de vibrations;
3) principes fondamentaux de vibrations;
4) effets de vibrations, nuisances vibratoires;
5) contrôle de vibrations;
6) techniques et appareils de mesure;
7) calcul des niveaux d'émission et d'immission;
8) sources de vibrations; ";
2° le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° a) Un expert MER dans la discipline des bruits et des vibrations, sous-domaine des bruits, tel que visé à l'article 6, 1°, d), a réussi une formation d'au moins 10 heures en matière de la limitation de nuisances acoustiques;
b) Un expert MER dans la discipline des bruits et des vibrations, sous-domaine des vibrations, tel que visé à l'article 6, 1°, d), a réussi une formation d'au moins 4 heures en matière de la limitation de nuisances vibratoires; ";
3° dans le point 4°, les mots " pendant laquelle au moins les sujets suivants " sont remplacés par les mots " où les sujets suivants ".
1° le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° a) Un expert environnemental dans la discipline des bruits et des vibrations, sous-domaine des bruits, tel que visé à l'article 6, 1°, c), 1), a réussi une formation d'au moins 50 heures pendant laquelle les sujets suivants ont été abordés :
1) notions physiques élémentaires relatives à l'acoustique;
2) grandeurs et notions acoustiques;
3) principes fondamentaux en matière de bruits;
4) audition, surdité, effets du bruit, nuisances acoustiques;
5) contrôle acoustique;
6) techniques et appareils de mesure;
7) calcul des niveaux d'émission et d'immission;
8) sources de bruit;
b) un expert environnemental dans la discipline des bruits et des vibrations, sous-domaine des vibrations, tel que visé à l'article 6, 1°, c), 2), a réussi une formation d'au moins 20 heures pendant laquelle les sujets suivants ont été abordés :
1) notions physiques élémentaires relatives à la science des vibrations;
2) paramètres et notions de vibrations;
3) principes fondamentaux de vibrations;
4) effets de vibrations, nuisances vibratoires;
5) contrôle de vibrations;
6) techniques et appareils de mesure;
7) calcul des niveaux d'émission et d'immission;
8) sources de vibrations; ";
2° le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° a) Un expert MER dans la discipline des bruits et des vibrations, sous-domaine des bruits, tel que visé à l'article 6, 1°, d), a réussi une formation d'au moins 10 heures en matière de la limitation de nuisances acoustiques;
b) Un expert MER dans la discipline des bruits et des vibrations, sous-domaine des vibrations, tel que visé à l'article 6, 1°, d), a réussi une formation d'au moins 4 heures en matière de la limitation de nuisances vibratoires; ";
3° dans le point 4°, les mots " pendant laquelle au moins les sujets suivants " sont remplacés par les mots " où les sujets suivants ".
Art. 178. Bijlage 10 van hetzelfde besluit wordt vervangen door bijlage 6, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 178. L'annexe 10 du même arrêté est remplacée par l'annexe 6, jointe au présent arrêté.
Art. 179. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011, wordt een bijlage 10/1 ingevoegd, die als bijlage 7 bij dit besluit is gevoegd.
Art. 179. Dans le même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2011, il est inséré une annexe 10/1, jointe en tant qu'annexe 7 au présent arrêté.
Art. 180. Aan hetzelfde besluit worden een bijlage 12 tot en met 18 toegevoegd, die als bijlage 8 tot en met 14 bij dit besluit zijn gevoegd.
Art. 180. Le même arrêté est complété par les annexes 12 à 18 incluses, jointes en tant qu'annexes 8 à 14 incluses au présent arrêté.
HOOFDSTUK 11. - Wijziging in het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2011 tot uitvoering van diverse bepalingen van het Mestdecreet van 22 december 2006
CHAPITRE 11. - Modification dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2011 portant exécution de diverses dispositions du décret sur les engrais du 22 décembre 2006
Art. 181. In artikel 1, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2011 tot uitvoering van diverse bepalingen van het Mestdecreet van 22 december 2006 wordt de zinsnede " artikel 2, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 januari 2011 betreffende de erkenning van laboratoria in het kader van het Mestdecreet " vervangen door de zinsnede " artikel 4, § 1, 34°, van het VLAREL ".
Art. 181. Dans l'article 1er, 2°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2011 portant exécution de diverses dispositions du décret sur les engrais du 22 décembre 2006, les mots " l'art. 2, 4°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 janvier 2011 relatif à l'agrément des laboratoires dans le cadre du Décret sur les engrais " sont remplacés par les mots " l'article 4, § 1er, 34°, du VLAREL ".
HOOFDSTUK 12. - Wijziging in het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 2011 betreffende de maatregelen bij een overschrijding van de nitraatresidudrempelwaarde, als vermeld in artikel 14 van het Mestdecreet van 22 december 2006
CHAPITRE 12. - Modification dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 juillet 2011 relatif aux mesures en cas de dépassement de la valeur seuil des résidus de nitrates, telle que visée à l'article 14 du décret sur les engrais du 22 décembre 2006
Art. 182. In artikel 1, § 2, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 2011 betreffende de maatregelen bij een overschrijding van de nitraatresidudrempelwaarde, als vermeld in artikel 14 van het Mestdecreet van 22 december 2006 wordt de zinsnede " artikel 2, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 januari 2011 betreffende de erkenning van laboratoria in het kader van het Mestdecreet " vervangen door de zinsnede " artikel 4, § 1, 34°, van het VLAREL ".
Art. 182. Dans l'article 1er, § 2, alinéa deux, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 juillet 2011 relatif aux mesures en cas de dépassement de la valeur seuil des résidus de nitrates, telle que visée à l'article 14 du décret sur les engrais du 22 décembre 2006, les mots " l'article 2, 4°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 janvier 2011 relatif à l'agrément des laboratoires dans le cadre du décret sur les engrais " sont remplacés par les mots " l'article 4, § 1er, 34°, du VLAREL ".
HOOFDSTUK 13. - Wijziging in het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen
CHAPITRE 13. - Modification dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2012 fixant le règlement flamand relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets
Art. 183. In artikel 2.2.8., § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de zinsnede " door een laboratorium dat erkend of gekwalificeerd is door de OVAM overeenkomstig de bepalingen, vermeld in hoofdstuk 8 " wordt vervangen door de zinsnede " door een erkend laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen, vermeld in artikel 6, 5°, e), van het VLAREL ";
2° de woorden " door onafhankelijke en gekwalificeerde personen of instellingen " worden vervangen door de woorden " door een erkend laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen, vermeld in artikel 6, 5°, e), van het VLAREL ".
1° de zinsnede " door een laboratorium dat erkend of gekwalificeerd is door de OVAM overeenkomstig de bepalingen, vermeld in hoofdstuk 8 " wordt vervangen door de zinsnede " door een erkend laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen, vermeld in artikel 6, 5°, e), van het VLAREL ";
2° de woorden " door onafhankelijke en gekwalificeerde personen of instellingen " worden vervangen door de woorden " door een erkend laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen, vermeld in artikel 6, 5°, e), van het VLAREL ".
Art. 183. Dans l'article 2.2.8, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2012 fixant le règlement flamand relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots " par un laboratoire qui est agréé ou qualifié par l'OVAM conformément aux dispositions stipulées dans le 8 " sont remplacés par les mots " par un laboratoire agréé dans la discipline des déchets et autres matériaux, visé à l'article 6, 5°, e), du VLAREL ";
2° les mots " par des personnes ou institutions indépendantes et qualifiées " sont remplacés par les mots " par un laboratoire agréé dans la discipline des déchets et autres matériaux, visé à l'article 6, 5°, e), du VLAREL ".
1° les mots " par un laboratoire qui est agréé ou qualifié par l'OVAM conformément aux dispositions stipulées dans le 8 " sont remplacés par les mots " par un laboratoire agréé dans la discipline des déchets et autres matériaux, visé à l'article 6, 5°, e), du VLAREL ";
2° les mots " par des personnes ou institutions indépendantes et qualifiées " sont remplacés par les mots " par un laboratoire agréé dans la discipline des déchets et autres matériaux, visé à l'article 6, 5°, e), du VLAREL ".
Art. 184. In artikel 2.4.2.2. van hetzelfde besluit worden in punt 7° de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de zinsnede " door een laboratorium dat erkend of gekwalificeerd is door de OVAM, overeenkomstig de bepalingen, vermeld in hoofdstuk 8 " wordt vervangen door de zinsnede " door een erkend laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen, vermeld in artikel 6, 5°, e), van het VLAREL";
2° de zinsnede " door onafhankelijke en gekwalificeerde personen of instellingen " wordt vervangen door de zinsnede " door een erkend laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen, vermeld in artikel 6, 5°, e), van het VLAREL ".
1° de zinsnede " door een laboratorium dat erkend of gekwalificeerd is door de OVAM, overeenkomstig de bepalingen, vermeld in hoofdstuk 8 " wordt vervangen door de zinsnede " door een erkend laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen, vermeld in artikel 6, 5°, e), van het VLAREL";
2° de zinsnede " door onafhankelijke en gekwalificeerde personen of instellingen " wordt vervangen door de zinsnede " door een erkend laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen, vermeld in artikel 6, 5°, e), van het VLAREL ".
Art. 184. Dans l'article 2.4.2.2. du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes dans le point 7° :
1° les mots " par un laboratoire qui est agréé ou qualifié par l'OVAM conformément aux dispositions mentionnées au chapitre 8 " sont remplacés par les mots " par un laboratoire agréé dans la discipline des déchets et autres matériaux, visé à l'article 6, 5°, e), du VLAREL ";
2° les mots " par des personnes ou établissements indépendants et qualifiés " sont remplacés par les mots " par un laboratoire agréé dans la discipline des déchets et autres matériaux, visé à l'article 6, 5°, e), du VLAREL ".
1° les mots " par un laboratoire qui est agréé ou qualifié par l'OVAM conformément aux dispositions mentionnées au chapitre 8 " sont remplacés par les mots " par un laboratoire agréé dans la discipline des déchets et autres matériaux, visé à l'article 6, 5°, e), du VLAREL ";
2° les mots " par des personnes ou établissements indépendants et qualifiés " sont remplacés par les mots " par un laboratoire agréé dans la discipline des déchets et autres matériaux, visé à l'article 6, 5°, e), du VLAREL ".
Art. 185. Hoofdstuk 8, dat bestaat uit artikel 8.1.1.1 tot en met artikel 8.2.1, van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art. 185. Le chapitre 8, qui comprend les articles 8.1.1.1 à 8.2.1 inclus, du même arrêté, est abrogé.
HOOFDSTUK 14. - Opheffingsbepalingen
CHAPITRE 14. - Dispositions abrogatoires
Art. 186. De volgende regelingen worden opgeheven :
1° het ministerieel besluit van 28 juni 2005 houdende bepaling van de analysepakketten waarvoor laboratoria kunnen erkend worden, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 28 juli 2006 en 23 januari 2009;
2° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 januari 2011 betreffende de erkenning van laboratoria in het kader van het Mestdecreet, met uitzondering van bijlage 2, die wordt opgeheven op de datum die door de minister wordt bepaald.
1° het ministerieel besluit van 28 juni 2005 houdende bepaling van de analysepakketten waarvoor laboratoria kunnen erkend worden, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 28 juli 2006 en 23 januari 2009;
2° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 januari 2011 betreffende de erkenning van laboratoria in het kader van het Mestdecreet, met uitzondering van bijlage 2, die wordt opgeheven op de datum die door de minister wordt bepaald.
Art. 186. Les règlements suivants sont abrogés :
1° l'arrêté ministériel du 28 juin 2005 portant détermination des lots d'analyse pour lesquels des laboratoires peuvent être agréés, modifié par les arrêtés ministériels des 28 juillet 2006 et 23 janvier 2009;
2° l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 janvier 2011 relatif à l'agrément de laboratoires dans le cadre du décret sur les engrais, à l'exception de l'annexe 2, qui est abrogée à la date fixée par le Ministre.
1° l'arrêté ministériel du 28 juin 2005 portant détermination des lots d'analyse pour lesquels des laboratoires peuvent être agréés, modifié par les arrêtés ministériels des 28 juillet 2006 et 23 janvier 2009;
2° l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 janvier 2011 relatif à l'agrément de laboratoires dans le cadre du décret sur les engrais, à l'exception de l'annexe 2, qui est abrogée à la date fixée par le Ministre.
Art. 187. De erkenning als laboratorium in de discipline water als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL wordt opgeheven voor de pakketten W.3.4, W.3.5, W.4.2.9, W.7.4, W.7.18 en W.10.3.
Art. 187. L'agrément en tant que laboratoire dans la discipline de l'eau tel que visé à l'article 6, 5°, a), du VLAREL, est abrogé pour les paquets W.3.4, W.3.5, W.4.2.9, W.7.4, W.7.18 et W.10.3.
HOOFDSTUK 15. - Overgangsbepalingen
CHAPITRE 15. - Dispositions transitoires
Art. 188. § 1. Een laboratorium in de discipline water als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL dat erkend is :
1° voor het pakket W.1.4 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.1.4.1, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
2° voor het pakket W.1.5 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.1.5.1 en W.1.5.2, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
3° voor het pakket W.1.8 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.1.8 en W.1.9, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
4° voor het pakket W.3.3 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.3.3, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
[1 4°/1 voor het pakket W.5.2 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.5.2, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
4°/2 voor het pakket W.5.3 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.5.3, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;]1
5° voor het pakket W.5.4 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.5.4, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
[1 5°/1 voor het pakket W.5.10 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.5.10, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
5°/2 voor het pakket W.5.12 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.5.12, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
5°/3 voor het pakket W.5.13 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.5.13, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;]1
6° voor het pakket W.6 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.6, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
7° voor het pakket W.7.2 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.7.2, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
8° voor het pakket W.7.11, W.7.12, W.7.13, W.7.17 en W.7.18 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.7.11, W.7.12, W.7.13, W.7.14, W.7.15 en W.7.17, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
9° voor het pakket W.8.1 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.8.1, W.8.5 en W.8.6, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
[1 10° voor het pakket W.9.2.1 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.9.2.1, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
11° voor het pakket W.9.2.2 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.9.2.2, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
12° voor het pakket W.9.2.3 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.9.2.3, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
13° voor het pakket W.9.2.4 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.9.2.4, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL.]1
De erkenning heeft alleen betrekking op de deeldomeinen waarvoor het laboratorium erkend was vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
§ 2. Een laboratorium in de discipline water als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL dat vóór de inwerkingtreding van dit besluit erkend is voor een pakket waarvoor vanaf de inwerkingtreding van dit besluit als bijkomende erkenningsvoorwaarde een erkenning vereist is voor een ander pakket als vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL voldoet uiterlijk op 1 januari 2014 aan die voorwaarde.
1° voor het pakket W.1.4 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.1.4.1, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
2° voor het pakket W.1.5 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.1.5.1 en W.1.5.2, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
3° voor het pakket W.1.8 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.1.8 en W.1.9, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
4° voor het pakket W.3.3 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.3.3, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
[1 4°/1 voor het pakket W.5.2 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.5.2, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
4°/2 voor het pakket W.5.3 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.5.3, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;]1
5° voor het pakket W.5.4 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.5.4, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
[1 5°/1 voor het pakket W.5.10 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.5.10, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
5°/2 voor het pakket W.5.12 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.5.12, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
5°/3 voor het pakket W.5.13 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.5.13, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;]1
6° voor het pakket W.6 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.6, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
7° voor het pakket W.7.2 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.7.2, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
8° voor het pakket W.7.11, W.7.12, W.7.13, W.7.17 en W.7.18 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.7.11, W.7.12, W.7.13, W.7.14, W.7.15 en W.7.17, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
9° voor het pakket W.8.1 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.8.1, W.8.5 en W.8.6, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
[1 10° voor het pakket W.9.2.1 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.9.2.1, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
11° voor het pakket W.9.2.2 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.9.2.2, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
12° voor het pakket W.9.2.3 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.9.2.3, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL;
13° voor het pakket W.9.2.4 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket W.9.2.4, vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL.]1
De erkenning heeft alleen betrekking op de deeldomeinen waarvoor het laboratorium erkend was vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
§ 2. Een laboratorium in de discipline water als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL dat vóór de inwerkingtreding van dit besluit erkend is voor een pakket waarvoor vanaf de inwerkingtreding van dit besluit als bijkomende erkenningsvoorwaarde een erkenning vereist is voor een ander pakket als vermeld in bijlage 3, 1°, van het VLAREL voldoet uiterlijk op 1 januari 2014 aan die voorwaarde.
Art. 188. § 1er. Un laboratoire dans la discipline de l'eau tel que visé à l'article 6, 5°, a), du VLAREL, qui est agréé :
1° pour le paquet W.1.4 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet W.1.4.1, visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL;
2° pour le paquet W.1.5 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour les paquets W.1.5.1 et W.1.5.2, visés à l'annexe 3, 1°, du VLAREL;
3° pour le paquet W.1.8 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour les paquets W.1.8 et W.1.9, visés à l'annexe 3, 1°, du VLAREL;
4° pour le paquet W.3.3 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet W.3.3, visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL;
[1 4°/1 pour le paquet W.5.2 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréê pour le paquet W.5.2, visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL;
4°/2 pour le paquet W.5.3 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet W.5.3, visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL;]1
5° pour le paquet W.5.4 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet W.5.4, visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL;
[1 5°/1 pour le paquet W.5.10 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet W.5.10, visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL;
5°/2 pour le paquet W.5.12 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet W.5.12, visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL;
5°/3 pour le paquet W.5.13 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet W.5.13, visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL;]1
6° pour le paquet W.6 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet W.6, visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL;
7° pour le paquet W.7.2 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet W.7.2, visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL;
8° pour les paquets W.7.11, W.7.12, W.7.13, W.7.17 et W.7.18 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour les paquets W.7.11, W.7.12, W.7.13, W.7.14, W.7.15 et W.7.17, visés à l'annexe 3, 1°, du VLAREL;
9° pour le paquet W.8.1 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour les paquets W.8.1, W.8.5 et W.8.6, visés à l'annexe 3, 1°, du VLAREL;
[1 10° pour le paquet W.9.2.1 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet W.9.2.1, visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL ;
11° pour le paquet W.9.2.2 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet W.9.2.2, visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL ,
12° pour le paquet W.9.2.3 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet W.9.2.3, visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL ;
13° pour le paquet W.9.2.4 avant l'entrée en vigueur du présent arrété, est agréé pour le paquet W.9.2.4, visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL.]1
L'agrément ne porte que sur les sous-domaines pour lesquels le laboratoire était agréé avant l'entrée en vigueur du présent arrêté.
§ 2. Un laboratoire dans la discipline de l'eau tel que visé à l'article 6, 5°, a), du VLAREL, qui est agréé avant l'entrée en vigueur du présent arrêté pour un paquet pour lequel, à partir de l'entrée en vigueur du présent arrêté, comme condition d'agrément supplémentaire est requis un agrément pour un autre paquet que visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL, répond au plus tard le 1er janvier 2014 à cette condition.
1° pour le paquet W.1.4 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet W.1.4.1, visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL;
2° pour le paquet W.1.5 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour les paquets W.1.5.1 et W.1.5.2, visés à l'annexe 3, 1°, du VLAREL;
3° pour le paquet W.1.8 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour les paquets W.1.8 et W.1.9, visés à l'annexe 3, 1°, du VLAREL;
4° pour le paquet W.3.3 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet W.3.3, visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL;
[1 4°/1 pour le paquet W.5.2 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréê pour le paquet W.5.2, visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL;
4°/2 pour le paquet W.5.3 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet W.5.3, visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL;]1
5° pour le paquet W.5.4 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet W.5.4, visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL;
[1 5°/1 pour le paquet W.5.10 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet W.5.10, visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL;
5°/2 pour le paquet W.5.12 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet W.5.12, visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL;
5°/3 pour le paquet W.5.13 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet W.5.13, visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL;]1
6° pour le paquet W.6 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet W.6, visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL;
7° pour le paquet W.7.2 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet W.7.2, visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL;
8° pour les paquets W.7.11, W.7.12, W.7.13, W.7.17 et W.7.18 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour les paquets W.7.11, W.7.12, W.7.13, W.7.14, W.7.15 et W.7.17, visés à l'annexe 3, 1°, du VLAREL;
9° pour le paquet W.8.1 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour les paquets W.8.1, W.8.5 et W.8.6, visés à l'annexe 3, 1°, du VLAREL;
[1 10° pour le paquet W.9.2.1 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet W.9.2.1, visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL ;
11° pour le paquet W.9.2.2 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet W.9.2.2, visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL ,
12° pour le paquet W.9.2.3 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet W.9.2.3, visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL ;
13° pour le paquet W.9.2.4 avant l'entrée en vigueur du présent arrété, est agréé pour le paquet W.9.2.4, visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL.]1
L'agrément ne porte que sur les sous-domaines pour lesquels le laboratoire était agréé avant l'entrée en vigueur du présent arrêté.
§ 2. Un laboratoire dans la discipline de l'eau tel que visé à l'article 6, 5°, a), du VLAREL, qui est agréé avant l'entrée en vigueur du présent arrêté pour un paquet pour lequel, à partir de l'entrée en vigueur du présent arrêté, comme condition d'agrément supplémentaire est requis un agrément pour un autre paquet que visé à l'annexe 3, 1°, du VLAREL, répond au plus tard le 1er janvier 2014 à cette condition.
Wijzigingen
Art. 189. [1 Een laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL dat erkend is:
1° voor het pakket L.3 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket L.3, vermeld in bijlage 3, 2°, van het VLAREL;
2° voor het pakket L.4.1 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket L.4.1, vermeld in bijlage 3, 2°, van het VLAREL;
3° voor het pakket L.4.2.4 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket L.4.2.4, vermeld in bijlage 3, 2°, van het VLAREL;
4° voor het pakket L.5.2 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket L.5.2 en L.5.14, vermeld in bijlage 3, 2°, van het VLAREL;
5° voor het pakket L.5.9 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket L.5.9, vermeld in bijlage 3, 2°, van het VLAREL;
6° voor het pakket L.16.1 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket L.16.1.1, L.16.1.2, L.16.1.3, L.16.1.4, L.16.1.5, L.16.1.6, L.16.1.7, L.16.1.9 en L.16.1.10, vermeld in bijlage 3, 2°, van het VLAREL;
7° voor het pakket L.16.3 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket L. 16.3.1, vermeld in bijlage 3, 2°, van het VLAREL;
8° voor het pakket L.19.1 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket L.19, vermeld in bijlage 3, 2°, van het VLAREL.]1
1° voor het pakket L.3 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket L.3, vermeld in bijlage 3, 2°, van het VLAREL;
2° voor het pakket L.4.1 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket L.4.1, vermeld in bijlage 3, 2°, van het VLAREL;
3° voor het pakket L.4.2.4 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket L.4.2.4, vermeld in bijlage 3, 2°, van het VLAREL;
4° voor het pakket L.5.2 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket L.5.2 en L.5.14, vermeld in bijlage 3, 2°, van het VLAREL;
5° voor het pakket L.5.9 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket L.5.9, vermeld in bijlage 3, 2°, van het VLAREL;
6° voor het pakket L.16.1 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket L.16.1.1, L.16.1.2, L.16.1.3, L.16.1.4, L.16.1.5, L.16.1.6, L.16.1.7, L.16.1.9 en L.16.1.10, vermeld in bijlage 3, 2°, van het VLAREL;
7° voor het pakket L.16.3 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket L. 16.3.1, vermeld in bijlage 3, 2°, van het VLAREL;
8° voor het pakket L.19.1 vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is erkend voor het pakket L.19, vermeld in bijlage 3, 2°, van het VLAREL.]1
Art. 189. [1 Un laboratoire dans la discipline de l'air tel que visé à l'article 6,5°, b), du VLAREL, qui est agréé :
1° pour le paquet L.3 avant l'entrée en vigueur du présent arrété, est agréé pour le paquet L.3, visé à l'annexe 3, 2°, du VLAREL L;
2° pour le paquet L.4.1 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet L.4.1, visé à l'annexe 3, 2°, du VLAREL L ;
3° pour le paquet L.4.2 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet L.4.2, visé à l'annexe 3, 2°, du VLAREL L ;
4° pour le paquet L.5.2 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet L.5.2, visé à l'annexe 3, 2°, du VLAREL L;
5° pour le paquet L.5.9 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet L.5.9, visé à l'annexe 3, 2°, du VLAREL;
6° pour le paquet L.16.1 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour les paquets L L.16.11, L.16.12, L.16.1 3, L.16.1.4, L.16.1.5, L.16.1.6, L.16.1.7, L.16.1.9 et L.161.10, visés à l'annexe 3, 2°, du VLAREL ;
7° pour le paquet L.16.3 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet L.16.3.1, visé à l'annexe 3, 2°, du VLAREL ;
8° pour le paquet L.19.1 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le oaquet L.19. visé à l'annexe 3, 2°, du VLAREL.]1
1° pour le paquet L.3 avant l'entrée en vigueur du présent arrété, est agréé pour le paquet L.3, visé à l'annexe 3, 2°, du VLAREL L;
2° pour le paquet L.4.1 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet L.4.1, visé à l'annexe 3, 2°, du VLAREL L ;
3° pour le paquet L.4.2 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet L.4.2, visé à l'annexe 3, 2°, du VLAREL L ;
4° pour le paquet L.5.2 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet L.5.2, visé à l'annexe 3, 2°, du VLAREL L;
5° pour le paquet L.5.9 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet L.5.9, visé à l'annexe 3, 2°, du VLAREL;
6° pour le paquet L.16.1 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour les paquets L L.16.11, L.16.12, L.16.1 3, L.16.1.4, L.16.1.5, L.16.1.6, L.16.1.7, L.16.1.9 et L.161.10, visés à l'annexe 3, 2°, du VLAREL ;
7° pour le paquet L.16.3 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le paquet L.16.3.1, visé à l'annexe 3, 2°, du VLAREL ;
8° pour le paquet L.19.1 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le oaquet L.19. visé à l'annexe 3, 2°, du VLAREL.]1
Wijzigingen
Art. 190. De erkenningsaanvragen van de personen, vermeld in artikel 6, 5°, d), e) en f), en 6°, van het VLAREL die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van dit besluit worden behandeld overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn op het ogenblik dat de aanvraag werd ingediend.
De erkenningen worden verleend of geweigerd overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
De erkenningen worden verleend of geweigerd overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 190. Les demandes d'agrément des personnes, visées à l'article 6, 5°, d), e) et f), et 6°, du VLAREL, qui sont introduites avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, sont traitées conformément aux dispositions en vigueur au moment que la demande a été introduite.
Les agréments sont octroyés ou refusés conformément aux dispositions légales et réglementaires qui étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent arrêté.
Les agréments sont octroyés ou refusés conformément aux dispositions légales et réglementaires qui étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent arrêté.
Art. 191. De erkenningen, vermeld in artikel 6, 5°, d), e) en f), en 6°, van het VLAREL die werden verleend op grond van de bepalingen die van toepassing zijn vóór de inwerkingtreding van dit besluit, blijven geldig voor de vastgestelde duur van de erkenning. Erkenningen die voor onbepaalde duur zijn verleend, blijven voor de toekomst hun geldigheid behouden. Op de houder van die erkenningen kan een beroep worden gedaan binnen het voorwerp van hun erkenning.
Art. 191. Les agréments, visés à l'article 6, 5°, d), e) et f), et 6°, du VLAREL, qui ont été octroyés sur la base des dispositions applicables avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, restent valables pour la durée fixée de l'agrément. Les agréments octroyés pour une durée indéterminée gardent leur validité. Il peut être fait appel au titulaire de ces agréments dans le cadre de leur agrément.
HOOFDSTUK 16. - Slotbepalingen
CHAPITRE 16. - Dispositions finales
Art. 192. Artikel 7 en 76 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen treden tien dagen na de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad in werking.
Art. 192. Les articles 7 et 76 du décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets entrent en vigueur dix jours après la publication du présent arrêté au Moniteur belge.
Art. 193. Artikel 40 en 41 van het decreet van 20 april 2012 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en natuur treden tien dagen na de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad in werking.
Art. 193. Les articles 40 et 41 du décret du 20 avril 2012 portant diverses dispositions en matière d'environnement et de nature entrent en vigueur dix jours après la publication du présent arrêté au Moniteur belge.
Art. 194. Artikel 8, 1°, artikel 9, 2°, artikel 10, 2°, en artikel 11, 2°, van dit besluit treden in werking op 1 januari 2015.
Art. 194. L'article 8, 1°, l'article 9, 2°, l'article 10, 2°, et l'article 11, 2°, du présent arrêté, entrent en vigueur le 1er janvier 2015.
Art. 195. Artikel 8, 2°, en artikel 10, 3°, van dit besluit treden buiten werking op 1 januari 2015.
Art. 195. L'article 8, 2°, et l'article 10, 3°, du présent arrêté, cessent d'être en vigueur le 1er janvier 2015.
Art. 196. Artikel 38, 2°, van dit besluit treedt in werking op 1 januari 2013.
Art. 196. L'article 38, 2°, du présent arrêté, entre en vigueur le 1er janvier 2013.
Art. 197. Artikel 42 van dit besluit treedt in werking op 1 september 2013.
Art. 197. L'article 42 du présent arrêté entre en vigueur le 1er septembre 2013.
Art. 198. Voor personen die van rechtswege erkend worden conform artikel 32, § 2, 1° en 2°, van het VLAREL treedt artikel 129 van dit besluit in werking op 1 september 2013.
Art. 198. Pour les personnes agréées de plein droit conformément à l'article 32, § 2, 1° et 2°, du VLAREL, l'article 129 du présent arrêté entre en vigueur le 1er septembre 2013.
Art. 199. Artikel 183, 2°, en 184, 2°, van dit besluit treden in werking op 1 januari 2014.
Art. 199. L'article 183, 2°, et l'article 184, 2°, du présent arrêté, entrent en vigueur le 1er janvier 2014.
Art. 200. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 200. Le Ministre flamand chargé de l'environnement et de la politique des eaux est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N. Bijlagen 1 tot en met 14.
(Bijlagen niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-04-2013, p. 24507-24560)
(Bijlagen niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-04-2013, p. 24507-24560)
Art. N. Annexe 1 à 14.
(Annexes non reprises pour des raisons techniques, voir M.B. du 23-04-2013, p. 24598-24652)
(Annexes non reprises pour des raisons techniques, voir M.B. du 23-04-2013, p. 24598-24652)