Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
24 DECEMBER 2012. - Ministerieel besluit houdende de uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009 tot toekenning van steun aan projecten ter bevordering van het ondernemerschap via peterschapsprojecten
Titre
24 DECEMBRE 2012. - Arrêté ministériel portant exécution de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 avril 2009 portant octroi d'aide à des projets visant à promouvoir l'entrepreneuriat par des projets de parrainage
Documentinformatie
Numac: 2013035239
Datum: 2012-12-24
Info du document
Numac: 2013035239
Date: 2012-12-24
Tekst (21)
Texte (21)
Artikel 1. Ter uitvoering van artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009 tot toekenning van steun aan projecten ter bevordering van het ondernemerschap, hierna het besluit van de Vlaamse Regering te noemen, bevat dit besluit een oproep tot indiening van subsidieaanvragen voor peterschapsprojecten.
Article 1er. En exécution de l'article 11 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 avril 2009 portant octroi d'aide à des projets visant à promouvoir l'entrepreneuriat, à appeler ci-après l'arrêté du Gouvernement flamand, le présent arrêté comprend un appel à l'introduction de demandes de subvention pour des projets de parrainage.
Art.2. § 1. De specifieke thema's, vermeld in artikel 11, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering voor deze oproep zijn :
1° peterschapsprojecten die inspelen op specifieke sectorale behoeften;
2° peterschapsprojecten die inspelen op specifieke behoeften van doelgroepen;
3° peterschapsprojecten die inspelen op de vergroeningsagenda;
4° peterschapsprojecten die inspelen op de verwittingsagenda;
5° peterschapsprojecten die de combinatie werk-gezin behandelen en
6° peterschapsprojecten die (familiale) opvolging en bedrijfsovername faciliteren.
De thema's worden verduidelijkt in de handleiding die als bijlage 1 bij dit besluit is gevoegd en er integraal deel van uitmaakt.
Een peterschapsproject telt 4 peterschapsgroepjes. Elk van deze 4 peterschapsgroepjes telt minstens 12 en maximum 20 unieke betalende ondernemingen. Daarvan moet over alle sessies heen gemiddeld 80 %aanwezig zijn. Wanneer op het einde van het peterschapsproject het gemiddelde van 80 % niet behaald wordt, zal de subsidie herberekend worden. Bij elke sessie moet minstens 65 % van de unieke betalende ondernemingen aanwezig zijn. Bijeenkomsten met minder dan 65 % van de unieke betalende ondernemingen worden niet als een sessie beschouwd. De subsidie zal bijgevolg herberekend worden. Een unieke betalende onderneming kan echter deel uitmaken van verschillende peterschapsgroepjes met een verschillende inhoudelijke invulling. Over de 4 peterschapsgroepjes heen moet het aantal betalende ondernemingen minstens 60 en maximum 80 bedragen.
De projectpromotoren kunnen een subsidie krijgen voor 24 maanden. Deze subsidieperiode mag indien gewenst opgesplitst worden in 2 trajecten van elk 12 maanden. Per peterschapsgroepje moet het thema hetzelfde blijven gedurende de hele subsidieperiode van 24 maanden. De deelnemers moeten gedurende het ganse traject van 12 maanden steeds dezelfde zijn. De deelnemers moeten gedurende het ganse traject van 12 maanden steeds dezelfde zijn. Projectpromotoren kunnen er ook voor kiezen de samenstelling van de peterschapsgroepjes de hele subsidieperiode van 24 maanden ongewijzigd te laten. Per traject van 12 maanden moeten er minstens 10 sessies georganiseerd worden. Onder sessie wordt de eigenlijke kennis- en ervaringsuitwisseling in kleine groep gedurende 3 uur verstaan. Als er minder dan 10 sessies per traject georganiseerd werden, zal de subsidie herberekend worden. Per traject van 12 maanden worden ook minstens 2 groepsoverschrijdende sessies georganiseerd. Als er minder dan 2 groepsoverschrijdende sessies per traject georganiseerd werden, zal de subsidie herberekend worden.
Een eventuele herberekening van de subsidie gebeurt overeenkomstig de bepalingen van artikel 15, § 2, van dit besluit.
In afwijking van de vorige leden, tellen peterschapsgroepjes die georganiseerd worden binnen het thema (familiale) opvolging of bedrijfsovername elk minstens 4 unieke betalende ondernemingen. Per unieke betalende onderneming kunnen minimum 2 en maximum 5 personen betrokken in het overnameproces deelnemen. De samenstelling van deze groepjes kan per sessie wijzigen met uitzondering van de belangrijkste actor binnen het overnameproces. Deze persoon moet gedurende het hele traject van 12 maanden dezelfde zijn en steeds aanwezig zijn. Wat de organisatie van de sessies betreft, gelden dezelfde regels zoals hierboven beschreven.
Peterschapsprojecten richten zich op beslissingsnemers van kleine en middelgrote ondernemingen. Beslissingsnemers bepalen rechtstreeks de strategie van een onderneming.
In kleine ondernemingen is de beslissingsnemer vaak te identificeren als de ondernemer-eigenaar. In middelgrote tot grote ondernemingen zijn het vaak meerdere personen die uiteindelijk beslissen over de strategische keuzes van de onderneming.
Een deelnemende onderneming is een onderneming die zich engageert om beslissingsnemers te laten deelnemen aan het peterschapsproject en daarvoor een bijdrage betaalt. Per unieke betalende onderneming kunnen er (met uitzondering van de peterschapsprojecten die inspelen op overdracht en overname) maximaal 2 beslissingsnemers deelnemen aan het peterschapsproject. Om het aanwezigheidspercentage te berekenen wordt er echter enkel rekening gehouden met de unieke betalende onderneming en niet met de deelnemende beslissingnemers.
De onderneming betaalt een bijdrage voor de deelname van haar beslissingsnemers aan het peterschapsproject. Ondernemingen die bovendien een aanvaardbare NACE-code hebben, kunnen gebruik maken van de KMO-portefeuille.
Peterschapsprojecten die gericht zijn op technologische innovatie, komen niet in aanmerking voor een subsidie in het kader van dit besluit.
1° peterschapsprojecten die inspelen op specifieke sectorale behoeften;
2° peterschapsprojecten die inspelen op specifieke behoeften van doelgroepen;
3° peterschapsprojecten die inspelen op de vergroeningsagenda;
4° peterschapsprojecten die inspelen op de verwittingsagenda;
5° peterschapsprojecten die de combinatie werk-gezin behandelen en
6° peterschapsprojecten die (familiale) opvolging en bedrijfsovername faciliteren.
De thema's worden verduidelijkt in de handleiding die als bijlage 1 bij dit besluit is gevoegd en er integraal deel van uitmaakt.
Een peterschapsproject telt 4 peterschapsgroepjes. Elk van deze 4 peterschapsgroepjes telt minstens 12 en maximum 20 unieke betalende ondernemingen. Daarvan moet over alle sessies heen gemiddeld 80 %aanwezig zijn. Wanneer op het einde van het peterschapsproject het gemiddelde van 80 % niet behaald wordt, zal de subsidie herberekend worden. Bij elke sessie moet minstens 65 % van de unieke betalende ondernemingen aanwezig zijn. Bijeenkomsten met minder dan 65 % van de unieke betalende ondernemingen worden niet als een sessie beschouwd. De subsidie zal bijgevolg herberekend worden. Een unieke betalende onderneming kan echter deel uitmaken van verschillende peterschapsgroepjes met een verschillende inhoudelijke invulling. Over de 4 peterschapsgroepjes heen moet het aantal betalende ondernemingen minstens 60 en maximum 80 bedragen.
De projectpromotoren kunnen een subsidie krijgen voor 24 maanden. Deze subsidieperiode mag indien gewenst opgesplitst worden in 2 trajecten van elk 12 maanden. Per peterschapsgroepje moet het thema hetzelfde blijven gedurende de hele subsidieperiode van 24 maanden. De deelnemers moeten gedurende het ganse traject van 12 maanden steeds dezelfde zijn. De deelnemers moeten gedurende het ganse traject van 12 maanden steeds dezelfde zijn. Projectpromotoren kunnen er ook voor kiezen de samenstelling van de peterschapsgroepjes de hele subsidieperiode van 24 maanden ongewijzigd te laten. Per traject van 12 maanden moeten er minstens 10 sessies georganiseerd worden. Onder sessie wordt de eigenlijke kennis- en ervaringsuitwisseling in kleine groep gedurende 3 uur verstaan. Als er minder dan 10 sessies per traject georganiseerd werden, zal de subsidie herberekend worden. Per traject van 12 maanden worden ook minstens 2 groepsoverschrijdende sessies georganiseerd. Als er minder dan 2 groepsoverschrijdende sessies per traject georganiseerd werden, zal de subsidie herberekend worden.
Een eventuele herberekening van de subsidie gebeurt overeenkomstig de bepalingen van artikel 15, § 2, van dit besluit.
In afwijking van de vorige leden, tellen peterschapsgroepjes die georganiseerd worden binnen het thema (familiale) opvolging of bedrijfsovername elk minstens 4 unieke betalende ondernemingen. Per unieke betalende onderneming kunnen minimum 2 en maximum 5 personen betrokken in het overnameproces deelnemen. De samenstelling van deze groepjes kan per sessie wijzigen met uitzondering van de belangrijkste actor binnen het overnameproces. Deze persoon moet gedurende het hele traject van 12 maanden dezelfde zijn en steeds aanwezig zijn. Wat de organisatie van de sessies betreft, gelden dezelfde regels zoals hierboven beschreven.
Peterschapsprojecten richten zich op beslissingsnemers van kleine en middelgrote ondernemingen. Beslissingsnemers bepalen rechtstreeks de strategie van een onderneming.
In kleine ondernemingen is de beslissingsnemer vaak te identificeren als de ondernemer-eigenaar. In middelgrote tot grote ondernemingen zijn het vaak meerdere personen die uiteindelijk beslissen over de strategische keuzes van de onderneming.
Een deelnemende onderneming is een onderneming die zich engageert om beslissingsnemers te laten deelnemen aan het peterschapsproject en daarvoor een bijdrage betaalt. Per unieke betalende onderneming kunnen er (met uitzondering van de peterschapsprojecten die inspelen op overdracht en overname) maximaal 2 beslissingsnemers deelnemen aan het peterschapsproject. Om het aanwezigheidspercentage te berekenen wordt er echter enkel rekening gehouden met de unieke betalende onderneming en niet met de deelnemende beslissingnemers.
De onderneming betaalt een bijdrage voor de deelname van haar beslissingsnemers aan het peterschapsproject. Ondernemingen die bovendien een aanvaardbare NACE-code hebben, kunnen gebruik maken van de KMO-portefeuille.
Peterschapsprojecten die gericht zijn op technologische innovatie, komen niet in aanmerking voor een subsidie in het kader van dit besluit.
Art.2. § 1er. Les thèmes spécifiques, visés à l'article 11, 1°, de l'arrêté du Gouvernement flamand pour cet appel sont :
1° des projets de parrainage qui répondent à des besoins sectoriels spécifiques;
2° des projets de parrainage qui répondent à des besoins spécifiques de groupes-cibles;
3° des projets de parrainage qui répondent à l'ordre du jour de l'écologisation;
4° des projets de parrainage qui répondent à l'ordre du jour de la professionnalisation du secteur des soins;
5° des projets de parrainage traitant la combinaison travail-famille et
6° des projets de parrainage facilitant le suivi (familial) et la reprise d'exploitation.
Les thèmes sont précisés dans le manuel joint comme annexe 1re au présent arrêté et en faisant partie intégrante.
Un projet de parrainage compte 4 groupes de parrainage. Chacun de ces 4 groupes de parrainage compte au minimum 12 et au maximum 20 entreprises payantes uniques. De ce nombre d'entreprises, une moyenne de 80 % doivent être présentes sur toutes les sessions. Lorsqu'à la fin du projet de parrainage, la moyenne de 80 % n'est pas atteinte, la subvention sera recalculée. Lors de chaque session, au moins 65 % des entreprises payantes uniques doivent être présentes. Des réunions avec moins de 65 % des entreprises payantes uniques ne sont pas considérées comme des sessions. La subvention sera dès lors recalculée. Une entreprise payante unique peut toutefois faire partie de plusieurs groupes de parrainage ayant une différente concrétisation du contenu. Sur tous les 4 groupes de parrainage, le nombre d'entreprises payantes doit s'élever à 60 au minimum et à 80 au maximum.
Les promoteurs des projets peuvent obtenir une subvention pour 24 mois. Cette période de subventionnement peut, au besoin, être scindée en 2 trajets de 12 mois. Par groupe de parrainage, le thème doit rester le même pendant la période de subventionnement entière de 24 mois. Pendant le trajet entier de 12 mois, les participants doivent toujours être les mêmes. Les promoteurs des projets peuvent également choisir de laisser la composition des groupes de parrainage inchangée pendant la période de subventionnement entière de 24 mois. Par trajet de 12 mois, au moins 10 sessions doivent être organisées. Par session, on entend l'échange effectif de connaissances et d'expérience en petit groupe pendant 3 heures. Lorsque moins de 10 sessions ont été organisées par trajet, la subvention sera recalculée. Par trajet de 12 mois, au moins 2 sessions dépassant les groupes doivent être organisées. Lorsque moins de 2 sessions dépassant les groupes ont été organisées par trajet, la subvention sera recalculée.
Un recalcul éventuel de la subvention se fait conformément aux dispositions de l'article 15, § 2, du présent arrêté.
Par dérogation aux alinéas précédents, les groupes de parrainage organisés au sein du thème du suivi (familial) ou de la reprise d'exploitation comptent chacun au moins 4 entreprises payantes uniques. Par entreprise payante unique, au minimum 2 et au maximum 5 personnes associées au processus de reprise peuvent participer. La composition de ces groupes peut changer par session, à l'exception de l'acteur principal au sein du processus de reprise. Pendant le trajet entier de 12 mois, cette personne doit rester la même et doit toujours être présente. En ce qui concerne l'organisation des sessions, les mêmes règles que celles décrites ci-dessus s'appliquent.
Des projets de parrainage visent les preneurs de décisions de petites et moyennes entreprises. Des preneurs de décisions déterminent directement la stratégie d'une entreprise.
Dans des petites entreprises, le preneur de décisions est souvent à identifier comme l'entrepreneur/propriétaire. Dans des moyennes aux grandes entreprises, il s'agit souvent de plusieurs personnes qui décident en fin de compte des décisions stratégiques de l'entreprise.
Une entreprise participante est une entreprise qui s'engage à laisser participer des preneurs de décisions au projet de parrainage et qui paie une contribution à cet effet. Par entreprise payante unique, au maximum 2 preneurs de décisions peuvent participer au projet de parrainage (à l'exception des projets de parrainage qui répondent au transfert et à la reprise). Pour calculer le pourcentage de présence, il est toutefois uniquement tenu compte de l'entreprise payante unique et non pas des preneurs de décisions participants.
L'entreprise paie une contribution pour la participation de ses preneurs de décisions au projet de parrainage. Les entreprises qui ont en outre un code NACE acceptable, peuvent utiliser le Portefeuille PME.
Des projets de parrainage axés sur l'innovation technologique ne sont pas éligibles à une subvention dans le cadre du présent arrêté.
1° des projets de parrainage qui répondent à des besoins sectoriels spécifiques;
2° des projets de parrainage qui répondent à des besoins spécifiques de groupes-cibles;
3° des projets de parrainage qui répondent à l'ordre du jour de l'écologisation;
4° des projets de parrainage qui répondent à l'ordre du jour de la professionnalisation du secteur des soins;
5° des projets de parrainage traitant la combinaison travail-famille et
6° des projets de parrainage facilitant le suivi (familial) et la reprise d'exploitation.
Les thèmes sont précisés dans le manuel joint comme annexe 1re au présent arrêté et en faisant partie intégrante.
Un projet de parrainage compte 4 groupes de parrainage. Chacun de ces 4 groupes de parrainage compte au minimum 12 et au maximum 20 entreprises payantes uniques. De ce nombre d'entreprises, une moyenne de 80 % doivent être présentes sur toutes les sessions. Lorsqu'à la fin du projet de parrainage, la moyenne de 80 % n'est pas atteinte, la subvention sera recalculée. Lors de chaque session, au moins 65 % des entreprises payantes uniques doivent être présentes. Des réunions avec moins de 65 % des entreprises payantes uniques ne sont pas considérées comme des sessions. La subvention sera dès lors recalculée. Une entreprise payante unique peut toutefois faire partie de plusieurs groupes de parrainage ayant une différente concrétisation du contenu. Sur tous les 4 groupes de parrainage, le nombre d'entreprises payantes doit s'élever à 60 au minimum et à 80 au maximum.
Les promoteurs des projets peuvent obtenir une subvention pour 24 mois. Cette période de subventionnement peut, au besoin, être scindée en 2 trajets de 12 mois. Par groupe de parrainage, le thème doit rester le même pendant la période de subventionnement entière de 24 mois. Pendant le trajet entier de 12 mois, les participants doivent toujours être les mêmes. Les promoteurs des projets peuvent également choisir de laisser la composition des groupes de parrainage inchangée pendant la période de subventionnement entière de 24 mois. Par trajet de 12 mois, au moins 10 sessions doivent être organisées. Par session, on entend l'échange effectif de connaissances et d'expérience en petit groupe pendant 3 heures. Lorsque moins de 10 sessions ont été organisées par trajet, la subvention sera recalculée. Par trajet de 12 mois, au moins 2 sessions dépassant les groupes doivent être organisées. Lorsque moins de 2 sessions dépassant les groupes ont été organisées par trajet, la subvention sera recalculée.
Un recalcul éventuel de la subvention se fait conformément aux dispositions de l'article 15, § 2, du présent arrêté.
Par dérogation aux alinéas précédents, les groupes de parrainage organisés au sein du thème du suivi (familial) ou de la reprise d'exploitation comptent chacun au moins 4 entreprises payantes uniques. Par entreprise payante unique, au minimum 2 et au maximum 5 personnes associées au processus de reprise peuvent participer. La composition de ces groupes peut changer par session, à l'exception de l'acteur principal au sein du processus de reprise. Pendant le trajet entier de 12 mois, cette personne doit rester la même et doit toujours être présente. En ce qui concerne l'organisation des sessions, les mêmes règles que celles décrites ci-dessus s'appliquent.
Des projets de parrainage visent les preneurs de décisions de petites et moyennes entreprises. Des preneurs de décisions déterminent directement la stratégie d'une entreprise.
Dans des petites entreprises, le preneur de décisions est souvent à identifier comme l'entrepreneur/propriétaire. Dans des moyennes aux grandes entreprises, il s'agit souvent de plusieurs personnes qui décident en fin de compte des décisions stratégiques de l'entreprise.
Une entreprise participante est une entreprise qui s'engage à laisser participer des preneurs de décisions au projet de parrainage et qui paie une contribution à cet effet. Par entreprise payante unique, au maximum 2 preneurs de décisions peuvent participer au projet de parrainage (à l'exception des projets de parrainage qui répondent au transfert et à la reprise). Pour calculer le pourcentage de présence, il est toutefois uniquement tenu compte de l'entreprise payante unique et non pas des preneurs de décisions participants.
L'entreprise paie une contribution pour la participation de ses preneurs de décisions au projet de parrainage. Les entreprises qui ont en outre un code NACE acceptable, peuvent utiliser le Portefeuille PME.
Des projets de parrainage axés sur l'innovation technologique ne sont pas éligibles à une subvention dans le cadre du présent arrêté.
Art.3. Ter uitvoering van artikel 11, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering wordt de subsidie-enveloppe voor deze oproep vastgesteld op maximaal 2,4 miljoen euro. Dat bedrag wordt vastgelegd op rubriek 3300_3305 van het Fonds voor Flankerend Economisch Beleid voor het begrotingsjaar 2013.
Art.3. En exécution de l'article 11, 2°, de l'arrêté du Gouvernement flamand, l'enveloppe subventionnelle pour cet appel est fixée à un maximum de 2,4 millions d'euros. Ce montant est inscrit à la rubrique 3300_3305 du Fonds pour la Politique d'Encadrement économique pour l'année budgétaire 2013.
Art.4. Ter uitvoering van artikel 10, § 1, en 11, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering bedraagt de subsidie per peterschapsproject dat voldoet aan de gestelde voorwaarden maximaal 40.000 euro voor 24 maanden werking,
De door ondernemingen verschuldigde btw komt niet in aanmerking voor subsidiëring.
De door ondernemingen verschuldigde btw komt niet in aanmerking voor subsidiëring.
Art.4. En exécution des articles 10, § 1er, et 11, 3°, de l'arrêté du Gouvernement flamand, la subvention par projet de parrainage satisfaisant aux conditions fixées s'élève au maximum à 40.000 euros pour 24 mois d'activités.
La TVA due par les entreprises est inéligible au subventionnement.
La TVA due par les entreprises est inéligible au subventionnement.
Art.5. Ter uitvoering van artikel 10, § 2, en artikel 11, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering wordt het steunpercentage bepaald op 80 % van de aanvaardbare projectkosten, in voorkomend geval beperkt tot maximaal het netto te financieren saldo. De aanvaardbare kosten worden vermeld in de controle richtlijnen die als bijlage gevoegd is bij de handleiding.
Als personeelsleden, van wie kosten worden ingebracht in het project, in dezelfde periode ook nog werkzaam zullen zijn op andere gesubsidieerde projecten van om het even welke overheid of op projecten waarvoor kosten zullen worden gefactureerd aan derden, moet een overzicht worden toegevoegd van de tijd die door het personeelslid in die periode aan elk van die andere projecten zal worden besteed. Er kan maximaal 100 % van het loon over de verschillende projecten heen worden toegewezen. Hetzelfde principe geldt voor de andere kostenrubrieken, vermeld in artikel 10, § 4, van het besluit van de Vlaamse Regering.
Ter uitvoering van artikel 11, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering wordt er geen minimumpercentage aan private inbreng bepaald. De ingediende projectbegroting dient wel sluitend te zijn.
Als personeelsleden, van wie kosten worden ingebracht in het project, in dezelfde periode ook nog werkzaam zullen zijn op andere gesubsidieerde projecten van om het even welke overheid of op projecten waarvoor kosten zullen worden gefactureerd aan derden, moet een overzicht worden toegevoegd van de tijd die door het personeelslid in die periode aan elk van die andere projecten zal worden besteed. Er kan maximaal 100 % van het loon over de verschillende projecten heen worden toegewezen. Hetzelfde principe geldt voor de andere kostenrubrieken, vermeld in artikel 10, § 4, van het besluit van de Vlaamse Regering.
Ter uitvoering van artikel 11, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering wordt er geen minimumpercentage aan private inbreng bepaald. De ingediende projectbegroting dient wel sluitend te zijn.
Art.5. En exécution des articles 10, § 2, et 11, 3°, de l'arrêté du Gouvernement flamand, le pourcentage de l'aide est fixé à 80 % des frais de projet admissibles, le cas échéant limité au solde net à financer au maximum. Les frais admissibles sont repris dans les directives de contrôle, jointes en annexe au manuel.
Lorsque des membres du personnel, desquels des frais sont imputés au projet, travailleront pendant la même période également au sein d'autres projets subventionnés de n'importe quelle autorité ou au sein de projets pour lesquels des frais seront facturés à des tiers, il faut joindre un aperçu indiquant le temps que le membre du personnel consacrera lors de cette période à chacun de ces autres projets. Un maximum de 100 % du traitement peut être attribué sur l'ensemble des différents projets. Le même principe s'applique aux autres rubriques des frais, visées à l'article 10, § 4, de l'arrêté du Gouvernement flamand.
En exécution de l'article 11, 5°, de l'arrêté du Gouvernement flamand, un pourcentage minimal d'apport privé n'est pas fixé. Cependant, le budget du projet introduit doit être en équilibre.
Lorsque des membres du personnel, desquels des frais sont imputés au projet, travailleront pendant la même période également au sein d'autres projets subventionnés de n'importe quelle autorité ou au sein de projets pour lesquels des frais seront facturés à des tiers, il faut joindre un aperçu indiquant le temps que le membre du personnel consacrera lors de cette période à chacun de ces autres projets. Un maximum de 100 % du traitement peut être attribué sur l'ensemble des différents projets. Le même principe s'applique aux autres rubriques des frais, visées à l'article 10, § 4, de l'arrêté du Gouvernement flamand.
En exécution de l'article 11, 5°, de l'arrêté du Gouvernement flamand, un pourcentage minimal d'apport privé n'est pas fixé. Cependant, le budget du projet introduit doit être en équilibre.
Art.6. Ter uitvoering van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering komen enkel privaatrechtelijke entiteiten in aanmerking om deel te nemen aan deze oproep.
In het kader van deze oproep worden entiteiten die moeten worden beschouwd als een administratieve overheid, als vermeld in artikel 14 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, uitgesloten. Daarbij worden volgende criteria en indicaties ter beoordeling gehanteerd :
-het feit of de indiener opgericht of erkend is door de overheid;
- het feit of de indiener de bevoegdheid heeft om op éénzijdige wijze voor derden bindende beslissingen uit te vaardigen;
- het feit of de indiener belast is met een taak van algemeen belang of een taak van een openbare dienst;
- het feit of de indiener onder de controle of het toezicht valt van de overheid.
De indiener moet beschikken over rechtspersoonlijkheid en een inschrijvingsnummer hebben in de Kruispuntbank voor Ondernemingen (KBO).
Ondernemingen, publiekrechtelijke entiteiten, erkende Vlaamse onderwijsinstellingen en kenniscentra kunnen wel optreden als betrokken projectpartners doch kunnen zelf geen aanvraag indienen.
In het kader van deze oproep worden entiteiten die moeten worden beschouwd als een administratieve overheid, als vermeld in artikel 14 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, uitgesloten. Daarbij worden volgende criteria en indicaties ter beoordeling gehanteerd :
-het feit of de indiener opgericht of erkend is door de overheid;
- het feit of de indiener de bevoegdheid heeft om op éénzijdige wijze voor derden bindende beslissingen uit te vaardigen;
- het feit of de indiener belast is met een taak van algemeen belang of een taak van een openbare dienst;
- het feit of de indiener onder de controle of het toezicht valt van de overheid.
De indiener moet beschikken over rechtspersoonlijkheid en een inschrijvingsnummer hebben in de Kruispuntbank voor Ondernemingen (KBO).
Ondernemingen, publiekrechtelijke entiteiten, erkende Vlaamse onderwijsinstellingen en kenniscentra kunnen wel optreden als betrokken projectpartners doch kunnen zelf geen aanvraag indienen.
Art.6. En exécution de l'article 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand, seules les entités de droit privé sont éligibles à participer à cet appel.
Dans le cadre de cet appel, des entités qui doivent être considérées comme une autorité administrative, telle que visée à l'article 14 des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, sont exclues. Dans ce contexte, les critères et indications d'évaluation suivants sont utilisés :
- le fait que le proposant est créé ou agréé par l'autorité;
- le fait que le proposant a la compétence de prendre des décisions unilatérales contraignantes à l'égard de tiers;
- le fait que le proposant est chargé d'une tâche d'intérêt général ou d'une tâche d'un service public;
- le fait que le proposant se trouve sous le contrôle ou la supervision de l'autorité.
Le proposant doit disposer de la personnalité juridique et avoir un numéro d'immatriculation auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises (BCE).
Les entreprises, les entités de droit public, les établissements d'enseignement flamands agréés et les centres de connaissance peuvent effectivement agir comme partenaires associés au projet, mais ne peuvent pas eux-mêmes introduire une demande.
Dans le cadre de cet appel, des entités qui doivent être considérées comme une autorité administrative, telle que visée à l'article 14 des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, sont exclues. Dans ce contexte, les critères et indications d'évaluation suivants sont utilisés :
- le fait que le proposant est créé ou agréé par l'autorité;
- le fait que le proposant a la compétence de prendre des décisions unilatérales contraignantes à l'égard de tiers;
- le fait que le proposant est chargé d'une tâche d'intérêt général ou d'une tâche d'un service public;
- le fait que le proposant se trouve sous le contrôle ou la supervision de l'autorité.
Le proposant doit disposer de la personnalité juridique et avoir un numéro d'immatriculation auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises (BCE).
Les entreprises, les entités de droit public, les établissements d'enseignement flamands agréés et les centres de connaissance peuvent effectivement agir comme partenaires associés au projet, mais ne peuvent pas eux-mêmes introduire une demande.
Art.7. Ter uitvoering van artikel 11, 6°, en 11, 7°, van het besluit van de Vlaamse Regering moeten de aanvragen ingediend worden met het specifiek daarvoor ontworpen aanvraagformulier dat als bijlage 2 gevoegd is bij het besluit en er integraal deel van uitmaakt. Per aanvraagformulier moeten de organisatoren een subsidie aanvragen voor vier peterschapsprojecten. Deze vier peterschapsprojecten kunnen elk een ander thema behandelen, zoals bepaald in artikel 2 van dit besluit. Per aanvraagformulier dienen de vier peterschapsprojecten dezelfde startdatum te hebben. De elektronische en papieren versie van dit aanvraagformulier en de vereiste bijlage 'Projectbegroting' moeten uiterlijk op 9 april 2013 om 12 uur in het bezit zijn van het Agentschap Ondernemen. Bij het indienen van de aanvraag moet er rekening gehouden worden met de bepalingen van de handleiding.
Om de indieningsdatum te bepalen, geldt :
1° bij afgifte : de datum en het uur op het ontvangstbewijs;
2° bij verzending per post : de postdatum;
3° bij verzending per e-mail : de datum en het uur van verzending op de servers van het Agentschap Ondernemen.
Het aanvraagformulier, de handleiding, de vereiste bijlage 'projectbegroting', de controlerichtlijnen en de richtlijnen voor rapportering en communicatie zijn vanaf de inwerkingtreding van dit besluit beschikbaar op www.peterschapsprojecten.be.
Het aanvraagformulier en de vereiste bijlage 'Projectbegroting' worden gemaild naar peterschapsprojecten@agentschapondernemen.be en met de post opgestuurd naar of afgegeven bij het Agentschap Ondernemen, Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid, Koning Albert II-laan 35, bus 12, 1030 Brussel.
Om de indieningsdatum te bepalen, geldt :
1° bij afgifte : de datum en het uur op het ontvangstbewijs;
2° bij verzending per post : de postdatum;
3° bij verzending per e-mail : de datum en het uur van verzending op de servers van het Agentschap Ondernemen.
Het aanvraagformulier, de handleiding, de vereiste bijlage 'projectbegroting', de controlerichtlijnen en de richtlijnen voor rapportering en communicatie zijn vanaf de inwerkingtreding van dit besluit beschikbaar op www.peterschapsprojecten.be.
Het aanvraagformulier en de vereiste bijlage 'Projectbegroting' worden gemaild naar peterschapsprojecten@agentschapondernemen.be en met de post opgestuurd naar of afgegeven bij het Agentschap Ondernemen, Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid, Koning Albert II-laan 35, bus 12, 1030 Brussel.
Art.7. En exécution de l'article 11, 6° et 7°, de l'arrêté du Gouvernement flamand, les demandes doivent être introduites à l'aide du formulaire de demande créé spécialement à cet effet, joint en annexe 2 à l'arrêté et en faisant partie intégrante. Par formulaire de demande, les organisateurs doivent demander une subvention pour quatre projets de parrainage. Ces quatre projets de parrainage peuvent chacun traiter un thème différent, comme prévu à l'article 2 du présent arrêté. Par formulaire de demande, les quatre projets de parrainage doivent avoir la même date de début. La version électronique et imprimée de ce formulaire de demande et l'annexe requise " Budget du projet " doivent être en possession de l'" Agentschap Ondernemen " le 9 avril 2013 à 12 heures au plus tard. Lors de l'introduction de la demande, il doit être tenu compte des dispositions du manuel.
Pour déterminer la date d'introduction, valent :
1° en cas de remise : la date et l'heure mentionnées sur le récépissé;
2° lors d'envoi par courrier : la date postale;
3° lors d'envoi par e-mail : la date et l'heure d'envoi sur les serveurs de l'" Agentschap Ondernemen ".
Le formulaire de demande, le manuel, l'annexe requise " Budget du projet ", les directives de contrôle et les directives de rapportage et de communication sont disponibles sur www.peterschapsprojecten.be à partir de l'entrée en vigueur du présent arrêté.
Le formulaire de demande et l'annexe requise " Budget du projet " sont envoyés par e-mail à peterschapsprojecten@agentschapondernemen.be et par courrier à ou remis à l'" Agentschap Ondernemen " Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid, Koning Albert II-laan 35, bus 12, 1030 Brussel.
Pour déterminer la date d'introduction, valent :
1° en cas de remise : la date et l'heure mentionnées sur le récépissé;
2° lors d'envoi par courrier : la date postale;
3° lors d'envoi par e-mail : la date et l'heure d'envoi sur les serveurs de l'" Agentschap Ondernemen ".
Le formulaire de demande, le manuel, l'annexe requise " Budget du projet ", les directives de contrôle et les directives de rapportage et de communication sont disponibles sur www.peterschapsprojecten.be à partir de l'entrée en vigueur du présent arrêté.
Le formulaire de demande et l'annexe requise " Budget du projet " sont envoyés par e-mail à peterschapsprojecten@agentschapondernemen.be et par courrier à ou remis à l'" Agentschap Ondernemen " Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid, Koning Albert II-laan 35, bus 12, 1030 Brussel.
Art.8. Ter uitvoering van artikel 11, 9° van het besluit van de Vlaamse Regering bepaalt het Agentschap Ondernemen de samenstelling van de jury en de wijze van jurering.
Art.8. En exécution de l'article 11, 9°, de l'arrêté du Gouvernement flamand, l'" Agentschap Ondernemen " détermine la composition du jury et le mode de jugement.
Art.9. Ter uitvoering van artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering dient het project te starten uiterlijk 6 maanden na de indiening van de aanvraag om steun. De eerste sessie moet plaatsvinden uiterlijk 6 maanden na de ondertekening van het steunbesluit door de minister. Naast deze 2 voorwaarden, moeten lopende gesubsidieerde peterschapsprojecten van dezelfde indiener, afgelopen zijn alvorens met projecten uit deze oproep te starten.
De subsidieperiode van 24 maanden wordt gedefinieerd als de werkingsperiode waarvoor een subsidie werd toegekend.
De periode nodig voor de werving van deelnemers en de borgingsfase komen niet in aanmerking en vallen niet onder de subsidie periode.
De subsidieperiode van 24 maanden wordt gedefinieerd als de werkingsperiode waarvoor een subsidie werd toegekend.
De periode nodig voor de werving van deelnemers en de borgingsfase komen niet in aanmerking en vallen niet onder de subsidie periode.
Art.9. En exécution de l'article 7 de l'arrêté du gouvernement flamand, le projet doit débuter au plus tard 6 mois après l'introduction de la demande d'aide. La première session doit avoir lieu au plus tard 6 mois après la signature de l'arrêté portant l'octroi d'aide par le Ministre. Outre ces 2 conditions, les projets de parrainage subventionnés en cours du même proposant doivent avoir terminé avant de commencer les projets de cet appel.
La période de subventionnement de 24 mois est définie comme la période d'activité pour laquelle une subvention a été octroyée.
La période nécessaire pour le recrutement de participants et la phase de garantie ne sont pas éligibles et ne relèvent pas de la période de subventionnement.
La période de subventionnement de 24 mois est définie comme la période d'activité pour laquelle une subvention a été octroyée.
La période nécessaire pour le recrutement de participants et la phase de garantie ne sont pas éligibles et ne relèvent pas de la période de subventionnement.
Art.10. Ter uitvoering van artikel 15, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering bepaalt het Agentschap Ondernemen de criteria voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van de ingediende projectvoorstellen. Deze criteria worden verder toegelicht in de handleiding die als bijlage 1 bij dit besluit is gevoegd. Alle ingediende projectvoorstellen worden getoetst aan deze ontvankelijkheidscriteria.
Er wordt geen steun verleend aan privaatrechtelijke entiteiten die niet voldoen aan de regelgeving die van toepassing is in het Vlaamse Gewest. De indiener mag op de indieningsdatum van de steunaanvraag geen achterstallige schulden bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid hebben en geen procedure op basis van Europees of nationaal recht lopen hebben waarbij een toegekende steun wordt teruggevorderd.
Er wordt geen steun verleend aan privaatrechtelijke entiteiten die niet voldoen aan de regelgeving die van toepassing is in het Vlaamse Gewest. De indiener mag op de indieningsdatum van de steunaanvraag geen achterstallige schulden bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid hebben en geen procedure op basis van Europees of nationaal recht lopen hebben waarbij een toegekende steun wordt teruggevorderd.
Art.10. En exécution de l'article 15, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand, l'" Agentschap Ondernemen " détermine les critères de l'évaluation de la recevabilité des propositions de projet introduites. Ces critères sont repris dans le manuel joint comme annexe 1re au présent arrêté. Toutes les propositions de projet introduites sont évaluées sur la base de ces critères de recevabilité.
Aucune aide n'est octroyée à des entités de droit privé qui ne répondent pas à la réglementation applicable en Région flamande. A la date d'introduction de la demande d'aide, le proposant ne peut avoir de dettes arriérées à l'Office national de Sécurité sociale et ne fait pas l'objet d'une procédure de droit européen ou national visant le recouvrement d'une aide octroyée.
Aucune aide n'est octroyée à des entités de droit privé qui ne répondent pas à la réglementation applicable en Région flamande. A la date d'introduction de la demande d'aide, le proposant ne peut avoir de dettes arriérées à l'Office national de Sécurité sociale et ne fait pas l'objet d'une procédure de droit européen ou national visant le recouvrement d'une aide octroyée.
Art.11. Ter uitvoering van artikel 16, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering worden de ontvankelijke projectvoorstellen beoordeeld op basis van alle criteria vermeld in artikel 16, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering, met uitzondering van het criterium 1°, a), waaraan geen gewicht wordt toegekend bij deze oproep.
Ter uitvoering van artikel 16, § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering wordt aan artikel 16, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering een vierde punt toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 4° het streven naar een goede spreiding van het budget over de door de minister bepaalde thema's. "
Ter uitvoering van artikel 16, § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering wordt aan artikel 16, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering een vierde punt toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 4° het streven naar een goede spreiding van het budget over de door de minister bepaalde thema's. "
Art.11. En exécution de l'article 16, § 1er, de l'arrêté du gouvernement flamand, les propositions de projet recevables sont évaluées sur la base de tous les critères visés à l'article 16, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand, à l'exception du critère 1°, a), auquel aucun poids n'est attribué lors de cet appel.
En exécution de l'article 16, § 3, de l'arrêté du Gouvernement flamand, l'article 16, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand est complété par un point quatre, rédigé comme suit :
" 4° la poursuite d'une bonne répartition du budget sur les thèmes déterminés par le Ministre. "
En exécution de l'article 16, § 3, de l'arrêté du Gouvernement flamand, l'article 16, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand est complété par un point quatre, rédigé comme suit :
" 4° la poursuite d'une bonne répartition du budget sur les thèmes déterminés par le Ministre. "
Art.12. Ter uitvoering van artikel 11, 8°, van het besluit van de Vlaamse Regering wordt voor elk beoordelingscriterium een score op een schaal van 1 tot 5 toegekend, waarbij
1° 1 staat voor onvoldoende;
2° 2 staat voor redelijk;
3° 3 staat voor goed;
4° 4 staat voor meer dan goed;
5° 5 staat voor uitstekend.
Ter uitvoering van artikel 11, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering mag een project geen score 1 en niet meer dan twee keer de score 2 krijgen om opgenomen te worden in de rangschikking. De projecten worden in dalende volgorde gerangschikt volgens hun score. De steun wordt toegekend volgens deze rangschikkingen binnen de voorwaarden van artikel 7 van dit besluit tot de enveloppe opgebruikt is.
Alle voor deze oproep van toepassing zijn de beoordelingscriteria hebben een gelijkwaardig gewicht, behalve criteria 2°, a en 2°, c, die dubbel tellen.
1° 1 staat voor onvoldoende;
2° 2 staat voor redelijk;
3° 3 staat voor goed;
4° 4 staat voor meer dan goed;
5° 5 staat voor uitstekend.
Ter uitvoering van artikel 11, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering mag een project geen score 1 en niet meer dan twee keer de score 2 krijgen om opgenomen te worden in de rangschikking. De projecten worden in dalende volgorde gerangschikt volgens hun score. De steun wordt toegekend volgens deze rangschikkingen binnen de voorwaarden van artikel 7 van dit besluit tot de enveloppe opgebruikt is.
Alle voor deze oproep van toepassing zijn de beoordelingscriteria hebben een gelijkwaardig gewicht, behalve criteria 2°, a en 2°, c, die dubbel tellen.
Art.12. En exécution de l'article 11, 8°, de l'arrêté du Gouvernement flamand, une cote sur une échelle de 1 à 5 est attribuée à chaque critère d'évaluation, où :
1° 1 correspond à insuffisant;
2° 2 correspond à raisonnable;
3° 3 correspond à bien;
4° 4 correspond à plus que bien;
5° 5 correspond à excellent.
En exécution de l'article 11, 4°, de l'arrêté du Gouvernement flamand, un projet ne peut obtenir un score 1 et pas plus de deux fois le score 2 pour être repris au classement. Les projets sont classés en ordre descendant en fonction de leur score. L'aide est octroyée en fonction de ce classement et aux conditions de l'article 7 du présent arrêté jusqu'à épuisement de l'enveloppe.
Tous les critères d'évaluation applicables à cet appel ont un poids équivalent, sauf les critères 2°, a et 2°, c, qui comptent double.
1° 1 correspond à insuffisant;
2° 2 correspond à raisonnable;
3° 3 correspond à bien;
4° 4 correspond à plus que bien;
5° 5 correspond à excellent.
En exécution de l'article 11, 4°, de l'arrêté du Gouvernement flamand, un projet ne peut obtenir un score 1 et pas plus de deux fois le score 2 pour être repris au classement. Les projets sont classés en ordre descendant en fonction de leur score. L'aide est octroyée en fonction de ce classement et aux conditions de l'article 7 du présent arrêté jusqu'à épuisement de l'enveloppe.
Tous les critères d'évaluation applicables à cet appel ont un poids équivalent, sauf les critères 2°, a et 2°, c, qui comptent double.
Art.13. Ter uitvoering van artikel 16, § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering kan een project negatief beoordeeld worden als :
1° de indiener onvoldoende financiële draagkracht heeft voor de uitvoering of het welslagen ervan;
2° de indiener niet voldoet aan andere verplichtingen of vergunningen die de overheid oplegt;
3° de indiener blijk heeft gegeven van niet-correct gedrag naar aanleiding van vorige aanvragen, onder meer inzake informatieverstrekking, inhoudelijke en financiële verplichtingen of verslaggeving.
1° de indiener onvoldoende financiële draagkracht heeft voor de uitvoering of het welslagen ervan;
2° de indiener niet voldoet aan andere verplichtingen of vergunningen die de overheid oplegt;
3° de indiener blijk heeft gegeven van niet-correct gedrag naar aanleiding van vorige aanvragen, onder meer inzake informatieverstrekking, inhoudelijke en financiële verplichtingen of verslaggeving.
Art.13. En exécution de l'article 16, § 3, de l'arrêté du Gouvernement flamand, un projet peut recevoir une évaluation négative lorsque :
1° le proposant dispose d'une capacité financière insuffisante pour son exécution ou sa réussite;
2° le proposant ne répond pas à d'autres obligations ou d'autorisations imposées par l'autorité;
3° le proposant a fait preuve de comportement incorrect à l'occasion de demandes antérieures, entre autres en matière de fourniture d'informations, d'obligations financières et de fond ou de rapportage.
1° le proposant dispose d'une capacité financière insuffisante pour son exécution ou sa réussite;
2° le proposant ne répond pas à d'autres obligations ou d'autorisations imposées par l'autorité;
3° le proposant a fait preuve de comportement incorrect à l'occasion de demandes antérieures, entre autres en matière de fourniture d'informations, d'obligations financières et de fond ou de rapportage.
Art.14. Ter uitvoering van artikel 27 van het besluit van de Vlaamse Regering kan het Agentschap Ondernemen vanaf de indiening van de subsidieaanvraag op elk moment controleren of de voorwaarden van het decreet van 31 januari 2003, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009 en dit uitvoeringsbesluit worden nageleefd. Die controle kan, afhankelijk van het feit of de steun al dan niet werd toegekend, het gevolg hebben dat de subsidie wordt geweigerd, dan wel niet wordt uitbetaald of wordt teruggevorderd.
Art.14. En exécution de l'article 27 de l'arrêté du Gouvernement flamand, l'" Agentschap Ondernemen " peut contrôler, à partir de l'introduction de la demande de subventionnement, à tout moment si les conditions du décret du 31 janvier 2003, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 avril 2009 et du présent arrêté d'exécution sont respectées. Ce contrôle peut, en fonction du fait que l'aide a été octroyée ou non, entraîner que la subvention est refusée, soit ne pas payée ou recouvrée.
Art.15. § 1. Ter uitvoering van artikel 11, 10°, van het besluit van de Vlaamse Regering wordt de subsidie uitbetaald in drie schijven :
1° 30 % op zijn vroegst dertig dagen na de beslissing tot toekenning van de subsidie, op voorwaarde dat de indiener :
a) de uitbetaling van de schijf aanvraagt en
b) verklaart dat de werkingsperiode van het project is gestart; namelijk dat de eerste bijeenkomst van deelnemers heeft plaats gehad en
c) een alfabetisch gerangschikte deelnemerslijst van de betalende ondernemingen en hun beslissingsnemers wordt ingediend via de module van het VON;
2° 30 %, op voorwaarde dat de indiener :
a) de uitbetaling van de schijf aanvraagt en
b) verklaart dat het project halverwege is en
c) zowel kwalitatief (tussentijds rapport op papier) als kwantitatief (deelnemerslijst en indicatoren) via de module van het VON rapporteert;
3° 40 %, op voorwaarde dat :
a) de indiener de uitbetaling van de schijf aanvraagt en
b) een ondertekende afrekeningsstaat van alle gerealiseerde ontvangsten en gemaakte kosten indient en
c) een kwantitatief en kwalitatief eindverslag indient over het project waaruit blijkt in welke mate de vooropgestelde doelstellingen werden bereikt en een verantwoording ervan en kwantitatief rapporteert (deelnemerslijst en indicatoren) via de module van het VON.
d) in de mate dat het saldo is verschuldigd, zoals moet blijken uit een positief inspectieverslag van het Agentschap Ondernemen.
Na afloop van het project zal door het Agentschap Ondernemen bij de deelnemers een tevredenheidsenquête worden afgenomen. De tevredenheidsscore moet 70 % of meer bedragen. Indien de tevredenheidsscore lager is dan 70 % zal de subsidie herberekend worden.
§ 2. De toegekende subsidie zal herberekend worden indien aan 1 of meerdere van volgende 5 voorwaarden niet voldaan werd :
1° minimum 10 sessies per peterschapsgroepje per traject;
2° minimum 2 groepsoverschrijdende sessies per traject;
3° een aanwezigheidsgraad van 80 % of meer;
4° een tevredenheidspercentage van 70 % of meer en
5° over de 4 peterschapsgroepjes heen 60 betalende ondernemingen.
Deze voorwaarden worden per peterschapsgroepje bekeken. Per voorwaarde waaraan niet voldaan werd, wordt cumulatief 1/5 van de steun niet uitbetaald of teruggevorderd.Voor peterschapsgroepjes binnen het thema (familiale) overdracht en overname gelden enkel de 1e vier voorwaarden.
1° 30 % op zijn vroegst dertig dagen na de beslissing tot toekenning van de subsidie, op voorwaarde dat de indiener :
a) de uitbetaling van de schijf aanvraagt en
b) verklaart dat de werkingsperiode van het project is gestart; namelijk dat de eerste bijeenkomst van deelnemers heeft plaats gehad en
c) een alfabetisch gerangschikte deelnemerslijst van de betalende ondernemingen en hun beslissingsnemers wordt ingediend via de module van het VON;
2° 30 %, op voorwaarde dat de indiener :
a) de uitbetaling van de schijf aanvraagt en
b) verklaart dat het project halverwege is en
c) zowel kwalitatief (tussentijds rapport op papier) als kwantitatief (deelnemerslijst en indicatoren) via de module van het VON rapporteert;
3° 40 %, op voorwaarde dat :
a) de indiener de uitbetaling van de schijf aanvraagt en
b) een ondertekende afrekeningsstaat van alle gerealiseerde ontvangsten en gemaakte kosten indient en
c) een kwantitatief en kwalitatief eindverslag indient over het project waaruit blijkt in welke mate de vooropgestelde doelstellingen werden bereikt en een verantwoording ervan en kwantitatief rapporteert (deelnemerslijst en indicatoren) via de module van het VON.
d) in de mate dat het saldo is verschuldigd, zoals moet blijken uit een positief inspectieverslag van het Agentschap Ondernemen.
Na afloop van het project zal door het Agentschap Ondernemen bij de deelnemers een tevredenheidsenquête worden afgenomen. De tevredenheidsscore moet 70 % of meer bedragen. Indien de tevredenheidsscore lager is dan 70 % zal de subsidie herberekend worden.
§ 2. De toegekende subsidie zal herberekend worden indien aan 1 of meerdere van volgende 5 voorwaarden niet voldaan werd :
1° minimum 10 sessies per peterschapsgroepje per traject;
2° minimum 2 groepsoverschrijdende sessies per traject;
3° een aanwezigheidsgraad van 80 % of meer;
4° een tevredenheidspercentage van 70 % of meer en
5° over de 4 peterschapsgroepjes heen 60 betalende ondernemingen.
Deze voorwaarden worden per peterschapsgroepje bekeken. Per voorwaarde waaraan niet voldaan werd, wordt cumulatief 1/5 van de steun niet uitbetaald of teruggevorderd.Voor peterschapsgroepjes binnen het thema (familiale) overdracht en overname gelden enkel de 1e vier voorwaarden.
Art.15. § 1er. En exécution de l'article 11, 10°, de l'arrêté du Gouvernement flamand, la subvention est payée en trois tranches :
1° 30 % au plus tôt trente jours après la décision d'octroi de la subvention, à condition que le proposant :
a) demande le paiement de la tranche et
b) déclare que la période d'activité du projet a débutée; à savoir que la première réunion de participants a eu lieu et
c) introduit une liste alphabétique des entreprises payantes et leurs preneurs de décisions via la module du " VON " (Réseau flamand pour la Promotion de l'Entrepreneuriat);
2° 30 %, à condition que le proposant :
a) demande le paiement de la tranche et
b) déclare que le projet est à mi-chemin et
c) rapporte tant de manière qualitative (rapport intérimaire sur papier) que de manière quantitative (liste des participants et indicateurs) via le module du " VON ";
3° 40 %, à condition que :
a) le proposant demande le paiement de la tranche et
b) introduit un relevé de décompte signé de toutes les recettes réalisées et de tous les frais exposés et
c) introduit un rapport final quantitatif et qualitatif sur le projet dont il ressort dans quelle mesure les objectifs envisagés ont été réalisés et une justification des résultats et rapporte de manière quantitative (liste des participants et indicateurs) via le module du " VON ".
d) dans la mesure où le solde est dû, tel qu'il doit ressortir d'un rapport d'inspection positif de l'" Agentschap Ondernemen ".
A l'expiration du projet, une enquête de satisfaction sera effectuée par l'" Agentschap Ondernemen " parmi les participants. La score de satisfaction doit s'élever à 70 % ou plus. Si la score de satisfaction est inférieure à 70 %, la subvention sera recalculée.
§ 2. La subvention accordée sera recalculée s'il n'est pas répondu à 1 ou plusieurs des 5 conditions suivantes :
1° au minimum 10 sessions par groupe de parrainage par trajet;
2° au minimum 2 sessions dépassant les groupes par trajet;
3° un taux de fréquentation de 80 % ou plus;
4° un pourcentage de satisfaction de 70 % ou plus et
5° sur tous les 4 groupes de parrainage 60 entreprises payantes.
Ces conditions sont considérées par groupe de parrainage. Par condition non remplie, 1/5e de l'aide n'est cumulativement pas payée ou recouvrée. Pour les groupes de parrainage au sein du thème de transfert (familial) et de reprise, seules les 4 premières conditions s'appliquent.
1° 30 % au plus tôt trente jours après la décision d'octroi de la subvention, à condition que le proposant :
a) demande le paiement de la tranche et
b) déclare que la période d'activité du projet a débutée; à savoir que la première réunion de participants a eu lieu et
c) introduit une liste alphabétique des entreprises payantes et leurs preneurs de décisions via la module du " VON " (Réseau flamand pour la Promotion de l'Entrepreneuriat);
2° 30 %, à condition que le proposant :
a) demande le paiement de la tranche et
b) déclare que le projet est à mi-chemin et
c) rapporte tant de manière qualitative (rapport intérimaire sur papier) que de manière quantitative (liste des participants et indicateurs) via le module du " VON ";
3° 40 %, à condition que :
a) le proposant demande le paiement de la tranche et
b) introduit un relevé de décompte signé de toutes les recettes réalisées et de tous les frais exposés et
c) introduit un rapport final quantitatif et qualitatif sur le projet dont il ressort dans quelle mesure les objectifs envisagés ont été réalisés et une justification des résultats et rapporte de manière quantitative (liste des participants et indicateurs) via le module du " VON ".
d) dans la mesure où le solde est dû, tel qu'il doit ressortir d'un rapport d'inspection positif de l'" Agentschap Ondernemen ".
A l'expiration du projet, une enquête de satisfaction sera effectuée par l'" Agentschap Ondernemen " parmi les participants. La score de satisfaction doit s'élever à 70 % ou plus. Si la score de satisfaction est inférieure à 70 %, la subvention sera recalculée.
§ 2. La subvention accordée sera recalculée s'il n'est pas répondu à 1 ou plusieurs des 5 conditions suivantes :
1° au minimum 10 sessions par groupe de parrainage par trajet;
2° au minimum 2 sessions dépassant les groupes par trajet;
3° un taux de fréquentation de 80 % ou plus;
4° un pourcentage de satisfaction de 70 % ou plus et
5° sur tous les 4 groupes de parrainage 60 entreprises payantes.
Ces conditions sont considérées par groupe de parrainage. Par condition non remplie, 1/5e de l'aide n'est cumulativement pas payée ou recouvrée. Pour les groupes de parrainage au sein du thème de transfert (familial) et de reprise, seules les 4 premières conditions s'appliquent.
Art.16. De richtlijnen met betrekking tot de in artikel 11, 11° vooropgestelde rapportage gaan als bijlage 4 bij dit besluit en maken er integraal deel van uit. De verslagen dienen aangeleverd te worden via het door het Agentschap Ondernemen aangeleverde format. In deze bijlage staan ook de communicatierichtlijnen opgenomen.
Art.16. Les directives relatives au rapportage visé à l'article 11, 11°, sont reprises en annexe 4 au présent arrêté et en font partie intégrante. Les rapports doivent être fournis via le format fourni par l'" Agentschap Ondernemen ". Cette annexe comporte également les directives de communication.
Art.17. Wanneer niet wordt gestart met het project uiterlijk zes maanden na de toekenning van de steun, wordt de steun stopgezet behoudens een voorafgaande gemotiveerde aanvraag tot verlenging die door het Agentschap Ondernemen wordt goedgekeurd.
De steun kan geheel of gedeeltelijk teruggevorderd worden indien de uiteindelijke kostprijs van het project kleiner is dan aanvankelijk werd begroot of aanvaard.
Het Agentschap Ondernemen kan beslissen om niet over te gaan tot de uitbetaling van de subsidie, dan wel om de uitbetaling van de subsidie stop te zetten en de terugbetaling te eisen indien één van de volgende gevallen zich voordoet :
1° het project voldoet niet aan alle bepalingen zoals vermeld in de oproep;
2° de subsidie wordt niet aangewend voor de doeleinden waarvoor ze is verleend;
3° de begunstigde verhindert of belemmert de controle;
4° het project werd onvolledig uitgevoerd of voortijdig stopgezet waardoor het vooropgestelde resultaat niet werd bereikt;
5° het project heeft onvoldoende concrete resultaten opgeleverd in het Vlaamse Gewest.
De steun kan geheel of gedeeltelijk teruggevorderd worden indien de uiteindelijke kostprijs van het project kleiner is dan aanvankelijk werd begroot of aanvaard.
Het Agentschap Ondernemen kan beslissen om niet over te gaan tot de uitbetaling van de subsidie, dan wel om de uitbetaling van de subsidie stop te zetten en de terugbetaling te eisen indien één van de volgende gevallen zich voordoet :
1° het project voldoet niet aan alle bepalingen zoals vermeld in de oproep;
2° de subsidie wordt niet aangewend voor de doeleinden waarvoor ze is verleend;
3° de begunstigde verhindert of belemmert de controle;
4° het project werd onvolledig uitgevoerd of voortijdig stopgezet waardoor het vooropgestelde resultaat niet werd bereikt;
5° het project heeft onvoldoende concrete resultaten opgeleverd in het Vlaamse Gewest.
Art.17. Lorsque le projet ne débute pas au plus tard six mois après l'octroi de l'aide, l'aide est arrêtée sous réserve d'une demande de prolongation motivée préalable approuvée par l'" Agentschap Ondernemen ".
L'aide peut être recouvrée dans sa totalité ou partiellement si le coût final du projet est inférieur à ce qui a été estimé ou accepté initialement.
L'" Agentschap Ondernemen " peut décider de ne pas procéder au paiement de la subvention, soit d'arrêter le paiement de la subvention et d'exiger le remboursement si un des cas suivants se présente :
1° le projet ne répond pas à toutes les dispositions telles que visées à l'appel;
2° la subvention n'est pas utilisée aux fins pour lesquelles elle a été octroyée;
3° le bénéficiaire empêche ou entrave le contrôle;
4° le projet n'a pas été réalisé complètement ou a été arrêté prématurément à la suite de quoi le résultat envisagé n'a pas été atteint;
5° le projet a produit insuffisamment de résultats concrets en Région flamande.
L'aide peut être recouvrée dans sa totalité ou partiellement si le coût final du projet est inférieur à ce qui a été estimé ou accepté initialement.
L'" Agentschap Ondernemen " peut décider de ne pas procéder au paiement de la subvention, soit d'arrêter le paiement de la subvention et d'exiger le remboursement si un des cas suivants se présente :
1° le projet ne répond pas à toutes les dispositions telles que visées à l'appel;
2° la subvention n'est pas utilisée aux fins pour lesquelles elle a été octroyée;
3° le bénéficiaire empêche ou entrave le contrôle;
4° le projet n'a pas été réalisé complètement ou a été arrêté prématurément à la suite de quoi le résultat envisagé n'a pas été atteint;
5° le projet a produit insuffisamment de résultats concrets en Région flamande.
Art.18. Organisaties die erkend en gesubsidieerd worden in het kader van dit besluit worden erkend als peterschapsorganisator in de pijler peterschap in de subsidiemaatregel KMO-portefeuille binnen de geldende regels zoals vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2008 tot toekenning van steun aan kleine en middelgrote ondernemingen voor ondernemerschapsbevorderende diensten. Deze erkenning is beperkt tot dit peterschapsproject en voor de duur van de subsidieperiode.
Art.18. Des organisations agréées et subventionnées dans le cadre du présent arrêté sont agréées comme comme organisateur de projets de parrainage au sein du pilier parrainage dans la mesure de subvention portefeuille PME conformément aux règles en vigueur, telles que visées à l'arrêté du gouvernement flamand du 19 décembre 2008 portant octroi d'aide à des petites et moyennes entreprises pour des services promouvant l'entrepreneuriat. Cet agrément est limité au présent projet de parrainage et ce pour la durée de la période de subventionnement.
Art.19. Dit besluit treedt in werking op de datum van de ondertekening ervan.
Art.19. Le présent arrêté entre en vigueur à la date de sa signature.
Brussel, 24 december 2012.
De Vlaamse minister van Economie, Buitenlands Beleid, Landbouw en Plattelandsbeleid,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Economie, Buitenlands Beleid, Landbouw en Plattelandsbeleid,
K. PEETERS
Bruxelles, le 24 décembre 2012.
Le Ministre flamand de l'Economie, de la Politique extérieure, de l'Agriculture et de la Ruralité,
K. PEETERS
Le Ministre flamand de l'Economie, de la Politique extérieure, de l'Agriculture et de la Ruralité,
K. PEETERS
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N. Bijlagen 1 tot en met 4.
(Bijlagen niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 26-03-2013, p. 19221-19281)
(Bijlagen niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 26-03-2013, p. 19221-19281)
Art. N. (Annexes non traduites, voir version néerlandaise)