Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
2 MEI 2013. - Ordonnantie houdende het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing (NOTA : art. 3.2.22; 3.2.26; 2.30.60; 2.30.61 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij ORD2019-03-06/03, art. 140 en 143, 008; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 21-05-2013 en tekstbijwerking tot 28-03-2025)
Titre
2 MAI 2013. - Ordonnance portant le Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la Maîtrise de l'Energie (NOTE : art. 3.2.22; 3.2.26; 2.30.60; 2.30.61 modifiés avec effet à une date indéterminée par ORD2019-03-06/03, art. 140 et 143, 008; En vigueur : indéterminée ) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 21-05-2013 et mise à jour au 28-03-2025)
Documentinformatie
Numac: 2013031357
Datum: 2013-05-02
Info du document
Numac: 2013031357
Date: 2013-05-02
Inhoud
BOEK 1. - ALGEMENE BEPALINGEN
TITEL 1. - Algemeenheden
TITEL 2. - Doelstellingen
TITEL 3. - Definities
TITEL 4. - Gewestelijk lucht-klimaat-energieplan
HOOFDSTUK 1. - Inhoud en draagwijdte van het plan
HOOFDSTUK 2. - Procedure voor de opstelling van...
Afdeling 1. - Milieu-evaluatie
Afdeling 2. - Openbaar onderzoek en adviezen
Afdeling 3. - Goedkeuring van het plan
HOOFDSTUK 3. - Opvolging en wijziging van het plan
TITEL 5. [1 Bijdrage aan regeringsmaatregelen i...
TITEL 6. - Toegang tot de informatie
BIJLAGEN aan het boek 1
TITEL 1. - Algemeenheden [1 en doelstellingen]1
HOOFDSTUK 1. - Energieprestatie van de gebouwen
HOOFDSTUK 1. - Energieprestatie van de gebouwen
Afdeling 3. - EPB-eisen [1 ...]1
Onderafdeling 1. [1 - Opstellen van het EPB-cer...
Onderafdeling 1. [1 - Bij werkzaamheden met EPB...
Onderafdeling 3.
TITEL 3. - Bepalingen betreffende het vervoer
HOOFDSTUK 1. - Vervoerplannen
Afdeling 4. - Het activiteitenvervoerplan
HOOFDSTUK 3. - Parkings buiten de openbare weg
HOOFDSTUK 4. [1 - Oplaadinfrastructuur voor ele...
HOOFDSTUK 1. - Energie- en milieucriteria van t...
TITEL 5. - Bepalingen betreffende de profession...
HOOFDSTUK 1. - Administratieve boeten
Art. N2.1. BIJLAGE 2.1 - Algemene kaderrichtsno...
TITEL 2. - Specifieke bepalingen voor de luchtk...
HOOFDSTUK 1. - Opdrachten van [1 Leefmilieu Bru...
HOOFDSTUK 3. - Beoordeling van de luchtkwaliteit
HOODSTUK 4. - Beheer van de luchtkwaliteit en v...
HOOFDSTUK 6. - Grensoverschrijdende luchtveront...
HOOFDSTUK 6. - Grensoverschrijdende luchtveront...
TITEL 3. - Specifieke bepalingen inzake emissie...
HOOFDSTUK 1bis. [1 Systeem van handel in broeik...
Afdeling 2. [1 Vergunning voor broeikasgasemiss...
HOOFDSTUK 3. - Toegang tot de informatie
HOOFDSTUK 2. - Strafrechtelijke sancties
Art. N3.2.BIJLAGE 3.2 - Informatie aan het publiek
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de ordonnantie v...
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de ordonnantie v...
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de ordonnantie v...
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de ordonnantie v...
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de ordonnantie van...
HOOFDSTUK 5. - Wijziging van het BWRO
TITEL 3. - Overgangsbepalingen
TITEL 5. - Algemene coördinatie
Inhoud
LIVRE 1er. - DISPOSITIONS COMMUNES
TITRE 1er. - Généralités
TITRE 2. - Objectifs
TITRE 3. - Définitions
TITRE 4. - Plan régional air-climat-énergie
CHAPITRE 1er. - Contenu et portée du plan
CHAPITRE 2. - Procédure d'élaboration du plan
Section 1re. - Evaluation environnementale
Section 2. - Enquête publique et avis
Section 3. - Adoption du plan
CHAPITRE 3. - Suivi et modification du plan
TITRE 5. [1 Contribution à l'action gouvernemen...
TITRE 6. - Accès à l'information
ANNEXES au livre 1er.
TITRE 1er. - Généralités [1 et objectifs]1
CHAPITRE 1er. - Performance énergétique des bât...
CHAPITRE 1er. - Performance énergétique des bât...
Section 3. - Exigences PEB [1 ...]1
Sous-section 1re. [1 - Etablissement du certifi...
Sous-section 1re. [1 - Lors de travaux avec déc...
Sous-section 3.
TITRE 3. - Dispositions relatives aux transports
CHAPITRE 1er. - Plans de déplacements
Section 4. - Le plan de déplacements d'activités
CHAPITRE 3. - Stationnement hors voirie
CHAPITRE 4. [1 - Infrastructure de recharge en ...
CHAPITRE 1er. - Critères énergétiques et enviro...
TITRE 5. - Dispositions relatives aux professio...
CHAPITRE 1er. - Amendes administratives
Art. N2.1. ANNEXE 2.1 - Cadre général pour le c...
LIVRE 3. - DISPOSITIONS SPECIFIQUES A L'AIR ET ...
CHAPITRE 1er. - Missions de [1 Bruxelles Enviro...
Section 1re. - Identification des polluants fai...
CHAPITRE 1er. - Système d'échange de quotas d'é...
CHAPITRE 1er. - Système d'échange de quotas d'é...
CHAPITRE 1er bis. [1 Système d'échange de quota...
CHAPITRE 1er. - Amendes administratives
Art. N3.1. ANNEXE 3.1 - Objectif national de ré...
TITRE 1er. - Dispositions modificatives
CHAPITRE 1er. - Modifications de l'ordonnance d...
Tekst (380)
Texte (380)
BOEK 1. - ALGEMENE BEPALINGEN
LIVRE 1er. - DISPOSITIONS COMMUNES
TITEL 1. - Algemeenheden
TITRE 1er. - Généralités
Artikel 1.1.1. Onderhavig Wetboek regelt een materie als bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.
Article 1.1.1. Le présent Code règle une matière visée à l'article 39 de la Constitution.
Art. 1.1.2. Onderhavig Wetboek zet de volgende richtlijnen om in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest :
1° gedeeltelijk, Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen;
2° Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen;
3° Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad, Richtlijn 2004/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 houdende wijziging van Richtlijn 2003/87/EG, met betrekking tot de projectgebonden mechanismen van het Protocol van Kyoto, en Richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden;
4° Richtlijn 2004/107/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht;
5° gedeeltelijk, Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG;
6° Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa;
7° gedeeltelijk, Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen;
8° gedeeltelijk, Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht.
[1 9° gedeeltelijk, de Richtlijn 2016/2284/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG.]1
[2 10° gedeeltelijk, de Richtlijn 2018/2001/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen; ]2
[2 Onderhavig Wetboek strekt tot gedeeltelijke invoering, in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, van verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 663/2009 en (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad, richtlijnen 94/22/EG, 98/70/EG, 2009/31/EG, 2009/73/EG, 2010/31/EU, 2012/27/EU en 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad, richtlijnen 2009/119/EG en (EU) 2015/652 van de Raad en tot opheffing van verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad.]2
1° gedeeltelijk, Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen;
2° Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen;
3° Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad, Richtlijn 2004/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 houdende wijziging van Richtlijn 2003/87/EG, met betrekking tot de projectgebonden mechanismen van het Protocol van Kyoto, en Richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden;
4° Richtlijn 2004/107/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht;
5° gedeeltelijk, Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG;
6° Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa;
7° gedeeltelijk, Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen;
8° gedeeltelijk, Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht.
[1 9° gedeeltelijk, de Richtlijn 2016/2284/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG.]1
[2 10° gedeeltelijk, de Richtlijn 2018/2001/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen; ]2
[2 Onderhavig Wetboek strekt tot gedeeltelijke invoering, in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, van verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 663/2009 en (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad, richtlijnen 94/22/EG, 98/70/EG, 2009/31/EG, 2009/73/EG, 2010/31/EU, 2012/27/EU en 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad, richtlijnen 2009/119/EG en (EU) 2015/652 van de Raad en tot opheffing van verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad.]2
Art. 1.1.2. Le présent Code transpose en Région de Bruxelles-Capitale les directives suivantes :
1° de manière partielle, la Directive 2001/81/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2001 fixant les plafonds d'émission nationaux pour certains polluants atmosphériques;
2° la Directive 2010/31/UE du Parlement européen et du Conseil du 19 mai 2010 sur la performance énergétique des bâtiments;
3° la Directive 2003/87/CE du Parlement européen et du Conseil du 13 octobre 2003 établissant un système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre dans la Communauté et modifiant la Directive 96/61/CE du Conseil, ainsi que la Directive 2004/101/CE du Parlement européen et du Conseil du 27 octobre 2004 qui la modifie au titre des mécanismes de projet du Protocole de Kyoto et la Directive 2009/29/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 qui la modifie afin d'améliorer et d'étendre le système communautaire d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre;
4° la Directive 2004/107/CE du Parlement européen et du Conseil du 15 décembre 2004 concernant l'arsenic, le cadmium, le mercure, le nickel et les hydrocarbures aromatiques polycycliques dans l'air ambiant;
5° de manière partielle, la Directive 2012/27/UE du Parlement européen et du Conseil du 25 octobre 2012 relative à l'efficacité énergétique, modifiant les Directive s 2009/125/CE et 2010/30/UE et abrogeant les Directive s 2004/8/CE et 2006/32/CE;
6° la Directive 2008/50/CE du Parlement européen et du Conseil du 21 mai 2008 concernant la qualité de l'air ambiant et un air pur pour l'Europe;
7° de manière partielle, la Directive 2009/28/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 relative à la promotion de l'utilisation de l'énergie produite à partir de sources renouvelables;
8° de manière partielle, la Directive 2008/99/CE du Parlement européen et du Conseil du 19 novembre 2008 relative à la protection de l'environnement par le droit pénal.
[1 9° de manière partielle, la Directive 2016/2284/UE du Parlement européen et du Conseil du 14 décembre 2016 concernant la réduction des émissions nationales de certains polluants atmosphériques, modifiant la directive 2003/35/CE et abrogeant la Directive 2001/81/CE.]1
[2 10° de manière partielle, la directive (UE) 2018/2001 du Parlement européen et du Conseil du 11 décembre 2018 relative à la promotion de l'utilisation de l'énergie produite à partir de sources renouvelables;]2
[2 Le présent Code met en oeuvre en Région de Bruxelles-Capitale, de manière partielle, le règlement (UE) 2018/1999 du Parlement européen et du Conseil du 11 décembre 2018 sur la gouvernance de l'union de l'énergie et de l'action pour le climat, modifiant les règlements. (CE) no 663/2009 et (CE) no 715/2009 du Parlement européen et du Conseil, les directives 94/22/CE, 98/70/CE, 2009/31/CE, 2009/73/CE, 2010/31/UE, 2012/27/UE et 2013/30/UE du Parlement européen et du Conseil, les directives 2009/119/CE et (UE) 2015/652 du Conseil et abrogeant le règlement (UE) no 525/2013 du Parlement européen et du Conseil.]2
1° de manière partielle, la Directive 2001/81/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2001 fixant les plafonds d'émission nationaux pour certains polluants atmosphériques;
2° la Directive 2010/31/UE du Parlement européen et du Conseil du 19 mai 2010 sur la performance énergétique des bâtiments;
3° la Directive 2003/87/CE du Parlement européen et du Conseil du 13 octobre 2003 établissant un système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre dans la Communauté et modifiant la Directive 96/61/CE du Conseil, ainsi que la Directive 2004/101/CE du Parlement européen et du Conseil du 27 octobre 2004 qui la modifie au titre des mécanismes de projet du Protocole de Kyoto et la Directive 2009/29/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 qui la modifie afin d'améliorer et d'étendre le système communautaire d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre;
4° la Directive 2004/107/CE du Parlement européen et du Conseil du 15 décembre 2004 concernant l'arsenic, le cadmium, le mercure, le nickel et les hydrocarbures aromatiques polycycliques dans l'air ambiant;
5° de manière partielle, la Directive 2012/27/UE du Parlement européen et du Conseil du 25 octobre 2012 relative à l'efficacité énergétique, modifiant les Directive s 2009/125/CE et 2010/30/UE et abrogeant les Directive s 2004/8/CE et 2006/32/CE;
6° la Directive 2008/50/CE du Parlement européen et du Conseil du 21 mai 2008 concernant la qualité de l'air ambiant et un air pur pour l'Europe;
7° de manière partielle, la Directive 2009/28/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 relative à la promotion de l'utilisation de l'énergie produite à partir de sources renouvelables;
8° de manière partielle, la Directive 2008/99/CE du Parlement européen et du Conseil du 19 novembre 2008 relative à la protection de l'environnement par le droit pénal.
[1 9° de manière partielle, la Directive 2016/2284/UE du Parlement européen et du Conseil du 14 décembre 2016 concernant la réduction des émissions nationales de certains polluants atmosphériques, modifiant la directive 2003/35/CE et abrogeant la Directive 2001/81/CE.]1
[2 10° de manière partielle, la directive (UE) 2018/2001 du Parlement européen et du Conseil du 11 décembre 2018 relative à la promotion de l'utilisation de l'énergie produite à partir de sources renouvelables;]2
[2 Le présent Code met en oeuvre en Région de Bruxelles-Capitale, de manière partielle, le règlement (UE) 2018/1999 du Parlement européen et du Conseil du 11 décembre 2018 sur la gouvernance de l'union de l'énergie et de l'action pour le climat, modifiant les règlements. (CE) no 663/2009 et (CE) no 715/2009 du Parlement européen et du Conseil, les directives 94/22/CE, 98/70/CE, 2009/31/CE, 2009/73/CE, 2010/31/UE, 2012/27/UE et 2013/30/UE du Parlement européen et du Conseil, les directives 2009/119/CE et (UE) 2015/652 du Conseil et abrogeant le règlement (UE) no 525/2013 du Parlement européen et du Conseil.]2
TITEL 2. - Doelstellingen
TITRE 2. - Objectifs
Art. 1.2.1. Onderhavig Wetboek streeft de volgende doelstellingen na :
1° een geïntegreerd gewestelijk lucht-, klimaat- en energiebeleid;
2° de minimalisering van de primaire energiebehoeften en vooral de vermindering van de afhankelijkheid van niet hernieuwbare energiebronnen;
3° het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen;
4° de bevordering van het rationele energieverbruik;
5° de verbetering van de energieprestatie en van het binnenklimaat van de gebouwen;
6° de vermindering van de impact op het milieu voortvloeiend uit de mobiliteitsbehoeften;
7° de evaluatie en verbetering van de luchtkwaliteit en van de binnenlucht om de schadelijke gevolgen voor de gezondheid en het leefmilieu te voorkomen en te verminderen;
8° de vermindering van de emissies van luchtverontreinigende stoffen die precursoren zijn van eutrofiërende, verzurende en troposferische ozon, van broeikasgassen, van persistente organische verontreinigende stoffen en van verontreinigende stoffen die de stratosferische ozonlaag aantasten;
9° het voorbeeldgedrag van de overheden inzake energieprestatie van de gebouwen, transport en rationeel energieverbruik.
De maatregelen die door of krachtens onderhavig Wetboek genomen worden om de doelstellingen verkondigd in het eerste lid te halen houden rekening met de verschillende implicaties op sociaal en economisch vlak, alsook met de diverse aspecten van duurzaam bouwen.
1° een geïntegreerd gewestelijk lucht-, klimaat- en energiebeleid;
2° de minimalisering van de primaire energiebehoeften en vooral de vermindering van de afhankelijkheid van niet hernieuwbare energiebronnen;
3° het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen;
4° de bevordering van het rationele energieverbruik;
5° de verbetering van de energieprestatie en van het binnenklimaat van de gebouwen;
6° de vermindering van de impact op het milieu voortvloeiend uit de mobiliteitsbehoeften;
7° de evaluatie en verbetering van de luchtkwaliteit en van de binnenlucht om de schadelijke gevolgen voor de gezondheid en het leefmilieu te voorkomen en te verminderen;
8° de vermindering van de emissies van luchtverontreinigende stoffen die precursoren zijn van eutrofiërende, verzurende en troposferische ozon, van broeikasgassen, van persistente organische verontreinigende stoffen en van verontreinigende stoffen die de stratosferische ozonlaag aantasten;
9° het voorbeeldgedrag van de overheden inzake energieprestatie van de gebouwen, transport en rationeel energieverbruik.
De maatregelen die door of krachtens onderhavig Wetboek genomen worden om de doelstellingen verkondigd in het eerste lid te halen houden rekening met de verschillende implicaties op sociaal en economisch vlak, alsook met de diverse aspecten van duurzaam bouwen.
Art. 1.2.1. Le présent Code poursuit les objectifs suivants :
1° l'intégration des politiques régionales de l'air, du climat et de l'énergie;
2° la minimisation des besoins en énergie primaire, et spécialement, la réduction de la dépendance aux sources d'énergie non renouvelables;
3° l'utilisation d'énergie produite à partir de sources renouvelables;
4° la promotion de l'utilisation rationnelle de l'énergie;
5° l'amélioration de la performance énergétique et du climat intérieur des bâtiments;
6° la diminution des impacts environnementaux résultant des besoins en mobilité;
7° l'évaluation et l'amélioration de la qualité de l'air ambiant et intérieur afin de prévenir et réduire les effets nocifs pour la santé et l'environnement;
8° la réduction des émissions de polluants atmosphériques précurseurs d'ozone troposphérique, acidifiants et eutrophisants, des gaz à effet de serre, des polluants organiques persistants et des polluants atteignant la couche d'ozone stratosphérique;
9° l'exemplarité des pouvoirs publics en matière de performance énergétique des bâtiments, de transport et d'utilisation rationnelle de l'énergie.
Les mesures adoptées par ou en vertu du présent Code pour atteindre les objectifs énoncés à l'alinéa 1er prennent en considération les diverses implications au niveau social et économique ainsi que les différents aspects d'une construction durable.
1° l'intégration des politiques régionales de l'air, du climat et de l'énergie;
2° la minimisation des besoins en énergie primaire, et spécialement, la réduction de la dépendance aux sources d'énergie non renouvelables;
3° l'utilisation d'énergie produite à partir de sources renouvelables;
4° la promotion de l'utilisation rationnelle de l'énergie;
5° l'amélioration de la performance énergétique et du climat intérieur des bâtiments;
6° la diminution des impacts environnementaux résultant des besoins en mobilité;
7° l'évaluation et l'amélioration de la qualité de l'air ambiant et intérieur afin de prévenir et réduire les effets nocifs pour la santé et l'environnement;
8° la réduction des émissions de polluants atmosphériques précurseurs d'ozone troposphérique, acidifiants et eutrophisants, des gaz à effet de serre, des polluants organiques persistants et des polluants atteignant la couche d'ozone stratosphérique;
9° l'exemplarité des pouvoirs publics en matière de performance énergétique des bâtiments, de transport et d'utilisation rationnelle de l'énergie.
Les mesures adoptées par ou en vertu du présent Code pour atteindre les objectifs énoncés à l'alinéa 1er prennent en considération les diverses implications au niveau social et économique ainsi que les différents aspects d'une construction durable.
Art. 1.2.2. [1 Om koolstofneutraliteit te bereiken, moet de directe emissie van broeikasgassen van het Gewest in 2050 minstens 90 % lager liggen dan in 2005.
De directe emissie van broeikasgassen van het Gewest is verminderd met minstens [2 47]2 % in 2030 en met minstens [2 69]2 % in 2040 vergeleken met 2005.
Onder " directe emissie van broeikasgassen van het Gewest " moet worden verstaan de uitstoot van broeikasgassen in de atmosfeer door op het grondgebied van het Gewest aanwezige bronnen.]1
De directe emissie van broeikasgassen van het Gewest is verminderd met minstens [2 47]2 % in 2030 en met minstens [2 69]2 % in 2040 vergeleken met 2005.
Onder " directe emissie van broeikasgassen van het Gewest " moet worden verstaan de uitstoot van broeikasgassen in de atmosfeer door op het grondgebied van het Gewest aanwezige bronnen.]1
Art. 1.2.2. [1 En 2050, les émissions directes de gaz à effet de serre de la Région sont réduites d'au moins 90 % par rapport à 2005 afin d'atteindre la neutralité carbone.
Les émissions directes de gaz à effet de serre de la Région sont réduites d'au moins [2 47]2 % en 2030 et d'au moins [2 69]2 % en 2040 par rapport à 2005.
Par " émission directe de gaz à effet de serre de la Région ", il y a lieu d'entendre le rejet dans l'atmosphère de gaz à effet de serre, à partir de sources situées sur le territoire de la Région.]1
Les émissions directes de gaz à effet de serre de la Région sont réduites d'au moins [2 47]2 % en 2030 et d'au moins [2 69]2 % en 2040 par rapport à 2005.
Par " émission directe de gaz à effet de serre de la Région ", il y a lieu d'entendre le rejet dans l'atmosphère de gaz à effet de serre, à partir de sources situées sur le territoire de la Région.]1
Art. 1.2.3. [1 Leefmilieu Brussel stelt de regering uiterlijk op 1 januari 2023 een methodologisch kader voor met het oog op de vermindering van de indirecte emissies van broeikasgassen om een vergelijkbaar traject met dat van de directe emissies tegen 2050 te behalen. Op basis hiervan legt de regering vervolgens het beleid van het Gewest ter vermindering van deze emissies in lijn met deze doelstelling, vast.
Onder " indirecte emissie van broeikasgassen van het Gewest " moet worden verstaan " de uitstoot van broeikasgassen in de atmosfeer door bronnen die gelegen zijn buiten het grondgebied van het Gewest, die wordt veroorzaakt door de activiteiten van de economische actoren die gevestigd zijn op het grondgebied van het Gewest. ".
Onder " economische actoren " moet worden verstaan " elke natuurlijke of rechtspersoon die deelneemt aan een economische activiteit door goederen en diensten te produceren, te ruilen of te consumeren . ]1
Onder " indirecte emissie van broeikasgassen van het Gewest " moet worden verstaan " de uitstoot van broeikasgassen in de atmosfeer door bronnen die gelegen zijn buiten het grondgebied van het Gewest, die wordt veroorzaakt door de activiteiten van de economische actoren die gevestigd zijn op het grondgebied van het Gewest. ".
Onder " economische actoren " moet worden verstaan " elke natuurlijke of rechtspersoon die deelneemt aan een economische activiteit door goederen en diensten te produceren, te ruilen of te consumeren . ]1
Art. 1.2.3. [1 Bruxelles Environnement propose au Gouvernement, au plus tard le 1er janvier 2023, un cadre méthodologique de réduction des émissions indirectes de gaz à effet de serre en vue d'atteindre une trajectoire comparable à celle des émissions directes à l'horizon 2050. Sur cette base, le Gouvernement fixe la politique régionale de réduction de ces émissions s'inscrivant dans cet objectif.
Par " émissions indirectes de gaz à effet de serre de la Région ", il y a lieu d'entendre " le rejet dans l'atmosphère de gaz à effet de serre à partir de sources situées à l'extérieur du territoire de la Région qui est induit par les activités des agents économiques établis sur le territoire régional. ".
Par " agents économiques ", il y a lieu d'entendre " toute personne physique ou morale qui participe à l'activité économique soit en produisant, soit en échangeant, soit en consommant des biens et des services. ]1
Par " émissions indirectes de gaz à effet de serre de la Région ", il y a lieu d'entendre " le rejet dans l'atmosphère de gaz à effet de serre à partir de sources situées à l'extérieur du territoire de la Région qui est induit par les activités des agents économiques établis sur le territoire régional. ".
Par " agents économiques ", il y a lieu d'entendre " toute personne physique ou morale qui participe à l'activité économique soit en produisant, soit en échangeant, soit en consommant des biens et des services. ]1
Art. 1.2.4. [1 De Regering stelt minstens om de 10 jaar voorafgaand aan de opstelling van het Gewestelijk Lucht-Klimaat-Energieplan een langetermijnstrategie over 30 jaar op, die er in het bijzonder op gericht is de sectorale verdeling van de doelstellingen voor vermindering van de directe en indirecte emissies van broeikasgassen vast te leggen.]1
[2 De strategie is met name gebaseerd op de bijdrage van de in artikel 1.5.2 bedoelde Raad. Deze Raad draagt zo bij aan de ontwikkeling van de langetermijnstrategie, net zoals de regelgevende adviesorganen dat doen.]2
[2 De strategie is met name gebaseerd op de bijdrage van de in artikel 1.5.2 bedoelde Raad. Deze Raad draagt zo bij aan de ontwikkeling van de langetermijnstrategie, net zoals de regelgevende adviesorganen dat doen.]2
Art. 1.2.4. [1 Le Gouvernement établit au moins tous les 10 ans en amont de l'élaboration du Plan Régional Air-Climat-Energie, une stratégie à long terme à 30 ans visant notamment à préciser la répartition sectorielle des objectifs de réduction des émissions de gaz à effet de serre directes et indirectes.]1
[2 La stratégie repose notamment sur la contribution de l'Assemblée visée à l'article 1.5.2. Cette Assemblée contribue ainsi à l'élaboration de la stratégie long terme, tout comme le font les instances consultatives réglementaires.]2
[2 La stratégie repose notamment sur la contribution de l'Assemblée visée à l'article 1.5.2. Cette Assemblée contribue ainsi à l'élaboration de la stratégie long terme, tout comme le font les instances consultatives réglementaires.]2
Art. 1.2.5. [1 § 1. Het Brussels klimaatbeleid is ambitieus en coherent, en sluit aan bij de internationale verbintenissen van België op het vlak van het klimaat. Het promoot een klimaat dat veilig en gezond is voor de mens en de biodiversiteit. Het waakt over de veerkracht van het Gewest in het licht van de klimaatveranderingen. Het berust zo veel mogelijk op een brede steun van de Brusselse burgers, haar economische, sociale en institutionele spelers, de verenigingen van de transitie-initiatieven en de plaatselijke besturen. Het is gebaseerd op wetenschappelijke gegevens en analyses. Het klimaatbeleid, als onderdeel van de duurzame ontwikkeling, maximaliseert de synergiën met de beleidsterreinen om de sociale, economische en ecologische dimensie van de duurzame ontwikkeling te promoten.
§ 2. Het klimaatbeleid waarop deze ordonnantie betrekking heeft en de uitvoering ervan worden door de volgende beginselen geleid :
1° het beginsel van sociale rechtvaardigheid en rechtvaardige transitie, wat inhoudt dat het voorkomen en verminderen van sociale ongelijkheden en precaire situaties integraal deel uitmaken van de ontwikkeling en uitvoering van het klimaatbeleid ;
2° het wederkerigheidsbeginsel, dat inhoudt dat de gewestelijke overheden en plaatselijke besturen zoveel mogelijk handelen met het oog op het verhogen van de efficiëntie van de maatregelen van de andere gewestelijke overheden en plaatselijke besturen, met betrekking tot de algemene doelstellingen die zijn vastgelegd in onderhavig Wetboek, en systematisch de eventuele impact van een maatregel op het Brusselse klimaatbeleid nagaan ;
3° Het beginsel van burgerbijdrage, dat inhoudt dat het Gewest erkent en faciliteert dat de collectieve burgeractie een inbreng heeft in de ontwikkeling en het beheer van bepaalde gemeenschappelijke hulpbronnen en een bijdrage levert aan het antwoord op de milieu-uitdagingen, vooral op het vlak van het klimaat ;
4° het vooruitgangsbeginsel, dat inhoudt dat de herziening van de doelstellingen en het klimaatbeleid stelselmatig een hogere ambitie moet nastreven ;
5° het beginsel van de geïntegreerde bestrijding van verontreiniging, dat inhoudt dat het klimaatbeleid niet ten koste moet gaan van de biodiversiteit en van de kwaliteit van de lucht, van het water of van andere milieucomponenten. ]1
§ 2. Het klimaatbeleid waarop deze ordonnantie betrekking heeft en de uitvoering ervan worden door de volgende beginselen geleid :
1° het beginsel van sociale rechtvaardigheid en rechtvaardige transitie, wat inhoudt dat het voorkomen en verminderen van sociale ongelijkheden en precaire situaties integraal deel uitmaken van de ontwikkeling en uitvoering van het klimaatbeleid ;
2° het wederkerigheidsbeginsel, dat inhoudt dat de gewestelijke overheden en plaatselijke besturen zoveel mogelijk handelen met het oog op het verhogen van de efficiëntie van de maatregelen van de andere gewestelijke overheden en plaatselijke besturen, met betrekking tot de algemene doelstellingen die zijn vastgelegd in onderhavig Wetboek, en systematisch de eventuele impact van een maatregel op het Brusselse klimaatbeleid nagaan ;
3° Het beginsel van burgerbijdrage, dat inhoudt dat het Gewest erkent en faciliteert dat de collectieve burgeractie een inbreng heeft in de ontwikkeling en het beheer van bepaalde gemeenschappelijke hulpbronnen en een bijdrage levert aan het antwoord op de milieu-uitdagingen, vooral op het vlak van het klimaat ;
4° het vooruitgangsbeginsel, dat inhoudt dat de herziening van de doelstellingen en het klimaatbeleid stelselmatig een hogere ambitie moet nastreven ;
5° het beginsel van de geïntegreerde bestrijding van verontreiniging, dat inhoudt dat het klimaatbeleid niet ten koste moet gaan van de biodiversiteit en van de kwaliteit van de lucht, van het water of van andere milieucomponenten. ]1
Art. 1.2.5. [1 § 1er. La politique climatique bruxelloise est ambitieuse et cohérente et s'inscrit dans les engagements internationaux de la Belgique en matière climatique. Elle promeut un climat sûr et sain pour l'humain et la biodiversité. Elle veille à la résilience de la Région face aux changements climatiques. Elle repose autant que possible sur un large soutien des citoyens bruxellois, ses acteurs économiques, sociaux et institutionnels, des associations d'initiatives de transition et des pouvoirs locaux. Elle est fondée sur des données et analyses scientifiques. La politique climatique, en tant qu'élément du développement durable, maximise les synergies avec les politiques promouvant les dimensions sociale, économique et environnementale du développement durable.
§ 2. La politique climatique visée par la présente ordonnance et sa mise en oeuvre sont guidées par les principes suivants :
1° le principe de justice sociale et de transition juste, qui impliquent que la prévention et la réduction des inégalités sociales et des situations de précarité fassent partie intégrante de l'élaboration et la mise en oeuvre des politiques climatiques ;
2° le principe de mutualité, selon lequel les pouvoirs publics régionaux et locaux agissent autant que possible de manière à renforcer l'efficacité des mesures prises par les autres pouvoirs publics régionaux et locaux, au regard des objectifs globaux fixés par le présent Code, et vérifie systématiquement l'impact éventuel d'une mesure sur la politique climatique bruxelloise ;
3° Le principe de contribution citoyenne, selon lequel la Région reconnaît et facilite l'apport de l'action collective citoyenne pour développer et gérer certaines ressources communes et contribuer à la réponse aux enjeux environnementaux, en particulier climatiques ;
4° le principe de progression, selon lequel la révision des objectifs et des politiques climatiques doit viser systématiquement un niveau supérieur d'ambition ;
5° le principe de la réduction intégrée de la pollution, selon lequel la politique climatique ne doit pas se faire au détriment de la biodiversité, de la qualité de l'air, de l'eau ou d'autres composantes de l'environnement ]1
§ 2. La politique climatique visée par la présente ordonnance et sa mise en oeuvre sont guidées par les principes suivants :
1° le principe de justice sociale et de transition juste, qui impliquent que la prévention et la réduction des inégalités sociales et des situations de précarité fassent partie intégrante de l'élaboration et la mise en oeuvre des politiques climatiques ;
2° le principe de mutualité, selon lequel les pouvoirs publics régionaux et locaux agissent autant que possible de manière à renforcer l'efficacité des mesures prises par les autres pouvoirs publics régionaux et locaux, au regard des objectifs globaux fixés par le présent Code, et vérifie systématiquement l'impact éventuel d'une mesure sur la politique climatique bruxelloise ;
3° Le principe de contribution citoyenne, selon lequel la Région reconnaît et facilite l'apport de l'action collective citoyenne pour développer et gérer certaines ressources communes et contribuer à la réponse aux enjeux environnementaux, en particulier climatiques ;
4° le principe de progression, selon lequel la révision des objectifs et des politiques climatiques doit viser systématiquement un niveau supérieur d'ambition ;
5° le principe de la réduction intégrée de la pollution, selon lequel la politique climatique ne doit pas se faire au détriment de la biodiversité, de la qualité de l'air, de l'eau ou d'autres composantes de l'environnement ]1
TITEL 3. - Definities
TITRE 3. - Définitions
Art. 1.3.1. In de zin van onderhavig Wetboek dient men te verstaan onder :
1° " Gewest " : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
2° " Regering " : de Brusselse Hoofdstedelijke Regering;
3° " [2 Leefmilieu Brussel]2 " : [2 Leefmilieu Brussel]2 opgericht door het koninklijk besluit van 8 maart 1989;
4° " Overheid " : [4 een persoon met rechtspersoonlijkheid die zijn activiteiten op het grondgebied van het Gewest uitoefent]4 en die tot één van de volgende categorieën behoort :
a) de federale, gewestelijke en gemeenschapsoverheden, de lokale plaatselijke besturen en de instellingen van openbaar nut;
b) elke [1 rechtspersoon]1 niet beoogd in punt a) :
- opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang die niet van industriële of commerciële aard zijn en
- waarvan de activiteit grotendeels wordt gefinancierd door de overheden beoogd in punten a) en b), of waarvan het beheer onderworpen is aan een controle door deze laatste, en
- waarvan het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan samengesteld is uit leden waarvan meer dan de helft aangesteld wordt door de overheden beoogd in punten a) en b);
c) de verenigingen gevormd door één of meer overheden beoogd in punten a) en b);
d) de Europese en internationale instellingen;
5° " Plaatselijke besturen " : de gemeenten, de autonome gemeentelijke regieën, de OCMW's en verenigingen van OCMW's, de intercommunales waarvan het ambtsgebied het grondgebied van het Gewest niet overschrijdt;
6° " Gewestelijke overheden " : het Gewest en de instellingen van openbaar nut en overheidsbedrijven opgericht of gecontroleerd door het Gewest of waarmee het Gewest een beheersovereenkomst heeft gesloten;
7° " BWRO " : Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, vastgelegd bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 9 april 2004;
8° " Biomassa " : de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw (inclusief plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, de visvangst en de aquacultuur inbegrepen, alsmede de afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval;
9° " Energie uit hernieuwbare bronnen " : energie uit hernieuwbare niet fossiele bronnen, namelijk : wind-, zonne-, aerothermische, geothermische, hydrothermische energie en energie uit de oceanen, waterkracht, biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties en biogassen;
10° " Primaire energie " : energie uit hernieuwbare of niet hernieuwbare bronnen die geen omzettings- of verwerkingsproces ondergaan heeft;
11° " Energie-efficiëntie " : de verhouding tussen de verkregen prestatie, dienst, goederen of energie, en de energietoevoer hiervoor;
12° " Milieucollege " : college bedoeld in artikel 79 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen.
[3 13° " Governance-verordening " : verordening (EU) 2018/1999 van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van richtlijnen (EG) nr. 663/2009 en (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad, richtlijnen 94/22/EG, 98/70/EG, 2009/31/EG, 2009/73/EG, 2010/31/EG, 2012/27/EG en 2013/30/EG van het Europees Parlement en de Raad, richtlijnen 2009/119/EG en (EU) 2015/652 van de Raad en tot intrekking van verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad.]3
[4 14° "Algemene Verordening Gegevensbescherming" of "AVG": verordening (EU) nr. 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG.]4
1° " Gewest " : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
2° " Regering " : de Brusselse Hoofdstedelijke Regering;
3° " [2 Leefmilieu Brussel]2 " : [2 Leefmilieu Brussel]2 opgericht door het koninklijk besluit van 8 maart 1989;
4° " Overheid " : [4 een persoon met rechtspersoonlijkheid die zijn activiteiten op het grondgebied van het Gewest uitoefent]4 en die tot één van de volgende categorieën behoort :
a) de federale, gewestelijke en gemeenschapsoverheden, de lokale plaatselijke besturen en de instellingen van openbaar nut;
b) elke [1 rechtspersoon]1 niet beoogd in punt a) :
- opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang die niet van industriële of commerciële aard zijn en
- waarvan de activiteit grotendeels wordt gefinancierd door de overheden beoogd in punten a) en b), of waarvan het beheer onderworpen is aan een controle door deze laatste, en
- waarvan het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan samengesteld is uit leden waarvan meer dan de helft aangesteld wordt door de overheden beoogd in punten a) en b);
c) de verenigingen gevormd door één of meer overheden beoogd in punten a) en b);
d) de Europese en internationale instellingen;
5° " Plaatselijke besturen " : de gemeenten, de autonome gemeentelijke regieën, de OCMW's en verenigingen van OCMW's, de intercommunales waarvan het ambtsgebied het grondgebied van het Gewest niet overschrijdt;
6° " Gewestelijke overheden " : het Gewest en de instellingen van openbaar nut en overheidsbedrijven opgericht of gecontroleerd door het Gewest of waarmee het Gewest een beheersovereenkomst heeft gesloten;
7° " BWRO " : Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, vastgelegd bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 9 april 2004;
8° " Biomassa " : de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw (inclusief plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, de visvangst en de aquacultuur inbegrepen, alsmede de afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval;
9° " Energie uit hernieuwbare bronnen " : energie uit hernieuwbare niet fossiele bronnen, namelijk : wind-, zonne-, aerothermische, geothermische, hydrothermische energie en energie uit de oceanen, waterkracht, biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties en biogassen;
10° " Primaire energie " : energie uit hernieuwbare of niet hernieuwbare bronnen die geen omzettings- of verwerkingsproces ondergaan heeft;
11° " Energie-efficiëntie " : de verhouding tussen de verkregen prestatie, dienst, goederen of energie, en de energietoevoer hiervoor;
12° " Milieucollege " : college bedoeld in artikel 79 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen.
[3 13° " Governance-verordening " : verordening (EU) 2018/1999 van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van richtlijnen (EG) nr. 663/2009 en (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad, richtlijnen 94/22/EG, 98/70/EG, 2009/31/EG, 2009/73/EG, 2010/31/EG, 2012/27/EG en 2013/30/EG van het Europees Parlement en de Raad, richtlijnen 2009/119/EG en (EU) 2015/652 van de Raad en tot intrekking van verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad.]3
[4 14° "Algemene Verordening Gegevensbescherming" of "AVG": verordening (EU) nr. 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG.]4
Art. 1.3.1. Au sens du présent Code, il faut entendre par :
1° " Région " : la Région de Bruxelles-Capitale;
2° " Gouvernement " : le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale;
3° " [2 Bruxelles Environnement]2 " : [2 Bruxelles Environnement]2 créé par l'arrêté royal du 8 mars 1989;
4° " Pouvoir public " : [4 une personne dotée de la personnalité juridique exerçant ses activités sur le territoire de la Région]4 et qui relève d'une des catégories suivantes :
a) les autorités fédérales, régionales et communautaires, les pouvoirs publics locaux et les organismes d'intérêt public;
b) [1 toute personne morale non visée]1 au point a) :
- créé pour satisfaire spécifiquement des besoins d'intérêt général ayant un caractère autre qu'industriel ou commercial et
- dont soit l'activité est financée majoritairement par les pouvoirs publics visés aux points a) et b), soit la gestion est soumise à un contrôle par ces derniers, et
- dont l'organe d'administration, de direction ou de surveillance est composé de membres dont plus de la moitié sont désignés par les pouvoirs publics visés aux points a) et b);
c) les associations formées par un ou plusieurs des pouvoirs publics visés aux points a) et b);
d) les institutions européennes et internationales;
5° " Pouvoirs publics locaux " : les communes, les régies communales autonomes, les CPAS et associations de CPAS, les intercommunales dont le ressort ne dépasse pas le territoire de la Région;
6° " Pouvoirs publics régionaux " : la Région et les organismes d'intérêt public et entreprises publiques créés ou contrôlés par la Région, ou avec lesquels la Région a conclu un contrat de gestion;
7° " CoBAT " : Code bruxellois de l'Aménagement du Territoire, adopté par l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 9 avril 2004;
8° " Biomasse " : fraction biodégradable des produits, déchets et résidus d'origine biologique provenant de l'agriculture (y compris les substances végétales et animales), de la sylviculture et des industries connexes, y compris la pêche et l'aquaculture, ainsi que la fraction biodégradable des déchets industriels et municipaux;
9° " Energie produite à partir de sources renouvelables " : énergie produite à partir de sources non fossiles renouvelables, c'est-à-dire : énergie éolienne, solaire, aérothermique, géothermique, hydrothermique, marine et hydroélectrique, biomasse, gaz de décharge, gaz des stations d'épuration d'eaux usées et biogaz;
10° " Energie primaire " : énergie, produite à partir de sources renouvelables ou non renouvelables, qui n'a subi aucun processus de conversion ni de transformation;
11° " Efficacité énergétique " : le rapport entre les résultats, le service, la marchandise ou l'énergie que l'on obtient et l'énergie consacrée à cet effet;
12° " Collège d'environnement " : collège visé à l'article 79 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement.
[3 13° " Règlement Gouvernance " : règlement (UE) n° 2018/1999 du 11 décembre 2018 sur la gouvernance de l'union de l'énergie et de l'action pour le climat, modifiant les règlements (CE) n° 663/2009 et (CE) n° 715/2009 du Parlement européen et du Conseil, les directives 94/22/CE, 98/70/CE, 2009/31/CE, 2009/73/CE, 2010/31/UE, 2012/27/UE et 2013/30/UE du Parlement européen et du Conseil, les directives 2009/119/CE et (UE) 2015/652 du Conseil et abrogeant le règlement (UE) n° 525/2013 du Parlement européen et du Conseil .]3
[4 14° " Règlement général sur la protection des données " ou " RGPD ": le règlement (UE) n° 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE.]4
1° " Région " : la Région de Bruxelles-Capitale;
2° " Gouvernement " : le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale;
3° " [2 Bruxelles Environnement]2 " : [2 Bruxelles Environnement]2 créé par l'arrêté royal du 8 mars 1989;
4° " Pouvoir public " : [4 une personne dotée de la personnalité juridique exerçant ses activités sur le territoire de la Région]4 et qui relève d'une des catégories suivantes :
a) les autorités fédérales, régionales et communautaires, les pouvoirs publics locaux et les organismes d'intérêt public;
b) [1 toute personne morale non visée]1 au point a) :
- créé pour satisfaire spécifiquement des besoins d'intérêt général ayant un caractère autre qu'industriel ou commercial et
- dont soit l'activité est financée majoritairement par les pouvoirs publics visés aux points a) et b), soit la gestion est soumise à un contrôle par ces derniers, et
- dont l'organe d'administration, de direction ou de surveillance est composé de membres dont plus de la moitié sont désignés par les pouvoirs publics visés aux points a) et b);
c) les associations formées par un ou plusieurs des pouvoirs publics visés aux points a) et b);
d) les institutions européennes et internationales;
5° " Pouvoirs publics locaux " : les communes, les régies communales autonomes, les CPAS et associations de CPAS, les intercommunales dont le ressort ne dépasse pas le territoire de la Région;
6° " Pouvoirs publics régionaux " : la Région et les organismes d'intérêt public et entreprises publiques créés ou contrôlés par la Région, ou avec lesquels la Région a conclu un contrat de gestion;
7° " CoBAT " : Code bruxellois de l'Aménagement du Territoire, adopté par l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 9 avril 2004;
8° " Biomasse " : fraction biodégradable des produits, déchets et résidus d'origine biologique provenant de l'agriculture (y compris les substances végétales et animales), de la sylviculture et des industries connexes, y compris la pêche et l'aquaculture, ainsi que la fraction biodégradable des déchets industriels et municipaux;
9° " Energie produite à partir de sources renouvelables " : énergie produite à partir de sources non fossiles renouvelables, c'est-à-dire : énergie éolienne, solaire, aérothermique, géothermique, hydrothermique, marine et hydroélectrique, biomasse, gaz de décharge, gaz des stations d'épuration d'eaux usées et biogaz;
10° " Energie primaire " : énergie, produite à partir de sources renouvelables ou non renouvelables, qui n'a subi aucun processus de conversion ni de transformation;
11° " Efficacité énergétique " : le rapport entre les résultats, le service, la marchandise ou l'énergie que l'on obtient et l'énergie consacrée à cet effet;
12° " Collège d'environnement " : collège visé à l'article 79 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement.
[3 13° " Règlement Gouvernance " : règlement (UE) n° 2018/1999 du 11 décembre 2018 sur la gouvernance de l'union de l'énergie et de l'action pour le climat, modifiant les règlements (CE) n° 663/2009 et (CE) n° 715/2009 du Parlement européen et du Conseil, les directives 94/22/CE, 98/70/CE, 2009/31/CE, 2009/73/CE, 2010/31/UE, 2012/27/UE et 2013/30/UE du Parlement européen et du Conseil, les directives 2009/119/CE et (UE) 2015/652 du Conseil et abrogeant le règlement (UE) n° 525/2013 du Parlement européen et du Conseil .]3
[4 14° " Règlement général sur la protection des données " ou " RGPD ": le règlement (UE) n° 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE.]4
TITEL 4. - Gewestelijk lucht-klimaat-energieplan
TITRE 4. - Plan régional air-climat-énergie
HOOFDSTUK 1. - Inhoud en draagwijdte van het plan
CHAPITRE 1er. - Contenu et portée du plan
Art. 1.4.1. Het gewestelijk Lucht-Klimaat-Energieplan, hierna " het plan " genoemd, legt [1 ...]1 de maatregelen vast [1 waarmee de doelstellingen van het Gewest inzake lucht, klimaat en energie kunnen worden bereikt. ]1.
Het is samengesteld uit de volgende delen :
1° een deel dat betrekking heeft op de stand van zaken in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
2° een deel dat handelt over de te bereiken doelstellingen over een periode van tien jaar en de indicatieve doelstellingen op lange termijn;
3° een deel dat de maatregelen opsomt die over een periode van vijf jaar moeten worden ingevoerd om deze doelstellingen te bereiken.
[1 ...]1
Het is samengesteld uit de volgende delen :
1° een deel dat betrekking heeft op de stand van zaken in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
2° een deel dat handelt over de te bereiken doelstellingen over een periode van tien jaar en de indicatieve doelstellingen op lange termijn;
3° een deel dat de maatregelen opsomt die over een periode van vijf jaar moeten worden ingevoerd om deze doelstellingen te bereiken.
[1 ...]1
Art. 1.4.1. Le plan régional Air-Climat-énergie, ci-après dénommé " le plan ", fixe [1 ...]1 les mesures [1 permettant d'atteindre les objectifs de la Région en matière de qualité de l'air, de climat et d'énergie ]1.
Il est composé des parties suivantes :
1° une partie relative à l'état des lieux en Région de Bruxelles-Capitale;
2° une partie relative aux objectifs à atteindre sur une période de dix ans et aux objectifs indicatifs à long terme;
3° une partie relative aux mesures à mettre à oeuvre sur une période de cinq ans pour atteindre ces objectifs.
[1 ...]1
Il est composé des parties suivantes :
1° une partie relative à l'état des lieux en Région de Bruxelles-Capitale;
2° une partie relative aux objectifs à atteindre sur une période de dix ans et aux objectifs indicatifs à long terme;
3° une partie relative aux mesures à mettre à oeuvre sur une période de cinq ans pour atteindre ces objectifs.
[1 ...]1
Wijzigingen
Art. 1.4.2. De plannen, de programma's en de politieke beleidsdocumenten uitgewerkt door het Gewest of door de gewestelijke overheden of plaatselijke besturen voor wat huisvesting, mobiliteit of onderzoek en innovatie betreft, alsook de plannen en programma's beoogd in het BWRO sluiten aan bij [1 de doelstellingen die dit Wetboek en het gewestelijk Lucht-Klimaat-Energieplan nastreven]1. Hetzelfde geldt voor de beheersovereenkomsten en andere overeenkomsten die het Gewest met de gewestelijke overheden heeft gesloten. Het gewestelijk Lucht-Klimaat-Energieplan sluit aan op de doelstellingen van het Gewestelijk Plan voor Duurzame Ontwikkeling [1 en op de richtsnoeren van de onder artikel 1.2.4 bedoelde strategie]1.
Art. 1.4.2. Les plans, les programmes et les documents d'orientation politique élaborés par la Région, des pouvoirs publics régionaux ou par des pouvoirs publics locaux en matière de logement, de mobilité ou de recherche et d'innovation, ainsi que les plans et programmes visés au CoBAT, s'inscrivent en conformité avec les objectifs poursuivis par [1 le présent Code et]1 le plan régional Air-Climat-énergie. Il en va de même des contrats de gestion et autres conventions conclus par la Région avec les pouvoirs publics régionaux. Le plan régional Air-Climat-Energie s'inscrit dans les objectifs du Plan Régional de Développement Durable [1 et dans les orientations de la stratégie visée à l'article 1.2.4 ]1.
Wijzigingen
Art. 1.4.3. [1 Het plan wordt uiterlijk op 30 [2 mei]2 2023, op 30 september 2027 en vervolgens om de vijf jaar goedgekeurd door de Regering ]1.
Art. 1.4.3. [1 Le plan est adopté par le Gouvernement au plus tard le 30 [2 mai]2 2023, puis le 30 septembre 2027 et tous les cinq ans par la suite]1.
HOOFDSTUK 2. - Procedure voor de opstelling van het plan
CHAPITRE 2. - Procédure d'élaboration du plan
Afdeling 1. - Milieu-evaluatie
Section 1re. - Evaluation environnementale
Art. 1.4.4. Het plan wordt onderworpen aan een milieu-evaluatie overeenkomstig de bepalingen van onderhavig Wetboek of de bepalingen genomen in uitvoering van dat Wetboek.
Art. 1.4.4. Le plan est soumis à une évaluation environnementale conformément aux dispositions du présent Code ou prises en exécution de celui-ci.
Art. 1.4.5. In samenwerking met de gewestelijke besturen bevoegd inzake mobiliteit, huisvesting, economie [2 stedenbouw, erfgoed ]2 en ruimtelijke ordening werkt [1 Leefmilieu Brussel]1 een voorstel van voorontwerp van plan uit alsook een voorstel van bestek betreffende het milieu-effectenrapport bedoeld in artikel 1.4.6.
Het legt het voorstel van voorontwerp van plan en bestek betreffende het milieu-effectenrapport ter goedkeuring voor aan de Regering.
Het legt het voorstel van voorontwerp van plan en bestek betreffende het milieu-effectenrapport ter goedkeuring voor aan de Regering.
Art. 1.4.5. En collaboration avec les administrations régionales compétentes en matière de mobilité, de logement, d'économie [2 d'urbanisme, de patrimoine]2 et d'aménagement du territoire, [1 Bruxelles Environnement]1 élabore une proposition d'avant-projet de plan ainsi qu'une proposition de cahier des charges du rapport sur les incidences environnementales visé à l'article 1.4.6.
Il soumet la proposition d'avant-projet de plan et de cahier des charges du rapport sur les incidences environnementales à l'approbation du Gouvernement.
Il soumet la proposition d'avant-projet de plan et de cahier des charges du rapport sur les incidences environnementales à l'approbation du Gouvernement.
Art. 1.4.6. Het voorontwerp van plan, zoals goedgekeurd door de Regering, vormt het voorwerp van een milieu-effectenrapport dat de vermoedelijk zichtbare gevolgen voor het milieu van de invoering van het plan alsook de redelijke alternatieve oplossingen identificeert, beschrijft en evalueert, rekening houdend met de doelstellingen en het geografisch toepassingsgebied van het plan. Het omvat minstens de informatie opgenomen in bijlage 1.2.
Zodra de Regering het voorstel van voorontwerp van plan en bestek heeft goedgekeurd, wordt dit verslag binnen een termijn van zes maanden opgesteld.
Het wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de Regering. Zij stelt de lijst op van de overheden voor wie de uitvoering van het plan gevolgen kan hebben en wier advies zal worden gevraagd overeenkomstig artikel 1.4.10. De Regering kan het voorontwerp van plan wijzigen in functie van de inhoud van het milieu-effectenrapport.
Zodra de Regering het voorstel van voorontwerp van plan en bestek heeft goedgekeurd, wordt dit verslag binnen een termijn van zes maanden opgesteld.
Het wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de Regering. Zij stelt de lijst op van de overheden voor wie de uitvoering van het plan gevolgen kan hebben en wier advies zal worden gevraagd overeenkomstig artikel 1.4.10. De Regering kan het voorontwerp van plan wijzigen in functie van de inhoud van het milieu-effectenrapport.
Art. 1.4.6. L'avant-projet de plan tel qu'approuvé par le Gouvernement fait l'objet d'un rapport sur les incidences environnementales qui identifie, décrit et évalue les incidences environnementales notables probables de la mise en oeuvre du plan, ainsi que les solutions de substitution raisonnables, en tenant compte des objectifs et du champ d'application géographique du plan. Il comprend au moins les informations énoncées à l'annexe 1.2.
Ce rapport est élaboré dans un délai de six mois à compter de l'approbation par le Gouvernement de la proposition d'avant-projet de plan et de cahier des charges.
Il est transmis pour approbation au Gouvernement. Celui-ci établit la liste des pouvoirs publics susceptibles d'être concernés par la mise en oeuvre du plan et dont l'avis sera sollicité conformément à l'article 1.4.10. Le Gouvernement peut modifier l'avant-projet de plan en fonction du contenu du rapport sur les incidences environnementales.
Ce rapport est élaboré dans un délai de six mois à compter de l'approbation par le Gouvernement de la proposition d'avant-projet de plan et de cahier des charges.
Il est transmis pour approbation au Gouvernement. Celui-ci établit la liste des pouvoirs publics susceptibles d'être concernés par la mise en oeuvre du plan et dont l'avis sera sollicité conformément à l'article 1.4.10. Le Gouvernement peut modifier l'avant-projet de plan en fonction du contenu du rapport sur les incidences environnementales.
Art. 1.4.7. De Regering bezorgt het ontwerp van plan aan [1 Leefmilieu Brussel]1 met het oog op het openbaar onderzoek. Het ontwerp van plan wordt ook aan het Parlement ter informatie bezorgd.
Art. 1.4.7. Le Gouvernement transmet le projet de plan à [1 Bruxelles Environnement]1 en vue de l'enquête publique. Le projet de plan est également transmis au Parlement pour information.
Wijzigingen
Art. 1.4.8. Ingeval de uitvoering van het plan merkbare gevolgen voor het milieu van een ander Gewest of een andere Lidstaat kan hebben, of wanneer een Gewest of een Lidstaat daarom verzoekt, bezorgt de Regering aan dit Gewest of aan deze Staat een kopie van het ontwerpplan en van het milieu-effectenrapport binnen een termijn van maximum dertig dagen, samen met een voorstel dat de samenwerkingsmodaliteiten vastlegt.
Art. 1.4.8. Dans l'hypothèse où la mise en oeuvre du plan est susceptible d'avoir des incidences notables sur l'environnement d'une autre Région ou d'un autre Etat membre, ou lorsqu'une Région ou un Etat membre en expriment la demande, le Gouvernement communique à cette Région ou à cet Etat dans un délai de maximum trente jours une copie du projet de plan et du rapport sur les incidences environnementales, accompagné d'une proposition fixant les modalités de coopération.
Afdeling 2. - Openbaar onderzoek en adviezen
Section 2. - Enquête publique et avis
Art. 1.4.9. § 1. [1 Leefmilieu Brussel]1 onderwerpt het ontwerpplan en het bijhorende milieu-effectenrapport aan een openbaar onderzoek.
Het openbaar onderzoek wordt door middel van aanplakkingen aangekondigd in elk van de gemeenten van het Gewest, door middel van een bericht in het Belgisch Staatsblad en in ten minste drie Franstalige kranten en drie Nederlandstalige kranten die in het Gewest worden verspreid, alsook door middel van een mededeling verspreid over radio en televisie. De bekendmaking vermeldt de begin- en einddata van het openbaar onderzoek. Naast de voornoemde bekendmakingsmaatregelen wordt het openbaar onderzoek ook aangekondigd op de site van [1 Leefmilieu Brussel]1.
§ 2. Nadat die bekendmakingen zijn geschied, worden het ontwerpplan en het milieueffectenrapport gedurende minstens zestig dagen op het gemeentehuis van elke gemeente van het Gewest ter beschikking van het publiek gesteld alsook via de website van de gemeente. Minstens de helft van de termijn van zestig dagen valt buiten de schoolvakanties.
Het ontwerpplan en het milieu-effectenrapport worden bovendien op de website van [1 Leefmilieu Brussel]1 gepubliceerd.
§ 3. De bezwaren en opmerkingen, waarvan de indieners een kopie naar het College van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeenten mogen opsturen, worden tot [1 Leefmilieu Brussel]1 gericht binnen de onderzoekstermijn, hetzij via de post, hetzij elektronisch.
Het openbaar onderzoek wordt door middel van aanplakkingen aangekondigd in elk van de gemeenten van het Gewest, door middel van een bericht in het Belgisch Staatsblad en in ten minste drie Franstalige kranten en drie Nederlandstalige kranten die in het Gewest worden verspreid, alsook door middel van een mededeling verspreid over radio en televisie. De bekendmaking vermeldt de begin- en einddata van het openbaar onderzoek. Naast de voornoemde bekendmakingsmaatregelen wordt het openbaar onderzoek ook aangekondigd op de site van [1 Leefmilieu Brussel]1.
§ 2. Nadat die bekendmakingen zijn geschied, worden het ontwerpplan en het milieueffectenrapport gedurende minstens zestig dagen op het gemeentehuis van elke gemeente van het Gewest ter beschikking van het publiek gesteld alsook via de website van de gemeente. Minstens de helft van de termijn van zestig dagen valt buiten de schoolvakanties.
Het ontwerpplan en het milieu-effectenrapport worden bovendien op de website van [1 Leefmilieu Brussel]1 gepubliceerd.
§ 3. De bezwaren en opmerkingen, waarvan de indieners een kopie naar het College van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeenten mogen opsturen, worden tot [1 Leefmilieu Brussel]1 gericht binnen de onderzoekstermijn, hetzij via de post, hetzij elektronisch.
Art. 1.4.9. § 1er. [1 Bruxelles Environnement]1 soumet à une enquête publique le projet de plan et le rapport sur les incidences environnementales s'y rapportant.
L'enquête publique est annoncée par voie d'affiches dans chacune des communes de la Région, par avis inséré au Moniteur belge et dans au moins trois journaux de langue française et trois journaux de langue néerlandaise diffusés dans la Région, ainsi que par un communiqué diffusé par voie radiophonique et télévisée. L'annonce précise les dates du début et de la fin de l'enquête publique. Outre les mesures d'annonce précitées, l'enquête publique est également annoncée sur le site de [1 Bruxelles Environnement]1.
§ 2. Après que ces annonces ont été faites, le projet de plan et le rapport sur les incidences environnementales sont déposés pendant un minimum de soixante jours, aux fins de consultation par le public, à la maison communale de chacune des communes de la Région ainsi que sur le site internet des communes. La moitié au moins du délai de soixante jours se situe en dehors des périodes de vacances scolaires.
Le projet de plan et le rapport sur les incidences environnementales sont en outre publiés sur le site de [1 Bruxelles Environnement]1.
§ 3. Les réclamations et observations, dont copies peuvent être envoyées par leurs auteurs au Collège des bourgmestre et échevins des communes concernées, sont adressées à [1 Bruxelles Environnement]1 dans le délai d'enquête, soit par voie postale, soit par voie électronique.
L'enquête publique est annoncée par voie d'affiches dans chacune des communes de la Région, par avis inséré au Moniteur belge et dans au moins trois journaux de langue française et trois journaux de langue néerlandaise diffusés dans la Région, ainsi que par un communiqué diffusé par voie radiophonique et télévisée. L'annonce précise les dates du début et de la fin de l'enquête publique. Outre les mesures d'annonce précitées, l'enquête publique est également annoncée sur le site de [1 Bruxelles Environnement]1.
§ 2. Après que ces annonces ont été faites, le projet de plan et le rapport sur les incidences environnementales sont déposés pendant un minimum de soixante jours, aux fins de consultation par le public, à la maison communale de chacune des communes de la Région ainsi que sur le site internet des communes. La moitié au moins du délai de soixante jours se situe en dehors des périodes de vacances scolaires.
Le projet de plan et le rapport sur les incidences environnementales sont en outre publiés sur le site de [1 Bruxelles Environnement]1.
§ 3. Les réclamations et observations, dont copies peuvent être envoyées par leurs auteurs au Collège des bourgmestre et échevins des communes concernées, sont adressées à [1 Bruxelles Environnement]1 dans le délai d'enquête, soit par voie postale, soit par voie électronique.
Wijzigingen
Art. 1.4.10. Samen met het openbaar onderzoek legt [1 Leefmilieu Brussel]1 het ontwerpplan en het milieu-effectenrapport om advies voor aan de volgende instanties :
1° de Raad voor het Leefmilieu van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Raad van Gebruikers van Elektriciteit en Gas, de Adviesraad voor Huisvesting, de Gewestelijke Mobiliteitscommissie, de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie, de Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Vereniging van de Stad en de Gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
2° de overheden bedoeld in artikel 1.4.6, derde lid.
De adviezen worden gericht tot [1 Leefmilieu Brussel]1 via de post of langs elektronische weg. Indien ze niet voor het verstrijken van de termijn van het openbaar onderzoek worden bezorgd, wordt er geen rekening mee gehouden.
1° de Raad voor het Leefmilieu van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Raad van Gebruikers van Elektriciteit en Gas, de Adviesraad voor Huisvesting, de Gewestelijke Mobiliteitscommissie, de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie, de Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Vereniging van de Stad en de Gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
2° de overheden bedoeld in artikel 1.4.6, derde lid.
De adviezen worden gericht tot [1 Leefmilieu Brussel]1 via de post of langs elektronische weg. Indien ze niet voor het verstrijken van de termijn van het openbaar onderzoek worden bezorgd, wordt er geen rekening mee gehouden.
Art. 1.4.10. Concomitamment à l'enquête publique, [1 Bruxelles Environnement]1 soumet, pour avis, le projet de plan et le rapport sur les incidences environnementales aux instances suivantes :
1° le Conseil de l'Environnement de la Région de Bruxelles-Capitale, le Conseil des usagers de l'électricité et du gaz, le Conseil consultatif du Logement, la Commission régionale de la Mobilité, la Commission régionale de Développement, le Conseil économique et social de la Région de Bruxelles-Capitale et l'Association de la Ville et des Communes de la Région de Bruxelles-Capitale;
2° les pouvoirs publics visés à l'article 1.4.6, alinéa 3.
Les avis sont adressés à [1 Bruxelles Environnement]1 par voie postale ou voie électronique. S'ils ne sont pas communiqués avant l'expiration du délai d'enquête publique, il n'en est pas tenu compte.
1° le Conseil de l'Environnement de la Région de Bruxelles-Capitale, le Conseil des usagers de l'électricité et du gaz, le Conseil consultatif du Logement, la Commission régionale de la Mobilité, la Commission régionale de Développement, le Conseil économique et social de la Région de Bruxelles-Capitale et l'Association de la Ville et des Communes de la Région de Bruxelles-Capitale;
2° les pouvoirs publics visés à l'article 1.4.6, alinéa 3.
Les avis sont adressés à [1 Bruxelles Environnement]1 par voie postale ou voie électronique. S'ils ne sont pas communiqués avant l'expiration du délai d'enquête publique, il n'en est pas tenu compte.
Wijzigingen
Afdeling 3. - Goedkeuring van het plan
Section 3. - Adoption du plan
Art. 1.4.11. [1 Leefmilieu Brussel]1 vervolledigt, wijzigt of verduidelijkt het ontwerpplan om rekening te houden met de adviezen en opmerkingen die binnen de termijn van het openbaar onderzoek werden uitgebracht overeenkomstig de bepalingen van afdeling 2.
[1 Leefmilieu Brussel]1 stelt ook een ontwerp van milieuverklaring op dat de wijze samenvat waarop deze adviezen en opmerkingen en het milieu-effectenrapport reeds in aanmerking zijn genomen in het ontwerpplan alsook de redenen voor de keuze van het aldus opgestelde ontwerpplan, rekening houdend met de overige redelijke oplossingen die werden overwogen.
[1 Leefmilieu Brussel]1 stelt ook een ontwerp van milieuverklaring op dat de wijze samenvat waarop deze adviezen en opmerkingen en het milieu-effectenrapport reeds in aanmerking zijn genomen in het ontwerpplan alsook de redenen voor de keuze van het aldus opgestelde ontwerpplan, rekening houdend met de overige redelijke oplossingen die werden overwogen.
Art. 1.4.11. [1 Bruxelles Environnement]1 complète, modifie ou précise le projet de plan pour tenir compte des avis et observations émis dans le délai de l'enquête publique, conformément aux dispositions de la section 2.
[1 Bruxelles Environnement]1 rédige également un projet de déclaration environnementale qui résume la manière dont ces avis et observations et le rapport sur les incidences environnementales ont été pris en considération par le projet de plan, ainsi que les raisons du choix du projet de plan tel que rédigé, compte tenu des autres solutions raisonnables qui avaient été envisagées.
[1 Bruxelles Environnement]1 rédige également un projet de déclaration environnementale qui résume la manière dont ces avis et observations et le rapport sur les incidences environnementales ont été pris en considération par le projet de plan, ainsi que les raisons du choix du projet de plan tel que rédigé, compte tenu des autres solutions raisonnables qui avaient été envisagées.
Wijzigingen
Art. 1.4.12. Het vervolledigde, gewijzigde of verduidelijkte ontwerpplan, het milieu-effectenrapport en het ontwerp van milieuverklaring worden binnen negentig dagen na de sluiting van het openbaar onderzoek aan de Regering overgemaakt.
Art. 1.4.12. Le projet de plan complété, modifié ou précisé, le rapport sur les incidences environnementales et le projet de déclaration environnementale sont transmis au Gouvernement dans les nonante jours suivant la clôture de l'enquête publique.
Art. 1.4.13. De Regering legt het plan in zijn definitieve vorm vast uiterlijk twaalf maanden na de goedkeuringsdatum van het voorstel van voorontwerp van plan.
Het besluit van de Regering waarbij het plan wordt goedgekeurd, wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
De Regering bezorgt het plan, het milieu-effectenrapport en de milieuverklaring over aan het Brussels Hoofdstedelijk Parlement [1 Ze stelt het plan voor aan het Parlement.]1.
Het besluit van de Regering waarbij het plan wordt goedgekeurd, wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
De Regering bezorgt het plan, het milieu-effectenrapport en de milieuverklaring over aan het Brussels Hoofdstedelijk Parlement [1 Ze stelt het plan voor aan het Parlement.]1.
Art. 1.4.13. Le Gouvernement arrête le plan dans sa forme définitive au plus tard douze mois après la date d'approbation de la proposition d'avant-projet de plan.
L'arrêté du Gouvernement adoptant le plan est publié par extrait au Moniteur belge.
Le Gouvernement transmet le plan, le rapport sur les incidences environnementales et la déclaration environnementale au Parlement de la Région de Bruxelles-Capitale.[1 Il présente le plan au Parlement.]1
L'arrêté du Gouvernement adoptant le plan est publié par extrait au Moniteur belge.
Le Gouvernement transmet le plan, le rapport sur les incidences environnementales et la déclaration environnementale au Parlement de la Région de Bruxelles-Capitale.[1 Il présente le plan au Parlement.]1
Wijzigingen
Art. 1.4.14. [1 Leefmilieu Brussel]1 publiceert de eindversie van het plan, het effectenrapport en de milieuverklaring op zijn website.
Art. 1.4.14. [1 Bruxelles Environnement]1 publie sur son site internet la version finale du plan, le rapport sur les incidences et la déclaration environnementale.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 3. - Opvolging en wijziging van het plan
CHAPITRE 3. - Suivi et modification du plan
Art. 1.4.15. In overleg met de regionale besturen bedoeld in artikel 1.4.5, eerste lid, [2 publiceert Leefmilieu Brussel jaarlijks een synthese van de tenuitvoerlegging van het plan in de vorm van de follow-upindicatoren ]2.
Elke substantiële wijziging van het plan wordt onderworpen aan de goedkeurings- en bekendmakingsregels waarin voorzien in hoofdstuk 2.
In afwijking van het vorige lid, wordt elke wijziging van het plan voortvloeiend [2 uit de aanbevelingen van de Europese Commissie in het kader van de bijdrage van het Gewest aan het Nationaal Energie-Klimaatplan voorzien in artikel 3 van de Governance-verordening of]2 uit verplichtingen afgeleid van de Europese regelgeving of internationale instrumenten die nog niet waren verschenen op het tijdstip dat de Regering het voorstel van voorontwerp van plan heeft goedgekeurd, slechts aan de bepalingen van hoofdstuk 2 onderworpen wanneer de uitvoering van die verplichtingen [2 en die aanbevelingen vóór de opstelling van het volgende plan verplicht moet worden aangevangen]2.
In deze hypothese, wijzigt de Regering zelf het plan op voorstel van [1 Leefmilieu Brussel]1 en maakt het gewijzigde plan eraan over opdat [1 Leefmilieu Brussel]1 het overeenkomstig artikel 1.4.14. zou kunnen bekendmaken [2 Het maakt het gewijzigde plan over aan het Parlement]2.
Elke substantiële wijziging van het plan wordt onderworpen aan de goedkeurings- en bekendmakingsregels waarin voorzien in hoofdstuk 2.
In afwijking van het vorige lid, wordt elke wijziging van het plan voortvloeiend [2 uit de aanbevelingen van de Europese Commissie in het kader van de bijdrage van het Gewest aan het Nationaal Energie-Klimaatplan voorzien in artikel 3 van de Governance-verordening of]2 uit verplichtingen afgeleid van de Europese regelgeving of internationale instrumenten die nog niet waren verschenen op het tijdstip dat de Regering het voorstel van voorontwerp van plan heeft goedgekeurd, slechts aan de bepalingen van hoofdstuk 2 onderworpen wanneer de uitvoering van die verplichtingen [2 en die aanbevelingen vóór de opstelling van het volgende plan verplicht moet worden aangevangen]2.
In deze hypothese, wijzigt de Regering zelf het plan op voorstel van [1 Leefmilieu Brussel]1 en maakt het gewijzigde plan eraan over opdat [1 Leefmilieu Brussel]1 het overeenkomstig artikel 1.4.14. zou kunnen bekendmaken [2 Het maakt het gewijzigde plan over aan het Parlement]2.
Art. 1.4.15. En concertation avec les administrations régionales visées à l'article 1.4.5, alinéa 1er, [2 Bruxelles Environnement publie annuellement une synthèse de l'état d'avancement de la mise en oeuvre du plan sous la forme d'indicateurs de suivi]2.
Toute modification substantielle du plan est soumise aux modalités d'adoption et de publicité prévues au chapitre 2.
Par dérogation à l'alinéa précédent, toute modification du plan résultant [2 des recommandations de la Commission européenne dans le cadre de la contribution de la Région au Plan National Energie Climat prévu à l'article 3 du Règlement Gouvernance ou]2 d'obligations issues de la réglementation européenne ou d'instruments internationaux qui n'étaient pas encore publiées au moment de l'approbation par le Gouvernement de la proposition d'avant-projet de plan n'est pas soumise aux dispositions du chapitre 2, lorsque la mise en oeuvre de ces obligations [2 et de ces recommandations doit impérativement être entamée avant l'élaboration du prochain plan]2.
En telle hypothèse, le Gouvernement modifie le plan sur proposition de [1 Bruxelles Environnement]1 et lui transmet le plan modifié pour que [1 Bruxelles Environnement]1 en assure la publicité conformément à l'article 1.4.14. [2 Il transmet le plan modifié au Parlement.]2
Toute modification substantielle du plan est soumise aux modalités d'adoption et de publicité prévues au chapitre 2.
Par dérogation à l'alinéa précédent, toute modification du plan résultant [2 des recommandations de la Commission européenne dans le cadre de la contribution de la Région au Plan National Energie Climat prévu à l'article 3 du Règlement Gouvernance ou]2 d'obligations issues de la réglementation européenne ou d'instruments internationaux qui n'étaient pas encore publiées au moment de l'approbation par le Gouvernement de la proposition d'avant-projet de plan n'est pas soumise aux dispositions du chapitre 2, lorsque la mise en oeuvre de ces obligations [2 et de ces recommandations doit impérativement être entamée avant l'élaboration du prochain plan]2.
En telle hypothèse, le Gouvernement modifie le plan sur proposition de [1 Bruxelles Environnement]1 et lui transmet le plan modifié pour que [1 Bruxelles Environnement]1 en assure la publicité conformément à l'article 1.4.14. [2 Il transmet le plan modifié au Parlement.]2
TITEL 5. [1 Bijdrage aan regeringsmaatregelen inzake klimaatbeleid]1
TITRE 5. [1 Contribution à l'action gouvernementale en matière de politique climatique]1
Art. 1.5.1. [1 Voor het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt een klimaatdag ingevoerd, ten laatste 15 juni van elk jaar, die gewijd is aan de bespreking van het jaarverslag van het Comité van klimaatdeskundigen bedoeld in paragraaf 2. Bij deze gelegenheid stelt de Regering een verslag voor over het te geven gevolg aan de aanbevelingen van het Comité van deskundigen.
§ 2. De Regering richt binnen de Raad voor het Leefmilieu een Comité van klimaatdeskundigen op. Het bestaat uit onafhankelijke wetenschappelijke deskundigen en dient jaarlijks een verslag in dat de inbreng van het gewestelijke overheidsbeleid voor de klimaatdoelstellingen op middellange en lange termijn bedoeld in de artikelen 1.2.2 en 1.2.3 evalueert en aanbevelingen bevat voor de Regering die gebaseerd zijn op deze evaluatie. Dit verslag heeft eveneens betrekking op de naleving van de beginselen bedoeld in artikel 1.2.5, van artikel 1.4.2 evenals het veiligheidsbeginsel volgens hetwelk geen enkele maatregel van de gewestelijke overheden de klimaatdoelstellingen op middellange en lange termijn bedoeld in de artikelen 1.2.2 en 1.2.3 mag schaden. Dit verslag wordt ten laatste op 31 maart van elk jaar voorgelegd aan het Parlement en de Regering.
Het Wetenschappelijk comité van klimaatdeskundigen verstrekt een advies over de teksten, ontwerpen en eender welke andere vraag die de regering aan hem voorlegt.
De Regering bepaalt de samenstelling, de opdrachten, de financiering en de werking van dit Comité van klimaatdeskundigen ".
De Regering legt de verloning van de deskundigen vast en richt de nodige organen voor zijn werking op ]1.
§ 2. De Regering richt binnen de Raad voor het Leefmilieu een Comité van klimaatdeskundigen op. Het bestaat uit onafhankelijke wetenschappelijke deskundigen en dient jaarlijks een verslag in dat de inbreng van het gewestelijke overheidsbeleid voor de klimaatdoelstellingen op middellange en lange termijn bedoeld in de artikelen 1.2.2 en 1.2.3 evalueert en aanbevelingen bevat voor de Regering die gebaseerd zijn op deze evaluatie. Dit verslag heeft eveneens betrekking op de naleving van de beginselen bedoeld in artikel 1.2.5, van artikel 1.4.2 evenals het veiligheidsbeginsel volgens hetwelk geen enkele maatregel van de gewestelijke overheden de klimaatdoelstellingen op middellange en lange termijn bedoeld in de artikelen 1.2.2 en 1.2.3 mag schaden. Dit verslag wordt ten laatste op 31 maart van elk jaar voorgelegd aan het Parlement en de Regering.
Het Wetenschappelijk comité van klimaatdeskundigen verstrekt een advies over de teksten, ontwerpen en eender welke andere vraag die de regering aan hem voorlegt.
De Regering bepaalt de samenstelling, de opdrachten, de financiering en de werking van dit Comité van klimaatdeskundigen ".
De Regering legt de verloning van de deskundigen vast en richt de nodige organen voor zijn werking op ]1.
Art. 1.5.1. [1 § 1er. Il est institué, pour le Parlement de la Région de Bruxelles-Capitale, un jour du climat consacré, au plus tard le 15 juin de chaque année, à l'examen du rapport annuel du Comité d'experts climat visé au paragraphe 2. A cette occasion, le Gouvernement présente un rapport sur les suites à réserver aux recommandations du Comité des experts.
§ 2. Le Gouvernement crée auprès du Conseil de l'Environnement un Comité d'experts climat. Il est composé d'experts scientifiques indépendants et remet annuellement un rapport évaluant l'apport des politiques publiques régionales aux objectifs climatiques à moyen et long terme visés aux articles 1.2.2 et 1.2.3 et contenant des recommandations au Gouvernement fondées sur cette évaluation. Ce rapport porte également sur le respect des principes visés à l'article 1.2.5, de l'article 1.4.2 ainsi que du principe d'innocuité, selon lequel aucune mesure prise par les pouvoirs publics régionaux ne peut porter atteinte aux objectifs climatiques à moyen et long terme visés aux articles 1.2.2 et 1.2.3. Il est mis à la disposition du Parlement et du Gouvernement au plus tard le 31 mars de chaque année.
Le Comité d'experts scientifiques climat émet un avis sur les textes, projets ou toute question qui lui sont soumis par le Gouvernement.
Le Gouvernement détermine la composition, les missions, le financement et le fonctionnement de ce Comité d'experts climat.
Le Gouvernement fixe la rémunération des experts et crée les organes nécessaires à son fonctionnement ]1.
§ 2. Le Gouvernement crée auprès du Conseil de l'Environnement un Comité d'experts climat. Il est composé d'experts scientifiques indépendants et remet annuellement un rapport évaluant l'apport des politiques publiques régionales aux objectifs climatiques à moyen et long terme visés aux articles 1.2.2 et 1.2.3 et contenant des recommandations au Gouvernement fondées sur cette évaluation. Ce rapport porte également sur le respect des principes visés à l'article 1.2.5, de l'article 1.4.2 ainsi que du principe d'innocuité, selon lequel aucune mesure prise par les pouvoirs publics régionaux ne peut porter atteinte aux objectifs climatiques à moyen et long terme visés aux articles 1.2.2 et 1.2.3. Il est mis à la disposition du Parlement et du Gouvernement au plus tard le 31 mars de chaque année.
Le Comité d'experts scientifiques climat émet un avis sur les textes, projets ou toute question qui lui sont soumis par le Gouvernement.
Le Gouvernement détermine la composition, les missions, le financement et le fonctionnement de ce Comité d'experts climat.
Le Gouvernement fixe la rémunération des experts et crée les organes nécessaires à son fonctionnement ]1.
Wijzigingen
Art. 1.5.2. [1 § 1. In het kader van het in artikel 1.2.5, § 2, 3°, van dit Wetboek bedoelde beginsel van burgerbijdrage wordt een permanente burgerraad voor het klimaat opgericht, hierna genoemd "Raad", met als doel het uitwerken van een rapport dat een langetermijnvisie bevat en aanbevelingen op korte en middellange termijn om deze visie te realiseren.
Het secretariaat van de Raad wordt verzekerd door Leefmilieu Brussel. Het biedt de administratieve en de organisatorische ondersteuning die nodig is om de missies uit te voeren die in het eerste lid werden vermeld.
De Raad bestaat uit honderd burgers die worden geloot overeenkomstig de voorwaarden zoals vermeld in paragraaf 2, rekening houdend met:
1° een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen, de officiële talen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en leeftijdsgroepen;
2° een geografische evenwicht; en
3° een sociaaleconomische mix.
De lotingen worden onafhankelijk uitgevoerd en via een techniek die zorgt voor een gelijkwaardige selectie, geen vooringenomenheid bij de gebruikte selectiemethode en het openbare karakter van het gebruikte selectiealgoritme. De Regering specificeert de selectiemethode en het gebruikte algoritme om ervoor te zorgen dat er geen partijdigheid optreedt, en bepaalt een maximumpercentage kans om uitgeloot te worden.
Op basis van de door de Regering gespecificeerde selectiemethode en -algoritme en om deze missie van algemeen belang uit te voeren gelinkt aan het beheer van de Raad, loot Leefmilieu Brussel een steekproef van personen die voldoen aan de voorwaarden zoals bedoeld in § 2, 1°, 2°, 3° en, heeft, als verantwoordelijke voor de verwerking, de toelating om toegang te krijgen tot de volgende gegevens van het Rijksregister in de zin van artikel 5 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen:
1° de naam en de voornamen;
2° het geslacht;
3° het geboortejaar;
4° de hoofdverblijfplaats;
5° het identificatienummer van het Rijksregister van natuurlijke personen.
De burgers die zijn geloot en die de uitnodiging om deel te nemen aan de Raad wensen te aanvaarden, delen schriftelijk hun bevestiging mee aan Leefmilieu Brussel. Deze aanvaarding bevat alle informatie met betrekking tot de volgende elementen:
1° de naam;
2° het gender;
3° de leeftijd;
4° de woonplaats;
5° het opleidingsniveau en/of het beroep;
6° het al dan niet uitoefenen van een mandaat of functie zoals bedoeld in paragraaf 2, 4° ;
7° de contactgegevens (e-mailadres en/of telefoonnummer);
8° het gedrag in verband met het thema van de cyclus.
De persoonsgegevens van burgers mogen enkel worden gebruikt door de personeelsleden en verwerkers die door de verantwoordelijke voor de verwerking worden aangewezen voor het samenstellen en voor het beheer van de Raad en mogen niet aan derden worden doorgegeven. Deze gegevens worden niet langer bijgehouden dan maximaal drie maand na de uitnodiging om deel te nemen voor de burgers die niet zullen deelnemen aan de Raad, en maximaal vierentwintig maanden na de uitnodiging voor de deelnemende en plaatsvervangende burgers.
§ 2. De burgers voldoen aan de volgende voorwaarden op de dag van hun aanvaarding tot deelname en voor de volledige duur van hun deelname aan de Raad:
1° ingeschreven zijn in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van een gemeente van het Gewest;
2° zestien jaar of ouder zijn;
3° niet het voorwerp zijn van een veroordeling of beslissing die leidt tot uitsluiting of schorsing van het stemrecht;
4° geen van de volgende ambten of functies bekleden:
a) lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, de Senaat, van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement, het Waals Parlement, het Parlement van de Franse Gemeenschap het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap, het Vlaams Parlement en het Europees Parlement;
b) lid van de federale regering, een gemeenschaps- of gewestregering, een lid van een ministerieel kabinet of een beleidscel;
c) burgemeester, schepen, gemeenteraadslid, voorzitter of raadslid van een O.C.M.W.;
d) lid van een van de Brusselse administraties belast met dossiers die aan het thema van de cyclus zijn gelinkt, en betrokken in deze dossiers;
e) een gerechtelijk ambt.
Deelnemende burgers zijn verplicht Leefmilieu Brussel zo spoedig mogelijk te informeren indien zij tijdens de werkzaamheden van de Raad niet langer aan een van de voorwaarden voor deelname voldoen. Plaatsvervangende burgers worden uitgenodigd om de burgers te vervangen die de Raad verlaten.
§ 3. De Raad komt samen per cyclus en bezorgt na afloop daarvan een rapport zoals bedoeld in paragraaf 1. Tijdens de cyclus beraadslagen de burgers gedurende een période van drie tot zes maanden en een deel van de geselecteerde burgers volgt de antwoorden op die worden gegeven aan het rapport gedurende een periode van twaalf tot vijftien maanden.
§ 4. Er wordt een ondersteuningscomité opgericht voor het opvolgen en adviseren van de Raad bij haar taken.
§ 5. Uiterlijk op 31 december 2025 legt de Regering de taken en de werking van het ondersteuningscomité en van de Raad vast.
Uiterlijk op 31 december 2025 legt de Regering de financieringsmodaliteiten van de Raad vast, met inbegrip van de vergoeding van de deelnemers.]1
Het secretariaat van de Raad wordt verzekerd door Leefmilieu Brussel. Het biedt de administratieve en de organisatorische ondersteuning die nodig is om de missies uit te voeren die in het eerste lid werden vermeld.
De Raad bestaat uit honderd burgers die worden geloot overeenkomstig de voorwaarden zoals vermeld in paragraaf 2, rekening houdend met:
1° een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen, de officiële talen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en leeftijdsgroepen;
2° een geografische evenwicht; en
3° een sociaaleconomische mix.
De lotingen worden onafhankelijk uitgevoerd en via een techniek die zorgt voor een gelijkwaardige selectie, geen vooringenomenheid bij de gebruikte selectiemethode en het openbare karakter van het gebruikte selectiealgoritme. De Regering specificeert de selectiemethode en het gebruikte algoritme om ervoor te zorgen dat er geen partijdigheid optreedt, en bepaalt een maximumpercentage kans om uitgeloot te worden.
Op basis van de door de Regering gespecificeerde selectiemethode en -algoritme en om deze missie van algemeen belang uit te voeren gelinkt aan het beheer van de Raad, loot Leefmilieu Brussel een steekproef van personen die voldoen aan de voorwaarden zoals bedoeld in § 2, 1°, 2°, 3° en, heeft, als verantwoordelijke voor de verwerking, de toelating om toegang te krijgen tot de volgende gegevens van het Rijksregister in de zin van artikel 5 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen:
1° de naam en de voornamen;
2° het geslacht;
3° het geboortejaar;
4° de hoofdverblijfplaats;
5° het identificatienummer van het Rijksregister van natuurlijke personen.
De burgers die zijn geloot en die de uitnodiging om deel te nemen aan de Raad wensen te aanvaarden, delen schriftelijk hun bevestiging mee aan Leefmilieu Brussel. Deze aanvaarding bevat alle informatie met betrekking tot de volgende elementen:
1° de naam;
2° het gender;
3° de leeftijd;
4° de woonplaats;
5° het opleidingsniveau en/of het beroep;
6° het al dan niet uitoefenen van een mandaat of functie zoals bedoeld in paragraaf 2, 4° ;
7° de contactgegevens (e-mailadres en/of telefoonnummer);
8° het gedrag in verband met het thema van de cyclus.
De persoonsgegevens van burgers mogen enkel worden gebruikt door de personeelsleden en verwerkers die door de verantwoordelijke voor de verwerking worden aangewezen voor het samenstellen en voor het beheer van de Raad en mogen niet aan derden worden doorgegeven. Deze gegevens worden niet langer bijgehouden dan maximaal drie maand na de uitnodiging om deel te nemen voor de burgers die niet zullen deelnemen aan de Raad, en maximaal vierentwintig maanden na de uitnodiging voor de deelnemende en plaatsvervangende burgers.
§ 2. De burgers voldoen aan de volgende voorwaarden op de dag van hun aanvaarding tot deelname en voor de volledige duur van hun deelname aan de Raad:
1° ingeschreven zijn in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van een gemeente van het Gewest;
2° zestien jaar of ouder zijn;
3° niet het voorwerp zijn van een veroordeling of beslissing die leidt tot uitsluiting of schorsing van het stemrecht;
4° geen van de volgende ambten of functies bekleden:
a) lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, de Senaat, van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement, het Waals Parlement, het Parlement van de Franse Gemeenschap het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap, het Vlaams Parlement en het Europees Parlement;
b) lid van de federale regering, een gemeenschaps- of gewestregering, een lid van een ministerieel kabinet of een beleidscel;
c) burgemeester, schepen, gemeenteraadslid, voorzitter of raadslid van een O.C.M.W.;
d) lid van een van de Brusselse administraties belast met dossiers die aan het thema van de cyclus zijn gelinkt, en betrokken in deze dossiers;
e) een gerechtelijk ambt.
Deelnemende burgers zijn verplicht Leefmilieu Brussel zo spoedig mogelijk te informeren indien zij tijdens de werkzaamheden van de Raad niet langer aan een van de voorwaarden voor deelname voldoen. Plaatsvervangende burgers worden uitgenodigd om de burgers te vervangen die de Raad verlaten.
§ 3. De Raad komt samen per cyclus en bezorgt na afloop daarvan een rapport zoals bedoeld in paragraaf 1. Tijdens de cyclus beraadslagen de burgers gedurende een période van drie tot zes maanden en een deel van de geselecteerde burgers volgt de antwoorden op die worden gegeven aan het rapport gedurende een periode van twaalf tot vijftien maanden.
§ 4. Er wordt een ondersteuningscomité opgericht voor het opvolgen en adviseren van de Raad bij haar taken.
§ 5. Uiterlijk op 31 december 2025 legt de Regering de taken en de werking van het ondersteuningscomité en van de Raad vast.
Uiterlijk op 31 december 2025 legt de Regering de financieringsmodaliteiten van de Raad vast, met inbegrip van de vergoeding van de deelnemers.]1
Art. 1.5.2. [1 § 1er. Dans le cadre du principe de contribution citoyenne visé à l'article 1.2.5, § 2, 3°, du présent Code, une assemblée citoyenne permanente pour le climat, ci-après dénommée " Assemblée ", est créée en vue d'élaborer un rapport contenant une vision à long terme et des recommandations à court et moyen terme pour réaliser cette vision.
Le secrétariat de l'Assemblée est assuré par Bruxelles Environnement. Il lui apporte le soutien administratif et organisationnel nécessaire à la réalisation de ses missions visées à l'alinéa 1er.
L'Assemblée se compose de cent citoyens tirés au sort dans le respect des conditions mentionnées au paragraphe 2, en tenant compte:
1° d'une représentation équilibrée des genres, des langues officielles de la Région de Bruxelles-Capitale et des tranches d'âge;
2° d'un équilibre géographique; et
3° d'une mixité socioéconomique.
Les tirages au sort sont réalisés de manière indépendante et au moyen d'une technique qui assure le caractère équitable de la sélection, l'absence de biais dans la méthode de sélection utilisée et le caractère public de l'algorithme de sélection utilisé. Le Gouvernement précise la méthode de sélection et l'algorithme utilisé pour garantir l'absence de biais, et définit un pourcentage de probabilité maximal d'être tiré au sort.
Sur la base de la méthode de sélection et de l'algorithme précisés par le Gouvernement, et pour accomplir la mission d'intérêt public liée à la gestion de l'Assemblée, Bruxelles Environnement procède au tirage au sort d'un échantillon de personnes remplissant les conditions visées au § 2, 1°, 2°, 3°, et, en tant que responsable du traitement, est autorisé à accéder aux données suivantes du registre national au sens de l'article 5 de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques:
1° le nom et les prénoms;
2° le sexe;
3° l'année de naissance;
4° la résidence principale;
5° le numéro d'identification du registre national des personnes physiques.
Les citoyens tirés au sort qui souhaitent accepter l'invitation de participer à l'Assemblée communiquent par écrit leur acceptation à Bruxelles Environnement. Cette réponse d'acceptation contient toutes les informations relatives aux éléments suivants:
1° le nom;
2° le genre;
3° l'âge;
4° le domicile;
5° le niveau d'instruction et/ou la profession;
6° l'exercice ou non d'un mandat ou fonction visés au paragraphe 2, 4° ;
7° les coordonnées de contact (une adresse de courrier électronique et/ou un numéro de téléphone);
8° le comportement lié au thème du cycle.
Les données à caractère personnel relatives aux citoyens ne peuvent être utilisées que par les membres du personnel et les sous-traitants désignés par le responsable du traitement, pour la constitution et la gestion de l'Assemblée et ne peuvent pas être transmises à des tiers. Ces données sont conservées au maximum trois mois suivant l'invitation à participer pour ce qui concerne les citoyens ne participant pas à l'Assemblée et au maximum vingt-quatre mois suivant l'invitation pour ce qui concerne les citoyens participants et suppléants.
§ 2. Les citoyens remplissent, le jour de leur acceptation de participation et pour toute la durée de leur participation à l'Assemblée, les conditions suivantes:
1° être inscrits dans les registres de la population ou des étrangers dans une commune de la Région;
2° être âgés de seize ans accomplis;
3° ne pas faire l'objet d'une condamnation ou d'une décision entraînant l'exclusion ou la suspension du droit de vote;
4° n'exercer aucun des mandats ou fonctions ci-après:
a) membre de la Chambre des représentants, du Sénat, du Parlement de la Région de Bruxelles-Capitale, du Parlement de Wallonie, du Parlement de la Fédération Wallonie-Bruxelles, du Parlement de la Communauté germanophone, du Parlement flamand et du Parlement européen;
b) membre du Gouvernement fédéral, d'un gouvernement communautaire ou régional, membre d'un cabinet ministériel ou d'une cellule stratégique;
c) bourgmestre, échevin, conseiller communal, président ou conseiller d'un C.P.A.S.;
d) membre d'une des administrations bruxelloises chargées de dossiers liés à la thématique du cycle, et impliqué dans ces dossiers;
e) une fonction de l'ordre judiciaire.
Les citoyens participants ont l'obligation d'informer dans les plus brefs délais Bruxelles Environnement s'ils cessent de remplir une des conditions de participation pendant les travaux de l'Assemblée. Des citoyens suppléants sont invités à remplacer les citoyens qui quittent l'Assemblée.
§ 3. L'Assemblée se réunit par cycle, et remet à l'issue de celui-ci le rapport visé au paragraphe 1er. Durant le cycle, les citoyens délibèrent pendant une période de trois à six mois et une partie des citoyens sélectionnés parmi ceux-ci suivent les réponses données au rapport pendant une période de douze à quinze mois.
§ 4. Un comité d'accompagnement est mis en place pour suivre et conseiller l'Assemblée dans ses missions.
§ 5. Pour le 31 décembre 2025 au plus tard, le Gouvernement fixe les missions et le fonctionnement du Comité d'accompagnement et de l'Assemblée.
Pour le 31 décembre 2025 au plus tard, le Gouvernement fixe les modalités de financement de l'Assemblée, en ce compris le défraiement des participants.]1
Le secrétariat de l'Assemblée est assuré par Bruxelles Environnement. Il lui apporte le soutien administratif et organisationnel nécessaire à la réalisation de ses missions visées à l'alinéa 1er.
L'Assemblée se compose de cent citoyens tirés au sort dans le respect des conditions mentionnées au paragraphe 2, en tenant compte:
1° d'une représentation équilibrée des genres, des langues officielles de la Région de Bruxelles-Capitale et des tranches d'âge;
2° d'un équilibre géographique; et
3° d'une mixité socioéconomique.
Les tirages au sort sont réalisés de manière indépendante et au moyen d'une technique qui assure le caractère équitable de la sélection, l'absence de biais dans la méthode de sélection utilisée et le caractère public de l'algorithme de sélection utilisé. Le Gouvernement précise la méthode de sélection et l'algorithme utilisé pour garantir l'absence de biais, et définit un pourcentage de probabilité maximal d'être tiré au sort.
Sur la base de la méthode de sélection et de l'algorithme précisés par le Gouvernement, et pour accomplir la mission d'intérêt public liée à la gestion de l'Assemblée, Bruxelles Environnement procède au tirage au sort d'un échantillon de personnes remplissant les conditions visées au § 2, 1°, 2°, 3°, et, en tant que responsable du traitement, est autorisé à accéder aux données suivantes du registre national au sens de l'article 5 de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques:
1° le nom et les prénoms;
2° le sexe;
3° l'année de naissance;
4° la résidence principale;
5° le numéro d'identification du registre national des personnes physiques.
Les citoyens tirés au sort qui souhaitent accepter l'invitation de participer à l'Assemblée communiquent par écrit leur acceptation à Bruxelles Environnement. Cette réponse d'acceptation contient toutes les informations relatives aux éléments suivants:
1° le nom;
2° le genre;
3° l'âge;
4° le domicile;
5° le niveau d'instruction et/ou la profession;
6° l'exercice ou non d'un mandat ou fonction visés au paragraphe 2, 4° ;
7° les coordonnées de contact (une adresse de courrier électronique et/ou un numéro de téléphone);
8° le comportement lié au thème du cycle.
Les données à caractère personnel relatives aux citoyens ne peuvent être utilisées que par les membres du personnel et les sous-traitants désignés par le responsable du traitement, pour la constitution et la gestion de l'Assemblée et ne peuvent pas être transmises à des tiers. Ces données sont conservées au maximum trois mois suivant l'invitation à participer pour ce qui concerne les citoyens ne participant pas à l'Assemblée et au maximum vingt-quatre mois suivant l'invitation pour ce qui concerne les citoyens participants et suppléants.
§ 2. Les citoyens remplissent, le jour de leur acceptation de participation et pour toute la durée de leur participation à l'Assemblée, les conditions suivantes:
1° être inscrits dans les registres de la population ou des étrangers dans une commune de la Région;
2° être âgés de seize ans accomplis;
3° ne pas faire l'objet d'une condamnation ou d'une décision entraînant l'exclusion ou la suspension du droit de vote;
4° n'exercer aucun des mandats ou fonctions ci-après:
a) membre de la Chambre des représentants, du Sénat, du Parlement de la Région de Bruxelles-Capitale, du Parlement de Wallonie, du Parlement de la Fédération Wallonie-Bruxelles, du Parlement de la Communauté germanophone, du Parlement flamand et du Parlement européen;
b) membre du Gouvernement fédéral, d'un gouvernement communautaire ou régional, membre d'un cabinet ministériel ou d'une cellule stratégique;
c) bourgmestre, échevin, conseiller communal, président ou conseiller d'un C.P.A.S.;
d) membre d'une des administrations bruxelloises chargées de dossiers liés à la thématique du cycle, et impliqué dans ces dossiers;
e) une fonction de l'ordre judiciaire.
Les citoyens participants ont l'obligation d'informer dans les plus brefs délais Bruxelles Environnement s'ils cessent de remplir une des conditions de participation pendant les travaux de l'Assemblée. Des citoyens suppléants sont invités à remplacer les citoyens qui quittent l'Assemblée.
§ 3. L'Assemblée se réunit par cycle, et remet à l'issue de celui-ci le rapport visé au paragraphe 1er. Durant le cycle, les citoyens délibèrent pendant une période de trois à six mois et une partie des citoyens sélectionnés parmi ceux-ci suivent les réponses données au rapport pendant une période de douze à quinze mois.
§ 4. Un comité d'accompagnement est mis en place pour suivre et conseiller l'Assemblée dans ses missions.
§ 5. Pour le 31 décembre 2025 au plus tard, le Gouvernement fixe les missions et le fonctionnement du Comité d'accompagnement et de l'Assemblée.
Pour le 31 décembre 2025 au plus tard, le Gouvernement fixe les modalités de financement de l'Assemblée, en ce compris le défraiement des participants.]1
TITEL 6. - Toegang tot de informatie
TITRE 6. - Accès à l'information
Art. 1.6.1. Op vraag van [1 Leefmilieu Brussel]1, delen de overheden, binnen de kortst mogelijke termijnen, de informatie mee die noodzakelijk geacht wordt voor de follow-up van de uitvoering van het gewestelijk Lucht-Klimaat-Energieplan en voor de naleving van de Europese en internationale verplichtingen die het Gewest inzake rapportering dient na te leven.
Art. 1.6.1. Sur demande de [1 Bruxelles Environnement]1, les pouvoirs publics communiquent, dans les meilleurs délais, les informations jugées nécessaires afin d'assurer le suivi de la mise en oeuvre du plan régional air-climat-énergie et de respecter les obligations européennes et internationales imposées à la Région en matière de rapportage.
Wijzigingen
BIJLAGEN aan het boek 1
ANNEXES au livre 1er.
Art. N1. 1. BIJLAGE 1.1 - Structuur en minimuminhoud van het lucht-klimaat-energieplan
I. Het gewestelijk lucht-klimaat-energieplan, hierna " het plan " genoemd, steunt op de volgende kernelementen :
1) De stand van zaken inzake lucht, klimaat en energie in de Brusselse context en de verwachte evolutie bij ongewijzigd beleid.
2) De belangrijkste sociaaleconomische en milieu-eigenschappen van het Brussels Gewest die de stand van zaken vermeld in punt 1 bepalen.
3) De doelstellingen die op korte, middellange en lange termijn worden nagestreefd op het vlak van :
- beheersing van het energieverbruik;
- verbetering van de energie-efficiëntie van de gebouwen;
- verhoging van de energieproductie uit hernieuwbare bronnen en het gebruik van dat type energie;
- vermindering van de impact op het milieu van de mobiliteitsbehoeften;
- daling van de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen;
- verbetering van de luchtkwaliteit;
- daling van de emissies van broeikasgassen.
4) De richtsnoeren die aan de basis van het plan liggen.
5) De omstandige beschrijving van de voorgestelde maatregelen om de in het plan beoogde doelstellingen te bereiken.
6) De planning van de te ondernemen acties en de identificatie van de betrokken actoren.
7) De raming van de middelen die nodig zijn voor de uitvoering van het plan.
II. Het plan wordt overkoepelend opgesteld en wijst uitdrukkelijk op de verbanden tussen het energieverbruik en de mobiliteitsbehoeften, de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen, de luchtkwaliteit en de klimaatveranderingen.
Het omvat minstens de volgende elementen :
1) Een beknopte beschrijving van de huidige situatie en van de evolutie van het verbruik van producten, exploitatie van installaties, energieproductie en -verbruik in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, alsook de volgende elementen :
a) De evaluatie van de maatregelen met het oog op de vermindering van het energieverbruik, de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen en de toegankelijkheid van de energie voor iedereen.
b) De evaluatie van de milieumaatregelen op het vlak van transport.
c) De gegevens betreffende het transport die relevant zijn in termen van luchtvervuiling.
d) De evaluatie van de emissies voortvloeiend uit de energie- en mobiliteitsbehoeften.
2) De maatregelen tot vermindering van het verbruik van producten, de exploitatie van installaties, de energieproductie en -verbruik.
In dat kader omvat het plan, in overeenstemming met de geldende Europese Richtlijnen, het volgende :
a) Op het vlak van de energieprestatie van de gebouwen :
i) tussentijdse doelstellingen om de energieprestatie van de nieuwe gebouwen te verbeteren;
ii) een gedetailleerde beschrijving van de toepassing, in de praktijk, van de definitie van de " zero energie "-verbruikgebouwen die een numerieke indicator van het primaire energieverbruik uitgedrukt in kwh/m2 omvat;
iii) de maatregelen ter bevordering van de " zero energie "-verbruikgebouwen, met inbegrip van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen.
[2 iv) de maatregelen in het kader van de langetermijnrenovatiestrategie :
De langetermijnrenovatiestrategie draagt ertoe bij dat vóór het einde van 2050 het nationale bestand van zowel openbare als particuliere al dan niet voor bewoning bestemde gebouwen tot een in hoge mate energie-efficiënt en koolstofvrij gebouwenbestand is gerenoveerd.
De langetermijnrenovatiestrategie omvat :
- een overzicht van het Brusselse gebouwenbestand op basis, waar passend, van statistische steekproeven en het verwachte aandeel van gerenoveerde gebouwen in 2020 ;
- de identificatie van kosteneffectieve wijzen van aanpak van renovatie naargelang het type gebouw en het klimaat, waarbij in voorkomend geval rekening wordt gehouden met relevante interventiemomenten in de levenscyclus van het gebouw ;
- beleid en acties om kosteneffectieve grondige renovatie van gebouwen, onder meer in gefaseerde vorm, te stimuleren en gerichte kosteneffectieve maatregelen en renovatie te ondersteunen, bijvoorbeeld door de invoering van een facultatieve regeling voor gebouwrenovatiepaspoorten ;
- een overzicht van beleidsmaatregelen en acties die zijn gericht op de slechtst presterende onderdelen van het nationale gebouwenbestand, dilemma's in verband met gescheiden prikkels, en marktfalen, alsmede een overzicht van relevante nationale acties die energiearmoede helpen te verminderen ;
- beleidsmaatregelen en acties gericht op alle openbare gebouwen ;
- een overzicht van nationale initiatieven ter bevordering van slimme technologieën en goed verbonden gebouwen en gemeenschappen, evenals vaardigheden en onderwijs in de bouw- en energie-efficiëntiesectoren ; en
- een empirisch onderbouwde raming van de verwachte energiebesparing en de voordelen in ruimere zin, bijvoorbeeld op het gebied van gezondheid, veiligheid en luchtkwaliteit.
In het kader van de langetermijnrenovatiestrategie wordt een stappenplan vastgelegd met maatregelen en meetbare voortgangsindicatoren met het oog op de Europese langetermijndoelstelling voor 2050 om de broeikasgasemissies te verminderen, teneinde een in hoge mate energie-efficiënt en koolstofvrij gebouwenbestand tot stand te brengen en de kosteneffectieve transformatie van bestaande gebouwen in bijna-energieneutrale gebouwen te bevorderen. In het stappenplan worden indicatieve mijlpalen voor 2030, 2040 en 2050 opgenomen en wordt nader bepaald hoe deze bijdragen tot de verwezenlijking van de Europese energie-efficiëntiedoelstellingen.
Ter ondersteuning van de mobilisering van investeringen in de renovatie worden passende mechanismen ingevoerd om :
- projecten samen te voegen, onder meer via investeringsplatforms of -groepen, en consortia van kleine en middelgrote ondernemingen, met het oog op toegang voor investeerders en pakketoplossingen voor potentiële klanten ;
- het vermeende risico voor investeerders en de particuliere sector in verband met energie-efficiëntiewerkzaamheden te verkleinen ;
- publieke middelen als hefboom te gebruiken voor aanvullende particuliere investeringen of om specifieke tekortkomingen van de markt aan te pakken ;
- investeringen in een energie-efficiënt openbaar gebouwenbestand te leiden, in overeenstemming met de richtsnoeren van Eurostat ; en
- toegankelijke en transparante adviesinstrumenten te bieden, zoals centrale aanspreekpunten voor consumenten en energieadviesdiensten, in verband met op energie-efficiëntie gerichte renovaties en financieringsinstrumenten.]2
b) Op het vlak van de energie-efficiëntie :
i) de maatregelen die de vooropgestelde energie-efficiëntie dienen te verbeteren om de gewestelijke doelstelling op het vlak van energiebesparing te halen;
ii) de maatregelen die gevolg geven aan de verplichtingen voorzien in onderhavig Wetboek op het vlak van het voorbeeldgedrag van de overheden en het verstrekken van informatie en advies aan de eindafnemers.
[1 c) Op het vlak van emissies van luchtverontreinigende stoffen :
i) beleid en maatregelen om de emissies van luchtverontreinigende stoffen te beperken.]1
3) De maatregelen die energie uit hernieuwbare bronnen en het gebruik van dat type energie op het grondgebied van het Gewest bevorderen en in dat kader :
a) De informatie betreffende het aandeel van de energie uit hernieuwbare bronnen in het voorziene eindenergieverbruik, met name het bruto-eindverbruik van energie voor elektriciteit, vervoer, verwarming en koeling in 2020 [3 en 2030]3, rekening houdend met het effect van beleidsmaatregelen inzake energie-efficiëntie.
b) De sectorale doelstellingen voor 2020 [3 en 2030]3 en de geraamde evolutie van het aandeel van de energie uit hernieuwbare bronnen voor elektriciteit, verwarming, koeling en transport.
4) De maatregelen tot vermindering van de emissies van luchtverontreinigende stoffen en broeikasgassen voortvloeiend uit de mobiliteitsbehoeften.
5) De maatregelen voor toezicht op en beheer van de luchtkwaliteit; overeenkomstig de Europese normen, vermeldt het plan op dat vlak volgende gegevens :
a) De plaatsen waar de luchtkwaliteitsnormen eventueel overschreden worden, per zone en meetstation (kaart, geografische coördinaten).
b) De volgende algemene informatie :
- Soort gebied (stad, industriezone of landelijk gebied).
- Raming van de omvang van het verontreinigde gebied (km2) en van de bevolking die aan de verontreiniging is blootgesteld.
- Relevante klimatologische gegevens.
Relevante topografische gegevens.
- Voldoende gegevens over de beschermingsbehoeften in het betrokken gebied.
c) De aard en de beoordeling van de verontreiniging : in de voorgaande jaren waargenomen concentraties (vóór de tenuitvoerlegging van de maatregelen ter verbetering), sedert de start van het project gemeten concentraties alsook de technieken die voor de beoordeling worden gebruikt.
d) De bronnen van de verontreiniging : de lijst van de belangrijkste emissiebronnen die verantwoordelijk zijn voor de verontreiniging (kaart), de totale emissie van deze bronnen (ton/jaar), en informatie over de verontreiniging vanuit andere gebieden.
e) De analyse van de situatie : bijzonderheden over de factoren die verantwoordelijk zijn voor de overschrijding (bv. vervoer, ook grensoverschrijdend; vorming van secundaire verontreinigende stoffen in de atmosfeer), en mogelijke maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit.
f) Bijzonderheden over de verbeteringsmaatregelen of -projecten alvorens het ontwerp van plan wordt opgesteld : de plaatselijke, gewestelijke, nationale en internationale maatregelen en de waargenomen gevolgen van deze maatregelen.
g) Bijzonderheden over goedgekeurde maatregelen of projecten ter beperking van de verontreiniging alvorens het ontwerp van plan wordt opgesteld : opsomming en beschrijving van alle maatregelen die zijn opgenomen in het project, tijdschema voor de uitvoering en raming van de verwachte verbetering van de luchtkwaliteit en van de tijd die nodig is om die doelstellingen te realiseren.
h) Bijzonderheden over de maatregelen of projecten die voor de lange termijn worden gepland of overwogen.
i) De lijst van publicaties, documenten, werkzaamheden, enz. ter aanvulling van de in deze bijlage vereiste informatie.
6) Een beschrijving van de problematiek van de klimaatveranderingen en van de maatregelen om zich aan die klimaatveranderingen aan te passen.
7) De mechanismen om de emissierechten van broeikasgassen te financieren, te volgen en te beheren.
8) De mechanismen om de ontwikkelingslanden financieel en technologisch te ondersteunen om de klimaatveranderingen te bestrijden en zich aan die situatie aan te passen.
9) De punten waarover overleg zal worden gepleegd met de overige entiteiten om de doelstellingen uiteengezet in punt 1 te bereiken.
10) De voorwaarden voor de actieve bekendmaking van de informatie over lucht, klimaat en energie, met inbegrip van de gegevens ingezameld met toepassing van de verordening (EG) 2008/1099 van 22 oktober 2008 betreffende energiestatistieken.
I. Het gewestelijk lucht-klimaat-energieplan, hierna " het plan " genoemd, steunt op de volgende kernelementen :
1) De stand van zaken inzake lucht, klimaat en energie in de Brusselse context en de verwachte evolutie bij ongewijzigd beleid.
2) De belangrijkste sociaaleconomische en milieu-eigenschappen van het Brussels Gewest die de stand van zaken vermeld in punt 1 bepalen.
3) De doelstellingen die op korte, middellange en lange termijn worden nagestreefd op het vlak van :
- beheersing van het energieverbruik;
- verbetering van de energie-efficiëntie van de gebouwen;
- verhoging van de energieproductie uit hernieuwbare bronnen en het gebruik van dat type energie;
- vermindering van de impact op het milieu van de mobiliteitsbehoeften;
- daling van de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen;
- verbetering van de luchtkwaliteit;
- daling van de emissies van broeikasgassen.
4) De richtsnoeren die aan de basis van het plan liggen.
5) De omstandige beschrijving van de voorgestelde maatregelen om de in het plan beoogde doelstellingen te bereiken.
6) De planning van de te ondernemen acties en de identificatie van de betrokken actoren.
7) De raming van de middelen die nodig zijn voor de uitvoering van het plan.
II. Het plan wordt overkoepelend opgesteld en wijst uitdrukkelijk op de verbanden tussen het energieverbruik en de mobiliteitsbehoeften, de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen, de luchtkwaliteit en de klimaatveranderingen.
Het omvat minstens de volgende elementen :
1) Een beknopte beschrijving van de huidige situatie en van de evolutie van het verbruik van producten, exploitatie van installaties, energieproductie en -verbruik in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, alsook de volgende elementen :
a) De evaluatie van de maatregelen met het oog op de vermindering van het energieverbruik, de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen en de toegankelijkheid van de energie voor iedereen.
b) De evaluatie van de milieumaatregelen op het vlak van transport.
c) De gegevens betreffende het transport die relevant zijn in termen van luchtvervuiling.
d) De evaluatie van de emissies voortvloeiend uit de energie- en mobiliteitsbehoeften.
2) De maatregelen tot vermindering van het verbruik van producten, de exploitatie van installaties, de energieproductie en -verbruik.
In dat kader omvat het plan, in overeenstemming met de geldende Europese Richtlijnen, het volgende :
a) Op het vlak van de energieprestatie van de gebouwen :
i) tussentijdse doelstellingen om de energieprestatie van de nieuwe gebouwen te verbeteren;
ii) een gedetailleerde beschrijving van de toepassing, in de praktijk, van de definitie van de " zero energie "-verbruikgebouwen die een numerieke indicator van het primaire energieverbruik uitgedrukt in kwh/m2 omvat;
iii) de maatregelen ter bevordering van de " zero energie "-verbruikgebouwen, met inbegrip van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen.
[2 iv) de maatregelen in het kader van de langetermijnrenovatiestrategie :
De langetermijnrenovatiestrategie draagt ertoe bij dat vóór het einde van 2050 het nationale bestand van zowel openbare als particuliere al dan niet voor bewoning bestemde gebouwen tot een in hoge mate energie-efficiënt en koolstofvrij gebouwenbestand is gerenoveerd.
De langetermijnrenovatiestrategie omvat :
- een overzicht van het Brusselse gebouwenbestand op basis, waar passend, van statistische steekproeven en het verwachte aandeel van gerenoveerde gebouwen in 2020 ;
- de identificatie van kosteneffectieve wijzen van aanpak van renovatie naargelang het type gebouw en het klimaat, waarbij in voorkomend geval rekening wordt gehouden met relevante interventiemomenten in de levenscyclus van het gebouw ;
- beleid en acties om kosteneffectieve grondige renovatie van gebouwen, onder meer in gefaseerde vorm, te stimuleren en gerichte kosteneffectieve maatregelen en renovatie te ondersteunen, bijvoorbeeld door de invoering van een facultatieve regeling voor gebouwrenovatiepaspoorten ;
- een overzicht van beleidsmaatregelen en acties die zijn gericht op de slechtst presterende onderdelen van het nationale gebouwenbestand, dilemma's in verband met gescheiden prikkels, en marktfalen, alsmede een overzicht van relevante nationale acties die energiearmoede helpen te verminderen ;
- beleidsmaatregelen en acties gericht op alle openbare gebouwen ;
- een overzicht van nationale initiatieven ter bevordering van slimme technologieën en goed verbonden gebouwen en gemeenschappen, evenals vaardigheden en onderwijs in de bouw- en energie-efficiëntiesectoren ; en
- een empirisch onderbouwde raming van de verwachte energiebesparing en de voordelen in ruimere zin, bijvoorbeeld op het gebied van gezondheid, veiligheid en luchtkwaliteit.
In het kader van de langetermijnrenovatiestrategie wordt een stappenplan vastgelegd met maatregelen en meetbare voortgangsindicatoren met het oog op de Europese langetermijndoelstelling voor 2050 om de broeikasgasemissies te verminderen, teneinde een in hoge mate energie-efficiënt en koolstofvrij gebouwenbestand tot stand te brengen en de kosteneffectieve transformatie van bestaande gebouwen in bijna-energieneutrale gebouwen te bevorderen. In het stappenplan worden indicatieve mijlpalen voor 2030, 2040 en 2050 opgenomen en wordt nader bepaald hoe deze bijdragen tot de verwezenlijking van de Europese energie-efficiëntiedoelstellingen.
Ter ondersteuning van de mobilisering van investeringen in de renovatie worden passende mechanismen ingevoerd om :
- projecten samen te voegen, onder meer via investeringsplatforms of -groepen, en consortia van kleine en middelgrote ondernemingen, met het oog op toegang voor investeerders en pakketoplossingen voor potentiële klanten ;
- het vermeende risico voor investeerders en de particuliere sector in verband met energie-efficiëntiewerkzaamheden te verkleinen ;
- publieke middelen als hefboom te gebruiken voor aanvullende particuliere investeringen of om specifieke tekortkomingen van de markt aan te pakken ;
- investeringen in een energie-efficiënt openbaar gebouwenbestand te leiden, in overeenstemming met de richtsnoeren van Eurostat ; en
- toegankelijke en transparante adviesinstrumenten te bieden, zoals centrale aanspreekpunten voor consumenten en energieadviesdiensten, in verband met op energie-efficiëntie gerichte renovaties en financieringsinstrumenten.]2
b) Op het vlak van de energie-efficiëntie :
i) de maatregelen die de vooropgestelde energie-efficiëntie dienen te verbeteren om de gewestelijke doelstelling op het vlak van energiebesparing te halen;
ii) de maatregelen die gevolg geven aan de verplichtingen voorzien in onderhavig Wetboek op het vlak van het voorbeeldgedrag van de overheden en het verstrekken van informatie en advies aan de eindafnemers.
[1 c) Op het vlak van emissies van luchtverontreinigende stoffen :
i) beleid en maatregelen om de emissies van luchtverontreinigende stoffen te beperken.]1
3) De maatregelen die energie uit hernieuwbare bronnen en het gebruik van dat type energie op het grondgebied van het Gewest bevorderen en in dat kader :
a) De informatie betreffende het aandeel van de energie uit hernieuwbare bronnen in het voorziene eindenergieverbruik, met name het bruto-eindverbruik van energie voor elektriciteit, vervoer, verwarming en koeling in 2020 [3 en 2030]3, rekening houdend met het effect van beleidsmaatregelen inzake energie-efficiëntie.
b) De sectorale doelstellingen voor 2020 [3 en 2030]3 en de geraamde evolutie van het aandeel van de energie uit hernieuwbare bronnen voor elektriciteit, verwarming, koeling en transport.
4) De maatregelen tot vermindering van de emissies van luchtverontreinigende stoffen en broeikasgassen voortvloeiend uit de mobiliteitsbehoeften.
5) De maatregelen voor toezicht op en beheer van de luchtkwaliteit; overeenkomstig de Europese normen, vermeldt het plan op dat vlak volgende gegevens :
a) De plaatsen waar de luchtkwaliteitsnormen eventueel overschreden worden, per zone en meetstation (kaart, geografische coördinaten).
b) De volgende algemene informatie :
- Soort gebied (stad, industriezone of landelijk gebied).
- Raming van de omvang van het verontreinigde gebied (km2) en van de bevolking die aan de verontreiniging is blootgesteld.
- Relevante klimatologische gegevens.
Relevante topografische gegevens.
- Voldoende gegevens over de beschermingsbehoeften in het betrokken gebied.
c) De aard en de beoordeling van de verontreiniging : in de voorgaande jaren waargenomen concentraties (vóór de tenuitvoerlegging van de maatregelen ter verbetering), sedert de start van het project gemeten concentraties alsook de technieken die voor de beoordeling worden gebruikt.
d) De bronnen van de verontreiniging : de lijst van de belangrijkste emissiebronnen die verantwoordelijk zijn voor de verontreiniging (kaart), de totale emissie van deze bronnen (ton/jaar), en informatie over de verontreiniging vanuit andere gebieden.
e) De analyse van de situatie : bijzonderheden over de factoren die verantwoordelijk zijn voor de overschrijding (bv. vervoer, ook grensoverschrijdend; vorming van secundaire verontreinigende stoffen in de atmosfeer), en mogelijke maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit.
f) Bijzonderheden over de verbeteringsmaatregelen of -projecten alvorens het ontwerp van plan wordt opgesteld : de plaatselijke, gewestelijke, nationale en internationale maatregelen en de waargenomen gevolgen van deze maatregelen.
g) Bijzonderheden over goedgekeurde maatregelen of projecten ter beperking van de verontreiniging alvorens het ontwerp van plan wordt opgesteld : opsomming en beschrijving van alle maatregelen die zijn opgenomen in het project, tijdschema voor de uitvoering en raming van de verwachte verbetering van de luchtkwaliteit en van de tijd die nodig is om die doelstellingen te realiseren.
h) Bijzonderheden over de maatregelen of projecten die voor de lange termijn worden gepland of overwogen.
i) De lijst van publicaties, documenten, werkzaamheden, enz. ter aanvulling van de in deze bijlage vereiste informatie.
6) Een beschrijving van de problematiek van de klimaatveranderingen en van de maatregelen om zich aan die klimaatveranderingen aan te passen.
7) De mechanismen om de emissierechten van broeikasgassen te financieren, te volgen en te beheren.
8) De mechanismen om de ontwikkelingslanden financieel en technologisch te ondersteunen om de klimaatveranderingen te bestrijden en zich aan die situatie aan te passen.
9) De punten waarover overleg zal worden gepleegd met de overige entiteiten om de doelstellingen uiteengezet in punt 1 te bereiken.
10) De voorwaarden voor de actieve bekendmaking van de informatie over lucht, klimaat en energie, met inbegrip van de gegevens ingezameld met toepassing van de verordening (EG) 2008/1099 van 22 oktober 2008 betreffende energiestatistieken.
Wijzigingen
Gewijzigd bij :
Het milieu-effectenrapport dient de volgende informatie te verstrekken :
1) De beschrijving van de verwachte gevolgen voor het milieu in geval van ongewijzigd beleid.
2) De doelstellingen inzake milieubescherming vastgelegd op internationaal, communautair of gewestelijk niveau die relevant zijn voor het plan en de wijze waarop die doelstellingen en de zorg voor het milieu in acht zijn genomen tijdens de opstellen ervan.
3) De samenvatting van de doelstellingen die het plan nastreeft, de voorgestelde maatregelen om die doelstellingen te bereiken en de relevante verbanden met de overige plannen en programma's.
4) Wat de door het plan voorgestelde maatregelen betreft, een beschrijving van :
a) de geschiktheid van die maatregelen voor de doelstellingen die het plan nastreeft;
b) de mogelijke positieve en negatieve gevolgen voortvloeiend uit de toepassing van de maatregelen op korte, middellange en lange termijn;
c) de voorgenomen maatregelen om de aanzienlijke negatieve effecten op het milieu van de geplande maatregelen te voorkomen, te beperken of teniet te doen;
d) de milieukenmerken van gebieden waarvoor de gevolgen aanzienlijk kunnen zijn.
5) Een overzicht van de redenen voor de selectie van de overwogen oplossingen en een beschrijving van de wijze waarop de beoordeling is uitgevoerd.
6) Een beschrijving van de voorgenomen monitoringsmaatregelen.
7) Een niet-technische samenvatting van de in de bovenstaande punten verstrekte informatie.
Art. N1. 1. ANNEXE 1.1 - Structure et contenu minimum du plan régional Air-Climat-énergie
I. Le plan régional air-climat-énergie, ci-après dénommé " le plan ", s'articule autour des axes suivants :
1) L'état des lieux en matière d'air, de climat et d'énergie dans le contexte bruxellois ainsi que les prévisions d'évolution en politique inchangée.
2) Les principales caractéristiques socio-économiques et environnementales de la Région bruxelloise qui déterminent l'état des lieux mentionné au point 1.
3) Les objectifs poursuivis à court, moyen et long terme, en matière :
- de maîtrise des consommations d'énergie;
- d'amélioration de l'efficacité énergétique des bâtiments;
- d'augmentation de la production d'énergie à partir de sources renouvelables et de la consommation de ce type d'énergie;
- de diminution de l'impact environnemental des besoins en mobilité;
- de diminution des émissions de polluants atmosphériques;
- d'amélioration de la qualité de l'air;
- de diminution des émissions de gaz à effet de serre.
4) Les lignes directrices qui ont guidé la rédaction du plan.
5) La description détaillée des mesures proposées en vue d'atteindre les objectifs visés par le plan.
6) Le calendrier des actions à mener et l'identification des acteurs concernés.
7) L'estimation des moyens nécessaires à la mise en oeuvre du plan.
II. Le plan est rédigé de manière intégrée, et met en exergue les liens entre les consommations énergétiques et besoins en mobilité, les émissions de polluants atmosphériques, la qualité de l'air et les changements climatiques.
Il comprend à tout le moins les éléments suivants :
1) Une brève description de l'état des lieux et de l'évolution de la consommation de produits, de l'exploitation d'installations, de la production et de la consommation d'énergie en Région de Bruxelles-Capitale, ainsi que des éléments suivants :
a) L'évaluation des mesures prises en matière de réduction des consommations d'énergie, de promotion de l'énergie produite à partir de sources renouvelables et d'accessibilité pour tous à l'énergie.
b) L'évaluation des mesures environnementales prises en matière de transport.
c) Les données relatives au transport et pertinentes en termes de pollution atmosphérique.
d) L'évaluation des émissions résultant des besoins en énergie et en mobilité.
2) Les mesures de réduction de la consommation de produits, de l'exploitation d'installations, de la production et consommation d'énergie.
Dans ce cadre, conformément aux Directive s européennes en vigueur, le plan inclut ce qui suit :
a) En matière de performance énergétique des bâtiments :
i) des objectifs intermédiaires pour améliorer la performance énergétique des bâtiments neufs;
ii) un descriptif de l'application, en pratique, de la définition des bâtiments à consommation " zéro énergie ", qui comporte un indicateur numérique d'utilisation d'énergie primaire exprimé en kWh/m2;
iii) les mesures qui promeuvent les bâtiments à consommation " zéro énergie ", en ce compris l'utilisation d'énergie produite à partir de sources renouvelables.
[2 iv) les mesures inscrites dans le cadre de la stratégie de rénovation à long terme :
La stratégie de rénovation à long terme vise à soutenir la rénovation du parc bruxellois de bâtiments résidentiels et non résidentiels, tant publics que privés, en vue de la constitution d'un parc immobilier à haute efficacité énergétique et décarboné d'ici à 2050.
La stratégie de rénovation à long terme comprend :
- un aperçu du parc immobilier bruxellois, basé le cas échéant sur un échantillonnage statistique et la proportion escomptée de bâtiments rénovés en 2020 ;
- l'inventaire des approches de rénovation rentables qui sont adaptées au type de bâtiment et à la zone climatique, compte tenu des seuils de déclenchement pertinents potentiels, le cas échéant, dans le cycle de vie du bâtiment ;
- des politiques et des actions visant à stimuler des rénovations lourdes de bâtiments rentables, y compris des rénovations lourdes par étapes, et à soutenir des mesures et des rénovations ciblées rentables, par exemple par la mise en place d'un système facultatif de passeports de rénovation du bâtiment ;
- un aperçu des politiques et des actions ciblant les segments les moins performants du parc immobilier bruxellois, les dilemmes de divergence d'intérêts et les défaillances du marché, ainsi qu'une brève présentation des actions pertinentes qui contribuent à atténuer la précarité énergétique ;
- des politiques et des actions visant tous les bâtiments publics ;
- un aperçu des initiatives visant à promouvoir les technologies intelligentes et des bâtiments et communautés bien connectés, ainsi que les compétences et la formation dans les secteurs de la construction et de l'efficacité énergétique ; et
- une estimation, fondée sur des éléments tangibles, des économies d'énergie attendues et des bénéfices plus larges escomptés, par exemple dans les domaines de la santé, de la sécurité et de la qualité de l'air.
Dans le cadre de la stratégie de rénovation à long terme est établie une feuille de route comportant des mesures et des indicateurs de progrès mesurables, afin de garantir la constitution d'un parc immobilier hautement efficace sur le plan énergétique et décarboné et de faciliter la transformation rentable de bâtiments existants en bâtiments dont la consommation d'énergie est quasi nulle, en vue d'atteindre, d'ici à 2050, l'objectif européen à long terme de réduction des émissions de gaz à effet de serre. La feuille de route prévoit des jalons indicatifs pour 2030, 2040 et 2050 et précise la manière dont ces jalons contribuent à la réalisation des objectifs européens en matière d'efficacité énergétique.
Afin de soutenir la mobilisation des investissements dans les travaux de rénovation, sont mis en place des mécanismes appropriés visant à permettre :
- l'agrégation des projets, notamment au moyen de plateformes ou de groupes d'investissement et de consortiums de petites et moyennes entreprises, afin de permettre l'accès des investisseurs et d'offrir des solutions globales aux clients potentiels ;
- la réduction du risque lié aux opérations en matière d'efficacité énergétique perçu par les investisseurs et le secteur privé ;
- l'utilisation de fonds publics pour attirer des investissements supplémentaires en provenance du secteur privé ou remédier à certaines défaillances du marché ;
- l'orientation des investissements vers la constitution d'un parc de bâtiments publics efficace sur le plan énergétique, conformément aux orientations d'Eurostat ; et
- la mise en place d'outils de conseil accessibles et transparents, tels que des guichets uniques pour les consommateurs et des services de conseil en matière d'énergie, concernant les rénovations pertinentes visant à améliorer l'efficacité énergétique et les instruments financiers disponibles.]2
b) En matière d'efficacité énergétique :
i) les mesures visant à améliorer l'efficacité énergétique projetées pour rencontrer l'objectif régional d'économie d'énergie;
ii) les mesures visant à répondre aux obligations prévues par le présent Code en matière d'exemplarité des pouvoirs publics, de fourniture d'informations et de conseil aux clients finaux.
[1 c) En matière d'émissions de polluants atmosphériques :
i) les politiques et mesures visant à limiter les émissions de polluants atmosphériques.]1
3) Les mesures de promotion de la production d'énergie à partir de sources renouvelables et de la consommation de ce type d'énergie sur le territoire de la Région, et dans ce cadre :
a) Les informations relatives à la part de l'énergie produite à partir de sources renouvelables dans la consommation finale d'énergie prévue, à savoir la consommation finale brute d'énergie pour l'électricité, les transports, le chauffage et le refroidissement pour 2020 [3 et 2030]3, en tenant compte des effets des mesures prises en matière d'efficacité énergétique.
b) Les objectifs sectoriels pour 2020 [3 et 2030]3 et les trajectoires estimées des parts de l'énergie produite à partir de sources renouvelables pour l'électricité, le chauffage et le refroidissement et pour les transports.
4) Les mesures qui visent à réduire les émissions de polluants atmosphériques et de gaz à effet de serre résultant des besoins en mobilité.
5) Les mesures de surveillance et de gestion de la qualité de l'air; conformément aux normes européennes, le plan mentionne à cet égard les données suivantes :
a) Les lieux de dépassement éventuels des normes de qualité de l'air, par zone et station de mesure (carte, coordonnées géographiques).
b) Les informations générales suivantes :
- Type de zone (ville, zone industrielle ou rurale).
- Estimation de la superficie polluée (en km2) et de la population exposée à la pollution.
- Données climatiques utiles.
- Données topographiques utiles.
- Renseignements suffisants concernant le type d'éléments cibles de la zone concernée qui doivent être protégés.
c) La nature et l'évaluation de la pollution atmosphérique : les concentrations enregistrées les années précédentes (avant la mise en oeuvre de mesures d'amélioration de la qualité de l'air ambiant), les concentrations mesurées depuis le lancement du projet ainsi que les techniques utilisées pour l'évaluation.
d) Les origines de la pollution : la liste des principales sources d'émission responsables de la pollution (carte), la quantité totale d'émissions provenant de ces sources (en tonnes par an), et les renseignements sur la pollution en provenance d'autres régions.
e) L'analyse de la situation : précisions concernant les facteurs responsables du dépassement (par exemple transport du polluant, y inclus les transports transfrontaliers, formation de particules secondaires dans l'atmosphère) et les mesures envisageables pour améliorer la qualité de l'air.
f) Les informations sur les mesures ou projets d'amélioration antérieurs au projet de plan : les mesures locales, régionales, nationales et internationales et les effets observés de ces mesures.
g) Les informations concernant les mesures ou projets visant à réduire la pollution adoptés antérieurement au projet de plan : la liste et description de toutes les mesures prévues dans le projet, le calendrier de mise en oeuvre, et l'estimation de l'amélioration de la qualité de l'air escomptée et du délai prévu pour la réalisation de ces objectifs.
h) Les informations sur les mesures ou projets prévus ou envisagés à long terme.
i) La liste des publications, documents, travaux complétant les informations demandées ci-dessus.
6) Une description de la problématique des changements climatiques ainsi que des mesures destinées à s'adapter à ces changements climatiques.
7) Les mécanismes de financement, de suivi et de gestion prévus en matière de droits d'émission des gaz à effet de serre.
8) Les mécanismes de soutien financier et technologique aux pays en voie de développement en vue de lutter contre les changements climatiques et de s'adapter à ceux-ci.
9) Les points qui feront l'objet d'une concertation avec les autres entités pour atteindre les objectifs détaillés au point 1.
10) Les modalités de la publicité active réservée aux informations relatives à l'air, au climat et à l'énergie, en ce compris les données collectées en application du règlement (CE) 2008/1099 du 22 octobre 2008 concernant les statistiques de l'énergie.
I. Le plan régional air-climat-énergie, ci-après dénommé " le plan ", s'articule autour des axes suivants :
1) L'état des lieux en matière d'air, de climat et d'énergie dans le contexte bruxellois ainsi que les prévisions d'évolution en politique inchangée.
2) Les principales caractéristiques socio-économiques et environnementales de la Région bruxelloise qui déterminent l'état des lieux mentionné au point 1.
3) Les objectifs poursuivis à court, moyen et long terme, en matière :
- de maîtrise des consommations d'énergie;
- d'amélioration de l'efficacité énergétique des bâtiments;
- d'augmentation de la production d'énergie à partir de sources renouvelables et de la consommation de ce type d'énergie;
- de diminution de l'impact environnemental des besoins en mobilité;
- de diminution des émissions de polluants atmosphériques;
- d'amélioration de la qualité de l'air;
- de diminution des émissions de gaz à effet de serre.
4) Les lignes directrices qui ont guidé la rédaction du plan.
5) La description détaillée des mesures proposées en vue d'atteindre les objectifs visés par le plan.
6) Le calendrier des actions à mener et l'identification des acteurs concernés.
7) L'estimation des moyens nécessaires à la mise en oeuvre du plan.
II. Le plan est rédigé de manière intégrée, et met en exergue les liens entre les consommations énergétiques et besoins en mobilité, les émissions de polluants atmosphériques, la qualité de l'air et les changements climatiques.
Il comprend à tout le moins les éléments suivants :
1) Une brève description de l'état des lieux et de l'évolution de la consommation de produits, de l'exploitation d'installations, de la production et de la consommation d'énergie en Région de Bruxelles-Capitale, ainsi que des éléments suivants :
a) L'évaluation des mesures prises en matière de réduction des consommations d'énergie, de promotion de l'énergie produite à partir de sources renouvelables et d'accessibilité pour tous à l'énergie.
b) L'évaluation des mesures environnementales prises en matière de transport.
c) Les données relatives au transport et pertinentes en termes de pollution atmosphérique.
d) L'évaluation des émissions résultant des besoins en énergie et en mobilité.
2) Les mesures de réduction de la consommation de produits, de l'exploitation d'installations, de la production et consommation d'énergie.
Dans ce cadre, conformément aux Directive s européennes en vigueur, le plan inclut ce qui suit :
a) En matière de performance énergétique des bâtiments :
i) des objectifs intermédiaires pour améliorer la performance énergétique des bâtiments neufs;
ii) un descriptif de l'application, en pratique, de la définition des bâtiments à consommation " zéro énergie ", qui comporte un indicateur numérique d'utilisation d'énergie primaire exprimé en kWh/m2;
iii) les mesures qui promeuvent les bâtiments à consommation " zéro énergie ", en ce compris l'utilisation d'énergie produite à partir de sources renouvelables.
[2 iv) les mesures inscrites dans le cadre de la stratégie de rénovation à long terme :
La stratégie de rénovation à long terme vise à soutenir la rénovation du parc bruxellois de bâtiments résidentiels et non résidentiels, tant publics que privés, en vue de la constitution d'un parc immobilier à haute efficacité énergétique et décarboné d'ici à 2050.
La stratégie de rénovation à long terme comprend :
- un aperçu du parc immobilier bruxellois, basé le cas échéant sur un échantillonnage statistique et la proportion escomptée de bâtiments rénovés en 2020 ;
- l'inventaire des approches de rénovation rentables qui sont adaptées au type de bâtiment et à la zone climatique, compte tenu des seuils de déclenchement pertinents potentiels, le cas échéant, dans le cycle de vie du bâtiment ;
- des politiques et des actions visant à stimuler des rénovations lourdes de bâtiments rentables, y compris des rénovations lourdes par étapes, et à soutenir des mesures et des rénovations ciblées rentables, par exemple par la mise en place d'un système facultatif de passeports de rénovation du bâtiment ;
- un aperçu des politiques et des actions ciblant les segments les moins performants du parc immobilier bruxellois, les dilemmes de divergence d'intérêts et les défaillances du marché, ainsi qu'une brève présentation des actions pertinentes qui contribuent à atténuer la précarité énergétique ;
- des politiques et des actions visant tous les bâtiments publics ;
- un aperçu des initiatives visant à promouvoir les technologies intelligentes et des bâtiments et communautés bien connectés, ainsi que les compétences et la formation dans les secteurs de la construction et de l'efficacité énergétique ; et
- une estimation, fondée sur des éléments tangibles, des économies d'énergie attendues et des bénéfices plus larges escomptés, par exemple dans les domaines de la santé, de la sécurité et de la qualité de l'air.
Dans le cadre de la stratégie de rénovation à long terme est établie une feuille de route comportant des mesures et des indicateurs de progrès mesurables, afin de garantir la constitution d'un parc immobilier hautement efficace sur le plan énergétique et décarboné et de faciliter la transformation rentable de bâtiments existants en bâtiments dont la consommation d'énergie est quasi nulle, en vue d'atteindre, d'ici à 2050, l'objectif européen à long terme de réduction des émissions de gaz à effet de serre. La feuille de route prévoit des jalons indicatifs pour 2030, 2040 et 2050 et précise la manière dont ces jalons contribuent à la réalisation des objectifs européens en matière d'efficacité énergétique.
Afin de soutenir la mobilisation des investissements dans les travaux de rénovation, sont mis en place des mécanismes appropriés visant à permettre :
- l'agrégation des projets, notamment au moyen de plateformes ou de groupes d'investissement et de consortiums de petites et moyennes entreprises, afin de permettre l'accès des investisseurs et d'offrir des solutions globales aux clients potentiels ;
- la réduction du risque lié aux opérations en matière d'efficacité énergétique perçu par les investisseurs et le secteur privé ;
- l'utilisation de fonds publics pour attirer des investissements supplémentaires en provenance du secteur privé ou remédier à certaines défaillances du marché ;
- l'orientation des investissements vers la constitution d'un parc de bâtiments publics efficace sur le plan énergétique, conformément aux orientations d'Eurostat ; et
- la mise en place d'outils de conseil accessibles et transparents, tels que des guichets uniques pour les consommateurs et des services de conseil en matière d'énergie, concernant les rénovations pertinentes visant à améliorer l'efficacité énergétique et les instruments financiers disponibles.]2
b) En matière d'efficacité énergétique :
i) les mesures visant à améliorer l'efficacité énergétique projetées pour rencontrer l'objectif régional d'économie d'énergie;
ii) les mesures visant à répondre aux obligations prévues par le présent Code en matière d'exemplarité des pouvoirs publics, de fourniture d'informations et de conseil aux clients finaux.
[1 c) En matière d'émissions de polluants atmosphériques :
i) les politiques et mesures visant à limiter les émissions de polluants atmosphériques.]1
3) Les mesures de promotion de la production d'énergie à partir de sources renouvelables et de la consommation de ce type d'énergie sur le territoire de la Région, et dans ce cadre :
a) Les informations relatives à la part de l'énergie produite à partir de sources renouvelables dans la consommation finale d'énergie prévue, à savoir la consommation finale brute d'énergie pour l'électricité, les transports, le chauffage et le refroidissement pour 2020 [3 et 2030]3, en tenant compte des effets des mesures prises en matière d'efficacité énergétique.
b) Les objectifs sectoriels pour 2020 [3 et 2030]3 et les trajectoires estimées des parts de l'énergie produite à partir de sources renouvelables pour l'électricité, le chauffage et le refroidissement et pour les transports.
4) Les mesures qui visent à réduire les émissions de polluants atmosphériques et de gaz à effet de serre résultant des besoins en mobilité.
5) Les mesures de surveillance et de gestion de la qualité de l'air; conformément aux normes européennes, le plan mentionne à cet égard les données suivantes :
a) Les lieux de dépassement éventuels des normes de qualité de l'air, par zone et station de mesure (carte, coordonnées géographiques).
b) Les informations générales suivantes :
- Type de zone (ville, zone industrielle ou rurale).
- Estimation de la superficie polluée (en km2) et de la population exposée à la pollution.
- Données climatiques utiles.
- Données topographiques utiles.
- Renseignements suffisants concernant le type d'éléments cibles de la zone concernée qui doivent être protégés.
c) La nature et l'évaluation de la pollution atmosphérique : les concentrations enregistrées les années précédentes (avant la mise en oeuvre de mesures d'amélioration de la qualité de l'air ambiant), les concentrations mesurées depuis le lancement du projet ainsi que les techniques utilisées pour l'évaluation.
d) Les origines de la pollution : la liste des principales sources d'émission responsables de la pollution (carte), la quantité totale d'émissions provenant de ces sources (en tonnes par an), et les renseignements sur la pollution en provenance d'autres régions.
e) L'analyse de la situation : précisions concernant les facteurs responsables du dépassement (par exemple transport du polluant, y inclus les transports transfrontaliers, formation de particules secondaires dans l'atmosphère) et les mesures envisageables pour améliorer la qualité de l'air.
f) Les informations sur les mesures ou projets d'amélioration antérieurs au projet de plan : les mesures locales, régionales, nationales et internationales et les effets observés de ces mesures.
g) Les informations concernant les mesures ou projets visant à réduire la pollution adoptés antérieurement au projet de plan : la liste et description de toutes les mesures prévues dans le projet, le calendrier de mise en oeuvre, et l'estimation de l'amélioration de la qualité de l'air escomptée et du délai prévu pour la réalisation de ces objectifs.
h) Les informations sur les mesures ou projets prévus ou envisagés à long terme.
i) La liste des publications, documents, travaux complétant les informations demandées ci-dessus.
6) Une description de la problématique des changements climatiques ainsi que des mesures destinées à s'adapter à ces changements climatiques.
7) Les mécanismes de financement, de suivi et de gestion prévus en matière de droits d'émission des gaz à effet de serre.
8) Les mécanismes de soutien financier et technologique aux pays en voie de développement en vue de lutter contre les changements climatiques et de s'adapter à ceux-ci.
9) Les points qui feront l'objet d'une concertation avec les autres entités pour atteindre les objectifs détaillés au point 1.
10) Les modalités de la publicité active réservée aux informations relatives à l'air, au climat et à l'énergie, en ce compris les données collectées en application du règlement (CE) 2008/1099 du 22 octobre 2008 concernant les statistiques de l'énergie.
Wijzigingen
Modifié par :
Les informations à fournir dans le rapport sur les incidences environnementales sont les suivantes :
1) La description des impacts environnementaux attendus dans l'hypothèse d'une politique inchangée.
2) Les objectifs de protection de l'environnement établis au niveau international, communautaire, ou régional, qui sont pertinents pour le plan et la manière dont ces objectifs et les considérations environnementales ont été pris en considération au cours de son élaboration.
3) La synthèse des objectifs poursuivis par le plan, des mesures proposées en vue d'atteindre ces objectifs, et des liens pertinents avec les autres plans et programmes.
4) En ce qui concerne les mesures proposées par le plan, une description :
a) de l'adéquation de ces mesures aux objectifs poursuivis par le plan;
b) des effets positifs et négatifs potentiels résultant de la mise en oeuvre des mesures à court, moyen et long terme;
c) des mesures envisagées pour éviter, réduire ou compenser les effets négatifs potentiels des mesures envisagées;
d) des caractéristiques environnementales des zones susceptibles d'être touchées de manière notable.
5) Une déclaration résumant les raisons pour lesquelles les solutions envisagées ont été sélectionnées et une description de la manière dont l'évaluation a été effectuée.
6) Une description des mesures de suivi envisagées.
7) Un résumé non technique des informations visées aux points ci-dessus.
Art. N1. 2. BIJLAGE 1.2 - Minimuminhoud van het milieu-effectenrapport bedoeld in artikel 1.4.6
Het milieu-effectenrapport dient de volgende informatie te verstrekken :
1) De beschrijving van de verwachte gevolgen voor het milieu in geval van ongewijzigd beleid.
2) De doelstellingen inzake milieubescherming vastgelegd op internationaal, communautair of gewestelijk niveau die relevant zijn voor het plan en de wijze waarop die doelstellingen en de zorg voor het milieu in acht zijn genomen tijdens de opstellen ervan.
3) De samenvatting van de doelstellingen die het plan nastreeft, de voorgestelde maatregelen om die doelstellingen te bereiken en de relevante verbanden met de overige plannen en programma's.
4) Wat de door het plan voorgestelde maatregelen betreft, een beschrijving van :
a) de geschiktheid van die maatregelen voor de doelstellingen die het plan nastreeft;
b) de mogelijke positieve en negatieve gevolgen voortvloeiend uit de toepassing van de maatregelen op korte, middellange en lange termijn;
c) de voorgenomen maatregelen om de aanzienlijke negatieve effecten op het milieu van de geplande maatregelen te voorkomen, te beperken of teniet te doen;
d) de milieukenmerken van gebieden waarvoor de gevolgen aanzienlijk kunnen zijn.
5) Een overzicht van de redenen voor de selectie van de overwogen oplossingen en een beschrijving van de wijze waarop de beoordeling is uitgevoerd.
6) Een beschrijving van de voorgenomen monitoringsmaatregelen.
7) Een niet-technische samenvatting van de in de bovenstaande punten verstrekte informatie.
Het milieu-effectenrapport dient de volgende informatie te verstrekken :
1) De beschrijving van de verwachte gevolgen voor het milieu in geval van ongewijzigd beleid.
2) De doelstellingen inzake milieubescherming vastgelegd op internationaal, communautair of gewestelijk niveau die relevant zijn voor het plan en de wijze waarop die doelstellingen en de zorg voor het milieu in acht zijn genomen tijdens de opstellen ervan.
3) De samenvatting van de doelstellingen die het plan nastreeft, de voorgestelde maatregelen om die doelstellingen te bereiken en de relevante verbanden met de overige plannen en programma's.
4) Wat de door het plan voorgestelde maatregelen betreft, een beschrijving van :
a) de geschiktheid van die maatregelen voor de doelstellingen die het plan nastreeft;
b) de mogelijke positieve en negatieve gevolgen voortvloeiend uit de toepassing van de maatregelen op korte, middellange en lange termijn;
c) de voorgenomen maatregelen om de aanzienlijke negatieve effecten op het milieu van de geplande maatregelen te voorkomen, te beperken of teniet te doen;
d) de milieukenmerken van gebieden waarvoor de gevolgen aanzienlijk kunnen zijn.
5) Een overzicht van de redenen voor de selectie van de overwogen oplossingen en een beschrijving van de wijze waarop de beoordeling is uitgevoerd.
6) Een beschrijving van de voorgenomen monitoringsmaatregelen.
7) Een niet-technische samenvatting van de in de bovenstaande punten verstrekte informatie.
Art. N1. 2. ANNEXE 1.2 - Contenu minimum du rapport sur les incidences environnementales visé l'article 1.4.6
Les informations à fournir dans le rapport sur les incidences environnementales sont les suivantes :
1) La description des impacts environnementaux attendus dans l'hypothèse d'une politique inchangée.
2) Les objectifs de protection de l'environnement établis au niveau international, communautaire, ou régional, qui sont pertinents pour le plan et la manière dont ces objectifs et les considérations environnementales ont été pris en considération au cours de son élaboration.
3) La synthèse des objectifs poursuivis par le plan, des mesures proposées en vue d'atteindre ces objectifs, et des liens pertinents avec les autres plans et programmes.
4) En ce qui concerne les mesures proposées par le plan, une description :
a) de l'adéquation de ces mesures aux objectifs poursuivis par le plan;
b) des effets positifs et négatifs potentiels résultant de la mise en oeuvre des mesures à court, moyen et long terme;
c) des mesures envisagées pour éviter, réduire ou compenser les effets négatifs potentiels des mesures envisagées;
d) des caractéristiques environnementales des zones susceptibles d'être touchées de manière notable.
5) Une déclaration résumant les raisons pour lesquelles les solutions envisagées ont été sélectionnées et une description de la manière dont l'évaluation a été effectuée.
6) Une description des mesures de suivi envisagées.
7) Un résumé non technique des informations visées aux points ci-dessus.
Les informations à fournir dans le rapport sur les incidences environnementales sont les suivantes :
1) La description des impacts environnementaux attendus dans l'hypothèse d'une politique inchangée.
2) Les objectifs de protection de l'environnement établis au niveau international, communautaire, ou régional, qui sont pertinents pour le plan et la manière dont ces objectifs et les considérations environnementales ont été pris en considération au cours de son élaboration.
3) La synthèse des objectifs poursuivis par le plan, des mesures proposées en vue d'atteindre ces objectifs, et des liens pertinents avec les autres plans et programmes.
4) En ce qui concerne les mesures proposées par le plan, une description :
a) de l'adéquation de ces mesures aux objectifs poursuivis par le plan;
b) des effets positifs et négatifs potentiels résultant de la mise en oeuvre des mesures à court, moyen et long terme;
c) des mesures envisagées pour éviter, réduire ou compenser les effets négatifs potentiels des mesures envisagées;
d) des caractéristiques environnementales des zones susceptibles d'être touchées de manière notable.
5) Une déclaration résumant les raisons pour lesquelles les solutions envisagées ont été sélectionnées et une description de la manière dont l'évaluation a été effectuée.
6) Une description des mesures de suivi envisagées.
7) Un résumé non technique des informations visées aux points ci-dessus.
TITEL 1. - Algemeenheden [1 en doelstellingen]1
TITRE 1er. - Généralités [1 et objectifs]1
Art. 2.1.1. In de zin van onderhavig boek, verstaat men onder :
1° " [7 Energieprestatie]7 " : [7 de evaluatie van]7 de hoeveelheid energie die effectief wordt verbruikt of nodig geacht wordt om te voldoen aan de verschillende behoeften bij een standaard gebruik [7 ...]7, met onder andere verwarming, warm water, koelsysteem, ventilatie en verlichting. [7 Deze evaluatie wordt vertaald]7 in één of meer cijfermatige indicatoren die door berekening worden verkregen, [3 uitgevoerd volgens een van de in bijlage 2.1 gedefinieerde berekeningsmethodes]3;
2° " EPB-eenheid " : een verzameling van [1 lokalen in eenzelfde beschermd volume, ontworpen of gewijzigd om afzonderlijk gebruikt te worden]1 en dat beantwoordt aan de definitie van een bestemming vastgelegd door de Regering;
3° " Nieuw " : kwalificatie gegeven aan een EPB-eenheid die het voorwerp vormt van bouwwerkzaamheden waarvoor een stedenbouwkundige vergunning vereist is;
[7 3° /1 "Met nieuw gelijkgesteld": kwalificatie gegeven aan een EPB-eenheid als ze het voorwerp vormt van werkzaamheden waarvan ten minste een deel ervan aan een stedenbouwkundige vergunning onderworpen is:
a) als er constructiewerkzaamheden en/of afbraak- en heropbouwwerkzaamheden worden uitgevoerd op ten minste 75% van haar warmteverliesoppervlakte die de energieprestatie beïnvloeden, rekening houdend met alle werkzaamheden hernomen in de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag;
b) en als ze het voorwerp vormt van werkzaamheden op de technische installaties.
Deze criteria kunnen nader bepaald worden door de Regering;]7
4° " Zwaar gerenoveerd " : [3 als een EPB-eenheid het voorwerp vormt van werkzaamheden waarvan ten minste een deel ervan aan een stedenbouwkundige vergunning onderworpen is, kwalificatie gegeven aan die EPB-eenheid :
a) als er werkzaamheden op ten minste 50 % van haar warmteverliesoppervlakte de energieprestatie beïnvloeden, rekening houdend met alle werkzaamheden hernomen in de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag ;
b) en als ze het voorwerp vormt van werkzaamheden op de technische installaties ;
deze criteria kunnen nader bepaald worden door de Regering ;]3
5° " Eenvoudig gerenoveerd " : [3 als een EPB-eenheid het voorwerp vormt van werkzaamheden waarvan ten minste een deel ervan aan een stedenbouwkundige vergunning onderworpen is, kwalificatie gegeven aan die EPB-eenheid :
a) als er werkzaamheden op haar warmteverliesoppervlakte de energieprestatie beïnvloeden, rekening houdend met alle werkzaamheden hernomen in de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag ;
b) en als deze werkzaamheden niet onder de criteria voor de kwalificatie van zwaar gerenoveerd vallen ;]3
6° " EPB-eisen " : alle voorwaarden waaraan een EPB-eenheid en/of een technische installatie moet voldoen op het vlak van energieprestatie, thermische isolatie, binnenklimaat [7 , ventilatie, gebruikte energiedrager of aardopwarmingsvermogen]7;
[7 6° /1 "Aardopwarmingsvermogen" of "GWP": indicator voor de kwantificering van de potentiële bijdrage van een EPB-eenheid en/of een technische installatie aan de opwarming van de aarde gedurende hun gehele levenscyclus. Deze indicator wordt berekend volgens een in bijlage 2.1 gedefinieerde berekeningsmethode]7;
7° " Kostenoptimaal niveau " : het energieprestatieniveau dat gedurende de geraamde economische levensduur de laagste kosten met zich meebrengt, die worden bepaald aan de hand van de energiegerelateerde investeringskosten en, desgevallend de onderhouds- en bedrijfskosten (met inbegrip van energiekosten en -besparingen, de categorie van het desbetreffende gebouw, de opbrengst van de energieproductie) en verwijderingskosten. Het kostenoptimaal niveau ligt binnen het scala van prestatieniveaus waarvoor de berekende kosten-batenanalyse over de geraamde economische levensduur van een gebouw positief is;
8° " Zero energieverbruik " : geen of zeer laag energieverbruik, verkregen dankzij een hoge energie-efficiëntie en die in zeer aanzienlijke mate dient te worden geleverd uit hernieuwbare bronnen, met name de energie die [7 in situ]7 of dichtbij uit hernieuwbare bronnen wordt geproduceerd [2 ; het woord " dichtbij " kan door de Regering nader bepaald worden]2;
[7 8° /1 "Zero emissie": een zeer hoge energieprestatie, die geen of een zeer laag energieverbruik vereist, die geen enkel broeikasgasemissie uit fossiele brandstoffen in situ produceert en die geen of een zeer lage hoeveelheid operationele broeikasgasemissie produceert, zoals nader bepaald door de Regering;]7
[7 8° /2 "Operationele broeikasgasemissie": broeikasgasemissie die samenhangt met het energieverbruik van de technische installaties tijdens het gebruik en de exploitatie van de EPB-eenheid;]7
9° " EPB-aangifte " : het document dat de [3 op werf uitgevoerde maatregelen, met het oog op de naleving van de EPB-eisen beschrijft,]3 en dat door berekening bepaalt of die eisen [3 al dan niet]3 nageleefd zijn;
10° " Aangever " : natuurlijke of rechtspersoon die ertoe gehouden is de EPB-eisen na te leven en in wiens naam en voor wiens rekening de bouwwerkzaamheden of de renovatie worden uitgevoerd;
11° " EPB-certificaat " : document dat de indicatoren voor de energieprestatie van een EPB-eenheid in numerieke, alfabetische en grafische vorm weergeeft;
12° " EPB-certificaat openbaar gebouw " : document dat de indicatoren voor de energieprestatie van alle EPB-eenheden die [7 toebehoren aan of gebruikt worden door één of meerdere overheden]7 in eenzelfde gebouw, in numerieke, alfabetische en grafische vorm weergeeft, en daarbij rekening houdt met het [7 gemeten]7 jaarlijkse verbruik;
13° [7 ...]7;
14° " Aanvrager " : natuurlijke of rechtspersoon, openbaar of privé, die een aanvraag [7 van een stedenbouwkundige vergunning, zoals bedoeld in artikel 98 van het BWRO,]7 indient;
15° " EPB-adviseur " : natuurlijke of rechtspersoon erkend om het EPB-voorstel, de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden en de EPB-aangifte op te maken;
16° " Certificateur " : natuurlijke of rechtspersoon die erkend is om de EPB-certificaten en of EPB-certificaten openbaar gebouw uit te reiken;
17° [3 ...]3
18° "[8 EPB-controleur]8" : erkende natuurlijke persoon, [3 ...]3 [7 of rechtspersoon]7 belast met de controle van technische installaties;
19° " Kwaliteitswarmtekrachtkoppeling " : de gelijktijdige omzetting van primaire brandstoffen in mechanische of elektrische en thermische energie waarbij voldaan wordt aan de criteria vastgelegd conform artikel 16 van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
20° " Klimaatregelingssysteem " : een combinatie van alle noodzakelijke componenten om een vorm van luchtbehandeling te verzekeren in een gebouw, waardoor de temperatuur wordt gecontroleerd of kan worden verlaagd, eventueel in combinatie met een regeling van de verluchting, de vochtigheid en/of de zuiverheid van de lucht;
21° " Verwarmingssysteem " : combinatie van de noodzakelijke componenten om de lucht van een gebouw en/of het sanitaire warme water te verwarmen, met inbegrip van de warmtegenerator(en), [7 de warmtewisselaars, de thermische zonnecollectoren,]7 de verdeel-, opslag- en emissiecircuits en de regelsystemen;
22° " Ketel " : warmtegenerator bestaande uit een brander en een ketellichaam, bedoeld om de door verbranding vrijgekomen warmte af te geven aan een vloeistof;
23° " Technische installatie " :
a) ventilatiesystemen;
b) klimaatregelingssystemen;
c) verwarmingssystemen;
d) [4 ingebouwde]4 verlichtingssystemen;
e) vaste systemen voor het vervoeren van personen of lasten van de ene verdieping naar de andere in het gebouw;
f) [7 systemen voor opwekking en opslag van energie uit hernieuwbare bronnen]7;
[4 g) systemen voor gebouwautomatisering en -controle ;]4
[2 h) een combinatie van de van [4 a) tot en met g)]42 24° [5 systeem voor gebouwautomatisering en -controle " : een systeem dat alle producten, software en technische diensten omvat die het energie-efficiënt, zuinig en veilig functioneren van technische bouwinstallaties kunnen ondersteunen door middel van automatische controles en het vergemakkelijken van het handmatig beheer van die technische bouwinstallaties ]5
25° " Warmtepomp " : een inrichting of installatie die bij lage temperatuur warmte opneemt uit de lucht, het water of de aarde en deze afgeeft aan het gebouw;
26° " Beschermd volume " : [3 het volume van de ruimten waarin doorlopend of met tussenpozen energie wordt verbruikt, en zoals bepaald door de regering krachtens artikel 2.2.2, § 3 van onderhavig Wetboek ;]3
27° " Warmteverliesoppervlakte " : de som van alle wanden die het beschermd volume scheiden van het buitenklimaat, van de grond en van een aanpalende ruimte die niet tot het beschermd volume behoort [7 , en zoals bepaald door de Regering krachtens artikel 2.2.2, § 3, van dit Wetboek]7;
28° " PLAGE " : Plan voor lokale actie voor het gebruik van energie;
29° " Energiekadaster " : vergelijkende jaarlijkse inventaris van de energie-efficiëntie van de gebouwen;
30° " Energieboekhouding " : periodieke staat van het energieverbruik, per energievector en per gebouw, volgens een frequentie die door de Regering moet worden bepaald;
31° " PLAGE-coördinator " : natuurlijke persoon die de organen bedoeld in artikel 2.2.22 onder hun personeel aanstellen, en die belast is met de coördinatie en de uitvoering van het PLAGE;
32° " PLAGE-revisor " : [2 ...]2 persoon, onafhankelijk van de instellingen bedoeld in artikel 2.2.22, belast met de controle van de informatie die wordt verstrekt door die instellingen in het kader van de uitvoering van het PLAGE;
33° " Motorvoertuig " : elk voertuig dat is uitgerust met een motor en bestemd is om op eigen kracht te rijden, zoals gedefinieerd door het koninklijk besluit van 1 september 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer;
34° " MIVB " : de Maatschappij voor Intercommunaal Vervoer van Brussel, publiekrechtelijke vereniging opgericht krachtens de ordonnantie van 22 november 1990 betreffende de organisatie van het openbaar vervoer in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
35° " Taxidiensten " : de diensten die het bezoldigde vervoer van personen met bestuurder verzekeren in de zin van de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur;
36° " Diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur " : alle diensten van bezoldigd vervoer van personen door middel van autovoertuigen die geen taxidiensten zijn en die voldoen aan de voorwaarden vastgelegd in de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur;
37° " Autodeeldienst " : een voor het publiek toegankelijke dienst voor het systematische en beurtelingse door vooraf bepaalde personen gebruik van één of meerdere auto's tegen betaling via een vereniging voor autodelen, met uitzondering van het gebruik van voertuigen bestemd voor gewone verhuur of huurkoop;
38° " Toeristische busdiensten " : de diensten van geregeld vervoer en de bijzondere vormen van geregeld vervoer per autobus of autocar die geheel of gedeeltelijk verzekerd worden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zoals bedoeld in de Besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars, en die door de keuze van het traject en de stopplaatsen of door het aanbieden van aanvullende diensten in hoofdzaak gericht zijn op reizigers die bezienswaardigheden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wensen te bezichtigen of er informatie over wensen te verkrijgen;
39° " Installateur HE " : [2 natuurlijke of rechtspersoon]2 belast met het plaatsen van systemen voor het gebruik van energie geproduceerd op basis van hernieuwbare energiebronnen zoals verwarmingsketels en kachels op biomassa, fotovoltaïsche of thermische systemen op zonne-energie, ondiepe geothermische systemen, windmolens of warmtepompen.
[6 40° " warmtegenerator " : het onderdeel van een verwarmingssysteem dat nuttige warmte genereert via één of meerdere van de volgende processen :
a) de verbranding van brandstof in bijvoorbeeld een cv-ketel ;
b) het joule-effect, dat plaatsvindt in de verwarmingselementen van een verwarmingssysteem met elektrische weerstand ;
c) het opvangen van warmte uit de lucht, ventilatieafvoerlucht, of een water- of aardwarmtebron) met behulp van een warmtepomp]6;
[7 41° "Openbaar vastgoedbeheerder": een gemeente, een O.C.M.W., een autonome gemeentelijke regie, de Grondregie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij (BGHM), een openbare vastgoedmaatschappij (OVM), het Woningfonds van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (GOMB);
42° "Gebouwenpaspoort": ruimte voor een gebouw en/of EPB-eenheid op een digitaal platform voor dienstenuitwisseling, waar alle relevante gegevens over het gebouw et de EPB-eenheden ervan, waaronder de gegevens over energieprestatie, beschikbaar zijn, waardoor informatie over het gebouw en de EPB-eenheid gemakkelijker kunnen worden gedeeld;
43° "Datacentrum": structuur of groep van structuren die wordt gebruikt voor de hosting, aansluiting en bediening van computersystemen/servers en gelinkte apparatuur voor de opslag, verwerking en/of verspreiding van gegevens, en gerelateerde activiteiten;
44° "EPB-voorstel": document dat voor het project, waarvoor een stedenbouwkundige vergunning wordt aangevraagd, de verdeling in EPB-eenheden en de EPB-eisen waaraan ze onderworpen zijn, bevat;
45° "Titularis van een zakelijk recht": de persoon die titularis is van een van de volgende zakelijke rechten op het bedoelde gebouw of EPB-eenheid: eigendomsrecht, mede-eigendom, recht van vruchtgebruik, erfpachtrecht, opstalrecht;
46° "Bruto oppervlakte": meting uitgedrukt in m2 van de bruto oppervlakken, zoals bepaald door de Regering krachtens artikel 2.2.2, § 3, van dit Wetboek.]7
1° " [7 Energieprestatie]7 " : [7 de evaluatie van]7 de hoeveelheid energie die effectief wordt verbruikt of nodig geacht wordt om te voldoen aan de verschillende behoeften bij een standaard gebruik [7 ...]7, met onder andere verwarming, warm water, koelsysteem, ventilatie en verlichting. [7 Deze evaluatie wordt vertaald]7 in één of meer cijfermatige indicatoren die door berekening worden verkregen, [3 uitgevoerd volgens een van de in bijlage 2.1 gedefinieerde berekeningsmethodes]3;
2° " EPB-eenheid " : een verzameling van [1 lokalen in eenzelfde beschermd volume, ontworpen of gewijzigd om afzonderlijk gebruikt te worden]1 en dat beantwoordt aan de definitie van een bestemming vastgelegd door de Regering;
3° " Nieuw " : kwalificatie gegeven aan een EPB-eenheid die het voorwerp vormt van bouwwerkzaamheden waarvoor een stedenbouwkundige vergunning vereist is;
[7 3° /1 "Met nieuw gelijkgesteld": kwalificatie gegeven aan een EPB-eenheid als ze het voorwerp vormt van werkzaamheden waarvan ten minste een deel ervan aan een stedenbouwkundige vergunning onderworpen is:
a) als er constructiewerkzaamheden en/of afbraak- en heropbouwwerkzaamheden worden uitgevoerd op ten minste 75% van haar warmteverliesoppervlakte die de energieprestatie beïnvloeden, rekening houdend met alle werkzaamheden hernomen in de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag;
b) en als ze het voorwerp vormt van werkzaamheden op de technische installaties.
Deze criteria kunnen nader bepaald worden door de Regering;]7
4° " Zwaar gerenoveerd " : [3 als een EPB-eenheid het voorwerp vormt van werkzaamheden waarvan ten minste een deel ervan aan een stedenbouwkundige vergunning onderworpen is, kwalificatie gegeven aan die EPB-eenheid :
a) als er werkzaamheden op ten minste 50 % van haar warmteverliesoppervlakte de energieprestatie beïnvloeden, rekening houdend met alle werkzaamheden hernomen in de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag ;
b) en als ze het voorwerp vormt van werkzaamheden op de technische installaties ;
deze criteria kunnen nader bepaald worden door de Regering ;]3
5° " Eenvoudig gerenoveerd " : [3 als een EPB-eenheid het voorwerp vormt van werkzaamheden waarvan ten minste een deel ervan aan een stedenbouwkundige vergunning onderworpen is, kwalificatie gegeven aan die EPB-eenheid :
a) als er werkzaamheden op haar warmteverliesoppervlakte de energieprestatie beïnvloeden, rekening houdend met alle werkzaamheden hernomen in de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag ;
b) en als deze werkzaamheden niet onder de criteria voor de kwalificatie van zwaar gerenoveerd vallen ;]3
6° " EPB-eisen " : alle voorwaarden waaraan een EPB-eenheid en/of een technische installatie moet voldoen op het vlak van energieprestatie, thermische isolatie, binnenklimaat [7 , ventilatie, gebruikte energiedrager of aardopwarmingsvermogen]7;
[7 6° /1 "Aardopwarmingsvermogen" of "GWP": indicator voor de kwantificering van de potentiële bijdrage van een EPB-eenheid en/of een technische installatie aan de opwarming van de aarde gedurende hun gehele levenscyclus. Deze indicator wordt berekend volgens een in bijlage 2.1 gedefinieerde berekeningsmethode]7;
7° " Kostenoptimaal niveau " : het energieprestatieniveau dat gedurende de geraamde economische levensduur de laagste kosten met zich meebrengt, die worden bepaald aan de hand van de energiegerelateerde investeringskosten en, desgevallend de onderhouds- en bedrijfskosten (met inbegrip van energiekosten en -besparingen, de categorie van het desbetreffende gebouw, de opbrengst van de energieproductie) en verwijderingskosten. Het kostenoptimaal niveau ligt binnen het scala van prestatieniveaus waarvoor de berekende kosten-batenanalyse over de geraamde economische levensduur van een gebouw positief is;
8° " Zero energieverbruik " : geen of zeer laag energieverbruik, verkregen dankzij een hoge energie-efficiëntie en die in zeer aanzienlijke mate dient te worden geleverd uit hernieuwbare bronnen, met name de energie die [7 in situ]7 of dichtbij uit hernieuwbare bronnen wordt geproduceerd [2 ; het woord " dichtbij " kan door de Regering nader bepaald worden]2;
[7 8° /1 "Zero emissie": een zeer hoge energieprestatie, die geen of een zeer laag energieverbruik vereist, die geen enkel broeikasgasemissie uit fossiele brandstoffen in situ produceert en die geen of een zeer lage hoeveelheid operationele broeikasgasemissie produceert, zoals nader bepaald door de Regering;]7
[7 8° /2 "Operationele broeikasgasemissie": broeikasgasemissie die samenhangt met het energieverbruik van de technische installaties tijdens het gebruik en de exploitatie van de EPB-eenheid;]7
9° " EPB-aangifte " : het document dat de [3 op werf uitgevoerde maatregelen, met het oog op de naleving van de EPB-eisen beschrijft,]3 en dat door berekening bepaalt of die eisen [3 al dan niet]3 nageleefd zijn;
10° " Aangever " : natuurlijke of rechtspersoon die ertoe gehouden is de EPB-eisen na te leven en in wiens naam en voor wiens rekening de bouwwerkzaamheden of de renovatie worden uitgevoerd;
11° " EPB-certificaat " : document dat de indicatoren voor de energieprestatie van een EPB-eenheid in numerieke, alfabetische en grafische vorm weergeeft;
12° " EPB-certificaat openbaar gebouw " : document dat de indicatoren voor de energieprestatie van alle EPB-eenheden die [7 toebehoren aan of gebruikt worden door één of meerdere overheden]7 in eenzelfde gebouw, in numerieke, alfabetische en grafische vorm weergeeft, en daarbij rekening houdt met het [7 gemeten]7 jaarlijkse verbruik;
13° [7 ...]7;
14° " Aanvrager " : natuurlijke of rechtspersoon, openbaar of privé, die een aanvraag [7 van een stedenbouwkundige vergunning, zoals bedoeld in artikel 98 van het BWRO,]7 indient;
15° " EPB-adviseur " : natuurlijke of rechtspersoon erkend om het EPB-voorstel, de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden en de EPB-aangifte op te maken;
16° " Certificateur " : natuurlijke of rechtspersoon die erkend is om de EPB-certificaten en of EPB-certificaten openbaar gebouw uit te reiken;
17° [3 ...]3
18° "[8 EPB-controleur]8" : erkende natuurlijke persoon, [3 ...]3 [7 of rechtspersoon]7 belast met de controle van technische installaties;
19° " Kwaliteitswarmtekrachtkoppeling " : de gelijktijdige omzetting van primaire brandstoffen in mechanische of elektrische en thermische energie waarbij voldaan wordt aan de criteria vastgelegd conform artikel 16 van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
20° " Klimaatregelingssysteem " : een combinatie van alle noodzakelijke componenten om een vorm van luchtbehandeling te verzekeren in een gebouw, waardoor de temperatuur wordt gecontroleerd of kan worden verlaagd, eventueel in combinatie met een regeling van de verluchting, de vochtigheid en/of de zuiverheid van de lucht;
21° " Verwarmingssysteem " : combinatie van de noodzakelijke componenten om de lucht van een gebouw en/of het sanitaire warme water te verwarmen, met inbegrip van de warmtegenerator(en), [7 de warmtewisselaars, de thermische zonnecollectoren,]7 de verdeel-, opslag- en emissiecircuits en de regelsystemen;
22° " Ketel " : warmtegenerator bestaande uit een brander en een ketellichaam, bedoeld om de door verbranding vrijgekomen warmte af te geven aan een vloeistof;
23° " Technische installatie " :
a) ventilatiesystemen;
b) klimaatregelingssystemen;
c) verwarmingssystemen;
d) [4 ingebouwde]4 verlichtingssystemen;
e) vaste systemen voor het vervoeren van personen of lasten van de ene verdieping naar de andere in het gebouw;
f) [7 systemen voor opwekking en opslag van energie uit hernieuwbare bronnen]7;
[4 g) systemen voor gebouwautomatisering en -controle ;]4
[2 h) een combinatie van de van [4 a) tot en met g)]42 24° [5 systeem voor gebouwautomatisering en -controle " : een systeem dat alle producten, software en technische diensten omvat die het energie-efficiënt, zuinig en veilig functioneren van technische bouwinstallaties kunnen ondersteunen door middel van automatische controles en het vergemakkelijken van het handmatig beheer van die technische bouwinstallaties ]5
25° " Warmtepomp " : een inrichting of installatie die bij lage temperatuur warmte opneemt uit de lucht, het water of de aarde en deze afgeeft aan het gebouw;
26° " Beschermd volume " : [3 het volume van de ruimten waarin doorlopend of met tussenpozen energie wordt verbruikt, en zoals bepaald door de regering krachtens artikel 2.2.2, § 3 van onderhavig Wetboek ;]3
27° " Warmteverliesoppervlakte " : de som van alle wanden die het beschermd volume scheiden van het buitenklimaat, van de grond en van een aanpalende ruimte die niet tot het beschermd volume behoort [7 , en zoals bepaald door de Regering krachtens artikel 2.2.2, § 3, van dit Wetboek]7;
28° " PLAGE " : Plan voor lokale actie voor het gebruik van energie;
29° " Energiekadaster " : vergelijkende jaarlijkse inventaris van de energie-efficiëntie van de gebouwen;
30° " Energieboekhouding " : periodieke staat van het energieverbruik, per energievector en per gebouw, volgens een frequentie die door de Regering moet worden bepaald;
31° " PLAGE-coördinator " : natuurlijke persoon die de organen bedoeld in artikel 2.2.22 onder hun personeel aanstellen, en die belast is met de coördinatie en de uitvoering van het PLAGE;
32° " PLAGE-revisor " : [2 ...]2 persoon, onafhankelijk van de instellingen bedoeld in artikel 2.2.22, belast met de controle van de informatie die wordt verstrekt door die instellingen in het kader van de uitvoering van het PLAGE;
33° " Motorvoertuig " : elk voertuig dat is uitgerust met een motor en bestemd is om op eigen kracht te rijden, zoals gedefinieerd door het koninklijk besluit van 1 september 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer;
34° " MIVB " : de Maatschappij voor Intercommunaal Vervoer van Brussel, publiekrechtelijke vereniging opgericht krachtens de ordonnantie van 22 november 1990 betreffende de organisatie van het openbaar vervoer in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
35° " Taxidiensten " : de diensten die het bezoldigde vervoer van personen met bestuurder verzekeren in de zin van de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur;
36° " Diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur " : alle diensten van bezoldigd vervoer van personen door middel van autovoertuigen die geen taxidiensten zijn en die voldoen aan de voorwaarden vastgelegd in de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur;
37° " Autodeeldienst " : een voor het publiek toegankelijke dienst voor het systematische en beurtelingse door vooraf bepaalde personen gebruik van één of meerdere auto's tegen betaling via een vereniging voor autodelen, met uitzondering van het gebruik van voertuigen bestemd voor gewone verhuur of huurkoop;
38° " Toeristische busdiensten " : de diensten van geregeld vervoer en de bijzondere vormen van geregeld vervoer per autobus of autocar die geheel of gedeeltelijk verzekerd worden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zoals bedoeld in de Besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars, en die door de keuze van het traject en de stopplaatsen of door het aanbieden van aanvullende diensten in hoofdzaak gericht zijn op reizigers die bezienswaardigheden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wensen te bezichtigen of er informatie over wensen te verkrijgen;
39° " Installateur HE " : [2 natuurlijke of rechtspersoon]2 belast met het plaatsen van systemen voor het gebruik van energie geproduceerd op basis van hernieuwbare energiebronnen zoals verwarmingsketels en kachels op biomassa, fotovoltaïsche of thermische systemen op zonne-energie, ondiepe geothermische systemen, windmolens of warmtepompen.
[6 40° " warmtegenerator " : het onderdeel van een verwarmingssysteem dat nuttige warmte genereert via één of meerdere van de volgende processen :
a) de verbranding van brandstof in bijvoorbeeld een cv-ketel ;
b) het joule-effect, dat plaatsvindt in de verwarmingselementen van een verwarmingssysteem met elektrische weerstand ;
c) het opvangen van warmte uit de lucht, ventilatieafvoerlucht, of een water- of aardwarmtebron) met behulp van een warmtepomp]6;
[7 41° "Openbaar vastgoedbeheerder": een gemeente, een O.C.M.W., een autonome gemeentelijke regie, de Grondregie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij (BGHM), een openbare vastgoedmaatschappij (OVM), het Woningfonds van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (GOMB);
42° "Gebouwenpaspoort": ruimte voor een gebouw en/of EPB-eenheid op een digitaal platform voor dienstenuitwisseling, waar alle relevante gegevens over het gebouw et de EPB-eenheden ervan, waaronder de gegevens over energieprestatie, beschikbaar zijn, waardoor informatie over het gebouw en de EPB-eenheid gemakkelijker kunnen worden gedeeld;
43° "Datacentrum": structuur of groep van structuren die wordt gebruikt voor de hosting, aansluiting en bediening van computersystemen/servers en gelinkte apparatuur voor de opslag, verwerking en/of verspreiding van gegevens, en gerelateerde activiteiten;
44° "EPB-voorstel": document dat voor het project, waarvoor een stedenbouwkundige vergunning wordt aangevraagd, de verdeling in EPB-eenheden en de EPB-eisen waaraan ze onderworpen zijn, bevat;
45° "Titularis van een zakelijk recht": de persoon die titularis is van een van de volgende zakelijke rechten op het bedoelde gebouw of EPB-eenheid: eigendomsrecht, mede-eigendom, recht van vruchtgebruik, erfpachtrecht, opstalrecht;
46° "Bruto oppervlakte": meting uitgedrukt in m2 van de bruto oppervlakken, zoals bepaald door de Regering krachtens artikel 2.2.2, § 3, van dit Wetboek.]7
Art. 2.1.1. Au sens du présent livre, on entend par :
1° " [7 Performance énergétique]7 " : [7 l'évaluation de]7 la quantité d'énergie effectivement consommée ou estimée pour répondre aux différents besoins liés à une utilisation standardisée [7 ...]7, ce qui peut inclure entre autres le chauffage, l'eau chaude, le refroidissement, la ventilation et l'éclairage. [7 Cette évaluation est traduite]7 par un ou plusieurs indicateurs numériques résultant d'un calcul [3 réalisé suivant une des méthodes de calcul définies à l'annexe 2.1]3;
2° " Unité PEB " : ensemble de locaux [1 dans un même volume protégé, conçu ou modifié pour être utilisé séparément]1 et qui répond à la définition d'une affectation définie par le Gouvernement;
3° " [7 Neuve]7 " : qualificatif donné à une unité PEB faisant l'objet de travaux de construction soumis à permis d'urbanisme;
[7 3° /1 " Assimilée à du neuf ": qualificatif donné à une unité PEB lorsqu'elle fait l'objet de travaux dont au moins une partie est soumise à permis d'urbanisme:
a) s'il y a des travaux de construction et/ou de démolition-reconstruction influençant la performance énergétique à au moins 75 % de sa surface de déperdition thermique, tous les travaux repris dans la demande de permis d'urbanisme étant pris en compte;
b) et si elle fait l'objet de travaux portant sur ses installations techniques.
Ces critères peuvent être précisés par le Gouvernement;]7
4° " [7 Rénovée]7 lourdement " : [3 lorsqu'une unité PEB fait l'objet de travaux dont au moins une partie est soumise à permis d'urbanisme, qualificatif donné à cette unité PEB :
a) s'il y a des travaux influençant la performance énergétique à au moins 50 % de sa surface de déperdition thermique, tous les travaux repris dans la demande de permis d'urbanisme étant pris en compte ;
b) et si elle fait l'objet de travaux portant sur ses installations techniques ;
ces critères pouvant être précisés par le Gouvernement ;]3
5° " [7 Rénovée]7 simplement " : [3 lorsqu'une unité PEB fait l'objet de travaux dont au moins une partie est soumise à permis d'urbanisme, qualificatif donné à cette unité PEB :
a) s'il y a des travaux influençant la performance énergétique à sa surface de déperdition thermique, tous les travaux repris dans la demande de permis d'urbanisme étant pris en compte ;
b) et si ces travaux n'entrent pas dans les critères du qualificatif rénové lourdement;]3
6° " Exigences PEB " : l'ensemble des conditions auxquelles doit répondre une unité PEB et/ou une installation technique en matière de performance énergétique, d'isolation thermique, de climat intérieur [7 , de ventilation, de vecteur énergétique utilisé ou de potentiel de réchauffement planétaire]7;
[7 6° /1 " Potentiel de réchauffement planétaire " ou " PRP ": indicateur qui quantifie les contributions potentielles au réchauffement planétaire d'une unité PEB et/ou d'une installation technique tout au long de leur cycle de vie. Cet indicateur résulte d'un calcul réalisé suivant une méthode de calcul définie à l'annexe 2.1.]7
7° " Niveau de coût optimum " : le niveau de performance énergétique qui entraîne les coûts les plus bas sur la durée de vie économique estimée, qui sont déterminés en prenant en compte les coûts d'investissement liés à l'énergie, et le cas échéant les coûts de maintenance et de fonctionnement (y compris les coûts de l'énergie, les économies, la catégorie du bâtiment concerné, les bénéfices provenant de l'énergie produite) et les coûts d'élimination. Le niveau du coût optimum est compris dans la fourchette des niveaux de performance pour lesquels l'analyse des coûts et bénéfices calculée sur la durée de vie estimée d'un bâtiment est positive;
8° " Consommation " zéro énergie " " : consommation d'énergie nulle ou très faible, obtenue grâce à une efficacité énergétique élevée, et qui devrait être couverte dans une très large mesure par de l'énergie produite à partir de sources renouvelables, notamment l'énergie produite à partir de sources renouvelables [7 sur site]7 ou à proximité [2 ; [7 les termes " sur site " ou]7 " à proximité " peuvent être précisés par le Gouvernement]2;
[7 8° /1 " Zéro émission ": une très haute performance énergétique, ne nécessitant qu'une consommation d'énergie nulle ou très faible, ne produisant aucune émission de gaz à effet de serre sur site à partir de combustibles fossiles et ne produisant aucune émission opérationnelle de gaz à effet de serre ou une très faible quantité, telle que précisée par le Gouvernement;]7
[7 8° /2 " Emission opérationnelle de gaz à effet de serre ": émission de gaz à effet de serre associée à la consommation d'énergie des installations techniques du bâtiment pendant l'utilisation et l'exploitation de l'unité PEB;]7
9° " Déclaration PEB " : le document qui décrit les mesures [3 exécutées sur chantier afin de respecter les]3 exigences PEB et détermine par calcul si ces exigences sont respectées [3 ou non]3;
10° " Déclarant " : personne physique ou morale tenue de respecter les exigences PEB et au nom et pour le compte de qui les travaux de construction ou de rénovation sont réalisés;
11° " Certificat PEB " : document qui présente les indicateurs de performance énergétique d'une unité PEB sous forme numérique, alphabétique et graphique;
12° " Certificat PEB bâtiment public " : document qui présente les indicateurs de performance énergétique, sous forme alphabétique, numérique et graphique, de l'ensemble des unités PEB [7 appartenant à ou occupées par un ou plusieurs pouvoirs publics]7 dans un même bâtiment, en tenant compte de la consommation [7 mesurée]7 sur une année;
13° [7 ...]7;
14° " Demandeur " : personne physique ou morale, publique ou privée, qui introduit une demande [7 de permis d'urbanisme, telle que visé à l'article 98 du CoBAT]7;
15° " Conseiller PEB " : personne physique ou morale agréée pour établir la proposition PEB, la notification de début des travaux et la déclaration PEB;
16° " Certificateur " : personne physique ou morale agréée pour délivrer les certificats PEB ou les certificats PEB bâtiment public;
17° [3 ...]3
18° " [7 Contrôleur PEB]7 " : personne physique [7 ou morale]7 agréée, [3 ...]3 qui est chargée de pratiquer le contrôle d'installations techniques;
19° " Cogénération de qualité " : transformation simultanée de combustibles primaires en énergie mécanique ou électrique et thermique, qui répond aux critères définis conformément à l'article 16 de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale;
20° " Système de climatisation " : une combinaison de toutes les composantes nécessaires pour assurer une forme de traitement de l'air dans un bâtiment, par laquelle la température est contrôlée ou peut être abaissée, éventuellement en conjugaison avec un contrôle de l'aération, de l'humidité et/ou de la pureté de l'air;
21° " Système de chauffage " : ensemble des composantes nécessaires pour chauffer l'air d'un bâtiment et/ou chauffer de l'eau chaude sanitaire, en ce compris le ou les générateurs de chaleur, [7 les échangeurs de chaleur, les capteurs solaires thermiques,]7 les circuits de distribution, de stockage et d'émission, et les systèmes de régulation;
22° " Chaudière " : générateur de chaleur composé d'un brûleur et d'un échangeur (corps de chaudière) destiné à transmettre à un fluide, la chaleur libérée par la combustion;
23° " Installation technique " :
a) les systèmes de ventilation;
b) les systèmes de climatisation;
c) les systèmes de chauffage;
d) les systèmes d'éclairage [4 intégré]4;
e) les systèmes fixes permettant de transporter des personnes ou des charges d'un étage à l'autre du bâtiment;
f) [7 les systèmes de production et de stockage d'énergie produite à partir de sources renouvelables;]7
[4 g) les systèmes d'automatisation et de contrôle des bâtiments ;]4
[2 h) une combinaison des systèmes visés aux points [4 a) à g)]4]2 ;
24° [5 système d'automatisation et de contrôle des bâtiments " : un système comprenant tous les produits, logiciels et services d'ingénierie à même de soutenir le fonctionnement efficace sur le plan énergétique, économique et sûr des installations techniques de bâtiment au moyen de commandes automatiques et en facilitant la gestion manuelle de ces installations techniques de bâtiment;]5
25° " Pompe à chaleur " : un dispositif ou une installation qui prélève de la chaleur, à basse température, dans l'air, l'eau ou la terre pour la fournir au bâtiment;
26° " Volume protégé " : [3 volume des espaces dans lesquels de l'énergie est utilisée, en continu ou par intermittence, et tel que déterminé par le gouvernement en vertu de l'article 2.2.2, § 3 du présent Code ;]3
27° " Surface de déperdition thermique " : l'ensemble de toutes les parois qui séparent le volume protégé de l'ambiance extérieure, du sol et d'un espace n'appartenant pas à un volume protégé [7 et tel que précisé par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.2, § 3, du présent Code]7;
28° " PLAGE " : Plan local d'action pour la gestion énergétique;
29° " Cadastre énergétique " : inventaire comparatif annuel de l'efficacité énergétique des bâtiments;
30° " Comptabilité énergétique " : relevé périodique des consommations énergétiques, par vecteur énergétique et par bâtiment, selon une fréquence à déterminer par le Gouvernement;
31° " Coordinateur PLAGE " : personne physique désignée par les organismes visés à l'article 2.2.22 au sein de leur personnel, chargée de la coordination et de la mise en oeuvre du PLAGE;
32° " Réviseur PLAGE " : personne [2 ...]2 indépendante des organismes visés à l'article 2.2.22, chargée de contrôler les informations fournies par ces organismes dans le cadre de la mise en oeuvre du PLAGE;
33° " Véhicule à moteur " : tout véhicule pourvu d'un moteur et destiné à circuler par ses propres moyens, tel que défini par l'arrêté royal du 1er septembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière;
34° " STIB " : la Société des Transports Intercommunaux de Bruxelles, association de droit public créée en vertu de l'ordonnance du 22 novembre 1990 relative à l'organisation des transports en commun en Région de Bruxelles-Capitale;
35° " Services de taxis " : les services qui assurent, avec chauffeur, le transport rémunéré de personnes par véhicules automobiles, au sens de l'ordonnance du 27 avril 1995 relative aux services de taxis et aux services de location de voitures avec chauffeur;
36° " Services de location de voitures avec chauffeur " : tous services de transport rémunéré de personnes par véhicules automobiles qui ne sont pas des services de taxis et qui remplissent les conditions définies par l'ordonnance du 27 avril 1995 relative aux services de taxis et aux services de location de voitures avec chauffeur;
37° " Service de voitures partagées " : service accessible au public d'utilisation systématique et à tour de rôle par des personnes préalablement déterminées d'une ou de plusieurs voitures contre paiement par le biais d'une association de voitures partagées, à l'exception de l'utilisation de véhicules destinés à la simple location ou location-vente;
38° " Services de bus touristiques " : les services de transport régulier et les formes particulières de transport régulier par autobus ou autocar partiellement ou entièrement assurés en Région de Bruxelles-Capitale, tels que visés par l'arrêté-loi du 30 décembre 1946 relatif aux transports rémunérés de voyageurs par route effectués par autobus et par autocars, et qui sont principalement destinés, par le choix du trajet et des arrêts ou par l'offre de services supplémentaires, aux voyageurs souhaitant visiter des lieux d'intérêt de la Région de Bruxelles-Capitale ou obtenir des informations à leur sujet;
39° " Installateur SER " : personne [2 physique ou morale]2 chargée d'installer des systèmes d'utilisation d'énergie produite à partir de sources renouvelables, tels que des chaudières et des poêles à biomasse, des systèmes solaires photovoltaïques ou thermiques, des systèmes géothermiques superficiels, des turbines éoliennes ou des pompes à chaleur.
[6 40° " générateur de chaleur " : la partie d'un système de chauffage qui produit de la chaleur utile à l'aide d'un ou plusieurs des processus suivants :
a) combustion de combustibles, par exemple dans une chaudière ;
b) effet Joule, dans les éléments de chauffage d'un système de chauffage à résistance électrique ;
c) capture de la chaleur de l'air ambiant, de l'air extrait de la ventilation, ou de l'eau ou d'une source de chaleur souterraine à l'aide d'une pompe à chaleur.]6
[7 41° " Opérateur immobilier public ": une commune, un C.P.A.S., une régie communale autonome, la Régie foncière de la Région de Bruxelles-Capitale, la Société du Logement de la Région bruxelloise (SLRB), une société immobilière de service public (SISP), le Fonds du logement de la Région de Bruxelles-Capitale et la Société de Développement pour la Région de Bruxelles-Capitale (SDRB);
42° " Passeport bâtiment ": espace dédié à un bâtiment et/ou une unité PEB sur une plateforme numérique d'échange de services, mettant à disposition toutes les données pertinentes relatives au bâtiment et à ses unités PEB, y compris les données relatives à la performance énergétique, qui facilite le partage d'informations sur le bâtiment et l'unité PEB concernés;
43° " Centre de données ou datacenter ": structure ou groupe de structures servant à héberger, connecter et exploiter des systèmes/serveurs informatiques et du matériel connexe pour le stockage, le traitement et/ou la distribution des données, ainsi que pour les activités connexes;
44° " Proposition PEB ": document qui contient pour le projet visé par la demande de permis d'urbanisme la division en unités PEB et les exigences PEB auxquelles elles sont soumises;
45° " Titulaire d'un droit réel ": la personne qui est titulaire d'un des droits réels suivants sur le bâtiment ou l'unité PEB: le droit de propriété, la copropriété, le droit d'usufruit, le droit d'emphytéose, le droit de superficie;
46° " Superficie brute ": mesure exprimée en m2 des surfaces brutes telles que précisées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.2, § 3, du présent Code.]7
1° " [7 Performance énergétique]7 " : [7 l'évaluation de]7 la quantité d'énergie effectivement consommée ou estimée pour répondre aux différents besoins liés à une utilisation standardisée [7 ...]7, ce qui peut inclure entre autres le chauffage, l'eau chaude, le refroidissement, la ventilation et l'éclairage. [7 Cette évaluation est traduite]7 par un ou plusieurs indicateurs numériques résultant d'un calcul [3 réalisé suivant une des méthodes de calcul définies à l'annexe 2.1]3;
2° " Unité PEB " : ensemble de locaux [1 dans un même volume protégé, conçu ou modifié pour être utilisé séparément]1 et qui répond à la définition d'une affectation définie par le Gouvernement;
3° " [7 Neuve]7 " : qualificatif donné à une unité PEB faisant l'objet de travaux de construction soumis à permis d'urbanisme;
[7 3° /1 " Assimilée à du neuf ": qualificatif donné à une unité PEB lorsqu'elle fait l'objet de travaux dont au moins une partie est soumise à permis d'urbanisme:
a) s'il y a des travaux de construction et/ou de démolition-reconstruction influençant la performance énergétique à au moins 75 % de sa surface de déperdition thermique, tous les travaux repris dans la demande de permis d'urbanisme étant pris en compte;
b) et si elle fait l'objet de travaux portant sur ses installations techniques.
Ces critères peuvent être précisés par le Gouvernement;]7
4° " [7 Rénovée]7 lourdement " : [3 lorsqu'une unité PEB fait l'objet de travaux dont au moins une partie est soumise à permis d'urbanisme, qualificatif donné à cette unité PEB :
a) s'il y a des travaux influençant la performance énergétique à au moins 50 % de sa surface de déperdition thermique, tous les travaux repris dans la demande de permis d'urbanisme étant pris en compte ;
b) et si elle fait l'objet de travaux portant sur ses installations techniques ;
ces critères pouvant être précisés par le Gouvernement ;]3
5° " [7 Rénovée]7 simplement " : [3 lorsqu'une unité PEB fait l'objet de travaux dont au moins une partie est soumise à permis d'urbanisme, qualificatif donné à cette unité PEB :
a) s'il y a des travaux influençant la performance énergétique à sa surface de déperdition thermique, tous les travaux repris dans la demande de permis d'urbanisme étant pris en compte ;
b) et si ces travaux n'entrent pas dans les critères du qualificatif rénové lourdement;]3
6° " Exigences PEB " : l'ensemble des conditions auxquelles doit répondre une unité PEB et/ou une installation technique en matière de performance énergétique, d'isolation thermique, de climat intérieur [7 , de ventilation, de vecteur énergétique utilisé ou de potentiel de réchauffement planétaire]7;
[7 6° /1 " Potentiel de réchauffement planétaire " ou " PRP ": indicateur qui quantifie les contributions potentielles au réchauffement planétaire d'une unité PEB et/ou d'une installation technique tout au long de leur cycle de vie. Cet indicateur résulte d'un calcul réalisé suivant une méthode de calcul définie à l'annexe 2.1.]7
7° " Niveau de coût optimum " : le niveau de performance énergétique qui entraîne les coûts les plus bas sur la durée de vie économique estimée, qui sont déterminés en prenant en compte les coûts d'investissement liés à l'énergie, et le cas échéant les coûts de maintenance et de fonctionnement (y compris les coûts de l'énergie, les économies, la catégorie du bâtiment concerné, les bénéfices provenant de l'énergie produite) et les coûts d'élimination. Le niveau du coût optimum est compris dans la fourchette des niveaux de performance pour lesquels l'analyse des coûts et bénéfices calculée sur la durée de vie estimée d'un bâtiment est positive;
8° " Consommation " zéro énergie " " : consommation d'énergie nulle ou très faible, obtenue grâce à une efficacité énergétique élevée, et qui devrait être couverte dans une très large mesure par de l'énergie produite à partir de sources renouvelables, notamment l'énergie produite à partir de sources renouvelables [7 sur site]7 ou à proximité [2 ; [7 les termes " sur site " ou]7 " à proximité " peuvent être précisés par le Gouvernement]2;
[7 8° /1 " Zéro émission ": une très haute performance énergétique, ne nécessitant qu'une consommation d'énergie nulle ou très faible, ne produisant aucune émission de gaz à effet de serre sur site à partir de combustibles fossiles et ne produisant aucune émission opérationnelle de gaz à effet de serre ou une très faible quantité, telle que précisée par le Gouvernement;]7
[7 8° /2 " Emission opérationnelle de gaz à effet de serre ": émission de gaz à effet de serre associée à la consommation d'énergie des installations techniques du bâtiment pendant l'utilisation et l'exploitation de l'unité PEB;]7
9° " Déclaration PEB " : le document qui décrit les mesures [3 exécutées sur chantier afin de respecter les]3 exigences PEB et détermine par calcul si ces exigences sont respectées [3 ou non]3;
10° " Déclarant " : personne physique ou morale tenue de respecter les exigences PEB et au nom et pour le compte de qui les travaux de construction ou de rénovation sont réalisés;
11° " Certificat PEB " : document qui présente les indicateurs de performance énergétique d'une unité PEB sous forme numérique, alphabétique et graphique;
12° " Certificat PEB bâtiment public " : document qui présente les indicateurs de performance énergétique, sous forme alphabétique, numérique et graphique, de l'ensemble des unités PEB [7 appartenant à ou occupées par un ou plusieurs pouvoirs publics]7 dans un même bâtiment, en tenant compte de la consommation [7 mesurée]7 sur une année;
13° [7 ...]7;
14° " Demandeur " : personne physique ou morale, publique ou privée, qui introduit une demande [7 de permis d'urbanisme, telle que visé à l'article 98 du CoBAT]7;
15° " Conseiller PEB " : personne physique ou morale agréée pour établir la proposition PEB, la notification de début des travaux et la déclaration PEB;
16° " Certificateur " : personne physique ou morale agréée pour délivrer les certificats PEB ou les certificats PEB bâtiment public;
17° [3 ...]3
18° " [7 Contrôleur PEB]7 " : personne physique [7 ou morale]7 agréée, [3 ...]3 qui est chargée de pratiquer le contrôle d'installations techniques;
19° " Cogénération de qualité " : transformation simultanée de combustibles primaires en énergie mécanique ou électrique et thermique, qui répond aux critères définis conformément à l'article 16 de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale;
20° " Système de climatisation " : une combinaison de toutes les composantes nécessaires pour assurer une forme de traitement de l'air dans un bâtiment, par laquelle la température est contrôlée ou peut être abaissée, éventuellement en conjugaison avec un contrôle de l'aération, de l'humidité et/ou de la pureté de l'air;
21° " Système de chauffage " : ensemble des composantes nécessaires pour chauffer l'air d'un bâtiment et/ou chauffer de l'eau chaude sanitaire, en ce compris le ou les générateurs de chaleur, [7 les échangeurs de chaleur, les capteurs solaires thermiques,]7 les circuits de distribution, de stockage et d'émission, et les systèmes de régulation;
22° " Chaudière " : générateur de chaleur composé d'un brûleur et d'un échangeur (corps de chaudière) destiné à transmettre à un fluide, la chaleur libérée par la combustion;
23° " Installation technique " :
a) les systèmes de ventilation;
b) les systèmes de climatisation;
c) les systèmes de chauffage;
d) les systèmes d'éclairage [4 intégré]4;
e) les systèmes fixes permettant de transporter des personnes ou des charges d'un étage à l'autre du bâtiment;
f) [7 les systèmes de production et de stockage d'énergie produite à partir de sources renouvelables;]7
[4 g) les systèmes d'automatisation et de contrôle des bâtiments ;]4
[2 h) une combinaison des systèmes visés aux points [4 a) à g)]4]2 ;
24° [5 système d'automatisation et de contrôle des bâtiments " : un système comprenant tous les produits, logiciels et services d'ingénierie à même de soutenir le fonctionnement efficace sur le plan énergétique, économique et sûr des installations techniques de bâtiment au moyen de commandes automatiques et en facilitant la gestion manuelle de ces installations techniques de bâtiment;]5
25° " Pompe à chaleur " : un dispositif ou une installation qui prélève de la chaleur, à basse température, dans l'air, l'eau ou la terre pour la fournir au bâtiment;
26° " Volume protégé " : [3 volume des espaces dans lesquels de l'énergie est utilisée, en continu ou par intermittence, et tel que déterminé par le gouvernement en vertu de l'article 2.2.2, § 3 du présent Code ;]3
27° " Surface de déperdition thermique " : l'ensemble de toutes les parois qui séparent le volume protégé de l'ambiance extérieure, du sol et d'un espace n'appartenant pas à un volume protégé [7 et tel que précisé par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.2, § 3, du présent Code]7;
28° " PLAGE " : Plan local d'action pour la gestion énergétique;
29° " Cadastre énergétique " : inventaire comparatif annuel de l'efficacité énergétique des bâtiments;
30° " Comptabilité énergétique " : relevé périodique des consommations énergétiques, par vecteur énergétique et par bâtiment, selon une fréquence à déterminer par le Gouvernement;
31° " Coordinateur PLAGE " : personne physique désignée par les organismes visés à l'article 2.2.22 au sein de leur personnel, chargée de la coordination et de la mise en oeuvre du PLAGE;
32° " Réviseur PLAGE " : personne [2 ...]2 indépendante des organismes visés à l'article 2.2.22, chargée de contrôler les informations fournies par ces organismes dans le cadre de la mise en oeuvre du PLAGE;
33° " Véhicule à moteur " : tout véhicule pourvu d'un moteur et destiné à circuler par ses propres moyens, tel que défini par l'arrêté royal du 1er septembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière;
34° " STIB " : la Société des Transports Intercommunaux de Bruxelles, association de droit public créée en vertu de l'ordonnance du 22 novembre 1990 relative à l'organisation des transports en commun en Région de Bruxelles-Capitale;
35° " Services de taxis " : les services qui assurent, avec chauffeur, le transport rémunéré de personnes par véhicules automobiles, au sens de l'ordonnance du 27 avril 1995 relative aux services de taxis et aux services de location de voitures avec chauffeur;
36° " Services de location de voitures avec chauffeur " : tous services de transport rémunéré de personnes par véhicules automobiles qui ne sont pas des services de taxis et qui remplissent les conditions définies par l'ordonnance du 27 avril 1995 relative aux services de taxis et aux services de location de voitures avec chauffeur;
37° " Service de voitures partagées " : service accessible au public d'utilisation systématique et à tour de rôle par des personnes préalablement déterminées d'une ou de plusieurs voitures contre paiement par le biais d'une association de voitures partagées, à l'exception de l'utilisation de véhicules destinés à la simple location ou location-vente;
38° " Services de bus touristiques " : les services de transport régulier et les formes particulières de transport régulier par autobus ou autocar partiellement ou entièrement assurés en Région de Bruxelles-Capitale, tels que visés par l'arrêté-loi du 30 décembre 1946 relatif aux transports rémunérés de voyageurs par route effectués par autobus et par autocars, et qui sont principalement destinés, par le choix du trajet et des arrêts ou par l'offre de services supplémentaires, aux voyageurs souhaitant visiter des lieux d'intérêt de la Région de Bruxelles-Capitale ou obtenir des informations à leur sujet;
39° " Installateur SER " : personne [2 physique ou morale]2 chargée d'installer des systèmes d'utilisation d'énergie produite à partir de sources renouvelables, tels que des chaudières et des poêles à biomasse, des systèmes solaires photovoltaïques ou thermiques, des systèmes géothermiques superficiels, des turbines éoliennes ou des pompes à chaleur.
[6 40° " générateur de chaleur " : la partie d'un système de chauffage qui produit de la chaleur utile à l'aide d'un ou plusieurs des processus suivants :
a) combustion de combustibles, par exemple dans une chaudière ;
b) effet Joule, dans les éléments de chauffage d'un système de chauffage à résistance électrique ;
c) capture de la chaleur de l'air ambiant, de l'air extrait de la ventilation, ou de l'eau ou d'une source de chaleur souterraine à l'aide d'une pompe à chaleur.]6
[7 41° " Opérateur immobilier public ": une commune, un C.P.A.S., une régie communale autonome, la Régie foncière de la Région de Bruxelles-Capitale, la Société du Logement de la Région bruxelloise (SLRB), une société immobilière de service public (SISP), le Fonds du logement de la Région de Bruxelles-Capitale et la Société de Développement pour la Région de Bruxelles-Capitale (SDRB);
42° " Passeport bâtiment ": espace dédié à un bâtiment et/ou une unité PEB sur une plateforme numérique d'échange de services, mettant à disposition toutes les données pertinentes relatives au bâtiment et à ses unités PEB, y compris les données relatives à la performance énergétique, qui facilite le partage d'informations sur le bâtiment et l'unité PEB concernés;
43° " Centre de données ou datacenter ": structure ou groupe de structures servant à héberger, connecter et exploiter des systèmes/serveurs informatiques et du matériel connexe pour le stockage, le traitement et/ou la distribution des données, ainsi que pour les activités connexes;
44° " Proposition PEB ": document qui contient pour le projet visé par la demande de permis d'urbanisme la division en unités PEB et les exigences PEB auxquelles elles sont soumises;
45° " Titulaire d'un droit réel ": la personne qui est titulaire d'un des droits réels suivants sur le bâtiment ou l'unité PEB: le droit de propriété, la copropriété, le droit d'usufruit, le droit d'emphytéose, le droit de superficie;
46° " Superficie brute ": mesure exprimée en m2 des surfaces brutes telles que précisées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.2, § 3, du présent Code.]7
Wijzigingen
Art. 2_1.1.TOEKOMSTIG_RECHT. In de zin van onderhavig boek, verstaat men onder :
1° " [7 Energieprestatie]7 " : [7 de evaluatie van]7 de hoeveelheid energie die effectief wordt verbruikt of nodig geacht wordt om te voldoen aan de verschillende behoeften bij een standaard gebruik [7 ...]7, met onder andere verwarming, warm water, koelsysteem, ventilatie en verlichting. [7 Deze evaluatie wordt vertaald]7 in één of meer cijfermatige indicatoren die door berekening worden verkregen, [3 uitgevoerd volgens een van de in bijlage 2.1 gedefinieerde berekeningsmethodes]3;
2° " EPB-eenheid " : een verzameling van [1 lokalen in eenzelfde beschermd volume, ontworpen of gewijzigd om afzonderlijk gebruikt te worden]1 en dat beantwoordt aan de definitie van een bestemming vastgelegd door de Regering;
3° " Nieuw " : kwalificatie gegeven aan een EPB-eenheid die het voorwerp vormt van bouwwerkzaamheden waarvoor een stedenbouwkundige vergunning vereist is;
[7 3° /1 "Met nieuw gelijkgesteld": kwalificatie gegeven aan een EPB-eenheid als ze het voorwerp vormt van werkzaamheden waarvan ten minste een deel ervan aan een stedenbouwkundige vergunning onderworpen is:
a) als er constructiewerkzaamheden en/of afbraak- en heropbouwwerkzaamheden worden uitgevoerd op ten minste 75% van haar warmteverliesoppervlakte die de energieprestatie beïnvloeden, rekening houdend met alle werkzaamheden hernomen in de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag;
b) en als ze het voorwerp vormt van werkzaamheden op de technische installaties.
Deze criteria kunnen nader bepaald worden door de Regering;]7
4° " Zwaar gerenoveerd " : [3 als een EPB-eenheid het voorwerp vormt van werkzaamheden waarvan ten minste een deel ervan aan een stedenbouwkundige vergunning onderworpen is, kwalificatie gegeven aan die EPB-eenheid :
a) als er werkzaamheden op ten minste 50 % van haar warmteverliesoppervlakte de energieprestatie beïnvloeden, rekening houdend met alle werkzaamheden hernomen in de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag ;
b) en als ze het voorwerp vormt van werkzaamheden op de technische installaties ;
deze criteria kunnen nader bepaald worden door de Regering ;]3
5° " Eenvoudig gerenoveerd " : [3 als een EPB-eenheid het voorwerp vormt van werkzaamheden waarvan ten minste een deel ervan aan een stedenbouwkundige vergunning onderworpen is, kwalificatie gegeven aan die EPB-eenheid :
a) als er werkzaamheden op haar warmteverliesoppervlakte de energieprestatie beïnvloeden, rekening houdend met alle werkzaamheden hernomen in de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag ;
b) en als deze werkzaamheden niet onder de criteria voor de kwalificatie van zwaar gerenoveerd vallen ;]3
6° " EPB-eisen " : alle voorwaarden waaraan een EPB-eenheid en/of een technische installatie moet voldoen op het vlak van energieprestatie, thermische isolatie, binnenklimaat [7 , ventilatie, gebruikte energiedrager of aardopwarmingsvermogen]7;
[7 6° /1 "Aardopwarmingsvermogen" of "GWP": indicator voor de kwantificering van de potentiële bijdrage van een EPB-eenheid en/of een technische installatie aan de opwarming van de aarde gedurende hun gehele levenscyclus. Deze indicator wordt berekend volgens een in bijlage 2.1 gedefinieerde berekeningsmethode]7;
7° " Kostenoptimaal niveau " : het energieprestatieniveau dat gedurende de geraamde economische levensduur de laagste kosten met zich meebrengt, die worden bepaald aan de hand van de energiegerelateerde investeringskosten en, desgevallend de onderhouds- en bedrijfskosten (met inbegrip van energiekosten en -besparingen, de categorie van het desbetreffende gebouw, de opbrengst van de energieproductie) en verwijderingskosten. Het kostenoptimaal niveau ligt binnen het scala van prestatieniveaus waarvoor de berekende kosten-batenanalyse over de geraamde economische levensduur van een gebouw positief is;
8° " Zero energieverbruik " : geen of zeer laag energieverbruik, verkregen dankzij een hoge energie-efficiëntie en die in zeer aanzienlijke mate dient te worden geleverd uit hernieuwbare bronnen, met name de energie die [7 in situ]7 of dichtbij uit hernieuwbare bronnen wordt geproduceerd [2 ; het woord " dichtbij " kan door de Regering nader bepaald worden]2;
[7 8° /1 "Zero emissie": een zeer hoge energieprestatie, die geen of een zeer laag energieverbruik vereist, die geen enkel broeikasgasemissie uit fossiele brandstoffen in situ produceert en die geen of een zeer lage hoeveelheid operationele broeikasgasemissie produceert, zoals nader bepaald door de Regering;]7
[7 8° /2 "Operationele broeikasgasemissie": broeikasgasemissie die samenhangt met het energieverbruik van de technische installaties tijdens het gebruik en de exploitatie van de EPB-eenheid;]7
9° " EPB-aangifte " : het document dat de [3 op werf uitgevoerde maatregelen, met het oog op de naleving van de EPB-eisen beschrijft,]3 en dat door berekening bepaalt of die eisen [3 al dan niet]3 nageleefd zijn;
10° " Aangever " : natuurlijke of rechtspersoon die ertoe gehouden is de EPB-eisen na te leven en in wiens naam en voor wiens rekening de bouwwerkzaamheden of de renovatie worden uitgevoerd;
11° " EPB-certificaat " : document dat de indicatoren voor de energieprestatie van een EPB-eenheid in numerieke, alfabetische en grafische vorm weergeeft;
12° " EPB-certificaat openbaar gebouw " : document dat de indicatoren voor de energieprestatie van alle EPB-eenheden die [7 toebehoren aan of gebruikt worden door één of meerdere overheden]7 in eenzelfde gebouw, in numerieke, alfabetische en grafische vorm weergeeft, en daarbij rekening houdt met het [7 gemeten]7 jaarlijkse verbruik;
13° [7 ...]7;
14° " Aanvrager " : natuurlijke of rechtspersoon, openbaar of privé, die een aanvraag [7 van een stedenbouwkundige vergunning, zoals bedoeld in artikel 98 van het BWRO,]7 indient;
15° [8 "EPB-deskundige": natuurlijke of rechtspersoon erkend om, naargelang het geval, het EPB-voorstel, de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden, de EPB-aangifte, het samenvattend rapport, het EPB-certificaat of het EPB-certificaat openbaar gebouw op te stellen; waarbij de Regering de voorwaarden van zijn actieterrein preciseert]8;
16° [8 ...]8;
17° [3 ...]3
18° "[7 EPB-controleur]7" : erkende natuurlijke persoon, [3 ...]3 [7 of rechtspersoon]7 belast met de controle van technische installaties;
19° " Kwaliteitswarmtekrachtkoppeling " : de gelijktijdige omzetting van primaire brandstoffen in mechanische of elektrische en thermische energie waarbij voldaan wordt aan de criteria vastgelegd conform artikel 16 van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
20° " Klimaatregelingssysteem " : een combinatie van alle noodzakelijke componenten om een vorm van luchtbehandeling te verzekeren in een gebouw, waardoor de temperatuur wordt gecontroleerd of kan worden verlaagd, eventueel in combinatie met een regeling van de verluchting, de vochtigheid en/of de zuiverheid van de lucht;
21° " Verwarmingssysteem " : combinatie van de noodzakelijke componenten om de lucht van een gebouw en/of het sanitaire warme water te verwarmen, met inbegrip van de warmtegenerator(en), [7 de warmtewisselaars, de thermische zonnecollectoren,]7 de verdeel-, opslag- en emissiecircuits en de regelsystemen;
22° " Ketel " : warmtegenerator bestaande uit een brander en een ketellichaam, bedoeld om de door verbranding vrijgekomen warmte af te geven aan een vloeistof;
23° " Technische installatie " :
a) ventilatiesystemen;
b) klimaatregelingssystemen;
c) verwarmingssystemen;
d) [4 ingebouwde]4 verlichtingssystemen;
e) vaste systemen voor het vervoeren van personen of lasten van de ene verdieping naar de andere in het gebouw;
f) [7 systemen voor opwekking en opslag van energie uit hernieuwbare bronnen]7;
[4 g) systemen voor gebouwautomatisering en -controle ;]4
[2 h) een combinatie van de van [4 a) tot en met g)]42;
24° [5 systeem voor gebouwautomatisering en -controle " : een systeem dat alle producten, software en technische diensten omvat die het energie-efficiënt, zuinig en veilig functioneren van technische bouwinstallaties kunnen ondersteunen door middel van automatische controles en het vergemakkelijken van het handmatig beheer van die technische bouwinstallaties ]5
25° " Warmtepomp " : een inrichting of installatie die bij lage temperatuur warmte opneemt uit de lucht, het water of de aarde en deze afgeeft aan het gebouw;
26° " Beschermd volume " : [3 het volume van de ruimten waarin doorlopend of met tussenpozen energie wordt verbruikt, en zoals bepaald door de regering krachtens artikel 2.2.2, § 3 van onderhavig Wetboek ;]3
27° " Warmteverliesoppervlakte " : de som van alle wanden die het beschermd volume scheiden van het buitenklimaat, van de grond en van een aanpalende ruimte die niet tot het beschermd volume behoort [7 , en zoals bepaald door de Regering krachtens artikel 2.2.2, § 3, van dit Wetboek]7;
28° " PLAGE " : Plan voor lokale actie voor het gebruik van energie;
29° " Energiekadaster " : vergelijkende jaarlijkse inventaris van de energie-efficiëntie van de gebouwen;
30° " Energieboekhouding " : periodieke staat van het energieverbruik, per energievector en per gebouw, volgens een frequentie die door de Regering moet worden bepaald;
31° " PLAGE-coördinator " : natuurlijke persoon die de organen bedoeld in artikel 2.2.22 onder hun personeel aanstellen, en die belast is met de coördinatie en de uitvoering van het PLAGE;
32° " PLAGE-revisor " : [2 ...]2 persoon, onafhankelijk van de instellingen bedoeld in artikel 2.2.22, belast met de controle van de informatie die wordt verstrekt door die instellingen in het kader van de uitvoering van het PLAGE;
33° " Motorvoertuig " : elk voertuig dat is uitgerust met een motor en bestemd is om op eigen kracht te rijden, zoals gedefinieerd door het koninklijk besluit van 1 september 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer;
34° " MIVB " : de Maatschappij voor Intercommunaal Vervoer van Brussel, publiekrechtelijke vereniging opgericht krachtens de ordonnantie van 22 november 1990 betreffende de organisatie van het openbaar vervoer in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
35° " Taxidiensten " : de diensten die het bezoldigde vervoer van personen met bestuurder verzekeren in de zin van de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur;
36° " Diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur " : alle diensten van bezoldigd vervoer van personen door middel van autovoertuigen die geen taxidiensten zijn en die voldoen aan de voorwaarden vastgelegd in de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur;
37° " Autodeeldienst " : een voor het publiek toegankelijke dienst voor het systematische en beurtelingse door vooraf bepaalde personen gebruik van één of meerdere auto's tegen betaling via een vereniging voor autodelen, met uitzondering van het gebruik van voertuigen bestemd voor gewone verhuur of huurkoop;
38° " Toeristische busdiensten " : de diensten van geregeld vervoer en de bijzondere vormen van geregeld vervoer per autobus of autocar die geheel of gedeeltelijk verzekerd worden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zoals bedoeld in de Besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars, en die door de keuze van het traject en de stopplaatsen of door het aanbieden van aanvullende diensten in hoofdzaak gericht zijn op reizigers die bezienswaardigheden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wensen te bezichtigen of er informatie over wensen te verkrijgen;
39° " Installateur HE " : [2 natuurlijke of rechtspersoon]2 belast met het plaatsen van systemen voor het gebruik van energie geproduceerd op basis van hernieuwbare energiebronnen zoals verwarmingsketels en kachels op biomassa, fotovoltaïsche of thermische systemen op zonne-energie, ondiepe geothermische systemen, windmolens of warmtepompen.
[6 40° " warmtegenerator " : het onderdeel van een verwarmingssysteem dat nuttige warmte genereert via één of meerdere van de volgende processen :
a) de verbranding van brandstof in bijvoorbeeld een cv-ketel ;
b) het joule-effect, dat plaatsvindt in de verwarmingselementen van een verwarmingssysteem met elektrische weerstand ;
c) het opvangen van warmte uit de lucht, ventilatieafvoerlucht, of een water- of aardwarmtebron) met behulp van een warmtepomp]6;
[7 41° "Openbaar vastgoedbeheerder": een gemeente, een O.C.M.W., een autonome gemeentelijke regie, de Grondregie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij (BGHM), een openbare vastgoedmaatschappij (OVM), het Woningfonds van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (GOMB);
42° "Gebouwenpaspoort": ruimte voor een gebouw en/of EPB-eenheid op een digitaal platform voor dienstenuitwisseling, waar alle relevante gegevens over het gebouw et de EPB-eenheden ervan, waaronder de gegevens over energieprestatie, beschikbaar zijn, waardoor informatie over het gebouw en de EPB-eenheid gemakkelijker kunnen worden gedeeld;
43° "Datacentrum": structuur of groep van structuren die wordt gebruikt voor de hosting, aansluiting en bediening van computersystemen/servers en gelinkte apparatuur voor de opslag, verwerking en/of verspreiding van gegevens, en gerelateerde activiteiten;
44° "EPB-voorstel": document dat voor het project, waarvoor een stedenbouwkundige vergunning wordt aangevraagd, de verdeling in EPB-eenheden en de EPB-eisen waaraan ze onderworpen zijn, bevat;
45° "Titularis van een zakelijk recht": de persoon die titularis is van een van de volgende zakelijke rechten op het bedoelde gebouw of EPB-eenheid: eigendomsrecht, mede-eigendom, recht van vruchtgebruik, erfpachtrecht, opstalrecht;
46° "Bruto oppervlakte": meting uitgedrukt in m2 van de bruto oppervlakken, zoals bepaald door de Regering krachtens artikel 2.2.2, § 3, van dit Wetboek.]7
1° " [7 Energieprestatie]7 " : [7 de evaluatie van]7 de hoeveelheid energie die effectief wordt verbruikt of nodig geacht wordt om te voldoen aan de verschillende behoeften bij een standaard gebruik [7 ...]7, met onder andere verwarming, warm water, koelsysteem, ventilatie en verlichting. [7 Deze evaluatie wordt vertaald]7 in één of meer cijfermatige indicatoren die door berekening worden verkregen, [3 uitgevoerd volgens een van de in bijlage 2.1 gedefinieerde berekeningsmethodes]3;
2° " EPB-eenheid " : een verzameling van [1 lokalen in eenzelfde beschermd volume, ontworpen of gewijzigd om afzonderlijk gebruikt te worden]1 en dat beantwoordt aan de definitie van een bestemming vastgelegd door de Regering;
3° " Nieuw " : kwalificatie gegeven aan een EPB-eenheid die het voorwerp vormt van bouwwerkzaamheden waarvoor een stedenbouwkundige vergunning vereist is;
[7 3° /1 "Met nieuw gelijkgesteld": kwalificatie gegeven aan een EPB-eenheid als ze het voorwerp vormt van werkzaamheden waarvan ten minste een deel ervan aan een stedenbouwkundige vergunning onderworpen is:
a) als er constructiewerkzaamheden en/of afbraak- en heropbouwwerkzaamheden worden uitgevoerd op ten minste 75% van haar warmteverliesoppervlakte die de energieprestatie beïnvloeden, rekening houdend met alle werkzaamheden hernomen in de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag;
b) en als ze het voorwerp vormt van werkzaamheden op de technische installaties.
Deze criteria kunnen nader bepaald worden door de Regering;]7
4° " Zwaar gerenoveerd " : [3 als een EPB-eenheid het voorwerp vormt van werkzaamheden waarvan ten minste een deel ervan aan een stedenbouwkundige vergunning onderworpen is, kwalificatie gegeven aan die EPB-eenheid :
a) als er werkzaamheden op ten minste 50 % van haar warmteverliesoppervlakte de energieprestatie beïnvloeden, rekening houdend met alle werkzaamheden hernomen in de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag ;
b) en als ze het voorwerp vormt van werkzaamheden op de technische installaties ;
deze criteria kunnen nader bepaald worden door de Regering ;]3
5° " Eenvoudig gerenoveerd " : [3 als een EPB-eenheid het voorwerp vormt van werkzaamheden waarvan ten minste een deel ervan aan een stedenbouwkundige vergunning onderworpen is, kwalificatie gegeven aan die EPB-eenheid :
a) als er werkzaamheden op haar warmteverliesoppervlakte de energieprestatie beïnvloeden, rekening houdend met alle werkzaamheden hernomen in de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag ;
b) en als deze werkzaamheden niet onder de criteria voor de kwalificatie van zwaar gerenoveerd vallen ;]3
6° " EPB-eisen " : alle voorwaarden waaraan een EPB-eenheid en/of een technische installatie moet voldoen op het vlak van energieprestatie, thermische isolatie, binnenklimaat [7 , ventilatie, gebruikte energiedrager of aardopwarmingsvermogen]7;
[7 6° /1 "Aardopwarmingsvermogen" of "GWP": indicator voor de kwantificering van de potentiële bijdrage van een EPB-eenheid en/of een technische installatie aan de opwarming van de aarde gedurende hun gehele levenscyclus. Deze indicator wordt berekend volgens een in bijlage 2.1 gedefinieerde berekeningsmethode]7;
7° " Kostenoptimaal niveau " : het energieprestatieniveau dat gedurende de geraamde economische levensduur de laagste kosten met zich meebrengt, die worden bepaald aan de hand van de energiegerelateerde investeringskosten en, desgevallend de onderhouds- en bedrijfskosten (met inbegrip van energiekosten en -besparingen, de categorie van het desbetreffende gebouw, de opbrengst van de energieproductie) en verwijderingskosten. Het kostenoptimaal niveau ligt binnen het scala van prestatieniveaus waarvoor de berekende kosten-batenanalyse over de geraamde economische levensduur van een gebouw positief is;
8° " Zero energieverbruik " : geen of zeer laag energieverbruik, verkregen dankzij een hoge energie-efficiëntie en die in zeer aanzienlijke mate dient te worden geleverd uit hernieuwbare bronnen, met name de energie die [7 in situ]7 of dichtbij uit hernieuwbare bronnen wordt geproduceerd [2 ; het woord " dichtbij " kan door de Regering nader bepaald worden]2;
[7 8° /1 "Zero emissie": een zeer hoge energieprestatie, die geen of een zeer laag energieverbruik vereist, die geen enkel broeikasgasemissie uit fossiele brandstoffen in situ produceert en die geen of een zeer lage hoeveelheid operationele broeikasgasemissie produceert, zoals nader bepaald door de Regering;]7
[7 8° /2 "Operationele broeikasgasemissie": broeikasgasemissie die samenhangt met het energieverbruik van de technische installaties tijdens het gebruik en de exploitatie van de EPB-eenheid;]7
9° " EPB-aangifte " : het document dat de [3 op werf uitgevoerde maatregelen, met het oog op de naleving van de EPB-eisen beschrijft,]3 en dat door berekening bepaalt of die eisen [3 al dan niet]3 nageleefd zijn;
10° " Aangever " : natuurlijke of rechtspersoon die ertoe gehouden is de EPB-eisen na te leven en in wiens naam en voor wiens rekening de bouwwerkzaamheden of de renovatie worden uitgevoerd;
11° " EPB-certificaat " : document dat de indicatoren voor de energieprestatie van een EPB-eenheid in numerieke, alfabetische en grafische vorm weergeeft;
12° " EPB-certificaat openbaar gebouw " : document dat de indicatoren voor de energieprestatie van alle EPB-eenheden die [7 toebehoren aan of gebruikt worden door één of meerdere overheden]7 in eenzelfde gebouw, in numerieke, alfabetische en grafische vorm weergeeft, en daarbij rekening houdt met het [7 gemeten]7 jaarlijkse verbruik;
13° [7 ...]7;
14° " Aanvrager " : natuurlijke of rechtspersoon, openbaar of privé, die een aanvraag [7 van een stedenbouwkundige vergunning, zoals bedoeld in artikel 98 van het BWRO,]7 indient;
15° [8 "EPB-deskundige": natuurlijke of rechtspersoon erkend om, naargelang het geval, het EPB-voorstel, de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden, de EPB-aangifte, het samenvattend rapport, het EPB-certificaat of het EPB-certificaat openbaar gebouw op te stellen; waarbij de Regering de voorwaarden van zijn actieterrein preciseert]8;
16° [8 ...]8;
17° [3 ...]3
18° "[7 EPB-controleur]7" : erkende natuurlijke persoon, [3 ...]3 [7 of rechtspersoon]7 belast met de controle van technische installaties;
19° " Kwaliteitswarmtekrachtkoppeling " : de gelijktijdige omzetting van primaire brandstoffen in mechanische of elektrische en thermische energie waarbij voldaan wordt aan de criteria vastgelegd conform artikel 16 van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
20° " Klimaatregelingssysteem " : een combinatie van alle noodzakelijke componenten om een vorm van luchtbehandeling te verzekeren in een gebouw, waardoor de temperatuur wordt gecontroleerd of kan worden verlaagd, eventueel in combinatie met een regeling van de verluchting, de vochtigheid en/of de zuiverheid van de lucht;
21° " Verwarmingssysteem " : combinatie van de noodzakelijke componenten om de lucht van een gebouw en/of het sanitaire warme water te verwarmen, met inbegrip van de warmtegenerator(en), [7 de warmtewisselaars, de thermische zonnecollectoren,]7 de verdeel-, opslag- en emissiecircuits en de regelsystemen;
22° " Ketel " : warmtegenerator bestaande uit een brander en een ketellichaam, bedoeld om de door verbranding vrijgekomen warmte af te geven aan een vloeistof;
23° " Technische installatie " :
a) ventilatiesystemen;
b) klimaatregelingssystemen;
c) verwarmingssystemen;
d) [4 ingebouwde]4 verlichtingssystemen;
e) vaste systemen voor het vervoeren van personen of lasten van de ene verdieping naar de andere in het gebouw;
f) [7 systemen voor opwekking en opslag van energie uit hernieuwbare bronnen]7;
[4 g) systemen voor gebouwautomatisering en -controle ;]4
[2 h) een combinatie van de van [4 a) tot en met g)]42;
24° [5 systeem voor gebouwautomatisering en -controle " : een systeem dat alle producten, software en technische diensten omvat die het energie-efficiënt, zuinig en veilig functioneren van technische bouwinstallaties kunnen ondersteunen door middel van automatische controles en het vergemakkelijken van het handmatig beheer van die technische bouwinstallaties ]5
25° " Warmtepomp " : een inrichting of installatie die bij lage temperatuur warmte opneemt uit de lucht, het water of de aarde en deze afgeeft aan het gebouw;
26° " Beschermd volume " : [3 het volume van de ruimten waarin doorlopend of met tussenpozen energie wordt verbruikt, en zoals bepaald door de regering krachtens artikel 2.2.2, § 3 van onderhavig Wetboek ;]3
27° " Warmteverliesoppervlakte " : de som van alle wanden die het beschermd volume scheiden van het buitenklimaat, van de grond en van een aanpalende ruimte die niet tot het beschermd volume behoort [7 , en zoals bepaald door de Regering krachtens artikel 2.2.2, § 3, van dit Wetboek]7;
28° " PLAGE " : Plan voor lokale actie voor het gebruik van energie;
29° " Energiekadaster " : vergelijkende jaarlijkse inventaris van de energie-efficiëntie van de gebouwen;
30° " Energieboekhouding " : periodieke staat van het energieverbruik, per energievector en per gebouw, volgens een frequentie die door de Regering moet worden bepaald;
31° " PLAGE-coördinator " : natuurlijke persoon die de organen bedoeld in artikel 2.2.22 onder hun personeel aanstellen, en die belast is met de coördinatie en de uitvoering van het PLAGE;
32° " PLAGE-revisor " : [2 ...]2 persoon, onafhankelijk van de instellingen bedoeld in artikel 2.2.22, belast met de controle van de informatie die wordt verstrekt door die instellingen in het kader van de uitvoering van het PLAGE;
33° " Motorvoertuig " : elk voertuig dat is uitgerust met een motor en bestemd is om op eigen kracht te rijden, zoals gedefinieerd door het koninklijk besluit van 1 september 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer;
34° " MIVB " : de Maatschappij voor Intercommunaal Vervoer van Brussel, publiekrechtelijke vereniging opgericht krachtens de ordonnantie van 22 november 1990 betreffende de organisatie van het openbaar vervoer in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
35° " Taxidiensten " : de diensten die het bezoldigde vervoer van personen met bestuurder verzekeren in de zin van de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur;
36° " Diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur " : alle diensten van bezoldigd vervoer van personen door middel van autovoertuigen die geen taxidiensten zijn en die voldoen aan de voorwaarden vastgelegd in de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur;
37° " Autodeeldienst " : een voor het publiek toegankelijke dienst voor het systematische en beurtelingse door vooraf bepaalde personen gebruik van één of meerdere auto's tegen betaling via een vereniging voor autodelen, met uitzondering van het gebruik van voertuigen bestemd voor gewone verhuur of huurkoop;
38° " Toeristische busdiensten " : de diensten van geregeld vervoer en de bijzondere vormen van geregeld vervoer per autobus of autocar die geheel of gedeeltelijk verzekerd worden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zoals bedoeld in de Besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars, en die door de keuze van het traject en de stopplaatsen of door het aanbieden van aanvullende diensten in hoofdzaak gericht zijn op reizigers die bezienswaardigheden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wensen te bezichtigen of er informatie over wensen te verkrijgen;
39° " Installateur HE " : [2 natuurlijke of rechtspersoon]2 belast met het plaatsen van systemen voor het gebruik van energie geproduceerd op basis van hernieuwbare energiebronnen zoals verwarmingsketels en kachels op biomassa, fotovoltaïsche of thermische systemen op zonne-energie, ondiepe geothermische systemen, windmolens of warmtepompen.
[6 40° " warmtegenerator " : het onderdeel van een verwarmingssysteem dat nuttige warmte genereert via één of meerdere van de volgende processen :
a) de verbranding van brandstof in bijvoorbeeld een cv-ketel ;
b) het joule-effect, dat plaatsvindt in de verwarmingselementen van een verwarmingssysteem met elektrische weerstand ;
c) het opvangen van warmte uit de lucht, ventilatieafvoerlucht, of een water- of aardwarmtebron) met behulp van een warmtepomp]6;
[7 41° "Openbaar vastgoedbeheerder": een gemeente, een O.C.M.W., een autonome gemeentelijke regie, de Grondregie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij (BGHM), een openbare vastgoedmaatschappij (OVM), het Woningfonds van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (GOMB);
42° "Gebouwenpaspoort": ruimte voor een gebouw en/of EPB-eenheid op een digitaal platform voor dienstenuitwisseling, waar alle relevante gegevens over het gebouw et de EPB-eenheden ervan, waaronder de gegevens over energieprestatie, beschikbaar zijn, waardoor informatie over het gebouw en de EPB-eenheid gemakkelijker kunnen worden gedeeld;
43° "Datacentrum": structuur of groep van structuren die wordt gebruikt voor de hosting, aansluiting en bediening van computersystemen/servers en gelinkte apparatuur voor de opslag, verwerking en/of verspreiding van gegevens, en gerelateerde activiteiten;
44° "EPB-voorstel": document dat voor het project, waarvoor een stedenbouwkundige vergunning wordt aangevraagd, de verdeling in EPB-eenheden en de EPB-eisen waaraan ze onderworpen zijn, bevat;
45° "Titularis van een zakelijk recht": de persoon die titularis is van een van de volgende zakelijke rechten op het bedoelde gebouw of EPB-eenheid: eigendomsrecht, mede-eigendom, recht van vruchtgebruik, erfpachtrecht, opstalrecht;
46° "Bruto oppervlakte": meting uitgedrukt in m2 van de bruto oppervlakken, zoals bepaald door de Regering krachtens artikel 2.2.2, § 3, van dit Wetboek.]7
Art. 2_1.1.DROIT_FUTUR. Au sens du présent livre, on entend par :
1° " [7 Performance énergétique]7 " : [7 l'évaluation de]7 la quantité d'énergie effectivement consommée ou estimée pour répondre aux différents besoins liés à une utilisation standardisée [7 ...]7, ce qui peut inclure entre autres le chauffage, l'eau chaude, le refroidissement, la ventilation et l'éclairage. [7 Cette évaluation est traduite]7 par un ou plusieurs indicateurs numériques résultant d'un calcul [3 réalisé suivant une des méthodes de calcul définies à l'annexe 2.1]3;
2° " Unité PEB " : ensemble de locaux [1 dans un même volume protégé, conçu ou modifié pour être utilisé séparément]1 et qui répond à la définition d'une affectation définie par le Gouvernement;
3° " [7 Neuve]7 " : qualificatif donné à une unité PEB faisant l'objet de travaux de construction soumis à permis d'urbanisme;
[7 3° /1 " Assimilée à du neuf ": qualificatif donné à une unité PEB lorsqu'elle fait l'objet de travaux dont au moins une partie est soumise à permis d'urbanisme:
a) s'il y a des travaux de construction et/ou de démolition-reconstruction influençant la performance énergétique à au moins 75 % de sa surface de déperdition thermique, tous les travaux repris dans la demande de permis d'urbanisme étant pris en compte;
b) et si elle fait l'objet de travaux portant sur ses installations techniques.
Ces critères peuvent être précisés par le Gouvernement;]7
4° " [7 Rénovée]7 lourdement " : [3 lorsqu'une unité PEB fait l'objet de travaux dont au moins une partie est soumise à permis d'urbanisme, qualificatif donné à cette unité PEB :
a) s'il y a des travaux influençant la performance énergétique à au moins 50 % de sa surface de déperdition thermique, tous les travaux repris dans la demande de permis d'urbanisme étant pris en compte ;
b) et si elle fait l'objet de travaux portant sur ses installations techniques ;
ces critères pouvant être précisés par le Gouvernement ;]3
5° " [7 Rénovée]7 simplement " : [3 lorsqu'une unité PEB fait l'objet de travaux dont au moins une partie est soumise à permis d'urbanisme, qualificatif donné à cette unité PEB :
a) s'il y a des travaux influençant la performance énergétique à sa surface de déperdition thermique, tous les travaux repris dans la demande de permis d'urbanisme étant pris en compte ;
b) et si ces travaux n'entrent pas dans les critères du qualificatif rénové lourdement;]3
6° " Exigences PEB " : l'ensemble des conditions auxquelles doit répondre une unité PEB et/ou une installation technique en matière de performance énergétique, d'isolation thermique, de climat intérieur [7 , de ventilation, de vecteur énergétique utilisé ou de potentiel de réchauffement planétaire]7;
[7 6° /1 " Potentiel de réchauffement planétaire " ou " PRP ": indicateur qui quantifie les contributions potentielles au réchauffement planétaire d'une unité PEB et/ou d'une installation technique tout au long de leur cycle de vie. Cet indicateur résulte d'un calcul réalisé suivant une méthode de calcul définie à l'annexe 2.1.]7
7° " Niveau de coût optimum " : le niveau de performance énergétique qui entraîne les coûts les plus bas sur la durée de vie économique estimée, qui sont déterminés en prenant en compte les coûts d'investissement liés à l'énergie, et le cas échéant les coûts de maintenance et de fonctionnement (y compris les coûts de l'énergie, les économies, la catégorie du bâtiment concerné, les bénéfices provenant de l'énergie produite) et les coûts d'élimination. Le niveau du coût optimum est compris dans la fourchette des niveaux de performance pour lesquels l'analyse des coûts et bénéfices calculée sur la durée de vie estimée d'un bâtiment est positive;
8° " Consommation " zéro énergie " " : consommation d'énergie nulle ou très faible, obtenue grâce à une efficacité énergétique élevée, et qui devrait être couverte dans une très large mesure par de l'énergie produite à partir de sources renouvelables, notamment l'énergie produite à partir de sources renouvelables [7 sur site]7 ou à proximité [2 ; [7 les termes " sur site " ou]7 " à proximité " peuvent être précisés par le Gouvernement]2;
[7 8° /1 " Zéro émission ": une très haute performance énergétique, ne nécessitant qu'une consommation d'énergie nulle ou très faible, ne produisant aucune émission de gaz à effet de serre sur site à partir de combustibles fossiles et ne produisant aucune émission opérationnelle de gaz à effet de serre ou une très faible quantité, telle que précisée par le Gouvernement;]7
[7 8° /2 " Emission opérationnelle de gaz à effet de serre ": émission de gaz à effet de serre associée à la consommation d'énergie des installations techniques du bâtiment pendant l'utilisation et l'exploitation de l'unité PEB;]7
9° " Déclaration PEB " : le document qui décrit les mesures [3 exécutées sur chantier afin de respecter les]3 exigences PEB et détermine par calcul si ces exigences sont respectées [3 ou non]3;
10° " Déclarant " : personne physique ou morale tenue de respecter les exigences PEB et au nom et pour le compte de qui les travaux de construction ou de rénovation sont réalisés;
11° " Certificat PEB " : document qui présente les indicateurs de performance énergétique d'une unité PEB sous forme numérique, alphabétique et graphique;
12° " Certificat PEB bâtiment public " : document qui présente les indicateurs de performance énergétique, sous forme alphabétique, numérique et graphique, de l'ensemble des unités PEB [7 appartenant à ou occupées par un ou plusieurs pouvoirs publics]7 dans un même bâtiment, en tenant compte de la consommation [7 mesurée]7 sur une année;
13° [7 ...]7;
14° " Demandeur " : personne physique ou morale, publique ou privée, qui introduit une demande [7 de permis d'urbanisme, telle que visé à l'article 98 du CoBAT]7;
15° [8 " Expert PEB ": personne physique ou morale agréée pour établir selon les cas la proposition PEB, la notification de début des travaux, la déclaration PEB, le rapport de synthèse, le certificat PEB ou le certificat PEB bâtiment public; le Gouvernement précisant les modalités de son champ d'action]8;
16° [8 ...]8;
17° [3 ...]3
18° " [7 Contrôleur PEB]7 " : personne physique [7 ou morale]7 agréée, [3 ...]3 qui est chargée de pratiquer le contrôle d'installations techniques;
19° " Cogénération de qualité " : transformation simultanée de combustibles primaires en énergie mécanique ou électrique et thermique, qui répond aux critères définis conformément à l'article 16 de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale;
20° " Système de climatisation " : une combinaison de toutes les composantes nécessaires pour assurer une forme de traitement de l'air dans un bâtiment, par laquelle la température est contrôlée ou peut être abaissée, éventuellement en conjugaison avec un contrôle de l'aération, de l'humidité et/ou de la pureté de l'air;
21° " Système de chauffage " : ensemble des composantes nécessaires pour chauffer l'air d'un bâtiment et/ou chauffer de l'eau chaude sanitaire, en ce compris le ou les générateurs de chaleur, [7 les échangeurs de chaleur, les capteurs solaires thermiques,]7 les circuits de distribution, de stockage et d'émission, et les systèmes de régulation;
22° " Chaudière " : générateur de chaleur composé d'un brûleur et d'un échangeur (corps de chaudière) destiné à transmettre à un fluide, la chaleur libérée par la combustion;
23° " Installation technique " :
a) les systèmes de ventilation;
b) les systèmes de climatisation;
c) les systèmes de chauffage;
d) les systèmes d'éclairage [4 intégré]4;
e) les systèmes fixes permettant de transporter des personnes ou des charges d'un étage à l'autre du bâtiment;
f) les systèmes de production et de stockage d'énergie produite à partir de sources renouvelables]7;
[4 g) les systèmes d'automatisation et de contrôle des bâtiments ;]4
[2 h) une combinaison des systèmes visés aux points [4 a) à g)]4 ;]2
24° [5 système d'automatisation et de contrôle des bâtiments " : un système comprenant tous les produits, logiciels et services d'ingénierie à même de soutenir le fonctionnement efficace sur le plan énergétique, économique et sûr des installations techniques de bâtiment au moyen de commandes automatiques et en facilitant la gestion manuelle de ces installations techniques de bâtiment;]5
25° " Pompe à chaleur " : un dispositif ou une installation qui prélève de la chaleur, à basse température, dans l'air, l'eau ou la terre pour la fournir au bâtiment;
26° " Volume protégé " : [3 volume des espaces dans lesquels de l'énergie est utilisée, en continu ou par intermittence, et tel que déterminé par le gouvernement en vertu de l'article 2.2.2, § 3 du présent Code ;]3
27° " Surface de déperdition thermique " : l'ensemble de toutes les parois qui séparent le volume protégé de l'ambiance extérieure, du sol et d'un espace n'appartenant pas à un volume protégé [7 et tel que précisé par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.2, § 3, du présent Code]7;
28° " PLAGE " : Plan local d'action pour la gestion énergétique;
29° " Cadastre énergétique " : inventaire comparatif annuel de l'efficacité énergétique des bâtiments;
30° " Comptabilité énergétique " : relevé périodique des consommations énergétiques, par vecteur énergétique et par bâtiment, selon une fréquence à déterminer par le Gouvernement;
31° " Coordinateur PLAGE " : personne physique désignée par les organismes visés à l'article 2.2.22 au sein de leur personnel, chargée de la coordination et de la mise en oeuvre du PLAGE;
32° " Réviseur PLAGE " : personne [2 ...]2 indépendante des organismes visés à l'article 2.2.22, chargée de contrôler les informations fournies par ces organismes dans le cadre de la mise en oeuvre du PLAGE;
33° " Véhicule à moteur " : tout véhicule pourvu d'un moteur et destiné à circuler par ses propres moyens, tel que défini par l'arrêté royal du 1er septembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière;
34° " STIB " : la Société des Transports Intercommunaux de Bruxelles, association de droit public créée en vertu de l'ordonnance du 22 novembre 1990 relative à l'organisation des transports en commun en Région de Bruxelles-Capitale;
35° " Services de taxis " : les services qui assurent, avec chauffeur, le transport rémunéré de personnes par véhicules automobiles, au sens de l'ordonnance du 27 avril 1995 relative aux services de taxis et aux services de location de voitures avec chauffeur;
36° " Services de location de voitures avec chauffeur " : tous services de transport rémunéré de personnes par véhicules automobiles qui ne sont pas des services de taxis et qui remplissent les conditions définies par l'ordonnance du 27 avril 1995 relative aux services de taxis et aux services de location de voitures avec chauffeur;
37° " Service de voitures partagées " : service accessible au public d'utilisation systématique et à tour de rôle par des personnes préalablement déterminées d'une ou de plusieurs voitures contre paiement par le biais d'une association de voitures partagées, à l'exception de l'utilisation de véhicules destinés à la simple location ou location-vente;
38° " Services de bus touristiques " : les services de transport régulier et les formes particulières de transport régulier par autobus ou autocar partiellement ou entièrement assurés en Région de Bruxelles-Capitale, tels que visés par l'arrêté-loi du 30 décembre 1946 relatif aux transports rémunérés de voyageurs par route effectués par autobus et par autocars, et qui sont principalement destinés, par le choix du trajet et des arrêts ou par l'offre de services supplémentaires, aux voyageurs souhaitant visiter des lieux d'intérêt de la Région de Bruxelles-Capitale ou obtenir des informations à leur sujet;
39° " Installateur SER " : personne [2 physique ou morale]2 chargée d'installer des systèmes d'utilisation d'énergie produite à partir de sources renouvelables, tels que des chaudières et des poêles à biomasse, des systèmes solaires photovoltaïques ou thermiques, des systèmes géothermiques superficiels, des turbines éoliennes ou des pompes à chaleur.
[6 40° " générateur de chaleur " : la partie d'un système de chauffage qui produit de la chaleur utile à l'aide d'un ou plusieurs des processus suivants :
a) combustion de combustibles, par exemple dans une chaudière ;
b) effet Joule, dans les éléments de chauffage d'un système de chauffage à résistance électrique ;
c) capture de la chaleur de l'air ambiant, de l'air extrait de la ventilation, ou de l'eau ou d'une source de chaleur souterraine à l'aide d'une pompe à chaleur.]6
[7 41° " Opérateur immobilier public ": une commune, un C.P.A.S., une régie communale autonome, la Régie foncière de la Région de Bruxelles-Capitale, la Société du Logement de la Région bruxelloise (SLRB), une société immobilière de service public (SISP), le Fonds du logement de la Région de Bruxelles-Capitale et la Société de Développement pour la Région de Bruxelles-Capitale (SDRB);
42° " Passeport bâtiment ": espace dédié à un bâtiment et/ou une unité PEB sur une plateforme numérique d'échange de services, mettant à disposition toutes les données pertinentes relatives au bâtiment et à ses unités PEB, y compris les données relatives à la performance énergétique, qui facilite le partage d'informations sur le bâtiment et l'unité PEB concernés;
43° " Centre de données ou datacenter ": structure ou groupe de structures servant à héberger, connecter et exploiter des systèmes/serveurs informatiques et du matériel connexe pour le stockage, le traitement et/ou la distribution des données, ainsi que pour les activités connexes;
44° " Proposition PEB ": document qui contient pour le projet visé par la demande de permis d'urbanisme la division en unités PEB et les exigences PEB auxquelles elles sont soumises;
45° " Titulaire d'un droit réel ": la personne qui est titulaire d'un des droits réels suivants sur le bâtiment ou l'unité PEB: le droit de propriété, la copropriété, le droit d'usufruit, le droit d'emphytéose, le droit de superficie;
46° " Superficie brute ": mesure exprimée en m2 des surfaces brutes telles que précisées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.2, § 3, du présent Code.]7
1° " [7 Performance énergétique]7 " : [7 l'évaluation de]7 la quantité d'énergie effectivement consommée ou estimée pour répondre aux différents besoins liés à une utilisation standardisée [7 ...]7, ce qui peut inclure entre autres le chauffage, l'eau chaude, le refroidissement, la ventilation et l'éclairage. [7 Cette évaluation est traduite]7 par un ou plusieurs indicateurs numériques résultant d'un calcul [3 réalisé suivant une des méthodes de calcul définies à l'annexe 2.1]3;
2° " Unité PEB " : ensemble de locaux [1 dans un même volume protégé, conçu ou modifié pour être utilisé séparément]1 et qui répond à la définition d'une affectation définie par le Gouvernement;
3° " [7 Neuve]7 " : qualificatif donné à une unité PEB faisant l'objet de travaux de construction soumis à permis d'urbanisme;
[7 3° /1 " Assimilée à du neuf ": qualificatif donné à une unité PEB lorsqu'elle fait l'objet de travaux dont au moins une partie est soumise à permis d'urbanisme:
a) s'il y a des travaux de construction et/ou de démolition-reconstruction influençant la performance énergétique à au moins 75 % de sa surface de déperdition thermique, tous les travaux repris dans la demande de permis d'urbanisme étant pris en compte;
b) et si elle fait l'objet de travaux portant sur ses installations techniques.
Ces critères peuvent être précisés par le Gouvernement;]7
4° " [7 Rénovée]7 lourdement " : [3 lorsqu'une unité PEB fait l'objet de travaux dont au moins une partie est soumise à permis d'urbanisme, qualificatif donné à cette unité PEB :
a) s'il y a des travaux influençant la performance énergétique à au moins 50 % de sa surface de déperdition thermique, tous les travaux repris dans la demande de permis d'urbanisme étant pris en compte ;
b) et si elle fait l'objet de travaux portant sur ses installations techniques ;
ces critères pouvant être précisés par le Gouvernement ;]3
5° " [7 Rénovée]7 simplement " : [3 lorsqu'une unité PEB fait l'objet de travaux dont au moins une partie est soumise à permis d'urbanisme, qualificatif donné à cette unité PEB :
a) s'il y a des travaux influençant la performance énergétique à sa surface de déperdition thermique, tous les travaux repris dans la demande de permis d'urbanisme étant pris en compte ;
b) et si ces travaux n'entrent pas dans les critères du qualificatif rénové lourdement;]3
6° " Exigences PEB " : l'ensemble des conditions auxquelles doit répondre une unité PEB et/ou une installation technique en matière de performance énergétique, d'isolation thermique, de climat intérieur [7 , de ventilation, de vecteur énergétique utilisé ou de potentiel de réchauffement planétaire]7;
[7 6° /1 " Potentiel de réchauffement planétaire " ou " PRP ": indicateur qui quantifie les contributions potentielles au réchauffement planétaire d'une unité PEB et/ou d'une installation technique tout au long de leur cycle de vie. Cet indicateur résulte d'un calcul réalisé suivant une méthode de calcul définie à l'annexe 2.1.]7
7° " Niveau de coût optimum " : le niveau de performance énergétique qui entraîne les coûts les plus bas sur la durée de vie économique estimée, qui sont déterminés en prenant en compte les coûts d'investissement liés à l'énergie, et le cas échéant les coûts de maintenance et de fonctionnement (y compris les coûts de l'énergie, les économies, la catégorie du bâtiment concerné, les bénéfices provenant de l'énergie produite) et les coûts d'élimination. Le niveau du coût optimum est compris dans la fourchette des niveaux de performance pour lesquels l'analyse des coûts et bénéfices calculée sur la durée de vie estimée d'un bâtiment est positive;
8° " Consommation " zéro énergie " " : consommation d'énergie nulle ou très faible, obtenue grâce à une efficacité énergétique élevée, et qui devrait être couverte dans une très large mesure par de l'énergie produite à partir de sources renouvelables, notamment l'énergie produite à partir de sources renouvelables [7 sur site]7 ou à proximité [2 ; [7 les termes " sur site " ou]7 " à proximité " peuvent être précisés par le Gouvernement]2;
[7 8° /1 " Zéro émission ": une très haute performance énergétique, ne nécessitant qu'une consommation d'énergie nulle ou très faible, ne produisant aucune émission de gaz à effet de serre sur site à partir de combustibles fossiles et ne produisant aucune émission opérationnelle de gaz à effet de serre ou une très faible quantité, telle que précisée par le Gouvernement;]7
[7 8° /2 " Emission opérationnelle de gaz à effet de serre ": émission de gaz à effet de serre associée à la consommation d'énergie des installations techniques du bâtiment pendant l'utilisation et l'exploitation de l'unité PEB;]7
9° " Déclaration PEB " : le document qui décrit les mesures [3 exécutées sur chantier afin de respecter les]3 exigences PEB et détermine par calcul si ces exigences sont respectées [3 ou non]3;
10° " Déclarant " : personne physique ou morale tenue de respecter les exigences PEB et au nom et pour le compte de qui les travaux de construction ou de rénovation sont réalisés;
11° " Certificat PEB " : document qui présente les indicateurs de performance énergétique d'une unité PEB sous forme numérique, alphabétique et graphique;
12° " Certificat PEB bâtiment public " : document qui présente les indicateurs de performance énergétique, sous forme alphabétique, numérique et graphique, de l'ensemble des unités PEB [7 appartenant à ou occupées par un ou plusieurs pouvoirs publics]7 dans un même bâtiment, en tenant compte de la consommation [7 mesurée]7 sur une année;
13° [7 ...]7;
14° " Demandeur " : personne physique ou morale, publique ou privée, qui introduit une demande [7 de permis d'urbanisme, telle que visé à l'article 98 du CoBAT]7;
15° [8 " Expert PEB ": personne physique ou morale agréée pour établir selon les cas la proposition PEB, la notification de début des travaux, la déclaration PEB, le rapport de synthèse, le certificat PEB ou le certificat PEB bâtiment public; le Gouvernement précisant les modalités de son champ d'action]8;
16° [8 ...]8;
17° [3 ...]3
18° " [7 Contrôleur PEB]7 " : personne physique [7 ou morale]7 agréée, [3 ...]3 qui est chargée de pratiquer le contrôle d'installations techniques;
19° " Cogénération de qualité " : transformation simultanée de combustibles primaires en énergie mécanique ou électrique et thermique, qui répond aux critères définis conformément à l'article 16 de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale;
20° " Système de climatisation " : une combinaison de toutes les composantes nécessaires pour assurer une forme de traitement de l'air dans un bâtiment, par laquelle la température est contrôlée ou peut être abaissée, éventuellement en conjugaison avec un contrôle de l'aération, de l'humidité et/ou de la pureté de l'air;
21° " Système de chauffage " : ensemble des composantes nécessaires pour chauffer l'air d'un bâtiment et/ou chauffer de l'eau chaude sanitaire, en ce compris le ou les générateurs de chaleur, [7 les échangeurs de chaleur, les capteurs solaires thermiques,]7 les circuits de distribution, de stockage et d'émission, et les systèmes de régulation;
22° " Chaudière " : générateur de chaleur composé d'un brûleur et d'un échangeur (corps de chaudière) destiné à transmettre à un fluide, la chaleur libérée par la combustion;
23° " Installation technique " :
a) les systèmes de ventilation;
b) les systèmes de climatisation;
c) les systèmes de chauffage;
d) les systèmes d'éclairage [4 intégré]4;
e) les systèmes fixes permettant de transporter des personnes ou des charges d'un étage à l'autre du bâtiment;
f) les systèmes de production et de stockage d'énergie produite à partir de sources renouvelables]7;
[4 g) les systèmes d'automatisation et de contrôle des bâtiments ;]4
[2 h) une combinaison des systèmes visés aux points [4 a) à g)]4 ;]2
24° [5 système d'automatisation et de contrôle des bâtiments " : un système comprenant tous les produits, logiciels et services d'ingénierie à même de soutenir le fonctionnement efficace sur le plan énergétique, économique et sûr des installations techniques de bâtiment au moyen de commandes automatiques et en facilitant la gestion manuelle de ces installations techniques de bâtiment;]5
25° " Pompe à chaleur " : un dispositif ou une installation qui prélève de la chaleur, à basse température, dans l'air, l'eau ou la terre pour la fournir au bâtiment;
26° " Volume protégé " : [3 volume des espaces dans lesquels de l'énergie est utilisée, en continu ou par intermittence, et tel que déterminé par le gouvernement en vertu de l'article 2.2.2, § 3 du présent Code ;]3
27° " Surface de déperdition thermique " : l'ensemble de toutes les parois qui séparent le volume protégé de l'ambiance extérieure, du sol et d'un espace n'appartenant pas à un volume protégé [7 et tel que précisé par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.2, § 3, du présent Code]7;
28° " PLAGE " : Plan local d'action pour la gestion énergétique;
29° " Cadastre énergétique " : inventaire comparatif annuel de l'efficacité énergétique des bâtiments;
30° " Comptabilité énergétique " : relevé périodique des consommations énergétiques, par vecteur énergétique et par bâtiment, selon une fréquence à déterminer par le Gouvernement;
31° " Coordinateur PLAGE " : personne physique désignée par les organismes visés à l'article 2.2.22 au sein de leur personnel, chargée de la coordination et de la mise en oeuvre du PLAGE;
32° " Réviseur PLAGE " : personne [2 ...]2 indépendante des organismes visés à l'article 2.2.22, chargée de contrôler les informations fournies par ces organismes dans le cadre de la mise en oeuvre du PLAGE;
33° " Véhicule à moteur " : tout véhicule pourvu d'un moteur et destiné à circuler par ses propres moyens, tel que défini par l'arrêté royal du 1er septembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière;
34° " STIB " : la Société des Transports Intercommunaux de Bruxelles, association de droit public créée en vertu de l'ordonnance du 22 novembre 1990 relative à l'organisation des transports en commun en Région de Bruxelles-Capitale;
35° " Services de taxis " : les services qui assurent, avec chauffeur, le transport rémunéré de personnes par véhicules automobiles, au sens de l'ordonnance du 27 avril 1995 relative aux services de taxis et aux services de location de voitures avec chauffeur;
36° " Services de location de voitures avec chauffeur " : tous services de transport rémunéré de personnes par véhicules automobiles qui ne sont pas des services de taxis et qui remplissent les conditions définies par l'ordonnance du 27 avril 1995 relative aux services de taxis et aux services de location de voitures avec chauffeur;
37° " Service de voitures partagées " : service accessible au public d'utilisation systématique et à tour de rôle par des personnes préalablement déterminées d'une ou de plusieurs voitures contre paiement par le biais d'une association de voitures partagées, à l'exception de l'utilisation de véhicules destinés à la simple location ou location-vente;
38° " Services de bus touristiques " : les services de transport régulier et les formes particulières de transport régulier par autobus ou autocar partiellement ou entièrement assurés en Région de Bruxelles-Capitale, tels que visés par l'arrêté-loi du 30 décembre 1946 relatif aux transports rémunérés de voyageurs par route effectués par autobus et par autocars, et qui sont principalement destinés, par le choix du trajet et des arrêts ou par l'offre de services supplémentaires, aux voyageurs souhaitant visiter des lieux d'intérêt de la Région de Bruxelles-Capitale ou obtenir des informations à leur sujet;
39° " Installateur SER " : personne [2 physique ou morale]2 chargée d'installer des systèmes d'utilisation d'énergie produite à partir de sources renouvelables, tels que des chaudières et des poêles à biomasse, des systèmes solaires photovoltaïques ou thermiques, des systèmes géothermiques superficiels, des turbines éoliennes ou des pompes à chaleur.
[6 40° " générateur de chaleur " : la partie d'un système de chauffage qui produit de la chaleur utile à l'aide d'un ou plusieurs des processus suivants :
a) combustion de combustibles, par exemple dans une chaudière ;
b) effet Joule, dans les éléments de chauffage d'un système de chauffage à résistance électrique ;
c) capture de la chaleur de l'air ambiant, de l'air extrait de la ventilation, ou de l'eau ou d'une source de chaleur souterraine à l'aide d'une pompe à chaleur.]6
[7 41° " Opérateur immobilier public ": une commune, un C.P.A.S., une régie communale autonome, la Régie foncière de la Région de Bruxelles-Capitale, la Société du Logement de la Région bruxelloise (SLRB), une société immobilière de service public (SISP), le Fonds du logement de la Région de Bruxelles-Capitale et la Société de Développement pour la Région de Bruxelles-Capitale (SDRB);
42° " Passeport bâtiment ": espace dédié à un bâtiment et/ou une unité PEB sur une plateforme numérique d'échange de services, mettant à disposition toutes les données pertinentes relatives au bâtiment et à ses unités PEB, y compris les données relatives à la performance énergétique, qui facilite le partage d'informations sur le bâtiment et l'unité PEB concernés;
43° " Centre de données ou datacenter ": structure ou groupe de structures servant à héberger, connecter et exploiter des systèmes/serveurs informatiques et du matériel connexe pour le stockage, le traitement et/ou la distribution des données, ainsi que pour les activités connexes;
44° " Proposition PEB ": document qui contient pour le projet visé par la demande de permis d'urbanisme la division en unités PEB et les exigences PEB auxquelles elles sont soumises;
45° " Titulaire d'un droit réel ": la personne qui est titulaire d'un des droits réels suivants sur le bâtiment ou l'unité PEB: le droit de propriété, la copropriété, le droit d'usufruit, le droit d'emphytéose, le droit de superficie;
46° " Superficie brute ": mesure exprimée en m2 des surfaces brutes telles que précisées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.2, § 3, du présent Code.]7
(1)<ORD 2015-12-18/51, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 23-01-2016>
(2)<ORD 2018-07-23/10, art. 4,4°,8°,11°,12°, 007; Inwerkingtreding : 01-11-2018>
(3)<ORD 2018-07-23/10, art. 4,1°-4,3° ; 4,5°-4,7° ; 4,9°-4,10°, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
(4)<ORD 2020-12-18/18, art. 6, 011; Inwerkingtreding : 21-01-2021>
(5)<ORD 2020-12-18/18, art. 7, 011; Inwerkingtreding : 21-01-2021>
(6)<ORD 2020-12-18/18, art. 8, 011; Inwerkingtreding : 21-01-2021>
(7)<ORD 2024-03-07/16, art. 9, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(8)<ORD 2024-03-07/16, art. 9,§12-§13, 017; Inwerkingtreding : onbepaald >
(2)<ORD 2018-07-23/10, art. 4,4°,8°,11°,12°, 007; Inwerkingtreding : 01-11-2018>
(3)<ORD 2018-07-23/10, art. 4,1°-4,3° ; 4,5°-4,7° ; 4,9°-4,10°, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
(4)<ORD 2020-12-18/18, art. 6, 011; Inwerkingtreding : 21-01-2021>
(5)<ORD 2020-12-18/18, art. 7, 011; Inwerkingtreding : 21-01-2021>
(6)<ORD 2020-12-18/18, art. 8, 011; Inwerkingtreding : 21-01-2021>
(7)<ORD 2024-03-07/16, art. 9, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(8)<ORD 2024-03-07/16, art. 9,§12-§13, 017; Inwerkingtreding : onbepaald >
(1)<ORD 2015-12-18/51, art. 3, 004; En vigueur : 23-01-2016>
(2)<ORD 2018-07-23/10, art. 4,4°,8°,11°,12°, 007; En vigueur : 01-11-2018>
(3)<ORD 2018-07-23/10, art. 4,1°-4,3° ; 4,5°-4,7° ; 4,9°-4,10°, 007; En vigueur : 01-01-2019>
(4)<ORD 2020-12-18/18, art. 6, 011; En vigueur : 21-01-2021>
(5)<ORD 2020-12-18/18, art. 7, 011; En vigueur : 21-01-2021>
(6)<ORD 2020-12-18/18, art. 8, 011; En vigueur : 21-01-2021>
(7)<ORD 2024-03-07/16, art. 9, 017; En vigueur : 01-04-2024>
(8)<ORD 2024-03-07/16, art. 9,§12-§13, 017; En vigueur : indéterminée >
(2)<ORD 2018-07-23/10, art. 4,4°,8°,11°,12°, 007; En vigueur : 01-11-2018>
(3)<ORD 2018-07-23/10, art. 4,1°-4,3° ; 4,5°-4,7° ; 4,9°-4,10°, 007; En vigueur : 01-01-2019>
(4)<ORD 2020-12-18/18, art. 6, 011; En vigueur : 21-01-2021>
(5)<ORD 2020-12-18/18, art. 7, 011; En vigueur : 21-01-2021>
(6)<ORD 2020-12-18/18, art. 8, 011; En vigueur : 21-01-2021>
(7)<ORD 2024-03-07/16, art. 9, 017; En vigueur : 01-04-2024>
(8)<ORD 2024-03-07/16, art. 9,§12-§13, 017; En vigueur : indéterminée >
Art. 2_1.1.TOEKOMSTIG_RECHT. In de zin van onderhavig boek, verstaat men onder :
1° " [7 Energieprestatie]7 " : [7 de evaluatie van]7 de hoeveelheid energie die effectief wordt verbruikt of nodig geacht wordt om te voldoen aan de verschillende behoeften bij een standaard gebruik [7 ...]7, met onder andere verwarming, warm water, koelsysteem, ventilatie en verlichting. [7 Deze evaluatie wordt vertaald]7 in één of meer cijfermatige indicatoren die door berekening worden verkregen, [3 uitgevoerd volgens een van de in bijlage 2.1 gedefinieerde berekeningsmethodes]3;
2° " EPB-eenheid " : een verzameling van [1 lokalen in eenzelfde beschermd volume, ontworpen of gewijzigd om afzonderlijk gebruikt te worden]1 en dat beantwoordt aan de definitie van een bestemming vastgelegd door de Regering;
3° " Nieuw " : kwalificatie gegeven aan een EPB-eenheid die het voorwerp vormt van bouwwerkzaamheden waarvoor een stedenbouwkundige vergunning vereist is;
[7 3° /1 "Met nieuw gelijkgesteld": kwalificatie gegeven aan een EPB-eenheid als ze het voorwerp vormt van werkzaamheden waarvan ten minste een deel ervan aan een stedenbouwkundige vergunning onderworpen is:
a) als er constructiewerkzaamheden en/of afbraak- en heropbouwwerkzaamheden worden uitgevoerd op ten minste 75% van haar warmteverliesoppervlakte die de energieprestatie beïnvloeden, rekening houdend met alle werkzaamheden hernomen in de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag;
b) en als ze het voorwerp vormt van werkzaamheden op de technische installaties.
Deze criteria kunnen nader bepaald worden door de Regering;]7
4° " Zwaar gerenoveerd " : [3 als een EPB-eenheid het voorwerp vormt van werkzaamheden waarvan ten minste een deel ervan aan een stedenbouwkundige vergunning onderworpen is, kwalificatie gegeven aan die EPB-eenheid :
a) als er werkzaamheden op ten minste 50 % van haar warmteverliesoppervlakte de energieprestatie beïnvloeden, rekening houdend met alle werkzaamheden hernomen in de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag ;
b) en als ze het voorwerp vormt van werkzaamheden op de technische installaties ;
deze criteria kunnen nader bepaald worden door de Regering ;]3
5° " Eenvoudig gerenoveerd " : [3 als een EPB-eenheid het voorwerp vormt van werkzaamheden waarvan ten minste een deel ervan aan een stedenbouwkundige vergunning onderworpen is, kwalificatie gegeven aan die EPB-eenheid :
a) als er werkzaamheden op haar warmteverliesoppervlakte de energieprestatie beïnvloeden, rekening houdend met alle werkzaamheden hernomen in de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag ;
b) en als deze werkzaamheden niet onder de criteria voor de kwalificatie van zwaar gerenoveerd vallen ;]3
6° " EPB-eisen " : alle voorwaarden waaraan een EPB-eenheid en/of een technische installatie moet voldoen op het vlak van energieprestatie, thermische isolatie, binnenklimaat [7 , ventilatie, gebruikte energiedrager of aardopwarmingsvermogen]7;
[7 6° /1 "Aardopwarmingsvermogen" of "GWP": indicator voor de kwantificering van de potentiële bijdrage van een EPB-eenheid en/of een technische installatie aan de opwarming van de aarde gedurende hun gehele levenscyclus. Deze indicator wordt berekend volgens een in bijlage 2.1 gedefinieerde berekeningsmethode]7;
7° " Kostenoptimaal niveau " : het energieprestatieniveau dat gedurende de geraamde economische levensduur de laagste kosten met zich meebrengt, die worden bepaald aan de hand van de energiegerelateerde investeringskosten en, desgevallend de onderhouds- en bedrijfskosten (met inbegrip van energiekosten en -besparingen, de categorie van het desbetreffende gebouw, de opbrengst van de energieproductie) en verwijderingskosten. Het kostenoptimaal niveau ligt binnen het scala van prestatieniveaus waarvoor de berekende kosten-batenanalyse over de geraamde economische levensduur van een gebouw positief is;
8° " Zero energieverbruik " : geen of zeer laag energieverbruik, verkregen dankzij een hoge energie-efficiëntie en die in zeer aanzienlijke mate dient te worden geleverd uit hernieuwbare bronnen, met name de energie die [7 in situ]7 of dichtbij uit hernieuwbare bronnen wordt geproduceerd [2 ; het woord " dichtbij " kan door de Regering nader bepaald worden]2;
[7 8° /1 "Zero emissie": een zeer hoge energieprestatie, die geen of een zeer laag energieverbruik vereist, die geen enkel broeikasgasemissie uit fossiele brandstoffen in situ produceert en die geen of een zeer lage hoeveelheid operationele broeikasgasemissie produceert, zoals nader bepaald door de Regering;]7
[7 8° /2 "Operationele broeikasgasemissie": broeikasgasemissie die samenhangt met het energieverbruik van de technische installaties tijdens het gebruik en de exploitatie van de EPB-eenheid;]7
9° " EPB-aangifte " : het document dat de [3 op werf uitgevoerde maatregelen, met het oog op de naleving van de EPB-eisen beschrijft,]3 en dat door berekening bepaalt of die eisen [3 al dan niet]3 nageleefd zijn;
10° " Aangever " : natuurlijke of rechtspersoon die ertoe gehouden is de EPB-eisen na te leven en in wiens naam en voor wiens rekening de bouwwerkzaamheden of de renovatie worden uitgevoerd;
11° " EPB-certificaat " : document dat de indicatoren voor de energieprestatie van een EPB-eenheid in numerieke, alfabetische en grafische vorm weergeeft;
12° " EPB-certificaat openbaar gebouw " : document dat de indicatoren voor de energieprestatie van alle EPB-eenheden die [7 toebehoren aan of gebruikt worden door één of meerdere overheden]7 in eenzelfde gebouw, in numerieke, alfabetische en grafische vorm weergeeft, en daarbij rekening houdt met het [7 gemeten]7 jaarlijkse verbruik;
13° [7 ...]7;
14° " Aanvrager " : natuurlijke of rechtspersoon, openbaar of privé, die een aanvraag [7 van een stedenbouwkundige vergunning, zoals bedoeld in artikel 98 van het BWRO,]7 indient;
15° [8 "EPB-deskundige": natuurlijke of rechtspersoon erkend om, naargelang het geval, het EPB-voorstel, de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden, de EPB-aangifte, het samenvattend rapport, het EPB-certificaat of het EPB-certificaat openbaar gebouw op te stellen; waarbij de Regering de voorwaarden van zijn actieterrein preciseert]8;
16° [8 ...]8;
17° [3 ...]3
18° "[7 EPB-controleur]7" : erkende natuurlijke persoon, [3 ...]3 [7 of rechtspersoon]7 belast met de controle van technische installaties;
19° " Kwaliteitswarmtekrachtkoppeling " : de gelijktijdige omzetting van primaire brandstoffen in mechanische of elektrische en thermische energie waarbij voldaan wordt aan de criteria vastgelegd conform artikel 16 van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
20° " Klimaatregelingssysteem " : een combinatie van alle noodzakelijke componenten om een vorm van luchtbehandeling te verzekeren in een gebouw, waardoor de temperatuur wordt gecontroleerd of kan worden verlaagd, eventueel in combinatie met een regeling van de verluchting, de vochtigheid en/of de zuiverheid van de lucht;
21° " Verwarmingssysteem " : combinatie van de noodzakelijke componenten om de lucht van een gebouw en/of het sanitaire warme water te verwarmen, met inbegrip van de warmtegenerator(en), [7 de warmtewisselaars, de thermische zonnecollectoren,]7 de verdeel-, opslag- en emissiecircuits en de regelsystemen;
22° " Ketel " : warmtegenerator bestaande uit een brander en een ketellichaam, bedoeld om de door verbranding vrijgekomen warmte af te geven aan een vloeistof;
23° " Technische installatie " :
a) ventilatiesystemen;
b) klimaatregelingssystemen;
c) verwarmingssystemen;
d) [4 ingebouwde]4 verlichtingssystemen;
e) vaste systemen voor het vervoeren van personen of lasten van de ene verdieping naar de andere in het gebouw;
f) [7 systemen voor opwekking en opslag van energie uit hernieuwbare bronnen]7;
[4 g) systemen voor gebouwautomatisering en -controle ;]4
[2 h) een combinatie van de van [4 a) tot en met g)]42;
24° [5 systeem voor gebouwautomatisering en -controle " : een systeem dat alle producten, software en technische diensten omvat die het energie-efficiënt, zuinig en veilig functioneren van technische bouwinstallaties kunnen ondersteunen door middel van automatische controles en het vergemakkelijken van het handmatig beheer van die technische bouwinstallaties ]5
25° " Warmtepomp " : een inrichting of installatie die bij lage temperatuur warmte opneemt uit de lucht, het water of de aarde en deze afgeeft aan het gebouw;
26° " Beschermd volume " : [3 het volume van de ruimten waarin doorlopend of met tussenpozen energie wordt verbruikt, en zoals bepaald door de regering krachtens artikel 2.2.2, § 3 van onderhavig Wetboek ;]3
27° " Warmteverliesoppervlakte " : de som van alle wanden die het beschermd volume scheiden van het buitenklimaat, van de grond en van een aanpalende ruimte die niet tot het beschermd volume behoort [7 , en zoals bepaald door de Regering krachtens artikel 2.2.2, § 3, van dit Wetboek]7;
28° " PLAGE " : Plan voor lokale actie voor het gebruik van energie;
29° " Energiekadaster " : vergelijkende jaarlijkse inventaris van de energie-efficiëntie van de gebouwen;
30° " Energieboekhouding " : periodieke staat van het energieverbruik, per energievector en per gebouw, volgens een frequentie die door de Regering moet worden bepaald;
31° " PLAGE-coördinator " : natuurlijke persoon die de organen bedoeld in artikel 2.2.22 onder hun personeel aanstellen, en die belast is met de coördinatie en de uitvoering van het PLAGE;
32° " PLAGE-revisor " : [2 ...]2 persoon, onafhankelijk van de instellingen bedoeld in artikel 2.2.22, belast met de controle van de informatie die wordt verstrekt door die instellingen in het kader van de uitvoering van het PLAGE;
33° " Motorvoertuig " : elk voertuig dat is uitgerust met een motor en bestemd is om op eigen kracht te rijden, zoals gedefinieerd door het koninklijk besluit van 1 september 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer;
34° " MIVB " : de Maatschappij voor Intercommunaal Vervoer van Brussel, publiekrechtelijke vereniging opgericht krachtens de ordonnantie van 22 november 1990 betreffende de organisatie van het openbaar vervoer in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
35° " Taxidiensten " : de diensten die het bezoldigde vervoer van personen met bestuurder verzekeren in de zin van de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur;
36° " Diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur " : alle diensten van bezoldigd vervoer van personen door middel van autovoertuigen die geen taxidiensten zijn en die voldoen aan de voorwaarden vastgelegd in de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur;
37° " Autodeeldienst " : een voor het publiek toegankelijke dienst voor het systematische en beurtelingse door vooraf bepaalde personen gebruik van één of meerdere auto's tegen betaling via een vereniging voor autodelen, met uitzondering van het gebruik van voertuigen bestemd voor gewone verhuur of huurkoop;
38° " Toeristische busdiensten " : de diensten van geregeld vervoer en de bijzondere vormen van geregeld vervoer per autobus of autocar die geheel of gedeeltelijk verzekerd worden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zoals bedoeld in de Besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars, en die door de keuze van het traject en de stopplaatsen of door het aanbieden van aanvullende diensten in hoofdzaak gericht zijn op reizigers die bezienswaardigheden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wensen te bezichtigen of er informatie over wensen te verkrijgen;
39° " Installateur HE " : [2 natuurlijke of rechtspersoon]2 belast met het plaatsen van systemen voor het gebruik van energie geproduceerd op basis van hernieuwbare energiebronnen zoals verwarmingsketels en kachels op biomassa, fotovoltaïsche of thermische systemen op zonne-energie, ondiepe geothermische systemen, windmolens of warmtepompen.
[6 40° " warmtegenerator " : het onderdeel van een verwarmingssysteem dat nuttige warmte genereert via één of meerdere van de volgende processen :
a) de verbranding van brandstof in bijvoorbeeld een cv-ketel ;
b) het joule-effect, dat plaatsvindt in de verwarmingselementen van een verwarmingssysteem met elektrische weerstand ;
c) het opvangen van warmte uit de lucht, ventilatieafvoerlucht, of een water- of aardwarmtebron) met behulp van een warmtepomp]6;
[7 41° "Openbaar vastgoedbeheerder": een gemeente, een O.C.M.W., een autonome gemeentelijke regie, de Grondregie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij (BGHM), een openbare vastgoedmaatschappij (OVM), het Woningfonds van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (GOMB);
42° "Gebouwenpaspoort": ruimte voor een gebouw en/of EPB-eenheid op een digitaal platform voor dienstenuitwisseling, waar alle relevante gegevens over het gebouw et de EPB-eenheden ervan, waaronder de gegevens over energieprestatie, beschikbaar zijn, waardoor informatie over het gebouw en de EPB-eenheid gemakkelijker kunnen worden gedeeld;
43° "Datacentrum": structuur of groep van structuren die wordt gebruikt voor de hosting, aansluiting en bediening van computersystemen/servers en gelinkte apparatuur voor de opslag, verwerking en/of verspreiding van gegevens, en gerelateerde activiteiten;
44° "EPB-voorstel": document dat voor het project, waarvoor een stedenbouwkundige vergunning wordt aangevraagd, de verdeling in EPB-eenheden en de EPB-eisen waaraan ze onderworpen zijn, bevat;
45° "Titularis van een zakelijk recht": de persoon die titularis is van een van de volgende zakelijke rechten op het bedoelde gebouw of EPB-eenheid: eigendomsrecht, mede-eigendom, recht van vruchtgebruik, erfpachtrecht, opstalrecht;
46° "Bruto oppervlakte": meting uitgedrukt in m2 van de bruto oppervlakken, zoals bepaald door de Regering krachtens artikel 2.2.2, § 3, van dit Wetboek.]7
1° " [7 Energieprestatie]7 " : [7 de evaluatie van]7 de hoeveelheid energie die effectief wordt verbruikt of nodig geacht wordt om te voldoen aan de verschillende behoeften bij een standaard gebruik [7 ...]7, met onder andere verwarming, warm water, koelsysteem, ventilatie en verlichting. [7 Deze evaluatie wordt vertaald]7 in één of meer cijfermatige indicatoren die door berekening worden verkregen, [3 uitgevoerd volgens een van de in bijlage 2.1 gedefinieerde berekeningsmethodes]3;
2° " EPB-eenheid " : een verzameling van [1 lokalen in eenzelfde beschermd volume, ontworpen of gewijzigd om afzonderlijk gebruikt te worden]1 en dat beantwoordt aan de definitie van een bestemming vastgelegd door de Regering;
3° " Nieuw " : kwalificatie gegeven aan een EPB-eenheid die het voorwerp vormt van bouwwerkzaamheden waarvoor een stedenbouwkundige vergunning vereist is;
[7 3° /1 "Met nieuw gelijkgesteld": kwalificatie gegeven aan een EPB-eenheid als ze het voorwerp vormt van werkzaamheden waarvan ten minste een deel ervan aan een stedenbouwkundige vergunning onderworpen is:
a) als er constructiewerkzaamheden en/of afbraak- en heropbouwwerkzaamheden worden uitgevoerd op ten minste 75% van haar warmteverliesoppervlakte die de energieprestatie beïnvloeden, rekening houdend met alle werkzaamheden hernomen in de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag;
b) en als ze het voorwerp vormt van werkzaamheden op de technische installaties.
Deze criteria kunnen nader bepaald worden door de Regering;]7
4° " Zwaar gerenoveerd " : [3 als een EPB-eenheid het voorwerp vormt van werkzaamheden waarvan ten minste een deel ervan aan een stedenbouwkundige vergunning onderworpen is, kwalificatie gegeven aan die EPB-eenheid :
a) als er werkzaamheden op ten minste 50 % van haar warmteverliesoppervlakte de energieprestatie beïnvloeden, rekening houdend met alle werkzaamheden hernomen in de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag ;
b) en als ze het voorwerp vormt van werkzaamheden op de technische installaties ;
deze criteria kunnen nader bepaald worden door de Regering ;]3
5° " Eenvoudig gerenoveerd " : [3 als een EPB-eenheid het voorwerp vormt van werkzaamheden waarvan ten minste een deel ervan aan een stedenbouwkundige vergunning onderworpen is, kwalificatie gegeven aan die EPB-eenheid :
a) als er werkzaamheden op haar warmteverliesoppervlakte de energieprestatie beïnvloeden, rekening houdend met alle werkzaamheden hernomen in de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag ;
b) en als deze werkzaamheden niet onder de criteria voor de kwalificatie van zwaar gerenoveerd vallen ;]3
6° " EPB-eisen " : alle voorwaarden waaraan een EPB-eenheid en/of een technische installatie moet voldoen op het vlak van energieprestatie, thermische isolatie, binnenklimaat [7 , ventilatie, gebruikte energiedrager of aardopwarmingsvermogen]7;
[7 6° /1 "Aardopwarmingsvermogen" of "GWP": indicator voor de kwantificering van de potentiële bijdrage van een EPB-eenheid en/of een technische installatie aan de opwarming van de aarde gedurende hun gehele levenscyclus. Deze indicator wordt berekend volgens een in bijlage 2.1 gedefinieerde berekeningsmethode]7;
7° " Kostenoptimaal niveau " : het energieprestatieniveau dat gedurende de geraamde economische levensduur de laagste kosten met zich meebrengt, die worden bepaald aan de hand van de energiegerelateerde investeringskosten en, desgevallend de onderhouds- en bedrijfskosten (met inbegrip van energiekosten en -besparingen, de categorie van het desbetreffende gebouw, de opbrengst van de energieproductie) en verwijderingskosten. Het kostenoptimaal niveau ligt binnen het scala van prestatieniveaus waarvoor de berekende kosten-batenanalyse over de geraamde economische levensduur van een gebouw positief is;
8° " Zero energieverbruik " : geen of zeer laag energieverbruik, verkregen dankzij een hoge energie-efficiëntie en die in zeer aanzienlijke mate dient te worden geleverd uit hernieuwbare bronnen, met name de energie die [7 in situ]7 of dichtbij uit hernieuwbare bronnen wordt geproduceerd [2 ; het woord " dichtbij " kan door de Regering nader bepaald worden]2;
[7 8° /1 "Zero emissie": een zeer hoge energieprestatie, die geen of een zeer laag energieverbruik vereist, die geen enkel broeikasgasemissie uit fossiele brandstoffen in situ produceert en die geen of een zeer lage hoeveelheid operationele broeikasgasemissie produceert, zoals nader bepaald door de Regering;]7
[7 8° /2 "Operationele broeikasgasemissie": broeikasgasemissie die samenhangt met het energieverbruik van de technische installaties tijdens het gebruik en de exploitatie van de EPB-eenheid;]7
9° " EPB-aangifte " : het document dat de [3 op werf uitgevoerde maatregelen, met het oog op de naleving van de EPB-eisen beschrijft,]3 en dat door berekening bepaalt of die eisen [3 al dan niet]3 nageleefd zijn;
10° " Aangever " : natuurlijke of rechtspersoon die ertoe gehouden is de EPB-eisen na te leven en in wiens naam en voor wiens rekening de bouwwerkzaamheden of de renovatie worden uitgevoerd;
11° " EPB-certificaat " : document dat de indicatoren voor de energieprestatie van een EPB-eenheid in numerieke, alfabetische en grafische vorm weergeeft;
12° " EPB-certificaat openbaar gebouw " : document dat de indicatoren voor de energieprestatie van alle EPB-eenheden die [7 toebehoren aan of gebruikt worden door één of meerdere overheden]7 in eenzelfde gebouw, in numerieke, alfabetische en grafische vorm weergeeft, en daarbij rekening houdt met het [7 gemeten]7 jaarlijkse verbruik;
13° [7 ...]7;
14° " Aanvrager " : natuurlijke of rechtspersoon, openbaar of privé, die een aanvraag [7 van een stedenbouwkundige vergunning, zoals bedoeld in artikel 98 van het BWRO,]7 indient;
15° [8 "EPB-deskundige": natuurlijke of rechtspersoon erkend om, naargelang het geval, het EPB-voorstel, de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden, de EPB-aangifte, het samenvattend rapport, het EPB-certificaat of het EPB-certificaat openbaar gebouw op te stellen; waarbij de Regering de voorwaarden van zijn actieterrein preciseert]8;
16° [8 ...]8;
17° [3 ...]3
18° "[7 EPB-controleur]7" : erkende natuurlijke persoon, [3 ...]3 [7 of rechtspersoon]7 belast met de controle van technische installaties;
19° " Kwaliteitswarmtekrachtkoppeling " : de gelijktijdige omzetting van primaire brandstoffen in mechanische of elektrische en thermische energie waarbij voldaan wordt aan de criteria vastgelegd conform artikel 16 van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
20° " Klimaatregelingssysteem " : een combinatie van alle noodzakelijke componenten om een vorm van luchtbehandeling te verzekeren in een gebouw, waardoor de temperatuur wordt gecontroleerd of kan worden verlaagd, eventueel in combinatie met een regeling van de verluchting, de vochtigheid en/of de zuiverheid van de lucht;
21° " Verwarmingssysteem " : combinatie van de noodzakelijke componenten om de lucht van een gebouw en/of het sanitaire warme water te verwarmen, met inbegrip van de warmtegenerator(en), [7 de warmtewisselaars, de thermische zonnecollectoren,]7 de verdeel-, opslag- en emissiecircuits en de regelsystemen;
22° " Ketel " : warmtegenerator bestaande uit een brander en een ketellichaam, bedoeld om de door verbranding vrijgekomen warmte af te geven aan een vloeistof;
23° " Technische installatie " :
a) ventilatiesystemen;
b) klimaatregelingssystemen;
c) verwarmingssystemen;
d) [4 ingebouwde]4 verlichtingssystemen;
e) vaste systemen voor het vervoeren van personen of lasten van de ene verdieping naar de andere in het gebouw;
f) [7 systemen voor opwekking en opslag van energie uit hernieuwbare bronnen]7;
[4 g) systemen voor gebouwautomatisering en -controle ;]4
[2 h) een combinatie van de van [4 a) tot en met g)]42;
24° [5 systeem voor gebouwautomatisering en -controle " : een systeem dat alle producten, software en technische diensten omvat die het energie-efficiënt, zuinig en veilig functioneren van technische bouwinstallaties kunnen ondersteunen door middel van automatische controles en het vergemakkelijken van het handmatig beheer van die technische bouwinstallaties ]5
25° " Warmtepomp " : een inrichting of installatie die bij lage temperatuur warmte opneemt uit de lucht, het water of de aarde en deze afgeeft aan het gebouw;
26° " Beschermd volume " : [3 het volume van de ruimten waarin doorlopend of met tussenpozen energie wordt verbruikt, en zoals bepaald door de regering krachtens artikel 2.2.2, § 3 van onderhavig Wetboek ;]3
27° " Warmteverliesoppervlakte " : de som van alle wanden die het beschermd volume scheiden van het buitenklimaat, van de grond en van een aanpalende ruimte die niet tot het beschermd volume behoort [7 , en zoals bepaald door de Regering krachtens artikel 2.2.2, § 3, van dit Wetboek]7;
28° " PLAGE " : Plan voor lokale actie voor het gebruik van energie;
29° " Energiekadaster " : vergelijkende jaarlijkse inventaris van de energie-efficiëntie van de gebouwen;
30° " Energieboekhouding " : periodieke staat van het energieverbruik, per energievector en per gebouw, volgens een frequentie die door de Regering moet worden bepaald;
31° " PLAGE-coördinator " : natuurlijke persoon die de organen bedoeld in artikel 2.2.22 onder hun personeel aanstellen, en die belast is met de coördinatie en de uitvoering van het PLAGE;
32° " PLAGE-revisor " : [2 ...]2 persoon, onafhankelijk van de instellingen bedoeld in artikel 2.2.22, belast met de controle van de informatie die wordt verstrekt door die instellingen in het kader van de uitvoering van het PLAGE;
33° " Motorvoertuig " : elk voertuig dat is uitgerust met een motor en bestemd is om op eigen kracht te rijden, zoals gedefinieerd door het koninklijk besluit van 1 september 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer;
34° " MIVB " : de Maatschappij voor Intercommunaal Vervoer van Brussel, publiekrechtelijke vereniging opgericht krachtens de ordonnantie van 22 november 1990 betreffende de organisatie van het openbaar vervoer in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
35° " Taxidiensten " : de diensten die het bezoldigde vervoer van personen met bestuurder verzekeren in de zin van de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur;
36° " Diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur " : alle diensten van bezoldigd vervoer van personen door middel van autovoertuigen die geen taxidiensten zijn en die voldoen aan de voorwaarden vastgelegd in de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur;
37° " Autodeeldienst " : een voor het publiek toegankelijke dienst voor het systematische en beurtelingse door vooraf bepaalde personen gebruik van één of meerdere auto's tegen betaling via een vereniging voor autodelen, met uitzondering van het gebruik van voertuigen bestemd voor gewone verhuur of huurkoop;
38° " Toeristische busdiensten " : de diensten van geregeld vervoer en de bijzondere vormen van geregeld vervoer per autobus of autocar die geheel of gedeeltelijk verzekerd worden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zoals bedoeld in de Besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars, en die door de keuze van het traject en de stopplaatsen of door het aanbieden van aanvullende diensten in hoofdzaak gericht zijn op reizigers die bezienswaardigheden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wensen te bezichtigen of er informatie over wensen te verkrijgen;
39° " Installateur HE " : [2 natuurlijke of rechtspersoon]2 belast met het plaatsen van systemen voor het gebruik van energie geproduceerd op basis van hernieuwbare energiebronnen zoals verwarmingsketels en kachels op biomassa, fotovoltaïsche of thermische systemen op zonne-energie, ondiepe geothermische systemen, windmolens of warmtepompen.
[6 40° " warmtegenerator " : het onderdeel van een verwarmingssysteem dat nuttige warmte genereert via één of meerdere van de volgende processen :
a) de verbranding van brandstof in bijvoorbeeld een cv-ketel ;
b) het joule-effect, dat plaatsvindt in de verwarmingselementen van een verwarmingssysteem met elektrische weerstand ;
c) het opvangen van warmte uit de lucht, ventilatieafvoerlucht, of een water- of aardwarmtebron) met behulp van een warmtepomp]6;
[7 41° "Openbaar vastgoedbeheerder": een gemeente, een O.C.M.W., een autonome gemeentelijke regie, de Grondregie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij (BGHM), een openbare vastgoedmaatschappij (OVM), het Woningfonds van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (GOMB);
42° "Gebouwenpaspoort": ruimte voor een gebouw en/of EPB-eenheid op een digitaal platform voor dienstenuitwisseling, waar alle relevante gegevens over het gebouw et de EPB-eenheden ervan, waaronder de gegevens over energieprestatie, beschikbaar zijn, waardoor informatie over het gebouw en de EPB-eenheid gemakkelijker kunnen worden gedeeld;
43° "Datacentrum": structuur of groep van structuren die wordt gebruikt voor de hosting, aansluiting en bediening van computersystemen/servers en gelinkte apparatuur voor de opslag, verwerking en/of verspreiding van gegevens, en gerelateerde activiteiten;
44° "EPB-voorstel": document dat voor het project, waarvoor een stedenbouwkundige vergunning wordt aangevraagd, de verdeling in EPB-eenheden en de EPB-eisen waaraan ze onderworpen zijn, bevat;
45° "Titularis van een zakelijk recht": de persoon die titularis is van een van de volgende zakelijke rechten op het bedoelde gebouw of EPB-eenheid: eigendomsrecht, mede-eigendom, recht van vruchtgebruik, erfpachtrecht, opstalrecht;
46° "Bruto oppervlakte": meting uitgedrukt in m2 van de bruto oppervlakken, zoals bepaald door de Regering krachtens artikel 2.2.2, § 3, van dit Wetboek.]7
Art. 2_1.1.DROIT_FUTUR. Au sens du présent livre, on entend par :
1° " [7 Performance énergétique]7 " : [7 l'évaluation de]7 la quantité d'énergie effectivement consommée ou estimée pour répondre aux différents besoins liés à une utilisation standardisée [7 ...]7, ce qui peut inclure entre autres le chauffage, l'eau chaude, le refroidissement, la ventilation et l'éclairage. [7 Cette évaluation est traduite]7 par un ou plusieurs indicateurs numériques résultant d'un calcul [3 réalisé suivant une des méthodes de calcul définies à l'annexe 2.1]3;
2° " Unité PEB " : ensemble de locaux [1 dans un même volume protégé, conçu ou modifié pour être utilisé séparément]1 et qui répond à la définition d'une affectation définie par le Gouvernement;
3° " [7 Neuve]7 " : qualificatif donné à une unité PEB faisant l'objet de travaux de construction soumis à permis d'urbanisme;
[7 3° /1 " Assimilée à du neuf ": qualificatif donné à une unité PEB lorsqu'elle fait l'objet de travaux dont au moins une partie est soumise à permis d'urbanisme:
a) s'il y a des travaux de construction et/ou de démolition-reconstruction influençant la performance énergétique à au moins 75 % de sa surface de déperdition thermique, tous les travaux repris dans la demande de permis d'urbanisme étant pris en compte;
b) et si elle fait l'objet de travaux portant sur ses installations techniques.
Ces critères peuvent être précisés par le Gouvernement;]7
4° " [7 Rénovée]7 lourdement " : [3 lorsqu'une unité PEB fait l'objet de travaux dont au moins une partie est soumise à permis d'urbanisme, qualificatif donné à cette unité PEB :
a) s'il y a des travaux influençant la performance énergétique à au moins 50 % de sa surface de déperdition thermique, tous les travaux repris dans la demande de permis d'urbanisme étant pris en compte ;
b) et si elle fait l'objet de travaux portant sur ses installations techniques ;
ces critères pouvant être précisés par le Gouvernement ;]3
5° " [7 Rénovée]7 simplement " : [3 lorsqu'une unité PEB fait l'objet de travaux dont au moins une partie est soumise à permis d'urbanisme, qualificatif donné à cette unité PEB :
a) s'il y a des travaux influençant la performance énergétique à sa surface de déperdition thermique, tous les travaux repris dans la demande de permis d'urbanisme étant pris en compte ;
b) et si ces travaux n'entrent pas dans les critères du qualificatif rénové lourdement;]3
6° " Exigences PEB " : l'ensemble des conditions auxquelles doit répondre une unité PEB et/ou une installation technique en matière de performance énergétique, d'isolation thermique, de climat intérieur [7 , de ventilation, de vecteur énergétique utilisé ou de potentiel de réchauffement planétaire]7;
[7 6° /1 " Potentiel de réchauffement planétaire " ou " PRP ": indicateur qui quantifie les contributions potentielles au réchauffement planétaire d'une unité PEB et/ou d'une installation technique tout au long de leur cycle de vie. Cet indicateur résulte d'un calcul réalisé suivant une méthode de calcul définie à l'annexe 2.1.]7
7° " Niveau de coût optimum " : le niveau de performance énergétique qui entraîne les coûts les plus bas sur la durée de vie économique estimée, qui sont déterminés en prenant en compte les coûts d'investissement liés à l'énergie, et le cas échéant les coûts de maintenance et de fonctionnement (y compris les coûts de l'énergie, les économies, la catégorie du bâtiment concerné, les bénéfices provenant de l'énergie produite) et les coûts d'élimination. Le niveau du coût optimum est compris dans la fourchette des niveaux de performance pour lesquels l'analyse des coûts et bénéfices calculée sur la durée de vie estimée d'un bâtiment est positive;
8° " Consommation " zéro énergie " " : consommation d'énergie nulle ou très faible, obtenue grâce à une efficacité énergétique élevée, et qui devrait être couverte dans une très large mesure par de l'énergie produite à partir de sources renouvelables, notamment l'énergie produite à partir de sources renouvelables [7 sur site]7 ou à proximité [2 ; [7 les termes " sur site " ou]7 " à proximité " peuvent être précisés par le Gouvernement]2;
[7 8° /1 " Zéro émission ": une très haute performance énergétique, ne nécessitant qu'une consommation d'énergie nulle ou très faible, ne produisant aucune émission de gaz à effet de serre sur site à partir de combustibles fossiles et ne produisant aucune émission opérationnelle de gaz à effet de serre ou une très faible quantité, telle que précisée par le Gouvernement;]7
[7 8° /2 " Emission opérationnelle de gaz à effet de serre ": émission de gaz à effet de serre associée à la consommation d'énergie des installations techniques du bâtiment pendant l'utilisation et l'exploitation de l'unité PEB;]7
9° " Déclaration PEB " : le document qui décrit les mesures [3 exécutées sur chantier afin de respecter les]3 exigences PEB et détermine par calcul si ces exigences sont respectées [3 ou non]3;
10° " Déclarant " : personne physique ou morale tenue de respecter les exigences PEB et au nom et pour le compte de qui les travaux de construction ou de rénovation sont réalisés;
11° " Certificat PEB " : document qui présente les indicateurs de performance énergétique d'une unité PEB sous forme numérique, alphabétique et graphique;
12° " Certificat PEB bâtiment public " : document qui présente les indicateurs de performance énergétique, sous forme alphabétique, numérique et graphique, de l'ensemble des unités PEB [7 appartenant à ou occupées par un ou plusieurs pouvoirs publics]7 dans un même bâtiment, en tenant compte de la consommation [7 mesurée]7 sur une année;
13° [7 ...]7;
14° " Demandeur " : personne physique ou morale, publique ou privée, qui introduit une demande [7 de permis d'urbanisme, telle que visé à l'article 98 du CoBAT]7;
15° [8 " Expert PEB ": personne physique ou morale agréée pour établir selon les cas la proposition PEB, la notification de début des travaux, la déclaration PEB, le rapport de synthèse, le certificat PEB ou le certificat PEB bâtiment public; le Gouvernement précisant les modalités de son champ d'action]8;
16° [8 ...]8;
17° [3 ...]3
18° " [7 Contrôleur PEB]7 " : personne physique [7 ou morale]7 agréée, [3 ...]3 qui est chargée de pratiquer le contrôle d'installations techniques;
19° " Cogénération de qualité " : transformation simultanée de combustibles primaires en énergie mécanique ou électrique et thermique, qui répond aux critères définis conformément à l'article 16 de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale;
20° " Système de climatisation " : une combinaison de toutes les composantes nécessaires pour assurer une forme de traitement de l'air dans un bâtiment, par laquelle la température est contrôlée ou peut être abaissée, éventuellement en conjugaison avec un contrôle de l'aération, de l'humidité et/ou de la pureté de l'air;
21° " Système de chauffage " : ensemble des composantes nécessaires pour chauffer l'air d'un bâtiment et/ou chauffer de l'eau chaude sanitaire, en ce compris le ou les générateurs de chaleur, [7 les échangeurs de chaleur, les capteurs solaires thermiques,]7 les circuits de distribution, de stockage et d'émission, et les systèmes de régulation;
22° " Chaudière " : générateur de chaleur composé d'un brûleur et d'un échangeur (corps de chaudière) destiné à transmettre à un fluide, la chaleur libérée par la combustion;
23° " Installation technique " :
a) les systèmes de ventilation;
b) les systèmes de climatisation;
c) les systèmes de chauffage;
d) les systèmes d'éclairage [4 intégré]4;
e) les systèmes fixes permettant de transporter des personnes ou des charges d'un étage à l'autre du bâtiment;
f) les systèmes de production et de stockage d'énergie produite à partir de sources renouvelables]7;
[4 g) les systèmes d'automatisation et de contrôle des bâtiments ;]4
[2 h) une combinaison des systèmes visés aux points [4 a) à g)]4 ;]2
24° [5 système d'automatisation et de contrôle des bâtiments " : un système comprenant tous les produits, logiciels et services d'ingénierie à même de soutenir le fonctionnement efficace sur le plan énergétique, économique et sûr des installations techniques de bâtiment au moyen de commandes automatiques et en facilitant la gestion manuelle de ces installations techniques de bâtiment;]5
25° " Pompe à chaleur " : un dispositif ou une installation qui prélève de la chaleur, à basse température, dans l'air, l'eau ou la terre pour la fournir au bâtiment;
26° " Volume protégé " : [3 volume des espaces dans lesquels de l'énergie est utilisée, en continu ou par intermittence, et tel que déterminé par le gouvernement en vertu de l'article 2.2.2, § 3 du présent Code ;]3
27° " Surface de déperdition thermique " : l'ensemble de toutes les parois qui séparent le volume protégé de l'ambiance extérieure, du sol et d'un espace n'appartenant pas à un volume protégé [7 et tel que précisé par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.2, § 3, du présent Code]7;
28° " PLAGE " : Plan local d'action pour la gestion énergétique;
29° " Cadastre énergétique " : inventaire comparatif annuel de l'efficacité énergétique des bâtiments;
30° " Comptabilité énergétique " : relevé périodique des consommations énergétiques, par vecteur énergétique et par bâtiment, selon une fréquence à déterminer par le Gouvernement;
31° " Coordinateur PLAGE " : personne physique désignée par les organismes visés à l'article 2.2.22 au sein de leur personnel, chargée de la coordination et de la mise en oeuvre du PLAGE;
32° " Réviseur PLAGE " : personne [2 ...]2 indépendante des organismes visés à l'article 2.2.22, chargée de contrôler les informations fournies par ces organismes dans le cadre de la mise en oeuvre du PLAGE;
33° " Véhicule à moteur " : tout véhicule pourvu d'un moteur et destiné à circuler par ses propres moyens, tel que défini par l'arrêté royal du 1er septembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière;
34° " STIB " : la Société des Transports Intercommunaux de Bruxelles, association de droit public créée en vertu de l'ordonnance du 22 novembre 1990 relative à l'organisation des transports en commun en Région de Bruxelles-Capitale;
35° " Services de taxis " : les services qui assurent, avec chauffeur, le transport rémunéré de personnes par véhicules automobiles, au sens de l'ordonnance du 27 avril 1995 relative aux services de taxis et aux services de location de voitures avec chauffeur;
36° " Services de location de voitures avec chauffeur " : tous services de transport rémunéré de personnes par véhicules automobiles qui ne sont pas des services de taxis et qui remplissent les conditions définies par l'ordonnance du 27 avril 1995 relative aux services de taxis et aux services de location de voitures avec chauffeur;
37° " Service de voitures partagées " : service accessible au public d'utilisation systématique et à tour de rôle par des personnes préalablement déterminées d'une ou de plusieurs voitures contre paiement par le biais d'une association de voitures partagées, à l'exception de l'utilisation de véhicules destinés à la simple location ou location-vente;
38° " Services de bus touristiques " : les services de transport régulier et les formes particulières de transport régulier par autobus ou autocar partiellement ou entièrement assurés en Région de Bruxelles-Capitale, tels que visés par l'arrêté-loi du 30 décembre 1946 relatif aux transports rémunérés de voyageurs par route effectués par autobus et par autocars, et qui sont principalement destinés, par le choix du trajet et des arrêts ou par l'offre de services supplémentaires, aux voyageurs souhaitant visiter des lieux d'intérêt de la Région de Bruxelles-Capitale ou obtenir des informations à leur sujet;
39° " Installateur SER " : personne [2 physique ou morale]2 chargée d'installer des systèmes d'utilisation d'énergie produite à partir de sources renouvelables, tels que des chaudières et des poêles à biomasse, des systèmes solaires photovoltaïques ou thermiques, des systèmes géothermiques superficiels, des turbines éoliennes ou des pompes à chaleur.
[6 40° " générateur de chaleur " : la partie d'un système de chauffage qui produit de la chaleur utile à l'aide d'un ou plusieurs des processus suivants :
a) combustion de combustibles, par exemple dans une chaudière ;
b) effet Joule, dans les éléments de chauffage d'un système de chauffage à résistance électrique ;
c) capture de la chaleur de l'air ambiant, de l'air extrait de la ventilation, ou de l'eau ou d'une source de chaleur souterraine à l'aide d'une pompe à chaleur.]6
[7 41° " Opérateur immobilier public ": une commune, un C.P.A.S., une régie communale autonome, la Régie foncière de la Région de Bruxelles-Capitale, la Société du Logement de la Région bruxelloise (SLRB), une société immobilière de service public (SISP), le Fonds du logement de la Région de Bruxelles-Capitale et la Société de Développement pour la Région de Bruxelles-Capitale (SDRB);
42° " Passeport bâtiment ": espace dédié à un bâtiment et/ou une unité PEB sur une plateforme numérique d'échange de services, mettant à disposition toutes les données pertinentes relatives au bâtiment et à ses unités PEB, y compris les données relatives à la performance énergétique, qui facilite le partage d'informations sur le bâtiment et l'unité PEB concernés;
43° " Centre de données ou datacenter ": structure ou groupe de structures servant à héberger, connecter et exploiter des systèmes/serveurs informatiques et du matériel connexe pour le stockage, le traitement et/ou la distribution des données, ainsi que pour les activités connexes;
44° " Proposition PEB ": document qui contient pour le projet visé par la demande de permis d'urbanisme la division en unités PEB et les exigences PEB auxquelles elles sont soumises;
45° " Titulaire d'un droit réel ": la personne qui est titulaire d'un des droits réels suivants sur le bâtiment ou l'unité PEB: le droit de propriété, la copropriété, le droit d'usufruit, le droit d'emphytéose, le droit de superficie;
46° " Superficie brute ": mesure exprimée en m2 des surfaces brutes telles que précisées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.2, § 3, du présent Code.]7
1° " [7 Performance énergétique]7 " : [7 l'évaluation de]7 la quantité d'énergie effectivement consommée ou estimée pour répondre aux différents besoins liés à une utilisation standardisée [7 ...]7, ce qui peut inclure entre autres le chauffage, l'eau chaude, le refroidissement, la ventilation et l'éclairage. [7 Cette évaluation est traduite]7 par un ou plusieurs indicateurs numériques résultant d'un calcul [3 réalisé suivant une des méthodes de calcul définies à l'annexe 2.1]3;
2° " Unité PEB " : ensemble de locaux [1 dans un même volume protégé, conçu ou modifié pour être utilisé séparément]1 et qui répond à la définition d'une affectation définie par le Gouvernement;
3° " [7 Neuve]7 " : qualificatif donné à une unité PEB faisant l'objet de travaux de construction soumis à permis d'urbanisme;
[7 3° /1 " Assimilée à du neuf ": qualificatif donné à une unité PEB lorsqu'elle fait l'objet de travaux dont au moins une partie est soumise à permis d'urbanisme:
a) s'il y a des travaux de construction et/ou de démolition-reconstruction influençant la performance énergétique à au moins 75 % de sa surface de déperdition thermique, tous les travaux repris dans la demande de permis d'urbanisme étant pris en compte;
b) et si elle fait l'objet de travaux portant sur ses installations techniques.
Ces critères peuvent être précisés par le Gouvernement;]7
4° " [7 Rénovée]7 lourdement " : [3 lorsqu'une unité PEB fait l'objet de travaux dont au moins une partie est soumise à permis d'urbanisme, qualificatif donné à cette unité PEB :
a) s'il y a des travaux influençant la performance énergétique à au moins 50 % de sa surface de déperdition thermique, tous les travaux repris dans la demande de permis d'urbanisme étant pris en compte ;
b) et si elle fait l'objet de travaux portant sur ses installations techniques ;
ces critères pouvant être précisés par le Gouvernement ;]3
5° " [7 Rénovée]7 simplement " : [3 lorsqu'une unité PEB fait l'objet de travaux dont au moins une partie est soumise à permis d'urbanisme, qualificatif donné à cette unité PEB :
a) s'il y a des travaux influençant la performance énergétique à sa surface de déperdition thermique, tous les travaux repris dans la demande de permis d'urbanisme étant pris en compte ;
b) et si ces travaux n'entrent pas dans les critères du qualificatif rénové lourdement;]3
6° " Exigences PEB " : l'ensemble des conditions auxquelles doit répondre une unité PEB et/ou une installation technique en matière de performance énergétique, d'isolation thermique, de climat intérieur [7 , de ventilation, de vecteur énergétique utilisé ou de potentiel de réchauffement planétaire]7;
[7 6° /1 " Potentiel de réchauffement planétaire " ou " PRP ": indicateur qui quantifie les contributions potentielles au réchauffement planétaire d'une unité PEB et/ou d'une installation technique tout au long de leur cycle de vie. Cet indicateur résulte d'un calcul réalisé suivant une méthode de calcul définie à l'annexe 2.1.]7
7° " Niveau de coût optimum " : le niveau de performance énergétique qui entraîne les coûts les plus bas sur la durée de vie économique estimée, qui sont déterminés en prenant en compte les coûts d'investissement liés à l'énergie, et le cas échéant les coûts de maintenance et de fonctionnement (y compris les coûts de l'énergie, les économies, la catégorie du bâtiment concerné, les bénéfices provenant de l'énergie produite) et les coûts d'élimination. Le niveau du coût optimum est compris dans la fourchette des niveaux de performance pour lesquels l'analyse des coûts et bénéfices calculée sur la durée de vie estimée d'un bâtiment est positive;
8° " Consommation " zéro énergie " " : consommation d'énergie nulle ou très faible, obtenue grâce à une efficacité énergétique élevée, et qui devrait être couverte dans une très large mesure par de l'énergie produite à partir de sources renouvelables, notamment l'énergie produite à partir de sources renouvelables [7 sur site]7 ou à proximité [2 ; [7 les termes " sur site " ou]7 " à proximité " peuvent être précisés par le Gouvernement]2;
[7 8° /1 " Zéro émission ": une très haute performance énergétique, ne nécessitant qu'une consommation d'énergie nulle ou très faible, ne produisant aucune émission de gaz à effet de serre sur site à partir de combustibles fossiles et ne produisant aucune émission opérationnelle de gaz à effet de serre ou une très faible quantité, telle que précisée par le Gouvernement;]7
[7 8° /2 " Emission opérationnelle de gaz à effet de serre ": émission de gaz à effet de serre associée à la consommation d'énergie des installations techniques du bâtiment pendant l'utilisation et l'exploitation de l'unité PEB;]7
9° " Déclaration PEB " : le document qui décrit les mesures [3 exécutées sur chantier afin de respecter les]3 exigences PEB et détermine par calcul si ces exigences sont respectées [3 ou non]3;
10° " Déclarant " : personne physique ou morale tenue de respecter les exigences PEB et au nom et pour le compte de qui les travaux de construction ou de rénovation sont réalisés;
11° " Certificat PEB " : document qui présente les indicateurs de performance énergétique d'une unité PEB sous forme numérique, alphabétique et graphique;
12° " Certificat PEB bâtiment public " : document qui présente les indicateurs de performance énergétique, sous forme alphabétique, numérique et graphique, de l'ensemble des unités PEB [7 appartenant à ou occupées par un ou plusieurs pouvoirs publics]7 dans un même bâtiment, en tenant compte de la consommation [7 mesurée]7 sur une année;
13° [7 ...]7;
14° " Demandeur " : personne physique ou morale, publique ou privée, qui introduit une demande [7 de permis d'urbanisme, telle que visé à l'article 98 du CoBAT]7;
15° [8 " Expert PEB ": personne physique ou morale agréée pour établir selon les cas la proposition PEB, la notification de début des travaux, la déclaration PEB, le rapport de synthèse, le certificat PEB ou le certificat PEB bâtiment public; le Gouvernement précisant les modalités de son champ d'action]8;
16° [8 ...]8;
17° [3 ...]3
18° " [7 Contrôleur PEB]7 " : personne physique [7 ou morale]7 agréée, [3 ...]3 qui est chargée de pratiquer le contrôle d'installations techniques;
19° " Cogénération de qualité " : transformation simultanée de combustibles primaires en énergie mécanique ou électrique et thermique, qui répond aux critères définis conformément à l'article 16 de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale;
20° " Système de climatisation " : une combinaison de toutes les composantes nécessaires pour assurer une forme de traitement de l'air dans un bâtiment, par laquelle la température est contrôlée ou peut être abaissée, éventuellement en conjugaison avec un contrôle de l'aération, de l'humidité et/ou de la pureté de l'air;
21° " Système de chauffage " : ensemble des composantes nécessaires pour chauffer l'air d'un bâtiment et/ou chauffer de l'eau chaude sanitaire, en ce compris le ou les générateurs de chaleur, [7 les échangeurs de chaleur, les capteurs solaires thermiques,]7 les circuits de distribution, de stockage et d'émission, et les systèmes de régulation;
22° " Chaudière " : générateur de chaleur composé d'un brûleur et d'un échangeur (corps de chaudière) destiné à transmettre à un fluide, la chaleur libérée par la combustion;
23° " Installation technique " :
a) les systèmes de ventilation;
b) les systèmes de climatisation;
c) les systèmes de chauffage;
d) les systèmes d'éclairage [4 intégré]4;
e) les systèmes fixes permettant de transporter des personnes ou des charges d'un étage à l'autre du bâtiment;
f) les systèmes de production et de stockage d'énergie produite à partir de sources renouvelables]7;
[4 g) les systèmes d'automatisation et de contrôle des bâtiments ;]4
[2 h) une combinaison des systèmes visés aux points [4 a) à g)]4 ;]2
24° [5 système d'automatisation et de contrôle des bâtiments " : un système comprenant tous les produits, logiciels et services d'ingénierie à même de soutenir le fonctionnement efficace sur le plan énergétique, économique et sûr des installations techniques de bâtiment au moyen de commandes automatiques et en facilitant la gestion manuelle de ces installations techniques de bâtiment;]5
25° " Pompe à chaleur " : un dispositif ou une installation qui prélève de la chaleur, à basse température, dans l'air, l'eau ou la terre pour la fournir au bâtiment;
26° " Volume protégé " : [3 volume des espaces dans lesquels de l'énergie est utilisée, en continu ou par intermittence, et tel que déterminé par le gouvernement en vertu de l'article 2.2.2, § 3 du présent Code ;]3
27° " Surface de déperdition thermique " : l'ensemble de toutes les parois qui séparent le volume protégé de l'ambiance extérieure, du sol et d'un espace n'appartenant pas à un volume protégé [7 et tel que précisé par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.2, § 3, du présent Code]7;
28° " PLAGE " : Plan local d'action pour la gestion énergétique;
29° " Cadastre énergétique " : inventaire comparatif annuel de l'efficacité énergétique des bâtiments;
30° " Comptabilité énergétique " : relevé périodique des consommations énergétiques, par vecteur énergétique et par bâtiment, selon une fréquence à déterminer par le Gouvernement;
31° " Coordinateur PLAGE " : personne physique désignée par les organismes visés à l'article 2.2.22 au sein de leur personnel, chargée de la coordination et de la mise en oeuvre du PLAGE;
32° " Réviseur PLAGE " : personne [2 ...]2 indépendante des organismes visés à l'article 2.2.22, chargée de contrôler les informations fournies par ces organismes dans le cadre de la mise en oeuvre du PLAGE;
33° " Véhicule à moteur " : tout véhicule pourvu d'un moteur et destiné à circuler par ses propres moyens, tel que défini par l'arrêté royal du 1er septembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière;
34° " STIB " : la Société des Transports Intercommunaux de Bruxelles, association de droit public créée en vertu de l'ordonnance du 22 novembre 1990 relative à l'organisation des transports en commun en Région de Bruxelles-Capitale;
35° " Services de taxis " : les services qui assurent, avec chauffeur, le transport rémunéré de personnes par véhicules automobiles, au sens de l'ordonnance du 27 avril 1995 relative aux services de taxis et aux services de location de voitures avec chauffeur;
36° " Services de location de voitures avec chauffeur " : tous services de transport rémunéré de personnes par véhicules automobiles qui ne sont pas des services de taxis et qui remplissent les conditions définies par l'ordonnance du 27 avril 1995 relative aux services de taxis et aux services de location de voitures avec chauffeur;
37° " Service de voitures partagées " : service accessible au public d'utilisation systématique et à tour de rôle par des personnes préalablement déterminées d'une ou de plusieurs voitures contre paiement par le biais d'une association de voitures partagées, à l'exception de l'utilisation de véhicules destinés à la simple location ou location-vente;
38° " Services de bus touristiques " : les services de transport régulier et les formes particulières de transport régulier par autobus ou autocar partiellement ou entièrement assurés en Région de Bruxelles-Capitale, tels que visés par l'arrêté-loi du 30 décembre 1946 relatif aux transports rémunérés de voyageurs par route effectués par autobus et par autocars, et qui sont principalement destinés, par le choix du trajet et des arrêts ou par l'offre de services supplémentaires, aux voyageurs souhaitant visiter des lieux d'intérêt de la Région de Bruxelles-Capitale ou obtenir des informations à leur sujet;
39° " Installateur SER " : personne [2 physique ou morale]2 chargée d'installer des systèmes d'utilisation d'énergie produite à partir de sources renouvelables, tels que des chaudières et des poêles à biomasse, des systèmes solaires photovoltaïques ou thermiques, des systèmes géothermiques superficiels, des turbines éoliennes ou des pompes à chaleur.
[6 40° " générateur de chaleur " : la partie d'un système de chauffage qui produit de la chaleur utile à l'aide d'un ou plusieurs des processus suivants :
a) combustion de combustibles, par exemple dans une chaudière ;
b) effet Joule, dans les éléments de chauffage d'un système de chauffage à résistance électrique ;
c) capture de la chaleur de l'air ambiant, de l'air extrait de la ventilation, ou de l'eau ou d'une source de chaleur souterraine à l'aide d'une pompe à chaleur.]6
[7 41° " Opérateur immobilier public ": une commune, un C.P.A.S., une régie communale autonome, la Régie foncière de la Région de Bruxelles-Capitale, la Société du Logement de la Région bruxelloise (SLRB), une société immobilière de service public (SISP), le Fonds du logement de la Région de Bruxelles-Capitale et la Société de Développement pour la Région de Bruxelles-Capitale (SDRB);
42° " Passeport bâtiment ": espace dédié à un bâtiment et/ou une unité PEB sur une plateforme numérique d'échange de services, mettant à disposition toutes les données pertinentes relatives au bâtiment et à ses unités PEB, y compris les données relatives à la performance énergétique, qui facilite le partage d'informations sur le bâtiment et l'unité PEB concernés;
43° " Centre de données ou datacenter ": structure ou groupe de structures servant à héberger, connecter et exploiter des systèmes/serveurs informatiques et du matériel connexe pour le stockage, le traitement et/ou la distribution des données, ainsi que pour les activités connexes;
44° " Proposition PEB ": document qui contient pour le projet visé par la demande de permis d'urbanisme la division en unités PEB et les exigences PEB auxquelles elles sont soumises;
45° " Titulaire d'un droit réel ": la personne qui est titulaire d'un des droits réels suivants sur le bâtiment ou l'unité PEB: le droit de propriété, la copropriété, le droit d'usufruit, le droit d'emphytéose, le droit de superficie;
46° " Superficie brute ": mesure exprimée en m2 des surfaces brutes telles que précisées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.2, § 3, du présent Code.]7
Wijzigingen
Art. 2.1.2. [1 In 2050 bedraagt het gemiddelde verbruik van primaire energie van alle residentiële gebouwen die gelegen zijn op het grondgebied van het Gewest 100 kWh/m2/jaar.
In 2050 streeft het volledige park van tertiaire gebouwen op het grondgebied van het Gewest naar [2 zero emissie]2.
[2 ...]2]1
In 2050 streeft het volledige park van tertiaire gebouwen op het grondgebied van het Gewest naar [2 zero emissie]2.
[2 ...]2]1
Art. 2.1.2. [1 En 2050, la consommation moyenne en énergie primaire de l'ensemble du parc de bâtiments résidentiels situés sur le territoire de la Région est de 100 kWh/m2/an.
En 2050, l'ensemble du parc de bâtiments tertiaires situés sur le territoire de la Région tend vers [2 le zéro émission]2.
[2 ...]2 ]1
En 2050, l'ensemble du parc de bâtiments tertiaires situés sur le territoire de la Région tend vers [2 le zéro émission]2.
[2 ...]2 ]1
HOOFDSTUK 1. - Energieprestatie van de gebouwen
CHAPITRE 1er. - Performance énergétique des bâtiments
HOOFDSTUK 1. - Energieprestatie van de gebouwen
CHAPITRE 1er. - Performance énergétique des bâtiments
Art. 2.2.1. Onderhavig hoofdstuk is van toepassing op alle EPB-eenheden van een gebouw waarin energie wordt gebruikt om het binnenklimaat te regelen, met uitzondering van :
1° de [3 bestaande]3 lokalen gebruikt als erkende plaatsen voor erediensten en zedenleer;
2° [1 [2 EPB-eenheden bestemd voor landbouw-, industriële of artisanale activiteiten of bestemd voor opslag, bewaring]2, wanneer deze [2 EPB-eenheden een lage energiebehoefte]2 hebben, zoals gedefinieerd door de Regering;]1
[1 3°]1 [2 ...]2
[1 4°]1 de alleenstaande gebouwen met een [3 bruto]3 oppervlakte van minder dan 50 m2 tenzij ze een EPB-eenheid bevatten die als wooneenheid wordt bestemd;
[1 5°]1 de voorlopige constructies vergund voor een gebruiksduur van twee jaar of minder;
[1 6°]1 de residentiële gebouwen die worden gebruikt of bestemd zijn om voor minder dan vier maanden per jaar buiten de winterperiode te worden gebruikt.
1° de [3 bestaande]3 lokalen gebruikt als erkende plaatsen voor erediensten en zedenleer;
2° [1 [2 EPB-eenheden bestemd voor landbouw-, industriële of artisanale activiteiten of bestemd voor opslag, bewaring]2, wanneer deze [2 EPB-eenheden een lage energiebehoefte]2 hebben, zoals gedefinieerd door de Regering;]1
[1 3°]1 [2 ...]2
[1 4°]1 de alleenstaande gebouwen met een [3 bruto]3 oppervlakte van minder dan 50 m2 tenzij ze een EPB-eenheid bevatten die als wooneenheid wordt bestemd;
[1 5°]1 de voorlopige constructies vergund voor een gebruiksduur van twee jaar of minder;
[1 6°]1 de residentiële gebouwen die worden gebruikt of bestemd zijn om voor minder dan vier maanden per jaar buiten de winterperiode te worden gebruikt.
Art. 2.2.1. Le présent chapitre s'applique à toutes les unités PEB d'un bâtiment dans lesquelles de l'énergie est utilisée pour réguler le climat intérieur, à l'exception :
1° des locaux [3 existants]3 [2 servant de lieux reconnus pour le culte ou la morale laïque]2;
2° [1 [2 des unités PEB destinées à des activités agricoles, industrielles ou artisanales ou destinées]2 à du dépôt, de l'entreposage, lorsque [2 ces unités PEB]2 présentent une faible demande en énergie telle que définie par le Gouvernement;]1
[1 3°]1 [2 ...]2
[1 4°]1 des bâtiments indépendants d'une superficie [3 brute]3 inférieure à 50 m2 sauf s'ils contiennent une unité PEB [2 destinée]2 à une habitation individuelle;
[1 5°]1 des constructions provisoires autorisées pour une durée d'utilisation de deux ans ou moins;
[1 6°]1 des bâtiments résidentiels utilisés ou destinés à être utilisés moins de quatre mois par an et en dehors de la période hivernale.
1° des locaux [3 existants]3 [2 servant de lieux reconnus pour le culte ou la morale laïque]2;
2° [1 [2 des unités PEB destinées à des activités agricoles, industrielles ou artisanales ou destinées]2 à du dépôt, de l'entreposage, lorsque [2 ces unités PEB]2 présentent une faible demande en énergie telle que définie par le Gouvernement;]1
[1 3°]1 [2 ...]2
[1 4°]1 des bâtiments indépendants d'une superficie [3 brute]3 inférieure à 50 m2 sauf s'ils contiennent une unité PEB [2 destinée]2 à une habitation individuelle;
[1 5°]1 des constructions provisoires autorisées pour une durée d'utilisation de deux ans ou moins;
[1 6°]1 des bâtiments résidentiels utilisés ou destinés à être utilisés moins de quatre mois par an et en dehors de la période hivernale.
Art. 2.2.1. Onderhavig hoofdstuk is van toepassing op alle EPB-eenheden van een gebouw waarin energie wordt gebruikt om het binnenklimaat te regelen, met uitzondering van :
1° de [3 bestaande]3 lokalen gebruikt als erkende plaatsen voor erediensten en zedenleer;
2° [1 [2 EPB-eenheden bestemd voor landbouw-, industriële of artisanale activiteiten of bestemd voor opslag, bewaring]2, wanneer deze [2 EPB-eenheden een lage energiebehoefte]2 hebben, zoals gedefinieerd door de Regering;]1
[1 3°]1 [2 ...]2
[1 4°]1 de alleenstaande gebouwen met een [3 bruto]3 oppervlakte van minder dan 50 m2 tenzij ze een EPB-eenheid bevatten die als wooneenheid wordt bestemd;
[1 5°]1 de voorlopige constructies vergund voor een gebruiksduur van twee jaar of minder;
[1 6°]1 de residentiële gebouwen die worden gebruikt of bestemd zijn om voor minder dan vier maanden per jaar buiten de winterperiode te worden gebruikt.
1° de [3 bestaande]3 lokalen gebruikt als erkende plaatsen voor erediensten en zedenleer;
2° [1 [2 EPB-eenheden bestemd voor landbouw-, industriële of artisanale activiteiten of bestemd voor opslag, bewaring]2, wanneer deze [2 EPB-eenheden een lage energiebehoefte]2 hebben, zoals gedefinieerd door de Regering;]1
[1 3°]1 [2 ...]2
[1 4°]1 de alleenstaande gebouwen met een [3 bruto]3 oppervlakte van minder dan 50 m2 tenzij ze een EPB-eenheid bevatten die als wooneenheid wordt bestemd;
[1 5°]1 de voorlopige constructies vergund voor een gebruiksduur van twee jaar of minder;
[1 6°]1 de residentiële gebouwen die worden gebruikt of bestemd zijn om voor minder dan vier maanden per jaar buiten de winterperiode te worden gebruikt.
Art. 2.2.1. Le présent chapitre s'applique à toutes les unités PEB d'un bâtiment dans lesquelles de l'énergie est utilisée pour réguler le climat intérieur, à l'exception :
1° des locaux [3 existants]3 [2 servant de lieux reconnus pour le culte ou la morale laïque]2;
2° [1 [2 des unités PEB destinées à des activités agricoles, industrielles ou artisanales ou destinées]2 à du dépôt, de l'entreposage, lorsque [2 ces unités PEB]2 présentent une faible demande en énergie telle que définie par le Gouvernement;]1
[1 3°]1 [2 ...]2
[1 4°]1 des bâtiments indépendants d'une superficie [3 brute]3 inférieure à 50 m2 sauf s'ils contiennent une unité PEB [2 destinée]2 à une habitation individuelle;
[1 5°]1 des constructions provisoires autorisées pour une durée d'utilisation de deux ans ou moins;
[1 6°]1 des bâtiments résidentiels utilisés ou destinés à être utilisés moins de quatre mois par an et en dehors de la période hivernale.
1° des locaux [3 existants]3 [2 servant de lieux reconnus pour le culte ou la morale laïque]2;
2° [1 [2 des unités PEB destinées à des activités agricoles, industrielles ou artisanales ou destinées]2 à du dépôt, de l'entreposage, lorsque [2 ces unités PEB]2 présentent une faible demande en énergie telle que définie par le Gouvernement;]1
[1 3°]1 [2 ...]2
[1 4°]1 des bâtiments indépendants d'une superficie [3 brute]3 inférieure à 50 m2 sauf s'ils contiennent une unité PEB [2 destinée]2 à une habitation individuelle;
[1 5°]1 des constructions provisoires autorisées pour une durée d'utilisation de deux ans ou moins;
[1 6°]1 des bâtiments résidentiels utilisés ou destinés à être utilisés moins de quatre mois par an et en dehors de la période hivernale.
Art. 2.2.2. § 1. De Regering legt de berekeningsmethodes vast voor de energieprestatie [1 , de operationele broeikasgasemissies en de GWP]1 van de EPB-eenheden op basis van de elementen vermeld in bijlage 2.1.
§ 2. De Regering kan bepalen dat EPB-eenheden die gebruik maken van concepten of bouwtechnologieën die niet in aanmerking worden genomen door de methodes die de Regering krachtens paragraaf één heeft vastgelegd, een alternatieve berekeningsmethode mogen toepassen. De Regering bepaalt de principes die aan de basis liggen van de alternatieve berekeningsmethodes en de categorieën van EPB-eenheden die ze kunnen genieten.
§ 3. De Regering bepaalt alle Richtlijnen en criteria die nodig zijn voor het berekenen van de energieprestatie [1 , de operationele broeikasgasemissies en de GWP]1 van de EPB-eenheden en van de naleving van de EPB-eisen.
§ 2. De Regering kan bepalen dat EPB-eenheden die gebruik maken van concepten of bouwtechnologieën die niet in aanmerking worden genomen door de methodes die de Regering krachtens paragraaf één heeft vastgelegd, een alternatieve berekeningsmethode mogen toepassen. De Regering bepaalt de principes die aan de basis liggen van de alternatieve berekeningsmethodes en de categorieën van EPB-eenheden die ze kunnen genieten.
§ 3. De Regering bepaalt alle Richtlijnen en criteria die nodig zijn voor het berekenen van de energieprestatie [1 , de operationele broeikasgasemissies en de GWP]1 van de EPB-eenheden en van de naleving van de EPB-eisen.
Art. 2.2.2. § 1er. Le Gouvernement fixe les méthodes de calcul de la performance énergétique [1 , des émissions opérationnelles de gaz à effet de serre et du PRP]1 des unités PEB sur la base des éléments figurant à l'annexe 2.1.
§ 2. Le Gouvernement peut déterminer que des unités PEB qui font usage de concepts ou de technologies de construction, qui ne sont pas pris en considération par les méthodes fixées par le Gouvernement en vertu du paragraphe premier, peuvent appliquer une méthode de calcul alternative. Le Gouvernement détermine les principes qui régissent les méthodes de calcul alternatives et les catégories d'unités PEB pouvant en bénéficier.
§ 3. Le Gouvernement établit l'ensemble des lignes directrices et des critères nécessaires au calcul de la performance énergétique [1 , des émissions opérationnelles de gaz à effet de serre et du PRP]1 des unités PEB et du respect des exigences PEB.
§ 2. Le Gouvernement peut déterminer que des unités PEB qui font usage de concepts ou de technologies de construction, qui ne sont pas pris en considération par les méthodes fixées par le Gouvernement en vertu du paragraphe premier, peuvent appliquer une méthode de calcul alternative. Le Gouvernement détermine les principes qui régissent les méthodes de calcul alternatives et les catégories d'unités PEB pouvant en bénéficier.
§ 3. Le Gouvernement établit l'ensemble des lignes directrices et des critères nécessaires au calcul de la performance énergétique [1 , des émissions opérationnelles de gaz à effet de serre et du PRP]1 des unités PEB et du respect des exigences PEB.
Wijzigingen
Art. 2.2.2. § 1. De Regering legt de berekeningsmethodes vast voor de energieprestatie [1 , de operationele broeikasgasemissies en de GWP]1 van de EPB-eenheden op basis van de elementen vermeld in bijlage 2.1.
§ 2. De Regering kan bepalen dat EPB-eenheden die gebruik maken van concepten of bouwtechnologieën die niet in aanmerking worden genomen door de methodes die de Regering krachtens paragraaf één heeft vastgelegd, een alternatieve berekeningsmethode mogen toepassen. De Regering bepaalt de principes die aan de basis liggen van de alternatieve berekeningsmethodes en de categorieën van EPB-eenheden die ze kunnen genieten.
§ 3. De Regering bepaalt alle Richtlijnen en criteria die nodig zijn voor het berekenen van de energieprestatie [1 , de operationele broeikasgasemissies en de GWP]1 van de EPB-eenheden en van de naleving van de EPB-eisen.
§ 2. De Regering kan bepalen dat EPB-eenheden die gebruik maken van concepten of bouwtechnologieën die niet in aanmerking worden genomen door de methodes die de Regering krachtens paragraaf één heeft vastgelegd, een alternatieve berekeningsmethode mogen toepassen. De Regering bepaalt de principes die aan de basis liggen van de alternatieve berekeningsmethodes en de categorieën van EPB-eenheden die ze kunnen genieten.
§ 3. De Regering bepaalt alle Richtlijnen en criteria die nodig zijn voor het berekenen van de energieprestatie [1 , de operationele broeikasgasemissies en de GWP]1 van de EPB-eenheden en van de naleving van de EPB-eisen.
Art. 2.2.2. § 1er. Le Gouvernement fixe les méthodes de calcul de la performance énergétique [1 , des émissions opérationnelles de gaz à effet de serre et du PRP]1 des unités PEB sur la base des éléments figurant à l'annexe 2.1.
§ 2. Le Gouvernement peut déterminer que des unités PEB qui font usage de concepts ou de technologies de construction, qui ne sont pas pris en considération par les méthodes fixées par le Gouvernement en vertu du paragraphe premier, peuvent appliquer une méthode de calcul alternative. Le Gouvernement détermine les principes qui régissent les méthodes de calcul alternatives et les catégories d'unités PEB pouvant en bénéficier.
§ 3. Le Gouvernement établit l'ensemble des lignes directrices et des critères nécessaires au calcul de la performance énergétique [1 , des émissions opérationnelles de gaz à effet de serre et du PRP]1 des unités PEB et du respect des exigences PEB.
§ 2. Le Gouvernement peut déterminer que des unités PEB qui font usage de concepts ou de technologies de construction, qui ne sont pas pris en considération par les méthodes fixées par le Gouvernement en vertu du paragraphe premier, peuvent appliquer une méthode de calcul alternative. Le Gouvernement détermine les principes qui régissent les méthodes de calcul alternatives et les catégories d'unités PEB pouvant en bénéficier.
§ 3. Le Gouvernement établit l'ensemble des lignes directrices et des critères nécessaires au calcul de la performance énergétique [1 , des émissions opérationnelles de gaz à effet de serre et du PRP]1 des unités PEB et du respect des exigences PEB.
Wijzigingen
Afdeling 3. - EPB-eisen [1 ...]1
Section 3. - Exigences PEB [1 ...]1
Art. 2.2.3. § 1. De Regering bepaalt de EPB-eisen waaraan de nieuwe EPB-eenheden [2 , de met nieuw gelijkgestelde EPB-eenheden,]2 alsook de zwaar en eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden moeten voldoen. Deze vereisten [2 ...]2 het kostenoptimaal niveau, dat wordt vastgesteld op basis van de geraamde economische levensduur van de EPB-eenheid of één van de elementen ervan.
§ 2. Bij het bepalen van de EPB-eisen, mag de Regering een onderscheid maken tussen verschillende categorieën van EPB-eenheden, rekening houdend met de bestemming, de uitgevoerde werken en de omvang.
De EPB-eisen mogen voor de volledige gerenoveerde EPB-eenheid worden vastgelegd of enkel voor de gerenoveerde systemen of onderdelen.
De EPB-eisen worden ten laatste om de vijf jaar herzien en, in voorkomend geval, aangepast aan de technische vooruitgang.
De EPB-eisen op het vlak van energieprestatie worden uitgedrukt in kWh/m2 per jaar.
De EPB-eisen beoogd in § 1 mogen ook slaan op de inrichtingen die het beheer van de energiebehoefte van de EPB-eenheid verbeteren.
§ 3. [2 § 3. Bij het bepalen van de EPB-eisen, mag de Regering een onderscheid maken tussen verschillende categorieën van EPB-eenheden, rekening houdend met de bestemming, de uitgevoerde werken en de omvang.
De EPB-eisen mogen worden vastgelegd op een algemeen niveau voor de gehele EPB-eenheid of specifiek voor de elementen van de EPB-eenheid.
De EPB-eisen worden ten laatste om de vijf jaar herzien en, in voorkomend geval, aangepast aan de technische vooruitgang.]2
[2 § 4. Vanaf 31 december 2020, beantwoorden de nieuwe EPB-eenheden aan de EPB-eisen "zero energieverbruik".
Vanaf 31 december 2029, beantwoorden de nieuwe EPB-eenheden aan de EPB-eisen zero emissie.]2
[2 § 5. Indien de Regering een geval van overmacht vaststelt dat de naleving van de EPB-eisen, bedoeld in de vorige paragrafen of bepaald door de Regering krachtens deze bepalingen, onmogelijk maakt, rekening houdend met het onvoorzienbare en onvermijdelijke karakter van de belemmering, stelt zij het Parlement hiervan op de hoogte en kan de uitvoering van deze verplichtingen door het Parlement na evaluatie worden opgeschort voor de duur van de onmogelijkheid.]2
§ 2. Bij het bepalen van de EPB-eisen, mag de Regering een onderscheid maken tussen verschillende categorieën van EPB-eenheden, rekening houdend met de bestemming, de uitgevoerde werken en de omvang.
De EPB-eisen mogen voor de volledige gerenoveerde EPB-eenheid worden vastgelegd of enkel voor de gerenoveerde systemen of onderdelen.
De EPB-eisen worden ten laatste om de vijf jaar herzien en, in voorkomend geval, aangepast aan de technische vooruitgang.
De EPB-eisen op het vlak van energieprestatie worden uitgedrukt in kWh/m2 per jaar.
De EPB-eisen beoogd in § 1 mogen ook slaan op de inrichtingen die het beheer van de energiebehoefte van de EPB-eenheid verbeteren.
§ 3. [2 § 3. Bij het bepalen van de EPB-eisen, mag de Regering een onderscheid maken tussen verschillende categorieën van EPB-eenheden, rekening houdend met de bestemming, de uitgevoerde werken en de omvang.
De EPB-eisen mogen worden vastgelegd op een algemeen niveau voor de gehele EPB-eenheid of specifiek voor de elementen van de EPB-eenheid.
De EPB-eisen worden ten laatste om de vijf jaar herzien en, in voorkomend geval, aangepast aan de technische vooruitgang.]2
[2 § 4. Vanaf 31 december 2020, beantwoorden de nieuwe EPB-eenheden aan de EPB-eisen "zero energieverbruik".
Vanaf 31 december 2029, beantwoorden de nieuwe EPB-eenheden aan de EPB-eisen zero emissie.]2
[2 § 5. Indien de Regering een geval van overmacht vaststelt dat de naleving van de EPB-eisen, bedoeld in de vorige paragrafen of bepaald door de Regering krachtens deze bepalingen, onmogelijk maakt, rekening houdend met het onvoorzienbare en onvermijdelijke karakter van de belemmering, stelt zij het Parlement hiervan op de hoogte en kan de uitvoering van deze verplichtingen door het Parlement na evaluatie worden opgeschort voor de duur van de onmogelijkheid.]2
Art. 2.2.3. § 1er. Le Gouvernement détermine les exigences PEB auxquelles doivent répondre les unités PEB neuves, [2 les unités PEB assimilées à du neuf,]2 les unités PEB rénovées lourdement et les unités PEB rénovées simplement. Ces exigences [2 sont au minimum aussi strictes que le niveau de coût optimum]2, lequel est fixé en prenant en considération la durée de vie économique estimée de l'unité PEB ou de l'un de ses éléments.
§ 2. Lorsqu'il fixe des exigences PEB, le Gouvernement peut faire une distinction entre différentes catégories d'unités PEB en tenant compte de l'affectation, des travaux réalisés et de la taille.
Les exigences PEB peuvent être fixées soit pour l'ensemble de l'unité PEB rénovée, soit pour les seuls systèmes ou composants rénovés.
Les exigences PEB sont revues au plus tard tous les cinq ans et le cas échéant adaptées aux progrès techniques.
Les exigences PEB en matière de performance énergétique sont exprimées en kWh/m2 par an.
Les exigences PEB visées au § 1er peuvent également porter sur les dispositifs qui améliorent la gestion de la demande d'énergie de l'unité PEB.
§ 3. [2 Lorsqu'il fixe des exigences PEB, le Gouvernement peut faire une distinction entre différentes catégories d'unités PEB en tenant compte de l'affectation, des travaux réalisés et de la taille.
Les exigences PEB peuvent être fixées soit avec un niveau global pour l'ensemble de l'unité PEB soit spécifiquement sur les éléments de l'unité PEB.
Les exigences PEB sont revues au plus tard tous les cinq ans et le cas échéant adaptées aux progrès techniques.]2.
[2 § 4. A partir du 31 décembre 2020, les unités PEB neuves répondent aux exigences PEB consommation " zéro énergie ".
A partir du 31 décembre 2029, les unités PEB neuves répondent aux exigences PEB zéro émission.]2
[2 § 5. Si le Gouvernement constate un cas de force majeure qui rend impossible le respect des exigences PEB visées dans les paragraphes précédents ou déterminées par le Gouvernement en vertu de ces dispositions, en tenant compte du caractère imprévisible et inévitable de l'obstacle au respect, il en informe le Parlement et l'exécution de ces obligations peut être suspendue par le Parlement après évaluation pendant la durée de l'impossibilité.]2
§ 2. Lorsqu'il fixe des exigences PEB, le Gouvernement peut faire une distinction entre différentes catégories d'unités PEB en tenant compte de l'affectation, des travaux réalisés et de la taille.
Les exigences PEB peuvent être fixées soit pour l'ensemble de l'unité PEB rénovée, soit pour les seuls systèmes ou composants rénovés.
Les exigences PEB sont revues au plus tard tous les cinq ans et le cas échéant adaptées aux progrès techniques.
Les exigences PEB en matière de performance énergétique sont exprimées en kWh/m2 par an.
Les exigences PEB visées au § 1er peuvent également porter sur les dispositifs qui améliorent la gestion de la demande d'énergie de l'unité PEB.
§ 3. [2 Lorsqu'il fixe des exigences PEB, le Gouvernement peut faire une distinction entre différentes catégories d'unités PEB en tenant compte de l'affectation, des travaux réalisés et de la taille.
Les exigences PEB peuvent être fixées soit avec un niveau global pour l'ensemble de l'unité PEB soit spécifiquement sur les éléments de l'unité PEB.
Les exigences PEB sont revues au plus tard tous les cinq ans et le cas échéant adaptées aux progrès techniques.]2.
[2 § 4. A partir du 31 décembre 2020, les unités PEB neuves répondent aux exigences PEB consommation " zéro énergie ".
A partir du 31 décembre 2029, les unités PEB neuves répondent aux exigences PEB zéro émission.]2
[2 § 5. Si le Gouvernement constate un cas de force majeure qui rend impossible le respect des exigences PEB visées dans les paragraphes précédents ou déterminées par le Gouvernement en vertu de ces dispositions, en tenant compte du caractère imprévisible et inévitable de l'obstacle au respect, il en informe le Parlement et l'exécution de ces obligations peut être suspendue par le Parlement après évaluation pendant la durée de l'impossibilité.]2
Art. 2.2.3. § 1. De Regering bepaalt de EPB-eisen waaraan de nieuwe EPB-eenheden [2 , de met nieuw gelijkgestelde EPB-eenheden,]2 alsook de zwaar en eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden moeten voldoen. Deze vereisten [2 ...]2 het kostenoptimaal niveau, dat wordt vastgesteld op basis van de geraamde economische levensduur van de EPB-eenheid of één van de elementen ervan.
§ 2. Bij het bepalen van de EPB-eisen, mag de Regering een onderscheid maken tussen verschillende categorieën van EPB-eenheden, rekening houdend met de bestemming, de uitgevoerde werken en de omvang.
De EPB-eisen mogen voor de volledige gerenoveerde EPB-eenheid worden vastgelegd of enkel voor de gerenoveerde systemen of onderdelen.
De EPB-eisen worden ten laatste om de vijf jaar herzien en, in voorkomend geval, aangepast aan de technische vooruitgang.
De EPB-eisen op het vlak van energieprestatie worden uitgedrukt in kWh/m2 per jaar.
De EPB-eisen beoogd in § 1 mogen ook slaan op de inrichtingen die het beheer van de energiebehoefte van de EPB-eenheid verbeteren.
§ 3. [2 § 3. Bij het bepalen van de EPB-eisen, mag de Regering een onderscheid maken tussen verschillende categorieën van EPB-eenheden, rekening houdend met de bestemming, de uitgevoerde werken en de omvang.
De EPB-eisen mogen worden vastgelegd op een algemeen niveau voor de gehele EPB-eenheid of specifiek voor de elementen van de EPB-eenheid.
De EPB-eisen worden ten laatste om de vijf jaar herzien en, in voorkomend geval, aangepast aan de technische vooruitgang.]2
[2 § 4. Vanaf 31 december 2020, beantwoorden de nieuwe EPB-eenheden aan de EPB-eisen "zero energieverbruik".
Vanaf 31 december 2029, beantwoorden de nieuwe EPB-eenheden aan de EPB-eisen zero emissie.]2
[2 § 5. Indien de Regering een geval van overmacht vaststelt dat de naleving van de EPB-eisen, bedoeld in de vorige paragrafen of bepaald door de Regering krachtens deze bepalingen, onmogelijk maakt, rekening houdend met het onvoorzienbare en onvermijdelijke karakter van de belemmering, stelt zij het Parlement hiervan op de hoogte en kan de uitvoering van deze verplichtingen door het Parlement na evaluatie worden opgeschort voor de duur van de onmogelijkheid.]2
§ 2. Bij het bepalen van de EPB-eisen, mag de Regering een onderscheid maken tussen verschillende categorieën van EPB-eenheden, rekening houdend met de bestemming, de uitgevoerde werken en de omvang.
De EPB-eisen mogen voor de volledige gerenoveerde EPB-eenheid worden vastgelegd of enkel voor de gerenoveerde systemen of onderdelen.
De EPB-eisen worden ten laatste om de vijf jaar herzien en, in voorkomend geval, aangepast aan de technische vooruitgang.
De EPB-eisen op het vlak van energieprestatie worden uitgedrukt in kWh/m2 per jaar.
De EPB-eisen beoogd in § 1 mogen ook slaan op de inrichtingen die het beheer van de energiebehoefte van de EPB-eenheid verbeteren.
§ 3. [2 § 3. Bij het bepalen van de EPB-eisen, mag de Regering een onderscheid maken tussen verschillende categorieën van EPB-eenheden, rekening houdend met de bestemming, de uitgevoerde werken en de omvang.
De EPB-eisen mogen worden vastgelegd op een algemeen niveau voor de gehele EPB-eenheid of specifiek voor de elementen van de EPB-eenheid.
De EPB-eisen worden ten laatste om de vijf jaar herzien en, in voorkomend geval, aangepast aan de technische vooruitgang.]2
[2 § 4. Vanaf 31 december 2020, beantwoorden de nieuwe EPB-eenheden aan de EPB-eisen "zero energieverbruik".
Vanaf 31 december 2029, beantwoorden de nieuwe EPB-eenheden aan de EPB-eisen zero emissie.]2
[2 § 5. Indien de Regering een geval van overmacht vaststelt dat de naleving van de EPB-eisen, bedoeld in de vorige paragrafen of bepaald door de Regering krachtens deze bepalingen, onmogelijk maakt, rekening houdend met het onvoorzienbare en onvermijdelijke karakter van de belemmering, stelt zij het Parlement hiervan op de hoogte en kan de uitvoering van deze verplichtingen door het Parlement na evaluatie worden opgeschort voor de duur van de onmogelijkheid.]2
Art. 2.2.3. § 1er. Le Gouvernement détermine les exigences PEB auxquelles doivent répondre les unités PEB neuves, [2 les unités PEB assimilées à du neuf,]2 les unités PEB rénovées lourdement et les unités PEB rénovées simplement. Ces exigences [2 sont au minimum aussi strictes que le niveau de coût optimum]2, lequel est fixé en prenant en considération la durée de vie économique estimée de l'unité PEB ou de l'un de ses éléments.
§ 2. Lorsqu'il fixe des exigences PEB, le Gouvernement peut faire une distinction entre différentes catégories d'unités PEB en tenant compte de l'affectation, des travaux réalisés et de la taille.
Les exigences PEB peuvent être fixées soit pour l'ensemble de l'unité PEB rénovée, soit pour les seuls systèmes ou composants rénovés.
Les exigences PEB sont revues au plus tard tous les cinq ans et le cas échéant adaptées aux progrès techniques.
Les exigences PEB en matière de performance énergétique sont exprimées en kWh/m2 par an.
Les exigences PEB visées au § 1er peuvent également porter sur les dispositifs qui améliorent la gestion de la demande d'énergie de l'unité PEB.
§ 3. [2 Lorsqu'il fixe des exigences PEB, le Gouvernement peut faire une distinction entre différentes catégories d'unités PEB en tenant compte de l'affectation, des travaux réalisés et de la taille.
Les exigences PEB peuvent être fixées soit avec un niveau global pour l'ensemble de l'unité PEB soit spécifiquement sur les éléments de l'unité PEB.
Les exigences PEB sont revues au plus tard tous les cinq ans et le cas échéant adaptées aux progrès techniques.]2.
[2 § 4. A partir du 31 décembre 2020, les unités PEB neuves répondent aux exigences PEB consommation " zéro énergie ".
A partir du 31 décembre 2029, les unités PEB neuves répondent aux exigences PEB zéro émission.]2
[2 § 5. Si le Gouvernement constate un cas de force majeure qui rend impossible le respect des exigences PEB visées dans les paragraphes précédents ou déterminées par le Gouvernement en vertu de ces dispositions, en tenant compte du caractère imprévisible et inévitable de l'obstacle au respect, il en informe le Parlement et l'exécution de ces obligations peut être suspendue par le Parlement après évaluation pendant la durée de l'impossibilité.]2
§ 2. Lorsqu'il fixe des exigences PEB, le Gouvernement peut faire une distinction entre différentes catégories d'unités PEB en tenant compte de l'affectation, des travaux réalisés et de la taille.
Les exigences PEB peuvent être fixées soit pour l'ensemble de l'unité PEB rénovée, soit pour les seuls systèmes ou composants rénovés.
Les exigences PEB sont revues au plus tard tous les cinq ans et le cas échéant adaptées aux progrès techniques.
Les exigences PEB en matière de performance énergétique sont exprimées en kWh/m2 par an.
Les exigences PEB visées au § 1er peuvent également porter sur les dispositifs qui améliorent la gestion de la demande d'énergie de l'unité PEB.
§ 3. [2 Lorsqu'il fixe des exigences PEB, le Gouvernement peut faire une distinction entre différentes catégories d'unités PEB en tenant compte de l'affectation, des travaux réalisés et de la taille.
Les exigences PEB peuvent être fixées soit avec un niveau global pour l'ensemble de l'unité PEB soit spécifiquement sur les éléments de l'unité PEB.
Les exigences PEB sont revues au plus tard tous les cinq ans et le cas échéant adaptées aux progrès techniques.]2.
[2 § 4. A partir du 31 décembre 2020, les unités PEB neuves répondent aux exigences PEB consommation " zéro énergie ".
A partir du 31 décembre 2029, les unités PEB neuves répondent aux exigences PEB zéro émission.]2
[2 § 5. Si le Gouvernement constate un cas de force majeure qui rend impossible le respect des exigences PEB visées dans les paragraphes précédents ou déterminées par le Gouvernement en vertu de ces dispositions, en tenant compte du caractère imprévisible et inévitable de l'obstacle au respect, il en informe le Parlement et l'exécution de ces obligations peut être suspendue par le Parlement après évaluation pendant la durée de l'impossibilité.]2
Art. 2_2.3.TOEKOMSTIG_RECHT. § 1. De Regering bepaalt de EPB-eisen waaraan de nieuwe EPB-eenheden [2 , de met nieuw gelijkgestelde EPB-eenheden,]2 alsook de zwaar en eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden moeten voldoen. Deze vereisten [2 ...]2 het kostenoptimaal niveau, dat wordt vastgesteld op basis van de geraamde economische levensduur van de EPB-eenheid of één van de elementen ervan.
§ 2. [3 De Regering legt de EPB-eisen vast waaraan de EPB-eenheden binnen tien en twintig jaar na de inwerkingtreding van deze bepaling moeten voldoen. De EPB-eenheden in de gebouwencategorie onder bijlage 2.1, 5, a), van dit Wetboek voldoen minstens aan een primair energieverbruik dat lager ligt of gelijk is aan 275 kWh/m2 per jaar binnen tien jaar en of ten laatste in 2033 en aan 150 kWh/m2 per jaar binnen twintig jaar na de inwerkingtreding van deze bepaling.]3.
§ 3. [2 § 3. Bij het bepalen van de EPB-eisen, mag de Regering een onderscheid maken tussen verschillende categorieën van EPB-eenheden, rekening houdend met de bestemming, de uitgevoerde werken en de omvang.
De EPB-eisen mogen worden vastgelegd op een algemeen niveau voor de gehele EPB-eenheid of specifiek voor de elementen van de EPB-eenheid.
De EPB-eisen worden ten laatste om de vijf jaar herzien en, in voorkomend geval, aangepast aan de technische vooruitgang.]2
[2 § 4. Vanaf 31 december 2020, beantwoorden de nieuwe EPB-eenheden aan de EPB-eisen "zero energieverbruik".
Vanaf 31 december 2029, beantwoorden de nieuwe EPB-eenheden aan de EPB-eisen zero emissie.]2
[2 § 5. Indien de Regering een geval van overmacht vaststelt dat de naleving van de EPB-eisen, bedoeld in de vorige paragrafen of bepaald door de Regering krachtens deze bepalingen, onmogelijk maakt, rekening houdend met het onvoorzienbare en onvermijdelijke karakter van de belemmering, stelt zij het Parlement hiervan op de hoogte en kan de uitvoering van deze verplichtingen door het Parlement na evaluatie worden opgeschort voor de duur van de onmogelijkheid.]2
§ 2. [3 De Regering legt de EPB-eisen vast waaraan de EPB-eenheden binnen tien en twintig jaar na de inwerkingtreding van deze bepaling moeten voldoen. De EPB-eenheden in de gebouwencategorie onder bijlage 2.1, 5, a), van dit Wetboek voldoen minstens aan een primair energieverbruik dat lager ligt of gelijk is aan 275 kWh/m2 per jaar binnen tien jaar en of ten laatste in 2033 en aan 150 kWh/m2 per jaar binnen twintig jaar na de inwerkingtreding van deze bepaling.]3.
§ 3. [2 § 3. Bij het bepalen van de EPB-eisen, mag de Regering een onderscheid maken tussen verschillende categorieën van EPB-eenheden, rekening houdend met de bestemming, de uitgevoerde werken en de omvang.
De EPB-eisen mogen worden vastgelegd op een algemeen niveau voor de gehele EPB-eenheid of specifiek voor de elementen van de EPB-eenheid.
De EPB-eisen worden ten laatste om de vijf jaar herzien en, in voorkomend geval, aangepast aan de technische vooruitgang.]2
[2 § 4. Vanaf 31 december 2020, beantwoorden de nieuwe EPB-eenheden aan de EPB-eisen "zero energieverbruik".
Vanaf 31 december 2029, beantwoorden de nieuwe EPB-eenheden aan de EPB-eisen zero emissie.]2
[2 § 5. Indien de Regering een geval van overmacht vaststelt dat de naleving van de EPB-eisen, bedoeld in de vorige paragrafen of bepaald door de Regering krachtens deze bepalingen, onmogelijk maakt, rekening houdend met het onvoorzienbare en onvermijdelijke karakter van de belemmering, stelt zij het Parlement hiervan op de hoogte en kan de uitvoering van deze verplichtingen door het Parlement na evaluatie worden opgeschort voor de duur van de onmogelijkheid.]2
Art. 2_2.3.DROIT_FUTUR. § 1er. Le Gouvernement détermine les exigences PEB auxquelles doivent répondre les unités PEB neuves, [2 les unités PEB assimilées à du neuf,]2 les unités PEB rénovées lourdement et les unités PEB rénovées simplement. Ces exigences [2 sont au minimum aussi strictes que le niveau de coût optimum]2, lequel est fixé en prenant en considération la durée de vie économique estimée de l'unité PEB ou de l'un de ses éléments.
§ 2. [3 Le Gouvernement détermine les exigences PEB à atteindre par les unités PEB dans les dix et vingt ans de l'entrée en vigueur de la présente disposition. Les unités PEB rentrant dans la catégorie de bâtiment visée à l'annexe 2.1, 5, a), du présent Code répondent au minimum à une consommation d'énergie primaire inférieure ou égale à 275 kWh/m2 par an dans les dix ans ou au plus tard en 2033 et à 150 kWh/m2 par an dans les vingt ans de l'entrée en vigueur de la présente disposition.]3
§ 3. [2 Lorsqu'il fixe des exigences PEB, le Gouvernement peut faire une distinction entre différentes catégories d'unités PEB en tenant compte de l'affectation, des travaux réalisés et de la taille.
Les exigences PEB peuvent être fixées soit avec un niveau global pour l'ensemble de l'unité PEB soit spécifiquement sur les éléments de l'unité PEB.
Les exigences PEB sont revues au plus tard tous les cinq ans et le cas échéant adaptées aux progrès techniques.]2.
[2 § 4. A partir du 31 décembre 2020, les unités PEB neuves répondent aux exigences PEB consommation " zéro énergie ".
A partir du 31 décembre 2029, les unités PEB neuves répondent aux exigences PEB zéro émission.]2
[2 § 5. Si le Gouvernement constate un cas de force majeure qui rend impossible le respect des exigences PEB visées dans les paragraphes précédents ou déterminées par le Gouvernement en vertu de ces dispositions, en tenant compte du caractère imprévisible et inévitable de l'obstacle au respect, il en informe le Parlement et l'exécution de ces obligations peut être suspendue par le Parlement après évaluation pendant la durée de l'impossibilité.]2
§ 2. [3 Le Gouvernement détermine les exigences PEB à atteindre par les unités PEB dans les dix et vingt ans de l'entrée en vigueur de la présente disposition. Les unités PEB rentrant dans la catégorie de bâtiment visée à l'annexe 2.1, 5, a), du présent Code répondent au minimum à une consommation d'énergie primaire inférieure ou égale à 275 kWh/m2 par an dans les dix ans ou au plus tard en 2033 et à 150 kWh/m2 par an dans les vingt ans de l'entrée en vigueur de la présente disposition.]3
§ 3. [2 Lorsqu'il fixe des exigences PEB, le Gouvernement peut faire une distinction entre différentes catégories d'unités PEB en tenant compte de l'affectation, des travaux réalisés et de la taille.
Les exigences PEB peuvent être fixées soit avec un niveau global pour l'ensemble de l'unité PEB soit spécifiquement sur les éléments de l'unité PEB.
Les exigences PEB sont revues au plus tard tous les cinq ans et le cas échéant adaptées aux progrès techniques.]2.
[2 § 4. A partir du 31 décembre 2020, les unités PEB neuves répondent aux exigences PEB consommation " zéro énergie ".
A partir du 31 décembre 2029, les unités PEB neuves répondent aux exigences PEB zéro émission.]2
[2 § 5. Si le Gouvernement constate un cas de force majeure qui rend impossible le respect des exigences PEB visées dans les paragraphes précédents ou déterminées par le Gouvernement en vertu de ces dispositions, en tenant compte du caractère imprévisible et inévitable de l'obstacle au respect, il en informe le Parlement et l'exécution de ces obligations peut être suspendue par le Parlement après évaluation pendant la durée de l'impossibilité.]2
Art. 2_2.4.TOEKOMSTIG_RECHT. § 1. De [2 ...]2 EPB-eenheden kunnen vooraf een volledige of gedeeltelijke afwijking van de EPB-eisen bekomen wanneer de gedeeltelijke of volledige naleving van die eisen technisch, functioneel of economisch niet haalbaar is.
§ 2. De verzoeken tot afwijking [2 aan de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.3, § 1,]2 worden ingediend bij de overheid waaraan de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden bedoeld in artikel 2.2.8 wordt bezorgd en dit vóór het indienen van de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden.
[3 De verzoeken tot afwijking aan de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.3, § 2, en in artikel 2.4.2, § 1, derde lid, worden ingediend bij Leefmilieu Brussel en dit één jaar vóór de termijn om aan deze eisen te voldoen.]3
De Regering bepaalt de procedure voor het onderzoek van de aanvragen tot het bekomen van een afwijking en bepaalt de criteria en drempels voor het toekennen van die afwijking.
De afwijkingen worden toegekend door [1 Leefmilieu Brussel]1 of de vergunningverlenende overheid. Ze kunnen het voorwerp uitmaken van hoger beroep bij het Milieucollege behalve als de uitreikende overheid de Regering is. De modaliteiten van het hoger beroep worden vastgelegd door de Regering.
§ 3. De toekenning van een afwijking van een EPB-eis ontheft de aanvrager niet van de andere verplichtingen die onderhavig Wetboek oplegt.
§ 4. Voor de goederen die krachtens het BWRO beschermd zijn of ingeschreven staan op de bewaarlijst en die het voorwerp uitmaken van renovatie, mag de uitreikende overheid gedeeltelijk of volledig afwijken van de eisen voorzien in artikel 2.2.3 binnen het kader van de toekenning van de vergunning, in het geval dat het volledig naleven van die eisen het behoud van het beschermde erfgoed op het spel zet. De toekenning van de afwijking wordt via elektronische weg meegedeeld aan [1 Leefmilieu Brussel]1.
§ 2. De verzoeken tot afwijking [2 aan de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.3, § 1,]2 worden ingediend bij de overheid waaraan de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden bedoeld in artikel 2.2.8 wordt bezorgd en dit vóór het indienen van de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden.
[3 De verzoeken tot afwijking aan de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.3, § 2, en in artikel 2.4.2, § 1, derde lid, worden ingediend bij Leefmilieu Brussel en dit één jaar vóór de termijn om aan deze eisen te voldoen.]3
De Regering bepaalt de procedure voor het onderzoek van de aanvragen tot het bekomen van een afwijking en bepaalt de criteria en drempels voor het toekennen van die afwijking.
De afwijkingen worden toegekend door [1 Leefmilieu Brussel]1 of de vergunningverlenende overheid. Ze kunnen het voorwerp uitmaken van hoger beroep bij het Milieucollege behalve als de uitreikende overheid de Regering is. De modaliteiten van het hoger beroep worden vastgelegd door de Regering.
§ 3. De toekenning van een afwijking van een EPB-eis ontheft de aanvrager niet van de andere verplichtingen die onderhavig Wetboek oplegt.
§ 4. Voor de goederen die krachtens het BWRO beschermd zijn of ingeschreven staan op de bewaarlijst en die het voorwerp uitmaken van renovatie, mag de uitreikende overheid gedeeltelijk of volledig afwijken van de eisen voorzien in artikel 2.2.3 binnen het kader van de toekenning van de vergunning, in het geval dat het volledig naleven van die eisen het behoud van het beschermde erfgoed op het spel zet. De toekenning van de afwijking wordt via elektronische weg meegedeeld aan [1 Leefmilieu Brussel]1.
Art. 2_2.4.DROIT_FUTUR. § 1er. Les unités PEB [2 ...]2 peuvent faire l'objet d'une dérogation préalable totale ou partielle aux exigences PEB lorsque le respect partiel ou total de ces exigences est techniquement, fonctionnellement ou économiquement irréalisable.
§ 2. Les requêtes de dérogation [2 aux exigences PEB visées à l'article 2.2.3, § 1er,]2 sont introduites auprès de l'autorité à qui est adressée la notification du début des travaux visée à l'article 2.2.8, préalablement à l'introduction de la notification du début des travaux.
[3 Les requêtes de dérogation aux exigences PEB visées à l'article 2.2.3, § 2, et à l'article 2.4.2, § 1er, alinéa 3, sont introduites auprès de Bruxelles Environnement, un an avant l'échéance pour atteindre lesdites exigences.]3
Le Gouvernement fixe la procédure d'instruction des requêtes de dérogation et détermine les critères et les seuils d'octroi de ces dérogations.
Les dérogations sont accordées par [1 Bruxelles Environnement]1 ou l'autorité délivrante du permis. Elles peuvent faire l'objet d'un recours auprès du Collège d'environnement sauf si l'autorité délivrante est le Gouvernement. Les modalités de ce recours sont déterminées par le Gouvernement.
§ 3. L'octroi d'une dérogation à une exigence PEB ne dispense pas des autres obligations imposées par le présent Code.
§ 4. Pour les biens classés ou inscrits sur la liste de sauvegarde en vertu du CoBAT qui font l'objet d'une rénovation, l'autorité délivrante peut déroger de fac,on totale ou partielle aux exigences prévues à l'article 2.2.3 dans le cadre de l'octroi du permis, lorsque le respect total de ces exigences porte atteinte à la conservation de ce patrimoine. L'octroi de la dérogation est communiqué par voie électronique à [1 Bruxelles Environnement]1.
§ 2. Les requêtes de dérogation [2 aux exigences PEB visées à l'article 2.2.3, § 1er,]2 sont introduites auprès de l'autorité à qui est adressée la notification du début des travaux visée à l'article 2.2.8, préalablement à l'introduction de la notification du début des travaux.
[3 Les requêtes de dérogation aux exigences PEB visées à l'article 2.2.3, § 2, et à l'article 2.4.2, § 1er, alinéa 3, sont introduites auprès de Bruxelles Environnement, un an avant l'échéance pour atteindre lesdites exigences.]3
Le Gouvernement fixe la procédure d'instruction des requêtes de dérogation et détermine les critères et les seuils d'octroi de ces dérogations.
Les dérogations sont accordées par [1 Bruxelles Environnement]1 ou l'autorité délivrante du permis. Elles peuvent faire l'objet d'un recours auprès du Collège d'environnement sauf si l'autorité délivrante est le Gouvernement. Les modalités de ce recours sont déterminées par le Gouvernement.
§ 3. L'octroi d'une dérogation à une exigence PEB ne dispense pas des autres obligations imposées par le présent Code.
§ 4. Pour les biens classés ou inscrits sur la liste de sauvegarde en vertu du CoBAT qui font l'objet d'une rénovation, l'autorité délivrante peut déroger de fac,on totale ou partielle aux exigences prévues à l'article 2.2.3 dans le cadre de l'octroi du permis, lorsque le respect total de ces exigences porte atteinte à la conservation de ce patrimoine. L'octroi de la dérogation est communiqué par voie électronique à [1 Bruxelles Environnement]1.
Art. 2_2.4.TOEKOMSTIG_RECHT. § 1. De [2 ...]2 EPB-eenheden kunnen vooraf een volledige of gedeeltelijke afwijking van de EPB-eisen bekomen wanneer de gedeeltelijke of volledige naleving van die eisen technisch, functioneel of economisch niet haalbaar is.
§ 2. De verzoeken tot afwijking [2 aan de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.3, § 1,]2 worden ingediend bij de overheid waaraan de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden bedoeld in artikel 2.2.8 wordt bezorgd en dit vóór het indienen van de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden.
[3 De verzoeken tot afwijking aan de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.3, § 2, en in artikel 2.4.2, § 1, derde lid, worden ingediend bij Leefmilieu Brussel en dit één jaar vóór de termijn om aan deze eisen te voldoen.]3
De Regering bepaalt de procedure voor het onderzoek van de aanvragen tot het bekomen van een afwijking en bepaalt de criteria en drempels voor het toekennen van die afwijking.
De afwijkingen worden toegekend door [1 Leefmilieu Brussel]1 of de vergunningverlenende overheid. Ze kunnen het voorwerp uitmaken van hoger beroep bij het Milieucollege behalve als de uitreikende overheid de Regering is. De modaliteiten van het hoger beroep worden vastgelegd door de Regering.
§ 3. De toekenning van een afwijking van een EPB-eis ontheft de aanvrager niet van de andere verplichtingen die onderhavig Wetboek oplegt.
§ 4. Voor de goederen die krachtens het BWRO beschermd zijn of ingeschreven staan op de bewaarlijst en die het voorwerp uitmaken van renovatie, mag de uitreikende overheid gedeeltelijk of volledig afwijken van de eisen voorzien in artikel 2.2.3 binnen het kader van de toekenning van de vergunning, in het geval dat het volledig naleven van die eisen het behoud van het beschermde erfgoed op het spel zet. De toekenning van de afwijking wordt via elektronische weg meegedeeld aan [1 Leefmilieu Brussel]1.
§ 2. De verzoeken tot afwijking [2 aan de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.3, § 1,]2 worden ingediend bij de overheid waaraan de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden bedoeld in artikel 2.2.8 wordt bezorgd en dit vóór het indienen van de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden.
[3 De verzoeken tot afwijking aan de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.3, § 2, en in artikel 2.4.2, § 1, derde lid, worden ingediend bij Leefmilieu Brussel en dit één jaar vóór de termijn om aan deze eisen te voldoen.]3
De Regering bepaalt de procedure voor het onderzoek van de aanvragen tot het bekomen van een afwijking en bepaalt de criteria en drempels voor het toekennen van die afwijking.
De afwijkingen worden toegekend door [1 Leefmilieu Brussel]1 of de vergunningverlenende overheid. Ze kunnen het voorwerp uitmaken van hoger beroep bij het Milieucollege behalve als de uitreikende overheid de Regering is. De modaliteiten van het hoger beroep worden vastgelegd door de Regering.
§ 3. De toekenning van een afwijking van een EPB-eis ontheft de aanvrager niet van de andere verplichtingen die onderhavig Wetboek oplegt.
§ 4. Voor de goederen die krachtens het BWRO beschermd zijn of ingeschreven staan op de bewaarlijst en die het voorwerp uitmaken van renovatie, mag de uitreikende overheid gedeeltelijk of volledig afwijken van de eisen voorzien in artikel 2.2.3 binnen het kader van de toekenning van de vergunning, in het geval dat het volledig naleven van die eisen het behoud van het beschermde erfgoed op het spel zet. De toekenning van de afwijking wordt via elektronische weg meegedeeld aan [1 Leefmilieu Brussel]1.
Art. 2_2.4.DROIT_FUTUR. § 1er. Les unités PEB [2 ...]2 peuvent faire l'objet d'une dérogation préalable totale ou partielle aux exigences PEB lorsque le respect partiel ou total de ces exigences est techniquement, fonctionnellement ou économiquement irréalisable.
§ 2. Les requêtes de dérogation [2 aux exigences PEB visées à l'article 2.2.3, § 1er,]2 sont introduites auprès de l'autorité à qui est adressée la notification du début des travaux visée à l'article 2.2.8, préalablement à l'introduction de la notification du début des travaux.
[3 Les requêtes de dérogation aux exigences PEB visées à l'article 2.2.3, § 2, et à l'article 2.4.2, § 1er, alinéa 3, sont introduites auprès de Bruxelles Environnement, un an avant l'échéance pour atteindre lesdites exigences.]3
Le Gouvernement fixe la procédure d'instruction des requêtes de dérogation et détermine les critères et les seuils d'octroi de ces dérogations.
Les dérogations sont accordées par [1 Bruxelles Environnement]1 ou l'autorité délivrante du permis. Elles peuvent faire l'objet d'un recours auprès du Collège d'environnement sauf si l'autorité délivrante est le Gouvernement. Les modalités de ce recours sont déterminées par le Gouvernement.
§ 3. L'octroi d'une dérogation à une exigence PEB ne dispense pas des autres obligations imposées par le présent Code.
§ 4. Pour les biens classés ou inscrits sur la liste de sauvegarde en vertu du CoBAT qui font l'objet d'une rénovation, l'autorité délivrante peut déroger de fac,on totale ou partielle aux exigences prévues à l'article 2.2.3 dans le cadre de l'octroi du permis, lorsque le respect total de ces exigences porte atteinte à la conservation de ce patrimoine. L'octroi de la dérogation est communiqué par voie électronique à [1 Bruxelles Environnement]1.
§ 2. Les requêtes de dérogation [2 aux exigences PEB visées à l'article 2.2.3, § 1er,]2 sont introduites auprès de l'autorité à qui est adressée la notification du début des travaux visée à l'article 2.2.8, préalablement à l'introduction de la notification du début des travaux.
[3 Les requêtes de dérogation aux exigences PEB visées à l'article 2.2.3, § 2, et à l'article 2.4.2, § 1er, alinéa 3, sont introduites auprès de Bruxelles Environnement, un an avant l'échéance pour atteindre lesdites exigences.]3
Le Gouvernement fixe la procédure d'instruction des requêtes de dérogation et détermine les critères et les seuils d'octroi de ces dérogations.
Les dérogations sont accordées par [1 Bruxelles Environnement]1 ou l'autorité délivrante du permis. Elles peuvent faire l'objet d'un recours auprès du Collège d'environnement sauf si l'autorité délivrante est le Gouvernement. Les modalités de ce recours sont déterminées par le Gouvernement.
§ 3. L'octroi d'une dérogation à une exigence PEB ne dispense pas des autres obligations imposées par le présent Code.
§ 4. Pour les biens classés ou inscrits sur la liste de sauvegarde en vertu du CoBAT qui font l'objet d'une rénovation, l'autorité délivrante peut déroger de fac,on totale ou partielle aux exigences prévues à l'article 2.2.3 dans le cadre de l'octroi du permis, lorsque le respect total de ces exigences porte atteinte à la conservation de ce patrimoine. L'octroi de la dérogation est communiqué par voie électronique à [1 Bruxelles Environnement]1.
Onderafdeling 1. [1 - Opstellen van het EPB-certificaat]1
Sous-section 1re. [1 - Etablissement du certificat PEB]1
Art. 2.2.4 /1. [1 § 1. Het EPB-certificaat bevat referentiewaarden op basis waarvan de belanghebbenden de energieprestatie van de EPB-eenheid kunnen bekijken en deze kunnen vergelijken met die van andere EPB-eenheden met dezelfde bestemming. Het EPB-certificaat geeft ook aanbevelingen voor de rendabele verbetering van de energieprestatie en de vermindering van de operationele broeikasgasemissies van de EPB-eenheid, behalve voor de EPB-eenheden die voldoen aan de EPB-eisen voor nieuwe EPB-eenheden. De energieprestatie van een EPB-eenheid wordt uitgedrukt door een indicator voor het energieverbruik in kWh/m2 per jaar. Het EPB-certificaat bevat nog andere indicatoren, zoals ten minste een indicator voor hernieuwbare energie in percentage en een indicator voor de CO2-uitstoot in kgCO2/m2 per jaar.
§ 2. De geldigheidsduur van het EPB-certificaat is maximaal tien jaar.
§ 3. De Regering preciseert de vorm en de inhoud van het EPB-certificaat.
§ 4. De Regering bepaalt de omstandigheden en de voorwaarden waaronder:
1° het einde van de geldigheidsduur van het EPB-certificaat door Leefmilieu Brussel wordt verklaard; en
2° het EPB-certificaat door Leefmilieu Brussel opgesteld kan worden.
§ 5. Leefmilieu Brussel stelt een indicatieve prijslijst voor het EPB-certificaat ter beschikking van het publiek, waarbij een onderscheid mag gemaakt worden volgens de bestemming, de ouderdom en de grootte van de gecertificeerde EPB-eenheid.]1
§ 2. De geldigheidsduur van het EPB-certificaat is maximaal tien jaar.
§ 3. De Regering preciseert de vorm en de inhoud van het EPB-certificaat.
§ 4. De Regering bepaalt de omstandigheden en de voorwaarden waaronder:
1° het einde van de geldigheidsduur van het EPB-certificaat door Leefmilieu Brussel wordt verklaard; en
2° het EPB-certificaat door Leefmilieu Brussel opgesteld kan worden.
§ 5. Leefmilieu Brussel stelt een indicatieve prijslijst voor het EPB-certificaat ter beschikking van het publiek, waarbij een onderscheid mag gemaakt worden volgens de bestemming, de ouderdom en de grootte van de gecertificeerde EPB-eenheid.]1
Art. 2.2.4 /1. [1 § 1er. Le certificat PEB contient des valeurs de référence sur la base desquelles les intéressés peuvent visualiser la performance énergétique de l'unité PEB et la comparer avec celle d'autres unités PEB de même affectation. Le certificat PEB comprend aussi des recommandations concernant l'amélioration rentable de la performance énergétique et la réduction des émissions opérationnelles de gaz à effet de serre de l'unité PEB, excepté pour les unités PEB qui atteignent les exigences PEB applicables aux unités PEB neuves. La performance énergétique d'une unité PEB est exprimée par un indicateur de consommation énergétique en kWh/m2 par an. Le certificat PEB contient d'autres indicateurs, tels qu'au minimum un indicateur d'énergie renouvelable en pourcentage et un indicateur d'émission de CO2 en kgCO2 /m2 par an.
§ 2. La durée de validité du certificat PEB est au maximum de dix ans.
§ 3. Le Gouvernement précise la forme et le contenu du certificat PEB.
§ 4. Le Gouvernement détermine les circonstances et les conditions dans lesquelles:
1° la fin de la validité du certificat PEB est déclarée par Bruxelles Environnement; et
2° le certificat PEB peut être établi par Bruxelles Environnement.
§ 5. Bruxelles Environnement veille à mettre à disposition du public une grille indicative des prix du certificat PEB, en pouvant faire une distinction suivant l'affectation, l'âge et la taille de l'unité PEB certifiée.]1
§ 2. La durée de validité du certificat PEB est au maximum de dix ans.
§ 3. Le Gouvernement précise la forme et le contenu du certificat PEB.
§ 4. Le Gouvernement détermine les circonstances et les conditions dans lesquelles:
1° la fin de la validité du certificat PEB est déclarée par Bruxelles Environnement; et
2° le certificat PEB peut être établi par Bruxelles Environnement.
§ 5. Bruxelles Environnement veille à mettre à disposition du public une grille indicative des prix du certificat PEB, en pouvant faire une distinction suivant l'affectation, l'âge et la taille de l'unité PEB certifiée.]1
Art. 2.2.4 /1. [1 § 1. Het EPB-certificaat bevat referentiewaarden op basis waarvan de belanghebbenden de energieprestatie van de EPB-eenheid kunnen bekijken en deze kunnen vergelijken met die van andere EPB-eenheden met dezelfde bestemming. Het EPB-certificaat geeft ook aanbevelingen voor de rendabele verbetering van de energieprestatie en de vermindering van de operationele broeikasgasemissies van de EPB-eenheid, behalve voor de EPB-eenheden die voldoen aan de EPB-eisen voor nieuwe EPB-eenheden. De energieprestatie van een EPB-eenheid wordt uitgedrukt door een indicator voor het energieverbruik in kWh/m2 per jaar. Het EPB-certificaat bevat nog andere indicatoren, zoals ten minste een indicator voor hernieuwbare energie in percentage en een indicator voor de CO2-uitstoot in kgCO2/m2 per jaar.
§ 2. De geldigheidsduur van het EPB-certificaat is maximaal tien jaar.
§ 3. De Regering preciseert de vorm en de inhoud van het EPB-certificaat.
§ 4. De Regering bepaalt de omstandigheden en de voorwaarden waaronder:
1° het einde van de geldigheidsduur van het EPB-certificaat door Leefmilieu Brussel wordt verklaard; en
2° het EPB-certificaat door Leefmilieu Brussel opgesteld kan worden.
§ 5. Leefmilieu Brussel stelt een indicatieve prijslijst voor het EPB-certificaat ter beschikking van het publiek, waarbij een onderscheid mag gemaakt worden volgens de bestemming, de ouderdom en de grootte van de gecertificeerde EPB-eenheid.]1
§ 2. De geldigheidsduur van het EPB-certificaat is maximaal tien jaar.
§ 3. De Regering preciseert de vorm en de inhoud van het EPB-certificaat.
§ 4. De Regering bepaalt de omstandigheden en de voorwaarden waaronder:
1° het einde van de geldigheidsduur van het EPB-certificaat door Leefmilieu Brussel wordt verklaard; en
2° het EPB-certificaat door Leefmilieu Brussel opgesteld kan worden.
§ 5. Leefmilieu Brussel stelt een indicatieve prijslijst voor het EPB-certificaat ter beschikking van het publiek, waarbij een onderscheid mag gemaakt worden volgens de bestemming, de ouderdom en de grootte van de gecertificeerde EPB-eenheid.]1
Art. 2.2.4 /1. [1 § 1er. Le certificat PEB contient des valeurs de référence sur la base desquelles les intéressés peuvent visualiser la performance énergétique de l'unité PEB et la comparer avec celle d'autres unités PEB de même affectation. Le certificat PEB comprend aussi des recommandations concernant l'amélioration rentable de la performance énergétique et la réduction des émissions opérationnelles de gaz à effet de serre de l'unité PEB, excepté pour les unités PEB qui atteignent les exigences PEB applicables aux unités PEB neuves. La performance énergétique d'une unité PEB est exprimée par un indicateur de consommation énergétique en kWh/m2 par an. Le certificat PEB contient d'autres indicateurs, tels qu'au minimum un indicateur d'énergie renouvelable en pourcentage et un indicateur d'émission de CO2 en kgCO2 /m2 par an.
§ 2. La durée de validité du certificat PEB est au maximum de dix ans.
§ 3. Le Gouvernement précise la forme et le contenu du certificat PEB.
§ 4. Le Gouvernement détermine les circonstances et les conditions dans lesquelles:
1° la fin de la validité du certificat PEB est déclarée par Bruxelles Environnement; et
2° le certificat PEB peut être établi par Bruxelles Environnement.
§ 5. Bruxelles Environnement veille à mettre à disposition du public une grille indicative des prix du certificat PEB, en pouvant faire une distinction suivant l'affectation, l'âge et la taille de l'unité PEB certifiée.]1
§ 2. La durée de validité du certificat PEB est au maximum de dix ans.
§ 3. Le Gouvernement précise la forme et le contenu du certificat PEB.
§ 4. Le Gouvernement détermine les circonstances et les conditions dans lesquelles:
1° la fin de la validité du certificat PEB est déclarée par Bruxelles Environnement; et
2° le certificat PEB peut être établi par Bruxelles Environnement.
§ 5. Bruxelles Environnement veille à mettre à disposition du public une grille indicative des prix du certificat PEB, en pouvant faire une distinction suivant l'affectation, l'âge et la taille de l'unité PEB certifiée.]1
Art. 2.2.4 /3 TOEKOMSTIG RECHT. 1 § 1. Onverminderd artikel 2.2.4/2 voldoet elke vereniging van mede-eigenaars aan de volgende verplichtingen:
1° zij wijst een EPB-deskundige aan om de in paragraaf 2 bedoelde verplichtingen na te komen;
2° zij verstrekt de EPB-deskundige de gegevens, de documenten en de toegang tot de lokalen die nodig zijn voor de uitvoering van de in paragraaf 2 bedoelde taken van de EPB-deskundige.
Indien de vereniging van mede-eigenaars geen rechtspersoonlijkheid heeft, rusten deze verplichtingen hoofdelijk op alle mede-eigenaars.
§ 2. De EPB-deskundige vervult de volgende verplichtingen:
1° hij coördineert de technische gegevens van het mede-eigendom, verzamelt de bewijsstukken en identificeert alle EPB-eenheden van het mede-eigendom en de elementen in gemeenschappelijke delen;
2° hij stelt een EPB-certificaat op voor elke EPB-eenheid, die overeenkomt met een particuliere kavel die over een geldig EPB-certificaat beschikt en werkt gegevens over bestaande EPB-certificaten bij;
3° op basis van de door hem verzamelde gegevens stelt hij een samenvattend rapport op dat ten minste aanbevelingen bevat over de renovatiewerkzaamheden die moeten worden uitgevoerd om te voldoen aan de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.3, § 2;
4° hij stuurt het samenvattende rapport naar Leefmilieu Brussel.
§ 3. De Regering bepaalt de uitvoeringsmodaliteiten van de voorgaande paragrafen, rekening houdend met de bestemming en specificeert de coördinatieopdracht van de EPB-deskundige, en de inhoud en de vorm van het samenvattende rapport.]1
1° zij wijst een EPB-deskundige aan om de in paragraaf 2 bedoelde verplichtingen na te komen;
2° zij verstrekt de EPB-deskundige de gegevens, de documenten en de toegang tot de lokalen die nodig zijn voor de uitvoering van de in paragraaf 2 bedoelde taken van de EPB-deskundige.
Indien de vereniging van mede-eigenaars geen rechtspersoonlijkheid heeft, rusten deze verplichtingen hoofdelijk op alle mede-eigenaars.
§ 2. De EPB-deskundige vervult de volgende verplichtingen:
1° hij coördineert de technische gegevens van het mede-eigendom, verzamelt de bewijsstukken en identificeert alle EPB-eenheden van het mede-eigendom en de elementen in gemeenschappelijke delen;
2° hij stelt een EPB-certificaat op voor elke EPB-eenheid, die overeenkomt met een particuliere kavel die over een geldig EPB-certificaat beschikt en werkt gegevens over bestaande EPB-certificaten bij;
3° op basis van de door hem verzamelde gegevens stelt hij een samenvattend rapport op dat ten minste aanbevelingen bevat over de renovatiewerkzaamheden die moeten worden uitgevoerd om te voldoen aan de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.3, § 2;
4° hij stuurt het samenvattende rapport naar Leefmilieu Brussel.
§ 3. De Regering bepaalt de uitvoeringsmodaliteiten van de voorgaande paragrafen, rekening houdend met de bestemming en specificeert de coördinatieopdracht van de EPB-deskundige, en de inhoud en de vorm van het samenvattende rapport.]1
Art. 2 _2.4/3.DROIT_FUTUR. [1 § 1er. Sans préjudice de l'article 2.2.4/2, toute association de copropriétaires remplit les obligations suivantes:
1° elle désigne un expert PEB pour remplir les obligations visées au paragraphe 2;
2° elle fournit à l'expert PEB les données, les documents et l'accès aux locaux, nécessaires à l'exécution des obligations de l'expert PEB visées au paragraphe 2.
Dans l'hypothèse où l'association des copropriétaires n'a pas de personnalité juridique, ces obligations incombent solidairement à tous les copropriétaires.
§ 2. L'expert PEB remplit les obligations suivantes:
1° il coordonne les données techniques de la copropriété, en rassemblant les documents justificatifs et en identifiant toutes les unités PEB de la copropriété et les éléments en parties communes;
2° il établit un certificat PEB pour chaque unité PEB correspondant à un lot privatif qui ne dispose pas d'un certificat PEB valide et met à jour les données des certificats PEB existants;
3° il établit, sur la base des données qu'il a rassemblées, un rapport de synthèse qui contient au minimum des recommandations sur les travaux de rénovation à effectuer pour atteindre les exigences PEB visées à l'article 2.2.3, § 2;
4° il transmet le rapport de synthèse à Bruxelles Environnement.
§ 3. Le Gouvernement détermine les modalités d'exécution des paragraphes précédents, en tenant compte de l'affectation et en précisant notamment la mission de coordination de l'expert PEB ainsi que le contenu et la forme du rapport de synthèse.]1
1° elle désigne un expert PEB pour remplir les obligations visées au paragraphe 2;
2° elle fournit à l'expert PEB les données, les documents et l'accès aux locaux, nécessaires à l'exécution des obligations de l'expert PEB visées au paragraphe 2.
Dans l'hypothèse où l'association des copropriétaires n'a pas de personnalité juridique, ces obligations incombent solidairement à tous les copropriétaires.
§ 2. L'expert PEB remplit les obligations suivantes:
1° il coordonne les données techniques de la copropriété, en rassemblant les documents justificatifs et en identifiant toutes les unités PEB de la copropriété et les éléments en parties communes;
2° il établit un certificat PEB pour chaque unité PEB correspondant à un lot privatif qui ne dispose pas d'un certificat PEB valide et met à jour les données des certificats PEB existants;
3° il établit, sur la base des données qu'il a rassemblées, un rapport de synthèse qui contient au minimum des recommandations sur les travaux de rénovation à effectuer pour atteindre les exigences PEB visées à l'article 2.2.3, § 2;
4° il transmet le rapport de synthèse à Bruxelles Environnement.
§ 3. Le Gouvernement détermine les modalités d'exécution des paragraphes précédents, en tenant compte de l'affectation et en précisant notamment la mission de coordination de l'expert PEB ainsi que le contenu et la forme du rapport de synthèse.]1
-
(1)
Art. 2.2.4 /3 TOEKOMSTIG RECHT. [1 § 1. Onverminderd artikel 2.2.4/2 voldoet elke vereniging van mede-eigenaars aan de volgende verplichtingen:
1° zij wijst een EPB-deskundige aan om de in paragraaf 2 bedoelde verplichtingen na te komen;
2° zij verstrekt de EPB-deskundige de gegevens, de documenten en de toegang tot de lokalen die nodig zijn voor de uitvoering van de in paragraaf 2 bedoelde taken van de EPB-deskundige.
Indien de vereniging van mede-eigenaars geen rechtspersoonlijkheid heeft, rusten deze verplichtingen hoofdelijk op alle mede-eigenaars.
§ 2. De EPB-deskundige vervult de volgende verplichtingen:
1° hij coördineert de technische gegevens van het mede-eigendom, verzamelt de bewijsstukken en identificeert alle EPB-eenheden van het mede-eigendom en de elementen in gemeenschappelijke delen;
2° hij stelt een EPB-certificaat op voor elke EPB-eenheid, die overeenkomt met een particuliere kavel die over een geldig EPB-certificaat beschikt en werkt gegevens over bestaande EPB-certificaten bij;
3° op basis van de door hem verzamelde gegevens stelt hij een samenvattend rapport op dat ten minste aanbevelingen bevat over de renovatiewerkzaamheden die moeten worden uitgevoerd om te voldoen aan de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.3, § 2;
4° hij stuurt het samenvattende rapport naar Leefmilieu Brussel.
§ 3. De Regering bepaalt de uitvoeringsmodaliteiten van de voorgaande paragrafen, rekening houdend met de bestemming en specificeert de coördinatieopdracht van de EPB-deskundige, en de inhoud en de vorm van het samenvattende rapport.]1
1° zij wijst een EPB-deskundige aan om de in paragraaf 2 bedoelde verplichtingen na te komen;
2° zij verstrekt de EPB-deskundige de gegevens, de documenten en de toegang tot de lokalen die nodig zijn voor de uitvoering van de in paragraaf 2 bedoelde taken van de EPB-deskundige.
Indien de vereniging van mede-eigenaars geen rechtspersoonlijkheid heeft, rusten deze verplichtingen hoofdelijk op alle mede-eigenaars.
§ 2. De EPB-deskundige vervult de volgende verplichtingen:
1° hij coördineert de technische gegevens van het mede-eigendom, verzamelt de bewijsstukken en identificeert alle EPB-eenheden van het mede-eigendom en de elementen in gemeenschappelijke delen;
2° hij stelt een EPB-certificaat op voor elke EPB-eenheid, die overeenkomt met een particuliere kavel die over een geldig EPB-certificaat beschikt en werkt gegevens over bestaande EPB-certificaten bij;
3° op basis van de door hem verzamelde gegevens stelt hij een samenvattend rapport op dat ten minste aanbevelingen bevat over de renovatiewerkzaamheden die moeten worden uitgevoerd om te voldoen aan de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.3, § 2;
4° hij stuurt het samenvattende rapport naar Leefmilieu Brussel.
§ 3. De Regering bepaalt de uitvoeringsmodaliteiten van de voorgaande paragrafen, rekening houdend met de bestemming en specificeert de coördinatieopdracht van de EPB-deskundige, en de inhoud en de vorm van het samenvattende rapport.]1
Art. 2 _2.4/3.DROIT_FUTUR.
[1 § 1er. Sans préjudice de l'article 2.2.4/2, toute association de copropriétaires remplit les obligations suivantes:
1° elle désigne un expert PEB pour remplir les obligations visées au paragraphe 2;
2° elle fournit à l'expert PEB les données, les documents et l'accès aux locaux, nécessaires à l'exécution des obligations de l'expert PEB visées au paragraphe 2.
Dans l'hypothèse où l'association des copropriétaires n'a pas de personnalité juridique, ces obligations incombent solidairement à tous les copropriétaires.
§ 2. L'expert PEB remplit les obligations suivantes:
1° il coordonne les données techniques de la copropriété, en rassemblant les documents justificatifs et en identifiant toutes les unités PEB de la copropriété et les éléments en parties communes;
2° il établit un certificat PEB pour chaque unité PEB correspondant à un lot privatif qui ne dispose pas d'un certificat PEB valide et met à jour les données des certificats PEB existants;
3° il établit, sur la base des données qu'il a rassemblées, un rapport de synthèse qui contient au minimum des recommandations sur les travaux de rénovation à effectuer pour atteindre les exigences PEB visées à l'article 2.2.3, § 2;
4° il transmet le rapport de synthèse à Bruxelles Environnement.
§ 3. Le Gouvernement détermine les modalités d'exécution des paragraphes précédents, en tenant compte de l'affectation et en précisant notamment la mission de coordination de l'expert PEB ainsi que le contenu et la forme du rapport de synthèse.]1
[1 § 1er. Sans préjudice de l'article 2.2.4/2, toute association de copropriétaires remplit les obligations suivantes:
1° elle désigne un expert PEB pour remplir les obligations visées au paragraphe 2;
2° elle fournit à l'expert PEB les données, les documents et l'accès aux locaux, nécessaires à l'exécution des obligations de l'expert PEB visées au paragraphe 2.
Dans l'hypothèse où l'association des copropriétaires n'a pas de personnalité juridique, ces obligations incombent solidairement à tous les copropriétaires.
§ 2. L'expert PEB remplit les obligations suivantes:
1° il coordonne les données techniques de la copropriété, en rassemblant les documents justificatifs et en identifiant toutes les unités PEB de la copropriété et les éléments en parties communes;
2° il établit un certificat PEB pour chaque unité PEB correspondant à un lot privatif qui ne dispose pas d'un certificat PEB valide et met à jour les données des certificats PEB existants;
3° il établit, sur la base des données qu'il a rassemblées, un rapport de synthèse qui contient au minimum des recommandations sur les travaux de rénovation à effectuer pour atteindre les exigences PEB visées à l'article 2.2.3, § 2;
4° il transmet le rapport de synthèse à Bruxelles Environnement.
§ 3. Le Gouvernement détermine les modalités d'exécution des paragraphes précédents, en tenant compte de l'affectation et en précisant notamment la mission de coordination de l'expert PEB ainsi que le contenu et la forme du rapport de synthèse.]1
Art. 2.2.4 /4. [1 § 1. Wanneer de som van de bruto oppervlakken van de EPB-eenheden die veelvuldig door het publiek worden bezocht in eenzelfde gebouw groter is dan 500 m2 en wanneer deze EPB-eenheden over een geldig EPB-certificaat beschikken, wordt het EPB-certificaat (worden de EPB-certificaten) geafficheerd op een opvallende plaats die duidelijk zichtbaar is voor het publiek.
§ 2. De Regering kan de uitvoeringsmodaliteiten van paragraaf 1 nader bepalen, met inbegrip van de definitie van de woorden "veelvuldig door het publiek bezocht".]1
§ 2. De Regering kan de uitvoeringsmodaliteiten van paragraaf 1 nader bepalen, met inbegrip van de definitie van de woorden "veelvuldig door het publiek bezocht".]1
Art. 2.2.4 /4. [1 § 1er. Quand la somme des superficies brutes des unités PEB fréquemment visitées par le public dans un même bâtiment dépasse 500 m2 et lorsque ces unités PEB disposent d'un certificat PEB valide, le ou les certificats PEB sont affichés à un emplacement et d'une manière clairement visibles pour le public.
§ 2. Le Gouvernement peut préciser les modalités d'exécution du paragraphe 1er, notamment la définition des termes " fréquemment visitées par le public ".]1
§ 2. Le Gouvernement peut préciser les modalités d'exécution du paragraphe 1er, notamment la définition des termes " fréquemment visitées par le public ".]1
Art. 2.2.4 /5. TOEKOMSTIG RECHT. 1 § 1. Energiebesparende werkzaamheden worden uitgevoerd opdat de EPB-eenheid voldoet aan de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.3, § 2, op basis van de indicatoren van het geldige EPB-certificaat.
§ 2. De naleving van de in paragraaf 1 bedoelde verplichting valt onder de verantwoordelijkheid van:
1° de titularis(sen) van een zakelijk recht op de EPB-eenheid; en;
2° de vereniging van de mede-eigenaars wanneer het samenvattend rapport bedoeld in artikel 2.2.4/3, § 2, 3° elementen in de gemeenschappelijke delen heeft geïdentificeerd die de energieprestatie kunnen beïnvloeden.
Wanneer niet aan de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.3, § 2, is voldaan, wordt de vereniging van de mede-eigenaars geacht haar verplichting niet te zijn nagekomen. Ze kan dit vermoeden omkeren door aan te tonen dat zij de nodige zorgvuldigheid heeft betracht en dat zij geen enkele fout heeft begaan.
Voor de in het eerste lid, 1°, beoogde personen, indien overeenkomstig deze paragraaf, meerdere personen door deze verplichting zijn gebonden, is hun aansprakelijkheid hoofdelijk.
Indien de vereniging van mede-eigenaars geen rechtspersoonlijkheid heeft, rust deze verplichting hoofdelijk op alle mede-eigenaars.]1
§ 2. De naleving van de in paragraaf 1 bedoelde verplichting valt onder de verantwoordelijkheid van:
1° de titularis(sen) van een zakelijk recht op de EPB-eenheid; en;
2° de vereniging van de mede-eigenaars wanneer het samenvattend rapport bedoeld in artikel 2.2.4/3, § 2, 3° elementen in de gemeenschappelijke delen heeft geïdentificeerd die de energieprestatie kunnen beïnvloeden.
Wanneer niet aan de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.3, § 2, is voldaan, wordt de vereniging van de mede-eigenaars geacht haar verplichting niet te zijn nagekomen. Ze kan dit vermoeden omkeren door aan te tonen dat zij de nodige zorgvuldigheid heeft betracht en dat zij geen enkele fout heeft begaan.
Voor de in het eerste lid, 1°, beoogde personen, indien overeenkomstig deze paragraaf, meerdere personen door deze verplichting zijn gebonden, is hun aansprakelijkheid hoofdelijk.
Indien de vereniging van mede-eigenaars geen rechtspersoonlijkheid heeft, rust deze verplichting hoofdelijk op alle mede-eigenaars.]1
Art. 2 _2.4/5.DROIT_FUTUR. [1 § 1er. Des travaux économiseurs d'énergie sont réalisés afin que l'unité PEB atteigne les exigences PEB visées à l'article 2.2.3, § 2, en se basant sur les indicateurs du certificat PEB valide.
§ 2. Le respect de l'obligation visée au paragraphe 1er incombe:
1° au(x) titulaire(s) d'un droit réel sur l'unité PEB; et
2° à l'association des copropriétaires lorsque le rapport de synthèse visé à l'article 2.2.4/3, § 2, 3° a identifié des éléments en parties communes pouvant influencer la performance énergétique.
Lorsque les exigences PEB visées à l'article 2.2.3, § 2, ne sont pas atteintes, l'association des copropriétaires est présumée avoir manqué à son obligation. Elle peut renverser cette présomption en démontrant qu'elle a fait preuve de diligence et qu'elle n'a commis aucune faute.
Pour les personnes visées à l'alinéa 1er, 1°, si, en application du présent paragraphe, plusieurs personnes sont tenues au respect de cette obligation, leur responsabilité est engagée de manière solidaire.
Dans l'hypothèse où l'association des copropriétaires n'a pas de personnalité juridique, cette obligation incombe solidairement à tous les copropriétaires. ]1
§ 2. Le respect de l'obligation visée au paragraphe 1er incombe:
1° au(x) titulaire(s) d'un droit réel sur l'unité PEB; et
2° à l'association des copropriétaires lorsque le rapport de synthèse visé à l'article 2.2.4/3, § 2, 3° a identifié des éléments en parties communes pouvant influencer la performance énergétique.
Lorsque les exigences PEB visées à l'article 2.2.3, § 2, ne sont pas atteintes, l'association des copropriétaires est présumée avoir manqué à son obligation. Elle peut renverser cette présomption en démontrant qu'elle a fait preuve de diligence et qu'elle n'a commis aucune faute.
Pour les personnes visées à l'alinéa 1er, 1°, si, en application du présent paragraphe, plusieurs personnes sont tenues au respect de cette obligation, leur responsabilité est engagée de manière solidaire.
Dans l'hypothèse où l'association des copropriétaires n'a pas de personnalité juridique, cette obligation incombe solidairement à tous les copropriétaires. ]1
-
(1)
Art. 2.2.4 /5. TOEKOMSTIG RECHT. [1 § 1. Energiebesparende werkzaamheden worden uitgevoerd opdat de EPB-eenheid voldoet aan de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.3, § 2, op basis van de indicatoren van het geldige EPB-certificaat.
§ 2. De naleving van de in paragraaf 1 bedoelde verplichting valt onder de verantwoordelijkheid van:
1° de titularis(sen) van een zakelijk recht op de EPB-eenheid; en;
2° de vereniging van de mede-eigenaars wanneer het samenvattend rapport bedoeld in artikel 2.2.4/3, § 2, 3° elementen in de gemeenschappelijke delen heeft geïdentificeerd die de energieprestatie kunnen beïnvloeden.
Wanneer niet aan de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.3, § 2, is voldaan, wordt de vereniging van de mede-eigenaars geacht haar verplichting niet te zijn nagekomen. Ze kan dit vermoeden omkeren door aan te tonen dat zij de nodige zorgvuldigheid heeft betracht en dat zij geen enkele fout heeft begaan.
Voor de in het eerste lid, 1°, beoogde personen, indien overeenkomstig deze paragraaf, meerdere personen door deze verplichting zijn gebonden, is hun aansprakelijkheid hoofdelijk.
Indien de vereniging van mede-eigenaars geen rechtspersoonlijkheid heeft, rust deze verplichting hoofdelijk op alle mede-eigenaars.]1
§ 2. De naleving van de in paragraaf 1 bedoelde verplichting valt onder de verantwoordelijkheid van:
1° de titularis(sen) van een zakelijk recht op de EPB-eenheid; en;
2° de vereniging van de mede-eigenaars wanneer het samenvattend rapport bedoeld in artikel 2.2.4/3, § 2, 3° elementen in de gemeenschappelijke delen heeft geïdentificeerd die de energieprestatie kunnen beïnvloeden.
Wanneer niet aan de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.3, § 2, is voldaan, wordt de vereniging van de mede-eigenaars geacht haar verplichting niet te zijn nagekomen. Ze kan dit vermoeden omkeren door aan te tonen dat zij de nodige zorgvuldigheid heeft betracht en dat zij geen enkele fout heeft begaan.
Voor de in het eerste lid, 1°, beoogde personen, indien overeenkomstig deze paragraaf, meerdere personen door deze verplichting zijn gebonden, is hun aansprakelijkheid hoofdelijk.
Indien de vereniging van mede-eigenaars geen rechtspersoonlijkheid heeft, rust deze verplichting hoofdelijk op alle mede-eigenaars.]1
Art. 2 _2.4/5.DROIT_FUTUR.
[1 § 1er. Des travaux économiseurs d'énergie sont réalisés afin que l'unité PEB atteigne les exigences PEB visées à l'article 2.2.3, § 2, en se basant sur les indicateurs du certificat PEB valide.
§ 2. Le respect de l'obligation visée au paragraphe 1er incombe:
1° au(x) titulaire(s) d'un droit réel sur l'unité PEB; et
2° à l'association des copropriétaires lorsque le rapport de synthèse visé à l'article 2.2.4/3, § 2, 3° a identifié des éléments en parties communes pouvant influencer la performance énergétique.
Lorsque les exigences PEB visées à l'article 2.2.3, § 2, ne sont pas atteintes, l'association des copropriétaires est présumée avoir manqué à son obligation. Elle peut renverser cette présomption en démontrant qu'elle a fait preuve de diligence et qu'elle n'a commis aucune faute.
Pour les personnes visées à l'alinéa 1er, 1°, si, en application du présent paragraphe, plusieurs personnes sont tenues au respect de cette obligation, leur responsabilité est engagée de manière solidaire.
Dans l'hypothèse où l'association des copropriétaires n'a pas de personnalité juridique, cette obligation incombe solidairement à tous les copropriétaires. ]1
[1 § 1er. Des travaux économiseurs d'énergie sont réalisés afin que l'unité PEB atteigne les exigences PEB visées à l'article 2.2.3, § 2, en se basant sur les indicateurs du certificat PEB valide.
§ 2. Le respect de l'obligation visée au paragraphe 1er incombe:
1° au(x) titulaire(s) d'un droit réel sur l'unité PEB; et
2° à l'association des copropriétaires lorsque le rapport de synthèse visé à l'article 2.2.4/3, § 2, 3° a identifié des éléments en parties communes pouvant influencer la performance énergétique.
Lorsque les exigences PEB visées à l'article 2.2.3, § 2, ne sont pas atteintes, l'association des copropriétaires est présumée avoir manqué à son obligation. Elle peut renverser cette présomption en démontrant qu'elle a fait preuve de diligence et qu'elle n'a commis aucune faute.
Pour les personnes visées à l'alinéa 1er, 1°, si, en application du présent paragraphe, plusieurs personnes sont tenues au respect de cette obligation, leur responsabilité est engagée de manière solidaire.
Dans l'hypothèse où l'association des copropriétaires n'a pas de personnalité juridique, cette obligation incombe solidairement à tous les copropriétaires. ]1
Art. 2.2.5. § 1. Bij elke aanvraag [3 van een stedenbouwkundige vergunning]3 met betrekking tot een nieuwe, [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 zwaar gerenoveerde of eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid, moet een EPB-voorstel [3 en het rekenbestand]3 worden gevoegd. [3 ...]3.
§ 2. Het EPB-voorstel wordt opgemaakt door :
1° de EPB-adviseur voor de nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden;
2° de architect of de EPB-adviseur als hij door de aangever aangewezen wordt, voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden;
3° de aangever voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden waarvan de [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4 vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect.
§ 3. In afwijking van de vorige paragraaf, maakt de EPB-adviseur het EPB-voorstel voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid op ingeval een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid zich in [1 dezelfde [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4]1 bevindt als een nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheid [1 ...]1.
§ 4. Op vraag van de EPB-adviseur of van de architect, verstrekt [2 Leefmilieu Brussel]2 een advies over de keuze van de kwalificatie van de bestemming en de aard van de werken die aan de EPB-eenheid gegeven worden.
§ 5. Indien uit het EPB-voorstel blijkt dat de [3 EPB-eenheden waarvoor een stedenbouwkundige vergunning wordt aangevraagd, onderworpen zijn aan de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.3, § 1]3, informeert de vergunningverlenende overheid [2 Leefmilieu Brussel]2 over de aard van de werken in de [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4.
[3 § 6. De Regering specificeert de inhoud van het EPB-voorstel. Ze kan de inhoud van het EPB-voorstel aanpassen volgens het belang van de werkzaamheden, de omvang en de bestemming van de EPB-eenheid.]3
§ 2. Het EPB-voorstel wordt opgemaakt door :
1° de EPB-adviseur voor de nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden;
2° de architect of de EPB-adviseur als hij door de aangever aangewezen wordt, voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden;
3° de aangever voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden waarvan de [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4 vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect.
§ 3. In afwijking van de vorige paragraaf, maakt de EPB-adviseur het EPB-voorstel voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid op ingeval een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid zich in [1 dezelfde [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4]1 bevindt als een nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheid [1 ...]1.
§ 4. Op vraag van de EPB-adviseur of van de architect, verstrekt [2 Leefmilieu Brussel]2 een advies over de keuze van de kwalificatie van de bestemming en de aard van de werken die aan de EPB-eenheid gegeven worden.
§ 5. Indien uit het EPB-voorstel blijkt dat de [3 EPB-eenheden waarvoor een stedenbouwkundige vergunning wordt aangevraagd, onderworpen zijn aan de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.3, § 1]3, informeert de vergunningverlenende overheid [2 Leefmilieu Brussel]2 over de aard van de werken in de [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4.
[3 § 6. De Regering specificeert de inhoud van het EPB-voorstel. Ze kan de inhoud van het EPB-voorstel aanpassen volgens het belang van de werkzaamheden, de omvang en de bestemming van de EPB-eenheid.]3
Art. 2.2.5. § 1er. Toute demande de permis d'urbanisme relative à une unité PEB neuve, [3 assimilée à du neuf,]3 rénovée lourdement ou rénovée simplement, est accompagnée d'une proposition PEB [3 et de son fichier de calcul]3. [3 ...]3
§ 2. La proposition PEB est établie par :
1° le conseiller PEB pour les unités PEB neuves [3 assimilées à du neuf]3 ou rénovées lourdement;
2° l'architecte ou le conseiller PEB quand il est désigné par le déclarant, pour les unités PEB rénovées simplement;
3° le déclarant pour les unités PEB rénovées simplement dont la [4 demande de permis d'urbanisme]4 est dispensée de l'intervention d'un architecte.
§ 3. En dérogation au paragraphe précédent, dans le cas où une unité PEB rénovée simplement se trouve dans [1 la même [4 demande de permis d'urbanisme]4]1 qu'une unité PEB neuve [3 assimilée à du neuf,]3 ou rénovée lourdement et [1 ...]1 le conseiller PEB établit la proposition PEB pour l'unité PEB rénovée simplement.
§ 4. Sur [4 demande de permis d'urbanisme]4 du conseiller PEB ou de l'architecte, [2 Bruxelles Environnement]2 fournit un avis sur le choix de la qualification de l'affectation et de la nature des travaux données à l'unité PEB.
§ 5. S'il apparaît dans la proposition PEB que [3 les unités PEB faisant l'objet de la demande de permis d'urbanisme sont soumises aux exigences PEB visées à l'article 2.2.3, § 1er]3, l'autorité délivrante du permis informe [2 Bruxelles Environnement]2 de la nature des travaux de la demande.
[3 § 6. Le Gouvernement spécifie le contenu de la proposition PEB. Il peut distinguer le contenu de la proposition PEB en fonction de l'importance des travaux, de la taille et de l'affectation de l'unité PEB.]3
§ 2. La proposition PEB est établie par :
1° le conseiller PEB pour les unités PEB neuves [3 assimilées à du neuf]3 ou rénovées lourdement;
2° l'architecte ou le conseiller PEB quand il est désigné par le déclarant, pour les unités PEB rénovées simplement;
3° le déclarant pour les unités PEB rénovées simplement dont la [4 demande de permis d'urbanisme]4 est dispensée de l'intervention d'un architecte.
§ 3. En dérogation au paragraphe précédent, dans le cas où une unité PEB rénovée simplement se trouve dans [1 la même [4 demande de permis d'urbanisme]4]1 qu'une unité PEB neuve [3 assimilée à du neuf,]3 ou rénovée lourdement et [1 ...]1 le conseiller PEB établit la proposition PEB pour l'unité PEB rénovée simplement.
§ 4. Sur [4 demande de permis d'urbanisme]4 du conseiller PEB ou de l'architecte, [2 Bruxelles Environnement]2 fournit un avis sur le choix de la qualification de l'affectation et de la nature des travaux données à l'unité PEB.
§ 5. S'il apparaît dans la proposition PEB que [3 les unités PEB faisant l'objet de la demande de permis d'urbanisme sont soumises aux exigences PEB visées à l'article 2.2.3, § 1er]3, l'autorité délivrante du permis informe [2 Bruxelles Environnement]2 de la nature des travaux de la demande.
[3 § 6. Le Gouvernement spécifie le contenu de la proposition PEB. Il peut distinguer le contenu de la proposition PEB en fonction de l'importance des travaux, de la taille et de l'affectation de l'unité PEB.]3
Art. 2_2.5.TOEKOMSTIG_RECHT. § 1. Bij elke aanvraag [3 van een stedenbouwkundige vergunning]3 met betrekking tot een nieuwe, [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 zwaar gerenoveerde of eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid, moet een EPB-voorstel [3 en het rekenbestand]3 worden gevoegd. [3 ...]3.
§ 2. Het EPB-voorstel wordt opgemaakt door :
1° de [5 EPB-deskundige]5 voor de nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden;
2° de architect of de [5 EPB-deskundige]5 als hij door de aangever aangewezen wordt, voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden;
3° de aangever voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden waarvan de [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4 vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect.
§ 3. In afwijking van de vorige paragraaf, maakt de [5 EPB-deskundige]5 het EPB-voorstel voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid op ingeval een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid zich in [1 dezelfde [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4]1 bevindt als een nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheid [1 ...]1.
§ 4. Op vraag van de [5 EPB-deskundige]5 of van de architect, verstrekt [2 Leefmilieu Brussel]2 een advies over de keuze van de kwalificatie van de bestemming en de aard van de werken die aan de EPB-eenheid gegeven worden.
§ 5. Indien uit het EPB-voorstel blijkt dat de [3 EPB-eenheden waarvoor een stedenbouwkundige vergunning wordt aangevraagd, onderworpen zijn aan de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.3, § 1]3, informeert de vergunningverlenende overheid [2 Leefmilieu Brussel]2 over de aard van de werken in de [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4.
[3 § 6. De Regering specificeert de inhoud van het EPB-voorstel. Ze kan de inhoud van het EPB-voorstel aanpassen volgens het belang van de werkzaamheden, de omvang en de bestemming van de EPB-eenheid.]3
§ 2. Het EPB-voorstel wordt opgemaakt door :
1° de [5 EPB-deskundige]5 voor de nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden;
2° de architect of de [5 EPB-deskundige]5 als hij door de aangever aangewezen wordt, voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden;
3° de aangever voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden waarvan de [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4 vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect.
§ 3. In afwijking van de vorige paragraaf, maakt de [5 EPB-deskundige]5 het EPB-voorstel voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid op ingeval een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid zich in [1 dezelfde [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4]1 bevindt als een nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheid [1 ...]1.
§ 4. Op vraag van de [5 EPB-deskundige]5 of van de architect, verstrekt [2 Leefmilieu Brussel]2 een advies over de keuze van de kwalificatie van de bestemming en de aard van de werken die aan de EPB-eenheid gegeven worden.
§ 5. Indien uit het EPB-voorstel blijkt dat de [3 EPB-eenheden waarvoor een stedenbouwkundige vergunning wordt aangevraagd, onderworpen zijn aan de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.3, § 1]3, informeert de vergunningverlenende overheid [2 Leefmilieu Brussel]2 over de aard van de werken in de [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4.
[3 § 6. De Regering specificeert de inhoud van het EPB-voorstel. Ze kan de inhoud van het EPB-voorstel aanpassen volgens het belang van de werkzaamheden, de omvang en de bestemming van de EPB-eenheid.]3
Art. 2_2.5.DROIT_FUTUR. § 1er. Toute demande de permis d'urbanisme relative à une unité PEB neuve, [3 assimilée à du neuf,]3 rénovée lourdement ou rénovée simplement, est accompagnée d'une proposition PEB [3 et de son fichier de calcul]3. [3 ...]3
§ 2. La proposition PEB est établie par :
1° l'[4 expert PEB]4 pour les unités PEB neuves [3 assimilées à du neuf]3 ou rénovées lourdement;
2° l'architecte ou l'[4 expert PEB]4 quand il est désigné par le déclarant, pour les unités PEB rénovées simplement;
3° le déclarant pour les unités PEB rénovées simplement dont la [5 demande de permis d'urbanisme]5 est dispensée de l'intervention d'un architecte.
§ 3. En dérogation au paragraphe précédent, dans le cas où une unité PEB rénovée simplement se trouve dans [1 la même [5 demande de permis d'urbanisme]5]1 qu'une unité PEB neuve [3 assimilée à du neuf,]3 ou rénovée lourdement et [1 ...]1 l'[4 expert PEB]4 PEB établit la proposition PEB pour l'unité PEB rénovée simplement.
§ 4. Sur demande de l'[4 expert PEB]4 ou de l'architecte, [2 Bruxelles Environnement]2 fournit un avis sur le choix de la qualification de l'affectation et de la nature des travaux données à l'unité PEB.
§ 5. S'il apparaît dans la proposition PEB que [3 les unités PEB faisant l'objet de la demande de permis d'urbanisme sont soumises aux exigences PEB visées à l'article 2.2.3, § 1er]3, l'autorité délivrante du permis informe [2 Bruxelles Environnement]2 de la nature des travaux de la [5 demande de permis d'urbanisme]5.
[3 § 6. Le Gouvernement spécifie le contenu de la proposition PEB. Il peut distinguer le contenu de la proposition PEB en fonction de l'importance des travaux, de la taille et de l'affectation de l'unité PEB.]3
§ 2. La proposition PEB est établie par :
1° l'[4 expert PEB]4 pour les unités PEB neuves [3 assimilées à du neuf]3 ou rénovées lourdement;
2° l'architecte ou l'[4 expert PEB]4 quand il est désigné par le déclarant, pour les unités PEB rénovées simplement;
3° le déclarant pour les unités PEB rénovées simplement dont la [5 demande de permis d'urbanisme]5 est dispensée de l'intervention d'un architecte.
§ 3. En dérogation au paragraphe précédent, dans le cas où une unité PEB rénovée simplement se trouve dans [1 la même [5 demande de permis d'urbanisme]5]1 qu'une unité PEB neuve [3 assimilée à du neuf,]3 ou rénovée lourdement et [1 ...]1 l'[4 expert PEB]4 PEB établit la proposition PEB pour l'unité PEB rénovée simplement.
§ 4. Sur demande de l'[4 expert PEB]4 ou de l'architecte, [2 Bruxelles Environnement]2 fournit un avis sur le choix de la qualification de l'affectation et de la nature des travaux données à l'unité PEB.
§ 5. S'il apparaît dans la proposition PEB que [3 les unités PEB faisant l'objet de la demande de permis d'urbanisme sont soumises aux exigences PEB visées à l'article 2.2.3, § 1er]3, l'autorité délivrante du permis informe [2 Bruxelles Environnement]2 de la nature des travaux de la [5 demande de permis d'urbanisme]5.
[3 § 6. Le Gouvernement spécifie le contenu de la proposition PEB. Il peut distinguer le contenu de la proposition PEB en fonction de l'importance des travaux, de la taille et de l'affectation de l'unité PEB.]3
(1)<ORD 2018-07-23/10, art. 7, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
(2)<ORD 2018-05-03/03, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 24-05-2018>
(3)<ORD 2024-03-07/16, art. 27, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(4)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(5)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(2)<ORD 2018-05-03/03, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 24-05-2018>
(3)<ORD 2024-03-07/16, art. 27, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(4)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(5)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(1)<ORD 2018-07-23/10, art. 7, 007; En vigueur : 01-01-2019>
(2)<ORD 2018-05-03/03, art. 3, 010; En vigueur : 24-05-2018>
(3)<ORD 2024-03-07/16, art. 27, 017; En vigueur : 01-04-2024>
(4)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; En vigueur : 01-04-2024>
(5)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; En vigueur : 01-04-2024>
(2)<ORD 2018-05-03/03, art. 3, 010; En vigueur : 24-05-2018>
(3)<ORD 2024-03-07/16, art. 27, 017; En vigueur : 01-04-2024>
(4)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; En vigueur : 01-04-2024>
(5)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; En vigueur : 01-04-2024>
Art. 2_2.5.TOEKOMSTIG_RECHT. § 1. Bij elke aanvraag [3 van een stedenbouwkundige vergunning]3 met betrekking tot een nieuwe, [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 zwaar gerenoveerde of eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid, moet een EPB-voorstel [3 en het rekenbestand]3 worden gevoegd. [3 ...]3.
§ 2. Het EPB-voorstel wordt opgemaakt door :
1° de [5 EPB-deskundige]5 voor de nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden;
2° de architect of de [5 EPB-deskundige]5 als hij door de aangever aangewezen wordt, voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden;
3° de aangever voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden waarvan de [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4 vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect.
§ 3. In afwijking van de vorige paragraaf, maakt de [5 EPB-deskundige]5 het EPB-voorstel voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid op ingeval een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid zich in [1 dezelfde [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4]1 bevindt als een nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheid [1 ...]1.
§ 4. Op vraag van de [5 EPB-deskundige]5 of van de architect, verstrekt [2 Leefmilieu Brussel]2 een advies over de keuze van de kwalificatie van de bestemming en de aard van de werken die aan de EPB-eenheid gegeven worden.
§ 5. Indien uit het EPB-voorstel blijkt dat de [3 EPB-eenheden waarvoor een stedenbouwkundige vergunning wordt aangevraagd, onderworpen zijn aan de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.3, § 1]3, informeert de vergunningverlenende overheid [2 Leefmilieu Brussel]2 over de aard van de werken in de [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4.
[3 § 6. De Regering specificeert de inhoud van het EPB-voorstel. Ze kan de inhoud van het EPB-voorstel aanpassen volgens het belang van de werkzaamheden, de omvang en de bestemming van de EPB-eenheid.]3
§ 2. Het EPB-voorstel wordt opgemaakt door :
1° de [5 EPB-deskundige]5 voor de nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden;
2° de architect of de [5 EPB-deskundige]5 als hij door de aangever aangewezen wordt, voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden;
3° de aangever voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden waarvan de [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4 vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect.
§ 3. In afwijking van de vorige paragraaf, maakt de [5 EPB-deskundige]5 het EPB-voorstel voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid op ingeval een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid zich in [1 dezelfde [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4]1 bevindt als een nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheid [1 ...]1.
§ 4. Op vraag van de [5 EPB-deskundige]5 of van de architect, verstrekt [2 Leefmilieu Brussel]2 een advies over de keuze van de kwalificatie van de bestemming en de aard van de werken die aan de EPB-eenheid gegeven worden.
§ 5. Indien uit het EPB-voorstel blijkt dat de [3 EPB-eenheden waarvoor een stedenbouwkundige vergunning wordt aangevraagd, onderworpen zijn aan de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.3, § 1]3, informeert de vergunningverlenende overheid [2 Leefmilieu Brussel]2 over de aard van de werken in de [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4.
[3 § 6. De Regering specificeert de inhoud van het EPB-voorstel. Ze kan de inhoud van het EPB-voorstel aanpassen volgens het belang van de werkzaamheden, de omvang en de bestemming van de EPB-eenheid.]3
Wijzigingen
Art. 2_2.5.DROIT_FUTUR. § 1er. Toute demande de permis d'urbanisme relative à une unité PEB neuve, [3 assimilée à du neuf,]3 rénovée lourdement ou rénovée simplement, est accompagnée d'une proposition PEB [3 et de son fichier de calcul]3. [3 ...]3
§ 2. La proposition PEB est établie par :
1° l'[4 expert PEB]4 pour les unités PEB neuves [3 assimilées à du neuf]3 ou rénovées lourdement;
2° l'architecte ou l'[4 expert PEB]4 quand il est désigné par le déclarant, pour les unités PEB rénovées simplement;
3° le déclarant pour les unités PEB rénovées simplement dont la [5 demande de permis d'urbanisme]5 est dispensée de l'intervention d'un architecte.
§ 3. En dérogation au paragraphe précédent, dans le cas où une unité PEB rénovée simplement se trouve dans [1 la même [5 demande de permis d'urbanisme]5]1 qu'une unité PEB neuve [3 assimilée à du neuf,]3 ou rénovée lourdement et [1 ...]1 l'[4 expert PEB]4 PEB établit la proposition PEB pour l'unité PEB rénovée simplement.
§ 4. Sur demande de l'[4 expert PEB]4 ou de l'architecte, [2 Bruxelles Environnement]2 fournit un avis sur le choix de la qualification de l'affectation et de la nature des travaux données à l'unité PEB.
§ 5. S'il apparaît dans la proposition PEB que [3 les unités PEB faisant l'objet de la demande de permis d'urbanisme sont soumises aux exigences PEB visées à l'article 2.2.3, § 1er]3, l'autorité délivrante du permis informe [2 Bruxelles Environnement]2 de la nature des travaux de la [5 demande de permis d'urbanisme]5.
[3 § 6. Le Gouvernement spécifie le contenu de la proposition PEB. Il peut distinguer le contenu de la proposition PEB en fonction de l'importance des travaux, de la taille et de l'affectation de l'unité PEB.]3
§ 2. La proposition PEB est établie par :
1° l'[4 expert PEB]4 pour les unités PEB neuves [3 assimilées à du neuf]3 ou rénovées lourdement;
2° l'architecte ou l'[4 expert PEB]4 quand il est désigné par le déclarant, pour les unités PEB rénovées simplement;
3° le déclarant pour les unités PEB rénovées simplement dont la [5 demande de permis d'urbanisme]5 est dispensée de l'intervention d'un architecte.
§ 3. En dérogation au paragraphe précédent, dans le cas où une unité PEB rénovée simplement se trouve dans [1 la même [5 demande de permis d'urbanisme]5]1 qu'une unité PEB neuve [3 assimilée à du neuf,]3 ou rénovée lourdement et [1 ...]1 l'[4 expert PEB]4 PEB établit la proposition PEB pour l'unité PEB rénovée simplement.
§ 4. Sur demande de l'[4 expert PEB]4 ou de l'architecte, [2 Bruxelles Environnement]2 fournit un avis sur le choix de la qualification de l'affectation et de la nature des travaux données à l'unité PEB.
§ 5. S'il apparaît dans la proposition PEB que [3 les unités PEB faisant l'objet de la demande de permis d'urbanisme sont soumises aux exigences PEB visées à l'article 2.2.3, § 1er]3, l'autorité délivrante du permis informe [2 Bruxelles Environnement]2 de la nature des travaux de la [5 demande de permis d'urbanisme]5.
[3 § 6. Le Gouvernement spécifie le contenu de la proposition PEB. Il peut distinguer le contenu de la proposition PEB en fonction de l'importance des travaux, de la taille et de l'affectation de l'unité PEB.]3
Wijzigingen
Art. 2.2.7. § 1. Wanneer het project waarvoor een [5 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]5 is ingediend uit één of [4 meerdere nieuwe, met nieuw gelijkgestelde of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden bestaat]4, verricht de EPB-adviseur [3 een haalbaarheidsstudie naar de technische, milieugerelateerde en economische haalbaarheid van eventuele alternatieve systemen, met een hoog rendement, waarvan minstens de systemen die gebruik maken van energie uit hernieuwbare bronnen]3.
[3 ...]3
De EPB-adviseur maakt de haalbaarheidsstudie over aan de aanvrager vooraleer de aanvraag wordt ingediend.
[4 In dit verband onderzoekt de EPB-deskundige hoe het potentieel voor de productie van zonne-energie kan worden geoptimaliseerd op basis van de zonne-instraling op de site, zodat vervolgens rendabele zonnetechnologieën kunnen worden geplaatst.]4
§ 2. [3 ...]3
§ 3. De Regering definieert de inhoud van de haalbaarheidsstudie [3 ...]3 en kan de draagwijdte ervan beperken in functie van kosten-batencriteria en de kenmerken van de nieuwe [4 , met nieuw gelijkgestelde]4 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheid.
In afwijking van § 1, kan [2 Leefmilieu Brussel]2 een algemene haalbaarheidsstudie verrichten waarvan het de resultaten aan de aanvrager bezorgt.
§ 4. [3 Wanneer het project waarvoor een [5 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]5 werd ingediend bestaat uit één of meerdere nieuwe [4 , met nieuw gelijkgestelde]4 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden, besteedt het ontwerpteam bij de opstelling van het ontwerp aandacht aan de problematiek van een gezond binnenklimaat, [4 klimaatverandering,]4 brandveiligheid en risico's in verband met intense seismische activiteit.]3
[3 ...]3
De EPB-adviseur maakt de haalbaarheidsstudie over aan de aanvrager vooraleer de aanvraag wordt ingediend.
[4 In dit verband onderzoekt de EPB-deskundige hoe het potentieel voor de productie van zonne-energie kan worden geoptimaliseerd op basis van de zonne-instraling op de site, zodat vervolgens rendabele zonnetechnologieën kunnen worden geplaatst.]4
§ 2. [3 ...]3
§ 3. De Regering definieert de inhoud van de haalbaarheidsstudie [3 ...]3 en kan de draagwijdte ervan beperken in functie van kosten-batencriteria en de kenmerken van de nieuwe [4 , met nieuw gelijkgestelde]4 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheid.
In afwijking van § 1, kan [2 Leefmilieu Brussel]2 een algemene haalbaarheidsstudie verrichten waarvan het de resultaten aan de aanvrager bezorgt.
§ 4. [3 Wanneer het project waarvoor een [5 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]5 werd ingediend bestaat uit één of meerdere nieuwe [4 , met nieuw gelijkgestelde]4 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden, besteedt het ontwerpteam bij de opstelling van het ontwerp aandacht aan de problematiek van een gezond binnenklimaat, [4 klimaatverandering,]4 brandveiligheid en risico's in verband met intense seismische activiteit.]3
Wijzigingen
Art. 2.2.7. § 1er. Lorsque le projet pour lequel il existe une [5 demande de permis d'urbanisme]5 est constitué d'une ou plusieurs unités PEB neuves, [4 assimilées à du neuf ou rénovées lourdement]4, le conseiller PEB rédige une étude de faisabilité [3 qui porte sur la faisabilité technique, environnementale et économique de l'implantation de systèmes de substitution à haute efficacité, dont au minimum les systèmes d'utilisation d'énergie produite à partir de sources renouvelables]3.
[3 ...]3
Le conseiller PEB transmet l'étude de faisabilité au demandeur avant le dépôt de la demande.
[4 A ce titre, l'expert PEB étudie la manière d'optimiser le potentiel de production d'énergie solaire sur la base de l'irradiation solaire du site, afin de permettre l'installation ultérieure de technologies solaires rentables.]4
§ 2. [3 ...]3
§ 3. Le Gouvernement définit le contenu de l'étude de faisabilité [3 ...]3 et peut en limiter la portée en fonction de critères coût-efficacité et des caractéristiques de l'unité PEB neuve [4 , assimilée à du neuf]4 ou rénovée lourdement.
En dérogation au § 1er, [2 Bruxelles Environnement]2 peut réaliser une étude de faisabilité générale dont il communique les résultats au demandeur.
§ 4. [3 Lorsque le projet pour lequel il existe une [5 demande de permis d'urbanisme]5 est constitué d'une ou plusieurs unités PEB neuves [4 , assimilée à du neuf ]4 ou rénovées lourdement, l'équipe de conception prend en considération dans l'élaboration du projet les questions liées à un climat intérieur sain, [4 au changement climatique,]4 à la sécurité incendie et aux risques liés à une activité sismique intense.]3.
[3 ...]3
Le conseiller PEB transmet l'étude de faisabilité au demandeur avant le dépôt de la demande.
[4 A ce titre, l'expert PEB étudie la manière d'optimiser le potentiel de production d'énergie solaire sur la base de l'irradiation solaire du site, afin de permettre l'installation ultérieure de technologies solaires rentables.]4
§ 2. [3 ...]3
§ 3. Le Gouvernement définit le contenu de l'étude de faisabilité [3 ...]3 et peut en limiter la portée en fonction de critères coût-efficacité et des caractéristiques de l'unité PEB neuve [4 , assimilée à du neuf]4 ou rénovée lourdement.
En dérogation au § 1er, [2 Bruxelles Environnement]2 peut réaliser une étude de faisabilité générale dont il communique les résultats au demandeur.
§ 4. [3 Lorsque le projet pour lequel il existe une [5 demande de permis d'urbanisme]5 est constitué d'une ou plusieurs unités PEB neuves [4 , assimilée à du neuf ]4 ou rénovées lourdement, l'équipe de conception prend en considération dans l'élaboration du projet les questions liées à un climat intérieur sain, [4 au changement climatique,]4 à la sécurité incendie et aux risques liés à une activité sismique intense.]3.
Wijzigingen
Art. 2_2.7.TOEKOMSTIG_RECHT. § 1. Wanneer het project waarvoor een [5 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]5 is ingediend uit één of [4 meerdere nieuwe, met nieuw gelijkgestelde of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden bestaat]4, verricht de [6 EPB-deskundige]6 [3 een haalbaarheidsstudie naar de technische, milieugerelateerde en economische haalbaarheid van eventuele alternatieve systemen, met een hoog rendement, waarvan minstens de systemen die gebruik maken van energie uit hernieuwbare bronnen]3.
[3 ...]3
De [6 EPB-deskundige]6 maakt de haalbaarheidsstudie over aan de aanvrager vooraleer de aanvraag wordt ingediend.
[4 In dit verband onderzoekt de EPB-deskundige hoe het potentieel voor de productie van zonne-energie kan worden geoptimaliseerd op basis van de zonne-instraling op de site, zodat vervolgens rendabele zonnetechnologieën kunnen worden geplaatst.]4
§ 2. [3 ...]3
§ 3. De Regering definieert de inhoud van de haalbaarheidsstudie [3 ...]3 en kan de draagwijdte ervan beperken in functie van kosten-batencriteria en de kenmerken van de nieuwe [4 , met nieuw gelijkgestelde]4 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheid.
In afwijking van § 1, kan [2 Leefmilieu Brussel]2 een algemene haalbaarheidsstudie verrichten waarvan het de resultaten aan de aanvrager bezorgt.
§ 4. [3 Wanneer het project waarvoor een [5 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]5 werd ingediend bestaat uit één of meerdere nieuwe [4 , met nieuw gelijkgestelde]4 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden, besteedt het ontwerpteam bij de opstelling van het ontwerp aandacht aan de problematiek van een gezond binnenklimaat, [4 klimaatverandering,]4 brandveiligheid en risico's in verband met intense seismische activiteit.]3
[3 ...]3
De [6 EPB-deskundige]6 maakt de haalbaarheidsstudie over aan de aanvrager vooraleer de aanvraag wordt ingediend.
[4 In dit verband onderzoekt de EPB-deskundige hoe het potentieel voor de productie van zonne-energie kan worden geoptimaliseerd op basis van de zonne-instraling op de site, zodat vervolgens rendabele zonnetechnologieën kunnen worden geplaatst.]4
§ 2. [3 ...]3
§ 3. De Regering definieert de inhoud van de haalbaarheidsstudie [3 ...]3 en kan de draagwijdte ervan beperken in functie van kosten-batencriteria en de kenmerken van de nieuwe [4 , met nieuw gelijkgestelde]4 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheid.
In afwijking van § 1, kan [2 Leefmilieu Brussel]2 een algemene haalbaarheidsstudie verrichten waarvan het de resultaten aan de aanvrager bezorgt.
§ 4. [3 Wanneer het project waarvoor een [5 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]5 werd ingediend bestaat uit één of meerdere nieuwe [4 , met nieuw gelijkgestelde]4 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden, besteedt het ontwerpteam bij de opstelling van het ontwerp aandacht aan de problematiek van een gezond binnenklimaat, [4 klimaatverandering,]4 brandveiligheid en risico's in verband met intense seismische activiteit.]3
Art. 2_2.7.DROIT_FUTUR. § 1er. Lorsque le projet pour lequel il existe une [6 demande de permis d'urbanisme]6 est constitué d'une ou plusieurs unités PEB neuves, [4 assimilées à du neuf ou rénovées lourdement]4, l'[5 expert PEB]5 rédige une étude de faisabilité [3 qui porte sur la faisabilité technique, environnementale et économique de l'implantation de systèmes de substitution à haute efficacité, dont au minimum les systèmes d'utilisation d'énergie produite à partir de sources renouvelables]3.
[3 ...]3
L'[5 expert PEB]5 transmet l'étude de faisabilité au demandeur avant le dépôt de la demande.
[4 A ce titre, l'[5 expert PEB]5 étudie la manière d'optimiser le potentiel de production d'énergie solaire sur la base de l'irradiation solaire du site, afin de permettre l'installation ultérieure de technologies solaires rentables.]4
§ 2. [3 ...]3
§ 3. Le Gouvernement définit le contenu de l'étude de faisabilité [3 ...]3 et peut en limiter la portée en fonction de critères coût-efficacité et des caractéristiques de l'unité PEB neuve [4 , assimilée à du neuf]4 ou rénovée lourdement.
En dérogation au § 1er, [2 Bruxelles Environnement]2 peut réaliser une étude de faisabilité générale dont il communique les résultats au demandeur.
§ 4. [3 Lorsque le projet pour lequel il existe une [6 demande de permis d'urbanisme]6 est constitué d'une ou plusieurs unités PEB neuves [4 , assimilée à du neuf ]4 ou rénovées lourdement, l'équipe de conception prend en considération dans l'élaboration du projet les questions liées à un climat intérieur sain, [4 au changement climatique,]4 à la sécurité incendie et aux risques liés à une activité sismique intense.]3.
[3 ...]3
L'[5 expert PEB]5 transmet l'étude de faisabilité au demandeur avant le dépôt de la demande.
[4 A ce titre, l'[5 expert PEB]5 étudie la manière d'optimiser le potentiel de production d'énergie solaire sur la base de l'irradiation solaire du site, afin de permettre l'installation ultérieure de technologies solaires rentables.]4
§ 2. [3 ...]3
§ 3. Le Gouvernement définit le contenu de l'étude de faisabilité [3 ...]3 et peut en limiter la portée en fonction de critères coût-efficacité et des caractéristiques de l'unité PEB neuve [4 , assimilée à du neuf]4 ou rénovée lourdement.
En dérogation au § 1er, [2 Bruxelles Environnement]2 peut réaliser une étude de faisabilité générale dont il communique les résultats au demandeur.
§ 4. [3 Lorsque le projet pour lequel il existe une [6 demande de permis d'urbanisme]6 est constitué d'une ou plusieurs unités PEB neuves [4 , assimilée à du neuf ]4 ou rénovées lourdement, l'équipe de conception prend en considération dans l'élaboration du projet les questions liées à un climat intérieur sain, [4 au changement climatique,]4 à la sécurité incendie et aux risques liés à une activité sismique intense.]3.
(1)<ORD 2018-07-23/10, art. 8, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
(2)<ORD 2018-05-03/03, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 24-05-2018>
(3)<ORD 2020-12-18/18, art. 9, 011; Inwerkingtreding : 21-01-2021>
(4)<ORD 2024-03-07/16, art. 29, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(5)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(6)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(2)<ORD 2018-05-03/03, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 24-05-2018>
(3)<ORD 2020-12-18/18, art. 9, 011; Inwerkingtreding : 21-01-2021>
(4)<ORD 2024-03-07/16, art. 29, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(5)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(6)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(1)<ORD 2018-07-23/10, art. 8, 007; En vigueur : 01-01-2019>
(2)<ORD 2018-05-03/03, art. 3, 010; En vigueur : 24-05-2018>
(3)<ORD 2020-12-18/18, art. 9, 011; En vigueur : 21-01-2021>
(4)<ORD 2024-03-07/16, art. 29, 017; En vigueur : 01-04-2024>
(5)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; En vigueur : 01-04-2024>
(6)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; En vigueur : 01-04-2024>
(2)<ORD 2018-05-03/03, art. 3, 010; En vigueur : 24-05-2018>
(3)<ORD 2020-12-18/18, art. 9, 011; En vigueur : 21-01-2021>
(4)<ORD 2024-03-07/16, art. 29, 017; En vigueur : 01-04-2024>
(5)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; En vigueur : 01-04-2024>
(6)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; En vigueur : 01-04-2024>
Art. 2_2.7.TOEKOMSTIG_RECHT. § 1. Wanneer het project waarvoor een [5 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]5 is ingediend uit één of [4 meerdere nieuwe, met nieuw gelijkgestelde of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden bestaat]4, verricht de [6 EPB-deskundige]6 [3 een haalbaarheidsstudie naar de technische, milieugerelateerde en economische haalbaarheid van eventuele alternatieve systemen, met een hoog rendement, waarvan minstens de systemen die gebruik maken van energie uit hernieuwbare bronnen]3.
[3 ...]3
De [6 EPB-deskundige]6 maakt de haalbaarheidsstudie over aan de aanvrager vooraleer de aanvraag wordt ingediend.
[4 In dit verband onderzoekt de EPB-deskundige hoe het potentieel voor de productie van zonne-energie kan worden geoptimaliseerd op basis van de zonne-instraling op de site, zodat vervolgens rendabele zonnetechnologieën kunnen worden geplaatst.]4
§ 2. [3 ...]3
§ 3. De Regering definieert de inhoud van de haalbaarheidsstudie [3 ...]3 en kan de draagwijdte ervan beperken in functie van kosten-batencriteria en de kenmerken van de nieuwe [4 , met nieuw gelijkgestelde]4 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheid.
In afwijking van § 1, kan [2 Leefmilieu Brussel]2 een algemene haalbaarheidsstudie verrichten waarvan het de resultaten aan de aanvrager bezorgt.
§ 4. [3 Wanneer het project waarvoor een [5 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]5 werd ingediend bestaat uit één of meerdere nieuwe [4 , met nieuw gelijkgestelde]4 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden, besteedt het ontwerpteam bij de opstelling van het ontwerp aandacht aan de problematiek van een gezond binnenklimaat, [4 klimaatverandering,]4 brandveiligheid en risico's in verband met intense seismische activiteit.]3
[3 ...]3
De [6 EPB-deskundige]6 maakt de haalbaarheidsstudie over aan de aanvrager vooraleer de aanvraag wordt ingediend.
[4 In dit verband onderzoekt de EPB-deskundige hoe het potentieel voor de productie van zonne-energie kan worden geoptimaliseerd op basis van de zonne-instraling op de site, zodat vervolgens rendabele zonnetechnologieën kunnen worden geplaatst.]4
§ 2. [3 ...]3
§ 3. De Regering definieert de inhoud van de haalbaarheidsstudie [3 ...]3 en kan de draagwijdte ervan beperken in functie van kosten-batencriteria en de kenmerken van de nieuwe [4 , met nieuw gelijkgestelde]4 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheid.
In afwijking van § 1, kan [2 Leefmilieu Brussel]2 een algemene haalbaarheidsstudie verrichten waarvan het de resultaten aan de aanvrager bezorgt.
§ 4. [3 Wanneer het project waarvoor een [5 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]5 werd ingediend bestaat uit één of meerdere nieuwe [4 , met nieuw gelijkgestelde]4 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden, besteedt het ontwerpteam bij de opstelling van het ontwerp aandacht aan de problematiek van een gezond binnenklimaat, [4 klimaatverandering,]4 brandveiligheid en risico's in verband met intense seismische activiteit.]3
Wijzigingen
Art. 2_2.7.DROIT_FUTUR. § 1er. Lorsque le projet pour lequel il existe une [6 demande de permis d'urbanisme]6 est constitué d'une ou plusieurs unités PEB neuves, [4 assimilées à du neuf ou rénovées lourdement]4, l'[5 expert PEB]5 rédige une étude de faisabilité [3 qui porte sur la faisabilité technique, environnementale et économique de l'implantation de systèmes de substitution à haute efficacité, dont au minimum les systèmes d'utilisation d'énergie produite à partir de sources renouvelables]3.
[3 ...]3
L'[5 expert PEB]5 transmet l'étude de faisabilité au demandeur avant le dépôt de la demande.
[4 A ce titre, l'[5 expert PEB]5 étudie la manière d'optimiser le potentiel de production d'énergie solaire sur la base de l'irradiation solaire du site, afin de permettre l'installation ultérieure de technologies solaires rentables.]4
§ 2. [3 ...]3
§ 3. Le Gouvernement définit le contenu de l'étude de faisabilité [3 ...]3 et peut en limiter la portée en fonction de critères coût-efficacité et des caractéristiques de l'unité PEB neuve [4 , assimilée à du neuf]4 ou rénovée lourdement.
En dérogation au § 1er, [2 Bruxelles Environnement]2 peut réaliser une étude de faisabilité générale dont il communique les résultats au demandeur.
§ 4. [3 Lorsque le projet pour lequel il existe une [6 demande de permis d'urbanisme]6 est constitué d'une ou plusieurs unités PEB neuves [4 , assimilée à du neuf ]4 ou rénovées lourdement, l'équipe de conception prend en considération dans l'élaboration du projet les questions liées à un climat intérieur sain, [4 au changement climatique,]4 à la sécurité incendie et aux risques liés à une activité sismique intense.]3.
[3 ...]3
L'[5 expert PEB]5 transmet l'étude de faisabilité au demandeur avant le dépôt de la demande.
[4 A ce titre, l'[5 expert PEB]5 étudie la manière d'optimiser le potentiel de production d'énergie solaire sur la base de l'irradiation solaire du site, afin de permettre l'installation ultérieure de technologies solaires rentables.]4
§ 2. [3 ...]3
§ 3. Le Gouvernement définit le contenu de l'étude de faisabilité [3 ...]3 et peut en limiter la portée en fonction de critères coût-efficacité et des caractéristiques de l'unité PEB neuve [4 , assimilée à du neuf]4 ou rénovée lourdement.
En dérogation au § 1er, [2 Bruxelles Environnement]2 peut réaliser une étude de faisabilité générale dont il communique les résultats au demandeur.
§ 4. [3 Lorsque le projet pour lequel il existe une [6 demande de permis d'urbanisme]6 est constitué d'une ou plusieurs unités PEB neuves [4 , assimilée à du neuf ]4 ou rénovées lourdement, l'équipe de conception prend en considération dans l'élaboration du projet les questions liées à un climat intérieur sain, [4 au changement climatique,]4 à la sécurité incendie et aux risques liés à une activité sismique intense.]3.
Wijzigingen
Art. 2.2.8. § 1. Uiterlijk acht dagen voor het begin van de werkzaamheden, verstuurt de aangever [3 schriftelijk]3 de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden [3 en het rekenbestand]3 naar [2 Leefmilieu Brussel]2 voor de nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden [1 of in het in § 4 bedoelde geval,]1 of naar de vergunningverlenende overheid voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden [3 ...]3. [3 ...]3.
§ 2. De kennisgeving van het begin van de werkzaamheden vermeldt de datum van het begin van de werkzaamheden en, desgevallend, de melding dat de berekeningen inzake de naleving van de EPB-eisen werden verricht en beschikbaar zijn.
De Regering kan de vorm en de inhoud van de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden nader bepalen.
§ 3. Deze kennisgeving van het begin van de werkzaamheden wordt opgesteld door :
1° de EPB-adviseur voor de nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden;
2° de architect of de EPB-adviseur als hij door de aangever aangewezen wordt, voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden;
3° de aangever voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden waarvan de [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4 vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect.
[1 § 4. In het geval waarin, bij afwijking van de vorige paragraaf, een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid is opgenomen in dezelfde [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4 als een nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of een zwaar gerenoveerde EPB-eenheid, stelt de EPB-adviseur de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid op.]1
§ 2. De kennisgeving van het begin van de werkzaamheden vermeldt de datum van het begin van de werkzaamheden en, desgevallend, de melding dat de berekeningen inzake de naleving van de EPB-eisen werden verricht en beschikbaar zijn.
De Regering kan de vorm en de inhoud van de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden nader bepalen.
§ 3. Deze kennisgeving van het begin van de werkzaamheden wordt opgesteld door :
1° de EPB-adviseur voor de nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden;
2° de architect of de EPB-adviseur als hij door de aangever aangewezen wordt, voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden;
3° de aangever voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden waarvan de [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4 vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect.
[1 § 4. In het geval waarin, bij afwijking van de vorige paragraaf, een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid is opgenomen in dezelfde [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4 als een nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of een zwaar gerenoveerde EPB-eenheid, stelt de EPB-adviseur de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid op.]1
Art. 2.2.8. § 1er. Au plus tard huit jours avant le début des travaux, le déclarant envoie [3 par écrit]3 la notification du début des travaux [3 et son fichier de calcul]3 à [2 Bruxelles Environnement]2 pour les unités PEB neuves [3 , assimilées à du neuf]3 ou rénovées lourdement [1 ou dans le cas visé au § 4]1, ou à l'autorité délivrante du permis pour les unités PEB rénovées simplement [3 ...]3.
§ 2. La notification du début des travaux contient la date de début des travaux et le cas échéant l'indication que les calculs du respect des exigences PEB ont été réalisés et sont disponibles.
Le Gouvernement peut spécifier la forme et le contenu de la notification de début des travaux.
§ 3. Cette notification de début des travaux est établie par :
1° le conseiller PEB pour les unités PEB neuves [3 , assimilées à du neuf]3 ou rénovées lourdement;
2° l'architecte ou le conseiller PEB quand il est désigné par le déclarant, pour les unités PEB rénovées simplement;
3° le déclarant pour les unités PEB rénovées simplement dont la [4 demande de permis d'urbanisme]4 est dispensée de l'intervention d'un architecte.
[1 § 4. En dérogation au paragraphe précédent, dans le cas où une unité PEB rénovée simplement se trouve dans la même [4 demande de permis d'urbanisme]4 qu'une unité PEB neuve [3 , assimilée à du neuf]3 ou rénovée lourdement, le conseiller PEB établit la notification de début des travaux pour l'unité PEB rénovée simplement.]1
§ 2. La notification du début des travaux contient la date de début des travaux et le cas échéant l'indication que les calculs du respect des exigences PEB ont été réalisés et sont disponibles.
Le Gouvernement peut spécifier la forme et le contenu de la notification de début des travaux.
§ 3. Cette notification de début des travaux est établie par :
1° le conseiller PEB pour les unités PEB neuves [3 , assimilées à du neuf]3 ou rénovées lourdement;
2° l'architecte ou le conseiller PEB quand il est désigné par le déclarant, pour les unités PEB rénovées simplement;
3° le déclarant pour les unités PEB rénovées simplement dont la [4 demande de permis d'urbanisme]4 est dispensée de l'intervention d'un architecte.
[1 § 4. En dérogation au paragraphe précédent, dans le cas où une unité PEB rénovée simplement se trouve dans la même [4 demande de permis d'urbanisme]4 qu'une unité PEB neuve [3 , assimilée à du neuf]3 ou rénovée lourdement, le conseiller PEB établit la notification de début des travaux pour l'unité PEB rénovée simplement.]1
Art. 2_2.8.TOEKOMSTIG_RECHT. § 1. Uiterlijk acht dagen voor het begin van de werkzaamheden, verstuurt de aangever [3 schriftelijk]3 de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden [3 en het rekenbestand]3 naar [2 Leefmilieu Brussel]2 voor de nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden [1 of in het in § 4 bedoelde geval,]1 of naar de vergunningverlenende overheid voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden [3 ...]3. [3 ...]3.
§ 2. De kennisgeving van het begin van de werkzaamheden vermeldt de datum van het begin van de werkzaamheden en, desgevallend, de melding dat de berekeningen inzake de naleving van de EPB-eisen werden verricht en beschikbaar zijn.
De Regering kan de vorm en de inhoud van de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden nader bepalen.
§ 3. Deze kennisgeving van het begin van de werkzaamheden wordt opgesteld door :
1° de [5 EPB-deskundige]5 voor de nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden;
2° de architect of de [5 EPB-deskundige]5 als hij door de aangever aangewezen wordt, voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden;
3° de aangever voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden waarvan de [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4 vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect.
[1 § 4. In het geval waarin, bij afwijking van de vorige paragraaf, een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid is opgenomen in dezelfde [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4 als een nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of een zwaar gerenoveerde EPB-eenheid, stelt de [5 EPB-deskundige]5 de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid op.]1
§ 2. De kennisgeving van het begin van de werkzaamheden vermeldt de datum van het begin van de werkzaamheden en, desgevallend, de melding dat de berekeningen inzake de naleving van de EPB-eisen werden verricht en beschikbaar zijn.
De Regering kan de vorm en de inhoud van de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden nader bepalen.
§ 3. Deze kennisgeving van het begin van de werkzaamheden wordt opgesteld door :
1° de [5 EPB-deskundige]5 voor de nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden;
2° de architect of de [5 EPB-deskundige]5 als hij door de aangever aangewezen wordt, voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden;
3° de aangever voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden waarvan de [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4 vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect.
[1 § 4. In het geval waarin, bij afwijking van de vorige paragraaf, een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid is opgenomen in dezelfde [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4 als een nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of een zwaar gerenoveerde EPB-eenheid, stelt de [5 EPB-deskundige]5 de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid op.]1
Art. 2_2.8.DROIT_FUTUR. § 1er. Au plus tard huit jours avant le début des travaux, le déclarant envoie [3 par écrit]3 la notification du début des travaux [3 et son fichier de calcul]3 à [2 Bruxelles Environnement]2 pour les unités PEB neuves [3 , assimilées à du neuf]3 ou rénovées lourdement [1 ou dans le cas visé au § 4]1, ou à l'autorité délivrante du permis pour les unités PEB rénovées simplement [3 ...]3.
§ 2. La notification du début des travaux contient la date de début des travaux et le cas échéant l'indication que les calculs du respect des exigences PEB ont été réalisés et sont disponibles.
Le Gouvernement peut spécifier la forme et le contenu de la notification de début des travaux.
§ 3. Cette notification de début des travaux est établie par :
1° l'[4 expert PEB]4 pour les unités PEB neuves [3 , assimilées à du neuf]3 ou rénovées lourdement;
2° l'architecte ou l'[4 expert PEB]4 quand il est désigné par le déclarant, pour les unités PEB rénovées simplement;
3° le déclarant pour les unités PEB rénovées simplement dont la [5 demande de permis d'urbanisme]5 est dispensée de l'intervention d'un architecte.
[1 § 4. En dérogation au paragraphe précédent, dans le cas où une unité PEB rénovée simplement se trouve dans la même [5 demande de permis d'urbanisme]5 qu'une unité PEB neuve [3 , assimilée à du neuf]3 ou rénovée lourdement, l'[4 expert PEB]4 établit la notification de début des travaux pour l'unité PEB rénovée simplement.]1
§ 2. La notification du début des travaux contient la date de début des travaux et le cas échéant l'indication que les calculs du respect des exigences PEB ont été réalisés et sont disponibles.
Le Gouvernement peut spécifier la forme et le contenu de la notification de début des travaux.
§ 3. Cette notification de début des travaux est établie par :
1° l'[4 expert PEB]4 pour les unités PEB neuves [3 , assimilées à du neuf]3 ou rénovées lourdement;
2° l'architecte ou l'[4 expert PEB]4 quand il est désigné par le déclarant, pour les unités PEB rénovées simplement;
3° le déclarant pour les unités PEB rénovées simplement dont la [5 demande de permis d'urbanisme]5 est dispensée de l'intervention d'un architecte.
[1 § 4. En dérogation au paragraphe précédent, dans le cas où une unité PEB rénovée simplement se trouve dans la même [5 demande de permis d'urbanisme]5 qu'une unité PEB neuve [3 , assimilée à du neuf]3 ou rénovée lourdement, l'[4 expert PEB]4 établit la notification de début des travaux pour l'unité PEB rénovée simplement.]1
(1)<ORD 2018-07-23/10, art. 9, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
(2)<ORD 2018-05-03/03, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 24-05-2018>
(3)<ORD 2024-03-07/16, art. 31, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(4)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(5)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(2)<ORD 2018-05-03/03, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 24-05-2018>
(3)<ORD 2024-03-07/16, art. 31, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(4)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(5)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(1)<ORD 2018-07-23/10, art. 9, 007; En vigueur : 01-01-2019>
(2)<ORD 2018-05-03/03, art. 3, 010; En vigueur : 24-05-2018>
(3)<ORD 2024-03-07/16, art. 31, 017; En vigueur : 01-04-2024>
(4)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; En vigueur : 01-04-2024>
(5)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; En vigueur : 01-04-2024>
(2)<ORD 2018-05-03/03, art. 3, 010; En vigueur : 24-05-2018>
(3)<ORD 2024-03-07/16, art. 31, 017; En vigueur : 01-04-2024>
(4)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; En vigueur : 01-04-2024>
(5)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; En vigueur : 01-04-2024>
Art. 2_2.8.TOEKOMSTIG_RECHT. § 1. Uiterlijk acht dagen voor het begin van de werkzaamheden, verstuurt de aangever [3 schriftelijk]3 de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden [3 en het rekenbestand]3 naar [2 Leefmilieu Brussel]2 voor de nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden [1 of in het in § 4 bedoelde geval,]1 of naar de vergunningverlenende overheid voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden [3 ...]3. [3 ...]3.
§ 2. De kennisgeving van het begin van de werkzaamheden vermeldt de datum van het begin van de werkzaamheden en, desgevallend, de melding dat de berekeningen inzake de naleving van de EPB-eisen werden verricht en beschikbaar zijn.
De Regering kan de vorm en de inhoud van de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden nader bepalen.
§ 3. Deze kennisgeving van het begin van de werkzaamheden wordt opgesteld door :
1° de [5 EPB-deskundige]5 voor de nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden;
2° de architect of de [5 EPB-deskundige]5 als hij door de aangever aangewezen wordt, voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden;
3° de aangever voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden waarvan de [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4 vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect.
[1 § 4. In het geval waarin, bij afwijking van de vorige paragraaf, een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid is opgenomen in dezelfde [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4 als een nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of een zwaar gerenoveerde EPB-eenheid, stelt de [5 EPB-deskundige]5 de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid op.]1
§ 2. De kennisgeving van het begin van de werkzaamheden vermeldt de datum van het begin van de werkzaamheden en, desgevallend, de melding dat de berekeningen inzake de naleving van de EPB-eisen werden verricht en beschikbaar zijn.
De Regering kan de vorm en de inhoud van de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden nader bepalen.
§ 3. Deze kennisgeving van het begin van de werkzaamheden wordt opgesteld door :
1° de [5 EPB-deskundige]5 voor de nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden;
2° de architect of de [5 EPB-deskundige]5 als hij door de aangever aangewezen wordt, voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden;
3° de aangever voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden waarvan de [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4 vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect.
[1 § 4. In het geval waarin, bij afwijking van de vorige paragraaf, een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid is opgenomen in dezelfde [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4 als een nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of een zwaar gerenoveerde EPB-eenheid, stelt de [5 EPB-deskundige]5 de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid op.]1
Wijzigingen
Art. 2_2.8.DROIT_FUTUR. § 1er. Au plus tard huit jours avant le début des travaux, le déclarant envoie [3 par écrit]3 la notification du début des travaux [3 et son fichier de calcul]3 à [2 Bruxelles Environnement]2 pour les unités PEB neuves [3 , assimilées à du neuf]3 ou rénovées lourdement [1 ou dans le cas visé au § 4]1, ou à l'autorité délivrante du permis pour les unités PEB rénovées simplement [3 ...]3.
§ 2. La notification du début des travaux contient la date de début des travaux et le cas échéant l'indication que les calculs du respect des exigences PEB ont été réalisés et sont disponibles.
Le Gouvernement peut spécifier la forme et le contenu de la notification de début des travaux.
§ 3. Cette notification de début des travaux est établie par :
1° l'[4 expert PEB]4 pour les unités PEB neuves [3 , assimilées à du neuf]3 ou rénovées lourdement;
2° l'architecte ou l'[4 expert PEB]4 quand il est désigné par le déclarant, pour les unités PEB rénovées simplement;
3° le déclarant pour les unités PEB rénovées simplement dont la [5 demande de permis d'urbanisme]5 est dispensée de l'intervention d'un architecte.
[1 § 4. En dérogation au paragraphe précédent, dans le cas où une unité PEB rénovée simplement se trouve dans la même [5 demande de permis d'urbanisme]5 qu'une unité PEB neuve [3 , assimilée à du neuf]3 ou rénovée lourdement, l'[4 expert PEB]4 établit la notification de début des travaux pour l'unité PEB rénovée simplement.]1
§ 2. La notification du début des travaux contient la date de début des travaux et le cas échéant l'indication que les calculs du respect des exigences PEB ont été réalisés et sont disponibles.
Le Gouvernement peut spécifier la forme et le contenu de la notification de début des travaux.
§ 3. Cette notification de début des travaux est établie par :
1° l'[4 expert PEB]4 pour les unités PEB neuves [3 , assimilées à du neuf]3 ou rénovées lourdement;
2° l'architecte ou l'[4 expert PEB]4 quand il est désigné par le déclarant, pour les unités PEB rénovées simplement;
3° le déclarant pour les unités PEB rénovées simplement dont la [5 demande de permis d'urbanisme]5 est dispensée de l'intervention d'un architecte.
[1 § 4. En dérogation au paragraphe précédent, dans le cas où une unité PEB rénovée simplement se trouve dans la même [5 demande de permis d'urbanisme]5 qu'une unité PEB neuve [3 , assimilée à du neuf]3 ou rénovée lourdement, l'[4 expert PEB]4 établit la notification de début des travaux pour l'unité PEB rénovée simplement.]1
Wijzigingen
Art. 2.2.10. § 1. De aangever informeert de EPB-adviseur of de architect over alle gegevens die hij nodig heeft voor de berekening van de energieprestatie en de follow-up van de EPB-eisen, op basis waarvan deze laatste een berekening maakt die hij aan de aangever bezorgt vóór het begin van de werf.
Voor nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden, houden de EPB-adviseur en de architect de gegevens die nodig zijn voor de berekening ter beschikking van [2 Leefmilieu Brussel]2 of, voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden, van de vergunningverlenende overheid.
§ 2. Zodra de werkzaamheden aanvangen en de EPB-adviseur of de architect tijdens de uitvoering van het project vaststelt dat dit afwijkt van de EPB-eisen zoals berekend vóór het begin van de werkzaamheden, maakt hij een nieuwe berekening en verwittigt hij de aangever.
§ 3. De EPB-adviseur of de architect evalueert en neemt op de plaats van de werkzaamheden akte van de maatregelen die getroffen worden om aan de EPB-eisen te voldoen en die nodig zijn voor het opstellen van de EPB-aangifte. Hij berekent of de EPB-eisen van de nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of gerenoveerde EPB-eenheden, zoals ze gerealiseerd werden, nageleefd worden.
§ 4. Zodra de werkzaamheden voltooid zijn, wordt een EPB-aangifte die overeenstemt met de werkelijkheid opgesteld door :
1° de EPB-adviseur voor nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden;
2° de architect of de EPB-adviseur indien hij werd aangesteld door de aangever, voor eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden;
3° de aangever, voor eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden, waarvoor de [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4 is vrijgesteld van de tussenkomst van een architect.
De EPB-adviseur of architect verzendt naar de aangever de eindberekening van de EPB-eisen en de EPB-aangifte die ze op basis van alle voor de berekening noodzakelijke gegevens en vaststellingen opstellen.
§ 5. De EPB-adviseur, de architect of de aangever, in geval van een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid die vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect, bewaart de gegevens en vaststellingen die nodig zijn voor de berekening, de technische rechtvaardigingen en de rekenbestanden gedurende een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de verzending van de EPB-aangifte.
Op vraag van [2 Leefmilieu Brussel]2 of de vergunningverlenende overheid, zal de EPB-adviseur, de architect of de aangever in geval van een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid die vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect, een exemplaar van die documenten ter beschikking stellen.
[1 § 5/1. In het geval waarin, bij afwijking van § 4, een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid is opgenomen in dezelfde [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4 als een nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of een zwaar gerenoveerde EPB-eenheid, stelt de EPB-adviseur de EPB-aangifte voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid op.]1
§ 6. De Regering kan de toepassingsmodaliteiten van de vorige paragrafen nader bepalen.
Voor nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden, houden de EPB-adviseur en de architect de gegevens die nodig zijn voor de berekening ter beschikking van [2 Leefmilieu Brussel]2 of, voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden, van de vergunningverlenende overheid.
§ 2. Zodra de werkzaamheden aanvangen en de EPB-adviseur of de architect tijdens de uitvoering van het project vaststelt dat dit afwijkt van de EPB-eisen zoals berekend vóór het begin van de werkzaamheden, maakt hij een nieuwe berekening en verwittigt hij de aangever.
§ 3. De EPB-adviseur of de architect evalueert en neemt op de plaats van de werkzaamheden akte van de maatregelen die getroffen worden om aan de EPB-eisen te voldoen en die nodig zijn voor het opstellen van de EPB-aangifte. Hij berekent of de EPB-eisen van de nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of gerenoveerde EPB-eenheden, zoals ze gerealiseerd werden, nageleefd worden.
§ 4. Zodra de werkzaamheden voltooid zijn, wordt een EPB-aangifte die overeenstemt met de werkelijkheid opgesteld door :
1° de EPB-adviseur voor nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden;
2° de architect of de EPB-adviseur indien hij werd aangesteld door de aangever, voor eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden;
3° de aangever, voor eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden, waarvoor de [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4 is vrijgesteld van de tussenkomst van een architect.
De EPB-adviseur of architect verzendt naar de aangever de eindberekening van de EPB-eisen en de EPB-aangifte die ze op basis van alle voor de berekening noodzakelijke gegevens en vaststellingen opstellen.
§ 5. De EPB-adviseur, de architect of de aangever, in geval van een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid die vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect, bewaart de gegevens en vaststellingen die nodig zijn voor de berekening, de technische rechtvaardigingen en de rekenbestanden gedurende een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de verzending van de EPB-aangifte.
Op vraag van [2 Leefmilieu Brussel]2 of de vergunningverlenende overheid, zal de EPB-adviseur, de architect of de aangever in geval van een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid die vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect, een exemplaar van die documenten ter beschikking stellen.
[1 § 5/1. In het geval waarin, bij afwijking van § 4, een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid is opgenomen in dezelfde [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4 als een nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of een zwaar gerenoveerde EPB-eenheid, stelt de EPB-adviseur de EPB-aangifte voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid op.]1
§ 6. De Regering kan de toepassingsmodaliteiten van de vorige paragrafen nader bepalen.
Art. 2.2.10. § 1er. Le déclarant informe le conseiller PEB ou l'architecte de toutes les données nécessaires au calcul de la performance énergétique et au suivi des exigences PEB, sur la base desquelles ce dernier effectue un calcul qu'il transmet au déclarant avant le début du chantier.
Le conseiller PEB et l'architecte tiennent les données nécessaires au calcul à disposition de [2 Bruxelles Environnement]2, pour les unités PEB neuves [3 , assimilées à du neuf]3 ou rénovées lourdement, ou de l'autorité délivrante pour les unités PEB rénovées simplement.
§ 2. Dès le début du chantier, lorsque le conseiller PEB ou l'architecte constate, en cours de réalisation du projet, que celui-ci s'écarte des exigences PEB telles que calculées avant le début du chantier, il effectue un nouveau calcul, et en informe le déclarant.
§ 3. Le conseiller PEB ou l'architecte évalue et constate sur chantier les dispositions prises en vue de respecter les exigences PEB et nécessaires à l'établissement de la déclaration PEB. Il calcule le respect des exigences PEB des unités PEB neuves [3 , assimilées à du neuf]3 ou rénovées, telles que réalisées.
§ 4. Dès que le chantier est terminé, une déclaration PEB conforme à la réalité est établie par :
1° le conseiller PEB pour les unités PEB neuves [3 , assimilées à du neuf]3 ou rénovées lourdement;
2° l'architecte ou le conseiller PEB quand il est désigné par le déclarant, pour les unités PEB rénovées simplement;
3° le déclarant pour les unités PEB rénovées simplement dont la [4 demande de permis d'urbanisme]4 est dispensée de l'intervention d'un architecte.
Le conseiller PEB ou l'architecte envoie au déclarant le calcul final des exigences PEB et la déclaration PEB qu'ils établissent sur la base de toutes les données et constats nécessaires au calcul.
§ 5. Le conseiller PEB, l'architecte ou le déclarant en cas d'unité PEB rénovée simplement dispensée de l'intervention d'un architecte conserve, pendant une durée de cinq ans à dater de l'envoi de la déclaration PEB, les données et constats nécessaires au calcul, les justificatifs techniques et les fichiers de calcul.
Sur demande de [2 Bruxelles Environnement]2 ou de l'autorité délivrante du permis, le conseiller PEB, l'architecte, ou le déclarant en cas d'unité PEB rénovée simplement dispensée de l'intervention d'un architecte, mettra un exemplaire de ces documents à disposition.
[1 § 5/1. En dérogation au § 4, dans le cas où une unité PEB rénovée simplement se trouve dans la même [4 demande de permis d'urbanisme]4 qu'une unité PEB neuve [3 , assimilée à du neuf]3 ou rénovée lourdement, le conseiller PEB établit la déclaration PEB pour l'unité PEB rénovée simplement.]1
§ 6. Le Gouvernement peut préciser les modalités d'application des paragraphes précédents.
Le conseiller PEB et l'architecte tiennent les données nécessaires au calcul à disposition de [2 Bruxelles Environnement]2, pour les unités PEB neuves [3 , assimilées à du neuf]3 ou rénovées lourdement, ou de l'autorité délivrante pour les unités PEB rénovées simplement.
§ 2. Dès le début du chantier, lorsque le conseiller PEB ou l'architecte constate, en cours de réalisation du projet, que celui-ci s'écarte des exigences PEB telles que calculées avant le début du chantier, il effectue un nouveau calcul, et en informe le déclarant.
§ 3. Le conseiller PEB ou l'architecte évalue et constate sur chantier les dispositions prises en vue de respecter les exigences PEB et nécessaires à l'établissement de la déclaration PEB. Il calcule le respect des exigences PEB des unités PEB neuves [3 , assimilées à du neuf]3 ou rénovées, telles que réalisées.
§ 4. Dès que le chantier est terminé, une déclaration PEB conforme à la réalité est établie par :
1° le conseiller PEB pour les unités PEB neuves [3 , assimilées à du neuf]3 ou rénovées lourdement;
2° l'architecte ou le conseiller PEB quand il est désigné par le déclarant, pour les unités PEB rénovées simplement;
3° le déclarant pour les unités PEB rénovées simplement dont la [4 demande de permis d'urbanisme]4 est dispensée de l'intervention d'un architecte.
Le conseiller PEB ou l'architecte envoie au déclarant le calcul final des exigences PEB et la déclaration PEB qu'ils établissent sur la base de toutes les données et constats nécessaires au calcul.
§ 5. Le conseiller PEB, l'architecte ou le déclarant en cas d'unité PEB rénovée simplement dispensée de l'intervention d'un architecte conserve, pendant une durée de cinq ans à dater de l'envoi de la déclaration PEB, les données et constats nécessaires au calcul, les justificatifs techniques et les fichiers de calcul.
Sur demande de [2 Bruxelles Environnement]2 ou de l'autorité délivrante du permis, le conseiller PEB, l'architecte, ou le déclarant en cas d'unité PEB rénovée simplement dispensée de l'intervention d'un architecte, mettra un exemplaire de ces documents à disposition.
[1 § 5/1. En dérogation au § 4, dans le cas où une unité PEB rénovée simplement se trouve dans la même [4 demande de permis d'urbanisme]4 qu'une unité PEB neuve [3 , assimilée à du neuf]3 ou rénovée lourdement, le conseiller PEB établit la déclaration PEB pour l'unité PEB rénovée simplement.]1
§ 6. Le Gouvernement peut préciser les modalités d'application des paragraphes précédents.
Art. 2_2.10.TOEKOMSTIG_RECHT. § 1. De aangever informeert de [5 EPB-deskundige]5 of de architect over alle gegevens die hij nodig heeft voor de berekening van de energieprestatie en de follow-up van de EPB-eisen, op basis waarvan deze laatste een berekening maakt die hij aan de aangever bezorgt vóór het begin van de werf.
Voor nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden, houden de [5 EPB-deskundige]5 en de architect de gegevens die nodig zijn voor de berekening ter beschikking van [2 Leefmilieu Brussel]2 of, voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden, van de vergunningverlenende overheid.
§ 2. Zodra de werkzaamheden aanvangen en de [5 EPB-deskundige]5 of de architect tijdens de uitvoering van het project vaststelt dat dit afwijkt van de EPB-eisen zoals berekend vóór het begin van de werkzaamheden, maakt hij een nieuwe berekening en verwittigt hij de aangever.
§ 3. De [5 EPB-deskundige]5 of de architect evalueert en neemt op de plaats van de werkzaamheden akte van de maatregelen die getroffen worden om aan de EPB-eisen te voldoen en die nodig zijn voor het opstellen van de EPB-aangifte. Hij berekent of de EPB-eisen van de nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of gerenoveerde EPB-eenheden, zoals ze gerealiseerd werden, nageleefd worden.
§ 4. Zodra de werkzaamheden voltooid zijn, wordt een EPB-aangifte die overeenstemt met de werkelijkheid opgesteld door :
1° de [5 EPB-deskundige]5 voor nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden;
2° de architect of de [5 EPB-deskundige]5 indien hij werd aangesteld door de aangever, voor eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden;
3° de aangever, voor eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden, waarvoor de [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4 is vrijgesteld van de tussenkomst van een architect.
De [5 EPB-deskundige]5 of architect verzendt naar de aangever de eindberekening van de EPB-eisen en de EPB-aangifte die ze op basis van alle voor de berekening noodzakelijke gegevens en vaststellingen opstellen.
§ 5. De [5 EPB-deskundige]5, de architect of de aangever, in geval van een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid die vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect, bewaart de gegevens en vaststellingen die nodig zijn voor de berekening, de technische rechtvaardigingen en de rekenbestanden gedurende een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de verzending van de EPB-aangifte.
Op vraag van [2 Leefmilieu Brussel]2 of de vergunningverlenende overheid, zal de [5 EPB-deskundige]5, de architect of de aangever in geval van een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid die vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect, een exemplaar van die documenten ter beschikking stellen.
[1 § 5/1. In het geval waarin, bij afwijking van § 4, een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid is opgenomen in dezelfde [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4 als een nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of een zwaar gerenoveerde EPB-eenheid, stelt de [5 EPB-deskundige]5 de EPB-aangifte voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid op.]1
§ 6. De Regering kan de toepassingsmodaliteiten van de vorige paragrafen nader bepalen.
Voor nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden, houden de [5 EPB-deskundige]5 en de architect de gegevens die nodig zijn voor de berekening ter beschikking van [2 Leefmilieu Brussel]2 of, voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden, van de vergunningverlenende overheid.
§ 2. Zodra de werkzaamheden aanvangen en de [5 EPB-deskundige]5 of de architect tijdens de uitvoering van het project vaststelt dat dit afwijkt van de EPB-eisen zoals berekend vóór het begin van de werkzaamheden, maakt hij een nieuwe berekening en verwittigt hij de aangever.
§ 3. De [5 EPB-deskundige]5 of de architect evalueert en neemt op de plaats van de werkzaamheden akte van de maatregelen die getroffen worden om aan de EPB-eisen te voldoen en die nodig zijn voor het opstellen van de EPB-aangifte. Hij berekent of de EPB-eisen van de nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of gerenoveerde EPB-eenheden, zoals ze gerealiseerd werden, nageleefd worden.
§ 4. Zodra de werkzaamheden voltooid zijn, wordt een EPB-aangifte die overeenstemt met de werkelijkheid opgesteld door :
1° de [5 EPB-deskundige]5 voor nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden;
2° de architect of de [5 EPB-deskundige]5 indien hij werd aangesteld door de aangever, voor eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden;
3° de aangever, voor eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden, waarvoor de [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4 is vrijgesteld van de tussenkomst van een architect.
De [5 EPB-deskundige]5 of architect verzendt naar de aangever de eindberekening van de EPB-eisen en de EPB-aangifte die ze op basis van alle voor de berekening noodzakelijke gegevens en vaststellingen opstellen.
§ 5. De [5 EPB-deskundige]5, de architect of de aangever, in geval van een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid die vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect, bewaart de gegevens en vaststellingen die nodig zijn voor de berekening, de technische rechtvaardigingen en de rekenbestanden gedurende een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de verzending van de EPB-aangifte.
Op vraag van [2 Leefmilieu Brussel]2 of de vergunningverlenende overheid, zal de [5 EPB-deskundige]5, de architect of de aangever in geval van een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid die vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect, een exemplaar van die documenten ter beschikking stellen.
[1 § 5/1. In het geval waarin, bij afwijking van § 4, een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid is opgenomen in dezelfde [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4 als een nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of een zwaar gerenoveerde EPB-eenheid, stelt de [5 EPB-deskundige]5 de EPB-aangifte voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid op.]1
§ 6. De Regering kan de toepassingsmodaliteiten van de vorige paragrafen nader bepalen.
Art. 2_2.10.DROIT_FUTUR. § 1er. Le déclarant informe l'[4 expert PEB]4 ou l'architecte de toutes les données nécessaires au calcul de la performance énergétique et au suivi des exigences PEB, sur la base desquelles ce dernier effectue un calcul qu'il transmet au déclarant avant le début du chantier.
L'[4 expert PEB]4 et l'architecte tiennent les données nécessaires au calcul à disposition de [2 Bruxelles Environnement]2, pour les unités PEB neuves [3 , assimilées à du neuf]3 ou rénovées lourdement, ou de l'autorité délivrante pour les unités PEB rénovées simplement.
§ 2. Dès le début du chantier, lorsque l'[4 expert PEB]4 ou l'architecte constate, en cours de réalisation du projet, que celui-ci s'écarte des exigences PEB telles que calculées avant le début du chantier, il effectue un nouveau calcul, et en informe le déclarant.
§ 3. L'[4 expert PEB]4 ou l'architecte évalue et constate sur chantier les dispositions prises en vue de respecter les exigences PEB et nécessaires à l'établissement de la déclaration PEB. Il calcule le respect des exigences PEB des unités PEB neuves [3 , assimilées à du neuf]3 ou rénovées, telles que réalisées.
§ 4. Dès que le chantier est terminé, une déclaration PEB conforme à la réalité est établie par :
1° l'[4 expert PEB]4 pour les unités PEB neuves [3 , assimilées à du neuf]3 ou rénovées lourdement;
2° l'architecte ou l'[4 expert PEB]4 quand il est désigné par le déclarant, pour les unités PEB rénovées simplement;
3° le déclarant pour les unités PEB rénovées simplement dont la [5 demande de permis d'urbanisme]5 est dispensée de l'intervention d'un architecte.
L'[4 expert PEB]4 ou l'architecte envoie au déclarant le calcul final des exigences PEB et la déclaration PEB qu'ils établissent sur la base de toutes les données et constats nécessaires au calcul.
§ 5. L'[4 expert PEB]4, l'architecte ou le déclarant en cas d'unité PEB rénovée simplement dispensée de l'intervention d'un architecte conserve, pendant une durée de cinq ans à dater de l'envoi de la déclaration PEB, les données et constats nécessaires au calcul, les justificatifs techniques et les fichiers de calcul.
Sur demande de [2 Bruxelles Environnement]2 ou de l'autorité délivrante du permis, l'[4 expert PEB]4, l'architecte, ou le déclarant en cas d'unité PEB rénovée simplement dispensée de l'intervention d'un architecte, mettra un exemplaire de ces documents à disposition.
[1 § 5/1. En dérogation au § 4, dans le cas où une unité PEB rénovée simplement se trouve dans la même [5 demande de permis d'urbanisme]5 qu'une unité PEB neuve [3 , assimilée à du neuf]3 ou rénovée lourdement, l'[4 expert PEB]4 établit la déclaration PEB pour l'unité PEB rénovée simplement.]1
§ 6. Le Gouvernement peut préciser les modalités d'application des paragraphes précédents.
L'[4 expert PEB]4 et l'architecte tiennent les données nécessaires au calcul à disposition de [2 Bruxelles Environnement]2, pour les unités PEB neuves [3 , assimilées à du neuf]3 ou rénovées lourdement, ou de l'autorité délivrante pour les unités PEB rénovées simplement.
§ 2. Dès le début du chantier, lorsque l'[4 expert PEB]4 ou l'architecte constate, en cours de réalisation du projet, que celui-ci s'écarte des exigences PEB telles que calculées avant le début du chantier, il effectue un nouveau calcul, et en informe le déclarant.
§ 3. L'[4 expert PEB]4 ou l'architecte évalue et constate sur chantier les dispositions prises en vue de respecter les exigences PEB et nécessaires à l'établissement de la déclaration PEB. Il calcule le respect des exigences PEB des unités PEB neuves [3 , assimilées à du neuf]3 ou rénovées, telles que réalisées.
§ 4. Dès que le chantier est terminé, une déclaration PEB conforme à la réalité est établie par :
1° l'[4 expert PEB]4 pour les unités PEB neuves [3 , assimilées à du neuf]3 ou rénovées lourdement;
2° l'architecte ou l'[4 expert PEB]4 quand il est désigné par le déclarant, pour les unités PEB rénovées simplement;
3° le déclarant pour les unités PEB rénovées simplement dont la [5 demande de permis d'urbanisme]5 est dispensée de l'intervention d'un architecte.
L'[4 expert PEB]4 ou l'architecte envoie au déclarant le calcul final des exigences PEB et la déclaration PEB qu'ils établissent sur la base de toutes les données et constats nécessaires au calcul.
§ 5. L'[4 expert PEB]4, l'architecte ou le déclarant en cas d'unité PEB rénovée simplement dispensée de l'intervention d'un architecte conserve, pendant une durée de cinq ans à dater de l'envoi de la déclaration PEB, les données et constats nécessaires au calcul, les justificatifs techniques et les fichiers de calcul.
Sur demande de [2 Bruxelles Environnement]2 ou de l'autorité délivrante du permis, l'[4 expert PEB]4, l'architecte, ou le déclarant en cas d'unité PEB rénovée simplement dispensée de l'intervention d'un architecte, mettra un exemplaire de ces documents à disposition.
[1 § 5/1. En dérogation au § 4, dans le cas où une unité PEB rénovée simplement se trouve dans la même [5 demande de permis d'urbanisme]5 qu'une unité PEB neuve [3 , assimilée à du neuf]3 ou rénovée lourdement, l'[4 expert PEB]4 établit la déclaration PEB pour l'unité PEB rénovée simplement.]1
§ 6. Le Gouvernement peut préciser les modalités d'application des paragraphes précédents.
(1)<ORD 2018-07-23/10, art. 10, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
(2)<ORD 2018-05-03/03, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 24-05-2018>
(3)<ORD 2024-03-07/16, art. 33, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(4)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(5)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(2)<ORD 2018-05-03/03, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 24-05-2018>
(3)<ORD 2024-03-07/16, art. 33, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(4)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(5)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(1)<ORD 2018-07-23/10, art. 10, 007; En vigueur : 01-01-2019>
(2)<ORD 2018-05-03/03, art. 3, 010; En vigueur : 24-05-2018>
(3)<ORD 2024-03-07/16, art. 33, 017; En vigueur : 01-04-2024>
(4)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; En vigueur : 01-04-2024>
(5)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; En vigueur : 01-04-2024>
(2)<ORD 2018-05-03/03, art. 3, 010; En vigueur : 24-05-2018>
(3)<ORD 2024-03-07/16, art. 33, 017; En vigueur : 01-04-2024>
(4)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; En vigueur : 01-04-2024>
(5)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; En vigueur : 01-04-2024>
Art. 2_2.10.TOEKOMSTIG_RECHT. § 1. De aangever informeert de [5 EPB-deskundige]5 of de architect over alle gegevens die hij nodig heeft voor de berekening van de energieprestatie en de follow-up van de EPB-eisen, op basis waarvan deze laatste een berekening maakt die hij aan de aangever bezorgt vóór het begin van de werf.
Voor nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden, houden de [5 EPB-deskundige]5 en de architect de gegevens die nodig zijn voor de berekening ter beschikking van [2 Leefmilieu Brussel]2 of, voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden, van de vergunningverlenende overheid.
§ 2. Zodra de werkzaamheden aanvangen en de [5 EPB-deskundige]5 of de architect tijdens de uitvoering van het project vaststelt dat dit afwijkt van de EPB-eisen zoals berekend vóór het begin van de werkzaamheden, maakt hij een nieuwe berekening en verwittigt hij de aangever.
§ 3. De [5 EPB-deskundige]5 of de architect evalueert en neemt op de plaats van de werkzaamheden akte van de maatregelen die getroffen worden om aan de EPB-eisen te voldoen en die nodig zijn voor het opstellen van de EPB-aangifte. Hij berekent of de EPB-eisen van de nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of gerenoveerde EPB-eenheden, zoals ze gerealiseerd werden, nageleefd worden.
§ 4. Zodra de werkzaamheden voltooid zijn, wordt een EPB-aangifte die overeenstemt met de werkelijkheid opgesteld door :
1° de [5 EPB-deskundige]5 voor nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden;
2° de architect of de [5 EPB-deskundige]5 indien hij werd aangesteld door de aangever, voor eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden;
3° de aangever, voor eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden, waarvoor de [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4 is vrijgesteld van de tussenkomst van een architect.
De [5 EPB-deskundige]5 of architect verzendt naar de aangever de eindberekening van de EPB-eisen en de EPB-aangifte die ze op basis van alle voor de berekening noodzakelijke gegevens en vaststellingen opstellen.
§ 5. De [5 EPB-deskundige]5, de architect of de aangever, in geval van een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid die vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect, bewaart de gegevens en vaststellingen die nodig zijn voor de berekening, de technische rechtvaardigingen en de rekenbestanden gedurende een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de verzending van de EPB-aangifte.
Op vraag van [2 Leefmilieu Brussel]2 of de vergunningverlenende overheid, zal de [5 EPB-deskundige]5, de architect of de aangever in geval van een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid die vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect, een exemplaar van die documenten ter beschikking stellen.
[1 § 5/1. In het geval waarin, bij afwijking van § 4, een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid is opgenomen in dezelfde [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4 als een nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of een zwaar gerenoveerde EPB-eenheid, stelt de [5 EPB-deskundige]5 de EPB-aangifte voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid op.]1
§ 6. De Regering kan de toepassingsmodaliteiten van de vorige paragrafen nader bepalen.
Voor nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden, houden de [5 EPB-deskundige]5 en de architect de gegevens die nodig zijn voor de berekening ter beschikking van [2 Leefmilieu Brussel]2 of, voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden, van de vergunningverlenende overheid.
§ 2. Zodra de werkzaamheden aanvangen en de [5 EPB-deskundige]5 of de architect tijdens de uitvoering van het project vaststelt dat dit afwijkt van de EPB-eisen zoals berekend vóór het begin van de werkzaamheden, maakt hij een nieuwe berekening en verwittigt hij de aangever.
§ 3. De [5 EPB-deskundige]5 of de architect evalueert en neemt op de plaats van de werkzaamheden akte van de maatregelen die getroffen worden om aan de EPB-eisen te voldoen en die nodig zijn voor het opstellen van de EPB-aangifte. Hij berekent of de EPB-eisen van de nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of gerenoveerde EPB-eenheden, zoals ze gerealiseerd werden, nageleefd worden.
§ 4. Zodra de werkzaamheden voltooid zijn, wordt een EPB-aangifte die overeenstemt met de werkelijkheid opgesteld door :
1° de [5 EPB-deskundige]5 voor nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden;
2° de architect of de [5 EPB-deskundige]5 indien hij werd aangesteld door de aangever, voor eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden;
3° de aangever, voor eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden, waarvoor de [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4 is vrijgesteld van de tussenkomst van een architect.
De [5 EPB-deskundige]5 of architect verzendt naar de aangever de eindberekening van de EPB-eisen en de EPB-aangifte die ze op basis van alle voor de berekening noodzakelijke gegevens en vaststellingen opstellen.
§ 5. De [5 EPB-deskundige]5, de architect of de aangever, in geval van een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid die vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect, bewaart de gegevens en vaststellingen die nodig zijn voor de berekening, de technische rechtvaardigingen en de rekenbestanden gedurende een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de verzending van de EPB-aangifte.
Op vraag van [2 Leefmilieu Brussel]2 of de vergunningverlenende overheid, zal de [5 EPB-deskundige]5, de architect of de aangever in geval van een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid die vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect, een exemplaar van die documenten ter beschikking stellen.
[1 § 5/1. In het geval waarin, bij afwijking van § 4, een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid is opgenomen in dezelfde [4 aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning]4 als een nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of een zwaar gerenoveerde EPB-eenheid, stelt de [5 EPB-deskundige]5 de EPB-aangifte voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid op.]1
§ 6. De Regering kan de toepassingsmodaliteiten van de vorige paragrafen nader bepalen.
Wijzigingen
Art. 2_2.10.DROIT_FUTUR. § 1er. Le déclarant informe l'[4 expert PEB]4 ou l'architecte de toutes les données nécessaires au calcul de la performance énergétique et au suivi des exigences PEB, sur la base desquelles ce dernier effectue un calcul qu'il transmet au déclarant avant le début du chantier.
L'[4 expert PEB]4 et l'architecte tiennent les données nécessaires au calcul à disposition de [2 Bruxelles Environnement]2, pour les unités PEB neuves [3 , assimilées à du neuf]3 ou rénovées lourdement, ou de l'autorité délivrante pour les unités PEB rénovées simplement.
§ 2. Dès le début du chantier, lorsque l'[4 expert PEB]4 ou l'architecte constate, en cours de réalisation du projet, que celui-ci s'écarte des exigences PEB telles que calculées avant le début du chantier, il effectue un nouveau calcul, et en informe le déclarant.
§ 3. L'[4 expert PEB]4 ou l'architecte évalue et constate sur chantier les dispositions prises en vue de respecter les exigences PEB et nécessaires à l'établissement de la déclaration PEB. Il calcule le respect des exigences PEB des unités PEB neuves [3 , assimilées à du neuf]3 ou rénovées, telles que réalisées.
§ 4. Dès que le chantier est terminé, une déclaration PEB conforme à la réalité est établie par :
1° l'[4 expert PEB]4 pour les unités PEB neuves [3 , assimilées à du neuf]3 ou rénovées lourdement;
2° l'architecte ou l'[4 expert PEB]4 quand il est désigné par le déclarant, pour les unités PEB rénovées simplement;
3° le déclarant pour les unités PEB rénovées simplement dont la [5 demande de permis d'urbanisme]5 est dispensée de l'intervention d'un architecte.
L'[4 expert PEB]4 ou l'architecte envoie au déclarant le calcul final des exigences PEB et la déclaration PEB qu'ils établissent sur la base de toutes les données et constats nécessaires au calcul.
§ 5. L'[4 expert PEB]4, l'architecte ou le déclarant en cas d'unité PEB rénovée simplement dispensée de l'intervention d'un architecte conserve, pendant une durée de cinq ans à dater de l'envoi de la déclaration PEB, les données et constats nécessaires au calcul, les justificatifs techniques et les fichiers de calcul.
Sur demande de [2 Bruxelles Environnement]2 ou de l'autorité délivrante du permis, l'[4 expert PEB]4, l'architecte, ou le déclarant en cas d'unité PEB rénovée simplement dispensée de l'intervention d'un architecte, mettra un exemplaire de ces documents à disposition.
[1 § 5/1. En dérogation au § 4, dans le cas où une unité PEB rénovée simplement se trouve dans la même [5 demande de permis d'urbanisme]5 qu'une unité PEB neuve [3 , assimilée à du neuf]3 ou rénovée lourdement, l'[4 expert PEB]4 établit la déclaration PEB pour l'unité PEB rénovée simplement.]1
§ 6. Le Gouvernement peut préciser les modalités d'application des paragraphes précédents.
L'[4 expert PEB]4 et l'architecte tiennent les données nécessaires au calcul à disposition de [2 Bruxelles Environnement]2, pour les unités PEB neuves [3 , assimilées à du neuf]3 ou rénovées lourdement, ou de l'autorité délivrante pour les unités PEB rénovées simplement.
§ 2. Dès le début du chantier, lorsque l'[4 expert PEB]4 ou l'architecte constate, en cours de réalisation du projet, que celui-ci s'écarte des exigences PEB telles que calculées avant le début du chantier, il effectue un nouveau calcul, et en informe le déclarant.
§ 3. L'[4 expert PEB]4 ou l'architecte évalue et constate sur chantier les dispositions prises en vue de respecter les exigences PEB et nécessaires à l'établissement de la déclaration PEB. Il calcule le respect des exigences PEB des unités PEB neuves [3 , assimilées à du neuf]3 ou rénovées, telles que réalisées.
§ 4. Dès que le chantier est terminé, une déclaration PEB conforme à la réalité est établie par :
1° l'[4 expert PEB]4 pour les unités PEB neuves [3 , assimilées à du neuf]3 ou rénovées lourdement;
2° l'architecte ou l'[4 expert PEB]4 quand il est désigné par le déclarant, pour les unités PEB rénovées simplement;
3° le déclarant pour les unités PEB rénovées simplement dont la [5 demande de permis d'urbanisme]5 est dispensée de l'intervention d'un architecte.
L'[4 expert PEB]4 ou l'architecte envoie au déclarant le calcul final des exigences PEB et la déclaration PEB qu'ils établissent sur la base de toutes les données et constats nécessaires au calcul.
§ 5. L'[4 expert PEB]4, l'architecte ou le déclarant en cas d'unité PEB rénovée simplement dispensée de l'intervention d'un architecte conserve, pendant une durée de cinq ans à dater de l'envoi de la déclaration PEB, les données et constats nécessaires au calcul, les justificatifs techniques et les fichiers de calcul.
Sur demande de [2 Bruxelles Environnement]2 ou de l'autorité délivrante du permis, l'[4 expert PEB]4, l'architecte, ou le déclarant en cas d'unité PEB rénovée simplement dispensée de l'intervention d'un architecte, mettra un exemplaire de ces documents à disposition.
[1 § 5/1. En dérogation au § 4, dans le cas où une unité PEB rénovée simplement se trouve dans la même [5 demande de permis d'urbanisme]5 qu'une unité PEB neuve [3 , assimilée à du neuf]3 ou rénovée lourdement, l'[4 expert PEB]4 établit la déclaration PEB pour l'unité PEB rénovée simplement.]1
§ 6. Le Gouvernement peut préciser les modalités d'application des paragraphes précédents.
Wijzigingen
Art. 2.2.11. § 1. De EPB-aangifte wordt door de aangever [3 schriftelijk]3 , bezorgd aan [2 Leefmilieu Brussel]2 uiterlijk [1 twee]1 maanden na het einde van de werkzaamheden en, in voorkomend geval, uiterlijk twee maanden na de voorlopige oplevering van de werken wanneer het gaat om nieuwe [3 , met nieuw gelijkgestelde]3 of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden [1 of in het in artikel 2.2.10, § 5/1 bedoelde geval,]1 of aan de vergunningverlenende overheid voor eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden. In voorkomend geval voegt de aangever de afwijking bedoeld in artikel 2.2.4, §§ 1 en 2 bij de EPB-aangifte.
§ 2. De EPB-adviseur of de architect die de EPB-aangifte overeenkomstig artikel 2.2.10 heeft opgemaakt, bezorgt, binnen dezelfde termijn, het rekenbestand in elektronische vorm respectievelijk aan [2 Leefmilieu Brussel]2 of aan de vergunningverlenende overheid.
§ 3. [3 § 3. Na de werkzaamheden aan een nieuwe, met nieuw gelijkgestelde, of zwaar gerenoveerde EPB-eenheid, wordt op basis van de EPB-aangifte een EPB-certificaat opgesteld en door de EPB-deskundige aan de aangever en aan de vereniging van mede-eigenaars in het geval van EPB-eenheden in mede-eigendom toegezonden, binnen 30 dagen nadat de EPB-aangifte en het berekeningsdossier door Leefmilieu Brussel volledig zijn verklaard]3.
§ 4. De Regering bepaalt de inhoud en de vorm van de EPB-aangifte.
§ 5. De installaties of constructies vermeld in de EPB-aangifte mogen slechts worden gewijzigd of vervangen in de mate dat die wijzigingen of vervangingen geen nadelige gevolgen hebben voor de berekening van de naleving van de EPB-eisen, zoals vermeld in de EPB-aangifte.
§ 2. De EPB-adviseur of de architect die de EPB-aangifte overeenkomstig artikel 2.2.10 heeft opgemaakt, bezorgt, binnen dezelfde termijn, het rekenbestand in elektronische vorm respectievelijk aan [2 Leefmilieu Brussel]2 of aan de vergunningverlenende overheid.
§ 3. [3 § 3. Na de werkzaamheden aan een nieuwe, met nieuw gelijkgestelde, of zwaar gerenoveerde EPB-eenheid, wordt op basis van de EPB-aangifte een EPB-certificaat opgesteld en door de EPB-deskundige aan de aangever en aan de vereniging van mede-eigenaars in het geval van EPB-eenheden in mede-eigendom toegezonden, binnen 30 dagen nadat de EPB-aangifte en het berekeningsdossier door Leefmilieu Brussel volledig zijn verklaard]3.
§ 4. De Regering bepaalt de inhoud en de vorm van de EPB-aangifte.
§ 5. De installaties of constructies vermeld in de EPB-aangifte mogen slechts worden gewijzigd of vervangen in de mate dat die wijzigingen of vervangingen geen nadelige gevolgen hebben voor de berekening van de naleving van de EPB-eisen, zoals vermeld in de EPB-aangifte.
Art. 2.2.11. § 1er. La déclaration PEB est adressée par le déclarant, [3 par écrit]3, au plus tard [1 deux]1 mois après la fin des travaux et, le cas échéant, au plus tard deux mois après la réception provisoire des travaux, à [2 Bruxelles Environnement]2 pour les unités PEB neuves [3 assimilées à du neuf]3 ou rénovées lourdement [1 ou dans le cas visé à l'article 2.2.10, § 5/1]1, ou à l'autorité délivrante du permis pour les unités PEB rénovées simplement. Le cas échéant, le déclarant joint à la déclaration PEB la dérogation visée à l'article 2.2.4, §§ 1er et 2.
§ 2. Le conseiller PEB ou l'architecte qui a établi la déclaration PEB conformément à l'article 2.2.10 communique, respectivement à [2 Bruxelles Environnement]2 ou à l'autorité délivrante, dans le même délai, le fichier de calcul sous forme électronique.
§ 3. [3 A l'issue des travaux d'une unité PEB neuve, assimilée à du neuf ou rénovée lourdement, un certificat PEB est établi sur la base de la déclaration PEB et transmis par l'expert PEB au déclarant et à l'association des copropriétaires en cas d'unités PEB en copropriété, dans un délai de 30 jours à compter du moment où la déclaration PEB avec le fichier de calcul sont déclarés complets par Bruxelles Environnement]3.
§ 4. Le Gouvernement détermine le contenu et la forme de la déclaration PEB.
§ 5. Les installations ou constructions mentionnées dans la déclaration PEB ne peuvent être modifiées ou remplacées que dans la mesure où ces modifications ou remplacements ne sont pas défavorables pour le calcul du respect des exigences PEB, tel que mentionné dans la déclaration PEB.
§ 2. Le conseiller PEB ou l'architecte qui a établi la déclaration PEB conformément à l'article 2.2.10 communique, respectivement à [2 Bruxelles Environnement]2 ou à l'autorité délivrante, dans le même délai, le fichier de calcul sous forme électronique.
§ 3. [3 A l'issue des travaux d'une unité PEB neuve, assimilée à du neuf ou rénovée lourdement, un certificat PEB est établi sur la base de la déclaration PEB et transmis par l'expert PEB au déclarant et à l'association des copropriétaires en cas d'unités PEB en copropriété, dans un délai de 30 jours à compter du moment où la déclaration PEB avec le fichier de calcul sont déclarés complets par Bruxelles Environnement]3.
§ 4. Le Gouvernement détermine le contenu et la forme de la déclaration PEB.
§ 5. Les installations ou constructions mentionnées dans la déclaration PEB ne peuvent être modifiées ou remplacées que dans la mesure où ces modifications ou remplacements ne sont pas défavorables pour le calcul du respect des exigences PEB, tel que mentionné dans la déclaration PEB.
Onderafdeling 1. [1 - Bij werkzaamheden met EPB-aangifte]1
Sous-section 1re. [1 - Lors de travaux avec déclaration PEB]1
Art. 2.2.12. [1 De toekomstige houder of overnemer van het recht op de EPB-eenheid, die het voorwerp uitmaakt van een vastgoedtransactie zoals bedoeld in artikel 2.2.13, § 1, waarvoor een EPB-voorstel bij de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning werd gevoegd, verwerft de hoedanigheid van aangever en dient de EPB-aangifte in wanneer aan de volgende drie voorwaarden is voldaan:
1° de akte van de vastgoedtransactie bepaalt dat de toekomstige houder of de overnemer van het recht op de EPB-eenheid die het voorwerp uitmaakt van een vastgoedtransactie, zoals bedoeld in artikel 2.2.13, § 1, de aangever is;
2° een tussentijds verslag van minder dan één jaar:
a) wordt opgesteld door de EPB-deskundige of de architect;
b) is gekoppeld aan de akte van de vastgoedtransactie;
c) wordt ondertekend met de bijhorende bewijsstukken en het rekenbestand door de partijen bij de akte van de vastgoedtransactie;
d) omvat alle maatregelen die zijn uitgevoerd of moeten worden uitgevoerd om aan de EPB-eisen te voldoen en de berekening van de naleving van de EPB-eisen; en
e) geeft aan wie verantwoordelijk is voor de uitvoering van de verschillende maatregelen;
3° de persoon die voor eigen rekening, of als tussenpersoon de in artikel 2.2.13, § 1, bedoelde vastgoedtransactie verricht, verstrekt aan de toekomstige houder of overnemer van het recht op de EPB-eenheid de nodige informatie over de werkzaamheden die de titularis van het recht op de EPB-eenheid heeft uitgevoerd of die voor zijn rekening werden uitgevoerd met het oog op het opstellen van de EPB-aangifte.]1
1° de akte van de vastgoedtransactie bepaalt dat de toekomstige houder of de overnemer van het recht op de EPB-eenheid die het voorwerp uitmaakt van een vastgoedtransactie, zoals bedoeld in artikel 2.2.13, § 1, de aangever is;
2° een tussentijds verslag van minder dan één jaar:
a) wordt opgesteld door de EPB-deskundige of de architect;
b) is gekoppeld aan de akte van de vastgoedtransactie;
c) wordt ondertekend met de bijhorende bewijsstukken en het rekenbestand door de partijen bij de akte van de vastgoedtransactie;
d) omvat alle maatregelen die zijn uitgevoerd of moeten worden uitgevoerd om aan de EPB-eisen te voldoen en de berekening van de naleving van de EPB-eisen; en
e) geeft aan wie verantwoordelijk is voor de uitvoering van de verschillende maatregelen;
3° de persoon die voor eigen rekening, of als tussenpersoon de in artikel 2.2.13, § 1, bedoelde vastgoedtransactie verricht, verstrekt aan de toekomstige houder of overnemer van het recht op de EPB-eenheid de nodige informatie over de werkzaamheden die de titularis van het recht op de EPB-eenheid heeft uitgevoerd of die voor zijn rekening werden uitgevoerd met het oog op het opstellen van de EPB-aangifte.]1
Art. 2.2.12. [1 Le futur titulaire ou cessionnaire du droit sur l'unité PEB faisant l'objet d'une transaction immobilière visée à l'article 2.2.13, § 1er, pour laquelle une proposition PEB a été jointe à la demande de permis d'urbanisme, acquiert qualité de déclarant et introduit la déclaration PEB lorsque les trois conditions suivantes sont réunies:
1° l'acte de transaction immobilière prévoit que le futur titulaire ou cessionnaire du droit sur l'unité PEB faisant l'objet d'une transaction immobilière visée à l'article 2.2.13, § 1er, est le déclarant;
2° un rapport intermédiaire datant de moins d'un an:
a) est établi par l'expert PEB ou l'architecte;
b) est joint à l'acte de transaction immobilière;
c) est signé avec ses pièces justificatives et le fichier de calcul par les parties à l'acte de transaction;
d) reprend toutes les mesures qui ont été mises en oeuvre ou qui doivent être exécutées pour répondre aux exigences PEB ainsi que le calcul du respect des exigences PEB; et
e) indique la personne chargée de la mise en oeuvre des différentes mesures;
3° la personne qui, pour son compte ou à titre d'intermédiaire, procède à la transaction immobilière visée à l'article 2.2.13, § 1er, met les informations nécessaires concernant les travaux que le titulaire du droit sur l'unité PEB a exécutés ou qui ont été exécutés pour son compte à la disposition du futur titulaire ou cessionnaire du droit sur l'unité PEB en vue de l'établissement de la déclaration PEB.]1
1° l'acte de transaction immobilière prévoit que le futur titulaire ou cessionnaire du droit sur l'unité PEB faisant l'objet d'une transaction immobilière visée à l'article 2.2.13, § 1er, est le déclarant;
2° un rapport intermédiaire datant de moins d'un an:
a) est établi par l'expert PEB ou l'architecte;
b) est joint à l'acte de transaction immobilière;
c) est signé avec ses pièces justificatives et le fichier de calcul par les parties à l'acte de transaction;
d) reprend toutes les mesures qui ont été mises en oeuvre ou qui doivent être exécutées pour répondre aux exigences PEB ainsi que le calcul du respect des exigences PEB; et
e) indique la personne chargée de la mise en oeuvre des différentes mesures;
3° la personne qui, pour son compte ou à titre d'intermédiaire, procède à la transaction immobilière visée à l'article 2.2.13, § 1er, met les informations nécessaires concernant les travaux que le titulaire du droit sur l'unité PEB a exécutés ou qui ont été exécutés pour son compte à la disposition du futur titulaire ou cessionnaire du droit sur l'unité PEB en vue de l'établissement de la déclaration PEB.]1
Wijzigingen
Art. 2.2.12. [1 De toekomstige houder of overnemer van het recht op de EPB-eenheid, die het voorwerp uitmaakt van een vastgoedtransactie zoals bedoeld in artikel 2.2.13, § 1, waarvoor een EPB-voorstel bij de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning werd gevoegd, verwerft de hoedanigheid van aangever en dient de EPB-aangifte in wanneer aan de volgende drie voorwaarden is voldaan:
1° de akte van de vastgoedtransactie bepaalt dat de toekomstige houder of de overnemer van het recht op de EPB-eenheid die het voorwerp uitmaakt van een vastgoedtransactie, zoals bedoeld in artikel 2.2.13, § 1, de aangever is;
2° een tussentijds verslag van minder dan één jaar:
a) wordt opgesteld door de EPB-deskundige of de architect;
b) is gekoppeld aan de akte van de vastgoedtransactie;
c) wordt ondertekend met de bijhorende bewijsstukken en het rekenbestand door de partijen bij de akte van de vastgoedtransactie;
d) omvat alle maatregelen die zijn uitgevoerd of moeten worden uitgevoerd om aan de EPB-eisen te voldoen en de berekening van de naleving van de EPB-eisen; en
e) geeft aan wie verantwoordelijk is voor de uitvoering van de verschillende maatregelen;
3° de persoon die voor eigen rekening, of als tussenpersoon de in artikel 2.2.13, § 1, bedoelde vastgoedtransactie verricht, verstrekt aan de toekomstige houder of overnemer van het recht op de EPB-eenheid de nodige informatie over de werkzaamheden die de titularis van het recht op de EPB-eenheid heeft uitgevoerd of die voor zijn rekening werden uitgevoerd met het oog op het opstellen van de EPB-aangifte.]1
1° de akte van de vastgoedtransactie bepaalt dat de toekomstige houder of de overnemer van het recht op de EPB-eenheid die het voorwerp uitmaakt van een vastgoedtransactie, zoals bedoeld in artikel 2.2.13, § 1, de aangever is;
2° een tussentijds verslag van minder dan één jaar:
a) wordt opgesteld door de EPB-deskundige of de architect;
b) is gekoppeld aan de akte van de vastgoedtransactie;
c) wordt ondertekend met de bijhorende bewijsstukken en het rekenbestand door de partijen bij de akte van de vastgoedtransactie;
d) omvat alle maatregelen die zijn uitgevoerd of moeten worden uitgevoerd om aan de EPB-eisen te voldoen en de berekening van de naleving van de EPB-eisen; en
e) geeft aan wie verantwoordelijk is voor de uitvoering van de verschillende maatregelen;
3° de persoon die voor eigen rekening, of als tussenpersoon de in artikel 2.2.13, § 1, bedoelde vastgoedtransactie verricht, verstrekt aan de toekomstige houder of overnemer van het recht op de EPB-eenheid de nodige informatie over de werkzaamheden die de titularis van het recht op de EPB-eenheid heeft uitgevoerd of die voor zijn rekening werden uitgevoerd met het oog op het opstellen van de EPB-aangifte.]1
Art. 2.2.12. [1 Le futur titulaire ou cessionnaire du droit sur l'unité PEB faisant l'objet d'une transaction immobilière visée à l'article 2.2.13, § 1er, pour laquelle une proposition PEB a été jointe à la demande de permis d'urbanisme, acquiert qualité de déclarant et introduit la déclaration PEB lorsque les trois conditions suivantes sont réunies:
1° l'acte de transaction immobilière prévoit que le futur titulaire ou cessionnaire du droit sur l'unité PEB faisant l'objet d'une transaction immobilière visée à l'article 2.2.13, § 1er, est le déclarant;
2° un rapport intermédiaire datant de moins d'un an:
a) est établi par l'expert PEB ou l'architecte;
b) est joint à l'acte de transaction immobilière;
c) est signé avec ses pièces justificatives et le fichier de calcul par les parties à l'acte de transaction;
d) reprend toutes les mesures qui ont été mises en oeuvre ou qui doivent être exécutées pour répondre aux exigences PEB ainsi que le calcul du respect des exigences PEB; et
e) indique la personne chargée de la mise en oeuvre des différentes mesures;
3° la personne qui, pour son compte ou à titre d'intermédiaire, procède à la transaction immobilière visée à l'article 2.2.13, § 1er, met les informations nécessaires concernant les travaux que le titulaire du droit sur l'unité PEB a exécutés ou qui ont été exécutés pour son compte à la disposition du futur titulaire ou cessionnaire du droit sur l'unité PEB en vue de l'établissement de la déclaration PEB.]1
1° l'acte de transaction immobilière prévoit que le futur titulaire ou cessionnaire du droit sur l'unité PEB faisant l'objet d'une transaction immobilière visée à l'article 2.2.13, § 1er, est le déclarant;
2° un rapport intermédiaire datant de moins d'un an:
a) est établi par l'expert PEB ou l'architecte;
b) est joint à l'acte de transaction immobilière;
c) est signé avec ses pièces justificatives et le fichier de calcul par les parties à l'acte de transaction;
d) reprend toutes les mesures qui ont été mises en oeuvre ou qui doivent être exécutées pour répondre aux exigences PEB ainsi que le calcul du respect des exigences PEB; et
e) indique la personne chargée de la mise en oeuvre des différentes mesures;
3° la personne qui, pour son compte ou à titre d'intermédiaire, procède à la transaction immobilière visée à l'article 2.2.13, § 1er, met les informations nécessaires concernant les travaux que le titulaire du droit sur l'unité PEB a exécutés ou qui ont été exécutés pour son compte à la disposition du futur titulaire ou cessionnaire du droit sur l'unité PEB en vue de l'établissement de la déclaration PEB.]1
Wijzigingen
Art. 2.2.13. [1 § 1. Elke persoon die, voor eigen rekening of als tussenpersoon, wenst over te gaan tot een vastgoedtransactie van EPB-eenheden, met inbegrip van de gedeeltelijke verkoop, de verhuring, de overdracht en de verlenging van een huurcontract, het afsluiten van een onroerend leasingovereenkomst, de overdracht van een zakelijk recht of de vestiging van een zakelijk recht onder levenden onder bezwarende titel, met uitzondering van onteigeningen, verdeling of met verdeling gelijkgestelde akte, erfdienstbaarheden, hypotheekvestiging en huwelijkscontracten en de wijzigingen ervan:
1° duidt in de bekendmaking hiervan ondubbelzinnig de informatie betreffende de energieprestatie van het goed aan zoals nader bepaald door de Regering;
2° bezorgt op elk verzoek gratis een kopie van het EPB-certificaat en/of van het tussentijdse verslag bedoeld in paragraaf 2 en in voorkomend geval het samenvattende rapport zoals bedoeld in artikel 2.2.4/3, § 2;
3° verzekert er zich van dat de informatie over het EPB-certificaat of het tussentijdse verslag en in voorkomend geval het samenvattende rapport in de akte van de vastgoedtransactie wordt opgenomen.
Indien de onroerendgoedtransactie valt onder het toepassingsgebied van artikel 3.94 van het Burgerlijk Wetboek, voegt de syndicus het samenvattend rapport toe aan de verzending van de inlichtingen en de documenten bedoeld in artikel 3.94, § 1, van het Burgerlijk Wetboek.
§ 2. Om aan de in paragraaf 1 bedoelde verplichtingen te kunnen voldoen, beschikt de houder of de overdrager van de rechten op de EPB-eenheid over een geldig EPB-certificaat bij de ondertekening van de akte tussen de partijen.
Indien de transactie betrekking heeft op een nieuwe, met nieuw gelijkgestelde of zwaar gerenoveerde EPB-eenheid en plaatsvindt vooraleer het in artikel 2.2.11, § 3, bedoelde EPB-certificaat beschikbaar is, wordt het tussentijdse verslag opgesteld krachtens artikel 2.2.12, voldoende geacht.
§ 3. De Regering kan de uitvoeringsmodaliteiten van de vorige paragrafen nader bepalen, meer bepaald de inhoud van de informatie betreffende het EPB-certificaat opgenomen in de akte van de vastgoedtransactie.]1
1° duidt in de bekendmaking hiervan ondubbelzinnig de informatie betreffende de energieprestatie van het goed aan zoals nader bepaald door de Regering;
2° bezorgt op elk verzoek gratis een kopie van het EPB-certificaat en/of van het tussentijdse verslag bedoeld in paragraaf 2 en in voorkomend geval het samenvattende rapport zoals bedoeld in artikel 2.2.4/3, § 2;
3° verzekert er zich van dat de informatie over het EPB-certificaat of het tussentijdse verslag en in voorkomend geval het samenvattende rapport in de akte van de vastgoedtransactie wordt opgenomen.
Indien de onroerendgoedtransactie valt onder het toepassingsgebied van artikel 3.94 van het Burgerlijk Wetboek, voegt de syndicus het samenvattend rapport toe aan de verzending van de inlichtingen en de documenten bedoeld in artikel 3.94, § 1, van het Burgerlijk Wetboek.
§ 2. Om aan de in paragraaf 1 bedoelde verplichtingen te kunnen voldoen, beschikt de houder of de overdrager van de rechten op de EPB-eenheid over een geldig EPB-certificaat bij de ondertekening van de akte tussen de partijen.
Indien de transactie betrekking heeft op een nieuwe, met nieuw gelijkgestelde of zwaar gerenoveerde EPB-eenheid en plaatsvindt vooraleer het in artikel 2.2.11, § 3, bedoelde EPB-certificaat beschikbaar is, wordt het tussentijdse verslag opgesteld krachtens artikel 2.2.12, voldoende geacht.
§ 3. De Regering kan de uitvoeringsmodaliteiten van de vorige paragrafen nader bepalen, meer bepaald de inhoud van de informatie betreffende het EPB-certificaat opgenomen in de akte van de vastgoedtransactie.]1
Art. 2.2.13. [1 § 1er. Toute personne qui, pour son compte ou à titre d'intermédiaire, veut procéder, à la vente d'unités PEB, en ce compris la vente partielle, à la mise en location, à la cession de bail, au renouvellement d'un bail, à la conclusion d'un leasing immobilier, à la cession translative d'un droit réel ou à l'établissement d'un droit réel entre vifs à titre onéreux, à l'exception des expropriations, du partage ou acte équipollent à partage, des servitudes, de l'établissement d'hypothèque et des contrats de mariage et de leurs modifications:
1° indique, sans équivoque, dans la publicité y relative, les informations relatives à la performance énergétique du bien, telles que précisées par le Gouvernement;
2° fournit gratuitement, à toute demande, copie du certificat PEB et/ou du rapport intermédiaire visés au paragraphe 2 et le cas échéant le rapport de synthèse visé à l'article 2.2.4/3, § 2;
3° s'assure que les informations relatives au certificat PEB ou au rapport intermédiaire et le cas échéant le rapport de synthèse sont présents dans l'acte de transaction immobilière.
Si la transaction immobilière tombe dans le champ d'application de l'article 3.94 du Code civil, le syndic joint le rapport de synthèse à l'envoi des informations et des documents visés à l'article 3.94, § 1er, du Code civil.
§ 2. Pour pouvoir remplir ses obligations visées au paragraphe 1er, le titulaire ou le cédant du droit sur l'unité PEB dispose d'un certificat PEB valide au moment de la signature de l'acte entre parties.
Si la transaction porte sur une unité PEB neuve, assimilée à du neuf ou rénovée lourdement et intervient avant que le certificat PEB visé à l'article 2.2.11, § 3, ne soit disponible, le rapport intermédiaire établi en vertu de l'article 2.2.12, est réputé suffisant.
§ 3. Le Gouvernement peut préciser les modalités d'exécution des paragraphes précédents, notamment le contenu des informations relatives au certificat PEB présentes dans l'acte de transaction immobilière.]1
1° indique, sans équivoque, dans la publicité y relative, les informations relatives à la performance énergétique du bien, telles que précisées par le Gouvernement;
2° fournit gratuitement, à toute demande, copie du certificat PEB et/ou du rapport intermédiaire visés au paragraphe 2 et le cas échéant le rapport de synthèse visé à l'article 2.2.4/3, § 2;
3° s'assure que les informations relatives au certificat PEB ou au rapport intermédiaire et le cas échéant le rapport de synthèse sont présents dans l'acte de transaction immobilière.
Si la transaction immobilière tombe dans le champ d'application de l'article 3.94 du Code civil, le syndic joint le rapport de synthèse à l'envoi des informations et des documents visés à l'article 3.94, § 1er, du Code civil.
§ 2. Pour pouvoir remplir ses obligations visées au paragraphe 1er, le titulaire ou le cédant du droit sur l'unité PEB dispose d'un certificat PEB valide au moment de la signature de l'acte entre parties.
Si la transaction porte sur une unité PEB neuve, assimilée à du neuf ou rénovée lourdement et intervient avant que le certificat PEB visé à l'article 2.2.11, § 3, ne soit disponible, le rapport intermédiaire établi en vertu de l'article 2.2.12, est réputé suffisant.
§ 3. Le Gouvernement peut préciser les modalités d'exécution des paragraphes précédents, notamment le contenu des informations relatives au certificat PEB présentes dans l'acte de transaction immobilière.]1
Wijzigingen
Art. 2.2.13. [1 § 1. Elke persoon die, voor eigen rekening of als tussenpersoon, wenst over te gaan tot een vastgoedtransactie van EPB-eenheden, met inbegrip van de gedeeltelijke verkoop, de verhuring, de overdracht en de verlenging van een huurcontract, het afsluiten van een onroerend leasingovereenkomst, de overdracht van een zakelijk recht of de vestiging van een zakelijk recht onder levenden onder bezwarende titel, met uitzondering van onteigeningen, verdeling of met verdeling gelijkgestelde akte, erfdienstbaarheden, hypotheekvestiging en huwelijkscontracten en de wijzigingen ervan:
1° duidt in de bekendmaking hiervan ondubbelzinnig de informatie betreffende de energieprestatie van het goed aan zoals nader bepaald door de Regering;
2° bezorgt op elk verzoek gratis een kopie van het EPB-certificaat en/of van het tussentijdse verslag bedoeld in paragraaf 2 en in voorkomend geval het samenvattende rapport zoals bedoeld in artikel 2.2.4/3, § 2;
3° verzekert er zich van dat de informatie over het EPB-certificaat of het tussentijdse verslag en in voorkomend geval het samenvattende rapport in de akte van de vastgoedtransactie wordt opgenomen.
Indien de onroerendgoedtransactie valt onder het toepassingsgebied van artikel 3.94 van het Burgerlijk Wetboek, voegt de syndicus het samenvattend rapport toe aan de verzending van de inlichtingen en de documenten bedoeld in artikel 3.94, § 1, van het Burgerlijk Wetboek.
§ 2. Om aan de in paragraaf 1 bedoelde verplichtingen te kunnen voldoen, beschikt de houder of de overdrager van de rechten op de EPB-eenheid over een geldig EPB-certificaat bij de ondertekening van de akte tussen de partijen.
Indien de transactie betrekking heeft op een nieuwe, met nieuw gelijkgestelde of zwaar gerenoveerde EPB-eenheid en plaatsvindt vooraleer het in artikel 2.2.11, § 3, bedoelde EPB-certificaat beschikbaar is, wordt het tussentijdse verslag opgesteld krachtens artikel 2.2.12, voldoende geacht.
§ 3. De Regering kan de uitvoeringsmodaliteiten van de vorige paragrafen nader bepalen, meer bepaald de inhoud van de informatie betreffende het EPB-certificaat opgenomen in de akte van de vastgoedtransactie.]1
1° duidt in de bekendmaking hiervan ondubbelzinnig de informatie betreffende de energieprestatie van het goed aan zoals nader bepaald door de Regering;
2° bezorgt op elk verzoek gratis een kopie van het EPB-certificaat en/of van het tussentijdse verslag bedoeld in paragraaf 2 en in voorkomend geval het samenvattende rapport zoals bedoeld in artikel 2.2.4/3, § 2;
3° verzekert er zich van dat de informatie over het EPB-certificaat of het tussentijdse verslag en in voorkomend geval het samenvattende rapport in de akte van de vastgoedtransactie wordt opgenomen.
Indien de onroerendgoedtransactie valt onder het toepassingsgebied van artikel 3.94 van het Burgerlijk Wetboek, voegt de syndicus het samenvattend rapport toe aan de verzending van de inlichtingen en de documenten bedoeld in artikel 3.94, § 1, van het Burgerlijk Wetboek.
§ 2. Om aan de in paragraaf 1 bedoelde verplichtingen te kunnen voldoen, beschikt de houder of de overdrager van de rechten op de EPB-eenheid over een geldig EPB-certificaat bij de ondertekening van de akte tussen de partijen.
Indien de transactie betrekking heeft op een nieuwe, met nieuw gelijkgestelde of zwaar gerenoveerde EPB-eenheid en plaatsvindt vooraleer het in artikel 2.2.11, § 3, bedoelde EPB-certificaat beschikbaar is, wordt het tussentijdse verslag opgesteld krachtens artikel 2.2.12, voldoende geacht.
§ 3. De Regering kan de uitvoeringsmodaliteiten van de vorige paragrafen nader bepalen, meer bepaald de inhoud van de informatie betreffende het EPB-certificaat opgenomen in de akte van de vastgoedtransactie.]1
Art. 2.2.13. [1 § 1er. Toute personne qui, pour son compte ou à titre d'intermédiaire, veut procéder, à la vente d'unités PEB, en ce compris la vente partielle, à la mise en location, à la cession de bail, au renouvellement d'un bail, à la conclusion d'un leasing immobilier, à la cession translative d'un droit réel ou à l'établissement d'un droit réel entre vifs à titre onéreux, à l'exception des expropriations, du partage ou acte équipollent à partage, des servitudes, de l'établissement d'hypothèque et des contrats de mariage et de leurs modifications:
1° indique, sans équivoque, dans la publicité y relative, les informations relatives à la performance énergétique du bien, telles que précisées par le Gouvernement;
2° fournit gratuitement, à toute demande, copie du certificat PEB et/ou du rapport intermédiaire visés au paragraphe 2 et le cas échéant le rapport de synthèse visé à l'article 2.2.4/3, § 2;
3° s'assure que les informations relatives au certificat PEB ou au rapport intermédiaire et le cas échéant le rapport de synthèse sont présents dans l'acte de transaction immobilière.
Si la transaction immobilière tombe dans le champ d'application de l'article 3.94 du Code civil, le syndic joint le rapport de synthèse à l'envoi des informations et des documents visés à l'article 3.94, § 1er, du Code civil.
§ 2. Pour pouvoir remplir ses obligations visées au paragraphe 1er, le titulaire ou le cédant du droit sur l'unité PEB dispose d'un certificat PEB valide au moment de la signature de l'acte entre parties.
Si la transaction porte sur une unité PEB neuve, assimilée à du neuf ou rénovée lourdement et intervient avant que le certificat PEB visé à l'article 2.2.11, § 3, ne soit disponible, le rapport intermédiaire établi en vertu de l'article 2.2.12, est réputé suffisant.
§ 3. Le Gouvernement peut préciser les modalités d'exécution des paragraphes précédents, notamment le contenu des informations relatives au certificat PEB présentes dans l'acte de transaction immobilière.]1
1° indique, sans équivoque, dans la publicité y relative, les informations relatives à la performance énergétique du bien, telles que précisées par le Gouvernement;
2° fournit gratuitement, à toute demande, copie du certificat PEB et/ou du rapport intermédiaire visés au paragraphe 2 et le cas échéant le rapport de synthèse visé à l'article 2.2.4/3, § 2;
3° s'assure que les informations relatives au certificat PEB ou au rapport intermédiaire et le cas échéant le rapport de synthèse sont présents dans l'acte de transaction immobilière.
Si la transaction immobilière tombe dans le champ d'application de l'article 3.94 du Code civil, le syndic joint le rapport de synthèse à l'envoi des informations et des documents visés à l'article 3.94, § 1er, du Code civil.
§ 2. Pour pouvoir remplir ses obligations visées au paragraphe 1er, le titulaire ou le cédant du droit sur l'unité PEB dispose d'un certificat PEB valide au moment de la signature de l'acte entre parties.
Si la transaction porte sur une unité PEB neuve, assimilée à du neuf ou rénovée lourdement et intervient avant que le certificat PEB visé à l'article 2.2.11, § 3, ne soit disponible, le rapport intermédiaire établi en vertu de l'article 2.2.12, est réputé suffisant.
§ 3. Le Gouvernement peut préciser les modalités d'exécution des paragraphes précédents, notamment le contenu des informations relatives au certificat PEB présentes dans l'acte de transaction immobilière.]1
Wijzigingen
Onderafdeling 3.
Sous-section 3.
Art. 2.2.15. De Regering bepaalt de EPB-eisen waaraan de technische installaties moeten voldoen tijdens hun installatie, hun gebruik of hun vervanging of modernisering.
[2 Wanneer ze EPB-eisen vastlegt, legt de Regering de criteria vast die kunnen leiden tot gevaren of hinder voor het milieu en de menselijke gezondheid. De Regering kan ook een onderscheid maken volgens het type, de ouderdom, de omvang van de uitrusting, de gebruikte energiedrager en kan rekening houden met de technische, economische en functionele haalbaarheid]2.
[1 De Regering kan EPB-eisen vaststellen om ervoor te zorgen dat, voor zover dat technisch en economisch haalbaar is, [2 de verwarmingssystemen, de klimaatregelingsystemen en de ruimteventilatiesystemen, vanaf 31 december 2024]2 met systemen voor gebouwautomatisering en -controle zijn uitgerust.]1
[2 Wanneer ze EPB-eisen vastlegt, legt de Regering de criteria vast die kunnen leiden tot gevaren of hinder voor het milieu en de menselijke gezondheid. De Regering kan ook een onderscheid maken volgens het type, de ouderdom, de omvang van de uitrusting, de gebruikte energiedrager en kan rekening houden met de technische, economische en functionele haalbaarheid]2.
[1 De Regering kan EPB-eisen vaststellen om ervoor te zorgen dat, voor zover dat technisch en economisch haalbaar is, [2 de verwarmingssystemen, de klimaatregelingsystemen en de ruimteventilatiesystemen, vanaf 31 december 2024]2 met systemen voor gebouwautomatisering en -controle zijn uitgerust.]1
Art. 2.2.15. Le Gouvernement détermine les exigences PEB auxquelles doivent répondre les installations techniques lors de leur installation, au cours de leur utilisation ou lors de leur remplacement ou modernisation.
[2 Lorsqu'il fixe des exigences PEB, le Gouvernement définit les critères pouvant entraîner des dangers ou des nuisances pour l'environnement et la santé humaine. Le Gouvernement peut également faire une distinction suivant le type, l'âge, la taille de l'équipement, le vecteur énergétique utilisé et tenir compte de la faisabilité technique économique et fonctionnelle.]2.
[1 Le Gouvernement peut fixer des exigences PEB garantissant que, lorsque cela est techniquement et économiquement réalisable, [2 les systèmes de chauffage, les systèmes de climatisation et les systèmes]2 de ventilation des locaux, soient équipés de systèmes d'automatisation et de contrôle des bâtiments, [2 à partir du 31 décembre 2024]2.]1
[2 Lorsqu'il fixe des exigences PEB, le Gouvernement définit les critères pouvant entraîner des dangers ou des nuisances pour l'environnement et la santé humaine. Le Gouvernement peut également faire une distinction suivant le type, l'âge, la taille de l'équipement, le vecteur énergétique utilisé et tenir compte de la faisabilité technique économique et fonctionnelle.]2.
[1 Le Gouvernement peut fixer des exigences PEB garantissant que, lorsque cela est techniquement et économiquement réalisable, [2 les systèmes de chauffage, les systèmes de climatisation et les systèmes]2 de ventilation des locaux, soient équipés de systèmes d'automatisation et de contrôle des bâtiments, [2 à partir du 31 décembre 2024]2.]1
Art. 2.2.16. § 1. Een volledige of gedeeltelijke afwijking van de EPB-eisen kan worden toegekend voor technische installaties wanneer de gedeeltelijke of volledige naleving van die eisen technisch, functioneel of economisch niet haalbaar is.
§ 2. De verzoeken tot afwijking worden ingediend bij [2 Leefmilieu Brussel]2 vóór [1 ...]1 de controle bedoeld in artikel 2.2.17 [3 of uiterlijk binnen de door de Regering vastgelegde termijn vanaf de datum van de controle]3.
De Regering bepaalt de procedure voor het onderzoek van de aanvragen tot het bekomen van een afwijking en bepaalt de criteria en drempels voor de toekenning ervan.
De afwijkingen worden toegekend door [2 Leefmilieu Brussel]2. Ze kunnen het voorwerp uitmaken van beroep bij het Milieucollege. De modaliteiten van dat beroep worden bepaald door de Regering.
§ 3. De toekenning van een afwijking van een EPB-eis ontheft de aanvrager niet van de andere verplichtingen die zijn opgelegd door onderhavige ordonnantie.
§ 2. De verzoeken tot afwijking worden ingediend bij [2 Leefmilieu Brussel]2 vóór [1 ...]1 de controle bedoeld in artikel 2.2.17 [3 of uiterlijk binnen de door de Regering vastgelegde termijn vanaf de datum van de controle]3.
De Regering bepaalt de procedure voor het onderzoek van de aanvragen tot het bekomen van een afwijking en bepaalt de criteria en drempels voor de toekenning ervan.
De afwijkingen worden toegekend door [2 Leefmilieu Brussel]2. Ze kunnen het voorwerp uitmaken van beroep bij het Milieucollege. De modaliteiten van dat beroep worden bepaald door de Regering.
§ 3. De toekenning van een afwijking van een EPB-eis ontheft de aanvrager niet van de andere verplichtingen die zijn opgelegd door onderhavige ordonnantie.
Art. 2.2.16. § 1er. Une dérogation totale ou partielle aux exigences PEB peut être accordée pour les installations techniques lorsque le respect partiel ou total de ces exigences est techniquement, fonctionnellement ou économiquement irréalisable.
§ 2. Les requêtes de dérogation sont introduites auprès de [2 Bruxelles Environnement]2 préalablement [1 au contrôle visé]1 à l'article 2.2.17 [3 ou au plus tard dans le délai à dater du contrôle tel que fixé par le Gouvernement]3.
Le Gouvernement fixe la procédure d'instruction des requêtes de dérogation et détermine les critères et les seuils d'octroi de celles-ci.
Les dérogations sont accordées par [2 Bruxelles Environnement]2. Elles peuvent faire l'objet d'un recours auprès du Collège d'environnement. Les modalités de ce recours sont déterminées par le Gouvernement.
§ 3. L'octroi d'une dérogation à une exigence PEB ne dispense pas des autres obligations imposées par la présente ordonnance.
§ 2. Les requêtes de dérogation sont introduites auprès de [2 Bruxelles Environnement]2 préalablement [1 au contrôle visé]1 à l'article 2.2.17 [3 ou au plus tard dans le délai à dater du contrôle tel que fixé par le Gouvernement]3.
Le Gouvernement fixe la procédure d'instruction des requêtes de dérogation et détermine les critères et les seuils d'octroi de celles-ci.
Les dérogations sont accordées par [2 Bruxelles Environnement]2. Elles peuvent faire l'objet d'un recours auprès du Collège d'environnement. Les modalités de ce recours sont déterminées par le Gouvernement.
§ 3. L'octroi d'une dérogation à une exigence PEB ne dispense pas des autres obligations imposées par la présente ordonnance.
Art. 2.2.17. [1 § 1. De toegankelijke delen van de verwarmingssystemen zoals de [2 warmtegenerator(en)]2, het (de) controlesyste(e)-m(en) en de circulatiepomp(en) worden bij de installatie, wijziging en met regelmatige tussenpozen gecontroleerd door een [4 EPB-controleur]4.
Deze controles omvatten de controle van de inachtneming van de eisen die voor de verwarmingssystemen zijn vastgesteld krachtens artikel 2.2.15.
In voorkomend geval omvatten deze controles een evaluatie van het rendement van de [2 warmtegenerator(en)]2 en van haar (hun) afmeting ten opzichte van de eisen inzake verwarming van de EPB-eenheid.
De evaluatie van de afmeting van [2 warmtegenerator(en)]2 wordt meer bepaald niet herhaald indien er in de tussentijd geen enkele wijziging is aangebracht aan het verwarmingssysteem of aan de eisen inzake verwarming die op het systeem van toepassing zijn.
§ 2. [3 De toegankelijke delen van de klimaatregelingssystemen zoals de koelinstallaties, de controlesystemen, de circulatiepompen worden bij de installatie, wijziging en op regelmatige tijdstippen door een EPB-controleur gecontroleerd]3.
Deze controles omvatten de controle van de inachtneming van de eisen die voor de klimaatregelingssystemen zijn vastgesteld krachtens artikel 2.2.15.
In voorkomend geval omvatten deze controles een evaluatie van de energieprestaties van de koudeproductie en van haar afmeting ten opzichte van de behoeften inzake koeling van de EPB-eenheid.
De evaluatie van de afmeting wordt meer bepaald niet herhaald indien er in de tussentijd geen enkele wijziging is aangebracht aan het klimaatregelingssysteem of aan de eisen inzake afkoeling die op het systeem van toepassing zijn.
§ 3. De [4 EPB-controleur]4 levert aan de gebruikers de resultaten van de controle en aanbevelingen voor een kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van het gecontroleerde systeem.
§ 4. De Regering stelt de uitvoeringsvoorwaarden van de bovenstaande paragrafen vast en kan ook de controle van andere technische installaties opleggen.
De Regering stelt de regelmaat en de inhoud van de controle vast in functie van het type technische installatie, haar afmetingen en rekening gehouden met de kosten van de controle en de waarde van de energiebesparingen die worden geacht te kunnen voortvloeien uit de controle. De Regering kan de regelmaat van de controle verminderen of kan die controle lichter maken [3 wanneer een systeem voor gebouwautomatisering en -controle is geïnstalleerd en eveneens de voorwaarden te specificeren waaronder de nominale vermogens worden bepaald]3.
§ 5. De Regering kan de technische installaties onderwerpen aan onderhoud volgens de voorwaarden die zij vaststelt.]1
Deze controles omvatten de controle van de inachtneming van de eisen die voor de verwarmingssystemen zijn vastgesteld krachtens artikel 2.2.15.
In voorkomend geval omvatten deze controles een evaluatie van het rendement van de [2 warmtegenerator(en)]2 en van haar (hun) afmeting ten opzichte van de eisen inzake verwarming van de EPB-eenheid.
De evaluatie van de afmeting van [2 warmtegenerator(en)]2 wordt meer bepaald niet herhaald indien er in de tussentijd geen enkele wijziging is aangebracht aan het verwarmingssysteem of aan de eisen inzake verwarming die op het systeem van toepassing zijn.
§ 2. [3 De toegankelijke delen van de klimaatregelingssystemen zoals de koelinstallaties, de controlesystemen, de circulatiepompen worden bij de installatie, wijziging en op regelmatige tijdstippen door een EPB-controleur gecontroleerd]3.
Deze controles omvatten de controle van de inachtneming van de eisen die voor de klimaatregelingssystemen zijn vastgesteld krachtens artikel 2.2.15.
In voorkomend geval omvatten deze controles een evaluatie van de energieprestaties van de koudeproductie en van haar afmeting ten opzichte van de behoeften inzake koeling van de EPB-eenheid.
De evaluatie van de afmeting wordt meer bepaald niet herhaald indien er in de tussentijd geen enkele wijziging is aangebracht aan het klimaatregelingssysteem of aan de eisen inzake afkoeling die op het systeem van toepassing zijn.
§ 3. De [4 EPB-controleur]4 levert aan de gebruikers de resultaten van de controle en aanbevelingen voor een kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van het gecontroleerde systeem.
§ 4. De Regering stelt de uitvoeringsvoorwaarden van de bovenstaande paragrafen vast en kan ook de controle van andere technische installaties opleggen.
De Regering stelt de regelmaat en de inhoud van de controle vast in functie van het type technische installatie, haar afmetingen en rekening gehouden met de kosten van de controle en de waarde van de energiebesparingen die worden geacht te kunnen voortvloeien uit de controle. De Regering kan de regelmaat van de controle verminderen of kan die controle lichter maken [3 wanneer een systeem voor gebouwautomatisering en -controle is geïnstalleerd en eveneens de voorwaarden te specificeren waaronder de nominale vermogens worden bepaald]3.
§ 5. De Regering kan de technische installaties onderwerpen aan onderhoud volgens de voorwaarden die zij vaststelt.]1
Art. 2.2.17. [1 § 1er. Les parties accessibles des systèmes de chauffage telles que [2 le (les) générateur(s) de chaleur]2, le(s) système(s) de contrôle et la (les) pompe(s) de circulation sont contrôlées lors de leur installation, modification et à intervalles réguliers par un [4 contrôleur PEB]4.
Ces contrôles comprennent la vérification du respect d'exigences fixées pour les systèmes de chauffage en vertu de l'article 2.2.15.
Ces contrôles comprennent le cas échéant, une évaluation du rendement [2 du (des) générateur(s) de chaleur]2 et du dimensionnement de celle(s)-ci par rapport aux exigences en matière de chauffage de l'unité PEB.
L'évaluation du dimensionnement [2 du (des) générateur(s) de chaleur]2 n'est notamment pas répétée si aucune modification n'a été apportée entre-temps au système de chauffage ou aux exigences en matière de chauffage qui lui sont applicables.
§ 2. [3 Les parties accessibles des systèmes de climatisation telles que les installations de réfrigération, les systèmes de contrôle, les pompes de circulation sont contrôlées lors de leur installation, modification et à intervalles réguliers par un contrôleur PEB.]3
Ces contrôles comprennent la vérification du respect d'exigences fixées pour les systèmes de climatisation en vertu de l'article 2.2.15.
Ces contrôles comprennent, le cas échéant, une évaluation des performances énergétiques de la production de froid et de son dimensionnement par rapport aux besoins de l'unité PEB en matière de refroidissement
L'évaluation du dimensionnement n'est notamment pas répétée si aucune modification n'a été apportée entre-temps au système de climatisation ou aux exigences en matière de refroidissement qui lui sont applicables.
§ 3. Le [4 contrôleur PEB]4 fournit aux utilisateurs les résultats du contrôle et des recommandations pour une amélioration rentable de la performance énergétique du système contrôlé.
§ 4. Le Gouvernement détermine les modalités d'exécution des paragraphes précédents et peut également imposer le contrôle d'autres installations techniques.
Le Gouvernement fixe la fréquence et le contenu du contrôle en fonction du type d'installation technique, de sa taille et en tenant compte du coût du contrôle et de la valeur des économies d'énergie estimées susceptibles de résulter du contrôle. Le Gouvernement peut réduire la fréquence du contrôle ou alléger celui-ci, [3 lorsqu'un système d'automatisation et de contrôle des bâtiments est en place, ainsi que préciser dans quelles conditions les puissances nominales sont définies]3.
§ 5. Le Gouvernement peut soumettre les installations techniques à un entretien selon les modalités qu'il détermine.]1
Ces contrôles comprennent la vérification du respect d'exigences fixées pour les systèmes de chauffage en vertu de l'article 2.2.15.
Ces contrôles comprennent le cas échéant, une évaluation du rendement [2 du (des) générateur(s) de chaleur]2 et du dimensionnement de celle(s)-ci par rapport aux exigences en matière de chauffage de l'unité PEB.
L'évaluation du dimensionnement [2 du (des) générateur(s) de chaleur]2 n'est notamment pas répétée si aucune modification n'a été apportée entre-temps au système de chauffage ou aux exigences en matière de chauffage qui lui sont applicables.
§ 2. [3 Les parties accessibles des systèmes de climatisation telles que les installations de réfrigération, les systèmes de contrôle, les pompes de circulation sont contrôlées lors de leur installation, modification et à intervalles réguliers par un contrôleur PEB.]3
Ces contrôles comprennent la vérification du respect d'exigences fixées pour les systèmes de climatisation en vertu de l'article 2.2.15.
Ces contrôles comprennent, le cas échéant, une évaluation des performances énergétiques de la production de froid et de son dimensionnement par rapport aux besoins de l'unité PEB en matière de refroidissement
L'évaluation du dimensionnement n'est notamment pas répétée si aucune modification n'a été apportée entre-temps au système de climatisation ou aux exigences en matière de refroidissement qui lui sont applicables.
§ 3. Le [4 contrôleur PEB]4 fournit aux utilisateurs les résultats du contrôle et des recommandations pour une amélioration rentable de la performance énergétique du système contrôlé.
§ 4. Le Gouvernement détermine les modalités d'exécution des paragraphes précédents et peut également imposer le contrôle d'autres installations techniques.
Le Gouvernement fixe la fréquence et le contenu du contrôle en fonction du type d'installation technique, de sa taille et en tenant compte du coût du contrôle et de la valeur des économies d'énergie estimées susceptibles de résulter du contrôle. Le Gouvernement peut réduire la fréquence du contrôle ou alléger celui-ci, [3 lorsqu'un système d'automatisation et de contrôle des bâtiments est en place, ainsi que préciser dans quelles conditions les puissances nominales sont définies]3.
§ 5. Le Gouvernement peut soumettre les installations techniques à un entretien selon les modalités qu'il détermine.]1
Art. 2.2.17. [1 § 1. De toegankelijke delen van de verwarmingssystemen zoals de [2 warmtegenerator(en)]2, het (de) controlesyste(e)-m(en) en de circulatiepomp(en) worden bij de installatie, wijziging en met regelmatige tussenpozen gecontroleerd door een [4 EPB-controleur]4.
Deze controles omvatten de controle van de inachtneming van de eisen die voor de verwarmingssystemen zijn vastgesteld krachtens artikel 2.2.15.
In voorkomend geval omvatten deze controles een evaluatie van het rendement van de [2 warmtegenerator(en)]2 en van haar (hun) afmeting ten opzichte van de eisen inzake verwarming van de EPB-eenheid.
De evaluatie van de afmeting van [2 warmtegenerator(en)]2 wordt meer bepaald niet herhaald indien er in de tussentijd geen enkele wijziging is aangebracht aan het verwarmingssysteem of aan de eisen inzake verwarming die op het systeem van toepassing zijn.
§ 2. [3 De toegankelijke delen van de klimaatregelingssystemen zoals de koelinstallaties, de controlesystemen, de circulatiepompen worden bij de installatie, wijziging en op regelmatige tijdstippen door een EPB-controleur gecontroleerd]3.
Deze controles omvatten de controle van de inachtneming van de eisen die voor de klimaatregelingssystemen zijn vastgesteld krachtens artikel 2.2.15.
In voorkomend geval omvatten deze controles een evaluatie van de energieprestaties van de koudeproductie en van haar afmeting ten opzichte van de behoeften inzake koeling van de EPB-eenheid.
De evaluatie van de afmeting wordt meer bepaald niet herhaald indien er in de tussentijd geen enkele wijziging is aangebracht aan het klimaatregelingssysteem of aan de eisen inzake afkoeling die op het systeem van toepassing zijn.
§ 3. De [4 EPB-controleur]4 levert aan de gebruikers de resultaten van de controle en aanbevelingen voor een kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van het gecontroleerde systeem.
§ 4. De Regering stelt de uitvoeringsvoorwaarden van de bovenstaande paragrafen vast en kan ook de controle van andere technische installaties opleggen.
De Regering stelt de regelmaat en de inhoud van de controle vast in functie van het type technische installatie, haar afmetingen en rekening gehouden met de kosten van de controle en de waarde van de energiebesparingen die worden geacht te kunnen voortvloeien uit de controle. De Regering kan de regelmaat van de controle verminderen of kan die controle lichter maken [3 wanneer een systeem voor gebouwautomatisering en -controle is geïnstalleerd en eveneens de voorwaarden te specificeren waaronder de nominale vermogens worden bepaald]3.
§ 5. De Regering kan de technische installaties onderwerpen aan onderhoud volgens de voorwaarden die zij vaststelt.]1
Deze controles omvatten de controle van de inachtneming van de eisen die voor de verwarmingssystemen zijn vastgesteld krachtens artikel 2.2.15.
In voorkomend geval omvatten deze controles een evaluatie van het rendement van de [2 warmtegenerator(en)]2 en van haar (hun) afmeting ten opzichte van de eisen inzake verwarming van de EPB-eenheid.
De evaluatie van de afmeting van [2 warmtegenerator(en)]2 wordt meer bepaald niet herhaald indien er in de tussentijd geen enkele wijziging is aangebracht aan het verwarmingssysteem of aan de eisen inzake verwarming die op het systeem van toepassing zijn.
§ 2. [3 De toegankelijke delen van de klimaatregelingssystemen zoals de koelinstallaties, de controlesystemen, de circulatiepompen worden bij de installatie, wijziging en op regelmatige tijdstippen door een EPB-controleur gecontroleerd]3.
Deze controles omvatten de controle van de inachtneming van de eisen die voor de klimaatregelingssystemen zijn vastgesteld krachtens artikel 2.2.15.
In voorkomend geval omvatten deze controles een evaluatie van de energieprestaties van de koudeproductie en van haar afmeting ten opzichte van de behoeften inzake koeling van de EPB-eenheid.
De evaluatie van de afmeting wordt meer bepaald niet herhaald indien er in de tussentijd geen enkele wijziging is aangebracht aan het klimaatregelingssysteem of aan de eisen inzake afkoeling die op het systeem van toepassing zijn.
§ 3. De [4 EPB-controleur]4 levert aan de gebruikers de resultaten van de controle en aanbevelingen voor een kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van het gecontroleerde systeem.
§ 4. De Regering stelt de uitvoeringsvoorwaarden van de bovenstaande paragrafen vast en kan ook de controle van andere technische installaties opleggen.
De Regering stelt de regelmaat en de inhoud van de controle vast in functie van het type technische installatie, haar afmetingen en rekening gehouden met de kosten van de controle en de waarde van de energiebesparingen die worden geacht te kunnen voortvloeien uit de controle. De Regering kan de regelmaat van de controle verminderen of kan die controle lichter maken [3 wanneer een systeem voor gebouwautomatisering en -controle is geïnstalleerd en eveneens de voorwaarden te specificeren waaronder de nominale vermogens worden bepaald]3.
§ 5. De Regering kan de technische installaties onderwerpen aan onderhoud volgens de voorwaarden die zij vaststelt.]1
Art. 2.2.17. [1 § 1er. Les parties accessibles des systèmes de chauffage telles que [2 le (les) générateur(s) de chaleur]2, le(s) système(s) de contrôle et la (les) pompe(s) de circulation sont contrôlées lors de leur installation, modification et à intervalles réguliers par un [4 contrôleur PEB]4.
Ces contrôles comprennent la vérification du respect d'exigences fixées pour les systèmes de chauffage en vertu de l'article 2.2.15.
Ces contrôles comprennent le cas échéant, une évaluation du rendement [2 du (des) générateur(s) de chaleur]2 et du dimensionnement de celle(s)-ci par rapport aux exigences en matière de chauffage de l'unité PEB.
L'évaluation du dimensionnement [2 du (des) générateur(s) de chaleur]2 n'est notamment pas répétée si aucune modification n'a été apportée entre-temps au système de chauffage ou aux exigences en matière de chauffage qui lui sont applicables.
§ 2. [3 Les parties accessibles des systèmes de climatisation telles que les installations de réfrigération, les systèmes de contrôle, les pompes de circulation sont contrôlées lors de leur installation, modification et à intervalles réguliers par un contrôleur PEB.]3
Ces contrôles comprennent la vérification du respect d'exigences fixées pour les systèmes de climatisation en vertu de l'article 2.2.15.
Ces contrôles comprennent, le cas échéant, une évaluation des performances énergétiques de la production de froid et de son dimensionnement par rapport aux besoins de l'unité PEB en matière de refroidissement
L'évaluation du dimensionnement n'est notamment pas répétée si aucune modification n'a été apportée entre-temps au système de climatisation ou aux exigences en matière de refroidissement qui lui sont applicables.
§ 3. Le [4 contrôleur PEB]4 fournit aux utilisateurs les résultats du contrôle et des recommandations pour une amélioration rentable de la performance énergétique du système contrôlé.
§ 4. Le Gouvernement détermine les modalités d'exécution des paragraphes précédents et peut également imposer le contrôle d'autres installations techniques.
Le Gouvernement fixe la fréquence et le contenu du contrôle en fonction du type d'installation technique, de sa taille et en tenant compte du coût du contrôle et de la valeur des économies d'énergie estimées susceptibles de résulter du contrôle. Le Gouvernement peut réduire la fréquence du contrôle ou alléger celui-ci, [3 lorsqu'un système d'automatisation et de contrôle des bâtiments est en place, ainsi que préciser dans quelles conditions les puissances nominales sont définies]3.
§ 5. Le Gouvernement peut soumettre les installations techniques à un entretien selon les modalités qu'il détermine.]1
Ces contrôles comprennent la vérification du respect d'exigences fixées pour les systèmes de chauffage en vertu de l'article 2.2.15.
Ces contrôles comprennent le cas échéant, une évaluation du rendement [2 du (des) générateur(s) de chaleur]2 et du dimensionnement de celle(s)-ci par rapport aux exigences en matière de chauffage de l'unité PEB.
L'évaluation du dimensionnement [2 du (des) générateur(s) de chaleur]2 n'est notamment pas répétée si aucune modification n'a été apportée entre-temps au système de chauffage ou aux exigences en matière de chauffage qui lui sont applicables.
§ 2. [3 Les parties accessibles des systèmes de climatisation telles que les installations de réfrigération, les systèmes de contrôle, les pompes de circulation sont contrôlées lors de leur installation, modification et à intervalles réguliers par un contrôleur PEB.]3
Ces contrôles comprennent la vérification du respect d'exigences fixées pour les systèmes de climatisation en vertu de l'article 2.2.15.
Ces contrôles comprennent, le cas échéant, une évaluation des performances énergétiques de la production de froid et de son dimensionnement par rapport aux besoins de l'unité PEB en matière de refroidissement
L'évaluation du dimensionnement n'est notamment pas répétée si aucune modification n'a été apportée entre-temps au système de climatisation ou aux exigences en matière de refroidissement qui lui sont applicables.
§ 3. Le [4 contrôleur PEB]4 fournit aux utilisateurs les résultats du contrôle et des recommandations pour une amélioration rentable de la performance énergétique du système contrôlé.
§ 4. Le Gouvernement détermine les modalités d'exécution des paragraphes précédents et peut également imposer le contrôle d'autres installations techniques.
Le Gouvernement fixe la fréquence et le contenu du contrôle en fonction du type d'installation technique, de sa taille et en tenant compte du coût du contrôle et de la valeur des économies d'énergie estimées susceptibles de résulter du contrôle. Le Gouvernement peut réduire la fréquence du contrôle ou alléger celui-ci, [3 lorsqu'un système d'automatisation et de contrôle des bâtiments est en place, ainsi que préciser dans quelles conditions les puissances nominales sont définies]3.
§ 5. Le Gouvernement peut soumettre les installations techniques à un entretien selon les modalités qu'il détermine.]1
Art. 2.2.17 /1. [1 Met het oog op de controle van de naleving van de verplichtingen in de voorwaarden die zijn vastgelegd door de Regering krachtens artikel 2.2.17, § 1 van onderhavig Wetboek, wordt elk actief gasleveringspunt - die door de netbeheerder beschouwd wordt als waarschijnlijk aangesloten op een verwarmingsketel op basis van de volgende gegevens betreffende het bovenvermelde gasleveringspunt : de grootte en het adres van de teller en het verbruik.
Om dit vermoeden aan te tonen, verwerkt de netbeheerder de bovenvermelde gegevens en deelt de adressen over de gasleveringspunten die als waarschijnlijk aangesloten op een verwarmingsketel beschouwd worden jaarlijks mee aan Leefmilieu Brussel, teneinde de in het eerste lid beoogde controle mogelijk te maken. Ze worden bijgehouden gedurende een jaar na de ontvangst ervan of tot de beëindiging van de eventuele strafvervolging als een in artikel 2.6.5, g) aangeklaagde overtreding vastgesteld is.
Deze gegevens komen uit het toegangsregister van de netbeheerder.
Ze worden bezorgd aan de ambtenaren die belast zijn met het toezicht.
Voor de toepassing van onderhavige paragraaf wordt verstaan onder :
1° " actief gasleveringspunt " : een open toegangspunt op het gasdistributienet waarvoor een leveringscontract actief is ;
2° " netbeheerder " : de netbeheerder gedefinieerd in artikel 3, 5°, van de ordonnantie van 1 april 2004 betreffende de organisatie van de gasmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, betreffende wegenisretributies inzake gas en elektriciteit en houdende wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ;
3° " toegangsregister : het toegangsregister van de netbeheerder bedoeld in artikel 9bis van de ordonnantie van 1 april 2004 betreffende de organisatie van de gasmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, betreffende wegenisretributies inzake gas en elektriciteit en houdende wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ;
4° " ambtenaren belast met het toezicht " : ambtenaren van Leefmilieu Brussel, aangeduid conform artikel 5, 1, van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid.]1
Om dit vermoeden aan te tonen, verwerkt de netbeheerder de bovenvermelde gegevens en deelt de adressen over de gasleveringspunten die als waarschijnlijk aangesloten op een verwarmingsketel beschouwd worden jaarlijks mee aan Leefmilieu Brussel, teneinde de in het eerste lid beoogde controle mogelijk te maken. Ze worden bijgehouden gedurende een jaar na de ontvangst ervan of tot de beëindiging van de eventuele strafvervolging als een in artikel 2.6.5, g) aangeklaagde overtreding vastgesteld is.
Deze gegevens komen uit het toegangsregister van de netbeheerder.
Ze worden bezorgd aan de ambtenaren die belast zijn met het toezicht.
Voor de toepassing van onderhavige paragraaf wordt verstaan onder :
1° " actief gasleveringspunt " : een open toegangspunt op het gasdistributienet waarvoor een leveringscontract actief is ;
2° " netbeheerder " : de netbeheerder gedefinieerd in artikel 3, 5°, van de ordonnantie van 1 april 2004 betreffende de organisatie van de gasmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, betreffende wegenisretributies inzake gas en elektriciteit en houdende wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ;
3° " toegangsregister : het toegangsregister van de netbeheerder bedoeld in artikel 9bis van de ordonnantie van 1 april 2004 betreffende de organisatie van de gasmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, betreffende wegenisretributies inzake gas en elektriciteit en houdende wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ;
4° " ambtenaren belast met het toezicht " : ambtenaren van Leefmilieu Brussel, aangeduid conform artikel 5, 1, van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid.]1
Art. 2.2.17 /1. [1 Aux fins du contrôle du respect des obligations dans les conditions arrêtées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.17, § 1er, du présent Code, est présumé être relié à un système de chauffage, tout point de fourniture de gaz actif, considéré par le gestionnaire du réseau comme étant probablement raccordé à une chaudière sur la base des données suivantes relatives au point de fourniture de gaz susmentionné : le calibre et l'adresse du compteur et la consommation.
Pour établir cette présomption, le gestionnaire du réseau traite les données précitées et communique annuellement, à Bruxelles Environnement, les adresses relatives aux points de fourniture de gaz présumés être reliés à un système de chauffage, afin de permettre le contrôle visé à l'alinéa premier. Elles sont conservées durant un an à dater de leur réception ou jusqu'à l'extinction d'une éventuelle action publique si une infraction incriminée par l'article 2.6.5, g) est constatée.
Ces données sont issues du registre d'accès du gestionnaire du réseau.
Elles sont transmises aux agents chargés de la surveillance.
Pour l'application du présent paragraphe, on entend par :
1° " point de fourniture de gaz actif " : un point d'accès ouvert au réseau de distribution de gaz pour lequel un contrat de fourniture est actif ;
2° " gestionnaire du réseau " : le gestionnaire du réseau défini à l'article 3, 5°, de l'ordonnance du 1er avril 2004 relative à l'organisation du marché du gaz en Région de Bruxelles-Capitale, concernant des redevances de voiries en matière de gaz et d'électricité et portant modification de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale ;
3° " registre d'accès du gestionnaire du réseau " : le registre d'accès du gestionnaire du réseau visé à l'article 9bis de l'ordonnance du 1er avril 2004 relative à l'organisation du marché du gaz en Région de Bruxelles-Capitale, concernant des redevances de voiries en matière de gaz et d'électricité et portant modification de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale ;
4° " agents chargés de la surveillance " : agents de Bruxelles Environnement désignés conformément à l'article 5, 1er, du Code de l'inspection, la prévention, la constatation et la répression des infractions en matière d'environnement et de la responsabilité environnementale.]1
Pour établir cette présomption, le gestionnaire du réseau traite les données précitées et communique annuellement, à Bruxelles Environnement, les adresses relatives aux points de fourniture de gaz présumés être reliés à un système de chauffage, afin de permettre le contrôle visé à l'alinéa premier. Elles sont conservées durant un an à dater de leur réception ou jusqu'à l'extinction d'une éventuelle action publique si une infraction incriminée par l'article 2.6.5, g) est constatée.
Ces données sont issues du registre d'accès du gestionnaire du réseau.
Elles sont transmises aux agents chargés de la surveillance.
Pour l'application du présent paragraphe, on entend par :
1° " point de fourniture de gaz actif " : un point d'accès ouvert au réseau de distribution de gaz pour lequel un contrat de fourniture est actif ;
2° " gestionnaire du réseau " : le gestionnaire du réseau défini à l'article 3, 5°, de l'ordonnance du 1er avril 2004 relative à l'organisation du marché du gaz en Région de Bruxelles-Capitale, concernant des redevances de voiries en matière de gaz et d'électricité et portant modification de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale ;
3° " registre d'accès du gestionnaire du réseau " : le registre d'accès du gestionnaire du réseau visé à l'article 9bis de l'ordonnance du 1er avril 2004 relative à l'organisation du marché du gaz en Région de Bruxelles-Capitale, concernant des redevances de voiries en matière de gaz et d'électricité et portant modification de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale ;
4° " agents chargés de la surveillance " : agents de Bruxelles Environnement désignés conformément à l'article 5, 1er, du Code de l'inspection, la prévention, la constatation et la répression des infractions en matière d'environnement et de la responsabilité environnementale.]1
Art. 2.2.18. [1 § 1. Als verantwoordelijke voor de verwerking, verwerkt Leefmilieu Brussel de technische en de persoonsgegevens uit de akten bedoeld in artikelen 2.2.4, 2.2.4/2, 2.2.8, 2.2.11, 2.2.13, 2.2.17, 2.2.23, 2.4.3, 2.4.10 et 2.4.11 met het oog op de verwerking van de dossiers die uit deze akten voortvloeien, en houdt deze gegevens bij in een databank betreffende de energieprestaties, hierna de "energiedatabank" genoemd. De verantwoordelijke voor de verwerking kan deze gegevens, na anonimisering, ook gebruiken voor statistische doeleinden ten behoeve van de evaluatie van het in deze ordonnantie bedoelde klimaatbeleid.
De categorieën persoonsgegevens die in deze energiedatabank worden verwerkt, zijn de volgende:
1° de identificatiegegevens van de EPB-eenheid of technische installatie, zoals adres, locatie, de kadastrale perceelsidentificatie, perceelnummer zoals vermeld in de basisakte. Deze gegevens worden tot tien jaar na de verwijdering van de EPB-eenheid of de technische installatie bewaard;
2° de identificatie- en contactgegevens van de aangever, de titularis van een zakelijk recht bedoeld in de artikelen 2.2.4/2 en 2.2.4/5, de persoon die verantwoordelijk is voor de naleving van de verplichtingen bedoeld in de artikelen 2.2.23 en 2.4.3, zoals naam en voornaam/voornamen, rijksregisternummer, adres van hoofdverblijfplaats, contactgegevens. Deze gegevens worden bewaard tot de uiterste datum van de in de artikelen 2.6.1, 2.6.1/1, 2.6.2 en 2.6.3 bedoelde termijn van vijf jaar. In geval van niet-naleving worden deze gegevens bewaard tot het einde van de in artikel 2.6.4, § 4, bedoelde periode van drie jaar vanaf de bovengenoemde periode van vijf jaar;
3° de identificatie- en contactgegevens, bedoeld in de bepaling onder 2°, van de vertegenwoordiger van de mede-eigendom of de persoon die optreedt in uitvoering van de artikelen 2.2.4/3, 2.4.10 en 2.4.11. Deze gegevens worden bewaard tot het einde van hun opdracht.
De categorieën van persoonsgegevens die in de energiedatabank worden verwerkt, zijn slechts toegankelijk voor de volgende categorieën van ontvangers voor de vervulling van een taak, van algemeen belang in de zin van artikel 6, 1°, van de AVG, in het kader van de uitvoering van de gewestelijke Lucht-Klimaat-Energieplannen die krachtens titel 4 van boek 1 van dit Wetboek worden opgesteld:
1° de diensten en instellingen van openbaar nut van de gewestelijke overheid, alsook de andere besturen die binnen de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel werken, waaronder Brussel Huisvesting krachtens artikel 3 van de Brusselse Huisvestingscode, Brussel Stedenbouw en Erfgoed krachtens artikel 2 van het BWRO, het Brussels Planningsbureau krachtens artikel 4 van de ordonnantie van 29 juli 2015 houdende oprichting van het Brussels Planningsbureau;
2° de diensten en instellingen van openbaar nut van de federale overheid, met inbegrip van de Federale Overheidsdienst Financiën, in het kader van de uitoefening van de gewestelijke bevoegdheden voorzien in het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten;
3° de gemeentelijke overheden als vergunningverlenende overheden bedoeld in artikel 123/1 van het BWRO en in het kader van de plannen bedoeld in artikel 31 van het BWRO.
De Regering kan de ontvangers per categorie en de gegevens per categorie die voor hen toegankelijk zijn, alsmede de voorwaarden waaronder de gegevens betreffende de energieprestaties aan hen kunnen worden meegedeeld, nader omschrijven.
In afwijking van het derde lid kunnen de gegevens in deze energiedatabank, met het oog op verdere verwerking voor wetenschappelijk onderzoek of statistische doeleinden worden meegedeeld aan de volgende categorieën van ontvangers: onderzoekers, universiteiten, onderzoeksinstellingen en elke natuurlijke of rechtspersoon die door Europese, nationale, gewestelijke en gemeenschaps- overheidsinstellingen gemachtigd is om onderzoeken te verrichten, alsmede de voornoemde gemachtigde instellingen, na de voorafgaande vaststelling van een protocol waarin deze mededeling voor elk type verwerking tussen de oorspronkelijke verwerkingsverantwoordelijke en de ontvangende verwerkingsverantwoordelijke van de gegevens wordt geformaliseerd. Dit protocol wordt door de verwerkingsverantwoordelijken gepubliceerd en vermeldt de doorgegeven categorieën van gegevens en de anonimiserings- of pseudonimiseringsmethoden die eerder door de oorspronkelijke verwerkingsverantwoordelijke of een vertrouwde derde zijn toegepast overeenkomstig de vereisten van artikel 89 van de AVG en titel 4 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.
§ 2. Het gebouwenpaspoort is bedoeld om de uitwisseling van informatie over de EPB-eenheid of het gebouw tussen de titularissen van een zakelijk recht en de in paragraaf 1, derde lid, bedoelde overheden te vergemakkelijken en de besluitvorming ter verbetering van de energieprestatie van de EPB-eenheden te vergemakkelijken.
Het gebouwenpaspoort geeft toegang door middel van de overeenkomstig artikel 10 van het koninklijk besluit van 30 juli 2018 betreffende het aanleggen en bijhouden van de kadastrale documentatie en tot vaststelling van de modaliteiten voor het afleveren van kadastrale uittreksels toegekende kadastrale perceelsidentificatie, tot ten minste de gegevens van de betrokken EPB-eenheid of het betrokken gebouw die zijn verwerkt in de in paragraaf 1 bedoelde energiedatabank, en de documenten bedoeld in de artikelen 2.2.4/2, 2.2.5, 2.2.8, 2.2.11, 2.2.13, 2.2.17, 2.2.23 en 2.4.3. Het gebouwenpaspoort kan andere informaties bevatten die door de in paragraaf 1, derde lid, bedoelde overheden ter beschikking worden gesteld. De Regering kan de inhoud van het gebouwenpaspoort verduidelijken.
Elke titularis van een zakelijk recht heeft beveiligde toegang tot het gebouwenpaspoort van zijn EPB-eenheid of gebouw. De notaris die optreedt als gemachtigde van de titularis van een zakelijk recht heeft rechtstreeks toegang tot de gegevens in het gebouwenpaspoort. Deze toegang zal worden verleend door de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat en zal het voorwerp uitmaken van een memorandum van overeenstemming tussen deze laatste en Leefmilieu Brussel, waarvan de inhoud beperkt is tot de regeling van de technische aspecten van de genoemde toegang.
Zolang het gebouwenpaspoort niet volledig functioneert, mogen de gegevens over de energieprestatie, die in het kader van één van de maatregelen van titel 2 van dit huidig boek zijn verzameld, door Brussel Leefmilieu worden doorgegeven aan de in titel 2 bedoelde erkende personen en aan de PLAGE-coördinatoren en -revisoren, met het oog op de uitvoering van hun opdrachten zoals vermeld onder de artikelen 2.2.4/2, 2.2.4/3, 2.2.11, 2.2.17, 2.2.20, 2.2.23 en 2.5.7.
De Regering bepaalt de procedures voor de uitvoering van deze paragraaf door de voorwaarden voor toegang tot en gebruik van het gebouwenpaspoort te verduidelijken, met inbegrip van de procedures voor de mededeling van de daarin opgenomen gegevens.
§ 3. Als verantwoordelijke voor de verwerking, verwerkt Leefmilieu Brussel de gegevens van de krachtens titel 5 van boek 2 erkende personen en houdt ze bij in een erkenningsdatabank.
De categorieën verwerkte persoonsgegevens zijn identificatiegegevens zoals naam en voornaam/voornamen, identificatienummer van het Rijksregister, woonadres en contactgegevens van de gemachtigde.
Deze gegevens kunnen worden gebruikt voor het beheer van overeenkomstig de artikelen 2.5.1 tot en met 2.5.5 uitgevoerde erkenningen en worden bewaard gedurende één jaar na het verstrijken van de termijn voor het instellen van beroep bij het Milieucollege tegen een besluit tot intrekking van een erkenning.
§ 4. Een openbaar register van EPB-certificaten wordt opgesteld en bijgehouden door Leefmilieu Brussel, en bevat voor elk certificaat de volgende gegevens bevat:
1° zijn uitgiftedatum;
2° de vervaldatum van de geldigheidsperiode;
3° zijn statuut;
4° indien nodig, het erkenningsnummer van de EPB-deskundige die het EPB-certificaat heeft uitgegeven;
5° het adres van de EPB-eenheid (inclusief de locatie in het gebouw);
6° één of meerdere energieprestatie-indicatoren, zoals het energieverbruik in kWh/m2/jaar;
7° de visuele identificatie van de locatie van de EPB-eenheid;
8° de CO2-uitstoot in kgCO2/m2/jaar;
9° de bruto oppervlakte van de EPB-eenheid, als de aanvraag het nummer van het EPB-certificaat bevat.
De gegevens van het openbare register mogen worden gebruikt wanneer ze nodig zijn voor de volgende doeleinden:
1° het naleven van de informatieverplichtingen die in artikel 2.2.13, § 1, worden beoogd;
2° de controle van de echtheid van het EPB-certificaat dat aan de personen die geïnteresseerd zijn in de in artikel 2.2.13, § 1 beoogde transactie ter beschikking is gesteld krachtens artikel 2.2.13, § 1.
De gegevens van het openbare register kunnen door derden worden geraadpleegd indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° een verzoek om raadpleging werd ingediend via de website die door Leefmilieu Brussel ter beschikking is gesteld of volgens de door Leefmilieu Brussel bepaalde modaliteiten;
2° het verzoek bevat ofwel het adres van de EPB-eenheid ofwel het nummer van het EPB-certificaat van de betrokken eenheid. In het geval van een verzoek dat het adres bevat, kan Leefmilieu Brussel een cartografische zoekopdracht voorstellen.
§ 5. Een niet-openbaar register van EPB-certificaten wordt ingesteld en bijgehouden door Leefmilieu Brussel en bevat de in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde gegevens en de volgende gegevens die uit de in paragraaf 1 bedoelde energiedatabank zijn gehaald:
1° het nummer van het EPB-certificaat;
2° de aanwezigheid van installaties die hernieuwbare energie produceren, indien van toepassing, de indicator hernieuwbare energie;
3° de GWP-indicator;
4° de aanbevelingen tot verbetering van de energieprestatie.
De gegevens van het niet-openbare register mogen uitsluitend worden gebruikt door de volgende categorieën van ontvangers wanneer ze nodig zijn voor de volgende doeleinden:
1° de behandeling van een dossier waarvoor notarissen verantwoordelijk zijn krachtens artikel 2.2.13, § 1, 3° ;
2° de controle op de naleving van de voorwaarde van verbetering van de energieklasse bedoeld in artikel 46ter van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, door de in paragraaf 1, derde lid, 1° en 2°, bedoelde categorieën van ontvangers;
3° het verstrekken van informatie aan de kredietnemers door de kredietgevers, zoals bedoeld in artikel I.9.34° van het Wetboek van economisch recht, meer bepaald:
a) de informatie en analyse in het kader van een kredietaanvraag met onroerende bestemming of voor energiebesparende renovaties, evenals in het kader van de opvolging ervan en in het kader van het beheer van het eventueel eruit voortvloeiende krediet;
b) het beheer van een lopende kredietovereenkomst met onroerende bestemming of voor energiebesparende renovaties.
Deze gegevens kunnen door de kredietgever gedurende de looptijd van het krediet in het kredietdossier worden bewaard.
§ 6. De voorgenoemde gegevens met betrekking van elk EPB-certificaat kunnen in de in paragrafen 4 en 5 bedoelde registers worden geraadpleegd als interface met de in paragraaf 1 bedoelde energiedatabank, totdat dit EPB-certificaat niet langer geldig is.
Elk gebruik van de hierboven bedoelde gegevens voor prospectiedoeleinden is verboden.]1
De categorieën persoonsgegevens die in deze energiedatabank worden verwerkt, zijn de volgende:
1° de identificatiegegevens van de EPB-eenheid of technische installatie, zoals adres, locatie, de kadastrale perceelsidentificatie, perceelnummer zoals vermeld in de basisakte. Deze gegevens worden tot tien jaar na de verwijdering van de EPB-eenheid of de technische installatie bewaard;
2° de identificatie- en contactgegevens van de aangever, de titularis van een zakelijk recht bedoeld in de artikelen 2.2.4/2 en 2.2.4/5, de persoon die verantwoordelijk is voor de naleving van de verplichtingen bedoeld in de artikelen 2.2.23 en 2.4.3, zoals naam en voornaam/voornamen, rijksregisternummer, adres van hoofdverblijfplaats, contactgegevens. Deze gegevens worden bewaard tot de uiterste datum van de in de artikelen 2.6.1, 2.6.1/1, 2.6.2 en 2.6.3 bedoelde termijn van vijf jaar. In geval van niet-naleving worden deze gegevens bewaard tot het einde van de in artikel 2.6.4, § 4, bedoelde periode van drie jaar vanaf de bovengenoemde periode van vijf jaar;
3° de identificatie- en contactgegevens, bedoeld in de bepaling onder 2°, van de vertegenwoordiger van de mede-eigendom of de persoon die optreedt in uitvoering van de artikelen 2.2.4/3, 2.4.10 en 2.4.11. Deze gegevens worden bewaard tot het einde van hun opdracht.
De categorieën van persoonsgegevens die in de energiedatabank worden verwerkt, zijn slechts toegankelijk voor de volgende categorieën van ontvangers voor de vervulling van een taak, van algemeen belang in de zin van artikel 6, 1°, van de AVG, in het kader van de uitvoering van de gewestelijke Lucht-Klimaat-Energieplannen die krachtens titel 4 van boek 1 van dit Wetboek worden opgesteld:
1° de diensten en instellingen van openbaar nut van de gewestelijke overheid, alsook de andere besturen die binnen de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel werken, waaronder Brussel Huisvesting krachtens artikel 3 van de Brusselse Huisvestingscode, Brussel Stedenbouw en Erfgoed krachtens artikel 2 van het BWRO, het Brussels Planningsbureau krachtens artikel 4 van de ordonnantie van 29 juli 2015 houdende oprichting van het Brussels Planningsbureau;
2° de diensten en instellingen van openbaar nut van de federale overheid, met inbegrip van de Federale Overheidsdienst Financiën, in het kader van de uitoefening van de gewestelijke bevoegdheden voorzien in het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten;
3° de gemeentelijke overheden als vergunningverlenende overheden bedoeld in artikel 123/1 van het BWRO en in het kader van de plannen bedoeld in artikel 31 van het BWRO.
De Regering kan de ontvangers per categorie en de gegevens per categorie die voor hen toegankelijk zijn, alsmede de voorwaarden waaronder de gegevens betreffende de energieprestaties aan hen kunnen worden meegedeeld, nader omschrijven.
In afwijking van het derde lid kunnen de gegevens in deze energiedatabank, met het oog op verdere verwerking voor wetenschappelijk onderzoek of statistische doeleinden worden meegedeeld aan de volgende categorieën van ontvangers: onderzoekers, universiteiten, onderzoeksinstellingen en elke natuurlijke of rechtspersoon die door Europese, nationale, gewestelijke en gemeenschaps- overheidsinstellingen gemachtigd is om onderzoeken te verrichten, alsmede de voornoemde gemachtigde instellingen, na de voorafgaande vaststelling van een protocol waarin deze mededeling voor elk type verwerking tussen de oorspronkelijke verwerkingsverantwoordelijke en de ontvangende verwerkingsverantwoordelijke van de gegevens wordt geformaliseerd. Dit protocol wordt door de verwerkingsverantwoordelijken gepubliceerd en vermeldt de doorgegeven categorieën van gegevens en de anonimiserings- of pseudonimiseringsmethoden die eerder door de oorspronkelijke verwerkingsverantwoordelijke of een vertrouwde derde zijn toegepast overeenkomstig de vereisten van artikel 89 van de AVG en titel 4 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.
§ 2. Het gebouwenpaspoort is bedoeld om de uitwisseling van informatie over de EPB-eenheid of het gebouw tussen de titularissen van een zakelijk recht en de in paragraaf 1, derde lid, bedoelde overheden te vergemakkelijken en de besluitvorming ter verbetering van de energieprestatie van de EPB-eenheden te vergemakkelijken.
Het gebouwenpaspoort geeft toegang door middel van de overeenkomstig artikel 10 van het koninklijk besluit van 30 juli 2018 betreffende het aanleggen en bijhouden van de kadastrale documentatie en tot vaststelling van de modaliteiten voor het afleveren van kadastrale uittreksels toegekende kadastrale perceelsidentificatie, tot ten minste de gegevens van de betrokken EPB-eenheid of het betrokken gebouw die zijn verwerkt in de in paragraaf 1 bedoelde energiedatabank, en de documenten bedoeld in de artikelen 2.2.4/2, 2.2.5, 2.2.8, 2.2.11, 2.2.13, 2.2.17, 2.2.23 en 2.4.3. Het gebouwenpaspoort kan andere informaties bevatten die door de in paragraaf 1, derde lid, bedoelde overheden ter beschikking worden gesteld. De Regering kan de inhoud van het gebouwenpaspoort verduidelijken.
Elke titularis van een zakelijk recht heeft beveiligde toegang tot het gebouwenpaspoort van zijn EPB-eenheid of gebouw. De notaris die optreedt als gemachtigde van de titularis van een zakelijk recht heeft rechtstreeks toegang tot de gegevens in het gebouwenpaspoort. Deze toegang zal worden verleend door de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat en zal het voorwerp uitmaken van een memorandum van overeenstemming tussen deze laatste en Leefmilieu Brussel, waarvan de inhoud beperkt is tot de regeling van de technische aspecten van de genoemde toegang.
Zolang het gebouwenpaspoort niet volledig functioneert, mogen de gegevens over de energieprestatie, die in het kader van één van de maatregelen van titel 2 van dit huidig boek zijn verzameld, door Brussel Leefmilieu worden doorgegeven aan de in titel 2 bedoelde erkende personen en aan de PLAGE-coördinatoren en -revisoren, met het oog op de uitvoering van hun opdrachten zoals vermeld onder de artikelen 2.2.4/2, 2.2.4/3, 2.2.11, 2.2.17, 2.2.20, 2.2.23 en 2.5.7.
De Regering bepaalt de procedures voor de uitvoering van deze paragraaf door de voorwaarden voor toegang tot en gebruik van het gebouwenpaspoort te verduidelijken, met inbegrip van de procedures voor de mededeling van de daarin opgenomen gegevens.
§ 3. Als verantwoordelijke voor de verwerking, verwerkt Leefmilieu Brussel de gegevens van de krachtens titel 5 van boek 2 erkende personen en houdt ze bij in een erkenningsdatabank.
De categorieën verwerkte persoonsgegevens zijn identificatiegegevens zoals naam en voornaam/voornamen, identificatienummer van het Rijksregister, woonadres en contactgegevens van de gemachtigde.
Deze gegevens kunnen worden gebruikt voor het beheer van overeenkomstig de artikelen 2.5.1 tot en met 2.5.5 uitgevoerde erkenningen en worden bewaard gedurende één jaar na het verstrijken van de termijn voor het instellen van beroep bij het Milieucollege tegen een besluit tot intrekking van een erkenning.
§ 4. Een openbaar register van EPB-certificaten wordt opgesteld en bijgehouden door Leefmilieu Brussel, en bevat voor elk certificaat de volgende gegevens bevat:
1° zijn uitgiftedatum;
2° de vervaldatum van de geldigheidsperiode;
3° zijn statuut;
4° indien nodig, het erkenningsnummer van de EPB-deskundige die het EPB-certificaat heeft uitgegeven;
5° het adres van de EPB-eenheid (inclusief de locatie in het gebouw);
6° één of meerdere energieprestatie-indicatoren, zoals het energieverbruik in kWh/m2/jaar;
7° de visuele identificatie van de locatie van de EPB-eenheid;
8° de CO2-uitstoot in kgCO2/m2/jaar;
9° de bruto oppervlakte van de EPB-eenheid, als de aanvraag het nummer van het EPB-certificaat bevat.
De gegevens van het openbare register mogen worden gebruikt wanneer ze nodig zijn voor de volgende doeleinden:
1° het naleven van de informatieverplichtingen die in artikel 2.2.13, § 1, worden beoogd;
2° de controle van de echtheid van het EPB-certificaat dat aan de personen die geïnteresseerd zijn in de in artikel 2.2.13, § 1 beoogde transactie ter beschikking is gesteld krachtens artikel 2.2.13, § 1.
De gegevens van het openbare register kunnen door derden worden geraadpleegd indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° een verzoek om raadpleging werd ingediend via de website die door Leefmilieu Brussel ter beschikking is gesteld of volgens de door Leefmilieu Brussel bepaalde modaliteiten;
2° het verzoek bevat ofwel het adres van de EPB-eenheid ofwel het nummer van het EPB-certificaat van de betrokken eenheid. In het geval van een verzoek dat het adres bevat, kan Leefmilieu Brussel een cartografische zoekopdracht voorstellen.
§ 5. Een niet-openbaar register van EPB-certificaten wordt ingesteld en bijgehouden door Leefmilieu Brussel en bevat de in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde gegevens en de volgende gegevens die uit de in paragraaf 1 bedoelde energiedatabank zijn gehaald:
1° het nummer van het EPB-certificaat;
2° de aanwezigheid van installaties die hernieuwbare energie produceren, indien van toepassing, de indicator hernieuwbare energie;
3° de GWP-indicator;
4° de aanbevelingen tot verbetering van de energieprestatie.
De gegevens van het niet-openbare register mogen uitsluitend worden gebruikt door de volgende categorieën van ontvangers wanneer ze nodig zijn voor de volgende doeleinden:
1° de behandeling van een dossier waarvoor notarissen verantwoordelijk zijn krachtens artikel 2.2.13, § 1, 3° ;
2° de controle op de naleving van de voorwaarde van verbetering van de energieklasse bedoeld in artikel 46ter van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, door de in paragraaf 1, derde lid, 1° en 2°, bedoelde categorieën van ontvangers;
3° het verstrekken van informatie aan de kredietnemers door de kredietgevers, zoals bedoeld in artikel I.9.34° van het Wetboek van economisch recht, meer bepaald:
a) de informatie en analyse in het kader van een kredietaanvraag met onroerende bestemming of voor energiebesparende renovaties, evenals in het kader van de opvolging ervan en in het kader van het beheer van het eventueel eruit voortvloeiende krediet;
b) het beheer van een lopende kredietovereenkomst met onroerende bestemming of voor energiebesparende renovaties.
Deze gegevens kunnen door de kredietgever gedurende de looptijd van het krediet in het kredietdossier worden bewaard.
§ 6. De voorgenoemde gegevens met betrekking van elk EPB-certificaat kunnen in de in paragrafen 4 en 5 bedoelde registers worden geraadpleegd als interface met de in paragraaf 1 bedoelde energiedatabank, totdat dit EPB-certificaat niet langer geldig is.
Elk gebruik van de hierboven bedoelde gegevens voor prospectiedoeleinden is verboden.]1
Art. 2.2.18. [1 § 1er. En tant que responsable du traitement, Bruxelles Environnement traite les données techniques et à caractère personnel issues des actes visés aux articles 2.2.4, 2.2.4/2, 2.2.8, 2.2.11, 2.2.13, 2.2.17, 2.2.23, 2.4.3, 2.4.10 et 2.4.11 à des fins de traitement des dossiers issus de ces actes, et maintient ces données à jour dans une base de données en lien avec la performance énergétique, ci-après dénommée " base de données énergétiques ". Le responsable du traitement peut également utiliser ces données, après anonymisation, à des fins statistiques pour l'évaluation de la politique climatique visée par la présente ordonnance.
Les catégories de données à caractère personnel, traitées dans cette base de données énergétiques sont les suivantes:
1° les données d'identification de l'unité PEB ou de l'installation technique, telles que l'adresse, la localisation, l'identifiant parcellaire cadastral, le numéro de lot figurant dans l'acte de base. Ces données sont conservées jusqu'à dix ans après la suppression de l'unité PEB ou de l'installation technique;
2° les données d'identification et de contact du déclarant, du titulaire d'un droit réel visé aux articles 2.2.4/2 et 2.2.4/5, de la personne à qui il incombe de respecter les obligations visées aux articles 2.2.23 et 2.4.3, telles que les nom et prénom(s), le numéro de registre national, l'adresse de résidence principale, les coordonnées de contact. Ces données sont conservées jusqu'à l'échéance du délai de cinq ans prévu aux articles 2.6.1, 2.6.1/1, 2.6.2 et 2.6.3. Dans le cas où un non-respect a été constaté, ces données sont conservées jusqu'à la fin du délai de trois ans prévu à l'article 2.6.4, § 4, à compter du délai de cinq ans précité;
3° les données d'identification et de contact, visées au 2°, du représentant de l'association des copropriétaires ou de la personne intervenant en exécution des articles 2.2.4/3, 2.4.10 et 2.4.11. Ces données sont conservées jusqu'à la fin de leur mission.
Les catégories de données à caractère personnel traitées dans la base de données énergétiques sont uniquement accessibles aux catégories de destinataires suivants pour l'exécution de leurs missions d'intérêt public au sens de l'article 6, 1°, du RGPD dans le cadre de la mise en oeuvre des plans régionaux Air-Climat-Energie établis en vertu du titre 4 du livre 1er du présent Code:
1° les services et organismes d'intérêt public de l'autorité régionale ainsi que les autres administrations oeuvrant au sein du Service public régional de bruxellois, en ce compris Bruxelles Logement en vertu de l'article 3 du Code bruxellois du Logement, Bruxelles Urbanisme et Patrimoine en vertu de l'article 2 du CoBAT, le Bureau bruxellois de la planification en vertu de l'article 4 de l'ordonnance du 29 juillet 2015 portant création du Bureau bruxellois de la planification;
2° les services et organismes d'intérêt public de l'autorité fédérale, en ce compris le Service public fédéral Finances, dans le cadre de l'exercice des compétences régionales prévues dans le Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe;
3° les autorités communales en tant qu'autorités délivrantes de permis visées à l'article 123/1 du CoBAT et dans le cadre des plans visés à l'article 31 du CoBAT.
Le Gouvernement peut préciser les destinataires par catégorie et les données par catégorie qui leur sont accessibles, ainsi que les conditions dans lesquelles les données en lien avec la performance énergétique peuvent leur être communiquées.
Par dérogation à l'alinéa 3, en vue d'un traitement ultérieur à des fins de recherches scientifiques ou à des fins statistiques, les données de cette base de données énergétiques peuvent être communiquées aux catégories de destinataires suivants: les chercheurs, les universités, les organismes de recherche et toute personne physique ou morale mandatée pour la réalisation de recherches par des institutions publiques européennes, nationales, régionales et communautaires ainsi que lesdites institutions mandantes à la suite de l'établissement préalable d'un protocole qui formalise cette transmission pour chaque type de traitement entre le responsable du traitement initial et le responsable du traitement destinataire des données. Ce protocole est publié par les responsables du traitement et précise les catégories de données transférées et les modalités d'anonymisation ou de pseudonymisation appliquées préalablement par le responsable du traitement initial ou un tiers de confiance conformément aux exigences de l'article 89 du RGPD et du titre 4 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractères personnel
§ 2. Le passeport bâtiment vise à faciliter le partage d'informations sur l'unité PEB ou le bâtiment entre les titulaires d'un droit réel et les autorités publiques visées au paragraphe 1er, alinéa 3, et à faciliter la prise de décisions pour améliorer la performance énergétique des unités PEB.
Le passeport bâtiment permet d'accéder, via l'identifiant parcellaire cadastral attribué conformément à l'article 10 de l'arrêté royal du 30 juillet 2018 relatif à la constitution et la mise à jour de la documentation cadastrale et fixant les modalités pour la délivrance des extraits cadastraux, au moins aux données relatives à l'unité PEB ou au bâtiment concernés traitées dans la base de données énergétiques visée au paragraphe 1er et aux documents visés aux articles 2.2.4/2, 2.2.5, 2.2.8, 2.2.11, 2.2.13, 2.2.17, 2.2.23 et 2.4.3. Le passeport bâtiment peut comprendre d'autres informations mises à disposition par les autorités publiques visées au paragraphe 1er, alinéa 3. Le Gouvernement peut préciser le contenu du passeport bâtiment.
Chaque titulaire d'un droit réel possède un accès sécurisé au passeport bâtiment de son unité PEB ou bâtiment. Le notaire qui agit comme mandataire du titulaire d'un droit réel dispose d'un accès direct aux données contenues dans le passeport bâtiment. Cet accès sera mis à disposition par la Fédération royale du notariat belge et fera l'objet d'un protocole d'accord entre cette dernière et Bruxelles Environnement dont le contenu se limite au règlement des aspects techniques dudit accès.
Tant que le passeport bâtiment n'est pas totalement fonctionnel, les données en lien avec la performance énergétique collectées dans le cadre d'une des mesures du titre 2 du présent livre peuvent être transmises par Bruxelles Environnement aux personnes agréées visées dans ce titre 2 et aux coordinateurs et réviseurs PLAGE, pour la réalisation de leurs missions visées aux articles 2.2.4/2, 2.2.4/3, 2.2.11, 2.2.17, 2.2.20, 2.2.23 et 2.5.7.
Le Gouvernement détermine les modalités d'exécution du présent paragraphe en précisant les conditions d'accès et d'utilisation du passeport bâtiment, en ce compris les modalités de communication des données qu'il contient.
§ 3. En tant que responsable du traitement, Bruxelles Environnement traite les données relatives aux personnes agréées en vertu du titre 5 du livre 2 et les maintient à jour dans une base de données des agréments.
Les catégories de données à caractère personnel traitées sont les données d'identification telles que les nom et prénom(s), le numéro d'identification du registre national, l'adresse du domicile et les coordonnées de contact de la personne agréée.
Ces données peuvent être utilisées à des fins de gestion des agréments effectuée en vertu des articles 2.5.1 à 2.5.5 et sont conservées un an à compter de l'expiration du délai de recours auprès du Collège d'Environnement contre une décision de retrait de l'agrément.
§ 4. Un registre public des certificats PEB est établi par Bruxelles Environnement qui le tient à jour, et contient pour chaque certificat les données suivantes:
1° sa date d'émission;
2° la date d'échéance de sa période de validité;
3° son statut;
4° le cas échéant le numéro d'agrément de l'expert PEB ayant émis le certificat PEB;
5° l'adresse de l'unité PEB (y compris sa localisation dans l'immeuble);
6° un ou plusieurs indicateurs de performance énergétique, telle que la consommation d'énergie primaire en kWh/m2/an;
7° l'identification visuelle de la localisation de l'unité PEB;
8° les émissions de CO2 en kgCO2/m2/an;
9° la superficie brute de l'unité PEB, dans le cas où la demande inclut le numéro du certificat PEB.
Les données du registre public peuvent être utilisées lorsqu'elles sont nécessaires à la réalisation des finalités suivantes:
1° le respect des obligations d'information visées à l'article 2.2.13, § 1er;
2° la vérification de l'authenticité du certificat PEB mis à disposition en vertu de l'article 2.2.13, § 1er, des personnes intéressées par la transaction visées à l'article 2.2.13, § 1er.
Les données du registre public peuvent être consultées par des tiers si les conditions suivantes sont remplies:
1° une demande de consultation a été présentée au moyen du site internet mis à disposition par Bruxelles Environnement ou suivant les modalités déterminées par Bruxelles Environnement;
2° la demande inclut soit l'adresse de l'unité PEB, soit le numéro du certificat PEB relatif à l'unité concernée. Dans le cadre d'une demande incluant l'adresse, Bruxelles Environnement peut proposer une recherche cartographique.
§ 5. Un registre non public des certificats PEB est établi par Bruxelles Environnement qui le tient à jour, et contient les données visées au paragraphe 4, alinéa 1er, ainsi que les données suivantes extraites de la base de données énergétiques visée au paragraphe 1er:
1° le numéro du certificat PEB;
2° la présence d'installations produisant de l'énergie renouvelable, le cas échéant l'indicateur d'énergie renouvelable;
3° l'indicateur PRP;
4° les recommandations d'amélioration de la performance énergétique.
Les données du registre non public peuvent uniquement être utilisées par les catégories de destinataires suivants lorsqu'elles sont nécessaires à la réalisation des finalités suivantes:
1° le traitement d'un dossier dont les notaires sont chargés en vertu de l'article 2.2.13, § 1er, 3° ;
2° la vérification du respect de la condition d'amélioration de la classe énergétique visée à l'article 46ter du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, par les catégories de destinataires visés au paragraphe 1er, alinéa 3, 1° et 2° ;
3° l'information fournie aux preneurs de crédit par les prêteurs tels que définis à l'article I.9.34° du Code de droit économique, et en particulier:
a) l'information et l'analyse dans le cadre d'une demande de crédit à destination immobilière ou pour rénovation énergétique ainsi que dans le cadre du suivi ou de la gestion d'un éventuel crédit qui en résulterait;
b) la gestion d'une convention de crédit à destination immobilière ou pour une rénovation énergétique en cours.
Ces données peuvent être conservées par le prêteur dans le dossier de crédit pendant la durée du crédit.
§ 6. Les données précitées relatives à chaque certificat PEB peuvent être consultées dans les registres visés aux paragraphes 4 et 5 en tant qu'interface de la base de données énergétiques visée au paragraphe 1er, jusqu'au moment où ce certificat PEB n'est plus valide.
Toute utilisation des données précitées à des fins de prospection est interdite.]1
Les catégories de données à caractère personnel, traitées dans cette base de données énergétiques sont les suivantes:
1° les données d'identification de l'unité PEB ou de l'installation technique, telles que l'adresse, la localisation, l'identifiant parcellaire cadastral, le numéro de lot figurant dans l'acte de base. Ces données sont conservées jusqu'à dix ans après la suppression de l'unité PEB ou de l'installation technique;
2° les données d'identification et de contact du déclarant, du titulaire d'un droit réel visé aux articles 2.2.4/2 et 2.2.4/5, de la personne à qui il incombe de respecter les obligations visées aux articles 2.2.23 et 2.4.3, telles que les nom et prénom(s), le numéro de registre national, l'adresse de résidence principale, les coordonnées de contact. Ces données sont conservées jusqu'à l'échéance du délai de cinq ans prévu aux articles 2.6.1, 2.6.1/1, 2.6.2 et 2.6.3. Dans le cas où un non-respect a été constaté, ces données sont conservées jusqu'à la fin du délai de trois ans prévu à l'article 2.6.4, § 4, à compter du délai de cinq ans précité;
3° les données d'identification et de contact, visées au 2°, du représentant de l'association des copropriétaires ou de la personne intervenant en exécution des articles 2.2.4/3, 2.4.10 et 2.4.11. Ces données sont conservées jusqu'à la fin de leur mission.
Les catégories de données à caractère personnel traitées dans la base de données énergétiques sont uniquement accessibles aux catégories de destinataires suivants pour l'exécution de leurs missions d'intérêt public au sens de l'article 6, 1°, du RGPD dans le cadre de la mise en oeuvre des plans régionaux Air-Climat-Energie établis en vertu du titre 4 du livre 1er du présent Code:
1° les services et organismes d'intérêt public de l'autorité régionale ainsi que les autres administrations oeuvrant au sein du Service public régional de bruxellois, en ce compris Bruxelles Logement en vertu de l'article 3 du Code bruxellois du Logement, Bruxelles Urbanisme et Patrimoine en vertu de l'article 2 du CoBAT, le Bureau bruxellois de la planification en vertu de l'article 4 de l'ordonnance du 29 juillet 2015 portant création du Bureau bruxellois de la planification;
2° les services et organismes d'intérêt public de l'autorité fédérale, en ce compris le Service public fédéral Finances, dans le cadre de l'exercice des compétences régionales prévues dans le Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe;
3° les autorités communales en tant qu'autorités délivrantes de permis visées à l'article 123/1 du CoBAT et dans le cadre des plans visés à l'article 31 du CoBAT.
Le Gouvernement peut préciser les destinataires par catégorie et les données par catégorie qui leur sont accessibles, ainsi que les conditions dans lesquelles les données en lien avec la performance énergétique peuvent leur être communiquées.
Par dérogation à l'alinéa 3, en vue d'un traitement ultérieur à des fins de recherches scientifiques ou à des fins statistiques, les données de cette base de données énergétiques peuvent être communiquées aux catégories de destinataires suivants: les chercheurs, les universités, les organismes de recherche et toute personne physique ou morale mandatée pour la réalisation de recherches par des institutions publiques européennes, nationales, régionales et communautaires ainsi que lesdites institutions mandantes à la suite de l'établissement préalable d'un protocole qui formalise cette transmission pour chaque type de traitement entre le responsable du traitement initial et le responsable du traitement destinataire des données. Ce protocole est publié par les responsables du traitement et précise les catégories de données transférées et les modalités d'anonymisation ou de pseudonymisation appliquées préalablement par le responsable du traitement initial ou un tiers de confiance conformément aux exigences de l'article 89 du RGPD et du titre 4 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractères personnel
§ 2. Le passeport bâtiment vise à faciliter le partage d'informations sur l'unité PEB ou le bâtiment entre les titulaires d'un droit réel et les autorités publiques visées au paragraphe 1er, alinéa 3, et à faciliter la prise de décisions pour améliorer la performance énergétique des unités PEB.
Le passeport bâtiment permet d'accéder, via l'identifiant parcellaire cadastral attribué conformément à l'article 10 de l'arrêté royal du 30 juillet 2018 relatif à la constitution et la mise à jour de la documentation cadastrale et fixant les modalités pour la délivrance des extraits cadastraux, au moins aux données relatives à l'unité PEB ou au bâtiment concernés traitées dans la base de données énergétiques visée au paragraphe 1er et aux documents visés aux articles 2.2.4/2, 2.2.5, 2.2.8, 2.2.11, 2.2.13, 2.2.17, 2.2.23 et 2.4.3. Le passeport bâtiment peut comprendre d'autres informations mises à disposition par les autorités publiques visées au paragraphe 1er, alinéa 3. Le Gouvernement peut préciser le contenu du passeport bâtiment.
Chaque titulaire d'un droit réel possède un accès sécurisé au passeport bâtiment de son unité PEB ou bâtiment. Le notaire qui agit comme mandataire du titulaire d'un droit réel dispose d'un accès direct aux données contenues dans le passeport bâtiment. Cet accès sera mis à disposition par la Fédération royale du notariat belge et fera l'objet d'un protocole d'accord entre cette dernière et Bruxelles Environnement dont le contenu se limite au règlement des aspects techniques dudit accès.
Tant que le passeport bâtiment n'est pas totalement fonctionnel, les données en lien avec la performance énergétique collectées dans le cadre d'une des mesures du titre 2 du présent livre peuvent être transmises par Bruxelles Environnement aux personnes agréées visées dans ce titre 2 et aux coordinateurs et réviseurs PLAGE, pour la réalisation de leurs missions visées aux articles 2.2.4/2, 2.2.4/3, 2.2.11, 2.2.17, 2.2.20, 2.2.23 et 2.5.7.
Le Gouvernement détermine les modalités d'exécution du présent paragraphe en précisant les conditions d'accès et d'utilisation du passeport bâtiment, en ce compris les modalités de communication des données qu'il contient.
§ 3. En tant que responsable du traitement, Bruxelles Environnement traite les données relatives aux personnes agréées en vertu du titre 5 du livre 2 et les maintient à jour dans une base de données des agréments.
Les catégories de données à caractère personnel traitées sont les données d'identification telles que les nom et prénom(s), le numéro d'identification du registre national, l'adresse du domicile et les coordonnées de contact de la personne agréée.
Ces données peuvent être utilisées à des fins de gestion des agréments effectuée en vertu des articles 2.5.1 à 2.5.5 et sont conservées un an à compter de l'expiration du délai de recours auprès du Collège d'Environnement contre une décision de retrait de l'agrément.
§ 4. Un registre public des certificats PEB est établi par Bruxelles Environnement qui le tient à jour, et contient pour chaque certificat les données suivantes:
1° sa date d'émission;
2° la date d'échéance de sa période de validité;
3° son statut;
4° le cas échéant le numéro d'agrément de l'expert PEB ayant émis le certificat PEB;
5° l'adresse de l'unité PEB (y compris sa localisation dans l'immeuble);
6° un ou plusieurs indicateurs de performance énergétique, telle que la consommation d'énergie primaire en kWh/m2/an;
7° l'identification visuelle de la localisation de l'unité PEB;
8° les émissions de CO2 en kgCO2/m2/an;
9° la superficie brute de l'unité PEB, dans le cas où la demande inclut le numéro du certificat PEB.
Les données du registre public peuvent être utilisées lorsqu'elles sont nécessaires à la réalisation des finalités suivantes:
1° le respect des obligations d'information visées à l'article 2.2.13, § 1er;
2° la vérification de l'authenticité du certificat PEB mis à disposition en vertu de l'article 2.2.13, § 1er, des personnes intéressées par la transaction visées à l'article 2.2.13, § 1er.
Les données du registre public peuvent être consultées par des tiers si les conditions suivantes sont remplies:
1° une demande de consultation a été présentée au moyen du site internet mis à disposition par Bruxelles Environnement ou suivant les modalités déterminées par Bruxelles Environnement;
2° la demande inclut soit l'adresse de l'unité PEB, soit le numéro du certificat PEB relatif à l'unité concernée. Dans le cadre d'une demande incluant l'adresse, Bruxelles Environnement peut proposer une recherche cartographique.
§ 5. Un registre non public des certificats PEB est établi par Bruxelles Environnement qui le tient à jour, et contient les données visées au paragraphe 4, alinéa 1er, ainsi que les données suivantes extraites de la base de données énergétiques visée au paragraphe 1er:
1° le numéro du certificat PEB;
2° la présence d'installations produisant de l'énergie renouvelable, le cas échéant l'indicateur d'énergie renouvelable;
3° l'indicateur PRP;
4° les recommandations d'amélioration de la performance énergétique.
Les données du registre non public peuvent uniquement être utilisées par les catégories de destinataires suivants lorsqu'elles sont nécessaires à la réalisation des finalités suivantes:
1° le traitement d'un dossier dont les notaires sont chargés en vertu de l'article 2.2.13, § 1er, 3° ;
2° la vérification du respect de la condition d'amélioration de la classe énergétique visée à l'article 46ter du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, par les catégories de destinataires visés au paragraphe 1er, alinéa 3, 1° et 2° ;
3° l'information fournie aux preneurs de crédit par les prêteurs tels que définis à l'article I.9.34° du Code de droit économique, et en particulier:
a) l'information et l'analyse dans le cadre d'une demande de crédit à destination immobilière ou pour rénovation énergétique ainsi que dans le cadre du suivi ou de la gestion d'un éventuel crédit qui en résulterait;
b) la gestion d'une convention de crédit à destination immobilière ou pour une rénovation énergétique en cours.
Ces données peuvent être conservées par le prêteur dans le dossier de crédit pendant la durée du crédit.
§ 6. Les données précitées relatives à chaque certificat PEB peuvent être consultées dans les registres visés aux paragraphes 4 et 5 en tant qu'interface de la base de données énergétiques visée au paragraphe 1er, jusqu'au moment où ce certificat PEB n'est plus valide.
Toute utilisation des données précitées à des fins de prospection est interdite.]1
Wijzigingen
Art. 2.2.18. [1 § 1. Als verantwoordelijke voor de verwerking, verwerkt Leefmilieu Brussel de technische en de persoonsgegevens uit de akten bedoeld in artikelen 2.2.4, 2.2.4/2, 2.2.8, 2.2.11, 2.2.13, 2.2.17, 2.2.23, 2.4.3, 2.4.10 et 2.4.11 met het oog op de verwerking van de dossiers die uit deze akten voortvloeien, en houdt deze gegevens bij in een databank betreffende de energieprestaties, hierna de "energiedatabank" genoemd. De verantwoordelijke voor de verwerking kan deze gegevens, na anonimisering, ook gebruiken voor statistische doeleinden ten behoeve van de evaluatie van het in deze ordonnantie bedoelde klimaatbeleid.
De categorieën persoonsgegevens die in deze energiedatabank worden verwerkt, zijn de volgende:
1° de identificatiegegevens van de EPB-eenheid of technische installatie, zoals adres, locatie, de kadastrale perceelsidentificatie, perceelnummer zoals vermeld in de basisakte. Deze gegevens worden tot tien jaar na de verwijdering van de EPB-eenheid of de technische installatie bewaard;
2° de identificatie- en contactgegevens van de aangever, de titularis van een zakelijk recht bedoeld in de artikelen 2.2.4/2 en 2.2.4/5, de persoon die verantwoordelijk is voor de naleving van de verplichtingen bedoeld in de artikelen 2.2.23 en 2.4.3, zoals naam en voornaam/voornamen, rijksregisternummer, adres van hoofdverblijfplaats, contactgegevens. Deze gegevens worden bewaard tot de uiterste datum van de in de artikelen 2.6.1, 2.6.1/1, 2.6.2 en 2.6.3 bedoelde termijn van vijf jaar. In geval van niet-naleving worden deze gegevens bewaard tot het einde van de in artikel 2.6.4, § 4, bedoelde periode van drie jaar vanaf de bovengenoemde periode van vijf jaar;
3° de identificatie- en contactgegevens, bedoeld in de bepaling onder 2°, van de vertegenwoordiger van de mede-eigendom of de persoon die optreedt in uitvoering van de artikelen 2.2.4/3, 2.4.10 en 2.4.11. Deze gegevens worden bewaard tot het einde van hun opdracht.
De categorieën van persoonsgegevens die in de energiedatabank worden verwerkt, zijn slechts toegankelijk voor de volgende categorieën van ontvangers voor de vervulling van een taak, van algemeen belang in de zin van artikel 6, 1°, van de AVG, in het kader van de uitvoering van de gewestelijke Lucht-Klimaat-Energieplannen die krachtens titel 4 van boek 1 van dit Wetboek worden opgesteld:
1° de diensten en instellingen van openbaar nut van de gewestelijke overheid, alsook de andere besturen die binnen de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel werken, waaronder Brussel Huisvesting krachtens artikel 3 van de Brusselse Huisvestingscode, Brussel Stedenbouw en Erfgoed krachtens artikel 2 van het BWRO, het Brussels Planningsbureau krachtens artikel 4 van de ordonnantie van 29 juli 2015 houdende oprichting van het Brussels Planningsbureau;
2° de diensten en instellingen van openbaar nut van de federale overheid, met inbegrip van de Federale Overheidsdienst Financiën, in het kader van de uitoefening van de gewestelijke bevoegdheden voorzien in het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten;
3° de gemeentelijke overheden als vergunningverlenende overheden bedoeld in artikel 123/1 van het BWRO en in het kader van de plannen bedoeld in artikel 31 van het BWRO.
De Regering kan de ontvangers per categorie en de gegevens per categorie die voor hen toegankelijk zijn, alsmede de voorwaarden waaronder de gegevens betreffende de energieprestaties aan hen kunnen worden meegedeeld, nader omschrijven.
In afwijking van het derde lid kunnen de gegevens in deze energiedatabank, met het oog op verdere verwerking voor wetenschappelijk onderzoek of statistische doeleinden worden meegedeeld aan de volgende categorieën van ontvangers: onderzoekers, universiteiten, onderzoeksinstellingen en elke natuurlijke of rechtspersoon die door Europese, nationale, gewestelijke en gemeenschaps- overheidsinstellingen gemachtigd is om onderzoeken te verrichten, alsmede de voornoemde gemachtigde instellingen, na de voorafgaande vaststelling van een protocol waarin deze mededeling voor elk type verwerking tussen de oorspronkelijke verwerkingsverantwoordelijke en de ontvangende verwerkingsverantwoordelijke van de gegevens wordt geformaliseerd. Dit protocol wordt door de verwerkingsverantwoordelijken gepubliceerd en vermeldt de doorgegeven categorieën van gegevens en de anonimiserings- of pseudonimiseringsmethoden die eerder door de oorspronkelijke verwerkingsverantwoordelijke of een vertrouwde derde zijn toegepast overeenkomstig de vereisten van artikel 89 van de AVG en titel 4 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.
§ 2. Het gebouwenpaspoort is bedoeld om de uitwisseling van informatie over de EPB-eenheid of het gebouw tussen de titularissen van een zakelijk recht en de in paragraaf 1, derde lid, bedoelde overheden te vergemakkelijken en de besluitvorming ter verbetering van de energieprestatie van de EPB-eenheden te vergemakkelijken.
Het gebouwenpaspoort geeft toegang door middel van de overeenkomstig artikel 10 van het koninklijk besluit van 30 juli 2018 betreffende het aanleggen en bijhouden van de kadastrale documentatie en tot vaststelling van de modaliteiten voor het afleveren van kadastrale uittreksels toegekende kadastrale perceelsidentificatie, tot ten minste de gegevens van de betrokken EPB-eenheid of het betrokken gebouw die zijn verwerkt in de in paragraaf 1 bedoelde energiedatabank, en de documenten bedoeld in de artikelen 2.2.4/2, 2.2.5, 2.2.8, 2.2.11, 2.2.13, 2.2.17, 2.2.23 en 2.4.3. Het gebouwenpaspoort kan andere informaties bevatten die door de in paragraaf 1, derde lid, bedoelde overheden ter beschikking worden gesteld. De Regering kan de inhoud van het gebouwenpaspoort verduidelijken.
Elke titularis van een zakelijk recht heeft beveiligde toegang tot het gebouwenpaspoort van zijn EPB-eenheid of gebouw. De notaris die optreedt als gemachtigde van de titularis van een zakelijk recht heeft rechtstreeks toegang tot de gegevens in het gebouwenpaspoort. Deze toegang zal worden verleend door de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat en zal het voorwerp uitmaken van een memorandum van overeenstemming tussen deze laatste en Leefmilieu Brussel, waarvan de inhoud beperkt is tot de regeling van de technische aspecten van de genoemde toegang.
Zolang het gebouwenpaspoort niet volledig functioneert, mogen de gegevens over de energieprestatie, die in het kader van één van de maatregelen van titel 2 van dit huidig boek zijn verzameld, door Brussel Leefmilieu worden doorgegeven aan de in titel 2 bedoelde erkende personen en aan de PLAGE-coördinatoren en -revisoren, met het oog op de uitvoering van hun opdrachten zoals vermeld onder de artikelen 2.2.4/2, 2.2.4/3, 2.2.11, 2.2.17, 2.2.20, 2.2.23 en 2.5.7.
De Regering bepaalt de procedures voor de uitvoering van deze paragraaf door de voorwaarden voor toegang tot en gebruik van het gebouwenpaspoort te verduidelijken, met inbegrip van de procedures voor de mededeling van de daarin opgenomen gegevens.
§ 3. Als verantwoordelijke voor de verwerking, verwerkt Leefmilieu Brussel de gegevens van de krachtens titel 5 van boek 2 erkende personen en houdt ze bij in een erkenningsdatabank.
De categorieën verwerkte persoonsgegevens zijn identificatiegegevens zoals naam en voornaam/voornamen, identificatienummer van het Rijksregister, woonadres en contactgegevens van de gemachtigde.
Deze gegevens kunnen worden gebruikt voor het beheer van overeenkomstig de artikelen 2.5.1 tot en met 2.5.5 uitgevoerde erkenningen en worden bewaard gedurende één jaar na het verstrijken van de termijn voor het instellen van beroep bij het Milieucollege tegen een besluit tot intrekking van een erkenning.
§ 4. Een openbaar register van EPB-certificaten wordt opgesteld en bijgehouden door Leefmilieu Brussel, en bevat voor elk certificaat de volgende gegevens bevat:
1° zijn uitgiftedatum;
2° de vervaldatum van de geldigheidsperiode;
3° zijn statuut;
4° indien nodig, het erkenningsnummer van de EPB-deskundige die het EPB-certificaat heeft uitgegeven;
5° het adres van de EPB-eenheid (inclusief de locatie in het gebouw);
6° één of meerdere energieprestatie-indicatoren, zoals het energieverbruik in kWh/m2/jaar;
7° de visuele identificatie van de locatie van de EPB-eenheid;
8° de CO2-uitstoot in kgCO2/m2/jaar;
9° de bruto oppervlakte van de EPB-eenheid, als de aanvraag het nummer van het EPB-certificaat bevat.
De gegevens van het openbare register mogen worden gebruikt wanneer ze nodig zijn voor de volgende doeleinden:
1° het naleven van de informatieverplichtingen die in artikel 2.2.13, § 1, worden beoogd;
2° de controle van de echtheid van het EPB-certificaat dat aan de personen die geïnteresseerd zijn in de in artikel 2.2.13, § 1 beoogde transactie ter beschikking is gesteld krachtens artikel 2.2.13, § 1.
De gegevens van het openbare register kunnen door derden worden geraadpleegd indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° een verzoek om raadpleging werd ingediend via de website die door Leefmilieu Brussel ter beschikking is gesteld of volgens de door Leefmilieu Brussel bepaalde modaliteiten;
2° het verzoek bevat ofwel het adres van de EPB-eenheid ofwel het nummer van het EPB-certificaat van de betrokken eenheid. In het geval van een verzoek dat het adres bevat, kan Leefmilieu Brussel een cartografische zoekopdracht voorstellen.
§ 5. Een niet-openbaar register van EPB-certificaten wordt ingesteld en bijgehouden door Leefmilieu Brussel en bevat de in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde gegevens en de volgende gegevens die uit de in paragraaf 1 bedoelde energiedatabank zijn gehaald:
1° het nummer van het EPB-certificaat;
2° de aanwezigheid van installaties die hernieuwbare energie produceren, indien van toepassing, de indicator hernieuwbare energie;
3° de GWP-indicator;
4° de aanbevelingen tot verbetering van de energieprestatie.
De gegevens van het niet-openbare register mogen uitsluitend worden gebruikt door de volgende categorieën van ontvangers wanneer ze nodig zijn voor de volgende doeleinden:
1° de behandeling van een dossier waarvoor notarissen verantwoordelijk zijn krachtens artikel 2.2.13, § 1, 3° ;
2° de controle op de naleving van de voorwaarde van verbetering van de energieklasse bedoeld in artikel 46ter van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, door de in paragraaf 1, derde lid, 1° en 2°, bedoelde categorieën van ontvangers;
3° het verstrekken van informatie aan de kredietnemers door de kredietgevers, zoals bedoeld in artikel I.9.34° van het Wetboek van economisch recht, meer bepaald:
a) de informatie en analyse in het kader van een kredietaanvraag met onroerende bestemming of voor energiebesparende renovaties, evenals in het kader van de opvolging ervan en in het kader van het beheer van het eventueel eruit voortvloeiende krediet;
b) het beheer van een lopende kredietovereenkomst met onroerende bestemming of voor energiebesparende renovaties.
Deze gegevens kunnen door de kredietgever gedurende de looptijd van het krediet in het kredietdossier worden bewaard.
§ 6. De voorgenoemde gegevens met betrekking van elk EPB-certificaat kunnen in de in paragrafen 4 en 5 bedoelde registers worden geraadpleegd als interface met de in paragraaf 1 bedoelde energiedatabank, totdat dit EPB-certificaat niet langer geldig is.
Elk gebruik van de hierboven bedoelde gegevens voor prospectiedoeleinden is verboden.]1
De categorieën persoonsgegevens die in deze energiedatabank worden verwerkt, zijn de volgende:
1° de identificatiegegevens van de EPB-eenheid of technische installatie, zoals adres, locatie, de kadastrale perceelsidentificatie, perceelnummer zoals vermeld in de basisakte. Deze gegevens worden tot tien jaar na de verwijdering van de EPB-eenheid of de technische installatie bewaard;
2° de identificatie- en contactgegevens van de aangever, de titularis van een zakelijk recht bedoeld in de artikelen 2.2.4/2 en 2.2.4/5, de persoon die verantwoordelijk is voor de naleving van de verplichtingen bedoeld in de artikelen 2.2.23 en 2.4.3, zoals naam en voornaam/voornamen, rijksregisternummer, adres van hoofdverblijfplaats, contactgegevens. Deze gegevens worden bewaard tot de uiterste datum van de in de artikelen 2.6.1, 2.6.1/1, 2.6.2 en 2.6.3 bedoelde termijn van vijf jaar. In geval van niet-naleving worden deze gegevens bewaard tot het einde van de in artikel 2.6.4, § 4, bedoelde periode van drie jaar vanaf de bovengenoemde periode van vijf jaar;
3° de identificatie- en contactgegevens, bedoeld in de bepaling onder 2°, van de vertegenwoordiger van de mede-eigendom of de persoon die optreedt in uitvoering van de artikelen 2.2.4/3, 2.4.10 en 2.4.11. Deze gegevens worden bewaard tot het einde van hun opdracht.
De categorieën van persoonsgegevens die in de energiedatabank worden verwerkt, zijn slechts toegankelijk voor de volgende categorieën van ontvangers voor de vervulling van een taak, van algemeen belang in de zin van artikel 6, 1°, van de AVG, in het kader van de uitvoering van de gewestelijke Lucht-Klimaat-Energieplannen die krachtens titel 4 van boek 1 van dit Wetboek worden opgesteld:
1° de diensten en instellingen van openbaar nut van de gewestelijke overheid, alsook de andere besturen die binnen de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel werken, waaronder Brussel Huisvesting krachtens artikel 3 van de Brusselse Huisvestingscode, Brussel Stedenbouw en Erfgoed krachtens artikel 2 van het BWRO, het Brussels Planningsbureau krachtens artikel 4 van de ordonnantie van 29 juli 2015 houdende oprichting van het Brussels Planningsbureau;
2° de diensten en instellingen van openbaar nut van de federale overheid, met inbegrip van de Federale Overheidsdienst Financiën, in het kader van de uitoefening van de gewestelijke bevoegdheden voorzien in het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten;
3° de gemeentelijke overheden als vergunningverlenende overheden bedoeld in artikel 123/1 van het BWRO en in het kader van de plannen bedoeld in artikel 31 van het BWRO.
De Regering kan de ontvangers per categorie en de gegevens per categorie die voor hen toegankelijk zijn, alsmede de voorwaarden waaronder de gegevens betreffende de energieprestaties aan hen kunnen worden meegedeeld, nader omschrijven.
In afwijking van het derde lid kunnen de gegevens in deze energiedatabank, met het oog op verdere verwerking voor wetenschappelijk onderzoek of statistische doeleinden worden meegedeeld aan de volgende categorieën van ontvangers: onderzoekers, universiteiten, onderzoeksinstellingen en elke natuurlijke of rechtspersoon die door Europese, nationale, gewestelijke en gemeenschaps- overheidsinstellingen gemachtigd is om onderzoeken te verrichten, alsmede de voornoemde gemachtigde instellingen, na de voorafgaande vaststelling van een protocol waarin deze mededeling voor elk type verwerking tussen de oorspronkelijke verwerkingsverantwoordelijke en de ontvangende verwerkingsverantwoordelijke van de gegevens wordt geformaliseerd. Dit protocol wordt door de verwerkingsverantwoordelijken gepubliceerd en vermeldt de doorgegeven categorieën van gegevens en de anonimiserings- of pseudonimiseringsmethoden die eerder door de oorspronkelijke verwerkingsverantwoordelijke of een vertrouwde derde zijn toegepast overeenkomstig de vereisten van artikel 89 van de AVG en titel 4 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.
§ 2. Het gebouwenpaspoort is bedoeld om de uitwisseling van informatie over de EPB-eenheid of het gebouw tussen de titularissen van een zakelijk recht en de in paragraaf 1, derde lid, bedoelde overheden te vergemakkelijken en de besluitvorming ter verbetering van de energieprestatie van de EPB-eenheden te vergemakkelijken.
Het gebouwenpaspoort geeft toegang door middel van de overeenkomstig artikel 10 van het koninklijk besluit van 30 juli 2018 betreffende het aanleggen en bijhouden van de kadastrale documentatie en tot vaststelling van de modaliteiten voor het afleveren van kadastrale uittreksels toegekende kadastrale perceelsidentificatie, tot ten minste de gegevens van de betrokken EPB-eenheid of het betrokken gebouw die zijn verwerkt in de in paragraaf 1 bedoelde energiedatabank, en de documenten bedoeld in de artikelen 2.2.4/2, 2.2.5, 2.2.8, 2.2.11, 2.2.13, 2.2.17, 2.2.23 en 2.4.3. Het gebouwenpaspoort kan andere informaties bevatten die door de in paragraaf 1, derde lid, bedoelde overheden ter beschikking worden gesteld. De Regering kan de inhoud van het gebouwenpaspoort verduidelijken.
Elke titularis van een zakelijk recht heeft beveiligde toegang tot het gebouwenpaspoort van zijn EPB-eenheid of gebouw. De notaris die optreedt als gemachtigde van de titularis van een zakelijk recht heeft rechtstreeks toegang tot de gegevens in het gebouwenpaspoort. Deze toegang zal worden verleend door de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat en zal het voorwerp uitmaken van een memorandum van overeenstemming tussen deze laatste en Leefmilieu Brussel, waarvan de inhoud beperkt is tot de regeling van de technische aspecten van de genoemde toegang.
Zolang het gebouwenpaspoort niet volledig functioneert, mogen de gegevens over de energieprestatie, die in het kader van één van de maatregelen van titel 2 van dit huidig boek zijn verzameld, door Brussel Leefmilieu worden doorgegeven aan de in titel 2 bedoelde erkende personen en aan de PLAGE-coördinatoren en -revisoren, met het oog op de uitvoering van hun opdrachten zoals vermeld onder de artikelen 2.2.4/2, 2.2.4/3, 2.2.11, 2.2.17, 2.2.20, 2.2.23 en 2.5.7.
De Regering bepaalt de procedures voor de uitvoering van deze paragraaf door de voorwaarden voor toegang tot en gebruik van het gebouwenpaspoort te verduidelijken, met inbegrip van de procedures voor de mededeling van de daarin opgenomen gegevens.
§ 3. Als verantwoordelijke voor de verwerking, verwerkt Leefmilieu Brussel de gegevens van de krachtens titel 5 van boek 2 erkende personen en houdt ze bij in een erkenningsdatabank.
De categorieën verwerkte persoonsgegevens zijn identificatiegegevens zoals naam en voornaam/voornamen, identificatienummer van het Rijksregister, woonadres en contactgegevens van de gemachtigde.
Deze gegevens kunnen worden gebruikt voor het beheer van overeenkomstig de artikelen 2.5.1 tot en met 2.5.5 uitgevoerde erkenningen en worden bewaard gedurende één jaar na het verstrijken van de termijn voor het instellen van beroep bij het Milieucollege tegen een besluit tot intrekking van een erkenning.
§ 4. Een openbaar register van EPB-certificaten wordt opgesteld en bijgehouden door Leefmilieu Brussel, en bevat voor elk certificaat de volgende gegevens bevat:
1° zijn uitgiftedatum;
2° de vervaldatum van de geldigheidsperiode;
3° zijn statuut;
4° indien nodig, het erkenningsnummer van de EPB-deskundige die het EPB-certificaat heeft uitgegeven;
5° het adres van de EPB-eenheid (inclusief de locatie in het gebouw);
6° één of meerdere energieprestatie-indicatoren, zoals het energieverbruik in kWh/m2/jaar;
7° de visuele identificatie van de locatie van de EPB-eenheid;
8° de CO2-uitstoot in kgCO2/m2/jaar;
9° de bruto oppervlakte van de EPB-eenheid, als de aanvraag het nummer van het EPB-certificaat bevat.
De gegevens van het openbare register mogen worden gebruikt wanneer ze nodig zijn voor de volgende doeleinden:
1° het naleven van de informatieverplichtingen die in artikel 2.2.13, § 1, worden beoogd;
2° de controle van de echtheid van het EPB-certificaat dat aan de personen die geïnteresseerd zijn in de in artikel 2.2.13, § 1 beoogde transactie ter beschikking is gesteld krachtens artikel 2.2.13, § 1.
De gegevens van het openbare register kunnen door derden worden geraadpleegd indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° een verzoek om raadpleging werd ingediend via de website die door Leefmilieu Brussel ter beschikking is gesteld of volgens de door Leefmilieu Brussel bepaalde modaliteiten;
2° het verzoek bevat ofwel het adres van de EPB-eenheid ofwel het nummer van het EPB-certificaat van de betrokken eenheid. In het geval van een verzoek dat het adres bevat, kan Leefmilieu Brussel een cartografische zoekopdracht voorstellen.
§ 5. Een niet-openbaar register van EPB-certificaten wordt ingesteld en bijgehouden door Leefmilieu Brussel en bevat de in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde gegevens en de volgende gegevens die uit de in paragraaf 1 bedoelde energiedatabank zijn gehaald:
1° het nummer van het EPB-certificaat;
2° de aanwezigheid van installaties die hernieuwbare energie produceren, indien van toepassing, de indicator hernieuwbare energie;
3° de GWP-indicator;
4° de aanbevelingen tot verbetering van de energieprestatie.
De gegevens van het niet-openbare register mogen uitsluitend worden gebruikt door de volgende categorieën van ontvangers wanneer ze nodig zijn voor de volgende doeleinden:
1° de behandeling van een dossier waarvoor notarissen verantwoordelijk zijn krachtens artikel 2.2.13, § 1, 3° ;
2° de controle op de naleving van de voorwaarde van verbetering van de energieklasse bedoeld in artikel 46ter van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, door de in paragraaf 1, derde lid, 1° en 2°, bedoelde categorieën van ontvangers;
3° het verstrekken van informatie aan de kredietnemers door de kredietgevers, zoals bedoeld in artikel I.9.34° van het Wetboek van economisch recht, meer bepaald:
a) de informatie en analyse in het kader van een kredietaanvraag met onroerende bestemming of voor energiebesparende renovaties, evenals in het kader van de opvolging ervan en in het kader van het beheer van het eventueel eruit voortvloeiende krediet;
b) het beheer van een lopende kredietovereenkomst met onroerende bestemming of voor energiebesparende renovaties.
Deze gegevens kunnen door de kredietgever gedurende de looptijd van het krediet in het kredietdossier worden bewaard.
§ 6. De voorgenoemde gegevens met betrekking van elk EPB-certificaat kunnen in de in paragrafen 4 en 5 bedoelde registers worden geraadpleegd als interface met de in paragraaf 1 bedoelde energiedatabank, totdat dit EPB-certificaat niet langer geldig is.
Elk gebruik van de hierboven bedoelde gegevens voor prospectiedoeleinden is verboden.]1
Art. 2.2.18. [1 § 1er. En tant que responsable du traitement, Bruxelles Environnement traite les données techniques et à caractère personnel issues des actes visés aux articles 2.2.4, 2.2.4/2, 2.2.8, 2.2.11, 2.2.13, 2.2.17, 2.2.23, 2.4.3, 2.4.10 et 2.4.11 à des fins de traitement des dossiers issus de ces actes, et maintient ces données à jour dans une base de données en lien avec la performance énergétique, ci-après dénommée " base de données énergétiques ". Le responsable du traitement peut également utiliser ces données, après anonymisation, à des fins statistiques pour l'évaluation de la politique climatique visée par la présente ordonnance.
Les catégories de données à caractère personnel, traitées dans cette base de données énergétiques sont les suivantes:
1° les données d'identification de l'unité PEB ou de l'installation technique, telles que l'adresse, la localisation, l'identifiant parcellaire cadastral, le numéro de lot figurant dans l'acte de base. Ces données sont conservées jusqu'à dix ans après la suppression de l'unité PEB ou de l'installation technique;
2° les données d'identification et de contact du déclarant, du titulaire d'un droit réel visé aux articles 2.2.4/2 et 2.2.4/5, de la personne à qui il incombe de respecter les obligations visées aux articles 2.2.23 et 2.4.3, telles que les nom et prénom(s), le numéro de registre national, l'adresse de résidence principale, les coordonnées de contact. Ces données sont conservées jusqu'à l'échéance du délai de cinq ans prévu aux articles 2.6.1, 2.6.1/1, 2.6.2 et 2.6.3. Dans le cas où un non-respect a été constaté, ces données sont conservées jusqu'à la fin du délai de trois ans prévu à l'article 2.6.4, § 4, à compter du délai de cinq ans précité;
3° les données d'identification et de contact, visées au 2°, du représentant de l'association des copropriétaires ou de la personne intervenant en exécution des articles 2.2.4/3, 2.4.10 et 2.4.11. Ces données sont conservées jusqu'à la fin de leur mission.
Les catégories de données à caractère personnel traitées dans la base de données énergétiques sont uniquement accessibles aux catégories de destinataires suivants pour l'exécution de leurs missions d'intérêt public au sens de l'article 6, 1°, du RGPD dans le cadre de la mise en oeuvre des plans régionaux Air-Climat-Energie établis en vertu du titre 4 du livre 1er du présent Code:
1° les services et organismes d'intérêt public de l'autorité régionale ainsi que les autres administrations oeuvrant au sein du Service public régional de bruxellois, en ce compris Bruxelles Logement en vertu de l'article 3 du Code bruxellois du Logement, Bruxelles Urbanisme et Patrimoine en vertu de l'article 2 du CoBAT, le Bureau bruxellois de la planification en vertu de l'article 4 de l'ordonnance du 29 juillet 2015 portant création du Bureau bruxellois de la planification;
2° les services et organismes d'intérêt public de l'autorité fédérale, en ce compris le Service public fédéral Finances, dans le cadre de l'exercice des compétences régionales prévues dans le Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe;
3° les autorités communales en tant qu'autorités délivrantes de permis visées à l'article 123/1 du CoBAT et dans le cadre des plans visés à l'article 31 du CoBAT.
Le Gouvernement peut préciser les destinataires par catégorie et les données par catégorie qui leur sont accessibles, ainsi que les conditions dans lesquelles les données en lien avec la performance énergétique peuvent leur être communiquées.
Par dérogation à l'alinéa 3, en vue d'un traitement ultérieur à des fins de recherches scientifiques ou à des fins statistiques, les données de cette base de données énergétiques peuvent être communiquées aux catégories de destinataires suivants: les chercheurs, les universités, les organismes de recherche et toute personne physique ou morale mandatée pour la réalisation de recherches par des institutions publiques européennes, nationales, régionales et communautaires ainsi que lesdites institutions mandantes à la suite de l'établissement préalable d'un protocole qui formalise cette transmission pour chaque type de traitement entre le responsable du traitement initial et le responsable du traitement destinataire des données. Ce protocole est publié par les responsables du traitement et précise les catégories de données transférées et les modalités d'anonymisation ou de pseudonymisation appliquées préalablement par le responsable du traitement initial ou un tiers de confiance conformément aux exigences de l'article 89 du RGPD et du titre 4 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractères personnel
§ 2. Le passeport bâtiment vise à faciliter le partage d'informations sur l'unité PEB ou le bâtiment entre les titulaires d'un droit réel et les autorités publiques visées au paragraphe 1er, alinéa 3, et à faciliter la prise de décisions pour améliorer la performance énergétique des unités PEB.
Le passeport bâtiment permet d'accéder, via l'identifiant parcellaire cadastral attribué conformément à l'article 10 de l'arrêté royal du 30 juillet 2018 relatif à la constitution et la mise à jour de la documentation cadastrale et fixant les modalités pour la délivrance des extraits cadastraux, au moins aux données relatives à l'unité PEB ou au bâtiment concernés traitées dans la base de données énergétiques visée au paragraphe 1er et aux documents visés aux articles 2.2.4/2, 2.2.5, 2.2.8, 2.2.11, 2.2.13, 2.2.17, 2.2.23 et 2.4.3. Le passeport bâtiment peut comprendre d'autres informations mises à disposition par les autorités publiques visées au paragraphe 1er, alinéa 3. Le Gouvernement peut préciser le contenu du passeport bâtiment.
Chaque titulaire d'un droit réel possède un accès sécurisé au passeport bâtiment de son unité PEB ou bâtiment. Le notaire qui agit comme mandataire du titulaire d'un droit réel dispose d'un accès direct aux données contenues dans le passeport bâtiment. Cet accès sera mis à disposition par la Fédération royale du notariat belge et fera l'objet d'un protocole d'accord entre cette dernière et Bruxelles Environnement dont le contenu se limite au règlement des aspects techniques dudit accès.
Tant que le passeport bâtiment n'est pas totalement fonctionnel, les données en lien avec la performance énergétique collectées dans le cadre d'une des mesures du titre 2 du présent livre peuvent être transmises par Bruxelles Environnement aux personnes agréées visées dans ce titre 2 et aux coordinateurs et réviseurs PLAGE, pour la réalisation de leurs missions visées aux articles 2.2.4/2, 2.2.4/3, 2.2.11, 2.2.17, 2.2.20, 2.2.23 et 2.5.7.
Le Gouvernement détermine les modalités d'exécution du présent paragraphe en précisant les conditions d'accès et d'utilisation du passeport bâtiment, en ce compris les modalités de communication des données qu'il contient.
§ 3. En tant que responsable du traitement, Bruxelles Environnement traite les données relatives aux personnes agréées en vertu du titre 5 du livre 2 et les maintient à jour dans une base de données des agréments.
Les catégories de données à caractère personnel traitées sont les données d'identification telles que les nom et prénom(s), le numéro d'identification du registre national, l'adresse du domicile et les coordonnées de contact de la personne agréée.
Ces données peuvent être utilisées à des fins de gestion des agréments effectuée en vertu des articles 2.5.1 à 2.5.5 et sont conservées un an à compter de l'expiration du délai de recours auprès du Collège d'Environnement contre une décision de retrait de l'agrément.
§ 4. Un registre public des certificats PEB est établi par Bruxelles Environnement qui le tient à jour, et contient pour chaque certificat les données suivantes:
1° sa date d'émission;
2° la date d'échéance de sa période de validité;
3° son statut;
4° le cas échéant le numéro d'agrément de l'expert PEB ayant émis le certificat PEB;
5° l'adresse de l'unité PEB (y compris sa localisation dans l'immeuble);
6° un ou plusieurs indicateurs de performance énergétique, telle que la consommation d'énergie primaire en kWh/m2/an;
7° l'identification visuelle de la localisation de l'unité PEB;
8° les émissions de CO2 en kgCO2/m2/an;
9° la superficie brute de l'unité PEB, dans le cas où la demande inclut le numéro du certificat PEB.
Les données du registre public peuvent être utilisées lorsqu'elles sont nécessaires à la réalisation des finalités suivantes:
1° le respect des obligations d'information visées à l'article 2.2.13, § 1er;
2° la vérification de l'authenticité du certificat PEB mis à disposition en vertu de l'article 2.2.13, § 1er, des personnes intéressées par la transaction visées à l'article 2.2.13, § 1er.
Les données du registre public peuvent être consultées par des tiers si les conditions suivantes sont remplies:
1° une demande de consultation a été présentée au moyen du site internet mis à disposition par Bruxelles Environnement ou suivant les modalités déterminées par Bruxelles Environnement;
2° la demande inclut soit l'adresse de l'unité PEB, soit le numéro du certificat PEB relatif à l'unité concernée. Dans le cadre d'une demande incluant l'adresse, Bruxelles Environnement peut proposer une recherche cartographique.
§ 5. Un registre non public des certificats PEB est établi par Bruxelles Environnement qui le tient à jour, et contient les données visées au paragraphe 4, alinéa 1er, ainsi que les données suivantes extraites de la base de données énergétiques visée au paragraphe 1er:
1° le numéro du certificat PEB;
2° la présence d'installations produisant de l'énergie renouvelable, le cas échéant l'indicateur d'énergie renouvelable;
3° l'indicateur PRP;
4° les recommandations d'amélioration de la performance énergétique.
Les données du registre non public peuvent uniquement être utilisées par les catégories de destinataires suivants lorsqu'elles sont nécessaires à la réalisation des finalités suivantes:
1° le traitement d'un dossier dont les notaires sont chargés en vertu de l'article 2.2.13, § 1er, 3° ;
2° la vérification du respect de la condition d'amélioration de la classe énergétique visée à l'article 46ter du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, par les catégories de destinataires visés au paragraphe 1er, alinéa 3, 1° et 2° ;
3° l'information fournie aux preneurs de crédit par les prêteurs tels que définis à l'article I.9.34° du Code de droit économique, et en particulier:
a) l'information et l'analyse dans le cadre d'une demande de crédit à destination immobilière ou pour rénovation énergétique ainsi que dans le cadre du suivi ou de la gestion d'un éventuel crédit qui en résulterait;
b) la gestion d'une convention de crédit à destination immobilière ou pour une rénovation énergétique en cours.
Ces données peuvent être conservées par le prêteur dans le dossier de crédit pendant la durée du crédit.
§ 6. Les données précitées relatives à chaque certificat PEB peuvent être consultées dans les registres visés aux paragraphes 4 et 5 en tant qu'interface de la base de données énergétiques visée au paragraphe 1er, jusqu'au moment où ce certificat PEB n'est plus valide.
Toute utilisation des données précitées à des fins de prospection est interdite.]1
Les catégories de données à caractère personnel, traitées dans cette base de données énergétiques sont les suivantes:
1° les données d'identification de l'unité PEB ou de l'installation technique, telles que l'adresse, la localisation, l'identifiant parcellaire cadastral, le numéro de lot figurant dans l'acte de base. Ces données sont conservées jusqu'à dix ans après la suppression de l'unité PEB ou de l'installation technique;
2° les données d'identification et de contact du déclarant, du titulaire d'un droit réel visé aux articles 2.2.4/2 et 2.2.4/5, de la personne à qui il incombe de respecter les obligations visées aux articles 2.2.23 et 2.4.3, telles que les nom et prénom(s), le numéro de registre national, l'adresse de résidence principale, les coordonnées de contact. Ces données sont conservées jusqu'à l'échéance du délai de cinq ans prévu aux articles 2.6.1, 2.6.1/1, 2.6.2 et 2.6.3. Dans le cas où un non-respect a été constaté, ces données sont conservées jusqu'à la fin du délai de trois ans prévu à l'article 2.6.4, § 4, à compter du délai de cinq ans précité;
3° les données d'identification et de contact, visées au 2°, du représentant de l'association des copropriétaires ou de la personne intervenant en exécution des articles 2.2.4/3, 2.4.10 et 2.4.11. Ces données sont conservées jusqu'à la fin de leur mission.
Les catégories de données à caractère personnel traitées dans la base de données énergétiques sont uniquement accessibles aux catégories de destinataires suivants pour l'exécution de leurs missions d'intérêt public au sens de l'article 6, 1°, du RGPD dans le cadre de la mise en oeuvre des plans régionaux Air-Climat-Energie établis en vertu du titre 4 du livre 1er du présent Code:
1° les services et organismes d'intérêt public de l'autorité régionale ainsi que les autres administrations oeuvrant au sein du Service public régional de bruxellois, en ce compris Bruxelles Logement en vertu de l'article 3 du Code bruxellois du Logement, Bruxelles Urbanisme et Patrimoine en vertu de l'article 2 du CoBAT, le Bureau bruxellois de la planification en vertu de l'article 4 de l'ordonnance du 29 juillet 2015 portant création du Bureau bruxellois de la planification;
2° les services et organismes d'intérêt public de l'autorité fédérale, en ce compris le Service public fédéral Finances, dans le cadre de l'exercice des compétences régionales prévues dans le Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe;
3° les autorités communales en tant qu'autorités délivrantes de permis visées à l'article 123/1 du CoBAT et dans le cadre des plans visés à l'article 31 du CoBAT.
Le Gouvernement peut préciser les destinataires par catégorie et les données par catégorie qui leur sont accessibles, ainsi que les conditions dans lesquelles les données en lien avec la performance énergétique peuvent leur être communiquées.
Par dérogation à l'alinéa 3, en vue d'un traitement ultérieur à des fins de recherches scientifiques ou à des fins statistiques, les données de cette base de données énergétiques peuvent être communiquées aux catégories de destinataires suivants: les chercheurs, les universités, les organismes de recherche et toute personne physique ou morale mandatée pour la réalisation de recherches par des institutions publiques européennes, nationales, régionales et communautaires ainsi que lesdites institutions mandantes à la suite de l'établissement préalable d'un protocole qui formalise cette transmission pour chaque type de traitement entre le responsable du traitement initial et le responsable du traitement destinataire des données. Ce protocole est publié par les responsables du traitement et précise les catégories de données transférées et les modalités d'anonymisation ou de pseudonymisation appliquées préalablement par le responsable du traitement initial ou un tiers de confiance conformément aux exigences de l'article 89 du RGPD et du titre 4 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractères personnel
§ 2. Le passeport bâtiment vise à faciliter le partage d'informations sur l'unité PEB ou le bâtiment entre les titulaires d'un droit réel et les autorités publiques visées au paragraphe 1er, alinéa 3, et à faciliter la prise de décisions pour améliorer la performance énergétique des unités PEB.
Le passeport bâtiment permet d'accéder, via l'identifiant parcellaire cadastral attribué conformément à l'article 10 de l'arrêté royal du 30 juillet 2018 relatif à la constitution et la mise à jour de la documentation cadastrale et fixant les modalités pour la délivrance des extraits cadastraux, au moins aux données relatives à l'unité PEB ou au bâtiment concernés traitées dans la base de données énergétiques visée au paragraphe 1er et aux documents visés aux articles 2.2.4/2, 2.2.5, 2.2.8, 2.2.11, 2.2.13, 2.2.17, 2.2.23 et 2.4.3. Le passeport bâtiment peut comprendre d'autres informations mises à disposition par les autorités publiques visées au paragraphe 1er, alinéa 3. Le Gouvernement peut préciser le contenu du passeport bâtiment.
Chaque titulaire d'un droit réel possède un accès sécurisé au passeport bâtiment de son unité PEB ou bâtiment. Le notaire qui agit comme mandataire du titulaire d'un droit réel dispose d'un accès direct aux données contenues dans le passeport bâtiment. Cet accès sera mis à disposition par la Fédération royale du notariat belge et fera l'objet d'un protocole d'accord entre cette dernière et Bruxelles Environnement dont le contenu se limite au règlement des aspects techniques dudit accès.
Tant que le passeport bâtiment n'est pas totalement fonctionnel, les données en lien avec la performance énergétique collectées dans le cadre d'une des mesures du titre 2 du présent livre peuvent être transmises par Bruxelles Environnement aux personnes agréées visées dans ce titre 2 et aux coordinateurs et réviseurs PLAGE, pour la réalisation de leurs missions visées aux articles 2.2.4/2, 2.2.4/3, 2.2.11, 2.2.17, 2.2.20, 2.2.23 et 2.5.7.
Le Gouvernement détermine les modalités d'exécution du présent paragraphe en précisant les conditions d'accès et d'utilisation du passeport bâtiment, en ce compris les modalités de communication des données qu'il contient.
§ 3. En tant que responsable du traitement, Bruxelles Environnement traite les données relatives aux personnes agréées en vertu du titre 5 du livre 2 et les maintient à jour dans une base de données des agréments.
Les catégories de données à caractère personnel traitées sont les données d'identification telles que les nom et prénom(s), le numéro d'identification du registre national, l'adresse du domicile et les coordonnées de contact de la personne agréée.
Ces données peuvent être utilisées à des fins de gestion des agréments effectuée en vertu des articles 2.5.1 à 2.5.5 et sont conservées un an à compter de l'expiration du délai de recours auprès du Collège d'Environnement contre une décision de retrait de l'agrément.
§ 4. Un registre public des certificats PEB est établi par Bruxelles Environnement qui le tient à jour, et contient pour chaque certificat les données suivantes:
1° sa date d'émission;
2° la date d'échéance de sa période de validité;
3° son statut;
4° le cas échéant le numéro d'agrément de l'expert PEB ayant émis le certificat PEB;
5° l'adresse de l'unité PEB (y compris sa localisation dans l'immeuble);
6° un ou plusieurs indicateurs de performance énergétique, telle que la consommation d'énergie primaire en kWh/m2/an;
7° l'identification visuelle de la localisation de l'unité PEB;
8° les émissions de CO2 en kgCO2/m2/an;
9° la superficie brute de l'unité PEB, dans le cas où la demande inclut le numéro du certificat PEB.
Les données du registre public peuvent être utilisées lorsqu'elles sont nécessaires à la réalisation des finalités suivantes:
1° le respect des obligations d'information visées à l'article 2.2.13, § 1er;
2° la vérification de l'authenticité du certificat PEB mis à disposition en vertu de l'article 2.2.13, § 1er, des personnes intéressées par la transaction visées à l'article 2.2.13, § 1er.
Les données du registre public peuvent être consultées par des tiers si les conditions suivantes sont remplies:
1° une demande de consultation a été présentée au moyen du site internet mis à disposition par Bruxelles Environnement ou suivant les modalités déterminées par Bruxelles Environnement;
2° la demande inclut soit l'adresse de l'unité PEB, soit le numéro du certificat PEB relatif à l'unité concernée. Dans le cadre d'une demande incluant l'adresse, Bruxelles Environnement peut proposer une recherche cartographique.
§ 5. Un registre non public des certificats PEB est établi par Bruxelles Environnement qui le tient à jour, et contient les données visées au paragraphe 4, alinéa 1er, ainsi que les données suivantes extraites de la base de données énergétiques visée au paragraphe 1er:
1° le numéro du certificat PEB;
2° la présence d'installations produisant de l'énergie renouvelable, le cas échéant l'indicateur d'énergie renouvelable;
3° l'indicateur PRP;
4° les recommandations d'amélioration de la performance énergétique.
Les données du registre non public peuvent uniquement être utilisées par les catégories de destinataires suivants lorsqu'elles sont nécessaires à la réalisation des finalités suivantes:
1° le traitement d'un dossier dont les notaires sont chargés en vertu de l'article 2.2.13, § 1er, 3° ;
2° la vérification du respect de la condition d'amélioration de la classe énergétique visée à l'article 46ter du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, par les catégories de destinataires visés au paragraphe 1er, alinéa 3, 1° et 2° ;
3° l'information fournie aux preneurs de crédit par les prêteurs tels que définis à l'article I.9.34° du Code de droit économique, et en particulier:
a) l'information et l'analyse dans le cadre d'une demande de crédit à destination immobilière ou pour rénovation énergétique ainsi que dans le cadre du suivi ou de la gestion d'un éventuel crédit qui en résulterait;
b) la gestion d'une convention de crédit à destination immobilière ou pour une rénovation énergétique en cours.
Ces données peuvent être conservées par le prêteur dans le dossier de crédit pendant la durée du crédit.
§ 6. Les données précitées relatives à chaque certificat PEB peuvent être consultées dans les registres visés aux paragraphes 4 et 5 en tant qu'interface de la base de données énergétiques visée au paragraphe 1er, jusqu'au moment où ce certificat PEB n'est plus valide.
Toute utilisation des données précitées à des fins de prospection est interdite.]1
Wijzigingen
Art. 2.2.19. § 1. De Regering erkent of voert een evaluatiesysteem in van de milieu- en energieprestatie van de gebouwen dat meer bepaald rekening houdt met de volgende aspecten :
1° de behoeften aan primaire energie, de energiebronnen en de uitstoot van kooldioxide gekoppeld aan het gebruik van het gebouw;
2° het verbruik van niet-hernieuwbare bronnen voor de bouw, de renovatie of het beheer van het gebouw en de impact van dat verbruik op het milieu;
3° de emissies van luchtverontreinigende stoffen betreffende het gebruik van het gebouw en hun onmiddellijke impact op de directe omgeving;
4° de levenskwaliteit dat het gebouw aan zijn bewoners biedt.
§ 2. Op basis van het evaluatiesysteem bedoeld in § 1, kan de Regering certificerings- en labelingsmechanismen invoeren voor de evaluatie van de energie- en milieuprestatie van gebouwen.
Die mechanismen beantwoorden aan de volgende principes :
a) het certificeringsmechanisme onderscheidt zich van het labelingsmechanisme omdat het een groter aantal uit te voeren maatregelen en een strengere bewijsregeling die steunt op de controle van deze bewijzen door een onafhankelijk organisme omvat;
b) het gebruik van één van deze mechanismen gebeurt op vrijwillige basis;
c) de certificering of het toekennen van een label kunnen verplicht worden gemaakt voor de gebouwen die voor een bepaald type van bestemming voorbehouden zijn of voor de gebouwen die door de overheid worden betrokken of daartoe bestemd zijn, alsook voor de gebouwen die het voorwerp uitmaken van werkzaamheden waarvan een overheid bouwmeester is, volgens modaliteiten die door de Regering moeten worden vastgelegd.
§ 3. Om het evaluatiesysteem bedoeld in § 1 en de certificerings- en labelingsmechanismen vermeld in § 2 in te voeren, kan de Regering deelnemen in een vereniging zonder winstoogmerk die hoofdzakelijk de volgende activiteiten zal uitoefenen :
1. de certificering en de labeling van gebouwen organiseren, en zorgen voor het toezicht op de actoren die eraan deelnemen;
2. de evaluatie-instrumenten voor de energie- en milieuprestatie van gebouwen beheren en actualiseren en, desgevallend, bijkomende instrumenten ontwikkelen;
3. opleidingen organiseren met betrekking tot de certificerings- en labelingssystemen en deze systemen promoten.
1° de behoeften aan primaire energie, de energiebronnen en de uitstoot van kooldioxide gekoppeld aan het gebruik van het gebouw;
2° het verbruik van niet-hernieuwbare bronnen voor de bouw, de renovatie of het beheer van het gebouw en de impact van dat verbruik op het milieu;
3° de emissies van luchtverontreinigende stoffen betreffende het gebruik van het gebouw en hun onmiddellijke impact op de directe omgeving;
4° de levenskwaliteit dat het gebouw aan zijn bewoners biedt.
§ 2. Op basis van het evaluatiesysteem bedoeld in § 1, kan de Regering certificerings- en labelingsmechanismen invoeren voor de evaluatie van de energie- en milieuprestatie van gebouwen.
Die mechanismen beantwoorden aan de volgende principes :
a) het certificeringsmechanisme onderscheidt zich van het labelingsmechanisme omdat het een groter aantal uit te voeren maatregelen en een strengere bewijsregeling die steunt op de controle van deze bewijzen door een onafhankelijk organisme omvat;
b) het gebruik van één van deze mechanismen gebeurt op vrijwillige basis;
c) de certificering of het toekennen van een label kunnen verplicht worden gemaakt voor de gebouwen die voor een bepaald type van bestemming voorbehouden zijn of voor de gebouwen die door de overheid worden betrokken of daartoe bestemd zijn, alsook voor de gebouwen die het voorwerp uitmaken van werkzaamheden waarvan een overheid bouwmeester is, volgens modaliteiten die door de Regering moeten worden vastgelegd.
§ 3. Om het evaluatiesysteem bedoeld in § 1 en de certificerings- en labelingsmechanismen vermeld in § 2 in te voeren, kan de Regering deelnemen in een vereniging zonder winstoogmerk die hoofdzakelijk de volgende activiteiten zal uitoefenen :
1. de certificering en de labeling van gebouwen organiseren, en zorgen voor het toezicht op de actoren die eraan deelnemen;
2. de evaluatie-instrumenten voor de energie- en milieuprestatie van gebouwen beheren en actualiseren en, desgevallend, bijkomende instrumenten ontwikkelen;
3. opleidingen organiseren met betrekking tot de certificerings- en labelingssystemen en deze systemen promoten.
Art. 2.2.19. § 1er. Le Gouvernement reconnaît ou met en place un système d'évaluation de la performance environnementale et énergétique des bâtiments, qui prend notamment en considération les aspects suivants :
1° les besoins en énergie primaire, les sources d'énergie et les émissions de dioxyde de carbone liés à l'utilisation du bâtiment;
2° la consommation de ressources non renouvelables pour la construction, la rénovation ou la gestion du bâtiment et l'impact de cette consommation sur l'environnement;
3° les émissions de polluants atmosphériques relatives à l'utilisation du bâtiment et leur impact sur l'environnement immédiat;
4° la qualité de vie que le bâtiment offre à ses occupants.
§ 2. Sur la base du système d'évaluation visé au § 1er, le Gouvernement peut mettre en place des mécanismes de certification et de labellisation pour l'évaluation des performances énergétiques et environnementales des bâtiments.
Ces mécanismes répondent aux principes suivants :
a) le mécanisme de certification se distingue du mécanisme de labellisation en ce qu'il implique un nombre plus important de mesures à mettre en oeuvre ainsi qu'un système de preuve plus strict qui repose notamment sur le contrôle de ces preuves par un organisme indépendant;
b) le recours à l'un et l'autre de ces mécanismes s'effectue sur une base volontaire;
c) la certification ou labellisation peuvent être rendues obligatoires pour les bâtiments qui présentent un certain type d'affectation ou pour ceux qui sont occupés ou destinés à être occupés par un pouvoir public, ainsi que pour les bâtiments qui font l'objet de travaux dont un pouvoir public est le maître d'ouvrage, selon des modalités à déterminer par le Gouvernement.
§ 3. Pour mettre en place le système d'évaluation visé au § 1er et les mécanismes de certification et labellisation mentionnés au § 2, le Gouvernement peut participer à une association sans but lucratif qui exercera principalement les activités suivantes :
1. organiser la certification et la labellisation des bâtiments, ainsi que la supervision des acteurs qui y participent;
2. gérer les outils d'évaluation des performances énergétiques et environnementales des bâtiments, en les mettant à jour et, le cas échéant, en développant des outils complémentaires;
3. organiser des formations relatives aux systèmes de certification et de labellisation et promouvoir ces systèmes.
1° les besoins en énergie primaire, les sources d'énergie et les émissions de dioxyde de carbone liés à l'utilisation du bâtiment;
2° la consommation de ressources non renouvelables pour la construction, la rénovation ou la gestion du bâtiment et l'impact de cette consommation sur l'environnement;
3° les émissions de polluants atmosphériques relatives à l'utilisation du bâtiment et leur impact sur l'environnement immédiat;
4° la qualité de vie que le bâtiment offre à ses occupants.
§ 2. Sur la base du système d'évaluation visé au § 1er, le Gouvernement peut mettre en place des mécanismes de certification et de labellisation pour l'évaluation des performances énergétiques et environnementales des bâtiments.
Ces mécanismes répondent aux principes suivants :
a) le mécanisme de certification se distingue du mécanisme de labellisation en ce qu'il implique un nombre plus important de mesures à mettre en oeuvre ainsi qu'un système de preuve plus strict qui repose notamment sur le contrôle de ces preuves par un organisme indépendant;
b) le recours à l'un et l'autre de ces mécanismes s'effectue sur une base volontaire;
c) la certification ou labellisation peuvent être rendues obligatoires pour les bâtiments qui présentent un certain type d'affectation ou pour ceux qui sont occupés ou destinés à être occupés par un pouvoir public, ainsi que pour les bâtiments qui font l'objet de travaux dont un pouvoir public est le maître d'ouvrage, selon des modalités à déterminer par le Gouvernement.
§ 3. Pour mettre en place le système d'évaluation visé au § 1er et les mécanismes de certification et labellisation mentionnés au § 2, le Gouvernement peut participer à une association sans but lucratif qui exercera principalement les activités suivantes :
1. organiser la certification et la labellisation des bâtiments, ainsi que la supervision des acteurs qui y participent;
2. gérer les outils d'évaluation des performances énergétiques et environnementales des bâtiments, en les mettant à jour et, le cas échéant, en développant des outils complémentaires;
3. organiser des formations relatives aux systèmes de certification et de labellisation et promouvoir ces systèmes.
Art. 2.2.19. § 1. De Regering erkent of voert een evaluatiesysteem in van de milieu- en energieprestatie van de gebouwen dat meer bepaald rekening houdt met de volgende aspecten :
1° de behoeften aan primaire energie, de energiebronnen en de uitstoot van kooldioxide gekoppeld aan het gebruik van het gebouw;
2° het verbruik van niet-hernieuwbare bronnen voor de bouw, de renovatie of het beheer van het gebouw en de impact van dat verbruik op het milieu;
3° de emissies van luchtverontreinigende stoffen betreffende het gebruik van het gebouw en hun onmiddellijke impact op de directe omgeving;
4° de levenskwaliteit dat het gebouw aan zijn bewoners biedt.
§ 2. Op basis van het evaluatiesysteem bedoeld in § 1, kan de Regering certificerings- en labelingsmechanismen invoeren voor de evaluatie van de energie- en milieuprestatie van gebouwen.
Die mechanismen beantwoorden aan de volgende principes :
a) het certificeringsmechanisme onderscheidt zich van het labelingsmechanisme omdat het een groter aantal uit te voeren maatregelen en een strengere bewijsregeling die steunt op de controle van deze bewijzen door een onafhankelijk organisme omvat;
b) het gebruik van één van deze mechanismen gebeurt op vrijwillige basis;
c) de certificering of het toekennen van een label kunnen verplicht worden gemaakt voor de gebouwen die voor een bepaald type van bestemming voorbehouden zijn of voor de gebouwen die door de overheid worden betrokken of daartoe bestemd zijn, alsook voor de gebouwen die het voorwerp uitmaken van werkzaamheden waarvan een overheid bouwmeester is, volgens modaliteiten die door de Regering moeten worden vastgelegd.
§ 3. Om het evaluatiesysteem bedoeld in § 1 en de certificerings- en labelingsmechanismen vermeld in § 2 in te voeren, kan de Regering deelnemen in een vereniging zonder winstoogmerk die hoofdzakelijk de volgende activiteiten zal uitoefenen :
1. de certificering en de labeling van gebouwen organiseren, en zorgen voor het toezicht op de actoren die eraan deelnemen;
2. de evaluatie-instrumenten voor de energie- en milieuprestatie van gebouwen beheren en actualiseren en, desgevallend, bijkomende instrumenten ontwikkelen;
3. opleidingen organiseren met betrekking tot de certificerings- en labelingssystemen en deze systemen promoten.
1° de behoeften aan primaire energie, de energiebronnen en de uitstoot van kooldioxide gekoppeld aan het gebruik van het gebouw;
2° het verbruik van niet-hernieuwbare bronnen voor de bouw, de renovatie of het beheer van het gebouw en de impact van dat verbruik op het milieu;
3° de emissies van luchtverontreinigende stoffen betreffende het gebruik van het gebouw en hun onmiddellijke impact op de directe omgeving;
4° de levenskwaliteit dat het gebouw aan zijn bewoners biedt.
§ 2. Op basis van het evaluatiesysteem bedoeld in § 1, kan de Regering certificerings- en labelingsmechanismen invoeren voor de evaluatie van de energie- en milieuprestatie van gebouwen.
Die mechanismen beantwoorden aan de volgende principes :
a) het certificeringsmechanisme onderscheidt zich van het labelingsmechanisme omdat het een groter aantal uit te voeren maatregelen en een strengere bewijsregeling die steunt op de controle van deze bewijzen door een onafhankelijk organisme omvat;
b) het gebruik van één van deze mechanismen gebeurt op vrijwillige basis;
c) de certificering of het toekennen van een label kunnen verplicht worden gemaakt voor de gebouwen die voor een bepaald type van bestemming voorbehouden zijn of voor de gebouwen die door de overheid worden betrokken of daartoe bestemd zijn, alsook voor de gebouwen die het voorwerp uitmaken van werkzaamheden waarvan een overheid bouwmeester is, volgens modaliteiten die door de Regering moeten worden vastgelegd.
§ 3. Om het evaluatiesysteem bedoeld in § 1 en de certificerings- en labelingsmechanismen vermeld in § 2 in te voeren, kan de Regering deelnemen in een vereniging zonder winstoogmerk die hoofdzakelijk de volgende activiteiten zal uitoefenen :
1. de certificering en de labeling van gebouwen organiseren, en zorgen voor het toezicht op de actoren die eraan deelnemen;
2. de evaluatie-instrumenten voor de energie- en milieuprestatie van gebouwen beheren en actualiseren en, desgevallend, bijkomende instrumenten ontwikkelen;
3. opleidingen organiseren met betrekking tot de certificerings- en labelingssystemen en deze systemen promoten.
Art. 2.2.19. § 1er. Le Gouvernement reconnaît ou met en place un système d'évaluation de la performance environnementale et énergétique des bâtiments, qui prend notamment en considération les aspects suivants :
1° les besoins en énergie primaire, les sources d'énergie et les émissions de dioxyde de carbone liés à l'utilisation du bâtiment;
2° la consommation de ressources non renouvelables pour la construction, la rénovation ou la gestion du bâtiment et l'impact de cette consommation sur l'environnement;
3° les émissions de polluants atmosphériques relatives à l'utilisation du bâtiment et leur impact sur l'environnement immédiat;
4° la qualité de vie que le bâtiment offre à ses occupants.
§ 2. Sur la base du système d'évaluation visé au § 1er, le Gouvernement peut mettre en place des mécanismes de certification et de labellisation pour l'évaluation des performances énergétiques et environnementales des bâtiments.
Ces mécanismes répondent aux principes suivants :
a) le mécanisme de certification se distingue du mécanisme de labellisation en ce qu'il implique un nombre plus important de mesures à mettre en oeuvre ainsi qu'un système de preuve plus strict qui repose notamment sur le contrôle de ces preuves par un organisme indépendant;
b) le recours à l'un et l'autre de ces mécanismes s'effectue sur une base volontaire;
c) la certification ou labellisation peuvent être rendues obligatoires pour les bâtiments qui présentent un certain type d'affectation ou pour ceux qui sont occupés ou destinés à être occupés par un pouvoir public, ainsi que pour les bâtiments qui font l'objet de travaux dont un pouvoir public est le maître d'ouvrage, selon des modalités à déterminer par le Gouvernement.
§ 3. Pour mettre en place le système d'évaluation visé au § 1er et les mécanismes de certification et labellisation mentionnés au § 2, le Gouvernement peut participer à une association sans but lucratif qui exercera principalement les activités suivantes :
1. organiser la certification et la labellisation des bâtiments, ainsi que la supervision des acteurs qui y participent;
2. gérer les outils d'évaluation des performances énergétiques et environnementales des bâtiments, en les mettant à jour et, le cas échéant, en développant des outils complémentaires;
3. organiser des formations relatives aux systèmes de certification et de labellisation et promouvoir ces systèmes.
1° les besoins en énergie primaire, les sources d'énergie et les émissions de dioxyde de carbone liés à l'utilisation du bâtiment;
2° la consommation de ressources non renouvelables pour la construction, la rénovation ou la gestion du bâtiment et l'impact de cette consommation sur l'environnement;
3° les émissions de polluants atmosphériques relatives à l'utilisation du bâtiment et leur impact sur l'environnement immédiat;
4° la qualité de vie que le bâtiment offre à ses occupants.
§ 2. Sur la base du système d'évaluation visé au § 1er, le Gouvernement peut mettre en place des mécanismes de certification et de labellisation pour l'évaluation des performances énergétiques et environnementales des bâtiments.
Ces mécanismes répondent aux principes suivants :
a) le mécanisme de certification se distingue du mécanisme de labellisation en ce qu'il implique un nombre plus important de mesures à mettre en oeuvre ainsi qu'un système de preuve plus strict qui repose notamment sur le contrôle de ces preuves par un organisme indépendant;
b) le recours à l'un et l'autre de ces mécanismes s'effectue sur une base volontaire;
c) la certification ou labellisation peuvent être rendues obligatoires pour les bâtiments qui présentent un certain type d'affectation ou pour ceux qui sont occupés ou destinés à être occupés par un pouvoir public, ainsi que pour les bâtiments qui font l'objet de travaux dont un pouvoir public est le maître d'ouvrage, selon des modalités à déterminer par le Gouvernement.
§ 3. Pour mettre en place le système d'évaluation visé au § 1er et les mécanismes de certification et labellisation mentionnés au § 2, le Gouvernement peut participer à une association sans but lucratif qui exercera principalement les activités suivantes :
1. organiser la certification et la labellisation des bâtiments, ainsi que la supervision des acteurs qui y participent;
2. gérer les outils d'évaluation des performances énergétiques et environnementales des bâtiments, en les mettant à jour et, le cas échéant, en développant des outils complémentaires;
3. organiser des formations relatives aux systèmes de certification et de labellisation et promouvoir ces systèmes.
Art. 2.2.20. De Regering [1 kan]1 efficiënte en kwaliteitsvolle energieauditsystemen [1 invoeren]1.
De methodologie van de energieaudits en hun verplicht of facultatief karakter kunnen variëren volgens de bestemming of de oppervlakte van de gebouwen.
Deze audits worden uitgevoerd door erkende auditoren overeenkomstig de bepalingen van titel 5 van dit boek.
De methodologie van de energieaudits en hun verplicht of facultatief karakter kunnen variëren volgens de bestemming of de oppervlakte van de gebouwen.
Deze audits worden uitgevoerd door erkende auditoren overeenkomstig de bepalingen van titel 5 van dit boek.
Art. 2.2.20. Le Gouvernement [1 peut mettre]1 en place des systèmes d'audits énergétiques efficaces et de haute qualité.
La méthodologie des audits énergétiques ainsi que leur caractère obligatoire ou facultatif peuvent varier selon l'affectation ou la superficie des bâtiments.
Ces audits sont effectués par des auditeurs agréés conformément aux dispositions du titre 5 du présent livre.
La méthodologie des audits énergétiques ainsi que leur caractère obligatoire ou facultatif peuvent varier selon l'affectation ou la superficie des bâtiments.
Ces audits sont effectués par des auditeurs agréés conformément aux dispositions du titre 5 du présent livre.
Wijzigingen
Art. 2.2.20. De Regering [1 kan]1 efficiënte en kwaliteitsvolle energieauditsystemen [1 invoeren]1.
De methodologie van de energieaudits en hun verplicht of facultatief karakter kunnen variëren volgens de bestemming of de oppervlakte van de gebouwen.
Deze audits worden uitgevoerd door erkende auditoren overeenkomstig de bepalingen van titel 5 van dit boek.
De methodologie van de energieaudits en hun verplicht of facultatief karakter kunnen variëren volgens de bestemming of de oppervlakte van de gebouwen.
Deze audits worden uitgevoerd door erkende auditoren overeenkomstig de bepalingen van titel 5 van dit boek.
Art. 2.2.20. Le Gouvernement [1 peut mettre]1 en place des systèmes d'audits énergétiques efficaces et de haute qualité.
La méthodologie des audits énergétiques ainsi que leur caractère obligatoire ou facultatif peuvent varier selon l'affectation ou la superficie des bâtiments.
Ces audits sont effectués par des auditeurs agréés conformément aux dispositions du titre 5 du présent livre.
La méthodologie des audits énergétiques ainsi que leur caractère obligatoire ou facultatif peuvent varier selon l'affectation ou la superficie des bâtiments.
Ces audits sont effectués par des auditeurs agréés conformément aux dispositions du titre 5 du présent livre.
Wijzigingen
Art. 2.2.21. Het PLAGE heeft tot doel een coherent geheel van acties te ondernemen om het energieverbruik van een geheel van gebouwen te beheersen en een becijferde doelstelling tot vermindering van het energieverbruik in die gebouwen te bereiken.
Art. 2.2.21. Le PLAGE a pour objectif de mettre en place un ensemble cohérent d'actions qui vise à maîtriser les consommations énergétiques d'un ensemble de bâtiments et à atteindre un objectif chiffré de réduction de consommations d'énergie dans ces bâtiments.
Art. 2.2.22. Het volgende orgaan is ertoe gehouden een PLAGE in te voeren :
- elke onderneming die eigenaar is en/of gebouwen betrekt die gelegen zijn op het grondgebied van het Gewest en samen een totale oppervlakte van meer dan 100.000 m2 innemen;
- elke vereniging bedoeld in de wet van 27 juni 1921 op de verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen die eigenaar is en/of gebouwen betrekt die gelegen zijn op het grondgebied van het Gewest en samen een totale oppervlakte van meer dan 100.000 m2 innemen.
De Regering kan het toepassingsgebied van deze paragraaf uitbreiden.
In afwijking van het eerste lid, heeft elk orgaan dat onderworpen is aan de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten bedoeld in boek 3, titel 3, hoofdstuk 1 niet de verplichting een PLAGE in te voeren.
- elke onderneming die eigenaar is en/of gebouwen betrekt die gelegen zijn op het grondgebied van het Gewest en samen een totale oppervlakte van meer dan 100.000 m2 innemen;
- elke vereniging bedoeld in de wet van 27 juni 1921 op de verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen die eigenaar is en/of gebouwen betrekt die gelegen zijn op het grondgebied van het Gewest en samen een totale oppervlakte van meer dan 100.000 m2 innemen.
De Regering kan het toepassingsgebied van deze paragraaf uitbreiden.
In afwijking van het eerste lid, heeft elk orgaan dat onderworpen is aan de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten bedoeld in boek 3, titel 3, hoofdstuk 1 niet de verplichting een PLAGE in te voeren.
Art. 2.2.22. Est tenu de mettre en oeuvre un PLAGE l'organisme suivant :
- toute société qui est propriétaire et/ou occupe des bâtiments situés sur le territoire de la Région qui représentent ensemble une superficie totale de plus de 100.000 m2;
- toute association visée par la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les associations internationales sans but lucratif et les fondations, qui est propriétaire et/ou occupe des bâtiments situés sur le territoire de la Région qui représentent ensemble une superficie totale de plus de 100.000 m2;
Le Gouvernement peut élargir le champ d'application du présent paragraphe.
Par dérogation au premier alinéa, l'organisme soumis au système d'échange de quotas d'émissions de gaz à effet de serre visé par le livre 3, titre 3, chapitre 1er, n'est pas tenu de mettre en oeuvre un PLAGE.
- toute société qui est propriétaire et/ou occupe des bâtiments situés sur le territoire de la Région qui représentent ensemble une superficie totale de plus de 100.000 m2;
- toute association visée par la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les associations internationales sans but lucratif et les fondations, qui est propriétaire et/ou occupe des bâtiments situés sur le territoire de la Région qui représentent ensemble une superficie totale de plus de 100.000 m2;
Le Gouvernement peut élargir le champ d'application du présent paragraphe.
Par dérogation au premier alinéa, l'organisme soumis au système d'échange de quotas d'émissions de gaz à effet de serre visé par le livre 3, titre 3, chapitre 1er, n'est pas tenu de mettre en oeuvre un PLAGE.
Art. 2.2.23. § 1. Binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van dit hoofdstuk en bij elke verandering van PLAGE-coördinator, bezorgt het orgaan aan [3 Leefmilieu Brussel]3 de gegevens van de PLAGE-coördinator die het heeft aangewezen en de documenten waaruit blijkt dat de PLAGE-coördinator de opleiding bedoeld in het tweede lid heeft gevolgd.
De PLAGE-coördinator volgt een specifieke, door [3 Leefmilieu Brussel]3 erkende opleiding over de implicaties van het PLAGE.
§ 2. In het kader van het PLAGE, moet het orgaan onder de controle van de PLAGE-coördinator twee actiefasen doorvoeren.
De eerste fase behelst de volgende acties :
- de opstelling van het energiekadaster van de gebouwen [1 van een door de Regering vastgelegde minimale oppervlakte,]1 waarvan het orgaan eigenaar of betrekker is;
- [1 ...]1 de invoering van een energieboekhouding voor deze gebouwen;
- de uitwerking van een actieprogramma met het oog op een daling van het energieverbruik.
De tweede fase bestaat in de uitvoering van het actieprogramma.
De eerste fase wordt uitgevoerd binnen een termijn van 18 maanden te rekenen vanaf de aanwijzing van de PLAGE-coördinator. De tweede fase wordt uitgevoerd binnen 36 maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van [3 Leefmilieu Brussel]3 bedoeld in § 3, derde lid.
§ 3. Het orgaan legt het ontwerp van actieprogramma voor aan de PLAGE-revisor die de geloofwaardigheid en de relevantie ervan evalueert en, indien nodig, aanbevelingen doet.
Het orgaan bezorgt het actieprogramma aan [3 Leefmilieu Brussel]3 samen met het verslag van de PLAGE-revisor.
Gelet op het actieprogramma en het verslag van de PLAGE-revisor, bepaalt [3 Leefmilieu Brussel]3 de becijferde doelstelling van de te bereiken vermindering van het energieverbruik na afloop van de uitvoering van het actieprogramma en deelt dit mee aan het orgaan.
§ 4. Op het einde van de tweede fase, maakt het orgaan een verslag op waarin wordt nagegaan of de becijferde doelstelling beoogd in § 3 nageleefd is en legt dit ter onderzoek voor aan de PLAGE-revisor die de daarin vermelde gegevens en informatie nagaat.
Indien deze doelstelling niet is nageleefd, beoordeelt de revisor de relevantie en de waarachtigheid van de bijzondere omstandigheden die het orgaan eventueel heeft ingeroepen om deze tekortkoming te rechtvaardigen.
Het orgaan deelt zijn verslag alsook het verslag van de PLAGE-revisor mee aan [3 Leefmilieu Brussel]3.
§ 5. Op verzoek van [3 Leefmilieu Brussel]3, bezorgt het orgaan alle bijkomende informatie inzake de uitvoering van het PLAGE.
§ 6. [2 ...]2
§ 7. De Regering bepaalt hoe het PLAGE dient te worden opgesteld en uitgevoerd. Zo legt zij [2 de minimale inhoud van het actieprogramma bedoeld in onderhavig artikel vast]2. Ze bepaalt ook de kwaliteitscriteria waaraan de verslagen van de PLAGE-revisor moeten voldoen en de inhoud en de modaliteiten van de opleiding tot PLAGE-coördinator.
De PLAGE-coördinator volgt een specifieke, door [3 Leefmilieu Brussel]3 erkende opleiding over de implicaties van het PLAGE.
§ 2. In het kader van het PLAGE, moet het orgaan onder de controle van de PLAGE-coördinator twee actiefasen doorvoeren.
De eerste fase behelst de volgende acties :
- de opstelling van het energiekadaster van de gebouwen [1 van een door de Regering vastgelegde minimale oppervlakte,]1 waarvan het orgaan eigenaar of betrekker is;
- [1 ...]1 de invoering van een energieboekhouding voor deze gebouwen;
- de uitwerking van een actieprogramma met het oog op een daling van het energieverbruik.
De tweede fase bestaat in de uitvoering van het actieprogramma.
De eerste fase wordt uitgevoerd binnen een termijn van 18 maanden te rekenen vanaf de aanwijzing van de PLAGE-coördinator. De tweede fase wordt uitgevoerd binnen 36 maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van [3 Leefmilieu Brussel]3 bedoeld in § 3, derde lid.
§ 3. Het orgaan legt het ontwerp van actieprogramma voor aan de PLAGE-revisor die de geloofwaardigheid en de relevantie ervan evalueert en, indien nodig, aanbevelingen doet.
Het orgaan bezorgt het actieprogramma aan [3 Leefmilieu Brussel]3 samen met het verslag van de PLAGE-revisor.
Gelet op het actieprogramma en het verslag van de PLAGE-revisor, bepaalt [3 Leefmilieu Brussel]3 de becijferde doelstelling van de te bereiken vermindering van het energieverbruik na afloop van de uitvoering van het actieprogramma en deelt dit mee aan het orgaan.
§ 4. Op het einde van de tweede fase, maakt het orgaan een verslag op waarin wordt nagegaan of de becijferde doelstelling beoogd in § 3 nageleefd is en legt dit ter onderzoek voor aan de PLAGE-revisor die de daarin vermelde gegevens en informatie nagaat.
Indien deze doelstelling niet is nageleefd, beoordeelt de revisor de relevantie en de waarachtigheid van de bijzondere omstandigheden die het orgaan eventueel heeft ingeroepen om deze tekortkoming te rechtvaardigen.
Het orgaan deelt zijn verslag alsook het verslag van de PLAGE-revisor mee aan [3 Leefmilieu Brussel]3.
§ 5. Op verzoek van [3 Leefmilieu Brussel]3, bezorgt het orgaan alle bijkomende informatie inzake de uitvoering van het PLAGE.
§ 6. [2 ...]2
§ 7. De Regering bepaalt hoe het PLAGE dient te worden opgesteld en uitgevoerd. Zo legt zij [2 de minimale inhoud van het actieprogramma bedoeld in onderhavig artikel vast]2. Ze bepaalt ook de kwaliteitscriteria waaraan de verslagen van de PLAGE-revisor moeten voldoen en de inhoud en de modaliteiten van de opleiding tot PLAGE-coördinator.
Art. 2.2.23. § 1er. Dans les douze mois de l'entrée en vigueur du présent chapitre, et lors de tout changement de coordinateur PLAGE, l'organisme communique à [3 Bruxelles Environnement]3 les coordonnées du coordinateur PLAGE qu'il a désigné ainsi que les documents attestant de l'accomplissement de la formation visée à l'alinéa 2.
Le coordinateur PLAGE suit une formation spécifique relative aux implications du PLAGE et reconnue par [3 Bruxelles Environnement]3.
§ 2. Dans le cadre du PLAGE, l'organisme met en oeuvre deux phases d'actions sous le contrôle du coordinateur PLAGE.
La première phase porte sur les actions suivantes :
- l'établissement du cadastre énergétique des bâtiments [1 d'une superficie minimale fixée par le Gouvernement,]1 dont l'organisme est propriétaire ou occupant;
- [1 ...]1 la mise en place d'une comptabilité énergétique pour ces bâtiments;
- l'élaboration d'un programme d'actions en vue de réduire la consommation énergétique.
La deuxième phase porte sur la mise en oeuvre du programme d'actions.
La première phase est réalisée dans un délai de 18 mois à compter de la désignation du coordinateur PLAGE. La seconde phase est réalisée dans les 36 mois à compter de la notification de [3 Bruxelles Environnement]3 visée au § 3, alinéa 3.
§ 3. L'organisme soumet le projet de programme d'actions à l'examen du réviseur PLAGE qui en évalue la crédibilité et la pertinence, et, le cas échéant, émet des recommandations.
L'organisme communique à [3 Bruxelles Environnement]3 le programme d'actions, accompagné du rapport du réviseur PLAGE.
Au regard du programme d'actions et du rapport du réviseur PLAGE, [3 Bruxelles Environnement]3 détermine l'objectif chiffré de réduction des consommations d'énergie à atteindre à l'issue de la mise en oeuvre du programme d'actions, et le notifie à l'organisme.
§ 4. Au terme de la seconde phase, l'organisme établit un rapport qui évalue le respect de l'objectif chiffré visé au § 3, et le soumet à l'examen du réviseur PLAGE qui vérifie les données et informations y mentionnées.
En cas de non-respect de cet objectif, le réviseur apprécie la pertinence et la véracité des circonstances particulières éventuellement invoquées par l'organisme pour justifier cette défaillance.
L'organisme communique à [3 Bruxelles Environnement]3 son rapport ainsi que celui du réviseur PLAGE.
§ 5. A la demande de [3 Bruxelles Environnement]3, l'organisme lui adresse tout élément d'information supplémentaire relatif à la mise en oeuvre du PLAGE.
§ 6. [2 ...]2
§ 7. Le Gouvernement détermine les modalités d'élaboration et de mise en oeuvre du PLAGE. Il établit notamment [2 le contenu minimal du]2 programme d'actions visé au présent article. Il détermine aussi les critères de qualité auxquels doivent répondre les rapports du réviseur PLAGE, ainsi que le contenu et les modalités de la formation du coordinateur PLAGE.
Le coordinateur PLAGE suit une formation spécifique relative aux implications du PLAGE et reconnue par [3 Bruxelles Environnement]3.
§ 2. Dans le cadre du PLAGE, l'organisme met en oeuvre deux phases d'actions sous le contrôle du coordinateur PLAGE.
La première phase porte sur les actions suivantes :
- l'établissement du cadastre énergétique des bâtiments [1 d'une superficie minimale fixée par le Gouvernement,]1 dont l'organisme est propriétaire ou occupant;
- [1 ...]1 la mise en place d'une comptabilité énergétique pour ces bâtiments;
- l'élaboration d'un programme d'actions en vue de réduire la consommation énergétique.
La deuxième phase porte sur la mise en oeuvre du programme d'actions.
La première phase est réalisée dans un délai de 18 mois à compter de la désignation du coordinateur PLAGE. La seconde phase est réalisée dans les 36 mois à compter de la notification de [3 Bruxelles Environnement]3 visée au § 3, alinéa 3.
§ 3. L'organisme soumet le projet de programme d'actions à l'examen du réviseur PLAGE qui en évalue la crédibilité et la pertinence, et, le cas échéant, émet des recommandations.
L'organisme communique à [3 Bruxelles Environnement]3 le programme d'actions, accompagné du rapport du réviseur PLAGE.
Au regard du programme d'actions et du rapport du réviseur PLAGE, [3 Bruxelles Environnement]3 détermine l'objectif chiffré de réduction des consommations d'énergie à atteindre à l'issue de la mise en oeuvre du programme d'actions, et le notifie à l'organisme.
§ 4. Au terme de la seconde phase, l'organisme établit un rapport qui évalue le respect de l'objectif chiffré visé au § 3, et le soumet à l'examen du réviseur PLAGE qui vérifie les données et informations y mentionnées.
En cas de non-respect de cet objectif, le réviseur apprécie la pertinence et la véracité des circonstances particulières éventuellement invoquées par l'organisme pour justifier cette défaillance.
L'organisme communique à [3 Bruxelles Environnement]3 son rapport ainsi que celui du réviseur PLAGE.
§ 5. A la demande de [3 Bruxelles Environnement]3, l'organisme lui adresse tout élément d'information supplémentaire relatif à la mise en oeuvre du PLAGE.
§ 6. [2 ...]2
§ 7. Le Gouvernement détermine les modalités d'élaboration et de mise en oeuvre du PLAGE. Il établit notamment [2 le contenu minimal du]2 programme d'actions visé au présent article. Il détermine aussi les critères de qualité auxquels doivent répondre les rapports du réviseur PLAGE, ainsi que le contenu et les modalités de la formation du coordinateur PLAGE.
Art. 2.2.23. § 1. Binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van dit hoofdstuk en bij elke verandering van PLAGE-coördinator, bezorgt het orgaan aan [3 Leefmilieu Brussel]3 de gegevens van de PLAGE-coördinator die het heeft aangewezen en de documenten waaruit blijkt dat de PLAGE-coördinator de opleiding bedoeld in het tweede lid heeft gevolgd.
De PLAGE-coördinator volgt een specifieke, door [3 Leefmilieu Brussel]3 erkende opleiding over de implicaties van het PLAGE.
§ 2. In het kader van het PLAGE, moet het orgaan onder de controle van de PLAGE-coördinator twee actiefasen doorvoeren.
De eerste fase behelst de volgende acties :
- de opstelling van het energiekadaster van de gebouwen [1 van een door de Regering vastgelegde minimale oppervlakte,]1 waarvan het orgaan eigenaar of betrekker is;
- [1 ...]1 de invoering van een energieboekhouding voor deze gebouwen;
- de uitwerking van een actieprogramma met het oog op een daling van het energieverbruik.
De tweede fase bestaat in de uitvoering van het actieprogramma.
De eerste fase wordt uitgevoerd binnen een termijn van 18 maanden te rekenen vanaf de aanwijzing van de PLAGE-coördinator. De tweede fase wordt uitgevoerd binnen 36 maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van [3 Leefmilieu Brussel]3 bedoeld in § 3, derde lid.
§ 3. Het orgaan legt het ontwerp van actieprogramma voor aan de PLAGE-revisor die de geloofwaardigheid en de relevantie ervan evalueert en, indien nodig, aanbevelingen doet.
Het orgaan bezorgt het actieprogramma aan [3 Leefmilieu Brussel]3 samen met het verslag van de PLAGE-revisor.
Gelet op het actieprogramma en het verslag van de PLAGE-revisor, bepaalt [3 Leefmilieu Brussel]3 de becijferde doelstelling van de te bereiken vermindering van het energieverbruik na afloop van de uitvoering van het actieprogramma en deelt dit mee aan het orgaan.
§ 4. Op het einde van de tweede fase, maakt het orgaan een verslag op waarin wordt nagegaan of de becijferde doelstelling beoogd in § 3 nageleefd is en legt dit ter onderzoek voor aan de PLAGE-revisor die de daarin vermelde gegevens en informatie nagaat.
Indien deze doelstelling niet is nageleefd, beoordeelt de revisor de relevantie en de waarachtigheid van de bijzondere omstandigheden die het orgaan eventueel heeft ingeroepen om deze tekortkoming te rechtvaardigen.
Het orgaan deelt zijn verslag alsook het verslag van de PLAGE-revisor mee aan [3 Leefmilieu Brussel]3.
§ 5. Op verzoek van [3 Leefmilieu Brussel]3, bezorgt het orgaan alle bijkomende informatie inzake de uitvoering van het PLAGE.
§ 6. [2 ...]2
§ 7. De Regering bepaalt hoe het PLAGE dient te worden opgesteld en uitgevoerd. Zo legt zij [2 de minimale inhoud van het actieprogramma bedoeld in onderhavig artikel vast]2. Ze bepaalt ook de kwaliteitscriteria waaraan de verslagen van de PLAGE-revisor moeten voldoen en de inhoud en de modaliteiten van de opleiding tot PLAGE-coördinator.
De PLAGE-coördinator volgt een specifieke, door [3 Leefmilieu Brussel]3 erkende opleiding over de implicaties van het PLAGE.
§ 2. In het kader van het PLAGE, moet het orgaan onder de controle van de PLAGE-coördinator twee actiefasen doorvoeren.
De eerste fase behelst de volgende acties :
- de opstelling van het energiekadaster van de gebouwen [1 van een door de Regering vastgelegde minimale oppervlakte,]1 waarvan het orgaan eigenaar of betrekker is;
- [1 ...]1 de invoering van een energieboekhouding voor deze gebouwen;
- de uitwerking van een actieprogramma met het oog op een daling van het energieverbruik.
De tweede fase bestaat in de uitvoering van het actieprogramma.
De eerste fase wordt uitgevoerd binnen een termijn van 18 maanden te rekenen vanaf de aanwijzing van de PLAGE-coördinator. De tweede fase wordt uitgevoerd binnen 36 maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van [3 Leefmilieu Brussel]3 bedoeld in § 3, derde lid.
§ 3. Het orgaan legt het ontwerp van actieprogramma voor aan de PLAGE-revisor die de geloofwaardigheid en de relevantie ervan evalueert en, indien nodig, aanbevelingen doet.
Het orgaan bezorgt het actieprogramma aan [3 Leefmilieu Brussel]3 samen met het verslag van de PLAGE-revisor.
Gelet op het actieprogramma en het verslag van de PLAGE-revisor, bepaalt [3 Leefmilieu Brussel]3 de becijferde doelstelling van de te bereiken vermindering van het energieverbruik na afloop van de uitvoering van het actieprogramma en deelt dit mee aan het orgaan.
§ 4. Op het einde van de tweede fase, maakt het orgaan een verslag op waarin wordt nagegaan of de becijferde doelstelling beoogd in § 3 nageleefd is en legt dit ter onderzoek voor aan de PLAGE-revisor die de daarin vermelde gegevens en informatie nagaat.
Indien deze doelstelling niet is nageleefd, beoordeelt de revisor de relevantie en de waarachtigheid van de bijzondere omstandigheden die het orgaan eventueel heeft ingeroepen om deze tekortkoming te rechtvaardigen.
Het orgaan deelt zijn verslag alsook het verslag van de PLAGE-revisor mee aan [3 Leefmilieu Brussel]3.
§ 5. Op verzoek van [3 Leefmilieu Brussel]3, bezorgt het orgaan alle bijkomende informatie inzake de uitvoering van het PLAGE.
§ 6. [2 ...]2
§ 7. De Regering bepaalt hoe het PLAGE dient te worden opgesteld en uitgevoerd. Zo legt zij [2 de minimale inhoud van het actieprogramma bedoeld in onderhavig artikel vast]2. Ze bepaalt ook de kwaliteitscriteria waaraan de verslagen van de PLAGE-revisor moeten voldoen en de inhoud en de modaliteiten van de opleiding tot PLAGE-coördinator.
Art. 2.2.23. § 1er. Dans les douze mois de l'entrée en vigueur du présent chapitre, et lors de tout changement de coordinateur PLAGE, l'organisme communique à [3 Bruxelles Environnement]3 les coordonnées du coordinateur PLAGE qu'il a désigné ainsi que les documents attestant de l'accomplissement de la formation visée à l'alinéa 2.
Le coordinateur PLAGE suit une formation spécifique relative aux implications du PLAGE et reconnue par [3 Bruxelles Environnement]3.
§ 2. Dans le cadre du PLAGE, l'organisme met en oeuvre deux phases d'actions sous le contrôle du coordinateur PLAGE.
La première phase porte sur les actions suivantes :
- l'établissement du cadastre énergétique des bâtiments [1 d'une superficie minimale fixée par le Gouvernement,]1 dont l'organisme est propriétaire ou occupant;
- [1 ...]1 la mise en place d'une comptabilité énergétique pour ces bâtiments;
- l'élaboration d'un programme d'actions en vue de réduire la consommation énergétique.
La deuxième phase porte sur la mise en oeuvre du programme d'actions.
La première phase est réalisée dans un délai de 18 mois à compter de la désignation du coordinateur PLAGE. La seconde phase est réalisée dans les 36 mois à compter de la notification de [3 Bruxelles Environnement]3 visée au § 3, alinéa 3.
§ 3. L'organisme soumet le projet de programme d'actions à l'examen du réviseur PLAGE qui en évalue la crédibilité et la pertinence, et, le cas échéant, émet des recommandations.
L'organisme communique à [3 Bruxelles Environnement]3 le programme d'actions, accompagné du rapport du réviseur PLAGE.
Au regard du programme d'actions et du rapport du réviseur PLAGE, [3 Bruxelles Environnement]3 détermine l'objectif chiffré de réduction des consommations d'énergie à atteindre à l'issue de la mise en oeuvre du programme d'actions, et le notifie à l'organisme.
§ 4. Au terme de la seconde phase, l'organisme établit un rapport qui évalue le respect de l'objectif chiffré visé au § 3, et le soumet à l'examen du réviseur PLAGE qui vérifie les données et informations y mentionnées.
En cas de non-respect de cet objectif, le réviseur apprécie la pertinence et la véracité des circonstances particulières éventuellement invoquées par l'organisme pour justifier cette défaillance.
L'organisme communique à [3 Bruxelles Environnement]3 son rapport ainsi que celui du réviseur PLAGE.
§ 5. A la demande de [3 Bruxelles Environnement]3, l'organisme lui adresse tout élément d'information supplémentaire relatif à la mise en oeuvre du PLAGE.
§ 6. [2 ...]2
§ 7. Le Gouvernement détermine les modalités d'élaboration et de mise en oeuvre du PLAGE. Il établit notamment [2 le contenu minimal du]2 programme d'actions visé au présent article. Il détermine aussi les critères de qualité auxquels doivent répondre les rapports du réviseur PLAGE, ainsi que le contenu et les modalités de la formation du coordinateur PLAGE.
Le coordinateur PLAGE suit une formation spécifique relative aux implications du PLAGE et reconnue par [3 Bruxelles Environnement]3.
§ 2. Dans le cadre du PLAGE, l'organisme met en oeuvre deux phases d'actions sous le contrôle du coordinateur PLAGE.
La première phase porte sur les actions suivantes :
- l'établissement du cadastre énergétique des bâtiments [1 d'une superficie minimale fixée par le Gouvernement,]1 dont l'organisme est propriétaire ou occupant;
- [1 ...]1 la mise en place d'une comptabilité énergétique pour ces bâtiments;
- l'élaboration d'un programme d'actions en vue de réduire la consommation énergétique.
La deuxième phase porte sur la mise en oeuvre du programme d'actions.
La première phase est réalisée dans un délai de 18 mois à compter de la désignation du coordinateur PLAGE. La seconde phase est réalisée dans les 36 mois à compter de la notification de [3 Bruxelles Environnement]3 visée au § 3, alinéa 3.
§ 3. L'organisme soumet le projet de programme d'actions à l'examen du réviseur PLAGE qui en évalue la crédibilité et la pertinence, et, le cas échéant, émet des recommandations.
L'organisme communique à [3 Bruxelles Environnement]3 le programme d'actions, accompagné du rapport du réviseur PLAGE.
Au regard du programme d'actions et du rapport du réviseur PLAGE, [3 Bruxelles Environnement]3 détermine l'objectif chiffré de réduction des consommations d'énergie à atteindre à l'issue de la mise en oeuvre du programme d'actions, et le notifie à l'organisme.
§ 4. Au terme de la seconde phase, l'organisme établit un rapport qui évalue le respect de l'objectif chiffré visé au § 3, et le soumet à l'examen du réviseur PLAGE qui vérifie les données et informations y mentionnées.
En cas de non-respect de cet objectif, le réviseur apprécie la pertinence et la véracité des circonstances particulières éventuellement invoquées par l'organisme pour justifier cette défaillance.
L'organisme communique à [3 Bruxelles Environnement]3 son rapport ainsi que celui du réviseur PLAGE.
§ 5. A la demande de [3 Bruxelles Environnement]3, l'organisme lui adresse tout élément d'information supplémentaire relatif à la mise en oeuvre du PLAGE.
§ 6. [2 ...]2
§ 7. Le Gouvernement détermine les modalités d'élaboration et de mise en oeuvre du PLAGE. Il établit notamment [2 le contenu minimal du]2 programme d'actions visé au présent article. Il détermine aussi les critères de qualité auxquels doivent répondre les rapports du réviseur PLAGE, ainsi que le contenu et les modalités de la formation du coordinateur PLAGE.
Art. 2.2.24. Zodra de uitvoering van het PLAGE is voltooid, voert het organisme een nieuw plan uit overeenkomstig artikel 2.2.23.
In afwijking van artikel 2.2.23, § 2, wordt de eerste fase van de volgende PLAGE's uitgevoerd binnen een termijn van twaalf maanden te rekenen vanaf de mededeling van het verslag bedoeld in artikel 2.2.23, § 4.
In afwijking van artikel 2.2.23, § 2, wordt de eerste fase van de volgende PLAGE's uitgevoerd binnen een termijn van twaalf maanden te rekenen vanaf de mededeling van het verslag bedoeld in artikel 2.2.23, § 4.
Art. 2.2.24. A l'issue de la mise en oeuvre du PLAGE, l'organisme met en oeuvre un nouveau plan conformément à l'article 2.2.23.
Par dérogation à l'article 2.2.23, § 2, la première phase des PLAGE subséquents est réalisée dans un délai de douze mois à compter de la communication du rapport visé à l'article 2.2.23, § 4.
Par dérogation à l'article 2.2.23, § 2, la première phase des PLAGE subséquents est réalisée dans un délai de douze mois à compter de la communication du rapport visé à l'article 2.2.23, § 4.
Art. 2.2.25. Overeenkomstig de ordonnantie van 29 april 2004 betreffende de milieuovereenkomsten, kan het orgaan de verplichtingen die uit dit hoofdstuk voorvloeien vervullen door middel van een milieuovereenkomst.
Art. 2.2.25. L'organisme peut remplir les obligations tirées du présent chapitre par le biais d'une convention environnementale, conformément à l'ordonnance du 29 avril 2004 relative aux conventions environnementales.
Art. 2.2.26. De Regering organiseert een begeleidingsdienst om de gezinnen te helpen op het vlak van :
- rationeel energiegebruik;
- energie-efficiëntie van de gebouwen en installaties;
- energie uit hernieuwbare bronnen;
- technische keuzes en materiaalkeuze;
- toegang tot financiële stimuli.
Deze dienst berust op de volgende principes :
1° ) de gepersonaliseerde begeleiding van de gezinnen wordt verzekerd door lokale structuren aangewezen door de Regering;
2° ) in het kader van die begeleidingsdienst, wordt [1 Leefmilieu Brussel]1 belast met de volgende opdrachten :
- het publiek informeren over het bestaan en de modaliteiten van deze begeleidingsdienst;
- de rol van expertise- en opleidingscentrum vervullen;
- de lokale structuren bedoeld in punt 1° ) bijstaan bij het vervullen van hun opdrachten en hun acties coördineren;
- de samenwerking organiseren tussen de verschillende betrokkenen van de renovatiesector.
De Regering kan de principes vermeld in punten 1° ) tot 2° ) nader toelichten en aanvullen.
- rationeel energiegebruik;
- energie-efficiëntie van de gebouwen en installaties;
- energie uit hernieuwbare bronnen;
- technische keuzes en materiaalkeuze;
- toegang tot financiële stimuli.
Deze dienst berust op de volgende principes :
1° ) de gepersonaliseerde begeleiding van de gezinnen wordt verzekerd door lokale structuren aangewezen door de Regering;
2° ) in het kader van die begeleidingsdienst, wordt [1 Leefmilieu Brussel]1 belast met de volgende opdrachten :
- het publiek informeren over het bestaan en de modaliteiten van deze begeleidingsdienst;
- de rol van expertise- en opleidingscentrum vervullen;
- de lokale structuren bedoeld in punt 1° ) bijstaan bij het vervullen van hun opdrachten en hun acties coördineren;
- de samenwerking organiseren tussen de verschillende betrokkenen van de renovatiesector.
De Regering kan de principes vermeld in punten 1° ) tot 2° ) nader toelichten en aanvullen.
Art. 2.2.26. Le Gouvernement organise un service d'accompagnement afin de guider les ménages en matière :
- d'utilisation rationnelle de l'énergie;
- d'efficacité énergétique des bâtiments et des installations;
- d'énergie produite à partir de sources renouvelables;
- de choix techniques et de choix de matériaux;
- d'accès aux incitants financiers.
Ce service repose sur les principes énoncés ci-dessous :
1° ) l'accompagnement personnalisé des ménages est assuré par des structures locales désignées par le Gouvernement;
2° ) dans le cadre de ce service d'accompagnement, [1 Bruxelles Environnement]1 est chargé des missions suivantes :
- informer le public à propos de l'existence et des modalités de ce service d'accompagnement;
- assurer le rôle de centre d'expertise et de formation;
- assister les structures locales visées au point 1° ) lors de l'accomplissement de leurs missions et coordonner leurs actions;
- organiser la coopération entre les différents intervenants du secteur de la rénovation.
Le Gouvernement peut préciser et compléter les principes énoncés aux points 1° ) à 2° ).
- d'utilisation rationnelle de l'énergie;
- d'efficacité énergétique des bâtiments et des installations;
- d'énergie produite à partir de sources renouvelables;
- de choix techniques et de choix de matériaux;
- d'accès aux incitants financiers.
Ce service repose sur les principes énoncés ci-dessous :
1° ) l'accompagnement personnalisé des ménages est assuré par des structures locales désignées par le Gouvernement;
2° ) dans le cadre de ce service d'accompagnement, [1 Bruxelles Environnement]1 est chargé des missions suivantes :
- informer le public à propos de l'existence et des modalités de ce service d'accompagnement;
- assurer le rôle de centre d'expertise et de formation;
- assister les structures locales visées au point 1° ) lors de l'accomplissement de leurs missions et coordonner leurs actions;
- organiser la coopération entre les différents intervenants du secteur de la rénovation.
Le Gouvernement peut préciser et compléter les principes énoncés aux points 1° ) à 2° ).
Wijzigingen
Art. 2.2.26. De Regering organiseert een begeleidingsdienst om de gezinnen te helpen op het vlak van :
- rationeel energiegebruik;
- energie-efficiëntie van de gebouwen en installaties;
- energie uit hernieuwbare bronnen;
- technische keuzes en materiaalkeuze;
- toegang tot financiële stimuli.
Deze dienst berust op de volgende principes :
1° ) de gepersonaliseerde begeleiding van de gezinnen wordt verzekerd door lokale structuren aangewezen door de Regering;
2° ) in het kader van die begeleidingsdienst, wordt [1 Leefmilieu Brussel]1 belast met de volgende opdrachten :
- het publiek informeren over het bestaan en de modaliteiten van deze begeleidingsdienst;
- de rol van expertise- en opleidingscentrum vervullen;
- de lokale structuren bedoeld in punt 1° ) bijstaan bij het vervullen van hun opdrachten en hun acties coördineren;
- de samenwerking organiseren tussen de verschillende betrokkenen van de renovatiesector.
De Regering kan de principes vermeld in punten 1° ) tot 2° ) nader toelichten en aanvullen.
- rationeel energiegebruik;
- energie-efficiëntie van de gebouwen en installaties;
- energie uit hernieuwbare bronnen;
- technische keuzes en materiaalkeuze;
- toegang tot financiële stimuli.
Deze dienst berust op de volgende principes :
1° ) de gepersonaliseerde begeleiding van de gezinnen wordt verzekerd door lokale structuren aangewezen door de Regering;
2° ) in het kader van die begeleidingsdienst, wordt [1 Leefmilieu Brussel]1 belast met de volgende opdrachten :
- het publiek informeren over het bestaan en de modaliteiten van deze begeleidingsdienst;
- de rol van expertise- en opleidingscentrum vervullen;
- de lokale structuren bedoeld in punt 1° ) bijstaan bij het vervullen van hun opdrachten en hun acties coördineren;
- de samenwerking organiseren tussen de verschillende betrokkenen van de renovatiesector.
De Regering kan de principes vermeld in punten 1° ) tot 2° ) nader toelichten en aanvullen.
Art. 2.2.26. Le Gouvernement organise un service d'accompagnement afin de guider les ménages en matière :
- d'utilisation rationnelle de l'énergie;
- d'efficacité énergétique des bâtiments et des installations;
- d'énergie produite à partir de sources renouvelables;
- de choix techniques et de choix de matériaux;
- d'accès aux incitants financiers.
Ce service repose sur les principes énoncés ci-dessous :
1° ) l'accompagnement personnalisé des ménages est assuré par des structures locales désignées par le Gouvernement;
2° ) dans le cadre de ce service d'accompagnement, [1 Bruxelles Environnement]1 est chargé des missions suivantes :
- informer le public à propos de l'existence et des modalités de ce service d'accompagnement;
- assurer le rôle de centre d'expertise et de formation;
- assister les structures locales visées au point 1° ) lors de l'accomplissement de leurs missions et coordonner leurs actions;
- organiser la coopération entre les différents intervenants du secteur de la rénovation.
Le Gouvernement peut préciser et compléter les principes énoncés aux points 1° ) à 2° ).
- d'utilisation rationnelle de l'énergie;
- d'efficacité énergétique des bâtiments et des installations;
- d'énergie produite à partir de sources renouvelables;
- de choix techniques et de choix de matériaux;
- d'accès aux incitants financiers.
Ce service repose sur les principes énoncés ci-dessous :
1° ) l'accompagnement personnalisé des ménages est assuré par des structures locales désignées par le Gouvernement;
2° ) dans le cadre de ce service d'accompagnement, [1 Bruxelles Environnement]1 est chargé des missions suivantes :
- informer le public à propos de l'existence et des modalités de ce service d'accompagnement;
- assurer le rôle de centre d'expertise et de formation;
- assister les structures locales visées au point 1° ) lors de l'accomplissement de leurs missions et coordonner leurs actions;
- organiser la coopération entre les différents intervenants du secteur de la rénovation.
Le Gouvernement peut préciser et compléter les principes énoncés aux points 1° ) à 2° ).
Wijzigingen
Art. 2.2.27. [1 anaf 1 september 2021 is het verboden kolengestookte warmtegeneratoren te plaatsen voor de verwarming van lokalen en/of voor de productie van sanitair warm water. ]1
Art. 2.2.27. [1 A partir du 1er septembre 2021, il est interdit de placer des générateurs de chaleur alimentés au charbon destinés au chauffage des locaux et/ou au chauffage d'eau chaude sanitaire. ]1
Art. 2.2.28. [1 ]1§ 1. [2 Elke verwarmingsketel aangedreven met vloeibare brandstof die nss 1 juni 2025 wordt geïnstalleerd, moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
1° hij wordt uitsluitend aangedreven door een hernieuwbare vloeibare brandstof; en
2° zijn thermisch rendement en zijn deeltjesuitstoot zijn gelijkwaardig aan die van gascondensatieketels.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "hernieuwbare vloeibare brandstof" verstaan: een vloeibare brandstof voor verwarming die uitsluitend gemaakt is op basis van biomassa en die voldoet aan de duurzaamheidscriteria aangetoond in overeenstemming met de krachtens artikel 28 van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest opgestelde bepalingen]2.
[2 § 1/1. Vanaf 1 januari 2025 beantwoorden de verwarmingssystemen van een project waarvoor een aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend, dat uitsluitend uit één of meerdere nieuwe of met nieuw gelijkgestelde EPB-eenheden bestaat, aan de volgende voorwaarden:
1° hun warmtegeneratoren voldoen aan de eisen inzake ecodesign en produceren warmte enkel vanaf elektriciteit en/of energie uit hernieuwbare bronnen;
2° en/of ze zijn aangesloten op een efficiënt thermisch energienet zoals bepaald door de Regering.
Vanaf 1 januari 2030 beantwoorden de verwarmingssystemen van een project zoals vermeld in het eerste lid, dat ook of uitsluitend uit één of meerdere zwaar gerenoveerde EPB-eenheden bestaat, aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden.]2
[2 § 1/2. Onverminderd de voorgaande paragrafen, kunnen voorwaarden gericht op het beperken van de plaatsing en het gebruik van inefficiënte warmtegeneratoren, in termen van energierendement of deeltjesuitstoot, worden vastgelegd door de Regering die ze naargelang de categorie, de ouderdom en de grootte van de uitrusting kan onderscheiden.]2
§ 2. [2 De Regering bepaalt de afwijkingscriteria, wanneer de naleving van de in de voorgaande paragrafen genoemde voorwaarden technisch, economisch of functioneel niet haalbaar is]2.
De verzoeken tot afwijking worden bij Leefmilieu Brussel ingediend.
De Regering [2 ...]2 bepaalt de onderzoeksprocedure voor de verzoeken tot afwijking.
De Regering organiseert de wijze waarop beroep kan worden ingesteld tegen de afwezigheid van een beslissing binnen de voorziene termijn of tegen de beslissing van Leefmilieu Brussel tot weigering van de afwijking, rekening houdend met de volgende elementen :
1° het beroep wordt aangetekend bij het Milieucollege ;
2° het beroep dient binnen dertig werkdagen na de ontvangst van de kennisgeving van de beslissing of na het verstrijken van de termijn om een uitspraak te doen aan het Milieucollege te worden gericht per aangetekend schrijven ;
3° de beslissing van het Milieucollege wordt aan de indiener bekendgemaakt binnen zestig dagen na de instellingsdatum van het beroep ;
4° wanneer er binnen deze termijn geen beslissing wordt bekendgemaakt, wordt de aangevochten beslissing, zij het stilzwijgend, als bevestigd beschouwd ;
5° de indiener of zijn raadsman, alsook de overheidsdienst die de beslissing heeft genomen waartegen beroep werd aangetekend, worden op hun verzoek gehoord door het Milieucollege. Wanneer de partijen gehoord worden, wordt de termijn bedoeld in punt 3° verlengd tot vijfenzeventig dagen ;
6° de termijn voor de kennisgeving van de beslissing van het Milieucollege wordt verlengd met vijfenveertig dagen wanneer het beroep wordt ingediend in de periode van 15 juni tot 15 augustus ;
7° de beslissing van het Milieucollege vervangt de beslissing die bij hem aanhangig is gemaakt.
1° hij wordt uitsluitend aangedreven door een hernieuwbare vloeibare brandstof; en
2° zijn thermisch rendement en zijn deeltjesuitstoot zijn gelijkwaardig aan die van gascondensatieketels.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "hernieuwbare vloeibare brandstof" verstaan: een vloeibare brandstof voor verwarming die uitsluitend gemaakt is op basis van biomassa en die voldoet aan de duurzaamheidscriteria aangetoond in overeenstemming met de krachtens artikel 28 van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest opgestelde bepalingen]2.
[2 § 1/1. Vanaf 1 januari 2025 beantwoorden de verwarmingssystemen van een project waarvoor een aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend, dat uitsluitend uit één of meerdere nieuwe of met nieuw gelijkgestelde EPB-eenheden bestaat, aan de volgende voorwaarden:
1° hun warmtegeneratoren voldoen aan de eisen inzake ecodesign en produceren warmte enkel vanaf elektriciteit en/of energie uit hernieuwbare bronnen;
2° en/of ze zijn aangesloten op een efficiënt thermisch energienet zoals bepaald door de Regering.
Vanaf 1 januari 2030 beantwoorden de verwarmingssystemen van een project zoals vermeld in het eerste lid, dat ook of uitsluitend uit één of meerdere zwaar gerenoveerde EPB-eenheden bestaat, aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden.]2
[2 § 1/2. Onverminderd de voorgaande paragrafen, kunnen voorwaarden gericht op het beperken van de plaatsing en het gebruik van inefficiënte warmtegeneratoren, in termen van energierendement of deeltjesuitstoot, worden vastgelegd door de Regering die ze naargelang de categorie, de ouderdom en de grootte van de uitrusting kan onderscheiden.]2
§ 2. [2 De Regering bepaalt de afwijkingscriteria, wanneer de naleving van de in de voorgaande paragrafen genoemde voorwaarden technisch, economisch of functioneel niet haalbaar is]2.
De verzoeken tot afwijking worden bij Leefmilieu Brussel ingediend.
De Regering [2 ...]2 bepaalt de onderzoeksprocedure voor de verzoeken tot afwijking.
De Regering organiseert de wijze waarop beroep kan worden ingesteld tegen de afwezigheid van een beslissing binnen de voorziene termijn of tegen de beslissing van Leefmilieu Brussel tot weigering van de afwijking, rekening houdend met de volgende elementen :
1° het beroep wordt aangetekend bij het Milieucollege ;
2° het beroep dient binnen dertig werkdagen na de ontvangst van de kennisgeving van de beslissing of na het verstrijken van de termijn om een uitspraak te doen aan het Milieucollege te worden gericht per aangetekend schrijven ;
3° de beslissing van het Milieucollege wordt aan de indiener bekendgemaakt binnen zestig dagen na de instellingsdatum van het beroep ;
4° wanneer er binnen deze termijn geen beslissing wordt bekendgemaakt, wordt de aangevochten beslissing, zij het stilzwijgend, als bevestigd beschouwd ;
5° de indiener of zijn raadsman, alsook de overheidsdienst die de beslissing heeft genomen waartegen beroep werd aangetekend, worden op hun verzoek gehoord door het Milieucollege. Wanneer de partijen gehoord worden, wordt de termijn bedoeld in punt 3° verlengd tot vijfenzeventig dagen ;
6° de termijn voor de kennisgeving van de beslissing van het Milieucollege wordt verlengd met vijfenveertig dagen wanneer het beroep wordt ingediend in de periode van 15 juni tot 15 augustus ;
7° de beslissing van het Milieucollege vervangt de beslissing die bij hem aanhangig is gemaakt.
Art. 2.2.28. [1 § 1er. [2 Toute chaudière alimentée par un combustible liquide, placée après le 1er juin 2025, répond aux conditions suivantes:
1° elle est alimentée uniquement par un combustible liquide renouvelable; et
2° son rendement thermique ainsi que ses émissions de particules sont équivalents à ceux des chaudières à condensation alimentées en gaz.
Pour l'application du présent article, on entend par " combustible liquide renouvelable ": un combustible liquide destiné au chauffage produit uniquement à partir de la biomasse et respectant les critères de durabilité démontrés suivant les dispositions établies en vertu de l'article 28 de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale]2.
[2 § 1er/1. A partir du 1er janvier 2025, les systèmes de chauffage d'un projet, pour lequel il existe une demande de permis d'urbanisme, qui est constitué uniquement d'une ou plusieurs unités PEB neuves ou assimilées à du neuf, répondent aux conditions suivantes:
1° leurs générateurs de chaleur répondent aux exigences en matière d'écoconception et produisent de la chaleur uniquement à partir d'électricité et/ou d'une énergie produite à partir de sources renouvelables;
2° et/ou ils sont raccordés à un réseau d'énergie thermique efficace tel que défini par le Gouvernement.
A partir du 1er janvier 2030, les systèmes de chauffage d'un projet tel que mentionné à l'alinéa 1er, constitué également ou uniquement d'une ou plusieurs unités PEB rénovées lourdement, répondent aux conditions visées à l'alinéa 1er.]2
[2 § 1er/2. Sans préjudice des paragraphes précédents, des conditions visant à restreindre le placement et l'utilisation de générateurs de chaleur peu performants en termes de rendement énergétique ou d'émissions de particules peuvent être définies par le Gouvernement, qui peut les distinguer suivant la catégorie, l'âge et la taille de l'équipement.]2
§ 2. [2 Le Gouvernement détermine les critères de dérogation, lorsque le respect des conditions formulées aux paragraphes précédents est irréalisable du point de vue technique, économique ou fonctionnel]2.
Les requêtes de dérogation sont introduites auprès de Bruxelles Environnement.
Le Gouvernement [2 ...]2 fixe la procédure d'instruction des requêtes de dérogation.
Le Gouvernement organise les modalités de recours contre l'absence de décision dans le délai imparti ou contre la décision de Bruxelles Environnement de refuser la dérogation, en tenant compte des éléments suivants :
1° le recours est ouvert auprès du Collège d'environnement ;
2° il est adressé au Collège d'environnement, par envoi recommandé dans les trente jours ouvrables de la réception de la décision ou de l'expiration du délai pour statuer ;
3° la décision du Collège d'environnement est notifiée au requérant dans les soixante jours de la date de dépôt du recours ;
4° à défaut de notification de la décision dans ce délai, la décision attaquée, fût-elle tacite, est réputée confirmée ;
5° le requérant ou son conseil ainsi que l'autorité qui a pris la décision, objet de recours, sont, à leur demande, entendus par le Collège d'environnement. Lorsque les parties sont entendues, le délai visé au 3° est porté à septante-cinq jours ;
6° le délai de notification de la décision du Collège d'environnement est prolongé de quarante-cinq jours lorsque le recours est déposé dans la période allant du 15 juin au 15 août ;
7° la décision du Collège d'environnement remplace la décision dont il est saisi. ]1
1° elle est alimentée uniquement par un combustible liquide renouvelable; et
2° son rendement thermique ainsi que ses émissions de particules sont équivalents à ceux des chaudières à condensation alimentées en gaz.
Pour l'application du présent article, on entend par " combustible liquide renouvelable ": un combustible liquide destiné au chauffage produit uniquement à partir de la biomasse et respectant les critères de durabilité démontrés suivant les dispositions établies en vertu de l'article 28 de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale]2.
[2 § 1er/1. A partir du 1er janvier 2025, les systèmes de chauffage d'un projet, pour lequel il existe une demande de permis d'urbanisme, qui est constitué uniquement d'une ou plusieurs unités PEB neuves ou assimilées à du neuf, répondent aux conditions suivantes:
1° leurs générateurs de chaleur répondent aux exigences en matière d'écoconception et produisent de la chaleur uniquement à partir d'électricité et/ou d'une énergie produite à partir de sources renouvelables;
2° et/ou ils sont raccordés à un réseau d'énergie thermique efficace tel que défini par le Gouvernement.
A partir du 1er janvier 2030, les systèmes de chauffage d'un projet tel que mentionné à l'alinéa 1er, constitué également ou uniquement d'une ou plusieurs unités PEB rénovées lourdement, répondent aux conditions visées à l'alinéa 1er.]2
[2 § 1er/2. Sans préjudice des paragraphes précédents, des conditions visant à restreindre le placement et l'utilisation de générateurs de chaleur peu performants en termes de rendement énergétique ou d'émissions de particules peuvent être définies par le Gouvernement, qui peut les distinguer suivant la catégorie, l'âge et la taille de l'équipement.]2
§ 2. [2 Le Gouvernement détermine les critères de dérogation, lorsque le respect des conditions formulées aux paragraphes précédents est irréalisable du point de vue technique, économique ou fonctionnel]2.
Les requêtes de dérogation sont introduites auprès de Bruxelles Environnement.
Le Gouvernement [2 ...]2 fixe la procédure d'instruction des requêtes de dérogation.
Le Gouvernement organise les modalités de recours contre l'absence de décision dans le délai imparti ou contre la décision de Bruxelles Environnement de refuser la dérogation, en tenant compte des éléments suivants :
1° le recours est ouvert auprès du Collège d'environnement ;
2° il est adressé au Collège d'environnement, par envoi recommandé dans les trente jours ouvrables de la réception de la décision ou de l'expiration du délai pour statuer ;
3° la décision du Collège d'environnement est notifiée au requérant dans les soixante jours de la date de dépôt du recours ;
4° à défaut de notification de la décision dans ce délai, la décision attaquée, fût-elle tacite, est réputée confirmée ;
5° le requérant ou son conseil ainsi que l'autorité qui a pris la décision, objet de recours, sont, à leur demande, entendus par le Collège d'environnement. Lorsque les parties sont entendues, le délai visé au 3° est porté à septante-cinq jours ;
6° le délai de notification de la décision du Collège d'environnement est prolongé de quarante-cinq jours lorsque le recours est déposé dans la période allant du 15 juin au 15 août ;
7° la décision du Collège d'environnement remplace la décision dont il est saisi. ]1
Art. 2.2.28. [1 ]1§ 1. [2 Elke verwarmingsketel aangedreven met vloeibare brandstof die nss 1 juni 2025 wordt geïnstalleerd, moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
1° hij wordt uitsluitend aangedreven door een hernieuwbare vloeibare brandstof; en
2° zijn thermisch rendement en zijn deeltjesuitstoot zijn gelijkwaardig aan die van gascondensatieketels.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "hernieuwbare vloeibare brandstof" verstaan: een vloeibare brandstof voor verwarming die uitsluitend gemaakt is op basis van biomassa en die voldoet aan de duurzaamheidscriteria aangetoond in overeenstemming met de krachtens artikel 28 van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest opgestelde bepalingen]2.
[2 § 1/1. Vanaf 1 januari 2025 beantwoorden de verwarmingssystemen van een project waarvoor een aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend, dat uitsluitend uit één of meerdere nieuwe of met nieuw gelijkgestelde EPB-eenheden bestaat, aan de volgende voorwaarden:
1° hun warmtegeneratoren voldoen aan de eisen inzake ecodesign en produceren warmte enkel vanaf elektriciteit en/of energie uit hernieuwbare bronnen;
2° en/of ze zijn aangesloten op een efficiënt thermisch energienet zoals bepaald door de Regering.
Vanaf 1 januari 2030 beantwoorden de verwarmingssystemen van een project zoals vermeld in het eerste lid, dat ook of uitsluitend uit één of meerdere zwaar gerenoveerde EPB-eenheden bestaat, aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden.]2
[2 § 1/2. Onverminderd de voorgaande paragrafen, kunnen voorwaarden gericht op het beperken van de plaatsing en het gebruik van inefficiënte warmtegeneratoren, in termen van energierendement of deeltjesuitstoot, worden vastgelegd door de Regering die ze naargelang de categorie, de ouderdom en de grootte van de uitrusting kan onderscheiden.]2
§ 2. [2 De Regering bepaalt de afwijkingscriteria, wanneer de naleving van de in de voorgaande paragrafen genoemde voorwaarden technisch, economisch of functioneel niet haalbaar is]2.
De verzoeken tot afwijking worden bij Leefmilieu Brussel ingediend.
De Regering [2 ...]2 bepaalt de onderzoeksprocedure voor de verzoeken tot afwijking.
De Regering organiseert de wijze waarop beroep kan worden ingesteld tegen de afwezigheid van een beslissing binnen de voorziene termijn of tegen de beslissing van Leefmilieu Brussel tot weigering van de afwijking, rekening houdend met de volgende elementen :
1° het beroep wordt aangetekend bij het Milieucollege ;
2° het beroep dient binnen dertig werkdagen na de ontvangst van de kennisgeving van de beslissing of na het verstrijken van de termijn om een uitspraak te doen aan het Milieucollege te worden gericht per aangetekend schrijven ;
3° de beslissing van het Milieucollege wordt aan de indiener bekendgemaakt binnen zestig dagen na de instellingsdatum van het beroep ;
4° wanneer er binnen deze termijn geen beslissing wordt bekendgemaakt, wordt de aangevochten beslissing, zij het stilzwijgend, als bevestigd beschouwd ;
5° de indiener of zijn raadsman, alsook de overheidsdienst die de beslissing heeft genomen waartegen beroep werd aangetekend, worden op hun verzoek gehoord door het Milieucollege. Wanneer de partijen gehoord worden, wordt de termijn bedoeld in punt 3° verlengd tot vijfenzeventig dagen ;
6° de termijn voor de kennisgeving van de beslissing van het Milieucollege wordt verlengd met vijfenveertig dagen wanneer het beroep wordt ingediend in de periode van 15 juni tot 15 augustus ;
7° de beslissing van het Milieucollege vervangt de beslissing die bij hem aanhangig is gemaakt.
1° hij wordt uitsluitend aangedreven door een hernieuwbare vloeibare brandstof; en
2° zijn thermisch rendement en zijn deeltjesuitstoot zijn gelijkwaardig aan die van gascondensatieketels.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "hernieuwbare vloeibare brandstof" verstaan: een vloeibare brandstof voor verwarming die uitsluitend gemaakt is op basis van biomassa en die voldoet aan de duurzaamheidscriteria aangetoond in overeenstemming met de krachtens artikel 28 van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest opgestelde bepalingen]2.
[2 § 1/1. Vanaf 1 januari 2025 beantwoorden de verwarmingssystemen van een project waarvoor een aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend, dat uitsluitend uit één of meerdere nieuwe of met nieuw gelijkgestelde EPB-eenheden bestaat, aan de volgende voorwaarden:
1° hun warmtegeneratoren voldoen aan de eisen inzake ecodesign en produceren warmte enkel vanaf elektriciteit en/of energie uit hernieuwbare bronnen;
2° en/of ze zijn aangesloten op een efficiënt thermisch energienet zoals bepaald door de Regering.
Vanaf 1 januari 2030 beantwoorden de verwarmingssystemen van een project zoals vermeld in het eerste lid, dat ook of uitsluitend uit één of meerdere zwaar gerenoveerde EPB-eenheden bestaat, aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden.]2
[2 § 1/2. Onverminderd de voorgaande paragrafen, kunnen voorwaarden gericht op het beperken van de plaatsing en het gebruik van inefficiënte warmtegeneratoren, in termen van energierendement of deeltjesuitstoot, worden vastgelegd door de Regering die ze naargelang de categorie, de ouderdom en de grootte van de uitrusting kan onderscheiden.]2
§ 2. [2 De Regering bepaalt de afwijkingscriteria, wanneer de naleving van de in de voorgaande paragrafen genoemde voorwaarden technisch, economisch of functioneel niet haalbaar is]2.
De verzoeken tot afwijking worden bij Leefmilieu Brussel ingediend.
De Regering [2 ...]2 bepaalt de onderzoeksprocedure voor de verzoeken tot afwijking.
De Regering organiseert de wijze waarop beroep kan worden ingesteld tegen de afwezigheid van een beslissing binnen de voorziene termijn of tegen de beslissing van Leefmilieu Brussel tot weigering van de afwijking, rekening houdend met de volgende elementen :
1° het beroep wordt aangetekend bij het Milieucollege ;
2° het beroep dient binnen dertig werkdagen na de ontvangst van de kennisgeving van de beslissing of na het verstrijken van de termijn om een uitspraak te doen aan het Milieucollege te worden gericht per aangetekend schrijven ;
3° de beslissing van het Milieucollege wordt aan de indiener bekendgemaakt binnen zestig dagen na de instellingsdatum van het beroep ;
4° wanneer er binnen deze termijn geen beslissing wordt bekendgemaakt, wordt de aangevochten beslissing, zij het stilzwijgend, als bevestigd beschouwd ;
5° de indiener of zijn raadsman, alsook de overheidsdienst die de beslissing heeft genomen waartegen beroep werd aangetekend, worden op hun verzoek gehoord door het Milieucollege. Wanneer de partijen gehoord worden, wordt de termijn bedoeld in punt 3° verlengd tot vijfenzeventig dagen ;
6° de termijn voor de kennisgeving van de beslissing van het Milieucollege wordt verlengd met vijfenveertig dagen wanneer het beroep wordt ingediend in de periode van 15 juni tot 15 augustus ;
7° de beslissing van het Milieucollege vervangt de beslissing die bij hem aanhangig is gemaakt.
Art. 2.2.28. [1 § 1er. [2 Toute chaudière alimentée par un combustible liquide, placée après le 1er juin 2025, répond aux conditions suivantes:
1° elle est alimentée uniquement par un combustible liquide renouvelable; et
2° son rendement thermique ainsi que ses émissions de particules sont équivalents à ceux des chaudières à condensation alimentées en gaz.
Pour l'application du présent article, on entend par " combustible liquide renouvelable ": un combustible liquide destiné au chauffage produit uniquement à partir de la biomasse et respectant les critères de durabilité démontrés suivant les dispositions établies en vertu de l'article 28 de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale]2.
[2 § 1er/1. A partir du 1er janvier 2025, les systèmes de chauffage d'un projet, pour lequel il existe une demande de permis d'urbanisme, qui est constitué uniquement d'une ou plusieurs unités PEB neuves ou assimilées à du neuf, répondent aux conditions suivantes:
1° leurs générateurs de chaleur répondent aux exigences en matière d'écoconception et produisent de la chaleur uniquement à partir d'électricité et/ou d'une énergie produite à partir de sources renouvelables;
2° et/ou ils sont raccordés à un réseau d'énergie thermique efficace tel que défini par le Gouvernement.
A partir du 1er janvier 2030, les systèmes de chauffage d'un projet tel que mentionné à l'alinéa 1er, constitué également ou uniquement d'une ou plusieurs unités PEB rénovées lourdement, répondent aux conditions visées à l'alinéa 1er.]2
[2 § 1er/2. Sans préjudice des paragraphes précédents, des conditions visant à restreindre le placement et l'utilisation de générateurs de chaleur peu performants en termes de rendement énergétique ou d'émissions de particules peuvent être définies par le Gouvernement, qui peut les distinguer suivant la catégorie, l'âge et la taille de l'équipement.]2
§ 2. [2 Le Gouvernement détermine les critères de dérogation, lorsque le respect des conditions formulées aux paragraphes précédents est irréalisable du point de vue technique, économique ou fonctionnel]2.
Les requêtes de dérogation sont introduites auprès de Bruxelles Environnement.
Le Gouvernement [2 ...]2 fixe la procédure d'instruction des requêtes de dérogation.
Le Gouvernement organise les modalités de recours contre l'absence de décision dans le délai imparti ou contre la décision de Bruxelles Environnement de refuser la dérogation, en tenant compte des éléments suivants :
1° le recours est ouvert auprès du Collège d'environnement ;
2° il est adressé au Collège d'environnement, par envoi recommandé dans les trente jours ouvrables de la réception de la décision ou de l'expiration du délai pour statuer ;
3° la décision du Collège d'environnement est notifiée au requérant dans les soixante jours de la date de dépôt du recours ;
4° à défaut de notification de la décision dans ce délai, la décision attaquée, fût-elle tacite, est réputée confirmée ;
5° le requérant ou son conseil ainsi que l'autorité qui a pris la décision, objet de recours, sont, à leur demande, entendus par le Collège d'environnement. Lorsque les parties sont entendues, le délai visé au 3° est porté à septante-cinq jours ;
6° le délai de notification de la décision du Collège d'environnement est prolongé de quarante-cinq jours lorsque le recours est déposé dans la période allant du 15 juin au 15 août ;
7° la décision du Collège d'environnement remplace la décision dont il est saisi. ]1
1° elle est alimentée uniquement par un combustible liquide renouvelable; et
2° son rendement thermique ainsi que ses émissions de particules sont équivalents à ceux des chaudières à condensation alimentées en gaz.
Pour l'application du présent article, on entend par " combustible liquide renouvelable ": un combustible liquide destiné au chauffage produit uniquement à partir de la biomasse et respectant les critères de durabilité démontrés suivant les dispositions établies en vertu de l'article 28 de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale]2.
[2 § 1er/1. A partir du 1er janvier 2025, les systèmes de chauffage d'un projet, pour lequel il existe une demande de permis d'urbanisme, qui est constitué uniquement d'une ou plusieurs unités PEB neuves ou assimilées à du neuf, répondent aux conditions suivantes:
1° leurs générateurs de chaleur répondent aux exigences en matière d'écoconception et produisent de la chaleur uniquement à partir d'électricité et/ou d'une énergie produite à partir de sources renouvelables;
2° et/ou ils sont raccordés à un réseau d'énergie thermique efficace tel que défini par le Gouvernement.
A partir du 1er janvier 2030, les systèmes de chauffage d'un projet tel que mentionné à l'alinéa 1er, constitué également ou uniquement d'une ou plusieurs unités PEB rénovées lourdement, répondent aux conditions visées à l'alinéa 1er.]2
[2 § 1er/2. Sans préjudice des paragraphes précédents, des conditions visant à restreindre le placement et l'utilisation de générateurs de chaleur peu performants en termes de rendement énergétique ou d'émissions de particules peuvent être définies par le Gouvernement, qui peut les distinguer suivant la catégorie, l'âge et la taille de l'équipement.]2
§ 2. [2 Le Gouvernement détermine les critères de dérogation, lorsque le respect des conditions formulées aux paragraphes précédents est irréalisable du point de vue technique, économique ou fonctionnel]2.
Les requêtes de dérogation sont introduites auprès de Bruxelles Environnement.
Le Gouvernement [2 ...]2 fixe la procédure d'instruction des requêtes de dérogation.
Le Gouvernement organise les modalités de recours contre l'absence de décision dans le délai imparti ou contre la décision de Bruxelles Environnement de refuser la dérogation, en tenant compte des éléments suivants :
1° le recours est ouvert auprès du Collège d'environnement ;
2° il est adressé au Collège d'environnement, par envoi recommandé dans les trente jours ouvrables de la réception de la décision ou de l'expiration du délai pour statuer ;
3° la décision du Collège d'environnement est notifiée au requérant dans les soixante jours de la date de dépôt du recours ;
4° à défaut de notification de la décision dans ce délai, la décision attaquée, fût-elle tacite, est réputée confirmée ;
5° le requérant ou son conseil ainsi que l'autorité qui a pris la décision, objet de recours, sont, à leur demande, entendus par le Collège d'environnement. Lorsque les parties sont entendues, le délai visé au 3° est porté à septante-cinq jours ;
6° le délai de notification de la décision du Collège d'environnement est prolongé de quarante-cinq jours lorsque le recours est déposé dans la période allant du 15 juin au 15 août ;
7° la décision du Collège d'environnement remplace la décision dont il est saisi. ]1
Art. 2.2.29. [1 In de zin van onderhavig hoofdstuk, verstaat men onder:
1° "uithangbord": ieder opschrift, vorm, beeld of een geheel van deze elementen evenals het apparaat dat het ondersteunt, die geplaatst zijn op een gebouw en die betrekking hebben op een activiteit die er wordt uitgeoefend;
2° "lichtgevend uithangbord": uithangbord bestaande uit een of meerdere lichtbronnen, of waar de boodschap verlichting ontvangt die zij niet zelf produceert, in het bijzonder tekens die verlicht worden door projectie of transparantie;
3° "handelszaak": geheel van voor het publiek toegankelijke lokalen waarin diensten aan het publiek worden verleend of roerende goederen aan het publiek worden verkocht, met inbegrip van de bijbehorende kantoren en lokalen;
4° "kantoren": gebouwen of delen van gebouwen die niet bij een woning horen en die bestemd zijn:
a) hetzij voor beheers- of administratie-werkzaamheden van een onderneming of een openbare dienst;
b) hetzij voor de uitoefening van een vrij beroep;
c) hetzij voor de activiteiten van ondernemingen voor intellectuele dienstverlening;
5° "reclame": ieder opschrift, vorm, beeld of een geheel van deze elementen met als doel het publiek te informeren of de aandacht ervan te trekken, met inbegrip van de drager, uitgezonderd de uithangborden en de bewegwijzering voor wegen, plaatsen en toeristische gebouwen of gebouwen van algemeen nut;
6° "lichtgevende reclame": reclame bestaande uit een of meerdere lichtbronnen of waar de boodschap verlichting ontvangt die zij niet zelf produceert, in het bijzonder tekens die verlicht worden door projectie of transparantie.]1
1° "uithangbord": ieder opschrift, vorm, beeld of een geheel van deze elementen evenals het apparaat dat het ondersteunt, die geplaatst zijn op een gebouw en die betrekking hebben op een activiteit die er wordt uitgeoefend;
2° "lichtgevend uithangbord": uithangbord bestaande uit een of meerdere lichtbronnen, of waar de boodschap verlichting ontvangt die zij niet zelf produceert, in het bijzonder tekens die verlicht worden door projectie of transparantie;
3° "handelszaak": geheel van voor het publiek toegankelijke lokalen waarin diensten aan het publiek worden verleend of roerende goederen aan het publiek worden verkocht, met inbegrip van de bijbehorende kantoren en lokalen;
4° "kantoren": gebouwen of delen van gebouwen die niet bij een woning horen en die bestemd zijn:
a) hetzij voor beheers- of administratie-werkzaamheden van een onderneming of een openbare dienst;
b) hetzij voor de uitoefening van een vrij beroep;
c) hetzij voor de activiteiten van ondernemingen voor intellectuele dienstverlening;
5° "reclame": ieder opschrift, vorm, beeld of een geheel van deze elementen met als doel het publiek te informeren of de aandacht ervan te trekken, met inbegrip van de drager, uitgezonderd de uithangborden en de bewegwijzering voor wegen, plaatsen en toeristische gebouwen of gebouwen van algemeen nut;
6° "lichtgevende reclame": reclame bestaande uit een of meerdere lichtbronnen of waar de boodschap verlichting ontvangt die zij niet zelf produceert, in het bijzonder tekens die verlicht worden door projectie of transparantie.]1
Art. 2.2.29. [1 Au sens du présent chapitre, on entend par:
1° " enseigne ": toute inscription, forme, image ou ensemble de celles-ci ainsi que le dispositif qui en sert de support, apposés sur un immeuble et relatifs à une activité qui s'y exerce;
2° " enseigne lumineuse ": enseigne constituée par une ou plusieurs sources lumineuses ou dont le message reçoit un éclairage qu'il ne produit pas lui-même, notamment les enseignes éclairées par projection ou par transparence;
3° " commerce ": ensemble des locaux accessibles au public dans lesquels lui sont fournis des services ou dans lesquels lui sont vendus des biens meubles, y compris les bureaux accessoires et locaux annexes;
4° " bureaux ": les bâtiments ou les parties de bâtiments non accessoires à un logement qui sont affectés:
a) soit aux travaux de gestion ou d'administration d'une entreprise ou d'un service public;
b) soit à l'activité d'une profession libérale;
c) soit aux activités des entreprises de service intellectuel;
5° " publicité ": toute inscription, forme, image ou ensemble de celles-ci destiné à informer le public ou à attirer son attention, en ce compris le dispositif qui le supporte, à l'exclusion des enseignes et de la signalisation des voiries, lieux et établissements d'intérêt général ou à vocation touristique;
6° " publicité lumineuse ": publicité constituée par une ou plusieurs sources lumineuse ou dont le message reçoit un éclairage qu'il ne produit pas lui-même, notamment les affiches éclairées par projection ou par transparence.]1
1° " enseigne ": toute inscription, forme, image ou ensemble de celles-ci ainsi que le dispositif qui en sert de support, apposés sur un immeuble et relatifs à une activité qui s'y exerce;
2° " enseigne lumineuse ": enseigne constituée par une ou plusieurs sources lumineuses ou dont le message reçoit un éclairage qu'il ne produit pas lui-même, notamment les enseignes éclairées par projection ou par transparence;
3° " commerce ": ensemble des locaux accessibles au public dans lesquels lui sont fournis des services ou dans lesquels lui sont vendus des biens meubles, y compris les bureaux accessoires et locaux annexes;
4° " bureaux ": les bâtiments ou les parties de bâtiments non accessoires à un logement qui sont affectés:
a) soit aux travaux de gestion ou d'administration d'une entreprise ou d'un service public;
b) soit à l'activité d'une profession libérale;
c) soit aux activités des entreprises de service intellectuel;
5° " publicité ": toute inscription, forme, image ou ensemble de celles-ci destiné à informer le public ou à attirer son attention, en ce compris le dispositif qui le supporte, à l'exclusion des enseignes et de la signalisation des voiries, lieux et établissements d'intérêt général ou à vocation touristique;
6° " publicité lumineuse ": publicité constituée par une ou plusieurs sources lumineuse ou dont le message reçoit un éclairage qu'il ne produit pas lui-même, notamment les affiches éclairées par projection ou par transparence.]1
Art. 2.2.29. [1 In de zin van onderhavig hoofdstuk, verstaat men onder:
1° "uithangbord": ieder opschrift, vorm, beeld of een geheel van deze elementen evenals het apparaat dat het ondersteunt, die geplaatst zijn op een gebouw en die betrekking hebben op een activiteit die er wordt uitgeoefend;
2° "lichtgevend uithangbord": uithangbord bestaande uit een of meerdere lichtbronnen, of waar de boodschap verlichting ontvangt die zij niet zelf produceert, in het bijzonder tekens die verlicht worden door projectie of transparantie;
3° "handelszaak": geheel van voor het publiek toegankelijke lokalen waarin diensten aan het publiek worden verleend of roerende goederen aan het publiek worden verkocht, met inbegrip van de bijbehorende kantoren en lokalen;
4° "kantoren": gebouwen of delen van gebouwen die niet bij een woning horen en die bestemd zijn:
a) hetzij voor beheers- of administratie-werkzaamheden van een onderneming of een openbare dienst;
b) hetzij voor de uitoefening van een vrij beroep;
c) hetzij voor de activiteiten van ondernemingen voor intellectuele dienstverlening;
5° "reclame": ieder opschrift, vorm, beeld of een geheel van deze elementen met als doel het publiek te informeren of de aandacht ervan te trekken, met inbegrip van de drager, uitgezonderd de uithangborden en de bewegwijzering voor wegen, plaatsen en toeristische gebouwen of gebouwen van algemeen nut;
6° "lichtgevende reclame": reclame bestaande uit een of meerdere lichtbronnen of waar de boodschap verlichting ontvangt die zij niet zelf produceert, in het bijzonder tekens die verlicht worden door projectie of transparantie.]1
1° "uithangbord": ieder opschrift, vorm, beeld of een geheel van deze elementen evenals het apparaat dat het ondersteunt, die geplaatst zijn op een gebouw en die betrekking hebben op een activiteit die er wordt uitgeoefend;
2° "lichtgevend uithangbord": uithangbord bestaande uit een of meerdere lichtbronnen, of waar de boodschap verlichting ontvangt die zij niet zelf produceert, in het bijzonder tekens die verlicht worden door projectie of transparantie;
3° "handelszaak": geheel van voor het publiek toegankelijke lokalen waarin diensten aan het publiek worden verleend of roerende goederen aan het publiek worden verkocht, met inbegrip van de bijbehorende kantoren en lokalen;
4° "kantoren": gebouwen of delen van gebouwen die niet bij een woning horen en die bestemd zijn:
a) hetzij voor beheers- of administratie-werkzaamheden van een onderneming of een openbare dienst;
b) hetzij voor de uitoefening van een vrij beroep;
c) hetzij voor de activiteiten van ondernemingen voor intellectuele dienstverlening;
5° "reclame": ieder opschrift, vorm, beeld of een geheel van deze elementen met als doel het publiek te informeren of de aandacht ervan te trekken, met inbegrip van de drager, uitgezonderd de uithangborden en de bewegwijzering voor wegen, plaatsen en toeristische gebouwen of gebouwen van algemeen nut;
6° "lichtgevende reclame": reclame bestaande uit een of meerdere lichtbronnen of waar de boodschap verlichting ontvangt die zij niet zelf produceert, in het bijzonder tekens die verlicht worden door projectie of transparantie.]1
Art. 2.2.29. [1 Au sens du présent chapitre, on entend par:
1° " enseigne ": toute inscription, forme, image ou ensemble de celles-ci ainsi que le dispositif qui en sert de support, apposés sur un immeuble et relatifs à une activité qui s'y exerce;
2° " enseigne lumineuse ": enseigne constituée par une ou plusieurs sources lumineuses ou dont le message reçoit un éclairage qu'il ne produit pas lui-même, notamment les enseignes éclairées par projection ou par transparence;
3° " commerce ": ensemble des locaux accessibles au public dans lesquels lui sont fournis des services ou dans lesquels lui sont vendus des biens meubles, y compris les bureaux accessoires et locaux annexes;
4° " bureaux ": les bâtiments ou les parties de bâtiments non accessoires à un logement qui sont affectés:
a) soit aux travaux de gestion ou d'administration d'une entreprise ou d'un service public;
b) soit à l'activité d'une profession libérale;
c) soit aux activités des entreprises de service intellectuel;
5° " publicité ": toute inscription, forme, image ou ensemble de celles-ci destiné à informer le public ou à attirer son attention, en ce compris le dispositif qui le supporte, à l'exclusion des enseignes et de la signalisation des voiries, lieux et établissements d'intérêt général ou à vocation touristique;
6° " publicité lumineuse ": publicité constituée par une ou plusieurs sources lumineuse ou dont le message reçoit un éclairage qu'il ne produit pas lui-même, notamment les affiches éclairées par projection ou par transparence.]1
1° " enseigne ": toute inscription, forme, image ou ensemble de celles-ci ainsi que le dispositif qui en sert de support, apposés sur un immeuble et relatifs à une activité qui s'y exerce;
2° " enseigne lumineuse ": enseigne constituée par une ou plusieurs sources lumineuses ou dont le message reçoit un éclairage qu'il ne produit pas lui-même, notamment les enseignes éclairées par projection ou par transparence;
3° " commerce ": ensemble des locaux accessibles au public dans lesquels lui sont fournis des services ou dans lesquels lui sont vendus des biens meubles, y compris les bureaux accessoires et locaux annexes;
4° " bureaux ": les bâtiments ou les parties de bâtiments non accessoires à un logement qui sont affectés:
a) soit aux travaux de gestion ou d'administration d'une entreprise ou d'un service public;
b) soit à l'activité d'une profession libérale;
c) soit aux activités des entreprises de service intellectuel;
5° " publicité ": toute inscription, forme, image ou ensemble de celles-ci destiné à informer le public ou à attirer son attention, en ce compris le dispositif qui le supporte, à l'exclusion des enseignes et de la signalisation des voiries, lieux et établissements d'intérêt général ou à vocation touristique;
6° " publicité lumineuse ": publicité constituée par une ou plusieurs sources lumineuse ou dont le message reçoit un éclairage qu'il ne produit pas lui-même, notamment les affiches éclairées par projection ou par transparence.]1
Art. 2.2.30. [1 De lichtgevende reclame en de licht-gevende uithangborden worden ten minste van 23.00 tot 6.00 uur gedoofd, met uitzondering van:
1° de lichtgevende uithangborden met betrekking tot nachtwinkels en horecazaken, met een geldige vergunning, die mogen blijven branden tijdens de effectieve openingsuren;
2° de lichtgevende uithangborden met betrekking tot apotheken of andere gebouwen waar wacht-diensten worden verzekerd, die mogen blijven branden tijdens de wachtdiensten.
De burgemeester van een gemeente kan van het eerste lid afwijken voor de lichtgevende reclame en/of de lichtgevende uithangborden op een door hem bepaald deel van het gemeentelijke grondgebied, indien het noodzakelijk is ze na 23.00 uur verlicht te houden om een bestaand veiligheidsrisico in de openbare ruimte te beperken. In dat geval kan hij de in het eerste lid bedoelde uitschakelingstermijn beperken tot hetgeen strikt noodzakelijk is om dat risico het hoofd te bieden.]1
1° de lichtgevende uithangborden met betrekking tot nachtwinkels en horecazaken, met een geldige vergunning, die mogen blijven branden tijdens de effectieve openingsuren;
2° de lichtgevende uithangborden met betrekking tot apotheken of andere gebouwen waar wacht-diensten worden verzekerd, die mogen blijven branden tijdens de wachtdiensten.
De burgemeester van een gemeente kan van het eerste lid afwijken voor de lichtgevende reclame en/of de lichtgevende uithangborden op een door hem bepaald deel van het gemeentelijke grondgebied, indien het noodzakelijk is ze na 23.00 uur verlicht te houden om een bestaand veiligheidsrisico in de openbare ruimte te beperken. In dat geval kan hij de in het eerste lid bedoelde uitschakelingstermijn beperken tot hetgeen strikt noodzakelijk is om dat risico het hoofd te bieden.]1
Art. 2.2.30. [1 Les publicités lumineuses et les enseignes lumineuses sont éteintes au moins de 23 heures à 6 heures, à l'exception:
1° des enseignes lumineuses relatives aux commerces de nuit et aux établissements relevant du secteur de l'horeca, dûment autorisées, qui peuvent rester allumées durant leurs heures d'ouverture effective;
2° des enseignes lumineuses relatives aux pharmacies ou autres bâtiments assurant des services de garde, qui peuvent rester allumées durant leurs horaires de garde.
Le bourgmestre d'une commune peut déroger à l'alinéa 1er pour les publicités lumineuses et/ou les enseignes lumineuses situées sur une partie du territoire communal qu'il détermine, en cas de nécessité de les maintenir allumées au-delà de 23 heures pour pallier un risque existant relatif à la sécurité dans l'espace public. Dans ce cas, il peut limiter la plage horaire d'extinction prévue à l'alinéa 1er dans la mesure de ce qui est strictement nécessaire pour répondre à ce risque.]1
1° des enseignes lumineuses relatives aux commerces de nuit et aux établissements relevant du secteur de l'horeca, dûment autorisées, qui peuvent rester allumées durant leurs heures d'ouverture effective;
2° des enseignes lumineuses relatives aux pharmacies ou autres bâtiments assurant des services de garde, qui peuvent rester allumées durant leurs horaires de garde.
Le bourgmestre d'une commune peut déroger à l'alinéa 1er pour les publicités lumineuses et/ou les enseignes lumineuses situées sur une partie du territoire communal qu'il détermine, en cas de nécessité de les maintenir allumées au-delà de 23 heures pour pallier un risque existant relatif à la sécurité dans l'espace public. Dans ce cas, il peut limiter la plage horaire d'extinction prévue à l'alinéa 1er dans la mesure de ce qui est strictement nécessaire pour répondre à ce risque.]1
Art. 2.2.32. [1 Elk gebouw dat wordt verwarmd of gekoeld met behulp van een of meer verwarmings- of klimaat-regelingssystemen, wordt uitgerust met handmatige of automatische deuren om het warmteverlies naar de buitenruimten te beperken.
Wanneer een of meer van die verwarmings- of klimaatregelingssystemen in werking zijn, mogen die deuren onder normale uitbatingsomstandigheden van het gebouw niet worden opengehouden door de natuurlijke persoon of rechtspersoon die voor het beheer van het gebouw of het betrokken deel van het gebouw verantwoordelijk is, met inbegrip van tijdens de openingsuren voor het publiek, behalve wanneer veiligheidseisen of aanbevelingen van de bevoegde overheden het openhouden ervan opleggen, zoals de brandveiligheids- of brandalarmeisen.]1
Wanneer een of meer van die verwarmings- of klimaatregelingssystemen in werking zijn, mogen die deuren onder normale uitbatingsomstandigheden van het gebouw niet worden opengehouden door de natuurlijke persoon of rechtspersoon die voor het beheer van het gebouw of het betrokken deel van het gebouw verantwoordelijk is, met inbegrip van tijdens de openingsuren voor het publiek, behalve wanneer veiligheidseisen of aanbevelingen van de bevoegde overheden het openhouden ervan opleggen, zoals de brandveiligheids- of brandalarmeisen.]1
Art. 2.2.32. [1 Tout bâtiment, chauffé ou refroidi à l'aide d'un ou de plusieurs systèmes de chauffage ou de climatisation est équipé de portes à fermeture manuelle ou automatique limitant les déperditions thermiques vers les espaces extérieurs.
Lorsqu'un ou plusieurs de ces systèmes de chauffage ou de climatisation fonctionnent, ces portes ne peuvent pas, en condition normale d'exploitation du bâtiment, être maintenues ouvertes par la personne physique ou morale responsable de la gestion du bâtiment ou de la partie de bâtiment concernée, y compris pendant les heures d'ouverture au public, sauf lorsque des exigences ou recommandations en matière de sécurité provenant des autorités compétentes imposent de les maintenir ouvertes, telles que les exigences en cas d'incendie ou d'alerte d'incendie.]1
Lorsqu'un ou plusieurs de ces systèmes de chauffage ou de climatisation fonctionnent, ces portes ne peuvent pas, en condition normale d'exploitation du bâtiment, être maintenues ouvertes par la personne physique ou morale responsable de la gestion du bâtiment ou de la partie de bâtiment concernée, y compris pendant les heures d'ouverture au public, sauf lorsque des exigences ou recommandations en matière de sécurité provenant des autorités compétentes imposent de les maintenir ouvertes, telles que les exigences en cas d'incendie ou d'alerte d'incendie.]1
Art. 2.2.33. [1 Het gebruik van verwarmingstoestellen of klimaatregelingstoestellen die gas verbruiken en buiten een gebouw werken, is verboden, met uitzondering van de systemen die werken:
1° in een overdekte, luchtdichte ruimte, afgesloten door harde zijwanden die door een luchtdichte verbinding met de bovenwand zijn verbonden;
2° in een vaste kiosk, met een geldige vergunning, die bestemd is voor de verkoop van goederen aan de consument;
3° in een auto of mobiele installatie met een gesloten cabine die speciaal is ingericht voor de ambulante verkoop van goederen aan de consument, en daarvoor geldig is vergund, zoals een foodtruck of elke andere auto die is ingericht voor de ambulante verkoop van goederen op een markt;
4° in een tijdelijke, overdekte en gesloten inrichting waar kermis- of circusactiviteiten worden georganiseerd of waar culturele, sportieve, feestelijke, religieuze of politieke evenementen worden gehouden, met een geldige vergunning.]1
1° in een overdekte, luchtdichte ruimte, afgesloten door harde zijwanden die door een luchtdichte verbinding met de bovenwand zijn verbonden;
2° in een vaste kiosk, met een geldige vergunning, die bestemd is voor de verkoop van goederen aan de consument;
3° in een auto of mobiele installatie met een gesloten cabine die speciaal is ingericht voor de ambulante verkoop van goederen aan de consument, en daarvoor geldig is vergund, zoals een foodtruck of elke andere auto die is ingericht voor de ambulante verkoop van goederen op een markt;
4° in een tijdelijke, overdekte en gesloten inrichting waar kermis- of circusactiviteiten worden georganiseerd of waar culturele, sportieve, feestelijke, religieuze of politieke evenementen worden gehouden, met een geldige vergunning.]1
Art. 2.2.33. [1 L'utilisation de dispositifs de chauffage ou de climatisation consommant du gaz et fonctionnant à l'extérieur d'un bâtiment est interdite, à l'exception de ceux qui fonctionnent:
1° dans un espace couvert, étanche à l'air et fermé par des parois latérales rigides par nature reliées par une jointure étanche à l'air à la paroi supérieure;
2° dans un kiosque fixe, dûment autorisé, affecté à la vente de marchandises au consommateur;
3° dans un véhicule automobile ou une installation mobile avec un habitacle fermé, spécialement aménagé pour la vente ambulante de marchandises au consommateur et dûment autorisé, tel qu'un foodtruck ou tout autre véhicule automobile aménagé pour la vente ambulante de marchandises sur un marché;
4° dans une installation temporaire, couverte et fermée accueillant des activités foraines ou circassiennes ou accueillant des manifestations culturelles, sportives, festives, cultuelles ou politiques dûment autorisées.]1
1° dans un espace couvert, étanche à l'air et fermé par des parois latérales rigides par nature reliées par une jointure étanche à l'air à la paroi supérieure;
2° dans un kiosque fixe, dûment autorisé, affecté à la vente de marchandises au consommateur;
3° dans un véhicule automobile ou une installation mobile avec un habitacle fermé, spécialement aménagé pour la vente ambulante de marchandises au consommateur et dûment autorisé, tel qu'un foodtruck ou tout autre véhicule automobile aménagé pour la vente ambulante de marchandises sur un marché;
4° dans une installation temporaire, couverte et fermée accueillant des activités foraines ou circassiennes ou accueillant des manifestations culturelles, sportives, festives, cultuelles ou politiques dûment autorisées.]1
Art. 2.2.33. [1 Het gebruik van verwarmingstoestellen of klimaatregelingstoestellen die gas verbruiken en buiten een gebouw werken, is verboden, met uitzondering van de systemen die werken:
1° in een overdekte, luchtdichte ruimte, afgesloten door harde zijwanden die door een luchtdichte verbinding met de bovenwand zijn verbonden;
2° in een vaste kiosk, met een geldige vergunning, die bestemd is voor de verkoop van goederen aan de consument;
3° in een auto of mobiele installatie met een gesloten cabine die speciaal is ingericht voor de ambulante verkoop van goederen aan de consument, en daarvoor geldig is vergund, zoals een foodtruck of elke andere auto die is ingericht voor de ambulante verkoop van goederen op een markt;
4° in een tijdelijke, overdekte en gesloten inrichting waar kermis- of circusactiviteiten worden georganiseerd of waar culturele, sportieve, feestelijke, religieuze of politieke evenementen worden gehouden, met een geldige vergunning.]1
1° in een overdekte, luchtdichte ruimte, afgesloten door harde zijwanden die door een luchtdichte verbinding met de bovenwand zijn verbonden;
2° in een vaste kiosk, met een geldige vergunning, die bestemd is voor de verkoop van goederen aan de consument;
3° in een auto of mobiele installatie met een gesloten cabine die speciaal is ingericht voor de ambulante verkoop van goederen aan de consument, en daarvoor geldig is vergund, zoals een foodtruck of elke andere auto die is ingericht voor de ambulante verkoop van goederen op een markt;
4° in een tijdelijke, overdekte en gesloten inrichting waar kermis- of circusactiviteiten worden georganiseerd of waar culturele, sportieve, feestelijke, religieuze of politieke evenementen worden gehouden, met een geldige vergunning.]1
Art. 2.2.33. [1 L'utilisation de dispositifs de chauffage ou de climatisation consommant du gaz et fonctionnant à l'extérieur d'un bâtiment est interdite, à l'exception de ceux qui fonctionnent:
1° dans un espace couvert, étanche à l'air et fermé par des parois latérales rigides par nature reliées par une jointure étanche à l'air à la paroi supérieure;
2° dans un kiosque fixe, dûment autorisé, affecté à la vente de marchandises au consommateur;
3° dans un véhicule automobile ou une installation mobile avec un habitacle fermé, spécialement aménagé pour la vente ambulante de marchandises au consommateur et dûment autorisé, tel qu'un foodtruck ou tout autre véhicule automobile aménagé pour la vente ambulante de marchandises sur un marché;
4° dans une installation temporaire, couverte et fermée accueillant des activités foraines ou circassiennes ou accueillant des manifestations culturelles, sportives, festives, cultuelles ou politiques dûment autorisées.]1
1° dans un espace couvert, étanche à l'air et fermé par des parois latérales rigides par nature reliées par une jointure étanche à l'air à la paroi supérieure;
2° dans un kiosque fixe, dûment autorisé, affecté à la vente de marchandises au consommateur;
3° dans un véhicule automobile ou une installation mobile avec un habitacle fermé, spécialement aménagé pour la vente ambulante de marchandises au consommateur et dûment autorisé, tel qu'un foodtruck ou tout autre véhicule automobile aménagé pour la vente ambulante de marchandises sur un marché;
4° dans une installation temporaire, couverte et fermée accueillant des activités foraines ou circassiennes ou accueillant des manifestations culturelles, sportives, festives, cultuelles ou politiques dûment autorisées.]1
TITEL 3. - Bepalingen betreffende het vervoer
TITRE 3. - Dispositions relatives aux transports
HOOFDSTUK 1. - Vervoerplannen
CHAPITRE 1er. - Plans de déplacements
Art. 2.3.1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk, verstaat men onder :
1° " Bestuur " : de door de Regering aangestelde administratieve dienst van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest belast met Mobiliteit en Openbare Werken;
2° " Vervoerplan " : de studie, implementatie, beoordeling en update van acties die bedoeld zijn om een duurzaam beheer van de verplaatsingen te promoten die gelinkt zijn aan " verkeersgeneratoren " zoals scholen, bedrijven, winkels en recreatiecentra. Het plan beoogt de rationalisering van de gemotoriseerde verplaatsingen, de modale overstap met het oog op de verbetering van de mobiliteit en de vermindering van de milieuoverlast dat deze laatste met zich meebrengt;
3° " Audit " : het beoordelingsproces met betrekking tot de stappen ondernomen door het bedrijf, de school, de sitebeheerder en de sitegebruiker betreffende het vervoerplan, om :
- de conformiteit ervan met onderhavig Wetboek na te gaan;
- het te verbeteren door de efficiëntie ervan te verhogen om een dynamiek te creëren die bijdraagt tot de doelstellingen van mobiliteit, leefmilieu en luchtkwaliteit.
De audit waarborgt een uitvoerige aanpak door een bezoek aan de site;
4° " Site " : de plaats waarop een vervoerplan betrekking heeft, zijnde :
a) ofwel een gebouw en zijn aanhorigheden;
b) ofwel een zone waar meerdere gebouwen staan en die over meerdere ingangen beschikt die via het meest directe voetgangerstraject op minder dan vijfhonderd meter van elkaar verwijderd zijn;
c) ofwel de openbare ruimte;
5° " Toegankelijkheidsplan van de site " : het document waarin alle nodige inlichtingen beknopt worden samengevat om zich met alle beschikbare vervoermiddelen (trein, bus, tram, metro, auto, taxi, fiets, te voet), inclusief het parkeeraanbod voor auto's en fietsen, naar een bepaalde plaats te begeven en dat als doel heeft de multimodale verplaatsingen aan te sporen;
6° " Schoolpubliek " : de leerlingen, de ouders van leerlingen, de leerkrachten, de personeelsleden van de school en alle overige personen die zich regelmatig van of naar de school verplaatsen;
7° " Bedrijf " : elke publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon die werknemers tewerkstelt;
8° " Contactpersoon " : de natuurlijke persoon die in het kader van het bedrijfsvervoerplan door het bedrijf, de sitebeheerder of de sitegebruiker wordt aangesteld als gesprekspartner met het Bestuur en/of [1 Leefmilieu Brussel]1 in het kader van de bedrijfsvervoerplannen of activiteiten;
9° " Werknemers " : het personeel van het bedrijf dat onder zijn gezag staat; worden niet beschouwd als deel uitmakend van dit personeel, de bezoldigde werknemers die onder het gezag staan van een andere persoon dan het bedrijf of de zelfstandigen die werken uitvoeren voor en diensten of goederen leveren aan het bedrijf;
10° " Formulier " : document van het Bestuur en/of [1 Leefmilieu Brussel]1 dat betrekking heeft op de diagnose en de bestaande en toekomstige maatregelen rond mobiliteit;
11° " Activiteit " : elke culturele, commerciële of sportactiviteit, tijdelijk, occasioneel, periodiek of permanent, betalend of gratis, op een site;
12° " Sitebeheerder " : de natuurlijke of rechtspersoon die, als eigenaar of in een andere hoedanigheid, verantwoordelijk is voor het beheer van de site waar een activiteit of door hem of door de gebruiker van de site wordt uitgeoefend; indien de activiteit in de openbare ruimte plaatsvindt, dan wordt de beheerder ervan niet beschouwd als sitebeheerder;
13° " Deelnemers " : de natuurlijke personen die aan de activiteit deelnemen of de bezoekers die de site van de activiteit betreden, met uitzondering van de personeelsleden van de sitebeheerder en van de sitegebruiker en hun uitvoerders van werken, hun dienstverleners en hun leveranciers van goederen;
14° " Sitegebruiker " : de natuurlijke of rechtspersoon aan wie de sitebeheerder het gebruik van de site toevertrouwt, in de zin van artikel 2.3.1, 4°, a) of b), om er een activiteit uit te oefenen, of de persoon die een activiteit uitoefent in de openbare ruimte.
1° " Bestuur " : de door de Regering aangestelde administratieve dienst van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest belast met Mobiliteit en Openbare Werken;
2° " Vervoerplan " : de studie, implementatie, beoordeling en update van acties die bedoeld zijn om een duurzaam beheer van de verplaatsingen te promoten die gelinkt zijn aan " verkeersgeneratoren " zoals scholen, bedrijven, winkels en recreatiecentra. Het plan beoogt de rationalisering van de gemotoriseerde verplaatsingen, de modale overstap met het oog op de verbetering van de mobiliteit en de vermindering van de milieuoverlast dat deze laatste met zich meebrengt;
3° " Audit " : het beoordelingsproces met betrekking tot de stappen ondernomen door het bedrijf, de school, de sitebeheerder en de sitegebruiker betreffende het vervoerplan, om :
- de conformiteit ervan met onderhavig Wetboek na te gaan;
- het te verbeteren door de efficiëntie ervan te verhogen om een dynamiek te creëren die bijdraagt tot de doelstellingen van mobiliteit, leefmilieu en luchtkwaliteit.
De audit waarborgt een uitvoerige aanpak door een bezoek aan de site;
4° " Site " : de plaats waarop een vervoerplan betrekking heeft, zijnde :
a) ofwel een gebouw en zijn aanhorigheden;
b) ofwel een zone waar meerdere gebouwen staan en die over meerdere ingangen beschikt die via het meest directe voetgangerstraject op minder dan vijfhonderd meter van elkaar verwijderd zijn;
c) ofwel de openbare ruimte;
5° " Toegankelijkheidsplan van de site " : het document waarin alle nodige inlichtingen beknopt worden samengevat om zich met alle beschikbare vervoermiddelen (trein, bus, tram, metro, auto, taxi, fiets, te voet), inclusief het parkeeraanbod voor auto's en fietsen, naar een bepaalde plaats te begeven en dat als doel heeft de multimodale verplaatsingen aan te sporen;
6° " Schoolpubliek " : de leerlingen, de ouders van leerlingen, de leerkrachten, de personeelsleden van de school en alle overige personen die zich regelmatig van of naar de school verplaatsen;
7° " Bedrijf " : elke publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon die werknemers tewerkstelt;
8° " Contactpersoon " : de natuurlijke persoon die in het kader van het bedrijfsvervoerplan door het bedrijf, de sitebeheerder of de sitegebruiker wordt aangesteld als gesprekspartner met het Bestuur en/of [1 Leefmilieu Brussel]1 in het kader van de bedrijfsvervoerplannen of activiteiten;
9° " Werknemers " : het personeel van het bedrijf dat onder zijn gezag staat; worden niet beschouwd als deel uitmakend van dit personeel, de bezoldigde werknemers die onder het gezag staan van een andere persoon dan het bedrijf of de zelfstandigen die werken uitvoeren voor en diensten of goederen leveren aan het bedrijf;
10° " Formulier " : document van het Bestuur en/of [1 Leefmilieu Brussel]1 dat betrekking heeft op de diagnose en de bestaande en toekomstige maatregelen rond mobiliteit;
11° " Activiteit " : elke culturele, commerciële of sportactiviteit, tijdelijk, occasioneel, periodiek of permanent, betalend of gratis, op een site;
12° " Sitebeheerder " : de natuurlijke of rechtspersoon die, als eigenaar of in een andere hoedanigheid, verantwoordelijk is voor het beheer van de site waar een activiteit of door hem of door de gebruiker van de site wordt uitgeoefend; indien de activiteit in de openbare ruimte plaatsvindt, dan wordt de beheerder ervan niet beschouwd als sitebeheerder;
13° " Deelnemers " : de natuurlijke personen die aan de activiteit deelnemen of de bezoekers die de site van de activiteit betreden, met uitzondering van de personeelsleden van de sitebeheerder en van de sitegebruiker en hun uitvoerders van werken, hun dienstverleners en hun leveranciers van goederen;
14° " Sitegebruiker " : de natuurlijke of rechtspersoon aan wie de sitebeheerder het gebruik van de site toevertrouwt, in de zin van artikel 2.3.1, 4°, a) of b), om er een activiteit uit te oefenen, of de persoon die een activiteit uitoefent in de openbare ruimte.
Art. 2.3.1. Pour l'application du présent chapitre, on entend par :
1° " Administration " : le service administratif de la Région de Bruxelles-Capitale chargé de la Mobilité et des Travaux publics désigné par le Gouvernement;
2° " Plan de déplacements " : l'étude, la mise en oeuvre, l'évaluation et l'actualisation d'actions destinées à promouvoir une gestion durable des déplacements liés à l'activité des " générateurs de trafic " que sont les écoles, les entreprises, les commerces et les lieux de loisirs. Le plan vise la rationalisation des déplacements motorisés, le transfert modal en vue de l'amélioration de la mobilité et de la réduction des nuisances environnementales que génère cette dernière;
3° " Audit " : le processus d'évaluation de la démarche menée par l'entreprise, l'école, le gestionnaire de site et l'utilisateur de site concernant le plan de déplacements, en vue de :
- vérifier sa conformité avec le présent Code;
- l'améliorer en renforçant ainsi son efficacité afin de créer une dynamique propice à l'atteinte de ses objectifs de mobilité, d'environnement et de qualité de l'air.
L'audit garantit une approche circonstanciée par une visite sur site;
4° " Site " : le lieu auquel se rapporte un plan de déplacements, étant :
a) soit, un bâtiment et ses dépendances;
b) soit, une zone où sont situés plusieurs bâtiments et qui dispose de plusieurs entrées distantes de moins de cinq cent mètres par le trajet à pied le plus direct;
c) soit, l'espace public;
5° " Plan d'accès du site " : le document qui reprend de manière synthétique tous les renseignements nécessaires pour se rendre en un lieu déterminé par tous les moyens de transport disponibles (le train, le bus, le tram, le métro, la voiture, le taxi, le vélo et la marche), et les renseignements relatifs aux parkings pour voitures et vélos et qui vise à sensibiliser aux déplacements multimodaux;
6° " Public scolaire " : les élèves, les parents d'élèves, les enseignants, les membres du personnel de l'école et toutes les autres personnes effectuant régulièrement des déplacements de ou vers l'école;
7° " Entreprise " : toute personne morale de droit public ou privé occupant des travailleurs;
8° " Personne de contact " : la personne physique désignée par l'entreprise, ou par le gestionnaire ou l'utilisateur d'un site comme interlocutrice auprès de l'Administration et/ou de [1 Bruxelles Environnement]1 dans le cadre des plans de déplacements d'entreprise ou d'activités;
9° " Travailleurs " : le personnel de l'entreprise placé sous son autorité; ne sont pas considérés comme faisant partie de ce personnel, les travailleurs salariés placés sous l'autorité d'une autre personne que l'entreprise ou les travailleurs indépendants, exécutant des travaux, prestant des services ou fournissant des biens à l'entreprise;
10° " Formulaire " : document adressé par l'Administration et/ou [1 Bruxelles Environnement]1 portant sur le diagnostic et les mesures existantes et à venir, en matière de mobilité;
11° " Activité " : toute activité culturelle, commerciale ou sportive, momentanée, occasionnelle, périodique ou permanente, payante ou gratuite, exercée sur un site;
12° " Gestionnaire de site " : la personne physique ou morale responsable, en tant que propriétaire, ou à tout autre titre, de la gestion du site dans lequel une activité est exercée soit par elle-même, soit par l'utilisateur du site; lorsque l'activité s'exerce sur l'espace public, le gestionnaire de celui-ci n'est pas considéré comme gestionnaire de site;
13° " Participants " : les personnes physiques participant à l'activité ou les visiteurs se rendant sur le site de l'activité, à l'exception des membres du personnel du gestionnaire de site et de l'utilisateur de site ainsi que de leurs exécuteurs de travaux, de leurs prestataires de services et de leurs fournisseurs de biens;
14° " Utilisateur de site " : la personne physique ou morale à qui le gestionnaire de site confie l'usage du site, au sens de l'article 2.3.1, 4°, a) ou b), pour y exercer une activité; ou la personne qui exerce une activité sur l'espace public.
1° " Administration " : le service administratif de la Région de Bruxelles-Capitale chargé de la Mobilité et des Travaux publics désigné par le Gouvernement;
2° " Plan de déplacements " : l'étude, la mise en oeuvre, l'évaluation et l'actualisation d'actions destinées à promouvoir une gestion durable des déplacements liés à l'activité des " générateurs de trafic " que sont les écoles, les entreprises, les commerces et les lieux de loisirs. Le plan vise la rationalisation des déplacements motorisés, le transfert modal en vue de l'amélioration de la mobilité et de la réduction des nuisances environnementales que génère cette dernière;
3° " Audit " : le processus d'évaluation de la démarche menée par l'entreprise, l'école, le gestionnaire de site et l'utilisateur de site concernant le plan de déplacements, en vue de :
- vérifier sa conformité avec le présent Code;
- l'améliorer en renforçant ainsi son efficacité afin de créer une dynamique propice à l'atteinte de ses objectifs de mobilité, d'environnement et de qualité de l'air.
L'audit garantit une approche circonstanciée par une visite sur site;
4° " Site " : le lieu auquel se rapporte un plan de déplacements, étant :
a) soit, un bâtiment et ses dépendances;
b) soit, une zone où sont situés plusieurs bâtiments et qui dispose de plusieurs entrées distantes de moins de cinq cent mètres par le trajet à pied le plus direct;
c) soit, l'espace public;
5° " Plan d'accès du site " : le document qui reprend de manière synthétique tous les renseignements nécessaires pour se rendre en un lieu déterminé par tous les moyens de transport disponibles (le train, le bus, le tram, le métro, la voiture, le taxi, le vélo et la marche), et les renseignements relatifs aux parkings pour voitures et vélos et qui vise à sensibiliser aux déplacements multimodaux;
6° " Public scolaire " : les élèves, les parents d'élèves, les enseignants, les membres du personnel de l'école et toutes les autres personnes effectuant régulièrement des déplacements de ou vers l'école;
7° " Entreprise " : toute personne morale de droit public ou privé occupant des travailleurs;
8° " Personne de contact " : la personne physique désignée par l'entreprise, ou par le gestionnaire ou l'utilisateur d'un site comme interlocutrice auprès de l'Administration et/ou de [1 Bruxelles Environnement]1 dans le cadre des plans de déplacements d'entreprise ou d'activités;
9° " Travailleurs " : le personnel de l'entreprise placé sous son autorité; ne sont pas considérés comme faisant partie de ce personnel, les travailleurs salariés placés sous l'autorité d'une autre personne que l'entreprise ou les travailleurs indépendants, exécutant des travaux, prestant des services ou fournissant des biens à l'entreprise;
10° " Formulaire " : document adressé par l'Administration et/ou [1 Bruxelles Environnement]1 portant sur le diagnostic et les mesures existantes et à venir, en matière de mobilité;
11° " Activité " : toute activité culturelle, commerciale ou sportive, momentanée, occasionnelle, périodique ou permanente, payante ou gratuite, exercée sur un site;
12° " Gestionnaire de site " : la personne physique ou morale responsable, en tant que propriétaire, ou à tout autre titre, de la gestion du site dans lequel une activité est exercée soit par elle-même, soit par l'utilisateur du site; lorsque l'activité s'exerce sur l'espace public, le gestionnaire de celui-ci n'est pas considéré comme gestionnaire de site;
13° " Participants " : les personnes physiques participant à l'activité ou les visiteurs se rendant sur le site de l'activité, à l'exception des membres du personnel du gestionnaire de site et de l'utilisateur de site ainsi que de leurs exécuteurs de travaux, de leurs prestataires de services et de leurs fournisseurs de biens;
14° " Utilisateur de site " : la personne physique ou morale à qui le gestionnaire de site confie l'usage du site, au sens de l'article 2.3.1, 4°, a) ou b), pour y exercer une activité; ou la personne qui exerce une activité sur l'espace public.
Wijzigingen
Art. 2.3.1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk, verstaat men onder :
1° " Bestuur " : de door de Regering aangestelde administratieve dienst van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest belast met Mobiliteit en Openbare Werken;
2° " Vervoerplan " : de studie, implementatie, beoordeling en update van acties die bedoeld zijn om een duurzaam beheer van de verplaatsingen te promoten die gelinkt zijn aan " verkeersgeneratoren " zoals scholen, bedrijven, winkels en recreatiecentra. Het plan beoogt de rationalisering van de gemotoriseerde verplaatsingen, de modale overstap met het oog op de verbetering van de mobiliteit en de vermindering van de milieuoverlast dat deze laatste met zich meebrengt;
3° " Audit " : het beoordelingsproces met betrekking tot de stappen ondernomen door het bedrijf, de school, de sitebeheerder en de sitegebruiker betreffende het vervoerplan, om :
- de conformiteit ervan met onderhavig Wetboek na te gaan;
- het te verbeteren door de efficiëntie ervan te verhogen om een dynamiek te creëren die bijdraagt tot de doelstellingen van mobiliteit, leefmilieu en luchtkwaliteit.
De audit waarborgt een uitvoerige aanpak door een bezoek aan de site;
4° " Site " : de plaats waarop een vervoerplan betrekking heeft, zijnde :
a) ofwel een gebouw en zijn aanhorigheden;
b) ofwel een zone waar meerdere gebouwen staan en die over meerdere ingangen beschikt die via het meest directe voetgangerstraject op minder dan vijfhonderd meter van elkaar verwijderd zijn;
c) ofwel de openbare ruimte;
5° " Toegankelijkheidsplan van de site " : het document waarin alle nodige inlichtingen beknopt worden samengevat om zich met alle beschikbare vervoermiddelen (trein, bus, tram, metro, auto, taxi, fiets, te voet), inclusief het parkeeraanbod voor auto's en fietsen, naar een bepaalde plaats te begeven en dat als doel heeft de multimodale verplaatsingen aan te sporen;
6° " Schoolpubliek " : de leerlingen, de ouders van leerlingen, de leerkrachten, de personeelsleden van de school en alle overige personen die zich regelmatig van of naar de school verplaatsen;
7° " Bedrijf " : elke publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon die werknemers tewerkstelt;
8° " Contactpersoon " : de natuurlijke persoon die in het kader van het bedrijfsvervoerplan door het bedrijf, de sitebeheerder of de sitegebruiker wordt aangesteld als gesprekspartner met het Bestuur en/of [1 Leefmilieu Brussel]1 in het kader van de bedrijfsvervoerplannen of activiteiten;
9° " Werknemers " : het personeel van het bedrijf dat onder zijn gezag staat; worden niet beschouwd als deel uitmakend van dit personeel, de bezoldigde werknemers die onder het gezag staan van een andere persoon dan het bedrijf of de zelfstandigen die werken uitvoeren voor en diensten of goederen leveren aan het bedrijf;
10° " Formulier " : document van het Bestuur en/of [1 Leefmilieu Brussel]1 dat betrekking heeft op de diagnose en de bestaande en toekomstige maatregelen rond mobiliteit;
11° " Activiteit " : elke culturele, commerciële of sportactiviteit, tijdelijk, occasioneel, periodiek of permanent, betalend of gratis, op een site;
12° " Sitebeheerder " : de natuurlijke of rechtspersoon die, als eigenaar of in een andere hoedanigheid, verantwoordelijk is voor het beheer van de site waar een activiteit of door hem of door de gebruiker van de site wordt uitgeoefend; indien de activiteit in de openbare ruimte plaatsvindt, dan wordt de beheerder ervan niet beschouwd als sitebeheerder;
13° " Deelnemers " : de natuurlijke personen die aan de activiteit deelnemen of de bezoekers die de site van de activiteit betreden, met uitzondering van de personeelsleden van de sitebeheerder en van de sitegebruiker en hun uitvoerders van werken, hun dienstverleners en hun leveranciers van goederen;
14° " Sitegebruiker " : de natuurlijke of rechtspersoon aan wie de sitebeheerder het gebruik van de site toevertrouwt, in de zin van artikel 2.3.1, 4°, a) of b), om er een activiteit uit te oefenen, of de persoon die een activiteit uitoefent in de openbare ruimte.
1° " Bestuur " : de door de Regering aangestelde administratieve dienst van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest belast met Mobiliteit en Openbare Werken;
2° " Vervoerplan " : de studie, implementatie, beoordeling en update van acties die bedoeld zijn om een duurzaam beheer van de verplaatsingen te promoten die gelinkt zijn aan " verkeersgeneratoren " zoals scholen, bedrijven, winkels en recreatiecentra. Het plan beoogt de rationalisering van de gemotoriseerde verplaatsingen, de modale overstap met het oog op de verbetering van de mobiliteit en de vermindering van de milieuoverlast dat deze laatste met zich meebrengt;
3° " Audit " : het beoordelingsproces met betrekking tot de stappen ondernomen door het bedrijf, de school, de sitebeheerder en de sitegebruiker betreffende het vervoerplan, om :
- de conformiteit ervan met onderhavig Wetboek na te gaan;
- het te verbeteren door de efficiëntie ervan te verhogen om een dynamiek te creëren die bijdraagt tot de doelstellingen van mobiliteit, leefmilieu en luchtkwaliteit.
De audit waarborgt een uitvoerige aanpak door een bezoek aan de site;
4° " Site " : de plaats waarop een vervoerplan betrekking heeft, zijnde :
a) ofwel een gebouw en zijn aanhorigheden;
b) ofwel een zone waar meerdere gebouwen staan en die over meerdere ingangen beschikt die via het meest directe voetgangerstraject op minder dan vijfhonderd meter van elkaar verwijderd zijn;
c) ofwel de openbare ruimte;
5° " Toegankelijkheidsplan van de site " : het document waarin alle nodige inlichtingen beknopt worden samengevat om zich met alle beschikbare vervoermiddelen (trein, bus, tram, metro, auto, taxi, fiets, te voet), inclusief het parkeeraanbod voor auto's en fietsen, naar een bepaalde plaats te begeven en dat als doel heeft de multimodale verplaatsingen aan te sporen;
6° " Schoolpubliek " : de leerlingen, de ouders van leerlingen, de leerkrachten, de personeelsleden van de school en alle overige personen die zich regelmatig van of naar de school verplaatsen;
7° " Bedrijf " : elke publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon die werknemers tewerkstelt;
8° " Contactpersoon " : de natuurlijke persoon die in het kader van het bedrijfsvervoerplan door het bedrijf, de sitebeheerder of de sitegebruiker wordt aangesteld als gesprekspartner met het Bestuur en/of [1 Leefmilieu Brussel]1 in het kader van de bedrijfsvervoerplannen of activiteiten;
9° " Werknemers " : het personeel van het bedrijf dat onder zijn gezag staat; worden niet beschouwd als deel uitmakend van dit personeel, de bezoldigde werknemers die onder het gezag staan van een andere persoon dan het bedrijf of de zelfstandigen die werken uitvoeren voor en diensten of goederen leveren aan het bedrijf;
10° " Formulier " : document van het Bestuur en/of [1 Leefmilieu Brussel]1 dat betrekking heeft op de diagnose en de bestaande en toekomstige maatregelen rond mobiliteit;
11° " Activiteit " : elke culturele, commerciële of sportactiviteit, tijdelijk, occasioneel, periodiek of permanent, betalend of gratis, op een site;
12° " Sitebeheerder " : de natuurlijke of rechtspersoon die, als eigenaar of in een andere hoedanigheid, verantwoordelijk is voor het beheer van de site waar een activiteit of door hem of door de gebruiker van de site wordt uitgeoefend; indien de activiteit in de openbare ruimte plaatsvindt, dan wordt de beheerder ervan niet beschouwd als sitebeheerder;
13° " Deelnemers " : de natuurlijke personen die aan de activiteit deelnemen of de bezoekers die de site van de activiteit betreden, met uitzondering van de personeelsleden van de sitebeheerder en van de sitegebruiker en hun uitvoerders van werken, hun dienstverleners en hun leveranciers van goederen;
14° " Sitegebruiker " : de natuurlijke of rechtspersoon aan wie de sitebeheerder het gebruik van de site toevertrouwt, in de zin van artikel 2.3.1, 4°, a) of b), om er een activiteit uit te oefenen, of de persoon die een activiteit uitoefent in de openbare ruimte.
Art. 2.3.1. Pour l'application du présent chapitre, on entend par :
1° " Administration " : le service administratif de la Région de Bruxelles-Capitale chargé de la Mobilité et des Travaux publics désigné par le Gouvernement;
2° " Plan de déplacements " : l'étude, la mise en oeuvre, l'évaluation et l'actualisation d'actions destinées à promouvoir une gestion durable des déplacements liés à l'activité des " générateurs de trafic " que sont les écoles, les entreprises, les commerces et les lieux de loisirs. Le plan vise la rationalisation des déplacements motorisés, le transfert modal en vue de l'amélioration de la mobilité et de la réduction des nuisances environnementales que génère cette dernière;
3° " Audit " : le processus d'évaluation de la démarche menée par l'entreprise, l'école, le gestionnaire de site et l'utilisateur de site concernant le plan de déplacements, en vue de :
- vérifier sa conformité avec le présent Code;
- l'améliorer en renforçant ainsi son efficacité afin de créer une dynamique propice à l'atteinte de ses objectifs de mobilité, d'environnement et de qualité de l'air.
L'audit garantit une approche circonstanciée par une visite sur site;
4° " Site " : le lieu auquel se rapporte un plan de déplacements, étant :
a) soit, un bâtiment et ses dépendances;
b) soit, une zone où sont situés plusieurs bâtiments et qui dispose de plusieurs entrées distantes de moins de cinq cent mètres par le trajet à pied le plus direct;
c) soit, l'espace public;
5° " Plan d'accès du site " : le document qui reprend de manière synthétique tous les renseignements nécessaires pour se rendre en un lieu déterminé par tous les moyens de transport disponibles (le train, le bus, le tram, le métro, la voiture, le taxi, le vélo et la marche), et les renseignements relatifs aux parkings pour voitures et vélos et qui vise à sensibiliser aux déplacements multimodaux;
6° " Public scolaire " : les élèves, les parents d'élèves, les enseignants, les membres du personnel de l'école et toutes les autres personnes effectuant régulièrement des déplacements de ou vers l'école;
7° " Entreprise " : toute personne morale de droit public ou privé occupant des travailleurs;
8° " Personne de contact " : la personne physique désignée par l'entreprise, ou par le gestionnaire ou l'utilisateur d'un site comme interlocutrice auprès de l'Administration et/ou de [1 Bruxelles Environnement]1 dans le cadre des plans de déplacements d'entreprise ou d'activités;
9° " Travailleurs " : le personnel de l'entreprise placé sous son autorité; ne sont pas considérés comme faisant partie de ce personnel, les travailleurs salariés placés sous l'autorité d'une autre personne que l'entreprise ou les travailleurs indépendants, exécutant des travaux, prestant des services ou fournissant des biens à l'entreprise;
10° " Formulaire " : document adressé par l'Administration et/ou [1 Bruxelles Environnement]1 portant sur le diagnostic et les mesures existantes et à venir, en matière de mobilité;
11° " Activité " : toute activité culturelle, commerciale ou sportive, momentanée, occasionnelle, périodique ou permanente, payante ou gratuite, exercée sur un site;
12° " Gestionnaire de site " : la personne physique ou morale responsable, en tant que propriétaire, ou à tout autre titre, de la gestion du site dans lequel une activité est exercée soit par elle-même, soit par l'utilisateur du site; lorsque l'activité s'exerce sur l'espace public, le gestionnaire de celui-ci n'est pas considéré comme gestionnaire de site;
13° " Participants " : les personnes physiques participant à l'activité ou les visiteurs se rendant sur le site de l'activité, à l'exception des membres du personnel du gestionnaire de site et de l'utilisateur de site ainsi que de leurs exécuteurs de travaux, de leurs prestataires de services et de leurs fournisseurs de biens;
14° " Utilisateur de site " : la personne physique ou morale à qui le gestionnaire de site confie l'usage du site, au sens de l'article 2.3.1, 4°, a) ou b), pour y exercer une activité; ou la personne qui exerce une activité sur l'espace public.
1° " Administration " : le service administratif de la Région de Bruxelles-Capitale chargé de la Mobilité et des Travaux publics désigné par le Gouvernement;
2° " Plan de déplacements " : l'étude, la mise en oeuvre, l'évaluation et l'actualisation d'actions destinées à promouvoir une gestion durable des déplacements liés à l'activité des " générateurs de trafic " que sont les écoles, les entreprises, les commerces et les lieux de loisirs. Le plan vise la rationalisation des déplacements motorisés, le transfert modal en vue de l'amélioration de la mobilité et de la réduction des nuisances environnementales que génère cette dernière;
3° " Audit " : le processus d'évaluation de la démarche menée par l'entreprise, l'école, le gestionnaire de site et l'utilisateur de site concernant le plan de déplacements, en vue de :
- vérifier sa conformité avec le présent Code;
- l'améliorer en renforçant ainsi son efficacité afin de créer une dynamique propice à l'atteinte de ses objectifs de mobilité, d'environnement et de qualité de l'air.
L'audit garantit une approche circonstanciée par une visite sur site;
4° " Site " : le lieu auquel se rapporte un plan de déplacements, étant :
a) soit, un bâtiment et ses dépendances;
b) soit, une zone où sont situés plusieurs bâtiments et qui dispose de plusieurs entrées distantes de moins de cinq cent mètres par le trajet à pied le plus direct;
c) soit, l'espace public;
5° " Plan d'accès du site " : le document qui reprend de manière synthétique tous les renseignements nécessaires pour se rendre en un lieu déterminé par tous les moyens de transport disponibles (le train, le bus, le tram, le métro, la voiture, le taxi, le vélo et la marche), et les renseignements relatifs aux parkings pour voitures et vélos et qui vise à sensibiliser aux déplacements multimodaux;
6° " Public scolaire " : les élèves, les parents d'élèves, les enseignants, les membres du personnel de l'école et toutes les autres personnes effectuant régulièrement des déplacements de ou vers l'école;
7° " Entreprise " : toute personne morale de droit public ou privé occupant des travailleurs;
8° " Personne de contact " : la personne physique désignée par l'entreprise, ou par le gestionnaire ou l'utilisateur d'un site comme interlocutrice auprès de l'Administration et/ou de [1 Bruxelles Environnement]1 dans le cadre des plans de déplacements d'entreprise ou d'activités;
9° " Travailleurs " : le personnel de l'entreprise placé sous son autorité; ne sont pas considérés comme faisant partie de ce personnel, les travailleurs salariés placés sous l'autorité d'une autre personne que l'entreprise ou les travailleurs indépendants, exécutant des travaux, prestant des services ou fournissant des biens à l'entreprise;
10° " Formulaire " : document adressé par l'Administration et/ou [1 Bruxelles Environnement]1 portant sur le diagnostic et les mesures existantes et à venir, en matière de mobilité;
11° " Activité " : toute activité culturelle, commerciale ou sportive, momentanée, occasionnelle, périodique ou permanente, payante ou gratuite, exercée sur un site;
12° " Gestionnaire de site " : la personne physique ou morale responsable, en tant que propriétaire, ou à tout autre titre, de la gestion du site dans lequel une activité est exercée soit par elle-même, soit par l'utilisateur du site; lorsque l'activité s'exerce sur l'espace public, le gestionnaire de celui-ci n'est pas considéré comme gestionnaire de site;
13° " Participants " : les personnes physiques participant à l'activité ou les visiteurs se rendant sur le site de l'activité, à l'exception des membres du personnel du gestionnaire de site et de l'utilisateur de site ainsi que de leurs exécuteurs de travaux, de leurs prestataires de services et de leurs fournisseurs de biens;
14° " Utilisateur de site " : la personne physique ou morale à qui le gestionnaire de site confie l'usage du site, au sens de l'article 2.3.1, 4°, a) ou b), pour y exercer une activité; ou la personne qui exerce une activité sur l'espace public.
Wijzigingen
Art. 2.3.2. § 1. Onverminderd hun specifieke opdrachten bij elk soort plan, hebben het Bestuur en [1 Leefmilieu Brussel]1 als algemene opdracht om :
1° een school, een bedrijf, een sitebeheerder of een sitegebruiker de methodologische hulpmiddelen aan te reiken voor de opmaak van een vervoerplan;
2° een antwoord te geven op elke vraag met betrekking tot de vervoerplannen die wordt gesteld door een school, een bedrijf, een sitebeheerder of een sitegebruiker.
§ 2. Bij de uitoefening van hun algemene en specifieke opdrachten en op ieder moment kunnen het Bestuur en [1 Leefmilieu Brussel]1, in overleg met de school, het bedrijf, de sitebeheerder of de sitegebruiker, een audit verrichten van elke site die onderworpen is aan de onderhavige ordonnantie, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek.
§ 3. Het Bestuur en [1 Leefmilieu Brussel]1 kunnen aan de scholen, bedrijven, sitebeheerders en sitegebruikers die een vervoerplan opstellen en uitvoeren een mobiliteitsprijs uitreiken.
§ 4. De stappen die het Bestuur en [1 Leefmilieu Brussel]1 ondernemen, blijven verenigbaar en vormen een aanvulling op de voorschriften van de milieuvergunningen.
1° een school, een bedrijf, een sitebeheerder of een sitegebruiker de methodologische hulpmiddelen aan te reiken voor de opmaak van een vervoerplan;
2° een antwoord te geven op elke vraag met betrekking tot de vervoerplannen die wordt gesteld door een school, een bedrijf, een sitebeheerder of een sitegebruiker.
§ 2. Bij de uitoefening van hun algemene en specifieke opdrachten en op ieder moment kunnen het Bestuur en [1 Leefmilieu Brussel]1, in overleg met de school, het bedrijf, de sitebeheerder of de sitegebruiker, een audit verrichten van elke site die onderworpen is aan de onderhavige ordonnantie, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek.
§ 3. Het Bestuur en [1 Leefmilieu Brussel]1 kunnen aan de scholen, bedrijven, sitebeheerders en sitegebruikers die een vervoerplan opstellen en uitvoeren een mobiliteitsprijs uitreiken.
§ 4. De stappen die het Bestuur en [1 Leefmilieu Brussel]1 ondernemen, blijven verenigbaar en vormen een aanvulling op de voorschriften van de milieuvergunningen.
Art. 2.3.2. § 1er. Sans préjudice de leurs missions spécifiques à chaque type de plan, l'Administration et [1 Bruxelles Environnement]1 ont pour missions générales de :
1° fournir à une école, une entreprise, un gestionnaire de site ou un utilisateur de site, les outils méthodologiques d'aide à l'établissement d'un plan de déplacements;
2° répondre à toute question relative aux plans de déplacements posée par une école, une entreprise, un gestionnaire de site ou un utilisateur de site.
§ 2. En concertation avec l'école, l'entreprise, le gestionnaire de site ou l'utilisateur de site, l'Administration et [1 Bruxelles Environnement]1 peuvent, dans l'exercice de leurs missions générales et spécifiques et à tout moment, effectuer un audit de tout site soumis à la présente ordonnance, soit de leur propre initiative soit sur demande.
§ 3. L'Administration et [1 Bruxelles Environnement]1 peuvent décerner un prix de mobilité aux écoles, aux entreprises, aux gestionnaires de site et aux utilisateurs de site qui établissent et mettent en oeuvre un plan de déplacements.
§ 4. La démarche de l'Administration et de [1 Bruxelles Environnement]1 reste compatible et complémentaire avec les prescrits des permis d'environnement.
1° fournir à une école, une entreprise, un gestionnaire de site ou un utilisateur de site, les outils méthodologiques d'aide à l'établissement d'un plan de déplacements;
2° répondre à toute question relative aux plans de déplacements posée par une école, une entreprise, un gestionnaire de site ou un utilisateur de site.
§ 2. En concertation avec l'école, l'entreprise, le gestionnaire de site ou l'utilisateur de site, l'Administration et [1 Bruxelles Environnement]1 peuvent, dans l'exercice de leurs missions générales et spécifiques et à tout moment, effectuer un audit de tout site soumis à la présente ordonnance, soit de leur propre initiative soit sur demande.
§ 3. L'Administration et [1 Bruxelles Environnement]1 peuvent décerner un prix de mobilité aux écoles, aux entreprises, aux gestionnaires de site et aux utilisateurs de site qui établissent et mettent en oeuvre un plan de déplacements.
§ 4. La démarche de l'Administration et de [1 Bruxelles Environnement]1 reste compatible et complémentaire avec les prescrits des permis d'environnement.
Wijzigingen
Art. 2.3.3. De Regering bepaalt de modaliteiten van de samenwerking tussen het Bestuur en [1 Leefmilieu Brussel]1 alsook de termijnen en alle andere modaliteiten van de procedures.
De Regering bepaalt ook de inhoud, het model en de vorm van verzending aan het Bestuur en/of [1 Leefmilieu Brussel]1 van de documenten, hierna " formulieren " en " vervoerplan " genoemd, die de scholen, de bedrijven, de sitebeheerders en de sitegebruikers op straffe van nietigheid dienen te gebruiken.
De Regering bepaalt ook de inhoud, het model en de vorm van verzending aan het Bestuur en/of [1 Leefmilieu Brussel]1 van de documenten, hierna " formulieren " en " vervoerplan " genoemd, die de scholen, de bedrijven, de sitebeheerders en de sitegebruikers op straffe van nietigheid dienen te gebruiken.
Art. 2.3.3. Le Gouvernement détermine les modalités de la collaboration entre l'Administration et [1 Bruxelles Environnement]1, les délais et toute autre modalité des procédures.
Le Gouvernement détermine également le contenu, le modèle et la forme de l'envoi à l'Administration et/ou à [1 Bruxelles Environnement]1, des documents, ci-après dénommés " formulaires " et " plan de déplacements ", que les écoles, les entreprises, les gestionnaires de site et les utilisateurs de site doivent utiliser à peine de nullité.
Le Gouvernement détermine également le contenu, le modèle et la forme de l'envoi à l'Administration et/ou à [1 Bruxelles Environnement]1, des documents, ci-après dénommés " formulaires " et " plan de déplacements ", que les écoles, les entreprises, les gestionnaires de site et les utilisateurs de site doivent utiliser à peine de nullité.
Wijzigingen
Art. 2.3.4. Deze afdeling is van toepassing op de kleuter-, basis- en secundaire scholen, voor alle netten en alle onderwijstypes.
Afdeling 4 van dit hoofdstuk betreffende de activiteitenvervoerplannen is niet van toepassing op deze scholen wanneer zij buitenschoolse activiteiten in hun lokalen of in de omgeving ervan organiseren.
Afdeling 4 van dit hoofdstuk betreffende de activiteitenvervoerplannen is niet van toepassing op deze scholen wanneer zij buitenschoolse activiteiten in hun lokalen of in de omgeving ervan organiseren.
Art. 2.3.4. La présente section est applicable aux écoles maternelles, primaires et secondaires, tous réseaux et tous types d'enseignement confondus.
La section 4 du présent chapitre relative aux plans de déplacements d'activités n'est pas applicable à ces écoles lorsqu'elles organisent des activités extra-scolaires dans leurs locaux ou aux abords de ceux-ci.
La section 4 du présent chapitre relative aux plans de déplacements d'activités n'est pas applicable à ces écoles lorsqu'elles organisent des activités extra-scolaires dans leurs locaux ou aux abords de ceux-ci.
Art. 2.3.5. § 1. De scholen maken een prediagnose waarbij de bepalingen van het onderhavige hoofdstuk worden nageleefd.
De prediagnose heeft met name tot doel :
1° de schooldirectie te sensibiliseren voor de mobiliteit, de verkeersveiligheid en de leefkwaliteit in de schoolomgeving;
2° de schooldirectie aan te zetten om een schoolvervoerplan op te maken.
§ 2. De prediagnose bevat :
1° het overzicht van de gegevens van de schoolinstelling, met name het aantal leerlingen en leerkrachten, de lesroosters;
2° de beschrijving van de bereikbaarheid van de school voor de verschillende vervoerswijzen;
3° de analyse van de verplaatsingen van de leerlingen tussen hun woonplaats en de school en van de schoolverplaatsingen in het algemeen;
4° de beschrijving van de ondernomen acties rond verkeersveiligheid en duurzame mobiliteit binnen de schoolinstelling;
5° de analyse van de mogelijke verbeteringen inzake verkeersveiligheid en mobiliteit.
De prediagnose heeft met name tot doel :
1° de schooldirectie te sensibiliseren voor de mobiliteit, de verkeersveiligheid en de leefkwaliteit in de schoolomgeving;
2° de schooldirectie aan te zetten om een schoolvervoerplan op te maken.
§ 2. De prediagnose bevat :
1° het overzicht van de gegevens van de schoolinstelling, met name het aantal leerlingen en leerkrachten, de lesroosters;
2° de beschrijving van de bereikbaarheid van de school voor de verschillende vervoerswijzen;
3° de analyse van de verplaatsingen van de leerlingen tussen hun woonplaats en de school en van de schoolverplaatsingen in het algemeen;
4° de beschrijving van de ondernomen acties rond verkeersveiligheid en duurzame mobiliteit binnen de schoolinstelling;
5° de analyse van de mogelijke verbeteringen inzake verkeersveiligheid en mobiliteit.
Art. 2.3.5. § 1er. Les écoles établissent un prédiagnostic dans le respect des dispositions de la présente section.
Le prédiagnostic a pour objectifs, notamment :
1° de sensibiliser la direction de l'école à la mobilité, à la sécurité routière et à la qualité de vie aux abords de l'école;
2° d'encourager la direction de l'école à établir un plan de déplacements scolaires.
§ 2. Le prédiagnostic contient :
1° le relevé des caractéristiques de l'établissement scolaire, notamment le nombre d'élèves et d'enseignants, les horaires;
2° le descriptif de l'accessibilité de l'école pour les différents modes de déplacement;
3° l'analyse des déplacements des élèves entre leur domicile et l'école et des déplacements scolaires en général;
4° le descriptif des actions réalisées en termes de sécurité routière et de mobilité durable au sein de l'établissement scolaire;
5° l'analyse des améliorations possibles de la sécurité routière et de la mobilité.
Le prédiagnostic a pour objectifs, notamment :
1° de sensibiliser la direction de l'école à la mobilité, à la sécurité routière et à la qualité de vie aux abords de l'école;
2° d'encourager la direction de l'école à établir un plan de déplacements scolaires.
§ 2. Le prédiagnostic contient :
1° le relevé des caractéristiques de l'établissement scolaire, notamment le nombre d'élèves et d'enseignants, les horaires;
2° le descriptif de l'accessibilité de l'école pour les différents modes de déplacement;
3° l'analyse des déplacements des élèves entre leur domicile et l'école et des déplacements scolaires en général;
4° le descriptif des actions réalisées en termes de sécurité routière et de mobilité durable au sein de l'établissement scolaire;
5° l'analyse des améliorations possibles de la sécurité routière et de la mobilité.
Art. 2.3.5. § 1. De scholen maken een prediagnose waarbij de bepalingen van het onderhavige hoofdstuk worden nageleefd.
De prediagnose heeft met name tot doel :
1° de schooldirectie te sensibiliseren voor de mobiliteit, de verkeersveiligheid en de leefkwaliteit in de schoolomgeving;
2° de schooldirectie aan te zetten om een schoolvervoerplan op te maken.
§ 2. De prediagnose bevat :
1° het overzicht van de gegevens van de schoolinstelling, met name het aantal leerlingen en leerkrachten, de lesroosters;
2° de beschrijving van de bereikbaarheid van de school voor de verschillende vervoerswijzen;
3° de analyse van de verplaatsingen van de leerlingen tussen hun woonplaats en de school en van de schoolverplaatsingen in het algemeen;
4° de beschrijving van de ondernomen acties rond verkeersveiligheid en duurzame mobiliteit binnen de schoolinstelling;
5° de analyse van de mogelijke verbeteringen inzake verkeersveiligheid en mobiliteit.
De prediagnose heeft met name tot doel :
1° de schooldirectie te sensibiliseren voor de mobiliteit, de verkeersveiligheid en de leefkwaliteit in de schoolomgeving;
2° de schooldirectie aan te zetten om een schoolvervoerplan op te maken.
§ 2. De prediagnose bevat :
1° het overzicht van de gegevens van de schoolinstelling, met name het aantal leerlingen en leerkrachten, de lesroosters;
2° de beschrijving van de bereikbaarheid van de school voor de verschillende vervoerswijzen;
3° de analyse van de verplaatsingen van de leerlingen tussen hun woonplaats en de school en van de schoolverplaatsingen in het algemeen;
4° de beschrijving van de ondernomen acties rond verkeersveiligheid en duurzame mobiliteit binnen de schoolinstelling;
5° de analyse van de mogelijke verbeteringen inzake verkeersveiligheid en mobiliteit.
Art. 2.3.5. § 1er. Les écoles établissent un prédiagnostic dans le respect des dispositions de la présente section.
Le prédiagnostic a pour objectifs, notamment :
1° de sensibiliser la direction de l'école à la mobilité, à la sécurité routière et à la qualité de vie aux abords de l'école;
2° d'encourager la direction de l'école à établir un plan de déplacements scolaires.
§ 2. Le prédiagnostic contient :
1° le relevé des caractéristiques de l'établissement scolaire, notamment le nombre d'élèves et d'enseignants, les horaires;
2° le descriptif de l'accessibilité de l'école pour les différents modes de déplacement;
3° l'analyse des déplacements des élèves entre leur domicile et l'école et des déplacements scolaires en général;
4° le descriptif des actions réalisées en termes de sécurité routière et de mobilité durable au sein de l'établissement scolaire;
5° l'analyse des améliorations possibles de la sécurité routière et de la mobilité.
Le prédiagnostic a pour objectifs, notamment :
1° de sensibiliser la direction de l'école à la mobilité, à la sécurité routière et à la qualité de vie aux abords de l'école;
2° d'encourager la direction de l'école à établir un plan de déplacements scolaires.
§ 2. Le prédiagnostic contient :
1° le relevé des caractéristiques de l'établissement scolaire, notamment le nombre d'élèves et d'enseignants, les horaires;
2° le descriptif de l'accessibilité de l'école pour les différents modes de déplacement;
3° l'analyse des déplacements des élèves entre leur domicile et l'école et des déplacements scolaires en général;
4° le descriptif des actions réalisées en termes de sécurité routière et de mobilité durable au sein de l'établissement scolaire;
5° l'analyse des améliorations possibles de la sécurité routière et de la mobilité.
Art. 2.3.6. De schooldirectie stelt de prediagnose op aan de hand van een formulier dat zij invult.
Het Bestuur voorziet in een administratieve begeleiding voor alle scholen en een informatiepunt waar alle schooldirecties terecht kunnen om relevante informatie te vinden. Dit informatiepunt zal opgestart worden op 1 september van het schooljaar bepaald door de Regering.
De schooldirectie stuurt dit formulier naar het Bestuur uiterlijk op 31 december van het jaar bepaald door de Regering.
Het Bestuur voorziet in een administratieve begeleiding voor alle scholen en een informatiepunt waar alle schooldirecties terecht kunnen om relevante informatie te vinden. Dit informatiepunt zal opgestart worden op 1 september van het schooljaar bepaald door de Regering.
De schooldirectie stuurt dit formulier naar het Bestuur uiterlijk op 31 december van het jaar bepaald door de Regering.
Art. 2.3.6. La direction de l'école établit le prédiagnostic au moyen d'un formulaire qu'elle remplit.
L'Administration prévoit un encadrement administratif pour toutes les écoles ainsi qu'un point d'information auquel toutes les directions d'école pourront s'adresser pour trouver des informations pertinentes. Ce point d'information démarrera le 1er septembre de l'année scolaire fixée par le Gouvernement.
La direction de l'école envoie ce formulaire à l'Administration, au plus tard le 31 décembre de l'année déterminée par le Gouvernement.
L'Administration prévoit un encadrement administratif pour toutes les écoles ainsi qu'un point d'information auquel toutes les directions d'école pourront s'adresser pour trouver des informations pertinentes. Ce point d'information démarrera le 1er septembre de l'année scolaire fixée par le Gouvernement.
La direction de l'école envoie ce formulaire à l'Administration, au plus tard le 31 décembre de l'année déterminée par le Gouvernement.
Art. 2.3.8. § 1. De school die overeenkomstig artikel 2.3.6 een prediagnose heeft opgesteld en verzonden naar het Bestuur kan, indien zij dit wenst, een schoolvervoerplan opstellen waarbij de bepalingen van het onderhavige hoofdstuk worden nageleefd.
§ 2. Meerdere scholen die op een zelfde site gevestigd zijn, kunnen een gemeenschappelijk schoolvervoerplan opstellen.
§ 2. Meerdere scholen die op een zelfde site gevestigd zijn, kunnen een gemeenschappelijk schoolvervoerplan opstellen.
Art. 2.3.8. § 1er. L'école qui a établi et envoyé à l'Administration un prédiagnostic conformément à l'article 2.3.6, peut, si elle le désire, établir un plan de déplacements scolaires dans le respect des dispositions du présent chapitre.
§ 2. Plusieurs écoles situées sur un même site peuvent établir un plan de déplacements scolaires commun.
§ 2. Plusieurs écoles situées sur un même site peuvent établir un plan de déplacements scolaires commun.
Art. 2.3.9. Het schoolvervoerplan heeft met name tot doel :
1° het schoolpubliek te sensibiliseren voor veiligheid en duurzame mobiliteit;
2° de verkeersveiligheid en de leefkwaliteit op de weg naar school en in de schoolomgeving te verbeteren;
3° de verplaatsingsgewoontes van het schoolpubliek te veranderen met het oog op een rationeel gebruik van de auto en een vermindering van het aantal auto's in de omgeving van de school door andere vervoerswijzen te promoten.
1° het schoolpubliek te sensibiliseren voor veiligheid en duurzame mobiliteit;
2° de verkeersveiligheid en de leefkwaliteit op de weg naar school en in de schoolomgeving te verbeteren;
3° de verplaatsingsgewoontes van het schoolpubliek te veranderen met het oog op een rationeel gebruik van de auto en een vermindering van het aantal auto's in de omgeving van de school door andere vervoerswijzen te promoten.
Art. 2.3.9. Le plan de déplacements scolaires a pour objectifs, notamment :
1° de sensibiliser le public scolaire à la sécurité et à la mobilité durable;
2° d'améliorer la sécurité routière et la qualité de vie sur le chemin de l'école et aux abords de l'école;
3° de changer les habitudes de déplacement du public scolaire, en vue de rationaliser l'usage de la voiture individuelle et de diminuer le nombre de voitures à proximité de l'école en favorisant d'autres modes de déplacement.
1° de sensibiliser le public scolaire à la sécurité et à la mobilité durable;
2° d'améliorer la sécurité routière et la qualité de vie sur le chemin de l'école et aux abords de l'école;
3° de changer les habitudes de déplacement du public scolaire, en vue de rationaliser l'usage de la voiture individuelle et de diminuer le nombre de voitures à proximité de l'école en favorisant d'autres modes de déplacement.
Art. 2.3.9. Het schoolvervoerplan heeft met name tot doel :
1° het schoolpubliek te sensibiliseren voor veiligheid en duurzame mobiliteit;
2° de verkeersveiligheid en de leefkwaliteit op de weg naar school en in de schoolomgeving te verbeteren;
3° de verplaatsingsgewoontes van het schoolpubliek te veranderen met het oog op een rationeel gebruik van de auto en een vermindering van het aantal auto's in de omgeving van de school door andere vervoerswijzen te promoten.
1° het schoolpubliek te sensibiliseren voor veiligheid en duurzame mobiliteit;
2° de verkeersveiligheid en de leefkwaliteit op de weg naar school en in de schoolomgeving te verbeteren;
3° de verplaatsingsgewoontes van het schoolpubliek te veranderen met het oog op een rationeel gebruik van de auto en een vermindering van het aantal auto's in de omgeving van de school door andere vervoerswijzen te promoten.
Art. 2.3.9. Le plan de déplacements scolaires a pour objectifs, notamment :
1° de sensibiliser le public scolaire à la sécurité et à la mobilité durable;
2° d'améliorer la sécurité routière et la qualité de vie sur le chemin de l'école et aux abords de l'école;
3° de changer les habitudes de déplacement du public scolaire, en vue de rationaliser l'usage de la voiture individuelle et de diminuer le nombre de voitures à proximité de l'école en favorisant d'autres modes de déplacement.
1° de sensibiliser le public scolaire à la sécurité et à la mobilité durable;
2° d'améliorer la sécurité routière et la qualité de vie sur le chemin de l'école et aux abords de l'école;
3° de changer les habitudes de déplacement du public scolaire, en vue de rationaliser l'usage de la voiture individuelle et de diminuer le nombre de voitures à proximité de l'école en favorisant d'autres modes de déplacement.
Art. 2.3.11. § 1. De prediagnose, bedoeld in artikel 2.3.6, maakt integraal deel uit van de diagnose.
§ 2. De diagnose bevat :
1° een kaart met aanduiding van de woonplaats van de leerlingen;
2° de beschrijving van de werking en de analyse van de omgeving van de schoolinstelling;
3° het bereikbaarheidsprofiel van de school;
4° de analyse van de vervoerswijzen van het schoolpubliek in al haar verschillende componenten;
5° de beschrijving van het verkeer op de wegen in de omgeving van de schoolinstelling en van de problemen voor de verschillende gebruikers;
6° de analyse van de in de voorafgaande punten bedoelde inlichtingen.
De Regering kan beslissen om de gevraagde informatie in de diagnose uit te breiden.
§ 2. De diagnose bevat :
1° een kaart met aanduiding van de woonplaats van de leerlingen;
2° de beschrijving van de werking en de analyse van de omgeving van de schoolinstelling;
3° het bereikbaarheidsprofiel van de school;
4° de analyse van de vervoerswijzen van het schoolpubliek in al haar verschillende componenten;
5° de beschrijving van het verkeer op de wegen in de omgeving van de schoolinstelling en van de problemen voor de verschillende gebruikers;
6° de analyse van de in de voorafgaande punten bedoelde inlichtingen.
De Regering kan beslissen om de gevraagde informatie in de diagnose uit te breiden.
Art. 2.3.11. § 1er. Le prédiagnostic, visé à l'article 2.3.6, fait partie intégrante du diagnostic.
§ 2. Le diagnostic contient :
1° une carte de localisation du domicile des élèves;
2° la définition du fonctionnement et l'analyse du contexte de l'établissement scolaire;
3° le profil d'accessibilité de l'école;
4° l'analyse des modes de déplacement du public scolaire dans ses diverses composantes;
5° la description du trafic sur les voiries environnantes de l'établissement scolaire et des difficultés rencontrées par les différents usagers;
6° l'analyse des informations visées aux points précédents.
Le Gouvernement peut décider d'étendre les informations demandées dans le diagnostic.
§ 2. Le diagnostic contient :
1° une carte de localisation du domicile des élèves;
2° la définition du fonctionnement et l'analyse du contexte de l'établissement scolaire;
3° le profil d'accessibilité de l'école;
4° l'analyse des modes de déplacement du public scolaire dans ses diverses composantes;
5° la description du trafic sur les voiries environnantes de l'établissement scolaire et des difficultés rencontrées par les différents usagers;
6° l'analyse des informations visées aux points précédents.
Le Gouvernement peut décider d'étendre les informations demandées dans le diagnostic.
Art. 2.3.11. § 1. De prediagnose, bedoeld in artikel 2.3.6, maakt integraal deel uit van de diagnose.
§ 2. De diagnose bevat :
1° een kaart met aanduiding van de woonplaats van de leerlingen;
2° de beschrijving van de werking en de analyse van de omgeving van de schoolinstelling;
3° het bereikbaarheidsprofiel van de school;
4° de analyse van de vervoerswijzen van het schoolpubliek in al haar verschillende componenten;
5° de beschrijving van het verkeer op de wegen in de omgeving van de schoolinstelling en van de problemen voor de verschillende gebruikers;
6° de analyse van de in de voorafgaande punten bedoelde inlichtingen.
De Regering kan beslissen om de gevraagde informatie in de diagnose uit te breiden.
§ 2. De diagnose bevat :
1° een kaart met aanduiding van de woonplaats van de leerlingen;
2° de beschrijving van de werking en de analyse van de omgeving van de schoolinstelling;
3° het bereikbaarheidsprofiel van de school;
4° de analyse van de vervoerswijzen van het schoolpubliek in al haar verschillende componenten;
5° de beschrijving van het verkeer op de wegen in de omgeving van de schoolinstelling en van de problemen voor de verschillende gebruikers;
6° de analyse van de in de voorafgaande punten bedoelde inlichtingen.
De Regering kan beslissen om de gevraagde informatie in de diagnose uit te breiden.
Art. 2.3.12. § 1er. Dans le respect de l'article 2.3.11, la direction de l'école établit le diagnostic au moyen d'un formulaire qu'elle remplit.
La direction de l'école envoie ce formulaire à l'Administration, dans le délai fixé au calendrier visé à l'article 2.3.10, alinéa 2.
§ 2. Lorsque l'Administration estime que le diagnostic est incomplet, elle demande à la direction de l'école de le compléter.
La direction de l'école envoie à l'Administration le complément de diagnostic.
§ 3. A défaut pour la direction de l'école d'envoyer le diagnostic ou le complément de diagnostic dans le délai prescrit, l'école est réputée ne plus vouloir s'inscrire dans la démarche des plans de déplacements scolaires durant trois ans.
La direction de l'école envoie ce formulaire à l'Administration, dans le délai fixé au calendrier visé à l'article 2.3.10, alinéa 2.
§ 2. Lorsque l'Administration estime que le diagnostic est incomplet, elle demande à la direction de l'école de le compléter.
La direction de l'école envoie à l'Administration le complément de diagnostic.
§ 3. A défaut pour la direction de l'école d'envoyer le diagnostic ou le complément de diagnostic dans le délai prescrit, l'école est réputée ne plus vouloir s'inscrire dans la démarche des plans de déplacements scolaires durant trois ans.
Art. 2.3.13. De schooldirectie maakt een actieplan op uitgaand van de diagnose.
Dat plan bepaalt de volgende acties :
1° informatie en communicatie over de doelstellingen en de acties van het plan ten behoeve van het schoolpubliek, de buurtbewoners, de gemeente en de politiezone;
2° opvoeding en sensibilisering van het schoolpubliek inzake verkeersveiligheid, duurzame mobiliteit en een beter leefkader in de schoolomgeving;
3° organisatie van de verplaatsingen van het schoolpubliek met het oog op een rationeel gebruik van de auto;
4° voorstellen tot verbetering van de inrichtingen en uitrustingen van de weg en van het openbaar vervoer in de schoolomgeving;
5° de specifieke en operationele acties om een vervuilingspiek aan te pakken en de toepassing van de dringende maatregelen te garanderen om luchtvervuilingspieken te voorkomen.
Dat plan bepaalt de volgende acties :
1° informatie en communicatie over de doelstellingen en de acties van het plan ten behoeve van het schoolpubliek, de buurtbewoners, de gemeente en de politiezone;
2° opvoeding en sensibilisering van het schoolpubliek inzake verkeersveiligheid, duurzame mobiliteit en een beter leefkader in de schoolomgeving;
3° organisatie van de verplaatsingen van het schoolpubliek met het oog op een rationeel gebruik van de auto;
4° voorstellen tot verbetering van de inrichtingen en uitrustingen van de weg en van het openbaar vervoer in de schoolomgeving;
5° de specifieke en operationele acties om een vervuilingspiek aan te pakken en de toepassing van de dringende maatregelen te garanderen om luchtvervuilingspieken te voorkomen.
Art. 2.3.13. La direction de l'école établit, sur la base du diagnostic, un plan d'actions.
Ce plan définit des actions :
1° d'information et de communication, à propos des objectifs et des actions du plan, auprès du public scolaire, des riverains, de la commune et de la zone de police;
2° d'éducation et de sensibilisation du public scolaire à la sécurité routière, à la mobilité durable et à l'amélioration du cadre de vie aux abords de l'école;
3° d'organisation des déplacements du public scolaire pour rationaliser l'usage de la voiture individuelle;
4° de propositions d'amélioration des aménagements et des équipements de voirie ou de transport public, aux abords de l'école;
5° spécifiques et opérationnelles pour faire face à une situation de pic de pollution et garantissant l'application des mesures d'urgence en vue de prévenir les pics de pollution atmosphérique.
Ce plan définit des actions :
1° d'information et de communication, à propos des objectifs et des actions du plan, auprès du public scolaire, des riverains, de la commune et de la zone de police;
2° d'éducation et de sensibilisation du public scolaire à la sécurité routière, à la mobilité durable et à l'amélioration du cadre de vie aux abords de l'école;
3° d'organisation des déplacements du public scolaire pour rationaliser l'usage de la voiture individuelle;
4° de propositions d'amélioration des aménagements et des équipements de voirie ou de transport public, aux abords de l'école;
5° spécifiques et opérationnelles pour faire face à une situation de pic de pollution et garantissant l'application des mesures d'urgence en vue de prévenir les pics de pollution atmosphérique.
Art. 2.3.14. § 1. De schooldirectie stelt op basis van de diagnose, het actieplan op aan de hand van een formulier dat zij invult.
Ze stuurt dit formulier naar het Bestuur binnen de termijn bepaald in het in artikel 2.3.10, tweede lid bedoelde tijdsschema.
§ 2. Indien het Bestuur oordeelt dat het actieplan onvolledig is, dan vraagt het aan de schooldirectie om het aan te vullen.
De schooldirectie stuurt de aanvulling op het actieplan naar het Bestuur.
§ 3. Indien de schooldirectie het oorspronkelijke of aangevulde actieplan niet binnen de voorgeschreven termijn opstuurt, dan wordt beschouwd dat de school zich gedurende drie jaar niet meer wil aansluiten bij de schoolvervoerplannen.
§ 4. Samen met het actieplan kan de schooldirectie een aanvraag voor een principeakkoord voor de toekenning van de in artikel 2.3.47 bedoelde steun indienen.
Ze stuurt dit formulier naar het Bestuur binnen de termijn bepaald in het in artikel 2.3.10, tweede lid bedoelde tijdsschema.
§ 2. Indien het Bestuur oordeelt dat het actieplan onvolledig is, dan vraagt het aan de schooldirectie om het aan te vullen.
De schooldirectie stuurt de aanvulling op het actieplan naar het Bestuur.
§ 3. Indien de schooldirectie het oorspronkelijke of aangevulde actieplan niet binnen de voorgeschreven termijn opstuurt, dan wordt beschouwd dat de school zich gedurende drie jaar niet meer wil aansluiten bij de schoolvervoerplannen.
§ 4. Samen met het actieplan kan de schooldirectie een aanvraag voor een principeakkoord voor de toekenning van de in artikel 2.3.47 bedoelde steun indienen.
Art. 2.3.13. La direction de l'école établit, sur la base du diagnostic, un plan d'actions.
Ce plan définit des actions :
1° d'information et de communication, à propos des objectifs et des actions du plan, auprès du public scolaire, des riverains, de la commune et de la zone de police;
2° d'éducation et de sensibilisation du public scolaire à la sécurité routière, à la mobilité durable et à l'amélioration du cadre de vie aux abords de l'école;
3° d'organisation des déplacements du public scolaire pour rationaliser l'usage de la voiture individuelle;
4° de propositions d'amélioration des aménagements et des équipements de voirie ou de transport public, aux abords de l'école;
5° spécifiques et opérationnelles pour faire face à une situation de pic de pollution et garantissant l'application des mesures d'urgence en vue de prévenir les pics de pollution atmosphérique.
Ce plan définit des actions :
1° d'information et de communication, à propos des objectifs et des actions du plan, auprès du public scolaire, des riverains, de la commune et de la zone de police;
2° d'éducation et de sensibilisation du public scolaire à la sécurité routière, à la mobilité durable et à l'amélioration du cadre de vie aux abords de l'école;
3° d'organisation des déplacements du public scolaire pour rationaliser l'usage de la voiture individuelle;
4° de propositions d'amélioration des aménagements et des équipements de voirie ou de transport public, aux abords de l'école;
5° spécifiques et opérationnelles pour faire face à une situation de pic de pollution et garantissant l'application des mesures d'urgence en vue de prévenir les pics de pollution atmosphérique.
Art. 2.3.14. § 1. De schooldirectie stelt op basis van de diagnose, het actieplan op aan de hand van een formulier dat zij invult.
Ze stuurt dit formulier naar het Bestuur binnen de termijn bepaald in het in artikel 2.3.10, tweede lid bedoelde tijdsschema.
§ 2. Indien het Bestuur oordeelt dat het actieplan onvolledig is, dan vraagt het aan de schooldirectie om het aan te vullen.
De schooldirectie stuurt de aanvulling op het actieplan naar het Bestuur.
§ 3. Indien de schooldirectie het oorspronkelijke of aangevulde actieplan niet binnen de voorgeschreven termijn opstuurt, dan wordt beschouwd dat de school zich gedurende drie jaar niet meer wil aansluiten bij de schoolvervoerplannen.
§ 4. Samen met het actieplan kan de schooldirectie een aanvraag voor een principeakkoord voor de toekenning van de in artikel 2.3.47 bedoelde steun indienen.
Ze stuurt dit formulier naar het Bestuur binnen de termijn bepaald in het in artikel 2.3.10, tweede lid bedoelde tijdsschema.
§ 2. Indien het Bestuur oordeelt dat het actieplan onvolledig is, dan vraagt het aan de schooldirectie om het aan te vullen.
De schooldirectie stuurt de aanvulling op het actieplan naar het Bestuur.
§ 3. Indien de schooldirectie het oorspronkelijke of aangevulde actieplan niet binnen de voorgeschreven termijn opstuurt, dan wordt beschouwd dat de school zich gedurende drie jaar niet meer wil aansluiten bij de schoolvervoerplannen.
§ 4. Samen met het actieplan kan de schooldirectie een aanvraag voor een principeakkoord voor de toekenning van de in artikel 2.3.47 bedoelde steun indienen.
Art. 2.3.14. § 1er. La direction de l'école établit le plan d'actions au moyen d'un formulaire qu'elle remplit.
Elle envoie ce formulaire à l'Administration, dans le délai fixé au calendrier visé à l'article 2.3.10, alinéa 2.
§ 2. Lorsque l'Administration estime que le plan d'actions est incomplet, elle demande à la direction de l'école de le compléter.
La direction de l'école envoie à l'Administration le complément de plan d'actions.
§ 3. A défaut pour la direction de l'école d'envoyer le plan d'actions initial ou complété dans le délai prescrit, l'école est réputée ne plus vouloir s'inscrire dans la démarche des plans de déplacements scolaires durant trois ans.
§ 4. La direction de l'école peut, simultanément à l'envoi du plan d'actions, introduire une demande d'accord de principe d'octroi de l'aide visée à l'article 2.3.47.
Elle envoie ce formulaire à l'Administration, dans le délai fixé au calendrier visé à l'article 2.3.10, alinéa 2.
§ 2. Lorsque l'Administration estime que le plan d'actions est incomplet, elle demande à la direction de l'école de le compléter.
La direction de l'école envoie à l'Administration le complément de plan d'actions.
§ 3. A défaut pour la direction de l'école d'envoyer le plan d'actions initial ou complété dans le délai prescrit, l'école est réputée ne plus vouloir s'inscrire dans la démarche des plans de déplacements scolaires durant trois ans.
§ 4. La direction de l'école peut, simultanément à l'envoi du plan d'actions, introduire une demande d'accord de principe d'octroi de l'aide visée à l'article 2.3.47.
Art. 2.3.15. § 1. De schooldirectie implementeert de acties van het plan binnen de termijn bepaald in het in artikel 2.3.10, tweede lid bedoelde tijdsschema.
§ 2. Het Bestuur stelt de betrokken wegbeheerder en maatschappij van openbaar vervoer voor om de voorstellen bedoeld in artikel 2.3.13, tweede lid, 4° te onderzoeken.
§ 3. Het Bestuur deelt aan de schooldirectie de beslissing mee van de Regering met betrekking tot de toekenning of weigering van de steun met toepassing van artikel 2.3.48.
§ 2. Het Bestuur stelt de betrokken wegbeheerder en maatschappij van openbaar vervoer voor om de voorstellen bedoeld in artikel 2.3.13, tweede lid, 4° te onderzoeken.
§ 3. Het Bestuur deelt aan de schooldirectie de beslissing mee van de Regering met betrekking tot de toekenning of weigering van de steun met toepassing van artikel 2.3.48.
Art. 2.3.15. § 1er. La direction de l'école met en oeuvre les actions du plan, dans le délai fixé au calendrier visé à l'article 2.3.10, alinéa 2.
§ 2. L'Administration invite le gestionnaire de voirie et la société de transport en commun concernés, à examiner les propositions visées à l'article 2.3.13, alinéa 2, 4°.
§ 3. L'Administration notifie à la direction de l'école la décision du Gouvernement d'octroi ou de refus de l'aide en application de l'article 2.3.48.
§ 2. L'Administration invite le gestionnaire de voirie et la société de transport en commun concernés, à examiner les propositions visées à l'article 2.3.13, alinéa 2, 4°.
§ 3. L'Administration notifie à la direction de l'école la décision du Gouvernement d'octroi ou de refus de l'aide en application de l'article 2.3.48.
Art. 2.3.17. § 1. Op basis van de in artikel 2.3.16 bedoelde beoordeling, actualiseert de schooldirectie het actieplan volgens de termijn die vastgelegd is in het tijdsschema bedoeld in artikel 2.3.10, tweede lid.
De schooldirectie stuurt het geactualiseerde plan naar het Bestuur.
Indien de schooldirectie het geactualiseerde plan niet binnen de voorschreven termijn opstuurt, dan wordt beschouwd dat de school zich gedurende drie jaar niet meer wil aansluiten bij de schoolvervoerplannen.
§ 2. Samen met het geactualiseerde actieplan kan de schooldirectie een aanvraag voor een principeakkoord voor de toekenning van de in artikel 2.3.46 bedoelde steun indienen.
Het Bestuur deelt aan de schooldirectie de beslissing van de Regering mee met betrekking tot de toekenning of weigering van de steun met toepassing van artikel 2.3.48.
De schooldirectie stuurt het geactualiseerde plan naar het Bestuur.
Indien de schooldirectie het geactualiseerde plan niet binnen de voorschreven termijn opstuurt, dan wordt beschouwd dat de school zich gedurende drie jaar niet meer wil aansluiten bij de schoolvervoerplannen.
§ 2. Samen met het geactualiseerde actieplan kan de schooldirectie een aanvraag voor een principeakkoord voor de toekenning van de in artikel 2.3.46 bedoelde steun indienen.
Het Bestuur deelt aan de schooldirectie de beslissing van de Regering mee met betrekking tot de toekenning of weigering van de steun met toepassing van artikel 2.3.48.
Art. 2.3.17. § 1er. Sur la base de l'évaluation visée à l'article 2.3.16, la direction de l'école actualise le plan d'actions selon le délai fixé au calendrier visé à l'article 2.3.10, alinéa 2.
La direction de l'école envoie à l'Administration le plan actualisé.
Si la direction de l'école n'envoie pas le plan actualisé dans le délai prescrit, l'école est réputée ne plus vouloir s'inscrire dans la démarche des plans de déplacements scolaires durant trois ans.
§ 2. La direction de l'école peut, simultanément à l'envoi du plan d'actions actualisé, introduire une demande d'accord de principe d'octroi de l'aide visée à l'article 2.3.46.
L'Administration notifie à la direction de l'école la décision du Gouvernement d'octroi ou de refus de l'aide en application de l'article 2.3.48.
La direction de l'école envoie à l'Administration le plan actualisé.
Si la direction de l'école n'envoie pas le plan actualisé dans le délai prescrit, l'école est réputée ne plus vouloir s'inscrire dans la démarche des plans de déplacements scolaires durant trois ans.
§ 2. La direction de l'école peut, simultanément à l'envoi du plan d'actions actualisé, introduire une demande d'accord de principe d'octroi de l'aide visée à l'article 2.3.46.
L'Administration notifie à la direction de l'école la décision du Gouvernement d'octroi ou de refus de l'aide en application de l'article 2.3.48.
Art. 2.3.17. § 1. Op basis van de in artikel 2.3.16 bedoelde beoordeling, actualiseert de schooldirectie het actieplan volgens de termijn die vastgelegd is in het tijdsschema bedoeld in artikel 2.3.10, tweede lid.
De schooldirectie stuurt het geactualiseerde plan naar het Bestuur.
Indien de schooldirectie het geactualiseerde plan niet binnen de voorschreven termijn opstuurt, dan wordt beschouwd dat de school zich gedurende drie jaar niet meer wil aansluiten bij de schoolvervoerplannen.
§ 2. Samen met het geactualiseerde actieplan kan de schooldirectie een aanvraag voor een principeakkoord voor de toekenning van de in artikel 2.3.46 bedoelde steun indienen.
Het Bestuur deelt aan de schooldirectie de beslissing van de Regering mee met betrekking tot de toekenning of weigering van de steun met toepassing van artikel 2.3.48.
De schooldirectie stuurt het geactualiseerde plan naar het Bestuur.
Indien de schooldirectie het geactualiseerde plan niet binnen de voorschreven termijn opstuurt, dan wordt beschouwd dat de school zich gedurende drie jaar niet meer wil aansluiten bij de schoolvervoerplannen.
§ 2. Samen met het geactualiseerde actieplan kan de schooldirectie een aanvraag voor een principeakkoord voor de toekenning van de in artikel 2.3.46 bedoelde steun indienen.
Het Bestuur deelt aan de schooldirectie de beslissing van de Regering mee met betrekking tot de toekenning of weigering van de steun met toepassing van artikel 2.3.48.
Art. 2.3.17. § 1er. Sur la base de l'évaluation visée à l'article 2.3.16, la direction de l'école actualise le plan d'actions selon le délai fixé au calendrier visé à l'article 2.3.10, alinéa 2.
La direction de l'école envoie à l'Administration le plan actualisé.
Si la direction de l'école n'envoie pas le plan actualisé dans le délai prescrit, l'école est réputée ne plus vouloir s'inscrire dans la démarche des plans de déplacements scolaires durant trois ans.
§ 2. La direction de l'école peut, simultanément à l'envoi du plan d'actions actualisé, introduire une demande d'accord de principe d'octroi de l'aide visée à l'article 2.3.46.
L'Administration notifie à la direction de l'école la décision du Gouvernement d'octroi ou de refus de l'aide en application de l'article 2.3.48.
La direction de l'école envoie à l'Administration le plan actualisé.
Si la direction de l'école n'envoie pas le plan actualisé dans le délai prescrit, l'école est réputée ne plus vouloir s'inscrire dans la démarche des plans de déplacements scolaires durant trois ans.
§ 2. La direction de l'école peut, simultanément à l'envoi du plan d'actions actualisé, introduire une demande d'accord de principe d'octroi de l'aide visée à l'article 2.3.46.
L'Administration notifie à la direction de l'école la décision du Gouvernement d'octroi ou de refus de l'aide en application de l'article 2.3.48.
Art. 2.3.18. Na afloop van een periode vastgelegd door de Regering en bepaald in het in artikel 2.3.10, tweede lid bedoelde tijdsschema, vervalt het schoolvervoerplan ambtshalve en van rechtswege.
De school kan, indien zij dit wenst, een nieuw schoolvervoerplan opstellen. In dit geval, zijn de artikelen 2.3.8 tot 2.3.17 van toepassing.
De school kan, indien zij dit wenst, een nieuw schoolvervoerplan opstellen. In dit geval, zijn de artikelen 2.3.8 tot 2.3.17 van toepassing.
Art. 2.3.18. A l'issue d'une période déterminée par le Gouvernement et fixée dans le calendrier visé à l'article 2.3.10, alinéa 2, le plan de déplacements scolaires est périmé d'office et de plein droit.
L'école peut, si elle le désire, établir un nouveau plan de déplacements scolaires, auquel cas les articles 2.3.8 à 2.3.17 sont d'application.
L'école peut, si elle le désire, établir un nouveau plan de déplacements scolaires, auquel cas les articles 2.3.8 à 2.3.17 sont d'application.
Art. 2.3.20. Het Bestuur stuurt, per aangetekend schrijven, een verwittiging naar de school en bepaalt een termijn zodat deze een eind kan stellen aan het vastgestelde in gebreke blijven.
Indien de school binnen de voorgeschreven termijn geen gevolg geeft aan de in het eerste lid bedoelde verwittiging, dan kan zij geen beroep doen op steun in toepassing van artikel 2.3.46.
Indien de school binnen de voorgeschreven termijn geen gevolg geeft aan de in het eerste lid bedoelde verwittiging, dan kan zij geen beroep doen op steun in toepassing van artikel 2.3.46.
Art. 2.3.20. L'Administration adresse, par lettre recommandée, un avertissement à l'école et fixe un délai destiné à lui permettre de mettre fin à la défaillance constatée.
A défaut de se conformer, dans le délai prescrit, à l'avertissement visé à l'alinéa 1er, elle ne pourra solliciter l'aide en application de l'article 2.3.46.
A défaut de se conformer, dans le délai prescrit, à l'avertissement visé à l'alinéa 1er, elle ne pourra solliciter l'aide en application de l'article 2.3.46.
Art. 2.3.20. Het Bestuur stuurt, per aangetekend schrijven, een verwittiging naar de school en bepaalt een termijn zodat deze een eind kan stellen aan het vastgestelde in gebreke blijven.
Indien de school binnen de voorgeschreven termijn geen gevolg geeft aan de in het eerste lid bedoelde verwittiging, dan kan zij geen beroep doen op steun in toepassing van artikel 2.3.46.
Indien de school binnen de voorgeschreven termijn geen gevolg geeft aan de in het eerste lid bedoelde verwittiging, dan kan zij geen beroep doen op steun in toepassing van artikel 2.3.46.
Art. 2.3.20. L'Administration adresse, par lettre recommandée, un avertissement à l'école et fixe un délai destiné à lui permettre de mettre fin à la défaillance constatée.
A défaut de se conformer, dans le délai prescrit, à l'avertissement visé à l'alinéa 1er, elle ne pourra solliciter l'aide en application de l'article 2.3.46.
A défaut de se conformer, dans le délai prescrit, à l'avertissement visé à l'alinéa 1er, elle ne pourra solliciter l'aide en application de l'article 2.3.46.
Art. 2.3.21. Het bedrijfsvervoerplan heeft tot doel een langetermijnstrategie te creëren binnen de bedrijven door een reeks concrete maatregelen geleidelijk in te voeren om een juist evenwicht te garanderen tussen het algemene mobiliteitsbelang, de kwaliteit van het leefmilieu waaronder de luchtkwaliteit en de sociaal-economische belangen van de bedrijven. Het bedrijf zal doelstellingen bepalen voor een verdeling van de vervoerswijzen.
Het plan wil de verplaatsingsgewoontes van de werknemers en de bezoekers van het bedrijf veranderen ten gunste van vervoerswijzen die aansluiten bij een duurzaam mobiliteitsbeheer en die milieuvriendelijk zijn.
Het plan wil de verplaatsingsgewoontes van de werknemers en de bezoekers van het bedrijf veranderen ten gunste van vervoerswijzen die aansluiten bij een duurzaam mobiliteitsbeheer en die milieuvriendelijk zijn.
Art. 2.3.21. Le plan de déplacements d'entreprise a pour objectif de créer une stratégie à long terme au sein des entreprises, en instaurant graduellement une série de mesures concrètes en vue d'assurer un juste équilibre entre l'intérêt général de la mobilité, la qualité de l'environnement dont la qualité de l'air et les intérêts socio-économiques des entreprises. L'entreprise se fixera des objectifs de répartition modale.
Il vise à changer les habitudes de déplacement des travailleurs et des visiteurs de l'entreprise au profit des modes de déplacement s'intégrant dans une gestion durable de la mobilité et plus respectueux de l'environnement.
Il vise à changer les habitudes de déplacement des travailleurs et des visiteurs de l'entreprise au profit des modes de déplacement s'intégrant dans une gestion durable de la mobilité et plus respectueux de l'environnement.
Art. 2.3.22. § 1. Deze afdeling is van toepassing op het bedrijf dat meer dan honderd werknemers op een zelfde site tewerkstelt.
§ 2. Het gemiddeld aantal tewerkgestelde werknemers waarmee rekening moet worden gehouden voor de toepassing van deze afdeling wordt op dezelfde wijze berekend als die welke wordt gebruikt voor het verzamelen van de gegevens betreffende het woon-werkverkeer van de werknemers door de federale overheid.
§ 3. Indien op eenzelfde site meerdere bedrijven gevestigd zijn die elk meer dan honderd werknemers tewerkstellen, dan kunnen zij een gemeenschappelijk vervoerplan opstellen.
§ 4. Indien in eenzelfde gebouw meerdere bedrijven gevestigd zijn die elk minder dan honderd werknemers, maar samen meer dan honderd werknemers tewerkstellen, dan kunnen zij een gemeenschappelijk vervoerplan opstellen.
[1 § 5. De scholen die naar behoren hebben voldaan aan de verplichtingen van het schoolvervoerplan in de betekenis van de artikelen 2.3.4 tot 2.3.20, zijn vrijgesteld van de verplichting om een bedrijfsvervoerplan op te stellen.]1
§ 2. Het gemiddeld aantal tewerkgestelde werknemers waarmee rekening moet worden gehouden voor de toepassing van deze afdeling wordt op dezelfde wijze berekend als die welke wordt gebruikt voor het verzamelen van de gegevens betreffende het woon-werkverkeer van de werknemers door de federale overheid.
§ 3. Indien op eenzelfde site meerdere bedrijven gevestigd zijn die elk meer dan honderd werknemers tewerkstellen, dan kunnen zij een gemeenschappelijk vervoerplan opstellen.
§ 4. Indien in eenzelfde gebouw meerdere bedrijven gevestigd zijn die elk minder dan honderd werknemers, maar samen meer dan honderd werknemers tewerkstellen, dan kunnen zij een gemeenschappelijk vervoerplan opstellen.
[1 § 5. De scholen die naar behoren hebben voldaan aan de verplichtingen van het schoolvervoerplan in de betekenis van de artikelen 2.3.4 tot 2.3.20, zijn vrijgesteld van de verplichting om een bedrijfsvervoerplan op te stellen.]1
Art. 2.3.22. § 1er. La présente section est applicable à l'entreprise occupant plus de cent travailleurs sur un même site.
§ 2. La moyenne des travailleurs occupés, à prendre en compte pour l'application de la présente section, est calculée de la même manière que celle adoptée pour la collecte, par l'autorité fédérale, de données concernant les déplacements des travailleurs entre leur domicile et leur lieu de travail.
§ 3. Si plusieurs entreprises, occupant chacune plus de cent travailleurs, sont établies sur un même site, elles peuvent établir un plan de déplacements commun.
§ 4. Si plusieurs entreprises occupent chacune moins de cent travailleurs mais ensemble plus de cent travailleurs dans un même bâtiment, elles peuvent établir un plan de déplacements commun.
[1 § 5. Les écoles ayant dûment satisfait aux obligations du plan de déplacements scolaires au sens des articles 2.3.4 à 2.3.20 sont dispensées de l'obligation de réaliser un plan de déplacements d'entreprise.]1
§ 2. La moyenne des travailleurs occupés, à prendre en compte pour l'application de la présente section, est calculée de la même manière que celle adoptée pour la collecte, par l'autorité fédérale, de données concernant les déplacements des travailleurs entre leur domicile et leur lieu de travail.
§ 3. Si plusieurs entreprises, occupant chacune plus de cent travailleurs, sont établies sur un même site, elles peuvent établir un plan de déplacements commun.
§ 4. Si plusieurs entreprises occupent chacune moins de cent travailleurs mais ensemble plus de cent travailleurs dans un même bâtiment, elles peuvent établir un plan de déplacements commun.
[1 § 5. Les écoles ayant dûment satisfait aux obligations du plan de déplacements scolaires au sens des articles 2.3.4 à 2.3.20 sont dispensées de l'obligation de réaliser un plan de déplacements d'entreprise.]1
Wijzigingen
Art. 2.3.23. § 1. Het bedrijf maakt een diagnose die het volgende omvat :
1° de inventaris en de analyse van de verplaatsingen van de werknemers, zowel hun woon-werkverplaatsingen als hun beroepsverplaatsingen en van de goederen die door de werking van het bedrijf gegenereerd worden, alsook een schatting van het aantal bezoekers;
2° het aantal bezoldigde werknemers die onder het gezag staan van een andere persoon dan het bedrijf of van zelfstandigen die werken uitvoeren voor en diensten of goederen leveren aan het bedrijf, voor zover zij meer dan tien dagen per maand op de site aanwezig zijn;
3° de gegevens met aanduiding van de gemeente waar de werknemers bedoeld in punt 1° wonen, alsook hun vervoermiddel;
4° de werkroosters van de in punt 1° bedoelde werknemers;
5° de analyse van het wagenpark van het bedrijf : dienstwagens, bedrijfswagens, bestelwagens, vrachtwagens en al dan niet gemotoriseerde tweewielers;
6° de analyse van het parkeeraanbod in en in de omgeving van het bedrijf;
7° de analyse van de bereikbaarheid van het bedrijf met het openbaar vervoer, te voet, per fiets en met de wagen;
8° de beschrijving van de reeds door het bedrijf ondernomen acties om de mobiliteit en de bereikbaarheid van het bedrijf te verbeteren;
9° de lijst van bedrijven op eenzelfde of nabijgelegen site, waarmee een gemeenschappelijk vervoerplan of gemeenschappelijke acties voordelen zouden kunnen opleveren;
10° de analyse van de in de voorgaande punten bedoelde inlichtingen.
De Regering kan beslissen om de gevraagde informatie in de diagnose uit te breiden indien dit nodig zou zijn voor de uitvoering van het actieplan.
§ 2. Het bedrijf stelt deze diagnose op aan de hand van een formulier dat het invult en verstuurt naar [1 Leefmilieu Brussel]1.
Wanneer [1 Leefmilieu Brussel]1 oordeelt dat de diagnose onvolledig is, vraagt het aan het bedrijf om ze aan te vullen.
Het bedrijf verstuurt de bijkomende informatie naar [1 Leefmilieu Brussel]1 binnen een door de Regering vastgelegde termijn.
De volledige diagnose wordt dan door [1 Leefmilieu Brussel]1 bezorgd aan het Bestuur.
1° de inventaris en de analyse van de verplaatsingen van de werknemers, zowel hun woon-werkverplaatsingen als hun beroepsverplaatsingen en van de goederen die door de werking van het bedrijf gegenereerd worden, alsook een schatting van het aantal bezoekers;
2° het aantal bezoldigde werknemers die onder het gezag staan van een andere persoon dan het bedrijf of van zelfstandigen die werken uitvoeren voor en diensten of goederen leveren aan het bedrijf, voor zover zij meer dan tien dagen per maand op de site aanwezig zijn;
3° de gegevens met aanduiding van de gemeente waar de werknemers bedoeld in punt 1° wonen, alsook hun vervoermiddel;
4° de werkroosters van de in punt 1° bedoelde werknemers;
5° de analyse van het wagenpark van het bedrijf : dienstwagens, bedrijfswagens, bestelwagens, vrachtwagens en al dan niet gemotoriseerde tweewielers;
6° de analyse van het parkeeraanbod in en in de omgeving van het bedrijf;
7° de analyse van de bereikbaarheid van het bedrijf met het openbaar vervoer, te voet, per fiets en met de wagen;
8° de beschrijving van de reeds door het bedrijf ondernomen acties om de mobiliteit en de bereikbaarheid van het bedrijf te verbeteren;
9° de lijst van bedrijven op eenzelfde of nabijgelegen site, waarmee een gemeenschappelijk vervoerplan of gemeenschappelijke acties voordelen zouden kunnen opleveren;
10° de analyse van de in de voorgaande punten bedoelde inlichtingen.
De Regering kan beslissen om de gevraagde informatie in de diagnose uit te breiden indien dit nodig zou zijn voor de uitvoering van het actieplan.
§ 2. Het bedrijf stelt deze diagnose op aan de hand van een formulier dat het invult en verstuurt naar [1 Leefmilieu Brussel]1.
Wanneer [1 Leefmilieu Brussel]1 oordeelt dat de diagnose onvolledig is, vraagt het aan het bedrijf om ze aan te vullen.
Het bedrijf verstuurt de bijkomende informatie naar [1 Leefmilieu Brussel]1 binnen een door de Regering vastgelegde termijn.
De volledige diagnose wordt dan door [1 Leefmilieu Brussel]1 bezorgd aan het Bestuur.
Art. 2.3.23. § 1er. L'entreprise établit un diagnostic qui contient :
1° l'inventaire et l'analyse des déplacements des travailleurs, tant dans leurs déplacements domicile-travail que professionnels, et des biens générés par le fonctionnement de l'entreprise ainsi qu'une estimation du nombre de visiteurs;
2° le nombre de travailleurs salariés placés sous l'autorité d'une autre personne que l'entreprise ou de travailleurs indépendants, exécutant des travaux, prestant des services ou fournissant des biens à l'entreprise, pour autant que ceux-ci soient présents sur le site plus de dix jours par mois;
3° l'établissement des données de localisation de la commune d'origine des travailleurs visés au 1°, liées à leur mode de déplacement;
4° les horaires de travail des travailleurs visés au 1° ;
5° l'analyse du parc automobile de l'entreprise : voitures de service, de société, camionnettes, camions et véhicules deux-roues motorisés ou non;
6° l'analyse du stationnement dans et aux abords de l'entreprise;
7° l'analyse de l'accessibilité de l'entreprise en transports en commun, à pied, à vélo et en voiture;
8° la description des actions déjà menées par l'entreprise pour améliorer la mobilité et l'accessibilité de l'entreprise;
9° la liste des entreprises présentes sur le même site ou à proximité, avec lesquelles il serait avantageux d'établir un plan de déplacements commun ou des actions communes;
10° l'analyse des informations visées aux points précédents.
Le Gouvernement peut décider d'étendre les informations demandées dans le diagnostic si cela s'avère nécessaire à la mise en oeuvre du plan d'action.
§ 2. L'entreprise établit ce diagnostic au moyen d'un formulaire qu'elle remplit et envoie à [1 Bruxelles Environnement]1.
Lorsque [1 Bruxelles Environnement]1 estime que le diagnostic est incomplet, il demande à l'entreprise de le compléter.
L'entreprise envoie à [1 Bruxelles Environnement]1 les compléments dans un délai déterminé par le Gouvernement.
Le diagnostic complet est adressé par [1 Bruxelles Environnement]1 à l'Administration.
1° l'inventaire et l'analyse des déplacements des travailleurs, tant dans leurs déplacements domicile-travail que professionnels, et des biens générés par le fonctionnement de l'entreprise ainsi qu'une estimation du nombre de visiteurs;
2° le nombre de travailleurs salariés placés sous l'autorité d'une autre personne que l'entreprise ou de travailleurs indépendants, exécutant des travaux, prestant des services ou fournissant des biens à l'entreprise, pour autant que ceux-ci soient présents sur le site plus de dix jours par mois;
3° l'établissement des données de localisation de la commune d'origine des travailleurs visés au 1°, liées à leur mode de déplacement;
4° les horaires de travail des travailleurs visés au 1° ;
5° l'analyse du parc automobile de l'entreprise : voitures de service, de société, camionnettes, camions et véhicules deux-roues motorisés ou non;
6° l'analyse du stationnement dans et aux abords de l'entreprise;
7° l'analyse de l'accessibilité de l'entreprise en transports en commun, à pied, à vélo et en voiture;
8° la description des actions déjà menées par l'entreprise pour améliorer la mobilité et l'accessibilité de l'entreprise;
9° la liste des entreprises présentes sur le même site ou à proximité, avec lesquelles il serait avantageux d'établir un plan de déplacements commun ou des actions communes;
10° l'analyse des informations visées aux points précédents.
Le Gouvernement peut décider d'étendre les informations demandées dans le diagnostic si cela s'avère nécessaire à la mise en oeuvre du plan d'action.
§ 2. L'entreprise établit ce diagnostic au moyen d'un formulaire qu'elle remplit et envoie à [1 Bruxelles Environnement]1.
Lorsque [1 Bruxelles Environnement]1 estime que le diagnostic est incomplet, il demande à l'entreprise de le compléter.
L'entreprise envoie à [1 Bruxelles Environnement]1 les compléments dans un délai déterminé par le Gouvernement.
Le diagnostic complet est adressé par [1 Bruxelles Environnement]1 à l'Administration.
Wijzigingen
Art. 2.3.23. § 1. Het bedrijf maakt een diagnose die het volgende omvat :
1° de inventaris en de analyse van de verplaatsingen van de werknemers, zowel hun woon-werkverplaatsingen als hun beroepsverplaatsingen en van de goederen die door de werking van het bedrijf gegenereerd worden, alsook een schatting van het aantal bezoekers;
2° het aantal bezoldigde werknemers die onder het gezag staan van een andere persoon dan het bedrijf of van zelfstandigen die werken uitvoeren voor en diensten of goederen leveren aan het bedrijf, voor zover zij meer dan tien dagen per maand op de site aanwezig zijn;
3° de gegevens met aanduiding van de gemeente waar de werknemers bedoeld in punt 1° wonen, alsook hun vervoermiddel;
4° de werkroosters van de in punt 1° bedoelde werknemers;
5° de analyse van het wagenpark van het bedrijf : dienstwagens, bedrijfswagens, bestelwagens, vrachtwagens en al dan niet gemotoriseerde tweewielers;
6° de analyse van het parkeeraanbod in en in de omgeving van het bedrijf;
7° de analyse van de bereikbaarheid van het bedrijf met het openbaar vervoer, te voet, per fiets en met de wagen;
8° de beschrijving van de reeds door het bedrijf ondernomen acties om de mobiliteit en de bereikbaarheid van het bedrijf te verbeteren;
9° de lijst van bedrijven op eenzelfde of nabijgelegen site, waarmee een gemeenschappelijk vervoerplan of gemeenschappelijke acties voordelen zouden kunnen opleveren;
10° de analyse van de in de voorgaande punten bedoelde inlichtingen.
De Regering kan beslissen om de gevraagde informatie in de diagnose uit te breiden indien dit nodig zou zijn voor de uitvoering van het actieplan.
§ 2. Het bedrijf stelt deze diagnose op aan de hand van een formulier dat het invult en verstuurt naar [1 Leefmilieu Brussel]1.
Wanneer [1 Leefmilieu Brussel]1 oordeelt dat de diagnose onvolledig is, vraagt het aan het bedrijf om ze aan te vullen.
Het bedrijf verstuurt de bijkomende informatie naar [1 Leefmilieu Brussel]1 binnen een door de Regering vastgelegde termijn.
De volledige diagnose wordt dan door [1 Leefmilieu Brussel]1 bezorgd aan het Bestuur.
1° de inventaris en de analyse van de verplaatsingen van de werknemers, zowel hun woon-werkverplaatsingen als hun beroepsverplaatsingen en van de goederen die door de werking van het bedrijf gegenereerd worden, alsook een schatting van het aantal bezoekers;
2° het aantal bezoldigde werknemers die onder het gezag staan van een andere persoon dan het bedrijf of van zelfstandigen die werken uitvoeren voor en diensten of goederen leveren aan het bedrijf, voor zover zij meer dan tien dagen per maand op de site aanwezig zijn;
3° de gegevens met aanduiding van de gemeente waar de werknemers bedoeld in punt 1° wonen, alsook hun vervoermiddel;
4° de werkroosters van de in punt 1° bedoelde werknemers;
5° de analyse van het wagenpark van het bedrijf : dienstwagens, bedrijfswagens, bestelwagens, vrachtwagens en al dan niet gemotoriseerde tweewielers;
6° de analyse van het parkeeraanbod in en in de omgeving van het bedrijf;
7° de analyse van de bereikbaarheid van het bedrijf met het openbaar vervoer, te voet, per fiets en met de wagen;
8° de beschrijving van de reeds door het bedrijf ondernomen acties om de mobiliteit en de bereikbaarheid van het bedrijf te verbeteren;
9° de lijst van bedrijven op eenzelfde of nabijgelegen site, waarmee een gemeenschappelijk vervoerplan of gemeenschappelijke acties voordelen zouden kunnen opleveren;
10° de analyse van de in de voorgaande punten bedoelde inlichtingen.
De Regering kan beslissen om de gevraagde informatie in de diagnose uit te breiden indien dit nodig zou zijn voor de uitvoering van het actieplan.
§ 2. Het bedrijf stelt deze diagnose op aan de hand van een formulier dat het invult en verstuurt naar [1 Leefmilieu Brussel]1.
Wanneer [1 Leefmilieu Brussel]1 oordeelt dat de diagnose onvolledig is, vraagt het aan het bedrijf om ze aan te vullen.
Het bedrijf verstuurt de bijkomende informatie naar [1 Leefmilieu Brussel]1 binnen een door de Regering vastgelegde termijn.
De volledige diagnose wordt dan door [1 Leefmilieu Brussel]1 bezorgd aan het Bestuur.
Art. 2.3.23. § 1er. L'entreprise établit un diagnostic qui contient :
1° l'inventaire et l'analyse des déplacements des travailleurs, tant dans leurs déplacements domicile-travail que professionnels, et des biens générés par le fonctionnement de l'entreprise ainsi qu'une estimation du nombre de visiteurs;
2° le nombre de travailleurs salariés placés sous l'autorité d'une autre personne que l'entreprise ou de travailleurs indépendants, exécutant des travaux, prestant des services ou fournissant des biens à l'entreprise, pour autant que ceux-ci soient présents sur le site plus de dix jours par mois;
3° l'établissement des données de localisation de la commune d'origine des travailleurs visés au 1°, liées à leur mode de déplacement;
4° les horaires de travail des travailleurs visés au 1° ;
5° l'analyse du parc automobile de l'entreprise : voitures de service, de société, camionnettes, camions et véhicules deux-roues motorisés ou non;
6° l'analyse du stationnement dans et aux abords de l'entreprise;
7° l'analyse de l'accessibilité de l'entreprise en transports en commun, à pied, à vélo et en voiture;
8° la description des actions déjà menées par l'entreprise pour améliorer la mobilité et l'accessibilité de l'entreprise;
9° la liste des entreprises présentes sur le même site ou à proximité, avec lesquelles il serait avantageux d'établir un plan de déplacements commun ou des actions communes;
10° l'analyse des informations visées aux points précédents.
Le Gouvernement peut décider d'étendre les informations demandées dans le diagnostic si cela s'avère nécessaire à la mise en oeuvre du plan d'action.
§ 2. L'entreprise établit ce diagnostic au moyen d'un formulaire qu'elle remplit et envoie à [1 Bruxelles Environnement]1.
Lorsque [1 Bruxelles Environnement]1 estime que le diagnostic est incomplet, il demande à l'entreprise de le compléter.
L'entreprise envoie à [1 Bruxelles Environnement]1 les compléments dans un délai déterminé par le Gouvernement.
Le diagnostic complet est adressé par [1 Bruxelles Environnement]1 à l'Administration.
1° l'inventaire et l'analyse des déplacements des travailleurs, tant dans leurs déplacements domicile-travail que professionnels, et des biens générés par le fonctionnement de l'entreprise ainsi qu'une estimation du nombre de visiteurs;
2° le nombre de travailleurs salariés placés sous l'autorité d'une autre personne que l'entreprise ou de travailleurs indépendants, exécutant des travaux, prestant des services ou fournissant des biens à l'entreprise, pour autant que ceux-ci soient présents sur le site plus de dix jours par mois;
3° l'établissement des données de localisation de la commune d'origine des travailleurs visés au 1°, liées à leur mode de déplacement;
4° les horaires de travail des travailleurs visés au 1° ;
5° l'analyse du parc automobile de l'entreprise : voitures de service, de société, camionnettes, camions et véhicules deux-roues motorisés ou non;
6° l'analyse du stationnement dans et aux abords de l'entreprise;
7° l'analyse de l'accessibilité de l'entreprise en transports en commun, à pied, à vélo et en voiture;
8° la description des actions déjà menées par l'entreprise pour améliorer la mobilité et l'accessibilité de l'entreprise;
9° la liste des entreprises présentes sur le même site ou à proximité, avec lesquelles il serait avantageux d'établir un plan de déplacements commun ou des actions communes;
10° l'analyse des informations visées aux points précédents.
Le Gouvernement peut décider d'étendre les informations demandées dans le diagnostic si cela s'avère nécessaire à la mise en oeuvre du plan d'action.
§ 2. L'entreprise établit ce diagnostic au moyen d'un formulaire qu'elle remplit et envoie à [1 Bruxelles Environnement]1.
Lorsque [1 Bruxelles Environnement]1 estime que le diagnostic est incomplet, il demande à l'entreprise de le compléter.
L'entreprise envoie à [1 Bruxelles Environnement]1 les compléments dans un délai déterminé par le Gouvernement.
Le diagnostic complet est adressé par [1 Bruxelles Environnement]1 à l'Administration.
Wijzigingen
Art. 2.3.24. § 1. Op basis van de diagnose bedoeld in artikel 2.3.23, maakt het bedrijf een actieplan op.
Het actieplan bevat de volgende verplichte acties :
1° de doelstellingen inzake de verdeling van de vervoerswijzen die overeenstemmen met een raming van de impact van het bedrijfsactieplan op het gewijzigde gedrag van de werknemers voor hun verplaatsingen;
2° de aanstelling van een contactpersoon binnen het bedrijf, van wie de identiteit aan de werknemers wordt bekendgemaakt;
3° de informatie en communicatie over het volledige bedrijfsvervoerplan aan de werknemers en hun vakbondsafgevaardigden;
4° de terbeschikkingstelling van een bereikbaarheidsplan van de site aan de werknemers en bezoekers van het bedrijf;
5° de terbeschikkingstelling van een fietsenstalling aan de werknemers van het bedrijf; de Regering kan de kenmerken van de fietsenstalling bepalen;
6° de specifieke en operationele acties om een vervuilingspiek aan te pakken en de toepassing van de dringende maatregelen te garanderen om luchtvervuilingspieken te voorkomen;
7° andere acties die overeenstemmen met alle middelen die het bedrijf wil inzetten om de in artikel 2.3.21 bedoelde doelstellingen te bereiken.
De Regering kan andere verplichte acties bepalen die tegemoetkomen aan de in artikel 2.3.21 bedoelde doelstellingen.
§ 2. Het bedrijf stelt het actieplan op aan de hand van een formulier dat het invult. Het ingevulde formulier wordt aan [1 Leefmilieu Brussel]1 bezorgd binnen de door de Regering voorgeschreven termijn. Op basis van dit formulier, beslist [1 Leefmilieu Brussel]1 om een audit uit te voeren.
Het actieplan bevat de volgende verplichte acties :
1° de doelstellingen inzake de verdeling van de vervoerswijzen die overeenstemmen met een raming van de impact van het bedrijfsactieplan op het gewijzigde gedrag van de werknemers voor hun verplaatsingen;
2° de aanstelling van een contactpersoon binnen het bedrijf, van wie de identiteit aan de werknemers wordt bekendgemaakt;
3° de informatie en communicatie over het volledige bedrijfsvervoerplan aan de werknemers en hun vakbondsafgevaardigden;
4° de terbeschikkingstelling van een bereikbaarheidsplan van de site aan de werknemers en bezoekers van het bedrijf;
5° de terbeschikkingstelling van een fietsenstalling aan de werknemers van het bedrijf; de Regering kan de kenmerken van de fietsenstalling bepalen;
6° de specifieke en operationele acties om een vervuilingspiek aan te pakken en de toepassing van de dringende maatregelen te garanderen om luchtvervuilingspieken te voorkomen;
7° andere acties die overeenstemmen met alle middelen die het bedrijf wil inzetten om de in artikel 2.3.21 bedoelde doelstellingen te bereiken.
De Regering kan andere verplichte acties bepalen die tegemoetkomen aan de in artikel 2.3.21 bedoelde doelstellingen.
§ 2. Het bedrijf stelt het actieplan op aan de hand van een formulier dat het invult. Het ingevulde formulier wordt aan [1 Leefmilieu Brussel]1 bezorgd binnen de door de Regering voorgeschreven termijn. Op basis van dit formulier, beslist [1 Leefmilieu Brussel]1 om een audit uit te voeren.
Art. 2.3.24. § 1er. Sur la base du diagnostic visé à l'article 2.3.23, l'entreprise établit un plan d'actions.
Celui-ci contient les actions obligatoires suivantes :
1° les objectifs relatifs à la répartition modale qui correspondent à une estimation de l'impact du plan d'actions de l'entreprise sur le changement de comportement des travailleurs en matière de déplacements;
2° la désignation d'une personne de contact au sein de l'entreprise, dont l'identité est portée à la connaissance des travailleurs;
3° l'information et la communication à propos de l'ensemble du plan de déplacements d'entreprise, auprès des travailleurs et de leurs représentants syndicaux;
4° la mise à disposition des travailleurs et des visiteurs de l'entreprise d'un plan d'accès du site;
5° la mise à disposition des travailleurs de l'entreprise d'un parking vélos; le Gouvernement peut déterminer les caractéristiques du parking vélos;
6° les actions spécifiques et opérationnelles pour faire face à une situation de pic de pollution et garantissant l'application des mesures d'urgence en vue de prévenir les pics de pollution atmosphérique;
7° d'autres actions qui correspondent à l'ensemble des moyens que l'entreprise décide de mettre en oeuvre pour atteindre les objectifs visés à l'article 2.3.21.
Le Gouvernement peut définir d'autres actions obligatoires rencontrant les objectifs visés à l'article 2.3.21.
§ 2. L'entreprise établit le plan d'actions au moyen d'un formulaire qu'elle remplit. Le formulaire complété est adressé à [1 Bruxelles Environnement]1 dans un délai fixé par le Gouvernement. C'est sur la base de ce formulaire que [1 Bruxelles Environnement]1 décide d'effectuer un audit.
Celui-ci contient les actions obligatoires suivantes :
1° les objectifs relatifs à la répartition modale qui correspondent à une estimation de l'impact du plan d'actions de l'entreprise sur le changement de comportement des travailleurs en matière de déplacements;
2° la désignation d'une personne de contact au sein de l'entreprise, dont l'identité est portée à la connaissance des travailleurs;
3° l'information et la communication à propos de l'ensemble du plan de déplacements d'entreprise, auprès des travailleurs et de leurs représentants syndicaux;
4° la mise à disposition des travailleurs et des visiteurs de l'entreprise d'un plan d'accès du site;
5° la mise à disposition des travailleurs de l'entreprise d'un parking vélos; le Gouvernement peut déterminer les caractéristiques du parking vélos;
6° les actions spécifiques et opérationnelles pour faire face à une situation de pic de pollution et garantissant l'application des mesures d'urgence en vue de prévenir les pics de pollution atmosphérique;
7° d'autres actions qui correspondent à l'ensemble des moyens que l'entreprise décide de mettre en oeuvre pour atteindre les objectifs visés à l'article 2.3.21.
Le Gouvernement peut définir d'autres actions obligatoires rencontrant les objectifs visés à l'article 2.3.21.
§ 2. L'entreprise établit le plan d'actions au moyen d'un formulaire qu'elle remplit. Le formulaire complété est adressé à [1 Bruxelles Environnement]1 dans un délai fixé par le Gouvernement. C'est sur la base de ce formulaire que [1 Bruxelles Environnement]1 décide d'effectuer un audit.
Wijzigingen
Art. 2.3.25. § 1. De contactpersoon stuurt het bedrijfsvervoerplan naar [1 Leefmilieu Brussel]1.
[2 Voorafgaand aan de verzending, wordt het bedrijfsvervoerplan voor advies voorgelegd aan:
1° de ondernemingsraad, of bij ontstentenis daarvan, de vakbondsafvaardiging overeenkomstig artikel 15, a) van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven;
2° het bevoegde overlegcomité, binnen de overheidsdiensten waarop de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel van toepassing is, of aan het bevoegde overlegorgaan binnen de besturen, diensten en instellingen waarop deze laatste wet niet van toepassing is.]2
§ 2. Indien [1 Leefmilieu Brussel]1 oordeelt dat het bedrijfsvervoerplan onvolledig is, dan wordt aan de contactpersoon gevraagd om het te laten aanvullen door het bedrijf.
De contactpersoon stuurt de aanvulling op het bedrijfsvervoerplan naar [1 Leefmilieu Brussel]1.
[1 Leefmilieu Brussel]1 stuurt het aangevulde plan naar het Bestuur.
[2 Voorafgaand aan de verzending, wordt het bedrijfsvervoerplan voor advies voorgelegd aan:
1° de ondernemingsraad, of bij ontstentenis daarvan, de vakbondsafvaardiging overeenkomstig artikel 15, a) van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven;
2° het bevoegde overlegcomité, binnen de overheidsdiensten waarop de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel van toepassing is, of aan het bevoegde overlegorgaan binnen de besturen, diensten en instellingen waarop deze laatste wet niet van toepassing is.]2
§ 2. Indien [1 Leefmilieu Brussel]1 oordeelt dat het bedrijfsvervoerplan onvolledig is, dan wordt aan de contactpersoon gevraagd om het te laten aanvullen door het bedrijf.
De contactpersoon stuurt de aanvulling op het bedrijfsvervoerplan naar [1 Leefmilieu Brussel]1.
[1 Leefmilieu Brussel]1 stuurt het aangevulde plan naar het Bestuur.
Art. 2.3.25. § 1er. La personne de contact envoie à [1 Bruxelles Environnement]1 le plan de déplacements d'entreprise.
[2 Préalablement à l'envoi, le plan de déplacements d'entreprise est soumis pour avis:
1° au conseil d'entreprise, ou à défaut, à la délégation syndicale, conformément à l'article 15, a), de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie;
2° au comité de concertation compétent, dans les services publics auxquels s'applique la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités, ou à l'organe compétent de concertation dans les administrations, services et institutions auxquels cette dernière loi ne s'applique pas. ]2
§ 2. Lorsque [1 Bruxelles Environnement]1 estime que le plan de déplacements d'entreprise est incomplet, il est demandé à la personne de contact de le faire compléter par l'entreprise.
La personne de contact envoie à [1 Bruxelles Environnement]1 le complément de plan de déplacements d'entreprise.
[1 Bruxelles Environnement]1 envoie le plan complété à l'Administration.
[2 Préalablement à l'envoi, le plan de déplacements d'entreprise est soumis pour avis:
1° au conseil d'entreprise, ou à défaut, à la délégation syndicale, conformément à l'article 15, a), de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie;
2° au comité de concertation compétent, dans les services publics auxquels s'applique la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités, ou à l'organe compétent de concertation dans les administrations, services et institutions auxquels cette dernière loi ne s'applique pas. ]2
§ 2. Lorsque [1 Bruxelles Environnement]1 estime que le plan de déplacements d'entreprise est incomplet, il est demandé à la personne de contact de le faire compléter par l'entreprise.
La personne de contact envoie à [1 Bruxelles Environnement]1 le complément de plan de déplacements d'entreprise.
[1 Bruxelles Environnement]1 envoie le plan complété à l'Administration.
Art. 2.3.27. Het bedrijf actualiseert zijn vervoerplan met inachtneming van artikelen 2.3.23 tot 2.3.26.
Art. 2.3.27. L'entreprise procède à l'actualisation de son plan de déplacements et ce, dans le respect des articles 2.3.23 à 2.3.26.
Art. 2.3.28. Een bedrijf wordt als in gebreke blijvend beschouwd indien het binnen de voorgeschreven termijn :
1° het formulier en/of zijn oorspronkelijke of aangevulde vervoerplan niet naar [1 Leefmilieu Brussel]1 opstuurt, met toepassing van artikel 2.3.25;
2° de verplichte acties van zijn vervoerplan niet implementeert, met toepassing van artikel 2.3.26;
3° de update van zijn vervoerplan niet naar [1 Leefmilieu Brussel]1 opstuurt, met toepassing van artikel 2.3.27.
1° het formulier en/of zijn oorspronkelijke of aangevulde vervoerplan niet naar [1 Leefmilieu Brussel]1 opstuurt, met toepassing van artikel 2.3.25;
2° de verplichte acties van zijn vervoerplan niet implementeert, met toepassing van artikel 2.3.26;
3° de update van zijn vervoerplan niet naar [1 Leefmilieu Brussel]1 opstuurt, met toepassing van artikel 2.3.27.
Art. 2.3.28. L'entreprise est réputée défaillante lorsque, dans le délai prescrit, elle :
1° n'envoie pas à [1 Bruxelles Environnement]1 le formulaire et/ou son plan de déplacements, initial ou complété, en application de l'article 2.3.25;
2° ne met pas en oeuvre les actions obligatoires de son plan de déplacements, en application de l'article 2.3.26;
3° n'envoie pas à [1 Bruxelles Environnement]1 l'actualisation de son plan de déplacements, en application de l'article 2.3.27.
1° n'envoie pas à [1 Bruxelles Environnement]1 le formulaire et/ou son plan de déplacements, initial ou complété, en application de l'article 2.3.25;
2° ne met pas en oeuvre les actions obligatoires de son plan de déplacements, en application de l'article 2.3.26;
3° n'envoie pas à [1 Bruxelles Environnement]1 l'actualisation de son plan de déplacements, en application de l'article 2.3.27.
Wijzigingen
Art. 2.3.28. Een bedrijf wordt als in gebreke blijvend beschouwd indien het binnen de voorgeschreven termijn :
1° het formulier en/of zijn oorspronkelijke of aangevulde vervoerplan niet naar [1 Leefmilieu Brussel]1 opstuurt, met toepassing van artikel 2.3.25;
2° de verplichte acties van zijn vervoerplan niet implementeert, met toepassing van artikel 2.3.26;
3° de update van zijn vervoerplan niet naar [1 Leefmilieu Brussel]1 opstuurt, met toepassing van artikel 2.3.27.
1° het formulier en/of zijn oorspronkelijke of aangevulde vervoerplan niet naar [1 Leefmilieu Brussel]1 opstuurt, met toepassing van artikel 2.3.25;
2° de verplichte acties van zijn vervoerplan niet implementeert, met toepassing van artikel 2.3.26;
3° de update van zijn vervoerplan niet naar [1 Leefmilieu Brussel]1 opstuurt, met toepassing van artikel 2.3.27.
Art. 2.3.28. L'entreprise est réputée défaillante lorsque, dans le délai prescrit, elle :
1° n'envoie pas à [1 Bruxelles Environnement]1 le formulaire et/ou son plan de déplacements, initial ou complété, en application de l'article 2.3.25;
2° ne met pas en oeuvre les actions obligatoires de son plan de déplacements, en application de l'article 2.3.26;
3° n'envoie pas à [1 Bruxelles Environnement]1 l'actualisation de son plan de déplacements, en application de l'article 2.3.27.
1° n'envoie pas à [1 Bruxelles Environnement]1 le formulaire et/ou son plan de déplacements, initial ou complété, en application de l'article 2.3.25;
2° ne met pas en oeuvre les actions obligatoires de son plan de déplacements, en application de l'article 2.3.26;
3° n'envoie pas à [1 Bruxelles Environnement]1 l'actualisation de son plan de déplacements, en application de l'article 2.3.27.
Wijzigingen
Art. 2.3.29. [1 Leefmilieu Brussel]1 stuurt, per aangetekend schrijven, een verwittiging naar het bedrijf en bepaalt een termijn zodat het een eind kan stellen aan de vastgestelde tekortkoming.
Art. 2.3.29. [1 Bruxelles Environnement]1 adresse, par lettre recommandée, un avertissement à l'entreprise et fixe un délai destiné à lui permettre de mettre fin à la défaillance constatée.
Wijzigingen
Afdeling 4. - Het activiteitenvervoerplan
Section 4. - Le plan de déplacements d'activités
Art. 2.3.30. Het activiteitenvervoerplan heeft met name tot doel :
1° de mobiliteit, het leefmilieu, de luchtkwaliteit en de leefkwaliteit, zowel op de weg naar de site waar de activiteit plaatsvindt als rondom de site en in de omgeving ervan, te verbeteren om de impact van de activiteit hierop te verminderen;
2° de verplaatsingsgewoontes van de deelnemers te veranderen met het oog op meer verplaatsingen te voet, met de fiets of het openbaar vervoer, een rationeel gebruik van de auto en een vermindering van het aantal auto's in de omgeving van de site waar de activiteit plaatsvindt door andere vervoerswijzen te promoten.
1° de mobiliteit, het leefmilieu, de luchtkwaliteit en de leefkwaliteit, zowel op de weg naar de site waar de activiteit plaatsvindt als rondom de site en in de omgeving ervan, te verbeteren om de impact van de activiteit hierop te verminderen;
2° de verplaatsingsgewoontes van de deelnemers te veranderen met het oog op meer verplaatsingen te voet, met de fiets of het openbaar vervoer, een rationeel gebruik van de auto en een vermindering van het aantal auto's in de omgeving van de site waar de activiteit plaatsvindt door andere vervoerswijzen te promoten.
Art. 2.3.30. Le plan de déplacements d'activités a pour objectifs, notamment :
1° d'améliorer la mobilité, l'environnement, la qualité de l'air et la qualité de vie tant sur le chemin du site où s'exerce l'activité qu'à ses abords et dans son voisinage, en vue de diminuer l'impact de l'activité sur ceux-ci;
2° de changer les habitudes de déplacement des participants, en vue d'augmenter les déplacements à pied, en vélo ou en transports en commun, de rationaliser l'usage de la voiture individuelle et de diminuer le nombre de voitures à proximité du site où s'exerce l'activité, en favorisant d'autres modes de déplacement.
1° d'améliorer la mobilité, l'environnement, la qualité de l'air et la qualité de vie tant sur le chemin du site où s'exerce l'activité qu'à ses abords et dans son voisinage, en vue de diminuer l'impact de l'activité sur ceux-ci;
2° de changer les habitudes de déplacement des participants, en vue d'augmenter les déplacements à pied, en vélo ou en transports en commun, de rationaliser l'usage de la voiture individuelle et de diminuer le nombre de voitures à proximité du site où s'exerce l'activité, en favorisant d'autres modes de déplacement.
Art. 2.3.30. Het activiteitenvervoerplan heeft met name tot doel :
1° de mobiliteit, het leefmilieu, de luchtkwaliteit en de leefkwaliteit, zowel op de weg naar de site waar de activiteit plaatsvindt als rondom de site en in de omgeving ervan, te verbeteren om de impact van de activiteit hierop te verminderen;
2° de verplaatsingsgewoontes van de deelnemers te veranderen met het oog op meer verplaatsingen te voet, met de fiets of het openbaar vervoer, een rationeel gebruik van de auto en een vermindering van het aantal auto's in de omgeving van de site waar de activiteit plaatsvindt door andere vervoerswijzen te promoten.
1° de mobiliteit, het leefmilieu, de luchtkwaliteit en de leefkwaliteit, zowel op de weg naar de site waar de activiteit plaatsvindt als rondom de site en in de omgeving ervan, te verbeteren om de impact van de activiteit hierop te verminderen;
2° de verplaatsingsgewoontes van de deelnemers te veranderen met het oog op meer verplaatsingen te voet, met de fiets of het openbaar vervoer, een rationeel gebruik van de auto en een vermindering van het aantal auto's in de omgeving van de site waar de activiteit plaatsvindt door andere vervoerswijzen te promoten.
Art. 2.3.30. Le plan de déplacements d'activités a pour objectifs, notamment :
1° d'améliorer la mobilité, l'environnement, la qualité de l'air et la qualité de vie tant sur le chemin du site où s'exerce l'activité qu'à ses abords et dans son voisinage, en vue de diminuer l'impact de l'activité sur ceux-ci;
2° de changer les habitudes de déplacement des participants, en vue d'augmenter les déplacements à pied, en vélo ou en transports en commun, de rationaliser l'usage de la voiture individuelle et de diminuer le nombre de voitures à proximité du site où s'exerce l'activité, en favorisant d'autres modes de déplacement.
1° d'améliorer la mobilité, l'environnement, la qualité de l'air et la qualité de vie tant sur le chemin du site où s'exerce l'activité qu'à ses abords et dans son voisinage, en vue de diminuer l'impact de l'activité sur ceux-ci;
2° de changer les habitudes de déplacement des participants, en vue d'augmenter les déplacements à pied, en vélo ou en transports en commun, de rationaliser l'usage de la voiture individuelle et de diminuer le nombre de voitures à proximité du site où s'exerce l'activité, en favorisant d'autres modes de déplacement.
Art. 2.3.32. § 1. Aan de hand van een formulier dat ze invullen, maken elke sitebeheerder en sitegebruiker :
1° zichzelf en hun contactpersoon bekend aan het Bestuur;
2° kenbaar aan het Bestuur welke soort activiteit ze organiseren alsook het geschatte aantal mensen dat aan hun activiteiten zal deelnemen.
§ 2. De contactpersoon van de sitebeheerder en deze van de sitegebruiker versturen het formulier bepaald in § 1 naar het Bestuur.
1° zichzelf en hun contactpersoon bekend aan het Bestuur;
2° kenbaar aan het Bestuur welke soort activiteit ze organiseren alsook het geschatte aantal mensen dat aan hun activiteiten zal deelnemen.
§ 2. De contactpersoon van de sitebeheerder en deze van de sitegebruiker versturen het formulier bepaald in § 1 naar het Bestuur.
Art. 2.3.32. § 1er. Au moyen d'un formulaire qu'ils remplissent, tout gestionnaire de site et tout utilisateur de site :
1° se font connaître et font connaître leur personne de contact auprès de l'Administration;
2° communiquent à l'Administration le type d'activité qu'ils exercent et le nombre estimé de participants que leurs activités accueillent.
§ 2. La personne de contact du gestionnaire de site et celle de l'utilisateur de site envoient à l'Administration le formulaire visé au § 1er.
1° se font connaître et font connaître leur personne de contact auprès de l'Administration;
2° communiquent à l'Administration le type d'activité qu'ils exercent et le nombre estimé de participants que leurs activités accueillent.
§ 2. La personne de contact du gestionnaire de site et celle de l'utilisateur de site envoient à l'Administration le formulaire visé au § 1er.
Art. 2.3.33. § 1. Aan de hand van een formulier dat zij invullen, informeren de sitebeheerder en de sitegebruiker het Bestuur over de verplaatsing van de activiteit op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of erbuiten en bezorgen het hun nieuw adres.
De contactpersoon van de sitebeheerder en deze van de sitegebruiker versturen dit formulier naar het Bestuur.
§ 2. Indien de activiteit georganiseerd op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest er verplaatst wordt, dan moet er hiervoor een nieuw activiteitenvervoerplan worden opgesteld.
De contactpersoon van de sitebeheerder en deze van de sitegebruiker versturen dit formulier naar het Bestuur.
§ 2. Indien de activiteit georganiseerd op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest er verplaatst wordt, dan moet er hiervoor een nieuw activiteitenvervoerplan worden opgesteld.
Art. 2.3.33. § 1er. Le gestionnaire de site et l'utilisateur de site informent l'Administration, au moyen d'un formulaire qu'ils remplissent, du déplacement de l'activité sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale ou en dehors de celui-ci et lui fournissent leur nouvelle adresse.
La personne de contact du gestionnaire de site et celle de l'utilisateur de site envoient ce formulaire à l'Administration.
§ 2. Lorsque l'activité exercée sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale est déplacée sur ce territoire, elle est soumise à un nouveau plan de déplacements d'activités.
La personne de contact du gestionnaire de site et celle de l'utilisateur de site envoient ce formulaire à l'Administration.
§ 2. Lorsque l'activité exercée sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale est déplacée sur ce territoire, elle est soumise à un nouveau plan de déplacements d'activités.
Art. 2.3.33. § 1. Aan de hand van een formulier dat zij invullen, informeren de sitebeheerder en de sitegebruiker het Bestuur over de verplaatsing van de activiteit op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of erbuiten en bezorgen het hun nieuw adres.
De contactpersoon van de sitebeheerder en deze van de sitegebruiker versturen dit formulier naar het Bestuur.
§ 2. Indien de activiteit georganiseerd op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest er verplaatst wordt, dan moet er hiervoor een nieuw activiteitenvervoerplan worden opgesteld.
De contactpersoon van de sitebeheerder en deze van de sitegebruiker versturen dit formulier naar het Bestuur.
§ 2. Indien de activiteit georganiseerd op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest er verplaatst wordt, dan moet er hiervoor een nieuw activiteitenvervoerplan worden opgesteld.
Art. 2.3.33. § 1er. Le gestionnaire de site et l'utilisateur de site informent l'Administration, au moyen d'un formulaire qu'ils remplissent, du déplacement de l'activité sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale ou en dehors de celui-ci et lui fournissent leur nouvelle adresse.
La personne de contact du gestionnaire de site et celle de l'utilisateur de site envoient ce formulaire à l'Administration.
§ 2. Lorsque l'activité exercée sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale est déplacée sur ce territoire, elle est soumise à un nouveau plan de déplacements d'activités.
La personne de contact du gestionnaire de site et celle de l'utilisateur de site envoient ce formulaire à l'Administration.
§ 2. Lorsque l'activité exercée sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale est déplacée sur ce territoire, elle est soumise à un nouveau plan de déplacements d'activités.
Art. 2.3.34. § 1. Voor de sites met een capaciteit van duizend tot zesduizend deelnemers per dag, kan de sitebeheerder de volgende acties uitvoeren :
1° de opmaak van een bereikbaarheidsplan van de site dat aan de sitegebruiker wordt overhandigd;
2° de terbeschikkingstelling van een fietsenstalling aan de sitegebruiker; de Regering kan de kenmerken van de fietsenstalling bepalen.
De uitvoering van deze acties is voor rekening van de sitegebruiker indien de activiteit in de openbare ruimte plaatsvindt.
§ 2. De Regering kan andere acties bepalen die noodzakelijk zijn om de doelstellingen in artikel 2.3.30 te behalen.
1° de opmaak van een bereikbaarheidsplan van de site dat aan de sitegebruiker wordt overhandigd;
2° de terbeschikkingstelling van een fietsenstalling aan de sitegebruiker; de Regering kan de kenmerken van de fietsenstalling bepalen.
De uitvoering van deze acties is voor rekening van de sitegebruiker indien de activiteit in de openbare ruimte plaatsvindt.
§ 2. De Regering kan andere acties bepalen die noodzakelijk zijn om de doelstellingen in artikel 2.3.30 te behalen.
Art. 2.3.34. § 1er. Pour les sites accueillant mille à six mille participants par jour, le gestionnaire de site peut mettre en oeuvre les actions suivantes :
1° l'établissement d'un plan d'accès du site et sa remise à l'utilisateur de site;
2° la mise à disposition d'un parking vélos à l'utilisateur de site; le Gouvernement peut déterminer les caractéristiques du parking vélos.
La mise en oeuvre de ces actions incombe à l'utilisateur de site si l'activité a lieu sur l'espace public.
§ 2. Le Gouvernement peut définir d'autres actions nécessaires à l'obtention des objectifs définis à l'article 2.3.30.
1° l'établissement d'un plan d'accès du site et sa remise à l'utilisateur de site;
2° la mise à disposition d'un parking vélos à l'utilisateur de site; le Gouvernement peut déterminer les caractéristiques du parking vélos.
La mise en oeuvre de ces actions incombe à l'utilisateur de site si l'activité a lieu sur l'espace public.
§ 2. Le Gouvernement peut définir d'autres actions nécessaires à l'obtention des objectifs définis à l'article 2.3.30.
Art. 2.3.35. § 1. Voor de activiteiten met duizend tot zesduizend deelnemers per dag, kan de sitegebruiker de volgende acties uitvoeren :
1° de verspreiding van het bereikbaarheidsplan van de site, bedoeld in artikel 2.3.34, § 1, 1°, op de website van de activiteit, aangepast aan het type van activiteit en de herkomst van de betrokken bezoekers;
2° de terbeschikkingstelling van de fietsenstalling, bedoeld in artikel 2.3.34, § 1, 2°, aan de deelnemers;
3° de vermelding van de dichtsbijgelegen haltes van openbaar vervoer en van de fietsenstalling op de toegangskaarten in voorverkoop en op de affiches.
§ 2. De Regering kan andere acties bepalen die noodzakelijk zijn om de doelstellingen in artikel 2.3.30 te behalen.
1° de verspreiding van het bereikbaarheidsplan van de site, bedoeld in artikel 2.3.34, § 1, 1°, op de website van de activiteit, aangepast aan het type van activiteit en de herkomst van de betrokken bezoekers;
2° de terbeschikkingstelling van de fietsenstalling, bedoeld in artikel 2.3.34, § 1, 2°, aan de deelnemers;
3° de vermelding van de dichtsbijgelegen haltes van openbaar vervoer en van de fietsenstalling op de toegangskaarten in voorverkoop en op de affiches.
§ 2. De Regering kan andere acties bepalen die noodzakelijk zijn om de doelstellingen in artikel 2.3.30 te behalen.
Art. 2.3.35. § 1er. Pour les activités regroupant mille à six mille participants par jour, l'utilisateur du site peut mettre en oeuvre les actions suivantes :
1° la diffusion du plan d'accès du site, visé à l'article 2.3.34, § 1er, 1°, sur le site internet de l'activité, adapté au type d'activité et à l'origine des visiteurs concernés;
2° la mise à disposition des participants du parking vélos visé à l'article 2.3.34, § 1er, 2° ;
3° la mention, sur les billets d'entrée en prévente et sur les affiches, des arrêts des transports publics les plus proches et du parking vélos.
§ 2. Le Gouvernement peut définir d'autres actions nécessaires à l'obtention des objectifs définis à l'article 2.3.30.
1° la diffusion du plan d'accès du site, visé à l'article 2.3.34, § 1er, 1°, sur le site internet de l'activité, adapté au type d'activité et à l'origine des visiteurs concernés;
2° la mise à disposition des participants du parking vélos visé à l'article 2.3.34, § 1er, 2° ;
3° la mention, sur les billets d'entrée en prévente et sur les affiches, des arrêts des transports publics les plus proches et du parking vélos.
§ 2. Le Gouvernement peut définir d'autres actions nécessaires à l'obtention des objectifs définis à l'article 2.3.30.
Art. 2.3.35. § 1. Voor de activiteiten met duizend tot zesduizend deelnemers per dag, kan de sitegebruiker de volgende acties uitvoeren :
1° de verspreiding van het bereikbaarheidsplan van de site, bedoeld in artikel 2.3.34, § 1, 1°, op de website van de activiteit, aangepast aan het type van activiteit en de herkomst van de betrokken bezoekers;
2° de terbeschikkingstelling van de fietsenstalling, bedoeld in artikel 2.3.34, § 1, 2°, aan de deelnemers;
3° de vermelding van de dichtsbijgelegen haltes van openbaar vervoer en van de fietsenstalling op de toegangskaarten in voorverkoop en op de affiches.
§ 2. De Regering kan andere acties bepalen die noodzakelijk zijn om de doelstellingen in artikel 2.3.30 te behalen.
1° de verspreiding van het bereikbaarheidsplan van de site, bedoeld in artikel 2.3.34, § 1, 1°, op de website van de activiteit, aangepast aan het type van activiteit en de herkomst van de betrokken bezoekers;
2° de terbeschikkingstelling van de fietsenstalling, bedoeld in artikel 2.3.34, § 1, 2°, aan de deelnemers;
3° de vermelding van de dichtsbijgelegen haltes van openbaar vervoer en van de fietsenstalling op de toegangskaarten in voorverkoop en op de affiches.
§ 2. De Regering kan andere acties bepalen die noodzakelijk zijn om de doelstellingen in artikel 2.3.30 te behalen.
Art. 2.3.35. § 1er. Pour les activités regroupant mille à six mille participants par jour, l'utilisateur du site peut mettre en oeuvre les actions suivantes :
1° la diffusion du plan d'accès du site, visé à l'article 2.3.34, § 1er, 1°, sur le site internet de l'activité, adapté au type d'activité et à l'origine des visiteurs concernés;
2° la mise à disposition des participants du parking vélos visé à l'article 2.3.34, § 1er, 2° ;
3° la mention, sur les billets d'entrée en prévente et sur les affiches, des arrêts des transports publics les plus proches et du parking vélos.
§ 2. Le Gouvernement peut définir d'autres actions nécessaires à l'obtention des objectifs définis à l'article 2.3.30.
1° la diffusion du plan d'accès du site, visé à l'article 2.3.34, § 1er, 1°, sur le site internet de l'activité, adapté au type d'activité et à l'origine des visiteurs concernés;
2° la mise à disposition des participants du parking vélos visé à l'article 2.3.34, § 1er, 2° ;
3° la mention, sur les billets d'entrée en prévente et sur les affiches, des arrêts des transports publics les plus proches et du parking vélos.
§ 2. Le Gouvernement peut définir d'autres actions nécessaires à l'obtention des objectifs définis à l'article 2.3.30.
Art. 2.3.36. De sitebeheerder en de sitegebruiker kunnen een aanvraag voor een principeakkoord voor de toekenning van de in artikel 2.3.46 bedoelde steun bij het Bestuur indienen.
Het Bestuur deelt aan de sitebeheerder en de sitegebruiker de beslissing van de Regering mee over de toekenning of weigering van de steun met toepassing van artikel 2.3.48.
Het Bestuur deelt aan de sitebeheerder en de sitegebruiker de beslissing van de Regering mee over de toekenning of weigering van de steun met toepassing van artikel 2.3.48.
Art. 2.3.36. Le gestionnaire de site et l'utilisateur de site peuvent introduire auprès de l'Administration une demande d'accord de principe d'octroi de l'aide visée à l'article 2.3.46.
L'Administration notifie au gestionnaire de site et à l'utilisateur de site la décision du Gouvernement d'octroi ou de refus de l'aide, en application de l'article 2.3.48.
L'Administration notifie au gestionnaire de site et à l'utilisateur de site la décision du Gouvernement d'octroi ou de refus de l'aide, en application de l'article 2.3.48.
Art. 2.3.37. § 1. Indien de activiteit in de openbare ruimte plaatsvindt, dan zijn de bepalingen van de onderhavige onderafdeling enkel van toepassing op de sitegebruiker.
§ 2. Wanneer de activiteit betrekking heeft op een site met meer dan zesduizend betalende deelnemers per dag en onderworpen is aan een milieuvergunning, dan zijn de bepalingen van afdeling 3 van toepassing op de sitebeheerder, ook wat de specifieke bepalingen van artikelen 2.3.38 en 2.3.39 met betrekking tot de opmaak van de diagnose en het actieplan betreft.
§ 3. De Regering bepaalt de toepassingsmodaliteiten van deze onderafdeling, en meer bepaald de categorieën van activiteiten die meer dan zesduizend deelnemers per dag samenbrengen en waarvoor artikel 2.3.38, § 1, punt 3° en § 2, punt 4° en artikel 2.3.39, § 1, punt 2°, laatste streepje van toepassing zijn.
§ 2. Wanneer de activiteit betrekking heeft op een site met meer dan zesduizend betalende deelnemers per dag en onderworpen is aan een milieuvergunning, dan zijn de bepalingen van afdeling 3 van toepassing op de sitebeheerder, ook wat de specifieke bepalingen van artikelen 2.3.38 en 2.3.39 met betrekking tot de opmaak van de diagnose en het actieplan betreft.
§ 3. De Regering bepaalt de toepassingsmodaliteiten van deze onderafdeling, en meer bepaald de categorieën van activiteiten die meer dan zesduizend deelnemers per dag samenbrengen en waarvoor artikel 2.3.38, § 1, punt 3° en § 2, punt 4° en artikel 2.3.39, § 1, punt 2°, laatste streepje van toepassing zijn.
Art. 2.3.37. § 1er. Lorsque l'activité a lieu sur l'espace public, les dispositions de la présente sous-section sont uniquement applicables à l'utilisateur de site.
§ 2. Lorsque l'activité concerne un site accueillant plus de six mille participants payants par jour et soumis à permis d'environnement, les dispositions de la section 3 s'appliquent au gestionnaire du site, en intégrant pour l'établissement du diagnostic et du plan d'actions, les spécificités des articles 2.3.38 et 2.3.39.
§ 3. Le Gouvernement détermine les modalités d'application de la présente sous-section, et notamment les catégories d'activités regroupant plus de six mille participants par jour pour lesquels l'article 2.3.38, § 1er, point 3° et § 2, point 4° et l'article 2.3.39, § 1er, point 2°, dernier tiret sont applicables.
§ 2. Lorsque l'activité concerne un site accueillant plus de six mille participants payants par jour et soumis à permis d'environnement, les dispositions de la section 3 s'appliquent au gestionnaire du site, en intégrant pour l'établissement du diagnostic et du plan d'actions, les spécificités des articles 2.3.38 et 2.3.39.
§ 3. Le Gouvernement détermine les modalités d'application de la présente sous-section, et notamment les catégories d'activités regroupant plus de six mille participants par jour pour lesquels l'article 2.3.38, § 1er, point 3° et § 2, point 4° et l'article 2.3.39, § 1er, point 2°, dernier tiret sont applicables.
Art. 2.3.38. § 1. Aan de hand van een formulier dat hij invult, stelt de sitebeheerder een diagnose op die het volgende bevat :
1° de analyse van de bereikbaarheid van de site voor de verschillende vervoerswijzen van de deelnemers en van de parkeercapaciteit;
2° de beschrijving van de reeds ondernomen acties om de verplaatsingen van de deelnemers te organiseren;
3° een evaluatie van de behoeften op het vlak van het aanbod aan openbaar vervoer.
De Regering kan beslissen om de gevraagde informatie in de diagnose uit te breiden.
§ 2. Aan de hand van een formulier dat hij invult, stelt de sitegebruiker een diagnose op die het volgende bevat :
1° de analyse van de vermoedelijke of geschatte vervoerswijzen van de deelnemers op de weg naar de site waar de activiteit plaatsvindt;
2° de analyse van het vermoedelijke aantal goederen dat nodig is voor de activiteit en van de vervoerswijzen ervan op de weg naar de site waar de activiteit plaatsvindt;
3° de beschrijving van de reeds ondernomen acties om de verplaatsingen van de deelnemers te organiseren;
4° een evaluatie van de behoeften op het vlak van het aanbod aan openbaar vervoer.
1° de analyse van de bereikbaarheid van de site voor de verschillende vervoerswijzen van de deelnemers en van de parkeercapaciteit;
2° de beschrijving van de reeds ondernomen acties om de verplaatsingen van de deelnemers te organiseren;
3° een evaluatie van de behoeften op het vlak van het aanbod aan openbaar vervoer.
De Regering kan beslissen om de gevraagde informatie in de diagnose uit te breiden.
§ 2. Aan de hand van een formulier dat hij invult, stelt de sitegebruiker een diagnose op die het volgende bevat :
1° de analyse van de vermoedelijke of geschatte vervoerswijzen van de deelnemers op de weg naar de site waar de activiteit plaatsvindt;
2° de analyse van het vermoedelijke aantal goederen dat nodig is voor de activiteit en van de vervoerswijzen ervan op de weg naar de site waar de activiteit plaatsvindt;
3° de beschrijving van de reeds ondernomen acties om de verplaatsingen van de deelnemers te organiseren;
4° een evaluatie van de behoeften op het vlak van het aanbod aan openbaar vervoer.
Art. 2.3.38. § 1er. Le gestionnaire de site établit, au moyen d'un formulaire qu'il remplit, le diagnostic contenant :
1° l'analyse de l'accessibilité du site par les différents modes de déplacement des participants et de sa capacité de stationnement;
2° la description des actions déjà menées visant à organiser les modes de déplacement des participants;
3° une évaluation des besoins en matière d'offre de transports publics.
Le Gouvernement peut décider d'étendre les informations demandées dans le diagnostic.
§ 2. L'utilisateur de site établit, au moyen d'un formulaire qu'il remplit, le diagnostic contenant :
1° l'analyse des modes de déplacement, présumés ou estimés, des participants sur le chemin du site sur lequel s'exerce l'activité;
2° l'analyse du nombre présumé de biens nécessaires à l'activité et de leurs modes de déplacement sur le chemin du site sur lequel s'exerce l'activité;
3° la description des actions déjà menées visant à organiser les modes de déplacement des participants;
4° une évaluation des besoins en matière d'offre de transports publics.
1° l'analyse de l'accessibilité du site par les différents modes de déplacement des participants et de sa capacité de stationnement;
2° la description des actions déjà menées visant à organiser les modes de déplacement des participants;
3° une évaluation des besoins en matière d'offre de transports publics.
Le Gouvernement peut décider d'étendre les informations demandées dans le diagnostic.
§ 2. L'utilisateur de site établit, au moyen d'un formulaire qu'il remplit, le diagnostic contenant :
1° l'analyse des modes de déplacement, présumés ou estimés, des participants sur le chemin du site sur lequel s'exerce l'activité;
2° l'analyse du nombre présumé de biens nécessaires à l'activité et de leurs modes de déplacement sur le chemin du site sur lequel s'exerce l'activité;
3° la description des actions déjà menées visant à organiser les modes de déplacement des participants;
4° une évaluation des besoins en matière d'offre de transports publics.
Art. 2.3.39. § 1. Aan de hand van een formulier dat zij invullen, stellen de sitebeheerder en de sitegebruiker een actieplan op dat het volgende bevat :
1° de acties bepaald in de artikelen 2.3.34 en 2.3.35;
2° alsook de volgende verplichte maatregelen :
- sensibiliserings- en aansporingsmaatregelen bestemd voor de deelnemers om andere vervoerswijzen dan de privéwagen te gebruiken;
- specifieke maatregelen voor personen met beperkte mobiliteit;
- signalisatiemaatregelen met betrekking tot de zachte vervoerswijzen, bestemd voor voetgangers en fietsers, evenals signalisatiemaatregelen met betrekking tot eventuele omleidingen veroorzaakt door de activiteit;
- informatie-uitwisseling tussen de buurtbewoners en de sitebeheerder en/of sitegebruiker.
3° andere acties die overeenstemmen met het geheel van de middelen die de sitebeheerder en de sitegebruiker ter beschikking stellen om de doelstellingen vermeld in artikel 2.3.30 te bereiken.
§ 2. De sitebeheerder stelt het actieplan op met betrekking tot de acties bedoeld in § 1, 2° en in artikel 2.3.34.
§ 3. De sitegebruiker stelt het actieplan op met betrekking tot de acties bedoeld in § 1, 2° en in artikel 2.3.35.
§ 4. De regels voor de tenlasteneming van de eventuele meerkost voor de MIVB van een betalende activiteit met meer dan zesduizend deelnemers per dag en welke door de regering wordt bepaald, worden vastgesteld in het kader van de beheersovereenkomst van de MIVB.
1° de acties bepaald in de artikelen 2.3.34 en 2.3.35;
2° alsook de volgende verplichte maatregelen :
- sensibiliserings- en aansporingsmaatregelen bestemd voor de deelnemers om andere vervoerswijzen dan de privéwagen te gebruiken;
- specifieke maatregelen voor personen met beperkte mobiliteit;
- signalisatiemaatregelen met betrekking tot de zachte vervoerswijzen, bestemd voor voetgangers en fietsers, evenals signalisatiemaatregelen met betrekking tot eventuele omleidingen veroorzaakt door de activiteit;
- informatie-uitwisseling tussen de buurtbewoners en de sitebeheerder en/of sitegebruiker.
3° andere acties die overeenstemmen met het geheel van de middelen die de sitebeheerder en de sitegebruiker ter beschikking stellen om de doelstellingen vermeld in artikel 2.3.30 te bereiken.
§ 2. De sitebeheerder stelt het actieplan op met betrekking tot de acties bedoeld in § 1, 2° en in artikel 2.3.34.
§ 3. De sitegebruiker stelt het actieplan op met betrekking tot de acties bedoeld in § 1, 2° en in artikel 2.3.35.
§ 4. De regels voor de tenlasteneming van de eventuele meerkost voor de MIVB van een betalende activiteit met meer dan zesduizend deelnemers per dag en welke door de regering wordt bepaald, worden vastgesteld in het kader van de beheersovereenkomst van de MIVB.
Art. 2.3.39. § 1er. Le gestionnaire du site et l'utilisateur du site établissent, au moyen d'un formulaire qu'ils remplissent, un plan d'actions qui contient :
1° les actions définies aux articles 2.3.34 et 2.3.35;
2° et également les mesures obligatoires suivantes :
- des mesures de sensibilisation et d'incitation à l'intention des participants pour utiliser d'autres modes que la voiture individuelle;
- des mesures spécifiques pour les personnes à mobilité réduite;
- des mesures signalétiques pour les modes doux, destinées aux piétons et aux cyclistes, ainsi que des mesures signalétiques concernant d'éventuelles déviations dues à l'activité;
- un échange d'informations entre les riverains et le gestionnaire et/ou l'utilisateur du site.
3° d'autres actions correspondant à l'ensemble des moyens que le gestionnaire de site et l'utilisateur de site décident de mettre en oeuvre pour atteindre les objectifs précisés à l'article 2.3.30.
§ 2. Le gestionnaire de site établit le plan d'actions quant aux actions visées au § 1er, 2° ainsi qu'à l'article 2.3.34.
§ 3. L'utilisateur de site établit le plan d'actions quant aux actions visées au § 1er, 2°, ainsi qu'à l'article 2.3.35.
§ 4. Les modalités de prise en charge du surcoût éventuel pour la STIB de la tenue d'une activité payante rassemblant plus de six mille participants par jour, identifiée par le Gouvernement, sont établies dans le cadre du contrat de gestion de la STIB.
1° les actions définies aux articles 2.3.34 et 2.3.35;
2° et également les mesures obligatoires suivantes :
- des mesures de sensibilisation et d'incitation à l'intention des participants pour utiliser d'autres modes que la voiture individuelle;
- des mesures spécifiques pour les personnes à mobilité réduite;
- des mesures signalétiques pour les modes doux, destinées aux piétons et aux cyclistes, ainsi que des mesures signalétiques concernant d'éventuelles déviations dues à l'activité;
- un échange d'informations entre les riverains et le gestionnaire et/ou l'utilisateur du site.
3° d'autres actions correspondant à l'ensemble des moyens que le gestionnaire de site et l'utilisateur de site décident de mettre en oeuvre pour atteindre les objectifs précisés à l'article 2.3.30.
§ 2. Le gestionnaire de site établit le plan d'actions quant aux actions visées au § 1er, 2° ainsi qu'à l'article 2.3.34.
§ 3. L'utilisateur de site établit le plan d'actions quant aux actions visées au § 1er, 2°, ainsi qu'à l'article 2.3.35.
§ 4. Les modalités de prise en charge du surcoût éventuel pour la STIB de la tenue d'une activité payante rassemblant plus de six mille participants par jour, identifiée par le Gouvernement, sont établies dans le cadre du contrat de gestion de la STIB.
Art. 2.3.39. § 1. Aan de hand van een formulier dat zij invullen, stellen de sitebeheerder en de sitegebruiker een actieplan op dat het volgende bevat :
1° de acties bepaald in de artikelen 2.3.34 en 2.3.35;
2° alsook de volgende verplichte maatregelen :
- sensibiliserings- en aansporingsmaatregelen bestemd voor de deelnemers om andere vervoerswijzen dan de privéwagen te gebruiken;
- specifieke maatregelen voor personen met beperkte mobiliteit;
- signalisatiemaatregelen met betrekking tot de zachte vervoerswijzen, bestemd voor voetgangers en fietsers, evenals signalisatiemaatregelen met betrekking tot eventuele omleidingen veroorzaakt door de activiteit;
- informatie-uitwisseling tussen de buurtbewoners en de sitebeheerder en/of sitegebruiker.
3° andere acties die overeenstemmen met het geheel van de middelen die de sitebeheerder en de sitegebruiker ter beschikking stellen om de doelstellingen vermeld in artikel 2.3.30 te bereiken.
§ 2. De sitebeheerder stelt het actieplan op met betrekking tot de acties bedoeld in § 1, 2° en in artikel 2.3.34.
§ 3. De sitegebruiker stelt het actieplan op met betrekking tot de acties bedoeld in § 1, 2° en in artikel 2.3.35.
§ 4. De regels voor de tenlasteneming van de eventuele meerkost voor de MIVB van een betalende activiteit met meer dan zesduizend deelnemers per dag en welke door de regering wordt bepaald, worden vastgesteld in het kader van de beheersovereenkomst van de MIVB.
1° de acties bepaald in de artikelen 2.3.34 en 2.3.35;
2° alsook de volgende verplichte maatregelen :
- sensibiliserings- en aansporingsmaatregelen bestemd voor de deelnemers om andere vervoerswijzen dan de privéwagen te gebruiken;
- specifieke maatregelen voor personen met beperkte mobiliteit;
- signalisatiemaatregelen met betrekking tot de zachte vervoerswijzen, bestemd voor voetgangers en fietsers, evenals signalisatiemaatregelen met betrekking tot eventuele omleidingen veroorzaakt door de activiteit;
- informatie-uitwisseling tussen de buurtbewoners en de sitebeheerder en/of sitegebruiker.
3° andere acties die overeenstemmen met het geheel van de middelen die de sitebeheerder en de sitegebruiker ter beschikking stellen om de doelstellingen vermeld in artikel 2.3.30 te bereiken.
§ 2. De sitebeheerder stelt het actieplan op met betrekking tot de acties bedoeld in § 1, 2° en in artikel 2.3.34.
§ 3. De sitegebruiker stelt het actieplan op met betrekking tot de acties bedoeld in § 1, 2° en in artikel 2.3.35.
§ 4. De regels voor de tenlasteneming van de eventuele meerkost voor de MIVB van een betalende activiteit met meer dan zesduizend deelnemers per dag en welke door de regering wordt bepaald, worden vastgesteld in het kader van de beheersovereenkomst van de MIVB.
Art. 2.3.39. § 1er. Le gestionnaire du site et l'utilisateur du site établissent, au moyen d'un formulaire qu'ils remplissent, un plan d'actions qui contient :
1° les actions définies aux articles 2.3.34 et 2.3.35;
2° et également les mesures obligatoires suivantes :
- des mesures de sensibilisation et d'incitation à l'intention des participants pour utiliser d'autres modes que la voiture individuelle;
- des mesures spécifiques pour les personnes à mobilité réduite;
- des mesures signalétiques pour les modes doux, destinées aux piétons et aux cyclistes, ainsi que des mesures signalétiques concernant d'éventuelles déviations dues à l'activité;
- un échange d'informations entre les riverains et le gestionnaire et/ou l'utilisateur du site.
3° d'autres actions correspondant à l'ensemble des moyens que le gestionnaire de site et l'utilisateur de site décident de mettre en oeuvre pour atteindre les objectifs précisés à l'article 2.3.30.
§ 2. Le gestionnaire de site établit le plan d'actions quant aux actions visées au § 1er, 2° ainsi qu'à l'article 2.3.34.
§ 3. L'utilisateur de site établit le plan d'actions quant aux actions visées au § 1er, 2°, ainsi qu'à l'article 2.3.35.
§ 4. Les modalités de prise en charge du surcoût éventuel pour la STIB de la tenue d'une activité payante rassemblant plus de six mille participants par jour, identifiée par le Gouvernement, sont établies dans le cadre du contrat de gestion de la STIB.
1° les actions définies aux articles 2.3.34 et 2.3.35;
2° et également les mesures obligatoires suivantes :
- des mesures de sensibilisation et d'incitation à l'intention des participants pour utiliser d'autres modes que la voiture individuelle;
- des mesures spécifiques pour les personnes à mobilité réduite;
- des mesures signalétiques pour les modes doux, destinées aux piétons et aux cyclistes, ainsi que des mesures signalétiques concernant d'éventuelles déviations dues à l'activité;
- un échange d'informations entre les riverains et le gestionnaire et/ou l'utilisateur du site.
3° d'autres actions correspondant à l'ensemble des moyens que le gestionnaire de site et l'utilisateur de site décident de mettre en oeuvre pour atteindre les objectifs précisés à l'article 2.3.30.
§ 2. Le gestionnaire de site établit le plan d'actions quant aux actions visées au § 1er, 2° ainsi qu'à l'article 2.3.34.
§ 3. L'utilisateur de site établit le plan d'actions quant aux actions visées au § 1er, 2°, ainsi qu'à l'article 2.3.35.
§ 4. Les modalités de prise en charge du surcoût éventuel pour la STIB de la tenue d'une activité payante rassemblant plus de six mille participants par jour, identifiée par le Gouvernement, sont établies dans le cadre du contrat de gestion de la STIB.
Art. 2.3.40. § 1. De contactpersoon van de sitebeheerder en die van de sitegebruiker sturen het activiteitenvervoerplan naar het Bestuur.
§ 2. Samen met het activiteitenvervoerplan kunnen de sitebeheerder en de sitegebruiker een aanvraag voor een principeakkoord voor de toekenning van de in artikel 2.3.46 bedoelde steun indienen alsook het advies bedoeld in artikel 2.3.41, § 1 vragen.
§ 3. Indien het Bestuur oordeelt dat het activiteitenvervoerplan onvolledig is, vraagt het de contactpersoon van de sitebeheerder en deze van de sitegebruiker om het te laten aanvullen.
De contactpersoon van de sitebeheerder en die van de sitegebruiker sturen de aanvulling op het activiteitenvervoerplan naar het Bestuur.
§ 2. Samen met het activiteitenvervoerplan kunnen de sitebeheerder en de sitegebruiker een aanvraag voor een principeakkoord voor de toekenning van de in artikel 2.3.46 bedoelde steun indienen alsook het advies bedoeld in artikel 2.3.41, § 1 vragen.
§ 3. Indien het Bestuur oordeelt dat het activiteitenvervoerplan onvolledig is, vraagt het de contactpersoon van de sitebeheerder en deze van de sitegebruiker om het te laten aanvullen.
De contactpersoon van de sitebeheerder en die van de sitegebruiker sturen de aanvulling op het activiteitenvervoerplan naar het Bestuur.
Art. 2.3.40. § 1er. La personne de contact du gestionnaire de site et celle de l'utilisateur de site envoient à l'Administration le plan de déplacements d'activités.
§ 2. Le gestionnaire de site et l'utilisateur de site peuvent, simultanément à l'envoi du plan de déplacements d'activités, introduire une demande d'accord de principe d'octroi de l'aide visée à l'article 2.3.46 ainsi que requérir l'avis visé à l'article 2.3.41, § 1er.
§ 3. Lorsque l'Administration estime que le plan de déplacements d'activités est incomplet, elle demande à la personne de contact du gestionnaire de site et à celle de l'utilisateur de site de le faire compléter.
La personne de contact du gestionnaire de site et celle de l'utilisateur de site envoient à l'Administration le complément de plan de déplacements d'activités.
§ 2. Le gestionnaire de site et l'utilisateur de site peuvent, simultanément à l'envoi du plan de déplacements d'activités, introduire une demande d'accord de principe d'octroi de l'aide visée à l'article 2.3.46 ainsi que requérir l'avis visé à l'article 2.3.41, § 1er.
§ 3. Lorsque l'Administration estime que le plan de déplacements d'activités est incomplet, elle demande à la personne de contact du gestionnaire de site et à celle de l'utilisateur de site de le faire compléter.
La personne de contact du gestionnaire de site et celle de l'utilisateur de site envoient à l'Administration le complément de plan de déplacements d'activités.
Art. 2.3.41. § 1. Indien het Bestuur het opportuun acht of indien de sitebeheerder of de sitegebruiker hierom vraagt, kan het het advies van [1 Leefmilieu Brussel]1, de betrokken politiezone(s), de betrokken gemeente(n) of de betrokken maatschappij(en) van openbaar vervoer vragen over het oorspronkelijke of aangevulde activiteitenvervoerplan.
De personen bedoeld in het eerste lid sturen hun advies naar het Bestuur.
§ 2. Het Bestuur stuurt zijn advies, gebaseerd op het advies bedoeld in § 1, naar de contactpersoon van de sitebeheerder en deze van de sitegebruiker.
De personen bedoeld in het eerste lid sturen hun advies naar het Bestuur.
§ 2. Het Bestuur stuurt zijn advies, gebaseerd op het advies bedoeld in § 1, naar de contactpersoon van de sitebeheerder en deze van de sitegebruiker.
Art. 2.3.41. § 1er. Si l'Administration le juge opportun ou si le gestionnaire de site ou l'utilisateur de site le demande, elle peut demander l'avis de [1 Bruxelles Environnement]1, de la ou des zones de police concernées, de la ou des communes concernées, ou de la ou des sociétés de transport public concernées sur le plan de déplacements d'activités, initial ou complété.
Les personnes visées à l'alinéa 1er envoient leur avis à l'Administration.
§ 2. L'Administration envoie à la personne de contact du gestionnaire de site et à celle de l'utilisateur de site son avis basé sur celui visé au paragraphe 1er.
Les personnes visées à l'alinéa 1er envoient leur avis à l'Administration.
§ 2. L'Administration envoie à la personne de contact du gestionnaire de site et à celle de l'utilisateur de site son avis basé sur celui visé au paragraphe 1er.
Wijzigingen
Art. 2.3.43. De sitebeheerder en de sitegebruiker implementeren op zijn minst de verplichte acties van het activiteitenvervoerplan.
Het Bestuur deelt aan de contactpersoon van de sitebeheerder en deze van de sitegebruiker, de beslissing van de Regering mee over de toekenning of weigering van de steun met toepassing van artikel 2.3.46.
Het Bestuur deelt aan de contactpersoon van de sitebeheerder en deze van de sitegebruiker, de beslissing van de Regering mee over de toekenning of weigering van de steun met toepassing van artikel 2.3.46.
Art. 2.3.43. Le gestionnaire de site et l'utilisateur de site mettent en oeuvre, au minimum, les actions obligatoires du plan de déplacements d'activités.
L'Administration notifie à la personne de contact du gestionnaire de site et à celle de l'utilisateur de site la décision du Gouvernement d'octroi ou de refus de l'aide, en application de l'article 2.3.46.
L'Administration notifie à la personne de contact du gestionnaire de site et à celle de l'utilisateur de site la décision du Gouvernement d'octroi ou de refus de l'aide, en application de l'article 2.3.46.
Art. 2.3.43. De sitebeheerder en de sitegebruiker implementeren op zijn minst de verplichte acties van het activiteitenvervoerplan.
Het Bestuur deelt aan de contactpersoon van de sitebeheerder en deze van de sitegebruiker, de beslissing van de Regering mee over de toekenning of weigering van de steun met toepassing van artikel 2.3.46.
Het Bestuur deelt aan de contactpersoon van de sitebeheerder en deze van de sitegebruiker, de beslissing van de Regering mee over de toekenning of weigering van de steun met toepassing van artikel 2.3.46.
Art. 2.3.43. Le gestionnaire de site et l'utilisateur de site mettent en oeuvre, au minimum, les actions obligatoires du plan de déplacements d'activités.
L'Administration notifie à la personne de contact du gestionnaire de site et à celle de l'utilisateur de site la décision du Gouvernement d'octroi ou de refus de l'aide, en application de l'article 2.3.46.
L'Administration notifie à la personne de contact du gestionnaire de site et à celle de l'utilisateur de site la décision du Gouvernement d'octroi ou de refus de l'aide, en application de l'article 2.3.46.
Art. 2.3.45. De sitebeheerder of de sitegebruiker wordt als in gebreke blijvend beschouwd indien hij binnen de voorgeschreven termijn :
1° zichzelf en zijn contactpersoon niet bekendmaakt aan het Bestuur, met toepassing van artikel 2.3.32, § 1, 1° ;
2° het Bestuur niet op de hoogte stelt van de verplaatsing van zijn activiteit en zijn nieuwe adres niet meedeelt, met toepassing van artikel 2.3.33, § 1;
3° zijn met toepassing van artikel 2.3.40 oorspronkelijke of aangevulde of met toepassing van artikel 2.3.42 gewijzigde activiteitenvervoerplan niet naar het Bestuur stuurt;
4° de acties niet implementeert, met toepassing van de artikelen 2.3.34, 2.3.35, 2.3.39 en 2.3.43;
5° de update van zijn activiteitenvervoerplan niet naar het Bestuur stuurt, met toepassing van artikel 2.3.44.
Het Bestuur stuurt een verwittiging, bij aangetekend schrijven, aan de overtreder en bepaalt een termijn zodat deze een einde kan stellen aan het vastgestelde in gebreke blijven.
1° zichzelf en zijn contactpersoon niet bekendmaakt aan het Bestuur, met toepassing van artikel 2.3.32, § 1, 1° ;
2° het Bestuur niet op de hoogte stelt van de verplaatsing van zijn activiteit en zijn nieuwe adres niet meedeelt, met toepassing van artikel 2.3.33, § 1;
3° zijn met toepassing van artikel 2.3.40 oorspronkelijke of aangevulde of met toepassing van artikel 2.3.42 gewijzigde activiteitenvervoerplan niet naar het Bestuur stuurt;
4° de acties niet implementeert, met toepassing van de artikelen 2.3.34, 2.3.35, 2.3.39 en 2.3.43;
5° de update van zijn activiteitenvervoerplan niet naar het Bestuur stuurt, met toepassing van artikel 2.3.44.
Het Bestuur stuurt een verwittiging, bij aangetekend schrijven, aan de overtreder en bepaalt een termijn zodat deze een einde kan stellen aan het vastgestelde in gebreke blijven.
Art. 2.3.45. Le gestionnaire de site ou l'utilisateur de site est réputé défaillant lorsque, dans le délai prescrit, il :
1° ne se fait pas connaître et ne fait pas connaître sa personne de contact auprès de l'Administration, en application de l'article 2.3.32, § 1er, 1° ;
2° n'informe pas l'Administration du déplacement de son activité et ne lui fournit pas sa nouvelle adresse, en application de l'article 2.3.33, § 1er;
3° n'envoie pas à l'Administration le plan de déplacements d'activités, initial ou complété, en application de l'article 2.3.40 ou modifié en application de l'article 2.3.42;
4° ne met pas en oeuvre les actions, en application des articles 2.3.34, 2.3.35, 2.3.39 et 2.3.43;
5° n'envoie pas à l'Administration l'actualisation de son plan de déplacements d'activités, en application de l'article 2.3.44.
L'Administration adresse, par lettre recommandée, un avertissement au contrevenant et fixe un délai destiné à lui permettre de mettre fin à la défaillance constatée.
1° ne se fait pas connaître et ne fait pas connaître sa personne de contact auprès de l'Administration, en application de l'article 2.3.32, § 1er, 1° ;
2° n'informe pas l'Administration du déplacement de son activité et ne lui fournit pas sa nouvelle adresse, en application de l'article 2.3.33, § 1er;
3° n'envoie pas à l'Administration le plan de déplacements d'activités, initial ou complété, en application de l'article 2.3.40 ou modifié en application de l'article 2.3.42;
4° ne met pas en oeuvre les actions, en application des articles 2.3.34, 2.3.35, 2.3.39 et 2.3.43;
5° n'envoie pas à l'Administration l'actualisation de son plan de déplacements d'activités, en application de l'article 2.3.44.
L'Administration adresse, par lettre recommandée, un avertissement au contrevenant et fixe un délai destiné à lui permettre de mettre fin à la défaillance constatée.
Art. 2.3.45. De sitebeheerder of de sitegebruiker wordt als in gebreke blijvend beschouwd indien hij binnen de voorgeschreven termijn :
1° zichzelf en zijn contactpersoon niet bekendmaakt aan het Bestuur, met toepassing van artikel 2.3.32, § 1, 1° ;
2° het Bestuur niet op de hoogte stelt van de verplaatsing van zijn activiteit en zijn nieuwe adres niet meedeelt, met toepassing van artikel 2.3.33, § 1;
3° zijn met toepassing van artikel 2.3.40 oorspronkelijke of aangevulde of met toepassing van artikel 2.3.42 gewijzigde activiteitenvervoerplan niet naar het Bestuur stuurt;
4° de acties niet implementeert, met toepassing van de artikelen 2.3.34, 2.3.35, 2.3.39 en 2.3.43;
5° de update van zijn activiteitenvervoerplan niet naar het Bestuur stuurt, met toepassing van artikel 2.3.44.
Het Bestuur stuurt een verwittiging, bij aangetekend schrijven, aan de overtreder en bepaalt een termijn zodat deze een einde kan stellen aan het vastgestelde in gebreke blijven.
1° zichzelf en zijn contactpersoon niet bekendmaakt aan het Bestuur, met toepassing van artikel 2.3.32, § 1, 1° ;
2° het Bestuur niet op de hoogte stelt van de verplaatsing van zijn activiteit en zijn nieuwe adres niet meedeelt, met toepassing van artikel 2.3.33, § 1;
3° zijn met toepassing van artikel 2.3.40 oorspronkelijke of aangevulde of met toepassing van artikel 2.3.42 gewijzigde activiteitenvervoerplan niet naar het Bestuur stuurt;
4° de acties niet implementeert, met toepassing van de artikelen 2.3.34, 2.3.35, 2.3.39 en 2.3.43;
5° de update van zijn activiteitenvervoerplan niet naar het Bestuur stuurt, met toepassing van artikel 2.3.44.
Het Bestuur stuurt een verwittiging, bij aangetekend schrijven, aan de overtreder en bepaalt een termijn zodat deze een einde kan stellen aan het vastgestelde in gebreke blijven.
Art. 2.3.45. Le gestionnaire de site ou l'utilisateur de site est réputé défaillant lorsque, dans le délai prescrit, il :
1° ne se fait pas connaître et ne fait pas connaître sa personne de contact auprès de l'Administration, en application de l'article 2.3.32, § 1er, 1° ;
2° n'informe pas l'Administration du déplacement de son activité et ne lui fournit pas sa nouvelle adresse, en application de l'article 2.3.33, § 1er;
3° n'envoie pas à l'Administration le plan de déplacements d'activités, initial ou complété, en application de l'article 2.3.40 ou modifié en application de l'article 2.3.42;
4° ne met pas en oeuvre les actions, en application des articles 2.3.34, 2.3.35, 2.3.39 et 2.3.43;
5° n'envoie pas à l'Administration l'actualisation de son plan de déplacements d'activités, en application de l'article 2.3.44.
L'Administration adresse, par lettre recommandée, un avertissement au contrevenant et fixe un délai destiné à lui permettre de mettre fin à la défaillance constatée.
1° ne se fait pas connaître et ne fait pas connaître sa personne de contact auprès de l'Administration, en application de l'article 2.3.32, § 1er, 1° ;
2° n'informe pas l'Administration du déplacement de son activité et ne lui fournit pas sa nouvelle adresse, en application de l'article 2.3.33, § 1er;
3° n'envoie pas à l'Administration le plan de déplacements d'activités, initial ou complété, en application de l'article 2.3.40 ou modifié en application de l'article 2.3.42;
4° ne met pas en oeuvre les actions, en application des articles 2.3.34, 2.3.35, 2.3.39 et 2.3.43;
5° n'envoie pas à l'Administration l'actualisation de son plan de déplacements d'activités, en application de l'article 2.3.44.
L'Administration adresse, par lettre recommandée, un avertissement au contrevenant et fixe un délai destiné à lui permettre de mettre fin à la défaillance constatée.
Art. 2.3.46. § 1. Overeenkomstig de bepalingen van onderhavige afdeling, kan de Regering financiële of materiële steun toekennen om de opmaak en de implementatie van een vervoerplan aan te moedigen. Deze steun wordt vastgelegd binnen de beschikbare budgetten.
§ 2. Kunnen deze steun genieten :
1° de in afdeling 2 van onderhavig hoofdstuk bedoelde scholen;
2° de personen die een in afdeling 4 van onderhavig hoofdstuk bedoelde activiteit organiseren indien deze zonder winstoogmerk gebeurt.
§ 3. De Regering bepaalt de toekenningscriteria, de aard en het bedrag van de steun.
§ 2. Kunnen deze steun genieten :
1° de in afdeling 2 van onderhavig hoofdstuk bedoelde scholen;
2° de personen die een in afdeling 4 van onderhavig hoofdstuk bedoelde activiteit organiseren indien deze zonder winstoogmerk gebeurt.
§ 3. De Regering bepaalt de toekenningscriteria, de aard en het bedrag van de steun.
Art. 2.3.46. § 1er. Le Gouvernement peut allouer, conformément aux dispositions de la présente section, une aide financière ou matérielle destinée à encourager l'établissement et la mise en oeuvre d'un plan de déplacements. L'aide est fixée dans la limite des budgets disponibles.
§ 2. Peuvent bénéficier de l'aide :
1° les écoles visées à la section 2 du présent chapitre;
2° les personnes exerçant une activité, visée à la section 4 du présent chapitre, pour autant que ce soit sans but lucratif.
§ 3. Le Gouvernement détermine les critères d'attribution, la nature et le montant de l'aide.
§ 2. Peuvent bénéficier de l'aide :
1° les écoles visées à la section 2 du présent chapitre;
2° les personnes exerçant une activité, visée à la section 4 du présent chapitre, pour autant que ce soit sans but lucratif.
§ 3. Le Gouvernement détermine les critères d'attribution, la nature et le montant de l'aide.
Art. 2.3.47. § 1. De aanvraag voor een principeakkoord voor de toekenning van de in de artikelen 2.3.14, § 4, 2.3.17, § 2, 2.3.36 en 2.3.40, § 2 bedoelde steun is ontvankelijk indien :
1° de school het in artikel 2.3.10, tweede lid bedoelde tijdsschema heeft nageleefd, en dat de toepassingstermijnen van de artikelen 2.3.12, § 1, 2.3.14, § 1, 2.3.15, § 1 en 2.3.18 bepaalt;
2° de sitebeheerder of de sitegebruiker niet valt onder een van de in artikel 2.3.45 bedoelde gevallen van tekortkoming.
De Regering kan andere ontvankelijkheidsvoorwaarden voor de aanvraag bepalen dan deze die in het eerste lid worden bedoeld.
§ 2. De Regering bepaalt de samenstelling van het aanvraagdossier voor een principeakkoord voor de toekenning van de steun.
1° de school het in artikel 2.3.10, tweede lid bedoelde tijdsschema heeft nageleefd, en dat de toepassingstermijnen van de artikelen 2.3.12, § 1, 2.3.14, § 1, 2.3.15, § 1 en 2.3.18 bepaalt;
2° de sitebeheerder of de sitegebruiker niet valt onder een van de in artikel 2.3.45 bedoelde gevallen van tekortkoming.
De Regering kan andere ontvankelijkheidsvoorwaarden voor de aanvraag bepalen dan deze die in het eerste lid worden bedoeld.
§ 2. De Regering bepaalt de samenstelling van het aanvraagdossier voor een principeakkoord voor de toekenning van de steun.
Art. 2.3.47. § 1er. La demande d'accord de principe d'octroi de l'aide, visée aux articles 2.3.14, § 4, 2.3.17, § 2, 2.3.36 et 2.3.40, § 2, est recevable, pour autant que :
1° l'école ait respecté le calendrier visé à l'article 2.3.10, alinéa 2 fixant les délais d'application des articles 2.3.12, § 1er, 2.3.14, § 1er, 2.3.15, § 1er et 2.3.18;
2° le gestionnaire de site ou l'utilisateur de site n'ait commis aucune des défaillances visées à l'article 2.3.45.
Le Gouvernement peut définir d'autres conditions de recevabilité de la demande que celles visées à l'alinéa 1er.
§ 2. Le Gouvernement détermine la composition du dossier de demande d'accord de principe d'octroi de l'aide.
1° l'école ait respecté le calendrier visé à l'article 2.3.10, alinéa 2 fixant les délais d'application des articles 2.3.12, § 1er, 2.3.14, § 1er, 2.3.15, § 1er et 2.3.18;
2° le gestionnaire de site ou l'utilisateur de site n'ait commis aucune des défaillances visées à l'article 2.3.45.
Le Gouvernement peut définir d'autres conditions de recevabilité de la demande que celles visées à l'alinéa 1er.
§ 2. Le Gouvernement détermine la composition du dossier de demande d'accord de principe d'octroi de l'aide.
Art. 2.3.47. § 1. De aanvraag voor een principeakkoord voor de toekenning van de in de artikelen 2.3.14, § 4, 2.3.17, § 2, 2.3.36 en 2.3.40, § 2 bedoelde steun is ontvankelijk indien :
1° de school het in artikel 2.3.10, tweede lid bedoelde tijdsschema heeft nageleefd, en dat de toepassingstermijnen van de artikelen 2.3.12, § 1, 2.3.14, § 1, 2.3.15, § 1 en 2.3.18 bepaalt;
2° de sitebeheerder of de sitegebruiker niet valt onder een van de in artikel 2.3.45 bedoelde gevallen van tekortkoming.
De Regering kan andere ontvankelijkheidsvoorwaarden voor de aanvraag bepalen dan deze die in het eerste lid worden bedoeld.
§ 2. De Regering bepaalt de samenstelling van het aanvraagdossier voor een principeakkoord voor de toekenning van de steun.
1° de school het in artikel 2.3.10, tweede lid bedoelde tijdsschema heeft nageleefd, en dat de toepassingstermijnen van de artikelen 2.3.12, § 1, 2.3.14, § 1, 2.3.15, § 1 en 2.3.18 bepaalt;
2° de sitebeheerder of de sitegebruiker niet valt onder een van de in artikel 2.3.45 bedoelde gevallen van tekortkoming.
De Regering kan andere ontvankelijkheidsvoorwaarden voor de aanvraag bepalen dan deze die in het eerste lid worden bedoeld.
§ 2. De Regering bepaalt de samenstelling van het aanvraagdossier voor een principeakkoord voor de toekenning van de steun.
Art. 2.3.47. § 1er. La demande d'accord de principe d'octroi de l'aide, visée aux articles 2.3.14, § 4, 2.3.17, § 2, 2.3.36 et 2.3.40, § 2, est recevable, pour autant que :
1° l'école ait respecté le calendrier visé à l'article 2.3.10, alinéa 2 fixant les délais d'application des articles 2.3.12, § 1er, 2.3.14, § 1er, 2.3.15, § 1er et 2.3.18;
2° le gestionnaire de site ou l'utilisateur de site n'ait commis aucune des défaillances visées à l'article 2.3.45.
Le Gouvernement peut définir d'autres conditions de recevabilité de la demande que celles visées à l'alinéa 1er.
§ 2. Le Gouvernement détermine la composition du dossier de demande d'accord de principe d'octroi de l'aide.
1° l'école ait respecté le calendrier visé à l'article 2.3.10, alinéa 2 fixant les délais d'application des articles 2.3.12, § 1er, 2.3.14, § 1er, 2.3.15, § 1er et 2.3.18;
2° le gestionnaire de site ou l'utilisateur de site n'ait commis aucune des défaillances visées à l'article 2.3.45.
Le Gouvernement peut définir d'autres conditions de recevabilité de la demande que celles visées à l'alinéa 1er.
§ 2. Le Gouvernement détermine la composition du dossier de demande d'accord de principe d'octroi de l'aide.
Art. 2.3.49. § 1. De Regering kan de teruggave van de steun eisen indien binnen de voorgeschreven termijn :
1° de school het actieplan, overeenkomstig artikel 2.3.15, niet implementeert of de steun gebruikt voor andere doeleinden dan deze waarvoor hij werd toegekend;
2° de sitebeheerder of sitegebruiker de verplichte acties van zijn actieplan, overeenkomstig artikelen 2.3.34, 2.3.35 en 2.3.43 niet implementeert of de steun gebruikt voor andere doeleinden dan deze waarvoor hij werd toegekend.
De Regering kan andere voorwaarden voor de teruggave van de steun bepalen dan deze vermeld in het eerste lid.
§ 2. Indien de teruggave van de steun niet binnen de door de Regering bepaalde termijn wordt uitgevoerd, dan wordt de overtreder bestraft met een administratieve boete die gelijk is aan maximum het dubbele van het bedrag van de in artikel 2.3.46, § 3 bedoelde steun.
1° de school het actieplan, overeenkomstig artikel 2.3.15, niet implementeert of de steun gebruikt voor andere doeleinden dan deze waarvoor hij werd toegekend;
2° de sitebeheerder of sitegebruiker de verplichte acties van zijn actieplan, overeenkomstig artikelen 2.3.34, 2.3.35 en 2.3.43 niet implementeert of de steun gebruikt voor andere doeleinden dan deze waarvoor hij werd toegekend.
De Regering kan andere voorwaarden voor de teruggave van de steun bepalen dan deze vermeld in het eerste lid.
§ 2. Indien de teruggave van de steun niet binnen de door de Regering bepaalde termijn wordt uitgevoerd, dan wordt de overtreder bestraft met een administratieve boete die gelijk is aan maximum het dubbele van het bedrag van de in artikel 2.3.46, § 3 bedoelde steun.
Art. 2.3.49. § 1er. Le Gouvernement peut exiger la restitution de l'aide si, dans le délai prescrit :
1° l'école ne met pas en oeuvre le plan d'actions, conformément à l'article 2.3.15 ou utilise l'aide à d'autres fins que celles pour lesquelles elle a été octroyée;
2° le gestionnaire de site ou l'utilisateur de site ne met pas en oeuvre les actions obligatoires de son plan d'actions, conformément aux articles 2.3.34, 2.3.35 et 2.3.43 ou utilise l'aide à d'autres fins que celles pour lesquelles elle a été octroyée.
Le Gouvernement peut définir d'autres conditions de restitution de l'aide que celles visées à l'alinéa 1er.
§ 2. A défaut de restitution de l'aide dans le délai déterminé par le Gouvernement, le contrevenant est passible d'une amende administrative équivalant au maximum au double du montant de l'aide visée à l'article 2.3.46, § 3.
1° l'école ne met pas en oeuvre le plan d'actions, conformément à l'article 2.3.15 ou utilise l'aide à d'autres fins que celles pour lesquelles elle a été octroyée;
2° le gestionnaire de site ou l'utilisateur de site ne met pas en oeuvre les actions obligatoires de son plan d'actions, conformément aux articles 2.3.34, 2.3.35 et 2.3.43 ou utilise l'aide à d'autres fins que celles pour lesquelles elle a été octroyée.
Le Gouvernement peut définir d'autres conditions de restitution de l'aide que celles visées à l'alinéa 1er.
§ 2. A défaut de restitution de l'aide dans le délai déterminé par le Gouvernement, le contrevenant est passible d'une amende administrative équivalant au maximum au double du montant de l'aide visée à l'article 2.3.46, § 3.
Art. 2.3.49. § 1. De Regering kan de teruggave van de steun eisen indien binnen de voorgeschreven termijn :
1° de school het actieplan, overeenkomstig artikel 2.3.15, niet implementeert of de steun gebruikt voor andere doeleinden dan deze waarvoor hij werd toegekend;
2° de sitebeheerder of sitegebruiker de verplichte acties van zijn actieplan, overeenkomstig artikelen 2.3.34, 2.3.35 en 2.3.43 niet implementeert of de steun gebruikt voor andere doeleinden dan deze waarvoor hij werd toegekend.
De Regering kan andere voorwaarden voor de teruggave van de steun bepalen dan deze vermeld in het eerste lid.
§ 2. Indien de teruggave van de steun niet binnen de door de Regering bepaalde termijn wordt uitgevoerd, dan wordt de overtreder bestraft met een administratieve boete die gelijk is aan maximum het dubbele van het bedrag van de in artikel 2.3.46, § 3 bedoelde steun.
1° de school het actieplan, overeenkomstig artikel 2.3.15, niet implementeert of de steun gebruikt voor andere doeleinden dan deze waarvoor hij werd toegekend;
2° de sitebeheerder of sitegebruiker de verplichte acties van zijn actieplan, overeenkomstig artikelen 2.3.34, 2.3.35 en 2.3.43 niet implementeert of de steun gebruikt voor andere doeleinden dan deze waarvoor hij werd toegekend.
De Regering kan andere voorwaarden voor de teruggave van de steun bepalen dan deze vermeld in het eerste lid.
§ 2. Indien de teruggave van de steun niet binnen de door de Regering bepaalde termijn wordt uitgevoerd, dan wordt de overtreder bestraft met een administratieve boete die gelijk is aan maximum het dubbele van het bedrag van de in artikel 2.3.46, § 3 bedoelde steun.
Art. 2.3.49. § 1er. Le Gouvernement peut exiger la restitution de l'aide si, dans le délai prescrit :
1° l'école ne met pas en oeuvre le plan d'actions, conformément à l'article 2.3.15 ou utilise l'aide à d'autres fins que celles pour lesquelles elle a été octroyée;
2° le gestionnaire de site ou l'utilisateur de site ne met pas en oeuvre les actions obligatoires de son plan d'actions, conformément aux articles 2.3.34, 2.3.35 et 2.3.43 ou utilise l'aide à d'autres fins que celles pour lesquelles elle a été octroyée.
Le Gouvernement peut définir d'autres conditions de restitution de l'aide que celles visées à l'alinéa 1er.
§ 2. A défaut de restitution de l'aide dans le délai déterminé par le Gouvernement, le contrevenant est passible d'une amende administrative équivalant au maximum au double du montant de l'aide visée à l'article 2.3.46, § 3.
1° l'école ne met pas en oeuvre le plan d'actions, conformément à l'article 2.3.15 ou utilise l'aide à d'autres fins que celles pour lesquelles elle a été octroyée;
2° le gestionnaire de site ou l'utilisateur de site ne met pas en oeuvre les actions obligatoires de son plan d'actions, conformément aux articles 2.3.34, 2.3.35 et 2.3.43 ou utilise l'aide à d'autres fins que celles pour lesquelles elle a été octroyée.
Le Gouvernement peut définir d'autres conditions de restitution de l'aide que celles visées à l'alinéa 1er.
§ 2. A défaut de restitution de l'aide dans le délai déterminé par le Gouvernement, le contrevenant est passible d'une amende administrative équivalant au maximum au double du montant de l'aide visée à l'article 2.3.46, § 3.
Art. 2.3.50. § 1. De Regering definieert milieuprestatie-eisen die van toepassing zijn voor de aan te kopen of te leasen voertuigen van natuurlijke of rechtspersonen die op het grondgebied van het Gewest één of meer van de volgende activiteiten uitoefenen :
1° een taxidienst;
2° een dienst voor het verhuren van voertuigen met of zonder chauffeur of voor autodelen;
3° een toeristische busdienst.
§ 2. De Regering kan premies toekennen om de aankoop van voertuigen die beantwoorden aan de milieudoelstellingen gedefinieerd krachtens § 1 aan te moedigen.
1° een taxidienst;
2° een dienst voor het verhuren van voertuigen met of zonder chauffeur of voor autodelen;
3° een toeristische busdienst.
§ 2. De Regering kan premies toekennen om de aankoop van voertuigen die beantwoorden aan de milieudoelstellingen gedefinieerd krachtens § 1 aan te moedigen.
Art. 2.3.50. § 1er. Le Gouvernement définit des exigences en matière de performance environnementale applicables aux véhicules à acquérir ou à prendre en leasing par les personnes physiques ou morales exploitant, sur le territoire de la Région, une ou plusieurs des activités suivantes :
1° un service de taxis;
2° un service de location de voitures avec ou sans chauffeur ou un service de véhicules partagés;
3° un service de bus touristiques.
§ 2. Le Gouvernement peut octroyer des primes visant à stimuler l'acquisition de véhicules répondant aux objectifs environnementaux définis en vertu du paragraphe 1er.
1° un service de taxis;
2° un service de location de voitures avec ou sans chauffeur ou un service de véhicules partagés;
3° un service de bus touristiques.
§ 2. Le Gouvernement peut octroyer des primes visant à stimuler l'acquisition de véhicules répondant aux objectifs environnementaux définis en vertu du paragraphe 1er.
Art. 2.3.50. § 1. De Regering definieert milieuprestatie-eisen die van toepassing zijn voor de aan te kopen of te leasen voertuigen van natuurlijke of rechtspersonen die op het grondgebied van het Gewest één of meer van de volgende activiteiten uitoefenen :
1° een taxidienst;
2° een dienst voor het verhuren van voertuigen met of zonder chauffeur of voor autodelen;
3° een toeristische busdienst.
§ 2. De Regering kan premies toekennen om de aankoop van voertuigen die beantwoorden aan de milieudoelstellingen gedefinieerd krachtens § 1 aan te moedigen.
1° een taxidienst;
2° een dienst voor het verhuren van voertuigen met of zonder chauffeur of voor autodelen;
3° een toeristische busdienst.
§ 2. De Regering kan premies toekennen om de aankoop van voertuigen die beantwoorden aan de milieudoelstellingen gedefinieerd krachtens § 1 aan te moedigen.
Art. 2.3.50. § 1er. Le Gouvernement définit des exigences en matière de performance environnementale applicables aux véhicules à acquérir ou à prendre en leasing par les personnes physiques ou morales exploitant, sur le territoire de la Région, une ou plusieurs des activités suivantes :
1° un service de taxis;
2° un service de location de voitures avec ou sans chauffeur ou un service de véhicules partagés;
3° un service de bus touristiques.
§ 2. Le Gouvernement peut octroyer des primes visant à stimuler l'acquisition de véhicules répondant aux objectifs environnementaux définis en vertu du paragraphe 1er.
1° un service de taxis;
2° un service de location de voitures avec ou sans chauffeur ou un service de véhicules partagés;
3° un service de bus touristiques.
§ 2. Le Gouvernement peut octroyer des primes visant à stimuler l'acquisition de véhicules répondant aux objectifs environnementaux définis en vertu du paragraphe 1er.
HOOFDSTUK 3. - Parkings buiten de openbare weg
CHAPITRE 3. - Stationnement hors voirie
Art. 2.3.51. Met het oog op de toepassing van dit hoofdstuk, verstaat men onder :
1° " Aanvraag " : een aanvraag om milieuvergunning in de zin van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, een aanvraag om milieucertificaat in de zin van artikel 8 van dezelfde ordonnantie of een aanvraag tot verlenging van een milieuvergunning in de zin van artikel 62 van dezelfde ordonnantie;
2° " Aanvrager " : elke publieke of privépersoon die een aanvraag indient;
3° " Parkeerplaats " : een plaats buiten de openbare weg voor het stationeren van een autovoertuig op twee tot vier wielen en waarvan de toegang voorbehouden is aan sommige gebruikers, in tegenstelling tot de openbare parking;
4° " Overtollige parkeerplaats " : een parkeerplaats zoals gedefinieerd in punt 3° die het aantal toegestane plaatsen, zoals bepaald krachtens de artikelen 2.3.53 en 2.3.54, met inbegrip van § 4 van artikel 2.3.54 overschrijdt;
5° " Woning " : geheel van lokalen bestemd voor bewoning, die samen een wooneenheid vormen;
6° " Parking " : elke ingedeelde inrichting in de zin van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen die parkeerplaatsen of overtollige parkeerplaatsen behelst in de zin van punten 3° en 4° van onderhavig artikel;
7° " Openbare parking " : elke parking die, gratis of tegen betaling, toegankelijk is voor het publiek en die voldoet aan de voorwaarden van de ordonnantie van 22 januari 2009 houdende de organisatie van het parkeerbeleid en de oprichting van het Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap, of als dusdanig erkend is in de milieuvergunning waaraan ze onderworpen is, met inbegrip van die welke aan het Gewest of elke andere publiekrechtelijke rechtspersoon toebehoren, met inbegrip van de transitparkings;
8° " Milieuvergunning " of " milieucertificaat " : de vergunning of het certificaat uitgereikt met toepassing van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
9° " Vloeroppervlakte " : som van de overdekte vloeren met een vrije hoogte van minstens 2,20 meter in alle lokalen, met uitsluiting van de lokalen gelegen onder het terreinniveau die voor parkeerplaatsen, kelders, technische voorzieningen en opslagplaatsen bestemd zijn;
10° " Dienstvoertuig " : voertuig bestemd voor leveringen of diensten of een ander voertuig nodig voor de technische activiteiten van een onderneming, met uitsluiting van dienstwagens met chauffeur en van de ter beschikking van het personeel gestelde wagens, zoals de bedrijfswagens.
1° " Aanvraag " : een aanvraag om milieuvergunning in de zin van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, een aanvraag om milieucertificaat in de zin van artikel 8 van dezelfde ordonnantie of een aanvraag tot verlenging van een milieuvergunning in de zin van artikel 62 van dezelfde ordonnantie;
2° " Aanvrager " : elke publieke of privépersoon die een aanvraag indient;
3° " Parkeerplaats " : een plaats buiten de openbare weg voor het stationeren van een autovoertuig op twee tot vier wielen en waarvan de toegang voorbehouden is aan sommige gebruikers, in tegenstelling tot de openbare parking;
4° " Overtollige parkeerplaats " : een parkeerplaats zoals gedefinieerd in punt 3° die het aantal toegestane plaatsen, zoals bepaald krachtens de artikelen 2.3.53 en 2.3.54, met inbegrip van § 4 van artikel 2.3.54 overschrijdt;
5° " Woning " : geheel van lokalen bestemd voor bewoning, die samen een wooneenheid vormen;
6° " Parking " : elke ingedeelde inrichting in de zin van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen die parkeerplaatsen of overtollige parkeerplaatsen behelst in de zin van punten 3° en 4° van onderhavig artikel;
7° " Openbare parking " : elke parking die, gratis of tegen betaling, toegankelijk is voor het publiek en die voldoet aan de voorwaarden van de ordonnantie van 22 januari 2009 houdende de organisatie van het parkeerbeleid en de oprichting van het Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap, of als dusdanig erkend is in de milieuvergunning waaraan ze onderworpen is, met inbegrip van die welke aan het Gewest of elke andere publiekrechtelijke rechtspersoon toebehoren, met inbegrip van de transitparkings;
8° " Milieuvergunning " of " milieucertificaat " : de vergunning of het certificaat uitgereikt met toepassing van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
9° " Vloeroppervlakte " : som van de overdekte vloeren met een vrije hoogte van minstens 2,20 meter in alle lokalen, met uitsluiting van de lokalen gelegen onder het terreinniveau die voor parkeerplaatsen, kelders, technische voorzieningen en opslagplaatsen bestemd zijn;
10° " Dienstvoertuig " : voertuig bestemd voor leveringen of diensten of een ander voertuig nodig voor de technische activiteiten van een onderneming, met uitsluiting van dienstwagens met chauffeur en van de ter beschikking van het personeel gestelde wagens, zoals de bedrijfswagens.
Art. 2.3.51. Pour l'application du présent chapitre, on entend par :
1° " Demande " : une demande de permis d'environnement au sens de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, une demande de certificat d'environnement au sens de l'article 8 de la même ordonnance, ou une demande de prolongation d'un permis d'environnement au sens de l'article 62 de la même ordonnance;
2° " Demandeur " : toute personne, publique ou privée, qui introduit une demande;
3° " Emplacement de parcage " : un lieu de stationnement hors voirie pour un véhicule automobile de deux à quatre roues dont l'accès est réservé à certains utilisateurs, par opposition au parking public;
4° " Emplacement de parcage excédentaire " : un emplacement de parcage tel que défini au 3° qui excède le nombre d'emplacements autorisés tel que celui-ci est déterminé en vertu des articles 2.3.53 et 2.3.54, en ce compris le paragraphe 4 de l'article 2.3.54;
5° " Logement " : ensemble de locaux destinés à l'habitation et formant une unité de résidence;
6° " Parking " : toute installation classée au sens de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement abritant des emplacements de parcage ou des emplacements de parcage excédentaires au sens des 3° et 4° du présent article;
7° " Parking public " : tout parking accessible au public gratuit ou payant et répondant aux conditions visées par l'ordonnance du 22 janvier 2009 portant organisation de la politique du stationnement et création de l'Agence du stationnement de la Région de Bruxelles-Capitale, ou reconnu comme tel par le permis d'environnement qui le régit, en ce compris ceux appartenant à la Région ou à toute autre personne morale de droit public, y compris les parkings de transit;
8° " Permis d'environnement " ou " certificat d'environnement " : le permis ou le certificat délivré en application de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement;
9° " Superficie de plancher " : totalité des planchers mis à couvert et offrant une hauteur libre d'au moins 2,20 m dans tous les locaux, à l'exclusion des locaux destinés au parcage et des locaux situés sous le niveau du sol qui sont destinés aux caves, aux équipements techniques et aux dépôts;
10° " Véhicule fonctionnel " : véhicule de livraison, de service ou autre véhicule nécessaire aux activités d'une entreprise, à l'exclusion des voitures de fonction avec chauffeur et des véhicules mis à disposition d'un employé tels que les véhicules de société.
1° " Demande " : une demande de permis d'environnement au sens de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, une demande de certificat d'environnement au sens de l'article 8 de la même ordonnance, ou une demande de prolongation d'un permis d'environnement au sens de l'article 62 de la même ordonnance;
2° " Demandeur " : toute personne, publique ou privée, qui introduit une demande;
3° " Emplacement de parcage " : un lieu de stationnement hors voirie pour un véhicule automobile de deux à quatre roues dont l'accès est réservé à certains utilisateurs, par opposition au parking public;
4° " Emplacement de parcage excédentaire " : un emplacement de parcage tel que défini au 3° qui excède le nombre d'emplacements autorisés tel que celui-ci est déterminé en vertu des articles 2.3.53 et 2.3.54, en ce compris le paragraphe 4 de l'article 2.3.54;
5° " Logement " : ensemble de locaux destinés à l'habitation et formant une unité de résidence;
6° " Parking " : toute installation classée au sens de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement abritant des emplacements de parcage ou des emplacements de parcage excédentaires au sens des 3° et 4° du présent article;
7° " Parking public " : tout parking accessible au public gratuit ou payant et répondant aux conditions visées par l'ordonnance du 22 janvier 2009 portant organisation de la politique du stationnement et création de l'Agence du stationnement de la Région de Bruxelles-Capitale, ou reconnu comme tel par le permis d'environnement qui le régit, en ce compris ceux appartenant à la Région ou à toute autre personne morale de droit public, y compris les parkings de transit;
8° " Permis d'environnement " ou " certificat d'environnement " : le permis ou le certificat délivré en application de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement;
9° " Superficie de plancher " : totalité des planchers mis à couvert et offrant une hauteur libre d'au moins 2,20 m dans tous les locaux, à l'exclusion des locaux destinés au parcage et des locaux situés sous le niveau du sol qui sont destinés aux caves, aux équipements techniques et aux dépôts;
10° " Véhicule fonctionnel " : véhicule de livraison, de service ou autre véhicule nécessaire aux activités d'une entreprise, à l'exclusion des voitures de fonction avec chauffeur et des véhicules mis à disposition d'un employé tels que les véhicules de société.
Art. 2.3.51. Met het oog op de toepassing van dit hoofdstuk, verstaat men onder :
1° " Aanvraag " : een aanvraag om milieuvergunning in de zin van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, een aanvraag om milieucertificaat in de zin van artikel 8 van dezelfde ordonnantie of een aanvraag tot verlenging van een milieuvergunning in de zin van artikel 62 van dezelfde ordonnantie;
2° " Aanvrager " : elke publieke of privépersoon die een aanvraag indient;
3° " Parkeerplaats " : een plaats buiten de openbare weg voor het stationeren van een autovoertuig op twee tot vier wielen en waarvan de toegang voorbehouden is aan sommige gebruikers, in tegenstelling tot de openbare parking;
4° " Overtollige parkeerplaats " : een parkeerplaats zoals gedefinieerd in punt 3° die het aantal toegestane plaatsen, zoals bepaald krachtens de artikelen 2.3.53 en 2.3.54, met inbegrip van § 4 van artikel 2.3.54 overschrijdt;
5° " Woning " : geheel van lokalen bestemd voor bewoning, die samen een wooneenheid vormen;
6° " Parking " : elke ingedeelde inrichting in de zin van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen die parkeerplaatsen of overtollige parkeerplaatsen behelst in de zin van punten 3° en 4° van onderhavig artikel;
7° " Openbare parking " : elke parking die, gratis of tegen betaling, toegankelijk is voor het publiek en die voldoet aan de voorwaarden van de ordonnantie van 22 januari 2009 houdende de organisatie van het parkeerbeleid en de oprichting van het Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap, of als dusdanig erkend is in de milieuvergunning waaraan ze onderworpen is, met inbegrip van die welke aan het Gewest of elke andere publiekrechtelijke rechtspersoon toebehoren, met inbegrip van de transitparkings;
8° " Milieuvergunning " of " milieucertificaat " : de vergunning of het certificaat uitgereikt met toepassing van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
9° " Vloeroppervlakte " : som van de overdekte vloeren met een vrije hoogte van minstens 2,20 meter in alle lokalen, met uitsluiting van de lokalen gelegen onder het terreinniveau die voor parkeerplaatsen, kelders, technische voorzieningen en opslagplaatsen bestemd zijn;
10° " Dienstvoertuig " : voertuig bestemd voor leveringen of diensten of een ander voertuig nodig voor de technische activiteiten van een onderneming, met uitsluiting van dienstwagens met chauffeur en van de ter beschikking van het personeel gestelde wagens, zoals de bedrijfswagens.
1° " Aanvraag " : een aanvraag om milieuvergunning in de zin van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, een aanvraag om milieucertificaat in de zin van artikel 8 van dezelfde ordonnantie of een aanvraag tot verlenging van een milieuvergunning in de zin van artikel 62 van dezelfde ordonnantie;
2° " Aanvrager " : elke publieke of privépersoon die een aanvraag indient;
3° " Parkeerplaats " : een plaats buiten de openbare weg voor het stationeren van een autovoertuig op twee tot vier wielen en waarvan de toegang voorbehouden is aan sommige gebruikers, in tegenstelling tot de openbare parking;
4° " Overtollige parkeerplaats " : een parkeerplaats zoals gedefinieerd in punt 3° die het aantal toegestane plaatsen, zoals bepaald krachtens de artikelen 2.3.53 en 2.3.54, met inbegrip van § 4 van artikel 2.3.54 overschrijdt;
5° " Woning " : geheel van lokalen bestemd voor bewoning, die samen een wooneenheid vormen;
6° " Parking " : elke ingedeelde inrichting in de zin van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen die parkeerplaatsen of overtollige parkeerplaatsen behelst in de zin van punten 3° en 4° van onderhavig artikel;
7° " Openbare parking " : elke parking die, gratis of tegen betaling, toegankelijk is voor het publiek en die voldoet aan de voorwaarden van de ordonnantie van 22 januari 2009 houdende de organisatie van het parkeerbeleid en de oprichting van het Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap, of als dusdanig erkend is in de milieuvergunning waaraan ze onderworpen is, met inbegrip van die welke aan het Gewest of elke andere publiekrechtelijke rechtspersoon toebehoren, met inbegrip van de transitparkings;
8° " Milieuvergunning " of " milieucertificaat " : de vergunning of het certificaat uitgereikt met toepassing van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
9° " Vloeroppervlakte " : som van de overdekte vloeren met een vrije hoogte van minstens 2,20 meter in alle lokalen, met uitsluiting van de lokalen gelegen onder het terreinniveau die voor parkeerplaatsen, kelders, technische voorzieningen en opslagplaatsen bestemd zijn;
10° " Dienstvoertuig " : voertuig bestemd voor leveringen of diensten of een ander voertuig nodig voor de technische activiteiten van een onderneming, met uitsluiting van dienstwagens met chauffeur en van de ter beschikking van het personeel gestelde wagens, zoals de bedrijfswagens.
Art. 2.3.51. Pour l'application du présent chapitre, on entend par :
1° " Demande " : une demande de permis d'environnement au sens de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, une demande de certificat d'environnement au sens de l'article 8 de la même ordonnance, ou une demande de prolongation d'un permis d'environnement au sens de l'article 62 de la même ordonnance;
2° " Demandeur " : toute personne, publique ou privée, qui introduit une demande;
3° " Emplacement de parcage " : un lieu de stationnement hors voirie pour un véhicule automobile de deux à quatre roues dont l'accès est réservé à certains utilisateurs, par opposition au parking public;
4° " Emplacement de parcage excédentaire " : un emplacement de parcage tel que défini au 3° qui excède le nombre d'emplacements autorisés tel que celui-ci est déterminé en vertu des articles 2.3.53 et 2.3.54, en ce compris le paragraphe 4 de l'article 2.3.54;
5° " Logement " : ensemble de locaux destinés à l'habitation et formant une unité de résidence;
6° " Parking " : toute installation classée au sens de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement abritant des emplacements de parcage ou des emplacements de parcage excédentaires au sens des 3° et 4° du présent article;
7° " Parking public " : tout parking accessible au public gratuit ou payant et répondant aux conditions visées par l'ordonnance du 22 janvier 2009 portant organisation de la politique du stationnement et création de l'Agence du stationnement de la Région de Bruxelles-Capitale, ou reconnu comme tel par le permis d'environnement qui le régit, en ce compris ceux appartenant à la Région ou à toute autre personne morale de droit public, y compris les parkings de transit;
8° " Permis d'environnement " ou " certificat d'environnement " : le permis ou le certificat délivré en application de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement;
9° " Superficie de plancher " : totalité des planchers mis à couvert et offrant une hauteur libre d'au moins 2,20 m dans tous les locaux, à l'exclusion des locaux destinés au parcage et des locaux situés sous le niveau du sol qui sont destinés aux caves, aux équipements techniques et aux dépôts;
10° " Véhicule fonctionnel " : véhicule de livraison, de service ou autre véhicule nécessaire aux activités d'une entreprise, à l'exclusion des voitures de fonction avec chauffeur et des véhicules mis à disposition d'un employé tels que les véhicules de société.
1° " Demande " : une demande de permis d'environnement au sens de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, une demande de certificat d'environnement au sens de l'article 8 de la même ordonnance, ou une demande de prolongation d'un permis d'environnement au sens de l'article 62 de la même ordonnance;
2° " Demandeur " : toute personne, publique ou privée, qui introduit une demande;
3° " Emplacement de parcage " : un lieu de stationnement hors voirie pour un véhicule automobile de deux à quatre roues dont l'accès est réservé à certains utilisateurs, par opposition au parking public;
4° " Emplacement de parcage excédentaire " : un emplacement de parcage tel que défini au 3° qui excède le nombre d'emplacements autorisés tel que celui-ci est déterminé en vertu des articles 2.3.53 et 2.3.54, en ce compris le paragraphe 4 de l'article 2.3.54;
5° " Logement " : ensemble de locaux destinés à l'habitation et formant une unité de résidence;
6° " Parking " : toute installation classée au sens de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement abritant des emplacements de parcage ou des emplacements de parcage excédentaires au sens des 3° et 4° du présent article;
7° " Parking public " : tout parking accessible au public gratuit ou payant et répondant aux conditions visées par l'ordonnance du 22 janvier 2009 portant organisation de la politique du stationnement et création de l'Agence du stationnement de la Région de Bruxelles-Capitale, ou reconnu comme tel par le permis d'environnement qui le régit, en ce compris ceux appartenant à la Région ou à toute autre personne morale de droit public, y compris les parkings de transit;
8° " Permis d'environnement " ou " certificat d'environnement " : le permis ou le certificat délivré en application de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement;
9° " Superficie de plancher " : totalité des planchers mis à couvert et offrant une hauteur libre d'au moins 2,20 m dans tous les locaux, à l'exclusion des locaux destinés au parcage et des locaux situés sous le niveau du sol qui sont destinés aux caves, aux équipements techniques et aux dépôts;
10° " Véhicule fonctionnel " : véhicule de livraison, de service ou autre véhicule nécessaire aux activités d'une entreprise, à l'exclusion des voitures de fonction avec chauffeur et des véhicules mis à disposition d'un employé tels que les véhicules de société.
Art. 2.3.52. § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de aan te leggen parkings in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, evenals op de bestaande parkings die minstens drie overtollige plaatsen tellen in de zin van de artikel 2.3.51, 4°.
§ 2. Het aantal toegestane parkeerplaatsen in een parking wordt bepaald volgens de regels waarin voorzien in de artikelen 2.3.53 en 2.3.54 rekening houdend met :
- enerzijds, de bereikbaarheidszone gedefinieerd in artikel 2.3.53 waarin het gebouw of deel van het gebouw gelegen is dat de inrichting moet bedienen waarvoor een milieuvergunning, een milieucertificaat of een verlenging van milieuvergunning wordt aangevraagd;
- en anderzijds, de vloeroppervlakte van dat gebouw of deel van gebouw.
§ 3. Die bepalingen zijn echter niet van toepassing :
1° op de parkeerplaatsen bestemd voor een woonfunctie;
2° op de parkeerplaatsen die fungeren als publieke parking;
3° op de parkeerplaatsen die exclusief bestemd zijn voor ambachts-, nijverheids-, logistieke, opslagactiviteiten of voor activiteiten voor de vervaardiging van materiële diensten, voor handelszaken, voor groothandel, voor grote speciaalzaken, voor voorzieningen van collectief belang of van openbare dienst en voor hotelinrichtingen. Al deze begrippen moeten worden verstaan in de zin van het Gewestelijk Bestemmingsplan;
4° op de parkeerplaatsen die exclusief bestemd zijn voor taxidiensten zoals gedefinieerd onder artikel 2, 1° van de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten, voor de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur of voor een autodeeldienst. In voorkomend geval, zal de aanvrager, in zijn aanvraag, het aantal parkeerplaatsen vermelden die voor deze functies gebruikt moeten worden.
De Regering kan een begeleidingsdienst aanstellen voor aanvragers die al hun parkeerplaatsen of een deel daarvan wensen te herbestemmen als parkeerplaatsen bestemd voor een woonfunctie, openbare parking in de zin van artikel 2.3.51, 7° of andere bestemmingen dan parkeerplaatsen voor voertuigen.
Om de vergunningsaanvrager te garanderen dat hij zich slechts tot één instantie moet richten tijdens de aanvraagprocedure van de milieuvergunning, zal [1 Leefmilieu Brussel]1 de contactinstantie voor de aanvrager zijn voor alles wat die milieuvergunning betreft (van de aanvraag van de vergunning tot de aflevering ervan). Deze opdracht zal worden uitgevoerd met de steun van het Parkeeragentschap voor wat de aspecten betreft die betrekking hebben op de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen als " openbare parking ".
Na de aflevering van de vergunning zal het Parkeeragentschap de taak hebben om voor de milieuvergunningshouder de instantie te worden voor wat de aspecten betreft die betrekking hebben op de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen als " openbare parkings " (eventuele bijstand, controle van de naleving van de voorwaarden verbonden aan de toekenning van het label " openbaar gebouw ", bijwerking van het kadaster, eventuele exploitatie van plaatsen enz.).
Op verzoek van de milieuvergunningshouder zal het Parkeeragentschap het beheer van de overtollige parkeerplaatsen in de zin van artikel 2.3.51,4° met een herbestemming als openbare parking in de zin van artikel 2.3.51, 7° op zich kunnen nemen.
§ 2. Het aantal toegestane parkeerplaatsen in een parking wordt bepaald volgens de regels waarin voorzien in de artikelen 2.3.53 en 2.3.54 rekening houdend met :
- enerzijds, de bereikbaarheidszone gedefinieerd in artikel 2.3.53 waarin het gebouw of deel van het gebouw gelegen is dat de inrichting moet bedienen waarvoor een milieuvergunning, een milieucertificaat of een verlenging van milieuvergunning wordt aangevraagd;
- en anderzijds, de vloeroppervlakte van dat gebouw of deel van gebouw.
§ 3. Die bepalingen zijn echter niet van toepassing :
1° op de parkeerplaatsen bestemd voor een woonfunctie;
2° op de parkeerplaatsen die fungeren als publieke parking;
3° op de parkeerplaatsen die exclusief bestemd zijn voor ambachts-, nijverheids-, logistieke, opslagactiviteiten of voor activiteiten voor de vervaardiging van materiële diensten, voor handelszaken, voor groothandel, voor grote speciaalzaken, voor voorzieningen van collectief belang of van openbare dienst en voor hotelinrichtingen. Al deze begrippen moeten worden verstaan in de zin van het Gewestelijk Bestemmingsplan;
4° op de parkeerplaatsen die exclusief bestemd zijn voor taxidiensten zoals gedefinieerd onder artikel 2, 1° van de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten, voor de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur of voor een autodeeldienst. In voorkomend geval, zal de aanvrager, in zijn aanvraag, het aantal parkeerplaatsen vermelden die voor deze functies gebruikt moeten worden.
De Regering kan een begeleidingsdienst aanstellen voor aanvragers die al hun parkeerplaatsen of een deel daarvan wensen te herbestemmen als parkeerplaatsen bestemd voor een woonfunctie, openbare parking in de zin van artikel 2.3.51, 7° of andere bestemmingen dan parkeerplaatsen voor voertuigen.
Om de vergunningsaanvrager te garanderen dat hij zich slechts tot één instantie moet richten tijdens de aanvraagprocedure van de milieuvergunning, zal [1 Leefmilieu Brussel]1 de contactinstantie voor de aanvrager zijn voor alles wat die milieuvergunning betreft (van de aanvraag van de vergunning tot de aflevering ervan). Deze opdracht zal worden uitgevoerd met de steun van het Parkeeragentschap voor wat de aspecten betreft die betrekking hebben op de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen als " openbare parking ".
Na de aflevering van de vergunning zal het Parkeeragentschap de taak hebben om voor de milieuvergunningshouder de instantie te worden voor wat de aspecten betreft die betrekking hebben op de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen als " openbare parkings " (eventuele bijstand, controle van de naleving van de voorwaarden verbonden aan de toekenning van het label " openbaar gebouw ", bijwerking van het kadaster, eventuele exploitatie van plaatsen enz.).
Op verzoek van de milieuvergunningshouder zal het Parkeeragentschap het beheer van de overtollige parkeerplaatsen in de zin van artikel 2.3.51,4° met een herbestemming als openbare parking in de zin van artikel 2.3.51, 7° op zich kunnen nemen.
Art. 2.3.52. § 1er. Les dispositions du présent chapitre sont applicables aux parkings à créer en Région de Bruxelles-Capitale, ainsi qu'aux parkings existants comportant au minimum trois emplacements excédentaires au sens de l'article 2.3.51, 4°.
§ 2. Le nombre d'emplacements de parcage autorisé dans un parking est déterminé selon les modalités prévues aux articles 2.3.53 et 2.3.54, en tenant compte :
- d'une part de la zone d'accessibilité, définie à l'article 2.3.53, dans laquelle est situé l'immeuble ou la partie d'immeuble qu'est destinée à desservir l'installation pour laquelle est sollicité un permis d'environnement, un certificat d'environnement ou une prolongation de permis d'environnement;
- d'autre part, de la superficie de plancher de cet immeuble ou partie d'immeuble.
§ 3. Ces dispositions ne s'appliquent toutefois pas :
1° aux emplacements de parcage destinés à des fonctions de logement;
2° aux emplacements de parcage affectés à des fonctions de parking public;
3° aux emplacements de parcage exclusivement affectés aux activités artisanales, industrielles, logistiques, d'entreposage ou de production de services matériels, aux commerces, aux commerces de gros, aux grands commerces spécialisés, aux équipements d'intérêt collectif ou de service public, ainsi qu'aux établissements hôteliers. Toutes ces notions s'entendent au sens du Plan Régional d'Affectation du Sol;
4° aux emplacements de parcage exclusivement affectés aux services de taxis tels que définis par l'article 2, 1° de l'ordonnance du 27 avril 1995 relative aux services de taxis, aux services de location de voitures avec chauffeur ou à destination d'un service de véhicules partagés. Le cas échéant, le demandeur déterminera, dans sa demande, le nombre d'emplacements de parcage devant être affectés à de telles fonctions.
Le Gouvernement pourra désigner un service d'accompagnement des demandeurs désirant réaffecter tout ou partie de leurs emplacements de parcage à des emplacements de parcage affectés à des fonctions de logement, de parking public au sens de l'article 2.3.51, 7° ou à d'autres affectations que celle de parcage de véhicules.
Afin de garantir au demandeur du permis de ne devoir s'adresser qu'à un seul interlocuteur durant la procédure de demande de permis d'environnement, [1 Bruxelles Environnement]1 sera l'instance de contact du demandeur pour tout ce qui concerne ce permis d'environnement (depuis la demande de permis jusqu'à sa délivrance). Cette mission sera menée avec l'appui de l'Agence du stationnement pour ce qui concerne les aspects relatifs à la mise à disposition des emplacements de parking à des fins de " parking public ".
Dès la délivrance du permis, l'Agence du stationnement aura pour mission de devenir l'interlocuteur du titulaire du permis d'environnement pour ce qui concerne les aspects relatifs à la mise à disposition des emplacements de parking à des fins de " parking public " (assistance éventuelle, contrôle du respect des conditions liées à l'octroi du label " bâtiment public ", mise à jour du cadastre, exploitation éventuelle des emplacements, etc.).
L'Agence du stationnement pourra, à la demande du titulaire du permis d'environnement, gérer les emplacements de parking excédentaires au sens de l'article 2.3.51,4° et réaffectés aux fonctions de parking public au sens de l'article 2.3.51, 7°.
§ 2. Le nombre d'emplacements de parcage autorisé dans un parking est déterminé selon les modalités prévues aux articles 2.3.53 et 2.3.54, en tenant compte :
- d'une part de la zone d'accessibilité, définie à l'article 2.3.53, dans laquelle est situé l'immeuble ou la partie d'immeuble qu'est destinée à desservir l'installation pour laquelle est sollicité un permis d'environnement, un certificat d'environnement ou une prolongation de permis d'environnement;
- d'autre part, de la superficie de plancher de cet immeuble ou partie d'immeuble.
§ 3. Ces dispositions ne s'appliquent toutefois pas :
1° aux emplacements de parcage destinés à des fonctions de logement;
2° aux emplacements de parcage affectés à des fonctions de parking public;
3° aux emplacements de parcage exclusivement affectés aux activités artisanales, industrielles, logistiques, d'entreposage ou de production de services matériels, aux commerces, aux commerces de gros, aux grands commerces spécialisés, aux équipements d'intérêt collectif ou de service public, ainsi qu'aux établissements hôteliers. Toutes ces notions s'entendent au sens du Plan Régional d'Affectation du Sol;
4° aux emplacements de parcage exclusivement affectés aux services de taxis tels que définis par l'article 2, 1° de l'ordonnance du 27 avril 1995 relative aux services de taxis, aux services de location de voitures avec chauffeur ou à destination d'un service de véhicules partagés. Le cas échéant, le demandeur déterminera, dans sa demande, le nombre d'emplacements de parcage devant être affectés à de telles fonctions.
Le Gouvernement pourra désigner un service d'accompagnement des demandeurs désirant réaffecter tout ou partie de leurs emplacements de parcage à des emplacements de parcage affectés à des fonctions de logement, de parking public au sens de l'article 2.3.51, 7° ou à d'autres affectations que celle de parcage de véhicules.
Afin de garantir au demandeur du permis de ne devoir s'adresser qu'à un seul interlocuteur durant la procédure de demande de permis d'environnement, [1 Bruxelles Environnement]1 sera l'instance de contact du demandeur pour tout ce qui concerne ce permis d'environnement (depuis la demande de permis jusqu'à sa délivrance). Cette mission sera menée avec l'appui de l'Agence du stationnement pour ce qui concerne les aspects relatifs à la mise à disposition des emplacements de parking à des fins de " parking public ".
Dès la délivrance du permis, l'Agence du stationnement aura pour mission de devenir l'interlocuteur du titulaire du permis d'environnement pour ce qui concerne les aspects relatifs à la mise à disposition des emplacements de parking à des fins de " parking public " (assistance éventuelle, contrôle du respect des conditions liées à l'octroi du label " bâtiment public ", mise à jour du cadastre, exploitation éventuelle des emplacements, etc.).
L'Agence du stationnement pourra, à la demande du titulaire du permis d'environnement, gérer les emplacements de parking excédentaires au sens de l'article 2.3.51,4° et réaffectés aux fonctions de parking public au sens de l'article 2.3.51, 7°.
Wijzigingen
Art. 2.3.52. § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de aan te leggen parkings in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, evenals op de bestaande parkings die minstens drie overtollige plaatsen tellen in de zin van de artikel 2.3.51, 4°.
§ 2. Het aantal toegestane parkeerplaatsen in een parking wordt bepaald volgens de regels waarin voorzien in de artikelen 2.3.53 en 2.3.54 rekening houdend met :
- enerzijds, de bereikbaarheidszone gedefinieerd in artikel 2.3.53 waarin het gebouw of deel van het gebouw gelegen is dat de inrichting moet bedienen waarvoor een milieuvergunning, een milieucertificaat of een verlenging van milieuvergunning wordt aangevraagd;
- en anderzijds, de vloeroppervlakte van dat gebouw of deel van gebouw.
§ 3. Die bepalingen zijn echter niet van toepassing :
1° op de parkeerplaatsen bestemd voor een woonfunctie;
2° op de parkeerplaatsen die fungeren als publieke parking;
3° op de parkeerplaatsen die exclusief bestemd zijn voor ambachts-, nijverheids-, logistieke, opslagactiviteiten of voor activiteiten voor de vervaardiging van materiële diensten, voor handelszaken, voor groothandel, voor grote speciaalzaken, voor voorzieningen van collectief belang of van openbare dienst en voor hotelinrichtingen. Al deze begrippen moeten worden verstaan in de zin van het Gewestelijk Bestemmingsplan;
4° op de parkeerplaatsen die exclusief bestemd zijn voor taxidiensten zoals gedefinieerd onder artikel 2, 1° van de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten, voor de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur of voor een autodeeldienst. In voorkomend geval, zal de aanvrager, in zijn aanvraag, het aantal parkeerplaatsen vermelden die voor deze functies gebruikt moeten worden.
De Regering kan een begeleidingsdienst aanstellen voor aanvragers die al hun parkeerplaatsen of een deel daarvan wensen te herbestemmen als parkeerplaatsen bestemd voor een woonfunctie, openbare parking in de zin van artikel 2.3.51, 7° of andere bestemmingen dan parkeerplaatsen voor voertuigen.
Om de vergunningsaanvrager te garanderen dat hij zich slechts tot één instantie moet richten tijdens de aanvraagprocedure van de milieuvergunning, zal [1 Leefmilieu Brussel]1 de contactinstantie voor de aanvrager zijn voor alles wat die milieuvergunning betreft (van de aanvraag van de vergunning tot de aflevering ervan). Deze opdracht zal worden uitgevoerd met de steun van het Parkeeragentschap voor wat de aspecten betreft die betrekking hebben op de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen als " openbare parking ".
Na de aflevering van de vergunning zal het Parkeeragentschap de taak hebben om voor de milieuvergunningshouder de instantie te worden voor wat de aspecten betreft die betrekking hebben op de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen als " openbare parkings " (eventuele bijstand, controle van de naleving van de voorwaarden verbonden aan de toekenning van het label " openbaar gebouw ", bijwerking van het kadaster, eventuele exploitatie van plaatsen enz.).
Op verzoek van de milieuvergunningshouder zal het Parkeeragentschap het beheer van de overtollige parkeerplaatsen in de zin van artikel 2.3.51,4° met een herbestemming als openbare parking in de zin van artikel 2.3.51, 7° op zich kunnen nemen.
§ 2. Het aantal toegestane parkeerplaatsen in een parking wordt bepaald volgens de regels waarin voorzien in de artikelen 2.3.53 en 2.3.54 rekening houdend met :
- enerzijds, de bereikbaarheidszone gedefinieerd in artikel 2.3.53 waarin het gebouw of deel van het gebouw gelegen is dat de inrichting moet bedienen waarvoor een milieuvergunning, een milieucertificaat of een verlenging van milieuvergunning wordt aangevraagd;
- en anderzijds, de vloeroppervlakte van dat gebouw of deel van gebouw.
§ 3. Die bepalingen zijn echter niet van toepassing :
1° op de parkeerplaatsen bestemd voor een woonfunctie;
2° op de parkeerplaatsen die fungeren als publieke parking;
3° op de parkeerplaatsen die exclusief bestemd zijn voor ambachts-, nijverheids-, logistieke, opslagactiviteiten of voor activiteiten voor de vervaardiging van materiële diensten, voor handelszaken, voor groothandel, voor grote speciaalzaken, voor voorzieningen van collectief belang of van openbare dienst en voor hotelinrichtingen. Al deze begrippen moeten worden verstaan in de zin van het Gewestelijk Bestemmingsplan;
4° op de parkeerplaatsen die exclusief bestemd zijn voor taxidiensten zoals gedefinieerd onder artikel 2, 1° van de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten, voor de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur of voor een autodeeldienst. In voorkomend geval, zal de aanvrager, in zijn aanvraag, het aantal parkeerplaatsen vermelden die voor deze functies gebruikt moeten worden.
De Regering kan een begeleidingsdienst aanstellen voor aanvragers die al hun parkeerplaatsen of een deel daarvan wensen te herbestemmen als parkeerplaatsen bestemd voor een woonfunctie, openbare parking in de zin van artikel 2.3.51, 7° of andere bestemmingen dan parkeerplaatsen voor voertuigen.
Om de vergunningsaanvrager te garanderen dat hij zich slechts tot één instantie moet richten tijdens de aanvraagprocedure van de milieuvergunning, zal [1 Leefmilieu Brussel]1 de contactinstantie voor de aanvrager zijn voor alles wat die milieuvergunning betreft (van de aanvraag van de vergunning tot de aflevering ervan). Deze opdracht zal worden uitgevoerd met de steun van het Parkeeragentschap voor wat de aspecten betreft die betrekking hebben op de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen als " openbare parking ".
Na de aflevering van de vergunning zal het Parkeeragentschap de taak hebben om voor de milieuvergunningshouder de instantie te worden voor wat de aspecten betreft die betrekking hebben op de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen als " openbare parkings " (eventuele bijstand, controle van de naleving van de voorwaarden verbonden aan de toekenning van het label " openbaar gebouw ", bijwerking van het kadaster, eventuele exploitatie van plaatsen enz.).
Op verzoek van de milieuvergunningshouder zal het Parkeeragentschap het beheer van de overtollige parkeerplaatsen in de zin van artikel 2.3.51,4° met een herbestemming als openbare parking in de zin van artikel 2.3.51, 7° op zich kunnen nemen.
Art. 2.3.52. § 1er. Les dispositions du présent chapitre sont applicables aux parkings à créer en Région de Bruxelles-Capitale, ainsi qu'aux parkings existants comportant au minimum trois emplacements excédentaires au sens de l'article 2.3.51, 4°.
§ 2. Le nombre d'emplacements de parcage autorisé dans un parking est déterminé selon les modalités prévues aux articles 2.3.53 et 2.3.54, en tenant compte :
- d'une part de la zone d'accessibilité, définie à l'article 2.3.53, dans laquelle est situé l'immeuble ou la partie d'immeuble qu'est destinée à desservir l'installation pour laquelle est sollicité un permis d'environnement, un certificat d'environnement ou une prolongation de permis d'environnement;
- d'autre part, de la superficie de plancher de cet immeuble ou partie d'immeuble.
§ 3. Ces dispositions ne s'appliquent toutefois pas :
1° aux emplacements de parcage destinés à des fonctions de logement;
2° aux emplacements de parcage affectés à des fonctions de parking public;
3° aux emplacements de parcage exclusivement affectés aux activités artisanales, industrielles, logistiques, d'entreposage ou de production de services matériels, aux commerces, aux commerces de gros, aux grands commerces spécialisés, aux équipements d'intérêt collectif ou de service public, ainsi qu'aux établissements hôteliers. Toutes ces notions s'entendent au sens du Plan Régional d'Affectation du Sol;
4° aux emplacements de parcage exclusivement affectés aux services de taxis tels que définis par l'article 2, 1° de l'ordonnance du 27 avril 1995 relative aux services de taxis, aux services de location de voitures avec chauffeur ou à destination d'un service de véhicules partagés. Le cas échéant, le demandeur déterminera, dans sa demande, le nombre d'emplacements de parcage devant être affectés à de telles fonctions.
Le Gouvernement pourra désigner un service d'accompagnement des demandeurs désirant réaffecter tout ou partie de leurs emplacements de parcage à des emplacements de parcage affectés à des fonctions de logement, de parking public au sens de l'article 2.3.51, 7° ou à d'autres affectations que celle de parcage de véhicules.
Afin de garantir au demandeur du permis de ne devoir s'adresser qu'à un seul interlocuteur durant la procédure de demande de permis d'environnement, [1 Bruxelles Environnement]1 sera l'instance de contact du demandeur pour tout ce qui concerne ce permis d'environnement (depuis la demande de permis jusqu'à sa délivrance). Cette mission sera menée avec l'appui de l'Agence du stationnement pour ce qui concerne les aspects relatifs à la mise à disposition des emplacements de parking à des fins de " parking public ".
Dès la délivrance du permis, l'Agence du stationnement aura pour mission de devenir l'interlocuteur du titulaire du permis d'environnement pour ce qui concerne les aspects relatifs à la mise à disposition des emplacements de parking à des fins de " parking public " (assistance éventuelle, contrôle du respect des conditions liées à l'octroi du label " bâtiment public ", mise à jour du cadastre, exploitation éventuelle des emplacements, etc.).
L'Agence du stationnement pourra, à la demande du titulaire du permis d'environnement, gérer les emplacements de parking excédentaires au sens de l'article 2.3.51,4° et réaffectés aux fonctions de parking public au sens de l'article 2.3.51, 7°.
§ 2. Le nombre d'emplacements de parcage autorisé dans un parking est déterminé selon les modalités prévues aux articles 2.3.53 et 2.3.54, en tenant compte :
- d'une part de la zone d'accessibilité, définie à l'article 2.3.53, dans laquelle est situé l'immeuble ou la partie d'immeuble qu'est destinée à desservir l'installation pour laquelle est sollicité un permis d'environnement, un certificat d'environnement ou une prolongation de permis d'environnement;
- d'autre part, de la superficie de plancher de cet immeuble ou partie d'immeuble.
§ 3. Ces dispositions ne s'appliquent toutefois pas :
1° aux emplacements de parcage destinés à des fonctions de logement;
2° aux emplacements de parcage affectés à des fonctions de parking public;
3° aux emplacements de parcage exclusivement affectés aux activités artisanales, industrielles, logistiques, d'entreposage ou de production de services matériels, aux commerces, aux commerces de gros, aux grands commerces spécialisés, aux équipements d'intérêt collectif ou de service public, ainsi qu'aux établissements hôteliers. Toutes ces notions s'entendent au sens du Plan Régional d'Affectation du Sol;
4° aux emplacements de parcage exclusivement affectés aux services de taxis tels que définis par l'article 2, 1° de l'ordonnance du 27 avril 1995 relative aux services de taxis, aux services de location de voitures avec chauffeur ou à destination d'un service de véhicules partagés. Le cas échéant, le demandeur déterminera, dans sa demande, le nombre d'emplacements de parcage devant être affectés à de telles fonctions.
Le Gouvernement pourra désigner un service d'accompagnement des demandeurs désirant réaffecter tout ou partie de leurs emplacements de parcage à des emplacements de parcage affectés à des fonctions de logement, de parking public au sens de l'article 2.3.51, 7° ou à d'autres affectations que celle de parcage de véhicules.
Afin de garantir au demandeur du permis de ne devoir s'adresser qu'à un seul interlocuteur durant la procédure de demande de permis d'environnement, [1 Bruxelles Environnement]1 sera l'instance de contact du demandeur pour tout ce qui concerne ce permis d'environnement (depuis la demande de permis jusqu'à sa délivrance). Cette mission sera menée avec l'appui de l'Agence du stationnement pour ce qui concerne les aspects relatifs à la mise à disposition des emplacements de parking à des fins de " parking public ".
Dès la délivrance du permis, l'Agence du stationnement aura pour mission de devenir l'interlocuteur du titulaire du permis d'environnement pour ce qui concerne les aspects relatifs à la mise à disposition des emplacements de parking à des fins de " parking public " (assistance éventuelle, contrôle du respect des conditions liées à l'octroi du label " bâtiment public ", mise à jour du cadastre, exploitation éventuelle des emplacements, etc.).
L'Agence du stationnement pourra, à la demande du titulaire du permis d'environnement, gérer les emplacements de parking excédentaires au sens de l'article 2.3.51,4° et réaffectés aux fonctions de parking public au sens de l'article 2.3.51, 7°.
Wijzigingen
Art. 2.3.53. § 1. Met het oog op de toepassing van de bepalingen van onderhavig hoofdstuk, wordt het gewestelijk grondgebied opgedeeld in drie zones op grond van de bereikbaarheid met het openbaar vervoer :
1° zone A, met een zeer goede bediening door het openbaar vervoer;
2° zone B, met een goede bediening door het openbaar vervoer;
3° zone C, met een matige bediening door het openbaar vervoer.
§ 2. Zone A omvat de terreinen grenzend aan de wegen of delen van wegen gelegen :
1° op een wandelafstand van minder dan 500 meter van een IC/IR-spoorwegstation waar, op weekdagen, beide richtingen samengeteld, minstens tien reizigerstreinen per uur stoppen, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag;
2° op een wandelafstand van minder dan 400 meter :
- van een metrostation waar, op weekdagen, beide richtingen samengeteld, minstens vijfendertig metrostellen per uur stoppen, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag;
- of van een premetrostation, vanaf het Zuidstation tot en met het Noordstation, waar, op weekdagen, beide richtingen samengeteld, minstens vijfendertig tramstellen per uur stoppen, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag.
§ 3. Zone B omvat de terreinen grenzend aan de wegen of delen van wegen gelegen :
1° op een wandelafstand van minder dan 400 meter :
- van een spoorwegstation of -halte die niet bedoeld is in § 2 en waar, op weekdagen, beide richtingen samengeteld, minstens zes reizigerstreinen per uur stoppen, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag;
- of van een metrostation dat niet wordt bedoeld in § 2;
- of van een premetrostation dat niet wordt bedoeld in § 2;
- of van een tramhalte voor zover deze op weekdagen bediend wordt, beide richtingen samengeteld, door minstens vijftien tramstellen per uur, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag;
2° op een wandelafstand tussen 500 meter en 800 meter van een spoorwegstation dat wordt bedoeld in § 2, 1° ;
3° op een wandelafstand tussen 400 meter en 700 meter van een metro- of een premetrostation dat wordt bedoeld in § 2, 2°.
§ 4. Zone C omvat de terreinen grenzend aan de wegen of delen van wegen die niet vallen onder de zones bepaald in § 2 en § 3.
§ 5. De volgende regels zijn van toepassing op de bereikbaarheidszones bedoeld in § 1 tot 4 :
1° de afstanden worden berekend vanaf de as van de weg;
2° in het bijzondere geval van een ingesloten terrein geldt de regeling van het terrein dat dit ingesloten terrein de voornaamste voetgangerstoegang verschaft tot de openbare weg;
3° de afstanden worden berekend vanaf de as van de weg die het dichtst ligt bij elke toegang tot een spoorweghalte of -station, tot een metro-, premetro- of tramstation zoals bedoeld in § 2 en § 3;
§ 6. In het geval van gebouwen met meerdere ingangen die uitgeven op verschillende wegen, wordt de regeling van de meest restrictieve zone toegepast.
§ 7. De Regering maakt en publiceert om de twee jaar een kaart die door het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt bijgewerkt.
1° zone A, met een zeer goede bediening door het openbaar vervoer;
2° zone B, met een goede bediening door het openbaar vervoer;
3° zone C, met een matige bediening door het openbaar vervoer.
§ 2. Zone A omvat de terreinen grenzend aan de wegen of delen van wegen gelegen :
1° op een wandelafstand van minder dan 500 meter van een IC/IR-spoorwegstation waar, op weekdagen, beide richtingen samengeteld, minstens tien reizigerstreinen per uur stoppen, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag;
2° op een wandelafstand van minder dan 400 meter :
- van een metrostation waar, op weekdagen, beide richtingen samengeteld, minstens vijfendertig metrostellen per uur stoppen, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag;
- of van een premetrostation, vanaf het Zuidstation tot en met het Noordstation, waar, op weekdagen, beide richtingen samengeteld, minstens vijfendertig tramstellen per uur stoppen, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag.
§ 3. Zone B omvat de terreinen grenzend aan de wegen of delen van wegen gelegen :
1° op een wandelafstand van minder dan 400 meter :
- van een spoorwegstation of -halte die niet bedoeld is in § 2 en waar, op weekdagen, beide richtingen samengeteld, minstens zes reizigerstreinen per uur stoppen, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag;
- of van een metrostation dat niet wordt bedoeld in § 2;
- of van een premetrostation dat niet wordt bedoeld in § 2;
- of van een tramhalte voor zover deze op weekdagen bediend wordt, beide richtingen samengeteld, door minstens vijftien tramstellen per uur, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag;
2° op een wandelafstand tussen 500 meter en 800 meter van een spoorwegstation dat wordt bedoeld in § 2, 1° ;
3° op een wandelafstand tussen 400 meter en 700 meter van een metro- of een premetrostation dat wordt bedoeld in § 2, 2°.
§ 4. Zone C omvat de terreinen grenzend aan de wegen of delen van wegen die niet vallen onder de zones bepaald in § 2 en § 3.
§ 5. De volgende regels zijn van toepassing op de bereikbaarheidszones bedoeld in § 1 tot 4 :
1° de afstanden worden berekend vanaf de as van de weg;
2° in het bijzondere geval van een ingesloten terrein geldt de regeling van het terrein dat dit ingesloten terrein de voornaamste voetgangerstoegang verschaft tot de openbare weg;
3° de afstanden worden berekend vanaf de as van de weg die het dichtst ligt bij elke toegang tot een spoorweghalte of -station, tot een metro-, premetro- of tramstation zoals bedoeld in § 2 en § 3;
§ 6. In het geval van gebouwen met meerdere ingangen die uitgeven op verschillende wegen, wordt de regeling van de meest restrictieve zone toegepast.
§ 7. De Regering maakt en publiceert om de twee jaar een kaart die door het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt bijgewerkt.
Art. 2.3.53. § 1er. En vue de l'application des dispositions du présent chapitre, le territoire régional est divisé en trois zones d'accessibilité par les transports en commun :
1° la zone A, très bien desservie en transports en commun;
2° la zone B, bien desservie en transports en commun;
3° la zone C, moyennement desservie en transports en commun.
§ 2. La zone A comprend les terrains contigus aux voiries ou parties de voirie situées, soit :
1° à une distance pédestre inférieure à 500 mètres d'une gare de chemin de fer IC/IR où s'arrêtent, en semaine, les deux sens confondus, au moins dix trains voyageurs par heure, au cours d'au minimum une heure complète, deux fois par jour;
2° à une distance pédestre inférieure à 400 mètres :
- d'une station de métro où s'arrêtent, en semaine, les deux sens confondus, au moins trente-cinq rames par heure, au cours d'au minimum une heure complète, deux fois par jour;
- ou d'une station de prémétro comprise entre la gare du Nord et la gare du Midi incluses, où s'arrêtent, en semaine, les deux sens confondus, au moins trente-cinq trams par heure, au cours d'au minimum une heure complète, deux fois par jour.
§ 3. La zone B comprend les terrains contigus aux voiries ou parties de voirie situées, soit :
1° à une distance pédestre inférieure à 400 mètres :
- d'une gare ou d'un arrêt de chemin de fer non visés au § 2 et où s'arrêtent en semaine, les deux sens confondus, au moins six trains voyageurs par heure, au cours d'au minimum une heure complète, deux fois par jour;
- ou d'une station de métro non visée au § 2;
- ou d'une station de prémétro non visée au § 2;
- ou d'un arrêt de tram pour autant que, en semaine, il soit desservi, les deux sens confondus, au minimum par quinze trams par heure, au cours d'au moins une heure complète, deux fois par jour;
2° à une distance pédestre comprise entre 500 mètres et 800 mètres d'une gare de chemin de fer visée au § 2, 1° ;
3° à une distance pédestre comprise entre 400 mètres et 700 mètres d'une station de métro ou de prémétro visée au § 2, 2°.
§ 4. La zone C comprend les terrains contigus aux voiries ou parties de voirie non visées par les zones définies aux § 2 et § 3.
§ 5. Les règles suivantes sont applicables aux zones d'accessibilité visées aux paragraphes 1er à 4 :
1° les distances sont calculées à partir de l'axe de voirie;
2° dans le cas particulier d'un terrain enclavé, le régime est déterminé par celui du terrain lui donnant l'accès piéton principal à la voirie;
3° les distances sont calculées depuis l'axe de voirie le plus proche de chaque accès de gare ou d'arrêt de chemin de fer, de station de métro, de prémétro ou de tram visés aux § 2 et § 3;
§ 6. En cas d'immeubles à plusieurs entrées donnant sur des voiries différentes, le régime à appliquer est celui de la zone la plus restrictive.
§ 7. Le Gouvernement établit et publie bisannuellement une carte mise à jour par le Ministère de la Région de Bruxelles-Capitale.
1° la zone A, très bien desservie en transports en commun;
2° la zone B, bien desservie en transports en commun;
3° la zone C, moyennement desservie en transports en commun.
§ 2. La zone A comprend les terrains contigus aux voiries ou parties de voirie situées, soit :
1° à une distance pédestre inférieure à 500 mètres d'une gare de chemin de fer IC/IR où s'arrêtent, en semaine, les deux sens confondus, au moins dix trains voyageurs par heure, au cours d'au minimum une heure complète, deux fois par jour;
2° à une distance pédestre inférieure à 400 mètres :
- d'une station de métro où s'arrêtent, en semaine, les deux sens confondus, au moins trente-cinq rames par heure, au cours d'au minimum une heure complète, deux fois par jour;
- ou d'une station de prémétro comprise entre la gare du Nord et la gare du Midi incluses, où s'arrêtent, en semaine, les deux sens confondus, au moins trente-cinq trams par heure, au cours d'au minimum une heure complète, deux fois par jour.
§ 3. La zone B comprend les terrains contigus aux voiries ou parties de voirie situées, soit :
1° à une distance pédestre inférieure à 400 mètres :
- d'une gare ou d'un arrêt de chemin de fer non visés au § 2 et où s'arrêtent en semaine, les deux sens confondus, au moins six trains voyageurs par heure, au cours d'au minimum une heure complète, deux fois par jour;
- ou d'une station de métro non visée au § 2;
- ou d'une station de prémétro non visée au § 2;
- ou d'un arrêt de tram pour autant que, en semaine, il soit desservi, les deux sens confondus, au minimum par quinze trams par heure, au cours d'au moins une heure complète, deux fois par jour;
2° à une distance pédestre comprise entre 500 mètres et 800 mètres d'une gare de chemin de fer visée au § 2, 1° ;
3° à une distance pédestre comprise entre 400 mètres et 700 mètres d'une station de métro ou de prémétro visée au § 2, 2°.
§ 4. La zone C comprend les terrains contigus aux voiries ou parties de voirie non visées par les zones définies aux § 2 et § 3.
§ 5. Les règles suivantes sont applicables aux zones d'accessibilité visées aux paragraphes 1er à 4 :
1° les distances sont calculées à partir de l'axe de voirie;
2° dans le cas particulier d'un terrain enclavé, le régime est déterminé par celui du terrain lui donnant l'accès piéton principal à la voirie;
3° les distances sont calculées depuis l'axe de voirie le plus proche de chaque accès de gare ou d'arrêt de chemin de fer, de station de métro, de prémétro ou de tram visés aux § 2 et § 3;
§ 6. En cas d'immeubles à plusieurs entrées donnant sur des voiries différentes, le régime à appliquer est celui de la zone la plus restrictive.
§ 7. Le Gouvernement établit et publie bisannuellement une carte mise à jour par le Ministère de la Région de Bruxelles-Capitale.
Art. 2.3.53. § 1. Met het oog op de toepassing van de bepalingen van onderhavig hoofdstuk, wordt het gewestelijk grondgebied opgedeeld in drie zones op grond van de bereikbaarheid met het openbaar vervoer :
1° zone A, met een zeer goede bediening door het openbaar vervoer;
2° zone B, met een goede bediening door het openbaar vervoer;
3° zone C, met een matige bediening door het openbaar vervoer.
§ 2. Zone A omvat de terreinen grenzend aan de wegen of delen van wegen gelegen :
1° op een wandelafstand van minder dan 500 meter van een IC/IR-spoorwegstation waar, op weekdagen, beide richtingen samengeteld, minstens tien reizigerstreinen per uur stoppen, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag;
2° op een wandelafstand van minder dan 400 meter :
- van een metrostation waar, op weekdagen, beide richtingen samengeteld, minstens vijfendertig metrostellen per uur stoppen, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag;
- of van een premetrostation, vanaf het Zuidstation tot en met het Noordstation, waar, op weekdagen, beide richtingen samengeteld, minstens vijfendertig tramstellen per uur stoppen, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag.
§ 3. Zone B omvat de terreinen grenzend aan de wegen of delen van wegen gelegen :
1° op een wandelafstand van minder dan 400 meter :
- van een spoorwegstation of -halte die niet bedoeld is in § 2 en waar, op weekdagen, beide richtingen samengeteld, minstens zes reizigerstreinen per uur stoppen, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag;
- of van een metrostation dat niet wordt bedoeld in § 2;
- of van een premetrostation dat niet wordt bedoeld in § 2;
- of van een tramhalte voor zover deze op weekdagen bediend wordt, beide richtingen samengeteld, door minstens vijftien tramstellen per uur, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag;
2° op een wandelafstand tussen 500 meter en 800 meter van een spoorwegstation dat wordt bedoeld in § 2, 1° ;
3° op een wandelafstand tussen 400 meter en 700 meter van een metro- of een premetrostation dat wordt bedoeld in § 2, 2°.
§ 4. Zone C omvat de terreinen grenzend aan de wegen of delen van wegen die niet vallen onder de zones bepaald in § 2 en § 3.
§ 5. De volgende regels zijn van toepassing op de bereikbaarheidszones bedoeld in § 1 tot 4 :
1° de afstanden worden berekend vanaf de as van de weg;
2° in het bijzondere geval van een ingesloten terrein geldt de regeling van het terrein dat dit ingesloten terrein de voornaamste voetgangerstoegang verschaft tot de openbare weg;
3° de afstanden worden berekend vanaf de as van de weg die het dichtst ligt bij elke toegang tot een spoorweghalte of -station, tot een metro-, premetro- of tramstation zoals bedoeld in § 2 en § 3;
§ 6. In het geval van gebouwen met meerdere ingangen die uitgeven op verschillende wegen, wordt de regeling van de meest restrictieve zone toegepast.
§ 7. De Regering maakt en publiceert om de twee jaar een kaart die door het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt bijgewerkt.
1° zone A, met een zeer goede bediening door het openbaar vervoer;
2° zone B, met een goede bediening door het openbaar vervoer;
3° zone C, met een matige bediening door het openbaar vervoer.
§ 2. Zone A omvat de terreinen grenzend aan de wegen of delen van wegen gelegen :
1° op een wandelafstand van minder dan 500 meter van een IC/IR-spoorwegstation waar, op weekdagen, beide richtingen samengeteld, minstens tien reizigerstreinen per uur stoppen, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag;
2° op een wandelafstand van minder dan 400 meter :
- van een metrostation waar, op weekdagen, beide richtingen samengeteld, minstens vijfendertig metrostellen per uur stoppen, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag;
- of van een premetrostation, vanaf het Zuidstation tot en met het Noordstation, waar, op weekdagen, beide richtingen samengeteld, minstens vijfendertig tramstellen per uur stoppen, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag.
§ 3. Zone B omvat de terreinen grenzend aan de wegen of delen van wegen gelegen :
1° op een wandelafstand van minder dan 400 meter :
- van een spoorwegstation of -halte die niet bedoeld is in § 2 en waar, op weekdagen, beide richtingen samengeteld, minstens zes reizigerstreinen per uur stoppen, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag;
- of van een metrostation dat niet wordt bedoeld in § 2;
- of van een premetrostation dat niet wordt bedoeld in § 2;
- of van een tramhalte voor zover deze op weekdagen bediend wordt, beide richtingen samengeteld, door minstens vijftien tramstellen per uur, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag;
2° op een wandelafstand tussen 500 meter en 800 meter van een spoorwegstation dat wordt bedoeld in § 2, 1° ;
3° op een wandelafstand tussen 400 meter en 700 meter van een metro- of een premetrostation dat wordt bedoeld in § 2, 2°.
§ 4. Zone C omvat de terreinen grenzend aan de wegen of delen van wegen die niet vallen onder de zones bepaald in § 2 en § 3.
§ 5. De volgende regels zijn van toepassing op de bereikbaarheidszones bedoeld in § 1 tot 4 :
1° de afstanden worden berekend vanaf de as van de weg;
2° in het bijzondere geval van een ingesloten terrein geldt de regeling van het terrein dat dit ingesloten terrein de voornaamste voetgangerstoegang verschaft tot de openbare weg;
3° de afstanden worden berekend vanaf de as van de weg die het dichtst ligt bij elke toegang tot een spoorweghalte of -station, tot een metro-, premetro- of tramstation zoals bedoeld in § 2 en § 3;
§ 6. In het geval van gebouwen met meerdere ingangen die uitgeven op verschillende wegen, wordt de regeling van de meest restrictieve zone toegepast.
§ 7. De Regering maakt en publiceert om de twee jaar een kaart die door het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt bijgewerkt.
Art. 2.3.53. § 1er. En vue de l'application des dispositions du présent chapitre, le territoire régional est divisé en trois zones d'accessibilité par les transports en commun :
1° la zone A, très bien desservie en transports en commun;
2° la zone B, bien desservie en transports en commun;
3° la zone C, moyennement desservie en transports en commun.
§ 2. La zone A comprend les terrains contigus aux voiries ou parties de voirie situées, soit :
1° à une distance pédestre inférieure à 500 mètres d'une gare de chemin de fer IC/IR où s'arrêtent, en semaine, les deux sens confondus, au moins dix trains voyageurs par heure, au cours d'au minimum une heure complète, deux fois par jour;
2° à une distance pédestre inférieure à 400 mètres :
- d'une station de métro où s'arrêtent, en semaine, les deux sens confondus, au moins trente-cinq rames par heure, au cours d'au minimum une heure complète, deux fois par jour;
- ou d'une station de prémétro comprise entre la gare du Nord et la gare du Midi incluses, où s'arrêtent, en semaine, les deux sens confondus, au moins trente-cinq trams par heure, au cours d'au minimum une heure complète, deux fois par jour.
§ 3. La zone B comprend les terrains contigus aux voiries ou parties de voirie situées, soit :
1° à une distance pédestre inférieure à 400 mètres :
- d'une gare ou d'un arrêt de chemin de fer non visés au § 2 et où s'arrêtent en semaine, les deux sens confondus, au moins six trains voyageurs par heure, au cours d'au minimum une heure complète, deux fois par jour;
- ou d'une station de métro non visée au § 2;
- ou d'une station de prémétro non visée au § 2;
- ou d'un arrêt de tram pour autant que, en semaine, il soit desservi, les deux sens confondus, au minimum par quinze trams par heure, au cours d'au moins une heure complète, deux fois par jour;
2° à une distance pédestre comprise entre 500 mètres et 800 mètres d'une gare de chemin de fer visée au § 2, 1° ;
3° à une distance pédestre comprise entre 400 mètres et 700 mètres d'une station de métro ou de prémétro visée au § 2, 2°.
§ 4. La zone C comprend les terrains contigus aux voiries ou parties de voirie non visées par les zones définies aux § 2 et § 3.
§ 5. Les règles suivantes sont applicables aux zones d'accessibilité visées aux paragraphes 1er à 4 :
1° les distances sont calculées à partir de l'axe de voirie;
2° dans le cas particulier d'un terrain enclavé, le régime est déterminé par celui du terrain lui donnant l'accès piéton principal à la voirie;
3° les distances sont calculées depuis l'axe de voirie le plus proche de chaque accès de gare ou d'arrêt de chemin de fer, de station de métro, de prémétro ou de tram visés aux § 2 et § 3;
§ 6. En cas d'immeubles à plusieurs entrées donnant sur des voiries différentes, le régime à appliquer est celui de la zone la plus restrictive.
§ 7. Le Gouvernement établit et publie bisannuellement une carte mise à jour par le Ministère de la Région de Bruxelles-Capitale.
1° la zone A, très bien desservie en transports en commun;
2° la zone B, bien desservie en transports en commun;
3° la zone C, moyennement desservie en transports en commun.
§ 2. La zone A comprend les terrains contigus aux voiries ou parties de voirie situées, soit :
1° à une distance pédestre inférieure à 500 mètres d'une gare de chemin de fer IC/IR où s'arrêtent, en semaine, les deux sens confondus, au moins dix trains voyageurs par heure, au cours d'au minimum une heure complète, deux fois par jour;
2° à une distance pédestre inférieure à 400 mètres :
- d'une station de métro où s'arrêtent, en semaine, les deux sens confondus, au moins trente-cinq rames par heure, au cours d'au minimum une heure complète, deux fois par jour;
- ou d'une station de prémétro comprise entre la gare du Nord et la gare du Midi incluses, où s'arrêtent, en semaine, les deux sens confondus, au moins trente-cinq trams par heure, au cours d'au minimum une heure complète, deux fois par jour.
§ 3. La zone B comprend les terrains contigus aux voiries ou parties de voirie situées, soit :
1° à une distance pédestre inférieure à 400 mètres :
- d'une gare ou d'un arrêt de chemin de fer non visés au § 2 et où s'arrêtent en semaine, les deux sens confondus, au moins six trains voyageurs par heure, au cours d'au minimum une heure complète, deux fois par jour;
- ou d'une station de métro non visée au § 2;
- ou d'une station de prémétro non visée au § 2;
- ou d'un arrêt de tram pour autant que, en semaine, il soit desservi, les deux sens confondus, au minimum par quinze trams par heure, au cours d'au moins une heure complète, deux fois par jour;
2° à une distance pédestre comprise entre 500 mètres et 800 mètres d'une gare de chemin de fer visée au § 2, 1° ;
3° à une distance pédestre comprise entre 400 mètres et 700 mètres d'une station de métro ou de prémétro visée au § 2, 2°.
§ 4. La zone C comprend les terrains contigus aux voiries ou parties de voirie non visées par les zones définies aux § 2 et § 3.
§ 5. Les règles suivantes sont applicables aux zones d'accessibilité visées aux paragraphes 1er à 4 :
1° les distances sont calculées à partir de l'axe de voirie;
2° dans le cas particulier d'un terrain enclavé, le régime est déterminé par celui du terrain lui donnant l'accès piéton principal à la voirie;
3° les distances sont calculées depuis l'axe de voirie le plus proche de chaque accès de gare ou d'arrêt de chemin de fer, de station de métro, de prémétro ou de tram visés aux § 2 et § 3;
§ 6. En cas d'immeubles à plusieurs entrées donnant sur des voiries différentes, le régime à appliquer est celui de la zone la plus restrictive.
§ 7. Le Gouvernement établit et publie bisannuellement une carte mise à jour par le Ministère de la Région de Bruxelles-Capitale.
Art. 2.3.54. § 1. Onverminderd § 4 van onderhavig artikel, laat een milieucertificaat, een milieuvergunning of een verlenging van milieuvergunning maximum het volgend aantal parkeerplaatsen bij gebouwen of delen van gebouwen toe :
1° voor de gebouwen gelegen in zone A : 2 parkeerplaatsen voor de eerste schijf van 250 m2 vloeroppervlakte plus 1 parkeerplaats per bijkomende schijf van 200 m2 vloeroppervlakte;
2° voor de gebouwen gelegen in zone B : 1 parkeerplaats per schijf van 100 m2 vloeroppervlakte;
3° voor de gebouwen gelegen in zone C : 1 parkeerplaats per schijf van 60 m2 vloeroppervlakte.
§ 2. Het aantal toegestane parkeerplaatsen dat overeenkomstig de vorige paragraaf wordt bepaald, wordt naar de hogere eenheid afgerond.
§ 3. Het aantal toegestane parkeerplaatsen wordt bepaald rekening houdend met het gebied waarin het gebouw of deel van het gebouw zich bevindt op het ogenblik dat de vergunningsaanvraag wordt ingediend. De wijziging van de gebieden in de loop van de daaropvolgende jaren doet geen afbreuk aan de geldigheid van de lopende milieuvergunning.
§ 4. In afwijking van §§ 1 tot 3 van onderhavig artikel, mag de bevoegde overheid, op verzoek van de aanvrager, een milieucertificaat of een milieuvergunning of een verlenging van milieuvergunning uitreiken die een hoger aantal parkeerplaatsen toestaat dan dat wat voortvloeit uit de toepassing van §§ 1 en 3. In dat geval, worden de parkeerplaatsen niet beschouwd als overtollige parkeerplaatsen.
Deze afwijking mag slechts worden verleend als ze afdoende gerechtvaardigd is door de noodzaak om over bijkomende plaatsen te beschikken voor de dienstvoertuigen, de bezoekers of de klanten, door de economische of sociale noodwendigheden eigen aan de beoogde activiteit in het gebouw of deel van het gebouw dat door de parking bediend wordt of door zijn beperkte bereikbaarheid gelet op de algemene kenmerken van de zone, gedefinieerd in toepassing van artikel 2.3.53 van onderhavig Wetboek, waarin dat gebouw of deel van gebouw gelegen is.
Indien die afwijking verband houdt met een overschrijding van meer dan tien bijkomende plaatsen ten opzichte van het aantal dat voortvloeit uit de toepassing van § 1 tot § 3, voegt de aanvrager die om een dergelijke afwijking verzoekt, bij zijn aanvraag van milieucertificaat of -vergunning een raming van de impact van de gevraagde overschrijding op het milieu.
Deze beoordeling wordt onafhankelijk opgemaakt door een daartoe geregistreerde of erkende persoon, in overeenstemming met titel 5.
De houders van de erkenning die vereist is om een effectenbeoordeling uit te voeren, worden geacht erkend of geregistreerd te zijn met toepassing van deze bepaling.
De kosten van de effectenbeoordeling vallen ten laste van de aanvrager.
1° voor de gebouwen gelegen in zone A : 2 parkeerplaatsen voor de eerste schijf van 250 m2 vloeroppervlakte plus 1 parkeerplaats per bijkomende schijf van 200 m2 vloeroppervlakte;
2° voor de gebouwen gelegen in zone B : 1 parkeerplaats per schijf van 100 m2 vloeroppervlakte;
3° voor de gebouwen gelegen in zone C : 1 parkeerplaats per schijf van 60 m2 vloeroppervlakte.
§ 2. Het aantal toegestane parkeerplaatsen dat overeenkomstig de vorige paragraaf wordt bepaald, wordt naar de hogere eenheid afgerond.
§ 3. Het aantal toegestane parkeerplaatsen wordt bepaald rekening houdend met het gebied waarin het gebouw of deel van het gebouw zich bevindt op het ogenblik dat de vergunningsaanvraag wordt ingediend. De wijziging van de gebieden in de loop van de daaropvolgende jaren doet geen afbreuk aan de geldigheid van de lopende milieuvergunning.
§ 4. In afwijking van §§ 1 tot 3 van onderhavig artikel, mag de bevoegde overheid, op verzoek van de aanvrager, een milieucertificaat of een milieuvergunning of een verlenging van milieuvergunning uitreiken die een hoger aantal parkeerplaatsen toestaat dan dat wat voortvloeit uit de toepassing van §§ 1 en 3. In dat geval, worden de parkeerplaatsen niet beschouwd als overtollige parkeerplaatsen.
Deze afwijking mag slechts worden verleend als ze afdoende gerechtvaardigd is door de noodzaak om over bijkomende plaatsen te beschikken voor de dienstvoertuigen, de bezoekers of de klanten, door de economische of sociale noodwendigheden eigen aan de beoogde activiteit in het gebouw of deel van het gebouw dat door de parking bediend wordt of door zijn beperkte bereikbaarheid gelet op de algemene kenmerken van de zone, gedefinieerd in toepassing van artikel 2.3.53 van onderhavig Wetboek, waarin dat gebouw of deel van gebouw gelegen is.
Indien die afwijking verband houdt met een overschrijding van meer dan tien bijkomende plaatsen ten opzichte van het aantal dat voortvloeit uit de toepassing van § 1 tot § 3, voegt de aanvrager die om een dergelijke afwijking verzoekt, bij zijn aanvraag van milieucertificaat of -vergunning een raming van de impact van de gevraagde overschrijding op het milieu.
Deze beoordeling wordt onafhankelijk opgemaakt door een daartoe geregistreerde of erkende persoon, in overeenstemming met titel 5.
De houders van de erkenning die vereist is om een effectenbeoordeling uit te voeren, worden geacht erkend of geregistreerd te zijn met toepassing van deze bepaling.
De kosten van de effectenbeoordeling vallen ten laste van de aanvrager.
Art. 2.3.54. § 1er. Sans préjudice du paragraphe 4 du présent article, un certificat d'environnement, un permis d'environnement ou une prolongation de permis d'environnement admet au maximum le nombre suivant d'emplacements de parcage accessoires aux immeubles ou parties d'immeubles :
1° pour les immeubles ou parties d'immeubles situés en zone A : 2 emplacements de parcage pour la première tranche de 250 m2 de superficie de plancher et 1 emplacement de parcage par tranche supplémentaire de 200 m2 de superficie de plancher;
2° pour les immeubles ou parties d'immeubles situés en zone B : 1 emplacement de parcage par tranche de 100 m2 de superficie de plancher;
3° pour les immeubles ou parties d'immeubles situés en zone C : 1 emplacement de parcage par tranche de 60 m2 de superficie de plancher.
§ 2. Le nombre d'emplacements autorisés déterminé conformément au paragraphe précédent est arrondi à l'unité supérieure.
§ 3. Le nombre d'emplacements de parcage autorisés est déterminé en tenant compte de la zone dans laquelle se trouve l'immeuble ou la partie d'immeuble au moment où la demande de permis est introduite. La modification des zones au cours des années suivantes ne porte pas atteinte à la validité du permis d'environnement en cours.
§ 4. Par dérogation aux paragraphes 1er à 3 du présent article, l'autorité compétente peut, sur requête du demandeur, délivrer un certificat ou un permis d'environnement ou une prolongation d'un tel permis autorisant un nombre d'emplacements de parcage supérieur à celui qui résulte de l'application des paragraphes 1er et 3. En ce cas, les emplacements de parcage ne sont pas considérés comme des emplacements de parcage excédentaires.
Cette dérogation ne peut être accordée que si elle est dûment justifiée par la nécessité de disposer d'emplacements supplémentaires pour les véhicules fonctionnels, des visiteurs ou des clients, par les nécessités économiques ou sociales propres à l'activité envisagée dans l'immeuble ou la partie d'immeuble que dessert le parking concerné ou par son accessibilité réduite au regard des caractéristiques générales de la zone, définie en application de l'article 2.3.53 du présent Code, dans laquelle se situe cet immeuble ou partie d'immeuble.
Si cette dérogation concerne un dépassement de plus de dix emplacements supplémentaires par rapport au nombre qui résulte de l'application des paragraphes 1er à 3, le demandeur qui la sollicite joint à sa demande de certificat ou de permis d'environnement une évaluation des incidences sur l'environnement du dépassement sollicité.
Cette évaluation est établie de manière indépendante par une personne enregistrée ou agréée à cet effet, conformément au titre 5.
Les personnes titulaires de l'agrément requis pour réaliser une étude d'incidences sont réputées agréées ou enregistrées en application de la présente disposition.
Le coût de l'évaluation des incidences est à charge du demandeur.
1° pour les immeubles ou parties d'immeubles situés en zone A : 2 emplacements de parcage pour la première tranche de 250 m2 de superficie de plancher et 1 emplacement de parcage par tranche supplémentaire de 200 m2 de superficie de plancher;
2° pour les immeubles ou parties d'immeubles situés en zone B : 1 emplacement de parcage par tranche de 100 m2 de superficie de plancher;
3° pour les immeubles ou parties d'immeubles situés en zone C : 1 emplacement de parcage par tranche de 60 m2 de superficie de plancher.
§ 2. Le nombre d'emplacements autorisés déterminé conformément au paragraphe précédent est arrondi à l'unité supérieure.
§ 3. Le nombre d'emplacements de parcage autorisés est déterminé en tenant compte de la zone dans laquelle se trouve l'immeuble ou la partie d'immeuble au moment où la demande de permis est introduite. La modification des zones au cours des années suivantes ne porte pas atteinte à la validité du permis d'environnement en cours.
§ 4. Par dérogation aux paragraphes 1er à 3 du présent article, l'autorité compétente peut, sur requête du demandeur, délivrer un certificat ou un permis d'environnement ou une prolongation d'un tel permis autorisant un nombre d'emplacements de parcage supérieur à celui qui résulte de l'application des paragraphes 1er et 3. En ce cas, les emplacements de parcage ne sont pas considérés comme des emplacements de parcage excédentaires.
Cette dérogation ne peut être accordée que si elle est dûment justifiée par la nécessité de disposer d'emplacements supplémentaires pour les véhicules fonctionnels, des visiteurs ou des clients, par les nécessités économiques ou sociales propres à l'activité envisagée dans l'immeuble ou la partie d'immeuble que dessert le parking concerné ou par son accessibilité réduite au regard des caractéristiques générales de la zone, définie en application de l'article 2.3.53 du présent Code, dans laquelle se situe cet immeuble ou partie d'immeuble.
Si cette dérogation concerne un dépassement de plus de dix emplacements supplémentaires par rapport au nombre qui résulte de l'application des paragraphes 1er à 3, le demandeur qui la sollicite joint à sa demande de certificat ou de permis d'environnement une évaluation des incidences sur l'environnement du dépassement sollicité.
Cette évaluation est établie de manière indépendante par une personne enregistrée ou agréée à cet effet, conformément au titre 5.
Les personnes titulaires de l'agrément requis pour réaliser une étude d'incidences sont réputées agréées ou enregistrées en application de la présente disposition.
Le coût de l'évaluation des incidences est à charge du demandeur.
Art. 2.3.55. § 1. Er bestaat een jaarlijkse belasting, " milieubelasting " genoemd, verschuldigd door de houders van de milieuvergunningen die, bij een aanvraag tot verlenging krachtens artikel 62 van de verordening van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen of van een nieuwe vergunning voor een bestaande installatie die voordien toegestaan was overeenkomstig artikel 13ter, § 2 of § 3 van dezelfde ordonnantie, ervoor gekozen hebben één of meer overtollige parkeerplaatsen te behouden, alsook door de personen die dergelijke plaatsen zonder vergunning of in strijd met de voorwaarden van hun milieuvergunning behouden of ingericht hebben.
§ 2. Deze belasting is verschuldigd op 1 januari van het jaar volgend op het ogenblik van de beslissing tot verlenging of vernieuwing van de milieuvergunning waarbij de schuldenaar heeft gekozen voor de toepassing van artikel 13ter, § 2 of § 3, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen.
De belasting is ook verschuldigd op 1 januari van het jaar volgend op de verjaardag van de verlenging of de uitreiking van een nieuwe milieuvergunning die aanleiding gaf tot de belasting die in het vorige lid vermeld wordt.
§ 2. Deze belasting is verschuldigd op 1 januari van het jaar volgend op het ogenblik van de beslissing tot verlenging of vernieuwing van de milieuvergunning waarbij de schuldenaar heeft gekozen voor de toepassing van artikel 13ter, § 2 of § 3, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen.
De belasting is ook verschuldigd op 1 januari van het jaar volgend op de verjaardag van de verlenging of de uitreiking van een nieuwe milieuvergunning die aanleiding gaf tot de belasting die in het vorige lid vermeld wordt.
Art. 2.3.55. § 1er. Il existe une taxe annuelle nommée " charge environnementale " à charge des titulaires de permis d'environnement qui, lors d'une demande de prolongation en vertu de l'article 62 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement ou de nouveau permis portant sur une installation existante précédemment autorisée, ont fait le choix, conformément à l'article 13ter, § 2 ou § 3, de la même ordonnance, de conserver un ou des emplacements de parcage excédentaires, ainsi que des personnes qui auront conservé ou établi de tels emplacements sans permis ou en violation des termes de leur permis d'environnement.
§ 2. Cette taxe est due au premier janvier de l'année qui suit le moment de la décision de prolongation ou de renouvellement du permis d'environnement pour lequel le redevable a opté pour l'application de l'article 13ter, § 2 ou § 3, de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement.
La taxe est également due au premier janvier de l'année qui suit la date anniversaire de la prolongation ou de la délivrance d'un nouveau permis d'environnement qui a donné lieu à la taxation mentionnée dans l'alinéa précédent.
§ 2. Cette taxe est due au premier janvier de l'année qui suit le moment de la décision de prolongation ou de renouvellement du permis d'environnement pour lequel le redevable a opté pour l'application de l'article 13ter, § 2 ou § 3, de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement.
La taxe est également due au premier janvier de l'année qui suit la date anniversaire de la prolongation ou de la délivrance d'un nouveau permis d'environnement qui a donné lieu à la taxation mentionnée dans l'alinéa précédent.
Art. 2.3.56. De schuldenaars van de milieubelasting zijn de houders van een milieuvergunning bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 1° en 2°, en vanaf 1 januari 2022 die bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 3°. Die houders zijn zowel de natuurlijke als de privaat- of publiekrechtelijke rechtspersonen die de milieuvergunning voor zichzelf gevraagd en verkregen hebben als de overnemers van dergelijke vergunning, voor zover de overname conform artikel 63, § 1, 6°, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen gebeurd is.
Indien meerdere personen samen houder zijn van een milieuvergunning, zal de milieubelasting hoofdelijk en ondeelbaar aan elk van hen opgelegd worden.
Het basisbedrag van de milieubelasting is vastgesteld op :
a) 450 euro voor de houders van een milieuvergunning bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 1° ;
b) 350 euro voor de houders van een milieuvergunning bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 2° ;
c) 250 euro voor de houders van een milieuvergunning bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 3°.
Die basisbedragen worden jaarlijks, op 1 januari, aangepast aan het indexcijfer der consumptieprijzen van het Koninkrijk van de maand december van het voorafgaande jaar.
De milieubelasting voor het eerste volledige jaar waarin één of meer overtollige parkeerplaatsen behouden worden, is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met het aantal overtollige parkeerplaatsen.
Voor de volgende jaren, wordt het basisbedrag jaarlijks met 10 % vermeerderd tijdens de geldigheidsduur van de milieuvergunning waarin de parkeerplaatsen worden toegestaan. Die verhoging wordt van jaar tot jaar gecumuleerd en dat gedurende een periode van 15 jaar. De milieubelasting voor deze jaren is gelijk aan het vermeerderde basisbedrag vermenigvuldigd met het aantal overtollige parkeerplaatsen.
Indien meerdere personen samen houder zijn van een milieuvergunning, zal de milieubelasting hoofdelijk en ondeelbaar aan elk van hen opgelegd worden.
Het basisbedrag van de milieubelasting is vastgesteld op :
a) 450 euro voor de houders van een milieuvergunning bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 1° ;
b) 350 euro voor de houders van een milieuvergunning bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 2° ;
c) 250 euro voor de houders van een milieuvergunning bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 3°.
Die basisbedragen worden jaarlijks, op 1 januari, aangepast aan het indexcijfer der consumptieprijzen van het Koninkrijk van de maand december van het voorafgaande jaar.
De milieubelasting voor het eerste volledige jaar waarin één of meer overtollige parkeerplaatsen behouden worden, is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met het aantal overtollige parkeerplaatsen.
Voor de volgende jaren, wordt het basisbedrag jaarlijks met 10 % vermeerderd tijdens de geldigheidsduur van de milieuvergunning waarin de parkeerplaatsen worden toegestaan. Die verhoging wordt van jaar tot jaar gecumuleerd en dat gedurende een periode van 15 jaar. De milieubelasting voor deze jaren is gelijk aan het vermeerderde basisbedrag vermenigvuldigd met het aantal overtollige parkeerplaatsen.
Art. 2.3.56. Les redevables de la charge environnementale sont les titulaires de permis d'environnement visés à l'article 2.3.54, § 1er, 1° et 2°, ainsi qu'à partir du 1er janvier 2022 ceux visés à l'article 2.3.54, § 1er, 3°. Ces titulaires sont tant les personnes physiques ou morales de droit privé ou de droit public qui ont demandé et obtenu le permis d'environnement pour elles-mêmes, que les cessionnaires d'un tel permis, pour autant que la cession soit intervenue conformément à l'article 63, § 1er, 6°, de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement.
Si plusieurs personnes sont conjointement titulaires d'un permis d'environnement, la charge environnementale sera mise à charge de chacune d'entre elles de façon solidaire et indivisible.
Le montant de base de la charge environnementale est fixé à :
a) 450 euros pour les titulaires de permis d'environnement visés à l'article 2.3.54, § 1er, 1° ;
b) 350 euros pour les titulaires de permis d'environnement visés à l'article 2.3.54, § 1er, 2° ;
c) 250 euros pour les titulaires de permis d'environnement visés à l'article 2.3.54, § 1er, 3°.
Ces montants de base sont adaptés annuellement, le 1er janvier, à l'indice des prix à la consommation du Royaume du mois de décembre de l'année qui précède.
La charge environnementale pour la première année complète au cours de laquelle un ou des emplacements de parcage excédentaires sont maintenus est égale au montant de base multiplié par le nombre d'emplacements de parcage excédentaires.
Pour les années suivantes, le montant de base est augmenté de 10 % chaque année pendant la durée de validité du permis d'environnement autorisant les emplacements de parcage. Cette augmentation est cumulative d'année en année et perdure sur une durée de 15 années. La charge environnementale pour ces années est égale au montant de base augmenté multiplié par le nombre d'emplacements de parcage excédentaires.
Si plusieurs personnes sont conjointement titulaires d'un permis d'environnement, la charge environnementale sera mise à charge de chacune d'entre elles de façon solidaire et indivisible.
Le montant de base de la charge environnementale est fixé à :
a) 450 euros pour les titulaires de permis d'environnement visés à l'article 2.3.54, § 1er, 1° ;
b) 350 euros pour les titulaires de permis d'environnement visés à l'article 2.3.54, § 1er, 2° ;
c) 250 euros pour les titulaires de permis d'environnement visés à l'article 2.3.54, § 1er, 3°.
Ces montants de base sont adaptés annuellement, le 1er janvier, à l'indice des prix à la consommation du Royaume du mois de décembre de l'année qui précède.
La charge environnementale pour la première année complète au cours de laquelle un ou des emplacements de parcage excédentaires sont maintenus est égale au montant de base multiplié par le nombre d'emplacements de parcage excédentaires.
Pour les années suivantes, le montant de base est augmenté de 10 % chaque année pendant la durée de validité du permis d'environnement autorisant les emplacements de parcage. Cette augmentation est cumulative d'année en année et perdure sur une durée de 15 années. La charge environnementale pour ces années est égale au montant de base augmenté multiplié par le nombre d'emplacements de parcage excédentaires.
Art. 2.3.56. De schuldenaars van de milieubelasting zijn de houders van een milieuvergunning bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 1° en 2°, en vanaf 1 januari 2022 die bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 3°. Die houders zijn zowel de natuurlijke als de privaat- of publiekrechtelijke rechtspersonen die de milieuvergunning voor zichzelf gevraagd en verkregen hebben als de overnemers van dergelijke vergunning, voor zover de overname conform artikel 63, § 1, 6°, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen gebeurd is.
Indien meerdere personen samen houder zijn van een milieuvergunning, zal de milieubelasting hoofdelijk en ondeelbaar aan elk van hen opgelegd worden.
Het basisbedrag van de milieubelasting is vastgesteld op :
a) 450 euro voor de houders van een milieuvergunning bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 1° ;
b) 350 euro voor de houders van een milieuvergunning bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 2° ;
c) 250 euro voor de houders van een milieuvergunning bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 3°.
Die basisbedragen worden jaarlijks, op 1 januari, aangepast aan het indexcijfer der consumptieprijzen van het Koninkrijk van de maand december van het voorafgaande jaar.
De milieubelasting voor het eerste volledige jaar waarin één of meer overtollige parkeerplaatsen behouden worden, is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met het aantal overtollige parkeerplaatsen.
Voor de volgende jaren, wordt het basisbedrag jaarlijks met 10 % vermeerderd tijdens de geldigheidsduur van de milieuvergunning waarin de parkeerplaatsen worden toegestaan. Die verhoging wordt van jaar tot jaar gecumuleerd en dat gedurende een periode van 15 jaar. De milieubelasting voor deze jaren is gelijk aan het vermeerderde basisbedrag vermenigvuldigd met het aantal overtollige parkeerplaatsen.
Indien meerdere personen samen houder zijn van een milieuvergunning, zal de milieubelasting hoofdelijk en ondeelbaar aan elk van hen opgelegd worden.
Het basisbedrag van de milieubelasting is vastgesteld op :
a) 450 euro voor de houders van een milieuvergunning bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 1° ;
b) 350 euro voor de houders van een milieuvergunning bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 2° ;
c) 250 euro voor de houders van een milieuvergunning bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 3°.
Die basisbedragen worden jaarlijks, op 1 januari, aangepast aan het indexcijfer der consumptieprijzen van het Koninkrijk van de maand december van het voorafgaande jaar.
De milieubelasting voor het eerste volledige jaar waarin één of meer overtollige parkeerplaatsen behouden worden, is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met het aantal overtollige parkeerplaatsen.
Voor de volgende jaren, wordt het basisbedrag jaarlijks met 10 % vermeerderd tijdens de geldigheidsduur van de milieuvergunning waarin de parkeerplaatsen worden toegestaan. Die verhoging wordt van jaar tot jaar gecumuleerd en dat gedurende een periode van 15 jaar. De milieubelasting voor deze jaren is gelijk aan het vermeerderde basisbedrag vermenigvuldigd met het aantal overtollige parkeerplaatsen.
Art. 2.3.56. Les redevables de la charge environnementale sont les titulaires de permis d'environnement visés à l'article 2.3.54, § 1er, 1° et 2°, ainsi qu'à partir du 1er janvier 2022 ceux visés à l'article 2.3.54, § 1er, 3°. Ces titulaires sont tant les personnes physiques ou morales de droit privé ou de droit public qui ont demandé et obtenu le permis d'environnement pour elles-mêmes, que les cessionnaires d'un tel permis, pour autant que la cession soit intervenue conformément à l'article 63, § 1er, 6°, de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement.
Si plusieurs personnes sont conjointement titulaires d'un permis d'environnement, la charge environnementale sera mise à charge de chacune d'entre elles de façon solidaire et indivisible.
Le montant de base de la charge environnementale est fixé à :
a) 450 euros pour les titulaires de permis d'environnement visés à l'article 2.3.54, § 1er, 1° ;
b) 350 euros pour les titulaires de permis d'environnement visés à l'article 2.3.54, § 1er, 2° ;
c) 250 euros pour les titulaires de permis d'environnement visés à l'article 2.3.54, § 1er, 3°.
Ces montants de base sont adaptés annuellement, le 1er janvier, à l'indice des prix à la consommation du Royaume du mois de décembre de l'année qui précède.
La charge environnementale pour la première année complète au cours de laquelle un ou des emplacements de parcage excédentaires sont maintenus est égale au montant de base multiplié par le nombre d'emplacements de parcage excédentaires.
Pour les années suivantes, le montant de base est augmenté de 10 % chaque année pendant la durée de validité du permis d'environnement autorisant les emplacements de parcage. Cette augmentation est cumulative d'année en année et perdure sur une durée de 15 années. La charge environnementale pour ces années est égale au montant de base augmenté multiplié par le nombre d'emplacements de parcage excédentaires.
Si plusieurs personnes sont conjointement titulaires d'un permis d'environnement, la charge environnementale sera mise à charge de chacune d'entre elles de façon solidaire et indivisible.
Le montant de base de la charge environnementale est fixé à :
a) 450 euros pour les titulaires de permis d'environnement visés à l'article 2.3.54, § 1er, 1° ;
b) 350 euros pour les titulaires de permis d'environnement visés à l'article 2.3.54, § 1er, 2° ;
c) 250 euros pour les titulaires de permis d'environnement visés à l'article 2.3.54, § 1er, 3°.
Ces montants de base sont adaptés annuellement, le 1er janvier, à l'indice des prix à la consommation du Royaume du mois de décembre de l'année qui précède.
La charge environnementale pour la première année complète au cours de laquelle un ou des emplacements de parcage excédentaires sont maintenus est égale au montant de base multiplié par le nombre d'emplacements de parcage excédentaires.
Pour les années suivantes, le montant de base est augmenté de 10 % chaque année pendant la durée de validité du permis d'environnement autorisant les emplacements de parcage. Cette augmentation est cumulative d'année en année et perdure sur une durée de 15 années. La charge environnementale pour ces années est égale au montant de base augmenté multiplié par le nombre d'emplacements de parcage excédentaires.
Art. 2.3.58. § 1. De schuldenaar van de milieubelasting die beslist om de overtollige parkeerplaatsen niet langer te behouden of hun aantal te verminderen overeenkomstig artikel 13ter, § 1, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, deelt dit mee conform artikel 7bis van de vermelde ordonnantie.
[1 Leefmilieu Brussel]1 is gemachtigd om na te gaan of de kennisgeving juist is door bezoeken aan het gebouw of deel van het betrokken gebouw af te leggen.
§ 2. De ingekohierde milieubelasting voor het jaar waarin de kennisgeving bedoeld in § 1 plaatsgevonden heeft, wordt ontheven volgens het aantal nog te verstrijken dagen tussen de kennisgeving en de volgende inkohiering en het aantal geschrapte overtollige parkeerplaatsen.
[1 Leefmilieu Brussel]1 is gemachtigd om na te gaan of de kennisgeving juist is door bezoeken aan het gebouw of deel van het betrokken gebouw af te leggen.
§ 2. De ingekohierde milieubelasting voor het jaar waarin de kennisgeving bedoeld in § 1 plaatsgevonden heeft, wordt ontheven volgens het aantal nog te verstrijken dagen tussen de kennisgeving en de volgende inkohiering en het aantal geschrapte overtollige parkeerplaatsen.
Art. 2.3.58. § 1er. Le redevable de la charge environnementale qui décide de ne plus maintenir les emplacements de parcage excédentaires ou d'en réduire le nombre conformément à l'article 13ter, § 1er, de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, le notifie conformément à l'article 7bis de ladite ordonnance.
[1 Bruxelles Environnement]1 est autorisé à vérifier l'exactitude de la notification au moyen de visites dans l'immeuble ou la partie d'immeuble concerné.
§ 2. La charge environnementale enrôlée pour l'année au cours de laquelle a eu lieu la notification visée au paragraphe 1er est dégrevée à proportion du nombre de jours restant à courir depuis la réception de la notification jusqu'à l'enrôlement suivant, et du nombre d'emplacements de parcage excédentaires supprimés.
[1 Bruxelles Environnement]1 est autorisé à vérifier l'exactitude de la notification au moyen de visites dans l'immeuble ou la partie d'immeuble concerné.
§ 2. La charge environnementale enrôlée pour l'année au cours de laquelle a eu lieu la notification visée au paragraphe 1er est dégrevée à proportion du nombre de jours restant à courir depuis la réception de la notification jusqu'à l'enrôlement suivant, et du nombre d'emplacements de parcage excédentaires supprimés.
Wijzigingen
Art. 2.3.59. § 1. De milieubelasting wordt ook ingekohierd ten laste van hij die parkeerplaatsen behouden of ingericht heeft in overtreding van de voorwaarden van zijn vergunning of zonder vergunning. In dat geval, wordt het bedrag ervan verdubbeld.
De milieubelasting wordt ingekohierd voor het jaar waarin de inbreuk vastgesteld wordt door de bevoegde dienst die toeziet op de naleving van de milieuvergunningen alsook voor de vijf verstreken jaren sedert de inwerkingtreding van de taks waarvoor die dienst over bewijselementen beschikt die aantonen dat de onwettige parkeerplaatsen bestonden. De betaling van de milieubelasting door de overtreder geeft hem niet het recht om de onwettige plaatsen te behouden.
Indien die plaatsen behouden worden of een nieuwe inbreuk tijdens een daaropvolgend jaar gepleegd wordt, wordt het bedrag van de milieubelasting verdrievoudigd.
§ 2. De bevoegde dienst die toeziet op de naleving van de milieuvergunningen verricht de nodige onderzoeken om overtreders van de bepalingen van onderhavig hoofdstuk op te sporen.
De schuldenaars dienen de ambtenaren die daartoe gemandateerd zijn door de Regering toegang te verschaffen tot de gebouwen of delen van gebouwen waarin zich een parking bevindt. Die ambtenaren zijn gemachtigd om processen-verbaal op te maken en aan de schuldenaars mondelinge of schriftelijke uitleg te vragen zonder dat die laatste verplicht kunnen worden om zich te verplaatsen. De Regering regelt de toepassingsregels van onderhavige paragraaf.
De milieubelasting wordt ingekohierd voor het jaar waarin de inbreuk vastgesteld wordt door de bevoegde dienst die toeziet op de naleving van de milieuvergunningen alsook voor de vijf verstreken jaren sedert de inwerkingtreding van de taks waarvoor die dienst over bewijselementen beschikt die aantonen dat de onwettige parkeerplaatsen bestonden. De betaling van de milieubelasting door de overtreder geeft hem niet het recht om de onwettige plaatsen te behouden.
Indien die plaatsen behouden worden of een nieuwe inbreuk tijdens een daaropvolgend jaar gepleegd wordt, wordt het bedrag van de milieubelasting verdrievoudigd.
§ 2. De bevoegde dienst die toeziet op de naleving van de milieuvergunningen verricht de nodige onderzoeken om overtreders van de bepalingen van onderhavig hoofdstuk op te sporen.
De schuldenaars dienen de ambtenaren die daartoe gemandateerd zijn door de Regering toegang te verschaffen tot de gebouwen of delen van gebouwen waarin zich een parking bevindt. Die ambtenaren zijn gemachtigd om processen-verbaal op te maken en aan de schuldenaars mondelinge of schriftelijke uitleg te vragen zonder dat die laatste verplicht kunnen worden om zich te verplaatsen. De Regering regelt de toepassingsregels van onderhavige paragraaf.
Art. 2.3.59. § 1er. La charge environnementale est également enrôlée à charge de celui qui aura conservé ou établi des emplacements de parcage en violation des termes de son permis ou sans permis. En ce cas, son montant est doublé.
La charge environnementale est enrôlée pour l'année au cours de laquelle la constatation de l'infraction est effectuée par le service compétent pour veiller au respect des permis d'environnement ainsi que pour les cinq années antérieures, depuis l'entrée en vigueur de la taxe, pour laquelle ce service dispose d'éléments probants démontrant que les emplacements de parcage illégaux existaient. Le paiement de la charge environnementale par le contrevenant n'emporte pas le droit de maintenir les emplacements illégaux.
En cas de maintien de ces emplacements ou de nouvelle infraction au cours d'une année subséquente, le montant de la charge environnementale est triplé.
§ 2. Le service compétent pour veiller au respect des permis d'environnement procède aux enquêtes nécessaires à la découverte des contrevenants aux dispositions du présent chapitre.
Les redevables sont tenus de fournir accès aux immeubles ou parties d'immeubles où se trouve un parking aux agents mandatés à cet effet par le Gouvernement. Ces agents sont autorisés à établir des procès-verbaux et à recueillir auprès des redevables, sans que ces derniers puissent être tenus de se déplacer, des explications orales ou écrites. Le Gouvernement règle les modalités d'application du présent paragraphe.
La charge environnementale est enrôlée pour l'année au cours de laquelle la constatation de l'infraction est effectuée par le service compétent pour veiller au respect des permis d'environnement ainsi que pour les cinq années antérieures, depuis l'entrée en vigueur de la taxe, pour laquelle ce service dispose d'éléments probants démontrant que les emplacements de parcage illégaux existaient. Le paiement de la charge environnementale par le contrevenant n'emporte pas le droit de maintenir les emplacements illégaux.
En cas de maintien de ces emplacements ou de nouvelle infraction au cours d'une année subséquente, le montant de la charge environnementale est triplé.
§ 2. Le service compétent pour veiller au respect des permis d'environnement procède aux enquêtes nécessaires à la découverte des contrevenants aux dispositions du présent chapitre.
Les redevables sont tenus de fournir accès aux immeubles ou parties d'immeubles où se trouve un parking aux agents mandatés à cet effet par le Gouvernement. Ces agents sont autorisés à établir des procès-verbaux et à recueillir auprès des redevables, sans que ces derniers puissent être tenus de se déplacer, des explications orales ou écrites. Le Gouvernement règle les modalités d'application du présent paragraphe.
Art. 2.3.59. § 1. De milieubelasting wordt ook ingekohierd ten laste van hij die parkeerplaatsen behouden of ingericht heeft in overtreding van de voorwaarden van zijn vergunning of zonder vergunning. In dat geval, wordt het bedrag ervan verdubbeld.
De milieubelasting wordt ingekohierd voor het jaar waarin de inbreuk vastgesteld wordt door de bevoegde dienst die toeziet op de naleving van de milieuvergunningen alsook voor de vijf verstreken jaren sedert de inwerkingtreding van de taks waarvoor die dienst over bewijselementen beschikt die aantonen dat de onwettige parkeerplaatsen bestonden. De betaling van de milieubelasting door de overtreder geeft hem niet het recht om de onwettige plaatsen te behouden.
Indien die plaatsen behouden worden of een nieuwe inbreuk tijdens een daaropvolgend jaar gepleegd wordt, wordt het bedrag van de milieubelasting verdrievoudigd.
§ 2. De bevoegde dienst die toeziet op de naleving van de milieuvergunningen verricht de nodige onderzoeken om overtreders van de bepalingen van onderhavig hoofdstuk op te sporen.
De schuldenaars dienen de ambtenaren die daartoe gemandateerd zijn door de Regering toegang te verschaffen tot de gebouwen of delen van gebouwen waarin zich een parking bevindt. Die ambtenaren zijn gemachtigd om processen-verbaal op te maken en aan de schuldenaars mondelinge of schriftelijke uitleg te vragen zonder dat die laatste verplicht kunnen worden om zich te verplaatsen. De Regering regelt de toepassingsregels van onderhavige paragraaf.
De milieubelasting wordt ingekohierd voor het jaar waarin de inbreuk vastgesteld wordt door de bevoegde dienst die toeziet op de naleving van de milieuvergunningen alsook voor de vijf verstreken jaren sedert de inwerkingtreding van de taks waarvoor die dienst over bewijselementen beschikt die aantonen dat de onwettige parkeerplaatsen bestonden. De betaling van de milieubelasting door de overtreder geeft hem niet het recht om de onwettige plaatsen te behouden.
Indien die plaatsen behouden worden of een nieuwe inbreuk tijdens een daaropvolgend jaar gepleegd wordt, wordt het bedrag van de milieubelasting verdrievoudigd.
§ 2. De bevoegde dienst die toeziet op de naleving van de milieuvergunningen verricht de nodige onderzoeken om overtreders van de bepalingen van onderhavig hoofdstuk op te sporen.
De schuldenaars dienen de ambtenaren die daartoe gemandateerd zijn door de Regering toegang te verschaffen tot de gebouwen of delen van gebouwen waarin zich een parking bevindt. Die ambtenaren zijn gemachtigd om processen-verbaal op te maken en aan de schuldenaars mondelinge of schriftelijke uitleg te vragen zonder dat die laatste verplicht kunnen worden om zich te verplaatsen. De Regering regelt de toepassingsregels van onderhavige paragraaf.
Art. 2.3.59. § 1er. La charge environnementale est également enrôlée à charge de celui qui aura conservé ou établi des emplacements de parcage en violation des termes de son permis ou sans permis. En ce cas, son montant est doublé.
La charge environnementale est enrôlée pour l'année au cours de laquelle la constatation de l'infraction est effectuée par le service compétent pour veiller au respect des permis d'environnement ainsi que pour les cinq années antérieures, depuis l'entrée en vigueur de la taxe, pour laquelle ce service dispose d'éléments probants démontrant que les emplacements de parcage illégaux existaient. Le paiement de la charge environnementale par le contrevenant n'emporte pas le droit de maintenir les emplacements illégaux.
En cas de maintien de ces emplacements ou de nouvelle infraction au cours d'une année subséquente, le montant de la charge environnementale est triplé.
§ 2. Le service compétent pour veiller au respect des permis d'environnement procède aux enquêtes nécessaires à la découverte des contrevenants aux dispositions du présent chapitre.
Les redevables sont tenus de fournir accès aux immeubles ou parties d'immeubles où se trouve un parking aux agents mandatés à cet effet par le Gouvernement. Ces agents sont autorisés à établir des procès-verbaux et à recueillir auprès des redevables, sans que ces derniers puissent être tenus de se déplacer, des explications orales ou écrites. Le Gouvernement règle les modalités d'application du présent paragraphe.
La charge environnementale est enrôlée pour l'année au cours de laquelle la constatation de l'infraction est effectuée par le service compétent pour veiller au respect des permis d'environnement ainsi que pour les cinq années antérieures, depuis l'entrée en vigueur de la taxe, pour laquelle ce service dispose d'éléments probants démontrant que les emplacements de parcage illégaux existaient. Le paiement de la charge environnementale par le contrevenant n'emporte pas le droit de maintenir les emplacements illégaux.
En cas de maintien de ces emplacements ou de nouvelle infraction au cours d'une année subséquente, le montant de la charge environnementale est triplé.
§ 2. Le service compétent pour veiller au respect des permis d'environnement procède aux enquêtes nécessaires à la découverte des contrevenants aux dispositions du présent chapitre.
Les redevables sont tenus de fournir accès aux immeubles ou parties d'immeubles où se trouve un parking aux agents mandatés à cet effet par le Gouvernement. Ces agents sont autorisés à établir des procès-verbaux et à recueillir auprès des redevables, sans que ces derniers puissent être tenus de se déplacer, des explications orales ou écrites. Le Gouvernement règle les modalités d'application du présent paragraphe.
Art. 2.3.61. § 1. Onverminderd de vordering bedoeld in artikel 2.3.60, wijst de Regering één of meer ambtenaren aan die door [1 Leefmilieu Brussel]1 bijgestaan worden om de problemen of de fouten op te lossen die zich bij de berekening of de inning van de milieubelasting kunnen voordoen en door de schuldenaars opgeworpen worden.
De aangewezen ambtenaar kan dadingen met de schuldenaars sluiten, op voorwaarde dat ze geen vrijstelling of matiging van de belasting inhouden, en de aanslagen rechtzetten die via een herinkohiering gevestigd zijn.
Hij kan in dit kader ook kwijtscheldingen of verminderingen van verwijlinteresten toekennen wanneer de schuldenaar te goeder trouw is en in de problemen geraakt is.
Hij dient binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de voorlegging van de vraag te antwoorden op de vragen van de schuldenaars. Als hij niet antwoordt, wordt dit aanzien als een verwerping van de vraag.
De Regering legt de nadere uitvoeringsregels van onderhavig artikel vast.
§ 2. De schuldenaar kan een schriftelijke vraag tot de in § 1 aangewezen ambtenaar richten zolang de in artikel 2.3.60 bedoelde vordering niet ingediend is en uiterlijk tot zes maanden vanaf de derde werkdag na de versturing van het aanslagbiljet. Deze vraag schorst de indieningstermijn van de in artikel 2.3.60 bedoelde vordering niet.
De aangewezen ambtenaar kan dadingen met de schuldenaars sluiten, op voorwaarde dat ze geen vrijstelling of matiging van de belasting inhouden, en de aanslagen rechtzetten die via een herinkohiering gevestigd zijn.
Hij kan in dit kader ook kwijtscheldingen of verminderingen van verwijlinteresten toekennen wanneer de schuldenaar te goeder trouw is en in de problemen geraakt is.
Hij dient binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de voorlegging van de vraag te antwoorden op de vragen van de schuldenaars. Als hij niet antwoordt, wordt dit aanzien als een verwerping van de vraag.
De Regering legt de nadere uitvoeringsregels van onderhavig artikel vast.
§ 2. De schuldenaar kan een schriftelijke vraag tot de in § 1 aangewezen ambtenaar richten zolang de in artikel 2.3.60 bedoelde vordering niet ingediend is en uiterlijk tot zes maanden vanaf de derde werkdag na de versturing van het aanslagbiljet. Deze vraag schorst de indieningstermijn van de in artikel 2.3.60 bedoelde vordering niet.
Art. 2.3.61. § 1er. Sans préjudice de l'action visée à l'article 2.3.60, le Gouvernement désigne un ou plusieurs fonctionnaires qui sont assistés par [1 Bruxelles Environnement]1 en vue de résoudre les difficultés ou les erreurs qui peuvent se produire relativement au calcul ou à la perception de la charge environnementale et qui sont soulevées par les redevables.
Le fonctionnaire désigné peut conclure des transactions avec les redevables, pourvu qu'elles n'impliquent pas exemption ou modération d'impôt, et rectifier les impositions établies par la voie d'un ré-enrôlement.
Il peut également, dans ce cadre, accorder des remises ou modérations d'intérêts de retard lorsque le redevable est malheureux et de bonne foi.
Il est tenu d'apporter une réponse aux demandes des redevables dans un délai de deux mois à compter de la demande introduite devant lui. L'absence de réponse est assimilée à un rejet de la demande.
Le Gouvernement arrête les modalités d'exécution du présent article.
§ 2. Le redevable peut adresser une demande écrite au fonctionnaire désigné au paragraphe 1er tant que l'action visée à l'article 2.3.60 n'est pas introduite et, au maximum, jusqu'à l'expiration d'un délai de six mois à compter du troisième jour ouvrable après l'envoi de l'avertissement-extrait de rôle. Cette demande ne suspend pas le délai d'introduction de l'action visée à l'article 2.3.60.
Le fonctionnaire désigné peut conclure des transactions avec les redevables, pourvu qu'elles n'impliquent pas exemption ou modération d'impôt, et rectifier les impositions établies par la voie d'un ré-enrôlement.
Il peut également, dans ce cadre, accorder des remises ou modérations d'intérêts de retard lorsque le redevable est malheureux et de bonne foi.
Il est tenu d'apporter une réponse aux demandes des redevables dans un délai de deux mois à compter de la demande introduite devant lui. L'absence de réponse est assimilée à un rejet de la demande.
Le Gouvernement arrête les modalités d'exécution du présent article.
§ 2. Le redevable peut adresser une demande écrite au fonctionnaire désigné au paragraphe 1er tant que l'action visée à l'article 2.3.60 n'est pas introduite et, au maximum, jusqu'à l'expiration d'un délai de six mois à compter du troisième jour ouvrable après l'envoi de l'avertissement-extrait de rôle. Cette demande ne suspend pas le délai d'introduction de l'action visée à l'article 2.3.60.
Wijzigingen
Art. 2.3.61. § 1. Onverminderd de vordering bedoeld in artikel 2.3.60, wijst de Regering één of meer ambtenaren aan die door [1 Leefmilieu Brussel]1 bijgestaan worden om de problemen of de fouten op te lossen die zich bij de berekening of de inning van de milieubelasting kunnen voordoen en door de schuldenaars opgeworpen worden.
De aangewezen ambtenaar kan dadingen met de schuldenaars sluiten, op voorwaarde dat ze geen vrijstelling of matiging van de belasting inhouden, en de aanslagen rechtzetten die via een herinkohiering gevestigd zijn.
Hij kan in dit kader ook kwijtscheldingen of verminderingen van verwijlinteresten toekennen wanneer de schuldenaar te goeder trouw is en in de problemen geraakt is.
Hij dient binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de voorlegging van de vraag te antwoorden op de vragen van de schuldenaars. Als hij niet antwoordt, wordt dit aanzien als een verwerping van de vraag.
De Regering legt de nadere uitvoeringsregels van onderhavig artikel vast.
§ 2. De schuldenaar kan een schriftelijke vraag tot de in § 1 aangewezen ambtenaar richten zolang de in artikel 2.3.60 bedoelde vordering niet ingediend is en uiterlijk tot zes maanden vanaf de derde werkdag na de versturing van het aanslagbiljet. Deze vraag schorst de indieningstermijn van de in artikel 2.3.60 bedoelde vordering niet.
De aangewezen ambtenaar kan dadingen met de schuldenaars sluiten, op voorwaarde dat ze geen vrijstelling of matiging van de belasting inhouden, en de aanslagen rechtzetten die via een herinkohiering gevestigd zijn.
Hij kan in dit kader ook kwijtscheldingen of verminderingen van verwijlinteresten toekennen wanneer de schuldenaar te goeder trouw is en in de problemen geraakt is.
Hij dient binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de voorlegging van de vraag te antwoorden op de vragen van de schuldenaars. Als hij niet antwoordt, wordt dit aanzien als een verwerping van de vraag.
De Regering legt de nadere uitvoeringsregels van onderhavig artikel vast.
§ 2. De schuldenaar kan een schriftelijke vraag tot de in § 1 aangewezen ambtenaar richten zolang de in artikel 2.3.60 bedoelde vordering niet ingediend is en uiterlijk tot zes maanden vanaf de derde werkdag na de versturing van het aanslagbiljet. Deze vraag schorst de indieningstermijn van de in artikel 2.3.60 bedoelde vordering niet.
Art. 2.3.61. § 1er. Sans préjudice de l'action visée à l'article 2.3.60, le Gouvernement désigne un ou plusieurs fonctionnaires qui sont assistés par [1 Bruxelles Environnement]1 en vue de résoudre les difficultés ou les erreurs qui peuvent se produire relativement au calcul ou à la perception de la charge environnementale et qui sont soulevées par les redevables.
Le fonctionnaire désigné peut conclure des transactions avec les redevables, pourvu qu'elles n'impliquent pas exemption ou modération d'impôt, et rectifier les impositions établies par la voie d'un ré-enrôlement.
Il peut également, dans ce cadre, accorder des remises ou modérations d'intérêts de retard lorsque le redevable est malheureux et de bonne foi.
Il est tenu d'apporter une réponse aux demandes des redevables dans un délai de deux mois à compter de la demande introduite devant lui. L'absence de réponse est assimilée à un rejet de la demande.
Le Gouvernement arrête les modalités d'exécution du présent article.
§ 2. Le redevable peut adresser une demande écrite au fonctionnaire désigné au paragraphe 1er tant que l'action visée à l'article 2.3.60 n'est pas introduite et, au maximum, jusqu'à l'expiration d'un délai de six mois à compter du troisième jour ouvrable après l'envoi de l'avertissement-extrait de rôle. Cette demande ne suspend pas le délai d'introduction de l'action visée à l'article 2.3.60.
Le fonctionnaire désigné peut conclure des transactions avec les redevables, pourvu qu'elles n'impliquent pas exemption ou modération d'impôt, et rectifier les impositions établies par la voie d'un ré-enrôlement.
Il peut également, dans ce cadre, accorder des remises ou modérations d'intérêts de retard lorsque le redevable est malheureux et de bonne foi.
Il est tenu d'apporter une réponse aux demandes des redevables dans un délai de deux mois à compter de la demande introduite devant lui. L'absence de réponse est assimilée à un rejet de la demande.
Le Gouvernement arrête les modalités d'exécution du présent article.
§ 2. Le redevable peut adresser une demande écrite au fonctionnaire désigné au paragraphe 1er tant que l'action visée à l'article 2.3.60 n'est pas introduite et, au maximum, jusqu'à l'expiration d'un délai de six mois à compter du troisième jour ouvrable après l'envoi de l'avertissement-extrait de rôle. Cette demande ne suspend pas le délai d'introduction de l'action visée à l'article 2.3.60.
Wijzigingen
Art. 2.3.62. [1 Titels 1 tot 4 van de ordonnantie van 6 maart 2019 betreffende de Brusselse Codex Fiscale Procedure zijn van toepassing op de milieubelasting bedoeld in artikel 2.3.55 van de ordonnantie van 2 mei 2013 houdende het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing.
In afwijking van het eerste lid, zijn hoofdstukken 1 en 7 van titel 2 van de ordonnantie van 6 maart 2019 betreffende de Brusselse Codex Fiscale Procedure niet van toepassing op de milieubelasting bedoeld in artikel 2.3.55 van de ordonnantie van 2 mei 2013 houdende het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing.]1
In afwijking van het eerste lid, zijn hoofdstukken 1 en 7 van titel 2 van de ordonnantie van 6 maart 2019 betreffende de Brusselse Codex Fiscale Procedure niet van toepassing op de milieubelasting bedoeld in artikel 2.3.55 van de ordonnantie van 2 mei 2013 houdende het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing.]1
Art. 2.3.62. [1 Les titres 1er à 4 de l'ordonnance du 6 mars 2019 relative au Code bruxellois de procédure fiscale sont applicables à la charge environnementale visée à l'article 2.3.55 de l'ordonnance du 2 mai 2013 portant le Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la Maîtrise de l'Energie.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les chapitres 1er et 7 du titre 2 de l'ordonnance 6 mars 2019 relative au Code bruxellois de procédure fiscale ne sont pas applicables à la charge environnementale visée à l'article 2.3.55 de l'ordonnance du 2 mai 2013 portant le Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la Maîtrise de l'Energie.]1
Par dérogation à l'alinéa 1er, les chapitres 1er et 7 du titre 2 de l'ordonnance 6 mars 2019 relative au Code bruxellois de procédure fiscale ne sont pas applicables à la charge environnementale visée à l'article 2.3.55 de l'ordonnance du 2 mai 2013 portant le Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la Maîtrise de l'Energie.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK 4. [1 - Oplaadinfrastructuur voor elektrische voertuigen op de openbare weg]1
CHAPITRE 4. [1 - Infrastructure de recharge en voirie pour véhicules électriques]1
Art. 2.3.63. [1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
1° " elektrisch voertuig " : een motorvoertuig, uitgerust met een aandrijving die bestaat uit ten minste één niet-perifere elektromotor als energieomzetter met een elektrisch oplaadbaar energieopslagsysteem, dat extern kan worden opgeladen ;
2° " oplaadpunt " : oplaadpunt zoals bedoeld in artikel 2, 44° van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ;
3° " oplaadpunt voor normaal vermogen " : een oplaadpunt met een vermogen van hoogstens 22 kW waarmee elektriciteit kan worden overgebracht op een elektrisch voertuig, met uitzondering van voorzieningen met een vermogen van hoogstens 3,7 kW, die in particuliere huishoudens zijn geïnstalleerd of waarvan de voornaamste doelstelling er niet in bestaat elektrische voertuigen op te laden, en die niet publiek toegankelijk zijn ;
4° " oplaadpunt voor hoog vermogen " : een oplaadpunt met een vermogen van meer dan 22 kW waarmee elektriciteit kan worden overgebracht op een elektrisch voertuig ;
5° " publiek toegankelijk oplaadpunt " : een oplaadpunt dat op niet-discriminerende basis toegang verleent aan gebruikers in de gehele Europese Unie. Toegang op niet-discriminerende basis kan verschillende vormen van authenticatie, gebruik en betaling inhouden.
6° " publiek toegankelijk oplaadpunt op de openbare weg " : een publiek toegankelijk oplaadpunt op het gemeentelijk of gewestelijk openbaar domein ;
7° " eigenaar van een publiek toegankelijk oplaadpunt " : elke publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon of elke natuurlijke persoon die eigenaar is van ten minste één publiek toegankelijk oplaadpunt en die verantwoordelijk is voor de levering, de installatie, de exploitatie en het onderhoud ervan ;
8° " exploitant van een publiek toegankelijk oplaadpunt " : elke publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon of elke natuurlijke persoon die een dienst met ten minste één publiek toegankelijk oplaadpunt aanbiedt op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ;
9° " distributienetbeheerder " : de beheerder van het distributienet, aangewezen overeenkomstig de bepalingen van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ;
10° " taxidiensten " : de taxidiensten waarvan sprake is in artikel 2, 1° van de ordonnantie van 9 juni 2022 betreffende taxidiensten ;
11° " operator van gedeelde motorvoertuigen " : de operatoren waarvan sprake is in artikel 1, 5° van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2013 houdende de voorwaarden voor het gebruik van parkeerplaatsen door operatoren van gedeelde motorvoertuigen.]1
1° " elektrisch voertuig " : een motorvoertuig, uitgerust met een aandrijving die bestaat uit ten minste één niet-perifere elektromotor als energieomzetter met een elektrisch oplaadbaar energieopslagsysteem, dat extern kan worden opgeladen ;
2° " oplaadpunt " : oplaadpunt zoals bedoeld in artikel 2, 44° van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ;
3° " oplaadpunt voor normaal vermogen " : een oplaadpunt met een vermogen van hoogstens 22 kW waarmee elektriciteit kan worden overgebracht op een elektrisch voertuig, met uitzondering van voorzieningen met een vermogen van hoogstens 3,7 kW, die in particuliere huishoudens zijn geïnstalleerd of waarvan de voornaamste doelstelling er niet in bestaat elektrische voertuigen op te laden, en die niet publiek toegankelijk zijn ;
4° " oplaadpunt voor hoog vermogen " : een oplaadpunt met een vermogen van meer dan 22 kW waarmee elektriciteit kan worden overgebracht op een elektrisch voertuig ;
5° " publiek toegankelijk oplaadpunt " : een oplaadpunt dat op niet-discriminerende basis toegang verleent aan gebruikers in de gehele Europese Unie. Toegang op niet-discriminerende basis kan verschillende vormen van authenticatie, gebruik en betaling inhouden.
6° " publiek toegankelijk oplaadpunt op de openbare weg " : een publiek toegankelijk oplaadpunt op het gemeentelijk of gewestelijk openbaar domein ;
7° " eigenaar van een publiek toegankelijk oplaadpunt " : elke publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon of elke natuurlijke persoon die eigenaar is van ten minste één publiek toegankelijk oplaadpunt en die verantwoordelijk is voor de levering, de installatie, de exploitatie en het onderhoud ervan ;
8° " exploitant van een publiek toegankelijk oplaadpunt " : elke publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon of elke natuurlijke persoon die een dienst met ten minste één publiek toegankelijk oplaadpunt aanbiedt op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ;
9° " distributienetbeheerder " : de beheerder van het distributienet, aangewezen overeenkomstig de bepalingen van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ;
10° " taxidiensten " : de taxidiensten waarvan sprake is in artikel 2, 1° van de ordonnantie van 9 juni 2022 betreffende taxidiensten ;
11° " operator van gedeelde motorvoertuigen " : de operatoren waarvan sprake is in artikel 1, 5° van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2013 houdende de voorwaarden voor het gebruik van parkeerplaatsen door operatoren van gedeelde motorvoertuigen.]1
Art. 2.3.63. [1 Pour l'application du présent chapitre, on entend par :
1° " véhicule électrique " : un véhicule à moteur équipé d'un système de propulsion comprenant au moins un convertisseur d'énergie sous la forme d'un moteur électrique non périphérique équipé d'un système de stockage de l'énergie électrique rechargeable à partir d'une source extérieure ;
2° " point de recharge " : point de recharge visé à l'article 2, 44°, de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale ;
3° " point de recharge électrique normal " : un point de recharge permettant le transfert d'électricité vers un véhicule électrique à une puissance égale ou inférieure à 22 kW, à l'exclusion des dispositifs d'une puissance inférieure ou égale à 3,7 kW, qui sont installés dans des habitations privées ou dont la fonction principale n'est pas de recharger des véhicules électriques, et qui ne sont pas accessibles au public ;
4° " point de recharge électrique à haute puissance " : un point de recharge permettant le transfert d'électricité vers un véhicule électrique à une puissance supérieure à 22 kW ;
5° " point de recharge ouvert au public " : un point de recharge auquel les utilisateurs ont accès de façon non discriminatoire dans toute l'Union européenne. L'accès non discriminatoire n'empêche pas d'imposer certaines conditions en termes d'authentification, d'utilisation et de paiement ;
6° " point de recharge ouvert au public en voirie " : un point de recharge ouvert au public situé sur le domaine public communal ou régional ;
7° " propriétaire d'un point de recharge ouvert au public " : toute personne morale de droit public ou privé ou toute personne physique qui est propriétaire au minimum d'un point de recharge ouvert au public, qui est responsable de le fournir, de l'installer, de l'exploiter et de le maintenir en état ;
8° " l'exploitant d'un point de recharge ouvert au public " : toute personne morale de droit public ou privé ou toute personne physique qui offre un service de minimum un point de recharge ouvert au public sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale ;
9° " gestionnaire du réseau de distribution " : le gestionnaire du réseau de distribution désigné conformément aux dispositions de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale ;
10° " services de taxis " : les services de taxis visés à l'article 2, 1°, de l'ordonnance du 9 juin 2022 relative aux services de taxis ;
11° " opérateur des services de véhicules à moteur partagés " : les opérateurs visés à l'article 1er, 5°, de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2013 fixant les modalités d'utilisation des places de stationnement par les opérateurs de véhicules à moteur partagés.]1
1° " véhicule électrique " : un véhicule à moteur équipé d'un système de propulsion comprenant au moins un convertisseur d'énergie sous la forme d'un moteur électrique non périphérique équipé d'un système de stockage de l'énergie électrique rechargeable à partir d'une source extérieure ;
2° " point de recharge " : point de recharge visé à l'article 2, 44°, de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale ;
3° " point de recharge électrique normal " : un point de recharge permettant le transfert d'électricité vers un véhicule électrique à une puissance égale ou inférieure à 22 kW, à l'exclusion des dispositifs d'une puissance inférieure ou égale à 3,7 kW, qui sont installés dans des habitations privées ou dont la fonction principale n'est pas de recharger des véhicules électriques, et qui ne sont pas accessibles au public ;
4° " point de recharge électrique à haute puissance " : un point de recharge permettant le transfert d'électricité vers un véhicule électrique à une puissance supérieure à 22 kW ;
5° " point de recharge ouvert au public " : un point de recharge auquel les utilisateurs ont accès de façon non discriminatoire dans toute l'Union européenne. L'accès non discriminatoire n'empêche pas d'imposer certaines conditions en termes d'authentification, d'utilisation et de paiement ;
6° " point de recharge ouvert au public en voirie " : un point de recharge ouvert au public situé sur le domaine public communal ou régional ;
7° " propriétaire d'un point de recharge ouvert au public " : toute personne morale de droit public ou privé ou toute personne physique qui est propriétaire au minimum d'un point de recharge ouvert au public, qui est responsable de le fournir, de l'installer, de l'exploiter et de le maintenir en état ;
8° " l'exploitant d'un point de recharge ouvert au public " : toute personne morale de droit public ou privé ou toute personne physique qui offre un service de minimum un point de recharge ouvert au public sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale ;
9° " gestionnaire du réseau de distribution " : le gestionnaire du réseau de distribution désigné conformément aux dispositions de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale ;
10° " services de taxis " : les services de taxis visés à l'article 2, 1°, de l'ordonnance du 9 juin 2022 relative aux services de taxis ;
11° " opérateur des services de véhicules à moteur partagés " : les opérateurs visés à l'article 1er, 5°, de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2013 fixant les modalités d'utilisation des places de stationnement par les opérateurs de véhicules à moteur partagés.]1
Art. 2.3.63. [1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
1° " elektrisch voertuig " : een motorvoertuig, uitgerust met een aandrijving die bestaat uit ten minste één niet-perifere elektromotor als energieomzetter met een elektrisch oplaadbaar energieopslagsysteem, dat extern kan worden opgeladen ;
2° " oplaadpunt " : oplaadpunt zoals bedoeld in artikel 2, 44° van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ;
3° " oplaadpunt voor normaal vermogen " : een oplaadpunt met een vermogen van hoogstens 22 kW waarmee elektriciteit kan worden overgebracht op een elektrisch voertuig, met uitzondering van voorzieningen met een vermogen van hoogstens 3,7 kW, die in particuliere huishoudens zijn geïnstalleerd of waarvan de voornaamste doelstelling er niet in bestaat elektrische voertuigen op te laden, en die niet publiek toegankelijk zijn ;
4° " oplaadpunt voor hoog vermogen " : een oplaadpunt met een vermogen van meer dan 22 kW waarmee elektriciteit kan worden overgebracht op een elektrisch voertuig ;
5° " publiek toegankelijk oplaadpunt " : een oplaadpunt dat op niet-discriminerende basis toegang verleent aan gebruikers in de gehele Europese Unie. Toegang op niet-discriminerende basis kan verschillende vormen van authenticatie, gebruik en betaling inhouden.
6° " publiek toegankelijk oplaadpunt op de openbare weg " : een publiek toegankelijk oplaadpunt op het gemeentelijk of gewestelijk openbaar domein ;
7° " eigenaar van een publiek toegankelijk oplaadpunt " : elke publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon of elke natuurlijke persoon die eigenaar is van ten minste één publiek toegankelijk oplaadpunt en die verantwoordelijk is voor de levering, de installatie, de exploitatie en het onderhoud ervan ;
8° " exploitant van een publiek toegankelijk oplaadpunt " : elke publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon of elke natuurlijke persoon die een dienst met ten minste één publiek toegankelijk oplaadpunt aanbiedt op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ;
9° " distributienetbeheerder " : de beheerder van het distributienet, aangewezen overeenkomstig de bepalingen van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ;
10° " taxidiensten " : de taxidiensten waarvan sprake is in artikel 2, 1° van de ordonnantie van 9 juni 2022 betreffende taxidiensten ;
11° " operator van gedeelde motorvoertuigen " : de operatoren waarvan sprake is in artikel 1, 5° van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2013 houdende de voorwaarden voor het gebruik van parkeerplaatsen door operatoren van gedeelde motorvoertuigen.]1
1° " elektrisch voertuig " : een motorvoertuig, uitgerust met een aandrijving die bestaat uit ten minste één niet-perifere elektromotor als energieomzetter met een elektrisch oplaadbaar energieopslagsysteem, dat extern kan worden opgeladen ;
2° " oplaadpunt " : oplaadpunt zoals bedoeld in artikel 2, 44° van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ;
3° " oplaadpunt voor normaal vermogen " : een oplaadpunt met een vermogen van hoogstens 22 kW waarmee elektriciteit kan worden overgebracht op een elektrisch voertuig, met uitzondering van voorzieningen met een vermogen van hoogstens 3,7 kW, die in particuliere huishoudens zijn geïnstalleerd of waarvan de voornaamste doelstelling er niet in bestaat elektrische voertuigen op te laden, en die niet publiek toegankelijk zijn ;
4° " oplaadpunt voor hoog vermogen " : een oplaadpunt met een vermogen van meer dan 22 kW waarmee elektriciteit kan worden overgebracht op een elektrisch voertuig ;
5° " publiek toegankelijk oplaadpunt " : een oplaadpunt dat op niet-discriminerende basis toegang verleent aan gebruikers in de gehele Europese Unie. Toegang op niet-discriminerende basis kan verschillende vormen van authenticatie, gebruik en betaling inhouden.
6° " publiek toegankelijk oplaadpunt op de openbare weg " : een publiek toegankelijk oplaadpunt op het gemeentelijk of gewestelijk openbaar domein ;
7° " eigenaar van een publiek toegankelijk oplaadpunt " : elke publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon of elke natuurlijke persoon die eigenaar is van ten minste één publiek toegankelijk oplaadpunt en die verantwoordelijk is voor de levering, de installatie, de exploitatie en het onderhoud ervan ;
8° " exploitant van een publiek toegankelijk oplaadpunt " : elke publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon of elke natuurlijke persoon die een dienst met ten minste één publiek toegankelijk oplaadpunt aanbiedt op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ;
9° " distributienetbeheerder " : de beheerder van het distributienet, aangewezen overeenkomstig de bepalingen van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ;
10° " taxidiensten " : de taxidiensten waarvan sprake is in artikel 2, 1° van de ordonnantie van 9 juni 2022 betreffende taxidiensten ;
11° " operator van gedeelde motorvoertuigen " : de operatoren waarvan sprake is in artikel 1, 5° van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2013 houdende de voorwaarden voor het gebruik van parkeerplaatsen door operatoren van gedeelde motorvoertuigen.]1
Art. 2.3.63. [1 Pour l'application du présent chapitre, on entend par :
1° " véhicule électrique " : un véhicule à moteur équipé d'un système de propulsion comprenant au moins un convertisseur d'énergie sous la forme d'un moteur électrique non périphérique équipé d'un système de stockage de l'énergie électrique rechargeable à partir d'une source extérieure ;
2° " point de recharge " : point de recharge visé à l'article 2, 44°, de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale ;
3° " point de recharge électrique normal " : un point de recharge permettant le transfert d'électricité vers un véhicule électrique à une puissance égale ou inférieure à 22 kW, à l'exclusion des dispositifs d'une puissance inférieure ou égale à 3,7 kW, qui sont installés dans des habitations privées ou dont la fonction principale n'est pas de recharger des véhicules électriques, et qui ne sont pas accessibles au public ;
4° " point de recharge électrique à haute puissance " : un point de recharge permettant le transfert d'électricité vers un véhicule électrique à une puissance supérieure à 22 kW ;
5° " point de recharge ouvert au public " : un point de recharge auquel les utilisateurs ont accès de façon non discriminatoire dans toute l'Union européenne. L'accès non discriminatoire n'empêche pas d'imposer certaines conditions en termes d'authentification, d'utilisation et de paiement ;
6° " point de recharge ouvert au public en voirie " : un point de recharge ouvert au public situé sur le domaine public communal ou régional ;
7° " propriétaire d'un point de recharge ouvert au public " : toute personne morale de droit public ou privé ou toute personne physique qui est propriétaire au minimum d'un point de recharge ouvert au public, qui est responsable de le fournir, de l'installer, de l'exploiter et de le maintenir en état ;
8° " l'exploitant d'un point de recharge ouvert au public " : toute personne morale de droit public ou privé ou toute personne physique qui offre un service de minimum un point de recharge ouvert au public sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale ;
9° " gestionnaire du réseau de distribution " : le gestionnaire du réseau de distribution désigné conformément aux dispositions de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale ;
10° " services de taxis " : les services de taxis visés à l'article 2, 1°, de l'ordonnance du 9 juin 2022 relative aux services de taxis ;
11° " opérateur des services de véhicules à moteur partagés " : les opérateurs visés à l'article 1er, 5°, de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2013 fixant les modalités d'utilisation des places de stationnement par les opérateurs de véhicules à moteur partagés.]1
1° " véhicule électrique " : un véhicule à moteur équipé d'un système de propulsion comprenant au moins un convertisseur d'énergie sous la forme d'un moteur électrique non périphérique équipé d'un système de stockage de l'énergie électrique rechargeable à partir d'une source extérieure ;
2° " point de recharge " : point de recharge visé à l'article 2, 44°, de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale ;
3° " point de recharge électrique normal " : un point de recharge permettant le transfert d'électricité vers un véhicule électrique à une puissance égale ou inférieure à 22 kW, à l'exclusion des dispositifs d'une puissance inférieure ou égale à 3,7 kW, qui sont installés dans des habitations privées ou dont la fonction principale n'est pas de recharger des véhicules électriques, et qui ne sont pas accessibles au public ;
4° " point de recharge électrique à haute puissance " : un point de recharge permettant le transfert d'électricité vers un véhicule électrique à une puissance supérieure à 22 kW ;
5° " point de recharge ouvert au public " : un point de recharge auquel les utilisateurs ont accès de façon non discriminatoire dans toute l'Union européenne. L'accès non discriminatoire n'empêche pas d'imposer certaines conditions en termes d'authentification, d'utilisation et de paiement ;
6° " point de recharge ouvert au public en voirie " : un point de recharge ouvert au public situé sur le domaine public communal ou régional ;
7° " propriétaire d'un point de recharge ouvert au public " : toute personne morale de droit public ou privé ou toute personne physique qui est propriétaire au minimum d'un point de recharge ouvert au public, qui est responsable de le fournir, de l'installer, de l'exploiter et de le maintenir en état ;
8° " l'exploitant d'un point de recharge ouvert au public " : toute personne morale de droit public ou privé ou toute personne physique qui offre un service de minimum un point de recharge ouvert au public sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale ;
9° " gestionnaire du réseau de distribution " : le gestionnaire du réseau de distribution désigné conformément aux dispositions de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale ;
10° " services de taxis " : les services de taxis visés à l'article 2, 1°, de l'ordonnance du 9 juin 2022 relative aux services de taxis ;
11° " opérateur des services de véhicules à moteur partagés " : les opérateurs visés à l'article 1er, 5°, de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2013 fixant les modalités d'utilisation des places de stationnement par les opérateurs de véhicules à moteur partagés.]1
Art. 2.3.64. [1 § 1. De regering stelt een plan van uitrol op in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van een infrastructuur van publiek toegankelijke oplaadpunten in samenwerking met de gemeenten.
Bij de uitrol van de voormelde infrastructuur wordt er rekening gehouden met de doelstellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op het vlak van het beleid inzake mobiliteit, parkeren, klimaat, energie en luchtkwaliteit.
§ 2. De infrastructuur van publiek toegankelijke oplaadpunten op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is op niet-discriminerende en transparante basis toegankelijk en is prioritair bestemd voor omwonenden die geen toegang hebben tot privéoplaadpunten, operatoren van gedeelde motorvoertuigen en taxidiensten.
De publiek toegankelijke oplaadpunten op de openbare weg moeten niet de mogelijkheid bieden om de batterij van een elektrisch voertuig te vervangen.]1
Bij de uitrol van de voormelde infrastructuur wordt er rekening gehouden met de doelstellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op het vlak van het beleid inzake mobiliteit, parkeren, klimaat, energie en luchtkwaliteit.
§ 2. De infrastructuur van publiek toegankelijke oplaadpunten op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is op niet-discriminerende en transparante basis toegankelijk en is prioritair bestemd voor omwonenden die geen toegang hebben tot privéoplaadpunten, operatoren van gedeelde motorvoertuigen en taxidiensten.
De publiek toegankelijke oplaadpunten op de openbare weg moeten niet de mogelijkheid bieden om de batterij van een elektrisch voertuig te vervangen.]1
Art. 2.3.64. [1 § 1er. Le Gouvernement détermine un plan de déploiement sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale d'une infrastructure de points de recharge ouverts au public, en collaboration avec les communes.
Le déploiement de l'infrastructure précitée tient compte des objectifs de la Région de Bruxelles-Capitale en matière de politique de mobilité, de politique de stationnement ainsi que des politiques climatiques, énergétiques et de qualité de l'air.
§ 2. L'infrastructure de points de recharge ouverts au public en voirie sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale est accessible de manière non discriminatoire et transparente et est conçue prioritairement à destination des riverains qui n'ont pas accès à des points de recharge privés, des opérateurs des services de véhicules à moteur partagés et des services de taxis.
Les points de recharge ouverts au public en voirie ne doivent pas permettre d'échanger la batterie d'un véhicule électrique.]1
Le déploiement de l'infrastructure précitée tient compte des objectifs de la Région de Bruxelles-Capitale en matière de politique de mobilité, de politique de stationnement ainsi que des politiques climatiques, énergétiques et de qualité de l'air.
§ 2. L'infrastructure de points de recharge ouverts au public en voirie sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale est accessible de manière non discriminatoire et transparente et est conçue prioritairement à destination des riverains qui n'ont pas accès à des points de recharge privés, des opérateurs des services de véhicules à moteur partagés et des services de taxis.
Les points de recharge ouverts au public en voirie ne doivent pas permettre d'échanger la batterie d'un véhicule électrique.]1
Art. 2.3.65. [1 § 1. Op het vlak van interoperabiliteit :
1° Elke eigenaar van een publiek toegankelijk oplaadpunt kan vrijelijk elektriciteit verwerven bij elke leverancier in de zin van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, onder voorbehoud van diens akkoord ;
2° Elke eigenaar van een publiek toegankelijk oplaadpunt moet het aansluiten op het gewestelijk beheerplatform voor gegevens en laadpalen, vastgelegd door de regering ;
3° Elke eigenaar van een publiek toegankelijk oplaadpunt sluit op transparante en niet-discriminerende basis overeenkomsten met elke exploitant van een publiek toegankelijk oplaadpunt die hierom vraagt. De eigenaar van een publiek toegankelijk oplaadpunt kan ook exploitant zijn van een publiek toegankelijk oplaadpunt ;
4° De exploitant van een publiek toegankelijk oplaadpunt verleent zijn diensten op contractuele, niet-discriminerende en transparante basis aan elke klant van de oplaaddiensten voor elektrische voertuigen. De prijzen aangerekend door de exploitant van een publiek toegankelijk oplaadpunt zijn redelijk, gemakkelijk en duidelijk te vergelijken ;
5° Elk publiek toegankelijk oplaadpunt voorziet in de mogelijkheid van een ad hoc oplading voor gebruikers van elektrische voertuigen, zonder dat die een overeenkomst hoeven aan te gaan met de elektriciteitsleverancier, de eigenaar of de exploitant.
§ 2. De eigenaars van een publiek toegankelijk oplaadpunt op de openbare weg overeenkomstig de bepalingen van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest hebben de rechten en verplichtingen waarvan sprake is in artikel 13 van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening.]1
1° Elke eigenaar van een publiek toegankelijk oplaadpunt kan vrijelijk elektriciteit verwerven bij elke leverancier in de zin van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, onder voorbehoud van diens akkoord ;
2° Elke eigenaar van een publiek toegankelijk oplaadpunt moet het aansluiten op het gewestelijk beheerplatform voor gegevens en laadpalen, vastgelegd door de regering ;
3° Elke eigenaar van een publiek toegankelijk oplaadpunt sluit op transparante en niet-discriminerende basis overeenkomsten met elke exploitant van een publiek toegankelijk oplaadpunt die hierom vraagt. De eigenaar van een publiek toegankelijk oplaadpunt kan ook exploitant zijn van een publiek toegankelijk oplaadpunt ;
4° De exploitant van een publiek toegankelijk oplaadpunt verleent zijn diensten op contractuele, niet-discriminerende en transparante basis aan elke klant van de oplaaddiensten voor elektrische voertuigen. De prijzen aangerekend door de exploitant van een publiek toegankelijk oplaadpunt zijn redelijk, gemakkelijk en duidelijk te vergelijken ;
5° Elk publiek toegankelijk oplaadpunt voorziet in de mogelijkheid van een ad hoc oplading voor gebruikers van elektrische voertuigen, zonder dat die een overeenkomst hoeven aan te gaan met de elektriciteitsleverancier, de eigenaar of de exploitant.
§ 2. De eigenaars van een publiek toegankelijk oplaadpunt op de openbare weg overeenkomstig de bepalingen van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest hebben de rechten en verplichtingen waarvan sprake is in artikel 13 van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening.]1
Art. 2.3.65. [1 § 1er. En termes d'interopérabilité :
1° tout propriétaire d'un point de recharge ouvert au public peut acquérir librement de l'électricité auprès de tout fournisseur au sens de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale, sous réserve de l'accord de celui-ci ;
2° tout propriétaire d'un point de recharge ouvert au public doit le connecter à la plateforme régionale de gestion des données et des bornes définies par le Gouvernement ;
3° tout propriétaire d'un point de recharge ouvert au public contractualise avec tout exploitant d'un point de recharge ouvert au public qui lui en fait la demande, de façon transparente et non discriminatoire. Un propriétaire d'un point de recharge ouvert au public peut également être exploitant d'un point de recharge ouvert au public ;
4° l'exploitant d'un point de recharge ouvert au public fournit son service à tout client des services de recharge de véhicules électriques sur une base contractuelle, non discriminatoire et transparente. Les prix pratiqués par l'exploitant d'un point de recharge ouvert au public sont raisonnables, aisément et clairement comparables ;
5° tout point de recharge ouvert au public prévoit la possibilité d'une recharge ad hoc pour les utilisateurs de véhicules électriques sans souscription d'un contrat avec le fournisseur d'électricité, le propriétaire ou l'exploitant concerné.
§ 2. Les propriétaires d'un point de recharge ouvert au public en voirie désignés conformément aux dispositions de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale disposent des droits et sont soumis aux obligations visés à l'article 13 de la loi du 10 mars 1925 sur les distributions d'énergie électrique.]1
1° tout propriétaire d'un point de recharge ouvert au public peut acquérir librement de l'électricité auprès de tout fournisseur au sens de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale, sous réserve de l'accord de celui-ci ;
2° tout propriétaire d'un point de recharge ouvert au public doit le connecter à la plateforme régionale de gestion des données et des bornes définies par le Gouvernement ;
3° tout propriétaire d'un point de recharge ouvert au public contractualise avec tout exploitant d'un point de recharge ouvert au public qui lui en fait la demande, de façon transparente et non discriminatoire. Un propriétaire d'un point de recharge ouvert au public peut également être exploitant d'un point de recharge ouvert au public ;
4° l'exploitant d'un point de recharge ouvert au public fournit son service à tout client des services de recharge de véhicules électriques sur une base contractuelle, non discriminatoire et transparente. Les prix pratiqués par l'exploitant d'un point de recharge ouvert au public sont raisonnables, aisément et clairement comparables ;
5° tout point de recharge ouvert au public prévoit la possibilité d'une recharge ad hoc pour les utilisateurs de véhicules électriques sans souscription d'un contrat avec le fournisseur d'électricité, le propriétaire ou l'exploitant concerné.
§ 2. Les propriétaires d'un point de recharge ouvert au public en voirie désignés conformément aux dispositions de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale disposent des droits et sont soumis aux obligations visés à l'article 13 de la loi du 10 mars 1925 sur les distributions d'énergie électrique.]1
Art. 2.3.65. [1 § 1. Op het vlak van interoperabiliteit :
1° Elke eigenaar van een publiek toegankelijk oplaadpunt kan vrijelijk elektriciteit verwerven bij elke leverancier in de zin van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, onder voorbehoud van diens akkoord ;
2° Elke eigenaar van een publiek toegankelijk oplaadpunt moet het aansluiten op het gewestelijk beheerplatform voor gegevens en laadpalen, vastgelegd door de regering ;
3° Elke eigenaar van een publiek toegankelijk oplaadpunt sluit op transparante en niet-discriminerende basis overeenkomsten met elke exploitant van een publiek toegankelijk oplaadpunt die hierom vraagt. De eigenaar van een publiek toegankelijk oplaadpunt kan ook exploitant zijn van een publiek toegankelijk oplaadpunt ;
4° De exploitant van een publiek toegankelijk oplaadpunt verleent zijn diensten op contractuele, niet-discriminerende en transparante basis aan elke klant van de oplaaddiensten voor elektrische voertuigen. De prijzen aangerekend door de exploitant van een publiek toegankelijk oplaadpunt zijn redelijk, gemakkelijk en duidelijk te vergelijken ;
5° Elk publiek toegankelijk oplaadpunt voorziet in de mogelijkheid van een ad hoc oplading voor gebruikers van elektrische voertuigen, zonder dat die een overeenkomst hoeven aan te gaan met de elektriciteitsleverancier, de eigenaar of de exploitant.
§ 2. De eigenaars van een publiek toegankelijk oplaadpunt op de openbare weg overeenkomstig de bepalingen van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest hebben de rechten en verplichtingen waarvan sprake is in artikel 13 van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening.]1
1° Elke eigenaar van een publiek toegankelijk oplaadpunt kan vrijelijk elektriciteit verwerven bij elke leverancier in de zin van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, onder voorbehoud van diens akkoord ;
2° Elke eigenaar van een publiek toegankelijk oplaadpunt moet het aansluiten op het gewestelijk beheerplatform voor gegevens en laadpalen, vastgelegd door de regering ;
3° Elke eigenaar van een publiek toegankelijk oplaadpunt sluit op transparante en niet-discriminerende basis overeenkomsten met elke exploitant van een publiek toegankelijk oplaadpunt die hierom vraagt. De eigenaar van een publiek toegankelijk oplaadpunt kan ook exploitant zijn van een publiek toegankelijk oplaadpunt ;
4° De exploitant van een publiek toegankelijk oplaadpunt verleent zijn diensten op contractuele, niet-discriminerende en transparante basis aan elke klant van de oplaaddiensten voor elektrische voertuigen. De prijzen aangerekend door de exploitant van een publiek toegankelijk oplaadpunt zijn redelijk, gemakkelijk en duidelijk te vergelijken ;
5° Elk publiek toegankelijk oplaadpunt voorziet in de mogelijkheid van een ad hoc oplading voor gebruikers van elektrische voertuigen, zonder dat die een overeenkomst hoeven aan te gaan met de elektriciteitsleverancier, de eigenaar of de exploitant.
§ 2. De eigenaars van een publiek toegankelijk oplaadpunt op de openbare weg overeenkomstig de bepalingen van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest hebben de rechten en verplichtingen waarvan sprake is in artikel 13 van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening.]1
Art. 2.3.65. [1 § 1er. En termes d'interopérabilité :
1° tout propriétaire d'un point de recharge ouvert au public peut acquérir librement de l'électricité auprès de tout fournisseur au sens de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale, sous réserve de l'accord de celui-ci ;
2° tout propriétaire d'un point de recharge ouvert au public doit le connecter à la plateforme régionale de gestion des données et des bornes définies par le Gouvernement ;
3° tout propriétaire d'un point de recharge ouvert au public contractualise avec tout exploitant d'un point de recharge ouvert au public qui lui en fait la demande, de façon transparente et non discriminatoire. Un propriétaire d'un point de recharge ouvert au public peut également être exploitant d'un point de recharge ouvert au public ;
4° l'exploitant d'un point de recharge ouvert au public fournit son service à tout client des services de recharge de véhicules électriques sur une base contractuelle, non discriminatoire et transparente. Les prix pratiqués par l'exploitant d'un point de recharge ouvert au public sont raisonnables, aisément et clairement comparables ;
5° tout point de recharge ouvert au public prévoit la possibilité d'une recharge ad hoc pour les utilisateurs de véhicules électriques sans souscription d'un contrat avec le fournisseur d'électricité, le propriétaire ou l'exploitant concerné.
§ 2. Les propriétaires d'un point de recharge ouvert au public en voirie désignés conformément aux dispositions de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale disposent des droits et sont soumis aux obligations visés à l'article 13 de la loi du 10 mars 1925 sur les distributions d'énergie électrique.]1
1° tout propriétaire d'un point de recharge ouvert au public peut acquérir librement de l'électricité auprès de tout fournisseur au sens de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale, sous réserve de l'accord de celui-ci ;
2° tout propriétaire d'un point de recharge ouvert au public doit le connecter à la plateforme régionale de gestion des données et des bornes définies par le Gouvernement ;
3° tout propriétaire d'un point de recharge ouvert au public contractualise avec tout exploitant d'un point de recharge ouvert au public qui lui en fait la demande, de façon transparente et non discriminatoire. Un propriétaire d'un point de recharge ouvert au public peut également être exploitant d'un point de recharge ouvert au public ;
4° l'exploitant d'un point de recharge ouvert au public fournit son service à tout client des services de recharge de véhicules électriques sur une base contractuelle, non discriminatoire et transparente. Les prix pratiqués par l'exploitant d'un point de recharge ouvert au public sont raisonnables, aisément et clairement comparables ;
5° tout point de recharge ouvert au public prévoit la possibilité d'une recharge ad hoc pour les utilisateurs de véhicules électriques sans souscription d'un contrat avec le fournisseur d'électricité, le propriétaire ou l'exploitant concerné.
§ 2. Les propriétaires d'un point de recharge ouvert au public en voirie désignés conformément aux dispositions de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale disposent des droits et sont soumis aux obligations visés à l'article 13 de la loi du 10 mars 1925 sur les distributions d'énergie électrique.]1
Art. 2.3.66. [1 § 1. Leefmilieu Brussel en Brussel Mobiliteit hebben de opdracht om, in overleg met de gemeenten en de distributienetbeheerder, een gewestelijke kaart van publiek toegankelijke oplaadpunten op de openbare weg op te stellen. De gewestelijke kaart wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de regering en regelmatig bijgewerkt.
In de gewestelijke kaart van publiek toegankelijke oplaadpunten op de openbare weg wordt rekening gehouden met de volgende parameters :
1° de evolutie van de bevolking en van het aantal elektrische voertuigen dat wordt gebruikt door de inwoners, de operatoren van gedeelde voertuigen en de taxidiensten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tijdens de betrokken periode ;
2° de actuele autodichtheid van de huishoudens in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de doelstellingen om het bezit van privéwagens te verminderen, opgenomen in het gewestelijk mobiliteitsplan waarvan sprake is in de ordonnantie van 26 juli 2013 tot vaststelling van een kader inzake mobiliteitsplanning en tot wijziging van sommige bepalingen die een impact hebben op het vlak van mobiliteit, evenals de evolutie van de taxidiensten en de doelstellingen inzake autodelen, in voorkomend geval ;
3° het aantal privéparkeerplaatsen thuis en het aantal plaatsen, voorbehouden aan operatoren van gedeelde voertuigen en taxidiensten ;
4° het aantal bestaande publiek toegankelijke oplaadpunten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of in de directe omgeving, en hun locaties ;
5° de gemiddelde afstand die een voertuig aflegt en zijn gemiddelde verbruik ;
6° het vermogen van de oplaadpunten in kW en hun benuttingsgraad, rekening houdend met de rotatie en de noodzakelijke flexibiliteit om 's nachts te parkeren bij een oplaadpunt.
§ 2. Deze gewestelijke kaart doet geen afbreuk aan de mogelijkheid om publiek toegankelijke oplaadpunten op de openbare weg te plaatsen op plaatsen die niet als zodanig zijn aangeduid op die kaart.]1
In de gewestelijke kaart van publiek toegankelijke oplaadpunten op de openbare weg wordt rekening gehouden met de volgende parameters :
1° de evolutie van de bevolking en van het aantal elektrische voertuigen dat wordt gebruikt door de inwoners, de operatoren van gedeelde voertuigen en de taxidiensten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tijdens de betrokken periode ;
2° de actuele autodichtheid van de huishoudens in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de doelstellingen om het bezit van privéwagens te verminderen, opgenomen in het gewestelijk mobiliteitsplan waarvan sprake is in de ordonnantie van 26 juli 2013 tot vaststelling van een kader inzake mobiliteitsplanning en tot wijziging van sommige bepalingen die een impact hebben op het vlak van mobiliteit, evenals de evolutie van de taxidiensten en de doelstellingen inzake autodelen, in voorkomend geval ;
3° het aantal privéparkeerplaatsen thuis en het aantal plaatsen, voorbehouden aan operatoren van gedeelde voertuigen en taxidiensten ;
4° het aantal bestaande publiek toegankelijke oplaadpunten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of in de directe omgeving, en hun locaties ;
5° de gemiddelde afstand die een voertuig aflegt en zijn gemiddelde verbruik ;
6° het vermogen van de oplaadpunten in kW en hun benuttingsgraad, rekening houdend met de rotatie en de noodzakelijke flexibiliteit om 's nachts te parkeren bij een oplaadpunt.
§ 2. Deze gewestelijke kaart doet geen afbreuk aan de mogelijkheid om publiek toegankelijke oplaadpunten op de openbare weg te plaatsen op plaatsen die niet als zodanig zijn aangeduid op die kaart.]1
Art. 2.3.66. [1 § 1er. Bruxelles Environnement et Bruxelles Mobilité ont la mission, en concertation avec les communes et le gestionnaire du réseau de distribution, d'établir une carte régionale des points de recharge ouverts au public en voirie. La carte régionale est présentée et adoptée par le Gouvernement et est mise à jour de manière régulière pour approbation.
La carte régionale des points de recharge ouverts au public en voirie tient notamment compte des paramètres suivants :
1° l'évolution de la population et du nombre de véhicules électriques utilisés par les habitants, les opérateurs des services de véhicules à moteur partagés et les services de taxis de la Région de Bruxelles-Capitale à l'horizon temporel considéré ;
2° le taux de motorisation actuel des ménages de la Région de Bruxelles-Capitale et les objectifs de diminution de la possession de véhicules personnels prévus dans le Plan régional de mobilité visé dans l'ordonnance du 26 juillet 2013 instituant un cadre en matière de planification de la mobilité et modifiant diverses dispositions ayant un impact en matière de mobilité, ainsi que l'évolution des services de taxis et des objectifs de voitures partagées le cas échéant ;
3° le nombre d'emplacements de stationnement privés au domicile et réservés pour les véhicules des opérateurs des services de véhicules à moteur partagés et des services de taxis ;
4° le nombre et la localisation des points de recharge ouverts au public existant sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale ou à proximité directe ;
5° la distance moyenne parcourue par un véhicule et sa consommation moyenne ;
6° la puissance des points de recharge exprimée en kW et leur taux d'utilisation, tenant compte de la rotation et de la nécessaire flexibilité pour le stationnement pendant la nuit auprès d'un point de recharge.
§ 2. Cette carte régionale n'affecte pas la possibilité d'installer des points de recharge ouverts au public en voirie dans des lieux non prévus par celle-ci.]1
La carte régionale des points de recharge ouverts au public en voirie tient notamment compte des paramètres suivants :
1° l'évolution de la population et du nombre de véhicules électriques utilisés par les habitants, les opérateurs des services de véhicules à moteur partagés et les services de taxis de la Région de Bruxelles-Capitale à l'horizon temporel considéré ;
2° le taux de motorisation actuel des ménages de la Région de Bruxelles-Capitale et les objectifs de diminution de la possession de véhicules personnels prévus dans le Plan régional de mobilité visé dans l'ordonnance du 26 juillet 2013 instituant un cadre en matière de planification de la mobilité et modifiant diverses dispositions ayant un impact en matière de mobilité, ainsi que l'évolution des services de taxis et des objectifs de voitures partagées le cas échéant ;
3° le nombre d'emplacements de stationnement privés au domicile et réservés pour les véhicules des opérateurs des services de véhicules à moteur partagés et des services de taxis ;
4° le nombre et la localisation des points de recharge ouverts au public existant sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale ou à proximité directe ;
5° la distance moyenne parcourue par un véhicule et sa consommation moyenne ;
6° la puissance des points de recharge exprimée en kW et leur taux d'utilisation, tenant compte de la rotation et de la nécessaire flexibilité pour le stationnement pendant la nuit auprès d'un point de recharge.
§ 2. Cette carte régionale n'affecte pas la possibilité d'installer des points de recharge ouverts au public en voirie dans des lieux non prévus par celle-ci.]1
Art. 2.3.66. [1 § 1. Leefmilieu Brussel en Brussel Mobiliteit hebben de opdracht om, in overleg met de gemeenten en de distributienetbeheerder, een gewestelijke kaart van publiek toegankelijke oplaadpunten op de openbare weg op te stellen. De gewestelijke kaart wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de regering en regelmatig bijgewerkt.
In de gewestelijke kaart van publiek toegankelijke oplaadpunten op de openbare weg wordt rekening gehouden met de volgende parameters :
1° de evolutie van de bevolking en van het aantal elektrische voertuigen dat wordt gebruikt door de inwoners, de operatoren van gedeelde voertuigen en de taxidiensten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tijdens de betrokken periode ;
2° de actuele autodichtheid van de huishoudens in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de doelstellingen om het bezit van privéwagens te verminderen, opgenomen in het gewestelijk mobiliteitsplan waarvan sprake is in de ordonnantie van 26 juli 2013 tot vaststelling van een kader inzake mobiliteitsplanning en tot wijziging van sommige bepalingen die een impact hebben op het vlak van mobiliteit, evenals de evolutie van de taxidiensten en de doelstellingen inzake autodelen, in voorkomend geval ;
3° het aantal privéparkeerplaatsen thuis en het aantal plaatsen, voorbehouden aan operatoren van gedeelde voertuigen en taxidiensten ;
4° het aantal bestaande publiek toegankelijke oplaadpunten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of in de directe omgeving, en hun locaties ;
5° de gemiddelde afstand die een voertuig aflegt en zijn gemiddelde verbruik ;
6° het vermogen van de oplaadpunten in kW en hun benuttingsgraad, rekening houdend met de rotatie en de noodzakelijke flexibiliteit om 's nachts te parkeren bij een oplaadpunt.
§ 2. Deze gewestelijke kaart doet geen afbreuk aan de mogelijkheid om publiek toegankelijke oplaadpunten op de openbare weg te plaatsen op plaatsen die niet als zodanig zijn aangeduid op die kaart.]1
In de gewestelijke kaart van publiek toegankelijke oplaadpunten op de openbare weg wordt rekening gehouden met de volgende parameters :
1° de evolutie van de bevolking en van het aantal elektrische voertuigen dat wordt gebruikt door de inwoners, de operatoren van gedeelde voertuigen en de taxidiensten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tijdens de betrokken periode ;
2° de actuele autodichtheid van de huishoudens in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de doelstellingen om het bezit van privéwagens te verminderen, opgenomen in het gewestelijk mobiliteitsplan waarvan sprake is in de ordonnantie van 26 juli 2013 tot vaststelling van een kader inzake mobiliteitsplanning en tot wijziging van sommige bepalingen die een impact hebben op het vlak van mobiliteit, evenals de evolutie van de taxidiensten en de doelstellingen inzake autodelen, in voorkomend geval ;
3° het aantal privéparkeerplaatsen thuis en het aantal plaatsen, voorbehouden aan operatoren van gedeelde voertuigen en taxidiensten ;
4° het aantal bestaande publiek toegankelijke oplaadpunten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of in de directe omgeving, en hun locaties ;
5° de gemiddelde afstand die een voertuig aflegt en zijn gemiddelde verbruik ;
6° het vermogen van de oplaadpunten in kW en hun benuttingsgraad, rekening houdend met de rotatie en de noodzakelijke flexibiliteit om 's nachts te parkeren bij een oplaadpunt.
§ 2. Deze gewestelijke kaart doet geen afbreuk aan de mogelijkheid om publiek toegankelijke oplaadpunten op de openbare weg te plaatsen op plaatsen die niet als zodanig zijn aangeduid op die kaart.]1
Art. 2.3.66. [1 § 1er. Bruxelles Environnement et Bruxelles Mobilité ont la mission, en concertation avec les communes et le gestionnaire du réseau de distribution, d'établir une carte régionale des points de recharge ouverts au public en voirie. La carte régionale est présentée et adoptée par le Gouvernement et est mise à jour de manière régulière pour approbation.
La carte régionale des points de recharge ouverts au public en voirie tient notamment compte des paramètres suivants :
1° l'évolution de la population et du nombre de véhicules électriques utilisés par les habitants, les opérateurs des services de véhicules à moteur partagés et les services de taxis de la Région de Bruxelles-Capitale à l'horizon temporel considéré ;
2° le taux de motorisation actuel des ménages de la Région de Bruxelles-Capitale et les objectifs de diminution de la possession de véhicules personnels prévus dans le Plan régional de mobilité visé dans l'ordonnance du 26 juillet 2013 instituant un cadre en matière de planification de la mobilité et modifiant diverses dispositions ayant un impact en matière de mobilité, ainsi que l'évolution des services de taxis et des objectifs de voitures partagées le cas échéant ;
3° le nombre d'emplacements de stationnement privés au domicile et réservés pour les véhicules des opérateurs des services de véhicules à moteur partagés et des services de taxis ;
4° le nombre et la localisation des points de recharge ouverts au public existant sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale ou à proximité directe ;
5° la distance moyenne parcourue par un véhicule et sa consommation moyenne ;
6° la puissance des points de recharge exprimée en kW et leur taux d'utilisation, tenant compte de la rotation et de la nécessaire flexibilité pour le stationnement pendant la nuit auprès d'un point de recharge.
§ 2. Cette carte régionale n'affecte pas la possibilité d'installer des points de recharge ouverts au public en voirie dans des lieux non prévus par celle-ci.]1
La carte régionale des points de recharge ouverts au public en voirie tient notamment compte des paramètres suivants :
1° l'évolution de la population et du nombre de véhicules électriques utilisés par les habitants, les opérateurs des services de véhicules à moteur partagés et les services de taxis de la Région de Bruxelles-Capitale à l'horizon temporel considéré ;
2° le taux de motorisation actuel des ménages de la Région de Bruxelles-Capitale et les objectifs de diminution de la possession de véhicules personnels prévus dans le Plan régional de mobilité visé dans l'ordonnance du 26 juillet 2013 instituant un cadre en matière de planification de la mobilité et modifiant diverses dispositions ayant un impact en matière de mobilité, ainsi que l'évolution des services de taxis et des objectifs de voitures partagées le cas échéant ;
3° le nombre d'emplacements de stationnement privés au domicile et réservés pour les véhicules des opérateurs des services de véhicules à moteur partagés et des services de taxis ;
4° le nombre et la localisation des points de recharge ouverts au public existant sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale ou à proximité directe ;
5° la distance moyenne parcourue par un véhicule et sa consommation moyenne ;
6° la puissance des points de recharge exprimée en kW et leur taux d'utilisation, tenant compte de la rotation et de la nécessaire flexibilité pour le stationnement pendant la nuit auprès d'un point de recharge.
§ 2. Cette carte régionale n'affecte pas la possibilité d'installer des points de recharge ouverts au public en voirie dans des lieux non prévus par celle-ci.]1
HOOFDSTUK 1. - Energie- en milieucriteria van toepassing op de vastgoedinvesteringen
CHAPITRE 1er. - Critères énergétiques et environnementaux applicables aux investissements immobiliers
Art. 2.4.1. [2 § 1. De gewestelijke [3 en lokale]3 overheden kopen alleen gebouwen met een [3 "zero-energieverbruik" vóór 1 januari 2030 en zero-emissie gebouwen nss 1 januari 2030]3, voor zover dit in overeenstemming is met de kosteneffectiviteit, de economische haalbaarheid, de duurzaamheid in een breder verband, de technische geschiktheid, alsmede met de aanwezigheid van voldoende concurrentie [3 ...]3.]2
[2 § 2.]2 [3 De gewestelijke en lokale overheden huren alleen gebouwen met een "zero-energieverbruik" vóór 1 januari 2030 en zero-emissie gebouwen nss 1 januari 2030, voor zover dit in overeenstemming is met de kosteneffectiviteit en de technische geschiktheid, alsmede met de aanwezigheid van voldoende concurrentie.
De gewestelijke en lokale overheden kunnen van het eerste lid afwijken:
1° indien de huurovereenkomst als doel heeft binnen zeven jaar energiebesparende werkzaamheden uit te voeren om vóór 1 januari 2030 dit "zero-energieverbruik" te bereiken en vanaf 1 januari 2030 de zero-emissie te bereiken;
2° wanneer het gaat om een beschermd gebouw, een op de bewaarlijst ingeschreven gebouw, een gebouw dat deel uitmaakt van een beschermd(e) of op de bewaarlijst ingeschreven site of geheel, in overeenstemming met de bepalingen van titel V van het BWRO.
Deze paragraaf is van toepassing op huurovereenkomsten die na de inwerkingtreding van deze paragraaf worden gesloten]3.
[3 De gewestelijke en lokale overheden kunnen van het eerste lid afwijken:
1° als ze binnen zeven jaar energiebesparende werkzaamheden uitvoeren om vóór 1 januari 2030 een "zero-energieverbruik" te bereiken en vanaf 1 januari 2030 de zero-emissie te bereiken;
2° wanneer ze van plan zijn het gebouw door te verkopen zonder het voor hun eigen doeleinden te gebruiken;
3° wanneer het gaat om een beschermd gebouw, een op de bewaarlijst ingeschreven gebouw, een gebouw dat deel uitmaakt van een beschermd(e) of op de bewaarlijst ingeschreven site of geheel, in overeenstemming met de bepalingen van titel V van het BWRO.]3
[3 § 3. De naleving van het vereiste energieprestatieniveau wordt gecontroleerd door middel van de EPB-certificaten.]3
[2 § 2.]2 [3 De gewestelijke en lokale overheden huren alleen gebouwen met een "zero-energieverbruik" vóór 1 januari 2030 en zero-emissie gebouwen nss 1 januari 2030, voor zover dit in overeenstemming is met de kosteneffectiviteit en de technische geschiktheid, alsmede met de aanwezigheid van voldoende concurrentie.
De gewestelijke en lokale overheden kunnen van het eerste lid afwijken:
1° indien de huurovereenkomst als doel heeft binnen zeven jaar energiebesparende werkzaamheden uit te voeren om vóór 1 januari 2030 dit "zero-energieverbruik" te bereiken en vanaf 1 januari 2030 de zero-emissie te bereiken;
2° wanneer het gaat om een beschermd gebouw, een op de bewaarlijst ingeschreven gebouw, een gebouw dat deel uitmaakt van een beschermd(e) of op de bewaarlijst ingeschreven site of geheel, in overeenstemming met de bepalingen van titel V van het BWRO.
Deze paragraaf is van toepassing op huurovereenkomsten die na de inwerkingtreding van deze paragraaf worden gesloten]3.
[3 De gewestelijke en lokale overheden kunnen van het eerste lid afwijken:
1° als ze binnen zeven jaar energiebesparende werkzaamheden uitvoeren om vóór 1 januari 2030 een "zero-energieverbruik" te bereiken en vanaf 1 januari 2030 de zero-emissie te bereiken;
2° wanneer ze van plan zijn het gebouw door te verkopen zonder het voor hun eigen doeleinden te gebruiken;
3° wanneer het gaat om een beschermd gebouw, een op de bewaarlijst ingeschreven gebouw, een gebouw dat deel uitmaakt van een beschermd(e) of op de bewaarlijst ingeschreven site of geheel, in overeenstemming met de bepalingen van titel V van het BWRO.]3
[3 § 3. De naleving van het vereiste energieprestatieniveau wordt gecontroleerd door middel van de EPB-certificaten.]3
Art. 2.4.1. [2 § 1er. Les pouvoirs publics régionaux [3 et locaux]3 n'acquièrent que des bâtiments [3 à consommation " zéro énergie " avant le 1er janvier 2030 et des bâtiments zéro émission à partir du 1er janvier 2030]3, dans la mesure où cela est compatible avec l'efficacité par rapport au coût, la faisabilité économique, la durabilité au sens large, l'adéquation technique et un niveau de concurrence suffisant [3 ...]3.]2
[2 § 2.]2 [3 Les pouvoirs publics régionaux et locaux ne prennent en location que des bâtiments à consommation " zéro énergie " " avant le 1er janvier 2030 et des bâtiments zéro émission à partir du 1er janvier 2030, dans la mesure où cela est compatible avec l'efficacité par rapport au coût, l'adéquation technique et un niveau de concurrence suffisant.
Les pouvoirs publics régionaux et locaux peuvent déroger à l'alinéa 1er:
1° si le contrat de location a pour objet de réaliser dans les sept ans des travaux économiseurs d'énergie pour atteindre cette consommation " zéro énergie " avant le 1er janvier 2030 et atteindre le zéro émission à partir du 1er janvier 2030;
2° lorsqu'il s'agit d'un bien classé ou inscrit sur la liste de sauvegarde, ou faisant partie d'un site ou d'un ensemble classé ou inscrit sur la liste de sauvegarde, conformément aux dispositions du titre V du CoBAT.
Le présent paragraphe s'applique aux contrats de location conclus à dater de son entrée en vigueur.]3
[3 Les pouvoirs publics régionaux et locaux peuvent déroger à l'alinéa 1er:
1° s'ils réalisent dans les sept ans des travaux économiseurs d'énergie pour atteindre cette consommation " zéro énergie " avant le 1er janvier 2030 et atteindre le zéro émission à partir du 1er janvier 2030;
2° lorsqu'ils prévoient de revendre le bâtiment sans l'utiliser à leurs propres fins;
3° lorsqu'il s'agit d'un bien classé ou inscrit sur la liste de sauvegarde, ou faisant partie d'un site ou d'un ensemble classé ou inscrit sur la liste de sauvegarde, conformément aux dispositions du titre V du CoBAT.]3
[3 § 3. La conformité avec le niveau de performance énergétique exigé est vérifiée au moyen des certificats PEB.]3
[2 § 2.]2 [3 Les pouvoirs publics régionaux et locaux ne prennent en location que des bâtiments à consommation " zéro énergie " " avant le 1er janvier 2030 et des bâtiments zéro émission à partir du 1er janvier 2030, dans la mesure où cela est compatible avec l'efficacité par rapport au coût, l'adéquation technique et un niveau de concurrence suffisant.
Les pouvoirs publics régionaux et locaux peuvent déroger à l'alinéa 1er:
1° si le contrat de location a pour objet de réaliser dans les sept ans des travaux économiseurs d'énergie pour atteindre cette consommation " zéro énergie " avant le 1er janvier 2030 et atteindre le zéro émission à partir du 1er janvier 2030;
2° lorsqu'il s'agit d'un bien classé ou inscrit sur la liste de sauvegarde, ou faisant partie d'un site ou d'un ensemble classé ou inscrit sur la liste de sauvegarde, conformément aux dispositions du titre V du CoBAT.
Le présent paragraphe s'applique aux contrats de location conclus à dater de son entrée en vigueur.]3
[3 Les pouvoirs publics régionaux et locaux peuvent déroger à l'alinéa 1er:
1° s'ils réalisent dans les sept ans des travaux économiseurs d'énergie pour atteindre cette consommation " zéro énergie " avant le 1er janvier 2030 et atteindre le zéro émission à partir du 1er janvier 2030;
2° lorsqu'ils prévoient de revendre le bâtiment sans l'utiliser à leurs propres fins;
3° lorsqu'il s'agit d'un bien classé ou inscrit sur la liste de sauvegarde, ou faisant partie d'un site ou d'un ensemble classé ou inscrit sur la liste de sauvegarde, conformément aux dispositions du titre V du CoBAT.]3
[3 § 3. La conformité avec le niveau de performance énergétique exigé est vérifiée au moyen des certificats PEB.]3
Art. 2.4.1. [2 § 1. De gewestelijke [3 en lokale]3 overheden kopen alleen gebouwen met een [3 "zero-energieverbruik" vóór 1 januari 2030 en zero-emissie gebouwen nss 1 januari 2030]3, voor zover dit in overeenstemming is met de kosteneffectiviteit, de economische haalbaarheid, de duurzaamheid in een breder verband, de technische geschiktheid, alsmede met de aanwezigheid van voldoende concurrentie [3 ...]3.]2
[2 § 2.]2 [3 De gewestelijke en lokale overheden huren alleen gebouwen met een "zero-energieverbruik" vóór 1 januari 2030 en zero-emissie gebouwen nss 1 januari 2030, voor zover dit in overeenstemming is met de kosteneffectiviteit en de technische geschiktheid, alsmede met de aanwezigheid van voldoende concurrentie.
De gewestelijke en lokale overheden kunnen van het eerste lid afwijken:
1° indien de huurovereenkomst als doel heeft binnen zeven jaar energiebesparende werkzaamheden uit te voeren om vóór 1 januari 2030 dit "zero-energieverbruik" te bereiken en vanaf 1 januari 2030 de zero-emissie te bereiken;
2° wanneer het gaat om een beschermd gebouw, een op de bewaarlijst ingeschreven gebouw, een gebouw dat deel uitmaakt van een beschermd(e) of op de bewaarlijst ingeschreven site of geheel, in overeenstemming met de bepalingen van titel V van het BWRO.
Deze paragraaf is van toepassing op huurovereenkomsten die na de inwerkingtreding van deze paragraaf worden gesloten]3.
[3 De gewestelijke en lokale overheden kunnen van het eerste lid afwijken:
1° als ze binnen zeven jaar energiebesparende werkzaamheden uitvoeren om vóór 1 januari 2030 een "zero-energieverbruik" te bereiken en vanaf 1 januari 2030 de zero-emissie te bereiken;
2° wanneer ze van plan zijn het gebouw door te verkopen zonder het voor hun eigen doeleinden te gebruiken;
3° wanneer het gaat om een beschermd gebouw, een op de bewaarlijst ingeschreven gebouw, een gebouw dat deel uitmaakt van een beschermd(e) of op de bewaarlijst ingeschreven site of geheel, in overeenstemming met de bepalingen van titel V van het BWRO.]3
[3 § 3. De naleving van het vereiste energieprestatieniveau wordt gecontroleerd door middel van de EPB-certificaten.]3
[2 § 2.]2 [3 De gewestelijke en lokale overheden huren alleen gebouwen met een "zero-energieverbruik" vóór 1 januari 2030 en zero-emissie gebouwen nss 1 januari 2030, voor zover dit in overeenstemming is met de kosteneffectiviteit en de technische geschiktheid, alsmede met de aanwezigheid van voldoende concurrentie.
De gewestelijke en lokale overheden kunnen van het eerste lid afwijken:
1° indien de huurovereenkomst als doel heeft binnen zeven jaar energiebesparende werkzaamheden uit te voeren om vóór 1 januari 2030 dit "zero-energieverbruik" te bereiken en vanaf 1 januari 2030 de zero-emissie te bereiken;
2° wanneer het gaat om een beschermd gebouw, een op de bewaarlijst ingeschreven gebouw, een gebouw dat deel uitmaakt van een beschermd(e) of op de bewaarlijst ingeschreven site of geheel, in overeenstemming met de bepalingen van titel V van het BWRO.
Deze paragraaf is van toepassing op huurovereenkomsten die na de inwerkingtreding van deze paragraaf worden gesloten]3.
[3 De gewestelijke en lokale overheden kunnen van het eerste lid afwijken:
1° als ze binnen zeven jaar energiebesparende werkzaamheden uitvoeren om vóór 1 januari 2030 een "zero-energieverbruik" te bereiken en vanaf 1 januari 2030 de zero-emissie te bereiken;
2° wanneer ze van plan zijn het gebouw door te verkopen zonder het voor hun eigen doeleinden te gebruiken;
3° wanneer het gaat om een beschermd gebouw, een op de bewaarlijst ingeschreven gebouw, een gebouw dat deel uitmaakt van een beschermd(e) of op de bewaarlijst ingeschreven site of geheel, in overeenstemming met de bepalingen van titel V van het BWRO.]3
[3 § 3. De naleving van het vereiste energieprestatieniveau wordt gecontroleerd door middel van de EPB-certificaten.]3
Art. 2.4.1. [2 § 1er. Les pouvoirs publics régionaux [3 et locaux]3 n'acquièrent que des bâtiments [3 à consommation " zéro énergie " avant le 1er janvier 2030 et des bâtiments zéro émission à partir du 1er janvier 2030]3, dans la mesure où cela est compatible avec l'efficacité par rapport au coût, la faisabilité économique, la durabilité au sens large, l'adéquation technique et un niveau de concurrence suffisant [3 ...]3.]2
[2 § 2.]2 [3 Les pouvoirs publics régionaux et locaux ne prennent en location que des bâtiments à consommation " zéro énergie " " avant le 1er janvier 2030 et des bâtiments zéro émission à partir du 1er janvier 2030, dans la mesure où cela est compatible avec l'efficacité par rapport au coût, l'adéquation technique et un niveau de concurrence suffisant.
Les pouvoirs publics régionaux et locaux peuvent déroger à l'alinéa 1er:
1° si le contrat de location a pour objet de réaliser dans les sept ans des travaux économiseurs d'énergie pour atteindre cette consommation " zéro énergie " avant le 1er janvier 2030 et atteindre le zéro émission à partir du 1er janvier 2030;
2° lorsqu'il s'agit d'un bien classé ou inscrit sur la liste de sauvegarde, ou faisant partie d'un site ou d'un ensemble classé ou inscrit sur la liste de sauvegarde, conformément aux dispositions du titre V du CoBAT.
Le présent paragraphe s'applique aux contrats de location conclus à dater de son entrée en vigueur.]3
[3 Les pouvoirs publics régionaux et locaux peuvent déroger à l'alinéa 1er:
1° s'ils réalisent dans les sept ans des travaux économiseurs d'énergie pour atteindre cette consommation " zéro énergie " avant le 1er janvier 2030 et atteindre le zéro émission à partir du 1er janvier 2030;
2° lorsqu'ils prévoient de revendre le bâtiment sans l'utiliser à leurs propres fins;
3° lorsqu'il s'agit d'un bien classé ou inscrit sur la liste de sauvegarde, ou faisant partie d'un site ou d'un ensemble classé ou inscrit sur la liste de sauvegarde, conformément aux dispositions du titre V du CoBAT.]3
[3 § 3. La conformité avec le niveau de performance énergétique exigé est vérifiée au moyen des certificats PEB.]3
[2 § 2.]2 [3 Les pouvoirs publics régionaux et locaux ne prennent en location que des bâtiments à consommation " zéro énergie " " avant le 1er janvier 2030 et des bâtiments zéro émission à partir du 1er janvier 2030, dans la mesure où cela est compatible avec l'efficacité par rapport au coût, l'adéquation technique et un niveau de concurrence suffisant.
Les pouvoirs publics régionaux et locaux peuvent déroger à l'alinéa 1er:
1° si le contrat de location a pour objet de réaliser dans les sept ans des travaux économiseurs d'énergie pour atteindre cette consommation " zéro énergie " avant le 1er janvier 2030 et atteindre le zéro émission à partir du 1er janvier 2030;
2° lorsqu'il s'agit d'un bien classé ou inscrit sur la liste de sauvegarde, ou faisant partie d'un site ou d'un ensemble classé ou inscrit sur la liste de sauvegarde, conformément aux dispositions du titre V du CoBAT.
Le présent paragraphe s'applique aux contrats de location conclus à dater de son entrée en vigueur.]3
[3 Les pouvoirs publics régionaux et locaux peuvent déroger à l'alinéa 1er:
1° s'ils réalisent dans les sept ans des travaux économiseurs d'énergie pour atteindre cette consommation " zéro énergie " avant le 1er janvier 2030 et atteindre le zéro émission à partir du 1er janvier 2030;
2° lorsqu'ils prévoient de revendre le bâtiment sans l'utiliser à leurs propres fins;
3° lorsqu'il s'agit d'un bien classé ou inscrit sur la liste de sauvegarde, ou faisant partie d'un site ou d'un ensemble classé ou inscrit sur la liste de sauvegarde, conformément aux dispositions du titre V du CoBAT.]3
[3 § 3. La conformité avec le niveau de performance énergétique exigé est vérifiée au moyen des certificats PEB.]3
Art. 2.4.2. § 1. De Regering neemt de nodige maatregelen opdat [1 de gebouwen die behoren tot de overheden of]1 die worden gebruikt of bestemd zijn om door de overheden te worden gebruikt een voorbeeldrol zouden spelen op het vlak van energie- en milieuprestatie.
Hiertoe legt zij, voor de in het vorig lid bedoelde gebouwen, strengere EPB-eisen op dan die welke krachtens artikel 2.2.3 van onderhavig Wetboek van toepassing zijn voor de overige gebouwen [1 ...]1.
[1 In afwijking van artikel 2.2.3, § 2, voldoen de EPB-eenheden in de gebouwencategorie van bijlage 2.1, 5, a), en die toebehoren aan een openbaar vastgoedbeheerder minstens aan een primair energieverbruik dat lager ligt of gelijk is aan 150 kWh/m2 per jaar in 2040.
Onverminderd het derde lid, voldoen alle in dat lid bedoelde EPB-eenheden, met uitzondering van EPB-eenheden die krachtens het BWRO beschermd zijn of ingeschreven staan op de bewaarlijst, die behoren tot dezelfde openbaar vastgoedbeheerder, aan een minimaal primair energieverbruik van minder dan of gelijk aan 100 kWh/m2 per jaar in 2040.]1
§ 2. Zodra het beoordelingssysteem van de energie- en milieukwaliteit van de gebouwen bedoeld in artikel 2.2.19 van onderhavig Wetboek ingevoerd is, zal de Regering de energie- en milieuvereisten [1 op basis van dat beoordelingssysteem bepalen]1 van de nieuwe [1 , met nieuw gelijkgestelde gebouwen of]1 die zwaar gerenoveerd worden of door overheden gebruikt zullen worden op basis van dat beoordelingssysteem bepalen.
§ 3. Wanneer de persoon voor wiens rekening de werken worden uitgevoerd een openbaar bestuur is, beantwoorden de nieuwe EPB-eenheden vanaf 1 januari 2019 aan de EPB-eisen van " zero energieverbruik ".
[1 Vanaf 31 december 2026 moeten nieuwe EPB-eenheden die toebehoren aan de overheden, of worden gebruikt door één of meerdere overheden of daarvoor zijn bestemd, voldoen aan de EPB-eisen zero-emissie en met passende productiesystemen van zonne-energie zijn uitgerust.]1
Hiertoe legt zij, voor de in het vorig lid bedoelde gebouwen, strengere EPB-eisen op dan die welke krachtens artikel 2.2.3 van onderhavig Wetboek van toepassing zijn voor de overige gebouwen [1 ...]1.
[1 In afwijking van artikel 2.2.3, § 2, voldoen de EPB-eenheden in de gebouwencategorie van bijlage 2.1, 5, a), en die toebehoren aan een openbaar vastgoedbeheerder minstens aan een primair energieverbruik dat lager ligt of gelijk is aan 150 kWh/m2 per jaar in 2040.
Onverminderd het derde lid, voldoen alle in dat lid bedoelde EPB-eenheden, met uitzondering van EPB-eenheden die krachtens het BWRO beschermd zijn of ingeschreven staan op de bewaarlijst, die behoren tot dezelfde openbaar vastgoedbeheerder, aan een minimaal primair energieverbruik van minder dan of gelijk aan 100 kWh/m2 per jaar in 2040.]1
§ 2. Zodra het beoordelingssysteem van de energie- en milieukwaliteit van de gebouwen bedoeld in artikel 2.2.19 van onderhavig Wetboek ingevoerd is, zal de Regering de energie- en milieuvereisten [1 op basis van dat beoordelingssysteem bepalen]1 van de nieuwe [1 , met nieuw gelijkgestelde gebouwen of]1 die zwaar gerenoveerd worden of door overheden gebruikt zullen worden op basis van dat beoordelingssysteem bepalen.
§ 3. Wanneer de persoon voor wiens rekening de werken worden uitgevoerd een openbaar bestuur is, beantwoorden de nieuwe EPB-eenheden vanaf 1 januari 2019 aan de EPB-eisen van " zero energieverbruik ".
[1 Vanaf 31 december 2026 moeten nieuwe EPB-eenheden die toebehoren aan de overheden, of worden gebruikt door één of meerdere overheden of daarvoor zijn bestemd, voldoen aan de EPB-eisen zero-emissie en met passende productiesystemen van zonne-energie zijn uitgerust.]1
Art. 2.4.2. § 1er. Le Gouvernement prend les mesures nécessaires pour que [1 les bâtiments qui appartiennent aux pouvoirs publics ou]1 qui sont occupés ou destinés à être occupés par les pouvoirs publics, jouent un rôle exemplaire en matière de performance énergétique et environnementale.
A cette fin, il fixe, pour les bâtiments visés à l'alinéa précédent, des exigences PEB plus strictes que celles applicables aux autres bâtiments en vertu de l'article 2.2.3 [1 ...]1.
§ 2. Dès la mise en place du système d'évaluation de la performance énergétique et environnementale des bâtiments visé à l'article 2.2.19, le Gouvernement détermine, sur la base de ce système d'évaluation, les exigences énergétiques et environnementales des nouveaux bâtiments [1 , assimilés à du neuf ou]1 qui font l'objet de travaux de rénovation lourde [1 , appartenant aux pouvoirs publics ou]1 occupés ou destinés à être occupés par des pouvoirs publics.
[1 En dérogation à l'article 2.2.3, § 2, les unités PEB rentrant dans la catégorie de bâtiment visée à l'annexe 2.1, 5, a), et appartenant à un opérateur immobilier public répondent au minimum à une consommation d'énergie primaire inférieure ou égale à 150 kWh/m2 par an en 2040.
Sans préjudice de l'alinéa 3, l'ensemble des unités PEB visées dans cet alinéa, à l'exclusion des unités PEB classées ou inscrites à la liste de sauvegarde en vertu du CoBAT, appartenant à un même opérateur immobilier public, répondent au minimum à une consommation d'énergie primaire inférieure ou égale à 100 kWh/m2 par an en 2040.]1
§ 3. Lorsque la personne pour le compte de laquelle les travaux sont effectués est un pouvoir public, les unités PEB neuves répondent aux exigences PEB de consommation " zéro énergie " à partir du 1er janvier 2019.
[1 A partir du 31 décembre 2026, les unités PEB neuves appartenant aux pouvoirs publics ou occupées ou destinées à être occupées par un ou plusieurs pouvoirs publics répondent aux exigences PEB zéro émission et sont équipées de systèmes de production d'énergie solaire appropriés.]1
A cette fin, il fixe, pour les bâtiments visés à l'alinéa précédent, des exigences PEB plus strictes que celles applicables aux autres bâtiments en vertu de l'article 2.2.3 [1 ...]1.
§ 2. Dès la mise en place du système d'évaluation de la performance énergétique et environnementale des bâtiments visé à l'article 2.2.19, le Gouvernement détermine, sur la base de ce système d'évaluation, les exigences énergétiques et environnementales des nouveaux bâtiments [1 , assimilés à du neuf ou]1 qui font l'objet de travaux de rénovation lourde [1 , appartenant aux pouvoirs publics ou]1 occupés ou destinés à être occupés par des pouvoirs publics.
[1 En dérogation à l'article 2.2.3, § 2, les unités PEB rentrant dans la catégorie de bâtiment visée à l'annexe 2.1, 5, a), et appartenant à un opérateur immobilier public répondent au minimum à une consommation d'énergie primaire inférieure ou égale à 150 kWh/m2 par an en 2040.
Sans préjudice de l'alinéa 3, l'ensemble des unités PEB visées dans cet alinéa, à l'exclusion des unités PEB classées ou inscrites à la liste de sauvegarde en vertu du CoBAT, appartenant à un même opérateur immobilier public, répondent au minimum à une consommation d'énergie primaire inférieure ou égale à 100 kWh/m2 par an en 2040.]1
§ 3. Lorsque la personne pour le compte de laquelle les travaux sont effectués est un pouvoir public, les unités PEB neuves répondent aux exigences PEB de consommation " zéro énergie " à partir du 1er janvier 2019.
[1 A partir du 31 décembre 2026, les unités PEB neuves appartenant aux pouvoirs publics ou occupées ou destinées à être occupées par un ou plusieurs pouvoirs publics répondent aux exigences PEB zéro émission et sont équipées de systèmes de production d'énergie solaire appropriés.]1
Wijzigingen
Art. 2.4.3. De overheden die aan de volgende voorwaarden beantwoorden, moeten een PLAGE uitvoeren overeenkomstig de artikelen 2.2.21 tot 2.2.25 :
a) ze zijn eigenaar en/of betrekken gebouwen die gelegen zijn op het grondgebied van het Gewest en;
b) ofwel vertegenwoordigen die gebouwen samen een totale [1 bruto]1 oppervlakte van 50.000 m2, ofwel zijn ze het bezit van en/of worden ze betrokken door een federale, gewestelijke of gemeenschapsinstantie.
Een van de acties in het kader van het PLAGE die de Regering aan de overheden kan opleggen is het treffen van maatregelen die specifiek de verbetering van de energieprestatie van hun gebouwen beogen en meer bepaald een renovatiepercentage.
a) ze zijn eigenaar en/of betrekken gebouwen die gelegen zijn op het grondgebied van het Gewest en;
b) ofwel vertegenwoordigen die gebouwen samen een totale [1 bruto]1 oppervlakte van 50.000 m2, ofwel zijn ze het bezit van en/of worden ze betrokken door een federale, gewestelijke of gemeenschapsinstantie.
Een van de acties in het kader van het PLAGE die de Regering aan de overheden kan opleggen is het treffen van maatregelen die specifiek de verbetering van de energieprestatie van hun gebouwen beogen en meer bepaald een renovatiepercentage.
Art. 2.4.3. Sont tenus de mettre en oeuvre un PLAGE conformément aux articles 2.2.21 à 2.2.25, les pouvoirs publics qui répondent aux conditions suivantes :
a) ils sont propriétaires et/ou occupent des bâtiments situés sur le territoire de la Région et;
b) soit ces bâtiments représentent ensemble une superficie [1 brute]1 totale de 50.000 m2, soit ils sont détenus et/ou occupés par une autorité fédérale, régionale ou communautaire.
Parmi les actions à mettre en oeuvre dans le cadre du PLAGE, le Gouvernement peut imposer aux pouvoirs publics des mesures visant spécifiquement à améliorer la performance énergétique de leurs bâtiments et notamment un taux de rénovation.
a) ils sont propriétaires et/ou occupent des bâtiments situés sur le territoire de la Région et;
b) soit ces bâtiments représentent ensemble une superficie [1 brute]1 totale de 50.000 m2, soit ils sont détenus et/ou occupés par une autorité fédérale, régionale ou communautaire.
Parmi les actions à mettre en oeuvre dans le cadre du PLAGE, le Gouvernement peut imposer aux pouvoirs publics des mesures visant spécifiquement à améliorer la performance énergétique de leurs bâtiments et notamment un taux de rénovation.
Wijzigingen
Art. 2.4.4. § 1. Onder voorbehoud van artikel 24bis van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, bevorderen de overheden belast met opdrachten inzake openbare verlichting op het grondgebied van het Gewest de productie-installaties die gebruik maken van [1 energie uit hernieuwbare bronnen]1 of kwaliteitswarmtekrachtkoppeling voor de voeding van de openbareverlichtingsinstallaties.
De Regering kan eisen op het vlak van energie-efficiëntie en groene elektriciteit vastleggen voor de nieuwe openbare verlichtingsinstallaties en voor de vernieuwing van die installaties, naargelang hun bestemming en/of gebruik.
§ 2. Onder voorbehoud van artikel 24bis van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zijn de overheden belast met opdrachten inzake openbare verlichting op het grondgebied van het Gewest ertoe gehouden om elke dertig maanden een verbeteringsprogramma inzake de energieprestatie van de openbare verlichting te bezorgen dat de volgende gegevens bevat :
- het energiekadaster van de verlichting beheerd door het openbaar bestuur of het orgaan;
- een voorstelling van de evolutie van het verbruik over de laatste vijf jaren;
- het investeringsprogramma;
- een voorstelling van de overwogen technologische en beheerskeuzes;
- de bevoorradingsbronnen;
- het verwachte verbruik voor de komende vijf jaren.
De Regering kan eisen op het vlak van energie-efficiëntie en groene elektriciteit vastleggen voor de nieuwe openbare verlichtingsinstallaties en voor de vernieuwing van die installaties, naargelang hun bestemming en/of gebruik.
§ 2. Onder voorbehoud van artikel 24bis van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zijn de overheden belast met opdrachten inzake openbare verlichting op het grondgebied van het Gewest ertoe gehouden om elke dertig maanden een verbeteringsprogramma inzake de energieprestatie van de openbare verlichting te bezorgen dat de volgende gegevens bevat :
- het energiekadaster van de verlichting beheerd door het openbaar bestuur of het orgaan;
- een voorstelling van de evolutie van het verbruik over de laatste vijf jaren;
- het investeringsprogramma;
- een voorstelling van de overwogen technologische en beheerskeuzes;
- de bevoorradingsbronnen;
- het verwachte verbruik voor de komende vijf jaren.
Art. 2.4.4. § 1er. Sous réserve de l'article 24bis de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale, les pouvoirs publics chargés de missions en matière d'éclairage public sur le territoire de la Région favorisent les installations de production qui utilisent des [1 énergies produites à partir de sources renouvelables]1 ou les cogénérations de qualité pour l'alimentation des installations d'éclairage public.
Le Gouvernement peut fixer des exigences en matière d'efficacité énergétique et d'électricité verte applicables aux nouvelles installations d'éclairage public et au renouvellement de ces installations, en fonction de leur destination et/ou utilisation.
§ 2. Sous réserve de l'article 24bis de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale, les pouvoirs publics chargés de missions en matière d'éclairage public sur le territoire de la Région sont tenus d'adresser à [2 Bruxelles Environnement]2, tous les trente mois, un programme d'amélioration de la performance énergétique de l'éclairage public reprenant les données suivantes :
- le cadastre énergétique des luminaires gérés par le pouvoir public ou l'organisme;
- une présentation de l'évolution des consommations au cours des cinq dernières années;
- le programme d'investissement;
- une présentation des choix technologiques et de gestion envisagés;
- les sources d'approvisionnement;
- une prévision des consommations pour les cinq années suivantes.
Le Gouvernement peut fixer des exigences en matière d'efficacité énergétique et d'électricité verte applicables aux nouvelles installations d'éclairage public et au renouvellement de ces installations, en fonction de leur destination et/ou utilisation.
§ 2. Sous réserve de l'article 24bis de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale, les pouvoirs publics chargés de missions en matière d'éclairage public sur le territoire de la Région sont tenus d'adresser à [2 Bruxelles Environnement]2, tous les trente mois, un programme d'amélioration de la performance énergétique de l'éclairage public reprenant les données suivantes :
- le cadastre énergétique des luminaires gérés par le pouvoir public ou l'organisme;
- une présentation de l'évolution des consommations au cours des cinq dernières années;
- le programme d'investissement;
- une présentation des choix technologiques et de gestion envisagés;
- les sources d'approvisionnement;
- une prévision des consommations pour les cinq années suivantes.
Art. 2.4.4. § 1. Onder voorbehoud van artikel 24bis van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, bevorderen de overheden belast met opdrachten inzake openbare verlichting op het grondgebied van het Gewest de productie-installaties die gebruik maken van [1 energie uit hernieuwbare bronnen]1 of kwaliteitswarmtekrachtkoppeling voor de voeding van de openbareverlichtingsinstallaties.
De Regering kan eisen op het vlak van energie-efficiëntie en groene elektriciteit vastleggen voor de nieuwe openbare verlichtingsinstallaties en voor de vernieuwing van die installaties, naargelang hun bestemming en/of gebruik.
§ 2. Onder voorbehoud van artikel 24bis van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zijn de overheden belast met opdrachten inzake openbare verlichting op het grondgebied van het Gewest ertoe gehouden om elke dertig maanden een verbeteringsprogramma inzake de energieprestatie van de openbare verlichting te bezorgen dat de volgende gegevens bevat :
- het energiekadaster van de verlichting beheerd door het openbaar bestuur of het orgaan;
- een voorstelling van de evolutie van het verbruik over de laatste vijf jaren;
- het investeringsprogramma;
- een voorstelling van de overwogen technologische en beheerskeuzes;
- de bevoorradingsbronnen;
- het verwachte verbruik voor de komende vijf jaren.
De Regering kan eisen op het vlak van energie-efficiëntie en groene elektriciteit vastleggen voor de nieuwe openbare verlichtingsinstallaties en voor de vernieuwing van die installaties, naargelang hun bestemming en/of gebruik.
§ 2. Onder voorbehoud van artikel 24bis van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zijn de overheden belast met opdrachten inzake openbare verlichting op het grondgebied van het Gewest ertoe gehouden om elke dertig maanden een verbeteringsprogramma inzake de energieprestatie van de openbare verlichting te bezorgen dat de volgende gegevens bevat :
- het energiekadaster van de verlichting beheerd door het openbaar bestuur of het orgaan;
- een voorstelling van de evolutie van het verbruik over de laatste vijf jaren;
- het investeringsprogramma;
- een voorstelling van de overwogen technologische en beheerskeuzes;
- de bevoorradingsbronnen;
- het verwachte verbruik voor de komende vijf jaren.
Art. 2.4.4. § 1er. Sous réserve de l'article 24bis de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale, les pouvoirs publics chargés de missions en matière d'éclairage public sur le territoire de la Région favorisent les installations de production qui utilisent des [1 énergies produites à partir de sources renouvelables]1 ou les cogénérations de qualité pour l'alimentation des installations d'éclairage public.
Le Gouvernement peut fixer des exigences en matière d'efficacité énergétique et d'électricité verte applicables aux nouvelles installations d'éclairage public et au renouvellement de ces installations, en fonction de leur destination et/ou utilisation.
§ 2. Sous réserve de l'article 24bis de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale, les pouvoirs publics chargés de missions en matière d'éclairage public sur le territoire de la Région sont tenus d'adresser à [2 Bruxelles Environnement]2, tous les trente mois, un programme d'amélioration de la performance énergétique de l'éclairage public reprenant les données suivantes :
- le cadastre énergétique des luminaires gérés par le pouvoir public ou l'organisme;
- une présentation de l'évolution des consommations au cours des cinq dernières années;
- le programme d'investissement;
- une présentation des choix technologiques et de gestion envisagés;
- les sources d'approvisionnement;
- une prévision des consommations pour les cinq années suivantes.
Le Gouvernement peut fixer des exigences en matière d'efficacité énergétique et d'électricité verte applicables aux nouvelles installations d'éclairage public et au renouvellement de ces installations, en fonction de leur destination et/ou utilisation.
§ 2. Sous réserve de l'article 24bis de l'ordonnance du 19 juillet 2001 relative à l'organisation du marché de l'électricité en Région de Bruxelles-Capitale, les pouvoirs publics chargés de missions en matière d'éclairage public sur le territoire de la Région sont tenus d'adresser à [2 Bruxelles Environnement]2, tous les trente mois, un programme d'amélioration de la performance énergétique de l'éclairage public reprenant les données suivantes :
- le cadastre énergétique des luminaires gérés par le pouvoir public ou l'organisme;
- une présentation de l'évolution des consommations au cours des cinq dernières années;
- le programme d'investissement;
- une présentation des choix technologiques et de gestion envisagés;
- les sources d'approvisionnement;
- une prévision des consommations pour les cinq années suivantes.
Art. 2.4.5. § 1. De Regering bepaalt, bij besluit, milieuprestatie-eisen voor de voertuigen die door de gewestelijke en lokale overheden worden gekocht of geleased om een einde te stellen aan de ingebruikname van voertuigen die met een dieselmotor zijn uitgerust [2 in een eerste fase en van voertuigen met een verbrandingsmotor in een volgende fase]2.
Dat besluit kan verschillende eisen opleggen naargelang :
1° het gebruik van de voertuigen;
2° de voertuigen al dan niet speciaal ontworpen werden voor de uitvoering van een openbare dienstopdracht waarmee het openbaar bestuur wordt belast;
3° de aankoopdatum van de voertuigen of de aanvang van de leasing.
§ 2. De gewestelijke en lokale overheden maken een jaarlijks verslag op over de aard en de samenstelling van hun wagenpark en bezorgen dat aan [1 Leefmilieu Brussel]1 en het Parlement.
§ 3. De Regering kan alle of een deel van de verplichte acties die moeten worden gevoerd in het kader van het bedrijfsvervoerplan bedoeld in artikel 2.3.21 van toepassing maken op de gewestelijke en lokale overheden die minder dan 100 werknemers op eenzelfde site tewerkstellen. Het gebruik van het voertuigenpark, en meer bepaald de progressieve vermindering van het aantal afgelegde kilometer, zal worden opgenomen in het vervoerplan.
Dat besluit kan verschillende eisen opleggen naargelang :
1° het gebruik van de voertuigen;
2° de voertuigen al dan niet speciaal ontworpen werden voor de uitvoering van een openbare dienstopdracht waarmee het openbaar bestuur wordt belast;
3° de aankoopdatum van de voertuigen of de aanvang van de leasing.
§ 2. De gewestelijke en lokale overheden maken een jaarlijks verslag op over de aard en de samenstelling van hun wagenpark en bezorgen dat aan [1 Leefmilieu Brussel]1 en het Parlement.
§ 3. De Regering kan alle of een deel van de verplichte acties die moeten worden gevoerd in het kader van het bedrijfsvervoerplan bedoeld in artikel 2.3.21 van toepassing maken op de gewestelijke en lokale overheden die minder dan 100 werknemers op eenzelfde site tewerkstellen. Het gebruik van het voertuigenpark, en meer bepaald de progressieve vermindering van het aantal afgelegde kilometer, zal worden opgenomen in het vervoerplan.
Art. 2.4.5. § 1er. Le Gouvernement définit, par arrêté, des exigences en matière de performance environnementale pour les véhicules à acquérir ou à prendre en leasing par les pouvoirs publics régionaux et locaux, en vue de mettre un terme à la mise en service de véhicules équipés d'un moteur fonctionnant au carburant diesel [2 dans une première phase et d'un moteur thermique dans une phase suivante]2.
Cet arrêté peut fixer des exigences différentes selon :
1° l'usage des véhicules;
2° que les véhicules ont ou non été spécialement conçus en vue de la réalisation d'une mission de service public dont le pouvoir public est chargé;
3° la date d'acquisition des véhicules ou le début du leasing.
§ 2. Les pouvoirs publics régionaux et locaux rédigent un rapport annuel sur la nature et la composition de leur flotte de véhicules, qu'ils communiquent à [1 Bruxelles Environnement]1 et au Parlement.
§ 3. Le Gouvernement peut rendre applicables aux pouvoirs publics régionaux et locaux qui occupent moins de 100 travailleurs sur un même site tout ou partie des actions obligatoires à mettre en oeuvre dans le cadre du plan de déplacements d'entreprise visé à l'article 2.3.21. La question de l'utilisation de la flotte des véhicules, notamment la réduction progressive des kilomètres parcourus, sera intégrée dans le plan de déplacements.
Cet arrêté peut fixer des exigences différentes selon :
1° l'usage des véhicules;
2° que les véhicules ont ou non été spécialement conçus en vue de la réalisation d'une mission de service public dont le pouvoir public est chargé;
3° la date d'acquisition des véhicules ou le début du leasing.
§ 2. Les pouvoirs publics régionaux et locaux rédigent un rapport annuel sur la nature et la composition de leur flotte de véhicules, qu'ils communiquent à [1 Bruxelles Environnement]1 et au Parlement.
§ 3. Le Gouvernement peut rendre applicables aux pouvoirs publics régionaux et locaux qui occupent moins de 100 travailleurs sur un même site tout ou partie des actions obligatoires à mettre en oeuvre dans le cadre du plan de déplacements d'entreprise visé à l'article 2.3.21. La question de l'utilisation de la flotte des véhicules, notamment la réduction progressive des kilomètres parcourus, sera intégrée dans le plan de déplacements.
Art. 2.4.6. In afwijking van artikel 2.4.5, legt de Regering specifieke milieudoelstellingen en milieuvereisten vast voor de voertuigen voor openbaar personenvervoer die door de MIVB worden gekocht of geleased. Deze doelstellingen en vereisten worden vastgelegd in het algemene bestek en in het beheercontract van de MIVB. In een jaarverslag, dat aan het Parlement wordt bezorgd, worden eveneens een stand van zaken en een jaarlijkse evaluatie van de naleving van de doelstellingen voorgesteld.
De Regering legt ook specifieke milieudoelstellingen en milieuvereisten vast voor het Agentschap Net Brussel en de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp, om een einde te stellen aan de ingebruikname van voertuigen die met een [2 verbrandingsmotor]2 zijn uitgerust. De milieudoelstellingen zullen rekening houden met het rechtsbeginsel van de continuïteit van de openbare dienst.
[1 Alle voertuigen bedoeld in het eerste lid en die vanaf 1 januari 2017 in dienst worden gesteld, zullen uitgerust zijn met minstens een elektrische motor die direct en substantieel bijdraagt tot de aandrijving van het voertuig.]1
[1 De motoren van de voertuigen bedoeld in het eerste lid die in dienst worden gesteld vanaf 1 januari [2 2025]2 zullen geen [2 uitstoot van uitlaatgassen]2 meer mogen produceren die vervuilend is of broeikasgas of fijn stof bevat, [2 met uitzondering van waterdamp]2.]1
De Regering legt ook specifieke milieudoelstellingen en milieuvereisten vast voor het Agentschap Net Brussel en de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp, om een einde te stellen aan de ingebruikname van voertuigen die met een [2 verbrandingsmotor]2 zijn uitgerust. De milieudoelstellingen zullen rekening houden met het rechtsbeginsel van de continuïteit van de openbare dienst.
[1 Alle voertuigen bedoeld in het eerste lid en die vanaf 1 januari 2017 in dienst worden gesteld, zullen uitgerust zijn met minstens een elektrische motor die direct en substantieel bijdraagt tot de aandrijving van het voertuig.]1
[1 De motoren van de voertuigen bedoeld in het eerste lid die in dienst worden gesteld vanaf 1 januari [2 2025]2 zullen geen [2 uitstoot van uitlaatgassen]2 meer mogen produceren die vervuilend is of broeikasgas of fijn stof bevat, [2 met uitzondering van waterdamp]2.]1
Art. 2.4.6. Par dérogation à l'article 2.4.5, le Gouvernement fixe des objectifs environnementaux et des exigences environnementales spécifiques pour les véhicules de transport public de personnes, à acquérir ou prendre en leasing par la STIB. Ces objectifs et ces exigences sont définis dans le cahier général des charges et dans le contrat de gestion de la STIB. Un rapport annuel est fourni au Parlement qui contiendra également une présentation de l'état d'avancement et l'évaluation annuelle du respect de ces objectifs.
Le Gouvernement fixe également des objectifs environnementaux et des exigences environnementales spécifiques pour l'Agence Bruxelles-Propreté et le Service d'Incendie et d'Aide médicale urgente, en vue de mettre un terme à la mise en service de véhicules équipés d'un moteur [2 thermique]2. Les objectifs environnementaux tiendront compte de l'impératif de continuité du service.
[1 Tous les véhicules visés à l'alinéa 1er et mis en service à partir du 1er janvier 2017, seront équipés d'au moins un moteur électrique, qui participe de manière directe et substantielle à la propulsion du véhicule.]1
[1 Les moteurs des véhicules visés à l'alinéa 1er mis en service à partir du 1er janvier [2 2025]2 ne pourront plus produire des émissions [2 d'échappement]2 de polluants ou contenant des gaz à effet de serre ou des particules fines, [2 à l'exception de la vapeur d'eau]2.]1
Le Gouvernement fixe également des objectifs environnementaux et des exigences environnementales spécifiques pour l'Agence Bruxelles-Propreté et le Service d'Incendie et d'Aide médicale urgente, en vue de mettre un terme à la mise en service de véhicules équipés d'un moteur [2 thermique]2. Les objectifs environnementaux tiendront compte de l'impératif de continuité du service.
[1 Tous les véhicules visés à l'alinéa 1er et mis en service à partir du 1er janvier 2017, seront équipés d'au moins un moteur électrique, qui participe de manière directe et substantielle à la propulsion du véhicule.]1
[1 Les moteurs des véhicules visés à l'alinéa 1er mis en service à partir du 1er janvier [2 2025]2 ne pourront plus produire des émissions [2 d'échappement]2 de polluants ou contenant des gaz à effet de serre ou des particules fines, [2 à l'exception de la vapeur d'eau]2.]1
Art. 2.4.6. In afwijking van artikel 2.4.5, legt de Regering specifieke milieudoelstellingen en milieuvereisten vast voor de voertuigen voor openbaar personenvervoer die door de MIVB worden gekocht of geleased. Deze doelstellingen en vereisten worden vastgelegd in het algemene bestek en in het beheercontract van de MIVB. In een jaarverslag, dat aan het Parlement wordt bezorgd, worden eveneens een stand van zaken en een jaarlijkse evaluatie van de naleving van de doelstellingen voorgesteld.
De Regering legt ook specifieke milieudoelstellingen en milieuvereisten vast voor het Agentschap Net Brussel en de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp, om een einde te stellen aan de ingebruikname van voertuigen die met een [2 verbrandingsmotor]2 zijn uitgerust. De milieudoelstellingen zullen rekening houden met het rechtsbeginsel van de continuïteit van de openbare dienst.
[1 Alle voertuigen bedoeld in het eerste lid en die vanaf 1 januari 2017 in dienst worden gesteld, zullen uitgerust zijn met minstens een elektrische motor die direct en substantieel bijdraagt tot de aandrijving van het voertuig.]1
[1 De motoren van de voertuigen bedoeld in het eerste lid die in dienst worden gesteld vanaf 1 januari [2 2025]2 zullen geen [2 uitstoot van uitlaatgassen]2 meer mogen produceren die vervuilend is of broeikasgas of fijn stof bevat, [2 met uitzondering van waterdamp]2.]1
De Regering legt ook specifieke milieudoelstellingen en milieuvereisten vast voor het Agentschap Net Brussel en de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp, om een einde te stellen aan de ingebruikname van voertuigen die met een [2 verbrandingsmotor]2 zijn uitgerust. De milieudoelstellingen zullen rekening houden met het rechtsbeginsel van de continuïteit van de openbare dienst.
[1 Alle voertuigen bedoeld in het eerste lid en die vanaf 1 januari 2017 in dienst worden gesteld, zullen uitgerust zijn met minstens een elektrische motor die direct en substantieel bijdraagt tot de aandrijving van het voertuig.]1
[1 De motoren van de voertuigen bedoeld in het eerste lid die in dienst worden gesteld vanaf 1 januari [2 2025]2 zullen geen [2 uitstoot van uitlaatgassen]2 meer mogen produceren die vervuilend is of broeikasgas of fijn stof bevat, [2 met uitzondering van waterdamp]2.]1
Art. 2.4.6. Par dérogation à l'article 2.4.5, le Gouvernement fixe des objectifs environnementaux et des exigences environnementales spécifiques pour les véhicules de transport public de personnes, à acquérir ou prendre en leasing par la STIB. Ces objectifs et ces exigences sont définis dans le cahier général des charges et dans le contrat de gestion de la STIB. Un rapport annuel est fourni au Parlement qui contiendra également une présentation de l'état d'avancement et l'évaluation annuelle du respect de ces objectifs.
Le Gouvernement fixe également des objectifs environnementaux et des exigences environnementales spécifiques pour l'Agence Bruxelles-Propreté et le Service d'Incendie et d'Aide médicale urgente, en vue de mettre un terme à la mise en service de véhicules équipés d'un moteur [2 thermique]2. Les objectifs environnementaux tiendront compte de l'impératif de continuité du service.
[1 Tous les véhicules visés à l'alinéa 1er et mis en service à partir du 1er janvier 2017, seront équipés d'au moins un moteur électrique, qui participe de manière directe et substantielle à la propulsion du véhicule.]1
[1 Les moteurs des véhicules visés à l'alinéa 1er mis en service à partir du 1er janvier [2 2025]2 ne pourront plus produire des émissions [2 d'échappement]2 de polluants ou contenant des gaz à effet de serre ou des particules fines, [2 à l'exception de la vapeur d'eau]2.]1
Le Gouvernement fixe également des objectifs environnementaux et des exigences environnementales spécifiques pour l'Agence Bruxelles-Propreté et le Service d'Incendie et d'Aide médicale urgente, en vue de mettre un terme à la mise en service de véhicules équipés d'un moteur [2 thermique]2. Les objectifs environnementaux tiendront compte de l'impératif de continuité du service.
[1 Tous les véhicules visés à l'alinéa 1er et mis en service à partir du 1er janvier 2017, seront équipés d'au moins un moteur électrique, qui participe de manière directe et substantielle à la propulsion du véhicule.]1
[1 Les moteurs des véhicules visés à l'alinéa 1er mis en service à partir du 1er janvier [2 2025]2 ne pourront plus produire des émissions [2 d'échappement]2 de polluants ou contenant des gaz à effet de serre ou des particules fines, [2 à l'exception de la vapeur d'eau]2.]1
Art. 2.4.8. In afwijking van artikel 2.4.7, kan de Regering specifieke milieudoelstellingen opleggen inzake het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen die wordt gebruikt door de voertuigen die de MIVB voor eender welk doel bezit. Deze doelstellingen worden vastgelegd in het algemeen bestek van de MIVB.
De Regering kan ook specifieke milieudoelstellingen opleggen voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen die wordt gebruikt door de voertuigen van het Agentschap Net Brussel en de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp die special ontworpen zijn voor het uitvoeren van hun overheidsopdrachten.
De Regering kan ook specifieke milieudoelstellingen opleggen voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen die wordt gebruikt door de voertuigen van het Agentschap Net Brussel en de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp die special ontworpen zijn voor het uitvoeren van hun overheidsopdrachten.
Art. 2.4.8. Par dérogation à l'article 2.4.7, le Gouvernement peut fixer des objectifs spécifiques concernant la part d'énergie produite à partir de sources renouvelables utilisée par les véhicules de transport public de personnes détenus, à quelque titre que ce soit, par la STIB. Ces objectifs sont définis dans le cahier général des charges de la STIB.
Le Gouvernement peut fixer également des objectifs spécifiques concernant la part d'énergie produite à partir de sources renouvelables utilisée par les véhicules de l'Agence Bruxelles-Propreté et du Service d'Incendie et d'Aide Médicale Urgente spécialement conçus en vue de la réalisation de leurs missions de service public.
Le Gouvernement peut fixer également des objectifs spécifiques concernant la part d'énergie produite à partir de sources renouvelables utilisée par les véhicules de l'Agence Bruxelles-Propreté et du Service d'Incendie et d'Aide Médicale Urgente spécialement conçus en vue de la réalisation de leurs missions de service public.
Art. 2.4.8. In afwijking van artikel 2.4.7, kan de Regering specifieke milieudoelstellingen opleggen inzake het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen die wordt gebruikt door de voertuigen die de MIVB voor eender welk doel bezit. Deze doelstellingen worden vastgelegd in het algemeen bestek van de MIVB.
De Regering kan ook specifieke milieudoelstellingen opleggen voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen die wordt gebruikt door de voertuigen van het Agentschap Net Brussel en de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp die special ontworpen zijn voor het uitvoeren van hun overheidsopdrachten.
De Regering kan ook specifieke milieudoelstellingen opleggen voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen die wordt gebruikt door de voertuigen van het Agentschap Net Brussel en de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp die special ontworpen zijn voor het uitvoeren van hun overheidsopdrachten.
Art. 2.4.8. Par dérogation à l'article 2.4.7, le Gouvernement peut fixer des objectifs spécifiques concernant la part d'énergie produite à partir de sources renouvelables utilisée par les véhicules de transport public de personnes détenus, à quelque titre que ce soit, par la STIB. Ces objectifs sont définis dans le cahier général des charges de la STIB.
Le Gouvernement peut fixer également des objectifs spécifiques concernant la part d'énergie produite à partir de sources renouvelables utilisée par les véhicules de l'Agence Bruxelles-Propreté et du Service d'Incendie et d'Aide Médicale Urgente spécialement conçus en vue de la réalisation de leurs missions de service public.
Le Gouvernement peut fixer également des objectifs spécifiques concernant la part d'énergie produite à partir de sources renouvelables utilisée par les véhicules de l'Agence Bruxelles-Propreté et du Service d'Incendie et d'Aide Médicale Urgente spécialement conçus en vue de la réalisation de leurs missions de service public.
Art. 2.4.9. Onverminderd artikel 2.4.5, zien de gewestelijke overheden en plaatselijke besturen erop toe dat zij in hun bestellingen milieu- en energiecriteria opnemen.
Die criteria beogen inzonderheid :
- voorrang te verlenen aan producten en diensten met een hoge energieprestatie;
- het gebruik van natuurlijke bronnen te verminderen;
- de negatieve impact op het milieu te voorkomen.
De Regering kan een lijst opmaken van de leveringen en diensten waarvoor milieuclausules doorslaggevend zijn.
Bovendien kan zij een referentiesysteem voor duurzame aankopen invoeren dat de criteria vermeld in het tweede lid van dit artikel nader toelicht en aanvult. Desgevallend zal dat referentiesysteem verplicht worden voor de bestellingen die de gewestelijke overheden en plaatselijke besturen doen.
Die criteria beogen inzonderheid :
- voorrang te verlenen aan producten en diensten met een hoge energieprestatie;
- het gebruik van natuurlijke bronnen te verminderen;
- de negatieve impact op het milieu te voorkomen.
De Regering kan een lijst opmaken van de leveringen en diensten waarvoor milieuclausules doorslaggevend zijn.
Bovendien kan zij een referentiesysteem voor duurzame aankopen invoeren dat de criteria vermeld in het tweede lid van dit artikel nader toelicht en aanvult. Desgevallend zal dat referentiesysteem verplicht worden voor de bestellingen die de gewestelijke overheden en plaatselijke besturen doen.
Art. 2.4.9. Sans préjudice de l'article 2.4.5, les pouvoirs publics régionaux et les pouvoirs publics locaux veillent à insérer des critères environnementaux et énergétiques dans leurs commandes.
Ces critères visent notamment à :
- favoriser les produits et services à haute performance en matière d'efficacité énergétique;
- réduire la consommation de ressources naturelles;
- prévenir les impacts négatifs sur l'environnement.
Le Gouvernement peut établir une liste des fournitures et services pour lesquels les clauses environnementales sont pertinentes.
Il peut en outre mettre en place un référentiel d'achats durables qui explicite et complète les critères énoncés à l'alinéa 2 du présent article. Le cas échéant, ce référentiel s'impose aux commandes effectuées par les pouvoirs publics régionaux et les pouvoirs publics locaux.
Ces critères visent notamment à :
- favoriser les produits et services à haute performance en matière d'efficacité énergétique;
- réduire la consommation de ressources naturelles;
- prévenir les impacts négatifs sur l'environnement.
Le Gouvernement peut établir une liste des fournitures et services pour lesquels les clauses environnementales sont pertinentes.
Il peut en outre mettre en place un référentiel d'achats durables qui explicite et complète les critères énoncés à l'alinéa 2 du présent article. Le cas échéant, ce référentiel s'impose aux commandes effectuées par les pouvoirs publics régionaux et les pouvoirs publics locaux.
Art. 2.4.9. Onverminderd artikel 2.4.5, zien de gewestelijke overheden en plaatselijke besturen erop toe dat zij in hun bestellingen milieu- en energiecriteria opnemen.
Die criteria beogen inzonderheid :
- voorrang te verlenen aan producten en diensten met een hoge energieprestatie;
- het gebruik van natuurlijke bronnen te verminderen;
- de negatieve impact op het milieu te voorkomen.
De Regering kan een lijst opmaken van de leveringen en diensten waarvoor milieuclausules doorslaggevend zijn.
Bovendien kan zij een referentiesysteem voor duurzame aankopen invoeren dat de criteria vermeld in het tweede lid van dit artikel nader toelicht en aanvult. Desgevallend zal dat referentiesysteem verplicht worden voor de bestellingen die de gewestelijke overheden en plaatselijke besturen doen.
Die criteria beogen inzonderheid :
- voorrang te verlenen aan producten en diensten met een hoge energieprestatie;
- het gebruik van natuurlijke bronnen te verminderen;
- de negatieve impact op het milieu te voorkomen.
De Regering kan een lijst opmaken van de leveringen en diensten waarvoor milieuclausules doorslaggevend zijn.
Bovendien kan zij een referentiesysteem voor duurzame aankopen invoeren dat de criteria vermeld in het tweede lid van dit artikel nader toelicht en aanvult. Desgevallend zal dat referentiesysteem verplicht worden voor de bestellingen die de gewestelijke overheden en plaatselijke besturen doen.
Art. 2.4.9. Sans préjudice de l'article 2.4.5, les pouvoirs publics régionaux et les pouvoirs publics locaux veillent à insérer des critères environnementaux et énergétiques dans leurs commandes.
Ces critères visent notamment à :
- favoriser les produits et services à haute performance en matière d'efficacité énergétique;
- réduire la consommation de ressources naturelles;
- prévenir les impacts négatifs sur l'environnement.
Le Gouvernement peut établir une liste des fournitures et services pour lesquels les clauses environnementales sont pertinentes.
Il peut en outre mettre en place un référentiel d'achats durables qui explicite et complète les critères énoncés à l'alinéa 2 du présent article. Le cas échéant, ce référentiel s'impose aux commandes effectuées par les pouvoirs publics régionaux et les pouvoirs publics locaux.
Ces critères visent notamment à :
- favoriser les produits et services à haute performance en matière d'efficacité énergétique;
- réduire la consommation de ressources naturelles;
- prévenir les impacts négatifs sur l'environnement.
Le Gouvernement peut établir une liste des fournitures et services pour lesquels les clauses environnementales sont pertinentes.
Il peut en outre mettre en place un référentiel d'achats durables qui explicite et complète les critères énoncés à l'alinéa 2 du présent article. Le cas échéant, ce référentiel s'impose aux commandes effectuées par les pouvoirs publics régionaux et les pouvoirs publics locaux.
Art. 2.4.10. [1 § 1. Het EPB-certificaat openbaar gebouw bevat referentiewaarden op basis waarvan de belanghebbenden de energieprestatie van de EPB-eenheden kunnen bekijken en deze kunnen vergelijken met die van andere EPB-eenheden van dezelfde categorie. Het EPB-certificaat openbaar gebouw geeft ook aanbevelingen voor de rendabele verbetering van de energieprestatie en de vermindering van de operationele broeikasgasemissies van de EPB-eenheden. De energieprestatie van een EPB-eenheid wordt uitgedrukt door een indicator voor het energieverbruik in kWh/m2 per jaar, een indicator voor hernieuwbare energie in percentage en een indicator voor de CO2-uitstoot in kgCO2/m2 per jaar.
§ 2. De Regering kan de vorm, de inhoud, de periodiciteit en de voorwaarden voor het einde van de geldigheidsduur van het EPB-certificaat openbaar gebouw bepalen.]1
§ 2. De Regering kan de vorm, de inhoud, de periodiciteit en de voorwaarden voor het einde van de geldigheidsduur van het EPB-certificaat openbaar gebouw bepalen.]1
Art. 2.4.10. [1 § 1er. Le certificat PEB bâtiment public contient des valeurs de référence sur la base desquelles les intéressés peuvent visualiser la performance énergétique des unités PEB et la comparer avec celle d'autres unités PEB de même catégorie. Le certificat PEB bâtiment public comprend aussi des recommandations concernant l'amélioration rentable de la performance énergétique et la réduction des émissions opérationnelles de gaz à effet de serre des unités PEB. La performance énergétique d'une unité PEB est exprimée par un indicateur de consommation énergétique en kWh/m2 par an, un indicateur d'énergie renouvelable en pourcentage et un indicateur d'émission de CO2 en kgCO2/m2 par an.
§ 2. Le Gouvernement peut préciser la forme, le contenu, la périodicité et les conditions de fin de validité du certificat PEB bâtiment public.]1
§ 2. Le Gouvernement peut préciser la forme, le contenu, la périodicité et les conditions de fin de validité du certificat PEB bâtiment public.]1
Art. 2.4.11. [1 § 1. Wanneer één of meerdere EPB-eenheden in eenzelfde gebouw worden gebruikt door één of meerdere overheden als gedefinieerd door de Regering overeenkomstig paragraaf 4, wordt het EPB-certificaat openbaar gebouw geafficheerd op een plaats die duidelijk zichtbaar is voor het publiek.
§ 2. Omaan de in paragraaf 1 bedoelde verplichting te voldoen, beschikt de overheid over een geldig EPB-certificaat openbaar gebouw dat door een erkende EPB-deskundige werd opgesteld.
De Regering bepaalt de implementatiemodaliteiten van deze verplichting, door de procedure voor het verzoek tot een door Leefmilieu Brussel toegekende vrijstelling nader te bepalen.
§ 3. Wanneer één of meerdere EPB-eenheden in eenzelfde gebouw toebehoren aan één of meerdere overheden als gedefinieerd door de Regering overeenkomstig paragraaf 4, beschikt de overheid over een geldig EPB-certificaat of een EPB-certificaat openbaar gebouw, dat door een erkende EPB-deskundige werd opgesteld.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel kan de Regering het toepassingsgebied nader bepalen, met name door te bepalen wat onder de definitie van overheid valt en kan ze deze verder uitbreiden dan wat bedoeld is in artikel 1.3.1, 4°.]1
§ 2. Omaan de in paragraaf 1 bedoelde verplichting te voldoen, beschikt de overheid over een geldig EPB-certificaat openbaar gebouw dat door een erkende EPB-deskundige werd opgesteld.
De Regering bepaalt de implementatiemodaliteiten van deze verplichting, door de procedure voor het verzoek tot een door Leefmilieu Brussel toegekende vrijstelling nader te bepalen.
§ 3. Wanneer één of meerdere EPB-eenheden in eenzelfde gebouw toebehoren aan één of meerdere overheden als gedefinieerd door de Regering overeenkomstig paragraaf 4, beschikt de overheid over een geldig EPB-certificaat of een EPB-certificaat openbaar gebouw, dat door een erkende EPB-deskundige werd opgesteld.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel kan de Regering het toepassingsgebied nader bepalen, met name door te bepalen wat onder de definitie van overheid valt en kan ze deze verder uitbreiden dan wat bedoeld is in artikel 1.3.1, 4°.]1
Art. 2.4.11. [1 § 1er. Quand une ou plusieurs unités PEB dans un même bâtiment sont occupées par un ou plusieurs pouvoirs publics tels que définis par le Gouvernement en exécution du paragraphe 4, le certificat PEB bâtiment public y est affiché de manière visible pour le public.
§ 2. Pour pouvoir remplir son obligation visée au paragraphe 1er, le pouvoir public dispose d'un certificat PEB bâtiment public valide établi par un expert PEB.
Le Gouvernement détermine les modalités de mise en oeuvre de cette obligation, en précisant la procédure de demande d'octroi d'une dérogation par Bruxelles Environnement.
§ 3. Quand une ou plusieurs unités PEB dans un même bâtiment appartiennent à un ou plusieurs pouvoirs publics tels que définis par le Gouvernement en exécution du paragraphe 4, le pouvoir public dispose d'un certificat PEB ou d'un certificat PEB bâtiment public valide établi par un expert PEB.
§ 4. Pour l'application du présent article, le Gouvernement peut préciser le champ d'application, en déterminant notamment ce qui rentre dans la définition de pouvoir public et peut l'étendre au-delà de ce qui est visé à l'article 1.3.1, 4°.]1
§ 2. Pour pouvoir remplir son obligation visée au paragraphe 1er, le pouvoir public dispose d'un certificat PEB bâtiment public valide établi par un expert PEB.
Le Gouvernement détermine les modalités de mise en oeuvre de cette obligation, en précisant la procédure de demande d'octroi d'une dérogation par Bruxelles Environnement.
§ 3. Quand une ou plusieurs unités PEB dans un même bâtiment appartiennent à un ou plusieurs pouvoirs publics tels que définis par le Gouvernement en exécution du paragraphe 4, le pouvoir public dispose d'un certificat PEB ou d'un certificat PEB bâtiment public valide établi par un expert PEB.
§ 4. Pour l'application du présent article, le Gouvernement peut préciser le champ d'application, en déterminant notamment ce qui rentre dans la définition de pouvoir public et peut l'étendre au-delà de ce qui est visé à l'article 1.3.1, 4°.]1
Art. 2.4.11. [1 § 1. Wanneer één of meerdere EPB-eenheden in eenzelfde gebouw worden gebruikt door één of meerdere overheden als gedefinieerd door de Regering overeenkomstig paragraaf 4, wordt het EPB-certificaat openbaar gebouw geafficheerd op een plaats die duidelijk zichtbaar is voor het publiek.
§ 2. Omaan de in paragraaf 1 bedoelde verplichting te voldoen, beschikt de overheid over een geldig EPB-certificaat openbaar gebouw dat door een erkende EPB-deskundige werd opgesteld.
De Regering bepaalt de implementatiemodaliteiten van deze verplichting, door de procedure voor het verzoek tot een door Leefmilieu Brussel toegekende vrijstelling nader te bepalen.
§ 3. Wanneer één of meerdere EPB-eenheden in eenzelfde gebouw toebehoren aan één of meerdere overheden als gedefinieerd door de Regering overeenkomstig paragraaf 4, beschikt de overheid over een geldig EPB-certificaat of een EPB-certificaat openbaar gebouw, dat door een erkende EPB-deskundige werd opgesteld.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel kan de Regering het toepassingsgebied nader bepalen, met name door te bepalen wat onder de definitie van overheid valt en kan ze deze verder uitbreiden dan wat bedoeld is in artikel 1.3.1, 4°.]1
§ 2. Omaan de in paragraaf 1 bedoelde verplichting te voldoen, beschikt de overheid over een geldig EPB-certificaat openbaar gebouw dat door een erkende EPB-deskundige werd opgesteld.
De Regering bepaalt de implementatiemodaliteiten van deze verplichting, door de procedure voor het verzoek tot een door Leefmilieu Brussel toegekende vrijstelling nader te bepalen.
§ 3. Wanneer één of meerdere EPB-eenheden in eenzelfde gebouw toebehoren aan één of meerdere overheden als gedefinieerd door de Regering overeenkomstig paragraaf 4, beschikt de overheid over een geldig EPB-certificaat of een EPB-certificaat openbaar gebouw, dat door een erkende EPB-deskundige werd opgesteld.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel kan de Regering het toepassingsgebied nader bepalen, met name door te bepalen wat onder de definitie van overheid valt en kan ze deze verder uitbreiden dan wat bedoeld is in artikel 1.3.1, 4°.]1
Art. 2.4.11. [1 § 1er. Quand une ou plusieurs unités PEB dans un même bâtiment sont occupées par un ou plusieurs pouvoirs publics tels que définis par le Gouvernement en exécution du paragraphe 4, le certificat PEB bâtiment public y est affiché de manière visible pour le public.
§ 2. Pour pouvoir remplir son obligation visée au paragraphe 1er, le pouvoir public dispose d'un certificat PEB bâtiment public valide établi par un expert PEB.
Le Gouvernement détermine les modalités de mise en oeuvre de cette obligation, en précisant la procédure de demande d'octroi d'une dérogation par Bruxelles Environnement.
§ 3. Quand une ou plusieurs unités PEB dans un même bâtiment appartiennent à un ou plusieurs pouvoirs publics tels que définis par le Gouvernement en exécution du paragraphe 4, le pouvoir public dispose d'un certificat PEB ou d'un certificat PEB bâtiment public valide établi par un expert PEB.
§ 4. Pour l'application du présent article, le Gouvernement peut préciser le champ d'application, en déterminant notamment ce qui rentre dans la définition de pouvoir public et peut l'étendre au-delà de ce qui est visé à l'article 1.3.1, 4°.]1
§ 2. Pour pouvoir remplir son obligation visée au paragraphe 1er, le pouvoir public dispose d'un certificat PEB bâtiment public valide établi par un expert PEB.
Le Gouvernement détermine les modalités de mise en oeuvre de cette obligation, en précisant la procédure de demande d'octroi d'une dérogation par Bruxelles Environnement.
§ 3. Quand une ou plusieurs unités PEB dans un même bâtiment appartiennent à un ou plusieurs pouvoirs publics tels que définis par le Gouvernement en exécution du paragraphe 4, le pouvoir public dispose d'un certificat PEB ou d'un certificat PEB bâtiment public valide établi par un expert PEB.
§ 4. Pour l'application du présent article, le Gouvernement peut préciser le champ d'application, en déterminant notamment ce qui rentre dans la définition de pouvoir public et peut l'étendre au-delà de ce qui est visé à l'article 1.3.1, 4°.]1
Art. 2.4.12. [1 De overheden delen jaarlijks uiterlijk op 30 juni aan Leefmilieu Brussel de gegevens mee die relevant zijn voor de verslaggeving om te voldoen aan de eisen van de verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 of voor statistische, evaluatie- of studiedoeleinden die krachtens Europese of internationale regelgeving vereist zijn.
Deze nuttige gegevens zijn onder meer:
1° eindenergieverbruik per overheid en per NACE-code;
2° een lijst van uitgevoerde energiebesparende maatregelen.
De Regering kan de lijst van gegevens en de verzamelmethoden nader specificeren en aanvullen.
Voor de toepassing van dit artikel kan de Regering het toepassingsgebied nader bepalen, met name door te bepalen wat onder de definitie van overheid valt en kan ze deze verder uitbreiden dan wat in artikel 1.3.1, 4°, is bedoeld.]1
Deze nuttige gegevens zijn onder meer:
1° eindenergieverbruik per overheid en per NACE-code;
2° een lijst van uitgevoerde energiebesparende maatregelen.
De Regering kan de lijst van gegevens en de verzamelmethoden nader specificeren en aanvullen.
Voor de toepassing van dit artikel kan de Regering het toepassingsgebied nader bepalen, met name door te bepalen wat onder de definitie van overheid valt en kan ze deze verder uitbreiden dan wat in artikel 1.3.1, 4°, is bedoeld.]1
Art. 2.4.12. [1 Les pouvoirs publics communiquent chaque année à Bruxelles Environnement au plus tard pour le 30 juin les données utiles à des fins de rapportage pour répondre aux exigences du règlement (UE) 2018/1999 du Parlement européen et du Conseil du 11 décembre 2018 sur la gouvernance de l'union de l'énergie et de l'action pour le climat, modifiant les règlements (CE) n° 663/2009 et (CE) n° 715/2009 du Parlement européen et du Conseil, les directives 94/22/CE, 98/70/CE, 2009/31/CE, 2009/73/CE, 2010/31/UE, 2012/27/UE et 2013/30/UE du Parlement européen et du Conseil, les directives 2009/119/CE et (UE) 2015/652 du Conseil et abrogeant le règlement (UE) n° 525/2013 du Parlement européen et du Conseil ou, à des fins statistiques, d'évaluation ou d'étude exigés en vertu de la réglementation européenne ou internationale.
Ces données utiles sont entre autres:
1° les consommations finales d'énergie par pouvoir public et par code NACE;
2° une liste des mesures d'économies d'énergie mises en oeuvre.
Le Gouvernement peut spécifier et compléter la liste des données ainsi que les modalités de collecte.
Pour l'application du présent article, le Gouvernement peut préciser le champ d'application, en déterminant notamment ce qui rentre dans la définition de pouvoir public et peut l'étendre au-delà de ce qui est visé à l'article 1.3.1, 4°. ]1
Ces données utiles sont entre autres:
1° les consommations finales d'énergie par pouvoir public et par code NACE;
2° une liste des mesures d'économies d'énergie mises en oeuvre.
Le Gouvernement peut spécifier et compléter la liste des données ainsi que les modalités de collecte.
Pour l'application du présent article, le Gouvernement peut préciser le champ d'application, en déterminant notamment ce qui rentre dans la définition de pouvoir public et peut l'étendre au-delà de ce qui est visé à l'article 1.3.1, 4°. ]1
Art. 2.4.12. [1 De overheden delen jaarlijks uiterlijk op 30 juni aan Leefmilieu Brussel de gegevens mee die relevant zijn voor de verslaggeving om te voldoen aan de eisen van de verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 of voor statistische, evaluatie- of studiedoeleinden die krachtens Europese of internationale regelgeving vereist zijn.
Deze nuttige gegevens zijn onder meer:
1° eindenergieverbruik per overheid en per NACE-code;
2° een lijst van uitgevoerde energiebesparende maatregelen.
De Regering kan de lijst van gegevens en de verzamelmethoden nader specificeren en aanvullen.
Voor de toepassing van dit artikel kan de Regering het toepassingsgebied nader bepalen, met name door te bepalen wat onder de definitie van overheid valt en kan ze deze verder uitbreiden dan wat in artikel 1.3.1, 4°, is bedoeld.]1
Deze nuttige gegevens zijn onder meer:
1° eindenergieverbruik per overheid en per NACE-code;
2° een lijst van uitgevoerde energiebesparende maatregelen.
De Regering kan de lijst van gegevens en de verzamelmethoden nader specificeren en aanvullen.
Voor de toepassing van dit artikel kan de Regering het toepassingsgebied nader bepalen, met name door te bepalen wat onder de definitie van overheid valt en kan ze deze verder uitbreiden dan wat in artikel 1.3.1, 4°, is bedoeld.]1
Art. 2.4.12. [1 Les pouvoirs publics communiquent chaque année à Bruxelles Environnement au plus tard pour le 30 juin les données utiles à des fins de rapportage pour répondre aux exigences du règlement (UE) 2018/1999 du Parlement européen et du Conseil du 11 décembre 2018 sur la gouvernance de l'union de l'énergie et de l'action pour le climat, modifiant les règlements (CE) n° 663/2009 et (CE) n° 715/2009 du Parlement européen et du Conseil, les directives 94/22/CE, 98/70/CE, 2009/31/CE, 2009/73/CE, 2010/31/UE, 2012/27/UE et 2013/30/UE du Parlement européen et du Conseil, les directives 2009/119/CE et (UE) 2015/652 du Conseil et abrogeant le règlement (UE) n° 525/2013 du Parlement européen et du Conseil ou, à des fins statistiques, d'évaluation ou d'étude exigés en vertu de la réglementation européenne ou internationale.
Ces données utiles sont entre autres:
1° les consommations finales d'énergie par pouvoir public et par code NACE;
2° une liste des mesures d'économies d'énergie mises en oeuvre.
Le Gouvernement peut spécifier et compléter la liste des données ainsi que les modalités de collecte.
Pour l'application du présent article, le Gouvernement peut préciser le champ d'application, en déterminant notamment ce qui rentre dans la définition de pouvoir public et peut l'étendre au-delà de ce qui est visé à l'article 1.3.1, 4°. ]1
Ces données utiles sont entre autres:
1° les consommations finales d'énergie par pouvoir public et par code NACE;
2° une liste des mesures d'économies d'énergie mises en oeuvre.
Le Gouvernement peut spécifier et compléter la liste des données ainsi que les modalités de collecte.
Pour l'application du présent article, le Gouvernement peut préciser le champ d'application, en déterminant notamment ce qui rentre dans la définition de pouvoir public et peut l'étendre au-delà de ce qui est visé à l'article 1.3.1, 4°. ]1
TITEL 5. - Bepalingen betreffende de professionals [1 en de ondernemingen]1
TITRE 5. - Dispositions relatives aux professionnels [1 et aux entreprises]1
Art. 2.5.1. § 1. De Regering onderwerpt de volgende personen aan de toekenning van een erkenning :
1° de [5 EPB-deskundige]5 bedoeld in artikel 2.1.1, 15° ;
2° de [5 EPB-deskundige]5 bedoeld in artikel 2.1.1, 16° ;
3° [2 ...]2
4° de [4 EPB-controleur]4 bedoeld in artikel 2.1.1, 18° ;
5° de auditor bedoeld in artikel 2.2.20 [1 en artikel 2.5.7]1;
6° [2 ...]2
7° de technicus belast met de oplevering van de installaties bedoeld in artikel 2.1.1, 39°.
De Regering kan nog andere professionals onderwerpen aan de toekenning van een erkenning in uitvoering van de artikelen 2.2.17 en 2.2.19.
§ 2. De Regering onderwerpt de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen, die voor de effectenbeoordeling bedoeld in artikel 2.3.54, § 4 aangesteld kunnen worden, aan een erkenning of registratie.
De Regering bepaalt de procedure en de voorwaarden van de erkenning of de registratie.
[3 § 3. De Regering kan in het kader van de uitvoering van de door of krachtens onderhavig boek opgelegde verplichtingen, de organisatie van een kwaliteitskader opleggen aan aannemers van bouw- en renovatiewerkzaamheden of -diensten. In dat geval bepaalt de Regering de modaliteiten van het kwaliteitskader, alsmede de procedure en de voorwaarden voor de erkenning van de organisator van dat kwaliteitskader.]3
1° de [5 EPB-deskundige]5 bedoeld in artikel 2.1.1, 15° ;
2° de [5 EPB-deskundige]5 bedoeld in artikel 2.1.1, 16° ;
3° [2 ...]2
4° de [4 EPB-controleur]4 bedoeld in artikel 2.1.1, 18° ;
5° de auditor bedoeld in artikel 2.2.20 [1 en artikel 2.5.7]1;
6° [2 ...]2
7° de technicus belast met de oplevering van de installaties bedoeld in artikel 2.1.1, 39°.
De Regering kan nog andere professionals onderwerpen aan de toekenning van een erkenning in uitvoering van de artikelen 2.2.17 en 2.2.19.
§ 2. De Regering onderwerpt de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen, die voor de effectenbeoordeling bedoeld in artikel 2.3.54, § 4 aangesteld kunnen worden, aan een erkenning of registratie.
De Regering bepaalt de procedure en de voorwaarden van de erkenning of de registratie.
[3 § 3. De Regering kan in het kader van de uitvoering van de door of krachtens onderhavig boek opgelegde verplichtingen, de organisatie van een kwaliteitskader opleggen aan aannemers van bouw- en renovatiewerkzaamheden of -diensten. In dat geval bepaalt de Regering de modaliteiten van het kwaliteitskader, alsmede de procedure en de voorwaarden voor de erkenning van de organisator van dat kwaliteitskader.]3
Wijzigingen
Art. 2.5.1. § 1er. Le Gouvernement soumet les personnes suivantes à l'octroi d'un agrément :
1° le conseiller PEB visé à l'article 2.1.1, 15° ;
2° le certificateur visé à l'article 2.1.1, 16° ;
3° [2 ...]2
4° le [4 contrôleur PEB]4 visé à l'article 2.1.1, 18° ;
5° l'auditeur visé à l'article 2.2.20 [1 et à l'article 2.5.7]1;
6° [2 ...]2
7° le technicien chargé de la réception des installations visées à l'article 2.1.1, 39°.
Le Gouvernement peut soumettre d'autres professionnels à l'octroi d'un agrément en exécution des articles 2.2.17 et 2.2.19.
§ 2. Le Gouvernement soumet à agrément ou enregistrement les personnes physiques ou morales, publiques ou privées, qui peuvent être désignées en qualité de chargé de l'évaluation des incidences visée à l'article 2.3.54, § 4.
Le Gouvernement détermine la procédure et les conditions de l'agrément ou de l'enregistrement.
[3 § 3. Le Gouvernement peut dans le cadre de la mise en oeuvre des obligations imposées par ou en vertu du présent livre, imposer l'organisation d'un cadre de qualité aux entrepreneurs de travaux ou de services de construction et de rénovation du bâti. Dans un tel cas, le Gouvernement détermine les modalités relatives à ce cadre de qualité, ainsi que la procédure et les conditions de reconnaissance de l'organisateur de ce cadre de qualité.]3
1° le conseiller PEB visé à l'article 2.1.1, 15° ;
2° le certificateur visé à l'article 2.1.1, 16° ;
3° [2 ...]2
4° le [4 contrôleur PEB]4 visé à l'article 2.1.1, 18° ;
5° l'auditeur visé à l'article 2.2.20 [1 et à l'article 2.5.7]1;
6° [2 ...]2
7° le technicien chargé de la réception des installations visées à l'article 2.1.1, 39°.
Le Gouvernement peut soumettre d'autres professionnels à l'octroi d'un agrément en exécution des articles 2.2.17 et 2.2.19.
§ 2. Le Gouvernement soumet à agrément ou enregistrement les personnes physiques ou morales, publiques ou privées, qui peuvent être désignées en qualité de chargé de l'évaluation des incidences visée à l'article 2.3.54, § 4.
Le Gouvernement détermine la procédure et les conditions de l'agrément ou de l'enregistrement.
[3 § 3. Le Gouvernement peut dans le cadre de la mise en oeuvre des obligations imposées par ou en vertu du présent livre, imposer l'organisation d'un cadre de qualité aux entrepreneurs de travaux ou de services de construction et de rénovation du bâti. Dans un tel cas, le Gouvernement détermine les modalités relatives à ce cadre de qualité, ainsi que la procédure et les conditions de reconnaissance de l'organisateur de ce cadre de qualité.]3
Art. 2_5.1.TOEKOMSTIG_RECHT. § 1. De Regering onderwerpt de volgende personen aan de toekenning van een erkenning :
1° de [6 EPB-deskundige]6 bedoeld in artikel 2.1.1, 15° ;
2° [5 ...]5
3° [2 ...]2
4° de [4 EPB-controleur]4 bedoeld in artikel 2.1.1, 18° ;
5° de auditor bedoeld in artikel 2.2.20 [1 en artikel 2.5.7]1;
6° [2 ...]2
7° de technicus belast met de oplevering van de installaties bedoeld in artikel 2.1.1, 39°.
De Regering kan nog andere professionals onderwerpen aan de toekenning van een erkenning in uitvoering van de artikelen 2.2.17 en 2.2.19.
§ 2. De Regering onderwerpt de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen, die voor de effectenbeoordeling bedoeld in artikel 2.3.54, § 4 aangesteld kunnen worden, aan een erkenning of registratie.
De Regering bepaalt de procedure en de voorwaarden van de erkenning of de registratie.
[3 § 3. De Regering kan in het kader van de uitvoering van de door of krachtens onderhavig boek opgelegde verplichtingen, de organisatie van een kwaliteitskader opleggen aan aannemers van bouw- en renovatiewerkzaamheden of -diensten. In dat geval bepaalt de Regering de modaliteiten van het kwaliteitskader, alsmede de procedure en de voorwaarden voor de erkenning van de organisator van dat kwaliteitskader.]3
1° de [6 EPB-deskundige]6 bedoeld in artikel 2.1.1, 15° ;
2° [5 ...]5
3° [2 ...]2
4° de [4 EPB-controleur]4 bedoeld in artikel 2.1.1, 18° ;
5° de auditor bedoeld in artikel 2.2.20 [1 en artikel 2.5.7]1;
6° [2 ...]2
7° de technicus belast met de oplevering van de installaties bedoeld in artikel 2.1.1, 39°.
De Regering kan nog andere professionals onderwerpen aan de toekenning van een erkenning in uitvoering van de artikelen 2.2.17 en 2.2.19.
§ 2. De Regering onderwerpt de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen, die voor de effectenbeoordeling bedoeld in artikel 2.3.54, § 4 aangesteld kunnen worden, aan een erkenning of registratie.
De Regering bepaalt de procedure en de voorwaarden van de erkenning of de registratie.
[3 § 3. De Regering kan in het kader van de uitvoering van de door of krachtens onderhavig boek opgelegde verplichtingen, de organisatie van een kwaliteitskader opleggen aan aannemers van bouw- en renovatiewerkzaamheden of -diensten. In dat geval bepaalt de Regering de modaliteiten van het kwaliteitskader, alsmede de procedure en de voorwaarden voor de erkenning van de organisator van dat kwaliteitskader.]3
Art. 2_5.1.DROIT_FUTUR. § 1er. Le Gouvernement soumet les personnes suivantes à l'octroi d'un agrément :
1° l'[5 expert PEB]5 visé à l'article 2.1.1, 15° ;
2° [4 ...]4 ;
3° [2 ...]2
4° le [6 contrôleur PEB]6 visé à l'article 2.1.1, 18° ;
5° l'auditeur visé à l'article 2.2.20 [1 et à l'article 2.5.7]1;
6° [2 ...]2
7° le technicien chargé de la réception des installations visées à l'article 2.1.1, 39°.
Le Gouvernement peut soumettre d'autres professionnels à l'octroi d'un agrément en exécution des articles 2.2.17 et 2.2.19.
§ 2. Le Gouvernement soumet à agrément ou enregistrement les personnes physiques ou morales, publiques ou privées, qui peuvent être désignées en qualité de chargé de l'évaluation des incidences visée à l'article 2.3.54, § 4.
Le Gouvernement détermine la procédure et les conditions de l'agrément ou de l'enregistrement.
[3 § 3. Le Gouvernement peut dans le cadre de la mise en oeuvre des obligations imposées par ou en vertu du présent livre, imposer l'organisation d'un cadre de qualité aux entrepreneurs de travaux ou de services de construction et de rénovation du bâti. Dans un tel cas, le Gouvernement détermine les modalités relatives à ce cadre de qualité, ainsi que la procédure et les conditions de reconnaissance de l'organisateur de ce cadre de qualité.]3
1° l'[5 expert PEB]5 visé à l'article 2.1.1, 15° ;
2° [4 ...]4 ;
3° [2 ...]2
4° le [6 contrôleur PEB]6 visé à l'article 2.1.1, 18° ;
5° l'auditeur visé à l'article 2.2.20 [1 et à l'article 2.5.7]1;
6° [2 ...]2
7° le technicien chargé de la réception des installations visées à l'article 2.1.1, 39°.
Le Gouvernement peut soumettre d'autres professionnels à l'octroi d'un agrément en exécution des articles 2.2.17 et 2.2.19.
§ 2. Le Gouvernement soumet à agrément ou enregistrement les personnes physiques ou morales, publiques ou privées, qui peuvent être désignées en qualité de chargé de l'évaluation des incidences visée à l'article 2.3.54, § 4.
Le Gouvernement détermine la procédure et les conditions de l'agrément ou de l'enregistrement.
[3 § 3. Le Gouvernement peut dans le cadre de la mise en oeuvre des obligations imposées par ou en vertu du présent livre, imposer l'organisation d'un cadre de qualité aux entrepreneurs de travaux ou de services de construction et de rénovation du bâti. Dans un tel cas, le Gouvernement détermine les modalités relatives à ce cadre de qualité, ainsi que la procédure et les conditions de reconnaissance de l'organisateur de ce cadre de qualité.]3
(1)<ORD 2015-12-18/51, art. 9, 004; Inwerkingtreding : 23-01-2016>
(2)<ORD 2018-07-23/10, art. 21, 007; Inwerkingtreding : 01-11-2018>
(3)<ORD 2024-03-07/16, art. 55, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(4)<ORD 2024-03-07/16, art. 10,3°, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(5)<ORD 2024-03-07/16, art. 55,1°, 017; Inwerkingtreding : onbepaald >
(6)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(2)<ORD 2018-07-23/10, art. 21, 007; Inwerkingtreding : 01-11-2018>
(3)<ORD 2024-03-07/16, art. 55, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(4)<ORD 2024-03-07/16, art. 10,3°, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(5)<ORD 2024-03-07/16, art. 55,1°, 017; Inwerkingtreding : onbepaald >
(6)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2024>
(1)<ORD 2015-12-18/51, art. 9, 004; En vigueur : 23-01-2016>
(2)<ORD 2018-07-23/10, art. 21, 007; En vigueur : 01-11-2018>
(3)<ORD 2024-03-07/16, art. 55, 017; En vigueur : 01-04-2024>
(4)<ORD 2024-03-07/16, art. 55,1°, 017; En vigueur : indéterminée >
(5)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; En vigueur : 01-04-2024>
(6)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; En vigueur : 01-04-2024>
(2)<ORD 2018-07-23/10, art. 21, 007; En vigueur : 01-11-2018>
(3)<ORD 2024-03-07/16, art. 55, 017; En vigueur : 01-04-2024>
(4)<ORD 2024-03-07/16, art. 55,1°, 017; En vigueur : indéterminée >
(5)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; En vigueur : 01-04-2024>
(6)<ORD 2024-03-07/16, art. 10, 017; En vigueur : 01-04-2024>
Art. 2_5.1.TOEKOMSTIG_RECHT. § 1. De Regering onderwerpt de volgende personen aan de toekenning van een erkenning :
1° de [6 EPB-deskundige]6 bedoeld in artikel 2.1.1, 15° ;
2° [5 ...]5
3° [2 ...]2
4° de [4 EPB-controleur]4 bedoeld in artikel 2.1.1, 18° ;
5° de auditor bedoeld in artikel 2.2.20 [1 en artikel 2.5.7]1;
6° [2 ...]2
7° de technicus belast met de oplevering van de installaties bedoeld in artikel 2.1.1, 39°.
De Regering kan nog andere professionals onderwerpen aan de toekenning van een erkenning in uitvoering van de artikelen 2.2.17 en 2.2.19.
§ 2. De Regering onderwerpt de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen, die voor de effectenbeoordeling bedoeld in artikel 2.3.54, § 4 aangesteld kunnen worden, aan een erkenning of registratie.
De Regering bepaalt de procedure en de voorwaarden van de erkenning of de registratie.
[3 § 3. De Regering kan in het kader van de uitvoering van de door of krachtens onderhavig boek opgelegde verplichtingen, de organisatie van een kwaliteitskader opleggen aan aannemers van bouw- en renovatiewerkzaamheden of -diensten. In dat geval bepaalt de Regering de modaliteiten van het kwaliteitskader, alsmede de procedure en de voorwaarden voor de erkenning van de organisator van dat kwaliteitskader.]3
1° de [6 EPB-deskundige]6 bedoeld in artikel 2.1.1, 15° ;
2° [5 ...]5
3° [2 ...]2
4° de [4 EPB-controleur]4 bedoeld in artikel 2.1.1, 18° ;
5° de auditor bedoeld in artikel 2.2.20 [1 en artikel 2.5.7]1;
6° [2 ...]2
7° de technicus belast met de oplevering van de installaties bedoeld in artikel 2.1.1, 39°.
De Regering kan nog andere professionals onderwerpen aan de toekenning van een erkenning in uitvoering van de artikelen 2.2.17 en 2.2.19.
§ 2. De Regering onderwerpt de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen, die voor de effectenbeoordeling bedoeld in artikel 2.3.54, § 4 aangesteld kunnen worden, aan een erkenning of registratie.
De Regering bepaalt de procedure en de voorwaarden van de erkenning of de registratie.
[3 § 3. De Regering kan in het kader van de uitvoering van de door of krachtens onderhavig boek opgelegde verplichtingen, de organisatie van een kwaliteitskader opleggen aan aannemers van bouw- en renovatiewerkzaamheden of -diensten. In dat geval bepaalt de Regering de modaliteiten van het kwaliteitskader, alsmede de procedure en de voorwaarden voor de erkenning van de organisator van dat kwaliteitskader.]3
Wijzigingen
Art. 2_5.1.DROIT_FUTUR. § 1er. Le Gouvernement soumet les personnes suivantes à l'octroi d'un agrément :
1° l'[5 expert PEB]5 visé à l'article 2.1.1, 15° ;
2° [4 ...]4 ;
3° [2 ...]2
4° le [6 contrôleur PEB]6 visé à l'article 2.1.1, 18° ;
5° l'auditeur visé à l'article 2.2.20 [1 et à l'article 2.5.7]1;
6° [2 ...]2
7° le technicien chargé de la réception des installations visées à l'article 2.1.1, 39°.
Le Gouvernement peut soumettre d'autres professionnels à l'octroi d'un agrément en exécution des articles 2.2.17 et 2.2.19.
§ 2. Le Gouvernement soumet à agrément ou enregistrement les personnes physiques ou morales, publiques ou privées, qui peuvent être désignées en qualité de chargé de l'évaluation des incidences visée à l'article 2.3.54, § 4.
Le Gouvernement détermine la procédure et les conditions de l'agrément ou de l'enregistrement.
[3 § 3. Le Gouvernement peut dans le cadre de la mise en oeuvre des obligations imposées par ou en vertu du présent livre, imposer l'organisation d'un cadre de qualité aux entrepreneurs de travaux ou de services de construction et de rénovation du bâti. Dans un tel cas, le Gouvernement détermine les modalités relatives à ce cadre de qualité, ainsi que la procédure et les conditions de reconnaissance de l'organisateur de ce cadre de qualité.]3
1° l'[5 expert PEB]5 visé à l'article 2.1.1, 15° ;
2° [4 ...]4 ;
3° [2 ...]2
4° le [6 contrôleur PEB]6 visé à l'article 2.1.1, 18° ;
5° l'auditeur visé à l'article 2.2.20 [1 et à l'article 2.5.7]1;
6° [2 ...]2
7° le technicien chargé de la réception des installations visées à l'article 2.1.1, 39°.
Le Gouvernement peut soumettre d'autres professionnels à l'octroi d'un agrément en exécution des articles 2.2.17 et 2.2.19.
§ 2. Le Gouvernement soumet à agrément ou enregistrement les personnes physiques ou morales, publiques ou privées, qui peuvent être désignées en qualité de chargé de l'évaluation des incidences visée à l'article 2.3.54, § 4.
Le Gouvernement détermine la procédure et les conditions de l'agrément ou de l'enregistrement.
[3 § 3. Le Gouvernement peut dans le cadre de la mise en oeuvre des obligations imposées par ou en vertu du présent livre, imposer l'organisation d'un cadre de qualité aux entrepreneurs de travaux ou de services de construction et de rénovation du bâti. Dans un tel cas, le Gouvernement détermine les modalités relatives à ce cadre de qualité, ainsi que la procédure et les conditions de reconnaissance de l'organisateur de ce cadre de qualité.]3
Wijzigingen
Art. 2_5.2.TOEKOMSTIG_RECHT. § 1. De Regering bepaalt de verplichtingen van de personen die over een erkenning moeten beschikken. Deze verplichtingen hebben meer bepaald betrekking op de kennisgeving van bepaalde gegevens aan [1 Leefmilieu Brussel]1.
[2 De Regering kan aan de persoon, die over een erkenning moet beschikken, een specifieke opleiding opleggen die, ofwel door Leefmilieu Brussel erkend is, ofwel door een door de Regering aangewezen organisme wordt verzorgd, onder de respectievelijk in paragrafen 2 en 3 bepaalde voorwaarden]2.
§ 2. [1 Leefmilieu Brussel]1 verleent, schorst of trekt de erkenning van de in § 1 bedoelde personen in.
De Regering legt de procedure en voorwaarden vast voor de toekenning, schorsing en intrekking van de erkenning, evenals de procedure en voorwaarden voor de toekenning, schorsing en intrekking van de erkenning van de opleiding bedoeld in het tweede lid van § 1.
[2 § 3. Wanneer de Regering het organisme aanwijst dat belast is met het verstrekken van de specifieke opleiding onder de voorwaarden die zij bepaalt, kan zij de organisatie toevertrouwen aan derden die onafhankelijk zijn van de organismen waarvan de opleiding door Leefmilieu Brussel wordt erkend, volgens transparante procedures en met inachtneming van het gelijkheidsbeginsel. De Regering bepaalt de voorwaarden en de aanwijzingsprocedure, alsmede de samenwerkingsmodaliteiten met de andere opleidingscentra.]2
[2 De Regering kan aan de persoon, die over een erkenning moet beschikken, een specifieke opleiding opleggen die, ofwel door Leefmilieu Brussel erkend is, ofwel door een door de Regering aangewezen organisme wordt verzorgd, onder de respectievelijk in paragrafen 2 en 3 bepaalde voorwaarden]2.
§ 2. [1 Leefmilieu Brussel]1 verleent, schorst of trekt de erkenning van de in § 1 bedoelde personen in.
De Regering legt de procedure en voorwaarden vast voor de toekenning, schorsing en intrekking van de erkenning, evenals de procedure en voorwaarden voor de toekenning, schorsing en intrekking van de erkenning van de opleiding bedoeld in het tweede lid van § 1.
[2 § 3. Wanneer de Regering het organisme aanwijst dat belast is met het verstrekken van de specifieke opleiding onder de voorwaarden die zij bepaalt, kan zij de organisatie toevertrouwen aan derden die onafhankelijk zijn van de organismen waarvan de opleiding door Leefmilieu Brussel wordt erkend, volgens transparante procedures en met inachtneming van het gelijkheidsbeginsel. De Regering bepaalt de voorwaarden en de aanwijzingsprocedure, alsmede de samenwerkingsmodaliteiten met de andere opleidingscentra.]2
Art. 2_5.2.DROIT_FUTUR. § 1er. Le Gouvernement détermine les obligations des personnes soumises à agrément. Ces obligations portent notamment sur la notification de certaines données à [1 Bruxelles Environnement]1.
Le Gouvernement peut imposer à la personne soumise à agrément de suivre une formation spécifique [2 qui, soit est reconnue par Bruxelles Environnement, soit est dispensée par un organisme que le Gouvernement désigne, dans les conditions déterminées respectivement aux paragraphes 2 et 3]2.
§ 2. [1 Bruxelles Environnement]1 délivre, suspend ou retire l'agrément des personnes visées au § 1er.
Le Gouvernement détermine la procédure et les conditions d'agrément, de la suspension et du retrait de l'agrément, ainsi que la procédure, les conditions d'octroi, de suspension et de retrait de la reconnaissance de la formation visée à l'alinéa 2 du § 1er.
[2 § 3. Lorsque le Gouvernement désigne l'organisme chargé de dispenser la formation spécifique dans les conditions qu'il détermine, il peut confier l'organisation à des tiers indépendants des autres organismes dont la formation est reconnue par Bruxelles Environnement, selon des procédures transparentes et en veillant au principe d'égalité. Le Gouvernement précise les conditions et la procédure de désignation, ainsi que les modalités de collaboration avec les autres centres de formation.]2
Le Gouvernement peut imposer à la personne soumise à agrément de suivre une formation spécifique [2 qui, soit est reconnue par Bruxelles Environnement, soit est dispensée par un organisme que le Gouvernement désigne, dans les conditions déterminées respectivement aux paragraphes 2 et 3]2.
§ 2. [1 Bruxelles Environnement]1 délivre, suspend ou retire l'agrément des personnes visées au § 1er.
Le Gouvernement détermine la procédure et les conditions d'agrément, de la suspension et du retrait de l'agrément, ainsi que la procédure, les conditions d'octroi, de suspension et de retrait de la reconnaissance de la formation visée à l'alinéa 2 du § 1er.
[2 § 3. Lorsque le Gouvernement désigne l'organisme chargé de dispenser la formation spécifique dans les conditions qu'il détermine, il peut confier l'organisation à des tiers indépendants des autres organismes dont la formation est reconnue par Bruxelles Environnement, selon des procédures transparentes et en veillant au principe d'égalité. Le Gouvernement précise les conditions et la procédure de désignation, ainsi que les modalités de collaboration avec les autres centres de formation.]2
Art. 2_5.2.TOEKOMSTIG_RECHT. § 1. De Regering bepaalt de verplichtingen van de personen die over een erkenning moeten beschikken. Deze verplichtingen hebben meer bepaald betrekking op de kennisgeving van bepaalde gegevens aan [1 Leefmilieu Brussel]1.
[2 De Regering kan aan de persoon, die over een erkenning moet beschikken, een specifieke opleiding opleggen die, ofwel door Leefmilieu Brussel erkend is, ofwel door een door de Regering aangewezen organisme wordt verzorgd, onder de respectievelijk in paragrafen 2 en 3 bepaalde voorwaarden]2.
§ 2. [1 Leefmilieu Brussel]1 verleent, schorst of trekt de erkenning van de in § 1 bedoelde personen in.
De Regering legt de procedure en voorwaarden vast voor de toekenning, schorsing en intrekking van de erkenning, evenals de procedure en voorwaarden voor de toekenning, schorsing en intrekking van de erkenning van de opleiding bedoeld in het tweede lid van § 1.
[2 § 3. Wanneer de Regering het organisme aanwijst dat belast is met het verstrekken van de specifieke opleiding onder de voorwaarden die zij bepaalt, kan zij de organisatie toevertrouwen aan derden die onafhankelijk zijn van de organismen waarvan de opleiding door Leefmilieu Brussel wordt erkend, volgens transparante procedures en met inachtneming van het gelijkheidsbeginsel. De Regering bepaalt de voorwaarden en de aanwijzingsprocedure, alsmede de samenwerkingsmodaliteiten met de andere opleidingscentra.]2
[2 De Regering kan aan de persoon, die over een erkenning moet beschikken, een specifieke opleiding opleggen die, ofwel door Leefmilieu Brussel erkend is, ofwel door een door de Regering aangewezen organisme wordt verzorgd, onder de respectievelijk in paragrafen 2 en 3 bepaalde voorwaarden]2.
§ 2. [1 Leefmilieu Brussel]1 verleent, schorst of trekt de erkenning van de in § 1 bedoelde personen in.
De Regering legt de procedure en voorwaarden vast voor de toekenning, schorsing en intrekking van de erkenning, evenals de procedure en voorwaarden voor de toekenning, schorsing en intrekking van de erkenning van de opleiding bedoeld in het tweede lid van § 1.
[2 § 3. Wanneer de Regering het organisme aanwijst dat belast is met het verstrekken van de specifieke opleiding onder de voorwaarden die zij bepaalt, kan zij de organisatie toevertrouwen aan derden die onafhankelijk zijn van de organismen waarvan de opleiding door Leefmilieu Brussel wordt erkend, volgens transparante procedures en met inachtneming van het gelijkheidsbeginsel. De Regering bepaalt de voorwaarden en de aanwijzingsprocedure, alsmede de samenwerkingsmodaliteiten met de andere opleidingscentra.]2
Art. 2_5.2.DROIT_FUTUR. § 1er. Le Gouvernement détermine les obligations des personnes soumises à agrément. Ces obligations portent notamment sur la notification de certaines données à [1 Bruxelles Environnement]1.
Le Gouvernement peut imposer à la personne soumise à agrément de suivre une formation spécifique [2 qui, soit est reconnue par Bruxelles Environnement, soit est dispensée par un organisme que le Gouvernement désigne, dans les conditions déterminées respectivement aux paragraphes 2 et 3]2.
§ 2. [1 Bruxelles Environnement]1 délivre, suspend ou retire l'agrément des personnes visées au § 1er.
Le Gouvernement détermine la procédure et les conditions d'agrément, de la suspension et du retrait de l'agrément, ainsi que la procédure, les conditions d'octroi, de suspension et de retrait de la reconnaissance de la formation visée à l'alinéa 2 du § 1er.
[2 § 3. Lorsque le Gouvernement désigne l'organisme chargé de dispenser la formation spécifique dans les conditions qu'il détermine, il peut confier l'organisation à des tiers indépendants des autres organismes dont la formation est reconnue par Bruxelles Environnement, selon des procédures transparentes et en veillant au principe d'égalité. Le Gouvernement précise les conditions et la procédure de désignation, ainsi que les modalités de collaboration avec les autres centres de formation.]2
Le Gouvernement peut imposer à la personne soumise à agrément de suivre une formation spécifique [2 qui, soit est reconnue par Bruxelles Environnement, soit est dispensée par un organisme que le Gouvernement désigne, dans les conditions déterminées respectivement aux paragraphes 2 et 3]2.
§ 2. [1 Bruxelles Environnement]1 délivre, suspend ou retire l'agrément des personnes visées au § 1er.
Le Gouvernement détermine la procédure et les conditions d'agrément, de la suspension et du retrait de l'agrément, ainsi que la procédure, les conditions d'octroi, de suspension et de retrait de la reconnaissance de la formation visée à l'alinéa 2 du § 1er.
[2 § 3. Lorsque le Gouvernement désigne l'organisme chargé de dispenser la formation spécifique dans les conditions qu'il détermine, il peut confier l'organisation à des tiers indépendants des autres organismes dont la formation est reconnue par Bruxelles Environnement, selon des procédures transparentes et en veillant au principe d'égalité. Le Gouvernement précise les conditions et la procédure de désignation, ainsi que les modalités de collaboration avec les autres centres de formation.]2
Art. 2.5.4. De Regering kan beslissen om de organen inzake kwaliteitscontrole te gelasten de kwaliteit van de activiteiten van de personen die krachtens artikel 2.5.1 aan erkenning onderworpen zijn na te gaan en de modaliteiten voor hun aanwijzing en opdrachten nader te bepalen.
Om de nodige verificaties te verrichten, hebben die organen toegang tot de werf en tot de gebouwen. Wanneer het om bewoonde lokalen gaat, geldt die toegang tussen 8 en 20 uur, middels de schriftelijke en voorafgaande instemming van de eigenaar of de gebruiker van de werf en de gebouwen. Bij weigering, kan het orgaan het bezoek enkel verrichten middels de voorafgaande toestemming van de vrederechter die bevoegd is naargelang de ligging van het pand in kwestie.
Om de nodige verificaties te verrichten, hebben die organen toegang tot de werf en tot de gebouwen. Wanneer het om bewoonde lokalen gaat, geldt die toegang tussen 8 en 20 uur, middels de schriftelijke en voorafgaande instemming van de eigenaar of de gebruiker van de werf en de gebouwen. Bij weigering, kan het orgaan het bezoek enkel verrichten middels de voorafgaande toestemming van de vrederechter die bevoegd is naargelang de ligging van het pand in kwestie.
Art. 2.5.4. Le Gouvernement peut décider de charger des organismes de contrôle de qualité de vérifier la qualité des activités des personnes soumises à agrément en vertu de l'article 2.5.1, et d'en préciser les modalités de désignation et les missions.
Pour effectuer les vérifications nécessaires, ces organismes ont accès au chantier et aux bâtiments. Lorsqu'il s'agit de locaux habités, cet accès a lieu, entre 8 heures et 20 heures, moyennant le consentement écrit et préalable du propriétaire de ceux-ci ou de leur occupant. En cas de refus, l'organisme ne peut réaliser la visite que moyennant l'autorisation préalable du juge de paix compétent en fonction de la situation du bien concerné.
Pour effectuer les vérifications nécessaires, ces organismes ont accès au chantier et aux bâtiments. Lorsqu'il s'agit de locaux habités, cet accès a lieu, entre 8 heures et 20 heures, moyennant le consentement écrit et préalable du propriétaire de ceux-ci ou de leur occupant. En cas de refus, l'organisme ne peut réaliser la visite que moyennant l'autorisation préalable du juge de paix compétent en fonction de la situation du bien concerné.
Art. 2.5.5. De Regering organiseert de wijze waarop beroep kan worden ingesteld tegen de beslissingen tot toekenning, weigering, schorsing of intrekking van de erkenning of tegen de afwezigheid van beslissing binnen de voorziene termijn rekening houdend met de volgende elementen :
1) het beroep is mogelijk bij het Milieucollege;
2) het beroep dient binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing aan het Milieucollege te worden gericht per ter post aangetekend schrijven;
3) de beslissing van het Milieucollege wordt aan de indiener bekendgemaakt binnen zestig dagen na de postdatum van de aangetekende brief waarbij beroep werd ingesteld;
4) wanneer er binnen deze termijn geen beslissing wordt bekendgemaakt, wordt de aangevochten beslissing, zij het stilzwijgend, als bevestigd beschouwd;
5) de indiener of zijn raadsman, alsook de overheidsdienst die de beslissing heeft genomen waartegen beroep werd aangetekend, worden op hun verzoek gehoord door het Milieucollege. Wanneer de partijen gehoord worden, wordt de termijn bedoeld in punt 3) verlengd tot vijfenzeventig dagen;
[1 5)/1 de termijn voor kennisgeving van de beslissing van het Milieucollege wordt verlengd met vijfenveertig dagen wanneer het beroep wordt ingediend via de post in de periode van 15 juni tot 15 augustus;]1
6) de beslissing van het Milieucollege vervangt de beslissing die bij hem aanhangig is gemaakt.
1) het beroep is mogelijk bij het Milieucollege;
2) het beroep dient binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing aan het Milieucollege te worden gericht per ter post aangetekend schrijven;
3) de beslissing van het Milieucollege wordt aan de indiener bekendgemaakt binnen zestig dagen na de postdatum van de aangetekende brief waarbij beroep werd ingesteld;
4) wanneer er binnen deze termijn geen beslissing wordt bekendgemaakt, wordt de aangevochten beslissing, zij het stilzwijgend, als bevestigd beschouwd;
5) de indiener of zijn raadsman, alsook de overheidsdienst die de beslissing heeft genomen waartegen beroep werd aangetekend, worden op hun verzoek gehoord door het Milieucollege. Wanneer de partijen gehoord worden, wordt de termijn bedoeld in punt 3) verlengd tot vijfenzeventig dagen;
[1 5)/1 de termijn voor kennisgeving van de beslissing van het Milieucollege wordt verlengd met vijfenveertig dagen wanneer het beroep wordt ingediend via de post in de periode van 15 juni tot 15 augustus;]1
6) de beslissing van het Milieucollege vervangt de beslissing die bij hem aanhangig is gemaakt.
Art. 2.5.5. Le Gouvernement organise les modalités de recours à l'encontre des décisions d'octroi, de refus, de suspension ou de retrait d'agrément, ou en cas d'absence de décision dans le délai imparti, en tenant compte des éléments suivants :
1) le recours est ouvert auprès du Collège d'environnement;
2) il est adressé au Collège d'environnement, par lettre recommandée à la poste dans les trente jours de la réception de la décision;
3) la décision du Collège d'environnement est notifiée au requérant dans les soixante jours de la date de dépôt à la poste de l'envoi recommandé contenant le recours;
4) à défaut de notification de la décision dans ce délai, la décision attaquée, fût-elle tacite, est réputée confirmée;
5) le requérant ou son conseil ainsi que l'autorité qui a pris la décision, objet de recours, sont, à leur demande, entendus par le Collège d'environnement. Lorsque les parties sont entendues, le délai visé au 3) est porté à septante-cinq jours;
[1 5)/1 le délai de notification de la décision du Collège d'environnement est prolongé de quarante-cinq jours lorsque le recours est déposé à la poste dans la période allant du 15 juin au 15 août;]1
6) la décision du Collège d'environnement remplace la décision dont il est saisi.
1) le recours est ouvert auprès du Collège d'environnement;
2) il est adressé au Collège d'environnement, par lettre recommandée à la poste dans les trente jours de la réception de la décision;
3) la décision du Collège d'environnement est notifiée au requérant dans les soixante jours de la date de dépôt à la poste de l'envoi recommandé contenant le recours;
4) à défaut de notification de la décision dans ce délai, la décision attaquée, fût-elle tacite, est réputée confirmée;
5) le requérant ou son conseil ainsi que l'autorité qui a pris la décision, objet de recours, sont, à leur demande, entendus par le Collège d'environnement. Lorsque les parties sont entendues, le délai visé au 3) est porté à septante-cinq jours;
[1 5)/1 le délai de notification de la décision du Collège d'environnement est prolongé de quarante-cinq jours lorsque le recours est déposé à la poste dans la période allant du 15 juin au 15 août;]1
6) la décision du Collège d'environnement remplace la décision dont il est saisi.
Art. 2.5.6. § 1. De Regering voert een certificeringssysteem in voor installateurs HE voor kleine installaties.
§ 2. Het certificeringssysteem is op de volgende principes gebaseerd :
1° Er bestaan verschillende categorieën certificeringen. Die categorieën hebben ten minste betrekking op installateurs van ketels en kachels op biomassa, fotovoltaïsche zonne- of thermische systemen, [1 ondiepe geothermische systemen en warmtepompen]1.
2° De certificering is ondergeschikt aan het volgen van een opleiding en het slagen voor een examen erkend door een orgaan dat aangesteld is door de Regering.
3° De certificering wordt afgeleverd voor een bepaalde duur en kan hernieuwd worden.
§ 3. In uitvoering van § 1 en in overeenstemming met § 2, treft de Regering een besluit over met name :
1° de procedure en de voorwaarden voor de toekenning, schorsing, intrekking en hernieuwing van de certificering;
2° de procedure en de voorwaarden voor de toekenning, de schorsing en de intrekking van de erkenning van de opleiding en het examen zoals bedoeld in § 2, 2°.
§ 4. De Regering kan beslissen om een kwaliteitscontroleorgaan te belasten met het controleren van de kwaliteit van de activiteiten van de installateurs HE en kan de modaliteiten voor de aanstelling alsook de opdrachten bepalen.
§ 5. In het kader van het certificeringssysteem bedoeld in § 1, kan de Regering deelnemen in een vereniging zonder winstoogmerk die hoofdzakelijk zal instaan voor de volgende opdrachten :
1° de toekenning, hernieuwing, schorsing en intrekking van de certificering;
2° de toekenning, schorsing en intrekking van de erkenning van de opleiding en het examen zoals bedoeld in § 2, 2° ;
3° een kwaliteitscontrole van het werk dat verricht werd door de installateurs HE.
§ 6. De certificaten afgeleverd door een andere lidstaat van de Europese Unie of een ermee gelijkgestelde Staat of een ander Gewest in overeenstemming met de criteria vastgelegd in Richtlijn 2009/28/EG, zijn erkend als zijnde gelijkwaardig met de certificaten die krachtens deze bepaling worden afgeleverd.
§ 2. Het certificeringssysteem is op de volgende principes gebaseerd :
1° Er bestaan verschillende categorieën certificeringen. Die categorieën hebben ten minste betrekking op installateurs van ketels en kachels op biomassa, fotovoltaïsche zonne- of thermische systemen, [1 ondiepe geothermische systemen en warmtepompen]1.
2° De certificering is ondergeschikt aan het volgen van een opleiding en het slagen voor een examen erkend door een orgaan dat aangesteld is door de Regering.
3° De certificering wordt afgeleverd voor een bepaalde duur en kan hernieuwd worden.
§ 3. In uitvoering van § 1 en in overeenstemming met § 2, treft de Regering een besluit over met name :
1° de procedure en de voorwaarden voor de toekenning, schorsing, intrekking en hernieuwing van de certificering;
2° de procedure en de voorwaarden voor de toekenning, de schorsing en de intrekking van de erkenning van de opleiding en het examen zoals bedoeld in § 2, 2°.
§ 4. De Regering kan beslissen om een kwaliteitscontroleorgaan te belasten met het controleren van de kwaliteit van de activiteiten van de installateurs HE en kan de modaliteiten voor de aanstelling alsook de opdrachten bepalen.
§ 5. In het kader van het certificeringssysteem bedoeld in § 1, kan de Regering deelnemen in een vereniging zonder winstoogmerk die hoofdzakelijk zal instaan voor de volgende opdrachten :
1° de toekenning, hernieuwing, schorsing en intrekking van de certificering;
2° de toekenning, schorsing en intrekking van de erkenning van de opleiding en het examen zoals bedoeld in § 2, 2° ;
3° een kwaliteitscontrole van het werk dat verricht werd door de installateurs HE.
§ 6. De certificaten afgeleverd door een andere lidstaat van de Europese Unie of een ermee gelijkgestelde Staat of een ander Gewest in overeenstemming met de criteria vastgelegd in Richtlijn 2009/28/EG, zijn erkend als zijnde gelijkwaardig met de certificaten die krachtens deze bepaling worden afgeleverd.
Art. 2.5.6. § 1er. Le Gouvernement met en place un système de certification des installateurs SER pour les installations de petite taille.
§ 2. Le système de certification est fondé sur les principes suivants :
1° Il existe différentes catégories de certification. Ces catégories concernent, à tout le moins, les installateurs de chaudières et de poêles à biomasse, de systèmes solaires photovoltaïques ou thermiques, de systèmes géothermiques superficiels et de pompes à chaleur [1 ...]1.
2° La certification est subordonnée au suivi d'une formation et à la réussite d'un examen reconnus par un organisme désigné par le Gouvernement.
3° La certification est délivrée pour une durée limitée et peut être renouvelée.
§ 3. En exécution du § 1er et conformément au § 2, le Gouvernement arrête notamment :
1° la procédure et les conditions d'octroi, de suspension, de retrait et de renouvellement de la certification;
2° la procédure et les conditions d'octroi, de suspension et de retrait de la reconnaissance de la formation et de l'examen visés au § 2, 2°.
§ 4. Le Gouvernement peut décider de charger un organisme de contrôle de qualité de vérifier la qualité des activités des installateurs SER, et d'en préciser les modalités de désignation et les missions.
§ 5. Dans le cadre du système de certification visé au § 1er, le Gouvernement peut participer à une association sans but lucratif qui exercera principalement les missions suivantes :
1° l'octroi, le renouvellement, la suspension et le retrait de la certification;
2° l'octroi, la suspension et le retrait de la reconnaissance de la formation et de l'examen visés au § 2, 2° ;
3° le contrôle de la qualité du travail exercé par les installateurs SER.
§ 6. Les certificats délivrés par un autre Etat membre de l'Union européenne ou un Etat y assimilé, ou une autre Région conformément aux critères établis par la Directive 2009/28/CE, sont reconnus comme équivalents à ceux délivrés en vertu de la présente disposition.
§ 2. Le système de certification est fondé sur les principes suivants :
1° Il existe différentes catégories de certification. Ces catégories concernent, à tout le moins, les installateurs de chaudières et de poêles à biomasse, de systèmes solaires photovoltaïques ou thermiques, de systèmes géothermiques superficiels et de pompes à chaleur [1 ...]1.
2° La certification est subordonnée au suivi d'une formation et à la réussite d'un examen reconnus par un organisme désigné par le Gouvernement.
3° La certification est délivrée pour une durée limitée et peut être renouvelée.
§ 3. En exécution du § 1er et conformément au § 2, le Gouvernement arrête notamment :
1° la procédure et les conditions d'octroi, de suspension, de retrait et de renouvellement de la certification;
2° la procédure et les conditions d'octroi, de suspension et de retrait de la reconnaissance de la formation et de l'examen visés au § 2, 2°.
§ 4. Le Gouvernement peut décider de charger un organisme de contrôle de qualité de vérifier la qualité des activités des installateurs SER, et d'en préciser les modalités de désignation et les missions.
§ 5. Dans le cadre du système de certification visé au § 1er, le Gouvernement peut participer à une association sans but lucratif qui exercera principalement les missions suivantes :
1° l'octroi, le renouvellement, la suspension et le retrait de la certification;
2° l'octroi, la suspension et le retrait de la reconnaissance de la formation et de l'examen visés au § 2, 2° ;
3° le contrôle de la qualité du travail exercé par les installateurs SER.
§ 6. Les certificats délivrés par un autre Etat membre de l'Union européenne ou un Etat y assimilé, ou une autre Région conformément aux critères établis par la Directive 2009/28/CE, sont reconnus comme équivalents à ceux délivrés en vertu de la présente disposition.
Wijzigingen
Art. 2.5.6. § 1. De Regering voert een certificeringssysteem in voor installateurs HE voor kleine installaties.
§ 2. Het certificeringssysteem is op de volgende principes gebaseerd :
1° Er bestaan verschillende categorieën certificeringen. Die categorieën hebben ten minste betrekking op installateurs van ketels en kachels op biomassa, fotovoltaïsche zonne- of thermische systemen, [1 ondiepe geothermische systemen en warmtepompen]1.
2° De certificering is ondergeschikt aan het volgen van een opleiding en het slagen voor een examen erkend door een orgaan dat aangesteld is door de Regering.
3° De certificering wordt afgeleverd voor een bepaalde duur en kan hernieuwd worden.
§ 3. In uitvoering van § 1 en in overeenstemming met § 2, treft de Regering een besluit over met name :
1° de procedure en de voorwaarden voor de toekenning, schorsing, intrekking en hernieuwing van de certificering;
2° de procedure en de voorwaarden voor de toekenning, de schorsing en de intrekking van de erkenning van de opleiding en het examen zoals bedoeld in § 2, 2°.
§ 4. De Regering kan beslissen om een kwaliteitscontroleorgaan te belasten met het controleren van de kwaliteit van de activiteiten van de installateurs HE en kan de modaliteiten voor de aanstelling alsook de opdrachten bepalen.
§ 5. In het kader van het certificeringssysteem bedoeld in § 1, kan de Regering deelnemen in een vereniging zonder winstoogmerk die hoofdzakelijk zal instaan voor de volgende opdrachten :
1° de toekenning, hernieuwing, schorsing en intrekking van de certificering;
2° de toekenning, schorsing en intrekking van de erkenning van de opleiding en het examen zoals bedoeld in § 2, 2° ;
3° een kwaliteitscontrole van het werk dat verricht werd door de installateurs HE.
§ 6. De certificaten afgeleverd door een andere lidstaat van de Europese Unie of een ermee gelijkgestelde Staat of een ander Gewest in overeenstemming met de criteria vastgelegd in Richtlijn 2009/28/EG, zijn erkend als zijnde gelijkwaardig met de certificaten die krachtens deze bepaling worden afgeleverd.
§ 2. Het certificeringssysteem is op de volgende principes gebaseerd :
1° Er bestaan verschillende categorieën certificeringen. Die categorieën hebben ten minste betrekking op installateurs van ketels en kachels op biomassa, fotovoltaïsche zonne- of thermische systemen, [1 ondiepe geothermische systemen en warmtepompen]1.
2° De certificering is ondergeschikt aan het volgen van een opleiding en het slagen voor een examen erkend door een orgaan dat aangesteld is door de Regering.
3° De certificering wordt afgeleverd voor een bepaalde duur en kan hernieuwd worden.
§ 3. In uitvoering van § 1 en in overeenstemming met § 2, treft de Regering een besluit over met name :
1° de procedure en de voorwaarden voor de toekenning, schorsing, intrekking en hernieuwing van de certificering;
2° de procedure en de voorwaarden voor de toekenning, de schorsing en de intrekking van de erkenning van de opleiding en het examen zoals bedoeld in § 2, 2°.
§ 4. De Regering kan beslissen om een kwaliteitscontroleorgaan te belasten met het controleren van de kwaliteit van de activiteiten van de installateurs HE en kan de modaliteiten voor de aanstelling alsook de opdrachten bepalen.
§ 5. In het kader van het certificeringssysteem bedoeld in § 1, kan de Regering deelnemen in een vereniging zonder winstoogmerk die hoofdzakelijk zal instaan voor de volgende opdrachten :
1° de toekenning, hernieuwing, schorsing en intrekking van de certificering;
2° de toekenning, schorsing en intrekking van de erkenning van de opleiding en het examen zoals bedoeld in § 2, 2° ;
3° een kwaliteitscontrole van het werk dat verricht werd door de installateurs HE.
§ 6. De certificaten afgeleverd door een andere lidstaat van de Europese Unie of een ermee gelijkgestelde Staat of een ander Gewest in overeenstemming met de criteria vastgelegd in Richtlijn 2009/28/EG, zijn erkend als zijnde gelijkwaardig met de certificaten die krachtens deze bepaling worden afgeleverd.
Art. 2.5.6. § 1er. Le Gouvernement met en place un système de certification des installateurs SER pour les installations de petite taille.
§ 2. Le système de certification est fondé sur les principes suivants :
1° Il existe différentes catégories de certification. Ces catégories concernent, à tout le moins, les installateurs de chaudières et de poêles à biomasse, de systèmes solaires photovoltaïques ou thermiques, de systèmes géothermiques superficiels et de pompes à chaleur [1 ...]1.
2° La certification est subordonnée au suivi d'une formation et à la réussite d'un examen reconnus par un organisme désigné par le Gouvernement.
3° La certification est délivrée pour une durée limitée et peut être renouvelée.
§ 3. En exécution du § 1er et conformément au § 2, le Gouvernement arrête notamment :
1° la procédure et les conditions d'octroi, de suspension, de retrait et de renouvellement de la certification;
2° la procédure et les conditions d'octroi, de suspension et de retrait de la reconnaissance de la formation et de l'examen visés au § 2, 2°.
§ 4. Le Gouvernement peut décider de charger un organisme de contrôle de qualité de vérifier la qualité des activités des installateurs SER, et d'en préciser les modalités de désignation et les missions.
§ 5. Dans le cadre du système de certification visé au § 1er, le Gouvernement peut participer à une association sans but lucratif qui exercera principalement les missions suivantes :
1° l'octroi, le renouvellement, la suspension et le retrait de la certification;
2° l'octroi, la suspension et le retrait de la reconnaissance de la formation et de l'examen visés au § 2, 2° ;
3° le contrôle de la qualité du travail exercé par les installateurs SER.
§ 6. Les certificats délivrés par un autre Etat membre de l'Union européenne ou un Etat y assimilé, ou une autre Région conformément aux critères établis par la Directive 2009/28/CE, sont reconnus comme équivalents à ceux délivrés en vertu de la présente disposition.
§ 2. Le système de certification est fondé sur les principes suivants :
1° Il existe différentes catégories de certification. Ces catégories concernent, à tout le moins, les installateurs de chaudières et de poêles à biomasse, de systèmes solaires photovoltaïques ou thermiques, de systèmes géothermiques superficiels et de pompes à chaleur [1 ...]1.
2° La certification est subordonnée au suivi d'une formation et à la réussite d'un examen reconnus par un organisme désigné par le Gouvernement.
3° La certification est délivrée pour une durée limitée et peut être renouvelée.
§ 3. En exécution du § 1er et conformément au § 2, le Gouvernement arrête notamment :
1° la procédure et les conditions d'octroi, de suspension, de retrait et de renouvellement de la certification;
2° la procédure et les conditions d'octroi, de suspension et de retrait de la reconnaissance de la formation et de l'examen visés au § 2, 2°.
§ 4. Le Gouvernement peut décider de charger un organisme de contrôle de qualité de vérifier la qualité des activités des installateurs SER, et d'en préciser les modalités de désignation et les missions.
§ 5. Dans le cadre du système de certification visé au § 1er, le Gouvernement peut participer à une association sans but lucratif qui exercera principalement les missions suivantes :
1° l'octroi, le renouvellement, la suspension et le retrait de la certification;
2° l'octroi, la suspension et le retrait de la reconnaissance de la formation et de l'examen visés au § 2, 2° ;
3° le contrôle de la qualité du travail exercé par les installateurs SER.
§ 6. Les certificats délivrés par un autre Etat membre de l'Union européenne ou un Etat y assimilé, ou une autre Région conformément aux critères établis par la Directive 2009/28/CE, sont reconnus comme équivalents à ceux délivrés en vertu de la présente disposition.
Wijzigingen
Art. 2.5.7. [1 § 1. [2 Elke grote onderneming]2 moet tegen uiterlijk 31 december 2016 het voorwerp uitmaken van een energieaudit en daarna min- stens om de vier jaar na de laatste energieaudit.
[2 Voor de toepassing van deze bepaling wordt bedoeld met :
1° " grote onderneming " : eender welke entiteit, ongeacht haar rechtsvorm, die een economische activiteit uitoefent in de betekenis van het Europees recht, die voldoet aan de volgende criteria :
- ofwel stelt ze ten minste 250 personen te werk ;
- ofwel heeft ze een omzet van meer dan 50 miljoen euro en een jaarlijks balanstotaal van meer dan 43 miljoen euro ;
2° " energieaudit " : een systematische procedure met als doel toereikende informatie te verzamelen omtrent het huidige energieverbruiksprofiel van een gebouw of groep gebouwen, van een industriële of commerciële activiteit of installatie of van private of publieke diensten, mogelijkheden voor kosteneffectieve energiebesparing te signaleren en te kwantificeren en verslag uit te brengen van de resultaten.]2
De energieaudits die in het eerste lid worden beoogd, worden op een onafhankelijke en kostenefficiënte manier uitgevoerd door erkende auditeurs in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk 1 van deze titel. Ze voldoen aan de in bijlage 2.3 vastgelegde minimumcriteria.
§ 2. Zijn vrijgesteld van de bij § 1 bedoelde verplichting :
- elke onderneming die een door een onafhankelijke organisatie gecertificeerd energie- of milieubeheersysteem implementeert in overeenstemming met de relevante normen, goedgekeurd door het Europees Comité voor Elektrotechnische Normalisatie, het Europees Instituut voor Telecommunicatienormen of de Internationale Organisatie voor Normalisatie en ter beschikking gesteld van het publiek, voor zover dat systeem in een energieaudit voorziet die aan de op bijlage 2.3 gebaseerde minimumcriteria voldoet; onder " energie- of milieubeheersysteem " moet " een reeks van onderling verband houdende of op elkaar inwerkende elementen van een plan waarin een energie-efficiëntiedoelstelling en een strategie om deze doelstelling te verwezenlijken, is vastgelegd " verstaan worden;
[2 ...]2
- elke onderneming [2 die een audit heeft uitgevoerd in het kader van een aanvraag van milieuvergunning en op voorwaarde dat de audit geldig is op het ogenblik waarop de grote onderneming deze vrijstelling doet gelden]2.]1
[2 Voor de toepassing van deze bepaling wordt bedoeld met :
1° " grote onderneming " : eender welke entiteit, ongeacht haar rechtsvorm, die een economische activiteit uitoefent in de betekenis van het Europees recht, die voldoet aan de volgende criteria :
- ofwel stelt ze ten minste 250 personen te werk ;
- ofwel heeft ze een omzet van meer dan 50 miljoen euro en een jaarlijks balanstotaal van meer dan 43 miljoen euro ;
2° " energieaudit " : een systematische procedure met als doel toereikende informatie te verzamelen omtrent het huidige energieverbruiksprofiel van een gebouw of groep gebouwen, van een industriële of commerciële activiteit of installatie of van private of publieke diensten, mogelijkheden voor kosteneffectieve energiebesparing te signaleren en te kwantificeren en verslag uit te brengen van de resultaten.]2
De energieaudits die in het eerste lid worden beoogd, worden op een onafhankelijke en kostenefficiënte manier uitgevoerd door erkende auditeurs in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk 1 van deze titel. Ze voldoen aan de in bijlage 2.3 vastgelegde minimumcriteria.
§ 2. Zijn vrijgesteld van de bij § 1 bedoelde verplichting :
- elke onderneming die een door een onafhankelijke organisatie gecertificeerd energie- of milieubeheersysteem implementeert in overeenstemming met de relevante normen, goedgekeurd door het Europees Comité voor Elektrotechnische Normalisatie, het Europees Instituut voor Telecommunicatienormen of de Internationale Organisatie voor Normalisatie en ter beschikking gesteld van het publiek, voor zover dat systeem in een energieaudit voorziet die aan de op bijlage 2.3 gebaseerde minimumcriteria voldoet; onder " energie- of milieubeheersysteem " moet " een reeks van onderling verband houdende of op elkaar inwerkende elementen van een plan waarin een energie-efficiëntiedoelstelling en een strategie om deze doelstelling te verwezenlijken, is vastgelegd " verstaan worden;
[2 ...]2
- elke onderneming [2 die een audit heeft uitgevoerd in het kader van een aanvraag van milieuvergunning en op voorwaarde dat de audit geldig is op het ogenblik waarop de grote onderneming deze vrijstelling doet gelden]2.]1
Art. 2.5.7. [1 § 1er. [2 Toute grande entreprise]2 fait l'objet d'un audit énergétique pour le 31 décembre 2016 au plus tard, puis tous les quatre ans au minimum à partir du dernier audit énergétique.
[2 Pour l'application de la présente disposition, on entend par :
1° " grande entreprise " : toute entité, indépendamment de sa forme juridique, exerçant une activité économique au sens du droit européen, qui répond aux critères suivants :
- soit elle occupe au moins 250 personnes ;
- soit son chiffre d'affaires annuel excède 50 millions d'euros et le total de son bilan annuel excède 43 millions d'euros ;
2° " audit énergétique " : une procédure systématique visant à acquérir une connaissance adéquate des caractéristiques de consommation énergétique d'un bâtiment ou d'un groupe de bâtiments, d'une activité ou d'une installation industrielle ou commerciale ou de services privés ou publics, de déterminer et de quantifier les économies d'énergie qui peuvent être réalisées d'une façon rentable, et de rendre compte des résultats.]2
Les audits énergétiques visés à l'alinéa premier sont effectués de manière indépendante et rentable par des auditeurs agréés conformément aux dispositions du chapitre 1er du présent titre. Ils répondent aux critères minimaux fixés dans l'annexe 2.3.
§ 2. Sont exemptées de l'obligation visée au § 1er :
- toute entreprise qui met en oeuvre un système de management de l'énergie ou de l'environnement certifié par un organisme indépendant conformément aux normes pertinentes adoptées par le Comité européen de normalisation, le Comité européen de normalisation électro- technique, l'Institut européen de normalisation des télécommunications ou par l'Organisation internationale de normalisation et mises à la disposition du public, pour autant que ce système prévoie un audit énergétique qui réponde aux critères minimaux fondés sur l'annexe 2.3; par " système de management de l'énergie ou de l'environnement ", il y a lieu d'entendre " un ensemble d'éléments en corrélation ou en interaction inclus dans un plan qui fixe un objectif d'efficacité énergétique et une stratégie pour atteindre cet objectif ";
[2 ...]2
- toute entreprise [2 ayant réalisé un audit dans le cadre d'une demande de permis d'environnement et à condition que l'audit soit valide au moment où la grande entreprise fait valoir cette exemption]2.]1
[2 Pour l'application de la présente disposition, on entend par :
1° " grande entreprise " : toute entité, indépendamment de sa forme juridique, exerçant une activité économique au sens du droit européen, qui répond aux critères suivants :
- soit elle occupe au moins 250 personnes ;
- soit son chiffre d'affaires annuel excède 50 millions d'euros et le total de son bilan annuel excède 43 millions d'euros ;
2° " audit énergétique " : une procédure systématique visant à acquérir une connaissance adéquate des caractéristiques de consommation énergétique d'un bâtiment ou d'un groupe de bâtiments, d'une activité ou d'une installation industrielle ou commerciale ou de services privés ou publics, de déterminer et de quantifier les économies d'énergie qui peuvent être réalisées d'une façon rentable, et de rendre compte des résultats.]2
Les audits énergétiques visés à l'alinéa premier sont effectués de manière indépendante et rentable par des auditeurs agréés conformément aux dispositions du chapitre 1er du présent titre. Ils répondent aux critères minimaux fixés dans l'annexe 2.3.
§ 2. Sont exemptées de l'obligation visée au § 1er :
- toute entreprise qui met en oeuvre un système de management de l'énergie ou de l'environnement certifié par un organisme indépendant conformément aux normes pertinentes adoptées par le Comité européen de normalisation, le Comité européen de normalisation électro- technique, l'Institut européen de normalisation des télécommunications ou par l'Organisation internationale de normalisation et mises à la disposition du public, pour autant que ce système prévoie un audit énergétique qui réponde aux critères minimaux fondés sur l'annexe 2.3; par " système de management de l'énergie ou de l'environnement ", il y a lieu d'entendre " un ensemble d'éléments en corrélation ou en interaction inclus dans un plan qui fixe un objectif d'efficacité énergétique et une stratégie pour atteindre cet objectif ";
[2 ...]2
- toute entreprise [2 ayant réalisé un audit dans le cadre d'une demande de permis d'environnement et à condition que l'audit soit valide au moment où la grande entreprise fait valoir cette exemption]2.]1
Art. 2.5.7. [1 § 1. [2 Elke grote onderneming]2 moet tegen uiterlijk 31 december 2016 het voorwerp uitmaken van een energieaudit en daarna min- stens om de vier jaar na de laatste energieaudit.
[2 Voor de toepassing van deze bepaling wordt bedoeld met :
1° " grote onderneming " : eender welke entiteit, ongeacht haar rechtsvorm, die een economische activiteit uitoefent in de betekenis van het Europees recht, die voldoet aan de volgende criteria :
- ofwel stelt ze ten minste 250 personen te werk ;
- ofwel heeft ze een omzet van meer dan 50 miljoen euro en een jaarlijks balanstotaal van meer dan 43 miljoen euro ;
2° " energieaudit " : een systematische procedure met als doel toereikende informatie te verzamelen omtrent het huidige energieverbruiksprofiel van een gebouw of groep gebouwen, van een industriële of commerciële activiteit of installatie of van private of publieke diensten, mogelijkheden voor kosteneffectieve energiebesparing te signaleren en te kwantificeren en verslag uit te brengen van de resultaten.]2
De energieaudits die in het eerste lid worden beoogd, worden op een onafhankelijke en kostenefficiënte manier uitgevoerd door erkende auditeurs in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk 1 van deze titel. Ze voldoen aan de in bijlage 2.3 vastgelegde minimumcriteria.
§ 2. Zijn vrijgesteld van de bij § 1 bedoelde verplichting :
- elke onderneming die een door een onafhankelijke organisatie gecertificeerd energie- of milieubeheersysteem implementeert in overeenstemming met de relevante normen, goedgekeurd door het Europees Comité voor Elektrotechnische Normalisatie, het Europees Instituut voor Telecommunicatienormen of de Internationale Organisatie voor Normalisatie en ter beschikking gesteld van het publiek, voor zover dat systeem in een energieaudit voorziet die aan de op bijlage 2.3 gebaseerde minimumcriteria voldoet; onder " energie- of milieubeheersysteem " moet " een reeks van onderling verband houdende of op elkaar inwerkende elementen van een plan waarin een energie-efficiëntiedoelstelling en een strategie om deze doelstelling te verwezenlijken, is vastgelegd " verstaan worden;
[2 ...]2
- elke onderneming [2 die een audit heeft uitgevoerd in het kader van een aanvraag van milieuvergunning en op voorwaarde dat de audit geldig is op het ogenblik waarop de grote onderneming deze vrijstelling doet gelden]2.]1
[2 Voor de toepassing van deze bepaling wordt bedoeld met :
1° " grote onderneming " : eender welke entiteit, ongeacht haar rechtsvorm, die een economische activiteit uitoefent in de betekenis van het Europees recht, die voldoet aan de volgende criteria :
- ofwel stelt ze ten minste 250 personen te werk ;
- ofwel heeft ze een omzet van meer dan 50 miljoen euro en een jaarlijks balanstotaal van meer dan 43 miljoen euro ;
2° " energieaudit " : een systematische procedure met als doel toereikende informatie te verzamelen omtrent het huidige energieverbruiksprofiel van een gebouw of groep gebouwen, van een industriële of commerciële activiteit of installatie of van private of publieke diensten, mogelijkheden voor kosteneffectieve energiebesparing te signaleren en te kwantificeren en verslag uit te brengen van de resultaten.]2
De energieaudits die in het eerste lid worden beoogd, worden op een onafhankelijke en kostenefficiënte manier uitgevoerd door erkende auditeurs in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk 1 van deze titel. Ze voldoen aan de in bijlage 2.3 vastgelegde minimumcriteria.
§ 2. Zijn vrijgesteld van de bij § 1 bedoelde verplichting :
- elke onderneming die een door een onafhankelijke organisatie gecertificeerd energie- of milieubeheersysteem implementeert in overeenstemming met de relevante normen, goedgekeurd door het Europees Comité voor Elektrotechnische Normalisatie, het Europees Instituut voor Telecommunicatienormen of de Internationale Organisatie voor Normalisatie en ter beschikking gesteld van het publiek, voor zover dat systeem in een energieaudit voorziet die aan de op bijlage 2.3 gebaseerde minimumcriteria voldoet; onder " energie- of milieubeheersysteem " moet " een reeks van onderling verband houdende of op elkaar inwerkende elementen van een plan waarin een energie-efficiëntiedoelstelling en een strategie om deze doelstelling te verwezenlijken, is vastgelegd " verstaan worden;
[2 ...]2
- elke onderneming [2 die een audit heeft uitgevoerd in het kader van een aanvraag van milieuvergunning en op voorwaarde dat de audit geldig is op het ogenblik waarop de grote onderneming deze vrijstelling doet gelden]2.]1
Art. 2.5.7. [1 § 1er. [2 Toute grande entreprise]2 fait l'objet d'un audit énergétique pour le 31 décembre 2016 au plus tard, puis tous les quatre ans au minimum à partir du dernier audit énergétique.
[2 Pour l'application de la présente disposition, on entend par :
1° " grande entreprise " : toute entité, indépendamment de sa forme juridique, exerçant une activité économique au sens du droit européen, qui répond aux critères suivants :
- soit elle occupe au moins 250 personnes ;
- soit son chiffre d'affaires annuel excède 50 millions d'euros et le total de son bilan annuel excède 43 millions d'euros ;
2° " audit énergétique " : une procédure systématique visant à acquérir une connaissance adéquate des caractéristiques de consommation énergétique d'un bâtiment ou d'un groupe de bâtiments, d'une activité ou d'une installation industrielle ou commerciale ou de services privés ou publics, de déterminer et de quantifier les économies d'énergie qui peuvent être réalisées d'une façon rentable, et de rendre compte des résultats.]2
Les audits énergétiques visés à l'alinéa premier sont effectués de manière indépendante et rentable par des auditeurs agréés conformément aux dispositions du chapitre 1er du présent titre. Ils répondent aux critères minimaux fixés dans l'annexe 2.3.
§ 2. Sont exemptées de l'obligation visée au § 1er :
- toute entreprise qui met en oeuvre un système de management de l'énergie ou de l'environnement certifié par un organisme indépendant conformément aux normes pertinentes adoptées par le Comité européen de normalisation, le Comité européen de normalisation électro- technique, l'Institut européen de normalisation des télécommunications ou par l'Organisation internationale de normalisation et mises à la disposition du public, pour autant que ce système prévoie un audit énergétique qui réponde aux critères minimaux fondés sur l'annexe 2.3; par " système de management de l'énergie ou de l'environnement ", il y a lieu d'entendre " un ensemble d'éléments en corrélation ou en interaction inclus dans un plan qui fixe un objectif d'efficacité énergétique et une stratégie pour atteindre cet objectif ";
[2 ...]2
- toute entreprise [2 ayant réalisé un audit dans le cadre d'une demande de permis d'environnement et à condition que l'audit soit valide au moment où la grande entreprise fait valoir cette exemption]2.]1
[2 Pour l'application de la présente disposition, on entend par :
1° " grande entreprise " : toute entité, indépendamment de sa forme juridique, exerçant une activité économique au sens du droit européen, qui répond aux critères suivants :
- soit elle occupe au moins 250 personnes ;
- soit son chiffre d'affaires annuel excède 50 millions d'euros et le total de son bilan annuel excède 43 millions d'euros ;
2° " audit énergétique " : une procédure systématique visant à acquérir une connaissance adéquate des caractéristiques de consommation énergétique d'un bâtiment ou d'un groupe de bâtiments, d'une activité ou d'une installation industrielle ou commerciale ou de services privés ou publics, de déterminer et de quantifier les économies d'énergie qui peuvent être réalisées d'une façon rentable, et de rendre compte des résultats.]2
Les audits énergétiques visés à l'alinéa premier sont effectués de manière indépendante et rentable par des auditeurs agréés conformément aux dispositions du chapitre 1er du présent titre. Ils répondent aux critères minimaux fixés dans l'annexe 2.3.
§ 2. Sont exemptées de l'obligation visée au § 1er :
- toute entreprise qui met en oeuvre un système de management de l'énergie ou de l'environnement certifié par un organisme indépendant conformément aux normes pertinentes adoptées par le Comité européen de normalisation, le Comité européen de normalisation électro- technique, l'Institut européen de normalisation des télécommunications ou par l'Organisation internationale de normalisation et mises à la disposition du public, pour autant que ce système prévoie un audit énergétique qui réponde aux critères minimaux fondés sur l'annexe 2.3; par " système de management de l'énergie ou de l'environnement ", il y a lieu d'entendre " un ensemble d'éléments en corrélation ou en interaction inclus dans un plan qui fixe un objectif d'efficacité énergétique et une stratégie pour atteindre cet objectif ";
[2 ...]2
- toute entreprise [2 ayant réalisé un audit dans le cadre d'une demande de permis d'environnement et à condition que l'audit soit valide au moment où la grande entreprise fait valoir cette exemption]2.]1
Art. 2.5.9. [1 De eigenaars en exploitanten van een datacentrum, met een geïnstalleerd IT-stroomverbruik van ten minste 500 kW, dat zich op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevindt, publiceren en delen elk jaar uiterlijk op 31 maart aan Leefmilieu Brussel de nuttige gegevens mee voor rapporteringsdoeleinden onder de voorwaarden van de verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 of voor statistische, evaluatie- of studiedoeleinden die vereist zijn krachtens Europese of internationale regelgeving.
Deze nuttige gegevens zijn onder meer:
1° het eindenergieverbruik;
2° duurzaamheidsprestatie-indicatoren.
De Regering specificeert de lijst van gegevens en de wijze van verzameling.]1
Deze nuttige gegevens zijn onder meer:
1° het eindenergieverbruik;
2° duurzaamheidsprestatie-indicatoren.
De Regering specificeert de lijst van gegevens en de wijze van verzameling.]1
Art. 2.5.9. [1 Les propriétaires et les exploitants d'un centre de données situé sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale, ayant une demande de puissance informatique installée d'au moins 500kW, publient et communiquent chaque année à Bruxelles Environnement au plus tard pour le 31 mars les données utiles à des fins de rapportage dans les conditions du règlement (UE) 2018/1999 du Parlement européen et du Conseil du 11 décembre 2018 sur la gouvernance de l'union de l'énergie et de l'action pour le climat, modifiant les règlements (CE) n° 663/2009 et (CE) n° 715/2009 du Parlement européen et du Conseil, les directives 94/22/CE, 98/70/CE, 2009/31/CE, 2009/73/CE, 2010/31/UE, 2012/27/UE et 2013/30/UE du Parlement européen et du Conseil, les directives 2009/119/CE et (UE) 2015/652 du Conseil et abrogeant le règlement (UE) n° 525/2013 du Parlement européen et du Conseil ou à des fins statistiques, d'évaluation ou d'étude exigés en vertu de la réglementation européenne ou internationale.
Ces données utiles sont entre autres:
1° la consommation finale d'énergie;
2° des indicateurs de performance de durabilité.
Le Gouvernement spécifie la liste des données ainsi que les modalités de collecte.]1
Ces données utiles sont entre autres:
1° la consommation finale d'énergie;
2° des indicateurs de performance de durabilité.
Le Gouvernement spécifie la liste des données ainsi que les modalités de collecte.]1
HOOFDSTUK 1. - Administratieve boeten
CHAPITRE 1er. - Amendes administratives
Art. 2.6.1. Wanneer uit de EPB-aangifte blijkt dat de EPB-eisen bedoeld in [3 artikel 2.2.3, § 1]3 niet zijn nageleefd, legt [2 Leefmilieu Brussel]2 de aangever tot vijf jaar na de indiening van de EPB-aangifte een administratieve boete op voor een bedrag van :
- 60 euro per afwijking van 1 W/K op het vlak van de thermische isolatie van de [3 constructiedelen]3, zoals bepaald in punt 2.1.1 van bijlage [1 2.4]1;
- 60 euro per afwijking van 1 m2 op het vlak van niveau K, zoals bepaald in punt 2.1.2 van bijlage [1 2.4]1;
- [3 2,5]3 euro per afwijking van 1 kWh/jaar op het vlak van de totale primaire energie zoals bepaald in [3 punt 2.2]3 van bijlage [1 2.4]1;
- 4 euro per afwijking van 1 m3/u op het vlak van de ventilatievoorzieningen zoals bepaald in punt 2.4 van bijlage [1 2.4]1;
- 0,48 euro per afwijking van 1.000 Kh per m3 op het vlak van het risico op oververhitting zoals bepaald in punt 2.3 van bijlage [1 2.4]1;
- [3 2,5]3 euro per afwijking van 1 kWh/jaar op het vlak van de nettobehoefte zoals bepaald in punt 2.5 van bijlage [1 2.4]1;
- 125 tot 25.000 euro naargelang de afwijking tussen de EPB-vereiste inzake luchtdichtheid en de gemeten luchtdichtheid;
- 125 tot 25.000 euro in functie van het vermogen van de betrokken installaties en van het verschil tussen de EPB-eisen en de vastgestelde situatie voor wat de andere eisen betreft.
Er wordt slechts een boete opgelegd indien de totale berekende administratieve boete krachtens dit artikel ten minste 125 euro bedraagt.
- 60 euro per afwijking van 1 W/K op het vlak van de thermische isolatie van de [3 constructiedelen]3, zoals bepaald in punt 2.1.1 van bijlage [1 2.4]1;
- 60 euro per afwijking van 1 m2 op het vlak van niveau K, zoals bepaald in punt 2.1.2 van bijlage [1 2.4]1;
- [3 2,5]3 euro per afwijking van 1 kWh/jaar op het vlak van de totale primaire energie zoals bepaald in [3 punt 2.2]3 van bijlage [1 2.4]1;
- 4 euro per afwijking van 1 m3/u op het vlak van de ventilatievoorzieningen zoals bepaald in punt 2.4 van bijlage [1 2.4]1;
- 0,48 euro per afwijking van 1.000 Kh per m3 op het vlak van het risico op oververhitting zoals bepaald in punt 2.3 van bijlage [1 2.4]1;
- [3 2,5]3 euro per afwijking van 1 kWh/jaar op het vlak van de nettobehoefte zoals bepaald in punt 2.5 van bijlage [1 2.4]1;
- 125 tot 25.000 euro naargelang de afwijking tussen de EPB-vereiste inzake luchtdichtheid en de gemeten luchtdichtheid;
- 125 tot 25.000 euro in functie van het vermogen van de betrokken installaties en van het verschil tussen de EPB-eisen en de vastgestelde situatie voor wat de andere eisen betreft.
Er wordt slechts een boete opgelegd indien de totale berekende administratieve boete krachtens dit artikel ten minste 125 euro bedraagt.
Art. 2.6.1. Lorsqu'il ressort de la déclaration PEB que les exigences PEB visées à [3 l'article 2.2.3, § 1er]3 n'ont pas été respectées, [2 Bruxelles Environnement]2 impose au déclarant, jusqu'à cinq ans après l'introduction de la déclaration PEB, une amende administrative d'un montant de :
- 60 euros par écart de 1 W/K dans le domaine de l'isolation thermique des éléments de construction, telle que définie au point 2.1.1 de l'annexe [1 2.4]1;
- 60 euros par écart de 1 m2 dans le domaine du niveau K, tel que défini au point 2.1.2 de l'annexe [1 2.4]1;
- [3 2.5]3 euros par écart de 1 kWh/an dans le domaine de l'énergie primaire totale telle que définie au point [3 2.2]3 de l'annexe [1 2.4]1;
- 4 euros par écart de 1 m3/h dans le domaine des équipements de ventilation tels que définis au point 2.4 de l'annexe [1 2.4]1;
- 0,48 euros par écart de 1.000 Kh par m3 dans le domaine du risque de surchauffe tel que défini au point 2.3 de l'annexe [1 2.4]1;
- [3 2.5]3 euros par écart de 1 kWh/an dans le domaine du besoin net tel que défini au point 2.5 de l'annexe [1 2.4]1;
- 125 à 25.000 euros en fonction de l'écart entre l'exigence PEB d'étanchéité à l'air et l'étanchéité à l'air mesurée;
- 125 à 25.000 euros en fonction de la puissance des installations concernées et de l'écart entre les exigences PEB et la situation constatée pour ce qui concerne les autres exigences.
Une amende ne sera imposée que si l'amende administrative totale calculée en vertu du présent article s'élève à 125 euros au moins.
- 60 euros par écart de 1 W/K dans le domaine de l'isolation thermique des éléments de construction, telle que définie au point 2.1.1 de l'annexe [1 2.4]1;
- 60 euros par écart de 1 m2 dans le domaine du niveau K, tel que défini au point 2.1.2 de l'annexe [1 2.4]1;
- [3 2.5]3 euros par écart de 1 kWh/an dans le domaine de l'énergie primaire totale telle que définie au point [3 2.2]3 de l'annexe [1 2.4]1;
- 4 euros par écart de 1 m3/h dans le domaine des équipements de ventilation tels que définis au point 2.4 de l'annexe [1 2.4]1;
- 0,48 euros par écart de 1.000 Kh par m3 dans le domaine du risque de surchauffe tel que défini au point 2.3 de l'annexe [1 2.4]1;
- [3 2.5]3 euros par écart de 1 kWh/an dans le domaine du besoin net tel que défini au point 2.5 de l'annexe [1 2.4]1;
- 125 à 25.000 euros en fonction de l'écart entre l'exigence PEB d'étanchéité à l'air et l'étanchéité à l'air mesurée;
- 125 à 25.000 euros en fonction de la puissance des installations concernées et de l'écart entre les exigences PEB et la situation constatée pour ce qui concerne les autres exigences.
Une amende ne sera imposée que si l'amende administrative totale calculée en vertu du présent article s'élève à 125 euros au moins.
Art. 2.6.1 /1. [1 Wanneer uit het EPB-certificaat blijkt dat de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.3, § 2, niet zijn nageleefd, legt Leefmilieu Brussel de houder van het EPB-certificaat en, in voorkomend geval, de vereniging van mede-eigenaars tot vijf jaar na de vervaldatum die is vastgesteld in de in artikel 2.2.3, § 2, bedoelde EPB-eis een administratieve boete op voor een bedrag van:
1° 60 euro per afwijking van 1 W/K op het vlak van de thermische isolatie van de constructie-delen, zoals bepaald in punt 2.1.1 van bijlage 2.4;
2° 4 euro per afwijking van 1 m3/h op het vlak van de ventilatievoorzieningen zoals bepaald in punt 2.4 van bijlage 2.4;
3° 2,5 euro per afwijking van 1 kWh/jaar op het vlak van de totale primaire energie zoals bepaald in punt 2.2 van bijlage 2.4;
4° 0,48 euro per afwijking van 1.000 Kh per m3 op het vlak van het risico op oververhitting zoals bepaald in punt 2.3 van bijlage 2.4;
5° 2,5 euro per afwijking van 1 kWh/jaar op het vlak van de nettobehoefte zoals bepaald in punt 2.5 van bijlage 2.4.
Er wordt slechts een boete opgelegd indien de totale berekende administratieve boete krachtens dit artikel ten minste 125 euro bedraagt.
Voor de EPB-eenheden in de gebouwencategorie onder bijlage 2.1, 5, a), van dit Wetboek:
1° bij de toepassing van de bedragen vermeld in het eerste lid, 3° en 5°, mag de boete niet hoger zijn dan een bedrag berekend op basis van een verschil in primaire energieverbruik of nettobehoefte van meer dan 125 kWh/m2 per jaar;
2° het eerste lid is niet van toepassing op de naleving van de binnen tien jaar of uiterlijk in 2033 te bereiken EPB-eis als het EPB-certificaat aan de volgende voorwaarden voldoet:
a) het blijkt dat aan de EPB-eis is voldaan; en
b) het is afgegeven na 1 januari 2017; en
c) de vervaldatum is aangegeven om een reden die geen verband houdt met kwaliteitscontrole.
Leefmilieu Brussel mag de administratieve boete, berekend overeenkomstig de voorgaande leden, opleggen en daarbij een onderscheid maken tussen het deel gelijk aan of minder dan de helft van het bedrag van deze boete dat rechtstreeks wordt betaald overeenkomstig artikel 2.6.4 en het deel van de boete dat slechts zal worden betaald overeenkomstig artikel 2.6.4 indien de overtreder nalaat de overtreding geheel of gedeeltelijk in conformiteit te stellen binnen twee jaar na de kennisgeving van het besluit tot oplegging van de administratieve boete. Bij het vastleggen van het bedrag van het eventueel later deel van de boete wordt rekening gehouden met de handelingen en de werkzaamheden die reeds zijn verricht om in conformiteit te stellen. De delen van het boetebedrag worden verdeeld in percentages die bepaald worden volgens het feit of de houder van het zakelijk recht al dan niet de energiekosten van de EPB-eenheid draagt.
In het geval van administratieve boetes in verband met energiewerkzaamheden die samenhangen met het mede-eigendom zullen de mede-eigenaars die te goeder trouw handelen en die met alle rechtsmiddelen zullen aantonen dat ze alle nodige stappen hebben ondernomen om de energierenovatiewerkzaamheden te laten goedkeuren door de vereniging van mede-eigenaars die nodig zijn om het vereiste niveau van het EPB-certificaat te verkrijgen, van rechtswege worden vrijgesteld, elk voor zijn eigen deel indien van toepassing. Elke mede-eigenaar zal echter verantwoordelijk blijven voor het energiegedeelte op het niveau van het EPB-certificaat voor de energiewerkzaamheden die niet gebonden zijn aan het mede-eigendom en die uitsluitend samenhangen met zijn privégedeelte.]1
1° 60 euro per afwijking van 1 W/K op het vlak van de thermische isolatie van de constructie-delen, zoals bepaald in punt 2.1.1 van bijlage 2.4;
2° 4 euro per afwijking van 1 m3/h op het vlak van de ventilatievoorzieningen zoals bepaald in punt 2.4 van bijlage 2.4;
3° 2,5 euro per afwijking van 1 kWh/jaar op het vlak van de totale primaire energie zoals bepaald in punt 2.2 van bijlage 2.4;
4° 0,48 euro per afwijking van 1.000 Kh per m3 op het vlak van het risico op oververhitting zoals bepaald in punt 2.3 van bijlage 2.4;
5° 2,5 euro per afwijking van 1 kWh/jaar op het vlak van de nettobehoefte zoals bepaald in punt 2.5 van bijlage 2.4.
Er wordt slechts een boete opgelegd indien de totale berekende administratieve boete krachtens dit artikel ten minste 125 euro bedraagt.
Voor de EPB-eenheden in de gebouwencategorie onder bijlage 2.1, 5, a), van dit Wetboek:
1° bij de toepassing van de bedragen vermeld in het eerste lid, 3° en 5°, mag de boete niet hoger zijn dan een bedrag berekend op basis van een verschil in primaire energieverbruik of nettobehoefte van meer dan 125 kWh/m2 per jaar;
2° het eerste lid is niet van toepassing op de naleving van de binnen tien jaar of uiterlijk in 2033 te bereiken EPB-eis als het EPB-certificaat aan de volgende voorwaarden voldoet:
a) het blijkt dat aan de EPB-eis is voldaan; en
b) het is afgegeven na 1 januari 2017; en
c) de vervaldatum is aangegeven om een reden die geen verband houdt met kwaliteitscontrole.
Leefmilieu Brussel mag de administratieve boete, berekend overeenkomstig de voorgaande leden, opleggen en daarbij een onderscheid maken tussen het deel gelijk aan of minder dan de helft van het bedrag van deze boete dat rechtstreeks wordt betaald overeenkomstig artikel 2.6.4 en het deel van de boete dat slechts zal worden betaald overeenkomstig artikel 2.6.4 indien de overtreder nalaat de overtreding geheel of gedeeltelijk in conformiteit te stellen binnen twee jaar na de kennisgeving van het besluit tot oplegging van de administratieve boete. Bij het vastleggen van het bedrag van het eventueel later deel van de boete wordt rekening gehouden met de handelingen en de werkzaamheden die reeds zijn verricht om in conformiteit te stellen. De delen van het boetebedrag worden verdeeld in percentages die bepaald worden volgens het feit of de houder van het zakelijk recht al dan niet de energiekosten van de EPB-eenheid draagt.
In het geval van administratieve boetes in verband met energiewerkzaamheden die samenhangen met het mede-eigendom zullen de mede-eigenaars die te goeder trouw handelen en die met alle rechtsmiddelen zullen aantonen dat ze alle nodige stappen hebben ondernomen om de energierenovatiewerkzaamheden te laten goedkeuren door de vereniging van mede-eigenaars die nodig zijn om het vereiste niveau van het EPB-certificaat te verkrijgen, van rechtswege worden vrijgesteld, elk voor zijn eigen deel indien van toepassing. Elke mede-eigenaar zal echter verantwoordelijk blijven voor het energiegedeelte op het niveau van het EPB-certificaat voor de energiewerkzaamheden die niet gebonden zijn aan het mede-eigendom en die uitsluitend samenhangen met zijn privégedeelte.]1
Art. 2.6.1 /1. [1 Lorsqu'il ressort du certificat PEB valide que les exigences PEB visées à l'article 2.2.3, § 2, ne sont pas respectées, Bruxelles Environnement impose au titulaire du certificat PEB et le cas échéant à l'association des copropriétaires, jusqu'à cinq ans après la date d'échéance fixée dans l'exigence PEB visée à l'article 2.2.3, § 2, une amende administrative d'un montant de:
1° 60 euros par écart de 1 W/K dans le domaine de l'isolation thermique des éléments de construction, telle que définie au point 2.1.1 de l'annexe 2.4;
2° 4 euros par écart de 1 m3/h dans le domaine des équipements de ventilation tels que définis au point 2.4 de l'annexe 2.4;
3° 2,5 euros par écart de 1 kWh/an dans le domaine de l'énergie primaire totale telle que définie au point 2.2 de l'annexe 2.4;
4° 0,48 euros par écart de 1.000 Kh par m3 dans le domaine du risque de surchauffe tel que défini au point 2.3 de l'annexe 2.4;
5° 2,5 euros par écart de 1 kWh/an dans le domaine du besoin net tel que défini au point 2.5 de l'annexe 2.4.
Une amende ne sera imposée que si l'amende administrative totale calculée en vertu du présent article s'élève à 125 euros au moins.
Pour les unités PEB rentrant dans la catégorie de bâtiment visée à l'annexe 2.1, 5, a), du présent Code:
1° dans l'application des montants visés à l'alinéa 1er, 3° et 5°, l'amende ne peut dépasser un montant calculé sur un écart de consommation d'énergie primaire ou de besoin net supérieur à 125 kWh/m2 par an;
2° l'alinéa 1er ne s'applique pas pour le respect de l'exigence PEB à atteindre dans les dix ans ou au plus tard en 2033 lorsque le certificat PEB répond aux conditions suivantes:
a) il en ressort que l'exigence PEB est respectée; et
b) il a été établi après le 1e janvier 2017; et
c) sa fin de validité a été déclarée pour une circonstance qui n'est pas liée au contrôle de sa qualité.
Bruxelles Environnement peut infliger l'amende administrative calculée conformément aux alinéas précédents, en distinguant la partie inférieure ou égale à la moitié du montant de cette amende qui est payée directement conformément à l'article 2.6.4 et la partie de l'amende qui ne sera payée conformément à l'article 2.6.4 qu'à défaut pour le contrevenant de s'être mis en tout ou en partie en conformité dans les deux ans de la notification de la décision d'infliger l'amende administrative. La détermination du montant de la partie successive éventuelle de l'amende tient compte des actes et travaux déjà réalisés en vue de se mettre en conformité. Les parties du montant de l'amende sont distinguées en pourcentages déterminés en fonction du fait que le titulaire du droit réel supporte ou non les coûts énergétiques de l'unité PEB.
En cas d'amendes administratives, liés à des travaux énergétiques dépendant de la copropriété, seront exonérés de plein droit, et, le cas échéant, chacun pour sa part, les copropriétaires de bonne foi qui démontreront par toute voie de droit avoir mis tous les moyens en oeuvre pour faire approuver par l'association de copropriétaires les travaux de rénovation énergétiques nécessaires à l'obtention du niveau de certificat PEB imposé. Chaque copropriétaire restera toutefois responsable de la part énergétique du niveau de certificat PEB pour les travaux énergétiques non liés à la copropriété et dépendant uniquement de sa partie privative.]1
1° 60 euros par écart de 1 W/K dans le domaine de l'isolation thermique des éléments de construction, telle que définie au point 2.1.1 de l'annexe 2.4;
2° 4 euros par écart de 1 m3/h dans le domaine des équipements de ventilation tels que définis au point 2.4 de l'annexe 2.4;
3° 2,5 euros par écart de 1 kWh/an dans le domaine de l'énergie primaire totale telle que définie au point 2.2 de l'annexe 2.4;
4° 0,48 euros par écart de 1.000 Kh par m3 dans le domaine du risque de surchauffe tel que défini au point 2.3 de l'annexe 2.4;
5° 2,5 euros par écart de 1 kWh/an dans le domaine du besoin net tel que défini au point 2.5 de l'annexe 2.4.
Une amende ne sera imposée que si l'amende administrative totale calculée en vertu du présent article s'élève à 125 euros au moins.
Pour les unités PEB rentrant dans la catégorie de bâtiment visée à l'annexe 2.1, 5, a), du présent Code:
1° dans l'application des montants visés à l'alinéa 1er, 3° et 5°, l'amende ne peut dépasser un montant calculé sur un écart de consommation d'énergie primaire ou de besoin net supérieur à 125 kWh/m2 par an;
2° l'alinéa 1er ne s'applique pas pour le respect de l'exigence PEB à atteindre dans les dix ans ou au plus tard en 2033 lorsque le certificat PEB répond aux conditions suivantes:
a) il en ressort que l'exigence PEB est respectée; et
b) il a été établi après le 1e janvier 2017; et
c) sa fin de validité a été déclarée pour une circonstance qui n'est pas liée au contrôle de sa qualité.
Bruxelles Environnement peut infliger l'amende administrative calculée conformément aux alinéas précédents, en distinguant la partie inférieure ou égale à la moitié du montant de cette amende qui est payée directement conformément à l'article 2.6.4 et la partie de l'amende qui ne sera payée conformément à l'article 2.6.4 qu'à défaut pour le contrevenant de s'être mis en tout ou en partie en conformité dans les deux ans de la notification de la décision d'infliger l'amende administrative. La détermination du montant de la partie successive éventuelle de l'amende tient compte des actes et travaux déjà réalisés en vue de se mettre en conformité. Les parties du montant de l'amende sont distinguées en pourcentages déterminés en fonction du fait que le titulaire du droit réel supporte ou non les coûts énergétiques de l'unité PEB.
En cas d'amendes administratives, liés à des travaux énergétiques dépendant de la copropriété, seront exonérés de plein droit, et, le cas échéant, chacun pour sa part, les copropriétaires de bonne foi qui démontreront par toute voie de droit avoir mis tous les moyens en oeuvre pour faire approuver par l'association de copropriétaires les travaux de rénovation énergétiques nécessaires à l'obtention du niveau de certificat PEB imposé. Chaque copropriétaire restera toutefois responsable de la part énergétique du niveau de certificat PEB pour les travaux énergétiques non liés à la copropriété et dépendant uniquement de sa partie privative.]1
Art. 2.6.1 /1. [1 Wanneer uit het EPB-certificaat blijkt dat de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.3, § 2, niet zijn nageleefd, legt Leefmilieu Brussel de houder van het EPB-certificaat en, in voorkomend geval, de vereniging van mede-eigenaars tot vijf jaar na de vervaldatum die is vastgesteld in de in artikel 2.2.3, § 2, bedoelde EPB-eis een administratieve boete op voor een bedrag van:
1° 60 euro per afwijking van 1 W/K op het vlak van de thermische isolatie van de constructie-delen, zoals bepaald in punt 2.1.1 van bijlage 2.4;
2° 4 euro per afwijking van 1 m3/h op het vlak van de ventilatievoorzieningen zoals bepaald in punt 2.4 van bijlage 2.4;
3° 2,5 euro per afwijking van 1 kWh/jaar op het vlak van de totale primaire energie zoals bepaald in punt 2.2 van bijlage 2.4;
4° 0,48 euro per afwijking van 1.000 Kh per m3 op het vlak van het risico op oververhitting zoals bepaald in punt 2.3 van bijlage 2.4;
5° 2,5 euro per afwijking van 1 kWh/jaar op het vlak van de nettobehoefte zoals bepaald in punt 2.5 van bijlage 2.4.
Er wordt slechts een boete opgelegd indien de totale berekende administratieve boete krachtens dit artikel ten minste 125 euro bedraagt.
Voor de EPB-eenheden in de gebouwencategorie onder bijlage 2.1, 5, a), van dit Wetboek:
1° bij de toepassing van de bedragen vermeld in het eerste lid, 3° en 5°, mag de boete niet hoger zijn dan een bedrag berekend op basis van een verschil in primaire energieverbruik of nettobehoefte van meer dan 125 kWh/m2 per jaar;
2° het eerste lid is niet van toepassing op de naleving van de binnen tien jaar of uiterlijk in 2033 te bereiken EPB-eis als het EPB-certificaat aan de volgende voorwaarden voldoet:
a) het blijkt dat aan de EPB-eis is voldaan; en
b) het is afgegeven na 1 januari 2017; en
c) de vervaldatum is aangegeven om een reden die geen verband houdt met kwaliteitscontrole.
Leefmilieu Brussel mag de administratieve boete, berekend overeenkomstig de voorgaande leden, opleggen en daarbij een onderscheid maken tussen het deel gelijk aan of minder dan de helft van het bedrag van deze boete dat rechtstreeks wordt betaald overeenkomstig artikel 2.6.4 en het deel van de boete dat slechts zal worden betaald overeenkomstig artikel 2.6.4 indien de overtreder nalaat de overtreding geheel of gedeeltelijk in conformiteit te stellen binnen twee jaar na de kennisgeving van het besluit tot oplegging van de administratieve boete. Bij het vastleggen van het bedrag van het eventueel later deel van de boete wordt rekening gehouden met de handelingen en de werkzaamheden die reeds zijn verricht om in conformiteit te stellen. De delen van het boetebedrag worden verdeeld in percentages die bepaald worden volgens het feit of de houder van het zakelijk recht al dan niet de energiekosten van de EPB-eenheid draagt.
In het geval van administratieve boetes in verband met energiewerkzaamheden die samenhangen met het mede-eigendom zullen de mede-eigenaars die te goeder trouw handelen en die met alle rechtsmiddelen zullen aantonen dat ze alle nodige stappen hebben ondernomen om de energierenovatiewerkzaamheden te laten goedkeuren door de vereniging van mede-eigenaars die nodig zijn om het vereiste niveau van het EPB-certificaat te verkrijgen, van rechtswege worden vrijgesteld, elk voor zijn eigen deel indien van toepassing. Elke mede-eigenaar zal echter verantwoordelijk blijven voor het energiegedeelte op het niveau van het EPB-certificaat voor de energiewerkzaamheden die niet gebonden zijn aan het mede-eigendom en die uitsluitend samenhangen met zijn privégedeelte.]1
1° 60 euro per afwijking van 1 W/K op het vlak van de thermische isolatie van de constructie-delen, zoals bepaald in punt 2.1.1 van bijlage 2.4;
2° 4 euro per afwijking van 1 m3/h op het vlak van de ventilatievoorzieningen zoals bepaald in punt 2.4 van bijlage 2.4;
3° 2,5 euro per afwijking van 1 kWh/jaar op het vlak van de totale primaire energie zoals bepaald in punt 2.2 van bijlage 2.4;
4° 0,48 euro per afwijking van 1.000 Kh per m3 op het vlak van het risico op oververhitting zoals bepaald in punt 2.3 van bijlage 2.4;
5° 2,5 euro per afwijking van 1 kWh/jaar op het vlak van de nettobehoefte zoals bepaald in punt 2.5 van bijlage 2.4.
Er wordt slechts een boete opgelegd indien de totale berekende administratieve boete krachtens dit artikel ten minste 125 euro bedraagt.
Voor de EPB-eenheden in de gebouwencategorie onder bijlage 2.1, 5, a), van dit Wetboek:
1° bij de toepassing van de bedragen vermeld in het eerste lid, 3° en 5°, mag de boete niet hoger zijn dan een bedrag berekend op basis van een verschil in primaire energieverbruik of nettobehoefte van meer dan 125 kWh/m2 per jaar;
2° het eerste lid is niet van toepassing op de naleving van de binnen tien jaar of uiterlijk in 2033 te bereiken EPB-eis als het EPB-certificaat aan de volgende voorwaarden voldoet:
a) het blijkt dat aan de EPB-eis is voldaan; en
b) het is afgegeven na 1 januari 2017; en
c) de vervaldatum is aangegeven om een reden die geen verband houdt met kwaliteitscontrole.
Leefmilieu Brussel mag de administratieve boete, berekend overeenkomstig de voorgaande leden, opleggen en daarbij een onderscheid maken tussen het deel gelijk aan of minder dan de helft van het bedrag van deze boete dat rechtstreeks wordt betaald overeenkomstig artikel 2.6.4 en het deel van de boete dat slechts zal worden betaald overeenkomstig artikel 2.6.4 indien de overtreder nalaat de overtreding geheel of gedeeltelijk in conformiteit te stellen binnen twee jaar na de kennisgeving van het besluit tot oplegging van de administratieve boete. Bij het vastleggen van het bedrag van het eventueel later deel van de boete wordt rekening gehouden met de handelingen en de werkzaamheden die reeds zijn verricht om in conformiteit te stellen. De delen van het boetebedrag worden verdeeld in percentages die bepaald worden volgens het feit of de houder van het zakelijk recht al dan niet de energiekosten van de EPB-eenheid draagt.
In het geval van administratieve boetes in verband met energiewerkzaamheden die samenhangen met het mede-eigendom zullen de mede-eigenaars die te goeder trouw handelen en die met alle rechtsmiddelen zullen aantonen dat ze alle nodige stappen hebben ondernomen om de energierenovatiewerkzaamheden te laten goedkeuren door de vereniging van mede-eigenaars die nodig zijn om het vereiste niveau van het EPB-certificaat te verkrijgen, van rechtswege worden vrijgesteld, elk voor zijn eigen deel indien van toepassing. Elke mede-eigenaar zal echter verantwoordelijk blijven voor het energiegedeelte op het niveau van het EPB-certificaat voor de energiewerkzaamheden die niet gebonden zijn aan het mede-eigendom en die uitsluitend samenhangen met zijn privégedeelte.]1
Art. 2.6.1 /1. [1 Lorsqu'il ressort du certificat PEB valide que les exigences PEB visées à l'article 2.2.3, § 2, ne sont pas respectées, Bruxelles Environnement impose au titulaire du certificat PEB et le cas échéant à l'association des copropriétaires, jusqu'à cinq ans après la date d'échéance fixée dans l'exigence PEB visée à l'article 2.2.3, § 2, une amende administrative d'un montant de:
1° 60 euros par écart de 1 W/K dans le domaine de l'isolation thermique des éléments de construction, telle que définie au point 2.1.1 de l'annexe 2.4;
2° 4 euros par écart de 1 m3/h dans le domaine des équipements de ventilation tels que définis au point 2.4 de l'annexe 2.4;
3° 2,5 euros par écart de 1 kWh/an dans le domaine de l'énergie primaire totale telle que définie au point 2.2 de l'annexe 2.4;
4° 0,48 euros par écart de 1.000 Kh par m3 dans le domaine du risque de surchauffe tel que défini au point 2.3 de l'annexe 2.4;
5° 2,5 euros par écart de 1 kWh/an dans le domaine du besoin net tel que défini au point 2.5 de l'annexe 2.4.
Une amende ne sera imposée que si l'amende administrative totale calculée en vertu du présent article s'élève à 125 euros au moins.
Pour les unités PEB rentrant dans la catégorie de bâtiment visée à l'annexe 2.1, 5, a), du présent Code:
1° dans l'application des montants visés à l'alinéa 1er, 3° et 5°, l'amende ne peut dépasser un montant calculé sur un écart de consommation d'énergie primaire ou de besoin net supérieur à 125 kWh/m2 par an;
2° l'alinéa 1er ne s'applique pas pour le respect de l'exigence PEB à atteindre dans les dix ans ou au plus tard en 2033 lorsque le certificat PEB répond aux conditions suivantes:
a) il en ressort que l'exigence PEB est respectée; et
b) il a été établi après le 1e janvier 2017; et
c) sa fin de validité a été déclarée pour une circonstance qui n'est pas liée au contrôle de sa qualité.
Bruxelles Environnement peut infliger l'amende administrative calculée conformément aux alinéas précédents, en distinguant la partie inférieure ou égale à la moitié du montant de cette amende qui est payée directement conformément à l'article 2.6.4 et la partie de l'amende qui ne sera payée conformément à l'article 2.6.4 qu'à défaut pour le contrevenant de s'être mis en tout ou en partie en conformité dans les deux ans de la notification de la décision d'infliger l'amende administrative. La détermination du montant de la partie successive éventuelle de l'amende tient compte des actes et travaux déjà réalisés en vue de se mettre en conformité. Les parties du montant de l'amende sont distinguées en pourcentages déterminés en fonction du fait que le titulaire du droit réel supporte ou non les coûts énergétiques de l'unité PEB.
En cas d'amendes administratives, liés à des travaux énergétiques dépendant de la copropriété, seront exonérés de plein droit, et, le cas échéant, chacun pour sa part, les copropriétaires de bonne foi qui démontreront par toute voie de droit avoir mis tous les moyens en oeuvre pour faire approuver par l'association de copropriétaires les travaux de rénovation énergétiques nécessaires à l'obtention du niveau de certificat PEB imposé. Chaque copropriétaire restera toutefois responsable de la part énergétique du niveau de certificat PEB pour les travaux énergétiques non liés à la copropriété et dépendant uniquement de sa partie privative.]1
1° 60 euros par écart de 1 W/K dans le domaine de l'isolation thermique des éléments de construction, telle que définie au point 2.1.1 de l'annexe 2.4;
2° 4 euros par écart de 1 m3/h dans le domaine des équipements de ventilation tels que définis au point 2.4 de l'annexe 2.4;
3° 2,5 euros par écart de 1 kWh/an dans le domaine de l'énergie primaire totale telle que définie au point 2.2 de l'annexe 2.4;
4° 0,48 euros par écart de 1.000 Kh par m3 dans le domaine du risque de surchauffe tel que défini au point 2.3 de l'annexe 2.4;
5° 2,5 euros par écart de 1 kWh/an dans le domaine du besoin net tel que défini au point 2.5 de l'annexe 2.4.
Une amende ne sera imposée que si l'amende administrative totale calculée en vertu du présent article s'élève à 125 euros au moins.
Pour les unités PEB rentrant dans la catégorie de bâtiment visée à l'annexe 2.1, 5, a), du présent Code:
1° dans l'application des montants visés à l'alinéa 1er, 3° et 5°, l'amende ne peut dépasser un montant calculé sur un écart de consommation d'énergie primaire ou de besoin net supérieur à 125 kWh/m2 par an;
2° l'alinéa 1er ne s'applique pas pour le respect de l'exigence PEB à atteindre dans les dix ans ou au plus tard en 2033 lorsque le certificat PEB répond aux conditions suivantes:
a) il en ressort que l'exigence PEB est respectée; et
b) il a été établi après le 1e janvier 2017; et
c) sa fin de validité a été déclarée pour une circonstance qui n'est pas liée au contrôle de sa qualité.
Bruxelles Environnement peut infliger l'amende administrative calculée conformément aux alinéas précédents, en distinguant la partie inférieure ou égale à la moitié du montant de cette amende qui est payée directement conformément à l'article 2.6.4 et la partie de l'amende qui ne sera payée conformément à l'article 2.6.4 qu'à défaut pour le contrevenant de s'être mis en tout ou en partie en conformité dans les deux ans de la notification de la décision d'infliger l'amende administrative. La détermination du montant de la partie successive éventuelle de l'amende tient compte des actes et travaux déjà réalisés en vue de se mettre en conformité. Les parties du montant de l'amende sont distinguées en pourcentages déterminés en fonction du fait que le titulaire du droit réel supporte ou non les coûts énergétiques de l'unité PEB.
En cas d'amendes administratives, liés à des travaux énergétiques dépendant de la copropriété, seront exonérés de plein droit, et, le cas échéant, chacun pour sa part, les copropriétaires de bonne foi qui démontreront par toute voie de droit avoir mis tous les moyens en oeuvre pour faire approuver par l'association de copropriétaires les travaux de rénovation énergétiques nécessaires à l'obtention du niveau de certificat PEB imposé. Chaque copropriétaire restera toutefois responsable de la part énergétique du niveau de certificat PEB pour les travaux énergétiques non liés à la copropriété et dépendant uniquement de sa partie privative.]1
Art. 2.6.2. [3 In het geval van technische installaties waarvan de activiteiten niet zijn ingedeeld onder artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen en wanneer]3 het document opgemaakt na afloop van het [1 ...]1 onderhoud en de controle bedoeld in artikel 2.2.17 aan het licht brengt dat de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.15 [1 andere dan deze bedoeld in artikel 2.6.5, g),]1 niet zijn nageleefd, legt [2 Leefmilieu Brussel]2 de persoon die [1 deze EPB-eisen]1 voor de betrokken technische installatie in acht moet nemen [1 , tot vijf jaar na de [3 indiening]3 van het document,]1 een [3 administratieve boete]3 op van 125 tot 25.000 euro naargelang het vermogen van de betrokken installaties en van het verschil [1 tussen deze EPB-eisen]1 en de vastgestelde situatie.
[3 De Regering kan het bedrag per afwijking vaststellen naargelang de eis en het vermogen.]3
[3 De Regering kan het bedrag per afwijking vaststellen naargelang de eis en het vermogen.]3
Art. 2.6.2. [3 Lorsqu'il s'agit d'installations techniques dont les activités ne sont pas classées en vertu de l'article 4 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement et lorsqu'il ressort]3 du document établi à l'issue de l'entretien ou du contrôle [1 ...]1 visés à l'article 2.2.17 que les exigences PEB visées à l'article 2.2.15 [1 , autres que celles visées à l'article 2.6.5, g)]1 n'ont pas été respectées, [2 Bruxelles Environnement]2 impose à la personne à qui il incombe de respecter [1 ces exigences PEB pour l'installation technique]1 concernée [1 , jusqu'à cinq ans après [3 l'introduction]3 du document,]1 une [3 amende administrative]3 de 125 à 25.000 euros en fonction de la puissance des installations concernées et de l'écart [1 entre ces exigences PEB]1 et la situation constatée.
[3 Le Gouvernement peut préciser le montant par écart selon l'exigence et la puissance.]3
[3 Le Gouvernement peut préciser le montant par écart selon l'exigence et la puissance.]3
Art. 2.6.2 /1. [1 In het geval van technische installaties waarvan de activiteiten niet zijn ingedeeld onder artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen en wanneer uit de EPB-aangifte, uit het EPB-certificaat of het document opgemaakt na afloop van het onderhoud en de controle bedoeld in artikel 2.2.17, blijkt dat de in artikel 2.2.28 bedoelde verplichtingen niet zijn nageleefd, legt Leefmilieu Brussel de persoon die deze verplichtingen moet naleven, tot vijf jaar na deze vaststelling een administratieve boete op van 3.000 tot 125.000 euro per geplaatste ketel naargelang haar vermogen.
De Regering kan het bedrag van de boete specificeren door een vaste bandbreedte vast te leggen naargelang het nominale vermogen van de geplaatste ketel.]1
De Regering kan het bedrag van de boete specificeren door een vaste bandbreedte vast te leggen naargelang het nominale vermogen van de geplaatste ketel.]1
Art. 2.6.2 /1. [1 Lorsqu'il s'agit d'installations techniques dont les activités ne sont pas classées en vertu de l'article 4 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement et lorsqu'il ressort de la déclaration PEB, du certificat PEB ou du document établi à l'issue de l'entretien ou du contrôle visés à l'article 2.2.17, que les obligations visées à l'article 2.2.28 n'ont pas été respectées, Bruxelles Environnement impose à la personne à qui il incombe de respecter ces obligations, jusqu'à cinq ans après ce constat, une amende administrative de 3.000 euros à 125.000 euros par chaudière placée et en fonction de la puissance de celle-ci.
Le Gouvernement peut préciser le montant de l'amende en fixant une tranche fixe selon la puissance nominale de la chaudière placée.]1
Le Gouvernement peut préciser le montant de l'amende en fixant une tranche fixe selon la puissance nominale de la chaudière placée.]1
Art. 2.6.4. [2 § 1.]2 [2 Onder voorbehoud van § 2, zijn de artikelen 45, leden 1, 2, 4 en 6 ; 47, 49, 51 en 54, §§ 1, 2 en 3]2 [1 van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven en milieuaansprakelijkheid]1 van toepassing op de boeten bedoeld in dit hoofdstuk.
[2 § 2.]2 In afwijking [1 van artikel 45, [2 tweede lid]2 van dat wetboek]1, [2 wordt de geldboete gestort op het rekeningnummer van]2 het Fonds inzake Energiebeleid bedoeld in artikel 2, 16° van de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen en [1 in afwijking van artikel 45, zesde lid van dat wetboek]1 de beslissing om een administratieve boete op te leggen wordt niet meegedeeld aan de Procureur des Konings.
[2 § 3. De betaling van de administratieve boete maakt een einde aan de mogelijkheid om een nieuwe boete op te leggen voor het gebrek aan inachtneming zoals bedoeld in het document of de vaststelling op basis waarvan de boete werd opgelegd.]2
[2 § 4. Wordt er opnieuw een geval van gebrek aan inachtneming vastgesteld binnen de drie jaar vanaf de datum van het document zoals bedoeld in de artikelen 2.6.1, 2.6.2 of 2.6.3, dan kan het bedrag van de boete worden verdubbeld.]2
[3 § 5. In het kader van de verwerking van de administratieve boetes, zoals bedoeld in dit hoofdstuk, kunnen de persoonsgegevens door Leefmilieu Brussel worden verzameld en verwerkt om de niet-naleving van de in artikelen 2.2.3 tot en met 2.2.17/1 en 2.2.28 hernomen verplichtingen te bestraffen:
1° de identiteit van de overtreder (naam, voornaam, hoofdverblijfplaats);
2° het identificatienummer van het Rijksregister van de overtreder, in het kader van een gebruiksvergunning door Leefmilieu Brussel in de zin van artikel 8 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;
3° de kadastrale perceelsidentificatie, toegekend overeenkomstig artikel 10 van het koninklijk besluit van 30 juli 2018 betreffende het aanleggen en bijhouden van de kadastrale documentatie en tot vaststelling van de modaliteiten voor het afleveren van kadastrale uittreksels, betreffende de betrokken EPB-eenheid of het betrokken gebouw.
Deze gegevens worden bewaard tot het einde van de in de artikelen 2.6.1, 2.6.1/1 en 2.6.2 bedoelde periode van vijf jaar. In geval van niet-naleving worden deze gegevens bewaard tot het einde van de in artikel 2.6.4, § 4, bedoelde periode van drie jaar, vanaf de bovengenoemde periode van vijf jaar.]3
[2 § 2.]2 In afwijking [1 van artikel 45, [2 tweede lid]2 van dat wetboek]1, [2 wordt de geldboete gestort op het rekeningnummer van]2 het Fonds inzake Energiebeleid bedoeld in artikel 2, 16° van de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen en [1 in afwijking van artikel 45, zesde lid van dat wetboek]1 de beslissing om een administratieve boete op te leggen wordt niet meegedeeld aan de Procureur des Konings.
[2 § 3. De betaling van de administratieve boete maakt een einde aan de mogelijkheid om een nieuwe boete op te leggen voor het gebrek aan inachtneming zoals bedoeld in het document of de vaststelling op basis waarvan de boete werd opgelegd.]2
[2 § 4. Wordt er opnieuw een geval van gebrek aan inachtneming vastgesteld binnen de drie jaar vanaf de datum van het document zoals bedoeld in de artikelen 2.6.1, 2.6.2 of 2.6.3, dan kan het bedrag van de boete worden verdubbeld.]2
[3 § 5. In het kader van de verwerking van de administratieve boetes, zoals bedoeld in dit hoofdstuk, kunnen de persoonsgegevens door Leefmilieu Brussel worden verzameld en verwerkt om de niet-naleving van de in artikelen 2.2.3 tot en met 2.2.17/1 en 2.2.28 hernomen verplichtingen te bestraffen:
1° de identiteit van de overtreder (naam, voornaam, hoofdverblijfplaats);
2° het identificatienummer van het Rijksregister van de overtreder, in het kader van een gebruiksvergunning door Leefmilieu Brussel in de zin van artikel 8 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;
3° de kadastrale perceelsidentificatie, toegekend overeenkomstig artikel 10 van het koninklijk besluit van 30 juli 2018 betreffende het aanleggen en bijhouden van de kadastrale documentatie en tot vaststelling van de modaliteiten voor het afleveren van kadastrale uittreksels, betreffende de betrokken EPB-eenheid of het betrokken gebouw.
Deze gegevens worden bewaard tot het einde van de in de artikelen 2.6.1, 2.6.1/1 en 2.6.2 bedoelde periode van vijf jaar. In geval van niet-naleving worden deze gegevens bewaard tot het einde van de in artikel 2.6.4, § 4, bedoelde periode van drie jaar, vanaf de bovengenoemde periode van vijf jaar.]3
Art. 2.6.4. [2 § 1er.]2 [2 Sous réserve du § 2, les articles 45, alinéas 1er, 2, 4 et 6 ; 47, 49, 51 et 54, §§ 1er, 2 et 3]2 [1 du Code de l'inspection, la prévention, la constatation et la répression des infractions en matière d'environnement et de la responsabilité environnementale]1 sont applicables aux amendes visées au présent chapitre.
[2 § 2.]2 Par dérogation [1 à l'article 45, [2 alinéa 2]2, de ce code]1, [2 l'amende est acquittée par versement au compte du]2 Fonds relatif à la politique de l'énergie visé à l'article 2, 16°, de l'ordonnance du 12 décembre 1991 créant des fonds budgétaires et [1 par dérogation à l'article 45, alinéa 6 de ce code]1 la décision d'infliger une amende administrative n'est pas notifiée au Procureur du Roi.
[2 § 3. Le paiement de l'amende administrative éteint la possibilité d'infliger une nouvelle amende pour le non-respect visé dans le document ou le constat sur la base duquel l'amende a été imposée.]2
[2 § 4. Si un nouveau non-respect est constaté dans les trois ans à compter de la date du document visé aux articles 2.6.1, 2.6.2 ou 2.6.3, le montant de l'amende peut être doublé.]2
[3 § 5. Dans le cadre du traitement des amendes administratives visées au présent chapitre, les données à caractère personnel peuvent être collectées et traitées par Bruxelles Environnement en vue de sanctionner le non-respect des obligations reprises aux fins précisées dans les dispositions des articles 2.2.3 à 2.2.17/1 et 2.2.28:
1° l'identité du contrevenant (nom, prénom, résidence principale);
2° le numéro d'identification du registre national du contrevenant, dans le cadre d'une autorisation de son utilisation dans le chef de Bruxelles Environnement au sens de l'article 8 de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques;
3° l'identifiant parcellaire cadastral, attribué conformément à l'article 10 de l'arrêté royal du 30 juillet 2018 relatif à la constitution et la mise à jour de la documentation cadastrale et fixant les modalités pour la délivrance des extraits cadastraux, relatif à l'unité PEB ou au bâtiment concernés.
Ces données sont conservées jusqu'à l'échéance du délai de cinq ans prévu aux articles 2.6.1, 2.6.1/1 et 2.6.2. Dans le cas où un non-respect a été constaté, ces données sont conservées jusqu'à la fin du délai de trois ans prévu à l'article 2.6.4, § 4 à compter du délai de cinq ans précité.]3
[2 § 2.]2 Par dérogation [1 à l'article 45, [2 alinéa 2]2, de ce code]1, [2 l'amende est acquittée par versement au compte du]2 Fonds relatif à la politique de l'énergie visé à l'article 2, 16°, de l'ordonnance du 12 décembre 1991 créant des fonds budgétaires et [1 par dérogation à l'article 45, alinéa 6 de ce code]1 la décision d'infliger une amende administrative n'est pas notifiée au Procureur du Roi.
[2 § 3. Le paiement de l'amende administrative éteint la possibilité d'infliger une nouvelle amende pour le non-respect visé dans le document ou le constat sur la base duquel l'amende a été imposée.]2
[2 § 4. Si un nouveau non-respect est constaté dans les trois ans à compter de la date du document visé aux articles 2.6.1, 2.6.2 ou 2.6.3, le montant de l'amende peut être doublé.]2
[3 § 5. Dans le cadre du traitement des amendes administratives visées au présent chapitre, les données à caractère personnel peuvent être collectées et traitées par Bruxelles Environnement en vue de sanctionner le non-respect des obligations reprises aux fins précisées dans les dispositions des articles 2.2.3 à 2.2.17/1 et 2.2.28:
1° l'identité du contrevenant (nom, prénom, résidence principale);
2° le numéro d'identification du registre national du contrevenant, dans le cadre d'une autorisation de son utilisation dans le chef de Bruxelles Environnement au sens de l'article 8 de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques;
3° l'identifiant parcellaire cadastral, attribué conformément à l'article 10 de l'arrêté royal du 30 juillet 2018 relatif à la constitution et la mise à jour de la documentation cadastrale et fixant les modalités pour la délivrance des extraits cadastraux, relatif à l'unité PEB ou au bâtiment concernés.
Ces données sont conservées jusqu'à l'échéance du délai de cinq ans prévu aux articles 2.6.1, 2.6.1/1 et 2.6.2. Dans le cas où un non-respect a été constaté, ces données sont conservées jusqu'à la fin du délai de trois ans prévu à l'article 2.6.4, § 4 à compter du délai de cinq ans précité.]3
Art. 2.6.4. [2 § 1.]2 [2 Onder voorbehoud van § 2, zijn de artikelen 45, leden 1, 2, 4 en 6 ; 47, 49, 51 en 54, §§ 1, 2 en 3]2 [1 van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven en milieuaansprakelijkheid]1 van toepassing op de boeten bedoeld in dit hoofdstuk.
[2 § 2.]2 In afwijking [1 van artikel 45, [2 tweede lid]2 van dat wetboek]1, [2 wordt de geldboete gestort op het rekeningnummer van]2 het Fonds inzake Energiebeleid bedoeld in artikel 2, 16° van de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen en [1 in afwijking van artikel 45, zesde lid van dat wetboek]1 de beslissing om een administratieve boete op te leggen wordt niet meegedeeld aan de Procureur des Konings.
[2 § 3. De betaling van de administratieve boete maakt een einde aan de mogelijkheid om een nieuwe boete op te leggen voor het gebrek aan inachtneming zoals bedoeld in het document of de vaststelling op basis waarvan de boete werd opgelegd.]2
[2 § 4. Wordt er opnieuw een geval van gebrek aan inachtneming vastgesteld binnen de drie jaar vanaf de datum van het document zoals bedoeld in de artikelen 2.6.1, 2.6.2 of 2.6.3, dan kan het bedrag van de boete worden verdubbeld.]2
[3 § 5. In het kader van de verwerking van de administratieve boetes, zoals bedoeld in dit hoofdstuk, kunnen de persoonsgegevens door Leefmilieu Brussel worden verzameld en verwerkt om de niet-naleving van de in artikelen 2.2.3 tot en met 2.2.17/1 en 2.2.28 hernomen verplichtingen te bestraffen:
1° de identiteit van de overtreder (naam, voornaam, hoofdverblijfplaats);
2° het identificatienummer van het Rijksregister van de overtreder, in het kader van een gebruiksvergunning door Leefmilieu Brussel in de zin van artikel 8 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;
3° de kadastrale perceelsidentificatie, toegekend overeenkomstig artikel 10 van het koninklijk besluit van 30 juli 2018 betreffende het aanleggen en bijhouden van de kadastrale documentatie en tot vaststelling van de modaliteiten voor het afleveren van kadastrale uittreksels, betreffende de betrokken EPB-eenheid of het betrokken gebouw.
Deze gegevens worden bewaard tot het einde van de in de artikelen 2.6.1, 2.6.1/1 en 2.6.2 bedoelde periode van vijf jaar. In geval van niet-naleving worden deze gegevens bewaard tot het einde van de in artikel 2.6.4, § 4, bedoelde periode van drie jaar, vanaf de bovengenoemde periode van vijf jaar.]3
[2 § 2.]2 In afwijking [1 van artikel 45, [2 tweede lid]2 van dat wetboek]1, [2 wordt de geldboete gestort op het rekeningnummer van]2 het Fonds inzake Energiebeleid bedoeld in artikel 2, 16° van de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen en [1 in afwijking van artikel 45, zesde lid van dat wetboek]1 de beslissing om een administratieve boete op te leggen wordt niet meegedeeld aan de Procureur des Konings.
[2 § 3. De betaling van de administratieve boete maakt een einde aan de mogelijkheid om een nieuwe boete op te leggen voor het gebrek aan inachtneming zoals bedoeld in het document of de vaststelling op basis waarvan de boete werd opgelegd.]2
[2 § 4. Wordt er opnieuw een geval van gebrek aan inachtneming vastgesteld binnen de drie jaar vanaf de datum van het document zoals bedoeld in de artikelen 2.6.1, 2.6.2 of 2.6.3, dan kan het bedrag van de boete worden verdubbeld.]2
[3 § 5. In het kader van de verwerking van de administratieve boetes, zoals bedoeld in dit hoofdstuk, kunnen de persoonsgegevens door Leefmilieu Brussel worden verzameld en verwerkt om de niet-naleving van de in artikelen 2.2.3 tot en met 2.2.17/1 en 2.2.28 hernomen verplichtingen te bestraffen:
1° de identiteit van de overtreder (naam, voornaam, hoofdverblijfplaats);
2° het identificatienummer van het Rijksregister van de overtreder, in het kader van een gebruiksvergunning door Leefmilieu Brussel in de zin van artikel 8 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;
3° de kadastrale perceelsidentificatie, toegekend overeenkomstig artikel 10 van het koninklijk besluit van 30 juli 2018 betreffende het aanleggen en bijhouden van de kadastrale documentatie en tot vaststelling van de modaliteiten voor het afleveren van kadastrale uittreksels, betreffende de betrokken EPB-eenheid of het betrokken gebouw.
Deze gegevens worden bewaard tot het einde van de in de artikelen 2.6.1, 2.6.1/1 en 2.6.2 bedoelde periode van vijf jaar. In geval van niet-naleving worden deze gegevens bewaard tot het einde van de in artikel 2.6.4, § 4, bedoelde periode van drie jaar, vanaf de bovengenoemde periode van vijf jaar.]3
Art. 2.6.4. [2 § 1er.]2 [2 Sous réserve du § 2, les articles 45, alinéas 1er, 2, 4 et 6 ; 47, 49, 51 et 54, §§ 1er, 2 et 3]2 [1 du Code de l'inspection, la prévention, la constatation et la répression des infractions en matière d'environnement et de la responsabilité environnementale]1 sont applicables aux amendes visées au présent chapitre.
[2 § 2.]2 Par dérogation [1 à l'article 45, [2 alinéa 2]2, de ce code]1, [2 l'amende est acquittée par versement au compte du]2 Fonds relatif à la politique de l'énergie visé à l'article 2, 16°, de l'ordonnance du 12 décembre 1991 créant des fonds budgétaires et [1 par dérogation à l'article 45, alinéa 6 de ce code]1 la décision d'infliger une amende administrative n'est pas notifiée au Procureur du Roi.
[2 § 3. Le paiement de l'amende administrative éteint la possibilité d'infliger une nouvelle amende pour le non-respect visé dans le document ou le constat sur la base duquel l'amende a été imposée.]2
[2 § 4. Si un nouveau non-respect est constaté dans les trois ans à compter de la date du document visé aux articles 2.6.1, 2.6.2 ou 2.6.3, le montant de l'amende peut être doublé.]2
[3 § 5. Dans le cadre du traitement des amendes administratives visées au présent chapitre, les données à caractère personnel peuvent être collectées et traitées par Bruxelles Environnement en vue de sanctionner le non-respect des obligations reprises aux fins précisées dans les dispositions des articles 2.2.3 à 2.2.17/1 et 2.2.28:
1° l'identité du contrevenant (nom, prénom, résidence principale);
2° le numéro d'identification du registre national du contrevenant, dans le cadre d'une autorisation de son utilisation dans le chef de Bruxelles Environnement au sens de l'article 8 de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques;
3° l'identifiant parcellaire cadastral, attribué conformément à l'article 10 de l'arrêté royal du 30 juillet 2018 relatif à la constitution et la mise à jour de la documentation cadastrale et fixant les modalités pour la délivrance des extraits cadastraux, relatif à l'unité PEB ou au bâtiment concernés.
Ces données sont conservées jusqu'à l'échéance du délai de cinq ans prévu aux articles 2.6.1, 2.6.1/1 et 2.6.2. Dans le cas où un non-respect a été constaté, ces données sont conservées jusqu'à la fin du délai de trois ans prévu à l'article 2.6.4, § 4 à compter du délai de cinq ans précité.]3
[2 § 2.]2 Par dérogation [1 à l'article 45, [2 alinéa 2]2, de ce code]1, [2 l'amende est acquittée par versement au compte du]2 Fonds relatif à la politique de l'énergie visé à l'article 2, 16°, de l'ordonnance du 12 décembre 1991 créant des fonds budgétaires et [1 par dérogation à l'article 45, alinéa 6 de ce code]1 la décision d'infliger une amende administrative n'est pas notifiée au Procureur du Roi.
[2 § 3. Le paiement de l'amende administrative éteint la possibilité d'infliger une nouvelle amende pour le non-respect visé dans le document ou le constat sur la base duquel l'amende a été imposée.]2
[2 § 4. Si un nouveau non-respect est constaté dans les trois ans à compter de la date du document visé aux articles 2.6.1, 2.6.2 ou 2.6.3, le montant de l'amende peut être doublé.]2
[3 § 5. Dans le cadre du traitement des amendes administratives visées au présent chapitre, les données à caractère personnel peuvent être collectées et traitées par Bruxelles Environnement en vue de sanctionner le non-respect des obligations reprises aux fins précisées dans les dispositions des articles 2.2.3 à 2.2.17/1 et 2.2.28:
1° l'identité du contrevenant (nom, prénom, résidence principale);
2° le numéro d'identification du registre national du contrevenant, dans le cadre d'une autorisation de son utilisation dans le chef de Bruxelles Environnement au sens de l'article 8 de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques;
3° l'identifiant parcellaire cadastral, attribué conformément à l'article 10 de l'arrêté royal du 30 juillet 2018 relatif à la constitution et la mise à jour de la documentation cadastrale et fixant les modalités pour la délivrance des extraits cadastraux, relatif à l'unité PEB ou au bâtiment concernés.
Ces données sont conservées jusqu'à l'échéance du délai de cinq ans prévu aux articles 2.6.1, 2.6.1/1 et 2.6.2. Dans le cas où un non-respect a été constaté, ces données sont conservées jusqu'à la fin du délai de trois ans prévu à l'article 2.6.4, § 4 à compter du délai de cinq ans précité.]3
Art. 2.6.5. Wordt gestraft [1 met de straf voorzien in artikel 31, § 1, van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid]1, hij die :
[5 1°]5 als aangever nalaat een EPB-adviseur aan te wijzen overeenkomstig het voorschrift van artikel 2.2.9, § 1;
[5 2°]5 als aangever nalaat de wijziging mee te delen van de aangever, EPB-adviseur of architect overeenkomstig de voorschriften van artikel 2.2.9, § 2;
[5 3°]5 als aangever de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden niet bezorgt overeenkomstig de voorschriften van artikel 2.2.8;
[5 4°]5 als architect [5 of EPB-deskundige]5 de verplichtingen waarin artikel 2.2.10 voorziet of die vastgelegd werden door de Regering krachtens artikel 2.2.10 niet nakomt;
[5 5°]5 als aangever de verplichtingen opgelegd door artikel 2.2.9, § 4 [2 , artikel 2.2.10, §§ 1 en 5 en de krachtens artikel 2.2.10, § 6 opgelegde verplichtingen]2 niet nakomt;
[5 6°]5 [5 als aangever, na het verstrijken van de in artikel 2.2.11 bedoelde termijn in gebreke blijft de EPB-aangifte te bezorgen]5;
[5 7°]5 als de persoon die de plicht heeft de verplichting volgens de voorwaarden vastgesteld door de Regering krachtens artikel 2.2.17 niet naleeft [2 of de eisen niet in acht neemt die de Regering heeft vastgesteld krachtens artikel 2.2.15 wat aanleiding kan geven tot gevaren of hinder voor het milieu en de menselijke gezondheid]2;
[5 8°]5 zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel [5 2.2.13]5, § 1, 1° deze niet naleeft;
[5 9°]5 zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel [5 2.2.13]5, § 1, 2° deze niet naleeft;
[5 10°]5 zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel [5 2.2.13]5, § 1, 3° deze niet naleeft;
[5 11°]5 zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel [5 2.4.11, § 1]5 deze niet naleeft;
[5 12°]5 [5 als aangever, EPB-deskundige of architect een EPB-aangifte opmaakt die niet beantwoordt aan de voorschriften van artikel 2.2.11 of die niet beantwoordt aan de werkelijkheid]5;
[5 13°]5 zijnde onderworpen aan de erkenning bedoeld in artikel 2.5.1. zonder erkenning werkt;
[5 14°]5 als aangever de EPB-adviseur of het kwaliteitscontroleorgaan belet zijn recht op vrije toegang tot de werf uit te oefenen overeenkomstig respectievelijk artikelen 2.2.9, § 3 en 2.5.4;
o) [4 ...]4
[5 15° als EPB-deskundige een EPB-certificaat opmaakt die niet beantwoordt aan de werkelijkheid;]5
[5 16° als architect of EPB-deskundige na het verstrijken van de in artikel 2.2.11 bedoelde termijn in gebreke blijft het rekenbestand te bezorgen;]5
[5 17° als verantwoordelijke voor de naleving van de door de Regering vastgelegde EPB-eisen krachtens artikel 2.2.15, in het geval van technische installaties waarvan de activiteiten zijn ingedeeld krachtens artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, deze niet naleeft;]5
[5 18° als verantwoordelijke voor de naleving van de door de Regering vastgelegde EPB-eisen krachtens artikel 2.2.15, in het geval van technische installaties waarvan de activiteiten zijn ingedeeld krachtens artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, in de vorm en binnen de termijnen die de Regering ingevolge artikel 2.2.17 heeft vastgelegd, het attest van conformiteitsstelling niet indient;]5
[5 19° als titularis van een zakelijk recht op een EPB-eenheid niet over een geldig EPB-certificaat beschikt overeenkomstig artikel 2.2.4/2, § 1;]5
[5 20° als de persoon die een zakelijk recht of een persoonlijk genotsrecht op de EPB-eenheid heeft, de verplichtingen opgelegd door artikel 2.2.4/2, § 2, niet naleeft;]5
[5 21° als vereniging van mede-eigenaars de verplichtingen opgelegd in artikel 2.2.4/3, § 1, niet naleeft;]5
[5 22° zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.4.11, § 2, deze niet naleeft;]5
[5 23° zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.4.11, § 3, deze niet naleeft;]5
[5 24° als verantwoordelijke voor de naleving van de in artikel 2.2.28 beoogde verplichtingen, in het geval van technische installaties waarvan de activiteiten zijn ingedeeld krachtens artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, deze niet naleeft.]5
[5 1°]5 als aangever nalaat een EPB-adviseur aan te wijzen overeenkomstig het voorschrift van artikel 2.2.9, § 1;
[5 2°]5 als aangever nalaat de wijziging mee te delen van de aangever, EPB-adviseur of architect overeenkomstig de voorschriften van artikel 2.2.9, § 2;
[5 3°]5 als aangever de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden niet bezorgt overeenkomstig de voorschriften van artikel 2.2.8;
[5 4°]5 als architect [5 of EPB-deskundige]5 de verplichtingen waarin artikel 2.2.10 voorziet of die vastgelegd werden door de Regering krachtens artikel 2.2.10 niet nakomt;
[5 5°]5 als aangever de verplichtingen opgelegd door artikel 2.2.9, § 4 [2 , artikel 2.2.10, §§ 1 en 5 en de krachtens artikel 2.2.10, § 6 opgelegde verplichtingen]2 niet nakomt;
[5 6°]5 [5 als aangever, na het verstrijken van de in artikel 2.2.11 bedoelde termijn in gebreke blijft de EPB-aangifte te bezorgen]5;
[5 7°]5 als de persoon die de plicht heeft de verplichting volgens de voorwaarden vastgesteld door de Regering krachtens artikel 2.2.17 niet naleeft [2 of de eisen niet in acht neemt die de Regering heeft vastgesteld krachtens artikel 2.2.15 wat aanleiding kan geven tot gevaren of hinder voor het milieu en de menselijke gezondheid]2;
[5 8°]5 zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel [5 2.2.13]5, § 1, 1° deze niet naleeft;
[5 9°]5 zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel [5 2.2.13]5, § 1, 2° deze niet naleeft;
[5 10°]5 zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel [5 2.2.13]5, § 1, 3° deze niet naleeft;
[5 11°]5 zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel [5 2.4.11, § 1]5 deze niet naleeft;
[5 12°]5 [5 als aangever, EPB-deskundige of architect een EPB-aangifte opmaakt die niet beantwoordt aan de voorschriften van artikel 2.2.11 of die niet beantwoordt aan de werkelijkheid]5;
[5 13°]5 zijnde onderworpen aan de erkenning bedoeld in artikel 2.5.1. zonder erkenning werkt;
[5 14°]5 als aangever de EPB-adviseur of het kwaliteitscontroleorgaan belet zijn recht op vrije toegang tot de werf uit te oefenen overeenkomstig respectievelijk artikelen 2.2.9, § 3 en 2.5.4;
o) [4 ...]4
[5 15° als EPB-deskundige een EPB-certificaat opmaakt die niet beantwoordt aan de werkelijkheid;]5
[5 16° als architect of EPB-deskundige na het verstrijken van de in artikel 2.2.11 bedoelde termijn in gebreke blijft het rekenbestand te bezorgen;]5
[5 17° als verantwoordelijke voor de naleving van de door de Regering vastgelegde EPB-eisen krachtens artikel 2.2.15, in het geval van technische installaties waarvan de activiteiten zijn ingedeeld krachtens artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, deze niet naleeft;]5
[5 18° als verantwoordelijke voor de naleving van de door de Regering vastgelegde EPB-eisen krachtens artikel 2.2.15, in het geval van technische installaties waarvan de activiteiten zijn ingedeeld krachtens artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, in de vorm en binnen de termijnen die de Regering ingevolge artikel 2.2.17 heeft vastgelegd, het attest van conformiteitsstelling niet indient;]5
[5 19° als titularis van een zakelijk recht op een EPB-eenheid niet over een geldig EPB-certificaat beschikt overeenkomstig artikel 2.2.4/2, § 1;]5
[5 20° als de persoon die een zakelijk recht of een persoonlijk genotsrecht op de EPB-eenheid heeft, de verplichtingen opgelegd door artikel 2.2.4/2, § 2, niet naleeft;]5
[5 21° als vereniging van mede-eigenaars de verplichtingen opgelegd in artikel 2.2.4/3, § 1, niet naleeft;]5
[5 22° zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.4.11, § 2, deze niet naleeft;]5
[5 23° zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.4.11, § 3, deze niet naleeft;]5
[5 24° als verantwoordelijke voor de naleving van de in artikel 2.2.28 beoogde verplichtingen, in het geval van technische installaties waarvan de activiteiten zijn ingedeeld krachtens artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, deze niet naleeft.]5
Wijzigingen
Art. 2.6.5. Est puni [1 de la peine prévue à l'article 31, § 1er, du Code de l'inspection, la prévention, la constatation et la répression des infractions en matière d'environnement et de la responsabilité environnementale]1, celui qui :
[5 1°]5 étant déclarant, omet de désigner un conseiller PEB conformément au prescrit de l'article 2.2.9, § 1er;
[5 2°]5 étant déclarant, omet de notifier le changement de déclarant, de conseiller PEB ou de l'architecte conformément aux prescrits de l'article 2.2.9, § 2;
[5 3°]5 étant déclarant, ne transmet pas la notification de début des travaux conformément aux prescrits de l'article 2.2.8;
[5 4°]5 étant architecte [5 ou expert PEB]5, ne respecte pas les obligations imposées par l'article 2.2.10 ou arrêtées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.10;
[5 5°]5 étant déclarant, ne respecte pas les obligations imposées par l'article 2.2.9, § 4 [2 , l'article 2.2.10, §§ 1er et 5 et les obligations imposées en vertu de l'article 2.2.10, § 6]2;
[5 6°]5 [5 étant déclarant, reste en défaut de notifier la déclaration PEB à l'expiration du délai visé à l'article 2.2.11]5;
[5 7°]5 étant la personne à qui il incombe de respecter les obligations dans les conditions arrêtées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.17, ne les respecte pas [2 ou ne respecte pas les exigences fixées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.15 pouvant entraîner des dangers ou nuisances pour l'environnement et la santé humaine]2;
[5 8°]5 étant soumis à l'obligation imposée à l'article [5 2.2.13]5, § 1er, 1° ne la respecte pas;
[5 9°]5 étant soumis à l'obligation imposée à l'article [5 2.2.13]5, § 1er, 2° ne la respecte pas;
[5 10°]5 étant soumis à l'obligation imposée à l'article [5 2.2.13]5, § 1er, 3° ne la respecte pas;
[5 11°]5 étant soumis à l'obligation imposée à l'article [5 2.4.11, § 1er]5 ne la respecte pas;
[5 12°]5 [5 étant déclarant, expert PEB ou architecte, établit une déclaration PEB non conforme au prescrit de l'article 2.2.11 ou non conforme à la réalité]5;
[5 13°]5 étant soumis à agrément visé à l'article 2.5.1, exerce sans être agréé;
[5 14°]5 étant déclarant, empêche le conseiller PEB ou l'organisme de contrôle de qualité d'exercer son droit d'accès libre au chantier conformément respectivement aux articles 2.2.9, § 3 et 2.5.4;
[5 15° étant expert PEB établit un certificat PEB non conforme à la réalité;]5
[5 16° étant architecte ou expert PEB, reste en défaut de notifier le fichier de calcul à l'expiration du délai visé à l'article 2.2.11;]5
[5 17° étant la personne à qui il incombe de respecter les exigences PEB fixées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.15 lorsqu'il s'agit d'installations techniques dont les activités sont classées en vertu de l'article 4 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, ne les respecte pas;]5
[5 18° étant la personne à qui il incombe de respecter les exigences PEB fixées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.15 lorsqu'il s'agit d'installations techniques dont les activités sont classées en vertu de l'article 4 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, ne transmet pas dans les formes et délais fixés par le Gouvernement en exécution de l'article 2.2.17, l'attestation qui démontre la mise en conformité;]5
[5 19° étant titulaire d'un droit réel sur une unité PEB, ne dispose pas d'un certificat PEB valide conformément à l'article 2.2.4/2, § 1er;]5
[5 20° étant la personne titulaire d'un droit réel ou d'un droit personnel de jouissance sur l'unité PEB ne respecte pas les obligations imposées par l'article 2.2.4/2, § 2;]5
[5 21° étant l'association de copropriétaires, ne respecte pas les obligations imposées à l'article 2.2.4/3, § 1er;]5
[5 22° étant soumis à l'obligation imposée à l'article 2.4.11, § 2, ne la respecte pas;]5
[5 23° étant soumis à l'obligation imposée à l'article 2.4.11, § 3, ne la respecte pas;]5
[5 24° étant la personne à qui il incombe de respecter les obligations visées à l'article 2.2.28 lorsqu'il s'agit d'installations techniques dont les activités sont classées en vertu de l'article 4 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, ne les respecte pas.]5
o) [4 ...]4
[5 1°]5 étant déclarant, omet de désigner un conseiller PEB conformément au prescrit de l'article 2.2.9, § 1er;
[5 2°]5 étant déclarant, omet de notifier le changement de déclarant, de conseiller PEB ou de l'architecte conformément aux prescrits de l'article 2.2.9, § 2;
[5 3°]5 étant déclarant, ne transmet pas la notification de début des travaux conformément aux prescrits de l'article 2.2.8;
[5 4°]5 étant architecte [5 ou expert PEB]5, ne respecte pas les obligations imposées par l'article 2.2.10 ou arrêtées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.10;
[5 5°]5 étant déclarant, ne respecte pas les obligations imposées par l'article 2.2.9, § 4 [2 , l'article 2.2.10, §§ 1er et 5 et les obligations imposées en vertu de l'article 2.2.10, § 6]2;
[5 6°]5 [5 étant déclarant, reste en défaut de notifier la déclaration PEB à l'expiration du délai visé à l'article 2.2.11]5;
[5 7°]5 étant la personne à qui il incombe de respecter les obligations dans les conditions arrêtées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.17, ne les respecte pas [2 ou ne respecte pas les exigences fixées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.15 pouvant entraîner des dangers ou nuisances pour l'environnement et la santé humaine]2;
[5 8°]5 étant soumis à l'obligation imposée à l'article [5 2.2.13]5, § 1er, 1° ne la respecte pas;
[5 9°]5 étant soumis à l'obligation imposée à l'article [5 2.2.13]5, § 1er, 2° ne la respecte pas;
[5 10°]5 étant soumis à l'obligation imposée à l'article [5 2.2.13]5, § 1er, 3° ne la respecte pas;
[5 11°]5 étant soumis à l'obligation imposée à l'article [5 2.4.11, § 1er]5 ne la respecte pas;
[5 12°]5 [5 étant déclarant, expert PEB ou architecte, établit une déclaration PEB non conforme au prescrit de l'article 2.2.11 ou non conforme à la réalité]5;
[5 13°]5 étant soumis à agrément visé à l'article 2.5.1, exerce sans être agréé;
[5 14°]5 étant déclarant, empêche le conseiller PEB ou l'organisme de contrôle de qualité d'exercer son droit d'accès libre au chantier conformément respectivement aux articles 2.2.9, § 3 et 2.5.4;
[5 15° étant expert PEB établit un certificat PEB non conforme à la réalité;]5
[5 16° étant architecte ou expert PEB, reste en défaut de notifier le fichier de calcul à l'expiration du délai visé à l'article 2.2.11;]5
[5 17° étant la personne à qui il incombe de respecter les exigences PEB fixées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.15 lorsqu'il s'agit d'installations techniques dont les activités sont classées en vertu de l'article 4 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, ne les respecte pas;]5
[5 18° étant la personne à qui il incombe de respecter les exigences PEB fixées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.15 lorsqu'il s'agit d'installations techniques dont les activités sont classées en vertu de l'article 4 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, ne transmet pas dans les formes et délais fixés par le Gouvernement en exécution de l'article 2.2.17, l'attestation qui démontre la mise en conformité;]5
[5 19° étant titulaire d'un droit réel sur une unité PEB, ne dispose pas d'un certificat PEB valide conformément à l'article 2.2.4/2, § 1er;]5
[5 20° étant la personne titulaire d'un droit réel ou d'un droit personnel de jouissance sur l'unité PEB ne respecte pas les obligations imposées par l'article 2.2.4/2, § 2;]5
[5 21° étant l'association de copropriétaires, ne respecte pas les obligations imposées à l'article 2.2.4/3, § 1er;]5
[5 22° étant soumis à l'obligation imposée à l'article 2.4.11, § 2, ne la respecte pas;]5
[5 23° étant soumis à l'obligation imposée à l'article 2.4.11, § 3, ne la respecte pas;]5
[5 24° étant la personne à qui il incombe de respecter les obligations visées à l'article 2.2.28 lorsqu'il s'agit d'installations techniques dont les activités sont classées en vertu de l'article 4 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, ne les respecte pas.]5
o) [4 ...]4
Art. 2.6.5. Wordt gestraft [1 met de straf voorzien in artikel 31, § 1, van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid]1, hij die :
[5 1°]5 als aangever nalaat een EPB-adviseur aan te wijzen overeenkomstig het voorschrift van artikel 2.2.9, § 1;
[5 2°]5 als aangever nalaat de wijziging mee te delen van de aangever, EPB-adviseur of architect overeenkomstig de voorschriften van artikel 2.2.9, § 2;
[5 3°]5 als aangever de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden niet bezorgt overeenkomstig de voorschriften van artikel 2.2.8;
[5 4°]5 als architect [5 of EPB-deskundige]5 de verplichtingen waarin artikel 2.2.10 voorziet of die vastgelegd werden door de Regering krachtens artikel 2.2.10 niet nakomt;
[5 5°]5 als aangever de verplichtingen opgelegd door artikel 2.2.9, § 4 [2 , artikel 2.2.10, §§ 1 en 5 en de krachtens artikel 2.2.10, § 6 opgelegde verplichtingen]2 niet nakomt;
[5 6°]5 [5 als aangever, na het verstrijken van de in artikel 2.2.11 bedoelde termijn in gebreke blijft de EPB-aangifte te bezorgen]5;
[5 7°]5 als de persoon die de plicht heeft de verplichting volgens de voorwaarden vastgesteld door de Regering krachtens artikel 2.2.17 niet naleeft [2 of de eisen niet in acht neemt die de Regering heeft vastgesteld krachtens artikel 2.2.15 wat aanleiding kan geven tot gevaren of hinder voor het milieu en de menselijke gezondheid]2;
[5 8°]5 zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel [5 2.2.13]5, § 1, 1° deze niet naleeft;
[5 9°]5 zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel [5 2.2.13]5, § 1, 2° deze niet naleeft;
[5 10°]5 zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel [5 2.2.13]5, § 1, 3° deze niet naleeft;
[5 11°]5 zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel [5 2.4.11, § 1]5 deze niet naleeft;
[5 12°]5 [5 als aangever, EPB-deskundige of architect een EPB-aangifte opmaakt die niet beantwoordt aan de voorschriften van artikel 2.2.11 of die niet beantwoordt aan de werkelijkheid]5;
[5 13°]5 zijnde onderworpen aan de erkenning bedoeld in artikel 2.5.1. zonder erkenning werkt;
[5 14°]5 als aangever de EPB-adviseur of het kwaliteitscontroleorgaan belet zijn recht op vrije toegang tot de werf uit te oefenen overeenkomstig respectievelijk artikelen 2.2.9, § 3 en 2.5.4;
o) [4 ...]4
[5 15° als EPB-deskundige een EPB-certificaat opmaakt die niet beantwoordt aan de werkelijkheid;]5
[5 16° als architect of EPB-deskundige na het verstrijken van de in artikel 2.2.11 bedoelde termijn in gebreke blijft het rekenbestand te bezorgen;]5
[5 17° als verantwoordelijke voor de naleving van de door de Regering vastgelegde EPB-eisen krachtens artikel 2.2.15, in het geval van technische installaties waarvan de activiteiten zijn ingedeeld krachtens artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, deze niet naleeft;]5
[5 18° als verantwoordelijke voor de naleving van de door de Regering vastgelegde EPB-eisen krachtens artikel 2.2.15, in het geval van technische installaties waarvan de activiteiten zijn ingedeeld krachtens artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, in de vorm en binnen de termijnen die de Regering ingevolge artikel 2.2.17 heeft vastgelegd, het attest van conformiteitsstelling niet indient;]5
[5 19° als titularis van een zakelijk recht op een EPB-eenheid niet over een geldig EPB-certificaat beschikt overeenkomstig artikel 2.2.4/2, § 1;]5
[5 20° als de persoon die een zakelijk recht of een persoonlijk genotsrecht op de EPB-eenheid heeft, de verplichtingen opgelegd door artikel 2.2.4/2, § 2, niet naleeft;]5
[5 21° als vereniging van mede-eigenaars de verplichtingen opgelegd in artikel 2.2.4/3, § 1, niet naleeft;]5
[5 22° zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.4.11, § 2, deze niet naleeft;]5
[5 23° zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.4.11, § 3, deze niet naleeft;]5
[5 24° als verantwoordelijke voor de naleving van de in artikel 2.2.28 beoogde verplichtingen, in het geval van technische installaties waarvan de activiteiten zijn ingedeeld krachtens artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, deze niet naleeft.]5
[5 1°]5 als aangever nalaat een EPB-adviseur aan te wijzen overeenkomstig het voorschrift van artikel 2.2.9, § 1;
[5 2°]5 als aangever nalaat de wijziging mee te delen van de aangever, EPB-adviseur of architect overeenkomstig de voorschriften van artikel 2.2.9, § 2;
[5 3°]5 als aangever de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden niet bezorgt overeenkomstig de voorschriften van artikel 2.2.8;
[5 4°]5 als architect [5 of EPB-deskundige]5 de verplichtingen waarin artikel 2.2.10 voorziet of die vastgelegd werden door de Regering krachtens artikel 2.2.10 niet nakomt;
[5 5°]5 als aangever de verplichtingen opgelegd door artikel 2.2.9, § 4 [2 , artikel 2.2.10, §§ 1 en 5 en de krachtens artikel 2.2.10, § 6 opgelegde verplichtingen]2 niet nakomt;
[5 6°]5 [5 als aangever, na het verstrijken van de in artikel 2.2.11 bedoelde termijn in gebreke blijft de EPB-aangifte te bezorgen]5;
[5 7°]5 als de persoon die de plicht heeft de verplichting volgens de voorwaarden vastgesteld door de Regering krachtens artikel 2.2.17 niet naleeft [2 of de eisen niet in acht neemt die de Regering heeft vastgesteld krachtens artikel 2.2.15 wat aanleiding kan geven tot gevaren of hinder voor het milieu en de menselijke gezondheid]2;
[5 8°]5 zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel [5 2.2.13]5, § 1, 1° deze niet naleeft;
[5 9°]5 zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel [5 2.2.13]5, § 1, 2° deze niet naleeft;
[5 10°]5 zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel [5 2.2.13]5, § 1, 3° deze niet naleeft;
[5 11°]5 zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel [5 2.4.11, § 1]5 deze niet naleeft;
[5 12°]5 [5 als aangever, EPB-deskundige of architect een EPB-aangifte opmaakt die niet beantwoordt aan de voorschriften van artikel 2.2.11 of die niet beantwoordt aan de werkelijkheid]5;
[5 13°]5 zijnde onderworpen aan de erkenning bedoeld in artikel 2.5.1. zonder erkenning werkt;
[5 14°]5 als aangever de EPB-adviseur of het kwaliteitscontroleorgaan belet zijn recht op vrije toegang tot de werf uit te oefenen overeenkomstig respectievelijk artikelen 2.2.9, § 3 en 2.5.4;
o) [4 ...]4
[5 15° als EPB-deskundige een EPB-certificaat opmaakt die niet beantwoordt aan de werkelijkheid;]5
[5 16° als architect of EPB-deskundige na het verstrijken van de in artikel 2.2.11 bedoelde termijn in gebreke blijft het rekenbestand te bezorgen;]5
[5 17° als verantwoordelijke voor de naleving van de door de Regering vastgelegde EPB-eisen krachtens artikel 2.2.15, in het geval van technische installaties waarvan de activiteiten zijn ingedeeld krachtens artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, deze niet naleeft;]5
[5 18° als verantwoordelijke voor de naleving van de door de Regering vastgelegde EPB-eisen krachtens artikel 2.2.15, in het geval van technische installaties waarvan de activiteiten zijn ingedeeld krachtens artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, in de vorm en binnen de termijnen die de Regering ingevolge artikel 2.2.17 heeft vastgelegd, het attest van conformiteitsstelling niet indient;]5
[5 19° als titularis van een zakelijk recht op een EPB-eenheid niet over een geldig EPB-certificaat beschikt overeenkomstig artikel 2.2.4/2, § 1;]5
[5 20° als de persoon die een zakelijk recht of een persoonlijk genotsrecht op de EPB-eenheid heeft, de verplichtingen opgelegd door artikel 2.2.4/2, § 2, niet naleeft;]5
[5 21° als vereniging van mede-eigenaars de verplichtingen opgelegd in artikel 2.2.4/3, § 1, niet naleeft;]5
[5 22° zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.4.11, § 2, deze niet naleeft;]5
[5 23° zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.4.11, § 3, deze niet naleeft;]5
[5 24° als verantwoordelijke voor de naleving van de in artikel 2.2.28 beoogde verplichtingen, in het geval van technische installaties waarvan de activiteiten zijn ingedeeld krachtens artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, deze niet naleeft.]5
Wijzigingen
Art. 2.6.5. Est puni [1 de la peine prévue à l'article 31, § 1er, du Code de l'inspection, la prévention, la constatation et la répression des infractions en matière d'environnement et de la responsabilité environnementale]1, celui qui :
[5 1°]5 étant déclarant, omet de désigner un conseiller PEB conformément au prescrit de l'article 2.2.9, § 1er;
[5 2°]5 étant déclarant, omet de notifier le changement de déclarant, de conseiller PEB ou de l'architecte conformément aux prescrits de l'article 2.2.9, § 2;
[5 3°]5 étant déclarant, ne transmet pas la notification de début des travaux conformément aux prescrits de l'article 2.2.8;
[5 4°]5 étant architecte [5 ou expert PEB]5, ne respecte pas les obligations imposées par l'article 2.2.10 ou arrêtées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.10;
[5 5°]5 étant déclarant, ne respecte pas les obligations imposées par l'article 2.2.9, § 4 [2 , l'article 2.2.10, §§ 1er et 5 et les obligations imposées en vertu de l'article 2.2.10, § 6]2;
[5 6°]5 [5 étant déclarant, reste en défaut de notifier la déclaration PEB à l'expiration du délai visé à l'article 2.2.11]5;
[5 7°]5 étant la personne à qui il incombe de respecter les obligations dans les conditions arrêtées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.17, ne les respecte pas [2 ou ne respecte pas les exigences fixées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.15 pouvant entraîner des dangers ou nuisances pour l'environnement et la santé humaine]2;
[5 8°]5 étant soumis à l'obligation imposée à l'article [5 2.2.13]5, § 1er, 1° ne la respecte pas;
[5 9°]5 étant soumis à l'obligation imposée à l'article [5 2.2.13]5, § 1er, 2° ne la respecte pas;
[5 10°]5 étant soumis à l'obligation imposée à l'article [5 2.2.13]5, § 1er, 3° ne la respecte pas;
[5 11°]5 étant soumis à l'obligation imposée à l'article [5 2.4.11, § 1er]5 ne la respecte pas;
[5 12°]5 [5 étant déclarant, expert PEB ou architecte, établit une déclaration PEB non conforme au prescrit de l'article 2.2.11 ou non conforme à la réalité]5;
[5 13°]5 étant soumis à agrément visé à l'article 2.5.1, exerce sans être agréé;
[5 14°]5 étant déclarant, empêche le conseiller PEB ou l'organisme de contrôle de qualité d'exercer son droit d'accès libre au chantier conformément respectivement aux articles 2.2.9, § 3 et 2.5.4;
[5 15° étant expert PEB établit un certificat PEB non conforme à la réalité;]5
[5 16° étant architecte ou expert PEB, reste en défaut de notifier le fichier de calcul à l'expiration du délai visé à l'article 2.2.11;]5
[5 17° étant la personne à qui il incombe de respecter les exigences PEB fixées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.15 lorsqu'il s'agit d'installations techniques dont les activités sont classées en vertu de l'article 4 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, ne les respecte pas;]5
[5 18° étant la personne à qui il incombe de respecter les exigences PEB fixées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.15 lorsqu'il s'agit d'installations techniques dont les activités sont classées en vertu de l'article 4 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, ne transmet pas dans les formes et délais fixés par le Gouvernement en exécution de l'article 2.2.17, l'attestation qui démontre la mise en conformité;]5
[5 19° étant titulaire d'un droit réel sur une unité PEB, ne dispose pas d'un certificat PEB valide conformément à l'article 2.2.4/2, § 1er;]5
[5 20° étant la personne titulaire d'un droit réel ou d'un droit personnel de jouissance sur l'unité PEB ne respecte pas les obligations imposées par l'article 2.2.4/2, § 2;]5
[5 21° étant l'association de copropriétaires, ne respecte pas les obligations imposées à l'article 2.2.4/3, § 1er;]5
[5 22° étant soumis à l'obligation imposée à l'article 2.4.11, § 2, ne la respecte pas;]5
[5 23° étant soumis à l'obligation imposée à l'article 2.4.11, § 3, ne la respecte pas;]5
[5 24° étant la personne à qui il incombe de respecter les obligations visées à l'article 2.2.28 lorsqu'il s'agit d'installations techniques dont les activités sont classées en vertu de l'article 4 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, ne les respecte pas.]5
o) [4 ...]4
[5 1°]5 étant déclarant, omet de désigner un conseiller PEB conformément au prescrit de l'article 2.2.9, § 1er;
[5 2°]5 étant déclarant, omet de notifier le changement de déclarant, de conseiller PEB ou de l'architecte conformément aux prescrits de l'article 2.2.9, § 2;
[5 3°]5 étant déclarant, ne transmet pas la notification de début des travaux conformément aux prescrits de l'article 2.2.8;
[5 4°]5 étant architecte [5 ou expert PEB]5, ne respecte pas les obligations imposées par l'article 2.2.10 ou arrêtées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.10;
[5 5°]5 étant déclarant, ne respecte pas les obligations imposées par l'article 2.2.9, § 4 [2 , l'article 2.2.10, §§ 1er et 5 et les obligations imposées en vertu de l'article 2.2.10, § 6]2;
[5 6°]5 [5 étant déclarant, reste en défaut de notifier la déclaration PEB à l'expiration du délai visé à l'article 2.2.11]5;
[5 7°]5 étant la personne à qui il incombe de respecter les obligations dans les conditions arrêtées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.17, ne les respecte pas [2 ou ne respecte pas les exigences fixées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.15 pouvant entraîner des dangers ou nuisances pour l'environnement et la santé humaine]2;
[5 8°]5 étant soumis à l'obligation imposée à l'article [5 2.2.13]5, § 1er, 1° ne la respecte pas;
[5 9°]5 étant soumis à l'obligation imposée à l'article [5 2.2.13]5, § 1er, 2° ne la respecte pas;
[5 10°]5 étant soumis à l'obligation imposée à l'article [5 2.2.13]5, § 1er, 3° ne la respecte pas;
[5 11°]5 étant soumis à l'obligation imposée à l'article [5 2.4.11, § 1er]5 ne la respecte pas;
[5 12°]5 [5 étant déclarant, expert PEB ou architecte, établit une déclaration PEB non conforme au prescrit de l'article 2.2.11 ou non conforme à la réalité]5;
[5 13°]5 étant soumis à agrément visé à l'article 2.5.1, exerce sans être agréé;
[5 14°]5 étant déclarant, empêche le conseiller PEB ou l'organisme de contrôle de qualité d'exercer son droit d'accès libre au chantier conformément respectivement aux articles 2.2.9, § 3 et 2.5.4;
[5 15° étant expert PEB établit un certificat PEB non conforme à la réalité;]5
[5 16° étant architecte ou expert PEB, reste en défaut de notifier le fichier de calcul à l'expiration du délai visé à l'article 2.2.11;]5
[5 17° étant la personne à qui il incombe de respecter les exigences PEB fixées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.15 lorsqu'il s'agit d'installations techniques dont les activités sont classées en vertu de l'article 4 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, ne les respecte pas;]5
[5 18° étant la personne à qui il incombe de respecter les exigences PEB fixées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.15 lorsqu'il s'agit d'installations techniques dont les activités sont classées en vertu de l'article 4 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, ne transmet pas dans les formes et délais fixés par le Gouvernement en exécution de l'article 2.2.17, l'attestation qui démontre la mise en conformité;]5
[5 19° étant titulaire d'un droit réel sur une unité PEB, ne dispose pas d'un certificat PEB valide conformément à l'article 2.2.4/2, § 1er;]5
[5 20° étant la personne titulaire d'un droit réel ou d'un droit personnel de jouissance sur l'unité PEB ne respecte pas les obligations imposées par l'article 2.2.4/2, § 2;]5
[5 21° étant l'association de copropriétaires, ne respecte pas les obligations imposées à l'article 2.2.4/3, § 1er;]5
[5 22° étant soumis à l'obligation imposée à l'article 2.4.11, § 2, ne la respecte pas;]5
[5 23° étant soumis à l'obligation imposée à l'article 2.4.11, § 3, ne la respecte pas;]5
[5 24° étant la personne à qui il incombe de respecter les obligations visées à l'article 2.2.28 lorsqu'il s'agit d'installations techniques dont les activités sont classées en vertu de l'article 4 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, ne les respecte pas.]5
o) [4 ...]4
Art. 2.6.6. Wordt gestraft [1 met de straf voorzien in artikel 31, § 1 van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid]1 :
a) het orgaan [3 of de in artikel 2.4.3 bedoelde overheid, die nalaat]3 een PLAGE-coördinator aan te stellen overeenkomstig artikel 2.2.23, § 1 of de maatregelen genomen krachtens artikel 2.2.23, § 1;
b) het orgaan [3 of de in artikel 2.4.3 bedoelde overheid, die nalaat]3 het actieprogramma [3 samen met het verslag van de PLAGE-revisor]3 mee te delen overeenkomstig artikel [3 2.2.23, § 3]3 of de maatregelen genomen krachtens artikel [3 2.2.23, § 3]3;
c) het orgaan [3 of de in artikel 2.4.3 bedoelde overheid, die nalaat]3 [3 het evaluatieverslag samen met het verslag van de PLAGE-revisor]3 te bezorgen overeenkomstig artikel 2.2.23, § 4 of de maatregelen genomen krachtens artikel 2.2.23, § 4;
d) [3 ...]3
[2 e) de onderneming die, zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.5.7, § 1, deze niet nakomt.]2
a) het orgaan [3 of de in artikel 2.4.3 bedoelde overheid, die nalaat]3 een PLAGE-coördinator aan te stellen overeenkomstig artikel 2.2.23, § 1 of de maatregelen genomen krachtens artikel 2.2.23, § 1;
b) het orgaan [3 of de in artikel 2.4.3 bedoelde overheid, die nalaat]3 het actieprogramma [3 samen met het verslag van de PLAGE-revisor]3 mee te delen overeenkomstig artikel [3 2.2.23, § 3]3 of de maatregelen genomen krachtens artikel [3 2.2.23, § 3]3;
c) het orgaan [3 of de in artikel 2.4.3 bedoelde overheid, die nalaat]3 [3 het evaluatieverslag samen met het verslag van de PLAGE-revisor]3 te bezorgen overeenkomstig artikel 2.2.23, § 4 of de maatregelen genomen krachtens artikel 2.2.23, § 4;
d) [3 ...]3
[2 e) de onderneming die, zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.5.7, § 1, deze niet nakomt.]2
Art. 2.6.6. Est puni [1 de la peine prévue à l'article 31, § 1er, du Code de l'inspection, la prévention, la constatation et la répression des infractions en matière d'environnement et de la responsabilité environnementale]1 :
a) l'organisme [3 ou le pouvoir public visé à l'article 2.4.3]3 qui omet de désigner un coordinateur PLAGE conformément à l'article 2.2.23, § 1er, ou aux dispositions prises en vertu de l'article 2.2.23, § 1er;
b) l'organisme [3 ou le pouvoir public visé à l'article 2.4.3]3 qui omet de communiquer le programme d'actions [3 accompagné du rapport du réviseur PLAGE]3 conformément à l'article 2.2.23, § 2 ou aux dispositions prises en vertu de l'article [3 2.2.23, § 3]3;
c) l'organisme [3 ou le pouvoir public visé à l'article 2.4.3]3 qui omet de communiquer [3 le rapport d'évaluation accompagné du rapport du réviseur PLAGE]3 conformément à l'article 2.2.23, § 4 ou aux dispositions prises en vertu de l'article 2.2.23, § 4;
d) [3 ...]3
[2 e) l'entreprise qui, étant soumise à l'obligation imposée à l'article 2.5.7, § 1er, ne la respecte pas.]2
a) l'organisme [3 ou le pouvoir public visé à l'article 2.4.3]3 qui omet de désigner un coordinateur PLAGE conformément à l'article 2.2.23, § 1er, ou aux dispositions prises en vertu de l'article 2.2.23, § 1er;
b) l'organisme [3 ou le pouvoir public visé à l'article 2.4.3]3 qui omet de communiquer le programme d'actions [3 accompagné du rapport du réviseur PLAGE]3 conformément à l'article 2.2.23, § 2 ou aux dispositions prises en vertu de l'article [3 2.2.23, § 3]3;
c) l'organisme [3 ou le pouvoir public visé à l'article 2.4.3]3 qui omet de communiquer [3 le rapport d'évaluation accompagné du rapport du réviseur PLAGE]3 conformément à l'article 2.2.23, § 4 ou aux dispositions prises en vertu de l'article 2.2.23, § 4;
d) [3 ...]3
[2 e) l'entreprise qui, étant soumise à l'obligation imposée à l'article 2.5.7, § 1er, ne la respecte pas.]2
Art. 2.6.8. [1 Wordt gestraft met de straf voorzien in artikel 31, § 1, van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid, hij die:
1° de lichtgevende reclame en de lichtgevende uithangborden van 23.00 tot 6.00 uur niet dooft overeenkomstig artikel 2.2.30;
2° de binnenverlichting van de handelszaken en de kantoren van 23.00 tot 6.00 uur niet dooft overeenkomstig artikel 2.2.31;
3° elk gebouw dat wordt verwarmd of gekoeld met behulp van een of meer verwarmings- of klimaat-regelingssystemen, niet uitrust met handmatige of automatische deuren overeenkomstig artikel 2.2.32;
4° de deuren van een gebouw dat wordt verwarmd of gekoeld met behulp van een of meer verwarmings- of klimaatregelingssystemen, openhoudt, in overtreding van artikel 2.2.32;
5° verwarmings- of klimaatregelingstoestellen gebruikt die gas verbruiken en buiten een gebouw werken, in overtreding van artikel 2.2.33.]1
1° de lichtgevende reclame en de lichtgevende uithangborden van 23.00 tot 6.00 uur niet dooft overeenkomstig artikel 2.2.30;
2° de binnenverlichting van de handelszaken en de kantoren van 23.00 tot 6.00 uur niet dooft overeenkomstig artikel 2.2.31;
3° elk gebouw dat wordt verwarmd of gekoeld met behulp van een of meer verwarmings- of klimaat-regelingssystemen, niet uitrust met handmatige of automatische deuren overeenkomstig artikel 2.2.32;
4° de deuren van een gebouw dat wordt verwarmd of gekoeld met behulp van een of meer verwarmings- of klimaatregelingssystemen, openhoudt, in overtreding van artikel 2.2.32;
5° verwarmings- of klimaatregelingstoestellen gebruikt die gas verbruiken en buiten een gebouw werken, in overtreding van artikel 2.2.33.]1
Art. 2.6.8. [1 Est puni de la peine prévue à l'article 31, § 1er, du Code de l'inspection, la prévention, la constatation et la répression des infractions en matière d'environnement et de la responsabilité environnementale, celui qui:
1° n'éteint pas les publicités lumineuses et les enseignes lumineuses de 23 heures à 6 heures conformément à l'article 2.2.30;
2° n'éteint pas l'éclairage intérieur des commerces et des bureaux de 23 heures à 6 heures conformément à l'article 2.2.31;
3° n'équipe pas un bâtiment, chauffé ou refroidi à l'aide d'un ou de plusieurs systèmes de chauffage ou de climatisations, de portes à fermeture manuelle ou automatique conformément à l'article 2.2.32;
4° maintient ouvertes les portes d'un bâtiment chauffé ou refroidi à l'aide d'un ou de plusieurs systèmes de chauffage ou de climatisation, en contravention à l'article 2.2.32;
5° utilise des dispositifs de chauffage ou de climatisation consommant du gaz et fonctionnant à l'extérieur d'un bâtiment, en contravention à l'article 2.2.33.]1
1° n'éteint pas les publicités lumineuses et les enseignes lumineuses de 23 heures à 6 heures conformément à l'article 2.2.30;
2° n'éteint pas l'éclairage intérieur des commerces et des bureaux de 23 heures à 6 heures conformément à l'article 2.2.31;
3° n'équipe pas un bâtiment, chauffé ou refroidi à l'aide d'un ou de plusieurs systèmes de chauffage ou de climatisations, de portes à fermeture manuelle ou automatique conformément à l'article 2.2.32;
4° maintient ouvertes les portes d'un bâtiment chauffé ou refroidi à l'aide d'un ou de plusieurs systèmes de chauffage ou de climatisation, en contravention à l'article 2.2.32;
5° utilise des dispositifs de chauffage ou de climatisation consommant du gaz et fonctionnant à l'extérieur d'un bâtiment, en contravention à l'article 2.2.33.]1
Art. 2.6.8. [1 Wordt gestraft met de straf voorzien in artikel 31, § 1, van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid, hij die:
1° de lichtgevende reclame en de lichtgevende uithangborden van 23.00 tot 6.00 uur niet dooft overeenkomstig artikel 2.2.30;
2° de binnenverlichting van de handelszaken en de kantoren van 23.00 tot 6.00 uur niet dooft overeenkomstig artikel 2.2.31;
3° elk gebouw dat wordt verwarmd of gekoeld met behulp van een of meer verwarmings- of klimaat-regelingssystemen, niet uitrust met handmatige of automatische deuren overeenkomstig artikel 2.2.32;
4° de deuren van een gebouw dat wordt verwarmd of gekoeld met behulp van een of meer verwarmings- of klimaatregelingssystemen, openhoudt, in overtreding van artikel 2.2.32;
5° verwarmings- of klimaatregelingstoestellen gebruikt die gas verbruiken en buiten een gebouw werken, in overtreding van artikel 2.2.33.]1
1° de lichtgevende reclame en de lichtgevende uithangborden van 23.00 tot 6.00 uur niet dooft overeenkomstig artikel 2.2.30;
2° de binnenverlichting van de handelszaken en de kantoren van 23.00 tot 6.00 uur niet dooft overeenkomstig artikel 2.2.31;
3° elk gebouw dat wordt verwarmd of gekoeld met behulp van een of meer verwarmings- of klimaat-regelingssystemen, niet uitrust met handmatige of automatische deuren overeenkomstig artikel 2.2.32;
4° de deuren van een gebouw dat wordt verwarmd of gekoeld met behulp van een of meer verwarmings- of klimaatregelingssystemen, openhoudt, in overtreding van artikel 2.2.32;
5° verwarmings- of klimaatregelingstoestellen gebruikt die gas verbruiken en buiten een gebouw werken, in overtreding van artikel 2.2.33.]1
Art. 2.6.8. [1 Est puni de la peine prévue à l'article 31, § 1er, du Code de l'inspection, la prévention, la constatation et la répression des infractions en matière d'environnement et de la responsabilité environnementale, celui qui:
1° n'éteint pas les publicités lumineuses et les enseignes lumineuses de 23 heures à 6 heures conformément à l'article 2.2.30;
2° n'éteint pas l'éclairage intérieur des commerces et des bureaux de 23 heures à 6 heures conformément à l'article 2.2.31;
3° n'équipe pas un bâtiment, chauffé ou refroidi à l'aide d'un ou de plusieurs systèmes de chauffage ou de climatisations, de portes à fermeture manuelle ou automatique conformément à l'article 2.2.32;
4° maintient ouvertes les portes d'un bâtiment chauffé ou refroidi à l'aide d'un ou de plusieurs systèmes de chauffage ou de climatisation, en contravention à l'article 2.2.32;
5° utilise des dispositifs de chauffage ou de climatisation consommant du gaz et fonctionnant à l'extérieur d'un bâtiment, en contravention à l'article 2.2.33.]1
1° n'éteint pas les publicités lumineuses et les enseignes lumineuses de 23 heures à 6 heures conformément à l'article 2.2.30;
2° n'éteint pas l'éclairage intérieur des commerces et des bureaux de 23 heures à 6 heures conformément à l'article 2.2.31;
3° n'équipe pas un bâtiment, chauffé ou refroidi à l'aide d'un ou de plusieurs systèmes de chauffage ou de climatisations, de portes à fermeture manuelle ou automatique conformément à l'article 2.2.32;
4° maintient ouvertes les portes d'un bâtiment chauffé ou refroidi à l'aide d'un ou de plusieurs systèmes de chauffage ou de climatisation, en contravention à l'article 2.2.32;
5° utilise des dispositifs de chauffage ou de climatisation consommant du gaz et fonctionnant à l'extérieur d'un bâtiment, en contravention à l'article 2.2.33.]1
Art. N2.1. BIJLAGE 2.1 - Algemene kaderrichtsnoeren voor de berekening van de energieprestatie van de gebouwen
Art. N2.1. ANNEXE 2.1 - Cadre général pour le calcul de la performance énergétique des bâtiments
Art. N2. 1. BIJLAGE 2.1 - Algemene kaderrichtsnoeren voor de berekening van de energieprestatie van de gebouwen
1. De energieprestatie van een gebouw wordt bepaald op basis van [1 het jaarlijkse effectieve of geraamde energieverbruik]1 [2 en geeft het normale energieverbruik weer voor ruimteverwarming, ruimtekoeling, warm water voor huishoudelijke doeleinden, ventilatie, ingebouwde verlichting en andere technische bouwsystemen]2.
2. De energieprestatie van een gebouw wordt [2 ten behoeve zowel van energieprestatiecertificering als conformiteit met de minimumeisen inzake energieprestatie wordt de energieprestatie van een gebouw uitgedrukt in een numerieke indicator van het primaire energieverbruik in kWH/(m2 per jaar). De methode voor de bepaling van de energieprestatie van een gebouw is transparant en vatbaar voor innovatie]2.
[2 ...]2
[2 [3 2/1.]3 De energiebehoeften voor ruimteverwarming, ruimtekoeling, warm water voor huishoudelijke doeleinden, ventilatie, verlichting en andere technische bouwsystemen worden berekend teneinde de normen inzake gezondheid, binnenluchtkwaliteit en comfort te optimaliseren.Primaire energie wordt berekend op basis van primaire-energie- of wegingsfactoren per energiedrager, zoals vastgesteld door de Regering.]2
3. Bij de bepaling van de berekeningsmethode [1 op basis van het geraamde energieverbruik]1 worden ten minste de volgende aspecten in aanmerking genomen :
a) de volgende feitelijke thermische kenmerken van het gebouw, inclusief scheidingswanden :
i) warmtecapaciteit;
ii) isolatie;
iii) passieve verwarming;
iv) koelingselementen;
v) koudebruggen;
b) verwarmingsinstallatie en warmwatervoorziening, met inbegrip van de isolatiekenmerken;
c) [2 ...]2;
d) natuurlijke en mechanische ventilatie, wat ook luchtdichtheid kan omvatten;
e) ingebouwde lichtinstallatie (vooral buiten de woonsector);
f) ontwerp, plaatsing en plaatsbepaling van het gebouw, met inbegrip van het buitenklimaat;
g) passieve zonnesystemen en zonnewering;
h) de omstandigheden betreffende het binnenklimaat, inclusief het kunstmatig binnenklimaat;
i) interne belasting.
[1 De berekeningsmethode op basis van de jaarlijkse effectief verbruikte energie houdt ten minste rekening met de volgende elementen :
a) de hoeveelheid effectief verbruikte energie door :
i) de uitrustingen nodig voor de regulering van het binnenklimaat met het oog op het comfort van de gebruikers ;
ii) de installaties en uitrustingen nodig voor het gebruik van het gebouw ;
b) methoden van meting van energieverbruik aangepast aan het type energie ;
c) de positieve invloed, indien daar reden toe is :
i) van de actieve zonnesystemen en andere systemen voor verwarming en elektriciteitsproductie die gebruik maken van de energie die wordt geproduceerd uit hernieuwbare bronnen ;
ii) van de elektriciteit geproduceerd door warmtekrachtkoppeling ;
iii) van de stedelijke of collectieve verwarmings- en afkoelingssystemen ;
d) de tijdelijke voorwaarden die toepasselijk zijn op de verbruiks- of productiegegevens ;
e) de factoren van interpolatie/extrapolatie, normalisering en conversie.]1
4. [1 ...]1
5. Voor deze berekening, [1 kunnen de gebouwen onderverdeeld worden]1 in de volgende categorieën :
a) eengezinswoningen van verschillende typen;
b) gemeenschappelijk residentieel;
c) kantoren;
d) onderwijsgebouwen;
e) ziekenhuizen;
f) hotels en restaurants;
g) sportvoorzieningen;
h) groot- en kleinhandelsgebouwen;
i) andere typen energieverbruikende gebouwen.
[2 [3 5/1.]3 Bij de berekening wordt rekening gehouden met de positieve invloed van de volgende aspecten :
a) plaatselijke blootstelling aan zonlicht, actieve zonnesystemen en andere verwarmings- en elektriciteitssystemen op basis van energie uit hernieuwbare bronnen ;
b) elektriciteit geproduceerd door middel van warmtekrachtkoppeling ;
c) stadsverwarmings- en stadskoelingssystemen of blokverwarmings- en blokkoelingssystemen ;
d) natuurlijk licht.]2
[3 6. Het aardopwarmingsvermogen (GWP) wordt uitgedrukt als een numerieke indicator voor elke levenscyclusfase, uitgedrukt in kgCO2 eq/(m2.jaar) waarvan het gemiddelde wordt berekend over één jaar van een 50-jarige basisstudieperiode. De gegevensselectie, de scenariobepaling en de berekeningen worden uitgevoerd in overeenstemming met EN 15978 (EN 15978:2011 Sustainability of construction works. Assessment of environmental performance of buildings. Calculation method).]3
1. De energieprestatie van een gebouw wordt bepaald op basis van [1 het jaarlijkse effectieve of geraamde energieverbruik]1 [2 en geeft het normale energieverbruik weer voor ruimteverwarming, ruimtekoeling, warm water voor huishoudelijke doeleinden, ventilatie, ingebouwde verlichting en andere technische bouwsystemen]2.
2. De energieprestatie van een gebouw wordt [2 ten behoeve zowel van energieprestatiecertificering als conformiteit met de minimumeisen inzake energieprestatie wordt de energieprestatie van een gebouw uitgedrukt in een numerieke indicator van het primaire energieverbruik in kWH/(m2 per jaar). De methode voor de bepaling van de energieprestatie van een gebouw is transparant en vatbaar voor innovatie]2.
[2 ...]2
[2 [3 2/1.]3 De energiebehoeften voor ruimteverwarming, ruimtekoeling, warm water voor huishoudelijke doeleinden, ventilatie, verlichting en andere technische bouwsystemen worden berekend teneinde de normen inzake gezondheid, binnenluchtkwaliteit en comfort te optimaliseren.Primaire energie wordt berekend op basis van primaire-energie- of wegingsfactoren per energiedrager, zoals vastgesteld door de Regering.]2
3. Bij de bepaling van de berekeningsmethode [1 op basis van het geraamde energieverbruik]1 worden ten minste de volgende aspecten in aanmerking genomen :
a) de volgende feitelijke thermische kenmerken van het gebouw, inclusief scheidingswanden :
i) warmtecapaciteit;
ii) isolatie;
iii) passieve verwarming;
iv) koelingselementen;
v) koudebruggen;
b) verwarmingsinstallatie en warmwatervoorziening, met inbegrip van de isolatiekenmerken;
c) [2 ...]2;
d) natuurlijke en mechanische ventilatie, wat ook luchtdichtheid kan omvatten;
e) ingebouwde lichtinstallatie (vooral buiten de woonsector);
f) ontwerp, plaatsing en plaatsbepaling van het gebouw, met inbegrip van het buitenklimaat;
g) passieve zonnesystemen en zonnewering;
h) de omstandigheden betreffende het binnenklimaat, inclusief het kunstmatig binnenklimaat;
i) interne belasting.
[1 De berekeningsmethode op basis van de jaarlijkse effectief verbruikte energie houdt ten minste rekening met de volgende elementen :
a) de hoeveelheid effectief verbruikte energie door :
i) de uitrustingen nodig voor de regulering van het binnenklimaat met het oog op het comfort van de gebruikers ;
ii) de installaties en uitrustingen nodig voor het gebruik van het gebouw ;
b) methoden van meting van energieverbruik aangepast aan het type energie ;
c) de positieve invloed, indien daar reden toe is :
i) van de actieve zonnesystemen en andere systemen voor verwarming en elektriciteitsproductie die gebruik maken van de energie die wordt geproduceerd uit hernieuwbare bronnen ;
ii) van de elektriciteit geproduceerd door warmtekrachtkoppeling ;
iii) van de stedelijke of collectieve verwarmings- en afkoelingssystemen ;
d) de tijdelijke voorwaarden die toepasselijk zijn op de verbruiks- of productiegegevens ;
e) de factoren van interpolatie/extrapolatie, normalisering en conversie.]1
4. [1 ...]1
5. Voor deze berekening, [1 kunnen de gebouwen onderverdeeld worden]1 in de volgende categorieën :
a) eengezinswoningen van verschillende typen;
b) gemeenschappelijk residentieel;
c) kantoren;
d) onderwijsgebouwen;
e) ziekenhuizen;
f) hotels en restaurants;
g) sportvoorzieningen;
h) groot- en kleinhandelsgebouwen;
i) andere typen energieverbruikende gebouwen.
[2 [3 5/1.]3 Bij de berekening wordt rekening gehouden met de positieve invloed van de volgende aspecten :
a) plaatselijke blootstelling aan zonlicht, actieve zonnesystemen en andere verwarmings- en elektriciteitssystemen op basis van energie uit hernieuwbare bronnen ;
b) elektriciteit geproduceerd door middel van warmtekrachtkoppeling ;
c) stadsverwarmings- en stadskoelingssystemen of blokverwarmings- en blokkoelingssystemen ;
d) natuurlijk licht.]2
[3 6. Het aardopwarmingsvermogen (GWP) wordt uitgedrukt als een numerieke indicator voor elke levenscyclusfase, uitgedrukt in kgCO2 eq/(m2.jaar) waarvan het gemiddelde wordt berekend over één jaar van een 50-jarige basisstudieperiode. De gegevensselectie, de scenariobepaling en de berekeningen worden uitgevoerd in overeenstemming met EN 15978 (EN 15978:2011 Sustainability of construction works. Assessment of environmental performance of buildings. Calculation method).]3
Art. N2. 1. ANNEXE 2.1 - Cadre général pour le calcul de la performance énergétique des bâtiments
1. La performance énergétique d'un bâtiment est déterminée sur la base [1 de l'énergie effectivement consommée ou estimée annuellement]1 [2 et correspond à la consommation énergétique courante pour le chauffage des locaux, le refroidissement des locaux, la production d'eau chaude sanitaire, la ventilation, l'éclairage intégré et d'autres systèmes techniques de bâtiment]2.
2. La performance énergétique d'un bâtiment est exprimée [2 au moyen d'un indicateur numérique d'utilisation d'énergie primaire en kWH/(m2.an), pour les besoins tant de la certification de la performance énergétique que de la conformité aux exigences minimales en matière de performance énergétique. La méthode appliquée pour la détermination de la performance énergétique d'un bâtiment est transparente et ouverte à l'innovation]2.
[2 ...]2
[2 [3 2/1]3. Les besoins énergétiques liés au chauffage des locaux, au refroidissement des locaux, à la production d'eau chaude sanitaire, à la ventilation, à l'éclairage et à d'autres systèmes techniques de bâtiment sont calculés de manière à optimiser les niveaux de santé, de qualité de l'air intérieur et de confort.L'énergie primaire est calculée sur la base de facteurs d'énergie primaire associés à chaque transporteur d'énergie, tels que déterminés par le Gouvernement.]2
3. La méthode de calcul [1 sur la base de l'énergie estimée]1 est déterminée en tenant au moins compte des éléments suivants :
a) les caractéristiques thermiques réelles suivantes du bâtiment, y compris ses subdivisions internes :
i) capacité thermique;
ii) isolation;
iii) chauffage passif;
iv) éléments de refroidissement;
v) ponts thermiques;
b) les équipements de chauffage et approvisionnement en eau chaude, y compris leurs caractéristiques en matière d'isolation;
c) [2 ...]2
d) la ventilation naturelle et mécanique, et éventuellement l'étanchéité à l'air;
e) l'installation d'éclairage intégrée (principalement dans le secteur non résidentiel);
f) la conception, l'emplacement et l'orientation du bâtiment, y compris le climat extérieur;
g) les systèmes solaires passifs et la protection solaire;
h) les conditions climatiques intérieures, y compris le climat intérieur prévu;
i) les charges internes.
[1 La méthode de calcul sur la base de l'énergie effectivement consommée annuellement tient au moins compte des éléments suivants :
a) la quantité d'énergie effectivement consommée par :
i) les équipements nécessaires à la régulation du climat intérieur pour le confort des personnes ;
ii) les installations et équipements nécessaires à l'utilisation du bâtiment ;
b) des méthodes de mesure de consommation d'énergie adaptées au type d'énergie ;
c) de l'influence positive, s'il y a lieu :
i) des systèmes solaires actifs et autres systèmes de chauffage et de production d'électricité faisant appel aux énergies produites à partir de sources renouvelables ;
ii) de l'électricité produite par cogénération ;
iii) des systèmes de chauffage et de refroidissement urbains ou collectifs ;
d) des conditions temporelles applicables aux données de consommation ou de production ;
e) des facteurs d'interpolation/extrapolation, de normalisation et de conversion.]1
4. [1 ...]1
[2 [3 5/1]3. On tient compte dans le calcul, de l'influence positive des éléments suivants :
a) l'exposition solaire locale, les systèmes solaires actifs et autres systèmes de chauffage et de production d'électricité faisant appel aux énergies produites à partir de sources renouvelables ;
b) l'électricité produite par cogénération ;
c) les systèmes de chauffage et de refroidissement urbains ou collectifs ;
d) l'éclairage naturel.]2
5. Pour les besoins du calcul, les bâtiments [1 peuvent être classés]1 dans les catégories suivantes :
a) habitations individuelles de différents types;
b) résidentiel commun;
c) bureaux;
d) bâtiments d'enseignement;
e) hôpitaux;
f) hôtels et restaurants;
g) installations sportives;
h) bâtiments abritant des services de vente en gros et au détail;
i) autres types de bâtiments consommateurs d'énergie.
[3 6. Le potentiel de réchauffement planétaire (PRP) est exprimé au moyen d'un indicateur numérique pour chaque étape du cycle de vie, exprimé en kgCO2 eq/(m2.an) dont la moyenne est calculée pour une année d'une période d'étude de référence de 50 ans. La sélection des données, la définition des scénarios et les calculs sont effectués conformément à la norme EN 15978 (EN 15978:2011 Contribution des ouvrages de construction au développement durable. Evaluation de la performance environnementale des bâtiments. Méthode de calcul).]3
1. La performance énergétique d'un bâtiment est déterminée sur la base [1 de l'énergie effectivement consommée ou estimée annuellement]1 [2 et correspond à la consommation énergétique courante pour le chauffage des locaux, le refroidissement des locaux, la production d'eau chaude sanitaire, la ventilation, l'éclairage intégré et d'autres systèmes techniques de bâtiment]2.
2. La performance énergétique d'un bâtiment est exprimée [2 au moyen d'un indicateur numérique d'utilisation d'énergie primaire en kWH/(m2.an), pour les besoins tant de la certification de la performance énergétique que de la conformité aux exigences minimales en matière de performance énergétique. La méthode appliquée pour la détermination de la performance énergétique d'un bâtiment est transparente et ouverte à l'innovation]2.
[2 ...]2
[2 [3 2/1]3. Les besoins énergétiques liés au chauffage des locaux, au refroidissement des locaux, à la production d'eau chaude sanitaire, à la ventilation, à l'éclairage et à d'autres systèmes techniques de bâtiment sont calculés de manière à optimiser les niveaux de santé, de qualité de l'air intérieur et de confort.L'énergie primaire est calculée sur la base de facteurs d'énergie primaire associés à chaque transporteur d'énergie, tels que déterminés par le Gouvernement.]2
3. La méthode de calcul [1 sur la base de l'énergie estimée]1 est déterminée en tenant au moins compte des éléments suivants :
a) les caractéristiques thermiques réelles suivantes du bâtiment, y compris ses subdivisions internes :
i) capacité thermique;
ii) isolation;
iii) chauffage passif;
iv) éléments de refroidissement;
v) ponts thermiques;
b) les équipements de chauffage et approvisionnement en eau chaude, y compris leurs caractéristiques en matière d'isolation;
c) [2 ...]2
d) la ventilation naturelle et mécanique, et éventuellement l'étanchéité à l'air;
e) l'installation d'éclairage intégrée (principalement dans le secteur non résidentiel);
f) la conception, l'emplacement et l'orientation du bâtiment, y compris le climat extérieur;
g) les systèmes solaires passifs et la protection solaire;
h) les conditions climatiques intérieures, y compris le climat intérieur prévu;
i) les charges internes.
[1 La méthode de calcul sur la base de l'énergie effectivement consommée annuellement tient au moins compte des éléments suivants :
a) la quantité d'énergie effectivement consommée par :
i) les équipements nécessaires à la régulation du climat intérieur pour le confort des personnes ;
ii) les installations et équipements nécessaires à l'utilisation du bâtiment ;
b) des méthodes de mesure de consommation d'énergie adaptées au type d'énergie ;
c) de l'influence positive, s'il y a lieu :
i) des systèmes solaires actifs et autres systèmes de chauffage et de production d'électricité faisant appel aux énergies produites à partir de sources renouvelables ;
ii) de l'électricité produite par cogénération ;
iii) des systèmes de chauffage et de refroidissement urbains ou collectifs ;
d) des conditions temporelles applicables aux données de consommation ou de production ;
e) des facteurs d'interpolation/extrapolation, de normalisation et de conversion.]1
4. [1 ...]1
[2 [3 5/1]3. On tient compte dans le calcul, de l'influence positive des éléments suivants :
a) l'exposition solaire locale, les systèmes solaires actifs et autres systèmes de chauffage et de production d'électricité faisant appel aux énergies produites à partir de sources renouvelables ;
b) l'électricité produite par cogénération ;
c) les systèmes de chauffage et de refroidissement urbains ou collectifs ;
d) l'éclairage naturel.]2
5. Pour les besoins du calcul, les bâtiments [1 peuvent être classés]1 dans les catégories suivantes :
a) habitations individuelles de différents types;
b) résidentiel commun;
c) bureaux;
d) bâtiments d'enseignement;
e) hôpitaux;
f) hôtels et restaurants;
g) installations sportives;
h) bâtiments abritant des services de vente en gros et au détail;
i) autres types de bâtiments consommateurs d'énergie.
[3 6. Le potentiel de réchauffement planétaire (PRP) est exprimé au moyen d'un indicateur numérique pour chaque étape du cycle de vie, exprimé en kgCO2 eq/(m2.an) dont la moyenne est calculée pour une année d'une période d'étude de référence de 50 ans. La sélection des données, la définition des scénarios et les calculs sont effectués conformément à la norme EN 15978 (EN 15978:2011 Contribution des ouvrages de construction au développement durable. Evaluation de la performance environnementale des bâtiments. Méthode de calcul).]3
Art. N2. 3. [1 Bijlage 2.3. - Minimumcriteria voor de energieaudits bedoeld bij artikel 2.5.7, met inbegrip van die welke in het kader van energiebeheersystemen worden uitgevoerd
De in artikel 2.5.7 bedoelde energieaudits zijn gebaseerd op de volgende richtsnoeren :
a) zij zijn gebaseerd op actuele, gemeten, traceerbare operationele gegevens betreffende het energieverbruik en (voor elektriciteit) belastings- profielen;
b) zij omvatten een gedetailleerd overzicht van het energieverbruiksprofiel van gebouwen of groepen van gebouwen, industriële processen of installaties, met inbegrip van vervoer;
c) zij bouwen, zoveel mogelijk, voort op een analyse van de levenscycluskosten, in plaats van simpele terugverdienperioden, om rekening te houden met langetermijnbesparingen, residuele waarden van langetermijninvesteringen en discontopercentages;
d) zij zijn proportioneel en voldoende representatief om de vorming van een betrouwbaar beeld van de totale energieprestaties van de gebouwen en de industriële activiteiten of installaties van de onderneming die zich op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevinden en de betrouwbare bepaling van de belangrijkste punten ter verbetering mogelijk te maken.
Energieaudits maken gedetailleerde en gevalideerde berekeningen voor de voorgestelde maatregelen mogelijk, zodat duidelijke informatie over potentiële besparingen wordt verstrekt.
De bij energieaudits gebruikte gegevens moeten opgeslagen kunnen worden met het oog op historische analyse en het opvolgen van de prestaties.]1
De in artikel 2.5.7 bedoelde energieaudits zijn gebaseerd op de volgende richtsnoeren :
a) zij zijn gebaseerd op actuele, gemeten, traceerbare operationele gegevens betreffende het energieverbruik en (voor elektriciteit) belastings- profielen;
b) zij omvatten een gedetailleerd overzicht van het energieverbruiksprofiel van gebouwen of groepen van gebouwen, industriële processen of installaties, met inbegrip van vervoer;
c) zij bouwen, zoveel mogelijk, voort op een analyse van de levenscycluskosten, in plaats van simpele terugverdienperioden, om rekening te houden met langetermijnbesparingen, residuele waarden van langetermijninvesteringen en discontopercentages;
d) zij zijn proportioneel en voldoende representatief om de vorming van een betrouwbaar beeld van de totale energieprestaties van de gebouwen en de industriële activiteiten of installaties van de onderneming die zich op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevinden en de betrouwbare bepaling van de belangrijkste punten ter verbetering mogelijk te maken.
Energieaudits maken gedetailleerde en gevalideerde berekeningen voor de voorgestelde maatregelen mogelijk, zodat duidelijke informatie over potentiële besparingen wordt verstrekt.
De bij energieaudits gebruikte gegevens moeten opgeslagen kunnen worden met het oog op historische analyse en het opvolgen van de prestaties.]1
Art. N2. 3.[1 Annexe 2.3. - Critères minimaux pour les audits énergétiques visés à l'article 2.5.7, y compris ceux menés dans le cadre de systèmes de management de l'énergie
Les audits énergétiques visés à l'article 2.5.7 sont fondés sur les lignes directrices suivantes :
a) des données opérationnelles actualisées, mesurées et traçables concernant la consommation d'énergie et (pour l'électricité) les profils de charge;
b) ils comportent un examen détaillé du profil de consommation énergétique des bâtiments ou groupes de bâtiments, ainsi que des opérations ou installations industrielles, notamment le transport;
c) ils s'appuient, dans la mesure du possible, sur une analyse du coût du cycle de vie plutôt que sur de simples délais d'amortissement pour tenir compte des économies à long terme, des valeurs résiduelles des investissements à long terme et des taux d'actualisation;
d) ils sont proportionnés et suffisamment représentatifs pour permettre de dresser une image fiable de la performance énergétique globale des bâtiments et des opérations ou installations industrielles de l'entreprise situés sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale et pour permettre de recenser de manière sûre les possibilités d'amélioration les plus significatives.
Les audits énergétiques donnent lieu à des calculs détaillés et validés concernant les mesures proposées afin que des informations claires soient disponibles en ce qui concerne les économies potentielles.
Les données utilisées lors des audits énergétiques doivent pouvoir être conservées à des fins d'analyse historique et de suivi des performances.]1
Les audits énergétiques visés à l'article 2.5.7 sont fondés sur les lignes directrices suivantes :
a) des données opérationnelles actualisées, mesurées et traçables concernant la consommation d'énergie et (pour l'électricité) les profils de charge;
b) ils comportent un examen détaillé du profil de consommation énergétique des bâtiments ou groupes de bâtiments, ainsi que des opérations ou installations industrielles, notamment le transport;
c) ils s'appuient, dans la mesure du possible, sur une analyse du coût du cycle de vie plutôt que sur de simples délais d'amortissement pour tenir compte des économies à long terme, des valeurs résiduelles des investissements à long terme et des taux d'actualisation;
d) ils sont proportionnés et suffisamment représentatifs pour permettre de dresser une image fiable de la performance énergétique globale des bâtiments et des opérations ou installations industrielles de l'entreprise situés sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale et pour permettre de recenser de manière sûre les possibilités d'amélioration les plus significatives.
Les audits énergétiques donnent lieu à des calculs détaillés et validés concernant les mesures proposées afin que des informations claires soient disponibles en ce qui concerne les économies potentielles.
Les données utilisées lors des audits énergétiques doivent pouvoir être conservées à des fins d'analyse historique et de suivi des performances.]1
Art. N2. 3. [1 Bijlage 2.3. - Minimumcriteria voor de energieaudits bedoeld bij artikel 2.5.7, met inbegrip van die welke in het kader van energiebeheersystemen worden uitgevoerd
De in artikel 2.5.7 bedoelde energieaudits zijn gebaseerd op de volgende richtsnoeren :
a) zij zijn gebaseerd op actuele, gemeten, traceerbare operationele gegevens betreffende het energieverbruik en (voor elektriciteit) belastings- profielen;
b) zij omvatten een gedetailleerd overzicht van het energieverbruiksprofiel van gebouwen of groepen van gebouwen, industriële processen of installaties, met inbegrip van vervoer;
c) zij bouwen, zoveel mogelijk, voort op een analyse van de levenscycluskosten, in plaats van simpele terugverdienperioden, om rekening te houden met langetermijnbesparingen, residuele waarden van langetermijninvesteringen en discontopercentages;
d) zij zijn proportioneel en voldoende representatief om de vorming van een betrouwbaar beeld van de totale energieprestaties van de gebouwen en de industriële activiteiten of installaties van de onderneming die zich op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevinden en de betrouwbare bepaling van de belangrijkste punten ter verbetering mogelijk te maken.
Energieaudits maken gedetailleerde en gevalideerde berekeningen voor de voorgestelde maatregelen mogelijk, zodat duidelijke informatie over potentiële besparingen wordt verstrekt.
De bij energieaudits gebruikte gegevens moeten opgeslagen kunnen worden met het oog op historische analyse en het opvolgen van de prestaties.]1
De in artikel 2.5.7 bedoelde energieaudits zijn gebaseerd op de volgende richtsnoeren :
a) zij zijn gebaseerd op actuele, gemeten, traceerbare operationele gegevens betreffende het energieverbruik en (voor elektriciteit) belastings- profielen;
b) zij omvatten een gedetailleerd overzicht van het energieverbruiksprofiel van gebouwen of groepen van gebouwen, industriële processen of installaties, met inbegrip van vervoer;
c) zij bouwen, zoveel mogelijk, voort op een analyse van de levenscycluskosten, in plaats van simpele terugverdienperioden, om rekening te houden met langetermijnbesparingen, residuele waarden van langetermijninvesteringen en discontopercentages;
d) zij zijn proportioneel en voldoende representatief om de vorming van een betrouwbaar beeld van de totale energieprestaties van de gebouwen en de industriële activiteiten of installaties van de onderneming die zich op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevinden en de betrouwbare bepaling van de belangrijkste punten ter verbetering mogelijk te maken.
Energieaudits maken gedetailleerde en gevalideerde berekeningen voor de voorgestelde maatregelen mogelijk, zodat duidelijke informatie over potentiële besparingen wordt verstrekt.
De bij energieaudits gebruikte gegevens moeten opgeslagen kunnen worden met het oog op historische analyse en het opvolgen van de prestaties.]1
Art. N2. 3.[1 Annexe 2.3. - Critères minimaux pour les audits énergétiques visés à l'article 2.5.7, y compris ceux menés dans le cadre de systèmes de management de l'énergie
Les audits énergétiques visés à l'article 2.5.7 sont fondés sur les lignes directrices suivantes :
a) des données opérationnelles actualisées, mesurées et traçables concernant la consommation d'énergie et (pour l'électricité) les profils de charge;
b) ils comportent un examen détaillé du profil de consommation énergétique des bâtiments ou groupes de bâtiments, ainsi que des opérations ou installations industrielles, notamment le transport;
c) ils s'appuient, dans la mesure du possible, sur une analyse du coût du cycle de vie plutôt que sur de simples délais d'amortissement pour tenir compte des économies à long terme, des valeurs résiduelles des investissements à long terme et des taux d'actualisation;
d) ils sont proportionnés et suffisamment représentatifs pour permettre de dresser une image fiable de la performance énergétique globale des bâtiments et des opérations ou installations industrielles de l'entreprise situés sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale et pour permettre de recenser de manière sûre les possibilités d'amélioration les plus significatives.
Les audits énergétiques donnent lieu à des calculs détaillés et validés concernant les mesures proposées afin que des informations claires soient disponibles en ce qui concerne les économies potentielles.
Les données utilisées lors des audits énergétiques doivent pouvoir être conservées à des fins d'analyse historique et de suivi des performances.]1
Les audits énergétiques visés à l'article 2.5.7 sont fondés sur les lignes directrices suivantes :
a) des données opérationnelles actualisées, mesurées et traçables concernant la consommation d'énergie et (pour l'électricité) les profils de charge;
b) ils comportent un examen détaillé du profil de consommation énergétique des bâtiments ou groupes de bâtiments, ainsi que des opérations ou installations industrielles, notamment le transport;
c) ils s'appuient, dans la mesure du possible, sur une analyse du coût du cycle de vie plutôt que sur de simples délais d'amortissement pour tenir compte des économies à long terme, des valeurs résiduelles des investissements à long terme et des taux d'actualisation;
d) ils sont proportionnés et suffisamment représentatifs pour permettre de dresser une image fiable de la performance énergétique globale des bâtiments et des opérations ou installations industrielles de l'entreprise situés sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale et pour permettre de recenser de manière sûre les possibilités d'amélioration les plus significatives.
Les audits énergétiques donnent lieu à des calculs détaillés et validés concernant les mesures proposées afin que des informations claires soient disponibles en ce qui concerne les économies potentielles.
Les données utilisées lors des audits énergétiques doivent pouvoir être conservées à des fins d'analyse historique et de suivi des performances.]1
Art. N2. 4.[1 Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 22-03-2024, p. 35604]1
Art. 3.1.1.In de zin van onderhavig boek, verstaat men onder :
LIVRE 3. - DISPOSITIONS SPECIFIQUES A L'AIR ET AU CLIMAT
TITEL 2. - Specifieke bepalingen voor de luchtkwaliteit en de emissie van luchtverontreinigende stoffen
Art. 3.1.1.Au sens du présent livre, on entend par :
Art. 3.1.1. In de zin van onderhavig boek, verstaat men onder :
1° " Lucht " : de buitenlucht in de troposfeer, met uitsluiting van de lucht op de werkplek waarop de bepalingen inzake gezondheid en veiligheid op het werk van toepassing zijn en waar het publiek normaal gezien geen toegang heeft;
2° " IRCEL " : de Intergewestelijke Cel voor Leefmilieu, opgericht door het samenwerkingsakkoord van 18 mei 1994 tussen het Brusselse, Vlaamse en Waalse Gewest inzake het toezicht op emissies in de lucht en op de structurering van de gegevens;
3° " Verontreinigende stof " : elke stof die direct of indirect in de lucht aanwezig is en die schadelijke gevolgen kan hebben voor de gezondheid van de mens en/of voor het milieu in zijn geheel en die onder meer schadelijk kan zijn voor de biologische hulpbronnen en de ecosystemen, de klimaatveranderingen kan beïnvloeden, de materiële goederen kan aantasten en buitensporige geurhinder kan veroorzaken;
4° " Binnenvervuiling " : de slechte luchtkwaliteit in gesloten ruimten met uitsluiting van de lucht op de werkplek waarop de bepalingen inzake gezondheid en veiligheid op het werk van toepassing zijn;
5° " Niveau " : de concentratie van een verontreinigende stof in de lucht of de neerslag daarvan op oppervlakken binnen een bepaalde tijd;
6° " Beoordeling " : een methode die wordt gebruikt om het niveau van een verontreinigende stof in de omgevingslucht te meten, te berekenen, te voorspellen of te ramen;
7° " Grenswaarde " : een niveau dat op basis van wetenschappelijke kennis is vastgesteld om schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens en/of voor het milieu in zijn geheel te voorkomen, te verhinderen of te verminderen binnen een bepaalde termijn en, eenmaal bereikt, niet meer mag worden overschreden;
8° " Streefwaarde " : een niveau dat is vastgesteld om schadelijke effecten voor de gezondheid van de mens en/of voor het milieu in zijn geheel op lange termijn te vermijden, te verhinderen of te verminderen en dat zoveel mogelijk binnen een gegeven periode moet worden bereikt;
9° " Alarmdrempel " : niveau waarboven een kortstondige blootstelling risico's voor de menselijke gezondheid van de volledige bevolking inhoudt en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering verplicht om dringende maatregelen te nemen;
10° " Kritiek niveau " : een niveau dat op basis van wetenschappelijke kennis wordt vastgesteld waarboven rechtstreekse schadelijke gevolgen kunnen optreden voor sommige receptoren, zoals bomen, andere planten of natuurlijke ecosystemen, doch niet voor de mens;
11° " Europese Richtlijnen betreffende de luchtkwaliteit " : Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa, Richtlijn 2004/107/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht en de wijzigingsRichtlijnen;
12° " Overschrijdingsmarge " : het percentage van de grenswaarde voor luchtkwaliteit waarmee deze onder de door Richtlijn 2008/50/EG vastgelegde voorwaarden kan worden overschreden;
13° " Informatiedrempel " : een niveau waarboven kortstondige blootstelling een gezondheidsrisico inhoudt voor bijzonder kwetsbare bevolkingsgroepen en voor wie een onmiddellijke en toereikende informatievoorziening noodzakelijk is;
14° " Langetermijndoelstelling " : een niveau dat op lange termijn zou moeten worden bereikt, behalve waar dit niet door geproportioneerde maatregelen kan worden bereikt, met het doel de menselijke gezondheid en het milieu een doeltreffende bescherming te bieden;
15° " Zone " : het gehele grondgebied van het Gewest of een door het Gewest met het oog op de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit afgebakend gedeelte van zijn grondgebied;
16° " PM10 " : deeltjes die een op grootte selecterende inlaat als omschreven in de referentiemethode voor bemonsteren en meten van PM10 EN 12341 passeren met een efficiencygrens van 50 % bij een aerodynamische diameter van 10 µm;
17° " PM2,5 " : deeltjes die een op grootte selecterende inlaat als omschreven in de referentiemethode voor bemonsteren en meten van PM2,5 EN 14907 passeren met een efficiencygrens van 50 % bij een aerodynamische diameter van 2,5 µm;
18° " Nationale streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling " : een procentuele vermindering van de gemiddelde blootstelling van de Belgische bevolking die voor het referentiejaar wordt vastgesteld met het doel de schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid te verminderen en die, waar mogelijk, binnen een bepaalde termijn moet worden bereikt;
19° " Gemiddelde-blootstellingsindex " : een gemiddeld niveau dat wordt bepaald op basis van metingen verricht door de Gewesten en gecoördineerd door IRCEL op stedelijke-achtergrondlocaties verspreid over het gehele grondgebied van België. Deze index geeft de blootstelling van de bevolking weer; hij wordt gebruikt om de nationale streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling alsmede de blootstellingsconcentratieverplichting te berekenen;
20° " Stikstofoxiden " : de som van het totaal aantal volumedelen (ppbv) van stikstofmonoxide en stikstofdioxide, uitgedrukt in massaconcentratie-eenheden van stikstofdioxide (µg/m3);
21° " Emissierecht " : overeenkomstig de bepalingen van dit Wetboek overdraagbaar recht om, uitsluitend teneinde aan de eisen van onderhavig Wetboek te voldoen, gedurende een bepaalde periode één ton kooldioxide-equivalent uit te stoten;
22° [3 "Gedelegeerde Verordening 2019/331/EU": gedelegeerde verordening (EU) 2019/331 van de Commissie van 19 december 2018 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangs-regeling voor de geharmoniseerd kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10bis van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad]3;
23° " Installatie " : een vaste technische eenheid waarin één of meer van de in bijlage 3.3 vermelde activiteiten alsmede andere daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden, die technisch in verband staan met de op die plaats ten uitvoer gebrachte activiteiten en die gevolgen kan hebben voor de emissies en de verontreiniging;
24° [3 "Subinstallatie": deel van een installatie met een product-, warmte-, stadsverwarmings- of brandstofbenchmark, of subinstallatie met procesemissies, zoals voorzien in artikel 2, punten 2, 3, 5, 6 en 10 van gedelegeerde verordening 2019/331/EU]3;
25° " Emissie van broeikasgassen " : uitstoot van broeikasgassen in de atmosfeer door in een installatie aanwezige bronnen [3 of het vrijkomen in de atmosfeer van kooldioxide ten gevolge van de uitslag tot verbruik van brandstoffen die worden gebruikt voor verbranding in de gebouwen sector, de wegvervoerssector en de in artikel 3.3.16/1, § 2 bedoelde aanvullende sectoren]3;
26° " Broeikasgassen " : de in bijlage 3.4. genoemde gassen en andere gasvormige bestanddelen van de atmosfeer, zowel natuurlijke als antropogene, die infrarode straling absorberen en weer uitstralen;
27° " Gespecificeerde broeikasgassen " : broeikasgassen vermeld in bijlage 3.3;
28° [3 " Vergunning voor broeikasgasemissies":
a) voor de toepassing van titel 3, hoofdstuk 1, deel van de milieuvergunning dat de houder ervan uitdrukkelijk toelating geeft tot het uitstoten van de gespecificeerde broeikas-gassen op de betreffende installatie, onder de door onderhavig Wetboek vastgestelde voorwaarden en voor een periode die niet langer kan zijn dan de geldigheidsduur van de milieuvergunning;
b) voor de toepassing van titel 3, hoofdstuk 1bis, vergunning voor kooldioxide-emissies als gevolg van de uitslag tot verbruik van brand-stoffen die worden gebruikt voor verbranding in de gebouwensector, de wegvervoerssector en de in artikel 3.3.16/1, § 2 bedoelde aanvullende sectoren]3;
29° [2 " Nieuwkomer " : elke installatie die één of meer van de in bijlage 3.3 vermelde activiteiten uitvoert, en waaraan voor het eerst een vergunning voor broeikasgasemissies is verleend in de periode die begint 3 maanden vóór de indiening van de in artikel 3.3.3, eerste lid bedoelde lijst, en die afloopt 3 maanden vóór de datum van indiening van de volgende lijst uit hoofde van dat artikel ;]2
30° " Ton kooldioxide-equivalent " : een metrische ton kooldioxide (CO2) of een hoeveelheid van één van de andere in bijlage 3.4 van onderhavige titel bedoelde broeikasgassen met een gelijkwaardig aardopwarmingsvermogen;
31° " RVNKV " : Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatveranderingen;
32° " Kyotoprotocol " : protocol bij het RVNKV, opgsteld in Kyoto op 11 december 1997, en waarmee het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft ingestemd door de ordonnantie van 19 juli 2001;
33° " Emissieverminderende eenheid " of " EVE " : eenheid verleend overeenkomstig artikel 6 van het Protocol van Kyoto en de beslissingen goedgekeurd overeenkomstig het RVNKV of het Kyotoprotocol;
34° " Gecertificeerde emissiereductie " of " GER " : eenheid verleend overeenkomstig artikel 12 van het Kyotoprotocol en de beslissingen goedgekeurd overeenkomstig het RVNKV of het Kyotoprotocol;
35° " Koolstofeenheid " : eenheid van de toegewezen hoeveelheid in toepassing van de beslissingen goedgekeurd overeenkomstig het RVNKV of zijn protocollen EVE, GER, of elke andere eenheid gecreëerd of erkend in toepassing van het RVNKV of zijn protocollen, overdraagbaar overeenkomstig de bepalingen van de protocollen en van de beslissingen goedgekeurd overeenkomstig het RVNKV of de bepalingen van onderhavig Wetboek;
36° " Projectmechanisme " : mechanisme voorzien door het RVNKV of zijn protocollen dat voor een deel volgens de RVNKV bestaat in de investering in één of meer projecten om de emissie van broeikasgassen te beperken of te verminderen, een technologietransfer te bewerkstellingen en/of een duurzame ontwikkeling in de ontwikkelingslanden of landen met een overgangseconomie te bevorderen;
37° [2 ...]2
38° [2 ...]2
39° [2 ...]2
40° " BELAC " : accreditatiesysteem ingevoerd door het koninklijk besluit van 31 januari 2006 tot oprichting van het BELAC accreditatiesysteem van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling.
[1 41° " Lage-emissiezone (low emission zone : LEZ) " : zone zoals bepaald in artikel 2.63 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg ;
42° " Wegcode " : code zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg ;
43° " DIV " : de overheidsdienst belast met de inschrijving van de voertuigen]1;
[3 44° "Gereglementeerde entiteit": elke rechts-persoon, met uitzondering van de eindverbruiker van de brandstoffen, die de in artikel 3.3.16/1 bedoelde activiteit uitoefent en die onder de volgende categorieën valt:
a) wanneer de brandstof door een belasting-entrepot als omschreven in artikel 5, § 1, 9°, van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen passeert, de erkende entrepot-houder als omschreven in artikel 5, § 1, 8°, van die wet, die tot voldoening van de accijns is gehouden op grond van artikel 7 van de voormelde wet;
b) indien de bepaling onder a) niet van toepassing is, elke andere persoon die tot voldoening is gehouden van de accijns die op grond van artikel 7 van voormelde wet of de artikelen 421, 422, 424, §§ 1 en 2 en 425 van de programmawet van 27 december 2004 voor de onder hoofdstuk 1bis van titel 3 vallende brandstoffen verschuldigd is geworden;
c) indien de bepalingen onder a) en b) niet van toepassing zijn, elke andere persoon die door de relevante bevoegde overheden moet worden geregistreerd om tot voldoening van de accijns te worden gehouden, met inbegrip van personen die vrijgesteld zijn van de betaling van de accijns, als bedoeld in artikel 425, eerste lid, van de Programmawet van 27 december 2004;
d) indien de bepalingen onder a), b) en c) niet van toepassing zijn of indien meerdere personen hoofdelijk gehouden zijn tot de betaling van dezelfde accijns, elke andere door een lidstaat van de Europese Unie aangewezen persoon;]3
[3 45° "Brandstof": elk energieproduct zoals bedoeld in artikel 415, § 1, van de programmawet van 27 december 2004, met inbegrip van de brandstoffen die zijn vermeld in tabel A en tabel C van bijlage I bij richtlijn 2003/96/EG, alsmede elk ander product dat voor gebruik bedoeld is, te koop wordt aangeboden of wordt gebruikt als motor- of verwarmingsbrandstof als bedoeld in de artikelen 416 en 417 van de programmawet van 27 december 2004, ook voor de productie van elektriciteit;]3
[3 46° "Richtl?n 2003/87/EG": richtl?n 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgas-emissierechten binnen de Gemeenschap en tot w?ziging van richtl?n 96/61/EG van de Raad;]3
[3 47° "Richtl?n 2003/96/EG": richtl?n 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit;]3
[3 48° "Uitslag tot verbruik": de uitslag tot verbruik, zoals bepaald in artikel 6, § 2, van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen.]3
1° " Lucht " : de buitenlucht in de troposfeer, met uitsluiting van de lucht op de werkplek waarop de bepalingen inzake gezondheid en veiligheid op het werk van toepassing zijn en waar het publiek normaal gezien geen toegang heeft;
2° " IRCEL " : de Intergewestelijke Cel voor Leefmilieu, opgericht door het samenwerkingsakkoord van 18 mei 1994 tussen het Brusselse, Vlaamse en Waalse Gewest inzake het toezicht op emissies in de lucht en op de structurering van de gegevens;
3° " Verontreinigende stof " : elke stof die direct of indirect in de lucht aanwezig is en die schadelijke gevolgen kan hebben voor de gezondheid van de mens en/of voor het milieu in zijn geheel en die onder meer schadelijk kan zijn voor de biologische hulpbronnen en de ecosystemen, de klimaatveranderingen kan beïnvloeden, de materiële goederen kan aantasten en buitensporige geurhinder kan veroorzaken;
4° " Binnenvervuiling " : de slechte luchtkwaliteit in gesloten ruimten met uitsluiting van de lucht op de werkplek waarop de bepalingen inzake gezondheid en veiligheid op het werk van toepassing zijn;
5° " Niveau " : de concentratie van een verontreinigende stof in de lucht of de neerslag daarvan op oppervlakken binnen een bepaalde tijd;
6° " Beoordeling " : een methode die wordt gebruikt om het niveau van een verontreinigende stof in de omgevingslucht te meten, te berekenen, te voorspellen of te ramen;
7° " Grenswaarde " : een niveau dat op basis van wetenschappelijke kennis is vastgesteld om schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens en/of voor het milieu in zijn geheel te voorkomen, te verhinderen of te verminderen binnen een bepaalde termijn en, eenmaal bereikt, niet meer mag worden overschreden;
8° " Streefwaarde " : een niveau dat is vastgesteld om schadelijke effecten voor de gezondheid van de mens en/of voor het milieu in zijn geheel op lange termijn te vermijden, te verhinderen of te verminderen en dat zoveel mogelijk binnen een gegeven periode moet worden bereikt;
9° " Alarmdrempel " : niveau waarboven een kortstondige blootstelling risico's voor de menselijke gezondheid van de volledige bevolking inhoudt en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering verplicht om dringende maatregelen te nemen;
10° " Kritiek niveau " : een niveau dat op basis van wetenschappelijke kennis wordt vastgesteld waarboven rechtstreekse schadelijke gevolgen kunnen optreden voor sommige receptoren, zoals bomen, andere planten of natuurlijke ecosystemen, doch niet voor de mens;
11° " Europese Richtlijnen betreffende de luchtkwaliteit " : Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa, Richtlijn 2004/107/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht en de wijzigingsRichtlijnen;
12° " Overschrijdingsmarge " : het percentage van de grenswaarde voor luchtkwaliteit waarmee deze onder de door Richtlijn 2008/50/EG vastgelegde voorwaarden kan worden overschreden;
13° " Informatiedrempel " : een niveau waarboven kortstondige blootstelling een gezondheidsrisico inhoudt voor bijzonder kwetsbare bevolkingsgroepen en voor wie een onmiddellijke en toereikende informatievoorziening noodzakelijk is;
14° " Langetermijndoelstelling " : een niveau dat op lange termijn zou moeten worden bereikt, behalve waar dit niet door geproportioneerde maatregelen kan worden bereikt, met het doel de menselijke gezondheid en het milieu een doeltreffende bescherming te bieden;
15° " Zone " : het gehele grondgebied van het Gewest of een door het Gewest met het oog op de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit afgebakend gedeelte van zijn grondgebied;
16° " PM10 " : deeltjes die een op grootte selecterende inlaat als omschreven in de referentiemethode voor bemonsteren en meten van PM10 EN 12341 passeren met een efficiencygrens van 50 % bij een aerodynamische diameter van 10 µm;
17° " PM2,5 " : deeltjes die een op grootte selecterende inlaat als omschreven in de referentiemethode voor bemonsteren en meten van PM2,5 EN 14907 passeren met een efficiencygrens van 50 % bij een aerodynamische diameter van 2,5 µm;
18° " Nationale streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling " : een procentuele vermindering van de gemiddelde blootstelling van de Belgische bevolking die voor het referentiejaar wordt vastgesteld met het doel de schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid te verminderen en die, waar mogelijk, binnen een bepaalde termijn moet worden bereikt;
19° " Gemiddelde-blootstellingsindex " : een gemiddeld niveau dat wordt bepaald op basis van metingen verricht door de Gewesten en gecoördineerd door IRCEL op stedelijke-achtergrondlocaties verspreid over het gehele grondgebied van België. Deze index geeft de blootstelling van de bevolking weer; hij wordt gebruikt om de nationale streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling alsmede de blootstellingsconcentratieverplichting te berekenen;
20° " Stikstofoxiden " : de som van het totaal aantal volumedelen (ppbv) van stikstofmonoxide en stikstofdioxide, uitgedrukt in massaconcentratie-eenheden van stikstofdioxide (µg/m3);
21° " Emissierecht " : overeenkomstig de bepalingen van dit Wetboek overdraagbaar recht om, uitsluitend teneinde aan de eisen van onderhavig Wetboek te voldoen, gedurende een bepaalde periode één ton kooldioxide-equivalent uit te stoten;
22° [3 "Gedelegeerde Verordening 2019/331/EU": gedelegeerde verordening (EU) 2019/331 van de Commissie van 19 december 2018 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangs-regeling voor de geharmoniseerd kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10bis van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad]3;
23° " Installatie " : een vaste technische eenheid waarin één of meer van de in bijlage 3.3 vermelde activiteiten alsmede andere daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden, die technisch in verband staan met de op die plaats ten uitvoer gebrachte activiteiten en die gevolgen kan hebben voor de emissies en de verontreiniging;
24° [3 "Subinstallatie": deel van een installatie met een product-, warmte-, stadsverwarmings- of brandstofbenchmark, of subinstallatie met procesemissies, zoals voorzien in artikel 2, punten 2, 3, 5, 6 en 10 van gedelegeerde verordening 2019/331/EU]3;
25° " Emissie van broeikasgassen " : uitstoot van broeikasgassen in de atmosfeer door in een installatie aanwezige bronnen [3 of het vrijkomen in de atmosfeer van kooldioxide ten gevolge van de uitslag tot verbruik van brandstoffen die worden gebruikt voor verbranding in de gebouwen sector, de wegvervoerssector en de in artikel 3.3.16/1, § 2 bedoelde aanvullende sectoren]3;
26° " Broeikasgassen " : de in bijlage 3.4. genoemde gassen en andere gasvormige bestanddelen van de atmosfeer, zowel natuurlijke als antropogene, die infrarode straling absorberen en weer uitstralen;
27° " Gespecificeerde broeikasgassen " : broeikasgassen vermeld in bijlage 3.3;
28° [3 " Vergunning voor broeikasgasemissies":
a) voor de toepassing van titel 3, hoofdstuk 1, deel van de milieuvergunning dat de houder ervan uitdrukkelijk toelating geeft tot het uitstoten van de gespecificeerde broeikas-gassen op de betreffende installatie, onder de door onderhavig Wetboek vastgestelde voorwaarden en voor een periode die niet langer kan zijn dan de geldigheidsduur van de milieuvergunning;
b) voor de toepassing van titel 3, hoofdstuk 1bis, vergunning voor kooldioxide-emissies als gevolg van de uitslag tot verbruik van brand-stoffen die worden gebruikt voor verbranding in de gebouwensector, de wegvervoerssector en de in artikel 3.3.16/1, § 2 bedoelde aanvullende sectoren]3;
29° [2 " Nieuwkomer " : elke installatie die één of meer van de in bijlage 3.3 vermelde activiteiten uitvoert, en waaraan voor het eerst een vergunning voor broeikasgasemissies is verleend in de periode die begint 3 maanden vóór de indiening van de in artikel 3.3.3, eerste lid bedoelde lijst, en die afloopt 3 maanden vóór de datum van indiening van de volgende lijst uit hoofde van dat artikel ;]2
30° " Ton kooldioxide-equivalent " : een metrische ton kooldioxide (CO2) of een hoeveelheid van één van de andere in bijlage 3.4 van onderhavige titel bedoelde broeikasgassen met een gelijkwaardig aardopwarmingsvermogen;
31° " RVNKV " : Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatveranderingen;
32° " Kyotoprotocol " : protocol bij het RVNKV, opgsteld in Kyoto op 11 december 1997, en waarmee het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft ingestemd door de ordonnantie van 19 juli 2001;
33° " Emissieverminderende eenheid " of " EVE " : eenheid verleend overeenkomstig artikel 6 van het Protocol van Kyoto en de beslissingen goedgekeurd overeenkomstig het RVNKV of het Kyotoprotocol;
34° " Gecertificeerde emissiereductie " of " GER " : eenheid verleend overeenkomstig artikel 12 van het Kyotoprotocol en de beslissingen goedgekeurd overeenkomstig het RVNKV of het Kyotoprotocol;
35° " Koolstofeenheid " : eenheid van de toegewezen hoeveelheid in toepassing van de beslissingen goedgekeurd overeenkomstig het RVNKV of zijn protocollen EVE, GER, of elke andere eenheid gecreëerd of erkend in toepassing van het RVNKV of zijn protocollen, overdraagbaar overeenkomstig de bepalingen van de protocollen en van de beslissingen goedgekeurd overeenkomstig het RVNKV of de bepalingen van onderhavig Wetboek;
36° " Projectmechanisme " : mechanisme voorzien door het RVNKV of zijn protocollen dat voor een deel volgens de RVNKV bestaat in de investering in één of meer projecten om de emissie van broeikasgassen te beperken of te verminderen, een technologietransfer te bewerkstellingen en/of een duurzame ontwikkeling in de ontwikkelingslanden of landen met een overgangseconomie te bevorderen;
37° [2 ...]2
38° [2 ...]2
39° [2 ...]2
40° " BELAC " : accreditatiesysteem ingevoerd door het koninklijk besluit van 31 januari 2006 tot oprichting van het BELAC accreditatiesysteem van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling.
[1 41° " Lage-emissiezone (low emission zone : LEZ) " : zone zoals bepaald in artikel 2.63 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg ;
42° " Wegcode " : code zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg ;
43° " DIV " : de overheidsdienst belast met de inschrijving van de voertuigen]1;
[3 44° "Gereglementeerde entiteit": elke rechts-persoon, met uitzondering van de eindverbruiker van de brandstoffen, die de in artikel 3.3.16/1 bedoelde activiteit uitoefent en die onder de volgende categorieën valt:
a) wanneer de brandstof door een belasting-entrepot als omschreven in artikel 5, § 1, 9°, van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen passeert, de erkende entrepot-houder als omschreven in artikel 5, § 1, 8°, van die wet, die tot voldoening van de accijns is gehouden op grond van artikel 7 van de voormelde wet;
b) indien de bepaling onder a) niet van toepassing is, elke andere persoon die tot voldoening is gehouden van de accijns die op grond van artikel 7 van voormelde wet of de artikelen 421, 422, 424, §§ 1 en 2 en 425 van de programmawet van 27 december 2004 voor de onder hoofdstuk 1bis van titel 3 vallende brandstoffen verschuldigd is geworden;
c) indien de bepalingen onder a) en b) niet van toepassing zijn, elke andere persoon die door de relevante bevoegde overheden moet worden geregistreerd om tot voldoening van de accijns te worden gehouden, met inbegrip van personen die vrijgesteld zijn van de betaling van de accijns, als bedoeld in artikel 425, eerste lid, van de Programmawet van 27 december 2004;
d) indien de bepalingen onder a), b) en c) niet van toepassing zijn of indien meerdere personen hoofdelijk gehouden zijn tot de betaling van dezelfde accijns, elke andere door een lidstaat van de Europese Unie aangewezen persoon;]3
[3 45° "Brandstof": elk energieproduct zoals bedoeld in artikel 415, § 1, van de programmawet van 27 december 2004, met inbegrip van de brandstoffen die zijn vermeld in tabel A en tabel C van bijlage I bij richtlijn 2003/96/EG, alsmede elk ander product dat voor gebruik bedoeld is, te koop wordt aangeboden of wordt gebruikt als motor- of verwarmingsbrandstof als bedoeld in de artikelen 416 en 417 van de programmawet van 27 december 2004, ook voor de productie van elektriciteit;]3
[3 46° "Richtl?n 2003/87/EG": richtl?n 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgas-emissierechten binnen de Gemeenschap en tot w?ziging van richtl?n 96/61/EG van de Raad;]3
[3 47° "Richtl?n 2003/96/EG": richtl?n 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit;]3
[3 48° "Uitslag tot verbruik": de uitslag tot verbruik, zoals bepaald in artikel 6, § 2, van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen.]3
Art. 3.1.1. Au sens du présent livre, on entend par :
1° " Air ambiant " : l'air extérieur de la troposphère à l'exclusion de celui contenu dans les lieux de travail auxquels s'appliquent les dispositions en matière de santé et de sécurité au travail et auxquels le public n'a normalement pas accès;
2° " CELINE " : la Cellule interrégionale de l'environnement créée par l'accord de coopération du 18 mai 1994 entre les Régions bruxelloise, flamande et wallonne en matière de surveillance des émissions atmosphériques et de structuration des données;
3° " Polluant " : toute substance présente directement ou indirectement dans l'air ambiant et susceptible d'avoir des effets nocifs sur la santé humaine et/ou sur l'environnement dans son ensemble et notamment de nuire aux ressources biologiques et aux écosystèmes, d'influer sur les changements climatiques, de détériorer les biens matériels et de provoquer des nuisances olfactives excessives;
4° " Pollution intérieure " : la mauvaise qualité de l'air dans les espaces fermés à l'exclusion de celui contenu dans les lieux de travail auxquels s'appliquent les dispositions en matière de santé et de sécurité au travail;
5° " Niveau " : la concentration d'un polluant dans l'air ambiant ou son dépôt sur les surfaces en un temps donné;
6° " Evaluation " : toute méthode utilisée pour mesurer, calculer, prévoir ou estimer le niveau d'un polluant dans l'air ambiant;
7° " Valeur limite " : niveau fixé sur la base de connaissances scientifiques, dans le but d'éviter, de prévenir ou de réduire les effets nocifs sur la santé humaine et/ou l'environnement dans son ensemble, à atteindre dans un délai donné et à ne pas dépasser une fois atteint;
8° " Valeur cible " : niveau fixé dans le but d'éviter, de prévenir ou de réduire davantage à long terme les effets nocifs sur la santé humaine et/ou l'environnement dans son ensemble, à atteindre dans la mesure du possible sur une période donnée;
9° " Seuil d'alerte " : niveau au-delà duquel une exposition de courte durée présente un risque pour la santé humaine de l'ensemble de la population et qui déclenche la mise en oeuvre de mesures d'urgence par le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale;
10° " Niveau critique " : un niveau fixé sur la base des connaissances scientifiques, au-delà duquel des effets nocifs directs peuvent se produire sur certains récepteurs, tels que arbres, autres plantes ou écosystèmes naturels, mais pas sur des êtres humains;
11° " Directives européennes relatives à la qualité de l'air ambiant " : la Directive 2008/50/CE du Parlement européen et du Conseil du 21 mai 2008 concernant la qualité de l'air ambiant et un air pur pour l'Europe, la Directive 2004/107/CE du Parlement européen et du Conseil du 15 décembre 2004 concernant l'arsenic, le cadmium, le mercure et les hydrocarbures polycycliques aromatiques et les Directive s modificatives;
12° " Marge de dépassement " : le pourcentage de la valeur limite dont cette valeur peut être dépassée dans les conditions fixées par la Directive 2008/50/CE;
13° " Seuil d'information " : niveau au-delà duquel une exposition de courte durée présente un risque pour la santé humaine des groupes particulièrement sensibles de la population et pour lequel des informations immédiates et adéquates sont nécessaires;
14° " Objectif à long terme " : niveau à atteindre à long terme, sauf lorsque cela n'est pas réalisable par des mesures proportionnées, afin d'assurer une protection efficace de la santé humaine et de l'environnement;
15° " Zone " : ensemble ou partie du territoire de la Région délimitée par celle-ci aux fins de l'évaluation et de la gestion de la qualité de l'air;
16° " PM10 " : les particules passant dans un orifice d'entrée calibré tel que défini dans la méthode de référence pour l'échantillonnage et la mesure du PM10, norme EN 12341, avec un rendement de séparation de 50 % pour un diamètre aérodynamique de 10 µm;
17° " PM2,5 " : les particules passant dans un orifice d'entrée calibré tel que défini dans la méthode de référence pour l'échantillonnage et la mesure du PM2,5, norme EN 14907, avec un rendement de séparation de 50 % pour un diamètre aérodynamique de 2,5 µm;
18° " Objectif national de réduction de l'exposition " : pourcentage de réduction de l'indicateur d'exposition moyenne de la population belge, fixé pour l'année de référence, dans le but de réduire les effets nocifs sur la santé humaine, à atteindre dans la mesure du possible sur une période donnée;
19° " Indicateur d'exposition moyenne " : un niveau moyen déterminésur la base des mesures effectuées par les Régions et coordonnées par CELINE, dans des lieux caractéristiques de la pollution de fond urbaine sur l'ensemble du territoire de la Belgique. Cet indice reflète l'exposition de la population; il est utilisé afin de calculer l'objectif national de réduction de l'exposition et l'obligation en matière de concentration relative à l'exposition;
20° " Oxydes d'azote " : somme du rapport de mélange en volume (ppbv) de monoxyde d'azote (oxyde nitrique) et de dioxyde d'azote, exprimé en unités de concentration massique de dioxyde d'azote (µg/m3);
21° " Quota " : le quota autorisant à émettre une tonne d'équivalent-dioxyde de carbone au cours d'une période spécifiée, valable uniquement pour respecter les exigences du présent Code, et transférable conformément aux dispositions du présent Code;
22° [3 " Règlement délégué 2019/331/UE ": règlement délégué (UE) 2019/331 de la Commission du 19 décembre 2018 définissant des règles transitoires pour l'ensemble de l'Union concernant l'allocation harmonisée de quotas d'émission à titre gratuit conformément à l'article 10bis de la directive 2003/87/CE du Parlement européen et du Conseil]3;
23° " Installation " : une unité technique fixe où se déroulent une ou plusieurs des activités indiquées à l'annexe 3.3, ainsi que toute autre activité s'y rapportant directement qui est liée techniquement aux activités exercées sur le site et qui est susceptible d'avoir des incidences sur les émissions et la pollution;
24° [3 " Sous-installation ": partie d'installation avec un référentiel de produit, de chaleur, de chauffage urbain, de combustibles, ou sous-installation avec émissions de procédé comme prévu dans l'article 2, points 2, 3, 5, 6 et 10 du règlement délégué 2019/331/UE]3;
25° " Emissions de gaz à effet de serre " : le rejet dans l'atmosphère de gaz à effet de serre, à partir de sources situées dans une installation [3 ou le rejet dans l'atmosphère de dioxyde de carbone résultant de la mise à la consommation de combustibles utilisés pour la combustion dans le secteur du bâtiment, le secteur du transport routier et les autres secteurs visés à l'article 3.3.16/1, § 2]3;
26° " Gaz à effet de serre " : gaz dont la liste figure à l'annexe 3.4 et les autres composants gazeux de l'atmosphère, tant naturels qu'anthropiques, qui absorbent et renvoient un rayonnement infrarouge;
27° " Gaz à effet de serre spécifiés " : gaz à effet de serre visés par l'annexe 3.3;
28° [3 " Autorisation d'émettre des gaz à effet de serre ":
a) aux fins du chapitre 1er du titre 3, partie du permis d'environnement qui autorise explicitement le titulaire à émettre des gaz à effet de serre spécifiés pour l'installation concernée aux conditions fixées par le présent Code, et ce pour une période qui ne peut excéder la durée de validité du permis d'environnement;
b) aux fins du chapitre 1erbis du titre 3, autorisation d'émettre du dioxyde de carbone résultant de la mise à la consommation de carburants utilisés pour la combustion dans le secteur du bâtiment, le secteur du transport routier et les autres secteurs visés à l'article 3.3.16/1, § 2]3;
29° [2 " Nouvel entrant " : toute installation poursuivant une ou plusieurs des activités énumérées à l'annexe 3.3, qui a obtenu une autorisation d'émettre des gaz à effet de serre pour la première fois au cours du délai commençant à courir trois mois avant la date prévue pour la présentation de la liste visée à l'article 3.3.3, alinéa 1er, et expirant trois mois avant la date prévue pour la présentation de la liste suivante au titre dudit article ;]2
30° " Tonne d'équivalent-dioxyde de carbone " : une tonne métrique de dioxyde de carbone (CO2) ou une quantité de tout autre gaz à effet de serre visé à l'annexe 3.4 ayant un potentiel de réchauffement planétaire équivalent;
31° " CCNUCC " : Convention-Cadre des Nations-Unies sur les Changements climatiques;
32° " Protocole de Kyoto " : Protocole à la CCNUCC, tel que fait à Kyoto, le 11 décembre 1997, et auquel la Région de Bruxelles-Capitale a porté assentiment par ordonnance du 19 juillet 2001;
33° " Unité de réduction des émissions " ou " URE " : une unité délivrée en application de l'article 6 du Protocole de Kyoto et des décisions adoptées en vertu de la CCNUCC ou du Protocole de Kyoto;
34° " Réduction d'émissions certifiées " ou " REC " : une unité délivrée en application de l'article 12 du Protocole de Kyoto et des décisions adoptées en vertu de la CCNUCC ou du Protocole de Kyoto;
35° " Unité carbone " : unité de quantité attribuée en application des décisions adoptées conformément à la CCNUCC ou à ses protocoles, REC, URE, ou toute autre unité créée ou reconnue en application de la CCNUCC ou de ses protocoles, transférables conformément aux dispositions des protocoles et décisions adoptés en vertu de la CCNUCC et aux dispositions du présent Code;
36° " Mécanisme de projet " : mécanisme prévu par la CCNUCC ou ses protocoles, qui consiste, pour une partie à la CCNUCC, à investir dans un ou plusieurs projets mis en oeuvre dans le but de limiter ou de réduire les émissions de gaz à effet de serre, d'effectuer un transfert de technologies et/ou de favoriser un développement durable dans les pays en voie de développement ou en transition économique;
37° [2 ...]2
38° [2 ...]2
39° [2 ...]2
40° " BELAC " : système d'accréditation créé par l'arrêté royal du 31 janvier 2006 portant création du système BELAC d'accréditation des organismes d'évaluation de la conformité.
[1 41° " Zone de basses émissions (low emission zone : LEZ) " : zone au sens de l'article 2.63 de l'arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière et de l'usage de la voie publique ;
42° " Code de la route " : code tel que défini dans l'arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière et de l'usage de la voie publique ;
43° " DIV " : le service public chargé de l'immatriculation des véhicules]1;
[3 44° " Entité réglementée ": toute personne morale, à l'exclusion de tout consommateur final des carburants, qui exerce l'activité visée à l'article 3.3.16/1 et qui relève d'une des catégories suivantes:
a) lorsque le carburant passe par un entrepôt fiscal tel que défini à l'article 5, § 1er, 9°, de la loi du 22 décembre 2009 relative au régime général d'accise, l'entrepositaire agréé au sens de l'article 5, § 1er, 8°, de la loi précitée, qui est redevable des droits d'accise devenus exigibles en vertu de l'article 7 de la loi précitée;
b) si le a) n'est pas applicable, toute autre personne redevable des droits d'accise devenus exigibles en vertu de l'article 7 de la loi précitée ou des articles 421, 422, 424, §§ 1er et 2 et 425 de la loi-programme du 27 décembre 2004, pour les carburants qui relèvent du chapitre 1er bis du Titre 3;
c) si les a) et b) ne sont pas applicables, toute autre personne devant être enregistrée par les autorités compétentes en vue d'être redevable des droits d'accise conformément à l'article 425, alinéa 1er, de la loi-programme du 27 décembre 2004, y compris toute personne exonérée du paiement des droits d'accise;
d) si les a), b) et c) ne sont pas applicables, ou si plusieurs personnes sont tenues conjointement et solidairement au paiement des mêmes droits d'accise, toute autre personne désignée par les autorités compétentes d'un Etat membre de l'Union européenne;]3
[3 45° " Carburant ": tout produit énergétique visé à l'article 415, § 1er, de la loi-programme du 27 décembre 2004, en ce compris les carburants figurant dans les tableaux A et C de l'annexe I de la directive 2003/96/CE, ainsi que tout autre produit destiné à être utilisé, mis en vente ou utilisé comme carburant ou comme combustible, comme énoncé aux articles 416 et 417 de la loi-programme du 27 décembre 2004, y compris pour la production d'électricité;]3
[3 46° " Directive 2003/87/CE ": la directive 2003/87/CE du Parlement européen et du Conseil du 13 octobre 2003 établissant un système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre dans la Communauté et modifiant la directive 96/61/CE du Conseil;]3
[3 47° " Directive 2003/96/CE ": la directive 2003/96/CE du Conseil du 27 octobre 2003 restructurant le cadre communautaire de taxation des produits énergétiques et de l'électricité;]3
[3 48° " Mise à la consommation ": la mise à la consommation telle qu'elle est définie à l'article 6, § 2, de la loi du 22 décembre 2009 relative au régime général d'accise.]3
1° " Air ambiant " : l'air extérieur de la troposphère à l'exclusion de celui contenu dans les lieux de travail auxquels s'appliquent les dispositions en matière de santé et de sécurité au travail et auxquels le public n'a normalement pas accès;
2° " CELINE " : la Cellule interrégionale de l'environnement créée par l'accord de coopération du 18 mai 1994 entre les Régions bruxelloise, flamande et wallonne en matière de surveillance des émissions atmosphériques et de structuration des données;
3° " Polluant " : toute substance présente directement ou indirectement dans l'air ambiant et susceptible d'avoir des effets nocifs sur la santé humaine et/ou sur l'environnement dans son ensemble et notamment de nuire aux ressources biologiques et aux écosystèmes, d'influer sur les changements climatiques, de détériorer les biens matériels et de provoquer des nuisances olfactives excessives;
4° " Pollution intérieure " : la mauvaise qualité de l'air dans les espaces fermés à l'exclusion de celui contenu dans les lieux de travail auxquels s'appliquent les dispositions en matière de santé et de sécurité au travail;
5° " Niveau " : la concentration d'un polluant dans l'air ambiant ou son dépôt sur les surfaces en un temps donné;
6° " Evaluation " : toute méthode utilisée pour mesurer, calculer, prévoir ou estimer le niveau d'un polluant dans l'air ambiant;
7° " Valeur limite " : niveau fixé sur la base de connaissances scientifiques, dans le but d'éviter, de prévenir ou de réduire les effets nocifs sur la santé humaine et/ou l'environnement dans son ensemble, à atteindre dans un délai donné et à ne pas dépasser une fois atteint;
8° " Valeur cible " : niveau fixé dans le but d'éviter, de prévenir ou de réduire davantage à long terme les effets nocifs sur la santé humaine et/ou l'environnement dans son ensemble, à atteindre dans la mesure du possible sur une période donnée;
9° " Seuil d'alerte " : niveau au-delà duquel une exposition de courte durée présente un risque pour la santé humaine de l'ensemble de la population et qui déclenche la mise en oeuvre de mesures d'urgence par le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale;
10° " Niveau critique " : un niveau fixé sur la base des connaissances scientifiques, au-delà duquel des effets nocifs directs peuvent se produire sur certains récepteurs, tels que arbres, autres plantes ou écosystèmes naturels, mais pas sur des êtres humains;
11° " Directives européennes relatives à la qualité de l'air ambiant " : la Directive 2008/50/CE du Parlement européen et du Conseil du 21 mai 2008 concernant la qualité de l'air ambiant et un air pur pour l'Europe, la Directive 2004/107/CE du Parlement européen et du Conseil du 15 décembre 2004 concernant l'arsenic, le cadmium, le mercure et les hydrocarbures polycycliques aromatiques et les Directive s modificatives;
12° " Marge de dépassement " : le pourcentage de la valeur limite dont cette valeur peut être dépassée dans les conditions fixées par la Directive 2008/50/CE;
13° " Seuil d'information " : niveau au-delà duquel une exposition de courte durée présente un risque pour la santé humaine des groupes particulièrement sensibles de la population et pour lequel des informations immédiates et adéquates sont nécessaires;
14° " Objectif à long terme " : niveau à atteindre à long terme, sauf lorsque cela n'est pas réalisable par des mesures proportionnées, afin d'assurer une protection efficace de la santé humaine et de l'environnement;
15° " Zone " : ensemble ou partie du territoire de la Région délimitée par celle-ci aux fins de l'évaluation et de la gestion de la qualité de l'air;
16° " PM10 " : les particules passant dans un orifice d'entrée calibré tel que défini dans la méthode de référence pour l'échantillonnage et la mesure du PM10, norme EN 12341, avec un rendement de séparation de 50 % pour un diamètre aérodynamique de 10 µm;
17° " PM2,5 " : les particules passant dans un orifice d'entrée calibré tel que défini dans la méthode de référence pour l'échantillonnage et la mesure du PM2,5, norme EN 14907, avec un rendement de séparation de 50 % pour un diamètre aérodynamique de 2,5 µm;
18° " Objectif national de réduction de l'exposition " : pourcentage de réduction de l'indicateur d'exposition moyenne de la population belge, fixé pour l'année de référence, dans le but de réduire les effets nocifs sur la santé humaine, à atteindre dans la mesure du possible sur une période donnée;
19° " Indicateur d'exposition moyenne " : un niveau moyen déterminésur la base des mesures effectuées par les Régions et coordonnées par CELINE, dans des lieux caractéristiques de la pollution de fond urbaine sur l'ensemble du territoire de la Belgique. Cet indice reflète l'exposition de la population; il est utilisé afin de calculer l'objectif national de réduction de l'exposition et l'obligation en matière de concentration relative à l'exposition;
20° " Oxydes d'azote " : somme du rapport de mélange en volume (ppbv) de monoxyde d'azote (oxyde nitrique) et de dioxyde d'azote, exprimé en unités de concentration massique de dioxyde d'azote (µg/m3);
21° " Quota " : le quota autorisant à émettre une tonne d'équivalent-dioxyde de carbone au cours d'une période spécifiée, valable uniquement pour respecter les exigences du présent Code, et transférable conformément aux dispositions du présent Code;
22° [3 " Règlement délégué 2019/331/UE ": règlement délégué (UE) 2019/331 de la Commission du 19 décembre 2018 définissant des règles transitoires pour l'ensemble de l'Union concernant l'allocation harmonisée de quotas d'émission à titre gratuit conformément à l'article 10bis de la directive 2003/87/CE du Parlement européen et du Conseil]3;
23° " Installation " : une unité technique fixe où se déroulent une ou plusieurs des activités indiquées à l'annexe 3.3, ainsi que toute autre activité s'y rapportant directement qui est liée techniquement aux activités exercées sur le site et qui est susceptible d'avoir des incidences sur les émissions et la pollution;
24° [3 " Sous-installation ": partie d'installation avec un référentiel de produit, de chaleur, de chauffage urbain, de combustibles, ou sous-installation avec émissions de procédé comme prévu dans l'article 2, points 2, 3, 5, 6 et 10 du règlement délégué 2019/331/UE]3;
25° " Emissions de gaz à effet de serre " : le rejet dans l'atmosphère de gaz à effet de serre, à partir de sources situées dans une installation [3 ou le rejet dans l'atmosphère de dioxyde de carbone résultant de la mise à la consommation de combustibles utilisés pour la combustion dans le secteur du bâtiment, le secteur du transport routier et les autres secteurs visés à l'article 3.3.16/1, § 2]3;
26° " Gaz à effet de serre " : gaz dont la liste figure à l'annexe 3.4 et les autres composants gazeux de l'atmosphère, tant naturels qu'anthropiques, qui absorbent et renvoient un rayonnement infrarouge;
27° " Gaz à effet de serre spécifiés " : gaz à effet de serre visés par l'annexe 3.3;
28° [3 " Autorisation d'émettre des gaz à effet de serre ":
a) aux fins du chapitre 1er du titre 3, partie du permis d'environnement qui autorise explicitement le titulaire à émettre des gaz à effet de serre spécifiés pour l'installation concernée aux conditions fixées par le présent Code, et ce pour une période qui ne peut excéder la durée de validité du permis d'environnement;
b) aux fins du chapitre 1erbis du titre 3, autorisation d'émettre du dioxyde de carbone résultant de la mise à la consommation de carburants utilisés pour la combustion dans le secteur du bâtiment, le secteur du transport routier et les autres secteurs visés à l'article 3.3.16/1, § 2]3;
29° [2 " Nouvel entrant " : toute installation poursuivant une ou plusieurs des activités énumérées à l'annexe 3.3, qui a obtenu une autorisation d'émettre des gaz à effet de serre pour la première fois au cours du délai commençant à courir trois mois avant la date prévue pour la présentation de la liste visée à l'article 3.3.3, alinéa 1er, et expirant trois mois avant la date prévue pour la présentation de la liste suivante au titre dudit article ;]2
30° " Tonne d'équivalent-dioxyde de carbone " : une tonne métrique de dioxyde de carbone (CO2) ou une quantité de tout autre gaz à effet de serre visé à l'annexe 3.4 ayant un potentiel de réchauffement planétaire équivalent;
31° " CCNUCC " : Convention-Cadre des Nations-Unies sur les Changements climatiques;
32° " Protocole de Kyoto " : Protocole à la CCNUCC, tel que fait à Kyoto, le 11 décembre 1997, et auquel la Région de Bruxelles-Capitale a porté assentiment par ordonnance du 19 juillet 2001;
33° " Unité de réduction des émissions " ou " URE " : une unité délivrée en application de l'article 6 du Protocole de Kyoto et des décisions adoptées en vertu de la CCNUCC ou du Protocole de Kyoto;
34° " Réduction d'émissions certifiées " ou " REC " : une unité délivrée en application de l'article 12 du Protocole de Kyoto et des décisions adoptées en vertu de la CCNUCC ou du Protocole de Kyoto;
35° " Unité carbone " : unité de quantité attribuée en application des décisions adoptées conformément à la CCNUCC ou à ses protocoles, REC, URE, ou toute autre unité créée ou reconnue en application de la CCNUCC ou de ses protocoles, transférables conformément aux dispositions des protocoles et décisions adoptés en vertu de la CCNUCC et aux dispositions du présent Code;
36° " Mécanisme de projet " : mécanisme prévu par la CCNUCC ou ses protocoles, qui consiste, pour une partie à la CCNUCC, à investir dans un ou plusieurs projets mis en oeuvre dans le but de limiter ou de réduire les émissions de gaz à effet de serre, d'effectuer un transfert de technologies et/ou de favoriser un développement durable dans les pays en voie de développement ou en transition économique;
37° [2 ...]2
38° [2 ...]2
39° [2 ...]2
40° " BELAC " : système d'accréditation créé par l'arrêté royal du 31 janvier 2006 portant création du système BELAC d'accréditation des organismes d'évaluation de la conformité.
[1 41° " Zone de basses émissions (low emission zone : LEZ) " : zone au sens de l'article 2.63 de l'arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière et de l'usage de la voie publique ;
42° " Code de la route " : code tel que défini dans l'arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière et de l'usage de la voie publique ;
43° " DIV " : le service public chargé de l'immatriculation des véhicules]1;
[3 44° " Entité réglementée ": toute personne morale, à l'exclusion de tout consommateur final des carburants, qui exerce l'activité visée à l'article 3.3.16/1 et qui relève d'une des catégories suivantes:
a) lorsque le carburant passe par un entrepôt fiscal tel que défini à l'article 5, § 1er, 9°, de la loi du 22 décembre 2009 relative au régime général d'accise, l'entrepositaire agréé au sens de l'article 5, § 1er, 8°, de la loi précitée, qui est redevable des droits d'accise devenus exigibles en vertu de l'article 7 de la loi précitée;
b) si le a) n'est pas applicable, toute autre personne redevable des droits d'accise devenus exigibles en vertu de l'article 7 de la loi précitée ou des articles 421, 422, 424, §§ 1er et 2 et 425 de la loi-programme du 27 décembre 2004, pour les carburants qui relèvent du chapitre 1er bis du Titre 3;
c) si les a) et b) ne sont pas applicables, toute autre personne devant être enregistrée par les autorités compétentes en vue d'être redevable des droits d'accise conformément à l'article 425, alinéa 1er, de la loi-programme du 27 décembre 2004, y compris toute personne exonérée du paiement des droits d'accise;
d) si les a), b) et c) ne sont pas applicables, ou si plusieurs personnes sont tenues conjointement et solidairement au paiement des mêmes droits d'accise, toute autre personne désignée par les autorités compétentes d'un Etat membre de l'Union européenne;]3
[3 45° " Carburant ": tout produit énergétique visé à l'article 415, § 1er, de la loi-programme du 27 décembre 2004, en ce compris les carburants figurant dans les tableaux A et C de l'annexe I de la directive 2003/96/CE, ainsi que tout autre produit destiné à être utilisé, mis en vente ou utilisé comme carburant ou comme combustible, comme énoncé aux articles 416 et 417 de la loi-programme du 27 décembre 2004, y compris pour la production d'électricité;]3
[3 46° " Directive 2003/87/CE ": la directive 2003/87/CE du Parlement européen et du Conseil du 13 octobre 2003 établissant un système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre dans la Communauté et modifiant la directive 96/61/CE du Conseil;]3
[3 47° " Directive 2003/96/CE ": la directive 2003/96/CE du Conseil du 27 octobre 2003 restructurant le cadre communautaire de taxation des produits énergétiques et de l'électricité;]3
[3 48° " Mise à la consommation ": la mise à la consommation telle qu'elle est définie à l'article 6, § 2, de la loi du 22 décembre 2009 relative au régime général d'accise.]3
Art. 3.2.1.§ 1. In het domein van de lucht, heeft [3 Leefmilieu Brussel]3 onder meer de volgende opdrachten :
CHAPITRE 1er. - Missions de [1 Bruxelles Environnement]1
HOOFDSTUK 1. - Opdrachten van [1 Leefmilieu Brussel]1
Art. 3.2.1.§ 1er. En ce qui concerne l'air ambiant, [3 Bruxelles Environnement]3 a notamment pour missions :
Art. 3.2.1. § 1. In het domein van de lucht, heeft [3 Leefmilieu Brussel]3 onder meer de volgende opdrachten :
1° de luchtkwaliteit beoordelen met behulp van een methode die in overeenstemming is met de eisen van de Europese Richtlijnen betreffende de luchtkwaliteit en die volgens een door de regering bepaalde procedure erkend is;
2° de nauwkeurigheid van de metingen waarborgen;
3° de beoordelingsmethoden analyseren;
4° de eventuele door de Europese Commissie georganiseerde communautaire kwaliteitswaarborgingsprogramma's coördineren op het grondgebied van het Gewest;
5° samenwerken met de andere Gewesten, de andere lidstaten en de Europese Commissie;
6° [2 inventarissen en de prognoses van de luchtverontreinigende stoffen en broeikasgassenemissies overeenkomstig de Europese regelgeving of internationale instrumenten opmaken ; deze inventarissen en prognoses worden bekend gemaakt op de website van Leefmilieu Brussel]2.
§ 2. Op het vlak van de binnenvervuiling, heeft [3 Leefmilieu Brussel]3 inzonderheid tot opdracht :
1° een diagnose op te stellen van de binnenvervuiling op een met redenen omkleed medisch verzoek of op verzoek van de Gewestelijke Huisvestingsinspectiedienst bedoeld in [1 artikel 6]1 van de Brusselse Huisvestingscode en de systematische analyse van de chemische en biologische parameters die op een wetenschappelijk protocol gebaseerd zijn;
2° een verslag op te maken voor de geneesheer, vergezeld van adviezen voor verbetering ten behoeve van de bewoners;
3° de statistische raming te maken van de toestand van het milieu in de gediagnosticeerde gebouwen;
4° zelf aanbevelingen voor te bereiden ten behoeve van de Regering om de hinder verbonden aan de kwaliteit van de buitenlucht en de binnenvervuiling te verminderen door zich inzonderheid te baseren op de evolutie van de wetenschappelijke kennis in de epidemiologische, milieu- en metrologische domeinen en van de blootstellingsgraad van de bevolkingen en vooral van de kwetsbare groepen;
5° wetenschappelijke adviezen op uitdrukkelijk verzoek van de Regering te verstrekken.
Deze adviezen en aanbevelingen worden op de site van [3 Leefmilieu Brussel]3 gepubliceerd.
1° de luchtkwaliteit beoordelen met behulp van een methode die in overeenstemming is met de eisen van de Europese Richtlijnen betreffende de luchtkwaliteit en die volgens een door de regering bepaalde procedure erkend is;
2° de nauwkeurigheid van de metingen waarborgen;
3° de beoordelingsmethoden analyseren;
4° de eventuele door de Europese Commissie georganiseerde communautaire kwaliteitswaarborgingsprogramma's coördineren op het grondgebied van het Gewest;
5° samenwerken met de andere Gewesten, de andere lidstaten en de Europese Commissie;
6° [2 inventarissen en de prognoses van de luchtverontreinigende stoffen en broeikasgassenemissies overeenkomstig de Europese regelgeving of internationale instrumenten opmaken ; deze inventarissen en prognoses worden bekend gemaakt op de website van Leefmilieu Brussel]2.
§ 2. Op het vlak van de binnenvervuiling, heeft [3 Leefmilieu Brussel]3 inzonderheid tot opdracht :
1° een diagnose op te stellen van de binnenvervuiling op een met redenen omkleed medisch verzoek of op verzoek van de Gewestelijke Huisvestingsinspectiedienst bedoeld in [1 artikel 6]1 van de Brusselse Huisvestingscode en de systematische analyse van de chemische en biologische parameters die op een wetenschappelijk protocol gebaseerd zijn;
2° een verslag op te maken voor de geneesheer, vergezeld van adviezen voor verbetering ten behoeve van de bewoners;
3° de statistische raming te maken van de toestand van het milieu in de gediagnosticeerde gebouwen;
4° zelf aanbevelingen voor te bereiden ten behoeve van de Regering om de hinder verbonden aan de kwaliteit van de buitenlucht en de binnenvervuiling te verminderen door zich inzonderheid te baseren op de evolutie van de wetenschappelijke kennis in de epidemiologische, milieu- en metrologische domeinen en van de blootstellingsgraad van de bevolkingen en vooral van de kwetsbare groepen;
5° wetenschappelijke adviezen op uitdrukkelijk verzoek van de Regering te verstrekken.
Deze adviezen en aanbevelingen worden op de site van [3 Leefmilieu Brussel]3 gepubliceerd.
Art. 3.2.1. § 1er. En ce qui concerne l'air ambiant, [3 Bruxelles Environnement]3 a notamment pour missions :
1° d'évaluer la qualité de l'air ambiant au moyen d'une méthode conforme aux exigences des Directive s européennes relatives à la qualité de l'air ambiant et agréée selon une procédure déterminée par le Gouvernement;
2° de garantir l'exactitude des mesures;
3° d'analyser les méthodes d'évaluation;
4° de coordonner, sur le territoire de la Région, les éventuels programmes communautaires d'assurance de la qualité de l'air organisés par la Commission européenne;
5° de coopérer avec les autres Régions, les autres Etats membres et la Commission européenne;
6° de réaliser les inventaires [2 et les projections d'émissions de polluants atmosphériques et de gaz à effet de serre, conformément à la réglementation européenne ou aux instruments internationaux ; ces inventaires et projections font notamment l'objet d'une publication sur le site internet de Bruxelles Environnement]2.
§ 2. En matière de pollution intérieure, [3 Bruxelles Environnement]3 a notamment pour missions :
1° de réaliser un diagnostic de la pollution intérieure sur demande médicale motivée ou sur demande du Service d'Inspection régionale du Logement visé à [1 l'article 6]1 du Code bruxellois du Logement, l'analyse systématique des paramètres chimiques et biologiques étant basée sur un protocole scientifique;
2° d'élaborer un rapport pour le médecin, accompagné de conseils à la remédiation à destination des occupants;
3° de réaliser l'évaluation statistique de l'état environnemental des intérieurs de bâtiments diagnostiqués;
4° de préparer des recommandations d'initiative à l'intention du Gouvernement en vue de réduire les nuisances liées à la qualité de l'air ambiant et aux pollutions intérieures, notamment sur la base de l'évolution des connaissances scientifiques dans les domaines épidémiologiques, environnementaux et métrologiques, et du degré d'exposition des populations, en particulier des groupes sensibles;
5° d'émettre des avis scientifiques à la demande expresse du Gouvernement.
Ces avis et recommandations sont publiés sur le site de [3 Bruxelles Environnement]3.
1° d'évaluer la qualité de l'air ambiant au moyen d'une méthode conforme aux exigences des Directive s européennes relatives à la qualité de l'air ambiant et agréée selon une procédure déterminée par le Gouvernement;
2° de garantir l'exactitude des mesures;
3° d'analyser les méthodes d'évaluation;
4° de coordonner, sur le territoire de la Région, les éventuels programmes communautaires d'assurance de la qualité de l'air organisés par la Commission européenne;
5° de coopérer avec les autres Régions, les autres Etats membres et la Commission européenne;
6° de réaliser les inventaires [2 et les projections d'émissions de polluants atmosphériques et de gaz à effet de serre, conformément à la réglementation européenne ou aux instruments internationaux ; ces inventaires et projections font notamment l'objet d'une publication sur le site internet de Bruxelles Environnement]2.
§ 2. En matière de pollution intérieure, [3 Bruxelles Environnement]3 a notamment pour missions :
1° de réaliser un diagnostic de la pollution intérieure sur demande médicale motivée ou sur demande du Service d'Inspection régionale du Logement visé à [1 l'article 6]1 du Code bruxellois du Logement, l'analyse systématique des paramètres chimiques et biologiques étant basée sur un protocole scientifique;
2° d'élaborer un rapport pour le médecin, accompagné de conseils à la remédiation à destination des occupants;
3° de réaliser l'évaluation statistique de l'état environnemental des intérieurs de bâtiments diagnostiqués;
4° de préparer des recommandations d'initiative à l'intention du Gouvernement en vue de réduire les nuisances liées à la qualité de l'air ambiant et aux pollutions intérieures, notamment sur la base de l'évolution des connaissances scientifiques dans les domaines épidémiologiques, environnementaux et métrologiques, et du degré d'exposition des populations, en particulier des groupes sensibles;
5° d'émettre des avis scientifiques à la demande expresse du Gouvernement.
Ces avis et recommandations sont publiés sur le site de [3 Bruxelles Environnement]3.
HOOFDSTUK 3. - Beoordeling van de luchtkwaliteit
Art. 3.2.2. La Région de Bruxelles-Capitale est une zone à part entière. Le cas échéant et par décision motivée, le Gouvernement peut scinder le territoire de la Région en plusieurs zones.
Art. 3.2.2. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is een afzonderlijke zone. In voorkomend geval en met een met redenen omklede beslissing, kan de Regering het grondgebied van het Gewest opsplitsen in verschillende zones.
De beoordeling van de luchtkwaliteit en van het beheer van de luchtkwaliteit wordt in alle zones verricht.
De beoordeling van de luchtkwaliteit en van het beheer van de luchtkwaliteit wordt in alle zones verricht.
Art. 3.2.2. La Région de Bruxelles-Capitale est une zone à part entière. Le cas échéant et par décision motivée, le Gouvernement peut scinder le territoire de la Région en plusieurs zones.
L'évaluation de la qualité de l'air et la gestion de la qualité de l'air sont effectuées dans toutes les zones.
L'évaluation de la qualité de l'air et la gestion de la qualité de l'air sont effectuées dans toutes les zones.
Art. 3.2.3. De beoordeling van de luchtkwaliteit slaat op de volgende verontreinigende stoffen :
Section 1re. - Identification des polluants faisant l'objet d'une évaluation
Art. 3.2.4. De Regering kan andere verontreinigende stoffen die niet in het artikel 3.2.3 vermeld zijn aan een soortgelijke controle onderwerpen, rekening houdend met de wetenschappelijke vooruitgang en de volgende criteria :
1° mogelijkheid, mate en frequentie van de effecten; met betrekking tot de volksgezondheid en het milieu in zijn geheel, moet bijzondere aandacht worden besteed aan de onomkeerbare gevolgen;
2° algemene aanwezigheid en hoge concentratie van de verontreinigende stof in de lucht;
3° milieutransformatie of metabolische omzettingen, aangezien dergelijke wijzigingen tot de vorming van chemische stoffen met een grotere toxiciteit kunnen leiden;
4° persistentie in het milieu, met name indien de verontreinigende stof resistent voor afbraak in het milieu is en kan accumuleren in mensen, het milieu of de voedselketen;
5° effect van de verontreinigende stof, met name :
- omvang van de blootgestelde bevolking, levende soorten of ecosystemen;
- bestaan van bijzonder gevoelige doelgroepen in het betrokken gebied;
6° mogelijkheid om risicobeoordelingsmethodes te gebruiken;
7° relevante gevaarcriteria vastgesteld in Richtlijn 67/548/EEG betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen.
1° mogelijkheid, mate en frequentie van de effecten; met betrekking tot de volksgezondheid en het milieu in zijn geheel, moet bijzondere aandacht worden besteed aan de onomkeerbare gevolgen;
2° algemene aanwezigheid en hoge concentratie van de verontreinigende stof in de lucht;
3° milieutransformatie of metabolische omzettingen, aangezien dergelijke wijzigingen tot de vorming van chemische stoffen met een grotere toxiciteit kunnen leiden;
4° persistentie in het milieu, met name indien de verontreinigende stof resistent voor afbraak in het milieu is en kan accumuleren in mensen, het milieu of de voedselketen;
5° effect van de verontreinigende stof, met name :
- omvang van de blootgestelde bevolking, levende soorten of ecosystemen;
- bestaan van bijzonder gevoelige doelgroepen in het betrokken gebied;
6° mogelijkheid om risicobeoordelingsmethodes te gebruiken;
7° relevante gevaarcriteria vastgesteld in Richtlijn 67/548/EEG betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen.
Art. 3.2.3. L'évaluation de la qualité de l'air ambiant concerne les polluants suivants :
1° l'anhydride sulfureux;
2° le dioxyde d'azote et les oxydes d'azote;
3° les PM2,5;
4° les PM10;
5° le plomb;
6° l'ozone;
7° le benzène;
8° le monoxyde de carbone;
9° les hydrocarbures polycycliques aromatiques;
10° le cadmium;
11° l'arsenic;
12° le nickel;
13° le mercure.
1° l'anhydride sulfureux;
2° le dioxyde d'azote et les oxydes d'azote;
3° les PM2,5;
4° les PM10;
5° le plomb;
6° l'ozone;
7° le benzène;
8° le monoxyde de carbone;
9° les hydrocarbures polycycliques aromatiques;
10° le cadmium;
11° l'arsenic;
12° le nickel;
13° le mercure.
Art. 3.2.5. § 1. De Regering legt de grenswaarden, de streefwaarden, de langetermijndoelstellingen, de kritieke niveaus alsook de alarm- en informatiedrempels vast voor de verontreinigende stoffen bedoeld in artikel 3.2.3 en, desgevallend, de termijnen binnen welke die niveaus gehaald dienen te worden overeenkomstig de Europese Richtlijnen betreffende de luchtkwaliteit en rekening houdend met de meest recente gegevens van het wetenschappelijk onderzoek in de epidemiologische en milieudomeinen, de meest recente vooruitgang in de metrologie en de mate van blootstelling van de bevolkingsgroepen en met name van de kwetsbare groepen alsook, desgevallend :
1° van de klimatologische omstandigheden;
2° van de gevoeligheid van de flora en de fauna en van hun habitat;
3° van het aan verontreinigende stoffen blootgesteld historisch, cultureel en architecturaal erfgoed;
4° van de economische en technische haalbaarheid;
5° van het vervoer over lange afstand van verontreinigende stoffen, waaronder de secundaire verontreinigende stoffen, met inbegrip van ozon.
§ 2. De Regering kan een tijdelijke overschrijdingsmarge vastleggen voor de in § 1 bedoelde grenswaarden overeenkomstig de Europese Richtlijnen betreffende de luchtkwaliteit.
Deze marge wordt op een door haar vast te stellen wijze verlaagd teneinde de grenswaarde uiterlijk op het einde van de gestelde termijn te bereiken.
1° van de klimatologische omstandigheden;
2° van de gevoeligheid van de flora en de fauna en van hun habitat;
3° van het aan verontreinigende stoffen blootgesteld historisch, cultureel en architecturaal erfgoed;
4° van de economische en technische haalbaarheid;
5° van het vervoer over lange afstand van verontreinigende stoffen, waaronder de secundaire verontreinigende stoffen, met inbegrip van ozon.
§ 2. De Regering kan een tijdelijke overschrijdingsmarge vastleggen voor de in § 1 bedoelde grenswaarden overeenkomstig de Europese Richtlijnen betreffende de luchtkwaliteit.
Deze marge wordt op een door haar vast te stellen wijze verlaagd teneinde de grenswaarde uiterlijk op het einde van de gestelde termijn te bereiken.
Art. 3.2.4. Le Gouvernement peut soumettre d'autres polluants non visés à l'article 3.2.3 à une surveillance similaire, compte tenu des progrès scientifiques et des critères suivants :
1° la possibilité, la gravité et la fréquence des effets; en ce qui concerne la santé humaine et l'environnement dans son ensemble, les effets irréversibles doivent faire l'objet d'une attention particulière;
2° la présence généralisée et le niveau élevé du polluant dans l'atmosphère;
3° les transformations environnementales ou les altérations métaboliques, ces altérations pouvant conduire à la production de substances chimiques plus toxiques;
4° la persistance dans l'environnement, en particulier si le polluant n'est pas biodégradable et est susceptible d'accumulation chez l'homme, dans l'environnement ou dans les chaînes alimentaires;
5° l'impact du polluant, à savoir :
- l'importance de la population, des ressources vivantes ou des écosystèmes exposés;
- l'existence d'éléments cibles particulièrement vulnérables dans la zone concernée;
6° la possibilité d'utilisation de méthodes d'évaluation du risque;
7° les critères pertinents de danger établis par la Directive 67/548/CEE concernant le rapprochement des dispositions législatives, administratives et réglementaires relatives à la classification, l'emballage et l'étiquetage des substances dangereuses.
1° la possibilité, la gravité et la fréquence des effets; en ce qui concerne la santé humaine et l'environnement dans son ensemble, les effets irréversibles doivent faire l'objet d'une attention particulière;
2° la présence généralisée et le niveau élevé du polluant dans l'atmosphère;
3° les transformations environnementales ou les altérations métaboliques, ces altérations pouvant conduire à la production de substances chimiques plus toxiques;
4° la persistance dans l'environnement, en particulier si le polluant n'est pas biodégradable et est susceptible d'accumulation chez l'homme, dans l'environnement ou dans les chaînes alimentaires;
5° l'impact du polluant, à savoir :
- l'importance de la population, des ressources vivantes ou des écosystèmes exposés;
- l'existence d'éléments cibles particulièrement vulnérables dans la zone concernée;
6° la possibilité d'utilisation de méthodes d'évaluation du risque;
7° les critères pertinents de danger établis par la Directive 67/548/CEE concernant le rapprochement des dispositions législatives, administratives et réglementaires relatives à la classification, l'emballage et l'étiquetage des substances dangereuses.
Art. 3.2.4. De Regering kan andere verontreinigende stoffen die niet in het artikel 3.2.3 vermeld zijn aan een soortgelijke controle onderwerpen, rekening houdend met de wetenschappelijke vooruitgang en de volgende criteria :
1° mogelijkheid, mate en frequentie van de effecten; met betrekking tot de volksgezondheid en het milieu in zijn geheel, moet bijzondere aandacht worden besteed aan de onomkeerbare gevolgen;
2° algemene aanwezigheid en hoge concentratie van de verontreinigende stof in de lucht;
3° milieutransformatie of metabolische omzettingen, aangezien dergelijke wijzigingen tot de vorming van chemische stoffen met een grotere toxiciteit kunnen leiden;
4° persistentie in het milieu, met name indien de verontreinigende stof resistent voor afbraak in het milieu is en kan accumuleren in mensen, het milieu of de voedselketen;
5° effect van de verontreinigende stof, met name :
- omvang van de blootgestelde bevolking, levende soorten of ecosystemen;
- bestaan van bijzonder gevoelige doelgroepen in het betrokken gebied;
6° mogelijkheid om risicobeoordelingsmethodes te gebruiken;
7° relevante gevaarcriteria vastgesteld in Richtlijn 67/548/EEG betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen.
1° mogelijkheid, mate en frequentie van de effecten; met betrekking tot de volksgezondheid en het milieu in zijn geheel, moet bijzondere aandacht worden besteed aan de onomkeerbare gevolgen;
2° algemene aanwezigheid en hoge concentratie van de verontreinigende stof in de lucht;
3° milieutransformatie of metabolische omzettingen, aangezien dergelijke wijzigingen tot de vorming van chemische stoffen met een grotere toxiciteit kunnen leiden;
4° persistentie in het milieu, met name indien de verontreinigende stof resistent voor afbraak in het milieu is en kan accumuleren in mensen, het milieu of de voedselketen;
5° effect van de verontreinigende stof, met name :
- omvang van de blootgestelde bevolking, levende soorten of ecosystemen;
- bestaan van bijzonder gevoelige doelgroepen in het betrokken gebied;
6° mogelijkheid om risicobeoordelingsmethodes te gebruiken;
7° relevante gevaarcriteria vastgesteld in Richtlijn 67/548/EEG betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen.
Art. 3.2.4. Le Gouvernement peut soumettre d'autres polluants non visés à l'article 3.2.3 à une surveillance similaire, compte tenu des progrès scientifiques et des critères suivants :
1° la possibilité, la gravité et la fréquence des effets; en ce qui concerne la santé humaine et l'environnement dans son ensemble, les effets irréversibles doivent faire l'objet d'une attention particulière;
2° la présence généralisée et le niveau élevé du polluant dans l'atmosphère;
3° les transformations environnementales ou les altérations métaboliques, ces altérations pouvant conduire à la production de substances chimiques plus toxiques;
4° la persistance dans l'environnement, en particulier si le polluant n'est pas biodégradable et est susceptible d'accumulation chez l'homme, dans l'environnement ou dans les chaînes alimentaires;
5° l'impact du polluant, à savoir :
- l'importance de la population, des ressources vivantes ou des écosystèmes exposés;
- l'existence d'éléments cibles particulièrement vulnérables dans la zone concernée;
6° la possibilité d'utilisation de méthodes d'évaluation du risque;
7° les critères pertinents de danger établis par la Directive 67/548/CEE concernant le rapprochement des dispositions législatives, administratives et réglementaires relatives à la classification, l'emballage et l'étiquetage des substances dangereuses.
1° la possibilité, la gravité et la fréquence des effets; en ce qui concerne la santé humaine et l'environnement dans son ensemble, les effets irréversibles doivent faire l'objet d'une attention particulière;
2° la présence généralisée et le niveau élevé du polluant dans l'atmosphère;
3° les transformations environnementales ou les altérations métaboliques, ces altérations pouvant conduire à la production de substances chimiques plus toxiques;
4° la persistance dans l'environnement, en particulier si le polluant n'est pas biodégradable et est susceptible d'accumulation chez l'homme, dans l'environnement ou dans les chaînes alimentaires;
5° l'impact du polluant, à savoir :
- l'importance de la population, des ressources vivantes ou des écosystèmes exposés;
- l'existence d'éléments cibles particulièrement vulnérables dans la zone concernée;
6° la possibilité d'utilisation de méthodes d'évaluation du risque;
7° les critères pertinents de danger établis par la Directive 67/548/CEE concernant le rapprochement des dispositions législatives, administratives et réglementaires relatives à la classification, l'emballage et l'étiquetage des substances dangereuses.
Art. 3.2.5. § 1. De Regering legt de grenswaarden, de streefwaarden, de langetermijndoelstellingen, de kritieke niveaus alsook de alarm- en informatiedrempels vast voor de verontreinigende stoffen bedoeld in artikel 3.2.3 en, desgevallend, de termijnen binnen welke die niveaus gehaald dienen te worden overeenkomstig de Europese Richtlijnen betreffende de luchtkwaliteit en rekening houdend met de meest recente gegevens van het wetenschappelijk onderzoek in de epidemiologische en milieudomeinen, de meest recente vooruitgang in de metrologie en de mate van blootstelling van de bevolkingsgroepen en met name van de kwetsbare groepen alsook, desgevallend :
1° van de klimatologische omstandigheden;
2° van de gevoeligheid van de flora en de fauna en van hun habitat;
3° van het aan verontreinigende stoffen blootgesteld historisch, cultureel en architecturaal erfgoed;
4° van de economische en technische haalbaarheid;
5° van het vervoer over lange afstand van verontreinigende stoffen, waaronder de secundaire verontreinigende stoffen, met inbegrip van ozon.
§ 2. De Regering kan een tijdelijke overschrijdingsmarge vastleggen voor de in § 1 bedoelde grenswaarden overeenkomstig de Europese Richtlijnen betreffende de luchtkwaliteit.
Deze marge wordt op een door haar vast te stellen wijze verlaagd teneinde de grenswaarde uiterlijk op het einde van de gestelde termijn te bereiken.
1° van de klimatologische omstandigheden;
2° van de gevoeligheid van de flora en de fauna en van hun habitat;
3° van het aan verontreinigende stoffen blootgesteld historisch, cultureel en architecturaal erfgoed;
4° van de economische en technische haalbaarheid;
5° van het vervoer over lange afstand van verontreinigende stoffen, waaronder de secundaire verontreinigende stoffen, met inbegrip van ozon.
§ 2. De Regering kan een tijdelijke overschrijdingsmarge vastleggen voor de in § 1 bedoelde grenswaarden overeenkomstig de Europese Richtlijnen betreffende de luchtkwaliteit.
Deze marge wordt op een door haar vast te stellen wijze verlaagd teneinde de grenswaarde uiterlijk op het einde van de gestelde termijn te bereiken.
Art. 3.2.5. § 1er. Le Gouvernement fixe les valeurs limites, les valeurs cibles, les objectifs à long terme, les niveaux critiques, ainsi que les seuils d'alerte et d'information pour les polluants visés à l'article 3.2.3 et, le cas échéant, les délais dans lesquels ces niveaux doivent être atteints, conformément aux Directive s européennes relatives à la qualité de l'air ambiant et au regard des données les plus récentes de la recherche scientifique dans les domaines épidémiologique et environnemental, des progrès les plus récents de la métrologie, du degré d'exposition des populations et notamment des groupes sensibles, ainsi que, s'il échet :
1° des conditions climatiques;
2° de la sensibilité de la flore et de la faune, et de leur habitat;
3° du patrimoine historique, culturel, architectural exposé aux polluants;
4° de la faisabilité économique et technique;
5° du transport à longue distance des polluants, dont les polluants secondaires, y compris l'ozone.
§ 2. Le Gouvernement peut fixer pour les valeurs limites visées au § 1er, une marge de dépassement temporaire, conformément aux Directive s européennes relatives à la qualité de l'air ambiant.
Cette marge se réduit selon les modalités qu'il définit afin d'atteindre la valeur limite au plus tard à la fin du délai fixé.
1° des conditions climatiques;
2° de la sensibilité de la flore et de la faune, et de leur habitat;
3° du patrimoine historique, culturel, architectural exposé aux polluants;
4° de la faisabilité économique et technique;
5° du transport à longue distance des polluants, dont les polluants secondaires, y compris l'ozone.
§ 2. Le Gouvernement peut fixer pour les valeurs limites visées au § 1er, une marge de dépassement temporaire, conformément aux Directive s européennes relatives à la qualité de l'air ambiant.
Cette marge se réduit selon les modalités qu'il définit afin d'atteindre la valeur limite au plus tard à la fin du délai fixé.
Art. 3.2.7. Voor elke verontreinigende stof, bepaalt de Regering, overeenkomstig de Europese Richtlijnen, criteria en technieken betreffende :
1° de plaats van de bemonsteringspunten. Er is rekening gehouden met het feit dat de meetstations over het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden verspreid volgens de op wetenschappelijke basis vastgestelde representativiteit van de verschillende stedelijke omgevingen;
2° het minimumaantal bemonsteringspunten;
3° de referentiemeettechnieken en de bemonsteringstechnieken;
4° het gebruik van andere technieken voor de beoordeling van de luchtkwaliteit, met name :
- de ruimtelijke resolutie voor de modellen en de methoden voor objectieve beoordeling;
- de referentietechnieken voor de modellen;
5° gegevens kwaliteitsdoelstellingen.
1° de plaats van de bemonsteringspunten. Er is rekening gehouden met het feit dat de meetstations over het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden verspreid volgens de op wetenschappelijke basis vastgestelde representativiteit van de verschillende stedelijke omgevingen;
2° het minimumaantal bemonsteringspunten;
3° de referentiemeettechnieken en de bemonsteringstechnieken;
4° het gebruik van andere technieken voor de beoordeling van de luchtkwaliteit, met name :
- de ruimtelijke resolutie voor de modellen en de methoden voor objectieve beoordeling;
- de referentietechnieken voor de modellen;
5° gegevens kwaliteitsdoelstellingen.
Art. 3.2.6. Le Gouvernement peut fixer, pour les polluants qu'il détermine, un seuil de pré-alerte correspondant à un niveau plus strict que le seuil d'alerte. Le dépassement de ce seuil de pré-alerte nécessite une information complémentaire de la population, conformément à l'article 3.2.14.
HOODSTUK 4. - Beheer van de luchtkwaliteit en van de emissie van luchtverontreinigende stoffen
Art. 3.2.7. Pour chaque polluant, le Gouvernement détermine, conformément aux Directive s européennes, des critères et des techniques concernant :
Art. 3.2.7. Voor elke verontreinigende stof, bepaalt de Regering, overeenkomstig de Europese Richtlijnen, criteria en technieken betreffende :
1° de plaats van de bemonsteringspunten. Er is rekening gehouden met het feit dat de meetstations over het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden verspreid volgens de op wetenschappelijke basis vastgestelde representativiteit van de verschillende stedelijke omgevingen;
2° het minimumaantal bemonsteringspunten;
3° de referentiemeettechnieken en de bemonsteringstechnieken;
4° het gebruik van andere technieken voor de beoordeling van de luchtkwaliteit, met name :
- de ruimtelijke resolutie voor de modellen en de methoden voor objectieve beoordeling;
- de referentietechnieken voor de modellen;
5° gegevens kwaliteitsdoelstellingen.
1° de plaats van de bemonsteringspunten. Er is rekening gehouden met het feit dat de meetstations over het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden verspreid volgens de op wetenschappelijke basis vastgestelde representativiteit van de verschillende stedelijke omgevingen;
2° het minimumaantal bemonsteringspunten;
3° de referentiemeettechnieken en de bemonsteringstechnieken;
4° het gebruik van andere technieken voor de beoordeling van de luchtkwaliteit, met name :
- de ruimtelijke resolutie voor de modellen en de methoden voor objectieve beoordeling;
- de referentietechnieken voor de modellen;
5° gegevens kwaliteitsdoelstellingen.
Art. 3.2.7. Pour chaque polluant, le Gouvernement détermine, conformément aux Directive s européennes, des critères et des techniques concernant :
1° l'emplacement des points de prélèvement. Il est tenu compte du fait que les stations de mesures doivent être réparties sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale selon la représentativité, établie sur des bases scientifiques, des différentes formes d'environnement urbain;
2° le nombre minimal des points de prélèvement;
3° la méthodologie de mesure de référence et de prélèvement;
4° l'évaluation de la qualité de l'air ambiant par des méthodes alternatives, notamment :
- la résolution spatiale pour la modélisation et les méthodes d'évaluation objective;
- les techniques de référence pour la modélisation;
5° les objectifs de qualité des données.
1° l'emplacement des points de prélèvement. Il est tenu compte du fait que les stations de mesures doivent être réparties sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale selon la représentativité, établie sur des bases scientifiques, des différentes formes d'environnement urbain;
2° le nombre minimal des points de prélèvement;
3° la méthodologie de mesure de référence et de prélèvement;
4° l'évaluation de la qualité de l'air ambiant par des méthodes alternatives, notamment :
- la résolution spatiale pour la modélisation et les méthodes d'évaluation objective;
- les techniques de référence pour la modélisation;
5° les objectifs de qualité des données.
Art. 3.2.9. § 1. Op basis van het gewestelijk Lucht-Klimaat-Energieplan en de plannen inzake luchtkwaliteit en op advies van [1 Leefmilieu Brussel]1, legt de Regering de maatregelen vast om de luchtvervuiling structureel te verminderen. Die maatregelen kunnen met name bestaan in :
1° de beperking en, in sommige gevallen, het verbod van sommige vormen van vervuiling;
2° de reglementering of het verbod om bepaalde apparaten, inrichtingen of producten te gebruiken die vervuiling kunnen teweegbrengen, met name door emissienormen voor elke vervuilingsbron op te stellen die prioritair wordt beschouwd in het kader van het gewestelijk lucht-klimaat-energieplan;
3° richtsnoeren inzake ruimtelijke ordening die de emissies van luchtverontreinigende stoffen moeten verminderen en waarmee de gewestelijke en bijzondere bestemmingsplannen rekening moeten houden;
4° de vaststelling van emissiedrempels van verontreinigende stoffen rekening houdend met de internationale verdragen en Europese Richtlijnen betreffende de emissies van luchtverontreinigende stoffen.
§ 2. De Regering ziet er inzonderheid op toe dat de daartoe getroffen maatregelen :
1° rekening houden met een geïntegreerde aanpak van de bescherming van de lucht, het klimaat, het water en de bodem;
2° geen significante negatieve gevolgen hebben voor het milieu in de andere Gewesten en lidstaten van de Europese Unie;
3° de beste luchtkwaliteit in stand houden die verenigbaar is met een duurzame ontwikkeling.
1° de beperking en, in sommige gevallen, het verbod van sommige vormen van vervuiling;
2° de reglementering of het verbod om bepaalde apparaten, inrichtingen of producten te gebruiken die vervuiling kunnen teweegbrengen, met name door emissienormen voor elke vervuilingsbron op te stellen die prioritair wordt beschouwd in het kader van het gewestelijk lucht-klimaat-energieplan;
3° richtsnoeren inzake ruimtelijke ordening die de emissies van luchtverontreinigende stoffen moeten verminderen en waarmee de gewestelijke en bijzondere bestemmingsplannen rekening moeten houden;
4° de vaststelling van emissiedrempels van verontreinigende stoffen rekening houdend met de internationale verdragen en Europese Richtlijnen betreffende de emissies van luchtverontreinigende stoffen.
§ 2. De Regering ziet er inzonderheid op toe dat de daartoe getroffen maatregelen :
1° rekening houden met een geïntegreerde aanpak van de bescherming van de lucht, het klimaat, het water en de bodem;
2° geen significante negatieve gevolgen hebben voor het milieu in de andere Gewesten en lidstaten van de Europese Unie;
3° de beste luchtkwaliteit in stand houden die verenigbaar is met een duurzame ontwikkeling.
Art. 3.2.8. En cas de dépassement de la valeur limite ou de la valeur cible d'un ou plusieurs polluants, majorée dans chaque cas de toute marge de dépassement, [1 Bruxelles Environnement]1 arrête un plan relatif à la qualité de l'air pour la zone concernée, afin d'atteindre la valeur limite ou la valeur cible correspondante dans un délai aussi bref que possible.
Ce plan contient au moins les informations visées au point II, 5) de l'annexe 1.1 pour les polluants considérés. Il précise et, le cas échéant, complète les mesures prévues par le plan régional Air-Climat-énergie visé à l'article 1.4.1.
Ce plan contient au moins les informations visées au point II, 5) de l'annexe 1.1 pour les polluants considérés. Il précise et, le cas échéant, complète les mesures prévues par le plan régional Air-Climat-énergie visé à l'article 1.4.1.
Wijzigingen
Art. 3.2.8. Indien de grenswaarde of de streefwaarde van één of meer verontreinigende stoffen, telkens vermeerderd met elke overschrijdingsmarge, wordt overschreden, legt [1 Leefmilieu Brussel]1 een luchtkwaliteitsplan voor het betrokken gebied vast om de overeenstemmende grens- of streefwaarde binnen een zo kort mogelijk termijn te bereiken.
Dat plan bevat minstens de informatie bedoeld in punt II, 5) van bijlage 1.1 voor de bedoelde verontreinigende stoffen. Het verduidelijkt en vervolledigt, indien nodig, de voorziene maatregelen door het gewestelijk lucht-klimaat-energieplan bedoeld in artikel 1.4.1.
Dat plan bevat minstens de informatie bedoeld in punt II, 5) van bijlage 1.1 voor de bedoelde verontreinigende stoffen. Het verduidelijkt en vervolledigt, indien nodig, de voorziene maatregelen door het gewestelijk lucht-klimaat-energieplan bedoeld in artikel 1.4.1.
Art. 3.2.9. § 1er. Sur la base du plan régional Air-Climat-Energie et des plans relatifs à la qualité de l'air, et sur avis de [1 Bruxelles Environnement]1, le Gouvernement arrête les mesures visant à réduire structurellement la pollution atmosphérique. Ces mesures peuvent notamment consister en :
1° la restriction et, dans certains cas, l'interdiction de certaines formes de pollution;
2° la réglementation ou l'interdiction de l'emploi d'appareils, de dispositifs ou de produits susceptibles de créer une pollution notamment par l'établissement de normes d'émission pour toute source de pollution jugée prioritaire dans le cadre du plan régional air-climat-énergie;
3° des lignes directrices d'aménagement du territoire qui tendent à la réduction d'émissions de polluants atmosphériques, et dans le cadre desquelles les plans régionaux et particuliers d'affectation du sol doivent s'inscrire;
4° la fixation de seuils d'émission de polluants en tenant compte des conventions internationales et Directive s européennes relatives aux émissions de polluants atmosphériques.
§ 2. Le Gouvernement veille particulièrement à ce que les mesures prises à cette fin :
1° prennent en compte une approche intégrée pour la protection de l'air, du climat, de l'eau et du sol;
2° n'aient pas d'effets négatifs significatifs sur l'environnement des autres Régions et des Etats membres de l'Union européenne;
3° préservent la meilleure qualité de l'air ambiant compatible avec le développement durable.
1° la restriction et, dans certains cas, l'interdiction de certaines formes de pollution;
2° la réglementation ou l'interdiction de l'emploi d'appareils, de dispositifs ou de produits susceptibles de créer une pollution notamment par l'établissement de normes d'émission pour toute source de pollution jugée prioritaire dans le cadre du plan régional air-climat-énergie;
3° des lignes directrices d'aménagement du territoire qui tendent à la réduction d'émissions de polluants atmosphériques, et dans le cadre desquelles les plans régionaux et particuliers d'affectation du sol doivent s'inscrire;
4° la fixation de seuils d'émission de polluants en tenant compte des conventions internationales et Directive s européennes relatives aux émissions de polluants atmosphériques.
§ 2. Le Gouvernement veille particulièrement à ce que les mesures prises à cette fin :
1° prennent en compte une approche intégrée pour la protection de l'air, du climat, de l'eau et du sol;
2° n'aient pas d'effets négatifs significatifs sur l'environnement des autres Régions et des Etats membres de l'Union européenne;
3° préservent la meilleure qualité de l'air ambiant compatible avec le développement durable.
Wijzigingen
Art. 3.2.9. § 1. Op basis van het gewestelijk Lucht-Klimaat-Energieplan en de plannen inzake luchtkwaliteit en op advies van [1 Leefmilieu Brussel]1, legt de Regering de maatregelen vast om de luchtvervuiling structureel te verminderen. Die maatregelen kunnen met name bestaan in :
1° de beperking en, in sommige gevallen, het verbod van sommige vormen van vervuiling;
2° de reglementering of het verbod om bepaalde apparaten, inrichtingen of producten te gebruiken die vervuiling kunnen teweegbrengen, met name door emissienormen voor elke vervuilingsbron op te stellen die prioritair wordt beschouwd in het kader van het gewestelijk lucht-klimaat-energieplan;
3° richtsnoeren inzake ruimtelijke ordening die de emissies van luchtverontreinigende stoffen moeten verminderen en waarmee de gewestelijke en bijzondere bestemmingsplannen rekening moeten houden;
4° de vaststelling van emissiedrempels van verontreinigende stoffen rekening houdend met de internationale verdragen en Europese Richtlijnen betreffende de emissies van luchtverontreinigende stoffen.
§ 2. De Regering ziet er inzonderheid op toe dat de daartoe getroffen maatregelen :
1° rekening houden met een geïntegreerde aanpak van de bescherming van de lucht, het klimaat, het water en de bodem;
2° geen significante negatieve gevolgen hebben voor het milieu in de andere Gewesten en lidstaten van de Europese Unie;
3° de beste luchtkwaliteit in stand houden die verenigbaar is met een duurzame ontwikkeling.
1° de beperking en, in sommige gevallen, het verbod van sommige vormen van vervuiling;
2° de reglementering of het verbod om bepaalde apparaten, inrichtingen of producten te gebruiken die vervuiling kunnen teweegbrengen, met name door emissienormen voor elke vervuilingsbron op te stellen die prioritair wordt beschouwd in het kader van het gewestelijk lucht-klimaat-energieplan;
3° richtsnoeren inzake ruimtelijke ordening die de emissies van luchtverontreinigende stoffen moeten verminderen en waarmee de gewestelijke en bijzondere bestemmingsplannen rekening moeten houden;
4° de vaststelling van emissiedrempels van verontreinigende stoffen rekening houdend met de internationale verdragen en Europese Richtlijnen betreffende de emissies van luchtverontreinigende stoffen.
§ 2. De Regering ziet er inzonderheid op toe dat de daartoe getroffen maatregelen :
1° rekening houden met een geïntegreerde aanpak van de bescherming van de lucht, het klimaat, het water en de bodem;
2° geen significante negatieve gevolgen hebben voor het milieu in de andere Gewesten en lidstaten van de Europese Unie;
3° de beste luchtkwaliteit in stand houden die verenigbaar is met een duurzame ontwikkeling.
Art. 3.2.9. § 1er. Sur la base du plan régional Air-Climat-Energie et des plans relatifs à la qualité de l'air, et sur avis de [1 Bruxelles Environnement]1, le Gouvernement arrête les mesures visant à réduire structurellement la pollution atmosphérique. Ces mesures peuvent notamment consister en :
1° la restriction et, dans certains cas, l'interdiction de certaines formes de pollution;
2° la réglementation ou l'interdiction de l'emploi d'appareils, de dispositifs ou de produits susceptibles de créer une pollution notamment par l'établissement de normes d'émission pour toute source de pollution jugée prioritaire dans le cadre du plan régional air-climat-énergie;
3° des lignes directrices d'aménagement du territoire qui tendent à la réduction d'émissions de polluants atmosphériques, et dans le cadre desquelles les plans régionaux et particuliers d'affectation du sol doivent s'inscrire;
4° la fixation de seuils d'émission de polluants en tenant compte des conventions internationales et Directive s européennes relatives aux émissions de polluants atmosphériques.
§ 2. Le Gouvernement veille particulièrement à ce que les mesures prises à cette fin :
1° prennent en compte une approche intégrée pour la protection de l'air, du climat, de l'eau et du sol;
2° n'aient pas d'effets négatifs significatifs sur l'environnement des autres Régions et des Etats membres de l'Union européenne;
3° préservent la meilleure qualité de l'air ambiant compatible avec le développement durable.
1° la restriction et, dans certains cas, l'interdiction de certaines formes de pollution;
2° la réglementation ou l'interdiction de l'emploi d'appareils, de dispositifs ou de produits susceptibles de créer une pollution notamment par l'établissement de normes d'émission pour toute source de pollution jugée prioritaire dans le cadre du plan régional air-climat-énergie;
3° des lignes directrices d'aménagement du territoire qui tendent à la réduction d'émissions de polluants atmosphériques, et dans le cadre desquelles les plans régionaux et particuliers d'affectation du sol doivent s'inscrire;
4° la fixation de seuils d'émission de polluants en tenant compte des conventions internationales et Directive s européennes relatives aux émissions de polluants atmosphériques.
§ 2. Le Gouvernement veille particulièrement à ce que les mesures prises à cette fin :
1° prennent en compte une approche intégrée pour la protection de l'air, du climat, de l'eau et du sol;
2° n'aient pas d'effets négatifs significatifs sur l'environnement des autres Régions et des Etats membres de l'Union européenne;
3° préservent la meilleure qualité de l'air ambiant compatible avec le développement durable.
Wijzigingen
Art. 3.2.11. Om het hoofd te kunnen bieden aan een dreigende overschrijding of overschrijding van een grenswaarde of alarmdrempel, keurt de Regering een actieplan goed. Dit plan omvat meer bepaald :
1° de identificatie van de verschillende soorten crisissen, de identificatie van de drempels die één van deze crisissen veroorzaken zodra ze worden overschreden alsook de identificatie van de verschillende autoriteiten die moeten tussenkomen indien elk van hen zich voordoet;
2° de oprichting van instanties voor crisisbeheer, met name de oprichting van een Crisiscomité;
3° elke maatregel die op korte termijn moet worden genomen om de gevolgen van hoge niveaus van verontreinigende stoffen voor de gezondheid te verminderen;
4° elke maatregel die nodig is om zo snel mogelijk de emissies die de hoge niveaus van verontreinigende stoffen veroorzaken te verminderen.
Deze maatregelen bestaan meer bepaald in :
1° controlemaatregelen;
2° maatregelen tot vermindering of stopzetting van de activiteiten die vervuiling veroorzaken, tot vermindering van de uitstoot van vaste en mobiele bronnen, van het autoverkeer, en een alternatief in het openbaar vervoer aan te moedigen;
3° meer specifieke maatregelen met het oog op de bescherming van de kwetsbare bevolkingscategorieën, meer bepaald de kinderen;
4° maatregelen om het publiek te informeren.
Het actieplan op korte termijn zal bekend gemaakt worden op de internetsite van [1 Leefmilieu Brussel]1.
1° de identificatie van de verschillende soorten crisissen, de identificatie van de drempels die één van deze crisissen veroorzaken zodra ze worden overschreden alsook de identificatie van de verschillende autoriteiten die moeten tussenkomen indien elk van hen zich voordoet;
2° de oprichting van instanties voor crisisbeheer, met name de oprichting van een Crisiscomité;
3° elke maatregel die op korte termijn moet worden genomen om de gevolgen van hoge niveaus van verontreinigende stoffen voor de gezondheid te verminderen;
4° elke maatregel die nodig is om zo snel mogelijk de emissies die de hoge niveaus van verontreinigende stoffen veroorzaken te verminderen.
Deze maatregelen bestaan meer bepaald in :
1° controlemaatregelen;
2° maatregelen tot vermindering of stopzetting van de activiteiten die vervuiling veroorzaken, tot vermindering van de uitstoot van vaste en mobiele bronnen, van het autoverkeer, en een alternatief in het openbaar vervoer aan te moedigen;
3° meer specifieke maatregelen met het oog op de bescherming van de kwetsbare bevolkingscategorieën, meer bepaald de kinderen;
4° maatregelen om het publiek te informeren.
Het actieplan op korte termijn zal bekend gemaakt worden op de internetsite van [1 Leefmilieu Brussel]1.
Art. 3.2.10. Le Gouvernement est habilité, en concertation avec les acteurs concernés, à prendre toutes les mesures nécessaires n'entraînant pas de coûts disproportionnés pour réduire l'exposition aux PM2,5 en vue d'atteindre l'obligation en matière de concentration et l'objectif national de réduction de l'exposition indiqués à l'annexe 3.1, dans les délais prévus à ladite annexe.
HOOFDSTUK 6. - Grensoverschrijdende luchtverontreiniging
Art. 3.2.11.Le Gouvernement arrête un plan d'action à court terme, dans le but de faire face au risque de dépassement ou au dépassement d'une valeur limite ou d'un seuil d'alerte. Ce plan comprend notamment :
Art. 3.2.11. Om het hoofd te kunnen bieden aan een dreigende overschrijding of overschrijding van een grenswaarde of alarmdrempel, keurt de Regering een actieplan goed. Dit plan omvat meer bepaald :
1° de identificatie van de verschillende soorten crisissen, de identificatie van de drempels die één van deze crisissen veroorzaken zodra ze worden overschreden alsook de identificatie van de verschillende autoriteiten die moeten tussenkomen indien elk van hen zich voordoet;
2° de oprichting van instanties voor crisisbeheer, met name de oprichting van een Crisiscomité;
3° elke maatregel die op korte termijn moet worden genomen om de gevolgen van hoge niveaus van verontreinigende stoffen voor de gezondheid te verminderen;
4° elke maatregel die nodig is om zo snel mogelijk de emissies die de hoge niveaus van verontreinigende stoffen veroorzaken te verminderen.
Deze maatregelen bestaan meer bepaald in :
1° controlemaatregelen;
2° maatregelen tot vermindering of stopzetting van de activiteiten die vervuiling veroorzaken, tot vermindering van de uitstoot van vaste en mobiele bronnen, van het autoverkeer, en een alternatief in het openbaar vervoer aan te moedigen;
3° meer specifieke maatregelen met het oog op de bescherming van de kwetsbare bevolkingscategorieën, meer bepaald de kinderen;
4° maatregelen om het publiek te informeren.
Het actieplan op korte termijn zal bekend gemaakt worden op de internetsite van [1 Leefmilieu Brussel]1.
1° de identificatie van de verschillende soorten crisissen, de identificatie van de drempels die één van deze crisissen veroorzaken zodra ze worden overschreden alsook de identificatie van de verschillende autoriteiten die moeten tussenkomen indien elk van hen zich voordoet;
2° de oprichting van instanties voor crisisbeheer, met name de oprichting van een Crisiscomité;
3° elke maatregel die op korte termijn moet worden genomen om de gevolgen van hoge niveaus van verontreinigende stoffen voor de gezondheid te verminderen;
4° elke maatregel die nodig is om zo snel mogelijk de emissies die de hoge niveaus van verontreinigende stoffen veroorzaken te verminderen.
Deze maatregelen bestaan meer bepaald in :
1° controlemaatregelen;
2° maatregelen tot vermindering of stopzetting van de activiteiten die vervuiling veroorzaken, tot vermindering van de uitstoot van vaste en mobiele bronnen, van het autoverkeer, en een alternatief in het openbaar vervoer aan te moedigen;
3° meer specifieke maatregelen met het oog op de bescherming van de kwetsbare bevolkingscategorieën, meer bepaald de kinderen;
4° maatregelen om het publiek te informeren.
Het actieplan op korte termijn zal bekend gemaakt worden op de internetsite van [1 Leefmilieu Brussel]1.
Art. 3.2.11. Le Gouvernement arrête un plan d'action à court terme, dans le but de faire face au risque de dépassement ou au dépassement d'une valeur limite ou d'un seuil d'alerte. Ce plan comprend notamment :
1° l'identification des différents types de crises, l'identification des seuils dont le dépassement cause la survenance d'une de ces crises, ainsi que l'identification des différentes autorités appelées à intervenir en cas de survenance de chacune d'elles;
2° la mise en place des instances de gestion de la crise, notamment la mise en place d'un Comité de crise;
3° toute mesure à prendre à court terme pour réduire les effets des niveaux élevés de polluants sur la santé;
4° toute mesure pour diminuer dans les plus brefs délais les émissions à l'origine des niveaux élevés de polluants.
Ces mesures consistent notamment en :
1° des mesures de contrôle;
2° des mesures de réduction ou de suspension des activités génératrices de pollution, de réduction des émissions des sources fixes et mobiles, de la circulation automobile, en favorisant une alternative de transports en commun;
3° des mesures plus spécifiques visant à protéger les catégories de population sensibles, notamment les enfants;
4° des mesures d'information du public.
Le plan d'action à court terme fait notamment l'objet d'une publication sur le site internet de [1 Bruxelles Environnement]1.
1° l'identification des différents types de crises, l'identification des seuils dont le dépassement cause la survenance d'une de ces crises, ainsi que l'identification des différentes autorités appelées à intervenir en cas de survenance de chacune d'elles;
2° la mise en place des instances de gestion de la crise, notamment la mise en place d'un Comité de crise;
3° toute mesure à prendre à court terme pour réduire les effets des niveaux élevés de polluants sur la santé;
4° toute mesure pour diminuer dans les plus brefs délais les émissions à l'origine des niveaux élevés de polluants.
Ces mesures consistent notamment en :
1° des mesures de contrôle;
2° des mesures de réduction ou de suspension des activités génératrices de pollution, de réduction des émissions des sources fixes et mobiles, de la circulation automobile, en favorisant une alternative de transports en commun;
3° des mesures plus spécifiques visant à protéger les catégories de population sensibles, notamment les enfants;
4° des mesures d'information du public.
Le plan d'action à court terme fait notamment l'objet d'une publication sur le site internet de [1 Bruxelles Environnement]1.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 6. - Grensoverschrijdende luchtverontreiniging
Art. 3.2.12. En cas de dépassement de tout seuil d'alerte, de toute valeur limite ou de toute valeur cible, majoré de toute marge de dépassement pertinente, ou de dépassement de tout objectif à long terme, dû à un important transport transfrontalier de polluants atmosphériques ou de leurs précurseurs provenant d'autres Etats membres de l'Union européenne, le Gouvernement travaille en collaboration avec les autres Régions et l'Autorité fédérale pour concevoir des activités conjointes avec les autres Etats membres concernés afin de mettre fin à ces dépassements dans la mesure du possible.
Art. 3.2.13. § 1. [1 Leefmilieu Brussel]1 verstrekt voortdurend informatie aan de bevolking alsook aan de adequate instellingen, met name de milieubeschermingsinstellingen, de consumentenorganisaties, de instellingen die de belangen van kwetsbare bevolkingsgroepen verdedigen en de andere betrokken gezondheidsinstellingen. De informatieverstrekking gebeurt aan de hand van gemakkelijk toegankelijke communicatiemiddelen, met name het internet, waar zij zich voortdurend kunnen informeren over de luchtkwaliteit overeenkomstig bijlage 3.2
§ 2. [1 Leefmilieu Brussel]1 informeert het publiek over de plannen betreffende de luchtkwaliteit en de actieplannen op korte termijn die respectievelijk worden beoogd in artikelen 3.2.8 en 3.2.11
§ 3. [1 Leefmilieu Brussel]1 stelt de bevolking jaarrapporten ter beschikking voor alle in dit Wetboek behandelde verontreinigende stoffen.
Deze rapporten bieden een samenvatting van de niveaus waarbij er een overschrijding is van de grenswaarden, streefwaarden, langetermijndoelstellingen, informatie- en alarmdrempels voor de periodes die stroken met deze normatieve waarden. Deze inlichtingen gaan vergezeld van een korte beoordeling van de effecten van deze overschrijdingen. Desgevallend bevatten de rapporten bijkomende informatie en evaluaties aangaande de bescherming van bossen alsook informatie over andere verontreinigende stoffen waarvoor de bepalingen van dit Wetboek in toezicht voorzien, met name de niet gereglementeerde ozonprecursoren.
§ 4. [1 Leefmilieu Brussel]1 stelt ook informatie over de diverse bronnen van binnenvervuiling ter beschikking.
§ 2. [1 Leefmilieu Brussel]1 informeert het publiek over de plannen betreffende de luchtkwaliteit en de actieplannen op korte termijn die respectievelijk worden beoogd in artikelen 3.2.8 en 3.2.11
§ 3. [1 Leefmilieu Brussel]1 stelt de bevolking jaarrapporten ter beschikking voor alle in dit Wetboek behandelde verontreinigende stoffen.
Deze rapporten bieden een samenvatting van de niveaus waarbij er een overschrijding is van de grenswaarden, streefwaarden, langetermijndoelstellingen, informatie- en alarmdrempels voor de periodes die stroken met deze normatieve waarden. Deze inlichtingen gaan vergezeld van een korte beoordeling van de effecten van deze overschrijdingen. Desgevallend bevatten de rapporten bijkomende informatie en evaluaties aangaande de bescherming van bossen alsook informatie over andere verontreinigende stoffen waarvoor de bepalingen van dit Wetboek in toezicht voorzien, met name de niet gereglementeerde ozonprecursoren.
§ 4. [1 Leefmilieu Brussel]1 stelt ook informatie over de diverse bronnen van binnenvervuiling ter beschikking.
Art. 3.2.12. En cas de dépassement de tout seuil d'alerte, de toute valeur limite ou de toute valeur cible, majoré de toute marge de dépassement pertinente, ou de dépassement de tout objectif à long terme, dû à un important transport transfrontalier de polluants atmosphériques ou de leurs précurseurs provenant d'autres Etats membres de l'Union européenne, le Gouvernement travaille en collaboration avec les autres Régions et l'Autorité fédérale pour concevoir des activités conjointes avec les autres Etats membres concernés afin de mettre fin à ces dépassements dans la mesure du possible.
Art. 3.2.14. Bij overschrijding van een alarmdrempel of, in voorkomend geval, van een vooralarmdrempel, moet een fase van bijkomende informatie aan de bevolking worden opgestart.
Gedurende deze fase bestaat de informatie uit :
1° een persmededeling met :
- een samenvatting van de analyse van de toestand uitgevoerd door IRCEL naargelang de gegevens betreffende de luchtkwaliteit in het Gewest en de naburige Gewesten en landen, de meteorologische gegevens en weersvoorspellingen en de mogelijke oorzaken van de stijging van het verontreinigingsniveau;
- raadgevingen aan de bevolking om de verontreiniging en de gevolgen voor de gezondheid te beperken;
2° de aanpassing van de informatie verstrekt overeenkomstig artikel 3.2.13 : het bericht wordt verschillende keren per dag bijgewerkt en aangevuld met raadgevingen voor de personen uit de gevoelige subgroepen;
3° de aanplakking van geactualiseerde informatie in de openbare ruimte.
Gedurende deze fase bestaat de informatie uit :
1° een persmededeling met :
- een samenvatting van de analyse van de toestand uitgevoerd door IRCEL naargelang de gegevens betreffende de luchtkwaliteit in het Gewest en de naburige Gewesten en landen, de meteorologische gegevens en weersvoorspellingen en de mogelijke oorzaken van de stijging van het verontreinigingsniveau;
- raadgevingen aan de bevolking om de verontreiniging en de gevolgen voor de gezondheid te beperken;
2° de aanpassing van de informatie verstrekt overeenkomstig artikel 3.2.13 : het bericht wordt verschillende keren per dag bijgewerkt en aangevuld met raadgevingen voor de personen uit de gevoelige subgroepen;
3° de aanplakking van geactualiseerde informatie in de openbare ruimte.
Art. 3.2.13. § 1er. [1 Bruxelles Environnement]1 organise une information continue de la population ainsi que des organismes appropriés, notamment des organismes de protection de l'environnement, les associations de consommateurs, les organismes représentant les intérêts des populations sensibles et les autres organismes de la santé concernés, à l'aide de médias d'accès facile, notamment par l'internet, permettant à ceux-ci de s'informer en permanence de la qualité de l'air ambiant conformément à l'annexe 3.2.
§ 2. [1 Bruxelles Environnement]1 informe le public des plans relatifs à la qualité de l'air et des plans d'action à court terme visés respectivement aux articles 3.2.8 et 3.2.11.
§ 3. [1 Bruxelles Environnement]1 met à la disposition de la population des rapports annuels pour tous les polluants couverts par le présent Code.
Ces rapports présentent un résumé des niveaux dépassant les valeurs limites, valeurs cibles, objectifs à long terme, seuils d'information et seuils d'alerte, pour les périodes appropriées à ces valeurs normatives. Ces renseignements sont accompagnés d'une brève évaluation des effets de ces dépassements. Les rapports peuvent comprendre, le cas échéant, des informations et des évaluations supplémentaires concernant la protection des forêts, ainsi que des informations sur d'autres polluants dont la surveillance est prévue par des dispositions du présent Code, notamment les précurseurs de l'ozone non réglementés.
§ 4. [1 Bruxelles Environnement]1 met également à disposition du public des informations relatives aux diverses sources de pollution intérieure.
§ 2. [1 Bruxelles Environnement]1 informe le public des plans relatifs à la qualité de l'air et des plans d'action à court terme visés respectivement aux articles 3.2.8 et 3.2.11.
§ 3. [1 Bruxelles Environnement]1 met à la disposition de la population des rapports annuels pour tous les polluants couverts par le présent Code.
Ces rapports présentent un résumé des niveaux dépassant les valeurs limites, valeurs cibles, objectifs à long terme, seuils d'information et seuils d'alerte, pour les périodes appropriées à ces valeurs normatives. Ces renseignements sont accompagnés d'une brève évaluation des effets de ces dépassements. Les rapports peuvent comprendre, le cas échéant, des informations et des évaluations supplémentaires concernant la protection des forêts, ainsi que des informations sur d'autres polluants dont la surveillance est prévue par des dispositions du présent Code, notamment les précurseurs de l'ozone non réglementés.
§ 4. [1 Bruxelles Environnement]1 met également à disposition du public des informations relatives aux diverses sources de pollution intérieure.
Wijzigingen
Art. 3.2.13. § 1. [1 Leefmilieu Brussel]1 verstrekt voortdurend informatie aan de bevolking alsook aan de adequate instellingen, met name de milieubeschermingsinstellingen, de consumentenorganisaties, de instellingen die de belangen van kwetsbare bevolkingsgroepen verdedigen en de andere betrokken gezondheidsinstellingen. De informatieverstrekking gebeurt aan de hand van gemakkelijk toegankelijke communicatiemiddelen, met name het internet, waar zij zich voortdurend kunnen informeren over de luchtkwaliteit overeenkomstig bijlage 3.2
§ 2. [1 Leefmilieu Brussel]1 informeert het publiek over de plannen betreffende de luchtkwaliteit en de actieplannen op korte termijn die respectievelijk worden beoogd in artikelen 3.2.8 en 3.2.11
§ 3. [1 Leefmilieu Brussel]1 stelt de bevolking jaarrapporten ter beschikking voor alle in dit Wetboek behandelde verontreinigende stoffen.
Deze rapporten bieden een samenvatting van de niveaus waarbij er een overschrijding is van de grenswaarden, streefwaarden, langetermijndoelstellingen, informatie- en alarmdrempels voor de periodes die stroken met deze normatieve waarden. Deze inlichtingen gaan vergezeld van een korte beoordeling van de effecten van deze overschrijdingen. Desgevallend bevatten de rapporten bijkomende informatie en evaluaties aangaande de bescherming van bossen alsook informatie over andere verontreinigende stoffen waarvoor de bepalingen van dit Wetboek in toezicht voorzien, met name de niet gereglementeerde ozonprecursoren.
§ 4. [1 Leefmilieu Brussel]1 stelt ook informatie over de diverse bronnen van binnenvervuiling ter beschikking.
§ 2. [1 Leefmilieu Brussel]1 informeert het publiek over de plannen betreffende de luchtkwaliteit en de actieplannen op korte termijn die respectievelijk worden beoogd in artikelen 3.2.8 en 3.2.11
§ 3. [1 Leefmilieu Brussel]1 stelt de bevolking jaarrapporten ter beschikking voor alle in dit Wetboek behandelde verontreinigende stoffen.
Deze rapporten bieden een samenvatting van de niveaus waarbij er een overschrijding is van de grenswaarden, streefwaarden, langetermijndoelstellingen, informatie- en alarmdrempels voor de periodes die stroken met deze normatieve waarden. Deze inlichtingen gaan vergezeld van een korte beoordeling van de effecten van deze overschrijdingen. Desgevallend bevatten de rapporten bijkomende informatie en evaluaties aangaande de bescherming van bossen alsook informatie over andere verontreinigende stoffen waarvoor de bepalingen van dit Wetboek in toezicht voorzien, met name de niet gereglementeerde ozonprecursoren.
§ 4. [1 Leefmilieu Brussel]1 stelt ook informatie over de diverse bronnen van binnenvervuiling ter beschikking.
Art. 3.2.13. § 1er. [1 Bruxelles Environnement]1 organise une information continue de la population ainsi que des organismes appropriés, notamment des organismes de protection de l'environnement, les associations de consommateurs, les organismes représentant les intérêts des populations sensibles et les autres organismes de la santé concernés, à l'aide de médias d'accès facile, notamment par l'internet, permettant à ceux-ci de s'informer en permanence de la qualité de l'air ambiant conformément à l'annexe 3.2.
§ 2. [1 Bruxelles Environnement]1 informe le public des plans relatifs à la qualité de l'air et des plans d'action à court terme visés respectivement aux articles 3.2.8 et 3.2.11.
§ 3. [1 Bruxelles Environnement]1 met à la disposition de la population des rapports annuels pour tous les polluants couverts par le présent Code.
Ces rapports présentent un résumé des niveaux dépassant les valeurs limites, valeurs cibles, objectifs à long terme, seuils d'information et seuils d'alerte, pour les périodes appropriées à ces valeurs normatives. Ces renseignements sont accompagnés d'une brève évaluation des effets de ces dépassements. Les rapports peuvent comprendre, le cas échéant, des informations et des évaluations supplémentaires concernant la protection des forêts, ainsi que des informations sur d'autres polluants dont la surveillance est prévue par des dispositions du présent Code, notamment les précurseurs de l'ozone non réglementés.
§ 4. [1 Bruxelles Environnement]1 met également à disposition du public des informations relatives aux diverses sources de pollution intérieure.
§ 2. [1 Bruxelles Environnement]1 informe le public des plans relatifs à la qualité de l'air et des plans d'action à court terme visés respectivement aux articles 3.2.8 et 3.2.11.
§ 3. [1 Bruxelles Environnement]1 met à la disposition de la population des rapports annuels pour tous les polluants couverts par le présent Code.
Ces rapports présentent un résumé des niveaux dépassant les valeurs limites, valeurs cibles, objectifs à long terme, seuils d'information et seuils d'alerte, pour les périodes appropriées à ces valeurs normatives. Ces renseignements sont accompagnés d'une brève évaluation des effets de ces dépassements. Les rapports peuvent comprendre, le cas échéant, des informations et des évaluations supplémentaires concernant la protection des forêts, ainsi que des informations sur d'autres polluants dont la surveillance est prévue par des dispositions du présent Code, notamment les précurseurs de l'ozone non réglementés.
§ 4. [1 Bruxelles Environnement]1 met également à disposition du public des informations relatives aux diverses sources de pollution intérieure.
Wijzigingen
Art. 3.2.14. Bij overschrijding van een alarmdrempel of, in voorkomend geval, van een vooralarmdrempel, moet een fase van bijkomende informatie aan de bevolking worden opgestart.
Gedurende deze fase bestaat de informatie uit :
1° een persmededeling met :
- een samenvatting van de analyse van de toestand uitgevoerd door IRCEL naargelang de gegevens betreffende de luchtkwaliteit in het Gewest en de naburige Gewesten en landen, de meteorologische gegevens en weersvoorspellingen en de mogelijke oorzaken van de stijging van het verontreinigingsniveau;
- raadgevingen aan de bevolking om de verontreiniging en de gevolgen voor de gezondheid te beperken;
2° de aanpassing van de informatie verstrekt overeenkomstig artikel 3.2.13 : het bericht wordt verschillende keren per dag bijgewerkt en aangevuld met raadgevingen voor de personen uit de gevoelige subgroepen;
3° de aanplakking van geactualiseerde informatie in de openbare ruimte.
Gedurende deze fase bestaat de informatie uit :
1° een persmededeling met :
- een samenvatting van de analyse van de toestand uitgevoerd door IRCEL naargelang de gegevens betreffende de luchtkwaliteit in het Gewest en de naburige Gewesten en landen, de meteorologische gegevens en weersvoorspellingen en de mogelijke oorzaken van de stijging van het verontreinigingsniveau;
- raadgevingen aan de bevolking om de verontreiniging en de gevolgen voor de gezondheid te beperken;
2° de aanpassing van de informatie verstrekt overeenkomstig artikel 3.2.13 : het bericht wordt verschillende keren per dag bijgewerkt en aangevuld met raadgevingen voor de personen uit de gevoelige subgroepen;
3° de aanplakking van geactualiseerde informatie in de openbare ruimte.
Art. 3.2.14. Le dépassement d'un seuil d'alerte ou le cas échéant d'un seuil de pré-alerte déclenche une phase d'information complémentaire de la population.
Durant cette phase, l'information est assurée par :
1° un communiqué de presse comprenant :
- un résumé de l'analyse de la situation effectuée par CELINE en fonction des données de la qualité de l'air dans la Région et dans les Régions et pays voisins, des données météorologiques et de leurs prévisions et des causes possibles de l'augmentation du niveau de la pollution;
- des conseils à la population pour limiter la pollution et les effets sur la santé;
2° l'adaptation des informations fournies conformément à l'article 3.2.13 : le message est actualisé plusieurs fois par jour et est complété par des conseils aux personnes appartenant aux sous-groupes sensibles;
3° l'affichage d'informations actualisées dans l'espace public.
Durant cette phase, l'information est assurée par :
1° un communiqué de presse comprenant :
- un résumé de l'analyse de la situation effectuée par CELINE en fonction des données de la qualité de l'air dans la Région et dans les Régions et pays voisins, des données météorologiques et de leurs prévisions et des causes possibles de l'augmentation du niveau de la pollution;
- des conseils à la population pour limiter la pollution et les effets sur la santé;
2° l'adaptation des informations fournies conformément à l'article 3.2.13 : le message est actualisé plusieurs fois par jour et est complété par des conseils aux personnes appartenant aux sous-groupes sensibles;
3° l'affichage d'informations actualisées dans l'espace public.
Art. 3.2.16. [1 § 1. De Regering bepaalt één of meerdere lage-emissiezones op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die permanent van toepassing is (zijn) om de luchtkwaliteit te verbeteren.
§ 2. De beperking van het toegangsrecht van voertuigen tot de lage-emissiezone(s) wordt verbonden aan de emissies van luchtverontreinigende stoffen van het gemotoriseerde voertuig, zoals [2 , onder voorbehoud van de toepassing van paragraaf 6,]2 bepaald door de Regering.
De Regering kan voorts afwijkingen definiëren op de beperking van het toegangsrecht tot de lage-emissiezone(s) in functie van de aard, het type, het gebruik van het betreffende motorvoertuig, socio-economische criteria, evenals in geval van uitzonderlijke situaties welke beperkt zijn in de tijd.
De Regering bepaalt de procedure voor de toekenning van de afwijkingen en stelt de statutaire of contractuele ambtenaren aan die deze zullen toekennen.
Onverminderd de registratie zoals bedoeld in § 3, dienen bepaalde door de Regering te bepalen types van voertuigen geregistreerd te worden om toegang te krijgen tot de LEZ.
De Regering bepaalt de voorwaarden van de registratie.
§ 3. Elk voertuig dat niet is geregistreerd in het repertorium van de voertuigen zoals vermeld in de artikelen 6 tot en met 9 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen, moet voorafgaandelijk geregistreerd worden om toegang te verkrijgen tot de lage-emissiezone(s).
De Regering bepaalt de voorwaarden van de registratie.
§ 4. Het plaatsen van verkeerstekens die de lage-emissiezone(s) aangeven, met name de verkeerstekens F117 en F118, bedoeld in artikel 71.2 van de Wegcode, gebeurt overeenkomstig de bepalingen van de ordonnantie van 3 april 2014 betreffende de aanvullende reglementen op het wegverkeer en de plaatsing en bekostiging van de verkeerstekens.
§ 5. De Regering kan een systeem van tijdelijke toegang tot de lage-emissiezone(s) tegen betaling invoeren.
De Regering :
1° legt de modaliteiten van dit systeem vast en legt de procedure voor aanvraag, toekenning en betaling van deze tijdelijke toegang tegen betaling vast ;
2° bepaalt desgevallend het bedrag van de retributie die voor deze toegang verschuldigd is.]1
[2 § 6. Naast de motorvoertuigen waarvoor de toegang tot de lage-emissiezone na 1 januari 2025 reeds toegelaten is op grond van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 25 januari 2018 betreffende het instellen van een lage-emissiezone, zijn toegelaten om toegang te hebben tot de lage-emissiezone tot en met 31 december 2026:
1° de motorvoertuigen van de categorieën M1, M2 en M3 van Klasse I, Klasse II, Klasse III, Klasse A, Klasse B, en van categorieën N1-I, N1-II en N1-III, indien ze een dieselmotor hebben die ten minste voldoet aan euronorm V of 5, 5a of 5b, of een benzine- of aardgasmotor hebben die ten minste voldoet aan euronorm II of 2;
2° de motorvoertuigen van de categorieën N2, N3, L1, L2, L3, L4, L5, L6 en L7.]2
§ 2. De beperking van het toegangsrecht van voertuigen tot de lage-emissiezone(s) wordt verbonden aan de emissies van luchtverontreinigende stoffen van het gemotoriseerde voertuig, zoals [2 , onder voorbehoud van de toepassing van paragraaf 6,]2 bepaald door de Regering.
De Regering kan voorts afwijkingen definiëren op de beperking van het toegangsrecht tot de lage-emissiezone(s) in functie van de aard, het type, het gebruik van het betreffende motorvoertuig, socio-economische criteria, evenals in geval van uitzonderlijke situaties welke beperkt zijn in de tijd.
De Regering bepaalt de procedure voor de toekenning van de afwijkingen en stelt de statutaire of contractuele ambtenaren aan die deze zullen toekennen.
Onverminderd de registratie zoals bedoeld in § 3, dienen bepaalde door de Regering te bepalen types van voertuigen geregistreerd te worden om toegang te krijgen tot de LEZ.
De Regering bepaalt de voorwaarden van de registratie.
§ 3. Elk voertuig dat niet is geregistreerd in het repertorium van de voertuigen zoals vermeld in de artikelen 6 tot en met 9 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen, moet voorafgaandelijk geregistreerd worden om toegang te verkrijgen tot de lage-emissiezone(s).
De Regering bepaalt de voorwaarden van de registratie.
§ 4. Het plaatsen van verkeerstekens die de lage-emissiezone(s) aangeven, met name de verkeerstekens F117 en F118, bedoeld in artikel 71.2 van de Wegcode, gebeurt overeenkomstig de bepalingen van de ordonnantie van 3 april 2014 betreffende de aanvullende reglementen op het wegverkeer en de plaatsing en bekostiging van de verkeerstekens.
§ 5. De Regering kan een systeem van tijdelijke toegang tot de lage-emissiezone(s) tegen betaling invoeren.
De Regering :
1° legt de modaliteiten van dit systeem vast en legt de procedure voor aanvraag, toekenning en betaling van deze tijdelijke toegang tegen betaling vast ;
2° bepaalt desgevallend het bedrag van de retributie die voor deze toegang verschuldigd is.]1
[2 § 6. Naast de motorvoertuigen waarvoor de toegang tot de lage-emissiezone na 1 januari 2025 reeds toegelaten is op grond van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 25 januari 2018 betreffende het instellen van een lage-emissiezone, zijn toegelaten om toegang te hebben tot de lage-emissiezone tot en met 31 december 2026:
1° de motorvoertuigen van de categorieën M1, M2 en M3 van Klasse I, Klasse II, Klasse III, Klasse A, Klasse B, en van categorieën N1-I, N1-II en N1-III, indien ze een dieselmotor hebben die ten minste voldoet aan euronorm V of 5, 5a of 5b, of een benzine- of aardgasmotor hebben die ten minste voldoet aan euronorm II of 2;
2° de motorvoertuigen van de categorieën N2, N3, L1, L2, L3, L4, L5, L6 en L7.]2
Art. 3.2.15. En cas de dépassement d'un ou plusieurs seuils d'alerte, la diffusion du communiqué est assurée par une annonce dans deux journaux de langue française et deux journaux de langue néerlandaise ayant une diffusion régionale, et par une annonce officielle à la radio et à la télévision à une heure de grande audience. Ce communiqué est également publié sur le site internet de [1 Bruxelles Environnement]1.
En outre, [1 Bruxelles Environnement]1 peut proposer au Gouvernement un dispositif de diffusion supplémentaire.
En outre, [1 Bruxelles Environnement]1 peut proposer au Gouvernement un dispositif de diffusion supplémentaire.
Wijzigingen
Art. 3.2.17. [1 § 1. De uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten, met uitzondering van artikel 3.2.27, en van artikel 3.4.1/1, leidt tot de verwerking van persoonsgegevens door de dienst, die optreedt als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4,7), van de AVG, die door de Regering is aangewezen voor de uitvoering van de in artikel 3.2.16 bedoelde taken.
Deze verwerking van persoonsgegevens streeft de volgende doeleinden na:
1° het verlenen van afwijkingen op de door de Regering met toepassing van artikel 3.2.16, § 2, tweede lid, vastgestelde beperkingen van het toegangsrecht;
2° de registratie van motorvoertuigen bedoeld in artikel 3.2.16, § 3;
3° het verlenen van tijdelijke toegang tegen betaling bepaald door de Regering met toepassing van artikel 3.4.16, § 5;
4° het toezicht op de naleving van de door de Regering krachtens artikel 3.2.16, § 1, vastgestelde beperkingen inzake de toegang tot lage-emissiezones en, in geval van niet-naleving, het bestraffen van de niet-naleving van deze beperkingen overeenkomstig artikel 3.4.1/1;
5° het toezicht op de naleving van de registratie van motorvoertuigen bedoeld in artikel 3.2.16, § 3, en, in voorkomend geval, het bestraffen van de niet-naleving van deze verplichting overeenkomstig artikel 3.1.1/1, § 6;
6° het uitvoeren van statistische en wetenschappelijke onderzoeken om de effecten van de invoering van de lage-emissiezones op de luchtkwaliteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te analyseren.
§ 2. De categorieën van persoonsgegevens waarop de in paragraaf 1 bedoelde verwerking betrekking heeft en de categorieën van betrokkenen op wie deze verwerking betrekking heeft, zijn:
1° met het oog op de toekenning van afwijkingen die door de Regering zijn bepaald in toepassing van artikel 3.2.16, § 2, tweede lid:
a) de identificatiegegevens van de persoon die de afwijkingsaanvraag indient, van de nummerplaathouder van het motorvoertuig waarop de afwijkingsaanvraag betrekking heeft en, in voorkomend geval, de identificatiegegevens van de persoon wiens situatie in aanmerking wordt genomen voor het verlenen van de afwijking, met inbegrip van het identificatienummer van het Rijksregister bedoeld in artikel 2, § 3, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en het identificatienummer bedoeld in artikel 4, § 2, derde lid, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
b) de nummerplaat en de technische kenmerken met betrekking tot de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen zoals door de Regering vastgesteld in uitvoering van artikel 3.2.16, § 2, eerste lid, van het motorvoertuig dat het voorwerp vormt van de afwijkingsaanvraag alsmede, indien de door de Regering vastgestelde afwijking daarmee rekening houdt, de bewijzen van het gebruik van het motorvoertuig of van de bijzondere aanpassingen die aan het motorvoertuig zijn aangebracht;
c) de gegevens die nodig zijn voor de verificatie van de situatie van de betrokkene die in aanmerking wordt genomen voor het verlenen van de afwijking, met inbegrip van gegevens over gezondheid in de zin van artikel 4, 15) van de AVG, die verband houden met een bijzondere, door de bevoegde overheidsinstantie erkende, toestand van kwetsbaarheid of lichamelijke of mentale beperking, wanneer de door de Regering vastgestelde afwijking rekening houdt met dergelijke omstandigheden;
2° voor de registratie van voertuigen als bedoeld in artikel 3.2.16, § 3:
a) de identificatiegegevens van de persoon die de inschrijving van het motorvoertuig verricht en de identificatiegegevens van de nummerplaathouder van het motorvoertuig dat het voorwerp uitmaakt van de registratie;
b) de nummerplaat van het motorvoertuig en de technische kenmerken met betrekking tot de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen zoals door de Regering vastgesteld overeenkomstig artikel 3.2.16, § 2, eerste lid, van het motorvoertuig dat het voorwerp uitmaakt van de registratie;
3° voor het verlenen van tijdelijke toegang tegen betaling in uitvoering van artikel 3.2.16, § 5:
a) de identificatiegegevens van de persoon die de aanvraag van tijdelijke toegang tegen betaling heeft ingediend;
b) de nummerplaat van het motorvoertuig en de technische kenmerken met betrekking tot de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen zoals door de Regering vastgesteld met toepassing van artikel 3.2.16, § 2, eerste lid, van het motorvoertuig waarvoor tijdelijke toegang tegen betaling wordt gevraagd;
4° met het oog op de controle op de naleving van de toegangsbeperkingen tot lage-emissiezones die de Regering met toepassing van artikel 3.2.16, § 1, heeft vastgelegd en op de naleving van de verplichting tot registratie van de voertuigen bedoeld in artikel 3.2.16, § 3:
a) de gegevens betreffende de afwijkingen verleend in toepassing van artikel 3.2.16, § 2, tweede lid, bedoeld in 1° ;
b) de gegevens betreffende de registratie van motorvoertuigen bedoeld in artikel 3.2.16, § 3, bedoeld in 2° ;
c) de gegevens betreffende motorvoertuigen waarvoor tijdelijke toegang tegen betaling is verleend met toepassing van artikel 3.2.16, § 5, bedoeld in 3° ;
d) de nummerplaat en de technische kenmerken betreffende de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen zoals vastgesteld door de Regering krachtens artikel 3.2.16, § 2, eerste lid, van de motorvoertuigen die in de lage-emissiezone rijden, alsmede de gegevens die zijn verzameld door de in paragraaf 3, achtste lid, bedoelde vaste of mobiele automatische toestellen voor nummerplaatherkenning;
5° met het oog op het opleggen van de boete bedoeld in artikel 3.4.1/1:
a) de gegevens bedoeld in 4° betreffende het motorvoertuig dat in strijd met de toegangsbeperkingen of in strijd met de registratieplicht van voertuigen bedoeld in artikel 3.2.16, § 3 in de zone heeft gereden;
b) de identificatiegegevens van de overtreder als bedoeld in artikel 3.2.18, § 1.
Bovengenoemde persoonsgegevens worden ofwel rechtstreeks van de betrokkenen verkregen ofwel, met inachtneming van de wettelijke bepalingen die de toegang en het gebruik ervan regelen:
1° wat de identificatiegegevens van de betrokken natuurlijke personen betreft: van de overheidsinstantie belast met het Rijksregister van de natuurlijke personen bedoeld in artikel 2 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en van de overheidsinstantie belast met de Kruispuntbankregisters bedoeld in artikel 4, § 1, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
2° wat betreft de identificatiegegevens en technische kenmerken van motorvoertuigen: bij de overheidsinstantie belast met het beheer van het repertorium van de voertuigen in toepassing van artikel 8 van de wet van 19 mei 2010 houdende oprichting van de Kruispuntbank van de voertuigen of, in voorkomend geval, bij de buitenlandse overheidsinstantie belast met het beheer van een vergelijkbare databank;
3° in voorkomend geval, wat betreft gegevens, waaronder gegevens over gezondheid in de zin van artikel 4, 15) van de AVG, met betrekking tot de situatie van de persoon die recht geeft op de afwijking: van de overheid die verantwoordelijk is voor de vaststelling of de erkenning van de situatie die recht geeft op een afwijking.
De Regering kan voor elke bovengenoemde categorie van persoonsgegevens specificeren om welke persoonsgegevens het gaat en welke documenten moeten worden verstrekt ter ondersteuning van verzoeken om afwijking of registratie.
§ 3. Onverminderd de bepalingen van artikel 3.2.19, geschieden de toepassing en de controle van de wetgeving inzake lage-emissiezones, alsmede de opsporing van overtredingen, door middel van nummerplaatherkenning, al dan niet met automatische, vaste of mobiele, toestellen.
Vaststellingen op basis van materieel bewijs dat wordt geleverd door automatisch werkende toestellen in aanwezigheid van een gekwalificeerde agent, hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel in geval van overtredingen van de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.26, artikel 3.4.1/1, en de uitvoeringsbesluiten daarvan.
Vaststellingen die gebaseerd zijn op materiële bewijzen die afkomstig zijn van automatisch werkende toestellen in afwezigheid van een gekwalificeerd agent, worden in geval van overtredingen van de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.26, artikel 3.4.1/1 en hun uitvoeringsbesluiten geacht bewijskracht te hebben tot bewijs van het tegendeel.
Wanneer een overtreding is vastgesteld door automatisch werkende toestellen in afwezigheid van een gekwalificeerde agent, wordt hiervan in het proces-verbaal melding gemaakt.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "gekwalificeerd agent" verstaan:
1° de ambtenaren die belast zijn met het toezicht op de naleving van de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.26, artikel 3.4.1/1 en de uitvoeringsbesluiten ervan;
2° de officieren of agenten van de gerechtelijke politie in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden;
3° de leden van het operationele kader van de lokale en de federale politie in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden.
De plaatsing van vaste automatisch werkende toestellen wordt bepaald door een beslissing van de Regering. De vaste automatisch werkende toestellen worden zowel geïnstalleerd aan de ingang van lage-emissiezones als binnen de grenzen van lage-emissiezones.
Het gebruik van mobiele automatische toestellen is toegestaan in alle perimeters van lage emissiezones. De dienst die door de Regering is aangewezen om toezicht te houden op de naleving van de toegangsbeperkingen tot lage-emissiezones, beslist, afhankelijk van de omstandigheden en de controlevereisten, hoe vaak en waar mobiele automatische toestellen mogen worden gebruikt.
Het gebruik van automatische apparatuur wordt als volgt aangekondigd:
1° voor vaste automatische toestellen: door het aanbrengen op, onder of nabij het F117-teken bedoeld in artikel 71.2 van het Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg of op, onder of nabij het toestel in het geval van een toestel dat geplaatst is binnen de perimeters van lage-emissiezones, de woorden "ANPR-camera" of een pictogram dat aangeeft dat er automatische nummerplaatherkenning plaatsvindt;
2° voor mobiele automatische toestellen: door op het voertuig waarin het mobiele automatische toestel wordt vervoerd of gemonteerd, een bord of een pictogram aan te brengen dat gelijkaardig is aan dat bedoeld in 1°.
De door deze automatische toestellen verzamelde gegevens, namelijk de nummerplaat van elk voertuig dat zich in de lage-emissiezone begeeft en een foto van het voertuig waarop de nummerplaat is aangebracht, worden in overeenstemming gebracht met de gegevens, bedoeld in paragraaf 2, 1° tot en met 3°, teneinde vast te stellen of de krachtens artikel 3.2.16, § 1, vastgestelde toegangsbeperkingen tot lage-emissiezones al dan niet worden nageleefd, alsmede of de in artikel 3.2.16, § 3, bedoelde verplichting tot registratie van de voertuigen wordt nageleefd.
§ 4. Onverminderd de bewaring die noodzakelijk is voor de verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden overeenkomstig de vereisten van artikel 89 van de AVG en artikel 197 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, worden de persoonsgegevens niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt, met een maximale bewaartermijn van één jaar na de verjaring van alle vorderingen die onder de bevoegdheid van de door de Regering aangewezen dienst vallen en, in voorkomend geval, de definitieve beëindiging van de administratieve en gerechtelijke procedures en beroepen, alsmede de volledige betaling van alle daarmee verband houdende bedragen.
Onverminderd het eerste lid, worden de gegevens betreffende de in artikel 3.2.16, § 3, bedoelde registratie van motorvoertuigen, bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 2°, bewaard tot drie maanden na het verstrijken van de door de Regering vastgelegde geldigheidsduur van de betrokken registratie.
Onverminderd het eerste lid, worden de gegevens betreffende afwijkingen bedoeld in artikel 3.2.16, § 2, tweede lid, bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, 1°, bewaard tot drie maanden na het verstrijken van de door de Regering vastgelegde geldigheidsduur van de afwijking.
Onverminderd het eerste lid worden de gegevens betreffende de tijdelijke toegang tegen betaling die met toepassing van artikel 3.2.16, § 5, bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 3°, wordt verleend, bewaard tot drie maanden na het verstrijken van de periode waarop de tijdelijke toegang tegen betaling betrekking heeft, zoals bepaald door de Regering.
De door automatische toestellen voor nummerplaatherkenning verzamelde gegevens worden bewaard tot drie maanden na de dag waarop met het motorvoertuig in de lage-emissiezones is gereden, behalve wanneer deze gegevens een substantiële rol kunnen spelen bij het bewijzen van een overtreding op de door de Regering krachtens artikel 3.2.16, § 1, vastgestelde beperkingen inzake de toegang tot lage-emissiezones of op de in artikel 3.2.16, § 3, bedoelde verplichting om voertuigen te registreren, in welk geval de in het eerste lid bedoelde bewaringstermijn van toepassing is.
§ 5. De in paragrafen 2 en 3, achtste lid, bedoelde persoonsgegevens zijn slechts toegankelijk voor de diensten die door de Regering zijn aangewezen om de uitvoering van dit hoofdstuk, met uitsluiting van artikel 3.2.27, en artikel 3.4.1/1 te verzekeren. Binnen deze diensten hebben alleen de statutaire of contractuele personeelsleden die belast zijn met de taken die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de in paragraaf 1 genoemde doeleinden, toegang tot de bovengenoemde persoonsgegevens, voor zover dit voor de uitvoering van hun taken noodzakelijk is.
In afwijking van het eerste lid kunnen de in paragrafen 2 en 3, achtste lid, bedoelde gegevens met het oog op verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden worden meegedeeld aan Leefmilieu Brussel of aan een andere door de Regering aangewezen instelling, na voorafgaande anonimisering of pseudonimisering overeenkomstig de vereisten van artikel 89 van de AVG en van artikel 201 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.]1
Deze verwerking van persoonsgegevens streeft de volgende doeleinden na:
1° het verlenen van afwijkingen op de door de Regering met toepassing van artikel 3.2.16, § 2, tweede lid, vastgestelde beperkingen van het toegangsrecht;
2° de registratie van motorvoertuigen bedoeld in artikel 3.2.16, § 3;
3° het verlenen van tijdelijke toegang tegen betaling bepaald door de Regering met toepassing van artikel 3.4.16, § 5;
4° het toezicht op de naleving van de door de Regering krachtens artikel 3.2.16, § 1, vastgestelde beperkingen inzake de toegang tot lage-emissiezones en, in geval van niet-naleving, het bestraffen van de niet-naleving van deze beperkingen overeenkomstig artikel 3.4.1/1;
5° het toezicht op de naleving van de registratie van motorvoertuigen bedoeld in artikel 3.2.16, § 3, en, in voorkomend geval, het bestraffen van de niet-naleving van deze verplichting overeenkomstig artikel 3.1.1/1, § 6;
6° het uitvoeren van statistische en wetenschappelijke onderzoeken om de effecten van de invoering van de lage-emissiezones op de luchtkwaliteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te analyseren.
§ 2. De categorieën van persoonsgegevens waarop de in paragraaf 1 bedoelde verwerking betrekking heeft en de categorieën van betrokkenen op wie deze verwerking betrekking heeft, zijn:
1° met het oog op de toekenning van afwijkingen die door de Regering zijn bepaald in toepassing van artikel 3.2.16, § 2, tweede lid:
a) de identificatiegegevens van de persoon die de afwijkingsaanvraag indient, van de nummerplaathouder van het motorvoertuig waarop de afwijkingsaanvraag betrekking heeft en, in voorkomend geval, de identificatiegegevens van de persoon wiens situatie in aanmerking wordt genomen voor het verlenen van de afwijking, met inbegrip van het identificatienummer van het Rijksregister bedoeld in artikel 2, § 3, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en het identificatienummer bedoeld in artikel 4, § 2, derde lid, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
b) de nummerplaat en de technische kenmerken met betrekking tot de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen zoals door de Regering vastgesteld in uitvoering van artikel 3.2.16, § 2, eerste lid, van het motorvoertuig dat het voorwerp vormt van de afwijkingsaanvraag alsmede, indien de door de Regering vastgestelde afwijking daarmee rekening houdt, de bewijzen van het gebruik van het motorvoertuig of van de bijzondere aanpassingen die aan het motorvoertuig zijn aangebracht;
c) de gegevens die nodig zijn voor de verificatie van de situatie van de betrokkene die in aanmerking wordt genomen voor het verlenen van de afwijking, met inbegrip van gegevens over gezondheid in de zin van artikel 4, 15) van de AVG, die verband houden met een bijzondere, door de bevoegde overheidsinstantie erkende, toestand van kwetsbaarheid of lichamelijke of mentale beperking, wanneer de door de Regering vastgestelde afwijking rekening houdt met dergelijke omstandigheden;
2° voor de registratie van voertuigen als bedoeld in artikel 3.2.16, § 3:
a) de identificatiegegevens van de persoon die de inschrijving van het motorvoertuig verricht en de identificatiegegevens van de nummerplaathouder van het motorvoertuig dat het voorwerp uitmaakt van de registratie;
b) de nummerplaat van het motorvoertuig en de technische kenmerken met betrekking tot de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen zoals door de Regering vastgesteld overeenkomstig artikel 3.2.16, § 2, eerste lid, van het motorvoertuig dat het voorwerp uitmaakt van de registratie;
3° voor het verlenen van tijdelijke toegang tegen betaling in uitvoering van artikel 3.2.16, § 5:
a) de identificatiegegevens van de persoon die de aanvraag van tijdelijke toegang tegen betaling heeft ingediend;
b) de nummerplaat van het motorvoertuig en de technische kenmerken met betrekking tot de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen zoals door de Regering vastgesteld met toepassing van artikel 3.2.16, § 2, eerste lid, van het motorvoertuig waarvoor tijdelijke toegang tegen betaling wordt gevraagd;
4° met het oog op de controle op de naleving van de toegangsbeperkingen tot lage-emissiezones die de Regering met toepassing van artikel 3.2.16, § 1, heeft vastgelegd en op de naleving van de verplichting tot registratie van de voertuigen bedoeld in artikel 3.2.16, § 3:
a) de gegevens betreffende de afwijkingen verleend in toepassing van artikel 3.2.16, § 2, tweede lid, bedoeld in 1° ;
b) de gegevens betreffende de registratie van motorvoertuigen bedoeld in artikel 3.2.16, § 3, bedoeld in 2° ;
c) de gegevens betreffende motorvoertuigen waarvoor tijdelijke toegang tegen betaling is verleend met toepassing van artikel 3.2.16, § 5, bedoeld in 3° ;
d) de nummerplaat en de technische kenmerken betreffende de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen zoals vastgesteld door de Regering krachtens artikel 3.2.16, § 2, eerste lid, van de motorvoertuigen die in de lage-emissiezone rijden, alsmede de gegevens die zijn verzameld door de in paragraaf 3, achtste lid, bedoelde vaste of mobiele automatische toestellen voor nummerplaatherkenning;
5° met het oog op het opleggen van de boete bedoeld in artikel 3.4.1/1:
a) de gegevens bedoeld in 4° betreffende het motorvoertuig dat in strijd met de toegangsbeperkingen of in strijd met de registratieplicht van voertuigen bedoeld in artikel 3.2.16, § 3 in de zone heeft gereden;
b) de identificatiegegevens van de overtreder als bedoeld in artikel 3.2.18, § 1.
Bovengenoemde persoonsgegevens worden ofwel rechtstreeks van de betrokkenen verkregen ofwel, met inachtneming van de wettelijke bepalingen die de toegang en het gebruik ervan regelen:
1° wat de identificatiegegevens van de betrokken natuurlijke personen betreft: van de overheidsinstantie belast met het Rijksregister van de natuurlijke personen bedoeld in artikel 2 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en van de overheidsinstantie belast met de Kruispuntbankregisters bedoeld in artikel 4, § 1, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
2° wat betreft de identificatiegegevens en technische kenmerken van motorvoertuigen: bij de overheidsinstantie belast met het beheer van het repertorium van de voertuigen in toepassing van artikel 8 van de wet van 19 mei 2010 houdende oprichting van de Kruispuntbank van de voertuigen of, in voorkomend geval, bij de buitenlandse overheidsinstantie belast met het beheer van een vergelijkbare databank;
3° in voorkomend geval, wat betreft gegevens, waaronder gegevens over gezondheid in de zin van artikel 4, 15) van de AVG, met betrekking tot de situatie van de persoon die recht geeft op de afwijking: van de overheid die verantwoordelijk is voor de vaststelling of de erkenning van de situatie die recht geeft op een afwijking.
De Regering kan voor elke bovengenoemde categorie van persoonsgegevens specificeren om welke persoonsgegevens het gaat en welke documenten moeten worden verstrekt ter ondersteuning van verzoeken om afwijking of registratie.
§ 3. Onverminderd de bepalingen van artikel 3.2.19, geschieden de toepassing en de controle van de wetgeving inzake lage-emissiezones, alsmede de opsporing van overtredingen, door middel van nummerplaatherkenning, al dan niet met automatische, vaste of mobiele, toestellen.
Vaststellingen op basis van materieel bewijs dat wordt geleverd door automatisch werkende toestellen in aanwezigheid van een gekwalificeerde agent, hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel in geval van overtredingen van de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.26, artikel 3.4.1/1, en de uitvoeringsbesluiten daarvan.
Vaststellingen die gebaseerd zijn op materiële bewijzen die afkomstig zijn van automatisch werkende toestellen in afwezigheid van een gekwalificeerd agent, worden in geval van overtredingen van de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.26, artikel 3.4.1/1 en hun uitvoeringsbesluiten geacht bewijskracht te hebben tot bewijs van het tegendeel.
Wanneer een overtreding is vastgesteld door automatisch werkende toestellen in afwezigheid van een gekwalificeerde agent, wordt hiervan in het proces-verbaal melding gemaakt.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "gekwalificeerd agent" verstaan:
1° de ambtenaren die belast zijn met het toezicht op de naleving van de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.26, artikel 3.4.1/1 en de uitvoeringsbesluiten ervan;
2° de officieren of agenten van de gerechtelijke politie in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden;
3° de leden van het operationele kader van de lokale en de federale politie in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden.
De plaatsing van vaste automatisch werkende toestellen wordt bepaald door een beslissing van de Regering. De vaste automatisch werkende toestellen worden zowel geïnstalleerd aan de ingang van lage-emissiezones als binnen de grenzen van lage-emissiezones.
Het gebruik van mobiele automatische toestellen is toegestaan in alle perimeters van lage emissiezones. De dienst die door de Regering is aangewezen om toezicht te houden op de naleving van de toegangsbeperkingen tot lage-emissiezones, beslist, afhankelijk van de omstandigheden en de controlevereisten, hoe vaak en waar mobiele automatische toestellen mogen worden gebruikt.
Het gebruik van automatische apparatuur wordt als volgt aangekondigd:
1° voor vaste automatische toestellen: door het aanbrengen op, onder of nabij het F117-teken bedoeld in artikel 71.2 van het Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg of op, onder of nabij het toestel in het geval van een toestel dat geplaatst is binnen de perimeters van lage-emissiezones, de woorden "ANPR-camera" of een pictogram dat aangeeft dat er automatische nummerplaatherkenning plaatsvindt;
2° voor mobiele automatische toestellen: door op het voertuig waarin het mobiele automatische toestel wordt vervoerd of gemonteerd, een bord of een pictogram aan te brengen dat gelijkaardig is aan dat bedoeld in 1°.
De door deze automatische toestellen verzamelde gegevens, namelijk de nummerplaat van elk voertuig dat zich in de lage-emissiezone begeeft en een foto van het voertuig waarop de nummerplaat is aangebracht, worden in overeenstemming gebracht met de gegevens, bedoeld in paragraaf 2, 1° tot en met 3°, teneinde vast te stellen of de krachtens artikel 3.2.16, § 1, vastgestelde toegangsbeperkingen tot lage-emissiezones al dan niet worden nageleefd, alsmede of de in artikel 3.2.16, § 3, bedoelde verplichting tot registratie van de voertuigen wordt nageleefd.
§ 4. Onverminderd de bewaring die noodzakelijk is voor de verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden overeenkomstig de vereisten van artikel 89 van de AVG en artikel 197 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, worden de persoonsgegevens niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt, met een maximale bewaartermijn van één jaar na de verjaring van alle vorderingen die onder de bevoegdheid van de door de Regering aangewezen dienst vallen en, in voorkomend geval, de definitieve beëindiging van de administratieve en gerechtelijke procedures en beroepen, alsmede de volledige betaling van alle daarmee verband houdende bedragen.
Onverminderd het eerste lid, worden de gegevens betreffende de in artikel 3.2.16, § 3, bedoelde registratie van motorvoertuigen, bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 2°, bewaard tot drie maanden na het verstrijken van de door de Regering vastgelegde geldigheidsduur van de betrokken registratie.
Onverminderd het eerste lid, worden de gegevens betreffende afwijkingen bedoeld in artikel 3.2.16, § 2, tweede lid, bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, 1°, bewaard tot drie maanden na het verstrijken van de door de Regering vastgelegde geldigheidsduur van de afwijking.
Onverminderd het eerste lid worden de gegevens betreffende de tijdelijke toegang tegen betaling die met toepassing van artikel 3.2.16, § 5, bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 3°, wordt verleend, bewaard tot drie maanden na het verstrijken van de periode waarop de tijdelijke toegang tegen betaling betrekking heeft, zoals bepaald door de Regering.
De door automatische toestellen voor nummerplaatherkenning verzamelde gegevens worden bewaard tot drie maanden na de dag waarop met het motorvoertuig in de lage-emissiezones is gereden, behalve wanneer deze gegevens een substantiële rol kunnen spelen bij het bewijzen van een overtreding op de door de Regering krachtens artikel 3.2.16, § 1, vastgestelde beperkingen inzake de toegang tot lage-emissiezones of op de in artikel 3.2.16, § 3, bedoelde verplichting om voertuigen te registreren, in welk geval de in het eerste lid bedoelde bewaringstermijn van toepassing is.
§ 5. De in paragrafen 2 en 3, achtste lid, bedoelde persoonsgegevens zijn slechts toegankelijk voor de diensten die door de Regering zijn aangewezen om de uitvoering van dit hoofdstuk, met uitsluiting van artikel 3.2.27, en artikel 3.4.1/1 te verzekeren. Binnen deze diensten hebben alleen de statutaire of contractuele personeelsleden die belast zijn met de taken die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de in paragraaf 1 genoemde doeleinden, toegang tot de bovengenoemde persoonsgegevens, voor zover dit voor de uitvoering van hun taken noodzakelijk is.
In afwijking van het eerste lid kunnen de in paragrafen 2 en 3, achtste lid, bedoelde gegevens met het oog op verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden worden meegedeeld aan Leefmilieu Brussel of aan een andere door de Regering aangewezen instelling, na voorafgaande anonimisering of pseudonimisering overeenkomstig de vereisten van artikel 89 van de AVG en van artikel 201 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.]1
Art. 3.2.16. [1 § 1er. Le Gouvernement définit une ou plusieurs zones de basses émissions sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale applicable(s) de façon permanente afin d'améliorer la qualité de l'air.
§ 2. [2 Sous réserve de l'application du paragraphe 6,]2 la restriction au droit d'accès des véhicules à la ou aux zones de basses émissions est liée aux émissions de polluants atmosphériques du véhicule à moteur, telles que fixées par le Gouvernement.
Le Gouvernement peut en outre définir des dérogations à la restriction au droit d'accès à la ou aux zones de basses émissions, en fonction de la nature, du type, de l'utilisation faite du véhicule à moteur concerné, de critères socio-économiques, ainsi qu'en cas de situations exceptionnelles et limitées dans le temps.
Le Gouvernement précise la procédure d'octroi des dérogations et désigne les fonctionnaires, statutaires ou contractuels, qui les accorderont.
Sans préjudice de l'enregistrement tel que visé au § 3, le Gouvernement détermine les types de véhicules qui doivent être enregistrés pour avoir accès à la LEZ.
Le Gouvernement précise les conditions de l'enregistrement.
§ 3. Tout véhicule non enregistré dans le répertoire des véhicules tel que mentionné aux articles 6 à 9 inclus de l'arrêté royal du 20 juillet 2001 relatif à l'immatriculation de véhicules, doit être enregistré préalablement pour avoir accès à la ou aux zones de basses émissions.
Le Gouvernement précise les conditions d'enregistrement.
§ 4. Le placement des signaux indiquant la ou les zones de basses émissions, à savoir les signaux F117 et F118, visés à l'article 71.2 du code de la route, s'effectue conformément aux dispositions de l'ordonnance du 3 avril 2014 relative aux règlements complémentaires sur la circulation routière et sur la pose et le cout de la signalisation routière.
§ 5. Le Gouvernement peut établir un système d'accès temporaire à la ou aux zones de basses émissions contre paiement.
Le Gouvernement :
1° arrête les modalités de ce système et détermine la procédure relative à la demande, à l'octroi et au paiement de cet accès temporaire payant ;
2° fixe le montant de la redevance qui est due pour cet accès.]1
[2 § 6. Outre les véhicules à moteur pour lesquels l'accès à la zone de basses émissions a déjà été autorisé après le 1er janvier 2025 en vertu de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 25 janvier 2018 relatif à la création d'une zone de basses émissions, sont autorisés à accéder à la zone de basses émissions jusqu'au 31 décembre 2026 inclus:
1° les véhicules à moteur des catégories M1, M2 et M3 de Classe I, Classe II, Classe III, Classe A, Classe B, et des catégories N1-I, N1-II et N1-III, s'ils ont un moteur diesel qui répond au moins à l'euronorme V ou 5, 5a ou 5b, ou un moteur à essence ou au gaz naturel qui répond au moins à l'euronorme II ou 2 ;
2° les véhicules à moteur des catégories N2, N3, L1, L2, L3, L4, L5, L6 et L7.]2
§ 2. [2 Sous réserve de l'application du paragraphe 6,]2 la restriction au droit d'accès des véhicules à la ou aux zones de basses émissions est liée aux émissions de polluants atmosphériques du véhicule à moteur, telles que fixées par le Gouvernement.
Le Gouvernement peut en outre définir des dérogations à la restriction au droit d'accès à la ou aux zones de basses émissions, en fonction de la nature, du type, de l'utilisation faite du véhicule à moteur concerné, de critères socio-économiques, ainsi qu'en cas de situations exceptionnelles et limitées dans le temps.
Le Gouvernement précise la procédure d'octroi des dérogations et désigne les fonctionnaires, statutaires ou contractuels, qui les accorderont.
Sans préjudice de l'enregistrement tel que visé au § 3, le Gouvernement détermine les types de véhicules qui doivent être enregistrés pour avoir accès à la LEZ.
Le Gouvernement précise les conditions de l'enregistrement.
§ 3. Tout véhicule non enregistré dans le répertoire des véhicules tel que mentionné aux articles 6 à 9 inclus de l'arrêté royal du 20 juillet 2001 relatif à l'immatriculation de véhicules, doit être enregistré préalablement pour avoir accès à la ou aux zones de basses émissions.
Le Gouvernement précise les conditions d'enregistrement.
§ 4. Le placement des signaux indiquant la ou les zones de basses émissions, à savoir les signaux F117 et F118, visés à l'article 71.2 du code de la route, s'effectue conformément aux dispositions de l'ordonnance du 3 avril 2014 relative aux règlements complémentaires sur la circulation routière et sur la pose et le cout de la signalisation routière.
§ 5. Le Gouvernement peut établir un système d'accès temporaire à la ou aux zones de basses émissions contre paiement.
Le Gouvernement :
1° arrête les modalités de ce système et détermine la procédure relative à la demande, à l'octroi et au paiement de cet accès temporaire payant ;
2° fixe le montant de la redevance qui est due pour cet accès.]1
[2 § 6. Outre les véhicules à moteur pour lesquels l'accès à la zone de basses émissions a déjà été autorisé après le 1er janvier 2025 en vertu de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 25 janvier 2018 relatif à la création d'une zone de basses émissions, sont autorisés à accéder à la zone de basses émissions jusqu'au 31 décembre 2026 inclus:
1° les véhicules à moteur des catégories M1, M2 et M3 de Classe I, Classe II, Classe III, Classe A, Classe B, et des catégories N1-I, N1-II et N1-III, s'ils ont un moteur diesel qui répond au moins à l'euronorme V ou 5, 5a ou 5b, ou un moteur à essence ou au gaz naturel qui répond au moins à l'euronorme II ou 2 ;
2° les véhicules à moteur des catégories N2, N3, L1, L2, L3, L4, L5, L6 et L7.]2
Art. 3.2.16. [1 § 1. De Regering bepaalt één of meerdere lage-emissiezones op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die permanent van toepassing is (zijn) om de luchtkwaliteit te verbeteren.
§ 2. De beperking van het toegangsrecht van voertuigen tot de lage-emissiezone(s) wordt verbonden aan de emissies van luchtverontreinigende stoffen van het gemotoriseerde voertuig, zoals [2 , onder voorbehoud van de toepassing van paragraaf 6,]2 bepaald door de Regering.
De Regering kan voorts afwijkingen definiëren op de beperking van het toegangsrecht tot de lage-emissiezone(s) in functie van de aard, het type, het gebruik van het betreffende motorvoertuig, socio-economische criteria, evenals in geval van uitzonderlijke situaties welke beperkt zijn in de tijd.
De Regering bepaalt de procedure voor de toekenning van de afwijkingen en stelt de statutaire of contractuele ambtenaren aan die deze zullen toekennen.
Onverminderd de registratie zoals bedoeld in § 3, dienen bepaalde door de Regering te bepalen types van voertuigen geregistreerd te worden om toegang te krijgen tot de LEZ.
De Regering bepaalt de voorwaarden van de registratie.
§ 3. Elk voertuig dat niet is geregistreerd in het repertorium van de voertuigen zoals vermeld in de artikelen 6 tot en met 9 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen, moet voorafgaandelijk geregistreerd worden om toegang te verkrijgen tot de lage-emissiezone(s).
De Regering bepaalt de voorwaarden van de registratie.
§ 4. Het plaatsen van verkeerstekens die de lage-emissiezone(s) aangeven, met name de verkeerstekens F117 en F118, bedoeld in artikel 71.2 van de Wegcode, gebeurt overeenkomstig de bepalingen van de ordonnantie van 3 april 2014 betreffende de aanvullende reglementen op het wegverkeer en de plaatsing en bekostiging van de verkeerstekens.
§ 5. De Regering kan een systeem van tijdelijke toegang tot de lage-emissiezone(s) tegen betaling invoeren.
De Regering :
1° legt de modaliteiten van dit systeem vast en legt de procedure voor aanvraag, toekenning en betaling van deze tijdelijke toegang tegen betaling vast ;
2° bepaalt desgevallend het bedrag van de retributie die voor deze toegang verschuldigd is.]1
[2 § 6. Naast de motorvoertuigen waarvoor de toegang tot de lage-emissiezone na 1 januari 2025 reeds toegelaten is op grond van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 25 januari 2018 betreffende het instellen van een lage-emissiezone, zijn toegelaten om toegang te hebben tot de lage-emissiezone tot en met 31 december 2026:
1° de motorvoertuigen van de categorieën M1, M2 en M3 van Klasse I, Klasse II, Klasse III, Klasse A, Klasse B, en van categorieën N1-I, N1-II en N1-III, indien ze een dieselmotor hebben die ten minste voldoet aan euronorm V of 5, 5a of 5b, of een benzine- of aardgasmotor hebben die ten minste voldoet aan euronorm II of 2;
2° de motorvoertuigen van de categorieën N2, N3, L1, L2, L3, L4, L5, L6 en L7.]2
§ 2. De beperking van het toegangsrecht van voertuigen tot de lage-emissiezone(s) wordt verbonden aan de emissies van luchtverontreinigende stoffen van het gemotoriseerde voertuig, zoals [2 , onder voorbehoud van de toepassing van paragraaf 6,]2 bepaald door de Regering.
De Regering kan voorts afwijkingen definiëren op de beperking van het toegangsrecht tot de lage-emissiezone(s) in functie van de aard, het type, het gebruik van het betreffende motorvoertuig, socio-economische criteria, evenals in geval van uitzonderlijke situaties welke beperkt zijn in de tijd.
De Regering bepaalt de procedure voor de toekenning van de afwijkingen en stelt de statutaire of contractuele ambtenaren aan die deze zullen toekennen.
Onverminderd de registratie zoals bedoeld in § 3, dienen bepaalde door de Regering te bepalen types van voertuigen geregistreerd te worden om toegang te krijgen tot de LEZ.
De Regering bepaalt de voorwaarden van de registratie.
§ 3. Elk voertuig dat niet is geregistreerd in het repertorium van de voertuigen zoals vermeld in de artikelen 6 tot en met 9 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen, moet voorafgaandelijk geregistreerd worden om toegang te verkrijgen tot de lage-emissiezone(s).
De Regering bepaalt de voorwaarden van de registratie.
§ 4. Het plaatsen van verkeerstekens die de lage-emissiezone(s) aangeven, met name de verkeerstekens F117 en F118, bedoeld in artikel 71.2 van de Wegcode, gebeurt overeenkomstig de bepalingen van de ordonnantie van 3 april 2014 betreffende de aanvullende reglementen op het wegverkeer en de plaatsing en bekostiging van de verkeerstekens.
§ 5. De Regering kan een systeem van tijdelijke toegang tot de lage-emissiezone(s) tegen betaling invoeren.
De Regering :
1° legt de modaliteiten van dit systeem vast en legt de procedure voor aanvraag, toekenning en betaling van deze tijdelijke toegang tegen betaling vast ;
2° bepaalt desgevallend het bedrag van de retributie die voor deze toegang verschuldigd is.]1
[2 § 6. Naast de motorvoertuigen waarvoor de toegang tot de lage-emissiezone na 1 januari 2025 reeds toegelaten is op grond van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 25 januari 2018 betreffende het instellen van een lage-emissiezone, zijn toegelaten om toegang te hebben tot de lage-emissiezone tot en met 31 december 2026:
1° de motorvoertuigen van de categorieën M1, M2 en M3 van Klasse I, Klasse II, Klasse III, Klasse A, Klasse B, en van categorieën N1-I, N1-II en N1-III, indien ze een dieselmotor hebben die ten minste voldoet aan euronorm V of 5, 5a of 5b, of een benzine- of aardgasmotor hebben die ten minste voldoet aan euronorm II of 2;
2° de motorvoertuigen van de categorieën N2, N3, L1, L2, L3, L4, L5, L6 en L7.]2
Art. 3.2.17. [1 § 1er. L'exécution des dispositions du présent chapitre, à l'exception de l'article 3.2.27, et de l'article 3.4.1/1 ainsi que des arrêtés pris pour leur exécution donne lieu au traitement de données à caractère personnel réalisé par le service, agissant en qualité de responsable du traitement au sens de l'article 4,7), du RGPD, désigné par le Gouvernement pour l'exécution des missions visées à l'article 3.2.16.
Ce traitement de données à caractère personnel poursuit les finalités suivantes:
1° l'octroi des dérogations aux restrictions d'accès définies par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 2;
2° l'enregistrement des véhicules à moteur visés à l'article 3.2.16, § 3;
3° l'octroi des accès temporaires payants déterminés par le Gouvernement en application de l'article 3.4.16, § 5;
4° le contrôle du respect des restrictions d'accès aux zones de basses émissions arrêtées par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 1er, et, en cas de non-respect, la sanction du non-respect de ces restrictions conformément à l'article 3.4.1/1;
5° le contrôle du respect de l'enregistrement des véhicules à moteur visés à l'article 3.2.16, § 3, et, le cas échéant, la sanction du non-respect de cette obligation conformément à l'article 3.1.1/1, § 6;
6° la réalisation d'études statistiques et scientifiques en vue d'analyser les effets de la mise en place des zones de basses émissions sur la qualité de l'air en Région de Bruxelles-Capitale.
§ 2. Les catégories de données à caractère personnel faisant l'objet du traitement visé au paragraphe 1er et les catégories de personnes concernées par ce traitement sont:
1° aux fins de l'octroi des dérogations définies par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 2:
a) les données d'identification de la personne introduisant la demande de dérogation, du titulaire de l'immatriculation du véhicule à moteur visé par la demande de dérogation ainsi que, le cas échéant, les données d'identification de la personne dont il est tenu compte de la situation pour l'octroi de la dérogation, en ce compris le numéro d'identification du registre national visé à l'article 2, § 3, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques et le numéro d'identification visé à l'article 4, § 2, alinéa 3, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale;
b) le numéro d'immatriculation et les caractéristiques techniques liées aux émissions de polluants atmosphériques telles qu'arrêtées par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 1er, du véhicule à moteur faisant l'objet de la demande de dérogation ainsi que, lorsque la dérogation arrêtée par le Gouvernement en tient compte, les éléments de preuve attestant de l'utilisation faite du véhicule à moteur ou des adaptations particulières apportées au véhicule à moteur;
c) les données nécessaires à la vérification de la situation de la personne concernée dont il est tenu compte pour l'octroi de la dérogation, en ce compris des données concernant la santé au sens de l'article 4, 15), du RGPD, lorsque la dérogation arrêtée par le Gouvernement tient compte de telles circonstances liées à un état de vulnérabilité ou d'incapacité physique ou psychique particulier reconnu par les autorités publiques compétentes;
2° aux fins de l'enregistrement des véhicules visé à l'article 3.2.16, § 3:
a) les données d'identification de la personne procédant à l'enregistrement du véhicule à moteur et les données d'identification du titulaire de l'immatriculation du véhicule à moteur faisant l'objet de l'enregistrement;
b) le numéro d'immatriculation du véhicule à moteur et les caractéristiques techniques liées aux émissions de polluants atmosphériques telles qu'arrêtées par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 1er, du véhicule à moteur faisant l'objet de l'enregistrement;
3° aux fins de l'octroi des accès temporaires payants en application de l'article 3.2.16, § 5:
a) les données d'identification de la personne introduisant la demande d'accès temporaire payant;
b) le numéro d'immatriculation du véhicule à moteur et les caractéristiques techniques liées aux émissions de polluants atmosphériques telles qu'arrêtées par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 1er, du véhicule à moteur faisant l'objet de la demande d'accès temporaire payant;
4° aux fins du contrôle du respect des restrictions d'accès aux zones de basses émissions arrêtée par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 1er, et du respect de l'obligation d'enregistrement des véhicules visés à l'article 3.2.16, § 3:
a) les données relatives aux dérogations octroyées en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 2, visées au 1° ;
b) les données relatives aux enregistrements des véhicules à moteur visés à l'article 3.2.16, § 3, visées au 2° ;
c) les données relatives aux véhicules à moteur pour lesquels un accès temporaire payant a été octroyé en application de l'article 3.2.16, § 5, visées au 3° ;
d) le numéro d'immatriculation et les caractéristiques techniques liées aux émissions de polluants atmosphériques telles qu'arrêtées par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 1er, des véhicules à moteur circulant dans la zone de basses émissions, ainsi que les données collectées par les appareils automatiques de reconnaissance des plaques d'immatriculations fixes ou mobiles visées au paragraphe 3, alinéa 8;
5° aux fins de l'infliction de l'amende visée à l'article 3.4.1/1:
a) les données visées au 4° relative au véhicule à moteur ayant circulé dans la zone en violation des restrictions d'accès ou en violation de l'obligation d'enregistrement des véhicules visés à l'article 3.2.16, § 3;
b) les données d'identification du contrevenant tel que visé à l'article 3.2.18, § 1er.
Les données à caractère personnel susvisées sont obtenues directement auprès des personnes concernées ainsi que, dans le respect des dispositions légales conditionnant leur accès et leur utilisation:
1° pour ce qui concerne les données d'identification des personnes physiques concernées: auprès de l'autorité publique en charge du registre national des personnes physiques visé à l'article 2 de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques et auprès de l'autorité publique en charge des Registres Banque-carrefour visés à l'article 4, § 1er, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale;
2° pour ce qui concerne les données d'identification et les caractéristiques techniques des véhicules à moteur: auprès de l'autorité publique en charge de la gestion du répertoire-matricule des véhicules en application de l'article 8 de la loi du 19 mai 2010 portant création de la Banque-carrefour des véhicules ou, le cas échéant, auprès de l'autorité publique étrangère chargée de la gestion d'une base de données équivalente;
3° le cas échéant, pour ce qui concerne les données, en ce compris les données relatives à la santé au sens de l'article 4, 15), du RGPD, relatives à la situation de la personne qui ouvre le droit à la dérogation: auprès des autorités publiques chargées d'établir ou de reconnaître la situation ouvrant le droit à la dérogation.
Le Gouvernement peut préciser, pour chaque catégorie de donnée à caractère personnel susvisée, les données à caractère personnel visées, de même que les documents devant être apportés à l'appui des demandes de dérogation ou d'enregistrement.
§ 3. Sans préjudice des dispositions de l'article 3.2.19, l'application et le contrôle de la législation relative aux zones de basses émissions, de même que la constatation d'infractions, s'effectuent au moyen d'une reconnaissance des plaques d'immatriculation, avec ou sans appareils automatiques, fixes ou mobiles.
Les constatations fondées sur des preuves matérielles fournies par des appareils fonctionnant automatiquement en présence d'un agent qualifié font foi jusqu'à preuve du contraire lorsqu'il s'agit d'infractions aux articles 3.2.16 à 3.2.26, à l'article 3.4.1/1 et à leurs arrêtés d'exécution.
Les constatations fondées sur des preuves matérielles fournies par des appareils fonctionnant automatiquement en l'absence d'un agent qualifié font foi jusqu'à preuve du contraire lorsqu'il s'agit d'infractions aux articles 3.2.16 à 3.2.26, à l'article 3.4.1/1 et à leurs arrêtés d'exécution.
Lorsqu'une infraction a été constatée par des appareils fonctionnant automatiquement en l'absence d'agent qualifié, le procès-verbal en fait mention.
Par " agent qualifié ", on entend pour l'application du présent article:
1° les fonctionnaires chargés de surveiller le respect des articles 3.2.16 à 3.2.26, de l'article 3.4.1/1 et de leurs arrêtés d'exécution;
2° les officiers ou agents de la police judiciaire dans le cadre de l'exercice de leurs compétences;
3° les membres du cadre opérationnel de la police locale et fédérale dans le cadre de l'exercice de leurs compétences.
Le placement des appareils automatiques fixes est arrêté par décision du Gouvernement. Les appareils automatiques fixes sont installés aux points d'entrée des zones de basses émissions ainsi que dans les périmètres des zones de basses émissions.
L'utilisation d'appareils automatiques mobiles est autorisée dans tous les périmètres des zones de basses émissions. Le service désigné par le Gouvernement pour assurer le contrôle du respect des restrictions d'accès aux zones de basses émissions décide, selon les circonstances et les nécessités de contrôle, de la fréquence d'utilisation des appareils automatiques mobiles et des lieux où cette utilisation a lieu.
L'utilisation d'appareils automatiques est annoncée de la manière suivante:
1° pour les appareils automatiques fixes: par l'apposition sur, sous ou à proximité du panneau de signalisation F117 visé à l'article 71.2 de l'arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière et de l'usage de la voie publique ou sur, sous ou à proximité de l'appareil lorsqu'il s'agit d'un appareil qui est placé à l'intérieur des périmètres des zones de basses émissions, de la mention " caméra ANPR " ou d'un pictogramme visant à indiquer qu'une reconnaissance automatique des plaques d'immatriculation a lieu;
2° pour les appareils automatiques mobiles: par l'apposition, sur le véhicule à bord duquel est embarqué ou sur lequel est monté l'appareil automatique mobile, d'une mention ou d'un pictogramme analogues à ceux visés au 1°.
Les données collectées par ces appareils automatiques, à savoir la plaque d'immatriculation de tout véhicule circulant dans la zone de basses émissions et une photographie du véhicule sur lequel est apposée la plaque d'immatriculation, sont rapprochées avec les données visées au paragraphe 2, 1° à 3°, en vue de déterminer le respect ou le non-respect des restrictions d'accès aux zones de basses émissions arrêtées en application de l'article 3.2.16, § 1er, ainsi que de l'obligation d'enregistrement des véhicules visés à l'article 3.2.16, § 3.
§ 4. Sans préjudice de la conservation nécessaire pour le traitement à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherches scientifique ou historique ou à des fins statistiques dans le respect des exigences de l'article 89 du RGPD et de l'article 197 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel, les données à caractère personnel ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder un an après la prescription de toutes les actions qui relèvent de la compétence du service désigné par le Gouvernement et, le cas échéant, la cessation définitive des procédures et recours administratifs et judiciaires ainsi que du paiement intégral de tous les montants y liés.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, les données liées aux enregistrements des véhicules à moteur visés à l'article 3.2.16, § 3, visées au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°, sont conservées jusqu'à trois mois après l'expiration de la durée de validité des enregistrements en question, telle que déterminée par le Gouvernement.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, les données liées aux dérogations octroyées en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 2, visées au paragraphe 2, aliéna 2, 1°, sont conservées jusqu'à trois mois après l'expiration de la validité de la dérogation, telle que déterminée par le Gouvernement.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, les données liées aux accès temporaires payants octroyés en application de l'article 3.2.16, § 5, visées au paragraphe 2, alinéa 1er, 3°, sont conservées jusqu'à trois mois après l'expiration de la période couverte par l'accès temporaire payant, telle que déterminée par le Gouvernement.
Les données collectées par les appareils automatiques de reconnaissance des plaques d'immatriculation sont conservées jusqu'à trois mois à compter du jour où le véhicule à moteur a circulé dans les zones de basses émissions, sauf lorsque ces données peuvent jouer un rôle substantiel pour prouver une infraction aux restrictions d'accès aux zones de basses émissions arrêtées par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 1er, ou à l'obligation d'enregistrement des véhicules visés à l'article 3.2.16, § 3, auquel cas le délai de conservation visé à l'alinéa 1er est applicable.
§ 5. Les données à caractère personnel visées aux paragraphes 2 et 3, alinéa 8, ne sont accessibles qu'aux services désignés par le Gouvernement pour assurer la mise en oeuvre du présent chapitre, à l'exclusion de l'article 3.2.27, et de l'article 3.4.1/1. Au sein de ces services, seuls les membres du personnel, statutaires ou contractuels, chargés des missions nécessaires à la réalisation des finalités visées au paragraphe 1er peuvent accéder aux données à caractère personnel susvisées, dans la mesure nécessaire à l'accomplissement de leurs missions.
Par dérogation à l'alinéa 1er, en vue d'un traitement ultérieur à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherches scientifique ou historique ou à des fins statistiques, les données visées aux paragraphes 2 et 3, alinéa 8, peuvent être communiquées à Bruxelles Environnement ou à une autre institution désignée par le Gouvernement, après anonymisation ou pseudonymisation préalable conformément aux exigences de l'article 89 du RGPD et de l'article 201 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel.]1
Ce traitement de données à caractère personnel poursuit les finalités suivantes:
1° l'octroi des dérogations aux restrictions d'accès définies par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 2;
2° l'enregistrement des véhicules à moteur visés à l'article 3.2.16, § 3;
3° l'octroi des accès temporaires payants déterminés par le Gouvernement en application de l'article 3.4.16, § 5;
4° le contrôle du respect des restrictions d'accès aux zones de basses émissions arrêtées par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 1er, et, en cas de non-respect, la sanction du non-respect de ces restrictions conformément à l'article 3.4.1/1;
5° le contrôle du respect de l'enregistrement des véhicules à moteur visés à l'article 3.2.16, § 3, et, le cas échéant, la sanction du non-respect de cette obligation conformément à l'article 3.1.1/1, § 6;
6° la réalisation d'études statistiques et scientifiques en vue d'analyser les effets de la mise en place des zones de basses émissions sur la qualité de l'air en Région de Bruxelles-Capitale.
§ 2. Les catégories de données à caractère personnel faisant l'objet du traitement visé au paragraphe 1er et les catégories de personnes concernées par ce traitement sont:
1° aux fins de l'octroi des dérogations définies par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 2:
a) les données d'identification de la personne introduisant la demande de dérogation, du titulaire de l'immatriculation du véhicule à moteur visé par la demande de dérogation ainsi que, le cas échéant, les données d'identification de la personne dont il est tenu compte de la situation pour l'octroi de la dérogation, en ce compris le numéro d'identification du registre national visé à l'article 2, § 3, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques et le numéro d'identification visé à l'article 4, § 2, alinéa 3, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale;
b) le numéro d'immatriculation et les caractéristiques techniques liées aux émissions de polluants atmosphériques telles qu'arrêtées par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 1er, du véhicule à moteur faisant l'objet de la demande de dérogation ainsi que, lorsque la dérogation arrêtée par le Gouvernement en tient compte, les éléments de preuve attestant de l'utilisation faite du véhicule à moteur ou des adaptations particulières apportées au véhicule à moteur;
c) les données nécessaires à la vérification de la situation de la personne concernée dont il est tenu compte pour l'octroi de la dérogation, en ce compris des données concernant la santé au sens de l'article 4, 15), du RGPD, lorsque la dérogation arrêtée par le Gouvernement tient compte de telles circonstances liées à un état de vulnérabilité ou d'incapacité physique ou psychique particulier reconnu par les autorités publiques compétentes;
2° aux fins de l'enregistrement des véhicules visé à l'article 3.2.16, § 3:
a) les données d'identification de la personne procédant à l'enregistrement du véhicule à moteur et les données d'identification du titulaire de l'immatriculation du véhicule à moteur faisant l'objet de l'enregistrement;
b) le numéro d'immatriculation du véhicule à moteur et les caractéristiques techniques liées aux émissions de polluants atmosphériques telles qu'arrêtées par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 1er, du véhicule à moteur faisant l'objet de l'enregistrement;
3° aux fins de l'octroi des accès temporaires payants en application de l'article 3.2.16, § 5:
a) les données d'identification de la personne introduisant la demande d'accès temporaire payant;
b) le numéro d'immatriculation du véhicule à moteur et les caractéristiques techniques liées aux émissions de polluants atmosphériques telles qu'arrêtées par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 1er, du véhicule à moteur faisant l'objet de la demande d'accès temporaire payant;
4° aux fins du contrôle du respect des restrictions d'accès aux zones de basses émissions arrêtée par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 1er, et du respect de l'obligation d'enregistrement des véhicules visés à l'article 3.2.16, § 3:
a) les données relatives aux dérogations octroyées en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 2, visées au 1° ;
b) les données relatives aux enregistrements des véhicules à moteur visés à l'article 3.2.16, § 3, visées au 2° ;
c) les données relatives aux véhicules à moteur pour lesquels un accès temporaire payant a été octroyé en application de l'article 3.2.16, § 5, visées au 3° ;
d) le numéro d'immatriculation et les caractéristiques techniques liées aux émissions de polluants atmosphériques telles qu'arrêtées par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 1er, des véhicules à moteur circulant dans la zone de basses émissions, ainsi que les données collectées par les appareils automatiques de reconnaissance des plaques d'immatriculations fixes ou mobiles visées au paragraphe 3, alinéa 8;
5° aux fins de l'infliction de l'amende visée à l'article 3.4.1/1:
a) les données visées au 4° relative au véhicule à moteur ayant circulé dans la zone en violation des restrictions d'accès ou en violation de l'obligation d'enregistrement des véhicules visés à l'article 3.2.16, § 3;
b) les données d'identification du contrevenant tel que visé à l'article 3.2.18, § 1er.
Les données à caractère personnel susvisées sont obtenues directement auprès des personnes concernées ainsi que, dans le respect des dispositions légales conditionnant leur accès et leur utilisation:
1° pour ce qui concerne les données d'identification des personnes physiques concernées: auprès de l'autorité publique en charge du registre national des personnes physiques visé à l'article 2 de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques et auprès de l'autorité publique en charge des Registres Banque-carrefour visés à l'article 4, § 1er, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale;
2° pour ce qui concerne les données d'identification et les caractéristiques techniques des véhicules à moteur: auprès de l'autorité publique en charge de la gestion du répertoire-matricule des véhicules en application de l'article 8 de la loi du 19 mai 2010 portant création de la Banque-carrefour des véhicules ou, le cas échéant, auprès de l'autorité publique étrangère chargée de la gestion d'une base de données équivalente;
3° le cas échéant, pour ce qui concerne les données, en ce compris les données relatives à la santé au sens de l'article 4, 15), du RGPD, relatives à la situation de la personne qui ouvre le droit à la dérogation: auprès des autorités publiques chargées d'établir ou de reconnaître la situation ouvrant le droit à la dérogation.
Le Gouvernement peut préciser, pour chaque catégorie de donnée à caractère personnel susvisée, les données à caractère personnel visées, de même que les documents devant être apportés à l'appui des demandes de dérogation ou d'enregistrement.
§ 3. Sans préjudice des dispositions de l'article 3.2.19, l'application et le contrôle de la législation relative aux zones de basses émissions, de même que la constatation d'infractions, s'effectuent au moyen d'une reconnaissance des plaques d'immatriculation, avec ou sans appareils automatiques, fixes ou mobiles.
Les constatations fondées sur des preuves matérielles fournies par des appareils fonctionnant automatiquement en présence d'un agent qualifié font foi jusqu'à preuve du contraire lorsqu'il s'agit d'infractions aux articles 3.2.16 à 3.2.26, à l'article 3.4.1/1 et à leurs arrêtés d'exécution.
Les constatations fondées sur des preuves matérielles fournies par des appareils fonctionnant automatiquement en l'absence d'un agent qualifié font foi jusqu'à preuve du contraire lorsqu'il s'agit d'infractions aux articles 3.2.16 à 3.2.26, à l'article 3.4.1/1 et à leurs arrêtés d'exécution.
Lorsqu'une infraction a été constatée par des appareils fonctionnant automatiquement en l'absence d'agent qualifié, le procès-verbal en fait mention.
Par " agent qualifié ", on entend pour l'application du présent article:
1° les fonctionnaires chargés de surveiller le respect des articles 3.2.16 à 3.2.26, de l'article 3.4.1/1 et de leurs arrêtés d'exécution;
2° les officiers ou agents de la police judiciaire dans le cadre de l'exercice de leurs compétences;
3° les membres du cadre opérationnel de la police locale et fédérale dans le cadre de l'exercice de leurs compétences.
Le placement des appareils automatiques fixes est arrêté par décision du Gouvernement. Les appareils automatiques fixes sont installés aux points d'entrée des zones de basses émissions ainsi que dans les périmètres des zones de basses émissions.
L'utilisation d'appareils automatiques mobiles est autorisée dans tous les périmètres des zones de basses émissions. Le service désigné par le Gouvernement pour assurer le contrôle du respect des restrictions d'accès aux zones de basses émissions décide, selon les circonstances et les nécessités de contrôle, de la fréquence d'utilisation des appareils automatiques mobiles et des lieux où cette utilisation a lieu.
L'utilisation d'appareils automatiques est annoncée de la manière suivante:
1° pour les appareils automatiques fixes: par l'apposition sur, sous ou à proximité du panneau de signalisation F117 visé à l'article 71.2 de l'arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière et de l'usage de la voie publique ou sur, sous ou à proximité de l'appareil lorsqu'il s'agit d'un appareil qui est placé à l'intérieur des périmètres des zones de basses émissions, de la mention " caméra ANPR " ou d'un pictogramme visant à indiquer qu'une reconnaissance automatique des plaques d'immatriculation a lieu;
2° pour les appareils automatiques mobiles: par l'apposition, sur le véhicule à bord duquel est embarqué ou sur lequel est monté l'appareil automatique mobile, d'une mention ou d'un pictogramme analogues à ceux visés au 1°.
Les données collectées par ces appareils automatiques, à savoir la plaque d'immatriculation de tout véhicule circulant dans la zone de basses émissions et une photographie du véhicule sur lequel est apposée la plaque d'immatriculation, sont rapprochées avec les données visées au paragraphe 2, 1° à 3°, en vue de déterminer le respect ou le non-respect des restrictions d'accès aux zones de basses émissions arrêtées en application de l'article 3.2.16, § 1er, ainsi que de l'obligation d'enregistrement des véhicules visés à l'article 3.2.16, § 3.
§ 4. Sans préjudice de la conservation nécessaire pour le traitement à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherches scientifique ou historique ou à des fins statistiques dans le respect des exigences de l'article 89 du RGPD et de l'article 197 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel, les données à caractère personnel ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder un an après la prescription de toutes les actions qui relèvent de la compétence du service désigné par le Gouvernement et, le cas échéant, la cessation définitive des procédures et recours administratifs et judiciaires ainsi que du paiement intégral de tous les montants y liés.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, les données liées aux enregistrements des véhicules à moteur visés à l'article 3.2.16, § 3, visées au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°, sont conservées jusqu'à trois mois après l'expiration de la durée de validité des enregistrements en question, telle que déterminée par le Gouvernement.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, les données liées aux dérogations octroyées en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 2, visées au paragraphe 2, aliéna 2, 1°, sont conservées jusqu'à trois mois après l'expiration de la validité de la dérogation, telle que déterminée par le Gouvernement.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, les données liées aux accès temporaires payants octroyés en application de l'article 3.2.16, § 5, visées au paragraphe 2, alinéa 1er, 3°, sont conservées jusqu'à trois mois après l'expiration de la période couverte par l'accès temporaire payant, telle que déterminée par le Gouvernement.
Les données collectées par les appareils automatiques de reconnaissance des plaques d'immatriculation sont conservées jusqu'à trois mois à compter du jour où le véhicule à moteur a circulé dans les zones de basses émissions, sauf lorsque ces données peuvent jouer un rôle substantiel pour prouver une infraction aux restrictions d'accès aux zones de basses émissions arrêtées par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 1er, ou à l'obligation d'enregistrement des véhicules visés à l'article 3.2.16, § 3, auquel cas le délai de conservation visé à l'alinéa 1er est applicable.
§ 5. Les données à caractère personnel visées aux paragraphes 2 et 3, alinéa 8, ne sont accessibles qu'aux services désignés par le Gouvernement pour assurer la mise en oeuvre du présent chapitre, à l'exclusion de l'article 3.2.27, et de l'article 3.4.1/1. Au sein de ces services, seuls les membres du personnel, statutaires ou contractuels, chargés des missions nécessaires à la réalisation des finalités visées au paragraphe 1er peuvent accéder aux données à caractère personnel susvisées, dans la mesure nécessaire à l'accomplissement de leurs missions.
Par dérogation à l'alinéa 1er, en vue d'un traitement ultérieur à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherches scientifique ou historique ou à des fins statistiques, les données visées aux paragraphes 2 et 3, alinéa 8, peuvent être communiquées à Bruxelles Environnement ou à une autre institution désignée par le Gouvernement, après anonymisation ou pseudonymisation préalable conformément aux exigences de l'article 89 du RGPD et de l'article 201 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel.]1
Wijzigingen
Art. 3.2.17. [1 § 1. De uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten, met uitzondering van artikel 3.2.27, en van artikel 3.4.1/1, leidt tot de verwerking van persoonsgegevens door de dienst, die optreedt als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4,7), van de AVG, die door de Regering is aangewezen voor de uitvoering van de in artikel 3.2.16 bedoelde taken.
Deze verwerking van persoonsgegevens streeft de volgende doeleinden na:
1° het verlenen van afwijkingen op de door de Regering met toepassing van artikel 3.2.16, § 2, tweede lid, vastgestelde beperkingen van het toegangsrecht;
2° de registratie van motorvoertuigen bedoeld in artikel 3.2.16, § 3;
3° het verlenen van tijdelijke toegang tegen betaling bepaald door de Regering met toepassing van artikel 3.4.16, § 5;
4° het toezicht op de naleving van de door de Regering krachtens artikel 3.2.16, § 1, vastgestelde beperkingen inzake de toegang tot lage-emissiezones en, in geval van niet-naleving, het bestraffen van de niet-naleving van deze beperkingen overeenkomstig artikel 3.4.1/1;
5° het toezicht op de naleving van de registratie van motorvoertuigen bedoeld in artikel 3.2.16, § 3, en, in voorkomend geval, het bestraffen van de niet-naleving van deze verplichting overeenkomstig artikel 3.1.1/1, § 6;
6° het uitvoeren van statistische en wetenschappelijke onderzoeken om de effecten van de invoering van de lage-emissiezones op de luchtkwaliteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te analyseren.
§ 2. De categorieën van persoonsgegevens waarop de in paragraaf 1 bedoelde verwerking betrekking heeft en de categorieën van betrokkenen op wie deze verwerking betrekking heeft, zijn:
1° met het oog op de toekenning van afwijkingen die door de Regering zijn bepaald in toepassing van artikel 3.2.16, § 2, tweede lid:
a) de identificatiegegevens van de persoon die de afwijkingsaanvraag indient, van de nummerplaathouder van het motorvoertuig waarop de afwijkingsaanvraag betrekking heeft en, in voorkomend geval, de identificatiegegevens van de persoon wiens situatie in aanmerking wordt genomen voor het verlenen van de afwijking, met inbegrip van het identificatienummer van het Rijksregister bedoeld in artikel 2, § 3, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en het identificatienummer bedoeld in artikel 4, § 2, derde lid, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
b) de nummerplaat en de technische kenmerken met betrekking tot de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen zoals door de Regering vastgesteld in uitvoering van artikel 3.2.16, § 2, eerste lid, van het motorvoertuig dat het voorwerp vormt van de afwijkingsaanvraag alsmede, indien de door de Regering vastgestelde afwijking daarmee rekening houdt, de bewijzen van het gebruik van het motorvoertuig of van de bijzondere aanpassingen die aan het motorvoertuig zijn aangebracht;
c) de gegevens die nodig zijn voor de verificatie van de situatie van de betrokkene die in aanmerking wordt genomen voor het verlenen van de afwijking, met inbegrip van gegevens over gezondheid in de zin van artikel 4, 15) van de AVG, die verband houden met een bijzondere, door de bevoegde overheidsinstantie erkende, toestand van kwetsbaarheid of lichamelijke of mentale beperking, wanneer de door de Regering vastgestelde afwijking rekening houdt met dergelijke omstandigheden;
2° voor de registratie van voertuigen als bedoeld in artikel 3.2.16, § 3:
a) de identificatiegegevens van de persoon die de inschrijving van het motorvoertuig verricht en de identificatiegegevens van de nummerplaathouder van het motorvoertuig dat het voorwerp uitmaakt van de registratie;
b) de nummerplaat van het motorvoertuig en de technische kenmerken met betrekking tot de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen zoals door de Regering vastgesteld overeenkomstig artikel 3.2.16, § 2, eerste lid, van het motorvoertuig dat het voorwerp uitmaakt van de registratie;
3° voor het verlenen van tijdelijke toegang tegen betaling in uitvoering van artikel 3.2.16, § 5:
a) de identificatiegegevens van de persoon die de aanvraag van tijdelijke toegang tegen betaling heeft ingediend;
b) de nummerplaat van het motorvoertuig en de technische kenmerken met betrekking tot de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen zoals door de Regering vastgesteld met toepassing van artikel 3.2.16, § 2, eerste lid, van het motorvoertuig waarvoor tijdelijke toegang tegen betaling wordt gevraagd;
4° met het oog op de controle op de naleving van de toegangsbeperkingen tot lage-emissiezones die de Regering met toepassing van artikel 3.2.16, § 1, heeft vastgelegd en op de naleving van de verplichting tot registratie van de voertuigen bedoeld in artikel 3.2.16, § 3:
a) de gegevens betreffende de afwijkingen verleend in toepassing van artikel 3.2.16, § 2, tweede lid, bedoeld in 1° ;
b) de gegevens betreffende de registratie van motorvoertuigen bedoeld in artikel 3.2.16, § 3, bedoeld in 2° ;
c) de gegevens betreffende motorvoertuigen waarvoor tijdelijke toegang tegen betaling is verleend met toepassing van artikel 3.2.16, § 5, bedoeld in 3° ;
d) de nummerplaat en de technische kenmerken betreffende de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen zoals vastgesteld door de Regering krachtens artikel 3.2.16, § 2, eerste lid, van de motorvoertuigen die in de lage-emissiezone rijden, alsmede de gegevens die zijn verzameld door de in paragraaf 3, achtste lid, bedoelde vaste of mobiele automatische toestellen voor nummerplaatherkenning;
5° met het oog op het opleggen van de boete bedoeld in artikel 3.4.1/1:
a) de gegevens bedoeld in 4° betreffende het motorvoertuig dat in strijd met de toegangsbeperkingen of in strijd met de registratieplicht van voertuigen bedoeld in artikel 3.2.16, § 3 in de zone heeft gereden;
b) de identificatiegegevens van de overtreder als bedoeld in artikel 3.2.18, § 1.
Bovengenoemde persoonsgegevens worden ofwel rechtstreeks van de betrokkenen verkregen ofwel, met inachtneming van de wettelijke bepalingen die de toegang en het gebruik ervan regelen:
1° wat de identificatiegegevens van de betrokken natuurlijke personen betreft: van de overheidsinstantie belast met het Rijksregister van de natuurlijke personen bedoeld in artikel 2 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en van de overheidsinstantie belast met de Kruispuntbankregisters bedoeld in artikel 4, § 1, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
2° wat betreft de identificatiegegevens en technische kenmerken van motorvoertuigen: bij de overheidsinstantie belast met het beheer van het repertorium van de voertuigen in toepassing van artikel 8 van de wet van 19 mei 2010 houdende oprichting van de Kruispuntbank van de voertuigen of, in voorkomend geval, bij de buitenlandse overheidsinstantie belast met het beheer van een vergelijkbare databank;
3° in voorkomend geval, wat betreft gegevens, waaronder gegevens over gezondheid in de zin van artikel 4, 15) van de AVG, met betrekking tot de situatie van de persoon die recht geeft op de afwijking: van de overheid die verantwoordelijk is voor de vaststelling of de erkenning van de situatie die recht geeft op een afwijking.
De Regering kan voor elke bovengenoemde categorie van persoonsgegevens specificeren om welke persoonsgegevens het gaat en welke documenten moeten worden verstrekt ter ondersteuning van verzoeken om afwijking of registratie.
§ 3. Onverminderd de bepalingen van artikel 3.2.19, geschieden de toepassing en de controle van de wetgeving inzake lage-emissiezones, alsmede de opsporing van overtredingen, door middel van nummerplaatherkenning, al dan niet met automatische, vaste of mobiele, toestellen.
Vaststellingen op basis van materieel bewijs dat wordt geleverd door automatisch werkende toestellen in aanwezigheid van een gekwalificeerde agent, hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel in geval van overtredingen van de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.26, artikel 3.4.1/1, en de uitvoeringsbesluiten daarvan.
Vaststellingen die gebaseerd zijn op materiële bewijzen die afkomstig zijn van automatisch werkende toestellen in afwezigheid van een gekwalificeerd agent, worden in geval van overtredingen van de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.26, artikel 3.4.1/1 en hun uitvoeringsbesluiten geacht bewijskracht te hebben tot bewijs van het tegendeel.
Wanneer een overtreding is vastgesteld door automatisch werkende toestellen in afwezigheid van een gekwalificeerde agent, wordt hiervan in het proces-verbaal melding gemaakt.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "gekwalificeerd agent" verstaan:
1° de ambtenaren die belast zijn met het toezicht op de naleving van de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.26, artikel 3.4.1/1 en de uitvoeringsbesluiten ervan;
2° de officieren of agenten van de gerechtelijke politie in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden;
3° de leden van het operationele kader van de lokale en de federale politie in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden.
De plaatsing van vaste automatisch werkende toestellen wordt bepaald door een beslissing van de Regering. De vaste automatisch werkende toestellen worden zowel geïnstalleerd aan de ingang van lage-emissiezones als binnen de grenzen van lage-emissiezones.
Het gebruik van mobiele automatische toestellen is toegestaan in alle perimeters van lage emissiezones. De dienst die door de Regering is aangewezen om toezicht te houden op de naleving van de toegangsbeperkingen tot lage-emissiezones, beslist, afhankelijk van de omstandigheden en de controlevereisten, hoe vaak en waar mobiele automatische toestellen mogen worden gebruikt.
Het gebruik van automatische apparatuur wordt als volgt aangekondigd:
1° voor vaste automatische toestellen: door het aanbrengen op, onder of nabij het F117-teken bedoeld in artikel 71.2 van het Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg of op, onder of nabij het toestel in het geval van een toestel dat geplaatst is binnen de perimeters van lage-emissiezones, de woorden "ANPR-camera" of een pictogram dat aangeeft dat er automatische nummerplaatherkenning plaatsvindt;
2° voor mobiele automatische toestellen: door op het voertuig waarin het mobiele automatische toestel wordt vervoerd of gemonteerd, een bord of een pictogram aan te brengen dat gelijkaardig is aan dat bedoeld in 1°.
De door deze automatische toestellen verzamelde gegevens, namelijk de nummerplaat van elk voertuig dat zich in de lage-emissiezone begeeft en een foto van het voertuig waarop de nummerplaat is aangebracht, worden in overeenstemming gebracht met de gegevens, bedoeld in paragraaf 2, 1° tot en met 3°, teneinde vast te stellen of de krachtens artikel 3.2.16, § 1, vastgestelde toegangsbeperkingen tot lage-emissiezones al dan niet worden nageleefd, alsmede of de in artikel 3.2.16, § 3, bedoelde verplichting tot registratie van de voertuigen wordt nageleefd.
§ 4. Onverminderd de bewaring die noodzakelijk is voor de verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden overeenkomstig de vereisten van artikel 89 van de AVG en artikel 197 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, worden de persoonsgegevens niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt, met een maximale bewaartermijn van één jaar na de verjaring van alle vorderingen die onder de bevoegdheid van de door de Regering aangewezen dienst vallen en, in voorkomend geval, de definitieve beëindiging van de administratieve en gerechtelijke procedures en beroepen, alsmede de volledige betaling van alle daarmee verband houdende bedragen.
Onverminderd het eerste lid, worden de gegevens betreffende de in artikel 3.2.16, § 3, bedoelde registratie van motorvoertuigen, bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 2°, bewaard tot drie maanden na het verstrijken van de door de Regering vastgelegde geldigheidsduur van de betrokken registratie.
Onverminderd het eerste lid, worden de gegevens betreffende afwijkingen bedoeld in artikel 3.2.16, § 2, tweede lid, bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, 1°, bewaard tot drie maanden na het verstrijken van de door de Regering vastgelegde geldigheidsduur van de afwijking.
Onverminderd het eerste lid worden de gegevens betreffende de tijdelijke toegang tegen betaling die met toepassing van artikel 3.2.16, § 5, bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 3°, wordt verleend, bewaard tot drie maanden na het verstrijken van de periode waarop de tijdelijke toegang tegen betaling betrekking heeft, zoals bepaald door de Regering.
De door automatische toestellen voor nummerplaatherkenning verzamelde gegevens worden bewaard tot drie maanden na de dag waarop met het motorvoertuig in de lage-emissiezones is gereden, behalve wanneer deze gegevens een substantiële rol kunnen spelen bij het bewijzen van een overtreding op de door de Regering krachtens artikel 3.2.16, § 1, vastgestelde beperkingen inzake de toegang tot lage-emissiezones of op de in artikel 3.2.16, § 3, bedoelde verplichting om voertuigen te registreren, in welk geval de in het eerste lid bedoelde bewaringstermijn van toepassing is.
§ 5. De in paragrafen 2 en 3, achtste lid, bedoelde persoonsgegevens zijn slechts toegankelijk voor de diensten die door de Regering zijn aangewezen om de uitvoering van dit hoofdstuk, met uitsluiting van artikel 3.2.27, en artikel 3.4.1/1 te verzekeren. Binnen deze diensten hebben alleen de statutaire of contractuele personeelsleden die belast zijn met de taken die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de in paragraaf 1 genoemde doeleinden, toegang tot de bovengenoemde persoonsgegevens, voor zover dit voor de uitvoering van hun taken noodzakelijk is.
In afwijking van het eerste lid kunnen de in paragrafen 2 en 3, achtste lid, bedoelde gegevens met het oog op verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden worden meegedeeld aan Leefmilieu Brussel of aan een andere door de Regering aangewezen instelling, na voorafgaande anonimisering of pseudonimisering overeenkomstig de vereisten van artikel 89 van de AVG en van artikel 201 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.]1
Deze verwerking van persoonsgegevens streeft de volgende doeleinden na:
1° het verlenen van afwijkingen op de door de Regering met toepassing van artikel 3.2.16, § 2, tweede lid, vastgestelde beperkingen van het toegangsrecht;
2° de registratie van motorvoertuigen bedoeld in artikel 3.2.16, § 3;
3° het verlenen van tijdelijke toegang tegen betaling bepaald door de Regering met toepassing van artikel 3.4.16, § 5;
4° het toezicht op de naleving van de door de Regering krachtens artikel 3.2.16, § 1, vastgestelde beperkingen inzake de toegang tot lage-emissiezones en, in geval van niet-naleving, het bestraffen van de niet-naleving van deze beperkingen overeenkomstig artikel 3.4.1/1;
5° het toezicht op de naleving van de registratie van motorvoertuigen bedoeld in artikel 3.2.16, § 3, en, in voorkomend geval, het bestraffen van de niet-naleving van deze verplichting overeenkomstig artikel 3.1.1/1, § 6;
6° het uitvoeren van statistische en wetenschappelijke onderzoeken om de effecten van de invoering van de lage-emissiezones op de luchtkwaliteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te analyseren.
§ 2. De categorieën van persoonsgegevens waarop de in paragraaf 1 bedoelde verwerking betrekking heeft en de categorieën van betrokkenen op wie deze verwerking betrekking heeft, zijn:
1° met het oog op de toekenning van afwijkingen die door de Regering zijn bepaald in toepassing van artikel 3.2.16, § 2, tweede lid:
a) de identificatiegegevens van de persoon die de afwijkingsaanvraag indient, van de nummerplaathouder van het motorvoertuig waarop de afwijkingsaanvraag betrekking heeft en, in voorkomend geval, de identificatiegegevens van de persoon wiens situatie in aanmerking wordt genomen voor het verlenen van de afwijking, met inbegrip van het identificatienummer van het Rijksregister bedoeld in artikel 2, § 3, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en het identificatienummer bedoeld in artikel 4, § 2, derde lid, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
b) de nummerplaat en de technische kenmerken met betrekking tot de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen zoals door de Regering vastgesteld in uitvoering van artikel 3.2.16, § 2, eerste lid, van het motorvoertuig dat het voorwerp vormt van de afwijkingsaanvraag alsmede, indien de door de Regering vastgestelde afwijking daarmee rekening houdt, de bewijzen van het gebruik van het motorvoertuig of van de bijzondere aanpassingen die aan het motorvoertuig zijn aangebracht;
c) de gegevens die nodig zijn voor de verificatie van de situatie van de betrokkene die in aanmerking wordt genomen voor het verlenen van de afwijking, met inbegrip van gegevens over gezondheid in de zin van artikel 4, 15) van de AVG, die verband houden met een bijzondere, door de bevoegde overheidsinstantie erkende, toestand van kwetsbaarheid of lichamelijke of mentale beperking, wanneer de door de Regering vastgestelde afwijking rekening houdt met dergelijke omstandigheden;
2° voor de registratie van voertuigen als bedoeld in artikel 3.2.16, § 3:
a) de identificatiegegevens van de persoon die de inschrijving van het motorvoertuig verricht en de identificatiegegevens van de nummerplaathouder van het motorvoertuig dat het voorwerp uitmaakt van de registratie;
b) de nummerplaat van het motorvoertuig en de technische kenmerken met betrekking tot de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen zoals door de Regering vastgesteld overeenkomstig artikel 3.2.16, § 2, eerste lid, van het motorvoertuig dat het voorwerp uitmaakt van de registratie;
3° voor het verlenen van tijdelijke toegang tegen betaling in uitvoering van artikel 3.2.16, § 5:
a) de identificatiegegevens van de persoon die de aanvraag van tijdelijke toegang tegen betaling heeft ingediend;
b) de nummerplaat van het motorvoertuig en de technische kenmerken met betrekking tot de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen zoals door de Regering vastgesteld met toepassing van artikel 3.2.16, § 2, eerste lid, van het motorvoertuig waarvoor tijdelijke toegang tegen betaling wordt gevraagd;
4° met het oog op de controle op de naleving van de toegangsbeperkingen tot lage-emissiezones die de Regering met toepassing van artikel 3.2.16, § 1, heeft vastgelegd en op de naleving van de verplichting tot registratie van de voertuigen bedoeld in artikel 3.2.16, § 3:
a) de gegevens betreffende de afwijkingen verleend in toepassing van artikel 3.2.16, § 2, tweede lid, bedoeld in 1° ;
b) de gegevens betreffende de registratie van motorvoertuigen bedoeld in artikel 3.2.16, § 3, bedoeld in 2° ;
c) de gegevens betreffende motorvoertuigen waarvoor tijdelijke toegang tegen betaling is verleend met toepassing van artikel 3.2.16, § 5, bedoeld in 3° ;
d) de nummerplaat en de technische kenmerken betreffende de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen zoals vastgesteld door de Regering krachtens artikel 3.2.16, § 2, eerste lid, van de motorvoertuigen die in de lage-emissiezone rijden, alsmede de gegevens die zijn verzameld door de in paragraaf 3, achtste lid, bedoelde vaste of mobiele automatische toestellen voor nummerplaatherkenning;
5° met het oog op het opleggen van de boete bedoeld in artikel 3.4.1/1:
a) de gegevens bedoeld in 4° betreffende het motorvoertuig dat in strijd met de toegangsbeperkingen of in strijd met de registratieplicht van voertuigen bedoeld in artikel 3.2.16, § 3 in de zone heeft gereden;
b) de identificatiegegevens van de overtreder als bedoeld in artikel 3.2.18, § 1.
Bovengenoemde persoonsgegevens worden ofwel rechtstreeks van de betrokkenen verkregen ofwel, met inachtneming van de wettelijke bepalingen die de toegang en het gebruik ervan regelen:
1° wat de identificatiegegevens van de betrokken natuurlijke personen betreft: van de overheidsinstantie belast met het Rijksregister van de natuurlijke personen bedoeld in artikel 2 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en van de overheidsinstantie belast met de Kruispuntbankregisters bedoeld in artikel 4, § 1, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
2° wat betreft de identificatiegegevens en technische kenmerken van motorvoertuigen: bij de overheidsinstantie belast met het beheer van het repertorium van de voertuigen in toepassing van artikel 8 van de wet van 19 mei 2010 houdende oprichting van de Kruispuntbank van de voertuigen of, in voorkomend geval, bij de buitenlandse overheidsinstantie belast met het beheer van een vergelijkbare databank;
3° in voorkomend geval, wat betreft gegevens, waaronder gegevens over gezondheid in de zin van artikel 4, 15) van de AVG, met betrekking tot de situatie van de persoon die recht geeft op de afwijking: van de overheid die verantwoordelijk is voor de vaststelling of de erkenning van de situatie die recht geeft op een afwijking.
De Regering kan voor elke bovengenoemde categorie van persoonsgegevens specificeren om welke persoonsgegevens het gaat en welke documenten moeten worden verstrekt ter ondersteuning van verzoeken om afwijking of registratie.
§ 3. Onverminderd de bepalingen van artikel 3.2.19, geschieden de toepassing en de controle van de wetgeving inzake lage-emissiezones, alsmede de opsporing van overtredingen, door middel van nummerplaatherkenning, al dan niet met automatische, vaste of mobiele, toestellen.
Vaststellingen op basis van materieel bewijs dat wordt geleverd door automatisch werkende toestellen in aanwezigheid van een gekwalificeerde agent, hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel in geval van overtredingen van de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.26, artikel 3.4.1/1, en de uitvoeringsbesluiten daarvan.
Vaststellingen die gebaseerd zijn op materiële bewijzen die afkomstig zijn van automatisch werkende toestellen in afwezigheid van een gekwalificeerd agent, worden in geval van overtredingen van de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.26, artikel 3.4.1/1 en hun uitvoeringsbesluiten geacht bewijskracht te hebben tot bewijs van het tegendeel.
Wanneer een overtreding is vastgesteld door automatisch werkende toestellen in afwezigheid van een gekwalificeerde agent, wordt hiervan in het proces-verbaal melding gemaakt.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "gekwalificeerd agent" verstaan:
1° de ambtenaren die belast zijn met het toezicht op de naleving van de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.26, artikel 3.4.1/1 en de uitvoeringsbesluiten ervan;
2° de officieren of agenten van de gerechtelijke politie in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden;
3° de leden van het operationele kader van de lokale en de federale politie in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden.
De plaatsing van vaste automatisch werkende toestellen wordt bepaald door een beslissing van de Regering. De vaste automatisch werkende toestellen worden zowel geïnstalleerd aan de ingang van lage-emissiezones als binnen de grenzen van lage-emissiezones.
Het gebruik van mobiele automatische toestellen is toegestaan in alle perimeters van lage emissiezones. De dienst die door de Regering is aangewezen om toezicht te houden op de naleving van de toegangsbeperkingen tot lage-emissiezones, beslist, afhankelijk van de omstandigheden en de controlevereisten, hoe vaak en waar mobiele automatische toestellen mogen worden gebruikt.
Het gebruik van automatische apparatuur wordt als volgt aangekondigd:
1° voor vaste automatische toestellen: door het aanbrengen op, onder of nabij het F117-teken bedoeld in artikel 71.2 van het Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg of op, onder of nabij het toestel in het geval van een toestel dat geplaatst is binnen de perimeters van lage-emissiezones, de woorden "ANPR-camera" of een pictogram dat aangeeft dat er automatische nummerplaatherkenning plaatsvindt;
2° voor mobiele automatische toestellen: door op het voertuig waarin het mobiele automatische toestel wordt vervoerd of gemonteerd, een bord of een pictogram aan te brengen dat gelijkaardig is aan dat bedoeld in 1°.
De door deze automatische toestellen verzamelde gegevens, namelijk de nummerplaat van elk voertuig dat zich in de lage-emissiezone begeeft en een foto van het voertuig waarop de nummerplaat is aangebracht, worden in overeenstemming gebracht met de gegevens, bedoeld in paragraaf 2, 1° tot en met 3°, teneinde vast te stellen of de krachtens artikel 3.2.16, § 1, vastgestelde toegangsbeperkingen tot lage-emissiezones al dan niet worden nageleefd, alsmede of de in artikel 3.2.16, § 3, bedoelde verplichting tot registratie van de voertuigen wordt nageleefd.
§ 4. Onverminderd de bewaring die noodzakelijk is voor de verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden overeenkomstig de vereisten van artikel 89 van de AVG en artikel 197 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, worden de persoonsgegevens niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt, met een maximale bewaartermijn van één jaar na de verjaring van alle vorderingen die onder de bevoegdheid van de door de Regering aangewezen dienst vallen en, in voorkomend geval, de definitieve beëindiging van de administratieve en gerechtelijke procedures en beroepen, alsmede de volledige betaling van alle daarmee verband houdende bedragen.
Onverminderd het eerste lid, worden de gegevens betreffende de in artikel 3.2.16, § 3, bedoelde registratie van motorvoertuigen, bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 2°, bewaard tot drie maanden na het verstrijken van de door de Regering vastgelegde geldigheidsduur van de betrokken registratie.
Onverminderd het eerste lid, worden de gegevens betreffende afwijkingen bedoeld in artikel 3.2.16, § 2, tweede lid, bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, 1°, bewaard tot drie maanden na het verstrijken van de door de Regering vastgelegde geldigheidsduur van de afwijking.
Onverminderd het eerste lid worden de gegevens betreffende de tijdelijke toegang tegen betaling die met toepassing van artikel 3.2.16, § 5, bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 3°, wordt verleend, bewaard tot drie maanden na het verstrijken van de periode waarop de tijdelijke toegang tegen betaling betrekking heeft, zoals bepaald door de Regering.
De door automatische toestellen voor nummerplaatherkenning verzamelde gegevens worden bewaard tot drie maanden na de dag waarop met het motorvoertuig in de lage-emissiezones is gereden, behalve wanneer deze gegevens een substantiële rol kunnen spelen bij het bewijzen van een overtreding op de door de Regering krachtens artikel 3.2.16, § 1, vastgestelde beperkingen inzake de toegang tot lage-emissiezones of op de in artikel 3.2.16, § 3, bedoelde verplichting om voertuigen te registreren, in welk geval de in het eerste lid bedoelde bewaringstermijn van toepassing is.
§ 5. De in paragrafen 2 en 3, achtste lid, bedoelde persoonsgegevens zijn slechts toegankelijk voor de diensten die door de Regering zijn aangewezen om de uitvoering van dit hoofdstuk, met uitsluiting van artikel 3.2.27, en artikel 3.4.1/1 te verzekeren. Binnen deze diensten hebben alleen de statutaire of contractuele personeelsleden die belast zijn met de taken die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de in paragraaf 1 genoemde doeleinden, toegang tot de bovengenoemde persoonsgegevens, voor zover dit voor de uitvoering van hun taken noodzakelijk is.
In afwijking van het eerste lid kunnen de in paragrafen 2 en 3, achtste lid, bedoelde gegevens met het oog op verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden worden meegedeeld aan Leefmilieu Brussel of aan een andere door de Regering aangewezen instelling, na voorafgaande anonimisering of pseudonimisering overeenkomstig de vereisten van artikel 89 van de AVG en van artikel 201 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.]1
Art. 3.2.17. [1 § 1er. L'exécution des dispositions du présent chapitre, à l'exception de l'article 3.2.27, et de l'article 3.4.1/1 ainsi que des arrêtés pris pour leur exécution donne lieu au traitement de données à caractère personnel réalisé par le service, agissant en qualité de responsable du traitement au sens de l'article 4,7), du RGPD, désigné par le Gouvernement pour l'exécution des missions visées à l'article 3.2.16.
Ce traitement de données à caractère personnel poursuit les finalités suivantes:
1° l'octroi des dérogations aux restrictions d'accès définies par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 2;
2° l'enregistrement des véhicules à moteur visés à l'article 3.2.16, § 3;
3° l'octroi des accès temporaires payants déterminés par le Gouvernement en application de l'article 3.4.16, § 5;
4° le contrôle du respect des restrictions d'accès aux zones de basses émissions arrêtées par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 1er, et, en cas de non-respect, la sanction du non-respect de ces restrictions conformément à l'article 3.4.1/1;
5° le contrôle du respect de l'enregistrement des véhicules à moteur visés à l'article 3.2.16, § 3, et, le cas échéant, la sanction du non-respect de cette obligation conformément à l'article 3.1.1/1, § 6;
6° la réalisation d'études statistiques et scientifiques en vue d'analyser les effets de la mise en place des zones de basses émissions sur la qualité de l'air en Région de Bruxelles-Capitale.
§ 2. Les catégories de données à caractère personnel faisant l'objet du traitement visé au paragraphe 1er et les catégories de personnes concernées par ce traitement sont:
1° aux fins de l'octroi des dérogations définies par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 2:
a) les données d'identification de la personne introduisant la demande de dérogation, du titulaire de l'immatriculation du véhicule à moteur visé par la demande de dérogation ainsi que, le cas échéant, les données d'identification de la personne dont il est tenu compte de la situation pour l'octroi de la dérogation, en ce compris le numéro d'identification du registre national visé à l'article 2, § 3, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques et le numéro d'identification visé à l'article 4, § 2, alinéa 3, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale;
b) le numéro d'immatriculation et les caractéristiques techniques liées aux émissions de polluants atmosphériques telles qu'arrêtées par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 1er, du véhicule à moteur faisant l'objet de la demande de dérogation ainsi que, lorsque la dérogation arrêtée par le Gouvernement en tient compte, les éléments de preuve attestant de l'utilisation faite du véhicule à moteur ou des adaptations particulières apportées au véhicule à moteur;
c) les données nécessaires à la vérification de la situation de la personne concernée dont il est tenu compte pour l'octroi de la dérogation, en ce compris des données concernant la santé au sens de l'article 4, 15), du RGPD, lorsque la dérogation arrêtée par le Gouvernement tient compte de telles circonstances liées à un état de vulnérabilité ou d'incapacité physique ou psychique particulier reconnu par les autorités publiques compétentes;
2° aux fins de l'enregistrement des véhicules visé à l'article 3.2.16, § 3:
a) les données d'identification de la personne procédant à l'enregistrement du véhicule à moteur et les données d'identification du titulaire de l'immatriculation du véhicule à moteur faisant l'objet de l'enregistrement;
b) le numéro d'immatriculation du véhicule à moteur et les caractéristiques techniques liées aux émissions de polluants atmosphériques telles qu'arrêtées par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 1er, du véhicule à moteur faisant l'objet de l'enregistrement;
3° aux fins de l'octroi des accès temporaires payants en application de l'article 3.2.16, § 5:
a) les données d'identification de la personne introduisant la demande d'accès temporaire payant;
b) le numéro d'immatriculation du véhicule à moteur et les caractéristiques techniques liées aux émissions de polluants atmosphériques telles qu'arrêtées par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 1er, du véhicule à moteur faisant l'objet de la demande d'accès temporaire payant;
4° aux fins du contrôle du respect des restrictions d'accès aux zones de basses émissions arrêtée par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 1er, et du respect de l'obligation d'enregistrement des véhicules visés à l'article 3.2.16, § 3:
a) les données relatives aux dérogations octroyées en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 2, visées au 1° ;
b) les données relatives aux enregistrements des véhicules à moteur visés à l'article 3.2.16, § 3, visées au 2° ;
c) les données relatives aux véhicules à moteur pour lesquels un accès temporaire payant a été octroyé en application de l'article 3.2.16, § 5, visées au 3° ;
d) le numéro d'immatriculation et les caractéristiques techniques liées aux émissions de polluants atmosphériques telles qu'arrêtées par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 1er, des véhicules à moteur circulant dans la zone de basses émissions, ainsi que les données collectées par les appareils automatiques de reconnaissance des plaques d'immatriculations fixes ou mobiles visées au paragraphe 3, alinéa 8;
5° aux fins de l'infliction de l'amende visée à l'article 3.4.1/1:
a) les données visées au 4° relative au véhicule à moteur ayant circulé dans la zone en violation des restrictions d'accès ou en violation de l'obligation d'enregistrement des véhicules visés à l'article 3.2.16, § 3;
b) les données d'identification du contrevenant tel que visé à l'article 3.2.18, § 1er.
Les données à caractère personnel susvisées sont obtenues directement auprès des personnes concernées ainsi que, dans le respect des dispositions légales conditionnant leur accès et leur utilisation:
1° pour ce qui concerne les données d'identification des personnes physiques concernées: auprès de l'autorité publique en charge du registre national des personnes physiques visé à l'article 2 de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques et auprès de l'autorité publique en charge des Registres Banque-carrefour visés à l'article 4, § 1er, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale;
2° pour ce qui concerne les données d'identification et les caractéristiques techniques des véhicules à moteur: auprès de l'autorité publique en charge de la gestion du répertoire-matricule des véhicules en application de l'article 8 de la loi du 19 mai 2010 portant création de la Banque-carrefour des véhicules ou, le cas échéant, auprès de l'autorité publique étrangère chargée de la gestion d'une base de données équivalente;
3° le cas échéant, pour ce qui concerne les données, en ce compris les données relatives à la santé au sens de l'article 4, 15), du RGPD, relatives à la situation de la personne qui ouvre le droit à la dérogation: auprès des autorités publiques chargées d'établir ou de reconnaître la situation ouvrant le droit à la dérogation.
Le Gouvernement peut préciser, pour chaque catégorie de donnée à caractère personnel susvisée, les données à caractère personnel visées, de même que les documents devant être apportés à l'appui des demandes de dérogation ou d'enregistrement.
§ 3. Sans préjudice des dispositions de l'article 3.2.19, l'application et le contrôle de la législation relative aux zones de basses émissions, de même que la constatation d'infractions, s'effectuent au moyen d'une reconnaissance des plaques d'immatriculation, avec ou sans appareils automatiques, fixes ou mobiles.
Les constatations fondées sur des preuves matérielles fournies par des appareils fonctionnant automatiquement en présence d'un agent qualifié font foi jusqu'à preuve du contraire lorsqu'il s'agit d'infractions aux articles 3.2.16 à 3.2.26, à l'article 3.4.1/1 et à leurs arrêtés d'exécution.
Les constatations fondées sur des preuves matérielles fournies par des appareils fonctionnant automatiquement en l'absence d'un agent qualifié font foi jusqu'à preuve du contraire lorsqu'il s'agit d'infractions aux articles 3.2.16 à 3.2.26, à l'article 3.4.1/1 et à leurs arrêtés d'exécution.
Lorsqu'une infraction a été constatée par des appareils fonctionnant automatiquement en l'absence d'agent qualifié, le procès-verbal en fait mention.
Par " agent qualifié ", on entend pour l'application du présent article:
1° les fonctionnaires chargés de surveiller le respect des articles 3.2.16 à 3.2.26, de l'article 3.4.1/1 et de leurs arrêtés d'exécution;
2° les officiers ou agents de la police judiciaire dans le cadre de l'exercice de leurs compétences;
3° les membres du cadre opérationnel de la police locale et fédérale dans le cadre de l'exercice de leurs compétences.
Le placement des appareils automatiques fixes est arrêté par décision du Gouvernement. Les appareils automatiques fixes sont installés aux points d'entrée des zones de basses émissions ainsi que dans les périmètres des zones de basses émissions.
L'utilisation d'appareils automatiques mobiles est autorisée dans tous les périmètres des zones de basses émissions. Le service désigné par le Gouvernement pour assurer le contrôle du respect des restrictions d'accès aux zones de basses émissions décide, selon les circonstances et les nécessités de contrôle, de la fréquence d'utilisation des appareils automatiques mobiles et des lieux où cette utilisation a lieu.
L'utilisation d'appareils automatiques est annoncée de la manière suivante:
1° pour les appareils automatiques fixes: par l'apposition sur, sous ou à proximité du panneau de signalisation F117 visé à l'article 71.2 de l'arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière et de l'usage de la voie publique ou sur, sous ou à proximité de l'appareil lorsqu'il s'agit d'un appareil qui est placé à l'intérieur des périmètres des zones de basses émissions, de la mention " caméra ANPR " ou d'un pictogramme visant à indiquer qu'une reconnaissance automatique des plaques d'immatriculation a lieu;
2° pour les appareils automatiques mobiles: par l'apposition, sur le véhicule à bord duquel est embarqué ou sur lequel est monté l'appareil automatique mobile, d'une mention ou d'un pictogramme analogues à ceux visés au 1°.
Les données collectées par ces appareils automatiques, à savoir la plaque d'immatriculation de tout véhicule circulant dans la zone de basses émissions et une photographie du véhicule sur lequel est apposée la plaque d'immatriculation, sont rapprochées avec les données visées au paragraphe 2, 1° à 3°, en vue de déterminer le respect ou le non-respect des restrictions d'accès aux zones de basses émissions arrêtées en application de l'article 3.2.16, § 1er, ainsi que de l'obligation d'enregistrement des véhicules visés à l'article 3.2.16, § 3.
§ 4. Sans préjudice de la conservation nécessaire pour le traitement à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherches scientifique ou historique ou à des fins statistiques dans le respect des exigences de l'article 89 du RGPD et de l'article 197 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel, les données à caractère personnel ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder un an après la prescription de toutes les actions qui relèvent de la compétence du service désigné par le Gouvernement et, le cas échéant, la cessation définitive des procédures et recours administratifs et judiciaires ainsi que du paiement intégral de tous les montants y liés.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, les données liées aux enregistrements des véhicules à moteur visés à l'article 3.2.16, § 3, visées au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°, sont conservées jusqu'à trois mois après l'expiration de la durée de validité des enregistrements en question, telle que déterminée par le Gouvernement.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, les données liées aux dérogations octroyées en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 2, visées au paragraphe 2, aliéna 2, 1°, sont conservées jusqu'à trois mois après l'expiration de la validité de la dérogation, telle que déterminée par le Gouvernement.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, les données liées aux accès temporaires payants octroyés en application de l'article 3.2.16, § 5, visées au paragraphe 2, alinéa 1er, 3°, sont conservées jusqu'à trois mois après l'expiration de la période couverte par l'accès temporaire payant, telle que déterminée par le Gouvernement.
Les données collectées par les appareils automatiques de reconnaissance des plaques d'immatriculation sont conservées jusqu'à trois mois à compter du jour où le véhicule à moteur a circulé dans les zones de basses émissions, sauf lorsque ces données peuvent jouer un rôle substantiel pour prouver une infraction aux restrictions d'accès aux zones de basses émissions arrêtées par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 1er, ou à l'obligation d'enregistrement des véhicules visés à l'article 3.2.16, § 3, auquel cas le délai de conservation visé à l'alinéa 1er est applicable.
§ 5. Les données à caractère personnel visées aux paragraphes 2 et 3, alinéa 8, ne sont accessibles qu'aux services désignés par le Gouvernement pour assurer la mise en oeuvre du présent chapitre, à l'exclusion de l'article 3.2.27, et de l'article 3.4.1/1. Au sein de ces services, seuls les membres du personnel, statutaires ou contractuels, chargés des missions nécessaires à la réalisation des finalités visées au paragraphe 1er peuvent accéder aux données à caractère personnel susvisées, dans la mesure nécessaire à l'accomplissement de leurs missions.
Par dérogation à l'alinéa 1er, en vue d'un traitement ultérieur à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherches scientifique ou historique ou à des fins statistiques, les données visées aux paragraphes 2 et 3, alinéa 8, peuvent être communiquées à Bruxelles Environnement ou à une autre institution désignée par le Gouvernement, après anonymisation ou pseudonymisation préalable conformément aux exigences de l'article 89 du RGPD et de l'article 201 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel.]1
Ce traitement de données à caractère personnel poursuit les finalités suivantes:
1° l'octroi des dérogations aux restrictions d'accès définies par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 2;
2° l'enregistrement des véhicules à moteur visés à l'article 3.2.16, § 3;
3° l'octroi des accès temporaires payants déterminés par le Gouvernement en application de l'article 3.4.16, § 5;
4° le contrôle du respect des restrictions d'accès aux zones de basses émissions arrêtées par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 1er, et, en cas de non-respect, la sanction du non-respect de ces restrictions conformément à l'article 3.4.1/1;
5° le contrôle du respect de l'enregistrement des véhicules à moteur visés à l'article 3.2.16, § 3, et, le cas échéant, la sanction du non-respect de cette obligation conformément à l'article 3.1.1/1, § 6;
6° la réalisation d'études statistiques et scientifiques en vue d'analyser les effets de la mise en place des zones de basses émissions sur la qualité de l'air en Région de Bruxelles-Capitale.
§ 2. Les catégories de données à caractère personnel faisant l'objet du traitement visé au paragraphe 1er et les catégories de personnes concernées par ce traitement sont:
1° aux fins de l'octroi des dérogations définies par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 2:
a) les données d'identification de la personne introduisant la demande de dérogation, du titulaire de l'immatriculation du véhicule à moteur visé par la demande de dérogation ainsi que, le cas échéant, les données d'identification de la personne dont il est tenu compte de la situation pour l'octroi de la dérogation, en ce compris le numéro d'identification du registre national visé à l'article 2, § 3, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques et le numéro d'identification visé à l'article 4, § 2, alinéa 3, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale;
b) le numéro d'immatriculation et les caractéristiques techniques liées aux émissions de polluants atmosphériques telles qu'arrêtées par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 1er, du véhicule à moteur faisant l'objet de la demande de dérogation ainsi que, lorsque la dérogation arrêtée par le Gouvernement en tient compte, les éléments de preuve attestant de l'utilisation faite du véhicule à moteur ou des adaptations particulières apportées au véhicule à moteur;
c) les données nécessaires à la vérification de la situation de la personne concernée dont il est tenu compte pour l'octroi de la dérogation, en ce compris des données concernant la santé au sens de l'article 4, 15), du RGPD, lorsque la dérogation arrêtée par le Gouvernement tient compte de telles circonstances liées à un état de vulnérabilité ou d'incapacité physique ou psychique particulier reconnu par les autorités publiques compétentes;
2° aux fins de l'enregistrement des véhicules visé à l'article 3.2.16, § 3:
a) les données d'identification de la personne procédant à l'enregistrement du véhicule à moteur et les données d'identification du titulaire de l'immatriculation du véhicule à moteur faisant l'objet de l'enregistrement;
b) le numéro d'immatriculation du véhicule à moteur et les caractéristiques techniques liées aux émissions de polluants atmosphériques telles qu'arrêtées par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 1er, du véhicule à moteur faisant l'objet de l'enregistrement;
3° aux fins de l'octroi des accès temporaires payants en application de l'article 3.2.16, § 5:
a) les données d'identification de la personne introduisant la demande d'accès temporaire payant;
b) le numéro d'immatriculation du véhicule à moteur et les caractéristiques techniques liées aux émissions de polluants atmosphériques telles qu'arrêtées par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 1er, du véhicule à moteur faisant l'objet de la demande d'accès temporaire payant;
4° aux fins du contrôle du respect des restrictions d'accès aux zones de basses émissions arrêtée par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 1er, et du respect de l'obligation d'enregistrement des véhicules visés à l'article 3.2.16, § 3:
a) les données relatives aux dérogations octroyées en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 2, visées au 1° ;
b) les données relatives aux enregistrements des véhicules à moteur visés à l'article 3.2.16, § 3, visées au 2° ;
c) les données relatives aux véhicules à moteur pour lesquels un accès temporaire payant a été octroyé en application de l'article 3.2.16, § 5, visées au 3° ;
d) le numéro d'immatriculation et les caractéristiques techniques liées aux émissions de polluants atmosphériques telles qu'arrêtées par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 1er, des véhicules à moteur circulant dans la zone de basses émissions, ainsi que les données collectées par les appareils automatiques de reconnaissance des plaques d'immatriculations fixes ou mobiles visées au paragraphe 3, alinéa 8;
5° aux fins de l'infliction de l'amende visée à l'article 3.4.1/1:
a) les données visées au 4° relative au véhicule à moteur ayant circulé dans la zone en violation des restrictions d'accès ou en violation de l'obligation d'enregistrement des véhicules visés à l'article 3.2.16, § 3;
b) les données d'identification du contrevenant tel que visé à l'article 3.2.18, § 1er.
Les données à caractère personnel susvisées sont obtenues directement auprès des personnes concernées ainsi que, dans le respect des dispositions légales conditionnant leur accès et leur utilisation:
1° pour ce qui concerne les données d'identification des personnes physiques concernées: auprès de l'autorité publique en charge du registre national des personnes physiques visé à l'article 2 de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques et auprès de l'autorité publique en charge des Registres Banque-carrefour visés à l'article 4, § 1er, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale;
2° pour ce qui concerne les données d'identification et les caractéristiques techniques des véhicules à moteur: auprès de l'autorité publique en charge de la gestion du répertoire-matricule des véhicules en application de l'article 8 de la loi du 19 mai 2010 portant création de la Banque-carrefour des véhicules ou, le cas échéant, auprès de l'autorité publique étrangère chargée de la gestion d'une base de données équivalente;
3° le cas échéant, pour ce qui concerne les données, en ce compris les données relatives à la santé au sens de l'article 4, 15), du RGPD, relatives à la situation de la personne qui ouvre le droit à la dérogation: auprès des autorités publiques chargées d'établir ou de reconnaître la situation ouvrant le droit à la dérogation.
Le Gouvernement peut préciser, pour chaque catégorie de donnée à caractère personnel susvisée, les données à caractère personnel visées, de même que les documents devant être apportés à l'appui des demandes de dérogation ou d'enregistrement.
§ 3. Sans préjudice des dispositions de l'article 3.2.19, l'application et le contrôle de la législation relative aux zones de basses émissions, de même que la constatation d'infractions, s'effectuent au moyen d'une reconnaissance des plaques d'immatriculation, avec ou sans appareils automatiques, fixes ou mobiles.
Les constatations fondées sur des preuves matérielles fournies par des appareils fonctionnant automatiquement en présence d'un agent qualifié font foi jusqu'à preuve du contraire lorsqu'il s'agit d'infractions aux articles 3.2.16 à 3.2.26, à l'article 3.4.1/1 et à leurs arrêtés d'exécution.
Les constatations fondées sur des preuves matérielles fournies par des appareils fonctionnant automatiquement en l'absence d'un agent qualifié font foi jusqu'à preuve du contraire lorsqu'il s'agit d'infractions aux articles 3.2.16 à 3.2.26, à l'article 3.4.1/1 et à leurs arrêtés d'exécution.
Lorsqu'une infraction a été constatée par des appareils fonctionnant automatiquement en l'absence d'agent qualifié, le procès-verbal en fait mention.
Par " agent qualifié ", on entend pour l'application du présent article:
1° les fonctionnaires chargés de surveiller le respect des articles 3.2.16 à 3.2.26, de l'article 3.4.1/1 et de leurs arrêtés d'exécution;
2° les officiers ou agents de la police judiciaire dans le cadre de l'exercice de leurs compétences;
3° les membres du cadre opérationnel de la police locale et fédérale dans le cadre de l'exercice de leurs compétences.
Le placement des appareils automatiques fixes est arrêté par décision du Gouvernement. Les appareils automatiques fixes sont installés aux points d'entrée des zones de basses émissions ainsi que dans les périmètres des zones de basses émissions.
L'utilisation d'appareils automatiques mobiles est autorisée dans tous les périmètres des zones de basses émissions. Le service désigné par le Gouvernement pour assurer le contrôle du respect des restrictions d'accès aux zones de basses émissions décide, selon les circonstances et les nécessités de contrôle, de la fréquence d'utilisation des appareils automatiques mobiles et des lieux où cette utilisation a lieu.
L'utilisation d'appareils automatiques est annoncée de la manière suivante:
1° pour les appareils automatiques fixes: par l'apposition sur, sous ou à proximité du panneau de signalisation F117 visé à l'article 71.2 de l'arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière et de l'usage de la voie publique ou sur, sous ou à proximité de l'appareil lorsqu'il s'agit d'un appareil qui est placé à l'intérieur des périmètres des zones de basses émissions, de la mention " caméra ANPR " ou d'un pictogramme visant à indiquer qu'une reconnaissance automatique des plaques d'immatriculation a lieu;
2° pour les appareils automatiques mobiles: par l'apposition, sur le véhicule à bord duquel est embarqué ou sur lequel est monté l'appareil automatique mobile, d'une mention ou d'un pictogramme analogues à ceux visés au 1°.
Les données collectées par ces appareils automatiques, à savoir la plaque d'immatriculation de tout véhicule circulant dans la zone de basses émissions et une photographie du véhicule sur lequel est apposée la plaque d'immatriculation, sont rapprochées avec les données visées au paragraphe 2, 1° à 3°, en vue de déterminer le respect ou le non-respect des restrictions d'accès aux zones de basses émissions arrêtées en application de l'article 3.2.16, § 1er, ainsi que de l'obligation d'enregistrement des véhicules visés à l'article 3.2.16, § 3.
§ 4. Sans préjudice de la conservation nécessaire pour le traitement à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherches scientifique ou historique ou à des fins statistiques dans le respect des exigences de l'article 89 du RGPD et de l'article 197 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel, les données à caractère personnel ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder un an après la prescription de toutes les actions qui relèvent de la compétence du service désigné par le Gouvernement et, le cas échéant, la cessation définitive des procédures et recours administratifs et judiciaires ainsi que du paiement intégral de tous les montants y liés.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, les données liées aux enregistrements des véhicules à moteur visés à l'article 3.2.16, § 3, visées au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°, sont conservées jusqu'à trois mois après l'expiration de la durée de validité des enregistrements en question, telle que déterminée par le Gouvernement.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, les données liées aux dérogations octroyées en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa 2, visées au paragraphe 2, aliéna 2, 1°, sont conservées jusqu'à trois mois après l'expiration de la validité de la dérogation, telle que déterminée par le Gouvernement.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, les données liées aux accès temporaires payants octroyés en application de l'article 3.2.16, § 5, visées au paragraphe 2, alinéa 1er, 3°, sont conservées jusqu'à trois mois après l'expiration de la période couverte par l'accès temporaire payant, telle que déterminée par le Gouvernement.
Les données collectées par les appareils automatiques de reconnaissance des plaques d'immatriculation sont conservées jusqu'à trois mois à compter du jour où le véhicule à moteur a circulé dans les zones de basses émissions, sauf lorsque ces données peuvent jouer un rôle substantiel pour prouver une infraction aux restrictions d'accès aux zones de basses émissions arrêtées par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 1er, ou à l'obligation d'enregistrement des véhicules visés à l'article 3.2.16, § 3, auquel cas le délai de conservation visé à l'alinéa 1er est applicable.
§ 5. Les données à caractère personnel visées aux paragraphes 2 et 3, alinéa 8, ne sont accessibles qu'aux services désignés par le Gouvernement pour assurer la mise en oeuvre du présent chapitre, à l'exclusion de l'article 3.2.27, et de l'article 3.4.1/1. Au sein de ces services, seuls les membres du personnel, statutaires ou contractuels, chargés des missions nécessaires à la réalisation des finalités visées au paragraphe 1er peuvent accéder aux données à caractère personnel susvisées, dans la mesure nécessaire à l'accomplissement de leurs missions.
Par dérogation à l'alinéa 1er, en vue d'un traitement ultérieur à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherches scientifique ou historique ou à des fins statistiques, les données visées aux paragraphes 2 et 3, alinéa 8, peuvent être communiquées à Bruxelles Environnement ou à une autre institution désignée par le Gouvernement, après anonymisation ou pseudonymisation préalable conformément aux exigences de l'article 89 du RGPD et de l'article 201 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel.]1
Wijzigingen
Art. 3.2.19. [1 § 1. Onverminderd de bevoegdheden toegekend aan de andere officieren of agenten van gerechtelijke politie en aan de leden van het operationeel kader van de lokale en federale politie, zijn de ambtenaren die belast zijn met het toezicht op de naleving van de artikelen 3.2.16 tot en met [2 3.2.26]2, artikel 3.4.1/1 en de uitvoeringsbesluiten ervan, voor wat betreft de voertuigen die zich op de openbare weg bevinden, statutaire of contractuele ambtenaren die aangeduid zijn door de Regering.
§ 2. De ambtenaren vermeld in § 1 hebben slechts de hoedanigheid van agent of officier van de gerechtelijke politie nadat ze de eed hebben afgelegd.
De formule van de af te leggen eed luidt als volgt : " Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen. ".
De Regering bepaalt de modaliteiten voor de eedaflegging, de wijze en de aanwervingsvoorwaarden voor de bovenvermelde ambtenaren.
§ 3. De ambtenaren bedoeld in § 1 moeten zich bekendmaken, op vraag, door een legitimatie- of verantwoordingsbewijs voor te leggen dat tenminste de naam, voornaam en foto van de titularis van het bewijs bevat, met de vermelding van de reglementering in uitvoering van welke zij handelen. Zij kunnen zich eveneens kenbaar maken door eventueel een uniform te dragen, waarvan de kenmerken en het verplicht karakter ervan bepaald worden door de Regering.
§ 4. Voor de toepassing van dit hoofdstuk, wordt onder de " in te vorderen bedragen " verstaan : de hierna vermelde schulden, in zoverre ze zeker, vaststaand en opeisbaar zijn :
1. de kosten ;
2. de toebehoren ;
3. de opdeciemen ;
4. de opcentiemen ;
5. de gewestelijke taksen ;
6. de boetes ;
7. interesten ;
8. elke andere schuld verschuldigd aan het Gewest.
§ 5. In het kader van de uitoefening van hun taken, zijn de ambtenaren bedoeld in § 1 bevoegd om :
1° instructies te geven aan de bestuurders en het verkeer te regelen, zoals bepaald in artikel 11 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, en met name aan de bestuurder het bevel te geven het voertuig tot stilstand te brengen ;
2° de nodige administratieve gegevens te laten voorleggen, te raadplegen en er een kopie van te nemen, zoals de wettelijk voorgeschreven documenten die de bestuurder van een voertuig in zijn bezit moet hebben en, in ruimere zin, alle documenten die nuttig zijn voor de identificatie van het voertuig, de bestuurder of de persoon op wiens naam het voertuig staat ingeschreven ;
3° informatie te verzamelen en controles uit te voeren middels het ondervragen van personen en middels het raadplegen van documenten en andere informatiedragers ;
4° de assistentie van de lokale en de federale politie te vorderen in het kader van controles ;
5° over te gaan tot vaststellingen door middel van audiovisuele middelen of vaste en mobiele automatische controletoestellen ;
6° over te gaan tot de onmiddellijke inning van de administratieve boete waarin voorzien in artikel 3.4.1/1 en desgevallend van de in te vorderen bedragen, de andere kosten, toebehoren, interesten, opdeciemen, opcentiemen, taksen of boetes die de gecontroleerde persoon nog verschuldigd zou zijn.
§ 6. In afwijking van artikel 3.2.21, in geval van controle op de openbare weg, betaalt de bestuurder van het voertuig bij overtreding van de wetgeving betreffende de lage-emissiezones, de boetes bedoeld in artikel 3.4.1/1 en de in te vorderen bedragen in handen van de ambtenaar vermeld in § 1.
Het proces-verbaal met de vaststelling van de overtreding wordt persoonlijk aan de overtreder overhandigd en desgevallend wordt een afschrift opgestuurd naar de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven of geregistreerd staat.
De Regering kan bij besluit preciezere betalingsmodaliteiten vastleggen.
In geen geval kan er overgegaan worden tot een onmiddellijke inning als de overtreder jonger is dan 18 jaar.
§ 7. Indien de bedragen vermeld in voorgaande paragraaf niet betaald worden op het ogenblik van de vaststelling van de overtreding, wordt het voertuig aangehaald door de ambtenaar bedoeld in artikel 3.2.19, totdat de verschuldigde bedragen betaald zijn.
Een door de bevoegde ambtenaar opgesteld proces-verbaal van aanhaling heeft bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.
In het kader van de aanhaling waarvan sprake in het eerste lid, kan de ambtenaar bedoeld in artikel 3.2.19 één of meerdere van de onderstaande maatregelen nemen :
- de inhouding van de boorddocumenten ;
- de inhouding van de vrachtbrief ;
- de plaatsing van een wielklem ;
- de afvoer van het voertuig in overtreding naar een stalplaats ;
- het parkeren van het voertuig.
Het aangehaalde voertuig mag niet verplaatst worden zonder de toelating van de door de Regering aangestelde contractuele of statutaire ambtena(a)r(en).
De eigenaar van het aangehaalde voertuig mag dit voertuig niet vervreemden zonder toelating van de door de Regering aangestelde contractuele of statutaire ambtena(a)r(en).
§ 8. Het risico en de eventuele kosten die voortvloeien uit de aanhaling zijn ten laste van de personen die de boete verschuldigd zijn zoals bepaald in artikel 3.2.18. De aanhaling wordt opgeheven na de betaling van de verschuldigde bedragen.
§ 9. De onmiddellijke betaling van de verschuldigde sommen dooft de mogelijkheid om de overtreder te beboeten, waarin voorzien door de procedure in artikel 3.2.21, uit. De betaler ontvangt bovendien een bewijs van onmiddellijke betaling.]1
§ 2. De ambtenaren vermeld in § 1 hebben slechts de hoedanigheid van agent of officier van de gerechtelijke politie nadat ze de eed hebben afgelegd.
De formule van de af te leggen eed luidt als volgt : " Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen. ".
De Regering bepaalt de modaliteiten voor de eedaflegging, de wijze en de aanwervingsvoorwaarden voor de bovenvermelde ambtenaren.
§ 3. De ambtenaren bedoeld in § 1 moeten zich bekendmaken, op vraag, door een legitimatie- of verantwoordingsbewijs voor te leggen dat tenminste de naam, voornaam en foto van de titularis van het bewijs bevat, met de vermelding van de reglementering in uitvoering van welke zij handelen. Zij kunnen zich eveneens kenbaar maken door eventueel een uniform te dragen, waarvan de kenmerken en het verplicht karakter ervan bepaald worden door de Regering.
§ 4. Voor de toepassing van dit hoofdstuk, wordt onder de " in te vorderen bedragen " verstaan : de hierna vermelde schulden, in zoverre ze zeker, vaststaand en opeisbaar zijn :
1. de kosten ;
2. de toebehoren ;
3. de opdeciemen ;
4. de opcentiemen ;
5. de gewestelijke taksen ;
6. de boetes ;
7. interesten ;
8. elke andere schuld verschuldigd aan het Gewest.
§ 5. In het kader van de uitoefening van hun taken, zijn de ambtenaren bedoeld in § 1 bevoegd om :
1° instructies te geven aan de bestuurders en het verkeer te regelen, zoals bepaald in artikel 11 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, en met name aan de bestuurder het bevel te geven het voertuig tot stilstand te brengen ;
2° de nodige administratieve gegevens te laten voorleggen, te raadplegen en er een kopie van te nemen, zoals de wettelijk voorgeschreven documenten die de bestuurder van een voertuig in zijn bezit moet hebben en, in ruimere zin, alle documenten die nuttig zijn voor de identificatie van het voertuig, de bestuurder of de persoon op wiens naam het voertuig staat ingeschreven ;
3° informatie te verzamelen en controles uit te voeren middels het ondervragen van personen en middels het raadplegen van documenten en andere informatiedragers ;
4° de assistentie van de lokale en de federale politie te vorderen in het kader van controles ;
5° over te gaan tot vaststellingen door middel van audiovisuele middelen of vaste en mobiele automatische controletoestellen ;
6° over te gaan tot de onmiddellijke inning van de administratieve boete waarin voorzien in artikel 3.4.1/1 en desgevallend van de in te vorderen bedragen, de andere kosten, toebehoren, interesten, opdeciemen, opcentiemen, taksen of boetes die de gecontroleerde persoon nog verschuldigd zou zijn.
§ 6. In afwijking van artikel 3.2.21, in geval van controle op de openbare weg, betaalt de bestuurder van het voertuig bij overtreding van de wetgeving betreffende de lage-emissiezones, de boetes bedoeld in artikel 3.4.1/1 en de in te vorderen bedragen in handen van de ambtenaar vermeld in § 1.
Het proces-verbaal met de vaststelling van de overtreding wordt persoonlijk aan de overtreder overhandigd en desgevallend wordt een afschrift opgestuurd naar de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven of geregistreerd staat.
De Regering kan bij besluit preciezere betalingsmodaliteiten vastleggen.
In geen geval kan er overgegaan worden tot een onmiddellijke inning als de overtreder jonger is dan 18 jaar.
§ 7. Indien de bedragen vermeld in voorgaande paragraaf niet betaald worden op het ogenblik van de vaststelling van de overtreding, wordt het voertuig aangehaald door de ambtenaar bedoeld in artikel 3.2.19, totdat de verschuldigde bedragen betaald zijn.
Een door de bevoegde ambtenaar opgesteld proces-verbaal van aanhaling heeft bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.
In het kader van de aanhaling waarvan sprake in het eerste lid, kan de ambtenaar bedoeld in artikel 3.2.19 één of meerdere van de onderstaande maatregelen nemen :
- de inhouding van de boorddocumenten ;
- de inhouding van de vrachtbrief ;
- de plaatsing van een wielklem ;
- de afvoer van het voertuig in overtreding naar een stalplaats ;
- het parkeren van het voertuig.
Het aangehaalde voertuig mag niet verplaatst worden zonder de toelating van de door de Regering aangestelde contractuele of statutaire ambtena(a)r(en).
De eigenaar van het aangehaalde voertuig mag dit voertuig niet vervreemden zonder toelating van de door de Regering aangestelde contractuele of statutaire ambtena(a)r(en).
§ 8. Het risico en de eventuele kosten die voortvloeien uit de aanhaling zijn ten laste van de personen die de boete verschuldigd zijn zoals bepaald in artikel 3.2.18. De aanhaling wordt opgeheven na de betaling van de verschuldigde bedragen.
§ 9. De onmiddellijke betaling van de verschuldigde sommen dooft de mogelijkheid om de overtreder te beboeten, waarin voorzien door de procedure in artikel 3.2.21, uit. De betaler ontvangt bovendien een bewijs van onmiddellijke betaling.]1
Art. 3.2.17 /1. [1 § 1er. Avant l'entrée en vigueur d'un nouveau jalon de la zone à basses émissions, le service, agissant en qualité de responsable du traitement au sens de l'article 4,7, du RGPD, désigné par le Gouvernement pour l'exécution des missions visées au présent article, peut informer de l'interdiction imminente les propriétaires des véhicules qui ne répondront plus aux critères d'accès, tels que déterminés par le Gouvernement.
§ 2. Les données à caractère personnel suivantes seront traitées à cette fin:
1° les données d'identification du propriétaire du véhicule concerné; et, le cas échéant, y compris le numéro de registre national visé à l'article 2, § 3, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques et le numéro d'identification visé à l'article 4, § 2, alinéa 3, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale;
2° la plaque d'immatriculation et les caractéristiques techniques relatives à l'émission de polluants atmosphériques telles que déterminées par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa1er, du véhicule à moteur en question.
§ 3. Les données personnelles susmentionnées sont obtenues en respectant les dispositions légales régissant leur accès et leur utilisation:
1° en ce qui concerne les données d'identification des personnes physiques concernées: auprès de l'autorité publique en charge du registre national des personnes physiques visé à l'article 2 de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques et auprès de l'autorité publique en charge des Registres de la Banque-carrefour visée à l'article 4, § 1er, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale;
2° en ce qui concerne les données d'identification et les caractéristiques techniques des véhicules à moteur: auprès de l'autorité publique chargée de la gestion du registre des véhicules en application de l'article 8 de la loi du 19 mai 2010 portant création de la Banque-carrefour des véhicules, le cas échéant, auprès de l'autorité étrangère chargée de gérer une base de données comparable.
§ 4. Ces données peuvent être conservées pendant un mois au maximum jusqu'à l'entrée en vigueur d'un nouveau jalon, tel que déterminé par le Gouvernement.
§ 5. Le Gouvernement peut préciser davantage les modalités par rapport à la fourniture d'information aux propriétaires de véhicules et à l'utilisation des données personnelles.]1
§ 2. Les données à caractère personnel suivantes seront traitées à cette fin:
1° les données d'identification du propriétaire du véhicule concerné; et, le cas échéant, y compris le numéro de registre national visé à l'article 2, § 3, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques et le numéro d'identification visé à l'article 4, § 2, alinéa 3, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale;
2° la plaque d'immatriculation et les caractéristiques techniques relatives à l'émission de polluants atmosphériques telles que déterminées par le Gouvernement en application de l'article 3.2.16, § 2, alinéa1er, du véhicule à moteur en question.
§ 3. Les données personnelles susmentionnées sont obtenues en respectant les dispositions légales régissant leur accès et leur utilisation:
1° en ce qui concerne les données d'identification des personnes physiques concernées: auprès de l'autorité publique en charge du registre national des personnes physiques visé à l'article 2 de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques et auprès de l'autorité publique en charge des Registres de la Banque-carrefour visée à l'article 4, § 1er, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale;
2° en ce qui concerne les données d'identification et les caractéristiques techniques des véhicules à moteur: auprès de l'autorité publique chargée de la gestion du registre des véhicules en application de l'article 8 de la loi du 19 mai 2010 portant création de la Banque-carrefour des véhicules, le cas échéant, auprès de l'autorité étrangère chargée de gérer une base de données comparable.
§ 4. Ces données peuvent être conservées pendant un mois au maximum jusqu'à l'entrée en vigueur d'un nouveau jalon, tel que déterminé par le Gouvernement.
§ 5. Le Gouvernement peut préciser davantage les modalités par rapport à la fourniture d'information aux propriétaires de véhicules et à l'utilisation des données personnelles.]1
Art. 3.2.20. [1 § 1. De krachtens artikel 3.2.19, § 1 aangestelde ambtenaren zijn gemachtigd om door alle middelen van recht, getuigenissen en vermoedens inbegrepen, maar met uitzondering van de eed, en door de processen-verbaal die ze opstellen, elke overtreding van de artikelen 3.2.16 tot en met [2 3.2.26]2, artikel 3.4.1/1 en de uitvoeringsbesluiten ervan vast te stellen, evenals elk feit dat de verschuldigdheid van de in te vorderen bedragen vaststelt of bijdraagt tot de vaststelling ervan.
§ 2. Elke inlichting, elk stuk, elk proces-verbaal of elke akte door de ambtenaren bedoeld in § 1 verkregen in de uitoefening van hun functie, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van één van de administratieve diensten, instellingen van publiekrechtelijke aard, vennootschappen van publiek recht, organisaties die van het Gewest afhangen of administratieve diensten van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies van alle rechtscolleges, van de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies of gemeenten, kan worden ingeroepen voor het onderzoek naar elk feit dat voormelde verschuldigdheid vaststelt of bijdraagt tot de vaststelling daarvan.
§ 3. De bestuursdiensten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, evenals de openbare instellingen en organisaties die ervan afhangen, zijn gehouden om, wanneer zij daartoe worden aangezocht door een door de Regering aangeduide ambtenaar, hem alle in hun bezit zijnde inlichtingen te verstrekken, hem zonder verplaatsing, alle akten, stukken, registers en allerhande documenten te verstrekken en om hem alle inlichtingen in te laten winnen of afschriften of uittreksels te laten nemen die hij noodzakelijk acht om de vestiging of de inning te verzekeren van de in § 1 vermelde bedragen.
Onder " openbare instellingen " of " organisaties " dient te worden verstaan : de instellingen, vennootschappen, verenigingen, inrichtingen en diensten van de administratie welke het Brussels Hoofdstedelijk Gewest medebeheert, waaraan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een waarborg verstrekt, op wier werkzaamheden het Brussels Hoofdstedelijk Gewest toezicht uitoefent of waarvan het leidinggevend personeel aangesteld wordt door de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, op haar voordracht of met haar goedkeuring.
De verplichtingen opgenomen in deze paragraaf gelden ook voor de agglomeratie, de federaties van gemeenten en de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.]1
§ 2. Elke inlichting, elk stuk, elk proces-verbaal of elke akte door de ambtenaren bedoeld in § 1 verkregen in de uitoefening van hun functie, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van één van de administratieve diensten, instellingen van publiekrechtelijke aard, vennootschappen van publiek recht, organisaties die van het Gewest afhangen of administratieve diensten van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies van alle rechtscolleges, van de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies of gemeenten, kan worden ingeroepen voor het onderzoek naar elk feit dat voormelde verschuldigdheid vaststelt of bijdraagt tot de vaststelling daarvan.
§ 3. De bestuursdiensten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, evenals de openbare instellingen en organisaties die ervan afhangen, zijn gehouden om, wanneer zij daartoe worden aangezocht door een door de Regering aangeduide ambtenaar, hem alle in hun bezit zijnde inlichtingen te verstrekken, hem zonder verplaatsing, alle akten, stukken, registers en allerhande documenten te verstrekken en om hem alle inlichtingen in te laten winnen of afschriften of uittreksels te laten nemen die hij noodzakelijk acht om de vestiging of de inning te verzekeren van de in § 1 vermelde bedragen.
Onder " openbare instellingen " of " organisaties " dient te worden verstaan : de instellingen, vennootschappen, verenigingen, inrichtingen en diensten van de administratie welke het Brussels Hoofdstedelijk Gewest medebeheert, waaraan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een waarborg verstrekt, op wier werkzaamheden het Brussels Hoofdstedelijk Gewest toezicht uitoefent of waarvan het leidinggevend personeel aangesteld wordt door de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, op haar voordracht of met haar goedkeuring.
De verplichtingen opgenomen in deze paragraaf gelden ook voor de agglomeratie, de federaties van gemeenten en de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.]1
Art. 3.2.19. [1 § 1er. Sans préjudice des pouvoirs conférés aux autres officiers ou agents de police judiciaire et aux membres du cadre opérationnel de la police locale et fédérale, les fonctionnaires chargés de veiller au respect des articles 3.2.16 à [2 3.2.26]2, de l'article 3.4.1/1 et de leurs arrêtés d'exécution, en ce qui concerne les véhicules qui se trouvent sur la voie publique, sont des fonctionnaires statutaires ou contractuels désignés par le Gouvernement.
§ 2. Les fonctionnaires visés au § 1er n'ont la qualité d'agent ou d'officier de la police judiciaire qu'après prestation de serment.
La formule du serment à prêter est la suivante : " Je jure de respecter fidèlement les obligations de ma fonction. ".
Le Gouvernement détermine les modalités de la prestation de serment, le mode et les critères de recrutement des fonctionnaires susmentionnés.
§ 3. Les fonctionnaires visés au § 1er se font connaitre en présentant, sur demande, une pièce de légitimation ou de justification comprenant au moins les nom, prénom, et la photographie du titulaire de la pièce, avec la mention de la règlementation en exécution de laquelle ils agissent, ainsi qu'en portant éventuellement un uniforme, dont les caractéristiques et l'obligation du port sont à déterminer par le Gouvernement.
§ 4. Pour l'application du présent chapitre, on entend par " montants à recouvrer " les dettes mentionnées ci-dessous, dans la mesure où elles sont certaines, définitives et exigibles :
1. les frais ;
2. ses accessoires ;
3. les décimes additionnels ;
4. les centimes additionnels ;
5. les taxes régionales ;
6. les amendes ;
7. des intérêts ;
8. toute autre dette due à la Région.
§ 5. Dans le cadre de l'exercice de leurs tâches, les fonctionnaires visés au § 1er sont habilités à :
1° donner des injonctions aux conducteurs et régler la circulation, comme stipulé à l'article 11 de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière, notamment donner l'ordre au conducteur d'arrêter le véhicule ;
2° se faire présenter, consulter et prendre une copie des données administratives nécessaires, telles les documents légalement prescrits qui doivent être en possession du conducteur d'un véhicule, et plus largement tous les documents utiles à l'identification du véhicule, du conducteur ou de la personne au nom de laquelle le véhicule est inscrit ;
3° recueillir des informations et effectuer des contrôles en interrogeant des personnes et en consultant des documents et autres supports d'information ;
4° requérir l'assistance de la police locale et fédérale dans le cadre de contrôles ;
5° procéder à des constatations à l'aide de moyens audiovisuels ou de dispositifs automatisés de contrôle fixes et mobiles ;
6° procéder à la perception immédiate de l'amende administrative prévue à l'article 3.4.1/1 et, le cas échéant, des montants à recouvrer, des autres frais, accessoires, intérêts, décimes additionnels, centimes additionnels, taxes ou amendes dont la personne contrôlée serait redevable.
§ 6. Par dérogation à l'article 3.2.21, en cas de contrôle sur la voie publique, le conducteur du véhicule en infraction à la législation sur les zones de basses émissions acquitte entre les mains du fonctionnaire visé au § 1er, les amendes visées à l'article 3.4.1/1 et les montants à recouvrer.
Le procès-verbal de constat d'infraction est remis en main propre au contrevenant et, le cas échéant, envoyé pour copie à la personne au nom de laquelle le véhicule est inscrit ou immatriculé.
Le Gouvernement peut déterminer, par arrêté, des modalités de paiement plus précises.
En aucun cas, il ne pourra être procédé au recouvrement immédiat si le contrevenant est âgé de moins de 18 ans.
§ 7. A défaut de paiement des sommes visées au paragraphe précédent, au moment de la constatation de l'infraction, le véhicule est retenu par le fonctionnaire visé à l'article 3.2.19, jusqu'au paiement des sommes dues.
Un procès-verbal de retenue établi par le fonctionnaire compétent a force probante jusqu'à preuve du contraire.
Dans le cadre de la retenue visée au premier alinéa, le fonctionnaire visé à l'article 3.2.19 peut prendre une ou plusieurs des mesures ci-dessous :
- la retenue des documents de bord ;
- la retenue de la lettre de voiture ;
- le placement d'un sabot ;
- l'enlèvement du véhicule en infraction vers un lieu d'entreposage ;
- le stationnement du véhicule.
Le véhicule retenu ne peut être déplacé sans l'autorisation du ou des fonctionnaire(s) contractuel(s) ou statutaire(s) désigné(s) par le Gouvernement.
Le propriétaire du véhicule retenu ne peut aliéner ce véhicule sans l'autorisation du ou des fonctionnaire(s) contractuel(s) ou statutaire(s) désigné(s) par le Gouvernement.
§ 8. Le risque et les frais éventuels résultant de la retenue sont à charge des redevables visés à l'article 3.2.18. La retenue est levée après le paiement de toutes les sommes dues.
§ 9. Le paiement immédiat des sommes dues éteint la possibilité d'infliger au contrevenant une amende administrative conformément à la procédure visée à l'article 3.2.21. Le payeur recevra également une preuve de son paiement immédiat.]1
§ 2. Les fonctionnaires visés au § 1er n'ont la qualité d'agent ou d'officier de la police judiciaire qu'après prestation de serment.
La formule du serment à prêter est la suivante : " Je jure de respecter fidèlement les obligations de ma fonction. ".
Le Gouvernement détermine les modalités de la prestation de serment, le mode et les critères de recrutement des fonctionnaires susmentionnés.
§ 3. Les fonctionnaires visés au § 1er se font connaitre en présentant, sur demande, une pièce de légitimation ou de justification comprenant au moins les nom, prénom, et la photographie du titulaire de la pièce, avec la mention de la règlementation en exécution de laquelle ils agissent, ainsi qu'en portant éventuellement un uniforme, dont les caractéristiques et l'obligation du port sont à déterminer par le Gouvernement.
§ 4. Pour l'application du présent chapitre, on entend par " montants à recouvrer " les dettes mentionnées ci-dessous, dans la mesure où elles sont certaines, définitives et exigibles :
1. les frais ;
2. ses accessoires ;
3. les décimes additionnels ;
4. les centimes additionnels ;
5. les taxes régionales ;
6. les amendes ;
7. des intérêts ;
8. toute autre dette due à la Région.
§ 5. Dans le cadre de l'exercice de leurs tâches, les fonctionnaires visés au § 1er sont habilités à :
1° donner des injonctions aux conducteurs et régler la circulation, comme stipulé à l'article 11 de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière, notamment donner l'ordre au conducteur d'arrêter le véhicule ;
2° se faire présenter, consulter et prendre une copie des données administratives nécessaires, telles les documents légalement prescrits qui doivent être en possession du conducteur d'un véhicule, et plus largement tous les documents utiles à l'identification du véhicule, du conducteur ou de la personne au nom de laquelle le véhicule est inscrit ;
3° recueillir des informations et effectuer des contrôles en interrogeant des personnes et en consultant des documents et autres supports d'information ;
4° requérir l'assistance de la police locale et fédérale dans le cadre de contrôles ;
5° procéder à des constatations à l'aide de moyens audiovisuels ou de dispositifs automatisés de contrôle fixes et mobiles ;
6° procéder à la perception immédiate de l'amende administrative prévue à l'article 3.4.1/1 et, le cas échéant, des montants à recouvrer, des autres frais, accessoires, intérêts, décimes additionnels, centimes additionnels, taxes ou amendes dont la personne contrôlée serait redevable.
§ 6. Par dérogation à l'article 3.2.21, en cas de contrôle sur la voie publique, le conducteur du véhicule en infraction à la législation sur les zones de basses émissions acquitte entre les mains du fonctionnaire visé au § 1er, les amendes visées à l'article 3.4.1/1 et les montants à recouvrer.
Le procès-verbal de constat d'infraction est remis en main propre au contrevenant et, le cas échéant, envoyé pour copie à la personne au nom de laquelle le véhicule est inscrit ou immatriculé.
Le Gouvernement peut déterminer, par arrêté, des modalités de paiement plus précises.
En aucun cas, il ne pourra être procédé au recouvrement immédiat si le contrevenant est âgé de moins de 18 ans.
§ 7. A défaut de paiement des sommes visées au paragraphe précédent, au moment de la constatation de l'infraction, le véhicule est retenu par le fonctionnaire visé à l'article 3.2.19, jusqu'au paiement des sommes dues.
Un procès-verbal de retenue établi par le fonctionnaire compétent a force probante jusqu'à preuve du contraire.
Dans le cadre de la retenue visée au premier alinéa, le fonctionnaire visé à l'article 3.2.19 peut prendre une ou plusieurs des mesures ci-dessous :
- la retenue des documents de bord ;
- la retenue de la lettre de voiture ;
- le placement d'un sabot ;
- l'enlèvement du véhicule en infraction vers un lieu d'entreposage ;
- le stationnement du véhicule.
Le véhicule retenu ne peut être déplacé sans l'autorisation du ou des fonctionnaire(s) contractuel(s) ou statutaire(s) désigné(s) par le Gouvernement.
Le propriétaire du véhicule retenu ne peut aliéner ce véhicule sans l'autorisation du ou des fonctionnaire(s) contractuel(s) ou statutaire(s) désigné(s) par le Gouvernement.
§ 8. Le risque et les frais éventuels résultant de la retenue sont à charge des redevables visés à l'article 3.2.18. La retenue est levée après le paiement de toutes les sommes dues.
§ 9. Le paiement immédiat des sommes dues éteint la possibilité d'infliger au contrevenant une amende administrative conformément à la procédure visée à l'article 3.2.21. Le payeur recevra également une preuve de son paiement immédiat.]1
Art. 3.2.19. [1 § 1. Onverminderd de bevoegdheden toegekend aan de andere officieren of agenten van gerechtelijke politie en aan de leden van het operationeel kader van de lokale en federale politie, zijn de ambtenaren die belast zijn met het toezicht op de naleving van de artikelen 3.2.16 tot en met [2 3.2.26]2, artikel 3.4.1/1 en de uitvoeringsbesluiten ervan, voor wat betreft de voertuigen die zich op de openbare weg bevinden, statutaire of contractuele ambtenaren die aangeduid zijn door de Regering.
§ 2. De ambtenaren vermeld in § 1 hebben slechts de hoedanigheid van agent of officier van de gerechtelijke politie nadat ze de eed hebben afgelegd.
De formule van de af te leggen eed luidt als volgt : " Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen. ".
De Regering bepaalt de modaliteiten voor de eedaflegging, de wijze en de aanwervingsvoorwaarden voor de bovenvermelde ambtenaren.
§ 3. De ambtenaren bedoeld in § 1 moeten zich bekendmaken, op vraag, door een legitimatie- of verantwoordingsbewijs voor te leggen dat tenminste de naam, voornaam en foto van de titularis van het bewijs bevat, met de vermelding van de reglementering in uitvoering van welke zij handelen. Zij kunnen zich eveneens kenbaar maken door eventueel een uniform te dragen, waarvan de kenmerken en het verplicht karakter ervan bepaald worden door de Regering.
§ 4. Voor de toepassing van dit hoofdstuk, wordt onder de " in te vorderen bedragen " verstaan : de hierna vermelde schulden, in zoverre ze zeker, vaststaand en opeisbaar zijn :
1. de kosten ;
2. de toebehoren ;
3. de opdeciemen ;
4. de opcentiemen ;
5. de gewestelijke taksen ;
6. de boetes ;
7. interesten ;
8. elke andere schuld verschuldigd aan het Gewest.
§ 5. In het kader van de uitoefening van hun taken, zijn de ambtenaren bedoeld in § 1 bevoegd om :
1° instructies te geven aan de bestuurders en het verkeer te regelen, zoals bepaald in artikel 11 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, en met name aan de bestuurder het bevel te geven het voertuig tot stilstand te brengen ;
2° de nodige administratieve gegevens te laten voorleggen, te raadplegen en er een kopie van te nemen, zoals de wettelijk voorgeschreven documenten die de bestuurder van een voertuig in zijn bezit moet hebben en, in ruimere zin, alle documenten die nuttig zijn voor de identificatie van het voertuig, de bestuurder of de persoon op wiens naam het voertuig staat ingeschreven ;
3° informatie te verzamelen en controles uit te voeren middels het ondervragen van personen en middels het raadplegen van documenten en andere informatiedragers ;
4° de assistentie van de lokale en de federale politie te vorderen in het kader van controles ;
5° over te gaan tot vaststellingen door middel van audiovisuele middelen of vaste en mobiele automatische controletoestellen ;
6° over te gaan tot de onmiddellijke inning van de administratieve boete waarin voorzien in artikel 3.4.1/1 en desgevallend van de in te vorderen bedragen, de andere kosten, toebehoren, interesten, opdeciemen, opcentiemen, taksen of boetes die de gecontroleerde persoon nog verschuldigd zou zijn.
§ 6. In afwijking van artikel 3.2.21, in geval van controle op de openbare weg, betaalt de bestuurder van het voertuig bij overtreding van de wetgeving betreffende de lage-emissiezones, de boetes bedoeld in artikel 3.4.1/1 en de in te vorderen bedragen in handen van de ambtenaar vermeld in § 1.
Het proces-verbaal met de vaststelling van de overtreding wordt persoonlijk aan de overtreder overhandigd en desgevallend wordt een afschrift opgestuurd naar de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven of geregistreerd staat.
De Regering kan bij besluit preciezere betalingsmodaliteiten vastleggen.
In geen geval kan er overgegaan worden tot een onmiddellijke inning als de overtreder jonger is dan 18 jaar.
§ 7. Indien de bedragen vermeld in voorgaande paragraaf niet betaald worden op het ogenblik van de vaststelling van de overtreding, wordt het voertuig aangehaald door de ambtenaar bedoeld in artikel 3.2.19, totdat de verschuldigde bedragen betaald zijn.
Een door de bevoegde ambtenaar opgesteld proces-verbaal van aanhaling heeft bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.
In het kader van de aanhaling waarvan sprake in het eerste lid, kan de ambtenaar bedoeld in artikel 3.2.19 één of meerdere van de onderstaande maatregelen nemen :
- de inhouding van de boorddocumenten ;
- de inhouding van de vrachtbrief ;
- de plaatsing van een wielklem ;
- de afvoer van het voertuig in overtreding naar een stalplaats ;
- het parkeren van het voertuig.
Het aangehaalde voertuig mag niet verplaatst worden zonder de toelating van de door de Regering aangestelde contractuele of statutaire ambtena(a)r(en).
De eigenaar van het aangehaalde voertuig mag dit voertuig niet vervreemden zonder toelating van de door de Regering aangestelde contractuele of statutaire ambtena(a)r(en).
§ 8. Het risico en de eventuele kosten die voortvloeien uit de aanhaling zijn ten laste van de personen die de boete verschuldigd zijn zoals bepaald in artikel 3.2.18. De aanhaling wordt opgeheven na de betaling van de verschuldigde bedragen.
§ 9. De onmiddellijke betaling van de verschuldigde sommen dooft de mogelijkheid om de overtreder te beboeten, waarin voorzien door de procedure in artikel 3.2.21, uit. De betaler ontvangt bovendien een bewijs van onmiddellijke betaling.]1
§ 2. De ambtenaren vermeld in § 1 hebben slechts de hoedanigheid van agent of officier van de gerechtelijke politie nadat ze de eed hebben afgelegd.
De formule van de af te leggen eed luidt als volgt : " Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen. ".
De Regering bepaalt de modaliteiten voor de eedaflegging, de wijze en de aanwervingsvoorwaarden voor de bovenvermelde ambtenaren.
§ 3. De ambtenaren bedoeld in § 1 moeten zich bekendmaken, op vraag, door een legitimatie- of verantwoordingsbewijs voor te leggen dat tenminste de naam, voornaam en foto van de titularis van het bewijs bevat, met de vermelding van de reglementering in uitvoering van welke zij handelen. Zij kunnen zich eveneens kenbaar maken door eventueel een uniform te dragen, waarvan de kenmerken en het verplicht karakter ervan bepaald worden door de Regering.
§ 4. Voor de toepassing van dit hoofdstuk, wordt onder de " in te vorderen bedragen " verstaan : de hierna vermelde schulden, in zoverre ze zeker, vaststaand en opeisbaar zijn :
1. de kosten ;
2. de toebehoren ;
3. de opdeciemen ;
4. de opcentiemen ;
5. de gewestelijke taksen ;
6. de boetes ;
7. interesten ;
8. elke andere schuld verschuldigd aan het Gewest.
§ 5. In het kader van de uitoefening van hun taken, zijn de ambtenaren bedoeld in § 1 bevoegd om :
1° instructies te geven aan de bestuurders en het verkeer te regelen, zoals bepaald in artikel 11 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, en met name aan de bestuurder het bevel te geven het voertuig tot stilstand te brengen ;
2° de nodige administratieve gegevens te laten voorleggen, te raadplegen en er een kopie van te nemen, zoals de wettelijk voorgeschreven documenten die de bestuurder van een voertuig in zijn bezit moet hebben en, in ruimere zin, alle documenten die nuttig zijn voor de identificatie van het voertuig, de bestuurder of de persoon op wiens naam het voertuig staat ingeschreven ;
3° informatie te verzamelen en controles uit te voeren middels het ondervragen van personen en middels het raadplegen van documenten en andere informatiedragers ;
4° de assistentie van de lokale en de federale politie te vorderen in het kader van controles ;
5° over te gaan tot vaststellingen door middel van audiovisuele middelen of vaste en mobiele automatische controletoestellen ;
6° over te gaan tot de onmiddellijke inning van de administratieve boete waarin voorzien in artikel 3.4.1/1 en desgevallend van de in te vorderen bedragen, de andere kosten, toebehoren, interesten, opdeciemen, opcentiemen, taksen of boetes die de gecontroleerde persoon nog verschuldigd zou zijn.
§ 6. In afwijking van artikel 3.2.21, in geval van controle op de openbare weg, betaalt de bestuurder van het voertuig bij overtreding van de wetgeving betreffende de lage-emissiezones, de boetes bedoeld in artikel 3.4.1/1 en de in te vorderen bedragen in handen van de ambtenaar vermeld in § 1.
Het proces-verbaal met de vaststelling van de overtreding wordt persoonlijk aan de overtreder overhandigd en desgevallend wordt een afschrift opgestuurd naar de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven of geregistreerd staat.
De Regering kan bij besluit preciezere betalingsmodaliteiten vastleggen.
In geen geval kan er overgegaan worden tot een onmiddellijke inning als de overtreder jonger is dan 18 jaar.
§ 7. Indien de bedragen vermeld in voorgaande paragraaf niet betaald worden op het ogenblik van de vaststelling van de overtreding, wordt het voertuig aangehaald door de ambtenaar bedoeld in artikel 3.2.19, totdat de verschuldigde bedragen betaald zijn.
Een door de bevoegde ambtenaar opgesteld proces-verbaal van aanhaling heeft bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.
In het kader van de aanhaling waarvan sprake in het eerste lid, kan de ambtenaar bedoeld in artikel 3.2.19 één of meerdere van de onderstaande maatregelen nemen :
- de inhouding van de boorddocumenten ;
- de inhouding van de vrachtbrief ;
- de plaatsing van een wielklem ;
- de afvoer van het voertuig in overtreding naar een stalplaats ;
- het parkeren van het voertuig.
Het aangehaalde voertuig mag niet verplaatst worden zonder de toelating van de door de Regering aangestelde contractuele of statutaire ambtena(a)r(en).
De eigenaar van het aangehaalde voertuig mag dit voertuig niet vervreemden zonder toelating van de door de Regering aangestelde contractuele of statutaire ambtena(a)r(en).
§ 8. Het risico en de eventuele kosten die voortvloeien uit de aanhaling zijn ten laste van de personen die de boete verschuldigd zijn zoals bepaald in artikel 3.2.18. De aanhaling wordt opgeheven na de betaling van de verschuldigde bedragen.
§ 9. De onmiddellijke betaling van de verschuldigde sommen dooft de mogelijkheid om de overtreder te beboeten, waarin voorzien door de procedure in artikel 3.2.21, uit. De betaler ontvangt bovendien een bewijs van onmiddellijke betaling.]1
Art. 3.2.19. [1 § 1er. Sans préjudice des pouvoirs conférés aux autres officiers ou agents de police judiciaire et aux membres du cadre opérationnel de la police locale et fédérale, les fonctionnaires chargés de veiller au respect des articles 3.2.16 à [2 3.2.26]2, de l'article 3.4.1/1 et de leurs arrêtés d'exécution, en ce qui concerne les véhicules qui se trouvent sur la voie publique, sont des fonctionnaires statutaires ou contractuels désignés par le Gouvernement.
§ 2. Les fonctionnaires visés au § 1er n'ont la qualité d'agent ou d'officier de la police judiciaire qu'après prestation de serment.
La formule du serment à prêter est la suivante : " Je jure de respecter fidèlement les obligations de ma fonction. ".
Le Gouvernement détermine les modalités de la prestation de serment, le mode et les critères de recrutement des fonctionnaires susmentionnés.
§ 3. Les fonctionnaires visés au § 1er se font connaitre en présentant, sur demande, une pièce de légitimation ou de justification comprenant au moins les nom, prénom, et la photographie du titulaire de la pièce, avec la mention de la règlementation en exécution de laquelle ils agissent, ainsi qu'en portant éventuellement un uniforme, dont les caractéristiques et l'obligation du port sont à déterminer par le Gouvernement.
§ 4. Pour l'application du présent chapitre, on entend par " montants à recouvrer " les dettes mentionnées ci-dessous, dans la mesure où elles sont certaines, définitives et exigibles :
1. les frais ;
2. ses accessoires ;
3. les décimes additionnels ;
4. les centimes additionnels ;
5. les taxes régionales ;
6. les amendes ;
7. des intérêts ;
8. toute autre dette due à la Région.
§ 5. Dans le cadre de l'exercice de leurs tâches, les fonctionnaires visés au § 1er sont habilités à :
1° donner des injonctions aux conducteurs et régler la circulation, comme stipulé à l'article 11 de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière, notamment donner l'ordre au conducteur d'arrêter le véhicule ;
2° se faire présenter, consulter et prendre une copie des données administratives nécessaires, telles les documents légalement prescrits qui doivent être en possession du conducteur d'un véhicule, et plus largement tous les documents utiles à l'identification du véhicule, du conducteur ou de la personne au nom de laquelle le véhicule est inscrit ;
3° recueillir des informations et effectuer des contrôles en interrogeant des personnes et en consultant des documents et autres supports d'information ;
4° requérir l'assistance de la police locale et fédérale dans le cadre de contrôles ;
5° procéder à des constatations à l'aide de moyens audiovisuels ou de dispositifs automatisés de contrôle fixes et mobiles ;
6° procéder à la perception immédiate de l'amende administrative prévue à l'article 3.4.1/1 et, le cas échéant, des montants à recouvrer, des autres frais, accessoires, intérêts, décimes additionnels, centimes additionnels, taxes ou amendes dont la personne contrôlée serait redevable.
§ 6. Par dérogation à l'article 3.2.21, en cas de contrôle sur la voie publique, le conducteur du véhicule en infraction à la législation sur les zones de basses émissions acquitte entre les mains du fonctionnaire visé au § 1er, les amendes visées à l'article 3.4.1/1 et les montants à recouvrer.
Le procès-verbal de constat d'infraction est remis en main propre au contrevenant et, le cas échéant, envoyé pour copie à la personne au nom de laquelle le véhicule est inscrit ou immatriculé.
Le Gouvernement peut déterminer, par arrêté, des modalités de paiement plus précises.
En aucun cas, il ne pourra être procédé au recouvrement immédiat si le contrevenant est âgé de moins de 18 ans.
§ 7. A défaut de paiement des sommes visées au paragraphe précédent, au moment de la constatation de l'infraction, le véhicule est retenu par le fonctionnaire visé à l'article 3.2.19, jusqu'au paiement des sommes dues.
Un procès-verbal de retenue établi par le fonctionnaire compétent a force probante jusqu'à preuve du contraire.
Dans le cadre de la retenue visée au premier alinéa, le fonctionnaire visé à l'article 3.2.19 peut prendre une ou plusieurs des mesures ci-dessous :
- la retenue des documents de bord ;
- la retenue de la lettre de voiture ;
- le placement d'un sabot ;
- l'enlèvement du véhicule en infraction vers un lieu d'entreposage ;
- le stationnement du véhicule.
Le véhicule retenu ne peut être déplacé sans l'autorisation du ou des fonctionnaire(s) contractuel(s) ou statutaire(s) désigné(s) par le Gouvernement.
Le propriétaire du véhicule retenu ne peut aliéner ce véhicule sans l'autorisation du ou des fonctionnaire(s) contractuel(s) ou statutaire(s) désigné(s) par le Gouvernement.
§ 8. Le risque et les frais éventuels résultant de la retenue sont à charge des redevables visés à l'article 3.2.18. La retenue est levée après le paiement de toutes les sommes dues.
§ 9. Le paiement immédiat des sommes dues éteint la possibilité d'infliger au contrevenant une amende administrative conformément à la procédure visée à l'article 3.2.21. Le payeur recevra également une preuve de son paiement immédiat.]1
§ 2. Les fonctionnaires visés au § 1er n'ont la qualité d'agent ou d'officier de la police judiciaire qu'après prestation de serment.
La formule du serment à prêter est la suivante : " Je jure de respecter fidèlement les obligations de ma fonction. ".
Le Gouvernement détermine les modalités de la prestation de serment, le mode et les critères de recrutement des fonctionnaires susmentionnés.
§ 3. Les fonctionnaires visés au § 1er se font connaitre en présentant, sur demande, une pièce de légitimation ou de justification comprenant au moins les nom, prénom, et la photographie du titulaire de la pièce, avec la mention de la règlementation en exécution de laquelle ils agissent, ainsi qu'en portant éventuellement un uniforme, dont les caractéristiques et l'obligation du port sont à déterminer par le Gouvernement.
§ 4. Pour l'application du présent chapitre, on entend par " montants à recouvrer " les dettes mentionnées ci-dessous, dans la mesure où elles sont certaines, définitives et exigibles :
1. les frais ;
2. ses accessoires ;
3. les décimes additionnels ;
4. les centimes additionnels ;
5. les taxes régionales ;
6. les amendes ;
7. des intérêts ;
8. toute autre dette due à la Région.
§ 5. Dans le cadre de l'exercice de leurs tâches, les fonctionnaires visés au § 1er sont habilités à :
1° donner des injonctions aux conducteurs et régler la circulation, comme stipulé à l'article 11 de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière, notamment donner l'ordre au conducteur d'arrêter le véhicule ;
2° se faire présenter, consulter et prendre une copie des données administratives nécessaires, telles les documents légalement prescrits qui doivent être en possession du conducteur d'un véhicule, et plus largement tous les documents utiles à l'identification du véhicule, du conducteur ou de la personne au nom de laquelle le véhicule est inscrit ;
3° recueillir des informations et effectuer des contrôles en interrogeant des personnes et en consultant des documents et autres supports d'information ;
4° requérir l'assistance de la police locale et fédérale dans le cadre de contrôles ;
5° procéder à des constatations à l'aide de moyens audiovisuels ou de dispositifs automatisés de contrôle fixes et mobiles ;
6° procéder à la perception immédiate de l'amende administrative prévue à l'article 3.4.1/1 et, le cas échéant, des montants à recouvrer, des autres frais, accessoires, intérêts, décimes additionnels, centimes additionnels, taxes ou amendes dont la personne contrôlée serait redevable.
§ 6. Par dérogation à l'article 3.2.21, en cas de contrôle sur la voie publique, le conducteur du véhicule en infraction à la législation sur les zones de basses émissions acquitte entre les mains du fonctionnaire visé au § 1er, les amendes visées à l'article 3.4.1/1 et les montants à recouvrer.
Le procès-verbal de constat d'infraction est remis en main propre au contrevenant et, le cas échéant, envoyé pour copie à la personne au nom de laquelle le véhicule est inscrit ou immatriculé.
Le Gouvernement peut déterminer, par arrêté, des modalités de paiement plus précises.
En aucun cas, il ne pourra être procédé au recouvrement immédiat si le contrevenant est âgé de moins de 18 ans.
§ 7. A défaut de paiement des sommes visées au paragraphe précédent, au moment de la constatation de l'infraction, le véhicule est retenu par le fonctionnaire visé à l'article 3.2.19, jusqu'au paiement des sommes dues.
Un procès-verbal de retenue établi par le fonctionnaire compétent a force probante jusqu'à preuve du contraire.
Dans le cadre de la retenue visée au premier alinéa, le fonctionnaire visé à l'article 3.2.19 peut prendre une ou plusieurs des mesures ci-dessous :
- la retenue des documents de bord ;
- la retenue de la lettre de voiture ;
- le placement d'un sabot ;
- l'enlèvement du véhicule en infraction vers un lieu d'entreposage ;
- le stationnement du véhicule.
Le véhicule retenu ne peut être déplacé sans l'autorisation du ou des fonctionnaire(s) contractuel(s) ou statutaire(s) désigné(s) par le Gouvernement.
Le propriétaire du véhicule retenu ne peut aliéner ce véhicule sans l'autorisation du ou des fonctionnaire(s) contractuel(s) ou statutaire(s) désigné(s) par le Gouvernement.
§ 8. Le risque et les frais éventuels résultant de la retenue sont à charge des redevables visés à l'article 3.2.18. La retenue est levée après le paiement de toutes les sommes dues.
§ 9. Le paiement immédiat des sommes dues éteint la possibilité d'infliger au contrevenant une amende administrative conformément à la procédure visée à l'article 3.2.21. Le payeur recevra également une preuve de son paiement immédiat.]1
Art. 3.2.22. [1 § .1. In het geval dat de boete waarin voorzien in artikel 3.4.1/1 niet betaald wordt binnen de termijn waarin voorzien in artikel 3.2.21, wordt deze vermeerderd met 20 % van het bedrag van de niet of buiten de termijn betaalde boete.
Er is van rechtswege interest verschuldigd indien de boete niet binnen de termijn betaald wordt ; deze wordt maandelijks berekend, tegen een tarief dat één twaalfde bedraagt van de wettelijke interest in fiscale zaken, op alle verschuldigde boeten en vermeerderingen. Elke fractie wordt berekend voor één maand. De interest is slechts verschuldigd als deze 2,50 euro bedraagt.
Bij terugbetaling van de boete, is van rechtswege een interest verschuldigd ; hij wordt maandelijks berekend, tegen een tarief dat één twaalfde bedraagt van de wettelijke interest in fiscale zaken, op het bedrag van de terug te betalen boete. Ieder gedeelte van een maand wordt berekend voor één maand. De interest wordt slechts terugbetaald als deze 2,50 euro bedraagt.
§ 2. In geval van niet-betaling van de boete, zoals vermeerderd krachtens § 1, binnen de termijnen, kan de statutaire of contractuele ambtenaar die door de Regering belast werd met de invordering, een dwangschrift uitvaardigen en overgaan tot de betekening van een dwangbevel en eventueel overgaan tot het leggen van uitvoerend roerend beslag op het voertuig of tot iedere andere uitvoeringsmaatregel. Het uitgevaardigde dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de bovengenoemde ambtenaar.
Het dwangschrift en het dwangbevel kunnen naast de bedragen bedoeld in voorgaand lid ook andere onbetaalde schulden bevatten die betrekking hebben op taksen, boetes, opcentiemen, opdeciemen, interesten, kosten en toebehoren die door de fiscale administratie geïnd worden, en dit voor zover deze schulden zeker, vaststaand en opeisbaar zijn.
Het risico en de eventuele kosten die voortvloeien uit het beslag zijn ten laste van de persoon die op grond van artikel 3.2.18. de betaling verschuldigd is. Het beslag wordt opgeheven na de betaling van alle bedragen en hieruit voortvloeiende kosten, opgenomen in het dwangbevel.
Op verzoek van de fiscale administratie kan de politierechtbank de verbeurdverklaring van de nummerplaat van het voertuig uitspreken en bevelen dat deze teruggegeven wordt aan de instantie belast met de inschrijving van voertuigen.
Het dwangbevel wordt betekend via gerechtsdeurwaardersexploot, bij aangetekende zending per post, of elektronisch aangetekende zending.
§ 3. De betekening vermeld in § 2 heeft de effecten vermelde in artikel 15, § 2 van de ordonnantie van 21 december 2012 tot vaststelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
§ 4. De artikelen 16 en 17 van de ordonnantie van 21 december 2012 tot vaststelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn van toepassing in de gevallen bedoeld in huidig artikel.
De uitvoering van het dwangbevel kan slechts worden onderbroken door een gemotiveerd verzet, ingediend door de persoon die de betaling verschuldigd is. Dit verzet is enkel geldig voor daarin uitdrukkelijk betwiste en gemotiveerde vorderingen.
Dit verzet dient te worden ingeleid bij gemotiveerd verzoekschrift op tegenspraak voor de politierechtbank. Deze vordering dient te worden ingesteld overeenkomstig de artikelen 1034bis tot sexies van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 5. Voor de toepassing van §§ 3 en 4, dient de ordonnantie van 21 december 2012 tot instelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest begrepen te worden als volgt :
1° onder de begrippen " belasting " en " gewestbelasting " : de krachtens artikel 3.4.1/1 verschuldigde bedragen ;
2° onder de bewoordingen " de in artikel 15, § 1, bedoelde kennisgeving ", zoals vermeld in artikel 16, § 1, eerste lid : " de betekening vermeld in § 2 van artikel 3.2.22 ;
3° onder de begrippen " artikel 15 " en " artikel 15, § 1 " vermeld in artikel 17, § 3 : artikel 2.21.
§ 6. Het is aan de door de Regering aangestelde contractuele of statutaire ambtenaren om de moeilijkheden op te lossen die zich zouden kunnen voordoen bij de inning van de boete vóór het inleiden van de vordering. Zij kunnen minnelijke schikkingen treffen met de personen die de betaling verschuldigd zijn, mits deze geen vrijstelling of matiging van de belasting of een vermindering van de boetes bedoeld in § 2, tweede lid inhouden.
§ 7. Onverminderd artikel 1627 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt het resultaat van de verkoop van het voertuig in de volgende volgorde verrekend :
1° op de kosten van alle aard, ook al betreffen deze andere verschuldigde boetes of taksen ;
2° op de verwijlinteresten ;
3° op de administratieve boetes ;
4° op de verschuldigde taksen en de opcentiemen of opdeciemen.
Het eventuele saldo wordt terugbetaald aan de persoon aan wie het voertuig toebehoorde.]1
Er is van rechtswege interest verschuldigd indien de boete niet binnen de termijn betaald wordt ; deze wordt maandelijks berekend, tegen een tarief dat één twaalfde bedraagt van de wettelijke interest in fiscale zaken, op alle verschuldigde boeten en vermeerderingen. Elke fractie wordt berekend voor één maand. De interest is slechts verschuldigd als deze 2,50 euro bedraagt.
Bij terugbetaling van de boete, is van rechtswege een interest verschuldigd ; hij wordt maandelijks berekend, tegen een tarief dat één twaalfde bedraagt van de wettelijke interest in fiscale zaken, op het bedrag van de terug te betalen boete. Ieder gedeelte van een maand wordt berekend voor één maand. De interest wordt slechts terugbetaald als deze 2,50 euro bedraagt.
§ 2. In geval van niet-betaling van de boete, zoals vermeerderd krachtens § 1, binnen de termijnen, kan de statutaire of contractuele ambtenaar die door de Regering belast werd met de invordering, een dwangschrift uitvaardigen en overgaan tot de betekening van een dwangbevel en eventueel overgaan tot het leggen van uitvoerend roerend beslag op het voertuig of tot iedere andere uitvoeringsmaatregel. Het uitgevaardigde dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de bovengenoemde ambtenaar.
Het dwangschrift en het dwangbevel kunnen naast de bedragen bedoeld in voorgaand lid ook andere onbetaalde schulden bevatten die betrekking hebben op taksen, boetes, opcentiemen, opdeciemen, interesten, kosten en toebehoren die door de fiscale administratie geïnd worden, en dit voor zover deze schulden zeker, vaststaand en opeisbaar zijn.
Het risico en de eventuele kosten die voortvloeien uit het beslag zijn ten laste van de persoon die op grond van artikel 3.2.18. de betaling verschuldigd is. Het beslag wordt opgeheven na de betaling van alle bedragen en hieruit voortvloeiende kosten, opgenomen in het dwangbevel.
Op verzoek van de fiscale administratie kan de politierechtbank de verbeurdverklaring van de nummerplaat van het voertuig uitspreken en bevelen dat deze teruggegeven wordt aan de instantie belast met de inschrijving van voertuigen.
Het dwangbevel wordt betekend via gerechtsdeurwaardersexploot, bij aangetekende zending per post, of elektronisch aangetekende zending.
§ 3. De betekening vermeld in § 2 heeft de effecten vermelde in artikel 15, § 2 van de ordonnantie van 21 december 2012 tot vaststelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
§ 4. De artikelen 16 en 17 van de ordonnantie van 21 december 2012 tot vaststelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn van toepassing in de gevallen bedoeld in huidig artikel.
De uitvoering van het dwangbevel kan slechts worden onderbroken door een gemotiveerd verzet, ingediend door de persoon die de betaling verschuldigd is. Dit verzet is enkel geldig voor daarin uitdrukkelijk betwiste en gemotiveerde vorderingen.
Dit verzet dient te worden ingeleid bij gemotiveerd verzoekschrift op tegenspraak voor de politierechtbank. Deze vordering dient te worden ingesteld overeenkomstig de artikelen 1034bis tot sexies van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 5. Voor de toepassing van §§ 3 en 4, dient de ordonnantie van 21 december 2012 tot instelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest begrepen te worden als volgt :
1° onder de begrippen " belasting " en " gewestbelasting " : de krachtens artikel 3.4.1/1 verschuldigde bedragen ;
2° onder de bewoordingen " de in artikel 15, § 1, bedoelde kennisgeving ", zoals vermeld in artikel 16, § 1, eerste lid : " de betekening vermeld in § 2 van artikel 3.2.22 ;
3° onder de begrippen " artikel 15 " en " artikel 15, § 1 " vermeld in artikel 17, § 3 : artikel 2.21.
§ 6. Het is aan de door de Regering aangestelde contractuele of statutaire ambtenaren om de moeilijkheden op te lossen die zich zouden kunnen voordoen bij de inning van de boete vóór het inleiden van de vordering. Zij kunnen minnelijke schikkingen treffen met de personen die de betaling verschuldigd zijn, mits deze geen vrijstelling of matiging van de belasting of een vermindering van de boetes bedoeld in § 2, tweede lid inhouden.
§ 7. Onverminderd artikel 1627 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt het resultaat van de verkoop van het voertuig in de volgende volgorde verrekend :
1° op de kosten van alle aard, ook al betreffen deze andere verschuldigde boetes of taksen ;
2° op de verwijlinteresten ;
3° op de administratieve boetes ;
4° op de verschuldigde taksen en de opcentiemen of opdeciemen.
Het eventuele saldo wordt terugbetaald aan de persoon aan wie het voertuig toebehoorde.]1
Art. 3.2.20. [1 § 1er. Les fonctionnaires désignés en vertu de l'article 3.2.19, § 1er, sont autorisés à prouver par tous moyens de droit, témoignages et présomptions compris, à l'exception du serment, et par les procès-verbaux qu'ils dressent, toute infraction aux articles 3.2.16 à [2 3.2.26]2, à l'article 3.4.1/1 et à leurs arrêtés d'exécution, de même que tout fait qui établit ou concourt à établir la redevabilité des montants à recouvrer.
§ 2. Tout renseignement, pièce, procès-verbal ou acte obtenu dans l'exercice de leurs fonctions par les fonctionnaires visés au § 1er, soit directement, soit par l'entremise d'un des services administratifs, établissements de droit public, sociétés de droit public, organisations dépendant de la Région, ou services administratifs de l'Etat, y compris les parquets et les greffes de toutes juridictions, des Communautés, des Régions, des provinces ou communes, peut être invoqué pour la recherche de tout fait qui établit ou concourt à établir la redevabilité susmentionnée.
§ 3. Lorsqu'ils en sont requis par un fonctionnaire désigné par le Gouvernement, les services administratifs de la Région de Bruxelles-Capitale, ainsi que ses établissements et organismes publics sont tenus de lui fournir tous les renseignements en leur possession, de lui communiquer, sans déplacement, tous actes, pièces, registres et documents quelconques qu'ils détiennent et de lui laisser prendre tous renseignements, copies ou extraits qu'il juge nécessaires pour assurer l'établissement ou la perception des montants mentionnés au § 1er.
Par " établissements " ou " organismes publics ", il faut entendre, les institutions, sociétés, associations, établissements et services de l'administration auxquels la Région de Bruxelles-Capitale participe, auxquels la Région de Bruxelles-Capitale fournit une garantie, sur l'activité desquels la Région de Bruxelles-Capitale exerce un contrôle ou dont le personnel de direction est désigné par le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, sur sa proposition ou moyennant son approbation.
Les obligations reprises dans le présent paragraphe pèsent aussi sur l'agglomération, les fédérations de communes et les communes de la Région de Bruxelles-Capitale.]1
§ 2. Tout renseignement, pièce, procès-verbal ou acte obtenu dans l'exercice de leurs fonctions par les fonctionnaires visés au § 1er, soit directement, soit par l'entremise d'un des services administratifs, établissements de droit public, sociétés de droit public, organisations dépendant de la Région, ou services administratifs de l'Etat, y compris les parquets et les greffes de toutes juridictions, des Communautés, des Régions, des provinces ou communes, peut être invoqué pour la recherche de tout fait qui établit ou concourt à établir la redevabilité susmentionnée.
§ 3. Lorsqu'ils en sont requis par un fonctionnaire désigné par le Gouvernement, les services administratifs de la Région de Bruxelles-Capitale, ainsi que ses établissements et organismes publics sont tenus de lui fournir tous les renseignements en leur possession, de lui communiquer, sans déplacement, tous actes, pièces, registres et documents quelconques qu'ils détiennent et de lui laisser prendre tous renseignements, copies ou extraits qu'il juge nécessaires pour assurer l'établissement ou la perception des montants mentionnés au § 1er.
Par " établissements " ou " organismes publics ", il faut entendre, les institutions, sociétés, associations, établissements et services de l'administration auxquels la Région de Bruxelles-Capitale participe, auxquels la Région de Bruxelles-Capitale fournit une garantie, sur l'activité desquels la Région de Bruxelles-Capitale exerce un contrôle ou dont le personnel de direction est désigné par le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, sur sa proposition ou moyennant son approbation.
Les obligations reprises dans le présent paragraphe pèsent aussi sur l'agglomération, les fédérations de communes et les communes de la Région de Bruxelles-Capitale.]1
Art. 3.2.23. [1 § 1. De persoon aan wie een administratieve boete opgelegd werd op basis van de artikelen 3.2.16 tot en met [2 3.2.26]2, artikel 3.4.1/1 en de uitvoeringsbesluiten ervan, of desgevallend de persoon die hoofdelijk gehouden is tot betaling, kan een schriftelijke bezwaar indienen tegen het bedrag van de boete bij de door de Regering aangestelde contractuele of statutaire ambtenaar.
De persoon wiens verzoek tot afwijking op basis van artikel 3.2.16, § 2 geweigerd werd, kan een schriftelijk bezwaar indienen tegen deze weigering bij de door de Regering aangestelde contractuele of statutaire ambtenaar. In het geval dat geen antwoord of beslissing verkregen werd binnen een termijn van 62 dagen, te rekenen vanaf de zevende dag volgend op de ontvangst van het verzoek door de voormelde ambtenaar, wordt het ontbreken van enige reactie gelijkgesteld aan een stilzwijgende weigering van de afwijking.
§ 2. De bezwaren moeten gemotiveerd zijn en, op straffe van verval, ingediend worden binnen een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de zevende dag volgend op :
1° het versturen van het betalingsverzoek bedoeld in artikel 3.2.21 ;
2° de vaststelling van de overtreding in geval van een controle op de openbare weg ;
3° de beslissing van weigering tot afwijking bedoeld in artikel 3.2.16, § 2.
Er kan met terugwerkende kracht een afwijking vastgesteld worden die werd aangevraagd vóór of tijdens een overgangsperiode, in het geval deze laattijdig aanvaard zou zijn, om de betaling van de boete te doen uitdoven.
§ 3. Aan de personen die de bezwaren ingediend hebben, wordt een ontvangstbewijs afgeleverd, dat de datum van ontvangst van het administratief beroep vermeldt.
§ 4. Indien de persoon die het bezwaar indient of zijn raadsman hierom heeft verzocht, wordt hij gehoord. Daartoe wordt hij uitgenodigd om zich te melden binnen de aangegeven termijn.
§ 5. Zolang er geen beslissing genomen is, kan de persoon die het bezwaar ingediend heeft zijn oorspronkelijke bezwaar aanvullen met nieuwe, schriftelijk opgemaakte grieven, zelfs indien voorgelegd buiten de in § 2 voorziene termijnen.
§ 6. De ambtenaar bedoeld in § 1 doet als administratieve overheid een uitspraak over de grieven geformuleerd door de bezwaarindiener. Als hij de middelen van de bezwaarindiener ongegrond acht, deelt hij hem dit in een gemotiveerde beslissing mee.
§ 7. Het indienen van een administratief bezwaarschrift schorst de betalingstermijn van de boete niet, doch er mag geen enkele maatregel voor gedwongen invordering ten uitvoer gebracht worden vooraleer er een onherroepelijke beslissing is genomen.
§ 8. De beslissing met betrekking tot een bezwaarschrift is onherroepelijk bij ontstentenis van het inleiden van een vordering bij de politierechtbank uiterlijk binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving ervan.
De beslissing wordt definitief en uitvoerbaar na het verstrijken van de gerechtelijke beroepstermijnen en wordt betekend per aangetekende zending per post of elektronisch aangetekende zending.]1
De persoon wiens verzoek tot afwijking op basis van artikel 3.2.16, § 2 geweigerd werd, kan een schriftelijk bezwaar indienen tegen deze weigering bij de door de Regering aangestelde contractuele of statutaire ambtenaar. In het geval dat geen antwoord of beslissing verkregen werd binnen een termijn van 62 dagen, te rekenen vanaf de zevende dag volgend op de ontvangst van het verzoek door de voormelde ambtenaar, wordt het ontbreken van enige reactie gelijkgesteld aan een stilzwijgende weigering van de afwijking.
§ 2. De bezwaren moeten gemotiveerd zijn en, op straffe van verval, ingediend worden binnen een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de zevende dag volgend op :
1° het versturen van het betalingsverzoek bedoeld in artikel 3.2.21 ;
2° de vaststelling van de overtreding in geval van een controle op de openbare weg ;
3° de beslissing van weigering tot afwijking bedoeld in artikel 3.2.16, § 2.
Er kan met terugwerkende kracht een afwijking vastgesteld worden die werd aangevraagd vóór of tijdens een overgangsperiode, in het geval deze laattijdig aanvaard zou zijn, om de betaling van de boete te doen uitdoven.
§ 3. Aan de personen die de bezwaren ingediend hebben, wordt een ontvangstbewijs afgeleverd, dat de datum van ontvangst van het administratief beroep vermeldt.
§ 4. Indien de persoon die het bezwaar indient of zijn raadsman hierom heeft verzocht, wordt hij gehoord. Daartoe wordt hij uitgenodigd om zich te melden binnen de aangegeven termijn.
§ 5. Zolang er geen beslissing genomen is, kan de persoon die het bezwaar ingediend heeft zijn oorspronkelijke bezwaar aanvullen met nieuwe, schriftelijk opgemaakte grieven, zelfs indien voorgelegd buiten de in § 2 voorziene termijnen.
§ 6. De ambtenaar bedoeld in § 1 doet als administratieve overheid een uitspraak over de grieven geformuleerd door de bezwaarindiener. Als hij de middelen van de bezwaarindiener ongegrond acht, deelt hij hem dit in een gemotiveerde beslissing mee.
§ 7. Het indienen van een administratief bezwaarschrift schorst de betalingstermijn van de boete niet, doch er mag geen enkele maatregel voor gedwongen invordering ten uitvoer gebracht worden vooraleer er een onherroepelijke beslissing is genomen.
§ 8. De beslissing met betrekking tot een bezwaarschrift is onherroepelijk bij ontstentenis van het inleiden van een vordering bij de politierechtbank uiterlijk binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving ervan.
De beslissing wordt definitief en uitvoerbaar na het verstrijken van de gerechtelijke beroepstermijnen en wordt betekend per aangetekende zending per post of elektronisch aangetekende zending.]1
Art. 3.2.22. [1 § 1er. Au cas où l'amende prévue à l'article 3.4.1/1 n'a pas été payée dans le délai visé à l'article 3.2.21, il est encouru une majoration de l'amende égale à 20 % du montant de l'amende non payée ou payée hors délai.
Un intérêt est dû de plein droit si l'amende n'est pas payée dans les délais ; il est calculé mensuellement, au taux d'un douzième de l'intérêt légal en matière fiscale sur le total des amendes et des majorations dues. Toute fraction est comptée pour un mois. L'intérêt n'est réclamé que s'il atteint 2,50 euros.
En cas de restitution de l'amende, un intérêt est exigible de plein droit ; il est calculé mensuellement au taux d'un douzième de l'intérêt légal en matière fiscale sur le montant de l'amende à restituer. Toute fraction d'un mois est comptée pour un mois. L'intérêt n'est restitué que s'il atteint 2,50 euros.
§ 2. En cas de non-paiement dans les délais de l'amende, telle que majorée en vertu du § 1er, le fonctionnaire, statutaire ou contractuel, chargé par le Gouvernement du recouvrement, peut établir un commandement et faire procéder à la signification d'une contrainte, et éventuellement faire procéder à la saisie-exécution mobilière du véhicule ou toute autre mesure d'exécution. La contrainte décernée est visée et rendue exécutoire par le fonctionnaire susmentionné.
Le commandement et la contrainte peuvent reprendre, outre les sommes visées dans l'alinéa précédent, d'autres dettes non réglées qui concernent les taxes, amendes, centimes additionnels, décimes additionnels, intérêts, frais et accessoires qui sont perçus par l'administration fiscale et ce, pour autant que ces dettes soient certaines, définitives et exigibles.
Le risque et les frais éventuels résultant de la saisie sont à charge du redevable visé à l'article 3.2.18. La saisie est levée après le paiement de toutes les sommes et des frais y afférents, repris dans la contrainte.
Le tribunal de police peut, à la demande de l'administration fiscale, prononcer la confiscation de la plaque d'immatriculation du véhicule et ordonner sa restitution à l'autorité chargée de l'immatriculation des véhicules.
La contrainte est signifiée par exploit d'huissier de justice, par un envoi postal recommandé ou un recommandé électronique.
§ 3. La signification mentionnée au § 2 précédent a les effets mentionnés à l'article 15, § 2, de l'ordonnance du 21 décembre 2012 établissant la procédure fiscale en Région de Bruxelles-Capitale.
§ 4. Les articles 16 et 17 de l'ordonnance du 21 décembre 2012 établissant la procédure fiscale en Région de Bruxelles-Capitale sont d'application dans les cas visés au présent article.
L'exécution de la contrainte ne peut être interrompue que par une opposition motivée, formulée par le redevable. Cette opposition ne sera valable que pour les créances contestées expressément avec motivation.
Cette opposition doit être introduite par requête contradictoire auprès du tribunal de police. Cette introduction se fait en application des articles 1034bis à sexies du code judiciaire.
§ 5. Pour l'application des §§ 3 et 4, il faut entendre dans l'ordonnance du 21 décembre 2012 établissant la procédure fiscale en Région de Bruxelles-Capitale :
1° sous les notions de " taxe " et de " taxe régionale " : les montants dus en vertu de l'article 3.4.1/1 ;
2° sous les mots " la notification visée à l'article 15, § 1er ", mentionnés à l'article 16, § 1er, alinéa 1er : la signification mentionnée au § 2 de l'article 3.2.22 ;
3° sous les notions de " l'article 15 " et " l'article 15, § 1er " mentionnés à l'article 17, § 3 : l'article 2.21.
§ 6. La solution des difficultés qui peuvent s'élever relativement à la perception de l'amende avant l'introduction des instances appartient aux fonctionnaires statutaires ou contractuels désignés par le Gouvernement. Ils peuvent conclure des transactions avec les redevables, pourvu qu'elles n'impliquent pas exemption ou modération d'impôt ou réduction des amendes visées au § 2, alinéa 2.
§ 7. Sans préjudice de l'article 1627 du Code judiciaire, le produit de la transaction de vente du véhicule est imputé dans l'ordre suivant :
1° aux frais de toute nature, même s'ils se rapportent à différentes taxes ou amendes dues ;
2° aux intérêts de retard ;
3° aux amendes administratives ;
4° aux taxes dues et aux centimes additionnels ou décimes additionnels.
Le solde éventuel est remboursé à la personne à laquelle le véhicule appartenait.]1
Un intérêt est dû de plein droit si l'amende n'est pas payée dans les délais ; il est calculé mensuellement, au taux d'un douzième de l'intérêt légal en matière fiscale sur le total des amendes et des majorations dues. Toute fraction est comptée pour un mois. L'intérêt n'est réclamé que s'il atteint 2,50 euros.
En cas de restitution de l'amende, un intérêt est exigible de plein droit ; il est calculé mensuellement au taux d'un douzième de l'intérêt légal en matière fiscale sur le montant de l'amende à restituer. Toute fraction d'un mois est comptée pour un mois. L'intérêt n'est restitué que s'il atteint 2,50 euros.
§ 2. En cas de non-paiement dans les délais de l'amende, telle que majorée en vertu du § 1er, le fonctionnaire, statutaire ou contractuel, chargé par le Gouvernement du recouvrement, peut établir un commandement et faire procéder à la signification d'une contrainte, et éventuellement faire procéder à la saisie-exécution mobilière du véhicule ou toute autre mesure d'exécution. La contrainte décernée est visée et rendue exécutoire par le fonctionnaire susmentionné.
Le commandement et la contrainte peuvent reprendre, outre les sommes visées dans l'alinéa précédent, d'autres dettes non réglées qui concernent les taxes, amendes, centimes additionnels, décimes additionnels, intérêts, frais et accessoires qui sont perçus par l'administration fiscale et ce, pour autant que ces dettes soient certaines, définitives et exigibles.
Le risque et les frais éventuels résultant de la saisie sont à charge du redevable visé à l'article 3.2.18. La saisie est levée après le paiement de toutes les sommes et des frais y afférents, repris dans la contrainte.
Le tribunal de police peut, à la demande de l'administration fiscale, prononcer la confiscation de la plaque d'immatriculation du véhicule et ordonner sa restitution à l'autorité chargée de l'immatriculation des véhicules.
La contrainte est signifiée par exploit d'huissier de justice, par un envoi postal recommandé ou un recommandé électronique.
§ 3. La signification mentionnée au § 2 précédent a les effets mentionnés à l'article 15, § 2, de l'ordonnance du 21 décembre 2012 établissant la procédure fiscale en Région de Bruxelles-Capitale.
§ 4. Les articles 16 et 17 de l'ordonnance du 21 décembre 2012 établissant la procédure fiscale en Région de Bruxelles-Capitale sont d'application dans les cas visés au présent article.
L'exécution de la contrainte ne peut être interrompue que par une opposition motivée, formulée par le redevable. Cette opposition ne sera valable que pour les créances contestées expressément avec motivation.
Cette opposition doit être introduite par requête contradictoire auprès du tribunal de police. Cette introduction se fait en application des articles 1034bis à sexies du code judiciaire.
§ 5. Pour l'application des §§ 3 et 4, il faut entendre dans l'ordonnance du 21 décembre 2012 établissant la procédure fiscale en Région de Bruxelles-Capitale :
1° sous les notions de " taxe " et de " taxe régionale " : les montants dus en vertu de l'article 3.4.1/1 ;
2° sous les mots " la notification visée à l'article 15, § 1er ", mentionnés à l'article 16, § 1er, alinéa 1er : la signification mentionnée au § 2 de l'article 3.2.22 ;
3° sous les notions de " l'article 15 " et " l'article 15, § 1er " mentionnés à l'article 17, § 3 : l'article 2.21.
§ 6. La solution des difficultés qui peuvent s'élever relativement à la perception de l'amende avant l'introduction des instances appartient aux fonctionnaires statutaires ou contractuels désignés par le Gouvernement. Ils peuvent conclure des transactions avec les redevables, pourvu qu'elles n'impliquent pas exemption ou modération d'impôt ou réduction des amendes visées au § 2, alinéa 2.
§ 7. Sans préjudice de l'article 1627 du Code judiciaire, le produit de la transaction de vente du véhicule est imputé dans l'ordre suivant :
1° aux frais de toute nature, même s'ils se rapportent à différentes taxes ou amendes dues ;
2° aux intérêts de retard ;
3° aux amendes administratives ;
4° aux taxes dues et aux centimes additionnels ou décimes additionnels.
Le solde éventuel est remboursé à la personne à laquelle le véhicule appartenait.]1
Art. 3.2.22. [1 § .1. In het geval dat de boete waarin voorzien in artikel 3.4.1/1 niet betaald wordt binnen de termijn waarin voorzien in artikel 3.2.21, wordt deze vermeerderd met 20 % van het bedrag van de niet of buiten de termijn betaalde boete.
Er is van rechtswege interest verschuldigd indien de boete niet binnen de termijn betaald wordt ; deze wordt maandelijks berekend, tegen een tarief dat één twaalfde bedraagt van de wettelijke interest in fiscale zaken, op alle verschuldigde boeten en vermeerderingen. Elke fractie wordt berekend voor één maand. De interest is slechts verschuldigd als deze 2,50 euro bedraagt.
Bij terugbetaling van de boete, is van rechtswege een interest verschuldigd ; hij wordt maandelijks berekend, tegen een tarief dat één twaalfde bedraagt van de wettelijke interest in fiscale zaken, op het bedrag van de terug te betalen boete. Ieder gedeelte van een maand wordt berekend voor één maand. De interest wordt slechts terugbetaald als deze 2,50 euro bedraagt.
§ 2. In geval van niet-betaling van de boete, zoals vermeerderd krachtens § 1, binnen de termijnen, kan de statutaire of contractuele ambtenaar die door de Regering belast werd met de invordering, een dwangschrift uitvaardigen en overgaan tot de betekening van een dwangbevel en eventueel overgaan tot het leggen van uitvoerend roerend beslag op het voertuig of tot iedere andere uitvoeringsmaatregel. Het uitgevaardigde dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de bovengenoemde ambtenaar.
Het dwangschrift en het dwangbevel kunnen naast de bedragen bedoeld in voorgaand lid ook andere onbetaalde schulden bevatten die betrekking hebben op taksen, boetes, opcentiemen, opdeciemen, interesten, kosten en toebehoren die door de fiscale administratie geïnd worden, en dit voor zover deze schulden zeker, vaststaand en opeisbaar zijn.
Het risico en de eventuele kosten die voortvloeien uit het beslag zijn ten laste van de persoon die op grond van artikel 3.2.18. de betaling verschuldigd is. Het beslag wordt opgeheven na de betaling van alle bedragen en hieruit voortvloeiende kosten, opgenomen in het dwangbevel.
Op verzoek van de fiscale administratie kan de politierechtbank de verbeurdverklaring van de nummerplaat van het voertuig uitspreken en bevelen dat deze teruggegeven wordt aan de instantie belast met de inschrijving van voertuigen.
Het dwangbevel wordt betekend via gerechtsdeurwaardersexploot, bij aangetekende zending per post, of elektronisch aangetekende zending.
§ 3. De betekening vermeld in § 2 heeft de effecten vermelde in artikel 15, § 2 van de ordonnantie van 21 december 2012 tot vaststelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
§ 4. De artikelen 16 en 17 van de ordonnantie van 21 december 2012 tot vaststelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn van toepassing in de gevallen bedoeld in huidig artikel.
De uitvoering van het dwangbevel kan slechts worden onderbroken door een gemotiveerd verzet, ingediend door de persoon die de betaling verschuldigd is. Dit verzet is enkel geldig voor daarin uitdrukkelijk betwiste en gemotiveerde vorderingen.
Dit verzet dient te worden ingeleid bij gemotiveerd verzoekschrift op tegenspraak voor de politierechtbank. Deze vordering dient te worden ingesteld overeenkomstig de artikelen 1034bis tot sexies van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 5. Voor de toepassing van §§ 3 en 4, dient de ordonnantie van 21 december 2012 tot instelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest begrepen te worden als volgt :
1° onder de begrippen " belasting " en " gewestbelasting " : de krachtens artikel 3.4.1/1 verschuldigde bedragen ;
2° onder de bewoordingen " de in artikel 15, § 1, bedoelde kennisgeving ", zoals vermeld in artikel 16, § 1, eerste lid : " de betekening vermeld in § 2 van artikel 3.2.22 ;
3° onder de begrippen " artikel 15 " en " artikel 15, § 1 " vermeld in artikel 17, § 3 : artikel 2.21.
§ 6. Het is aan de door de Regering aangestelde contractuele of statutaire ambtenaren om de moeilijkheden op te lossen die zich zouden kunnen voordoen bij de inning van de boete vóór het inleiden van de vordering. Zij kunnen minnelijke schikkingen treffen met de personen die de betaling verschuldigd zijn, mits deze geen vrijstelling of matiging van de belasting of een vermindering van de boetes bedoeld in § 2, tweede lid inhouden.
§ 7. Onverminderd artikel 1627 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt het resultaat van de verkoop van het voertuig in de volgende volgorde verrekend :
1° op de kosten van alle aard, ook al betreffen deze andere verschuldigde boetes of taksen ;
2° op de verwijlinteresten ;
3° op de administratieve boetes ;
4° op de verschuldigde taksen en de opcentiemen of opdeciemen.
Het eventuele saldo wordt terugbetaald aan de persoon aan wie het voertuig toebehoorde.]1
Er is van rechtswege interest verschuldigd indien de boete niet binnen de termijn betaald wordt ; deze wordt maandelijks berekend, tegen een tarief dat één twaalfde bedraagt van de wettelijke interest in fiscale zaken, op alle verschuldigde boeten en vermeerderingen. Elke fractie wordt berekend voor één maand. De interest is slechts verschuldigd als deze 2,50 euro bedraagt.
Bij terugbetaling van de boete, is van rechtswege een interest verschuldigd ; hij wordt maandelijks berekend, tegen een tarief dat één twaalfde bedraagt van de wettelijke interest in fiscale zaken, op het bedrag van de terug te betalen boete. Ieder gedeelte van een maand wordt berekend voor één maand. De interest wordt slechts terugbetaald als deze 2,50 euro bedraagt.
§ 2. In geval van niet-betaling van de boete, zoals vermeerderd krachtens § 1, binnen de termijnen, kan de statutaire of contractuele ambtenaar die door de Regering belast werd met de invordering, een dwangschrift uitvaardigen en overgaan tot de betekening van een dwangbevel en eventueel overgaan tot het leggen van uitvoerend roerend beslag op het voertuig of tot iedere andere uitvoeringsmaatregel. Het uitgevaardigde dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de bovengenoemde ambtenaar.
Het dwangschrift en het dwangbevel kunnen naast de bedragen bedoeld in voorgaand lid ook andere onbetaalde schulden bevatten die betrekking hebben op taksen, boetes, opcentiemen, opdeciemen, interesten, kosten en toebehoren die door de fiscale administratie geïnd worden, en dit voor zover deze schulden zeker, vaststaand en opeisbaar zijn.
Het risico en de eventuele kosten die voortvloeien uit het beslag zijn ten laste van de persoon die op grond van artikel 3.2.18. de betaling verschuldigd is. Het beslag wordt opgeheven na de betaling van alle bedragen en hieruit voortvloeiende kosten, opgenomen in het dwangbevel.
Op verzoek van de fiscale administratie kan de politierechtbank de verbeurdverklaring van de nummerplaat van het voertuig uitspreken en bevelen dat deze teruggegeven wordt aan de instantie belast met de inschrijving van voertuigen.
Het dwangbevel wordt betekend via gerechtsdeurwaardersexploot, bij aangetekende zending per post, of elektronisch aangetekende zending.
§ 3. De betekening vermeld in § 2 heeft de effecten vermelde in artikel 15, § 2 van de ordonnantie van 21 december 2012 tot vaststelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
§ 4. De artikelen 16 en 17 van de ordonnantie van 21 december 2012 tot vaststelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn van toepassing in de gevallen bedoeld in huidig artikel.
De uitvoering van het dwangbevel kan slechts worden onderbroken door een gemotiveerd verzet, ingediend door de persoon die de betaling verschuldigd is. Dit verzet is enkel geldig voor daarin uitdrukkelijk betwiste en gemotiveerde vorderingen.
Dit verzet dient te worden ingeleid bij gemotiveerd verzoekschrift op tegenspraak voor de politierechtbank. Deze vordering dient te worden ingesteld overeenkomstig de artikelen 1034bis tot sexies van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 5. Voor de toepassing van §§ 3 en 4, dient de ordonnantie van 21 december 2012 tot instelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest begrepen te worden als volgt :
1° onder de begrippen " belasting " en " gewestbelasting " : de krachtens artikel 3.4.1/1 verschuldigde bedragen ;
2° onder de bewoordingen " de in artikel 15, § 1, bedoelde kennisgeving ", zoals vermeld in artikel 16, § 1, eerste lid : " de betekening vermeld in § 2 van artikel 3.2.22 ;
3° onder de begrippen " artikel 15 " en " artikel 15, § 1 " vermeld in artikel 17, § 3 : artikel 2.21.
§ 6. Het is aan de door de Regering aangestelde contractuele of statutaire ambtenaren om de moeilijkheden op te lossen die zich zouden kunnen voordoen bij de inning van de boete vóór het inleiden van de vordering. Zij kunnen minnelijke schikkingen treffen met de personen die de betaling verschuldigd zijn, mits deze geen vrijstelling of matiging van de belasting of een vermindering van de boetes bedoeld in § 2, tweede lid inhouden.
§ 7. Onverminderd artikel 1627 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt het resultaat van de verkoop van het voertuig in de volgende volgorde verrekend :
1° op de kosten van alle aard, ook al betreffen deze andere verschuldigde boetes of taksen ;
2° op de verwijlinteresten ;
3° op de administratieve boetes ;
4° op de verschuldigde taksen en de opcentiemen of opdeciemen.
Het eventuele saldo wordt terugbetaald aan de persoon aan wie het voertuig toebehoorde.]1
Art. 3.2.22. [1 § 1er. Au cas où l'amende prévue à l'article 3.4.1/1 n'a pas été payée dans le délai visé à l'article 3.2.21, il est encouru une majoration de l'amende égale à 20 % du montant de l'amende non payée ou payée hors délai.
Un intérêt est dû de plein droit si l'amende n'est pas payée dans les délais ; il est calculé mensuellement, au taux d'un douzième de l'intérêt légal en matière fiscale sur le total des amendes et des majorations dues. Toute fraction est comptée pour un mois. L'intérêt n'est réclamé que s'il atteint 2,50 euros.
En cas de restitution de l'amende, un intérêt est exigible de plein droit ; il est calculé mensuellement au taux d'un douzième de l'intérêt légal en matière fiscale sur le montant de l'amende à restituer. Toute fraction d'un mois est comptée pour un mois. L'intérêt n'est restitué que s'il atteint 2,50 euros.
§ 2. En cas de non-paiement dans les délais de l'amende, telle que majorée en vertu du § 1er, le fonctionnaire, statutaire ou contractuel, chargé par le Gouvernement du recouvrement, peut établir un commandement et faire procéder à la signification d'une contrainte, et éventuellement faire procéder à la saisie-exécution mobilière du véhicule ou toute autre mesure d'exécution. La contrainte décernée est visée et rendue exécutoire par le fonctionnaire susmentionné.
Le commandement et la contrainte peuvent reprendre, outre les sommes visées dans l'alinéa précédent, d'autres dettes non réglées qui concernent les taxes, amendes, centimes additionnels, décimes additionnels, intérêts, frais et accessoires qui sont perçus par l'administration fiscale et ce, pour autant que ces dettes soient certaines, définitives et exigibles.
Le risque et les frais éventuels résultant de la saisie sont à charge du redevable visé à l'article 3.2.18. La saisie est levée après le paiement de toutes les sommes et des frais y afférents, repris dans la contrainte.
Le tribunal de police peut, à la demande de l'administration fiscale, prononcer la confiscation de la plaque d'immatriculation du véhicule et ordonner sa restitution à l'autorité chargée de l'immatriculation des véhicules.
La contrainte est signifiée par exploit d'huissier de justice, par un envoi postal recommandé ou un recommandé électronique.
§ 3. La signification mentionnée au § 2 précédent a les effets mentionnés à l'article 15, § 2, de l'ordonnance du 21 décembre 2012 établissant la procédure fiscale en Région de Bruxelles-Capitale.
§ 4. Les articles 16 et 17 de l'ordonnance du 21 décembre 2012 établissant la procédure fiscale en Région de Bruxelles-Capitale sont d'application dans les cas visés au présent article.
L'exécution de la contrainte ne peut être interrompue que par une opposition motivée, formulée par le redevable. Cette opposition ne sera valable que pour les créances contestées expressément avec motivation.
Cette opposition doit être introduite par requête contradictoire auprès du tribunal de police. Cette introduction se fait en application des articles 1034bis à sexies du code judiciaire.
§ 5. Pour l'application des §§ 3 et 4, il faut entendre dans l'ordonnance du 21 décembre 2012 établissant la procédure fiscale en Région de Bruxelles-Capitale :
1° sous les notions de " taxe " et de " taxe régionale " : les montants dus en vertu de l'article 3.4.1/1 ;
2° sous les mots " la notification visée à l'article 15, § 1er ", mentionnés à l'article 16, § 1er, alinéa 1er : la signification mentionnée au § 2 de l'article 3.2.22 ;
3° sous les notions de " l'article 15 " et " l'article 15, § 1er " mentionnés à l'article 17, § 3 : l'article 2.21.
§ 6. La solution des difficultés qui peuvent s'élever relativement à la perception de l'amende avant l'introduction des instances appartient aux fonctionnaires statutaires ou contractuels désignés par le Gouvernement. Ils peuvent conclure des transactions avec les redevables, pourvu qu'elles n'impliquent pas exemption ou modération d'impôt ou réduction des amendes visées au § 2, alinéa 2.
§ 7. Sans préjudice de l'article 1627 du Code judiciaire, le produit de la transaction de vente du véhicule est imputé dans l'ordre suivant :
1° aux frais de toute nature, même s'ils se rapportent à différentes taxes ou amendes dues ;
2° aux intérêts de retard ;
3° aux amendes administratives ;
4° aux taxes dues et aux centimes additionnels ou décimes additionnels.
Le solde éventuel est remboursé à la personne à laquelle le véhicule appartenait.]1
Un intérêt est dû de plein droit si l'amende n'est pas payée dans les délais ; il est calculé mensuellement, au taux d'un douzième de l'intérêt légal en matière fiscale sur le total des amendes et des majorations dues. Toute fraction est comptée pour un mois. L'intérêt n'est réclamé que s'il atteint 2,50 euros.
En cas de restitution de l'amende, un intérêt est exigible de plein droit ; il est calculé mensuellement au taux d'un douzième de l'intérêt légal en matière fiscale sur le montant de l'amende à restituer. Toute fraction d'un mois est comptée pour un mois. L'intérêt n'est restitué que s'il atteint 2,50 euros.
§ 2. En cas de non-paiement dans les délais de l'amende, telle que majorée en vertu du § 1er, le fonctionnaire, statutaire ou contractuel, chargé par le Gouvernement du recouvrement, peut établir un commandement et faire procéder à la signification d'une contrainte, et éventuellement faire procéder à la saisie-exécution mobilière du véhicule ou toute autre mesure d'exécution. La contrainte décernée est visée et rendue exécutoire par le fonctionnaire susmentionné.
Le commandement et la contrainte peuvent reprendre, outre les sommes visées dans l'alinéa précédent, d'autres dettes non réglées qui concernent les taxes, amendes, centimes additionnels, décimes additionnels, intérêts, frais et accessoires qui sont perçus par l'administration fiscale et ce, pour autant que ces dettes soient certaines, définitives et exigibles.
Le risque et les frais éventuels résultant de la saisie sont à charge du redevable visé à l'article 3.2.18. La saisie est levée après le paiement de toutes les sommes et des frais y afférents, repris dans la contrainte.
Le tribunal de police peut, à la demande de l'administration fiscale, prononcer la confiscation de la plaque d'immatriculation du véhicule et ordonner sa restitution à l'autorité chargée de l'immatriculation des véhicules.
La contrainte est signifiée par exploit d'huissier de justice, par un envoi postal recommandé ou un recommandé électronique.
§ 3. La signification mentionnée au § 2 précédent a les effets mentionnés à l'article 15, § 2, de l'ordonnance du 21 décembre 2012 établissant la procédure fiscale en Région de Bruxelles-Capitale.
§ 4. Les articles 16 et 17 de l'ordonnance du 21 décembre 2012 établissant la procédure fiscale en Région de Bruxelles-Capitale sont d'application dans les cas visés au présent article.
L'exécution de la contrainte ne peut être interrompue que par une opposition motivée, formulée par le redevable. Cette opposition ne sera valable que pour les créances contestées expressément avec motivation.
Cette opposition doit être introduite par requête contradictoire auprès du tribunal de police. Cette introduction se fait en application des articles 1034bis à sexies du code judiciaire.
§ 5. Pour l'application des §§ 3 et 4, il faut entendre dans l'ordonnance du 21 décembre 2012 établissant la procédure fiscale en Région de Bruxelles-Capitale :
1° sous les notions de " taxe " et de " taxe régionale " : les montants dus en vertu de l'article 3.4.1/1 ;
2° sous les mots " la notification visée à l'article 15, § 1er ", mentionnés à l'article 16, § 1er, alinéa 1er : la signification mentionnée au § 2 de l'article 3.2.22 ;
3° sous les notions de " l'article 15 " et " l'article 15, § 1er " mentionnés à l'article 17, § 3 : l'article 2.21.
§ 6. La solution des difficultés qui peuvent s'élever relativement à la perception de l'amende avant l'introduction des instances appartient aux fonctionnaires statutaires ou contractuels désignés par le Gouvernement. Ils peuvent conclure des transactions avec les redevables, pourvu qu'elles n'impliquent pas exemption ou modération d'impôt ou réduction des amendes visées au § 2, alinéa 2.
§ 7. Sans préjudice de l'article 1627 du Code judiciaire, le produit de la transaction de vente du véhicule est imputé dans l'ordre suivant :
1° aux frais de toute nature, même s'ils se rapportent à différentes taxes ou amendes dues ;
2° aux intérêts de retard ;
3° aux amendes administratives ;
4° aux taxes dues et aux centimes additionnels ou décimes additionnels.
Le solde éventuel est remboursé à la personne à laquelle le véhicule appartenait.]1
Art. 3.2.23. [1 § 1. De persoon aan wie een administratieve boete opgelegd werd op basis van de artikelen 3.2.16 tot en met [2 3.2.26]2, artikel 3.4.1/1 en de uitvoeringsbesluiten ervan, of desgevallend de persoon die hoofdelijk gehouden is tot betaling, kan een schriftelijke bezwaar indienen tegen het bedrag van de boete bij de door de Regering aangestelde contractuele of statutaire ambtenaar.
De persoon wiens verzoek tot afwijking op basis van artikel 3.2.16, § 2 geweigerd werd, kan een schriftelijk bezwaar indienen tegen deze weigering bij de door de Regering aangestelde contractuele of statutaire ambtenaar. In het geval dat geen antwoord of beslissing verkregen werd binnen een termijn van 62 dagen, te rekenen vanaf de zevende dag volgend op de ontvangst van het verzoek door de voormelde ambtenaar, wordt het ontbreken van enige reactie gelijkgesteld aan een stilzwijgende weigering van de afwijking.
§ 2. De bezwaren moeten gemotiveerd zijn en, op straffe van verval, ingediend worden binnen een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de zevende dag volgend op :
1° het versturen van het betalingsverzoek bedoeld in artikel 3.2.21 ;
2° de vaststelling van de overtreding in geval van een controle op de openbare weg ;
3° de beslissing van weigering tot afwijking bedoeld in artikel 3.2.16, § 2.
Er kan met terugwerkende kracht een afwijking vastgesteld worden die werd aangevraagd vóór of tijdens een overgangsperiode, in het geval deze laattijdig aanvaard zou zijn, om de betaling van de boete te doen uitdoven.
§ 3. Aan de personen die de bezwaren ingediend hebben, wordt een ontvangstbewijs afgeleverd, dat de datum van ontvangst van het administratief beroep vermeldt.
§ 4. Indien de persoon die het bezwaar indient of zijn raadsman hierom heeft verzocht, wordt hij gehoord. Daartoe wordt hij uitgenodigd om zich te melden binnen de aangegeven termijn.
§ 5. Zolang er geen beslissing genomen is, kan de persoon die het bezwaar ingediend heeft zijn oorspronkelijke bezwaar aanvullen met nieuwe, schriftelijk opgemaakte grieven, zelfs indien voorgelegd buiten de in § 2 voorziene termijnen.
§ 6. De ambtenaar bedoeld in § 1 doet als administratieve overheid een uitspraak over de grieven geformuleerd door de bezwaarindiener. Als hij de middelen van de bezwaarindiener ongegrond acht, deelt hij hem dit in een gemotiveerde beslissing mee.
§ 7. Het indienen van een administratief bezwaarschrift schorst de betalingstermijn van de boete niet, doch er mag geen enkele maatregel voor gedwongen invordering ten uitvoer gebracht worden vooraleer er een onherroepelijke beslissing is genomen.
§ 8. De beslissing met betrekking tot een bezwaarschrift is onherroepelijk bij ontstentenis van het inleiden van een vordering bij de politierechtbank uiterlijk binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving ervan.
De beslissing wordt definitief en uitvoerbaar na het verstrijken van de gerechtelijke beroepstermijnen en wordt betekend per aangetekende zending per post of elektronisch aangetekende zending.]1
De persoon wiens verzoek tot afwijking op basis van artikel 3.2.16, § 2 geweigerd werd, kan een schriftelijk bezwaar indienen tegen deze weigering bij de door de Regering aangestelde contractuele of statutaire ambtenaar. In het geval dat geen antwoord of beslissing verkregen werd binnen een termijn van 62 dagen, te rekenen vanaf de zevende dag volgend op de ontvangst van het verzoek door de voormelde ambtenaar, wordt het ontbreken van enige reactie gelijkgesteld aan een stilzwijgende weigering van de afwijking.
§ 2. De bezwaren moeten gemotiveerd zijn en, op straffe van verval, ingediend worden binnen een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de zevende dag volgend op :
1° het versturen van het betalingsverzoek bedoeld in artikel 3.2.21 ;
2° de vaststelling van de overtreding in geval van een controle op de openbare weg ;
3° de beslissing van weigering tot afwijking bedoeld in artikel 3.2.16, § 2.
Er kan met terugwerkende kracht een afwijking vastgesteld worden die werd aangevraagd vóór of tijdens een overgangsperiode, in het geval deze laattijdig aanvaard zou zijn, om de betaling van de boete te doen uitdoven.
§ 3. Aan de personen die de bezwaren ingediend hebben, wordt een ontvangstbewijs afgeleverd, dat de datum van ontvangst van het administratief beroep vermeldt.
§ 4. Indien de persoon die het bezwaar indient of zijn raadsman hierom heeft verzocht, wordt hij gehoord. Daartoe wordt hij uitgenodigd om zich te melden binnen de aangegeven termijn.
§ 5. Zolang er geen beslissing genomen is, kan de persoon die het bezwaar ingediend heeft zijn oorspronkelijke bezwaar aanvullen met nieuwe, schriftelijk opgemaakte grieven, zelfs indien voorgelegd buiten de in § 2 voorziene termijnen.
§ 6. De ambtenaar bedoeld in § 1 doet als administratieve overheid een uitspraak over de grieven geformuleerd door de bezwaarindiener. Als hij de middelen van de bezwaarindiener ongegrond acht, deelt hij hem dit in een gemotiveerde beslissing mee.
§ 7. Het indienen van een administratief bezwaarschrift schorst de betalingstermijn van de boete niet, doch er mag geen enkele maatregel voor gedwongen invordering ten uitvoer gebracht worden vooraleer er een onherroepelijke beslissing is genomen.
§ 8. De beslissing met betrekking tot een bezwaarschrift is onherroepelijk bij ontstentenis van het inleiden van een vordering bij de politierechtbank uiterlijk binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving ervan.
De beslissing wordt definitief en uitvoerbaar na het verstrijken van de gerechtelijke beroepstermijnen en wordt betekend per aangetekende zending per post of elektronisch aangetekende zending.]1
Art. 3.2.23. [1 § 1er. La personne à qui a été infligée une amende administrative, sur la base des articles 3.2.16 à [2 3.2.26]2, de l'article 3.4.1/1 et de leurs arrêtés d'exécution, ou le cas échéant la personne tenue solidairement du paiement, peut introduire une réclamation écrite contre le montant de l'amende auprès du fonctionnaire, statutaire ou contractuel, désigné par le Gouvernement.
La personne qui s'est vue refuser une dérogation sur la base de l'article 3.2.16, § 2, peut introduire auprès du fonctionnaire, statutaire ou contractuel, désigné par le Gouvernement, une réclamation écrite contre cette décision de refus. Dans le cas où aucune réponse ou décision n'aurait été formulée dans un délai de 62 jours et à compter du septième jour qui suit la réception de la demande par le fonctionnaire susmentionné, cette absence de réaction équivaudra à un refus tacite de la dérogation.
§ 2. Les réclamations sont motivées et, à peine de déchéance, introduites dans un délai de trente jours à compter du septième jour qui suit :
1° l'envoi de la demande de paiement visée à l'article 3.2.21 ;
2° la constatation de l'infraction en cas de contrôle sur la voie publique ;
3° la décision de refus de dérogation visée à l'article 3.2.16, § 2.
Il pourra être fait état, avec effet rétroactif, d'une dérogation, demandée avant ou pendant une période transitoire, dans le cas où celle-ci aura été acceptée tardivement, afin d'éteindre le paiement de l'amende.
§ 3. Il est délivré aux réclamants un accusé de réception, qui mentionne la date de réception du recours administratif.
§ 4. Si le réclamant ou son conseil en a fait la demande, il est entendu. A cet effet, il est invité à se présenter dans le délai mentionné.
§ 5. Aussi longtemps qu'une décision n'est pas intervenue, le réclamant peut compléter sa réclamation initiale par des griefs nouveaux, libellés par écrit, même présentés en dehors des délais prévus au § 2.
§ 6. Le fonctionnaire visé au § 1er statue, en tant qu'autorité administrative, sur les griefs formulés par le réclamant. S'il déclare les moyens du réclamant non fondés, il l'en informe par une décision motivée.
§ 7. L'introduction d'un recours administratif ne suspend pas le délai de paiement de l'amende ; toutefois, aucune mesure de recouvrement forcé ne peut être mise en oeuvre avant qu'une décision irrévocable soit intervenue.
§ 8. La décision prise sur la réclamation est irrévocable, à défaut d'introduction d'une action auprès du tribunal de police, au plus tard dans un délai de trois mois à dater de sa notification.
La décision devient définitive et est revêtue de la force exécutoire après expiration des délais de recours judiciaire ; celle-ci est notifiée par lettre recommandée à la poste ou par recommandé électronique.]1
La personne qui s'est vue refuser une dérogation sur la base de l'article 3.2.16, § 2, peut introduire auprès du fonctionnaire, statutaire ou contractuel, désigné par le Gouvernement, une réclamation écrite contre cette décision de refus. Dans le cas où aucune réponse ou décision n'aurait été formulée dans un délai de 62 jours et à compter du septième jour qui suit la réception de la demande par le fonctionnaire susmentionné, cette absence de réaction équivaudra à un refus tacite de la dérogation.
§ 2. Les réclamations sont motivées et, à peine de déchéance, introduites dans un délai de trente jours à compter du septième jour qui suit :
1° l'envoi de la demande de paiement visée à l'article 3.2.21 ;
2° la constatation de l'infraction en cas de contrôle sur la voie publique ;
3° la décision de refus de dérogation visée à l'article 3.2.16, § 2.
Il pourra être fait état, avec effet rétroactif, d'une dérogation, demandée avant ou pendant une période transitoire, dans le cas où celle-ci aura été acceptée tardivement, afin d'éteindre le paiement de l'amende.
§ 3. Il est délivré aux réclamants un accusé de réception, qui mentionne la date de réception du recours administratif.
§ 4. Si le réclamant ou son conseil en a fait la demande, il est entendu. A cet effet, il est invité à se présenter dans le délai mentionné.
§ 5. Aussi longtemps qu'une décision n'est pas intervenue, le réclamant peut compléter sa réclamation initiale par des griefs nouveaux, libellés par écrit, même présentés en dehors des délais prévus au § 2.
§ 6. Le fonctionnaire visé au § 1er statue, en tant qu'autorité administrative, sur les griefs formulés par le réclamant. S'il déclare les moyens du réclamant non fondés, il l'en informe par une décision motivée.
§ 7. L'introduction d'un recours administratif ne suspend pas le délai de paiement de l'amende ; toutefois, aucune mesure de recouvrement forcé ne peut être mise en oeuvre avant qu'une décision irrévocable soit intervenue.
§ 8. La décision prise sur la réclamation est irrévocable, à défaut d'introduction d'une action auprès du tribunal de police, au plus tard dans un délai de trois mois à dater de sa notification.
La décision devient définitive et est revêtue de la force exécutoire après expiration des délais de recours judiciaire ; celle-ci est notifiée par lettre recommandée à la poste ou par recommandé électronique.]1
Art. 3.2.24. [1 § 1. De in artikel 3.4.1/1 bedoelde invordering van de boete, de interesten en de vermeerderingen verjaart na vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop deze vastgelegd werd.
De invordering van de in het kader van de boete te veel ontvangen bedragen, verjaart binnen de vijf jaar, te rekenen vanaf het moment van de betaling van het niet-verschuldigde bedrag.
Indien de gegevens kunnen bijdragen aan het bewijs van een overtreding, zijn de verjaringstermijnen voor de invordering van de administratieve boete, zoals bepaald in dit artikel, van toepassing.
§ 2. Elke rechtsvordering betreffende de vestiging of de invordering van de boete en de vermeerderingen, ingesteld door het Gewest, door de schuldenaar van de boete of door enige andere persoon, schorst de verjaring. De schorsing vangt aan op het ogenblik van de inleidende akte en wordt beëindigd als de gerechtelijke beslissing in kracht van gewijsde is getreden.]1
De invordering van de in het kader van de boete te veel ontvangen bedragen, verjaart binnen de vijf jaar, te rekenen vanaf het moment van de betaling van het niet-verschuldigde bedrag.
Indien de gegevens kunnen bijdragen aan het bewijs van een overtreding, zijn de verjaringstermijnen voor de invordering van de administratieve boete, zoals bepaald in dit artikel, van toepassing.
§ 2. Elke rechtsvordering betreffende de vestiging of de invordering van de boete en de vermeerderingen, ingesteld door het Gewest, door de schuldenaar van de boete of door enige andere persoon, schorst de verjaring. De schorsing vangt aan op het ogenblik van de inleidende akte en wordt beëindigd als de gerechtelijke beslissing in kracht van gewijsde is getreden.]1
Art. 3.2.24. [1 § 1er. L'action en recouvrement de l'amende visée à l'article 3.4.1/1, des intérêts et des majorations se prescrit par cinq ans à compter du jour où elle a été établie.
L'action en recouvrement des montants trop perçus dans le cadre de l'amende, se prescrit par cinq ans à compter du moment du paiement du montant indu.
Lorsque les données peuvent contribuer à la preuve d'une infraction, les délais de prescription de l'action en recouvrement de l'amende administrative, visée dans le présent article, s'appliquent.
§ 2. Toute action en justice relative à l'établissement ou au recouvrement de l'amende et des majorations, introduite par la Région, par le débiteur de l'amende ou par toute autre personne, suspend le cours de la prescription. La suspension débute avec l'acte introductif et se termine lorsque la décision judiciaire est passée en force de chose jugée.]1
L'action en recouvrement des montants trop perçus dans le cadre de l'amende, se prescrit par cinq ans à compter du moment du paiement du montant indu.
Lorsque les données peuvent contribuer à la preuve d'une infraction, les délais de prescription de l'action en recouvrement de l'amende administrative, visée dans le présent article, s'appliquent.
§ 2. Toute action en justice relative à l'établissement ou au recouvrement de l'amende et des majorations, introduite par la Région, par le débiteur de l'amende ou par toute autre personne, suspend le cours de la prescription. La suspension débute avec l'acte introductif et se termine lorsque la décision judiciaire est passée en force de chose jugée.]1
Art. 3.2.27. [1 § 1. De Regering kan voorzien in steunmaatregelen in het kader van de uitvoering van de lage-emissie zone(s). Deze steunmaatregelen kunnen bestaan uit een in de tijd beperkt betalend recht op toegang tot de lage-emissiezone ; financiële ondersteuning voor natuurlijke personen (om met name een modale mobiliteitstransitie te stimuleren) ; financiële ondersteuning voor ondernemingen en andere rechtspersonen en informatie- en begeleidingspunten voor burgers en rechtspersonen.
§ 2. Met het oog op de toekenning, het onderzoek van de gerechtigden, het beheer van en de controle op deze steunmaatregelen, inclusief de sanctionering in het geval van misbruik, kunnen de volgende persoonsgegevens in de zin van artikel 4, 1) van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) zijn worden verzameld en verwerkt :
1° identiteit van de aanvrager, en van zijn of haar gezinsleden, met inbegrip van, het identificatienummer van het Rijksregister van natuurlijke personen zoals opgenomen in de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen of het identificatienummer van de sociale zekerheid zoals opgenomen in de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, de naam en voornaam, geboortedatum, hoofdverblijfplaats, datum van overlijden, en de samenstelling van het gezin ;
2° informatie over de motorvoertuigen van de begunstigde van de steunmaatregel en van zijn of haar gezinsleden, waaronder het motorvoertuig waarvan de nummerplaat geschrapt werd of zou worden, het inschrijvingsnummer, de categorie van het motorvoertuig, het type brandstof of vermogensbron zoals opgenomen, de euronorm, datum van eerste inschrijving en laatste inschrijving ; zoals opgenomen in het repertorium van voertuigen bedoeld in artikel 6 van het Koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen en informatie over de vernietiging of recyclage van het motorvoertuig zoals aangebracht door de aanvrager van de steunmaatregel ;
3° het globaal belastbare inkomen en de afzonderlijke belastbare inkomsten van alle meerderjarige personen van het gezin van de aanvrager, zoals opgenomen in het meest recente aanslagbiljet ter beschikking van de FOD Financiën, en indien dit niet beschikbaar is voor de aanvrager of zijn of haar gezinsleden informatie over het gezinskomen zoals opgenomen in een attest aangebracht door de aanvrager ;
4° informatie of de aanvrager voldoet aan de voorwaarden voor de toekenning van de speciale kaart waarvan sprake is in artikel 27.4.3 van de Wegcode, of van een vergelijkbaar document zoals bedoeld in artikel 27.4.1 van de Wegcode ;
5° het rekeningnummer van de aanvrager en zijn of haar gezinsleden ;
6° informatie of de aanvrager en zijn of haar gezinsleden over een rijbewijs in de zin van het Koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs beschikt, de motorvoertuigcategorie waarvoor het rijbewijs geldt en de datum waarop de geldigheidsduur afloopt ;
7° informatie of de aanvrager en zijn of haar gezinsleden recht hebben op bepaalde tegemoetkomingen onder de sociale zekerheid of sociale bijstand, namelijk het recht op verhoogde tegemoetkoming in de zin van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, een leefloon geniet in de zin van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, of een vorm van maatschappelijke welzijn geniet van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of de inkomensgarantie geniet in de zin van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen ;
8° informatie over de MOBIB-kaart die reeds gebruikt wordt door de aanvrager, en zijn of haar gezinsleden zoals aangebracht door de aanvrager.
Deze persoonsgegevens kunnen gebruikt worden om te controleren of aan de voorwaarden voor de steunmaatregel voldaan is, om de steunmaatregel te differentiëren naargelang het socio-economisch, gezondheids- of mobiliteitsprofiel van de aanvrager en zijn of haar gezinsleden, om de steunmaatregelen te toe te kennen en te beheren, om een controle uit te oefenen op misbruik en om misbruik te sanctioneren.
Voor de verwerking van persoonsgegevens die aangeboden worden door de gewestelijke dienstenintegrator in de zin van artikel 6, § 1 van de ordonnantie van 17 juli 2020 houdende verankering van het principe van de unieke gegevensinzameling in de werking van de diensten en instanties die behoren tot of taken uitvoeren voor de overheid en tot vereenvoudiging en gelijkschakeling van elektronische en papieren formulieren, treedt Leefmilieu Brussel op als verwerkingsverantwoordelijke. Voor de verwerking van persoonsgegevens die niet aangeboden worden door de gewestelijke dienstenintegrator treden Leefmilieu Brussel en het Centrum voor Informatica voor het Brussels Gewest op als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijke.
Deze persoonsgegevens kunnen maximaal zes maanden vanaf de aanvraag bewaard worden, met het oog op de toekenning van de steunmaatregel, maximaal vijf jaar na de toekenning met het oog op de het beheer en de controle en de sanctionering in geval van misbruik van toegekende steunmaatregelen en zolang als noodzakelijk is voor geschillenbeslechting.
De Regering is gerechtigd om de modaliteiten met betrekking tot gebruik van persoonsgegevens te preciseren in het kader van het toekennen, het beheer, de controle van de steunmaatregel en de sanctionering in geval van misbruik.
Deze persoonsgegevens kunnen meegedeeld worden aan die dienstverleners die de steunmaatregelen zullen uitvoeren, zoals bepaald door de Regering.]1
§ 2. Met het oog op de toekenning, het onderzoek van de gerechtigden, het beheer van en de controle op deze steunmaatregelen, inclusief de sanctionering in het geval van misbruik, kunnen de volgende persoonsgegevens in de zin van artikel 4, 1) van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) zijn worden verzameld en verwerkt :
1° identiteit van de aanvrager, en van zijn of haar gezinsleden, met inbegrip van, het identificatienummer van het Rijksregister van natuurlijke personen zoals opgenomen in de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen of het identificatienummer van de sociale zekerheid zoals opgenomen in de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, de naam en voornaam, geboortedatum, hoofdverblijfplaats, datum van overlijden, en de samenstelling van het gezin ;
2° informatie over de motorvoertuigen van de begunstigde van de steunmaatregel en van zijn of haar gezinsleden, waaronder het motorvoertuig waarvan de nummerplaat geschrapt werd of zou worden, het inschrijvingsnummer, de categorie van het motorvoertuig, het type brandstof of vermogensbron zoals opgenomen, de euronorm, datum van eerste inschrijving en laatste inschrijving ; zoals opgenomen in het repertorium van voertuigen bedoeld in artikel 6 van het Koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen en informatie over de vernietiging of recyclage van het motorvoertuig zoals aangebracht door de aanvrager van de steunmaatregel ;
3° het globaal belastbare inkomen en de afzonderlijke belastbare inkomsten van alle meerderjarige personen van het gezin van de aanvrager, zoals opgenomen in het meest recente aanslagbiljet ter beschikking van de FOD Financiën, en indien dit niet beschikbaar is voor de aanvrager of zijn of haar gezinsleden informatie over het gezinskomen zoals opgenomen in een attest aangebracht door de aanvrager ;
4° informatie of de aanvrager voldoet aan de voorwaarden voor de toekenning van de speciale kaart waarvan sprake is in artikel 27.4.3 van de Wegcode, of van een vergelijkbaar document zoals bedoeld in artikel 27.4.1 van de Wegcode ;
5° het rekeningnummer van de aanvrager en zijn of haar gezinsleden ;
6° informatie of de aanvrager en zijn of haar gezinsleden over een rijbewijs in de zin van het Koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs beschikt, de motorvoertuigcategorie waarvoor het rijbewijs geldt en de datum waarop de geldigheidsduur afloopt ;
7° informatie of de aanvrager en zijn of haar gezinsleden recht hebben op bepaalde tegemoetkomingen onder de sociale zekerheid of sociale bijstand, namelijk het recht op verhoogde tegemoetkoming in de zin van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, een leefloon geniet in de zin van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, of een vorm van maatschappelijke welzijn geniet van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of de inkomensgarantie geniet in de zin van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen ;
8° informatie over de MOBIB-kaart die reeds gebruikt wordt door de aanvrager, en zijn of haar gezinsleden zoals aangebracht door de aanvrager.
Deze persoonsgegevens kunnen gebruikt worden om te controleren of aan de voorwaarden voor de steunmaatregel voldaan is, om de steunmaatregel te differentiëren naargelang het socio-economisch, gezondheids- of mobiliteitsprofiel van de aanvrager en zijn of haar gezinsleden, om de steunmaatregelen te toe te kennen en te beheren, om een controle uit te oefenen op misbruik en om misbruik te sanctioneren.
Voor de verwerking van persoonsgegevens die aangeboden worden door de gewestelijke dienstenintegrator in de zin van artikel 6, § 1 van de ordonnantie van 17 juli 2020 houdende verankering van het principe van de unieke gegevensinzameling in de werking van de diensten en instanties die behoren tot of taken uitvoeren voor de overheid en tot vereenvoudiging en gelijkschakeling van elektronische en papieren formulieren, treedt Leefmilieu Brussel op als verwerkingsverantwoordelijke. Voor de verwerking van persoonsgegevens die niet aangeboden worden door de gewestelijke dienstenintegrator treden Leefmilieu Brussel en het Centrum voor Informatica voor het Brussels Gewest op als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijke.
Deze persoonsgegevens kunnen maximaal zes maanden vanaf de aanvraag bewaard worden, met het oog op de toekenning van de steunmaatregel, maximaal vijf jaar na de toekenning met het oog op de het beheer en de controle en de sanctionering in geval van misbruik van toegekende steunmaatregelen en zolang als noodzakelijk is voor geschillenbeslechting.
De Regering is gerechtigd om de modaliteiten met betrekking tot gebruik van persoonsgegevens te preciseren in het kader van het toekennen, het beheer, de controle van de steunmaatregel en de sanctionering in geval van misbruik.
Deze persoonsgegevens kunnen meegedeeld worden aan die dienstverleners die de steunmaatregelen zullen uitvoeren, zoals bepaald door de Regering.]1
Art. 3.2.25. [1 Toute somme qui doit être restituée ou payée à une personne, soit dans le cadre des compétences de l'administration régionale, soit dans le cadre de la règlementation relative au paiement indu, peut, au choix du fonctionnaire compétent et sans formalité, être utilisée pour le paiement des dettes de cette personne à la Région de Bruxelles-Capitale dans le cadre des compétences de l'administration régionale.
L'alinéa qui précède reste d'application en cas de saisie, cession, concours ou d'une procédure d'insolvabilité. ".
Pour l'application du présent article, on entend par " dettes " : les dettes certaines, définitives et exigibles qui ne constituent pas des dettes pour des taxes régionales pour lesquelles l'administration fédérale assure encore le service.]1
L'alinéa qui précède reste d'application en cas de saisie, cession, concours ou d'une procédure d'insolvabilité. ".
Pour l'application du présent article, on entend par " dettes " : les dettes certaines, définitives et exigibles qui ne constituent pas des dettes pour des taxes régionales pour lesquelles l'administration fédérale assure encore le service.]1
Art. 3.2.26. [1 Titel II van de ordonnantie van 21 december 2012 tot vaststelling van de fiscale procedure in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is van toepassing op de artikelen 3.2.16 tot en met [2 3.2.25]2, artikel 3.4.1/1 en de uitvoeringsbesluiten ervan.]1
Art. 3.2.27. [1 § 1er. Le Gouvernement peut prévoir des mesures d'accompagnement dans le cadre de la mise en oeuvre de la ou des zone(s) à basses émissions. Ces mesures d'accompagnement peuvent comprendre un droit d'accès payant et limité dans le temps à la zone de basses émissions ; un soutien financier aux personnes physiques (afin d'encourager notamment une transition modale de mobilité) ; un soutien financier aux entreprises et autres personnes morales et des points d'information et d'accompagnement pour les citoyens et les entreprises.
§ 2. En vue de l'attribution, de la recherche des ayants droit, de la gestion et du contrôle de ces mesures d'accompagnement, y compris la sanction en cas d'abus, les données à caractère personnel suivantes peuvent être collectées et traitées au sens de l'article 4, 1), du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données) :
1° l'identité du demandeur et des membres de son ménage, notamment le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques tel que repris dans la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques ou le numéro d'identification de la sécurité sociale tel que repris dans la loi du 15 janvier 1990 organique de la Banque Carrefour de la sécurité sociale, le nom et le prénom, la date de naissance, la résidence principale, la date de décès et la composition du ménage ;
2° des informations sur les véhicules à moteur du bénéficiaire de la mesure d'accompagnement et des membres de son ménage, y compris le véhicule à moteur dont la plaque d'immatriculation a été radiée ou serait radiée, le numéro d'immatriculation, la catégorie du véhicule à moteur, le type de carburant ou de source d'énergie tel qu'enregistré, la norme Euro, la date de la première et de la dernière immatriculation telles qu'enregistrées dans le répertoire matricule des véhicules visé à l'article 6 de l'arrêté royal du 20 juillet 2001 relatif à l'immatriculation de véhicules, et des informations sur la destruction ou le recyclage du véhicule à moteur telles qu'enregistrées par le demandeur de la mesure d'accompagnement ;
3° le revenu imposable globalement et les revenus imposables distinctement de toutes les membres majeurs du ménage du demandeur, tels qu'ils figurent dans l'avertissement-extrait le plus récent dont dispose le SPF Finances, et si cette information n'est pas disponible auprès du SPF Finances pour le demandeur ou les membres de son ménage, les informations sur le revenu du ménage figurant dans un certificat présenté par le demandeur ;
4° des informations indiquant si le demandeur remplit les conditions d'octroi de la carte spéciale visée à l'article 27.4.3 du Code de la route, ou d'un document comparable visé à l'article 27.4.1 du Code de la route ;
5° le numéro de compte du demandeur et des membres de son ménage ;
6° des informations indiquant si le demandeur et les membres de son ménage sont titulaires d'un permis de conduire au sens de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire, la catégorie de véhicule à moteur pour laquelle le permis est valable et la date d'expiration ;
7° des informations indiquant si le demandeur et les membres de son ménage ont droit à certaines interventions relevant de la sécurité sociale ou de l'assistance sociale, à savoir le droit à une intervention majorée au sens de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994, à un revenu d'intégration au sens de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, ou à une forme d'aide sociale au sens de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'action sociale, ou bénéficient de la garantie de revenus au sens de la loi du 22 mars 2001 instituant la garantie de revenus aux personnes âgées ;
8° des informations sur la carte MOBIB déjà utilisée par le demandeur et les membres de son ménage, telles que fournies par le demandeur.
Ces données à caractère personnel peuvent être utilisées pour vérifier si les conditions de la mesure d'accompagnement sont remplies, pour différencier la mesure d'accompagnement en fonction du profil socio-économique, de santé ou de mobilité du demandeur et des membres de son ménage, pour accorder et gérer les mesures d'accompagnement, pour surveiller les abus et pour sanctionner les abus.
Pour le traitement des données à caractère personnel fournies par l'intégrateur de services régional au sens de l'article 6, § 1er, de l'ordonnance du 17 juillet 2020 garantissant le principe de la collecte unique des données dans le fonctionnement des services et instances qui relèvent de ou exécutent certaines missions pour l'autorité, et portant simplification et harmonisation des formulaires électroniques et papier, Bruxelles Environnement agit en tant que responsable de traitement. Pour le traitement des données à caractère personnel qui ne sont pas fournies par l'intégrateur de services régional, Bruxelles Environnement et le Centre d'Informatique pour la Région bruxelloise agissent en tant que responsables du traitement conjoints.
Ces données à caractère personnel peuvent être conservées pendant une durée maximale de six mois à compter de la date de la demande, aux fins de l'octroi de la mesure d'accompagnement, pendant une durée maximale de cinq ans à compter de la date d'octroi, à des fins de gestion, de contrôle et de sanction en cas d'abus des mesures d'accompagnement octroyées, ainsi que pendant la durée nécessaire au règlement des litiges.
Le Gouvernement est habilité à préciser les modalités d'utilisation des données à caractère personnel dans le cadre de l'octroi, de la gestion et du contrôle de la mesure d'accompagnement et de la sanction en cas d'abus.
Ces données à caractère personnel peuvent être communiquées aux prestataires de services qui mettront en oeuvre les mesures d'accompagnement, telles que déterminées par le Gouvernement.]1
§ 2. En vue de l'attribution, de la recherche des ayants droit, de la gestion et du contrôle de ces mesures d'accompagnement, y compris la sanction en cas d'abus, les données à caractère personnel suivantes peuvent être collectées et traitées au sens de l'article 4, 1), du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données) :
1° l'identité du demandeur et des membres de son ménage, notamment le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques tel que repris dans la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques ou le numéro d'identification de la sécurité sociale tel que repris dans la loi du 15 janvier 1990 organique de la Banque Carrefour de la sécurité sociale, le nom et le prénom, la date de naissance, la résidence principale, la date de décès et la composition du ménage ;
2° des informations sur les véhicules à moteur du bénéficiaire de la mesure d'accompagnement et des membres de son ménage, y compris le véhicule à moteur dont la plaque d'immatriculation a été radiée ou serait radiée, le numéro d'immatriculation, la catégorie du véhicule à moteur, le type de carburant ou de source d'énergie tel qu'enregistré, la norme Euro, la date de la première et de la dernière immatriculation telles qu'enregistrées dans le répertoire matricule des véhicules visé à l'article 6 de l'arrêté royal du 20 juillet 2001 relatif à l'immatriculation de véhicules, et des informations sur la destruction ou le recyclage du véhicule à moteur telles qu'enregistrées par le demandeur de la mesure d'accompagnement ;
3° le revenu imposable globalement et les revenus imposables distinctement de toutes les membres majeurs du ménage du demandeur, tels qu'ils figurent dans l'avertissement-extrait le plus récent dont dispose le SPF Finances, et si cette information n'est pas disponible auprès du SPF Finances pour le demandeur ou les membres de son ménage, les informations sur le revenu du ménage figurant dans un certificat présenté par le demandeur ;
4° des informations indiquant si le demandeur remplit les conditions d'octroi de la carte spéciale visée à l'article 27.4.3 du Code de la route, ou d'un document comparable visé à l'article 27.4.1 du Code de la route ;
5° le numéro de compte du demandeur et des membres de son ménage ;
6° des informations indiquant si le demandeur et les membres de son ménage sont titulaires d'un permis de conduire au sens de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire, la catégorie de véhicule à moteur pour laquelle le permis est valable et la date d'expiration ;
7° des informations indiquant si le demandeur et les membres de son ménage ont droit à certaines interventions relevant de la sécurité sociale ou de l'assistance sociale, à savoir le droit à une intervention majorée au sens de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994, à un revenu d'intégration au sens de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, ou à une forme d'aide sociale au sens de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'action sociale, ou bénéficient de la garantie de revenus au sens de la loi du 22 mars 2001 instituant la garantie de revenus aux personnes âgées ;
8° des informations sur la carte MOBIB déjà utilisée par le demandeur et les membres de son ménage, telles que fournies par le demandeur.
Ces données à caractère personnel peuvent être utilisées pour vérifier si les conditions de la mesure d'accompagnement sont remplies, pour différencier la mesure d'accompagnement en fonction du profil socio-économique, de santé ou de mobilité du demandeur et des membres de son ménage, pour accorder et gérer les mesures d'accompagnement, pour surveiller les abus et pour sanctionner les abus.
Pour le traitement des données à caractère personnel fournies par l'intégrateur de services régional au sens de l'article 6, § 1er, de l'ordonnance du 17 juillet 2020 garantissant le principe de la collecte unique des données dans le fonctionnement des services et instances qui relèvent de ou exécutent certaines missions pour l'autorité, et portant simplification et harmonisation des formulaires électroniques et papier, Bruxelles Environnement agit en tant que responsable de traitement. Pour le traitement des données à caractère personnel qui ne sont pas fournies par l'intégrateur de services régional, Bruxelles Environnement et le Centre d'Informatique pour la Région bruxelloise agissent en tant que responsables du traitement conjoints.
Ces données à caractère personnel peuvent être conservées pendant une durée maximale de six mois à compter de la date de la demande, aux fins de l'octroi de la mesure d'accompagnement, pendant une durée maximale de cinq ans à compter de la date d'octroi, à des fins de gestion, de contrôle et de sanction en cas d'abus des mesures d'accompagnement octroyées, ainsi que pendant la durée nécessaire au règlement des litiges.
Le Gouvernement est habilité à préciser les modalités d'utilisation des données à caractère personnel dans le cadre de l'octroi, de la gestion et du contrôle de la mesure d'accompagnement et de la sanction en cas d'abus.
Ces données à caractère personnel peuvent être communiquées aux prestataires de services qui mettront en oeuvre les mesures d'accompagnement, telles que déterminées par le Gouvernement.]1
Wijzigingen
Art. 3.2.27. [1 § 1. De Regering kan voorzien in steunmaatregelen in het kader van de uitvoering van de lage-emissie zone(s). Deze steunmaatregelen kunnen bestaan uit een in de tijd beperkt betalend recht op toegang tot de lage-emissiezone ; financiële ondersteuning voor natuurlijke personen (om met name een modale mobiliteitstransitie te stimuleren) ; financiële ondersteuning voor ondernemingen en andere rechtspersonen en informatie- en begeleidingspunten voor burgers en rechtspersonen.
§ 2. Met het oog op de toekenning, het onderzoek van de gerechtigden, het beheer van en de controle op deze steunmaatregelen, inclusief de sanctionering in het geval van misbruik, kunnen de volgende persoonsgegevens in de zin van artikel 4, 1) van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) zijn worden verzameld en verwerkt :
1° identiteit van de aanvrager, en van zijn of haar gezinsleden, met inbegrip van, het identificatienummer van het Rijksregister van natuurlijke personen zoals opgenomen in de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen of het identificatienummer van de sociale zekerheid zoals opgenomen in de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, de naam en voornaam, geboortedatum, hoofdverblijfplaats, datum van overlijden, en de samenstelling van het gezin ;
2° informatie over de motorvoertuigen van de begunstigde van de steunmaatregel en van zijn of haar gezinsleden, waaronder het motorvoertuig waarvan de nummerplaat geschrapt werd of zou worden, het inschrijvingsnummer, de categorie van het motorvoertuig, het type brandstof of vermogensbron zoals opgenomen, de euronorm, datum van eerste inschrijving en laatste inschrijving ; zoals opgenomen in het repertorium van voertuigen bedoeld in artikel 6 van het Koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen en informatie over de vernietiging of recyclage van het motorvoertuig zoals aangebracht door de aanvrager van de steunmaatregel ;
3° het globaal belastbare inkomen en de afzonderlijke belastbare inkomsten van alle meerderjarige personen van het gezin van de aanvrager, zoals opgenomen in het meest recente aanslagbiljet ter beschikking van de FOD Financiën, en indien dit niet beschikbaar is voor de aanvrager of zijn of haar gezinsleden informatie over het gezinskomen zoals opgenomen in een attest aangebracht door de aanvrager ;
4° informatie of de aanvrager voldoet aan de voorwaarden voor de toekenning van de speciale kaart waarvan sprake is in artikel 27.4.3 van de Wegcode, of van een vergelijkbaar document zoals bedoeld in artikel 27.4.1 van de Wegcode ;
5° het rekeningnummer van de aanvrager en zijn of haar gezinsleden ;
6° informatie of de aanvrager en zijn of haar gezinsleden over een rijbewijs in de zin van het Koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs beschikt, de motorvoertuigcategorie waarvoor het rijbewijs geldt en de datum waarop de geldigheidsduur afloopt ;
7° informatie of de aanvrager en zijn of haar gezinsleden recht hebben op bepaalde tegemoetkomingen onder de sociale zekerheid of sociale bijstand, namelijk het recht op verhoogde tegemoetkoming in de zin van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, een leefloon geniet in de zin van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, of een vorm van maatschappelijke welzijn geniet van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of de inkomensgarantie geniet in de zin van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen ;
8° informatie over de MOBIB-kaart die reeds gebruikt wordt door de aanvrager, en zijn of haar gezinsleden zoals aangebracht door de aanvrager.
Deze persoonsgegevens kunnen gebruikt worden om te controleren of aan de voorwaarden voor de steunmaatregel voldaan is, om de steunmaatregel te differentiëren naargelang het socio-economisch, gezondheids- of mobiliteitsprofiel van de aanvrager en zijn of haar gezinsleden, om de steunmaatregelen te toe te kennen en te beheren, om een controle uit te oefenen op misbruik en om misbruik te sanctioneren.
Voor de verwerking van persoonsgegevens die aangeboden worden door de gewestelijke dienstenintegrator in de zin van artikel 6, § 1 van de ordonnantie van 17 juli 2020 houdende verankering van het principe van de unieke gegevensinzameling in de werking van de diensten en instanties die behoren tot of taken uitvoeren voor de overheid en tot vereenvoudiging en gelijkschakeling van elektronische en papieren formulieren, treedt Leefmilieu Brussel op als verwerkingsverantwoordelijke. Voor de verwerking van persoonsgegevens die niet aangeboden worden door de gewestelijke dienstenintegrator treden Leefmilieu Brussel en het Centrum voor Informatica voor het Brussels Gewest op als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijke.
Deze persoonsgegevens kunnen maximaal zes maanden vanaf de aanvraag bewaard worden, met het oog op de toekenning van de steunmaatregel, maximaal vijf jaar na de toekenning met het oog op de het beheer en de controle en de sanctionering in geval van misbruik van toegekende steunmaatregelen en zolang als noodzakelijk is voor geschillenbeslechting.
De Regering is gerechtigd om de modaliteiten met betrekking tot gebruik van persoonsgegevens te preciseren in het kader van het toekennen, het beheer, de controle van de steunmaatregel en de sanctionering in geval van misbruik.
Deze persoonsgegevens kunnen meegedeeld worden aan die dienstverleners die de steunmaatregelen zullen uitvoeren, zoals bepaald door de Regering.]1
§ 2. Met het oog op de toekenning, het onderzoek van de gerechtigden, het beheer van en de controle op deze steunmaatregelen, inclusief de sanctionering in het geval van misbruik, kunnen de volgende persoonsgegevens in de zin van artikel 4, 1) van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) zijn worden verzameld en verwerkt :
1° identiteit van de aanvrager, en van zijn of haar gezinsleden, met inbegrip van, het identificatienummer van het Rijksregister van natuurlijke personen zoals opgenomen in de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen of het identificatienummer van de sociale zekerheid zoals opgenomen in de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, de naam en voornaam, geboortedatum, hoofdverblijfplaats, datum van overlijden, en de samenstelling van het gezin ;
2° informatie over de motorvoertuigen van de begunstigde van de steunmaatregel en van zijn of haar gezinsleden, waaronder het motorvoertuig waarvan de nummerplaat geschrapt werd of zou worden, het inschrijvingsnummer, de categorie van het motorvoertuig, het type brandstof of vermogensbron zoals opgenomen, de euronorm, datum van eerste inschrijving en laatste inschrijving ; zoals opgenomen in het repertorium van voertuigen bedoeld in artikel 6 van het Koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen en informatie over de vernietiging of recyclage van het motorvoertuig zoals aangebracht door de aanvrager van de steunmaatregel ;
3° het globaal belastbare inkomen en de afzonderlijke belastbare inkomsten van alle meerderjarige personen van het gezin van de aanvrager, zoals opgenomen in het meest recente aanslagbiljet ter beschikking van de FOD Financiën, en indien dit niet beschikbaar is voor de aanvrager of zijn of haar gezinsleden informatie over het gezinskomen zoals opgenomen in een attest aangebracht door de aanvrager ;
4° informatie of de aanvrager voldoet aan de voorwaarden voor de toekenning van de speciale kaart waarvan sprake is in artikel 27.4.3 van de Wegcode, of van een vergelijkbaar document zoals bedoeld in artikel 27.4.1 van de Wegcode ;
5° het rekeningnummer van de aanvrager en zijn of haar gezinsleden ;
6° informatie of de aanvrager en zijn of haar gezinsleden over een rijbewijs in de zin van het Koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs beschikt, de motorvoertuigcategorie waarvoor het rijbewijs geldt en de datum waarop de geldigheidsduur afloopt ;
7° informatie of de aanvrager en zijn of haar gezinsleden recht hebben op bepaalde tegemoetkomingen onder de sociale zekerheid of sociale bijstand, namelijk het recht op verhoogde tegemoetkoming in de zin van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, een leefloon geniet in de zin van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, of een vorm van maatschappelijke welzijn geniet van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of de inkomensgarantie geniet in de zin van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen ;
8° informatie over de MOBIB-kaart die reeds gebruikt wordt door de aanvrager, en zijn of haar gezinsleden zoals aangebracht door de aanvrager.
Deze persoonsgegevens kunnen gebruikt worden om te controleren of aan de voorwaarden voor de steunmaatregel voldaan is, om de steunmaatregel te differentiëren naargelang het socio-economisch, gezondheids- of mobiliteitsprofiel van de aanvrager en zijn of haar gezinsleden, om de steunmaatregelen te toe te kennen en te beheren, om een controle uit te oefenen op misbruik en om misbruik te sanctioneren.
Voor de verwerking van persoonsgegevens die aangeboden worden door de gewestelijke dienstenintegrator in de zin van artikel 6, § 1 van de ordonnantie van 17 juli 2020 houdende verankering van het principe van de unieke gegevensinzameling in de werking van de diensten en instanties die behoren tot of taken uitvoeren voor de overheid en tot vereenvoudiging en gelijkschakeling van elektronische en papieren formulieren, treedt Leefmilieu Brussel op als verwerkingsverantwoordelijke. Voor de verwerking van persoonsgegevens die niet aangeboden worden door de gewestelijke dienstenintegrator treden Leefmilieu Brussel en het Centrum voor Informatica voor het Brussels Gewest op als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijke.
Deze persoonsgegevens kunnen maximaal zes maanden vanaf de aanvraag bewaard worden, met het oog op de toekenning van de steunmaatregel, maximaal vijf jaar na de toekenning met het oog op de het beheer en de controle en de sanctionering in geval van misbruik van toegekende steunmaatregelen en zolang als noodzakelijk is voor geschillenbeslechting.
De Regering is gerechtigd om de modaliteiten met betrekking tot gebruik van persoonsgegevens te preciseren in het kader van het toekennen, het beheer, de controle van de steunmaatregel en de sanctionering in geval van misbruik.
Deze persoonsgegevens kunnen meegedeeld worden aan die dienstverleners die de steunmaatregelen zullen uitvoeren, zoals bepaald door de Regering.]1
Art. 3.2.27. [1 § 1er. Le Gouvernement peut prévoir des mesures d'accompagnement dans le cadre de la mise en oeuvre de la ou des zone(s) à basses émissions. Ces mesures d'accompagnement peuvent comprendre un droit d'accès payant et limité dans le temps à la zone de basses émissions ; un soutien financier aux personnes physiques (afin d'encourager notamment une transition modale de mobilité) ; un soutien financier aux entreprises et autres personnes morales et des points d'information et d'accompagnement pour les citoyens et les entreprises.
§ 2. En vue de l'attribution, de la recherche des ayants droit, de la gestion et du contrôle de ces mesures d'accompagnement, y compris la sanction en cas d'abus, les données à caractère personnel suivantes peuvent être collectées et traitées au sens de l'article 4, 1), du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données) :
1° l'identité du demandeur et des membres de son ménage, notamment le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques tel que repris dans la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques ou le numéro d'identification de la sécurité sociale tel que repris dans la loi du 15 janvier 1990 organique de la Banque Carrefour de la sécurité sociale, le nom et le prénom, la date de naissance, la résidence principale, la date de décès et la composition du ménage ;
2° des informations sur les véhicules à moteur du bénéficiaire de la mesure d'accompagnement et des membres de son ménage, y compris le véhicule à moteur dont la plaque d'immatriculation a été radiée ou serait radiée, le numéro d'immatriculation, la catégorie du véhicule à moteur, le type de carburant ou de source d'énergie tel qu'enregistré, la norme Euro, la date de la première et de la dernière immatriculation telles qu'enregistrées dans le répertoire matricule des véhicules visé à l'article 6 de l'arrêté royal du 20 juillet 2001 relatif à l'immatriculation de véhicules, et des informations sur la destruction ou le recyclage du véhicule à moteur telles qu'enregistrées par le demandeur de la mesure d'accompagnement ;
3° le revenu imposable globalement et les revenus imposables distinctement de toutes les membres majeurs du ménage du demandeur, tels qu'ils figurent dans l'avertissement-extrait le plus récent dont dispose le SPF Finances, et si cette information n'est pas disponible auprès du SPF Finances pour le demandeur ou les membres de son ménage, les informations sur le revenu du ménage figurant dans un certificat présenté par le demandeur ;
4° des informations indiquant si le demandeur remplit les conditions d'octroi de la carte spéciale visée à l'article 27.4.3 du Code de la route, ou d'un document comparable visé à l'article 27.4.1 du Code de la route ;
5° le numéro de compte du demandeur et des membres de son ménage ;
6° des informations indiquant si le demandeur et les membres de son ménage sont titulaires d'un permis de conduire au sens de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire, la catégorie de véhicule à moteur pour laquelle le permis est valable et la date d'expiration ;
7° des informations indiquant si le demandeur et les membres de son ménage ont droit à certaines interventions relevant de la sécurité sociale ou de l'assistance sociale, à savoir le droit à une intervention majorée au sens de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994, à un revenu d'intégration au sens de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, ou à une forme d'aide sociale au sens de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'action sociale, ou bénéficient de la garantie de revenus au sens de la loi du 22 mars 2001 instituant la garantie de revenus aux personnes âgées ;
8° des informations sur la carte MOBIB déjà utilisée par le demandeur et les membres de son ménage, telles que fournies par le demandeur.
Ces données à caractère personnel peuvent être utilisées pour vérifier si les conditions de la mesure d'accompagnement sont remplies, pour différencier la mesure d'accompagnement en fonction du profil socio-économique, de santé ou de mobilité du demandeur et des membres de son ménage, pour accorder et gérer les mesures d'accompagnement, pour surveiller les abus et pour sanctionner les abus.
Pour le traitement des données à caractère personnel fournies par l'intégrateur de services régional au sens de l'article 6, § 1er, de l'ordonnance du 17 juillet 2020 garantissant le principe de la collecte unique des données dans le fonctionnement des services et instances qui relèvent de ou exécutent certaines missions pour l'autorité, et portant simplification et harmonisation des formulaires électroniques et papier, Bruxelles Environnement agit en tant que responsable de traitement. Pour le traitement des données à caractère personnel qui ne sont pas fournies par l'intégrateur de services régional, Bruxelles Environnement et le Centre d'Informatique pour la Région bruxelloise agissent en tant que responsables du traitement conjoints.
Ces données à caractère personnel peuvent être conservées pendant une durée maximale de six mois à compter de la date de la demande, aux fins de l'octroi de la mesure d'accompagnement, pendant une durée maximale de cinq ans à compter de la date d'octroi, à des fins de gestion, de contrôle et de sanction en cas d'abus des mesures d'accompagnement octroyées, ainsi que pendant la durée nécessaire au règlement des litiges.
Le Gouvernement est habilité à préciser les modalités d'utilisation des données à caractère personnel dans le cadre de l'octroi, de la gestion et du contrôle de la mesure d'accompagnement et de la sanction en cas d'abus.
Ces données à caractère personnel peuvent être communiquées aux prestataires de services qui mettront en oeuvre les mesures d'accompagnement, telles que déterminées par le Gouvernement.]1
§ 2. En vue de l'attribution, de la recherche des ayants droit, de la gestion et du contrôle de ces mesures d'accompagnement, y compris la sanction en cas d'abus, les données à caractère personnel suivantes peuvent être collectées et traitées au sens de l'article 4, 1), du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données) :
1° l'identité du demandeur et des membres de son ménage, notamment le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques tel que repris dans la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques ou le numéro d'identification de la sécurité sociale tel que repris dans la loi du 15 janvier 1990 organique de la Banque Carrefour de la sécurité sociale, le nom et le prénom, la date de naissance, la résidence principale, la date de décès et la composition du ménage ;
2° des informations sur les véhicules à moteur du bénéficiaire de la mesure d'accompagnement et des membres de son ménage, y compris le véhicule à moteur dont la plaque d'immatriculation a été radiée ou serait radiée, le numéro d'immatriculation, la catégorie du véhicule à moteur, le type de carburant ou de source d'énergie tel qu'enregistré, la norme Euro, la date de la première et de la dernière immatriculation telles qu'enregistrées dans le répertoire matricule des véhicules visé à l'article 6 de l'arrêté royal du 20 juillet 2001 relatif à l'immatriculation de véhicules, et des informations sur la destruction ou le recyclage du véhicule à moteur telles qu'enregistrées par le demandeur de la mesure d'accompagnement ;
3° le revenu imposable globalement et les revenus imposables distinctement de toutes les membres majeurs du ménage du demandeur, tels qu'ils figurent dans l'avertissement-extrait le plus récent dont dispose le SPF Finances, et si cette information n'est pas disponible auprès du SPF Finances pour le demandeur ou les membres de son ménage, les informations sur le revenu du ménage figurant dans un certificat présenté par le demandeur ;
4° des informations indiquant si le demandeur remplit les conditions d'octroi de la carte spéciale visée à l'article 27.4.3 du Code de la route, ou d'un document comparable visé à l'article 27.4.1 du Code de la route ;
5° le numéro de compte du demandeur et des membres de son ménage ;
6° des informations indiquant si le demandeur et les membres de son ménage sont titulaires d'un permis de conduire au sens de l'arrêté royal du 23 mars 1998 relatif au permis de conduire, la catégorie de véhicule à moteur pour laquelle le permis est valable et la date d'expiration ;
7° des informations indiquant si le demandeur et les membres de son ménage ont droit à certaines interventions relevant de la sécurité sociale ou de l'assistance sociale, à savoir le droit à une intervention majorée au sens de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994, à un revenu d'intégration au sens de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, ou à une forme d'aide sociale au sens de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'action sociale, ou bénéficient de la garantie de revenus au sens de la loi du 22 mars 2001 instituant la garantie de revenus aux personnes âgées ;
8° des informations sur la carte MOBIB déjà utilisée par le demandeur et les membres de son ménage, telles que fournies par le demandeur.
Ces données à caractère personnel peuvent être utilisées pour vérifier si les conditions de la mesure d'accompagnement sont remplies, pour différencier la mesure d'accompagnement en fonction du profil socio-économique, de santé ou de mobilité du demandeur et des membres de son ménage, pour accorder et gérer les mesures d'accompagnement, pour surveiller les abus et pour sanctionner les abus.
Pour le traitement des données à caractère personnel fournies par l'intégrateur de services régional au sens de l'article 6, § 1er, de l'ordonnance du 17 juillet 2020 garantissant le principe de la collecte unique des données dans le fonctionnement des services et instances qui relèvent de ou exécutent certaines missions pour l'autorité, et portant simplification et harmonisation des formulaires électroniques et papier, Bruxelles Environnement agit en tant que responsable de traitement. Pour le traitement des données à caractère personnel qui ne sont pas fournies par l'intégrateur de services régional, Bruxelles Environnement et le Centre d'Informatique pour la Région bruxelloise agissent en tant que responsables du traitement conjoints.
Ces données à caractère personnel peuvent être conservées pendant une durée maximale de six mois à compter de la date de la demande, aux fins de l'octroi de la mesure d'accompagnement, pendant une durée maximale de cinq ans à compter de la date d'octroi, à des fins de gestion, de contrôle et de sanction en cas d'abus des mesures d'accompagnement octroyées, ainsi que pendant la durée nécessaire au règlement des litiges.
Le Gouvernement est habilité à préciser les modalités d'utilisation des données à caractère personnel dans le cadre de l'octroi, de la gestion et du contrôle de la mesure d'accompagnement et de la sanction en cas d'abus.
Ces données à caractère personnel peuvent être communiquées aux prestataires de services qui mettront en oeuvre les mesures d'accompagnement, telles que déterminées par le Gouvernement.]1
Wijzigingen
TITEL 3. - Specifieke bepalingen inzake emissie van broeikasgassen
CHAPITRE 1er. - Système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre [1 relatif aux installations fixes]1
Art. 3.3.1.§ 1. Geen enkele exploitant mag een in bijlage 3.3 genoemde activiteiten uitoefenen die emissies van gespecificeerde broeikasgassen veroorzaakt zonder vergunning voor broeikasgasemissies.
CHAPITRE 1er. - Système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre [1 relatif aux installations fixes]1
Art. 3.3.2. § 1. Een vergunning voor broeikasgasemissies kan betrekking hebben op één of meer installaties die op dezelfde plaats door dezelfde exploitant worden geëxploiteerd.
Naast de voorschriften van artikel 56 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, bevat het besluit dat toelaat om broeikasgassen uit te stoten minstens de volgende elementen :
1° een beschrijving van de activiteiten en de emissies vanuit de betrokken installaties;
2° de bewakingsvoorschriften, met vermelding van de bewakingsmethode en -frequentie;
3° de rapportagevoorschriften;
4° de verplichting om [2 uiterlijk op 30 september van elk jaar]2 een hoeveelheid emissierechten conform de bepalingen van onderhavige titel in te leveren die gelijk is aan de totale emissies van de installatie tijdens het voorbije kalenderjaar, zoals nagezien overeenkomstig artikel 3.3.15 en bijlage 3.7.
§ 2. Wanneer in de installaties activiteiten worden uitgeoefend zoals opgenomen in bijlage I bij het besluit van 13 november 2008 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende de verplichting tot periodieke kennisgeving van milieugegevens voor bepaalde ingedeelde industriële installaties, worden de voorwaarden en procedure voor de afgifte van een vergunning voor broeikasgasemissies door [1 Leefmilieu Brussel]1 in overeenstemming gebracht met die waarin dat besluit voorziet. De in de artikelen 3.3.1, 3.3.2 en 3.3.11 gestelde eisen mogen aan de door het genoemde besluit gestelde procedures worden toegevoegd.
Naast de voorschriften van artikel 56 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, bevat het besluit dat toelaat om broeikasgassen uit te stoten minstens de volgende elementen :
1° een beschrijving van de activiteiten en de emissies vanuit de betrokken installaties;
2° de bewakingsvoorschriften, met vermelding van de bewakingsmethode en -frequentie;
3° de rapportagevoorschriften;
4° de verplichting om [2 uiterlijk op 30 september van elk jaar]2 een hoeveelheid emissierechten conform de bepalingen van onderhavige titel in te leveren die gelijk is aan de totale emissies van de installatie tijdens het voorbije kalenderjaar, zoals nagezien overeenkomstig artikel 3.3.15 en bijlage 3.7.
§ 2. Wanneer in de installaties activiteiten worden uitgeoefend zoals opgenomen in bijlage I bij het besluit van 13 november 2008 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende de verplichting tot periodieke kennisgeving van milieugegevens voor bepaalde ingedeelde industriële installaties, worden de voorwaarden en procedure voor de afgifte van een vergunning voor broeikasgasemissies door [1 Leefmilieu Brussel]1 in overeenstemming gebracht met die waarin dat besluit voorziet. De in de artikelen 3.3.1, 3.3.2 en 3.3.11 gestelde eisen mogen aan de door het genoemde besluit gestelde procedures worden toegevoegd.
Art. 3.3.1. § 1er. Aucun exploitant ne peut se livrer à une activité reprise à l'annexe 3.3 entraînant des émissions de gaz à effet de serre spécifiés sans une autorisation d'émettre des gaz à effet de serre.
§ 2. La demande d'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre ainsi que la délivrance de cette autorisation se font selon les procédures prévues par l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement à laquelle l'exploitant est soumis du fait de ses activités.
§ 3. Outre les informations requises en vertu des dispositions de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 28 mai 2009 déterminant la composition du dossier de demande de certificat, de déclaration et de permis d'environnement, toute demande d'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre comprend les éléments suivants :
1° une description de l'installation et de ses activités, ainsi que des technologies utilisées;
2° une description des matières premières et auxiliaires dont l'emploi est susceptible d'entraîner des émissions des gaz à effet de serre spécifiés;
3° une description des sources d'émission des gaz à effet de serre spécifiés de l'installation;
4° une description des mesures, notamment techniques et administratives, prévues pour surveiller et déclarer les émissions, conformément aux règles arrêtées par la Commission européenne et par le Gouvernement;
5° un résumé non technique des informations visées aux points 1° à 4° ;
6° toute information nécessaire au calcul des quotas, demandée par [2 Bruxelles Environnement]2.
Le Gouvernement précise le contenu et la forme des documents requis et la forme sous laquelle ils sont fournis.
[1 § 4. Bruxelles Environnement peut, après avoir consulté l'exploitant, exclure du système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre les installations qui lui ont déclaré des émissions inférieures à 25.000 tonnes d'équivalent-dioxyde de carbone, et qui, lorsqu'elles ont des activités de combustion, ont une puissance calorifique de combustion inférieure à 35 MW, à l'exclusion des émissions provenant de la biomasse, pour chacune des trois années précédant la notification visée au 1°, et qui font l'objet de mesures qui permettront d'atteindre des réductions d'émissions équivalentes, pour autant que Bruxelles Environnement :
1° notifie chacune de ces installations à la Commission européenne au plus tard à la date visée à l'article 3.3.13 du présent Code, en précisant les mesures équivalentes en place permettant d'atteindre des réductions d'émissions équivalentes ;
2° confirme que des mesures de surveillance ont été mises en place pour vérifier si l'une de ces installations produit une quantité égale ou supérieure à 25.000 tonnes d'équivalent-dioxyde de carbone, indépendamment des émissions provenant de la biomasse, au cours d'une année civile ;
3° confirme que si une installation émet une quantité égale ou supérieure à 25.000 tonnes d'équivalent-dioxyde de carbone, indépendamment des émissions provenant de la biomasse, au cours d'une année civile, cette installation réintégrera le système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre ; et
4° mette les informations visées aux 1°, 2° et 3° à la disposition du public.
Lorsqu'une installation réintègre le système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre en application de l'alinéa 1er, 3°, tous les quotas alloués conformément à l'article 3.3.5, alinéa 1er, du présent Code sont alloués à partir de l'année de la réintégration. Les quotas alloués à une telle installation sont déduits de la quantité à mettre aux enchères, en vertu de l'article 3.3.5, alinéa 2.
Les hôpitaux peuvent également être exclus s'ils adoptent des mesures équivalentes.
Bruxelles Environnement peut également exclure du système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre des installations qui ont déclaré à l'autorité compétente de l'Etat membre concerné des émissions inférieures à 2.500 tonnes d'équivalent-dioxyde de carbone, ainsi que des installations de secours qui n'ont pas fonctionné plus de 300 heures par an au cours de chacune des trois années précédant la notification visée à l'alinéa 1er, 1°, et ce dans les mêmes conditions que celles énoncées aux alinéas 1er à 3.]1
[3 § 5. Lorsqu'une installation modifie ses processus de production afin de réduire ses émissions de gaz à effet de serre et n'atteint plus un seuil supérieur à 20 MW de puissance calorifique totale de combustion figurant à l'annexe 3.3, l'exploitant a la possibilité de rester dans le champ d'application du présent chapitre jusqu'à la fin de la période de cinq ans en cours, dont la première période de cinq ans débute le 1er janvier 2021, après la modification de ses processus de production. L'exploitant a également la possibilité de décider que l'installation ne doit rester dans le champ d'application du présent chapitre que jusqu'à la fin de la période de cinq ans en cours ou de la période de cinq ans suivante après la modification des processus de production. L'exploitant qui souhaite faire usage de cette possibilité en informe Bruxelles Environnement.]3
§ 2. La demande d'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre ainsi que la délivrance de cette autorisation se font selon les procédures prévues par l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement à laquelle l'exploitant est soumis du fait de ses activités.
§ 3. Outre les informations requises en vertu des dispositions de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 28 mai 2009 déterminant la composition du dossier de demande de certificat, de déclaration et de permis d'environnement, toute demande d'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre comprend les éléments suivants :
1° une description de l'installation et de ses activités, ainsi que des technologies utilisées;
2° une description des matières premières et auxiliaires dont l'emploi est susceptible d'entraîner des émissions des gaz à effet de serre spécifiés;
3° une description des sources d'émission des gaz à effet de serre spécifiés de l'installation;
4° une description des mesures, notamment techniques et administratives, prévues pour surveiller et déclarer les émissions, conformément aux règles arrêtées par la Commission européenne et par le Gouvernement;
5° un résumé non technique des informations visées aux points 1° à 4° ;
6° toute information nécessaire au calcul des quotas, demandée par [2 Bruxelles Environnement]2.
Le Gouvernement précise le contenu et la forme des documents requis et la forme sous laquelle ils sont fournis.
[1 § 4. Bruxelles Environnement peut, après avoir consulté l'exploitant, exclure du système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre les installations qui lui ont déclaré des émissions inférieures à 25.000 tonnes d'équivalent-dioxyde de carbone, et qui, lorsqu'elles ont des activités de combustion, ont une puissance calorifique de combustion inférieure à 35 MW, à l'exclusion des émissions provenant de la biomasse, pour chacune des trois années précédant la notification visée au 1°, et qui font l'objet de mesures qui permettront d'atteindre des réductions d'émissions équivalentes, pour autant que Bruxelles Environnement :
1° notifie chacune de ces installations à la Commission européenne au plus tard à la date visée à l'article 3.3.13 du présent Code, en précisant les mesures équivalentes en place permettant d'atteindre des réductions d'émissions équivalentes ;
2° confirme que des mesures de surveillance ont été mises en place pour vérifier si l'une de ces installations produit une quantité égale ou supérieure à 25.000 tonnes d'équivalent-dioxyde de carbone, indépendamment des émissions provenant de la biomasse, au cours d'une année civile ;
3° confirme que si une installation émet une quantité égale ou supérieure à 25.000 tonnes d'équivalent-dioxyde de carbone, indépendamment des émissions provenant de la biomasse, au cours d'une année civile, cette installation réintégrera le système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre ; et
4° mette les informations visées aux 1°, 2° et 3° à la disposition du public.
Lorsqu'une installation réintègre le système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre en application de l'alinéa 1er, 3°, tous les quotas alloués conformément à l'article 3.3.5, alinéa 1er, du présent Code sont alloués à partir de l'année de la réintégration. Les quotas alloués à une telle installation sont déduits de la quantité à mettre aux enchères, en vertu de l'article 3.3.5, alinéa 2.
Les hôpitaux peuvent également être exclus s'ils adoptent des mesures équivalentes.
Bruxelles Environnement peut également exclure du système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre des installations qui ont déclaré à l'autorité compétente de l'Etat membre concerné des émissions inférieures à 2.500 tonnes d'équivalent-dioxyde de carbone, ainsi que des installations de secours qui n'ont pas fonctionné plus de 300 heures par an au cours de chacune des trois années précédant la notification visée à l'alinéa 1er, 1°, et ce dans les mêmes conditions que celles énoncées aux alinéas 1er à 3.]1
[3 § 5. Lorsqu'une installation modifie ses processus de production afin de réduire ses émissions de gaz à effet de serre et n'atteint plus un seuil supérieur à 20 MW de puissance calorifique totale de combustion figurant à l'annexe 3.3, l'exploitant a la possibilité de rester dans le champ d'application du présent chapitre jusqu'à la fin de la période de cinq ans en cours, dont la première période de cinq ans débute le 1er janvier 2021, après la modification de ses processus de production. L'exploitant a également la possibilité de décider que l'installation ne doit rester dans le champ d'application du présent chapitre que jusqu'à la fin de la période de cinq ans en cours ou de la période de cinq ans suivante après la modification des processus de production. L'exploitant qui souhaite faire usage de cette possibilité en informe Bruxelles Environnement.]3
Art. 3.3.1. § 1. Geen enkele exploitant mag een in bijlage 3.3 genoemde activiteiten uitoefenen die emissies van gespecificeerde broeikasgassen veroorzaakt zonder vergunning voor broeikasgasemissies.
§ 2. De vergunningsaanvraag voor broeikasgasemissies en de toewijzing van die vergunning verlopen volgens de procedures waarin voorzien door de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen waaraan de exploitant uit hoofde van zijn activiteiten onderworpen is.
§ 3. Naast de vereiste informatie krachtens de bepalingen van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 28 mei 2009 tot vaststelling van de samenstelling van het dossier voor de aanvraag om een milieuattest, -aangifte en -vergunning, omvat elke vergunningsaanvraag voor broeikasgasemissies, de volgende elementen :
1° een beschrijving van de installatie en haar activiteiten, met inbegrip van de gebruikte technologie;
2° een beschrijving van de grondstoffen en hulpstoffen waarvan het gebruik waarschijnlijk emissies van de gespecificeerde broeikasgassen zal veroorzaken;
3° een beschrijving van de emissiebronnen van de gespecificeerde broeikasgassen van de installatie;
4° een beschrijving van de technische en administratieve maatregelen die voorzien zijn om de emissies te bewaken en te rapporteren, in overeenstemming met de door de Europese Commissie en de Regering vastgelegde regels;
5° een niet-technische samenvatting van de informatie bedoeld in de punten 1° tot 4° ;
6° alle door [2 Leefmilieu Brussel]2 opgevraagde informatie die nodig is om de emissierechten te berekenen.
De Regering preciseert de inhoud en de vorm van de vereiste documenten en de vorm waarin ze worden verstrekt.
[1 § 4. Leefmilieu Brussel kan, na de uitbater te hebben geraadpleegd, installaties met in elk van de drie jaren voorafgaand aan de onder 1° bedoelde melding gerapporteerde emissies van minder dan 25.000 ton koolstofdioxide-equivalent, en die, wanneer ze verbrandingsactiviteiten hebben, een calorisch verbrandingsvermogen van minder dan 35 MW hebben, en die het voorwerp uitmaken van maatregelen die toelaten een vermindering van equivalente emissies te bereiken, emissies uit biomassa niet meegerekend, van het systeem van handel in broeikasgasemissierechten uitsluiten, op voorwaarde dat Leefmilieu Brussel :
1° elk van deze installaties bij de Europese Commissie aanmeldt uiterlijk op de in artikel 3.3.13 van huidig Wetboek bedoelde datum, met vermelding van de ingevoerde equivalente maatregelen die toelaten een vermindering van de equivalente emissies te bereiken ;
2° bevestigt dat er een bewakingsregeling is om te bepalen of een installatie in enig kalenderjaar 25.000 ton of meer CO2-equivalent uitstoot, emissies uit biomassa niet meegerekend ;
3° bevestigt dat een installatie die in enig kalenderjaar 25.000 ton of meer CO2-equivalent uitstoot, emissies uit biomassa niet meegerekend, weer in het systeem van handel in broeikasgasemissierechten zal worden opgenomen ; en
4° de onder 1°, 2° en 3° bedoelde informatie ter beschikking stelt van het publiek.
Wanneer een installatie krachtens het eerste lid, 3°, weer in het systeem van handel in broeikasgasemissierechten wordt opgenomen, worden alle op grond van artikel 3.3.5, eerste lid, van huidig Wetboek toegewezen emissierechten verleend met ingang van het jaar van wederopneming. Aan een dergelijke installatie toegewezen emissierechten worden afgetrokken van de op grond van artikel 3.3.5, tweede lid, te veilen hoeveelheid.
De ziekenhuizen kunnen ook worden uitgesloten indien ze gelijkaardige maatregelen treffen.
Leefmilieu Brussel kan ook installaties die aan de bevoegde overheid van de betrokken lidstaat emissies van minder dan 2.500 ton CO2-equivalent hebben aangegeven en reservevoorzieningen die niet meer dan 300 uur per jaar operationeel waren in elk van de drie jaren voorafgaand aan de melding bedoeld in het eerste lid, 1°, van het systeem van handel in broeikasgasemissierechten uitsluiten, en dit onder dezelfde voorwaarden als in het eerste tot derde lid.]1
[3 § 5. Wanneer een installatie haar productieprocessen wijzigt om haar broeikasgasemissies te verminderen en niet langer aan een drempel van meer dan 20 MW totaal nominaal thermisch ingangsvermogen opgenomen in bijlage 3.3 voldoet, heeft de exploitant de mogelijkheid om tot het einde van de huidige en volgende periode van vijf jaar, waarvan de eerste periode van vijf jaar ingaat op 1 januari 2021, na de wijziging van zijn productieprocessen, binnen het toepassingsgebied van huidig hoofdstuk te blijven vallen. De exploitant heeft ook de mogelijkheid om te besluiten dat de installatie alleen tot het einde van de huidige periode van vijf jaar of ook van de volgende periode van vijf jaar na de wijziging van de productieprocessen binnen het toepassingsgebied van huidig hoofdstuk moet blijven vallen. De exploitant die wil gebruik maken van voormelde mogelijkheid, meldt dit aan Leefmilieu Brussel.]3
§ 2. De vergunningsaanvraag voor broeikasgasemissies en de toewijzing van die vergunning verlopen volgens de procedures waarin voorzien door de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen waaraan de exploitant uit hoofde van zijn activiteiten onderworpen is.
§ 3. Naast de vereiste informatie krachtens de bepalingen van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 28 mei 2009 tot vaststelling van de samenstelling van het dossier voor de aanvraag om een milieuattest, -aangifte en -vergunning, omvat elke vergunningsaanvraag voor broeikasgasemissies, de volgende elementen :
1° een beschrijving van de installatie en haar activiteiten, met inbegrip van de gebruikte technologie;
2° een beschrijving van de grondstoffen en hulpstoffen waarvan het gebruik waarschijnlijk emissies van de gespecificeerde broeikasgassen zal veroorzaken;
3° een beschrijving van de emissiebronnen van de gespecificeerde broeikasgassen van de installatie;
4° een beschrijving van de technische en administratieve maatregelen die voorzien zijn om de emissies te bewaken en te rapporteren, in overeenstemming met de door de Europese Commissie en de Regering vastgelegde regels;
5° een niet-technische samenvatting van de informatie bedoeld in de punten 1° tot 4° ;
6° alle door [2 Leefmilieu Brussel]2 opgevraagde informatie die nodig is om de emissierechten te berekenen.
De Regering preciseert de inhoud en de vorm van de vereiste documenten en de vorm waarin ze worden verstrekt.
[1 § 4. Leefmilieu Brussel kan, na de uitbater te hebben geraadpleegd, installaties met in elk van de drie jaren voorafgaand aan de onder 1° bedoelde melding gerapporteerde emissies van minder dan 25.000 ton koolstofdioxide-equivalent, en die, wanneer ze verbrandingsactiviteiten hebben, een calorisch verbrandingsvermogen van minder dan 35 MW hebben, en die het voorwerp uitmaken van maatregelen die toelaten een vermindering van equivalente emissies te bereiken, emissies uit biomassa niet meegerekend, van het systeem van handel in broeikasgasemissierechten uitsluiten, op voorwaarde dat Leefmilieu Brussel :
1° elk van deze installaties bij de Europese Commissie aanmeldt uiterlijk op de in artikel 3.3.13 van huidig Wetboek bedoelde datum, met vermelding van de ingevoerde equivalente maatregelen die toelaten een vermindering van de equivalente emissies te bereiken ;
2° bevestigt dat er een bewakingsregeling is om te bepalen of een installatie in enig kalenderjaar 25.000 ton of meer CO2-equivalent uitstoot, emissies uit biomassa niet meegerekend ;
3° bevestigt dat een installatie die in enig kalenderjaar 25.000 ton of meer CO2-equivalent uitstoot, emissies uit biomassa niet meegerekend, weer in het systeem van handel in broeikasgasemissierechten zal worden opgenomen ; en
4° de onder 1°, 2° en 3° bedoelde informatie ter beschikking stelt van het publiek.
Wanneer een installatie krachtens het eerste lid, 3°, weer in het systeem van handel in broeikasgasemissierechten wordt opgenomen, worden alle op grond van artikel 3.3.5, eerste lid, van huidig Wetboek toegewezen emissierechten verleend met ingang van het jaar van wederopneming. Aan een dergelijke installatie toegewezen emissierechten worden afgetrokken van de op grond van artikel 3.3.5, tweede lid, te veilen hoeveelheid.
De ziekenhuizen kunnen ook worden uitgesloten indien ze gelijkaardige maatregelen treffen.
Leefmilieu Brussel kan ook installaties die aan de bevoegde overheid van de betrokken lidstaat emissies van minder dan 2.500 ton CO2-equivalent hebben aangegeven en reservevoorzieningen die niet meer dan 300 uur per jaar operationeel waren in elk van de drie jaren voorafgaand aan de melding bedoeld in het eerste lid, 1°, van het systeem van handel in broeikasgasemissierechten uitsluiten, en dit onder dezelfde voorwaarden als in het eerste tot derde lid.]1
[3 § 5. Wanneer een installatie haar productieprocessen wijzigt om haar broeikasgasemissies te verminderen en niet langer aan een drempel van meer dan 20 MW totaal nominaal thermisch ingangsvermogen opgenomen in bijlage 3.3 voldoet, heeft de exploitant de mogelijkheid om tot het einde van de huidige en volgende periode van vijf jaar, waarvan de eerste periode van vijf jaar ingaat op 1 januari 2021, na de wijziging van zijn productieprocessen, binnen het toepassingsgebied van huidig hoofdstuk te blijven vallen. De exploitant heeft ook de mogelijkheid om te besluiten dat de installatie alleen tot het einde van de huidige periode van vijf jaar of ook van de volgende periode van vijf jaar na de wijziging van de productieprocessen binnen het toepassingsgebied van huidig hoofdstuk moet blijven vallen. De exploitant die wil gebruik maken van voormelde mogelijkheid, meldt dit aan Leefmilieu Brussel.]3
Art. 3.3.1. § 1er. Aucun exploitant ne peut se livrer à une activité reprise à l'annexe 3.3 entraînant des émissions de gaz à effet de serre spécifiés sans une autorisation d'émettre des gaz à effet de serre.
§ 2. La demande d'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre ainsi que la délivrance de cette autorisation se font selon les procédures prévues par l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement à laquelle l'exploitant est soumis du fait de ses activités.
§ 3. Outre les informations requises en vertu des dispositions de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 28 mai 2009 déterminant la composition du dossier de demande de certificat, de déclaration et de permis d'environnement, toute demande d'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre comprend les éléments suivants :
1° une description de l'installation et de ses activités, ainsi que des technologies utilisées;
2° une description des matières premières et auxiliaires dont l'emploi est susceptible d'entraîner des émissions des gaz à effet de serre spécifiés;
3° une description des sources d'émission des gaz à effet de serre spécifiés de l'installation;
4° une description des mesures, notamment techniques et administratives, prévues pour surveiller et déclarer les émissions, conformément aux règles arrêtées par la Commission européenne et par le Gouvernement;
5° un résumé non technique des informations visées aux points 1° à 4° ;
6° toute information nécessaire au calcul des quotas, demandée par [2 Bruxelles Environnement]2.
Le Gouvernement précise le contenu et la forme des documents requis et la forme sous laquelle ils sont fournis.
[1 § 4. Bruxelles Environnement peut, après avoir consulté l'exploitant, exclure du système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre les installations qui lui ont déclaré des émissions inférieures à 25.000 tonnes d'équivalent-dioxyde de carbone, et qui, lorsqu'elles ont des activités de combustion, ont une puissance calorifique de combustion inférieure à 35 MW, à l'exclusion des émissions provenant de la biomasse, pour chacune des trois années précédant la notification visée au 1°, et qui font l'objet de mesures qui permettront d'atteindre des réductions d'émissions équivalentes, pour autant que Bruxelles Environnement :
1° notifie chacune de ces installations à la Commission européenne au plus tard à la date visée à l'article 3.3.13 du présent Code, en précisant les mesures équivalentes en place permettant d'atteindre des réductions d'émissions équivalentes ;
2° confirme que des mesures de surveillance ont été mises en place pour vérifier si l'une de ces installations produit une quantité égale ou supérieure à 25.000 tonnes d'équivalent-dioxyde de carbone, indépendamment des émissions provenant de la biomasse, au cours d'une année civile ;
3° confirme que si une installation émet une quantité égale ou supérieure à 25.000 tonnes d'équivalent-dioxyde de carbone, indépendamment des émissions provenant de la biomasse, au cours d'une année civile, cette installation réintégrera le système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre ; et
4° mette les informations visées aux 1°, 2° et 3° à la disposition du public.
Lorsqu'une installation réintègre le système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre en application de l'alinéa 1er, 3°, tous les quotas alloués conformément à l'article 3.3.5, alinéa 1er, du présent Code sont alloués à partir de l'année de la réintégration. Les quotas alloués à une telle installation sont déduits de la quantité à mettre aux enchères, en vertu de l'article 3.3.5, alinéa 2.
Les hôpitaux peuvent également être exclus s'ils adoptent des mesures équivalentes.
Bruxelles Environnement peut également exclure du système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre des installations qui ont déclaré à l'autorité compétente de l'Etat membre concerné des émissions inférieures à 2.500 tonnes d'équivalent-dioxyde de carbone, ainsi que des installations de secours qui n'ont pas fonctionné plus de 300 heures par an au cours de chacune des trois années précédant la notification visée à l'alinéa 1er, 1°, et ce dans les mêmes conditions que celles énoncées aux alinéas 1er à 3.]1
[3 § 5. Lorsqu'une installation modifie ses processus de production afin de réduire ses émissions de gaz à effet de serre et n'atteint plus un seuil supérieur à 20 MW de puissance calorifique totale de combustion figurant à l'annexe 3.3, l'exploitant a la possibilité de rester dans le champ d'application du présent chapitre jusqu'à la fin de la période de cinq ans en cours, dont la première période de cinq ans débute le 1er janvier 2021, après la modification de ses processus de production. L'exploitant a également la possibilité de décider que l'installation ne doit rester dans le champ d'application du présent chapitre que jusqu'à la fin de la période de cinq ans en cours ou de la période de cinq ans suivante après la modification des processus de production. L'exploitant qui souhaite faire usage de cette possibilité en informe Bruxelles Environnement.]3
§ 2. La demande d'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre ainsi que la délivrance de cette autorisation se font selon les procédures prévues par l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement à laquelle l'exploitant est soumis du fait de ses activités.
§ 3. Outre les informations requises en vertu des dispositions de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 28 mai 2009 déterminant la composition du dossier de demande de certificat, de déclaration et de permis d'environnement, toute demande d'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre comprend les éléments suivants :
1° une description de l'installation et de ses activités, ainsi que des technologies utilisées;
2° une description des matières premières et auxiliaires dont l'emploi est susceptible d'entraîner des émissions des gaz à effet de serre spécifiés;
3° une description des sources d'émission des gaz à effet de serre spécifiés de l'installation;
4° une description des mesures, notamment techniques et administratives, prévues pour surveiller et déclarer les émissions, conformément aux règles arrêtées par la Commission européenne et par le Gouvernement;
5° un résumé non technique des informations visées aux points 1° à 4° ;
6° toute information nécessaire au calcul des quotas, demandée par [2 Bruxelles Environnement]2.
Le Gouvernement précise le contenu et la forme des documents requis et la forme sous laquelle ils sont fournis.
[1 § 4. Bruxelles Environnement peut, après avoir consulté l'exploitant, exclure du système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre les installations qui lui ont déclaré des émissions inférieures à 25.000 tonnes d'équivalent-dioxyde de carbone, et qui, lorsqu'elles ont des activités de combustion, ont une puissance calorifique de combustion inférieure à 35 MW, à l'exclusion des émissions provenant de la biomasse, pour chacune des trois années précédant la notification visée au 1°, et qui font l'objet de mesures qui permettront d'atteindre des réductions d'émissions équivalentes, pour autant que Bruxelles Environnement :
1° notifie chacune de ces installations à la Commission européenne au plus tard à la date visée à l'article 3.3.13 du présent Code, en précisant les mesures équivalentes en place permettant d'atteindre des réductions d'émissions équivalentes ;
2° confirme que des mesures de surveillance ont été mises en place pour vérifier si l'une de ces installations produit une quantité égale ou supérieure à 25.000 tonnes d'équivalent-dioxyde de carbone, indépendamment des émissions provenant de la biomasse, au cours d'une année civile ;
3° confirme que si une installation émet une quantité égale ou supérieure à 25.000 tonnes d'équivalent-dioxyde de carbone, indépendamment des émissions provenant de la biomasse, au cours d'une année civile, cette installation réintégrera le système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre ; et
4° mette les informations visées aux 1°, 2° et 3° à la disposition du public.
Lorsqu'une installation réintègre le système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre en application de l'alinéa 1er, 3°, tous les quotas alloués conformément à l'article 3.3.5, alinéa 1er, du présent Code sont alloués à partir de l'année de la réintégration. Les quotas alloués à une telle installation sont déduits de la quantité à mettre aux enchères, en vertu de l'article 3.3.5, alinéa 2.
Les hôpitaux peuvent également être exclus s'ils adoptent des mesures équivalentes.
Bruxelles Environnement peut également exclure du système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre des installations qui ont déclaré à l'autorité compétente de l'Etat membre concerné des émissions inférieures à 2.500 tonnes d'équivalent-dioxyde de carbone, ainsi que des installations de secours qui n'ont pas fonctionné plus de 300 heures par an au cours de chacune des trois années précédant la notification visée à l'alinéa 1er, 1°, et ce dans les mêmes conditions que celles énoncées aux alinéas 1er à 3.]1
[3 § 5. Lorsqu'une installation modifie ses processus de production afin de réduire ses émissions de gaz à effet de serre et n'atteint plus un seuil supérieur à 20 MW de puissance calorifique totale de combustion figurant à l'annexe 3.3, l'exploitant a la possibilité de rester dans le champ d'application du présent chapitre jusqu'à la fin de la période de cinq ans en cours, dont la première période de cinq ans débute le 1er janvier 2021, après la modification de ses processus de production. L'exploitant a également la possibilité de décider que l'installation ne doit rester dans le champ d'application du présent chapitre que jusqu'à la fin de la période de cinq ans en cours ou de la période de cinq ans suivante après la modification des processus de production. L'exploitant qui souhaite faire usage de cette possibilité en informe Bruxelles Environnement.]3
Art. 3.3.2. § 1. Een vergunning voor broeikasgasemissies kan betrekking hebben op één of meer installaties die op dezelfde plaats door dezelfde exploitant worden geëxploiteerd.
Naast de voorschriften van artikel 56 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, bevat het besluit dat toelaat om broeikasgassen uit te stoten minstens de volgende elementen :
1° een beschrijving van de activiteiten en de emissies vanuit de betrokken installaties;
2° de bewakingsvoorschriften, met vermelding van de bewakingsmethode en -frequentie;
3° de rapportagevoorschriften;
4° de verplichting om [2 uiterlijk op 30 september van elk jaar]2 een hoeveelheid emissierechten conform de bepalingen van onderhavige titel in te leveren die gelijk is aan de totale emissies van de installatie tijdens het voorbije kalenderjaar, zoals nagezien overeenkomstig artikel 3.3.15 en bijlage 3.7.
§ 2. Wanneer in de installaties activiteiten worden uitgeoefend zoals opgenomen in bijlage I bij het besluit van 13 november 2008 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende de verplichting tot periodieke kennisgeving van milieugegevens voor bepaalde ingedeelde industriële installaties, worden de voorwaarden en procedure voor de afgifte van een vergunning voor broeikasgasemissies door [1 Leefmilieu Brussel]1 in overeenstemming gebracht met die waarin dat besluit voorziet. De in de artikelen 3.3.1, 3.3.2 en 3.3.11 gestelde eisen mogen aan de door het genoemde besluit gestelde procedures worden toegevoegd.
Naast de voorschriften van artikel 56 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, bevat het besluit dat toelaat om broeikasgassen uit te stoten minstens de volgende elementen :
1° een beschrijving van de activiteiten en de emissies vanuit de betrokken installaties;
2° de bewakingsvoorschriften, met vermelding van de bewakingsmethode en -frequentie;
3° de rapportagevoorschriften;
4° de verplichting om [2 uiterlijk op 30 september van elk jaar]2 een hoeveelheid emissierechten conform de bepalingen van onderhavige titel in te leveren die gelijk is aan de totale emissies van de installatie tijdens het voorbije kalenderjaar, zoals nagezien overeenkomstig artikel 3.3.15 en bijlage 3.7.
§ 2. Wanneer in de installaties activiteiten worden uitgeoefend zoals opgenomen in bijlage I bij het besluit van 13 november 2008 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende de verplichting tot periodieke kennisgeving van milieugegevens voor bepaalde ingedeelde industriële installaties, worden de voorwaarden en procedure voor de afgifte van een vergunning voor broeikasgasemissies door [1 Leefmilieu Brussel]1 in overeenstemming gebracht met die waarin dat besluit voorziet. De in de artikelen 3.3.1, 3.3.2 en 3.3.11 gestelde eisen mogen aan de door het genoemde besluit gestelde procedures worden toegevoegd.
Art. 3.3.2. § 1er. Une autorisation d'émettre des gaz à effet de serre peut couvrir une ou plusieurs installations exploitées sur le même site par le même exploitant.
Outre les prescriptions de l'article 56 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, la décision autorisant d'émettre des gaz à effet de serre contient au moins les éléments suivants :
1° une description des activités et des émissions de l'installation concernée;
2° les exigences en matière de surveillance, précisant la méthode et la fréquence de la surveillance;
3° les exigences en matière de déclaration;
4° l'obligation de restituer, [2 au plus tard le 30 septembre de chaque année, une quantité de quotas]2 délivrés conformément aux dispositions du présent titre et correspondant aux émissions totales de l'installation au cours de l'année civile écoulée, telles qu'elles ont été vérifiées conformément à l'article 3.3.15 et à l'annexe 3.7.
§ 2. Lorsqu'au sein des installations s'exercent des activités figurant à l'annexe I de l'arrêté du 13 novembre 2008 du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale relatif à l'obligation de notification périodique de données environnementales pour certaines installations industrielles classées, les conditions et la procédure de délivrance d'une autorisation d'émettre des gaz à effet de serre sont coordonnées par [1 Bruxelles Environnement]1 avec celles prévues par le même arrêté. Les exigences prévues aux articles 3.3.1, 3.3.2 et 3.3.11 peuvent être intégrées dans les procédures prévues par le même arrêté.
Outre les prescriptions de l'article 56 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, la décision autorisant d'émettre des gaz à effet de serre contient au moins les éléments suivants :
1° une description des activités et des émissions de l'installation concernée;
2° les exigences en matière de surveillance, précisant la méthode et la fréquence de la surveillance;
3° les exigences en matière de déclaration;
4° l'obligation de restituer, [2 au plus tard le 30 septembre de chaque année, une quantité de quotas]2 délivrés conformément aux dispositions du présent titre et correspondant aux émissions totales de l'installation au cours de l'année civile écoulée, telles qu'elles ont été vérifiées conformément à l'article 3.3.15 et à l'annexe 3.7.
§ 2. Lorsqu'au sein des installations s'exercent des activités figurant à l'annexe I de l'arrêté du 13 novembre 2008 du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale relatif à l'obligation de notification périodique de données environnementales pour certaines installations industrielles classées, les conditions et la procédure de délivrance d'une autorisation d'émettre des gaz à effet de serre sont coordonnées par [1 Bruxelles Environnement]1 avec celles prévues par le même arrêté. Les exigences prévues aux articles 3.3.1, 3.3.2 et 3.3.11 peuvent être intégrées dans les procédures prévues par le même arrêté.
Art. 3.3.3. [1 Uiterlijk op 30 september 2019 publiceert Leefmilieu Brussel op zijn website de lijst van de installaties die onder het Europese systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten op het grondgebied van het Gewest vallen, zoals gericht aan de Europese Commissie.
De lijsten voor elke volgende periode van vijf jaar worden daarna om de vijf jaar ingediend.
Elke lijst bevat informatie over de productieactiviteit, de overdracht van warmte en gassen, de elektriciteitsproductie en de emissies op het niveau van de subinstallaties betreffende de vijf kalenderjaren voorafgaand aan de indiening ervan.]1
De lijsten voor elke volgende periode van vijf jaar worden daarna om de vijf jaar ingediend.
Elke lijst bevat informatie over de productieactiviteit, de overdracht van warmte en gassen, de elektriciteitsproductie en de emissies op het niveau van de subinstallaties betreffende de vijf kalenderjaren voorafgaand aan de indiening ervan.]1
Art. 3.3.3. [1 Pour le 30 septembre 2019 au plus tard, Bruxelles Environnement publie sur son site internet la liste des installations couvertes par le système européen d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre qui se trouvent sur le territoire de la Région, telle qu'adressée à la Commission européenne.
Les listes pour chaque période ultérieure de cinq ans sont présentées tous les cinq ans par la suite.
Chaque liste contient des informations relatives à l'activité de production, aux transferts de chaleur et de gaz, à la production d'électricité et aux émissions au niveau des sous-installations au cours des cinq années civiles précédant sa présentation.]1
Les listes pour chaque période ultérieure de cinq ans sont présentées tous les cinq ans par la suite.
Chaque liste contient des informations relatives à l'activité de production, aux transferts de chaleur et de gaz, à la production d'électricité et aux émissions au niveau des sous-installations au cours des cinq années civiles précédant sa présentation.]1
Wijzigingen
Art. 3.3.5. Uiterlijk op [3 30 juni]3 reikt [2 Leefmilieu Brussel]2 de emissierechten die kosteloos worden toegekend voor het betrokken jaar uit aan de installaties die op het grondgebied van het Gewest gelegen zijn in overeenstemming met de regels vermeld in bijlage 3.6, behalve bij stopzetting van activiteit.
De exploitanten kunnen bovendien emissierechten verwerven via veilingplatformen.
[1 De emissierechten worden alleen kosteloos toegewezen aan installaties waarvoor de in artikel 3.3.3, derde lid, bedoelde informatie wordt verstrekt.]1
De exploitanten kunnen bovendien emissierechten verwerven via veilingplatformen.
[1 De emissierechten worden alleen kosteloos toegewezen aan installaties waarvoor de in artikel 3.3.3, derde lid, bedoelde informatie wordt verstrekt.]1
Art. 3.3.4. § 1er. Toute personne peut détenir des quotas. Les quotas peuvent être transférés entre :
1° personnes dans l'Union européenne;
2° personnes dans l'Union européenne et personnes dans des pays tiers où ces quotas sont reconnus, sans restrictions autres que celles contenues dans le présent Code ou arrêtées en application de celui-ci.
§ 2. Les quotas délivrés par une autorité compétente d'un autre Etat membre de l'Union européenne ou d'une autre Région sont reconnus aux fins du respect des obligations incombant aux exploitants en application de l'article 3.3.6.
1° personnes dans l'Union européenne;
2° personnes dans l'Union européenne et personnes dans des pays tiers où ces quotas sont reconnus, sans restrictions autres que celles contenues dans le présent Code ou arrêtées en application de celui-ci.
§ 2. Les quotas délivrés par une autorité compétente d'un autre Etat membre de l'Union européenne ou d'une autre Région sont reconnus aux fins du respect des obligations incombant aux exploitants en application de l'article 3.3.6.
Art. 3.3.4. § 1. Elke persoon kan emissierechten bezitten. Ze mogen worden overgedragen tussen :
1° personen binnen de Europese Unie;
2° personen binnen de Europese Unie en personen in derde landen waar deze emissierechten erkend worden zonder andere beperkingen dan de bij of krachtens dit Wetboek gestelde beperkingen.
§ 2. De emissierechten die worden verleend door een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie of van een ander Gewest worden erkend voor de naleving van de verplichtingen waaraan de exploitanten moeten voldoen krachtens artikel 3.3.6.
1° personen binnen de Europese Unie;
2° personen binnen de Europese Unie en personen in derde landen waar deze emissierechten erkend worden zonder andere beperkingen dan de bij of krachtens dit Wetboek gestelde beperkingen.
§ 2. De emissierechten die worden verleend door een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie of van een ander Gewest worden erkend voor de naleving van de verplichtingen waaraan de exploitanten moeten voldoen krachtens artikel 3.3.6.
Art. 3.3.5. Au plus tard le [3 30 juin]3, [2 Bruxelles Environnement]2 délivre les quotas d'émission alloués à titre gratuit pour l'année concernée aux installations situées sur le territoire de la Région, conformément aux règles énoncées à l'annexe 3.6, sauf en cas de cessation d'activité.
Les exploitants peuvent en outre acquérir des quotas par le biais des plateformes de mises aux enchères.
[1 Les quotas ne sont alloués à titre gratuit qu'aux installations pour lesquelles les informations visées à l'article 3.3.3, alinéa 3, sont fournies.]1
Les exploitants peuvent en outre acquérir des quotas par le biais des plateformes de mises aux enchères.
[1 Les quotas ne sont alloués à titre gratuit qu'aux installations pour lesquelles les informations visées à l'article 3.3.3, alinéa 3, sont fournies.]1
Art. 3.3.7. De emissierechten die vanaf 1 januari 2013 worden uitgereikt, zijn geldig voor [1 onbepaalde tijd. Emissierechten die met ingang van 1 januari 2021 worden verleend, bevatten een aanduiding waaruit blijkt in welke periode van tien jaar te rekenen vanaf 1 januari 2021 zij zijn verstrekt, en zijn geldig voor emissies met ingang van het eerste jaar van die periode.]1
Bij de aanvang van elke periode bedoeld in het vorig lid annuleert [2 Leefmilieu Brussel]2 de emissierechten die niet meer geldig zijn en niet overeenkomstig artikel 3.3.6 zijn ingeleverd en geannuleerd.
[2 Leefmilieu Brussel]2 verleent personen emissierechten voor de lopende periode ter vervanging van emissierechten die zij bezaten en welke krachtens het vorig lid geannuleerd zijn.
Bij de aanvang van elke periode bedoeld in het vorig lid annuleert [2 Leefmilieu Brussel]2 de emissierechten die niet meer geldig zijn en niet overeenkomstig artikel 3.3.6 zijn ingeleverd en geannuleerd.
[2 Leefmilieu Brussel]2 verleent personen emissierechten voor de lopende periode ter vervanging van emissierechten die zij bezaten en welke krachtens het vorig lid geannuleerd zijn.
Art. 3.3.5. Au plus tard le [3 30 juin]3, [2 Bruxelles Environnement]2 délivre les quotas d'émission alloués à titre gratuit pour l'année concernée aux installations situées sur le territoire de la Région, conformément aux règles énoncées à l'annexe 3.6, sauf en cas de cessation d'activité.
Les exploitants peuvent en outre acquérir des quotas par le biais des plateformes de mises aux enchères.
[1 Les quotas ne sont alloués à titre gratuit qu'aux installations pour lesquelles les informations visées à l'article 3.3.3, alinéa 3, sont fournies.]1
Les exploitants peuvent en outre acquérir des quotas par le biais des plateformes de mises aux enchères.
[1 Les quotas ne sont alloués à titre gratuit qu'aux installations pour lesquelles les informations visées à l'article 3.3.3, alinéa 3, sont fournies.]1
Art. 3.3.6. § 1. Uiterlijk op [1 30 september]1 van elk jaar levert elke exploitant van een installatie een hoeveelheid emissierechten in die gelijk is aan de totale emissies van die installaties gedurende het afgelopen kalenderjaar, geverifieerd volgens artikel 3.3.15 van deze titel. Deze emissierechten worden daarna geannuleerd.
§ 2. De emissierechten kunnen op elk ogenblik worden geannuleerd op verzoek van de persoon die ze bezit.
§ 2. De emissierechten kunnen op elk ogenblik worden geannuleerd op verzoek van de persoon die ze bezit.
Art. 3.3.7. Les quotas délivrés à compter du 1er janvier 2013 sont valables pour [1 une durée indéterminée. Les quotas délivrés à partir du 1er janvier 2021 comportent une mention indiquant au cours de quelle période de dix ans à compter du 1er janvier 2021 ils ont été délivrés, et ils sont valables pour les émissions produites dès la première année de cette période.]1
Au début de chaque période visée à l'alinéa précédent, [2 Bruxelles Environnement]2 annule les quotas qui ne seraient plus valables et qui n'auraient pas été restitués et annulés conformément à l'article 3.3.6.
[2 Bruxelles Environnement]2 délivre des quotas aux personnes pour la période en cours afin de remplacer tout quota qu'elles détenaient et qui a été annulé conformément à l'alinéa précédent.
Au début de chaque période visée à l'alinéa précédent, [2 Bruxelles Environnement]2 annule les quotas qui ne seraient plus valables et qui n'auraient pas été restitués et annulés conformément à l'article 3.3.6.
[2 Bruxelles Environnement]2 délivre des quotas aux personnes pour la période en cours afin de remplacer tout quota qu'elles détenaient et qui a été annulé conformément à l'alinéa précédent.
Art. 3.3.7. De emissierechten die vanaf 1 januari 2013 worden uitgereikt, zijn geldig voor [1 onbepaalde tijd. Emissierechten die met ingang van 1 januari 2021 worden verleend, bevatten een aanduiding waaruit blijkt in welke periode van tien jaar te rekenen vanaf 1 januari 2021 zij zijn verstrekt, en zijn geldig voor emissies met ingang van het eerste jaar van die periode.]1
Bij de aanvang van elke periode bedoeld in het vorig lid annuleert [2 Leefmilieu Brussel]2 de emissierechten die niet meer geldig zijn en niet overeenkomstig artikel 3.3.6 zijn ingeleverd en geannuleerd.
[2 Leefmilieu Brussel]2 verleent personen emissierechten voor de lopende periode ter vervanging van emissierechten die zij bezaten en welke krachtens het vorig lid geannuleerd zijn.
Bij de aanvang van elke periode bedoeld in het vorig lid annuleert [2 Leefmilieu Brussel]2 de emissierechten die niet meer geldig zijn en niet overeenkomstig artikel 3.3.6 zijn ingeleverd en geannuleerd.
[2 Leefmilieu Brussel]2 verleent personen emissierechten voor de lopende periode ter vervanging van emissierechten die zij bezaten en welke krachtens het vorig lid geannuleerd zijn.
Art. 3.3.7. Les quotas délivrés à compter du 1er janvier 2013 sont valables pour [1 une durée indéterminée. Les quotas délivrés à partir du 1er janvier 2021 comportent une mention indiquant au cours de quelle période de dix ans à compter du 1er janvier 2021 ils ont été délivrés, et ils sont valables pour les émissions produites dès la première année de cette période.]1
Au début de chaque période visée à l'alinéa précédent, [2 Bruxelles Environnement]2 annule les quotas qui ne seraient plus valables et qui n'auraient pas été restitués et annulés conformément à l'article 3.3.6.
[2 Bruxelles Environnement]2 délivre des quotas aux personnes pour la période en cours afin de remplacer tout quota qu'elles détenaient et qui a été annulé conformément à l'alinéa précédent.
Au début de chaque période visée à l'alinéa précédent, [2 Bruxelles Environnement]2 annule les quotas qui ne seraient plus valables et qui n'auraient pas été restitués et annulés conformément à l'article 3.3.6.
[2 Bruxelles Environnement]2 délivre des quotas aux personnes pour la période en cours afin de remplacer tout quota qu'elles détenaient et qui a été annulé conformément à l'alinéa précédent.
Art. 3.3.9. [1 Wanneer de activiteiten van een installatie volgens een beoordeling op basis van een voortschrijdend gemiddelde van twee jaar, meer dan 15 % of minder in bedrijf zijn geweest vergeleken met het niveau dat aanvankelijk werd gebruikt om de kosteloze toewijzing van emissierechten voor de relevante periode als bedoeld in artikel 3.3.3, eerste lid, te bepalen, past Leefmilieu Brussel in voorkomend geval het niveau van de kosteloos toegewezen emissierechten aan.
De Regering legt, in voorkomend geval, aanvullende regelingen voor dergelijke aanpassingen vast, in overeenstemming met de door de Europese Commissie vastgestelde gedelegeerde handelingen uit hoofde van de Richtlijn 2003/87/EG [2 ...]2.]1
De Regering legt, in voorkomend geval, aanvullende regelingen voor dergelijke aanpassingen vast, in overeenstemming met de door de Europese Commissie vastgestelde gedelegeerde handelingen uit hoofde van de Richtlijn 2003/87/EG [2 ...]2.]1
Art. 3.3.8. § 1er. A la demande d'un nouvel entrant [1 ...]1, [2 Bruxelles Environnement]2 détermine, sur la base des règles arrêtées par le Gouvernement conformément [3 au règlement délégué 2019/331/UE]3, la quantité annuelle totale provisoire de quotas à allouer à titre gratuit à l'installation concernée une fois que celle-ci [1 ...]1 aura commencé à être exploitée normalement.
§ 2. Les demandes sont adressées à [2 Bruxelles Environnement]2 et instruites selon les mêmes modalités que les demandes d'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre.
§ 2. Les demandes sont adressées à [2 Bruxelles Environnement]2 et instruites selon les mêmes modalités que les demandes d'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre.
Art. 3.3.10. Ongeacht de verplichtingen opgelegd door artikel 7bis van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, informeert de exploitant [1 Leefmilieu Brussel]1, uiterlijk op 31 december van elk jaar, over alle voorgenomen of effectieve wijzigingen in de aard of de werking van de installatie of elke aanzienlijke capaciteitsuitbreiding of -vermindering waarvoor een aanpassing van de vergunning voor broeikasgasemissies vereist kan zijn. Zo nodig past [1 Leefmilieu Brussel]1 de vergunning aan overeenkomstig artikel 64 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen. Bij een verandering in de identiteit van de exploitant van de installatie past [1 Leefmilieu Brussel]1 de vergunning aan door de naam en het adres van de nieuwe exploitant erin te vermelden.
Art. 3.3.9. [1 Lorsque les activités d'une installation ont augmenté ou diminué, selon une évaluation réalisée sur la base d'une moyenne mobile de deux années, de plus de 15 % par rapport au niveau initialement retenu pour déterminer l'allocation de quotas à titre gratuit pour la période concernée visée à l'article 3.3.3, alinéa 1er, Bruxelles Environnement adapte, le cas échéant, le niveau des quotas alloués à titre gratuit.
Le Gouvernement fixe, le cas échéant, des modalités supplémentaires pour ces adaptations, conformément aux actes délégués adoptés par la Commission européenne en vertu de la Directive 2003/87/CE [2 ...]2.]1
Le Gouvernement fixe, le cas échéant, des modalités supplémentaires pour ces adaptations, conformément aux actes délégués adoptés par la Commission européenne en vertu de la Directive 2003/87/CE [2 ...]2.]1
Art. 3.3.11. § 1. Wanneer een installatie haar activiteiten heeft stopgezet, worden geen emissierechten aan die installatie uitgereikt vanaf het jaar dat op de stopzetting van de activiteit volgt.
§ 2. Een installatie wordt geacht haar activiteiten te hebben stopgezet als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de vergunning voor broeikasgasemissie, de milieuvergunning of een andere relevante exploitatievergunning is verlopen;
2° de onder het vorig punt bedoelde vergunningen zijn ingetrokken;
3° de werking van de installatie is technisch onmogelijk;
4° de installatie is niet in bedrijf, maar was dit wel in het verleden en het is technisch onmogelijk om ze opnieuw op te starten;
5° de installatie is niet in bedrijf, maar was dit wel in het verleden en de exploitant kan niet aantonen dat de installatie binnen zes maanden na de stopzetting van de activiteiten zal worden heropgestart. Deze termijn kan worden verlengd tot ten hoogste achttien maanden indien de exploitant kan aantonen dat de installatie niet binnen zes maanden kan worden heropgestart als gevolg van uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden, die aan de controle ontsnappen en die ook met de grootste voorzichtigheid niet konden worden vermeden zoals, met name omstandigheden zoals natuurrampen, oorlog, oorlogsdreiging, terroristische daden, revolutie, opstanden, sabotage of vandalisme.
In het geval bedoeld in punt 5°, wordt de uitreiking van emissierechten aan de installaties opgeschort zolang niet wordt aangetoond dat ze hun activiteiten zullen hervatten.
§ 3. § 2, 5° is niet van toepassing op de installaties die op reserve of stand-by worden gehouden en de installaties die worden geëxploiteerd in een seizoensregeling als aan alle volgende voorwaarden is voldaan :
1° de exploitant beschikt over een vergunning voor broeikasgasemissie en alle andere relevante vergunningen;
2° het is technisch mogelijk om de activiteiten te hervatten zonder materiële wijzigingen aan te brengen aan de installatie;
3° de installatie wordt regelmatig onderhouden.
§ 2. Een installatie wordt geacht haar activiteiten te hebben stopgezet als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de vergunning voor broeikasgasemissie, de milieuvergunning of een andere relevante exploitatievergunning is verlopen;
2° de onder het vorig punt bedoelde vergunningen zijn ingetrokken;
3° de werking van de installatie is technisch onmogelijk;
4° de installatie is niet in bedrijf, maar was dit wel in het verleden en het is technisch onmogelijk om ze opnieuw op te starten;
5° de installatie is niet in bedrijf, maar was dit wel in het verleden en de exploitant kan niet aantonen dat de installatie binnen zes maanden na de stopzetting van de activiteiten zal worden heropgestart. Deze termijn kan worden verlengd tot ten hoogste achttien maanden indien de exploitant kan aantonen dat de installatie niet binnen zes maanden kan worden heropgestart als gevolg van uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden, die aan de controle ontsnappen en die ook met de grootste voorzichtigheid niet konden worden vermeden zoals, met name omstandigheden zoals natuurrampen, oorlog, oorlogsdreiging, terroristische daden, revolutie, opstanden, sabotage of vandalisme.
In het geval bedoeld in punt 5°, wordt de uitreiking van emissierechten aan de installaties opgeschort zolang niet wordt aangetoond dat ze hun activiteiten zullen hervatten.
§ 3. § 2, 5° is niet van toepassing op de installaties die op reserve of stand-by worden gehouden en de installaties die worden geëxploiteerd in een seizoensregeling als aan alle volgende voorwaarden is voldaan :
1° de exploitant beschikt over een vergunning voor broeikasgasemissie en alle andere relevante vergunningen;
2° het is technisch mogelijk om de activiteiten te hervatten zonder materiële wijzigingen aan te brengen aan de installatie;
3° de installatie wordt regelmatig onderhouden.
Art. 3.3.10. Sans préjudice des obligations prévues à l'article 7bis de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, l'exploitant informe [1 Bruxelles Environnement]1, au plus tard le 31 décembre de chaque année, de toutes les modifications prévues ou effectives en ce qui concerne la nature, le fonctionnement de l'installation ou toute extension ou réduction importante de sa capacité, susceptibles de nécessiter une actualisation de l'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre. Le cas échéant, [1 Bruxelles Environnement]1 actualise l'autorisation conformément à l'article 64 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement. En cas de changement de l'identité de l'exploitant de l'installation, [1 Bruxelles Environnement]1 met à jour l'autorisation pour y faire figurer le nom et l'adresse du nouvel exploitant.
Wijzigingen
Art. 3.3.10. Ongeacht de verplichtingen opgelegd door artikel 7bis van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, informeert de exploitant [1 Leefmilieu Brussel]1, uiterlijk op 31 december van elk jaar, over alle voorgenomen of effectieve wijzigingen in de aard of de werking van de installatie of elke aanzienlijke capaciteitsuitbreiding of -vermindering waarvoor een aanpassing van de vergunning voor broeikasgasemissies vereist kan zijn. Zo nodig past [1 Leefmilieu Brussel]1 de vergunning aan overeenkomstig artikel 64 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen. Bij een verandering in de identiteit van de exploitant van de installatie past [1 Leefmilieu Brussel]1 de vergunning aan door de naam en het adres van de nieuwe exploitant erin te vermelden.
Art. 3.3.11. § 1er. Lorsqu'une installation a cessé ses activités, aucun quota n'est délivré à cette installation à compter de l'année suivant la cessation des activités.
§ 2. Une installation est réputée avoir cessé ses activités lorsqu'au moins une des conditions suivantes est remplie :
1° l'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre, le permis d'environnement ou toute autre autorisation d'exploiter en vigueur est arrivée à expiration;
2° les autorisations visées au point précédent ont été retirées;
3° l'exploitation de l'installation est techniquement impossible;
4° l'installation n'est pas en activité, mais l'a été précédemment, et la reprise des activités est techniquement impossible;
5° l'installation n'est pas en activité, mais l'a été précédemment, et l'exploitant n'est pas en mesure d'établir que l'exploitation reprendra dans les six mois suivant la cessation des activités. Cette période s'étend à dix-huit mois maximum si l'exploitant peut établir que l'installation n'est pas en mesure de reprendre ses activités dans les six mois en raison de circonstances exceptionnelles et imprévisibles échappant à son contrôle et que même le déploiement de toute la diligence requise n'aurait pas permis d'éviter, telles que, notamment, des catastrophes naturelles, des conflits armés, des menaces de conflit armé, des actes de terrorisme, des révolutions, des émeutes, des actes de sabotage ou des actes de vandalisme.
Dans l'hypothèse visée au 5°, la délivrance de quotas aux installations est suspendue tant qu'il n'est pas établi qu'elles vont reprendre leurs activités.
§ 3. Le paragraphe 2, 5°, ne s'applique pas aux installations qui sont des installations de réserve ou de secours et aux installations qui sont exploitées de manière saisonnière, lorsque toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° l'exploitant est titulaire d'une autorisation d'émettre des gaz à effet de serre et de tous les autres permis et autorisations requis;
2° il est techniquement possible de reprendre les activités sans apporter des modifications physiques à l'installation;
3° l'installation fait l'objet d'une maintenance régulière.
§ 2. Une installation est réputée avoir cessé ses activités lorsqu'au moins une des conditions suivantes est remplie :
1° l'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre, le permis d'environnement ou toute autre autorisation d'exploiter en vigueur est arrivée à expiration;
2° les autorisations visées au point précédent ont été retirées;
3° l'exploitation de l'installation est techniquement impossible;
4° l'installation n'est pas en activité, mais l'a été précédemment, et la reprise des activités est techniquement impossible;
5° l'installation n'est pas en activité, mais l'a été précédemment, et l'exploitant n'est pas en mesure d'établir que l'exploitation reprendra dans les six mois suivant la cessation des activités. Cette période s'étend à dix-huit mois maximum si l'exploitant peut établir que l'installation n'est pas en mesure de reprendre ses activités dans les six mois en raison de circonstances exceptionnelles et imprévisibles échappant à son contrôle et que même le déploiement de toute la diligence requise n'aurait pas permis d'éviter, telles que, notamment, des catastrophes naturelles, des conflits armés, des menaces de conflit armé, des actes de terrorisme, des révolutions, des émeutes, des actes de sabotage ou des actes de vandalisme.
Dans l'hypothèse visée au 5°, la délivrance de quotas aux installations est suspendue tant qu'il n'est pas établi qu'elles vont reprendre leurs activités.
§ 3. Le paragraphe 2, 5°, ne s'applique pas aux installations qui sont des installations de réserve ou de secours et aux installations qui sont exploitées de manière saisonnière, lorsque toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° l'exploitant est titulaire d'une autorisation d'émettre des gaz à effet de serre et de tous les autres permis et autorisations requis;
2° il est techniquement possible de reprendre les activités sans apporter des modifications physiques à l'installation;
3° l'installation fait l'objet d'une maintenance régulière.
Art. 3.3.11. § 1. Wanneer een installatie haar activiteiten heeft stopgezet, worden geen emissierechten aan die installatie uitgereikt vanaf het jaar dat op de stopzetting van de activiteit volgt.
§ 2. Een installatie wordt geacht haar activiteiten te hebben stopgezet als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de vergunning voor broeikasgasemissie, de milieuvergunning of een andere relevante exploitatievergunning is verlopen;
2° de onder het vorig punt bedoelde vergunningen zijn ingetrokken;
3° de werking van de installatie is technisch onmogelijk;
4° de installatie is niet in bedrijf, maar was dit wel in het verleden en het is technisch onmogelijk om ze opnieuw op te starten;
5° de installatie is niet in bedrijf, maar was dit wel in het verleden en de exploitant kan niet aantonen dat de installatie binnen zes maanden na de stopzetting van de activiteiten zal worden heropgestart. Deze termijn kan worden verlengd tot ten hoogste achttien maanden indien de exploitant kan aantonen dat de installatie niet binnen zes maanden kan worden heropgestart als gevolg van uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden, die aan de controle ontsnappen en die ook met de grootste voorzichtigheid niet konden worden vermeden zoals, met name omstandigheden zoals natuurrampen, oorlog, oorlogsdreiging, terroristische daden, revolutie, opstanden, sabotage of vandalisme.
In het geval bedoeld in punt 5°, wordt de uitreiking van emissierechten aan de installaties opgeschort zolang niet wordt aangetoond dat ze hun activiteiten zullen hervatten.
§ 3. § 2, 5° is niet van toepassing op de installaties die op reserve of stand-by worden gehouden en de installaties die worden geëxploiteerd in een seizoensregeling als aan alle volgende voorwaarden is voldaan :
1° de exploitant beschikt over een vergunning voor broeikasgasemissie en alle andere relevante vergunningen;
2° het is technisch mogelijk om de activiteiten te hervatten zonder materiële wijzigingen aan te brengen aan de installatie;
3° de installatie wordt regelmatig onderhouden.
§ 2. Een installatie wordt geacht haar activiteiten te hebben stopgezet als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de vergunning voor broeikasgasemissie, de milieuvergunning of een andere relevante exploitatievergunning is verlopen;
2° de onder het vorig punt bedoelde vergunningen zijn ingetrokken;
3° de werking van de installatie is technisch onmogelijk;
4° de installatie is niet in bedrijf, maar was dit wel in het verleden en het is technisch onmogelijk om ze opnieuw op te starten;
5° de installatie is niet in bedrijf, maar was dit wel in het verleden en de exploitant kan niet aantonen dat de installatie binnen zes maanden na de stopzetting van de activiteiten zal worden heropgestart. Deze termijn kan worden verlengd tot ten hoogste achttien maanden indien de exploitant kan aantonen dat de installatie niet binnen zes maanden kan worden heropgestart als gevolg van uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden, die aan de controle ontsnappen en die ook met de grootste voorzichtigheid niet konden worden vermeden zoals, met name omstandigheden zoals natuurrampen, oorlog, oorlogsdreiging, terroristische daden, revolutie, opstanden, sabotage of vandalisme.
In het geval bedoeld in punt 5°, wordt de uitreiking van emissierechten aan de installaties opgeschort zolang niet wordt aangetoond dat ze hun activiteiten zullen hervatten.
§ 3. § 2, 5° is niet van toepassing op de installaties die op reserve of stand-by worden gehouden en de installaties die worden geëxploiteerd in een seizoensregeling als aan alle volgende voorwaarden is voldaan :
1° de exploitant beschikt over een vergunning voor broeikasgasemissie en alle andere relevante vergunningen;
2° het is technisch mogelijk om de activiteiten te hervatten zonder materiële wijzigingen aan te brengen aan de installatie;
3° de installatie wordt regelmatig onderhouden.
Art. 3.3.11. § 1er. Lorsqu'une installation a cessé ses activités, aucun quota n'est délivré à cette installation à compter de l'année suivant la cessation des activités.
§ 2. Une installation est réputée avoir cessé ses activités lorsqu'au moins une des conditions suivantes est remplie :
1° l'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre, le permis d'environnement ou toute autre autorisation d'exploiter en vigueur est arrivée à expiration;
2° les autorisations visées au point précédent ont été retirées;
3° l'exploitation de l'installation est techniquement impossible;
4° l'installation n'est pas en activité, mais l'a été précédemment, et la reprise des activités est techniquement impossible;
5° l'installation n'est pas en activité, mais l'a été précédemment, et l'exploitant n'est pas en mesure d'établir que l'exploitation reprendra dans les six mois suivant la cessation des activités. Cette période s'étend à dix-huit mois maximum si l'exploitant peut établir que l'installation n'est pas en mesure de reprendre ses activités dans les six mois en raison de circonstances exceptionnelles et imprévisibles échappant à son contrôle et que même le déploiement de toute la diligence requise n'aurait pas permis d'éviter, telles que, notamment, des catastrophes naturelles, des conflits armés, des menaces de conflit armé, des actes de terrorisme, des révolutions, des émeutes, des actes de sabotage ou des actes de vandalisme.
Dans l'hypothèse visée au 5°, la délivrance de quotas aux installations est suspendue tant qu'il n'est pas établi qu'elles vont reprendre leurs activités.
§ 3. Le paragraphe 2, 5°, ne s'applique pas aux installations qui sont des installations de réserve ou de secours et aux installations qui sont exploitées de manière saisonnière, lorsque toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° l'exploitant est titulaire d'une autorisation d'émettre des gaz à effet de serre et de tous les autres permis et autorisations requis;
2° il est techniquement possible de reprendre les activités sans apporter des modifications physiques à l'installation;
3° l'installation fait l'objet d'une maintenance régulière.
§ 2. Une installation est réputée avoir cessé ses activités lorsqu'au moins une des conditions suivantes est remplie :
1° l'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre, le permis d'environnement ou toute autre autorisation d'exploiter en vigueur est arrivée à expiration;
2° les autorisations visées au point précédent ont été retirées;
3° l'exploitation de l'installation est techniquement impossible;
4° l'installation n'est pas en activité, mais l'a été précédemment, et la reprise des activités est techniquement impossible;
5° l'installation n'est pas en activité, mais l'a été précédemment, et l'exploitant n'est pas en mesure d'établir que l'exploitation reprendra dans les six mois suivant la cessation des activités. Cette période s'étend à dix-huit mois maximum si l'exploitant peut établir que l'installation n'est pas en mesure de reprendre ses activités dans les six mois en raison de circonstances exceptionnelles et imprévisibles échappant à son contrôle et que même le déploiement de toute la diligence requise n'aurait pas permis d'éviter, telles que, notamment, des catastrophes naturelles, des conflits armés, des menaces de conflit armé, des actes de terrorisme, des révolutions, des émeutes, des actes de sabotage ou des actes de vandalisme.
Dans l'hypothèse visée au 5°, la délivrance de quotas aux installations est suspendue tant qu'il n'est pas établi qu'elles vont reprendre leurs activités.
§ 3. Le paragraphe 2, 5°, ne s'applique pas aux installations qui sont des installations de réserve ou de secours et aux installations qui sont exploitées de manière saisonnière, lorsque toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° l'exploitant est titulaire d'une autorisation d'émettre des gaz à effet de serre et de tous les autres permis et autorisations requis;
2° il est techniquement possible de reprendre les activités sans apporter des modifications physiques à l'installation;
3° l'installation fait l'objet d'une maintenance régulière.
Afdeling 4. - Toezicht, aangifte en verificatie van de emissies en inlevering van de emissierechten
Art. 3.3.13. Dans les hypothèses visées aux articles précédents, ainsi qu'en cas de modification du niveau d'activité ou de l'exploitation d'une installation ayant une incidence sur son allocation de quotas, [1 Bruxelles Environnement]1 communique à la Commission européenne toutes les informations utiles, y compris la quantité annuelle totale provisoire révisée de quotas d'émissions alloués à titre gratuit à l'installation concernée, avant de déterminer la quantité annuelle totale finale de quotas alloués à titre gratuit.
Si la Commission européenne ne rejette pas cette quantité annuelle totale provisoire de quotas alloués à titre gratuit, [1 Bruxelles Environnement]1 détermine la quantité annuelle finale de quotas d'émission alloués à titre gratuit.
Si la Commission européenne ne rejette pas cette quantité annuelle totale provisoire de quotas alloués à titre gratuit, [1 Bruxelles Environnement]1 détermine la quantité annuelle finale de quotas d'émission alloués à titre gratuit.
Wijzigingen
Art. 3.3.13. In de gevallen bedoeld in de vorige artikelen en in geval van wijziging van het activiteiten- of exploitatieniveau van een installatie die een weerslag heeft op de toekenning van emissierechten, deelt [1 Leefmilieu Brussel]1 alle nuttige informatie mee aan de Europese Commissie, met inbegrip van de gereviseerde voorlopige totale jaarlijkse hoeveelheid kosteloos verleende emissierechten aan de betrokken installatie, vooraleer het de definitieve totale jaarlijkse hoeveelheid bepaalt die kosteloos zal worden toegekend.
Indien de Europese Commissie deze voorlopige totale jaarlijkse hoeveelheid kosteloos verleende emissierechten niet verwerpt, bepaalt [1 Leefmilieu Brussel]1 de definitieve jaarlijkse hoeveelheid emissierechten die kosteloos worden toegekend.
Indien de Europese Commissie deze voorlopige totale jaarlijkse hoeveelheid kosteloos verleende emissierechten niet verwerpt, bepaalt [1 Leefmilieu Brussel]1 de definitieve jaarlijkse hoeveelheid emissierechten die kosteloos worden toegekend.
Art. 3.3.13. Dans les hypothèses visées aux articles précédents, ainsi qu'en cas de modification du niveau d'activité ou de l'exploitation d'une installation ayant une incidence sur son allocation de quotas, [1 Bruxelles Environnement]1 communique à la Commission européenne toutes les informations utiles, y compris la quantité annuelle totale provisoire révisée de quotas d'émissions alloués à titre gratuit à l'installation concernée, avant de déterminer la quantité annuelle totale finale de quotas alloués à titre gratuit.
Si la Commission européenne ne rejette pas cette quantité annuelle totale provisoire de quotas alloués à titre gratuit, [1 Bruxelles Environnement]1 détermine la quantité annuelle finale de quotas d'émission alloués à titre gratuit.
Si la Commission européenne ne rejette pas cette quantité annuelle totale provisoire de quotas alloués à titre gratuit, [1 Bruxelles Environnement]1 détermine la quantité annuelle finale de quotas d'émission alloués à titre gratuit.
Wijzigingen
Art. 3.3.15. § 1. Uiterlijk op 28 februari van elk kalenderjaar, geeft de exploitant van een installatie de emissies die door zijn installatie in de loop van het voorbije kalenderjaar werden geproduceerd, overeenkomstig de voorschriften van artikel 63, § 1, 7°, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen en de regels vastgelegd door de Europese Commissie, aan bij [1 Leefmilieu Brussel]1.
§ 2. De exploitant van een installatie laat zijn verslag door een keuringsinstelling nazien en voegt bij zijn in § 1 bedoelde verslag een keurings- en gelijkvormigheidsattest.
Wanneer het verslag van een exploitant, na verificatie overeenkomstig de criteria vastgelegd in bijlage 3.7, niet tegen 31 maart van elk jaar bevredigend werd erkend voor wat de emissies tijdens het vorige jaar betreft, mag de exploitant geen emissierechten meer overdragen totdat een verslag van die exploitant als bevredigend is nagezien. Dit verbod heeft ingang vanaf de kennisgeving ervan aan de exploitant.
§ 3. De keuringsinstelling moet worden geaccrediteerd door BELAC of door een accreditatiesysteem dat als zijnde equivalent aan dat van BELAC wordt beschouwd.
§ 2. De exploitant van een installatie laat zijn verslag door een keuringsinstelling nazien en voegt bij zijn in § 1 bedoelde verslag een keurings- en gelijkvormigheidsattest.
Wanneer het verslag van een exploitant, na verificatie overeenkomstig de criteria vastgelegd in bijlage 3.7, niet tegen 31 maart van elk jaar bevredigend werd erkend voor wat de emissies tijdens het vorige jaar betreft, mag de exploitant geen emissierechten meer overdragen totdat een verslag van die exploitant als bevredigend is nagezien. Dit verbod heeft ingang vanaf de kennisgeving ervan aan de exploitant.
§ 3. De keuringsinstelling moet worden geaccrediteerd door BELAC of door een accreditatiesysteem dat als zijnde equivalent aan dat van BELAC wordt beschouwd.
Art. 3.3.14. Les exploitants surveillent les émissions de gaz à effet de serre produites par leurs installations conformément aux règles arrêtées par la Commission européenne.
[1 Bruxelles Environnement]1 assure la publicité de ces règles.
Les exploitants actualisent les programmes de surveillance contenus dans leur autorisation d'émettre des gaz à effet de serre et soumettent tout programme de surveillance actualisé à l'approbation de [1 Bruxelles Environnement]1.
[1 Bruxelles Environnement]1 assure la publicité de ces règles.
Les exploitants actualisent les programmes de surveillance contenus dans leur autorisation d'émettre des gaz à effet de serre et soumettent tout programme de surveillance actualisé à l'approbation de [1 Bruxelles Environnement]1.
Wijzigingen
Art. 3.3.14. De exploitanten bewaken de hoeveelheid broeikasgassen die hun installatie uitstoot overeenkomstig de regels vastgelegd door de Europese Commissie.
[1 Leefmilieu Brussel]1 zorgt ervoor dat deze regels bekendgemaakt worden.
De exploitanten werken de controleprogramma's die opgenomen zijn in hun vergunning voor broeikasgasemissie bij en leggen elk bijgewerkt controleprogramma ter goedkeuring voor aan [1 Leefmilieu Brussel]1.
[1 Leefmilieu Brussel]1 zorgt ervoor dat deze regels bekendgemaakt worden.
De exploitanten werken de controleprogramma's die opgenomen zijn in hun vergunning voor broeikasgasemissie bij en leggen elk bijgewerkt controleprogramma ter goedkeuring voor aan [1 Leefmilieu Brussel]1.
Art. 3.3.15. § 1er. Au plus tard le 28 février de chaque année civile, l'exploitant d'une installation déclare à [1 Bruxelles Environnement]1 les émissions produites par son installation au cours de l'année civile qui précède, conformément aux prescriptions de l'article 63, § 1er, 7°, de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement et aux règles arrêtées par la Commission européenne.
§ 2. L'exploitant d'une installation fait vérifier sa déclaration par un organisme vérificateur et joint à la déclaration visée au § 1er une attestation de vérification et de conformité.
Lorsque la déclaration d'un exploitant n'a pas été reconnue satisfaisante, après vérification conformément aux critères définis à l'annexe 3.7, pour le 31 mars de chaque année en ce qui concerne les émissions de l'année précédente, l'exploitant ne peut plus transférer de quotas jusqu'à ce qu'une déclaration de sa part ait été vérifiée comme étant satisfaisante. Cette interdiction prend effet dès sa notification à l'exploitant.
§ 3. L'organisme vérificateur doit faire l'objet d'une accréditation par BELAC ou d'un système d'accréditation considéré comme équivalent par BELAC.
§ 2. L'exploitant d'une installation fait vérifier sa déclaration par un organisme vérificateur et joint à la déclaration visée au § 1er une attestation de vérification et de conformité.
Lorsque la déclaration d'un exploitant n'a pas été reconnue satisfaisante, après vérification conformément aux critères définis à l'annexe 3.7, pour le 31 mars de chaque année en ce qui concerne les émissions de l'année précédente, l'exploitant ne peut plus transférer de quotas jusqu'à ce qu'une déclaration de sa part ait été vérifiée comme étant satisfaisante. Cette interdiction prend effet dès sa notification à l'exploitant.
§ 3. L'organisme vérificateur doit faire l'objet d'une accréditation par BELAC ou d'un système d'accréditation considéré comme équivalent par BELAC.
Wijzigingen
Art. 3.3.15. § 1. Uiterlijk op 28 februari van elk kalenderjaar, geeft de exploitant van een installatie de emissies die door zijn installatie in de loop van het voorbije kalenderjaar werden geproduceerd, overeenkomstig de voorschriften van artikel 63, § 1, 7°, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen en de regels vastgelegd door de Europese Commissie, aan bij [1 Leefmilieu Brussel]1.
§ 2. De exploitant van een installatie laat zijn verslag door een keuringsinstelling nazien en voegt bij zijn in § 1 bedoelde verslag een keurings- en gelijkvormigheidsattest.
Wanneer het verslag van een exploitant, na verificatie overeenkomstig de criteria vastgelegd in bijlage 3.7, niet tegen 31 maart van elk jaar bevredigend werd erkend voor wat de emissies tijdens het vorige jaar betreft, mag de exploitant geen emissierechten meer overdragen totdat een verslag van die exploitant als bevredigend is nagezien. Dit verbod heeft ingang vanaf de kennisgeving ervan aan de exploitant.
§ 3. De keuringsinstelling moet worden geaccrediteerd door BELAC of door een accreditatiesysteem dat als zijnde equivalent aan dat van BELAC wordt beschouwd.
§ 2. De exploitant van een installatie laat zijn verslag door een keuringsinstelling nazien en voegt bij zijn in § 1 bedoelde verslag een keurings- en gelijkvormigheidsattest.
Wanneer het verslag van een exploitant, na verificatie overeenkomstig de criteria vastgelegd in bijlage 3.7, niet tegen 31 maart van elk jaar bevredigend werd erkend voor wat de emissies tijdens het vorige jaar betreft, mag de exploitant geen emissierechten meer overdragen totdat een verslag van die exploitant als bevredigend is nagezien. Dit verbod heeft ingang vanaf de kennisgeving ervan aan de exploitant.
§ 3. De keuringsinstelling moet worden geaccrediteerd door BELAC of door een accreditatiesysteem dat als zijnde equivalent aan dat van BELAC wordt beschouwd.
Art. 3.3.15. § 1er. Au plus tard le 28 février de chaque année civile, l'exploitant d'une installation déclare à [1 Bruxelles Environnement]1 les émissions produites par son installation au cours de l'année civile qui précède, conformément aux prescriptions de l'article 63, § 1er, 7°, de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement et aux règles arrêtées par la Commission européenne.
§ 2. L'exploitant d'une installation fait vérifier sa déclaration par un organisme vérificateur et joint à la déclaration visée au § 1er une attestation de vérification et de conformité.
Lorsque la déclaration d'un exploitant n'a pas été reconnue satisfaisante, après vérification conformément aux critères définis à l'annexe 3.7, pour le 31 mars de chaque année en ce qui concerne les émissions de l'année précédente, l'exploitant ne peut plus transférer de quotas jusqu'à ce qu'une déclaration de sa part ait été vérifiée comme étant satisfaisante. Cette interdiction prend effet dès sa notification à l'exploitant.
§ 3. L'organisme vérificateur doit faire l'objet d'une accréditation par BELAC ou d'un système d'accréditation considéré comme équivalent par BELAC.
§ 2. L'exploitant d'une installation fait vérifier sa déclaration par un organisme vérificateur et joint à la déclaration visée au § 1er une attestation de vérification et de conformité.
Lorsque la déclaration d'un exploitant n'a pas été reconnue satisfaisante, après vérification conformément aux critères définis à l'annexe 3.7, pour le 31 mars de chaque année en ce qui concerne les émissions de l'année précédente, l'exploitant ne peut plus transférer de quotas jusqu'à ce qu'une déclaration de sa part ait été vérifiée comme étant satisfaisante. Cette interdiction prend effet dès sa notification à l'exploitant.
§ 3. L'organisme vérificateur doit faire l'objet d'une accréditation par BELAC ou d'un système d'accréditation considéré comme équivalent par BELAC.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 1bis. [1 Systeem van handel in broeikasgasemissierechten voor de gebouwensector, de wegvervoerssector en aanvullende sectoren]1
Art. 3.3.16.Chaque année, [1 Bruxelles Environnement]1 élabore un rapport sur la gestion des quotas. Ce rapport accorde une attention particulière aux dispositions prises concernant l'allocation des quotas, à l'utilisation des recettes de la mise aux enchères, à l'application des mesures d'exécution relatives à la surveillance et à la déclaration des émissions, à la vérification et à l'accréditation, ainsi qu'aux questions liées au respect des dispositions légales ETS.
Art. 3.3.16. Elk jaar brengt [1 Leefmilieu Brussel]1 een verslag uit op over het beheer van de emissierechten. Dat rapport besteedt vooral aandacht aan de maatregelen die werden genomen met het oog op de toewijzing van de emissierechten, het gebruik van de veilingontvangsten, de toepassing van de uitvoeringsmaatregelen betreffende het toezicht op en de aangifte van de emissierechten, de verificatie en de registratie alsook de aangelegenheden die verband houden met de naleving van de wettelijke ETS-bepalingen.
Art. 3.3.16. Chaque année, [1 Bruxelles Environnement]1 élabore un rapport sur la gestion des quotas. Ce rapport accorde une attention particulière aux dispositions prises concernant l'allocation des quotas, à l'utilisation des recettes de la mise aux enchères, à l'application des mesures d'exécution relatives à la surveillance et à la déclaration des émissions, à la vérification et à l'accréditation, ainsi qu'aux questions liées au respect des dispositions légales ETS.
Wijzigingen
Art. 3.3.16/1. [1 § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de uitslag tot verbruik van brandstoffen die worden gebruikt voor verbranding in de gebouwensector en de wegvervoerssector.
CHAPITRE 1er bis. [1 Système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre pour le secteur du bâtiment, le secteur du transport routier et d'autres secteurs]1
Afdeling 2. [1 Vergunning voor broeikasgasemissie]1
Art. 3.3.16/1. [1 § 1er. Le présent chapitre s'applique à la mise à la consommation de carburants utilisés pour la combustion dans le secteur du bâtiment et le secteur du transport routier.
Art. 3.3.16 /1. [1 § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de uitslag tot verbruik van brandstoffen die worden gebruikt voor verbranding in de gebouwensector en de wegvervoerssector.
Deze sectoren komen overeen met de volgende emissiebronnen, zoals gedefinieerd in de IPCC-richtsnoeren inzake nationale broeikasgas-inventarissen van 2006:
1° warmtekrachtkoppeling (WKK) (broncategorie-code 1A1a ii) en warmtecentrales (broncategorie-code 1A1a iii), voor zover zij warmte produceren voor de in de bepalingen onder 3° en 4° genoemde categorieën, hetzij rechtstreeks, hetzij via stadsverwarmingsnetten;
2° wegvervoer (broncategoriecode 1A3b), met uitzondering van het gebruik van landbouw-voertuigen op verharde wegen;
3° commerciële en institutionele sector (broncate-goriecode 1A4a);
4° voor bewoning bestemde gebouwensector (broncategoriecode 1A4b).
§ 2. Met ingang van 1 januari 2027 kan de regering het toepassingsgebied van dit hoofdstuk uitbreiden tot de uitslag tot verbruik van brandstoffen die worden gebruikt in andere sectoren dan de gebouwensector en de wegvervoerssector, met inachtneming van alle relevante criteria, in het bijzonder de effecten op de interne markt, mogelijke concurrentieverstoringen, de milieu-integriteit van het krachtens dit hoofdstuk vastgestelde emissiehandelssysteem en de betrouwbaarheid van het geplande bewakings- en rapportagesysteem, en op voorwaarde dat deze uitbreiding door de Europese Commissie wordt goedgekeurd.
Aanvullende sectoren komen overeen met de volgende emissiebronnen, zoals gedefinieerd in de IPCC-richtsnoeren inzake nationale broeikasgas-inventarissen van 2006:
1° energie-industrieën (broncategoriecode 1A1), met uitzondering van de categorieën bedoeld in § 1, 1°, die volgens deze richtsnoeren tot de gebouwen-sector behoren;
2° bewerkende en verwerkende industrie en bouw (broncategoriecode 1A2).
§ 3. Buiten het toepassingsgebied van dit hoofdstuk vallen:
1° de uitslag tot verbruik van brandstoffen die worden gebruikt voor activiteiten die vallen onder hoofdstuk 1 van deze titel, voor maritieme vervoersactiviteiten die vallen onder verordening (EU) 2015/757 of voor luchtvervoersactiviteiten die vallen onder het toepassingsgebied van de regeling van de Europese Unie voor de handel in broeikasgasemissierechten, tenzij de brandstoffen worden gebruikt:
a) voor verbranding in verband met het vervoer van broeikasgassen voor geologische opslag in een opslaglocatie waarvoor krachtens het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 februari 2012 betreffende de afvang en het vervoer van kooldioxide voor geologische opslag een vergunning is verleend;
b) voor verbranding in installaties die aan de bevoegde overheid van de betrokken lidstaat een emissie van minder dan 2.500 ton kooldioxide-equivalent hebben gemeld en die krachtens artikel 3.3.1, § 4, zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van hoofdstuk 1 van deze titel;
2° de uitslag tot verbruik van brandstoffen waarvoor de emissiefactor nul is;
3° de uitslag tot verbruik van gevaarlijk of stedelijk afval dat als brandstof wordt gebruikt.".
§ 4. Voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaat men onder "regels vastgelegd door de Europese Commissie": de door de Europese Commissie vast-gestelde uitvoeringshandelingen van richtlijn 2003/87/EG.]1
Deze sectoren komen overeen met de volgende emissiebronnen, zoals gedefinieerd in de IPCC-richtsnoeren inzake nationale broeikasgas-inventarissen van 2006:
1° warmtekrachtkoppeling (WKK) (broncategorie-code 1A1a ii) en warmtecentrales (broncategorie-code 1A1a iii), voor zover zij warmte produceren voor de in de bepalingen onder 3° en 4° genoemde categorieën, hetzij rechtstreeks, hetzij via stadsverwarmingsnetten;
2° wegvervoer (broncategoriecode 1A3b), met uitzondering van het gebruik van landbouw-voertuigen op verharde wegen;
3° commerciële en institutionele sector (broncate-goriecode 1A4a);
4° voor bewoning bestemde gebouwensector (broncategoriecode 1A4b).
§ 2. Met ingang van 1 januari 2027 kan de regering het toepassingsgebied van dit hoofdstuk uitbreiden tot de uitslag tot verbruik van brandstoffen die worden gebruikt in andere sectoren dan de gebouwensector en de wegvervoerssector, met inachtneming van alle relevante criteria, in het bijzonder de effecten op de interne markt, mogelijke concurrentieverstoringen, de milieu-integriteit van het krachtens dit hoofdstuk vastgestelde emissiehandelssysteem en de betrouwbaarheid van het geplande bewakings- en rapportagesysteem, en op voorwaarde dat deze uitbreiding door de Europese Commissie wordt goedgekeurd.
Aanvullende sectoren komen overeen met de volgende emissiebronnen, zoals gedefinieerd in de IPCC-richtsnoeren inzake nationale broeikasgas-inventarissen van 2006:
1° energie-industrieën (broncategoriecode 1A1), met uitzondering van de categorieën bedoeld in § 1, 1°, die volgens deze richtsnoeren tot de gebouwen-sector behoren;
2° bewerkende en verwerkende industrie en bouw (broncategoriecode 1A2).
§ 3. Buiten het toepassingsgebied van dit hoofdstuk vallen:
1° de uitslag tot verbruik van brandstoffen die worden gebruikt voor activiteiten die vallen onder hoofdstuk 1 van deze titel, voor maritieme vervoersactiviteiten die vallen onder verordening (EU) 2015/757 of voor luchtvervoersactiviteiten die vallen onder het toepassingsgebied van de regeling van de Europese Unie voor de handel in broeikasgasemissierechten, tenzij de brandstoffen worden gebruikt:
a) voor verbranding in verband met het vervoer van broeikasgassen voor geologische opslag in een opslaglocatie waarvoor krachtens het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 februari 2012 betreffende de afvang en het vervoer van kooldioxide voor geologische opslag een vergunning is verleend;
b) voor verbranding in installaties die aan de bevoegde overheid van de betrokken lidstaat een emissie van minder dan 2.500 ton kooldioxide-equivalent hebben gemeld en die krachtens artikel 3.3.1, § 4, zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van hoofdstuk 1 van deze titel;
2° de uitslag tot verbruik van brandstoffen waarvoor de emissiefactor nul is;
3° de uitslag tot verbruik van gevaarlijk of stedelijk afval dat als brandstof wordt gebruikt.".
§ 4. Voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaat men onder "regels vastgelegd door de Europese Commissie": de door de Europese Commissie vast-gestelde uitvoeringshandelingen van richtlijn 2003/87/EG.]1
Art. 3.3.16 /1. [1 § 1er. Le présent chapitre s'applique à la mise à la consommation de carburants utilisés pour la combustion dans le secteur du bâtiment et le secteur du transport routier.
Ces secteurs correspondent aux sources d'émissions suivantes, définies conformément aux lignes directrices 2006 du GIEC pour les inventaires nationaux de gaz à effet de serre:
1° production combinée de chaleur et d'électricité (code de catégorie de source 1A1a ii) et centrales de production de chaleur (code de catégorie de source 1A1a iii), dans la mesure où elles produisent de la chaleur pour les catégories visées aux 3° et 4°, soit directement, soit par l'intermédiaire de réseaux de chauffage urbain;
2° transport routier (code de catégorie de source 1A3b), à l'exclusion de l'utilisation de véhicules agricoles sur des routes pavées;
3° secteur commercial et institutionnel (code de catégorie de source 1A4a);
4° secteur résidentiel (code de catégorie de source 1A4b).
§ 2. A partir du 1er janvier 2027, le gouvernement peut étendre le champ d'application du présent chapitre à la mise à la consommation de carburants utilisés dans d'autres secteurs que ceux du bâtiment et du transport routier, en tenant compte de tous les critères pertinents, en particulier les effets sur le marché intérieur, les distorsions potentielles de concurrence, l'intégrité environnementale du système d'échange de quotas d'émission établi en vertu du présent chapitre ainsi que la fiabilité du système de surveillance et de déclaration prévu, et à condition que cette extension soit approuvée par la Commission européenne.
Les autres secteurs correspondent aux sources d'émissions suivantes, définies dans les lignes directrices de 2006 du GIEC pour les inventaires nationaux de gaz à effet de serre:
1° industries de l'énergie (code de catégorie de source 1A1), à l'exclusion des catégories visées au § 1er, 1°, lesquelles appartiennent au secteur du bâtiment selon ces lignes directrices;
2° industrie manufacturière et construction (code de catégorie de source 1A2).
§ 3. Sont exclues du champ d'application du présent chapitre:
1° la mise à la consommation des carburants utilisés pour les activités relevant du chapitre 1er du présent titre, pour les activités de transport maritime couvertes par le règlement (UE) 2015/757 ou pour les activités de transport aérien qui relèvent du champ d'application du système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre de l'Union européenne, sauf si les carburants sont utilisés:
a) pour la combustion dans le cadre des activités de transport des gaz à effet de serre en vue de leur stockage géologique dans un site de stockage agréé au titre de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 2 février 2012 relatif au captage et au transport de dioxyde de carbone aux fins de son stockage géologique;
b) pour la combustion dans des installations qui ont déclaré à l'autorité compétente de l'Etat membre concerné des émissions inférieures à 2.500 tonnes d'équivalents-dioxyde de carbone et qui ont été exclues du champ d'application du chapitre 1er du présent titre en vertu de l'article 3.3.1, § 4;
2° la mise à la consommation de carburants dont le facteur d'émission est égal à zéro;
3° la mise à la consommation de déchets dangereux ou municipaux utilisés comme carburant.
§ 4. Pour l'application du présent chapitre, on entend par " règles arrêtées par la Commission européenne ": les actes d'exécution de la directive 2003/87/CE adoptés par la Commission européenne.]1
Ces secteurs correspondent aux sources d'émissions suivantes, définies conformément aux lignes directrices 2006 du GIEC pour les inventaires nationaux de gaz à effet de serre:
1° production combinée de chaleur et d'électricité (code de catégorie de source 1A1a ii) et centrales de production de chaleur (code de catégorie de source 1A1a iii), dans la mesure où elles produisent de la chaleur pour les catégories visées aux 3° et 4°, soit directement, soit par l'intermédiaire de réseaux de chauffage urbain;
2° transport routier (code de catégorie de source 1A3b), à l'exclusion de l'utilisation de véhicules agricoles sur des routes pavées;
3° secteur commercial et institutionnel (code de catégorie de source 1A4a);
4° secteur résidentiel (code de catégorie de source 1A4b).
§ 2. A partir du 1er janvier 2027, le gouvernement peut étendre le champ d'application du présent chapitre à la mise à la consommation de carburants utilisés dans d'autres secteurs que ceux du bâtiment et du transport routier, en tenant compte de tous les critères pertinents, en particulier les effets sur le marché intérieur, les distorsions potentielles de concurrence, l'intégrité environnementale du système d'échange de quotas d'émission établi en vertu du présent chapitre ainsi que la fiabilité du système de surveillance et de déclaration prévu, et à condition que cette extension soit approuvée par la Commission européenne.
Les autres secteurs correspondent aux sources d'émissions suivantes, définies dans les lignes directrices de 2006 du GIEC pour les inventaires nationaux de gaz à effet de serre:
1° industries de l'énergie (code de catégorie de source 1A1), à l'exclusion des catégories visées au § 1er, 1°, lesquelles appartiennent au secteur du bâtiment selon ces lignes directrices;
2° industrie manufacturière et construction (code de catégorie de source 1A2).
§ 3. Sont exclues du champ d'application du présent chapitre:
1° la mise à la consommation des carburants utilisés pour les activités relevant du chapitre 1er du présent titre, pour les activités de transport maritime couvertes par le règlement (UE) 2015/757 ou pour les activités de transport aérien qui relèvent du champ d'application du système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre de l'Union européenne, sauf si les carburants sont utilisés:
a) pour la combustion dans le cadre des activités de transport des gaz à effet de serre en vue de leur stockage géologique dans un site de stockage agréé au titre de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 2 février 2012 relatif au captage et au transport de dioxyde de carbone aux fins de son stockage géologique;
b) pour la combustion dans des installations qui ont déclaré à l'autorité compétente de l'Etat membre concerné des émissions inférieures à 2.500 tonnes d'équivalents-dioxyde de carbone et qui ont été exclues du champ d'application du chapitre 1er du présent titre en vertu de l'article 3.3.1, § 4;
2° la mise à la consommation de carburants dont le facteur d'émission est égal à zéro;
3° la mise à la consommation de déchets dangereux ou municipaux utilisés comme carburant.
§ 4. Pour l'application du présent chapitre, on entend par " règles arrêtées par la Commission européenne ": les actes d'exécution de la directive 2003/87/CE adoptés par la Commission européenne.]1
Art. 3.3.16 /3. [1 § 1. De vergunningsaanvraag voor broeikasgasemissies bevat ten minste:
1° een beschrijving van de gereglementeerde entiteit;
2° een beschrijving van het type brandstof dat de gereglementeerde entiteit tot verbruik uitslaat en dat wordt gebruikt voor verbranding in de sectoren bedoeld in dit hoofdstuk en de wijze waarop deze brandstoffen tot verbruik worden uitgeslagen;
3° een beschrijving van het eindgebruik of de eindgebruiken van de tot verbruik uitgeslagen brandstoffen voor de in artikel 3.3.16/1 bedoelde activiteit;
4° een bewakingsplan dat voldoet aan de eisen van de regels vastgelegd door de Europese Commissie;
5° een niet-technische samenvatting van de informatie als bedoeld in de bepalingen onder 1° tot 4°.
§ 2. De vergunning voor broeikasgasemissies wordt door Leefmilieu Brussel aan de gereglementeerde entiteit afgeleverd indien zij ervan overtuigd is dat de entiteit in staat is om de emissies die overeenstemmen met de hoeveelheden brandstof die ze uitslaat voor verbruik in overeenstemming met artikel 3.3.16/1, te monitoren en te rapporteren en bevat ten minste de volgende elementen:
1° de naam en het adres van de gereglementeerde entiteit;
2° een beschrijving van de wijze waarop de geregle-menteerde entiteit de brandstoffen tot verbruik uitslaat in de sectoren die onder dit hoofdstuk vallen;
3° een lijst van de brandstoffen die de gereglemen-teerde entiteit tot verbruik uitslaat in de sectoren die onder dit hoofdstuk vallen;
4° een bewakingsplan dat voldoet aan de eisen van de regels vastgelegd door de Europese Commissie;
5° de rapportagevereisten;
6° de verplichting om binnen de in artikel 3.3.16/11 vastgestelde termijn een hoeveelheid krachtens dit hoofdstuk verleende emissierechten in te leveren die gelijk is aan de totale emissies van dat jaar en die overeenkomstig artikel 3.3.16/7 en bijlage 3.8 zijn geverifieerd.
De vergunning voor broeikasgasemissies wordt afgeleverd door de procedure voorzien in de artikelen 71, §§ 2, 3, 1°, en 4, en 73, § 2, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieu-vergunningen te volgen.
§ 3. De gereglementeerde entiteit brengt Leefmilieu Brussel op de hoogte van elke voorgenomen wijziging in de aard van haar activiteiten of de brandstoffen die ze tot verbruik uitslaat die een aanpassing van de vergunning voor broeikasgasemissies kan vereisen.
In het geval van een verandering in de identiteit van de gereglementeerde entiteit die onder dit hoofdstuk valt, wordt de vergunning aangepast met de naam en het adres van de nieuwe gereglementeerde entiteit.
De vergunning wordt aangepast volgens de regels vastgelegd door de Europese Commissie en de bepalingen voorzien in artikel 76bis, § 2, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieu-vergunningen. De beslissing tot wijziging wordt met redenen omkleed en wordt aan de gereglementeerde entiteit meegedeeld.
§ 4. De krachtens paragraaf 2 afgeleverde vergunning voor broeikasgasemissies kan geschorst of ingetrokken worden als de gereglementeerde entiteit niet meer voldoet aan de afleveringsvoorwaarden bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, van dit artikel, door de procedure voorzien in artikel 77, § 2, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen te volgen. De beslissing tot schorsing of intrekking wordt met redenen omkleed en wordt aan de gereglementeerde entiteit meegedeeld.
§ 5. De lijst van de gereglementeerde entiteiten die houder zijn van een vergunning voor broeikasgas-emissies zoals bedoeld in artikel 3.3.16/2, wordt op de website van Leefmilieu Brussel bekendgemaakt en bijgewerkt.
§ 6. De gereglementeerde entiteit kan binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing meegedeeld in toepassing van vorige paragrafen of na het verstrijken van de uitspraaktermijn bij het Milieucollege beroep aantekenen, door de procedure voorzien in artikel 80, § 1, tweede, derde en vierde lid, en artikel 80, §§ 2, 3 en 4, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen te volgen.
§ 7. De regering kan de procedure en de voorwaarden voor de aflevering, de wijziging, de schorsing en de intrekking van de vergunning voor broeikasgas-emissies, bedoeld in de vorige paragrafen, nader bepalen.]1
1° een beschrijving van de gereglementeerde entiteit;
2° een beschrijving van het type brandstof dat de gereglementeerde entiteit tot verbruik uitslaat en dat wordt gebruikt voor verbranding in de sectoren bedoeld in dit hoofdstuk en de wijze waarop deze brandstoffen tot verbruik worden uitgeslagen;
3° een beschrijving van het eindgebruik of de eindgebruiken van de tot verbruik uitgeslagen brandstoffen voor de in artikel 3.3.16/1 bedoelde activiteit;
4° een bewakingsplan dat voldoet aan de eisen van de regels vastgelegd door de Europese Commissie;
5° een niet-technische samenvatting van de informatie als bedoeld in de bepalingen onder 1° tot 4°.
§ 2. De vergunning voor broeikasgasemissies wordt door Leefmilieu Brussel aan de gereglementeerde entiteit afgeleverd indien zij ervan overtuigd is dat de entiteit in staat is om de emissies die overeenstemmen met de hoeveelheden brandstof die ze uitslaat voor verbruik in overeenstemming met artikel 3.3.16/1, te monitoren en te rapporteren en bevat ten minste de volgende elementen:
1° de naam en het adres van de gereglementeerde entiteit;
2° een beschrijving van de wijze waarop de geregle-menteerde entiteit de brandstoffen tot verbruik uitslaat in de sectoren die onder dit hoofdstuk vallen;
3° een lijst van de brandstoffen die de gereglemen-teerde entiteit tot verbruik uitslaat in de sectoren die onder dit hoofdstuk vallen;
4° een bewakingsplan dat voldoet aan de eisen van de regels vastgelegd door de Europese Commissie;
5° de rapportagevereisten;
6° de verplichting om binnen de in artikel 3.3.16/11 vastgestelde termijn een hoeveelheid krachtens dit hoofdstuk verleende emissierechten in te leveren die gelijk is aan de totale emissies van dat jaar en die overeenkomstig artikel 3.3.16/7 en bijlage 3.8 zijn geverifieerd.
De vergunning voor broeikasgasemissies wordt afgeleverd door de procedure voorzien in de artikelen 71, §§ 2, 3, 1°, en 4, en 73, § 2, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieu-vergunningen te volgen.
§ 3. De gereglementeerde entiteit brengt Leefmilieu Brussel op de hoogte van elke voorgenomen wijziging in de aard van haar activiteiten of de brandstoffen die ze tot verbruik uitslaat die een aanpassing van de vergunning voor broeikasgasemissies kan vereisen.
In het geval van een verandering in de identiteit van de gereglementeerde entiteit die onder dit hoofdstuk valt, wordt de vergunning aangepast met de naam en het adres van de nieuwe gereglementeerde entiteit.
De vergunning wordt aangepast volgens de regels vastgelegd door de Europese Commissie en de bepalingen voorzien in artikel 76bis, § 2, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieu-vergunningen. De beslissing tot wijziging wordt met redenen omkleed en wordt aan de gereglementeerde entiteit meegedeeld.
§ 4. De krachtens paragraaf 2 afgeleverde vergunning voor broeikasgasemissies kan geschorst of ingetrokken worden als de gereglementeerde entiteit niet meer voldoet aan de afleveringsvoorwaarden bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, van dit artikel, door de procedure voorzien in artikel 77, § 2, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen te volgen. De beslissing tot schorsing of intrekking wordt met redenen omkleed en wordt aan de gereglementeerde entiteit meegedeeld.
§ 5. De lijst van de gereglementeerde entiteiten die houder zijn van een vergunning voor broeikasgas-emissies zoals bedoeld in artikel 3.3.16/2, wordt op de website van Leefmilieu Brussel bekendgemaakt en bijgewerkt.
§ 6. De gereglementeerde entiteit kan binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing meegedeeld in toepassing van vorige paragrafen of na het verstrijken van de uitspraaktermijn bij het Milieucollege beroep aantekenen, door de procedure voorzien in artikel 80, § 1, tweede, derde en vierde lid, en artikel 80, §§ 2, 3 en 4, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen te volgen.
§ 7. De regering kan de procedure en de voorwaarden voor de aflevering, de wijziging, de schorsing en de intrekking van de vergunning voor broeikasgas-emissies, bedoeld in de vorige paragrafen, nader bepalen.]1
Art. 3.3.16 /2. [1 A partir du 1er janvier 2025, toute entité réglementée dont le siège est établi sur le territoire de la Région et exerçant l'activité visée à l'article 3.3.16/1 détient une autorisation d'émettre des gaz à effet de serre, conformément à l'article 3.3.16/3.]1
Art. 3.3.16 /2. [1 Vanaf 1 januari 2025 beschikt elke gereglementeerde entiteit waarvan de zetel in het Gewest is gevestigd en die de in artikel 3.3.16/1 bedoelde activiteit uitoefent over een vergunning voor broeikasgasemissies, in overeenstemming met artikel 3.3.16/3.]1
Art. 3.3.16 /3. [1 § 1er. La demande d'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre comprend au minimum:
1° une description de l'entité réglementée;
2° une description du type de carburants que l'entité réglementée met à la consommation et qui sont utilisés pour la combustion dans les secteurs régis par le présent chapitre, ainsi que les moyens par lesquels elle met ces carburants à la consommation;
3° une description de la ou des utilisations finales des carburants mis à la consommation aux fins de l'activité visée à l'article 3.3.16/1;
4° un programme de surveillance conforme aux exigences prévues par les règles arrêtées par la Commission européenne;
5° un résumé non technique des informations visées aux 1° à 4°.
§ 2. L'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre est délivrée par Bruxelles Environnement à l'entité réglementée dès lors qu'il a l'assurance que cette entité est capable de surveiller et de déclarer les émissions correspondant aux quantités de carburant mises à la consommation conformément à l'article 3.3.16/1 et contient, au minimum, les éléments suivants:
1° le nom et l'adresse de l'entité réglementée;
2° une description des moyens par lesquels l'entité réglementée met les carburants à la consommation dans les secteurs régis par le présent chapitre;
3° une liste des carburants mis à la consommation par l'entité réglementée dans les secteurs régis par le présent chapitre;
4° un programme de surveillance conforme aux exigences prévues par les règles arrêtées par la Commission européenne;
5° les exigences en matière de déclaration;
6° l'obligation de restituer, dans le délai fixé à l'article 3.3.16/11, les quotas relevant du présent chapitre correspondant aux émissions totales de cette année, telles qu'elles ont été vérifiées conformément à l'article 3.3.16/7 et à l'annexe 3.8.
L'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre est délivrée en suivant la procédure prévue aux articles 71, §§ 2, 3, 1°, et 4, et 73, § 2, de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement.
§ 3. L'entité réglementée informe Bruxelles Environnement de toute modification envisagée concernant la nature de son activité ou des carburants qu'elle met à la consommation qui est susceptible de nécessiter une mise à jour de l'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre.
En cas de changement de l'identité de l'entité réglementée couverte par le présent chapitre, l'autorisation est mise à jour pour y faire figurer le nom et l'adresse de la nouvelle entité réglementée.
L'autorisation est mise à jour conformément aux règles arrêtées par la Commission européenne et aux dispositions prévues à l'article 76bis, § 2, de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement. La décision de modification est motivée et notifiée à l'entité réglementée.
§ 4. L'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre délivrée en vertu du paragraphe 2 peut être suspendue ou retirée si l'entité réglementée ne remplit plus les conditions de délivrance visées au paragraphe 2, alinéa 1er, du présent article, en suivant la procédure prévue à l'article 77, § 2, de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement. La décision de suspension ou de retrait est motivée et notifiée à l'entité réglementée.
§ 5. La liste des entités réglementées qui détiennent une autorisation d'émettre des gaz à effet de serre visée à l'article 3.3.16/2 est tenue à jour et publiée sur le site de Bruxelles Environnement.
§ 6. Un recours est ouvert à l'entité réglementée auprès du Collège d'environnement dans les trente jours de la réception de la décision notifiée en application des paragraphes précédents ou de l'expiration du délai pour statuer, en suivant la procédure prévue à l'article 80, § 1er, alinéas 2, 3 et 4, et à l'article 80, §§ 2, 3 et 4, de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement.
§ 7. Le Gouvernement peut préciser la procédure et les conditions de délivrance, de modification, de suspension et de retrait de l'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre, visées aux paragraphes précédents.]1
1° une description de l'entité réglementée;
2° une description du type de carburants que l'entité réglementée met à la consommation et qui sont utilisés pour la combustion dans les secteurs régis par le présent chapitre, ainsi que les moyens par lesquels elle met ces carburants à la consommation;
3° une description de la ou des utilisations finales des carburants mis à la consommation aux fins de l'activité visée à l'article 3.3.16/1;
4° un programme de surveillance conforme aux exigences prévues par les règles arrêtées par la Commission européenne;
5° un résumé non technique des informations visées aux 1° à 4°.
§ 2. L'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre est délivrée par Bruxelles Environnement à l'entité réglementée dès lors qu'il a l'assurance que cette entité est capable de surveiller et de déclarer les émissions correspondant aux quantités de carburant mises à la consommation conformément à l'article 3.3.16/1 et contient, au minimum, les éléments suivants:
1° le nom et l'adresse de l'entité réglementée;
2° une description des moyens par lesquels l'entité réglementée met les carburants à la consommation dans les secteurs régis par le présent chapitre;
3° une liste des carburants mis à la consommation par l'entité réglementée dans les secteurs régis par le présent chapitre;
4° un programme de surveillance conforme aux exigences prévues par les règles arrêtées par la Commission européenne;
5° les exigences en matière de déclaration;
6° l'obligation de restituer, dans le délai fixé à l'article 3.3.16/11, les quotas relevant du présent chapitre correspondant aux émissions totales de cette année, telles qu'elles ont été vérifiées conformément à l'article 3.3.16/7 et à l'annexe 3.8.
L'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre est délivrée en suivant la procédure prévue aux articles 71, §§ 2, 3, 1°, et 4, et 73, § 2, de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement.
§ 3. L'entité réglementée informe Bruxelles Environnement de toute modification envisagée concernant la nature de son activité ou des carburants qu'elle met à la consommation qui est susceptible de nécessiter une mise à jour de l'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre.
En cas de changement de l'identité de l'entité réglementée couverte par le présent chapitre, l'autorisation est mise à jour pour y faire figurer le nom et l'adresse de la nouvelle entité réglementée.
L'autorisation est mise à jour conformément aux règles arrêtées par la Commission européenne et aux dispositions prévues à l'article 76bis, § 2, de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement. La décision de modification est motivée et notifiée à l'entité réglementée.
§ 4. L'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre délivrée en vertu du paragraphe 2 peut être suspendue ou retirée si l'entité réglementée ne remplit plus les conditions de délivrance visées au paragraphe 2, alinéa 1er, du présent article, en suivant la procédure prévue à l'article 77, § 2, de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement. La décision de suspension ou de retrait est motivée et notifiée à l'entité réglementée.
§ 5. La liste des entités réglementées qui détiennent une autorisation d'émettre des gaz à effet de serre visée à l'article 3.3.16/2 est tenue à jour et publiée sur le site de Bruxelles Environnement.
§ 6. Un recours est ouvert à l'entité réglementée auprès du Collège d'environnement dans les trente jours de la réception de la décision notifiée en application des paragraphes précédents ou de l'expiration du délai pour statuer, en suivant la procédure prévue à l'article 80, § 1er, alinéas 2, 3 et 4, et à l'article 80, §§ 2, 3 et 4, de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement.
§ 7. Le Gouvernement peut préciser la procédure et les conditions de délivrance, de modification, de suspension et de retrait de l'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre, visées aux paragraphes précédents.]1
Art. 3.3.16 /3. [1 § 1. De vergunningsaanvraag voor broeikasgasemissies bevat ten minste:
1° een beschrijving van de gereglementeerde entiteit;
2° een beschrijving van het type brandstof dat de gereglementeerde entiteit tot verbruik uitslaat en dat wordt gebruikt voor verbranding in de sectoren bedoeld in dit hoofdstuk en de wijze waarop deze brandstoffen tot verbruik worden uitgeslagen;
3° een beschrijving van het eindgebruik of de eindgebruiken van de tot verbruik uitgeslagen brandstoffen voor de in artikel 3.3.16/1 bedoelde activiteit;
4° een bewakingsplan dat voldoet aan de eisen van de regels vastgelegd door de Europese Commissie;
5° een niet-technische samenvatting van de informatie als bedoeld in de bepalingen onder 1° tot 4°.
§ 2. De vergunning voor broeikasgasemissies wordt door Leefmilieu Brussel aan de gereglementeerde entiteit afgeleverd indien zij ervan overtuigd is dat de entiteit in staat is om de emissies die overeenstemmen met de hoeveelheden brandstof die ze uitslaat voor verbruik in overeenstemming met artikel 3.3.16/1, te monitoren en te rapporteren en bevat ten minste de volgende elementen:
1° de naam en het adres van de gereglementeerde entiteit;
2° een beschrijving van de wijze waarop de geregle-menteerde entiteit de brandstoffen tot verbruik uitslaat in de sectoren die onder dit hoofdstuk vallen;
3° een lijst van de brandstoffen die de gereglemen-teerde entiteit tot verbruik uitslaat in de sectoren die onder dit hoofdstuk vallen;
4° een bewakingsplan dat voldoet aan de eisen van de regels vastgelegd door de Europese Commissie;
5° de rapportagevereisten;
6° de verplichting om binnen de in artikel 3.3.16/11 vastgestelde termijn een hoeveelheid krachtens dit hoofdstuk verleende emissierechten in te leveren die gelijk is aan de totale emissies van dat jaar en die overeenkomstig artikel 3.3.16/7 en bijlage 3.8 zijn geverifieerd.
De vergunning voor broeikasgasemissies wordt afgeleverd door de procedure voorzien in de artikelen 71, §§ 2, 3, 1°, en 4, en 73, § 2, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieu-vergunningen te volgen.
§ 3. De gereglementeerde entiteit brengt Leefmilieu Brussel op de hoogte van elke voorgenomen wijziging in de aard van haar activiteiten of de brandstoffen die ze tot verbruik uitslaat die een aanpassing van de vergunning voor broeikasgasemissies kan vereisen.
In het geval van een verandering in de identiteit van de gereglementeerde entiteit die onder dit hoofdstuk valt, wordt de vergunning aangepast met de naam en het adres van de nieuwe gereglementeerde entiteit.
De vergunning wordt aangepast volgens de regels vastgelegd door de Europese Commissie en de bepalingen voorzien in artikel 76bis, § 2, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieu-vergunningen. De beslissing tot wijziging wordt met redenen omkleed en wordt aan de gereglementeerde entiteit meegedeeld.
§ 4. De krachtens paragraaf 2 afgeleverde vergunning voor broeikasgasemissies kan geschorst of ingetrokken worden als de gereglementeerde entiteit niet meer voldoet aan de afleveringsvoorwaarden bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, van dit artikel, door de procedure voorzien in artikel 77, § 2, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen te volgen. De beslissing tot schorsing of intrekking wordt met redenen omkleed en wordt aan de gereglementeerde entiteit meegedeeld.
§ 5. De lijst van de gereglementeerde entiteiten die houder zijn van een vergunning voor broeikasgas-emissies zoals bedoeld in artikel 3.3.16/2, wordt op de website van Leefmilieu Brussel bekendgemaakt en bijgewerkt.
§ 6. De gereglementeerde entiteit kan binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing meegedeeld in toepassing van vorige paragrafen of na het verstrijken van de uitspraaktermijn bij het Milieucollege beroep aantekenen, door de procedure voorzien in artikel 80, § 1, tweede, derde en vierde lid, en artikel 80, §§ 2, 3 en 4, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen te volgen.
§ 7. De regering kan de procedure en de voorwaarden voor de aflevering, de wijziging, de schorsing en de intrekking van de vergunning voor broeikasgas-emissies, bedoeld in de vorige paragrafen, nader bepalen.]1
1° een beschrijving van de gereglementeerde entiteit;
2° een beschrijving van het type brandstof dat de gereglementeerde entiteit tot verbruik uitslaat en dat wordt gebruikt voor verbranding in de sectoren bedoeld in dit hoofdstuk en de wijze waarop deze brandstoffen tot verbruik worden uitgeslagen;
3° een beschrijving van het eindgebruik of de eindgebruiken van de tot verbruik uitgeslagen brandstoffen voor de in artikel 3.3.16/1 bedoelde activiteit;
4° een bewakingsplan dat voldoet aan de eisen van de regels vastgelegd door de Europese Commissie;
5° een niet-technische samenvatting van de informatie als bedoeld in de bepalingen onder 1° tot 4°.
§ 2. De vergunning voor broeikasgasemissies wordt door Leefmilieu Brussel aan de gereglementeerde entiteit afgeleverd indien zij ervan overtuigd is dat de entiteit in staat is om de emissies die overeenstemmen met de hoeveelheden brandstof die ze uitslaat voor verbruik in overeenstemming met artikel 3.3.16/1, te monitoren en te rapporteren en bevat ten minste de volgende elementen:
1° de naam en het adres van de gereglementeerde entiteit;
2° een beschrijving van de wijze waarop de geregle-menteerde entiteit de brandstoffen tot verbruik uitslaat in de sectoren die onder dit hoofdstuk vallen;
3° een lijst van de brandstoffen die de gereglemen-teerde entiteit tot verbruik uitslaat in de sectoren die onder dit hoofdstuk vallen;
4° een bewakingsplan dat voldoet aan de eisen van de regels vastgelegd door de Europese Commissie;
5° de rapportagevereisten;
6° de verplichting om binnen de in artikel 3.3.16/11 vastgestelde termijn een hoeveelheid krachtens dit hoofdstuk verleende emissierechten in te leveren die gelijk is aan de totale emissies van dat jaar en die overeenkomstig artikel 3.3.16/7 en bijlage 3.8 zijn geverifieerd.
De vergunning voor broeikasgasemissies wordt afgeleverd door de procedure voorzien in de artikelen 71, §§ 2, 3, 1°, en 4, en 73, § 2, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieu-vergunningen te volgen.
§ 3. De gereglementeerde entiteit brengt Leefmilieu Brussel op de hoogte van elke voorgenomen wijziging in de aard van haar activiteiten of de brandstoffen die ze tot verbruik uitslaat die een aanpassing van de vergunning voor broeikasgasemissies kan vereisen.
In het geval van een verandering in de identiteit van de gereglementeerde entiteit die onder dit hoofdstuk valt, wordt de vergunning aangepast met de naam en het adres van de nieuwe gereglementeerde entiteit.
De vergunning wordt aangepast volgens de regels vastgelegd door de Europese Commissie en de bepalingen voorzien in artikel 76bis, § 2, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieu-vergunningen. De beslissing tot wijziging wordt met redenen omkleed en wordt aan de gereglementeerde entiteit meegedeeld.
§ 4. De krachtens paragraaf 2 afgeleverde vergunning voor broeikasgasemissies kan geschorst of ingetrokken worden als de gereglementeerde entiteit niet meer voldoet aan de afleveringsvoorwaarden bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, van dit artikel, door de procedure voorzien in artikel 77, § 2, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen te volgen. De beslissing tot schorsing of intrekking wordt met redenen omkleed en wordt aan de gereglementeerde entiteit meegedeeld.
§ 5. De lijst van de gereglementeerde entiteiten die houder zijn van een vergunning voor broeikasgas-emissies zoals bedoeld in artikel 3.3.16/2, wordt op de website van Leefmilieu Brussel bekendgemaakt en bijgewerkt.
§ 6. De gereglementeerde entiteit kan binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing meegedeeld in toepassing van vorige paragrafen of na het verstrijken van de uitspraaktermijn bij het Milieucollege beroep aantekenen, door de procedure voorzien in artikel 80, § 1, tweede, derde en vierde lid, en artikel 80, §§ 2, 3 en 4, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen te volgen.
§ 7. De regering kan de procedure en de voorwaarden voor de aflevering, de wijziging, de schorsing en de intrekking van de vergunning voor broeikasgas-emissies, bedoeld in de vorige paragrafen, nader bepalen.]1
Art. 3.3.16 /3. [1 § 1er. La demande d'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre comprend au minimum:
1° une description de l'entité réglementée;
2° une description du type de carburants que l'entité réglementée met à la consommation et qui sont utilisés pour la combustion dans les secteurs régis par le présent chapitre, ainsi que les moyens par lesquels elle met ces carburants à la consommation;
3° une description de la ou des utilisations finales des carburants mis à la consommation aux fins de l'activité visée à l'article 3.3.16/1;
4° un programme de surveillance conforme aux exigences prévues par les règles arrêtées par la Commission européenne;
5° un résumé non technique des informations visées aux 1° à 4°.
§ 2. L'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre est délivrée par Bruxelles Environnement à l'entité réglementée dès lors qu'il a l'assurance que cette entité est capable de surveiller et de déclarer les émissions correspondant aux quantités de carburant mises à la consommation conformément à l'article 3.3.16/1 et contient, au minimum, les éléments suivants:
1° le nom et l'adresse de l'entité réglementée;
2° une description des moyens par lesquels l'entité réglementée met les carburants à la consommation dans les secteurs régis par le présent chapitre;
3° une liste des carburants mis à la consommation par l'entité réglementée dans les secteurs régis par le présent chapitre;
4° un programme de surveillance conforme aux exigences prévues par les règles arrêtées par la Commission européenne;
5° les exigences en matière de déclaration;
6° l'obligation de restituer, dans le délai fixé à l'article 3.3.16/11, les quotas relevant du présent chapitre correspondant aux émissions totales de cette année, telles qu'elles ont été vérifiées conformément à l'article 3.3.16/7 et à l'annexe 3.8.
L'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre est délivrée en suivant la procédure prévue aux articles 71, §§ 2, 3, 1°, et 4, et 73, § 2, de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement.
§ 3. L'entité réglementée informe Bruxelles Environnement de toute modification envisagée concernant la nature de son activité ou des carburants qu'elle met à la consommation qui est susceptible de nécessiter une mise à jour de l'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre.
En cas de changement de l'identité de l'entité réglementée couverte par le présent chapitre, l'autorisation est mise à jour pour y faire figurer le nom et l'adresse de la nouvelle entité réglementée.
L'autorisation est mise à jour conformément aux règles arrêtées par la Commission européenne et aux dispositions prévues à l'article 76bis, § 2, de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement. La décision de modification est motivée et notifiée à l'entité réglementée.
§ 4. L'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre délivrée en vertu du paragraphe 2 peut être suspendue ou retirée si l'entité réglementée ne remplit plus les conditions de délivrance visées au paragraphe 2, alinéa 1er, du présent article, en suivant la procédure prévue à l'article 77, § 2, de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement. La décision de suspension ou de retrait est motivée et notifiée à l'entité réglementée.
§ 5. La liste des entités réglementées qui détiennent une autorisation d'émettre des gaz à effet de serre visée à l'article 3.3.16/2 est tenue à jour et publiée sur le site de Bruxelles Environnement.
§ 6. Un recours est ouvert à l'entité réglementée auprès du Collège d'environnement dans les trente jours de la réception de la décision notifiée en application des paragraphes précédents ou de l'expiration du délai pour statuer, en suivant la procédure prévue à l'article 80, § 1er, alinéas 2, 3 et 4, et à l'article 80, §§ 2, 3 et 4, de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement.
§ 7. Le Gouvernement peut préciser la procédure et les conditions de délivrance, de modification, de suspension et de retrait de l'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre, visées aux paragraphes précédents.]1
1° une description de l'entité réglementée;
2° une description du type de carburants que l'entité réglementée met à la consommation et qui sont utilisés pour la combustion dans les secteurs régis par le présent chapitre, ainsi que les moyens par lesquels elle met ces carburants à la consommation;
3° une description de la ou des utilisations finales des carburants mis à la consommation aux fins de l'activité visée à l'article 3.3.16/1;
4° un programme de surveillance conforme aux exigences prévues par les règles arrêtées par la Commission européenne;
5° un résumé non technique des informations visées aux 1° à 4°.
§ 2. L'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre est délivrée par Bruxelles Environnement à l'entité réglementée dès lors qu'il a l'assurance que cette entité est capable de surveiller et de déclarer les émissions correspondant aux quantités de carburant mises à la consommation conformément à l'article 3.3.16/1 et contient, au minimum, les éléments suivants:
1° le nom et l'adresse de l'entité réglementée;
2° une description des moyens par lesquels l'entité réglementée met les carburants à la consommation dans les secteurs régis par le présent chapitre;
3° une liste des carburants mis à la consommation par l'entité réglementée dans les secteurs régis par le présent chapitre;
4° un programme de surveillance conforme aux exigences prévues par les règles arrêtées par la Commission européenne;
5° les exigences en matière de déclaration;
6° l'obligation de restituer, dans le délai fixé à l'article 3.3.16/11, les quotas relevant du présent chapitre correspondant aux émissions totales de cette année, telles qu'elles ont été vérifiées conformément à l'article 3.3.16/7 et à l'annexe 3.8.
L'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre est délivrée en suivant la procédure prévue aux articles 71, §§ 2, 3, 1°, et 4, et 73, § 2, de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement.
§ 3. L'entité réglementée informe Bruxelles Environnement de toute modification envisagée concernant la nature de son activité ou des carburants qu'elle met à la consommation qui est susceptible de nécessiter une mise à jour de l'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre.
En cas de changement de l'identité de l'entité réglementée couverte par le présent chapitre, l'autorisation est mise à jour pour y faire figurer le nom et l'adresse de la nouvelle entité réglementée.
L'autorisation est mise à jour conformément aux règles arrêtées par la Commission européenne et aux dispositions prévues à l'article 76bis, § 2, de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement. La décision de modification est motivée et notifiée à l'entité réglementée.
§ 4. L'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre délivrée en vertu du paragraphe 2 peut être suspendue ou retirée si l'entité réglementée ne remplit plus les conditions de délivrance visées au paragraphe 2, alinéa 1er, du présent article, en suivant la procédure prévue à l'article 77, § 2, de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement. La décision de suspension ou de retrait est motivée et notifiée à l'entité réglementée.
§ 5. La liste des entités réglementées qui détiennent une autorisation d'émettre des gaz à effet de serre visée à l'article 3.3.16/2 est tenue à jour et publiée sur le site de Bruxelles Environnement.
§ 6. Un recours est ouvert à l'entité réglementée auprès du Collège d'environnement dans les trente jours de la réception de la décision notifiée en application des paragraphes précédents ou de l'expiration du délai pour statuer, en suivant la procédure prévue à l'article 80, § 1er, alinéas 2, 3 et 4, et à l'article 80, §§ 2, 3 et 4, de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement.
§ 7. Le Gouvernement peut préciser la procédure et les conditions de délivrance, de modification, de suspension et de retrait de l'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre, visées aux paragraphes précédents.]1
Art. 3.3.16 /5. [1 § 1. Vanaf 1 januari 2026 geeft de gereglementeerde entiteit elk kalenderjaar de emissies die overeenstemmen met de hoeveelheden brandstoffen die tijdens het voorgaande kalenderjaar in de door dit hoofdstuk beheerste sectoren tot verbruik werden uitgeslagen, aan bij Leefmilieu Brussel.
§ 2. De gereglementeerde entiteit die op 1 januari 2025 over een vergunning voor broeikasgasemissies beschikt overeenkomstig artikel 3.3.16/2, geeft haar historische emissies voor het jaar 2024 uiterlijk op 30 april 2025 aan bij Leefmilieu Brussel.
§ 3. De regering bepaalt de procedure die de entiteiten moeten volgen om hun emissies aan te geven overeenkomstig de paragrafen 1 en 2 en bepaalt de inhoud van de aangifte, overeenkomstig de regels vastgelegd door de Europese Commissie.]1
§ 2. De gereglementeerde entiteit die op 1 januari 2025 over een vergunning voor broeikasgasemissies beschikt overeenkomstig artikel 3.3.16/2, geeft haar historische emissies voor het jaar 2024 uiterlijk op 30 april 2025 aan bij Leefmilieu Brussel.
§ 3. De regering bepaalt de procedure die de entiteiten moeten volgen om hun emissies aan te geven overeenkomstig de paragrafen 1 en 2 en bepaalt de inhoud van de aangifte, overeenkomstig de regels vastgelegd door de Europese Commissie.]1
Art. 3.3.16 /4. [1 L'entité réglementée surveille, chaque année civile à compter du 1er janvier 2025, les émissions correspondantes aux quantités de carburants mis à la consommation dans les secteurs régis par le présent chapitre, conformément aux règles arrêtées par la Commission européenne.
Bruxelles Environnement assure la publicité de ces règles.
Les entités réglementées actualisent les programmes de surveillance contenus dans leur autorisation d'émettre des gaz à effet de serre et soumettent tout programme de surveillance actualisé à l'approbation de Bruxelles Environnement.]1
Bruxelles Environnement assure la publicité de ces règles.
Les entités réglementées actualisent les programmes de surveillance contenus dans leur autorisation d'émettre des gaz à effet de serre et soumettent tout programme de surveillance actualisé à l'approbation de Bruxelles Environnement.]1
Art. 3.3.16 /4. [1 De gereglementeerde entiteit bewaakt elk kalenderjaar vanaf 1 januari 2025 de emissies die overeenstemmen met de hoeveelheden brandstoffen die in de door dit hoofdstuk beheerste sectoren tot verbruik worden uitgeslagen, overeenkomstig de regels vastgelegd door de Europese Commissie.
Leefmilieu Brussel zorgt ervoor dat deze regels bekendgemaakt worden.
De gereglementeerde entiteiten werken de controle-programma's die zijn opgenomen in hun vergunning voor broeikasgasemissies, bij en leggen elk bijgewerkt bewakingsprogramma ter goedkeuring voor aan Leefmilieu Brussel.]1
Leefmilieu Brussel zorgt ervoor dat deze regels bekendgemaakt worden.
De gereglementeerde entiteiten werken de controle-programma's die zijn opgenomen in hun vergunning voor broeikasgasemissies, bij en leggen elk bijgewerkt bewakingsprogramma ter goedkeuring voor aan Leefmilieu Brussel.]1
Art. 3.3.16 /5. [1 § 1er. A compter du 1er janvier 2026, l'entité réglementée déclare à Bruxelles Environnement, chaque année civile, les émissions correspondantes aux quantités de carburants mis à la consommation au cours de l'année civile précédente dans les secteurs régis par le présent chapitre.
§ 2. L'entité réglementée, qui dispose d'une autorisation d'émettre des gaz à effets de serre au 1er janvier 2025 conformément à l'article 3.3.16/2, déclare à Bruxelles Environnement ses émissions historiques pour l'année 2024 au plus tard le 30 avril 2025.
§ 3. Le gouvernement détermine la procédure à suivre par les entités pour déclarer leurs émissions conformément aux paragraphes 1er et 2 et précise le contenu de la déclaration, conformément aux règles arrêtées par la Commission européenne.]1
§ 2. L'entité réglementée, qui dispose d'une autorisation d'émettre des gaz à effets de serre au 1er janvier 2025 conformément à l'article 3.3.16/2, déclare à Bruxelles Environnement ses émissions historiques pour l'année 2024 au plus tard le 30 avril 2025.
§ 3. Le gouvernement détermine la procédure à suivre par les entités pour déclarer leurs émissions conformément aux paragraphes 1er et 2 et précise le contenu de la déclaration, conformément aux règles arrêtées par la Commission européenne.]1
Art. 3.3.16 /7. [1 § 1. De gereglementeerde entiteit laat haar in artikel 3.3.16/5, § 1 bedoelde verslag door een keuringsinstelling nazien en voegt hierbij een keurings- en gelijkvormigheidsattest.
§ 2. Wanneer het verslag van een gereglementeerde entiteit, na verificatie overeenkomstig de criteria vastgelegd in bijlage 3.8, niet tegen 30 april van elk jaar bevredigend werd erkend voor wat de emissies tijdens het vorige jaar betreft, mag de gereglementeerde entiteit geen onder dit hoofdstuk vallende emissierechten meer overdragen totdat een verslag van die gereglementeerde entiteit als bevredigend is nagezien. Dit verbod heeft ingang vanaf de kennisgeving ervan aan de gereglementeerde entiteit.
§ 3. De keuringsinstelling moet worden geaccrediteerd door BELAC of door een accreditatiesysteem dat als zijnde equivalent aan dat van BELAC wordt beschouwd.]1
§ 2. Wanneer het verslag van een gereglementeerde entiteit, na verificatie overeenkomstig de criteria vastgelegd in bijlage 3.8, niet tegen 30 april van elk jaar bevredigend werd erkend voor wat de emissies tijdens het vorige jaar betreft, mag de gereglementeerde entiteit geen onder dit hoofdstuk vallende emissierechten meer overdragen totdat een verslag van die gereglementeerde entiteit als bevredigend is nagezien. Dit verbod heeft ingang vanaf de kennisgeving ervan aan de gereglementeerde entiteit.
§ 3. De keuringsinstelling moet worden geaccrediteerd door BELAC of door een accreditatiesysteem dat als zijnde equivalent aan dat van BELAC wordt beschouwd.]1
Art. 3.3.16 /5. [1 § 1er. A compter du 1er janvier 2026, l'entité réglementée déclare à Bruxelles Environnement, chaque année civile, les émissions correspondantes aux quantités de carburants mis à la consommation au cours de l'année civile précédente dans les secteurs régis par le présent chapitre.
§ 2. L'entité réglementée, qui dispose d'une autorisation d'émettre des gaz à effets de serre au 1er janvier 2025 conformément à l'article 3.3.16/2, déclare à Bruxelles Environnement ses émissions historiques pour l'année 2024 au plus tard le 30 avril 2025.
§ 3. Le gouvernement détermine la procédure à suivre par les entités pour déclarer leurs émissions conformément aux paragraphes 1er et 2 et précise le contenu de la déclaration, conformément aux règles arrêtées par la Commission européenne.]1
§ 2. L'entité réglementée, qui dispose d'une autorisation d'émettre des gaz à effets de serre au 1er janvier 2025 conformément à l'article 3.3.16/2, déclare à Bruxelles Environnement ses émissions historiques pour l'année 2024 au plus tard le 30 avril 2025.
§ 3. Le gouvernement détermine la procédure à suivre par les entités pour déclarer leurs émissions conformément aux paragraphes 1er et 2 et précise le contenu de la déclaration, conformément aux règles arrêtées par la Commission européenne.]1
Art. 3.3.16 /8. [1 § 1. De regering neemt, in voorkomend geval, de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de gereglementeerde entiteiten in staat zijn op betrouwbare en nauwkeurige wijze, per brandstoftype, de precieze hoeveelheden van de tot verbruik uitgeslagen brandstoffen die worden gebruikt voor verbranding in de in artikel 3.3.16/1 bedoelde sectoren, alsook hun eindgebruik, te bepalen en te documenteren.
§ 2. De regering neemt, in voorkomend geval, passende maatregelen, rekening houdend met de door de Europese Commissie vastgestelde regels, ter beperking van het risico op dubbeltelling van emissies die onder dit hoofdstuk vallen en emissies die onder hoofdstuk 1 van deze titel vallen, maritieme vervoersactiviteiten die onder verordening (EU) 2015/757 vallen of luchtvervoersactiviteiten die onder het toepassingsgebied van de regeling van de Europese Unie voor de handel in broeikasgas-emissierechten vallen.]1
§ 2. De regering neemt, in voorkomend geval, passende maatregelen, rekening houdend met de door de Europese Commissie vastgestelde regels, ter beperking van het risico op dubbeltelling van emissies die onder dit hoofdstuk vallen en emissies die onder hoofdstuk 1 van deze titel vallen, maritieme vervoersactiviteiten die onder verordening (EU) 2015/757 vallen of luchtvervoersactiviteiten die onder het toepassingsgebied van de regeling van de Europese Unie voor de handel in broeikasgas-emissierechten vallen.]1
Art. 3.3.16 /7. [1 § 1er. L'entité réglementée fait vérifier sa déclaration visée à l'article 3.3.16/5, § 1er, par un organisme vérificateur et joint à celle-ci une attestation de vérification et de conformité.
§ 2. Lorsque la déclaration d'une entité réglementée n'a pas été reconnue satisfaisante, après vérification conformément aux critères définis à l'annexe 3.8, pour le 30 avril de chaque année en ce qui concerne les émissions de l'année précédente, l'entité réglementée ne peut plus transférer de quotas relevant du présent chapitre jusqu'à ce qu'une déclaration de sa part ait été vérifiée comme étant satisfaisante. Cette interdiction prend effet dès sa notification à l'entité réglementée.
§ 3. L'organisme vérificateur doit faire l'objet d'une accréditation par BELAC ou d'un système d'accréditation considéré comme équivalent par BELAC.]1
§ 2. Lorsque la déclaration d'une entité réglementée n'a pas été reconnue satisfaisante, après vérification conformément aux critères définis à l'annexe 3.8, pour le 30 avril de chaque année en ce qui concerne les émissions de l'année précédente, l'entité réglementée ne peut plus transférer de quotas relevant du présent chapitre jusqu'à ce qu'une déclaration de sa part ait été vérifiée comme étant satisfaisante. Cette interdiction prend effet dès sa notification à l'entité réglementée.
§ 3. L'organisme vérificateur doit faire l'objet d'une accréditation par BELAC ou d'un système d'accréditation considéré comme équivalent par BELAC.]1
Art. 3.3.16 /7. [1 § 1. De gereglementeerde entiteit laat haar in artikel 3.3.16/5, § 1 bedoelde verslag door een keuringsinstelling nazien en voegt hierbij een keurings- en gelijkvormigheidsattest.
§ 2. Wanneer het verslag van een gereglementeerde entiteit, na verificatie overeenkomstig de criteria vastgelegd in bijlage 3.8, niet tegen 30 april van elk jaar bevredigend werd erkend voor wat de emissies tijdens het vorige jaar betreft, mag de gereglementeerde entiteit geen onder dit hoofdstuk vallende emissierechten meer overdragen totdat een verslag van die gereglementeerde entiteit als bevredigend is nagezien. Dit verbod heeft ingang vanaf de kennisgeving ervan aan de gereglementeerde entiteit.
§ 3. De keuringsinstelling moet worden geaccrediteerd door BELAC of door een accreditatiesysteem dat als zijnde equivalent aan dat van BELAC wordt beschouwd.]1
§ 2. Wanneer het verslag van een gereglementeerde entiteit, na verificatie overeenkomstig de criteria vastgelegd in bijlage 3.8, niet tegen 30 april van elk jaar bevredigend werd erkend voor wat de emissies tijdens het vorige jaar betreft, mag de gereglementeerde entiteit geen onder dit hoofdstuk vallende emissierechten meer overdragen totdat een verslag van die gereglementeerde entiteit als bevredigend is nagezien. Dit verbod heeft ingang vanaf de kennisgeving ervan aan de gereglementeerde entiteit.
§ 3. De keuringsinstelling moet worden geaccrediteerd door BELAC of door een accreditatiesysteem dat als zijnde equivalent aan dat van BELAC wordt beschouwd.]1
Art. 3.3.16 /8. [1 § 1er. Le gouvernement prend le cas échéant les mesures nécessaires pour que les entités réglementées soient en mesure de déterminer et de documenter de manière fiable et précise, par type de carburant, les quantités précises de carburants mis à la consommation qui sont utilisés pour la combustion dans les secteurs visés par l'article 3.3.16/1, ainsi que leur utilisation finale.
§ 2. Le gouvernement prend le cas échéant des mesures appropriées, en tenant compte des règles arrêtées par la Commission européenne, pour limiter le risque de double comptabilisation des émissions relevant du présent chapitre et des émissions relevant du chapitre 1er du présent titre, des activités de transport maritime couvertes par le règlement (UE) 2015/757 ou des activités de transport aérien relevant du champ d'application du système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre de l'Union européenne.]1
§ 2. Le gouvernement prend le cas échéant des mesures appropriées, en tenant compte des règles arrêtées par la Commission européenne, pour limiter le risque de double comptabilisation des émissions relevant du présent chapitre et des émissions relevant du chapitre 1er du présent titre, des activités de transport maritime couvertes par le règlement (UE) 2015/757 ou des activités de transport aérien relevant du champ d'application du système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre de l'Union européenne.]1
Art. 3.3.16 /8. [1 § 1. De regering neemt, in voorkomend geval, de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de gereglementeerde entiteiten in staat zijn op betrouwbare en nauwkeurige wijze, per brandstoftype, de precieze hoeveelheden van de tot verbruik uitgeslagen brandstoffen die worden gebruikt voor verbranding in de in artikel 3.3.16/1 bedoelde sectoren, alsook hun eindgebruik, te bepalen en te documenteren.
§ 2. De regering neemt, in voorkomend geval, passende maatregelen, rekening houdend met de door de Europese Commissie vastgestelde regels, ter beperking van het risico op dubbeltelling van emissies die onder dit hoofdstuk vallen en emissies die onder hoofdstuk 1 van deze titel vallen, maritieme vervoersactiviteiten die onder verordening (EU) 2015/757 vallen of luchtvervoersactiviteiten die onder het toepassingsgebied van de regeling van de Europese Unie voor de handel in broeikasgas-emissierechten vallen.]1
§ 2. De regering neemt, in voorkomend geval, passende maatregelen, rekening houdend met de door de Europese Commissie vastgestelde regels, ter beperking van het risico op dubbeltelling van emissies die onder dit hoofdstuk vallen en emissies die onder hoofdstuk 1 van deze titel vallen, maritieme vervoersactiviteiten die onder verordening (EU) 2015/757 vallen of luchtvervoersactiviteiten die onder het toepassingsgebied van de regeling van de Europese Unie voor de handel in broeikasgas-emissierechten vallen.]1
Art. 3.3.16 /8. [1 § 1er. Le gouvernement prend le cas échéant les mesures nécessaires pour que les entités réglementées soient en mesure de déterminer et de documenter de manière fiable et précise, par type de carburant, les quantités précises de carburants mis à la consommation qui sont utilisés pour la combustion dans les secteurs visés par l'article 3.3.16/1, ainsi que leur utilisation finale.
§ 2. Le gouvernement prend le cas échéant des mesures appropriées, en tenant compte des règles arrêtées par la Commission européenne, pour limiter le risque de double comptabilisation des émissions relevant du présent chapitre et des émissions relevant du chapitre 1er du présent titre, des activités de transport maritime couvertes par le règlement (UE) 2015/757 ou des activités de transport aérien relevant du champ d'application du système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre de l'Union européenne.]1
§ 2. Le gouvernement prend le cas échéant des mesures appropriées, en tenant compte des règles arrêtées par la Commission européenne, pour limiter le risque de double comptabilisation des émissions relevant du présent chapitre et des émissions relevant du chapitre 1er du présent titre, des activités de transport maritime couvertes par le règlement (UE) 2015/757 ou des activités de transport aérien relevant du champ d'application du système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre de l'Union européenne.]1
Art. 3.3.16 /10. [1 § 1. Vanaf 1 januari 2028 moet elke gereglementeerde entiteit uiterlijk op 31 mei van elk jaar een hoeveelheid emissierechten krachtens dit hoofdstuk inleveren die gelijk is aan de totale emissies van de gereglementeerde entiteit, die overeen-stemmen met de hoeveelheid brandstof die in het voorgaande kalenderjaar overeenkomstig artikel 3.3.16/1 tot verbruik is uitgeslagen, zoals geverifieerd overeenkomstig artikel 3.3.16/7 en bijlage 3.8. Deze emissierechten worden vervolgens vernietigd.
In afwijking van het eerste lid, in het geval van een kennisgeving van de Europese Commissie die uiterlijk op 15 juli 2026 in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 30duodecies van richtlijn 2003/87/EG, wordt de termijn voor de eerste inlevering van emissie-rechten uitgesteld tot 31 mei 2029 voor de totale emissies van het jaar 2028.
§ 2. Elke persoon kan emissierechten bezitten. Ze mogen worden overgedragen tussen:
1° personen binnen de Europese Unie;
2° personen binnen de Europese Unie en personen in derde landen waar deze emissierechten erkend worden zonder andere beperkingen dan de bij of krachtens dit Wetboek gestelde beperkingen.]1
In afwijking van het eerste lid, in het geval van een kennisgeving van de Europese Commissie die uiterlijk op 15 juli 2026 in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 30duodecies van richtlijn 2003/87/EG, wordt de termijn voor de eerste inlevering van emissie-rechten uitgesteld tot 31 mei 2029 voor de totale emissies van het jaar 2028.
§ 2. Elke persoon kan emissierechten bezitten. Ze mogen worden overgedragen tussen:
1° personen binnen de Europese Unie;
2° personen binnen de Europese Unie en personen in derde landen waar deze emissierechten erkend worden zonder andere beperkingen dan de bij of krachtens dit Wetboek gestelde beperkingen.]1
Art. 3.3.16 /9. [1 Le gouvernement peut déterminer des mesures simplifiées de surveillance, de déclaration et de vérification pour les entités réglementées dont les émissions annuelles correspondant aux quantités de carburants mises à la consommation sont inférieures à 1.000 tonnes d'équivalent-CO2, conformément aux règles arrêtées par la Commission européenne.]1
Art. 3.3.16 /11. [1 De regering, neemt, in voorkomend geval, passende maatregelen om het risico te beperken dat emissierechten worden ingeleverd voor emissies die niet onder dit hoofdstuk vallen, rekening houdend met de regels vastgelegd door de Europese Commissie.]1
Art. 3.3.16 /10. [1 § 1er. A partir du 1er janvier 2028, toute entité réglementée restitue, le 31 mai de chaque année au plus tard, une quantité de quotas relevant du présent chapitre égale aux émissions totales de l'entité règlementée, correspondant à la quantité de carburants mis à la consommation conformément à l'article 3.3.16/1 au cours de l'année civile précédente, telles qu'elles ont été vérifiées, conformément à l'article 3.3.16/7 et à l'annexe 3.8. Ces quotas sont ensuite annulés.
Par dérogation à l'alinéa 1er, en cas d'avis de la Commission européenne publié au Journal officiel de l'Union européenne au plus tard le 15 juillet 2026 en application de l'article 30duodecies de la directive 2003/87/CE, le délai de la première restitution de quotas est reporté au 31 mai 2029 pour les émissions totales de l'année 2028.
§ 2. Toute personne peut détenir des quotas. Les quotas peuvent être transférés entre:
1° personnes dans l'Union européenne;
2° personnes dans l'Union européenne et personnes dans des pays tiers où ces quotas sont reconnus, sans restrictions autres que celles contenues dans le présent Code ou arrêtées en application de celui-ci.]1
Par dérogation à l'alinéa 1er, en cas d'avis de la Commission européenne publié au Journal officiel de l'Union européenne au plus tard le 15 juillet 2026 en application de l'article 30duodecies de la directive 2003/87/CE, le délai de la première restitution de quotas est reporté au 31 mai 2029 pour les émissions totales de l'année 2028.
§ 2. Toute personne peut détenir des quotas. Les quotas peuvent être transférés entre:
1° personnes dans l'Union européenne;
2° personnes dans l'Union européenne et personnes dans des pays tiers où ces quotas sont reconnus, sans restrictions autres que celles contenues dans le présent Code ou arrêtées en application de celui-ci.]1
Art. 3.3.16 /10. [1 § 1. Vanaf 1 januari 2028 moet elke gereglementeerde entiteit uiterlijk op 31 mei van elk jaar een hoeveelheid emissierechten krachtens dit hoofdstuk inleveren die gelijk is aan de totale emissies van de gereglementeerde entiteit, die overeen-stemmen met de hoeveelheid brandstof die in het voorgaande kalenderjaar overeenkomstig artikel 3.3.16/1 tot verbruik is uitgeslagen, zoals geverifieerd overeenkomstig artikel 3.3.16/7 en bijlage 3.8. Deze emissierechten worden vervolgens vernietigd.
In afwijking van het eerste lid, in het geval van een kennisgeving van de Europese Commissie die uiterlijk op 15 juli 2026 in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 30duodecies van richtlijn 2003/87/EG, wordt de termijn voor de eerste inlevering van emissie-rechten uitgesteld tot 31 mei 2029 voor de totale emissies van het jaar 2028.
§ 2. Elke persoon kan emissierechten bezitten. Ze mogen worden overgedragen tussen:
1° personen binnen de Europese Unie;
2° personen binnen de Europese Unie en personen in derde landen waar deze emissierechten erkend worden zonder andere beperkingen dan de bij of krachtens dit Wetboek gestelde beperkingen.]1
In afwijking van het eerste lid, in het geval van een kennisgeving van de Europese Commissie die uiterlijk op 15 juli 2026 in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 30duodecies van richtlijn 2003/87/EG, wordt de termijn voor de eerste inlevering van emissie-rechten uitgesteld tot 31 mei 2029 voor de totale emissies van het jaar 2028.
§ 2. Elke persoon kan emissierechten bezitten. Ze mogen worden overgedragen tussen:
1° personen binnen de Europese Unie;
2° personen binnen de Europese Unie en personen in derde landen waar deze emissierechten erkend worden zonder andere beperkingen dan de bij of krachtens dit Wetboek gestelde beperkingen.]1
Art. 3.3.16 /10. [1 § 1er. A partir du 1er janvier 2028, toute entité réglementée restitue, le 31 mai de chaque année au plus tard, une quantité de quotas relevant du présent chapitre égale aux émissions totales de l'entité règlementée, correspondant à la quantité de carburants mis à la consommation conformément à l'article 3.3.16/1 au cours de l'année civile précédente, telles qu'elles ont été vérifiées, conformément à l'article 3.3.16/7 et à l'annexe 3.8. Ces quotas sont ensuite annulés.
Par dérogation à l'alinéa 1er, en cas d'avis de la Commission européenne publié au Journal officiel de l'Union européenne au plus tard le 15 juillet 2026 en application de l'article 30duodecies de la directive 2003/87/CE, le délai de la première restitution de quotas est reporté au 31 mai 2029 pour les émissions totales de l'année 2028.
§ 2. Toute personne peut détenir des quotas. Les quotas peuvent être transférés entre:
1° personnes dans l'Union européenne;
2° personnes dans l'Union européenne et personnes dans des pays tiers où ces quotas sont reconnus, sans restrictions autres que celles contenues dans le présent Code ou arrêtées en application de celui-ci.]1
Par dérogation à l'alinéa 1er, en cas d'avis de la Commission européenne publié au Journal officiel de l'Union européenne au plus tard le 15 juillet 2026 en application de l'article 30duodecies de la directive 2003/87/CE, le délai de la première restitution de quotas est reporté au 31 mai 2029 pour les émissions totales de l'année 2028.
§ 2. Toute personne peut détenir des quotas. Les quotas peuvent être transférés entre:
1° personnes dans l'Union européenne;
2° personnes dans l'Union européenne et personnes dans des pays tiers où ces quotas sont reconnus, sans restrictions autres que celles contenues dans le présent Code ou arrêtées en application de celui-ci.]1
Art. 3.3.17. De Regering kan elk type van investering doen binnen de grenzen van de beschikbare budgettaire kredieten teneinde :
1° koolstofeenheden te verkrijgen;
2° het klimaatbeleid dat de ontwikkelingslanden hebben uitgewerkt, te ondersteunen;
3° bij te dragen tot projecten van energieproductie uit hernieuwbare bronnen die buiten het grondgebied van het Gewest worden uitgevoerd.
In toepassing van het eerste lid, kunnen de financieringen verleend krachtens punt 2° bestaan uit giften toegekend door de Regering.
De investeringen bedoeld in punt 2° vullen deze aan die bedoeld zijn in punt 1°, alsook de samenwerkingsinvesteringen gedaan in het kader van de externe betrekkingen van het Gewest.
Elke investering gedaan krachtens onderhavig artikel moet minstens beantwoorden aan de volgende voorwaarden :
1) de gewestelijke acties voor vermindering van de emissies aanvullen;
2) de milieu- en sociaaleconomische criteria voor duurzame ontwikkeling naleven.
De Regering kan die voorwaarden nader bepalen of aanvullen.
1° koolstofeenheden te verkrijgen;
2° het klimaatbeleid dat de ontwikkelingslanden hebben uitgewerkt, te ondersteunen;
3° bij te dragen tot projecten van energieproductie uit hernieuwbare bronnen die buiten het grondgebied van het Gewest worden uitgevoerd.
In toepassing van het eerste lid, kunnen de financieringen verleend krachtens punt 2° bestaan uit giften toegekend door de Regering.
De investeringen bedoeld in punt 2° vullen deze aan die bedoeld zijn in punt 1°, alsook de samenwerkingsinvesteringen gedaan in het kader van de externe betrekkingen van het Gewest.
Elke investering gedaan krachtens onderhavig artikel moet minstens beantwoorden aan de volgende voorwaarden :
1) de gewestelijke acties voor vermindering van de emissies aanvullen;
2) de milieu- en sociaaleconomische criteria voor duurzame ontwikkeling naleven.
De Regering kan die voorwaarden nader bepalen of aanvullen.
Art. 3.3.16 /11. [1 Le gouvernement prend le cas échéant des mesures appropriées pour limiter le risque de restitution de quotas pour des émissions non couvertes par le présent chapitre, en tenant compte des règles arrêtées par la Commission européenne.]1
Art. 3.3.18. § 1. De koolstofeenheden verkregen door het Gewest door gebruik te maken van de projectmechanismen mogen gebruikt worden om de verbintenissen inzake de beperking van broeikasgasemissies van het Gewest na te komen.
§ 2. Het Gewest moet deze projectmechanismen aanwenden in de voorwaarden vermeld in het artikel 3.3.17, derde lid.
§ 3. De Regering bepaalt de wijze van beheer en gebruik van de koolstofeenheden die via de projectmechanismen zijn verkregen.
§ 4. De koolstofeenheden worden op de rekening geplaatst die op naam van [1 Leefmilieu Brussel]1 is geopend in het nationale register voor broeikasgassen.
§ 2. Het Gewest moet deze projectmechanismen aanwenden in de voorwaarden vermeld in het artikel 3.3.17, derde lid.
§ 3. De Regering bepaalt de wijze van beheer en gebruik van de koolstofeenheden die via de projectmechanismen zijn verkregen.
§ 4. De koolstofeenheden worden op de rekening geplaatst die op naam van [1 Leefmilieu Brussel]1 is geopend in het nationale register voor broeikasgassen.
Art. 3.3.17. Le Gouvernement peut effectuer tout type d'investissement dans les limites des crédits budgétaires disponibles, en vue :
1° d'acquérir des unités carbone;
2° de soutenir les politiques climatiques mises en oeuvre par les pays en voie de développement;
3° de contribuer à des projets de production d'énergie à partir de sources renouvelables mis en place en dehors du territoire de la Région.
En application de l'alinéa 1er, les financements accordés en vertu du point 2° peuvent consister en des dons octroyés par le Gouvernement.
Les investissements visés au point 2° sont complémentaires à ceux visés au point 1°, ainsi qu'aux investissements de coopération effectués dans le cadre des relations extérieures de la Région.
Tout investissement effectué en vertu du présent article doit à tout le moins répondre aux conditions suivantes :
1) être supplémentaire aux actions régionales de réduction des émissions;
2) respecter les critères environnementaux et socio-économiques du développement durable.
Le Gouvernement peut préciser ou compléter ces conditions.
1° d'acquérir des unités carbone;
2° de soutenir les politiques climatiques mises en oeuvre par les pays en voie de développement;
3° de contribuer à des projets de production d'énergie à partir de sources renouvelables mis en place en dehors du territoire de la Région.
En application de l'alinéa 1er, les financements accordés en vertu du point 2° peuvent consister en des dons octroyés par le Gouvernement.
Les investissements visés au point 2° sont complémentaires à ceux visés au point 1°, ainsi qu'aux investissements de coopération effectués dans le cadre des relations extérieures de la Région.
Tout investissement effectué en vertu du présent article doit à tout le moins répondre aux conditions suivantes :
1) être supplémentaire aux actions régionales de réduction des émissions;
2) respecter les critères environnementaux et socio-économiques du développement durable.
Le Gouvernement peut préciser ou compléter ces conditions.
Art. 3.3.17. De Regering kan elk type van investering doen binnen de grenzen van de beschikbare budgettaire kredieten teneinde :
1° koolstofeenheden te verkrijgen;
2° het klimaatbeleid dat de ontwikkelingslanden hebben uitgewerkt, te ondersteunen;
3° bij te dragen tot projecten van energieproductie uit hernieuwbare bronnen die buiten het grondgebied van het Gewest worden uitgevoerd.
In toepassing van het eerste lid, kunnen de financieringen verleend krachtens punt 2° bestaan uit giften toegekend door de Regering.
De investeringen bedoeld in punt 2° vullen deze aan die bedoeld zijn in punt 1°, alsook de samenwerkingsinvesteringen gedaan in het kader van de externe betrekkingen van het Gewest.
Elke investering gedaan krachtens onderhavig artikel moet minstens beantwoorden aan de volgende voorwaarden :
1) de gewestelijke acties voor vermindering van de emissies aanvullen;
2) de milieu- en sociaaleconomische criteria voor duurzame ontwikkeling naleven.
De Regering kan die voorwaarden nader bepalen of aanvullen.
1° koolstofeenheden te verkrijgen;
2° het klimaatbeleid dat de ontwikkelingslanden hebben uitgewerkt, te ondersteunen;
3° bij te dragen tot projecten van energieproductie uit hernieuwbare bronnen die buiten het grondgebied van het Gewest worden uitgevoerd.
In toepassing van het eerste lid, kunnen de financieringen verleend krachtens punt 2° bestaan uit giften toegekend door de Regering.
De investeringen bedoeld in punt 2° vullen deze aan die bedoeld zijn in punt 1°, alsook de samenwerkingsinvesteringen gedaan in het kader van de externe betrekkingen van het Gewest.
Elke investering gedaan krachtens onderhavig artikel moet minstens beantwoorden aan de volgende voorwaarden :
1) de gewestelijke acties voor vermindering van de emissies aanvullen;
2) de milieu- en sociaaleconomische criteria voor duurzame ontwikkeling naleven.
De Regering kan die voorwaarden nader bepalen of aanvullen.
Art. 3.3.17. Le Gouvernement peut effectuer tout type d'investissement dans les limites des crédits budgétaires disponibles, en vue :
1° d'acquérir des unités carbone;
2° de soutenir les politiques climatiques mises en oeuvre par les pays en voie de développement;
3° de contribuer à des projets de production d'énergie à partir de sources renouvelables mis en place en dehors du territoire de la Région.
En application de l'alinéa 1er, les financements accordés en vertu du point 2° peuvent consister en des dons octroyés par le Gouvernement.
Les investissements visés au point 2° sont complémentaires à ceux visés au point 1°, ainsi qu'aux investissements de coopération effectués dans le cadre des relations extérieures de la Région.
Tout investissement effectué en vertu du présent article doit à tout le moins répondre aux conditions suivantes :
1) être supplémentaire aux actions régionales de réduction des émissions;
2) respecter les critères environnementaux et socio-économiques du développement durable.
Le Gouvernement peut préciser ou compléter ces conditions.
1° d'acquérir des unités carbone;
2° de soutenir les politiques climatiques mises en oeuvre par les pays en voie de développement;
3° de contribuer à des projets de production d'énergie à partir de sources renouvelables mis en place en dehors du territoire de la Région.
En application de l'alinéa 1er, les financements accordés en vertu du point 2° peuvent consister en des dons octroyés par le Gouvernement.
Les investissements visés au point 2° sont complémentaires à ceux visés au point 1°, ainsi qu'aux investissements de coopération effectués dans le cadre des relations extérieures de la Région.
Tout investissement effectué en vertu du présent article doit à tout le moins répondre aux conditions suivantes :
1) être supplémentaire aux actions régionales de réduction des émissions;
2) respecter les critères environnementaux et socio-économiques du développement durable.
Le Gouvernement peut préciser ou compléter ces conditions.
Art. 3.3.20. § 1. De projectmechanismen worden bestudeerd en uitgevoerd in samenwerking met het beleid voor externe betrekkingen.
De Regering duidt het of de organen aan die worden belast met de uitvoering van de projectmechanismen in haar naam. Ze blijft verantwoordelijk voor de nakoming van de verplichtingen die haar worden opgelegd krachtens het RVNKV en zijn protocollen.
§ 2. De Regering kan rechtspersonen machtigen tot deelname aan projectmechanismen. Zij stelt de keuzecriteria en de procedures voor de goedkeuring van die projectmechanismen op.
§ 3. De Regering zorgt ervoor dat de deelname aan projectmechanismen verenigbaar is met de relevante richtsnoeren, modaliteiten en procedures die overeenkomstig het RVNKV of zijn protocollen zijn aanvaard.
De Regering duidt het of de organen aan die worden belast met de uitvoering van de projectmechanismen in haar naam. Ze blijft verantwoordelijk voor de nakoming van de verplichtingen die haar worden opgelegd krachtens het RVNKV en zijn protocollen.
§ 2. De Regering kan rechtspersonen machtigen tot deelname aan projectmechanismen. Zij stelt de keuzecriteria en de procedures voor de goedkeuring van die projectmechanismen op.
§ 3. De Regering zorgt ervoor dat de deelname aan projectmechanismen verenigbaar is met de relevante richtsnoeren, modaliteiten en procedures die overeenkomstig het RVNKV of zijn protocollen zijn aanvaard.
Art. 3.3.18. § 1er. Les unités carbone obtenues par la Région par la mise en oeuvre des mécanismes de projet peuvent être utilisées aux fins de l'exécution des engagements de limitation des émissions de gaz à effet de serre de la Région.
§ 2. Le recours, par la Région, aux mécanismes de projet doit répondre aux conditions visées à l'article 3.3.17, alinéa 3.
§ 3. Le Gouvernement fixe les modalités de gestion et d'utilisation des unités carbone générées par les mécanismes de projet.
§ 4. Les unités carbone sont portées au compte ouvert au nom de [1 Bruxelles Environnement]1 dans le registre national de gaz à effet de serre.
§ 2. Le recours, par la Région, aux mécanismes de projet doit répondre aux conditions visées à l'article 3.3.17, alinéa 3.
§ 3. Le Gouvernement fixe les modalités de gestion et d'utilisation des unités carbone générées par les mécanismes de projet.
§ 4. Les unités carbone sont portées au compte ouvert au nom de [1 Bruxelles Environnement]1 dans le registre national de gaz à effet de serre.
Wijzigingen
Art. 3.3.19. De Regering bepaalt de modaliteiten en de gebruiksprocedure van de koolstofeenheden voor de exploitanten overeenkomstig de besluiten van de Europese Commissie genomen in uitvoering van de Richtlijn 2003/87/EG.
Art. 3.3.20. § 1er. Les mécanismes de projet sont étudiés et réalisés en lien avec la gestion des relations extérieures.
Le Gouvernement désigne le ou les organismes chargés de la mise en oeuvre des mécanismes de projet en son nom. Il reste responsable de l'accomplissement des obligations qui lui incombent en vertu de la CCNUCC et de ses protocoles.
§ 2. Le Gouvernement peut autoriser des personnes morales à participer à des mécanismes de projet. Il établit les critères d'éligibilité et les procédures pour l'approbation de ces mécanismes de projet.
§ 3. Le Gouvernement garantit que la participation à des mécanismes de projet est compatible avec les orientations, modalités et procédures pertinentes adoptées conformément à la CCNUCC ou à ses protocoles.
Le Gouvernement désigne le ou les organismes chargés de la mise en oeuvre des mécanismes de projet en son nom. Il reste responsable de l'accomplissement des obligations qui lui incombent en vertu de la CCNUCC et de ses protocoles.
§ 2. Le Gouvernement peut autoriser des personnes morales à participer à des mécanismes de projet. Il établit les critères d'éligibilité et les procédures pour l'approbation de ces mécanismes de projet.
§ 3. Le Gouvernement garantit que la participation à des mécanismes de projet est compatible avec les orientations, modalités et procédures pertinentes adoptées conformément à la CCNUCC ou à ses protocoles.
Art. 3.3.21. De beslissingen in verband met de toewijzing van emissierechten, de informatie met betrekking tot de projectmechanismen waaraan de Regering deelneemt of waarvoor zij openbare of privé-entiteiten de toelating geeft eraan deel te nemen alsook de krachtens de vergunning voor broeikasgasemissies vereiste emissieverslagen welke in het bezit zijn van [1 Leefmilieu Brussel]1, worden voor het publiek beschikbaar gesteld, behoudens de in [2 het gezamenlijk decreet en ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeen-schapscommissie van 16 mei 2019 betreffende de openbaarheid van bestuur bij de Brusselse instellingen]2 vastgestelde beperkingen.
Art. 3.3.20. § 1er. Les mécanismes de projet sont étudiés et réalisés en lien avec la gestion des relations extérieures.
Le Gouvernement désigne le ou les organismes chargés de la mise en oeuvre des mécanismes de projet en son nom. Il reste responsable de l'accomplissement des obligations qui lui incombent en vertu de la CCNUCC et de ses protocoles.
§ 2. Le Gouvernement peut autoriser des personnes morales à participer à des mécanismes de projet. Il établit les critères d'éligibilité et les procédures pour l'approbation de ces mécanismes de projet.
§ 3. Le Gouvernement garantit que la participation à des mécanismes de projet est compatible avec les orientations, modalités et procédures pertinentes adoptées conformément à la CCNUCC ou à ses protocoles.
Le Gouvernement désigne le ou les organismes chargés de la mise en oeuvre des mécanismes de projet en son nom. Il reste responsable de l'accomplissement des obligations qui lui incombent en vertu de la CCNUCC et de ses protocoles.
§ 2. Le Gouvernement peut autoriser des personnes morales à participer à des mécanismes de projet. Il établit les critères d'éligibilité et les procédures pour l'approbation de ces mécanismes de projet.
§ 3. Le Gouvernement garantit que la participation à des mécanismes de projet est compatible avec les orientations, modalités et procédures pertinentes adoptées conformément à la CCNUCC ou à ses protocoles.
HOOFDSTUK 3. - Toegang tot de informatie
Art. 3.3.21.Les décisions relatives à l'allocation de quotas, les informations relatives aux mécanismes de projet auxquels le Gouvernement participe ou auxquels il autorise des entités publiques ou privées à participer, ainsi que les déclarations d'émission requises en vertu de l'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre et recueillies par [1 Bruxelles Environnement]1 sont mises à la disposition du public, sous réserve des restrictions prévues par [2 le décret et ordonnance conjoints de la Région de Bruxelles-Capitale, la Commission communautaire commune et la Commission communautaire française du 16 mai 2019 relatifs à la publicité de l'administration dans les institutions bruxelloises]2.
Art. 3.3.21. De beslissingen in verband met de toewijzing van emissierechten, de informatie met betrekking tot de projectmechanismen waaraan de Regering deelneemt of waarvoor zij openbare of privé-entiteiten de toelating geeft eraan deel te nemen alsook de krachtens de vergunning voor broeikasgasemissies vereiste emissieverslagen welke in het bezit zijn van [1 Leefmilieu Brussel]1, worden voor het publiek beschikbaar gesteld, behoudens de in [2 het gezamenlijk decreet en ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeen-schapscommissie van 16 mei 2019 betreffende de openbaarheid van bestuur bij de Brusselse instellingen]2 vastgestelde beperkingen.
Art. 3.3.21. Les décisions relatives à l'allocation de quotas, les informations relatives aux mécanismes de projet auxquels le Gouvernement participe ou auxquels il autorise des entités publiques ou privées à participer, ainsi que les déclarations d'émission requises en vertu de l'autorisation d'émettre des gaz à effet de serre et recueillies par [1 Bruxelles Environnement]1 sont mises à la disposition du public, sous réserve des restrictions prévues par [2 le décret et ordonnance conjoints de la Région de Bruxelles-Capitale, la Commission communautaire commune et la Commission communautaire française du 16 mai 2019 relatifs à la publicité de l'administration dans les institutions bruxelloises]2.
Art. 3.4.1.Voor elke ton kooldioxide-equivalent die een installatie uitstoot en waarvoor de exploitant geen emissierechten heeft ingeleverd, bedraagt de boete, ten laste van de exploitant, 100 euro.
CHAPITRE 1er. - Amendes administratives
Art. 3.4.1 /1. [1 § 1. Een administratieve boete wordt opgelegd voor elke inbreuk op de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.27 en de uitvoeringsbesluiten ervan.
Na afloop van de overgangsperiode, bedraagt de boete 350 euro.
§ 2. Gedoogperiode
In afwijking van § 1, mag de Regering gedoogperiodes inlassen. Tijdens deze ononderbroken periodes, wordt er geen administratieve boete opgelegd voor elke inbreuk begaan met hetzelfde voertuig.
Het instellen van een beroep schorst deze gedoogperiode niet.
§ 3. Overgangsperiode
De Regering kan, in afwijking van § 1, voorzien in overgangsperiodes voor de toepassing. Tijdens deze ononderbroken periodes aan het begin van elke nieuwe fase van de lage-emissiezone, wordt voor geen enkele begane overtreding een administratieve boete opgelegd.
Er worden nog steeds controles uitgevoerd tijdens deze periodes, maar de bestuurders en/of eigenaars van de voertuigen in overtreding krijgen een verwittiging in plaats van een boete.
§ 4. De personen die betaling verschuldigd zijn, zijn gehouden om, mondeling of schriftelijk, op verzoek van de op basis van de wetgeving betreffende de lage-emissiezones in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betrokken ambtenaren, alle inlichtingen te verstrekken die aan hen gevraagd worden, om de precieze inning te controleren van de bedragen vermeld in § 1, te hunner laste of ten laste van derden. Elke weigering tot het verstrekken van inlichtingen en elke onjuiste of onvolledige mededeling van inlichtingen leidt tot een administratieve boete van 25 euro.
Deze inlichtingen dienen verstrekt te worden binnen de maand na het verzoek om inlichtingen of onmiddellijk in het geval van een controle op de openbare weg. Het niet-naleven van deze verplichting leidt tot een administratieve boete van 25 euro.
Elke onjuiste of onvolledig informatie verstrekt tijdens een registratie met betrekking tot de lage-emissiezone(s) geeft desgevallend aanleiding tot een administratieve boete van 25 euro.
§ 5. In afwijking van artikel 3.4.2, zijn de modaliteiten voor de boete- en de beroepsprocedures deze die bepaald worden in de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.27 en in dit artikel.
§ 6. Het niet-naleven van de verplichting tot registratie voor de toegang tot de lage-emissiezone(s) leidt tot een administratieve boete van 150 euro buiten de overgangsperiodes.]1
Na afloop van de overgangsperiode, bedraagt de boete 350 euro.
§ 2. Gedoogperiode
In afwijking van § 1, mag de Regering gedoogperiodes inlassen. Tijdens deze ononderbroken periodes, wordt er geen administratieve boete opgelegd voor elke inbreuk begaan met hetzelfde voertuig.
Het instellen van een beroep schorst deze gedoogperiode niet.
§ 3. Overgangsperiode
De Regering kan, in afwijking van § 1, voorzien in overgangsperiodes voor de toepassing. Tijdens deze ononderbroken periodes aan het begin van elke nieuwe fase van de lage-emissiezone, wordt voor geen enkele begane overtreding een administratieve boete opgelegd.
Er worden nog steeds controles uitgevoerd tijdens deze periodes, maar de bestuurders en/of eigenaars van de voertuigen in overtreding krijgen een verwittiging in plaats van een boete.
§ 4. De personen die betaling verschuldigd zijn, zijn gehouden om, mondeling of schriftelijk, op verzoek van de op basis van de wetgeving betreffende de lage-emissiezones in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betrokken ambtenaren, alle inlichtingen te verstrekken die aan hen gevraagd worden, om de precieze inning te controleren van de bedragen vermeld in § 1, te hunner laste of ten laste van derden. Elke weigering tot het verstrekken van inlichtingen en elke onjuiste of onvolledige mededeling van inlichtingen leidt tot een administratieve boete van 25 euro.
Deze inlichtingen dienen verstrekt te worden binnen de maand na het verzoek om inlichtingen of onmiddellijk in het geval van een controle op de openbare weg. Het niet-naleven van deze verplichting leidt tot een administratieve boete van 25 euro.
Elke onjuiste of onvolledig informatie verstrekt tijdens een registratie met betrekking tot de lage-emissiezone(s) geeft desgevallend aanleiding tot een administratieve boete van 25 euro.
§ 5. In afwijking van artikel 3.4.2, zijn de modaliteiten voor de boete- en de beroepsprocedures deze die bepaald worden in de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.27 en in dit artikel.
§ 6. Het niet-naleven van de verplichting tot registratie voor de toegang tot de lage-emissiezone(s) leidt tot een administratieve boete van 150 euro buiten de overgangsperiodes.]1
Art. 3.4.1. Pour chaque tonne d'équivalent-dioxyde de carbone émise par une installation pour laquelle l'exploitant n'a pas restitué de quotas, l'amende à charge de l'exploitant est de 100 euros.
[2 Pour chaque tonne de dioxyde de carbone émise pour laquelle l'entité réglementée n'a pas restitué de quotas, au plus tard le 30 septembre de chaque année, conformément à l'article 3.3.16/10, l'amende à charge de l'entité réglementée est de 100 euros.]2
[2 Ces montants sont adaptés]2 annuellement, au 1er janvier de chaque année, à l'indice [1 européen]1 des prix à la consommation [1 ...]1 du mois de décembre qui précède.
Le paiement de l'amende sur les émissions excédentaires ne libère pas l'exploitant [2 ou l'entité réglementée]2 de l'obligation de restituer un nombre de quotas égal à ces émissions excédentaires lors de la restitution des quotas correspondant à l'année civile suivante.
[2 Pour chaque tonne de dioxyde de carbone émise pour laquelle l'entité réglementée n'a pas restitué de quotas, au plus tard le 30 septembre de chaque année, conformément à l'article 3.3.16/10, l'amende à charge de l'entité réglementée est de 100 euros.]2
[2 Ces montants sont adaptés]2 annuellement, au 1er janvier de chaque année, à l'indice [1 européen]1 des prix à la consommation [1 ...]1 du mois de décembre qui précède.
Le paiement de l'amende sur les émissions excédentaires ne libère pas l'exploitant [2 ou l'entité réglementée]2 de l'obligation de restituer un nombre de quotas égal à ces émissions excédentaires lors de la restitution des quotas correspondant à l'année civile suivante.
Art. 3.4.1. Voor elke ton kooldioxide-equivalent die een installatie uitstoot en waarvoor de exploitant geen emissierechten heeft ingeleverd, bedraagt de boete, ten laste van de exploitant, 100 euro.
[2 Voor elke ton uitgestoten kooldioxide waarvoor de gereglementeerde entiteit geen emissierechten heeft ingeleverd, uiterlijk op 30 september van elk jaar, overeenkomstig artikel 3.3.16/10, bedraagt de boete, ten laste van de gereglementeerde entiteit, 100 euro.]2
[2 Deze bedragen worden]2 op 1 januari van elk jaar aangepast aan het [1 Europese]1 indexcijfer der consumptieprijzen [1 ...]1 van de maand december die eraan voorafgaat.
De betaling van de boete op de overtollige emissies ontheft de exploitant [2 of de gereglementeerde entiteit]2 niet van de verplichting, bij de inlevering van de emissierechten die overeenstemmen met het volgende kalenderjaar, een hoeveelheid emissierechten in te leveren die gelijk is aan deze overtollige emissies.
[2 Voor elke ton uitgestoten kooldioxide waarvoor de gereglementeerde entiteit geen emissierechten heeft ingeleverd, uiterlijk op 30 september van elk jaar, overeenkomstig artikel 3.3.16/10, bedraagt de boete, ten laste van de gereglementeerde entiteit, 100 euro.]2
[2 Deze bedragen worden]2 op 1 januari van elk jaar aangepast aan het [1 Europese]1 indexcijfer der consumptieprijzen [1 ...]1 van de maand december die eraan voorafgaat.
De betaling van de boete op de overtollige emissies ontheft de exploitant [2 of de gereglementeerde entiteit]2 niet van de verplichting, bij de inlevering van de emissierechten die overeenstemmen met het volgende kalenderjaar, een hoeveelheid emissierechten in te leveren die gelijk is aan deze overtollige emissies.
Art. 3.4.1 /1. [1 § 1er Une amende administrative est infligée pour toute infraction aux articles 3.2.16 à 3.2.27 et à leurs arrêtés d'exécution.
La période transitoire terminée, le montant de l'amende s'élève à 350 euros.
§ 2. Période de tolérance
Par dérogation au § 1er, le Gouvernement est habilité à prévoir des périodes de tolérance. Pendant ces périodes ininterrompues, aucune amende administrative n'est infligée pour toute infraction commise avec le même véhicule.
L'introduction d'un recours ne suspend pas cette période de tolérance.
§ 3. Période transitoire
Par dérogation au § 1er, le Gouvernement est habilité à prévoir des périodes d'application transitoire. Pendant ces périodes ininterrompues au début de chaque nouvelle phase de la zone de basses émissions, aucune amende administrative n'est infligée pour toute infraction commise.
Les contrôles restent effectifs durant ces périodes mais des avertissements seront adressés aux conducteurs et/ ou propriétaires des véhicules en infraction en lieu et place des amendes.
§ 4. Les redevables sont tenus de fournir verbalement ou par écrit, sur réquisition des fonctionnaires concernés par la législation relative aux zones de bases émissions dans la Région de Bruxelles-Capitale, tous renseignements qui leur sont réclamés aux fins de vérifier l'exacte perception des montants visés au § 1er à leur charge ou à charge de tiers. Tout refus de communiquer les renseignements demandés et toute communication de renseignements inexacts ou incomplets entrainent une amende administrative de 25 euros.
Ces renseignements doivent être fournis dans le mois de la demande de renseignements ou directement en cas de contrôle sur la voie publique. Le non-respect de cette obligation entraine une amende administrative de 25 euros.
Tout renseignement inexact ou incomplet fourni lors d'un enregistrement relatif à la ou aux zones de basses émissions donnera lieu, le cas échéant, à une amende administrative de 25 euros.
§ 5. Par dérogation à l'article 3.4.2, les modalités des procédures d'amende et la procédure de recours sont celles déterminées par les articles 3.2.16 à 3.2.27 et le présent article.
§ 6. Le non-respect de l'obligation d'enregistrement préalable à l'accès à la ou aux zones de basses émissions entraine une amende administrative de 150 euros en dehors des périodes transitoires.]1
La période transitoire terminée, le montant de l'amende s'élève à 350 euros.
§ 2. Période de tolérance
Par dérogation au § 1er, le Gouvernement est habilité à prévoir des périodes de tolérance. Pendant ces périodes ininterrompues, aucune amende administrative n'est infligée pour toute infraction commise avec le même véhicule.
L'introduction d'un recours ne suspend pas cette période de tolérance.
§ 3. Période transitoire
Par dérogation au § 1er, le Gouvernement est habilité à prévoir des périodes d'application transitoire. Pendant ces périodes ininterrompues au début de chaque nouvelle phase de la zone de basses émissions, aucune amende administrative n'est infligée pour toute infraction commise.
Les contrôles restent effectifs durant ces périodes mais des avertissements seront adressés aux conducteurs et/ ou propriétaires des véhicules en infraction en lieu et place des amendes.
§ 4. Les redevables sont tenus de fournir verbalement ou par écrit, sur réquisition des fonctionnaires concernés par la législation relative aux zones de bases émissions dans la Région de Bruxelles-Capitale, tous renseignements qui leur sont réclamés aux fins de vérifier l'exacte perception des montants visés au § 1er à leur charge ou à charge de tiers. Tout refus de communiquer les renseignements demandés et toute communication de renseignements inexacts ou incomplets entrainent une amende administrative de 25 euros.
Ces renseignements doivent être fournis dans le mois de la demande de renseignements ou directement en cas de contrôle sur la voie publique. Le non-respect de cette obligation entraine une amende administrative de 25 euros.
Tout renseignement inexact ou incomplet fourni lors d'un enregistrement relatif à la ou aux zones de basses émissions donnera lieu, le cas échéant, à une amende administrative de 25 euros.
§ 5. Par dérogation à l'article 3.4.2, les modalités des procédures d'amende et la procédure de recours sont celles déterminées par les articles 3.2.16 à 3.2.27 et le présent article.
§ 6. Le non-respect de l'obligation d'enregistrement préalable à l'accès à la ou aux zones de basses émissions entraine une amende administrative de 150 euros en dehors des périodes transitoires.]1
Art. 3.4.1 /1. [1 § 1. Een administratieve boete wordt opgelegd voor elke inbreuk op de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.27 en de uitvoeringsbesluiten ervan.
Na afloop van de overgangsperiode, bedraagt de boete 350 euro.
§ 2. Gedoogperiode
In afwijking van § 1, mag de Regering gedoogperiodes inlassen. Tijdens deze ononderbroken periodes, wordt er geen administratieve boete opgelegd voor elke inbreuk begaan met hetzelfde voertuig.
Het instellen van een beroep schorst deze gedoogperiode niet.
§ 3. Overgangsperiode
De Regering kan, in afwijking van § 1, voorzien in overgangsperiodes voor de toepassing. Tijdens deze ononderbroken periodes aan het begin van elke nieuwe fase van de lage-emissiezone, wordt voor geen enkele begane overtreding een administratieve boete opgelegd.
Er worden nog steeds controles uitgevoerd tijdens deze periodes, maar de bestuurders en/of eigenaars van de voertuigen in overtreding krijgen een verwittiging in plaats van een boete.
§ 4. De personen die betaling verschuldigd zijn, zijn gehouden om, mondeling of schriftelijk, op verzoek van de op basis van de wetgeving betreffende de lage-emissiezones in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betrokken ambtenaren, alle inlichtingen te verstrekken die aan hen gevraagd worden, om de precieze inning te controleren van de bedragen vermeld in § 1, te hunner laste of ten laste van derden. Elke weigering tot het verstrekken van inlichtingen en elke onjuiste of onvolledige mededeling van inlichtingen leidt tot een administratieve boete van 25 euro.
Deze inlichtingen dienen verstrekt te worden binnen de maand na het verzoek om inlichtingen of onmiddellijk in het geval van een controle op de openbare weg. Het niet-naleven van deze verplichting leidt tot een administratieve boete van 25 euro.
Elke onjuiste of onvolledig informatie verstrekt tijdens een registratie met betrekking tot de lage-emissiezone(s) geeft desgevallend aanleiding tot een administratieve boete van 25 euro.
§ 5. In afwijking van artikel 3.4.2, zijn de modaliteiten voor de boete- en de beroepsprocedures deze die bepaald worden in de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.27 en in dit artikel.
§ 6. Het niet-naleven van de verplichting tot registratie voor de toegang tot de lage-emissiezone(s) leidt tot een administratieve boete van 150 euro buiten de overgangsperiodes.]1
Na afloop van de overgangsperiode, bedraagt de boete 350 euro.
§ 2. Gedoogperiode
In afwijking van § 1, mag de Regering gedoogperiodes inlassen. Tijdens deze ononderbroken periodes, wordt er geen administratieve boete opgelegd voor elke inbreuk begaan met hetzelfde voertuig.
Het instellen van een beroep schorst deze gedoogperiode niet.
§ 3. Overgangsperiode
De Regering kan, in afwijking van § 1, voorzien in overgangsperiodes voor de toepassing. Tijdens deze ononderbroken periodes aan het begin van elke nieuwe fase van de lage-emissiezone, wordt voor geen enkele begane overtreding een administratieve boete opgelegd.
Er worden nog steeds controles uitgevoerd tijdens deze periodes, maar de bestuurders en/of eigenaars van de voertuigen in overtreding krijgen een verwittiging in plaats van een boete.
§ 4. De personen die betaling verschuldigd zijn, zijn gehouden om, mondeling of schriftelijk, op verzoek van de op basis van de wetgeving betreffende de lage-emissiezones in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betrokken ambtenaren, alle inlichtingen te verstrekken die aan hen gevraagd worden, om de precieze inning te controleren van de bedragen vermeld in § 1, te hunner laste of ten laste van derden. Elke weigering tot het verstrekken van inlichtingen en elke onjuiste of onvolledige mededeling van inlichtingen leidt tot een administratieve boete van 25 euro.
Deze inlichtingen dienen verstrekt te worden binnen de maand na het verzoek om inlichtingen of onmiddellijk in het geval van een controle op de openbare weg. Het niet-naleven van deze verplichting leidt tot een administratieve boete van 25 euro.
Elke onjuiste of onvolledig informatie verstrekt tijdens een registratie met betrekking tot de lage-emissiezone(s) geeft desgevallend aanleiding tot een administratieve boete van 25 euro.
§ 5. In afwijking van artikel 3.4.2, zijn de modaliteiten voor de boete- en de beroepsprocedures deze die bepaald worden in de artikelen 3.2.16 tot en met 3.2.27 en in dit artikel.
§ 6. Het niet-naleven van de verplichting tot registratie voor de toegang tot de lage-emissiezone(s) leidt tot een administratieve boete van 150 euro buiten de overgangsperiodes.]1
Art. 3.4.1 /1. [1 § 1er Une amende administrative est infligée pour toute infraction aux articles 3.2.16 à 3.2.27 et à leurs arrêtés d'exécution.
La période transitoire terminée, le montant de l'amende s'élève à 350 euros.
§ 2. Période de tolérance
Par dérogation au § 1er, le Gouvernement est habilité à prévoir des périodes de tolérance. Pendant ces périodes ininterrompues, aucune amende administrative n'est infligée pour toute infraction commise avec le même véhicule.
L'introduction d'un recours ne suspend pas cette période de tolérance.
§ 3. Période transitoire
Par dérogation au § 1er, le Gouvernement est habilité à prévoir des périodes d'application transitoire. Pendant ces périodes ininterrompues au début de chaque nouvelle phase de la zone de basses émissions, aucune amende administrative n'est infligée pour toute infraction commise.
Les contrôles restent effectifs durant ces périodes mais des avertissements seront adressés aux conducteurs et/ ou propriétaires des véhicules en infraction en lieu et place des amendes.
§ 4. Les redevables sont tenus de fournir verbalement ou par écrit, sur réquisition des fonctionnaires concernés par la législation relative aux zones de bases émissions dans la Région de Bruxelles-Capitale, tous renseignements qui leur sont réclamés aux fins de vérifier l'exacte perception des montants visés au § 1er à leur charge ou à charge de tiers. Tout refus de communiquer les renseignements demandés et toute communication de renseignements inexacts ou incomplets entrainent une amende administrative de 25 euros.
Ces renseignements doivent être fournis dans le mois de la demande de renseignements ou directement en cas de contrôle sur la voie publique. Le non-respect de cette obligation entraine une amende administrative de 25 euros.
Tout renseignement inexact ou incomplet fourni lors d'un enregistrement relatif à la ou aux zones de basses émissions donnera lieu, le cas échéant, à une amende administrative de 25 euros.
§ 5. Par dérogation à l'article 3.4.2, les modalités des procédures d'amende et la procédure de recours sont celles déterminées par les articles 3.2.16 à 3.2.27 et le présent article.
§ 6. Le non-respect de l'obligation d'enregistrement préalable à l'accès à la ou aux zones de basses émissions entraine une amende administrative de 150 euros en dehors des périodes transitoires.]1
La période transitoire terminée, le montant de l'amende s'élève à 350 euros.
§ 2. Période de tolérance
Par dérogation au § 1er, le Gouvernement est habilité à prévoir des périodes de tolérance. Pendant ces périodes ininterrompues, aucune amende administrative n'est infligée pour toute infraction commise avec le même véhicule.
L'introduction d'un recours ne suspend pas cette période de tolérance.
§ 3. Période transitoire
Par dérogation au § 1er, le Gouvernement est habilité à prévoir des périodes d'application transitoire. Pendant ces périodes ininterrompues au début de chaque nouvelle phase de la zone de basses émissions, aucune amende administrative n'est infligée pour toute infraction commise.
Les contrôles restent effectifs durant ces périodes mais des avertissements seront adressés aux conducteurs et/ ou propriétaires des véhicules en infraction en lieu et place des amendes.
§ 4. Les redevables sont tenus de fournir verbalement ou par écrit, sur réquisition des fonctionnaires concernés par la législation relative aux zones de bases émissions dans la Région de Bruxelles-Capitale, tous renseignements qui leur sont réclamés aux fins de vérifier l'exacte perception des montants visés au § 1er à leur charge ou à charge de tiers. Tout refus de communiquer les renseignements demandés et toute communication de renseignements inexacts ou incomplets entrainent une amende administrative de 25 euros.
Ces renseignements doivent être fournis dans le mois de la demande de renseignements ou directement en cas de contrôle sur la voie publique. Le non-respect de cette obligation entraine une amende administrative de 25 euros.
Tout renseignement inexact ou incomplet fourni lors d'un enregistrement relatif à la ou aux zones de basses émissions donnera lieu, le cas échéant, à une amende administrative de 25 euros.
§ 5. Par dérogation à l'article 3.4.2, les modalités des procédures d'amende et la procédure de recours sont celles déterminées par les articles 3.2.16 à 3.2.27 et le présent article.
§ 6. Le non-respect de l'obligation d'enregistrement préalable à l'accès à la ou aux zones de basses émissions entraine une amende administrative de 150 euros en dehors des périodes transitoires.]1
Art. 3.4.3. § 1. Wordt [1 met de straf voorzien in artikel 31, § 1, van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid]1, gestraft :
1° hij die inbreuk pleegt op de reglementeringen of het gebruiksverbod van toestellen, installaties, producten die verontreiniging kunnen veroorzaken die de Regering op grond van [2 artikel 3.2.9]2 heeft genomen;
2° hij die inbreuk pleegt op de uitstootnormen, de beperkings- of verbodsmaatregelen voor sommige vormen van verontreiniging die de Regering op grond van [2 artikel 3.2.9]2 heeft genomen;
3° hij die inbreuk pleegt op de maatregelen die de Regering op grond van [2 artikel 3.2.10]2 heeft genomen;
4° hij die inbreuk pleegt op de maatregelen die vervat zijn in het actieplan dat de Regering op grond van [2 artikel 3.2.11]2 heeft vastgelegd;
[3 5° hij die, als gereglementeerde entiteit, de in artikel 3.3.16/1 bedoelde activiteit uitoefent zonder over een vergunning voor broeikasgasemissies, in overeenstemming met artikel 3.3.16/3, te beschikken.]3
§ 2. [1 ...]1
1° hij die inbreuk pleegt op de reglementeringen of het gebruiksverbod van toestellen, installaties, producten die verontreiniging kunnen veroorzaken die de Regering op grond van [2 artikel 3.2.9]2 heeft genomen;
2° hij die inbreuk pleegt op de uitstootnormen, de beperkings- of verbodsmaatregelen voor sommige vormen van verontreiniging die de Regering op grond van [2 artikel 3.2.9]2 heeft genomen;
3° hij die inbreuk pleegt op de maatregelen die de Regering op grond van [2 artikel 3.2.10]2 heeft genomen;
4° hij die inbreuk pleegt op de maatregelen die vervat zijn in het actieplan dat de Regering op grond van [2 artikel 3.2.11]2 heeft vastgelegd;
[3 5° hij die, als gereglementeerde entiteit, de in artikel 3.3.16/1 bedoelde activiteit uitoefent zonder over een vergunning voor broeikasgasemissies, in overeenstemming met artikel 3.3.16/3, te beschikken.]3
§ 2. [1 ...]1
Art. 3.4.2. Sous réserve de l'alinéa 2, les modalités des procédures d'amende et de recours sont celles déterminées par [1 [3 les articles 45, alinéas 1er, 2, 4 et 6, 47, 49, 50, 51, 52, 53 et 54]3 du Code de l'inspection, la prévention, la constatation et la répression des infractions en matière d'environnement et de la responsabilité environnementale]1.
Par dérogation à l'article [1 45, alinéa 5, du Code de l'inspection, la prévention, la constatation et la répression des infractions en matière d'environnement et de la responsabilité environnementale]1, les recettes sont affectées au Fonds Climat visé à l'article 4.1.4 du présent Code et la décision d'infliger une amende administrative n'est pas notifiée au Procureur du Roi.
Par dérogation à l'article [1 45, alinéa 5, du Code de l'inspection, la prévention, la constatation et la répression des infractions en matière d'environnement et de la responsabilité environnementale]1, les recettes sont affectées au Fonds Climat visé à l'article 4.1.4 du présent Code et la décision d'infliger une amende administrative n'est pas notifiée au Procureur du Roi.
HOOFDSTUK 2. - Strafrechtelijke sancties
Art. 3.4.3.§ 1er. Est puni [1 de la peine prévue à l'article 31, § 1er, du Code de l'inspection, la prévention, la constatation et la répression des infractions en matière d'environnement et de la responsabilité environnementale]1 :
Art. N3. 1. BIJLAGE 3.1 - Nationale streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling en blootstellingsconcentratieverplichting voor de PM2,5
A. Gemiddelde blootstellingsindex
De gemiddelde blootstellingsindex (GBI), uitgedrukt in µg/m3, wordt bepaald op basis van metingen op karakteristieke plaatsen van stedelijke achtergrondvervuiling verspreid over het gehele grondgebied van het Gewest. Hij wordt uitgedrukt als de over drie opeenvolgende kalenderjaren berekende jaargemiddelden van de concentraties die gemiddeld op alle bemonsteringspunten zijn gemeten. De eerste referentie-GBI is de gemiddelde concentratie over de jaren 2009, 2010 en 2011.
De GBI voor 2020 is de gemiddelde concentratie over drie opeenvolgende jaren die gemiddeld op al deze bemonsteringspunten is gemeten voor de jaren 2018, 2019 en 2020. De GBI wordt gebruikt om na te gaan of de nationale streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling is gehaald.
De GBI voor 2015 is de gemiddelde concentratie over drie opeenvolgende jaren die gemiddeld op al deze bemonsteringspunten is gemeten voor de jaren 2013, 2014 en 2015. De GBI wordt gebruikt om na te gaan of aan de blootstellingsconcentratieverplichting is voldaan.
B. Nationale streefwaarde inzake vermindering en blootstellingsconcentratieverplichting voor de PM2,5
A. Gemiddelde blootstellingsindex
De gemiddelde blootstellingsindex (GBI), uitgedrukt in µg/m3, wordt bepaald op basis van metingen op karakteristieke plaatsen van stedelijke achtergrondvervuiling verspreid over het gehele grondgebied van het Gewest. Hij wordt uitgedrukt als de over drie opeenvolgende kalenderjaren berekende jaargemiddelden van de concentraties die gemiddeld op alle bemonsteringspunten zijn gemeten. De eerste referentie-GBI is de gemiddelde concentratie over de jaren 2009, 2010 en 2011.
De GBI voor 2020 is de gemiddelde concentratie over drie opeenvolgende jaren die gemiddeld op al deze bemonsteringspunten is gemeten voor de jaren 2018, 2019 en 2020. De GBI wordt gebruikt om na te gaan of de nationale streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling is gehaald.
De GBI voor 2015 is de gemiddelde concentratie over drie opeenvolgende jaren die gemiddeld op al deze bemonsteringspunten is gemeten voor de jaren 2013, 2014 en 2015. De GBI wordt gebruikt om na te gaan of aan de blootstellingsconcentratieverplichting is voldaan.
B. Nationale streefwaarde inzake vermindering en blootstellingsconcentratieverplichting voor de PM2,5
Art. 3.4.3. § 1er. Est puni [1 de la peine prévue à l'article 31, § 1er, du Code de l'inspection, la prévention, la constatation et la répression des infractions en matière d'environnement et de la responsabilité environnementale]1 :
1° celui qui enfreint les réglementations ou les interdictions d'emploi d'appareils, de dispositifs, de produits susceptibles de créer une pollution prises par le Gouvernement en vertu de [2 l'article 3.2.9]2;
2° celui qui enfreint les normes d'émission, les mesures de restriction ou d'interdiction de certaines formes de pollution prises par le Gouvernement en vertu de [2 l'article 3.2.9]2;
3° celui qui enfreint les mesures prises par le Gouvernement en vertu de [2 l'article 3.2.10]2;
4° celui qui enfreint les mesures contenues dans le plan d'action arrêté par le Gouvernement en vertu de [2 l'article 3.2.11]2.
[3 5° celui qui, en tant qu'entité réglementée, exerce l'activité visée à l'article 3.3.16/1 sans détenir une autorisation d'émettre des gaz à effet de serre, conformément à l'article 3.3.16/3.]3
§ 2. [1 ...]1
1° celui qui enfreint les réglementations ou les interdictions d'emploi d'appareils, de dispositifs, de produits susceptibles de créer une pollution prises par le Gouvernement en vertu de [2 l'article 3.2.9]2;
2° celui qui enfreint les normes d'émission, les mesures de restriction ou d'interdiction de certaines formes de pollution prises par le Gouvernement en vertu de [2 l'article 3.2.9]2;
3° celui qui enfreint les mesures prises par le Gouvernement en vertu de [2 l'article 3.2.10]2;
4° celui qui enfreint les mesures contenues dans le plan d'action arrêté par le Gouvernement en vertu de [2 l'article 3.2.11]2.
[3 5° celui qui, en tant qu'entité réglementée, exerce l'activité visée à l'article 3.3.16/1 sans détenir une autorisation d'émettre des gaz à effet de serre, conformément à l'article 3.3.16/3.]3
§ 2. [1 ...]1
| Streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling ten aanzien van de GBI van 2010 | Jaar waarin de streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling zou moeten worden bereikt |
| Aanvankelijke concentratie in µg/m3 | Verminderingsdoelstelling in percentage 2020 |
| < 8,5 = 8,5 | 0 % |
| > 8,5 - < 13 | 10 % |
| = 13 - < 18 | 15 % |
| = 18 - < 22 | 20 % |
| > 22 | Alle geschikte maatregelen om 18 µg/m3 te bereiken |
C. Blootstellingsconcentratieverplichting
Blootstellingsconcentratie- Jaar waarin de verplichting
Verplichting moet worden nageleefd
20 µg/m32015
-
Art. N3.2.BIJLAGE 3.2 - Informatie aan het publiek
Art. N3.1. ANNEXE 3.1 - Objectif national de réduction de l'exposition et obligation en matière d'exposition à la concentration pour les PM2,5
Art. N3. 3. BIJLAGE 3.3 - Categorieën van activiteiten bedoeld in artikel 3.3.1
Installaties of delen van installaties die voor onderzoek, ontwikkeling en het testen van nieuwe producten en processen worden gebruikt en installaties die uitsluitend biomassa gebruiken, vallen niet onder onderhavig Wetboek. [1 Installaties waar gedurende de voorgaande desbetreffende periode van vijf jaar, waarvan de eerste periode van vijf jaar ingaat op 1 januari 2021, gemiddeld meer dan 95% van de totale gemiddelde broeikasgasemissie bestaat uit emissies als gevolg van de verbranding van biomassa die voldoet aan de criteria die zijn vastgesteld op grond van artikel 14 van richtlijn 2003/87/EG, vallen niet onder onderhavig Wetboek.]1
De hieronder genoemde drempelwaarden hebben doorgaans betrekking op de productiecapaciteit of op het vermogen. Wanneer in dezelfde installatie verscheidene onder dezelfde categorie vallende activiteiten worden uitgevoerd, worden de vermogens van de activiteiten bij elkaar opgeteld.
[1 Wanneer het totale nominaal thermisch ingangsvermogen van een installatie wordt berekend met het oog op het nemen van een besluit inzake de opneming ervan in het EU-ETS onder onderhavig Wetboek, wordt het nominaal thermisch ingangsvermogen van alle technische eenheden die deel uitmaken van de installatie en waarin brandstoffen worden verbrand, bij elkaar opgeteld. Die eenheden mogen onder andere alle soorten stook- of verwarmingsketels, branders, turbines, verwarmingstoestellen, (smelt)ovens, verbrandingsovens, gloeiovens, draai- of keramiekovens, droog- en bakovens, drogers, motoren, brandstofcellen, chemische looping-verbrandingseenheden, fakkels en thermische of katalytische naverbranders omvatten. Eenheden met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 3 MW worden bij deze berekening buiten beschouwing gelaten.]1.
Wanneer een eenheid wordt gebruikt voor een activiteit waarvoor de drempel niet is uitgedrukt als het totale nominaal thermisch ingangsvermogen, bepaalt de drempel die voor deze activiteit wordt gebruikt of ze in de Gemeenschapsregeling zal worden opgenomen.
Wanneer de installatie de capaciteitsdrempel van één van de in deze bijlage vermelde activiteiten overschrijdt, worden alle eenheden waarin brandstoffen worden verbrand, met uitzondering van eenheden voor de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen of van huishoudelijk afval, opgenomen in de vergunning voor broeikasgasemissie.
Installaties of delen van installaties die voor onderzoek, ontwikkeling en het testen van nieuwe producten en processen worden gebruikt en installaties die uitsluitend biomassa gebruiken, vallen niet onder onderhavig Wetboek. [1 Installaties waar gedurende de voorgaande desbetreffende periode van vijf jaar, waarvan de eerste periode van vijf jaar ingaat op 1 januari 2021, gemiddeld meer dan 95% van de totale gemiddelde broeikasgasemissie bestaat uit emissies als gevolg van de verbranding van biomassa die voldoet aan de criteria die zijn vastgesteld op grond van artikel 14 van richtlijn 2003/87/EG, vallen niet onder onderhavig Wetboek.]1
De hieronder genoemde drempelwaarden hebben doorgaans betrekking op de productiecapaciteit of op het vermogen. Wanneer in dezelfde installatie verscheidene onder dezelfde categorie vallende activiteiten worden uitgevoerd, worden de vermogens van de activiteiten bij elkaar opgeteld.
[1 Wanneer het totale nominaal thermisch ingangsvermogen van een installatie wordt berekend met het oog op het nemen van een besluit inzake de opneming ervan in het EU-ETS onder onderhavig Wetboek, wordt het nominaal thermisch ingangsvermogen van alle technische eenheden die deel uitmaken van de installatie en waarin brandstoffen worden verbrand, bij elkaar opgeteld. Die eenheden mogen onder andere alle soorten stook- of verwarmingsketels, branders, turbines, verwarmingstoestellen, (smelt)ovens, verbrandingsovens, gloeiovens, draai- of keramiekovens, droog- en bakovens, drogers, motoren, brandstofcellen, chemische looping-verbrandingseenheden, fakkels en thermische of katalytische naverbranders omvatten. Eenheden met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 3 MW worden bij deze berekening buiten beschouwing gelaten.]1.
Wanneer een eenheid wordt gebruikt voor een activiteit waarvoor de drempel niet is uitgedrukt als het totale nominaal thermisch ingangsvermogen, bepaalt de drempel die voor deze activiteit wordt gebruikt of ze in de Gemeenschapsregeling zal worden opgenomen.
Wanneer de installatie de capaciteitsdrempel van één van de in deze bijlage vermelde activiteiten overschrijdt, worden alle eenheden waarin brandstoffen worden verbrand, met uitzondering van eenheden voor de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen of van huishoudelijk afval, opgenomen in de vergunning voor broeikasgasemissie.
Art. N3. 2.ANNEXE 3.2 - Information du public
1. [1 Bruxelles Environnement]1 met systématiquement à disposition du public des informations à jour sur les concentrations dans l'air ambiant de polluants couverts par la présente ordonnance.
2. Ces informations indiquent au moins tous les niveaux excédant les objectifs de qualité de l'air, notamment en matière de valeurs limites, de valeurs cibles, de seuils d'alerte, de seuils d'information ou d'objectifs à long terme fixés pour le polluant réglementé. Elles fournissent également une brève évaluation par rapport aux objectifs de qualité de l'air ainsi que des informations appropriées en ce qui concerne les effets sur la santé ou, le cas échéant, sur la végétation.
3. Les informations sur les concentrations dans l'air ambiant d'anhydride sulfureux, de dioxyde d'azote, de particules (au moins des PM10), d'ozone et de monoxyde de carbone sont mises à jour au moins quotidiennement et, lorsque cela est réalisable, toutes les heures. Les informations sur les concentrations dans l'air ambiant de plomb et de benzène, présentées sous la forme d'une valeur moyenne pour les douze derniers mois, sont mises à jour tous les trois mois et, lorsque cela est réalisable, tous les mois.
4. [1 Bruxelles Environnement]1 informe le public en temps utile des dépassements constatés ou prévus en ce qui concerne les seuils d'alerte et les seuils d'information. Les renseignements fournis comportent au moins les informations suivantes :
a) des informations sur le ou les dépassements observés :
- lieu ou zone du dépassement;
- type de seuil dépassé (seuil d'information ou seuil d'alerte);
- heure à laquelle le seuil a été dépassé et durée du dépassement;
- concentration la plus élevée observée sur une heure, accompagnée, dans le cas de l'ozone, de la concentration moyenne la plus élevée observée sur huit heures;
b) des prévisions pour l'après-midi ou le ou les jours suivants :
- zone géographique où sont prévus des dépassements du seuil d'information et/ou d'alerte;
- évolution prévue de la pollution (amélioration, stabilisation ou détérioration), ainsi que les raisons expliquant ces changements;
c) des informations relatives au type de personnes concernées, aux effets possibles sur la santé et à la conduite recommandée :
- informations sur les groupes de population à risque;
- description des symptômes probables;
- recommandations concernant les précautions à prendre par les personnes concernées;
- indications permettant de trouver des compléments d'information;
d) des informations sur les mesures préventives destinées à réduire la pollution et/ou l'exposition à celle-ci : indication des principaux secteurs sources de la pollution; recommandations quant aux mesures destinées à réduire les émissions;
e) en cas de dépassements prévus, le Gouvernement prend des mesures pour assurer que ces renseignements soient fournis dans la mesure du possible.
1. [1 Bruxelles Environnement]1 met systématiquement à disposition du public des informations à jour sur les concentrations dans l'air ambiant de polluants couverts par la présente ordonnance.
2. Ces informations indiquent au moins tous les niveaux excédant les objectifs de qualité de l'air, notamment en matière de valeurs limites, de valeurs cibles, de seuils d'alerte, de seuils d'information ou d'objectifs à long terme fixés pour le polluant réglementé. Elles fournissent également une brève évaluation par rapport aux objectifs de qualité de l'air ainsi que des informations appropriées en ce qui concerne les effets sur la santé ou, le cas échéant, sur la végétation.
3. Les informations sur les concentrations dans l'air ambiant d'anhydride sulfureux, de dioxyde d'azote, de particules (au moins des PM10), d'ozone et de monoxyde de carbone sont mises à jour au moins quotidiennement et, lorsque cela est réalisable, toutes les heures. Les informations sur les concentrations dans l'air ambiant de plomb et de benzène, présentées sous la forme d'une valeur moyenne pour les douze derniers mois, sont mises à jour tous les trois mois et, lorsque cela est réalisable, tous les mois.
4. [1 Bruxelles Environnement]1 informe le public en temps utile des dépassements constatés ou prévus en ce qui concerne les seuils d'alerte et les seuils d'information. Les renseignements fournis comportent au moins les informations suivantes :
a) des informations sur le ou les dépassements observés :
- lieu ou zone du dépassement;
- type de seuil dépassé (seuil d'information ou seuil d'alerte);
- heure à laquelle le seuil a été dépassé et durée du dépassement;
- concentration la plus élevée observée sur une heure, accompagnée, dans le cas de l'ozone, de la concentration moyenne la plus élevée observée sur huit heures;
b) des prévisions pour l'après-midi ou le ou les jours suivants :
- zone géographique où sont prévus des dépassements du seuil d'information et/ou d'alerte;
- évolution prévue de la pollution (amélioration, stabilisation ou détérioration), ainsi que les raisons expliquant ces changements;
c) des informations relatives au type de personnes concernées, aux effets possibles sur la santé et à la conduite recommandée :
- informations sur les groupes de population à risque;
- description des symptômes probables;
- recommandations concernant les précautions à prendre par les personnes concernées;
- indications permettant de trouver des compléments d'information;
d) des informations sur les mesures préventives destinées à réduire la pollution et/ou l'exposition à celle-ci : indication des principaux secteurs sources de la pollution; recommandations quant aux mesures destinées à réduire les émissions;
e) en cas de dépassements prévus, le Gouvernement prend des mesures pour assurer que ces renseignements soient fournis dans la mesure du possible.
Wijzigingen
| Activiteiten | Broeikasgassen |
| Verbranden van brandstof in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW (met uitzondering van installaties voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen of huishoudelijk afval) | Kooldioxide |
| Raffineren van aardoliën | Kooldioxide |
| Productie van cokes | Kooldioxide |
| Roosten of sinteren, met inbegrip van pelletiseren, van ertsen (met inbegrip van zwavelhoudend erts) | Kooldioxide |
| Productie van ruw ijzer of staal (primaire of secundaire smelting) inclusief continugieten, met een capaciteit van meer dan 2,5 ton per uur | Kooldioxide |
| Productie of bewerking van ferrometalen (inclusief ferrolegeringen) waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW worden gebruikt. De bewerking omvat, onder andere, walserijen, herverhitters, gloeiovens, smederijen, gieterijen, coating en beitseenheden | Kooldioxide |
| Productie van primair aluminium | Kooldioxide en perfluorkoolwaterstoffen |
| Productie van secundair aluminium waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW worden gebruikt | Kooldioxide |
| Productie of bewerking van non-ferrometalen, met inbegrip van de productie van legeringen, raffinage, gieterijen enz., waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen (met inbegrip van brandstoffen die als reductoren worden in gezet) van meer dan 20 MW worden gebruikt | Kooldioxide |
| Productie van cementklinkers in draaiovens met een productiecapaciteit van meer dan 500 ton per dag of in andere ovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag | Kooldioxide |
| Productie van kalk met inbegrip van het calcineren van dolomiet of magnesiet in draaiovens of in andere ovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag | Kooldioxide |
| Fabricage van glas, met inbegrip van de fabricage van glasvezels, met een smeltcapaciteit van meer dan 20 ton per dag | Kooldioxide |
| Fabricage van keramische producten door middel van verhitting, met name dakpannen, bakstenen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of porselein, met een productiecapaciteit van meer dan 75 ton per dag | Kooldioxide |
| Fabricage van isolatiemateriaal uit minerale wol met gebruikmaking van glas, steen of slakken met een smeltcapaciteit van meer dan 20 ton per dag | Kooldioxide |
| Drogen of calcineren van gips of het produceren van gipsplaten en andere gipsproducten, waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW worden gebruikt | Kooldioxide |
| Productie van pulp uit hout of andere vezelhoudende materialen | Kooldioxide |
| Productie van papier of karton met een productiecapaciteit van meer dan 20 ton per dag | Kooldioxide |
| Productie van roet waarbij organische stoffen zoals olie, teer en kraak- en destillatieresiduen worden verkoold, waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW worden gebruikt | Kooldioxide |
| Productie van salpeterzuur | Kooldioxide en distikstofoxide |
| Productie van adipinezuur | Kooldioxide en distikstofoxide |
| Productie van glyoxal en glyoxylzuur | Kooldioxide en distikstofoxide |
| Productie van ammoniak | Kooldioxide |
| Productie van organische bulkchemicaliën door kraken, reforming, gedeeltelijke of volledige oxidatie of vergelijkbare processen, met een productiecapaciteit van meer dan 100 ton per dag | Kooldioxide |
| Productie van waterstof (H2) en synthesegas door reforming of gedeeltelijke oxidatie met een productiecapaciteit van meer dan 25 ton per dag | Kooldioxide |
| Productie van natriumcarbonaat (Na2CO3) en natriumbicarbonaat (NaHCO3) | Kooldioxide |
| Afvangen van broeikasgassen van installaties die onder dit Wetboek vallen met het oog op vervoer en geologische opslag op een opslaglocatie waarvoor krachtens Richtlijn 2009/31/EG een vergunning is verleend | Kooldioxide |
| Vervoer van broeikasgassen via pijpleidingen met het oog op geologische opslag op een opslaglocatie waarvoor een vergunning is verleend | Kooldioxide |
| Geologische opslag van broeikasgassen op een opslaglocatie waarvoor een vergunning is verleend | Kooldioxide |
-
Art. N3. 2.BIJLAGE 3.2 - Informatie aan het publiek
1. [1 Leefmilieu Brussel]1 stelt stelselmatig recente gegevens over de omgevingsconcentraties van de bij deze ordonnantie gereguleerde verontreinigende stoffen ter beschikking van de bevolking.
2. Ze omvatten ten minste gegevens over alle overschrijdingen van de luchtkwaliteitsdoelstellingen, met inbegrip van grenswaarden, streefwaarden, alarmdrempels, informatiedrempels of langetermijndoelstellingen met betrekking tot de gereguleerde verontreinigende stof. Voorts verstrekken zij een korte beoordeling in het licht van de luchtkwaliteitsdoelstellingen en adequate gegevens over de gevolgen voor de gezondheid of, in voorkomend geval, voor de vegetatie.
3. De gegevens over de omgevingsconcentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes (ten minste PM10), ozon en koolmonoxide dienen ten minste één keer per dag en, indien mogelijk, van uur tot uur te worden bijgewerkt. De gegevens over de omgevingsconcentraties van lood en benzeen, die als een gemiddelde waarde voor de afgelopen twaalf maanden worden uitgedrukt, worden driemaandelijks en, indien mogelijk, maandelijks bijgewerkt.
4. [1 Leefmilieu Brussel]1 licht de bevolking tijdig in over daadwerkelijke of voorspelde overschrijdingen van de alarmdrempels en de informatiedrempels. In dat verband worden ten minste de volgende gegevens verstrekt :
a) gegevens over de waargenomen overschrijding(en) :
- plaats of gebied van overschrijding;
- soort drempel die is overschreden (informatiedrempel of alarmdrempel);
- tijdstip van aanvang en duur van de overschrijding;
- hoogste uurgemiddelde en hoogste acht-uurgemiddelde concentratie in geval van ozon;
b) prognoses voor de volgende middag of dag(en) :
- geografisch gebied van de verwachte overschrijding van de informatie- en/of alarmdrempel;
- de verwachte veranderingen in de verontreiniging (verbetering, stabilisatie of verslechtering), samen met de redenen die deze veranderingen verklaren;
c) gegevens over de betrokken bevolkingsgroep, mogelijke gevolgen voor de gezondheid en aanbevolen gedrag :
- mededelingen over de risicogroepen binnen de bevolking;
- beschrijving van de te verwachten symptomen;
- aanbevelingen voor de door de betrokken bevolkingsgroep te nemen voorzorgsmaatregelen;
- verwijzingen naar de vindplaats van nadere gegevens;
d) gegevens over preventieve acties ter vermindering van de verontreiniging en/of de blootstelling daaraan : vermelding van de belangrijkste bronsectoren van de verontreiniging; aanbevelingen voor maatregelen om de uitstoot te verminderen;
e) in geval van voorziene overschrijdingen, neemt de Regering maatregelen om te garanderen dat die inlichtingen in de mate van het mogelijke worden verstrekt.
1. [1 Leefmilieu Brussel]1 stelt stelselmatig recente gegevens over de omgevingsconcentraties van de bij deze ordonnantie gereguleerde verontreinigende stoffen ter beschikking van de bevolking.
2. Ze omvatten ten minste gegevens over alle overschrijdingen van de luchtkwaliteitsdoelstellingen, met inbegrip van grenswaarden, streefwaarden, alarmdrempels, informatiedrempels of langetermijndoelstellingen met betrekking tot de gereguleerde verontreinigende stof. Voorts verstrekken zij een korte beoordeling in het licht van de luchtkwaliteitsdoelstellingen en adequate gegevens over de gevolgen voor de gezondheid of, in voorkomend geval, voor de vegetatie.
3. De gegevens over de omgevingsconcentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes (ten minste PM10), ozon en koolmonoxide dienen ten minste één keer per dag en, indien mogelijk, van uur tot uur te worden bijgewerkt. De gegevens over de omgevingsconcentraties van lood en benzeen, die als een gemiddelde waarde voor de afgelopen twaalf maanden worden uitgedrukt, worden driemaandelijks en, indien mogelijk, maandelijks bijgewerkt.
4. [1 Leefmilieu Brussel]1 licht de bevolking tijdig in over daadwerkelijke of voorspelde overschrijdingen van de alarmdrempels en de informatiedrempels. In dat verband worden ten minste de volgende gegevens verstrekt :
a) gegevens over de waargenomen overschrijding(en) :
- plaats of gebied van overschrijding;
- soort drempel die is overschreden (informatiedrempel of alarmdrempel);
- tijdstip van aanvang en duur van de overschrijding;
- hoogste uurgemiddelde en hoogste acht-uurgemiddelde concentratie in geval van ozon;
b) prognoses voor de volgende middag of dag(en) :
- geografisch gebied van de verwachte overschrijding van de informatie- en/of alarmdrempel;
- de verwachte veranderingen in de verontreiniging (verbetering, stabilisatie of verslechtering), samen met de redenen die deze veranderingen verklaren;
c) gegevens over de betrokken bevolkingsgroep, mogelijke gevolgen voor de gezondheid en aanbevolen gedrag :
- mededelingen over de risicogroepen binnen de bevolking;
- beschrijving van de te verwachten symptomen;
- aanbevelingen voor de door de betrokken bevolkingsgroep te nemen voorzorgsmaatregelen;
- verwijzingen naar de vindplaats van nadere gegevens;
d) gegevens over preventieve acties ter vermindering van de verontreiniging en/of de blootstelling daaraan : vermelding van de belangrijkste bronsectoren van de verontreiniging; aanbevelingen voor maatregelen om de uitstoot te verminderen;
e) in geval van voorziene overschrijdingen, neemt de Regering maatregelen om te garanderen dat die inlichtingen in de mate van het mogelijke worden verstrekt.
Art. N3. ANNEXE 3.3 - Catégories d'activités visées à l'article 3.3.1
Les installations ou parties d'installations utilisées pour la recherche, le développement et l'expérimentation de nouveaux produits et procédés, ainsi que les installations utilisant exclusivement de la biomasse, ne sont pas visées par le présent Code. [1 Au cours de la période de cinq ans précédente, dont la première période de cinq ans débute le 1er janvier 2021, les installations, dans lesquelles les émissions issues de la combustion de biomasse qui satisfait aux critères établis conformément à l'article 14 de la directive 2003/87/CE, qui contribuent à plus de 95 % en moyenne aux émissions totales moyennes de gaz à effet de serre, ne sont pas visées par le présent Code.]1
Les valeurs seuils citées ci-dessous se rapportent généralement à des capacités de production ou à des rendements. Si une même installation met en oeuvre plusieurs activités relevant de la même catégorie, les capacités de ces activités s'additionnent.
[1 Pour calculer la puissance calorifique totale de combustion d'une installation afin de décider de son inclusion dans le SEQE de l'UE, on procède par addition des puissances calorifiques de combustion de toutes les unités techniques qui la composent, dans lesquelles des carburants sont brûlés au sein de l'installation. Parmi ces unités peuvent notamment figurer tous les types de chaudières, brûleurs, turbines, appareils de chauffage, hauts-fourneaux, incinérateurs, calcinateurs, fours, étuves, sécheurs, moteurs, piles à combustible, unités de combustion en boucle chimique, torchères, ainsi que les unités de postcombustion thermique ou catalytique. Les unités dont la puissance calorifique de combustion est inférieure à 3 MW ne sont pas prises en considération dans ce calcul]1.
Si une unité met en oeuvre une activité dont le seuil n'est pas exprimé en puissance calorifique totale de combustion, c'est le seuil utilisé pour cette activité qui détermine l'inclusion dans le système communautaire.
Lorsqu'une installation dépasse le seuil de capacité défini pour une activité dans la présente annexe, toutes les unités de combustion de carburants, autres que les unités d'incinération de déchets dangereux ou municipaux, sont incluses dans le permis d'émission de gaz à effet de serre.
Les installations ou parties d'installations utilisées pour la recherche, le développement et l'expérimentation de nouveaux produits et procédés, ainsi que les installations utilisant exclusivement de la biomasse, ne sont pas visées par le présent Code. [1 Au cours de la période de cinq ans précédente, dont la première période de cinq ans débute le 1er janvier 2021, les installations, dans lesquelles les émissions issues de la combustion de biomasse qui satisfait aux critères établis conformément à l'article 14 de la directive 2003/87/CE, qui contribuent à plus de 95 % en moyenne aux émissions totales moyennes de gaz à effet de serre, ne sont pas visées par le présent Code.]1
Les valeurs seuils citées ci-dessous se rapportent généralement à des capacités de production ou à des rendements. Si une même installation met en oeuvre plusieurs activités relevant de la même catégorie, les capacités de ces activités s'additionnent.
[1 Pour calculer la puissance calorifique totale de combustion d'une installation afin de décider de son inclusion dans le SEQE de l'UE, on procède par addition des puissances calorifiques de combustion de toutes les unités techniques qui la composent, dans lesquelles des carburants sont brûlés au sein de l'installation. Parmi ces unités peuvent notamment figurer tous les types de chaudières, brûleurs, turbines, appareils de chauffage, hauts-fourneaux, incinérateurs, calcinateurs, fours, étuves, sécheurs, moteurs, piles à combustible, unités de combustion en boucle chimique, torchères, ainsi que les unités de postcombustion thermique ou catalytique. Les unités dont la puissance calorifique de combustion est inférieure à 3 MW ne sont pas prises en considération dans ce calcul]1.
Si une unité met en oeuvre une activité dont le seuil n'est pas exprimé en puissance calorifique totale de combustion, c'est le seuil utilisé pour cette activité qui détermine l'inclusion dans le système communautaire.
Lorsqu'une installation dépasse le seuil de capacité défini pour une activité dans la présente annexe, toutes les unités de combustion de carburants, autres que les unités d'incinération de déchets dangereux ou municipaux, sont incluses dans le permis d'émission de gaz à effet de serre.
-
| Activités | Gaz à effet de serre |
| Combustion de combustibles dans des installations dont la puissance calorifique totale de combustion est supérieure à 20 MW (à l'exception des installations d'incinération de déchets dangereux ou municipaux) | Dioxyde de carbone |
| Raffinage de pétrole | Dioxyde de carbone |
| Production de coke | Dioxyde de carbone |
| Grillage ou frittage, y compris pelletisation, de minerai métallique (y compris de minerai sulfuré) | Dioxyde de carbone |
| Production de fonte ou d'acier (fusion primaire ou secondaire), y compris les équipements pour coulée continue d'une capacité de plus de 2,5 tonnes par heure | Dioxyde de carbone |
| Production ou transformation de métaux ferreux (y compris les ferro-alliages) lorsque des unités de combustion dont la puissance calorifique totale de combustion est supérieure à 20 MW sont exploitées. La transformation comprend, notamment, les laminoirs, les réchauffeurs, les fours de recuit, les forges, les fonderies, les unités de revêtement et les unités de décapage | Dioxyde de carbone |
| Production d'aluminium primaire | Dioxyde de carbone et hydrocarbures perfluorés |
| Production d'aluminium secondaire, lorsque des unités de combustion dont la puissance calorifique totale de combustion est supérieure à 20 MW sont exploitées | Dioxyde de carbone |
| Production ou transformation de métaux non ferreux, y compris la production d'alliages, l'affinage, le moulage en fonderie, etc., lorsque des unités de combustion dont la puissance calorifique totale de combustion (y compris les combustibles utilisés comme agents réducteurs) est supérieure à 20 MW sont exploitées | Dioxyde de carbone |
| Production de clinker (ciment) dans des fours rotatifs avec une capacité de production supérieure à 500 tonnes par jour, ou dans d'autres types de fours, avec une capacité de production supérieure à 50 tonnes par jour | Dioxyde de carbone |
| Production de chaux, y compris la calcination de dolomite et de magnésite, dans des fours rotatifs ou dans d'autres types de fours, avec une capacité de production supérieure à 50 tonnes par jour | Dioxyde de carbone |
| Fabrication du verre, y compris de fibres de verre, avec une capacité de fusion supérieure à 20 tonnes par jour | Dioxyde de carbone |
| Fabrication de produits céramiques par cuisson, notamment de tuiles, de briques, de pierres réfractaires, de carrelages, de grès ou de porcelaines, avec une capacité de production supérieure à 75 tonnes par jour | Dioxyde de carbone |
| Fabrication de matériau isolant en laine minérale à partir de roches, de verre ou de laitier, avec une capacité de fusion supérieure à 20 tonnes par jour | Dioxyde de carbone |
| Séchage ou calcination du plâtre ou production de planches de plâtre et autres compositions à base de plâtre, lorsque des unités de combustion dont la puissance calorifique de combustion est supérieure à 20 MW sont exploitées | Dioxyde de carbone |
| Production de pâte à papier à partir du bois ou d'autres matières fibreuses | Dioxyde de carbone |
| Production de papier ou de carton, avec une capacité de production supérieure à 20 tonnes par jour | Dioxyde de carbone |
| Production de noir de carbone, y compris la carbonisation de substances organiques telles que les huiles, les goudrons, les résidus de craquage et de distillation, lorsque des unités de combustion dont la puissance calorifique totale de combustion est supérieure à 20 MW sont exploitées | Dioxyde de carbone |
| Production d'acide nitrique | Dioxyde de carbone et protoxyde d'azote |
| Production d'acide adipique | Dioxyde de carbone et protoxyde d'azote |
| Production de glyoxal et d'acide glyoxylique | Dioxyde de carbone et protoxyde d'azote |
| Production d'ammoniac | Dioxyde de carbone |
| Production de produits chimiques organiques en vrac par craquage, reformage, oxydation partielle ou totale, ou par d'autres procédés similaires, avec une capacité de production supérieure à 100 tonnes par jour | Dioxyde de carbone |
| Production d'hydrogène (H2) et de gaz de synthèse par reformage ou oxydation partielle avec une capacité de production supérieure à 25 tonnes par jour | Dioxyde de carbone |
| Production de soude (Na2CO3) et de bicarbonate de sodium (NaHCO3) | Dioxyde de carbone |
| Captage des gaz à effet de serre produits par les installations couvertes par le présent Code en vue de leur transport et de leur stockage géologique dans un site de stockage agréé au titre de la Directive 2009/31/CE | Dioxyde de carbone |
| Transport par pipelines des gaz à effet de serre en vue de leur stockage dans un site de stockage agréé | Dioxyde de carbone |
| Stockage géologique des gaz à effet de serre dans un site de stockage agréé | Dioxyde de carbone |
Art. N3. 3. BIJLAGE 3.3 - Categorieën van activiteiten bedoeld in artikel 3.3.1
Installaties of delen van installaties die voor onderzoek, ontwikkeling en het testen van nieuwe producten en processen worden gebruikt en installaties die uitsluitend biomassa gebruiken, vallen niet onder onderhavig Wetboek. [1 Installaties waar gedurende de voorgaande desbetreffende periode van vijf jaar, waarvan de eerste periode van vijf jaar ingaat op 1 januari 2021, gemiddeld meer dan 95% van de totale gemiddelde broeikasgasemissie bestaat uit emissies als gevolg van de verbranding van biomassa die voldoet aan de criteria die zijn vastgesteld op grond van artikel 14 van richtlijn 2003/87/EG, vallen niet onder onderhavig Wetboek.]1
De hieronder genoemde drempelwaarden hebben doorgaans betrekking op de productiecapaciteit of op het vermogen. Wanneer in dezelfde installatie verscheidene onder dezelfde categorie vallende activiteiten worden uitgevoerd, worden de vermogens van de activiteiten bij elkaar opgeteld.
[1 Wanneer het totale nominaal thermisch ingangsvermogen van een installatie wordt berekend met het oog op het nemen van een besluit inzake de opneming ervan in het EU-ETS onder onderhavig Wetboek, wordt het nominaal thermisch ingangsvermogen van alle technische eenheden die deel uitmaken van de installatie en waarin brandstoffen worden verbrand, bij elkaar opgeteld. Die eenheden mogen onder andere alle soorten stook- of verwarmingsketels, branders, turbines, verwarmingstoestellen, (smelt)ovens, verbrandingsovens, gloeiovens, draai- of keramiekovens, droog- en bakovens, drogers, motoren, brandstofcellen, chemische looping-verbrandingseenheden, fakkels en thermische of katalytische naverbranders omvatten. Eenheden met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 3 MW worden bij deze berekening buiten beschouwing gelaten.]1.
Wanneer een eenheid wordt gebruikt voor een activiteit waarvoor de drempel niet is uitgedrukt als het totale nominaal thermisch ingangsvermogen, bepaalt de drempel die voor deze activiteit wordt gebruikt of ze in de Gemeenschapsregeling zal worden opgenomen.
Wanneer de installatie de capaciteitsdrempel van één van de in deze bijlage vermelde activiteiten overschrijdt, worden alle eenheden waarin brandstoffen worden verbrand, met uitzondering van eenheden voor de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen of van huishoudelijk afval, opgenomen in de vergunning voor broeikasgasemissie.
Installaties of delen van installaties die voor onderzoek, ontwikkeling en het testen van nieuwe producten en processen worden gebruikt en installaties die uitsluitend biomassa gebruiken, vallen niet onder onderhavig Wetboek. [1 Installaties waar gedurende de voorgaande desbetreffende periode van vijf jaar, waarvan de eerste periode van vijf jaar ingaat op 1 januari 2021, gemiddeld meer dan 95% van de totale gemiddelde broeikasgasemissie bestaat uit emissies als gevolg van de verbranding van biomassa die voldoet aan de criteria die zijn vastgesteld op grond van artikel 14 van richtlijn 2003/87/EG, vallen niet onder onderhavig Wetboek.]1
De hieronder genoemde drempelwaarden hebben doorgaans betrekking op de productiecapaciteit of op het vermogen. Wanneer in dezelfde installatie verscheidene onder dezelfde categorie vallende activiteiten worden uitgevoerd, worden de vermogens van de activiteiten bij elkaar opgeteld.
[1 Wanneer het totale nominaal thermisch ingangsvermogen van een installatie wordt berekend met het oog op het nemen van een besluit inzake de opneming ervan in het EU-ETS onder onderhavig Wetboek, wordt het nominaal thermisch ingangsvermogen van alle technische eenheden die deel uitmaken van de installatie en waarin brandstoffen worden verbrand, bij elkaar opgeteld. Die eenheden mogen onder andere alle soorten stook- of verwarmingsketels, branders, turbines, verwarmingstoestellen, (smelt)ovens, verbrandingsovens, gloeiovens, draai- of keramiekovens, droog- en bakovens, drogers, motoren, brandstofcellen, chemische looping-verbrandingseenheden, fakkels en thermische of katalytische naverbranders omvatten. Eenheden met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 3 MW worden bij deze berekening buiten beschouwing gelaten.]1.
Wanneer een eenheid wordt gebruikt voor een activiteit waarvoor de drempel niet is uitgedrukt als het totale nominaal thermisch ingangsvermogen, bepaalt de drempel die voor deze activiteit wordt gebruikt of ze in de Gemeenschapsregeling zal worden opgenomen.
Wanneer de installatie de capaciteitsdrempel van één van de in deze bijlage vermelde activiteiten overschrijdt, worden alle eenheden waarin brandstoffen worden verbrand, met uitzondering van eenheden voor de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen of van huishoudelijk afval, opgenomen in de vergunning voor broeikasgasemissie.
Art. N3. ANNEXE 3.3 - Catégories d'activités visées à l'article 3.3.1
Les installations ou parties d'installations utilisées pour la recherche, le développement et l'expérimentation de nouveaux produits et procédés, ainsi que les installations utilisant exclusivement de la biomasse, ne sont pas visées par le présent Code. [1 Au cours de la période de cinq ans précédente, dont la première période de cinq ans débute le 1er janvier 2021, les installations, dans lesquelles les émissions issues de la combustion de biomasse qui satisfait aux critères établis conformément à l'article 14 de la directive 2003/87/CE, qui contribuent à plus de 95 % en moyenne aux émissions totales moyennes de gaz à effet de serre, ne sont pas visées par le présent Code.]1
Les valeurs seuils citées ci-dessous se rapportent généralement à des capacités de production ou à des rendements. Si une même installation met en oeuvre plusieurs activités relevant de la même catégorie, les capacités de ces activités s'additionnent.
[1 Pour calculer la puissance calorifique totale de combustion d'une installation afin de décider de son inclusion dans le SEQE de l'UE, on procède par addition des puissances calorifiques de combustion de toutes les unités techniques qui la composent, dans lesquelles des carburants sont brûlés au sein de l'installation. Parmi ces unités peuvent notamment figurer tous les types de chaudières, brûleurs, turbines, appareils de chauffage, hauts-fourneaux, incinérateurs, calcinateurs, fours, étuves, sécheurs, moteurs, piles à combustible, unités de combustion en boucle chimique, torchères, ainsi que les unités de postcombustion thermique ou catalytique. Les unités dont la puissance calorifique de combustion est inférieure à 3 MW ne sont pas prises en considération dans ce calcul]1.
Si une unité met en oeuvre une activité dont le seuil n'est pas exprimé en puissance calorifique totale de combustion, c'est le seuil utilisé pour cette activité qui détermine l'inclusion dans le système communautaire.
Lorsqu'une installation dépasse le seuil de capacité défini pour une activité dans la présente annexe, toutes les unités de combustion de carburants, autres que les unités d'incinération de déchets dangereux ou municipaux, sont incluses dans le permis d'émission de gaz à effet de serre.
Les installations ou parties d'installations utilisées pour la recherche, le développement et l'expérimentation de nouveaux produits et procédés, ainsi que les installations utilisant exclusivement de la biomasse, ne sont pas visées par le présent Code. [1 Au cours de la période de cinq ans précédente, dont la première période de cinq ans débute le 1er janvier 2021, les installations, dans lesquelles les émissions issues de la combustion de biomasse qui satisfait aux critères établis conformément à l'article 14 de la directive 2003/87/CE, qui contribuent à plus de 95 % en moyenne aux émissions totales moyennes de gaz à effet de serre, ne sont pas visées par le présent Code.]1
Les valeurs seuils citées ci-dessous se rapportent généralement à des capacités de production ou à des rendements. Si une même installation met en oeuvre plusieurs activités relevant de la même catégorie, les capacités de ces activités s'additionnent.
[1 Pour calculer la puissance calorifique totale de combustion d'une installation afin de décider de son inclusion dans le SEQE de l'UE, on procède par addition des puissances calorifiques de combustion de toutes les unités techniques qui la composent, dans lesquelles des carburants sont brûlés au sein de l'installation. Parmi ces unités peuvent notamment figurer tous les types de chaudières, brûleurs, turbines, appareils de chauffage, hauts-fourneaux, incinérateurs, calcinateurs, fours, étuves, sécheurs, moteurs, piles à combustible, unités de combustion en boucle chimique, torchères, ainsi que les unités de postcombustion thermique ou catalytique. Les unités dont la puissance calorifique de combustion est inférieure à 3 MW ne sont pas prises en considération dans ce calcul]1.
Si une unité met en oeuvre une activité dont le seuil n'est pas exprimé en puissance calorifique totale de combustion, c'est le seuil utilisé pour cette activité qui détermine l'inclusion dans le système communautaire.
Lorsqu'une installation dépasse le seuil de capacité défini pour une activité dans la présente annexe, toutes les unités de combustion de carburants, autres que les unités d'incinération de déchets dangereux ou municipaux, sont incluses dans le permis d'émission de gaz à effet de serre.
| Activiteiten | Broeikasgassen |
| Verbranden van brandstof in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW (met uitzondering van installaties voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen of huishoudelijk afval) | Kooldioxide |
| Raffineren van aardoliën | Kooldioxide |
| Productie van cokes | Kooldioxide |
| Roosten of sinteren, met inbegrip van pelletiseren, van ertsen (met inbegrip van zwavelhoudend erts) | Kooldioxide |
| Productie van ruw ijzer of staal (primaire of secundaire smelting) inclusief continugieten, met een capaciteit van meer dan 2,5 ton per uur | Kooldioxide |
| Productie of bewerking van ferrometalen (inclusief ferrolegeringen) waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW worden gebruikt. De bewerking omvat, onder andere, walserijen, herverhitters, gloeiovens, smederijen, gieterijen, coating en beitseenheden | Kooldioxide |
| Productie van primair aluminium | Kooldioxide en perfluorkoolwaterstoffen |
| Productie van secundair aluminium waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW worden gebruikt | Kooldioxide |
| Productie of bewerking van non-ferrometalen, met inbegrip van de productie van legeringen, raffinage, gieterijen enz., waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen (met inbegrip van brandstoffen die als reductoren worden in gezet) van meer dan 20 MW worden gebruikt | Kooldioxide |
| Productie van cementklinkers in draaiovens met een productiecapaciteit van meer dan 500 ton per dag of in andere ovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag | Kooldioxide |
| Productie van kalk met inbegrip van het calcineren van dolomiet of magnesiet in draaiovens of in andere ovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag | Kooldioxide |
| Fabricage van glas, met inbegrip van de fabricage van glasvezels, met een smeltcapaciteit van meer dan 20 ton per dag | Kooldioxide |
| Fabricage van keramische producten door middel van verhitting, met name dakpannen, bakstenen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of porselein, met een productiecapaciteit van meer dan 75 ton per dag | Kooldioxide |
| Fabricage van isolatiemateriaal uit minerale wol met gebruikmaking van glas, steen of slakken met een smeltcapaciteit van meer dan 20 ton per dag | Kooldioxide |
| Drogen of calcineren van gips of het produceren van gipsplaten en andere gipsproducten, waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW worden gebruikt | Kooldioxide |
| Productie van pulp uit hout of andere vezelhoudende materialen | Kooldioxide |
| Productie van papier of karton met een productiecapaciteit van meer dan 20 ton per dag | Kooldioxide |
| Productie van roet waarbij organische stoffen zoals olie, teer en kraak- en destillatieresiduen worden verkoold, waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW worden gebruikt | Kooldioxide |
| Productie van salpeterzuur | Kooldioxide en distikstofoxide |
| Productie van adipinezuur | Kooldioxide en distikstofoxide |
| Productie van glyoxal en glyoxylzuur | Kooldioxide en distikstofoxide |
| Productie van ammoniak | Kooldioxide |
| Productie van organische bulkchemicaliën door kraken, reforming, gedeeltelijke of volledige oxidatie of vergelijkbare processen, met een productiecapaciteit van meer dan 100 ton per dag | Kooldioxide |
| Productie van waterstof (H2) en synthesegas door reforming of gedeeltelijke oxidatie met een productiecapaciteit van meer dan 25 ton per dag | Kooldioxide |
| Productie van natriumcarbonaat (Na2CO3) en natriumbicarbonaat (NaHCO3) | Kooldioxide |
| Afvangen van broeikasgassen van installaties die onder dit Wetboek vallen met het oog op vervoer en geologische opslag op een opslaglocatie waarvoor krachtens Richtlijn 2009/31/EG een vergunning is verleend | Kooldioxide |
| Vervoer van broeikasgassen via pijpleidingen met het oog op geologische opslag op een opslaglocatie waarvoor een vergunning is verleend | Kooldioxide |
| Geologische opslag van broeikasgassen op een opslaglocatie waarvoor een vergunning is verleend | Kooldioxide |
| Activités | Gaz à effet de serre |
| Combustion de combustibles dans des installations dont la puissance calorifique totale de combustion est supérieure à 20 MW (à l'exception des installations d'incinération de déchets dangereux ou municipaux) | Dioxyde de carbone |
| Raffinage de pétrole | Dioxyde de carbone |
| Production de coke | Dioxyde de carbone |
| Grillage ou frittage, y compris pelletisation, de minerai métallique (y compris de minerai sulfuré) | Dioxyde de carbone |
| Production de fonte ou d'acier (fusion primaire ou secondaire), y compris les équipements pour coulée continue d'une capacité de plus de 2,5 tonnes par heure | Dioxyde de carbone |
| Production ou transformation de métaux ferreux (y compris les ferro-alliages) lorsque des unités de combustion dont la puissance calorifique totale de combustion est supérieure à 20 MW sont exploitées. La transformation comprend, notamment, les laminoirs, les réchauffeurs, les fours de recuit, les forges, les fonderies, les unités de revêtement et les unités de décapage | Dioxyde de carbone |
| Production d'aluminium primaire | Dioxyde de carbone et hydrocarbures perfluorés |
| Production d'aluminium secondaire, lorsque des unités de combustion dont la puissance calorifique totale de combustion est supérieure à 20 MW sont exploitées | Dioxyde de carbone |
| Production ou transformation de métaux non ferreux, y compris la production d'alliages, l'affinage, le moulage en fonderie, etc., lorsque des unités de combustion dont la puissance calorifique totale de combustion (y compris les combustibles utilisés comme agents réducteurs) est supérieure à 20 MW sont exploitées | Dioxyde de carbone |
| Production de clinker (ciment) dans des fours rotatifs avec une capacité de production supérieure à 500 tonnes par jour, ou dans d'autres types de fours, avec une capacité de production supérieure à 50 tonnes par jour | Dioxyde de carbone |
| Production de chaux, y compris la calcination de dolomite et de magnésite, dans des fours rotatifs ou dans d'autres types de fours, avec une capacité de production supérieure à 50 tonnes par jour | Dioxyde de carbone |
| Fabrication du verre, y compris de fibres de verre, avec une capacité de fusion supérieure à 20 tonnes par jour | Dioxyde de carbone |
| Fabrication de produits céramiques par cuisson, notamment de tuiles, de briques, de pierres réfractaires, de carrelages, de grès ou de porcelaines, avec une capacité de production supérieure à 75 tonnes par jour | Dioxyde de carbone |
| Fabrication de matériau isolant en laine minérale à partir de roches, de verre ou de laitier, avec une capacité de fusion supérieure à 20 tonnes par jour | Dioxyde de carbone |
| Séchage ou calcination du plâtre ou production de planches de plâtre et autres compositions à base de plâtre, lorsque des unités de combustion dont la puissance calorifique de combustion est supérieure à 20 MW sont exploitées | Dioxyde de carbone |
| Production de pâte à papier à partir du bois ou d'autres matières fibreuses | Dioxyde de carbone |
| Production de papier ou de carton, avec une capacité de production supérieure à 20 tonnes par jour | Dioxyde de carbone |
| Production de noir de carbone, y compris la carbonisation de substances organiques telles que les huiles, les goudrons, les résidus de craquage et de distillation, lorsque des unités de combustion dont la puissance calorifique totale de combustion est supérieure à 20 MW sont exploitées | Dioxyde de carbone |
| Production d'acide nitrique | Dioxyde de carbone et protoxyde d'azote |
| Production d'acide adipique | Dioxyde de carbone et protoxyde d'azote |
| Production de glyoxal et d'acide glyoxylique | Dioxyde de carbone et protoxyde d'azote |
| Production d'ammoniac | Dioxyde de carbone |
| Production de produits chimiques organiques en vrac par craquage, reformage, oxydation partielle ou totale, ou par d'autres procédés similaires, avec une capacité de production supérieure à 100 tonnes par jour | Dioxyde de carbone |
| Production d'hydrogène (H2) et de gaz de synthèse par reformage ou oxydation partielle avec une capacité de production supérieure à 25 tonnes par jour | Dioxyde de carbone |
| Production de soude (Na2CO3) et de bicarbonate de sodium (NaHCO3) | Dioxyde de carbone |
| Captage des gaz à effet de serre produits par les installations couvertes par le présent Code en vue de leur transport et de leur stockage géologique dans un site de stockage agréé au titre de la Directive 2009/31/CE | Dioxyde de carbone |
| Transport par pipelines des gaz à effet de serre en vue de leur stockage dans un site de stockage agréé | Dioxyde de carbone |
| Stockage géologique des gaz à effet de serre dans un site de stockage agréé | Dioxyde de carbone |
Art. N3. 6. BIJLAGE 3.6 - Regels betreffende de kosteloze toewijzing van emissierechten
1. [2 Onder voorbehoud van de toepassing van verordening (EU) 2023/956 wordt geen kosteloze toewijzing verstrekt voor de productie van de in bijlage I bij die verordening vermelde goederen. Er wordt geen kosteloze toewijzing verstrekt aan installaties in bedrijfstakken en deeltakken voor zover deze onder andere maatregelen vallen om het risico op koolstoflekkage als vastgelegd bij verordening (EU) 2023/956 aan te pakken.
In afwijking van het eerste lid profiteert de productie van in bijlage I bij die verordening genoemde goederen voor de eerste toepassings-jaren van verordening (EU) 2023/956 van verminderde hoeveelheden kosteloos toegewezen emissierechten. Er moet een factor (CBAM-factor) worden toegepast waarmee de kosteloze toewijzing voor de productie van die goederen wordt verminderd. De CBAM-factor is gelijk aan 100% tijdens de periode tussen de inwerking-treding van die verordening en eind 2025, en is, met inachtneming van de toepassing van de bepalingen als bedoeld in artikel 36, lid 2, b), van die verordening, in 2026 gelijk aan 97,5%, in 2027 aan 95%, in 2028 aan 90%, in 2029 aan 77,5%, in 2030 aan 51,5%, in 2031 aan 39%, in 2032 aan 26,5% en in 2033 aan 14%. Vanaf 2034 is geen CBAM-factor van toepassing.]2.
2. De installaties van de bedrijfstakken die niet blootgesteld zijn aan een significant CO2-weglekrisico ontvangen in 2013 80 % van de hoeveelheid vastgelegd in het besluit 2011/278/EU. De kosteloze toewijzing van emissierechten vermindert daarna elk jaar in gelijke hoeveelheden om vanaf 2020 30 % te bereiken [1 ...]1. [1 Na 2026 blijft ze met een gelijke hoeveelheid dalen om de afschaffing van de kosteloze emissierechten in 2030 te bereiken, met uitzondering van de toewijzing van emissierechten aan de sector stadsverwarming.]1
3. Aan de elektriciteitsproducenten worden geen kosteloze emissierechten toegekend. Het gaat hier om installaties die, op 1 januari 2005 of later, elektriciteit hebben geproduceerd voor de verkoop aan derden waarin geen enkele activiteit bedoeld in bijlage 3.3 heeft plaatsgehad buiten de verbranding van brandstof.
[2 4. Indien voor een installatie de verplichting geldt om een energie-audit uit te voeren als bedoeld in artikel 2.5.7, en indien de aanbevelingen van het auditverslag of het gecertificeerde energiebeheersysteem niet worden uitgevoerd, tenzij de terugverdientijd voor de betrokken investeringen meer dan drie jaar bedraagt of de kosten van die investeringen onevenredig zijn, wordt de hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten met 20% verminderd. De hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten wordt niet verminderd als een exploitant aantoont dat hij andere maatregelen heeft uitgevoerd die resulteren in broeikasgasemissiereducties die gelijkwaardig zijn aan de in het auditverslag of door het energiebeheersysteem voor de betrokken installatie aanbevolen emissiereducties.
5. De hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten wordt ook verminderd met 20% voor exploitanten van installaties waarvan de broeikasgasemissieniveaus hoger zijn dan het tachtigste percentiel emissieniveaus voor de relevante productbenchmarks, die uiterlijk op 1 mei 2024 voor elk van die installaties geen klimaatneutraliteitsplan hebben opgesteld voor die activiteiten die onder boek 3, hoofdstuk 3 vallen. Dit plan wordt opgesteld overeenkomstig de uitvoeringshandeling bedoeld in artikel 10ter, lid 4, van richtlijn 2003/87/EG.]2
1. [2 Onder voorbehoud van de toepassing van verordening (EU) 2023/956 wordt geen kosteloze toewijzing verstrekt voor de productie van de in bijlage I bij die verordening vermelde goederen. Er wordt geen kosteloze toewijzing verstrekt aan installaties in bedrijfstakken en deeltakken voor zover deze onder andere maatregelen vallen om het risico op koolstoflekkage als vastgelegd bij verordening (EU) 2023/956 aan te pakken.
In afwijking van het eerste lid profiteert de productie van in bijlage I bij die verordening genoemde goederen voor de eerste toepassings-jaren van verordening (EU) 2023/956 van verminderde hoeveelheden kosteloos toegewezen emissierechten. Er moet een factor (CBAM-factor) worden toegepast waarmee de kosteloze toewijzing voor de productie van die goederen wordt verminderd. De CBAM-factor is gelijk aan 100% tijdens de periode tussen de inwerking-treding van die verordening en eind 2025, en is, met inachtneming van de toepassing van de bepalingen als bedoeld in artikel 36, lid 2, b), van die verordening, in 2026 gelijk aan 97,5%, in 2027 aan 95%, in 2028 aan 90%, in 2029 aan 77,5%, in 2030 aan 51,5%, in 2031 aan 39%, in 2032 aan 26,5% en in 2033 aan 14%. Vanaf 2034 is geen CBAM-factor van toepassing.]2.
2. De installaties van de bedrijfstakken die niet blootgesteld zijn aan een significant CO2-weglekrisico ontvangen in 2013 80 % van de hoeveelheid vastgelegd in het besluit 2011/278/EU. De kosteloze toewijzing van emissierechten vermindert daarna elk jaar in gelijke hoeveelheden om vanaf 2020 30 % te bereiken [1 ...]1. [1 Na 2026 blijft ze met een gelijke hoeveelheid dalen om de afschaffing van de kosteloze emissierechten in 2030 te bereiken, met uitzondering van de toewijzing van emissierechten aan de sector stadsverwarming.]1
3. Aan de elektriciteitsproducenten worden geen kosteloze emissierechten toegekend. Het gaat hier om installaties die, op 1 januari 2005 of later, elektriciteit hebben geproduceerd voor de verkoop aan derden waarin geen enkele activiteit bedoeld in bijlage 3.3 heeft plaatsgehad buiten de verbranding van brandstof.
[2 4. Indien voor een installatie de verplichting geldt om een energie-audit uit te voeren als bedoeld in artikel 2.5.7, en indien de aanbevelingen van het auditverslag of het gecertificeerde energiebeheersysteem niet worden uitgevoerd, tenzij de terugverdientijd voor de betrokken investeringen meer dan drie jaar bedraagt of de kosten van die investeringen onevenredig zijn, wordt de hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten met 20% verminderd. De hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten wordt niet verminderd als een exploitant aantoont dat hij andere maatregelen heeft uitgevoerd die resulteren in broeikasgasemissiereducties die gelijkwaardig zijn aan de in het auditverslag of door het energiebeheersysteem voor de betrokken installatie aanbevolen emissiereducties.
5. De hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten wordt ook verminderd met 20% voor exploitanten van installaties waarvan de broeikasgasemissieniveaus hoger zijn dan het tachtigste percentiel emissieniveaus voor de relevante productbenchmarks, die uiterlijk op 1 mei 2024 voor elk van die installaties geen klimaatneutraliteitsplan hebben opgesteld voor die activiteiten die onder boek 3, hoofdstuk 3 vallen. Dit plan wordt opgesteld overeenkomstig de uitvoeringshandeling bedoeld in artikel 10ter, lid 4, van richtlijn 2003/87/EG.]2
Art. N3. 4. ANNEXE 3.4 - Gaz à effet de serre visés à l'article 3.1.1, 26°
- Dioxyde de carbone (CO2);
- Méthane (CH4);
- Protoxyde d'azote (N2O);
- Hydrocarbures fluorés (HFC);
- Hydrocarbures perfluorés (PFC);
- Hexafluorure de soufre (SF6).
- Dioxyde de carbone (CO2);
- Méthane (CH4);
- Protoxyde d'azote (N2O);
- Hydrocarbures fluorés (HFC);
- Hydrocarbures perfluorés (PFC);
- Hexafluorure de soufre (SF6).
Art. N3_6.TOEKOMSTIG_RECHT. BIJLAGE 3.6 - Regels betreffende de kosteloze toewijzing van emissierechten
1. [2 Onder voorbehoud van de toepassing van verordening (EU) 2023/956 wordt geen kosteloze toewijzing verstrekt voor de productie van de in bijlage I bij die verordening vermelde goederen. Er wordt geen kosteloze toewijzing verstrekt aan installaties in bedrijfstakken en deeltakken voor zover deze onder andere maatregelen vallen om het risico op koolstoflekkage als vastgelegd bij verordening (EU) 2023/956 aan te pakken.
In afwijking van het eerste lid profiteert de productie van in bijlage I bij die verordening genoemde goederen voor de eerste toepassings-jaren van verordening (EU) 2023/956 van verminderde hoeveelheden kosteloos toegewezen emissierechten. Er moet een factor (CBAM-factor) worden toegepast waarmee de kosteloze toewijzing voor de productie van die goederen wordt verminderd. De CBAM-factor is gelijk aan 100% tijdens de periode tussen de inwerking-treding van die verordening en eind 2025, en is, met inachtneming van de toepassing van de bepalingen als bedoeld in artikel 36, lid 2, b), van die verordening, in 2026 gelijk aan 97,5%, in 2027 aan 95%, in 2028 aan 90%, in 2029 aan 77,5%, in 2030 aan 51,5%, in 2031 aan 39%, in 2032 aan 26,5% en in 2033 aan 14%. Vanaf 2034 is geen CBAM-factor van toepassing.]2.
2. De installaties van de bedrijfstakken die niet blootgesteld zijn aan een significant CO2-weglekrisico ontvangen in 2013 80 % van de hoeveelheid vastgelegd in het besluit 2011/278/EU. De kosteloze toewijzing van emissierechten vermindert daarna elk jaar in gelijke hoeveelheden om vanaf 2020 30 % te bereiken [1 ...]1. [1 Na 2026 blijft ze met een gelijke hoeveelheid dalen om de afschaffing van de kosteloze emissierechten in 2030 te bereiken, met uitzondering van de toewijzing van emissierechten aan de sector stadsverwarming.]1
3. [3 ...]3.
[2 4. Indien voor een installatie de verplichting geldt om een energie-audit uit te voeren als bedoeld in artikel 2.5.7, en indien de aanbevelingen van het auditverslag of het gecertificeerde energiebeheersysteem niet worden uitgevoerd, tenzij de terugverdientijd voor de betrokken investeringen meer dan drie jaar bedraagt of de kosten van die investeringen onevenredig zijn, wordt de hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten met 20% verminderd. De hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten wordt niet verminderd als een exploitant aantoont dat hij andere maatregelen heeft uitgevoerd die resulteren in broeikasgasemissiereducties die gelijkwaardig zijn aan de in het auditverslag of door het energiebeheersysteem voor de betrokken installatie aanbevolen emissiereducties.
5. De hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten wordt ook verminderd met 20% voor exploitanten van installaties waarvan de broeikasgasemissieniveaus hoger zijn dan het tachtigste percentiel emissieniveaus voor de relevante productbenchmarks, die uiterlijk op 1 mei 2024 voor elk van die installaties geen klimaatneutraliteitsplan hebben opgesteld voor die activiteiten die onder boek 3, hoofdstuk 3 vallen. Dit plan wordt opgesteld overeenkomstig de uitvoeringshandeling bedoeld in artikel 10ter, lid 4, van richtlijn 2003/87/EG.]2
1. [2 Onder voorbehoud van de toepassing van verordening (EU) 2023/956 wordt geen kosteloze toewijzing verstrekt voor de productie van de in bijlage I bij die verordening vermelde goederen. Er wordt geen kosteloze toewijzing verstrekt aan installaties in bedrijfstakken en deeltakken voor zover deze onder andere maatregelen vallen om het risico op koolstoflekkage als vastgelegd bij verordening (EU) 2023/956 aan te pakken.
In afwijking van het eerste lid profiteert de productie van in bijlage I bij die verordening genoemde goederen voor de eerste toepassings-jaren van verordening (EU) 2023/956 van verminderde hoeveelheden kosteloos toegewezen emissierechten. Er moet een factor (CBAM-factor) worden toegepast waarmee de kosteloze toewijzing voor de productie van die goederen wordt verminderd. De CBAM-factor is gelijk aan 100% tijdens de periode tussen de inwerking-treding van die verordening en eind 2025, en is, met inachtneming van de toepassing van de bepalingen als bedoeld in artikel 36, lid 2, b), van die verordening, in 2026 gelijk aan 97,5%, in 2027 aan 95%, in 2028 aan 90%, in 2029 aan 77,5%, in 2030 aan 51,5%, in 2031 aan 39%, in 2032 aan 26,5% en in 2033 aan 14%. Vanaf 2034 is geen CBAM-factor van toepassing.]2.
2. De installaties van de bedrijfstakken die niet blootgesteld zijn aan een significant CO2-weglekrisico ontvangen in 2013 80 % van de hoeveelheid vastgelegd in het besluit 2011/278/EU. De kosteloze toewijzing van emissierechten vermindert daarna elk jaar in gelijke hoeveelheden om vanaf 2020 30 % te bereiken [1 ...]1. [1 Na 2026 blijft ze met een gelijke hoeveelheid dalen om de afschaffing van de kosteloze emissierechten in 2030 te bereiken, met uitzondering van de toewijzing van emissierechten aan de sector stadsverwarming.]1
3. [3 ...]3.
[2 4. Indien voor een installatie de verplichting geldt om een energie-audit uit te voeren als bedoeld in artikel 2.5.7, en indien de aanbevelingen van het auditverslag of het gecertificeerde energiebeheersysteem niet worden uitgevoerd, tenzij de terugverdientijd voor de betrokken investeringen meer dan drie jaar bedraagt of de kosten van die investeringen onevenredig zijn, wordt de hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten met 20% verminderd. De hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten wordt niet verminderd als een exploitant aantoont dat hij andere maatregelen heeft uitgevoerd die resulteren in broeikasgasemissiereducties die gelijkwaardig zijn aan de in het auditverslag of door het energiebeheersysteem voor de betrokken installatie aanbevolen emissiereducties.
5. De hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten wordt ook verminderd met 20% voor exploitanten van installaties waarvan de broeikasgasemissieniveaus hoger zijn dan het tachtigste percentiel emissieniveaus voor de relevante productbenchmarks, die uiterlijk op 1 mei 2024 voor elk van die installaties geen klimaatneutraliteitsplan hebben opgesteld voor die activiteiten die onder boek 3, hoofdstuk 3 vallen. Dit plan wordt opgesteld overeenkomstig de uitvoeringshandeling bedoeld in artikel 10ter, lid 4, van richtlijn 2003/87/EG.]2
Art. N3. 6. ANNEXE 3.6 - Règles relatives à l'allocation de quotas à titre gratuit
1. [2 Sous réserve de l'application du règlement (UE) 2023/956, aucun quota n'est délivré à titre gratuit pour la fabrication des marchandises énumérées à l'annexe I dudit règlement. Aucune allocation de quotas à titre gratuit n'est accordée aux installations de certains secteurs ou sous-secteurs dès lors qu'elles sont visées par d'autres mesures destinées à lutter contre le risque de fuite de carbone établies par le règlement (UE) 2023/956.
Par dérogation l'alinéa 1er, pendant les premières années d'application du règlement (UE) 2023/956, la fabrication des marchandises visées à l'annexe I dudit règlement bénéficie d'une allocation de quotas à titre gratuit en quantités réduites. Un facteur de réduction de l'allocation de quotas à titre gratuit pour la fabrication de ces marchandises est appliqué (le facteur MACF). Le facteur MACF est égal à 100 % pour la période comprise entre l'entrée en vigueur de ce règlement et fin 2025 et, sous réserve de l'application des dispositions de l'article 36, paragraphe 2, b), de ce règlement, est égal à 97,5 % en 2026, 95 % en 2027, 90 % en 2028, 77,5 % en 2029, 51,5 % en 2030, 39 % en 2031, 26,5 % en 2032 et 14 % en 2033. A partir de 2034, aucun facteur MACF ne s'applique]2.
2. Les installations des secteurs qui ne sont pas exposés à un risque important de fuite de carbone reçoivent 80 % de la quantité déterminée conformément à la décision 2011/278/UE en 2013. L'allocation de quotas à titre gratuit diminue ensuite chaque année en quantités égales pour atteindre 30 % à compter de 2020. [1 Après 2026, elle continue à diminuer d'une quantité égale de manière à parvenir à la suppression des quotas à titre gratuit en 2030, à l'exception des allocations de quotas au secteur du chauffage urbain.]1
3. [2 ...]2.
[2 4. Si une installation est concernée par l'obligation d'effectuer un audit énergétique tel que visé par l'article 2.5.7 et si les recommandations du rapport d'audit ou du système de management de l'énergie certifié ne sont pas appliquées, à moins que le délai d'amortissement des investissements correspondants ne dépasse trois ans ou que le coût de ces investissements ne soit disproportionné, la quantité de quotas alloués à titre gratuit est réduite de 20 %. La quantité de quotas alloués à titre gratuit n'est pas réduite si l'exploitant démontre qu'il a mis en oeuvre d'autres mesures de réduction des émissions de gaz à effet de serre équivalentes à celles qui sont recommandées dans le rapport d'audit ou dans le système de management de l'énergie certifié pour l'installation concernée.
5. La quantité de quotas d'émission alloués à titre gratuit est également réduite de 20 % pour les exploitants d'installations dont les niveaux d'émission de gaz à effet de serre dépassent les niveaux d'émission du quatre-vingtième percentile pour les référentiels de produits concernés, qui n'ont pas établi de plan de neutralité climatique d'ici le 1er mai 2024 pour chacune de ces installations pour les activités couvertes par le livre 3, chapitre 3. Ce plan est établi conformément à l'acte d'exécution visé à l'article 10ter, paragraphe 4, de la directive 2003/87/CE.]2
1. [2 Sous réserve de l'application du règlement (UE) 2023/956, aucun quota n'est délivré à titre gratuit pour la fabrication des marchandises énumérées à l'annexe I dudit règlement. Aucune allocation de quotas à titre gratuit n'est accordée aux installations de certains secteurs ou sous-secteurs dès lors qu'elles sont visées par d'autres mesures destinées à lutter contre le risque de fuite de carbone établies par le règlement (UE) 2023/956.
Par dérogation l'alinéa 1er, pendant les premières années d'application du règlement (UE) 2023/956, la fabrication des marchandises visées à l'annexe I dudit règlement bénéficie d'une allocation de quotas à titre gratuit en quantités réduites. Un facteur de réduction de l'allocation de quotas à titre gratuit pour la fabrication de ces marchandises est appliqué (le facteur MACF). Le facteur MACF est égal à 100 % pour la période comprise entre l'entrée en vigueur de ce règlement et fin 2025 et, sous réserve de l'application des dispositions de l'article 36, paragraphe 2, b), de ce règlement, est égal à 97,5 % en 2026, 95 % en 2027, 90 % en 2028, 77,5 % en 2029, 51,5 % en 2030, 39 % en 2031, 26,5 % en 2032 et 14 % en 2033. A partir de 2034, aucun facteur MACF ne s'applique]2.
2. Les installations des secteurs qui ne sont pas exposés à un risque important de fuite de carbone reçoivent 80 % de la quantité déterminée conformément à la décision 2011/278/UE en 2013. L'allocation de quotas à titre gratuit diminue ensuite chaque année en quantités égales pour atteindre 30 % à compter de 2020. [1 Après 2026, elle continue à diminuer d'une quantité égale de manière à parvenir à la suppression des quotas à titre gratuit en 2030, à l'exception des allocations de quotas au secteur du chauffage urbain.]1
3. [2 ...]2.
[2 4. Si une installation est concernée par l'obligation d'effectuer un audit énergétique tel que visé par l'article 2.5.7 et si les recommandations du rapport d'audit ou du système de management de l'énergie certifié ne sont pas appliquées, à moins que le délai d'amortissement des investissements correspondants ne dépasse trois ans ou que le coût de ces investissements ne soit disproportionné, la quantité de quotas alloués à titre gratuit est réduite de 20 %. La quantité de quotas alloués à titre gratuit n'est pas réduite si l'exploitant démontre qu'il a mis en oeuvre d'autres mesures de réduction des émissions de gaz à effet de serre équivalentes à celles qui sont recommandées dans le rapport d'audit ou dans le système de management de l'énergie certifié pour l'installation concernée.
5. La quantité de quotas d'émission alloués à titre gratuit est également réduite de 20 % pour les exploitants d'installations dont les niveaux d'émission de gaz à effet de serre dépassent les niveaux d'émission du quatre-vingtième percentile pour les référentiels de produits concernés, qui n'ont pas établi de plan de neutralité climatique d'ici le 1er mai 2024 pour chacune de ces installations pour les activités couvertes par le livre 3, chapitre 3. Ce plan est établi conformément à l'acte d'exécution visé à l'article 10ter, paragraphe 4, de la directive 2003/87/CE.]2
Art. N3. 7. BIJLAGE 3.7 - Criteria voor de verificaties bedoeld in artikel 3.3.15
Algemene principes
1. De emissies van elke activiteit vermeld in bijlage 3.3 worden aan een verificatie onderworpen.
2. De verificatieprocedure houdt rekening met de aangifte opgemaakt in toepassing van artikel 3.3.15 en de bewaking van de emissies die in de loop van het vorige jaar werd verricht. Hierbij wordt gekeken naar de betrouwbaarheid, de geloofwaardigheid en de nauwkeurigheid van de bewakingssystemen en de gerapporteerde gegevens en naar de informatie over de emissies, in het bijzonder :
a) de gerapporteerde activiteitsgegevens en daarmee verband houdende metingen en berekeningen;
b) de keuze en het gebruik van emissiefactoren;
c) de berekeningen die leiden tot de bepaling van de totale emissies;
d) indien er metingen zijn gebruikt, de juistheid van de keuze en de wijze van toepassing van de meetmethoden.
3. De gerapporteerde emissies kunnen alleen worden gevalideerd als betrouwbare en geloofwaardige gegevens en informatie het mogelijk maken de emissies te bepalen met een hoge mate van zekerheid.
Voor een hoge mate van zekerheid moet de exploitant aantonen dat :
a) de gerapporteerde gegevens vrij zijn van inconsistenties;
b) de gegevens zijn verzameld overeenkomstig de toepasselijke wetenschappelijke normen;
c) de desbetreffende registers van de exploitatiesite volledig en consistent zijn.
4. De verificateur krijgt toegang tot alle sites en tot alle informatie in verband met het onderwerp van de verificatie.
5. De verificateur houdt rekening met het feit dat de installatie al dan niet in het kader van EMAS (het communautaire milieubeheer- en milieuauditsysteem) geregistreerd is.
Methode
Strategische analyse
6. De verificatie is gebaseerd op een strategische analyse van alle uitgeoefende activiteiten in de exploitatiesite. Dat houdt in dat de verificateur een overzicht moet hebben van alle activiteiten en hun betekenis voor het emissieniveau.
Procesanalyse
7. De verificatie van de overgelegde informatie vindt, zo nodig, plaats op de exploitatiesites. De verificateur neemt steekproeven om de betrouwbaarheid van de gerapporteerde gegevens en informatie vast te stellen.
Risicoanalyse
8. De verificateur moet alle emissiebronnen aanwezig in de installatie evalueren met het oog op de betrouwbaarheid van de gegevens die voor elke bron die tot de totale emissies van de exploitatiesite bijdraagt, verstrekt zijn.
9. Aan de hand van deze analyse identificeert de verificateur uitdrukkelijk de bronnen waarvan het bepalen van de emissies een groot foutenpotentieel vertoont en andere aspecten van de bewakings- en rapportageprocedure die waarschijnlijk zullen bijdragen tot fouten bij de bepaling van de totale emissies. Het betreft hier met name de keuze van de emissiefactoren en de berekeningen die nodig zijn om de emissies van de verschillende emissiebronnen vast te stellen. Bijzondere aandacht wordt besteed aan bronnen met een groot foutenpotentieel en aan de voornoemde aspecten van de bewakingsprocedure.
10. De verificateur houdt rekening met alle risicobeheersingsmethoden die de exploitant toepast om de mate van onzekerheid zo klein mogelijk te houden.
Verslag
De verificateur bereidt een verslag voor over het valideringsproces waarin wordt vermeld of de aangifte verricht in toepassing van artikel 3.3.15, bevredigend is.
In dit verslag komen alle aspecten aan bod die voor het verrichte werk van belang zijn. De verificateur kan bevestigen dat de aangifte verricht in toepassing van artikel 3.3.15, bevredigend is als, volgens hem, de aangegeven totale emissies niet materieel onjuist zijn.
Algemene principes
1. De emissies van elke activiteit vermeld in bijlage 3.3 worden aan een verificatie onderworpen.
2. De verificatieprocedure houdt rekening met de aangifte opgemaakt in toepassing van artikel 3.3.15 en de bewaking van de emissies die in de loop van het vorige jaar werd verricht. Hierbij wordt gekeken naar de betrouwbaarheid, de geloofwaardigheid en de nauwkeurigheid van de bewakingssystemen en de gerapporteerde gegevens en naar de informatie over de emissies, in het bijzonder :
a) de gerapporteerde activiteitsgegevens en daarmee verband houdende metingen en berekeningen;
b) de keuze en het gebruik van emissiefactoren;
c) de berekeningen die leiden tot de bepaling van de totale emissies;
d) indien er metingen zijn gebruikt, de juistheid van de keuze en de wijze van toepassing van de meetmethoden.
3. De gerapporteerde emissies kunnen alleen worden gevalideerd als betrouwbare en geloofwaardige gegevens en informatie het mogelijk maken de emissies te bepalen met een hoge mate van zekerheid.
Voor een hoge mate van zekerheid moet de exploitant aantonen dat :
a) de gerapporteerde gegevens vrij zijn van inconsistenties;
b) de gegevens zijn verzameld overeenkomstig de toepasselijke wetenschappelijke normen;
c) de desbetreffende registers van de exploitatiesite volledig en consistent zijn.
4. De verificateur krijgt toegang tot alle sites en tot alle informatie in verband met het onderwerp van de verificatie.
5. De verificateur houdt rekening met het feit dat de installatie al dan niet in het kader van EMAS (het communautaire milieubeheer- en milieuauditsysteem) geregistreerd is.
Methode
Strategische analyse
6. De verificatie is gebaseerd op een strategische analyse van alle uitgeoefende activiteiten in de exploitatiesite. Dat houdt in dat de verificateur een overzicht moet hebben van alle activiteiten en hun betekenis voor het emissieniveau.
Procesanalyse
7. De verificatie van de overgelegde informatie vindt, zo nodig, plaats op de exploitatiesites. De verificateur neemt steekproeven om de betrouwbaarheid van de gerapporteerde gegevens en informatie vast te stellen.
Risicoanalyse
8. De verificateur moet alle emissiebronnen aanwezig in de installatie evalueren met het oog op de betrouwbaarheid van de gegevens die voor elke bron die tot de totale emissies van de exploitatiesite bijdraagt, verstrekt zijn.
9. Aan de hand van deze analyse identificeert de verificateur uitdrukkelijk de bronnen waarvan het bepalen van de emissies een groot foutenpotentieel vertoont en andere aspecten van de bewakings- en rapportageprocedure die waarschijnlijk zullen bijdragen tot fouten bij de bepaling van de totale emissies. Het betreft hier met name de keuze van de emissiefactoren en de berekeningen die nodig zijn om de emissies van de verschillende emissiebronnen vast te stellen. Bijzondere aandacht wordt besteed aan bronnen met een groot foutenpotentieel en aan de voornoemde aspecten van de bewakingsprocedure.
10. De verificateur houdt rekening met alle risicobeheersingsmethoden die de exploitant toepast om de mate van onzekerheid zo klein mogelijk te houden.
Verslag
De verificateur bereidt een verslag voor over het valideringsproces waarin wordt vermeld of de aangifte verricht in toepassing van artikel 3.3.15, bevredigend is.
In dit verslag komen alle aspecten aan bod die voor het verrichte werk van belang zijn. De verificateur kan bevestigen dat de aangifte verricht in toepassing van artikel 3.3.15, bevredigend is als, volgens hem, de aangegeven totale emissies niet materieel onjuist zijn.
Art. N3_6.DROIT_FUTUR. ANNEXE 3.6 - Règles relatives à l'allocation de quotas à titre gratuit
1. [2 Sous réserve de l'application du règlement (UE) 2023/956, aucun quota n'est délivré à titre gratuit pour la fabrication des marchandises énumérées à l'annexe I dudit règlement. Aucune allocation de quotas à titre gratuit n'est accordée aux installations de certains secteurs ou sous-secteurs dès lors qu'elles sont visées par d'autres mesures destinées à lutter contre le risque de fuite de carbone établies par le règlement (UE) 2023/956.
Par dérogation l'alinéa 1er, pendant les premières années d'application du règlement (UE) 2023/956, la fabrication des marchandises visées à l'annexe I dudit règlement bénéficie d'une allocation de quotas à titre gratuit en quantités réduites. Un facteur de réduction de l'allocation de quotas à titre gratuit pour la fabrication de ces marchandises est appliqué (le facteur MACF). Le facteur MACF est égal à 100 % pour la période comprise entre l'entrée en vigueur de ce règlement et fin 2025 et, sous réserve de l'application des dispositions de l'article 36, paragraphe 2, b), de ce règlement, est égal à 97,5 % en 2026, 95 % en 2027, 90 % en 2028, 77,5 % en 2029, 51,5 % en 2030, 39 % en 2031, 26,5 % en 2032 et 14 % en 2033. A partir de 2034, aucun facteur MACF ne s'applique]2.
2. Les installations des secteurs qui ne sont pas exposés à un risque important de fuite de carbone reçoivent 80 % de la quantité déterminée conformément à la décision 2011/278/UE en 2013. L'allocation de quotas à titre gratuit diminue ensuite chaque année en quantités égales pour atteindre 30 % à compter de 2020. [1 Après 2026, elle continue à diminuer d'une quantité égale de manière à parvenir à la suppression des quotas à titre gratuit en 2030, à l'exception des allocations de quotas au secteur du chauffage urbain.]1
3. Aucun quota à titre gratuit n'est attribué aux producteurs d'électricité. Ceux-ci sont les installations qui, à la date du 1er janvier 2005 ou ultérieurement, ont produit de l'électricité destinée à la vente des tiers dans laquelle n'a eu lieu aucune des activités visées à l'annexe 3.3, autre que la combustion de combustible.
[2 4. Si une installation est concernée par l'obligation d'effectuer un audit énergétique tel que visé par l'article 2.5.7 et si les recommandations du rapport d'audit ou du système de management de l'énergie certifié ne sont pas appliquées, à moins que le délai d'amortissement des investissements correspondants ne dépasse trois ans ou que le coût de ces investissements ne soit disproportionné, la quantité de quotas alloués à titre gratuit est réduite de 20 %. La quantité de quotas alloués à titre gratuit n'est pas réduite si l'exploitant démontre qu'il a mis en oeuvre d'autres mesures de réduction des émissions de gaz à effet de serre équivalentes à celles qui sont recommandées dans le rapport d'audit ou dans le système de management de l'énergie certifié pour l'installation concernée.
5. La quantité de quotas d'émission alloués à titre gratuit est également réduite de 20 % pour les exploitants d'installations dont les niveaux d'émission de gaz à effet de serre dépassent les niveaux d'émission du quatre-vingtième percentile pour les référentiels de produits concernés, qui n'ont pas établi de plan de neutralité climatique d'ici le 1er mai 2024 pour chacune de ces installations pour les activités couvertes par le livre 3, chapitre 3. Ce plan est établi conformément à l'acte d'exécution visé à l'article 10ter, paragraphe 4, de la directive 2003/87/CE.]2
1. [2 Sous réserve de l'application du règlement (UE) 2023/956, aucun quota n'est délivré à titre gratuit pour la fabrication des marchandises énumérées à l'annexe I dudit règlement. Aucune allocation de quotas à titre gratuit n'est accordée aux installations de certains secteurs ou sous-secteurs dès lors qu'elles sont visées par d'autres mesures destinées à lutter contre le risque de fuite de carbone établies par le règlement (UE) 2023/956.
Par dérogation l'alinéa 1er, pendant les premières années d'application du règlement (UE) 2023/956, la fabrication des marchandises visées à l'annexe I dudit règlement bénéficie d'une allocation de quotas à titre gratuit en quantités réduites. Un facteur de réduction de l'allocation de quotas à titre gratuit pour la fabrication de ces marchandises est appliqué (le facteur MACF). Le facteur MACF est égal à 100 % pour la période comprise entre l'entrée en vigueur de ce règlement et fin 2025 et, sous réserve de l'application des dispositions de l'article 36, paragraphe 2, b), de ce règlement, est égal à 97,5 % en 2026, 95 % en 2027, 90 % en 2028, 77,5 % en 2029, 51,5 % en 2030, 39 % en 2031, 26,5 % en 2032 et 14 % en 2033. A partir de 2034, aucun facteur MACF ne s'applique]2.
2. Les installations des secteurs qui ne sont pas exposés à un risque important de fuite de carbone reçoivent 80 % de la quantité déterminée conformément à la décision 2011/278/UE en 2013. L'allocation de quotas à titre gratuit diminue ensuite chaque année en quantités égales pour atteindre 30 % à compter de 2020. [1 Après 2026, elle continue à diminuer d'une quantité égale de manière à parvenir à la suppression des quotas à titre gratuit en 2030, à l'exception des allocations de quotas au secteur du chauffage urbain.]1
3. Aucun quota à titre gratuit n'est attribué aux producteurs d'électricité. Ceux-ci sont les installations qui, à la date du 1er janvier 2005 ou ultérieurement, ont produit de l'électricité destinée à la vente des tiers dans laquelle n'a eu lieu aucune des activités visées à l'annexe 3.3, autre que la combustion de combustible.
[2 4. Si une installation est concernée par l'obligation d'effectuer un audit énergétique tel que visé par l'article 2.5.7 et si les recommandations du rapport d'audit ou du système de management de l'énergie certifié ne sont pas appliquées, à moins que le délai d'amortissement des investissements correspondants ne dépasse trois ans ou que le coût de ces investissements ne soit disproportionné, la quantité de quotas alloués à titre gratuit est réduite de 20 %. La quantité de quotas alloués à titre gratuit n'est pas réduite si l'exploitant démontre qu'il a mis en oeuvre d'autres mesures de réduction des émissions de gaz à effet de serre équivalentes à celles qui sont recommandées dans le rapport d'audit ou dans le système de management de l'énergie certifié pour l'installation concernée.
5. La quantité de quotas d'émission alloués à titre gratuit est également réduite de 20 % pour les exploitants d'installations dont les niveaux d'émission de gaz à effet de serre dépassent les niveaux d'émission du quatre-vingtième percentile pour les référentiels de produits concernés, qui n'ont pas établi de plan de neutralité climatique d'ici le 1er mai 2024 pour chacune de ces installations pour les activités couvertes par le livre 3, chapitre 3. Ce plan est établi conformément à l'acte d'exécution visé à l'article 10ter, paragraphe 4, de la directive 2003/87/CE.]2
Art. N3. 8. [1 - Criteria voor de verificaties bedoeld in artikel 3.3.16/1
Algemene beginselen
1. Emissies die overeenkomen met de in artikel 3.3.16/1 bedoelde activiteit worden aan verificatie onderworpen.
2. Bij het verificatieproces moeten het verslag uit hoofde van artikel 3.3.16/5, § 1, en de bewaking tijdens het voorafgaande jaar worden bezien. Hierbij wordt gekeken naar de betrouwbaarheid, de geloofwaardigheid en de nauwkeurigheid van de bewakingssystemen en de gerapporteerde gegevens, en naar informatie inzake de emissies, en in het bijzonder:
a) de gerapporteerde tot verbruik uitgeslagen brandstoffen en de daarmee samenhangende berekeningen;
b) de keuze en het gebruik van emissiefactoren;
c) de berekeningen die leiden tot de bepaling van de totale emissies.
3. De emissies waarover verslag is uitgebracht kunnen alleen worden gevalideerd als betrouwbare, geloofwaardige gegevens en informatie het mogelijk maken de emissies met een hoge mate van zekerheid te bepalen. Voor een hoge mate van zekerheid moet de gereglementeerde entiteit aantonen dat:
a) de gerapporteerde gegevens vrij zijn van inconsistenties;
b) de gegevens zijn verzameld overeenkomstig de toepasselijke wetenschappelijke normen; en
a) de desbetreffende documenten van de gereglementeerde entiteit volledig en consistent zijn.
4. De verificateur krijgt toegang tot alle bedrijfsterreinen en tot alle informatie in verband met het onderwerp van de verificatie.
5. De verificateur houdt rekening met de vraag of de gereglementeerde entiteit geregistreerd is in het kader van het milieubeheer- en milieuauditsysteem van de Unie (EMAS).
Methodologie
Strategische analyse
6. De verificatie is gebaseerd op een strategische analyse van alle hoeveelheden brandstoffen die door de gereguleerde entiteit tot verbruik zijn uitgeslagen. Dit vereist dat de verificateur een overzicht heeft van alle activiteiten waarmee de gereglementeerde entiteit de brandstoffen uitslaat tot verbruik en van het belang van deze brandstoffen voor emissies.
Procesanalyse
7. De verificatie van de gegevens en overgelegde informatie vindt zo nodig bij de gereglementeerde entiteit plaats. De verificateur neemt steekproeven om de betrouwbaarheid van de gerapporteerde gegevens en informatie vast te stellen.
Risicoanalyse
8. De verificateur moet alle middelen waarmee de brandstoffen door de gereglementeerde entiteit tot verbruik worden uitgeslagen, evalueren met het oog op de betrouwbaarheid van de gegevens over de totale emissies van de gereglementeerde entiteit.
9. Aan de hand van deze analyse identificeert de verificateur uitdrukkelijk alle elementen met een groot foutenpotentieel en andere aspecten van de bewakings- en rapportageprocedure die waarschijnlijk zullen bijdragen tot fouten bij de bepaling van de totale emissies. Het betreft hier met name de berekeningen die nodig zijn om de emissies van afzonderlijke emissiebronnen vast te stellen. Bijzondere aandacht wordt besteed aan elementen met een groot foutenpotentieel en aan de desbetreffende aspecten van de bewakingsprocedure.
10. De verificateur houdt rekening met alle risicobeheersingsmethoden die de gereglementeerde entiteit toepast om de mate van onzekerheid zo klein mogelijk te houden.
Verslag
11. De verificateur stelt een verslag op over het valideringsproces, waarin wordt vermeld of het verslag op grond van artikel 3.3.16/5, § 1, bevredigend is. In dit verslag komen alle onderwerpen aan de orde die voor het verrichte werk van belang zijn. Er kan worden verklaard dat het verslag op grond van artikel 3.3.16/5, § 1, bevredigend is, als, naar de mening van de verificateur, de totale emissies niet wezenlijk verkeerd zijn weergegeven.
Aan de bevoegdheid van de verificateur te stellen minimumeisen
12. De verificateur is onafhankelijk van de gereglementeerde entiteit, voert zijn of haar werk serieus uit op een objectieve, professionele wijze en is vertrouwd met:
a) de bepalingen die van toepassing zijn op het systeem van handel in broeikasgasemissierechten voor de gebouwensector, de wegvervoerssector en aanvullende sectoren, alsmede de door de Europese Commissie goedgekeurde normen en richtsnoeren;
b) de wet- en regelgevende en administratieve vereisten die van toepassing zijn op de geverifieerde activiteiten; en
c) de totstandkoming van alle informatie over alle middelen waarmee de brandstoffen door de gereglementeerde entiteit tot verbruik worden uitgeslagen, met name wat betreft de verzameling, meting, berekening en rapportage van gegevens.]1
Algemene beginselen
1. Emissies die overeenkomen met de in artikel 3.3.16/1 bedoelde activiteit worden aan verificatie onderworpen.
2. Bij het verificatieproces moeten het verslag uit hoofde van artikel 3.3.16/5, § 1, en de bewaking tijdens het voorafgaande jaar worden bezien. Hierbij wordt gekeken naar de betrouwbaarheid, de geloofwaardigheid en de nauwkeurigheid van de bewakingssystemen en de gerapporteerde gegevens, en naar informatie inzake de emissies, en in het bijzonder:
a) de gerapporteerde tot verbruik uitgeslagen brandstoffen en de daarmee samenhangende berekeningen;
b) de keuze en het gebruik van emissiefactoren;
c) de berekeningen die leiden tot de bepaling van de totale emissies.
3. De emissies waarover verslag is uitgebracht kunnen alleen worden gevalideerd als betrouwbare, geloofwaardige gegevens en informatie het mogelijk maken de emissies met een hoge mate van zekerheid te bepalen. Voor een hoge mate van zekerheid moet de gereglementeerde entiteit aantonen dat:
a) de gerapporteerde gegevens vrij zijn van inconsistenties;
b) de gegevens zijn verzameld overeenkomstig de toepasselijke wetenschappelijke normen; en
a) de desbetreffende documenten van de gereglementeerde entiteit volledig en consistent zijn.
4. De verificateur krijgt toegang tot alle bedrijfsterreinen en tot alle informatie in verband met het onderwerp van de verificatie.
5. De verificateur houdt rekening met de vraag of de gereglementeerde entiteit geregistreerd is in het kader van het milieubeheer- en milieuauditsysteem van de Unie (EMAS).
Methodologie
Strategische analyse
6. De verificatie is gebaseerd op een strategische analyse van alle hoeveelheden brandstoffen die door de gereguleerde entiteit tot verbruik zijn uitgeslagen. Dit vereist dat de verificateur een overzicht heeft van alle activiteiten waarmee de gereglementeerde entiteit de brandstoffen uitslaat tot verbruik en van het belang van deze brandstoffen voor emissies.
Procesanalyse
7. De verificatie van de gegevens en overgelegde informatie vindt zo nodig bij de gereglementeerde entiteit plaats. De verificateur neemt steekproeven om de betrouwbaarheid van de gerapporteerde gegevens en informatie vast te stellen.
Risicoanalyse
8. De verificateur moet alle middelen waarmee de brandstoffen door de gereglementeerde entiteit tot verbruik worden uitgeslagen, evalueren met het oog op de betrouwbaarheid van de gegevens over de totale emissies van de gereglementeerde entiteit.
9. Aan de hand van deze analyse identificeert de verificateur uitdrukkelijk alle elementen met een groot foutenpotentieel en andere aspecten van de bewakings- en rapportageprocedure die waarschijnlijk zullen bijdragen tot fouten bij de bepaling van de totale emissies. Het betreft hier met name de berekeningen die nodig zijn om de emissies van afzonderlijke emissiebronnen vast te stellen. Bijzondere aandacht wordt besteed aan elementen met een groot foutenpotentieel en aan de desbetreffende aspecten van de bewakingsprocedure.
10. De verificateur houdt rekening met alle risicobeheersingsmethoden die de gereglementeerde entiteit toepast om de mate van onzekerheid zo klein mogelijk te houden.
Verslag
11. De verificateur stelt een verslag op over het valideringsproces, waarin wordt vermeld of het verslag op grond van artikel 3.3.16/5, § 1, bevredigend is. In dit verslag komen alle onderwerpen aan de orde die voor het verrichte werk van belang zijn. Er kan worden verklaard dat het verslag op grond van artikel 3.3.16/5, § 1, bevredigend is, als, naar de mening van de verificateur, de totale emissies niet wezenlijk verkeerd zijn weergegeven.
Aan de bevoegdheid van de verificateur te stellen minimumeisen
12. De verificateur is onafhankelijk van de gereglementeerde entiteit, voert zijn of haar werk serieus uit op een objectieve, professionele wijze en is vertrouwd met:
a) de bepalingen die van toepassing zijn op het systeem van handel in broeikasgasemissierechten voor de gebouwensector, de wegvervoerssector en aanvullende sectoren, alsmede de door de Europese Commissie goedgekeurde normen en richtsnoeren;
b) de wet- en regelgevende en administratieve vereisten die van toepassing zijn op de geverifieerde activiteiten; en
c) de totstandkoming van alle informatie over alle middelen waarmee de brandstoffen door de gereglementeerde entiteit tot verbruik worden uitgeslagen, met name wat betreft de verzameling, meting, berekening en rapportage van gegevens.]1
Art. N3_6.DROIT_FUTUR. ANNEXE 3.6 - Règles relatives à l'allocation de quotas à titre gratuit
1. [2 Sous réserve de l'application du règlement (UE) 2023/956, aucun quota n'est délivré à titre gratuit pour la fabrication des marchandises énumérées à l'annexe I dudit règlement. Aucune allocation de quotas à titre gratuit n'est accordée aux installations de certains secteurs ou sous-secteurs dès lors qu'elles sont visées par d'autres mesures destinées à lutter contre le risque de fuite de carbone établies par le règlement (UE) 2023/956.
Par dérogation l'alinéa 1er, pendant les premières années d'application du règlement (UE) 2023/956, la fabrication des marchandises visées à l'annexe I dudit règlement bénéficie d'une allocation de quotas à titre gratuit en quantités réduites. Un facteur de réduction de l'allocation de quotas à titre gratuit pour la fabrication de ces marchandises est appliqué (le facteur MACF). Le facteur MACF est égal à 100 % pour la période comprise entre l'entrée en vigueur de ce règlement et fin 2025 et, sous réserve de l'application des dispositions de l'article 36, paragraphe 2, b), de ce règlement, est égal à 97,5 % en 2026, 95 % en 2027, 90 % en 2028, 77,5 % en 2029, 51,5 % en 2030, 39 % en 2031, 26,5 % en 2032 et 14 % en 2033. A partir de 2034, aucun facteur MACF ne s'applique]2.
2. Les installations des secteurs qui ne sont pas exposés à un risque important de fuite de carbone reçoivent 80 % de la quantité déterminée conformément à la décision 2011/278/UE en 2013. L'allocation de quotas à titre gratuit diminue ensuite chaque année en quantités égales pour atteindre 30 % à compter de 2020. [1 Après 2026, elle continue à diminuer d'une quantité égale de manière à parvenir à la suppression des quotas à titre gratuit en 2030, à l'exception des allocations de quotas au secteur du chauffage urbain.]1
3. Aucun quota à titre gratuit n'est attribué aux producteurs d'électricité. Ceux-ci sont les installations qui, à la date du 1er janvier 2005 ou ultérieurement, ont produit de l'électricité destinée à la vente des tiers dans laquelle n'a eu lieu aucune des activités visées à l'annexe 3.3, autre que la combustion de combustible.
[2 4. Si une installation est concernée par l'obligation d'effectuer un audit énergétique tel que visé par l'article 2.5.7 et si les recommandations du rapport d'audit ou du système de management de l'énergie certifié ne sont pas appliquées, à moins que le délai d'amortissement des investissements correspondants ne dépasse trois ans ou que le coût de ces investissements ne soit disproportionné, la quantité de quotas alloués à titre gratuit est réduite de 20 %. La quantité de quotas alloués à titre gratuit n'est pas réduite si l'exploitant démontre qu'il a mis en oeuvre d'autres mesures de réduction des émissions de gaz à effet de serre équivalentes à celles qui sont recommandées dans le rapport d'audit ou dans le système de management de l'énergie certifié pour l'installation concernée.
5. La quantité de quotas d'émission alloués à titre gratuit est également réduite de 20 % pour les exploitants d'installations dont les niveaux d'émission de gaz à effet de serre dépassent les niveaux d'émission du quatre-vingtième percentile pour les référentiels de produits concernés, qui n'ont pas établi de plan de neutralité climatique d'ici le 1er mai 2024 pour chacune de ces installations pour les activités couvertes par le livre 3, chapitre 3. Ce plan est établi conformément à l'acte d'exécution visé à l'article 10ter, paragraphe 4, de la directive 2003/87/CE.]2
1. [2 Sous réserve de l'application du règlement (UE) 2023/956, aucun quota n'est délivré à titre gratuit pour la fabrication des marchandises énumérées à l'annexe I dudit règlement. Aucune allocation de quotas à titre gratuit n'est accordée aux installations de certains secteurs ou sous-secteurs dès lors qu'elles sont visées par d'autres mesures destinées à lutter contre le risque de fuite de carbone établies par le règlement (UE) 2023/956.
Par dérogation l'alinéa 1er, pendant les premières années d'application du règlement (UE) 2023/956, la fabrication des marchandises visées à l'annexe I dudit règlement bénéficie d'une allocation de quotas à titre gratuit en quantités réduites. Un facteur de réduction de l'allocation de quotas à titre gratuit pour la fabrication de ces marchandises est appliqué (le facteur MACF). Le facteur MACF est égal à 100 % pour la période comprise entre l'entrée en vigueur de ce règlement et fin 2025 et, sous réserve de l'application des dispositions de l'article 36, paragraphe 2, b), de ce règlement, est égal à 97,5 % en 2026, 95 % en 2027, 90 % en 2028, 77,5 % en 2029, 51,5 % en 2030, 39 % en 2031, 26,5 % en 2032 et 14 % en 2033. A partir de 2034, aucun facteur MACF ne s'applique]2.
2. Les installations des secteurs qui ne sont pas exposés à un risque important de fuite de carbone reçoivent 80 % de la quantité déterminée conformément à la décision 2011/278/UE en 2013. L'allocation de quotas à titre gratuit diminue ensuite chaque année en quantités égales pour atteindre 30 % à compter de 2020. [1 Après 2026, elle continue à diminuer d'une quantité égale de manière à parvenir à la suppression des quotas à titre gratuit en 2030, à l'exception des allocations de quotas au secteur du chauffage urbain.]1
3. Aucun quota à titre gratuit n'est attribué aux producteurs d'électricité. Ceux-ci sont les installations qui, à la date du 1er janvier 2005 ou ultérieurement, ont produit de l'électricité destinée à la vente des tiers dans laquelle n'a eu lieu aucune des activités visées à l'annexe 3.3, autre que la combustion de combustible.
[2 4. Si une installation est concernée par l'obligation d'effectuer un audit énergétique tel que visé par l'article 2.5.7 et si les recommandations du rapport d'audit ou du système de management de l'énergie certifié ne sont pas appliquées, à moins que le délai d'amortissement des investissements correspondants ne dépasse trois ans ou que le coût de ces investissements ne soit disproportionné, la quantité de quotas alloués à titre gratuit est réduite de 20 %. La quantité de quotas alloués à titre gratuit n'est pas réduite si l'exploitant démontre qu'il a mis en oeuvre d'autres mesures de réduction des émissions de gaz à effet de serre équivalentes à celles qui sont recommandées dans le rapport d'audit ou dans le système de management de l'énergie certifié pour l'installation concernée.
5. La quantité de quotas d'émission alloués à titre gratuit est également réduite de 20 % pour les exploitants d'installations dont les niveaux d'émission de gaz à effet de serre dépassent les niveaux d'émission du quatre-vingtième percentile pour les référentiels de produits concernés, qui n'ont pas établi de plan de neutralité climatique d'ici le 1er mai 2024 pour chacune de ces installations pour les activités couvertes par le livre 3, chapitre 3. Ce plan est établi conformément à l'acte d'exécution visé à l'article 10ter, paragraphe 4, de la directive 2003/87/CE.]2
Art. N3. 7. BIJLAGE 3.7 - Criteria voor de verificaties bedoeld in artikel 3.3.15
Algemene principes
1. De emissies van elke activiteit vermeld in bijlage 3.3 worden aan een verificatie onderworpen.
2. De verificatieprocedure houdt rekening met de aangifte opgemaakt in toepassing van artikel 3.3.15 en de bewaking van de emissies die in de loop van het vorige jaar werd verricht. Hierbij wordt gekeken naar de betrouwbaarheid, de geloofwaardigheid en de nauwkeurigheid van de bewakingssystemen en de gerapporteerde gegevens en naar de informatie over de emissies, in het bijzonder :
a) de gerapporteerde activiteitsgegevens en daarmee verband houdende metingen en berekeningen;
b) de keuze en het gebruik van emissiefactoren;
c) de berekeningen die leiden tot de bepaling van de totale emissies;
d) indien er metingen zijn gebruikt, de juistheid van de keuze en de wijze van toepassing van de meetmethoden.
3. De gerapporteerde emissies kunnen alleen worden gevalideerd als betrouwbare en geloofwaardige gegevens en informatie het mogelijk maken de emissies te bepalen met een hoge mate van zekerheid.
Voor een hoge mate van zekerheid moet de exploitant aantonen dat :
a) de gerapporteerde gegevens vrij zijn van inconsistenties;
b) de gegevens zijn verzameld overeenkomstig de toepasselijke wetenschappelijke normen;
c) de desbetreffende registers van de exploitatiesite volledig en consistent zijn.
4. De verificateur krijgt toegang tot alle sites en tot alle informatie in verband met het onderwerp van de verificatie.
5. De verificateur houdt rekening met het feit dat de installatie al dan niet in het kader van EMAS (het communautaire milieubeheer- en milieuauditsysteem) geregistreerd is.
Methode
Strategische analyse
6. De verificatie is gebaseerd op een strategische analyse van alle uitgeoefende activiteiten in de exploitatiesite. Dat houdt in dat de verificateur een overzicht moet hebben van alle activiteiten en hun betekenis voor het emissieniveau.
Procesanalyse
7. De verificatie van de overgelegde informatie vindt, zo nodig, plaats op de exploitatiesites. De verificateur neemt steekproeven om de betrouwbaarheid van de gerapporteerde gegevens en informatie vast te stellen.
Risicoanalyse
8. De verificateur moet alle emissiebronnen aanwezig in de installatie evalueren met het oog op de betrouwbaarheid van de gegevens die voor elke bron die tot de totale emissies van de exploitatiesite bijdraagt, verstrekt zijn.
9. Aan de hand van deze analyse identificeert de verificateur uitdrukkelijk de bronnen waarvan het bepalen van de emissies een groot foutenpotentieel vertoont en andere aspecten van de bewakings- en rapportageprocedure die waarschijnlijk zullen bijdragen tot fouten bij de bepaling van de totale emissies. Het betreft hier met name de keuze van de emissiefactoren en de berekeningen die nodig zijn om de emissies van de verschillende emissiebronnen vast te stellen. Bijzondere aandacht wordt besteed aan bronnen met een groot foutenpotentieel en aan de voornoemde aspecten van de bewakingsprocedure.
10. De verificateur houdt rekening met alle risicobeheersingsmethoden die de exploitant toepast om de mate van onzekerheid zo klein mogelijk te houden.
Verslag
De verificateur bereidt een verslag voor over het valideringsproces waarin wordt vermeld of de aangifte verricht in toepassing van artikel 3.3.15, bevredigend is.
In dit verslag komen alle aspecten aan bod die voor het verrichte werk van belang zijn. De verificateur kan bevestigen dat de aangifte verricht in toepassing van artikel 3.3.15, bevredigend is als, volgens hem, de aangegeven totale emissies niet materieel onjuist zijn.
Algemene principes
1. De emissies van elke activiteit vermeld in bijlage 3.3 worden aan een verificatie onderworpen.
2. De verificatieprocedure houdt rekening met de aangifte opgemaakt in toepassing van artikel 3.3.15 en de bewaking van de emissies die in de loop van het vorige jaar werd verricht. Hierbij wordt gekeken naar de betrouwbaarheid, de geloofwaardigheid en de nauwkeurigheid van de bewakingssystemen en de gerapporteerde gegevens en naar de informatie over de emissies, in het bijzonder :
a) de gerapporteerde activiteitsgegevens en daarmee verband houdende metingen en berekeningen;
b) de keuze en het gebruik van emissiefactoren;
c) de berekeningen die leiden tot de bepaling van de totale emissies;
d) indien er metingen zijn gebruikt, de juistheid van de keuze en de wijze van toepassing van de meetmethoden.
3. De gerapporteerde emissies kunnen alleen worden gevalideerd als betrouwbare en geloofwaardige gegevens en informatie het mogelijk maken de emissies te bepalen met een hoge mate van zekerheid.
Voor een hoge mate van zekerheid moet de exploitant aantonen dat :
a) de gerapporteerde gegevens vrij zijn van inconsistenties;
b) de gegevens zijn verzameld overeenkomstig de toepasselijke wetenschappelijke normen;
c) de desbetreffende registers van de exploitatiesite volledig en consistent zijn.
4. De verificateur krijgt toegang tot alle sites en tot alle informatie in verband met het onderwerp van de verificatie.
5. De verificateur houdt rekening met het feit dat de installatie al dan niet in het kader van EMAS (het communautaire milieubeheer- en milieuauditsysteem) geregistreerd is.
Methode
Strategische analyse
6. De verificatie is gebaseerd op een strategische analyse van alle uitgeoefende activiteiten in de exploitatiesite. Dat houdt in dat de verificateur een overzicht moet hebben van alle activiteiten en hun betekenis voor het emissieniveau.
Procesanalyse
7. De verificatie van de overgelegde informatie vindt, zo nodig, plaats op de exploitatiesites. De verificateur neemt steekproeven om de betrouwbaarheid van de gerapporteerde gegevens en informatie vast te stellen.
Risicoanalyse
8. De verificateur moet alle emissiebronnen aanwezig in de installatie evalueren met het oog op de betrouwbaarheid van de gegevens die voor elke bron die tot de totale emissies van de exploitatiesite bijdraagt, verstrekt zijn.
9. Aan de hand van deze analyse identificeert de verificateur uitdrukkelijk de bronnen waarvan het bepalen van de emissies een groot foutenpotentieel vertoont en andere aspecten van de bewakings- en rapportageprocedure die waarschijnlijk zullen bijdragen tot fouten bij de bepaling van de totale emissies. Het betreft hier met name de keuze van de emissiefactoren en de berekeningen die nodig zijn om de emissies van de verschillende emissiebronnen vast te stellen. Bijzondere aandacht wordt besteed aan bronnen met een groot foutenpotentieel en aan de voornoemde aspecten van de bewakingsprocedure.
10. De verificateur houdt rekening met alle risicobeheersingsmethoden die de exploitant toepast om de mate van onzekerheid zo klein mogelijk te houden.
Verslag
De verificateur bereidt een verslag voor over het valideringsproces waarin wordt vermeld of de aangifte verricht in toepassing van artikel 3.3.15, bevredigend is.
In dit verslag komen alle aspecten aan bod die voor het verrichte werk van belang zijn. De verificateur kan bevestigen dat de aangifte verricht in toepassing van artikel 3.3.15, bevredigend is als, volgens hem, de aangegeven totale emissies niet materieel onjuist zijn.
Art. N3. 8. [1 - Critères de vérification visés à l'article 3.3.16/1
Principes généraux
1. Les émissions correspondant à l'activité visée à l'article 3.3.16/1 sont soumises à une vérification.
2. La procédure de vérification vise notamment la déclaration établie en application de l'article 3.3.16/5, § 1er et la surveillance des émissions effectuée au cours de l'année précédente. Elle porte sur la fiabilité, la crédibilité et la précision des systèmes de surveillance ainsi que sur les données et informations déclarées en ce qui concerne les émissions, et notamment:
a) les carburants mis à la consommation déclarés et les calculs y afférents;
b) le choix et l'utilisation des facteurs d'émission;
c) les calculs permettant de déterminer les émissions globales.
3. Les émissions déclarées ne peuvent être validées que si des données et des informations fiables et crédibles permettent de déterminer les émissions avec un degré élevé de certitude. Pour parvenir à ce degré élevé de certitude, l'entité réglementée doit démontrer que:
a) les données déclarées sont exemptes d'incohérences;
b) la collecte des données a été effectuée conformément aux normes scientifiques applicables; et
c) les registres correspondants de l'entité réglementée sont complets et cohérents.
4. Le vérificateur a accès à tous les sites et à toutes les informations en rapport avec l'objet des vérifications.
5. Le vérificateur tient compte du fait que l'entité réglementée est enregistrée ou non dans le système communautaire de management environnemental et d'audit (EMAS).
Méthodologie
Analyse stratégique
6. La vérification est fondée sur une analyse stratégique de l'ensemble des quantités de carburant mises à la consommation par l'entité réglementée. Cela suppose que le vérificateur ait une vue globale de toutes les activités pour lesquelles l'entité réglementée met les carburants à la consommation ainsi que de leur poids relatif dans les émissions.
Analyse des procédés
7. La vérification des données et informations soumises est effectuée, en tant que de besoin, sur le site de l'entité réglementée. Le vérificateur recourt à des contrôles par sondage pour déterminer la fiabilité des données et informations déclarées.
Analyse des risques
8. Le vérificateur soumet tous les moyens par lesquels les carburants sont mis à la consommation par l'entité réglementée à une évaluation de la fiabilité des données relatives aux émissions globales de l'entité réglementée.
9. Sur la base de cette analyse, le vérificateur met explicitement en évidence tout élément qui comporte un risque d'erreur élevé et d'autres aspects de la procédure de surveillance et de déclaration qui sont susceptibles d'entraîner des erreurs dans la détermination des émissions globales. Il s'agit notamment des calculs à effectuer pour déterminer le niveau des émissions issues de différentes sources. Une attention particulière est accordée aux éléments qui comportent un risque d'erreur élevé et aux autres aspects susmentionnés de la procédure de surveillance.
10. Le vérificateur tient compte de toutes les méthodes effectives de gestion des risques appliquées par l'entité réglementée en vue de réduire au maximum le degré d'incertitude.
Rapport
11. Le vérificateur élabore un rapport sur la procédure de validation, indiquant si la déclaration faite en application 3.3.16/5, § 1er est satisfaisante. Ce rapport traite tous les aspects pertinents en rapport avec le travail effectué. Le vérificateur peut attester que la déclaration établie en application de 3.3.16/5, § 1er, est satisfaisante si, selon lui, les émissions totales déclarées ne sont pas matériellement inexactes.
Compétences minimales exigées du vérificateur
12. Le vérificateur est indépendant de l'entité réglementée, exerce ses activités avec un professionnalisme sérieux et objectif, et a une bonne connaissance:
a) des dispositions applicables au système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre pour le secteur du bâtiment, le secteur du transport routier et d'autres secteurs, ainsi que des normes et des lignes directrices pertinentes arrêtées par la Commission européenne;
b) des exigences législatives, réglementaires et administratives applicables aux activités soumises à la vérification; et
c) de l'élaboration de toutes les informations relatives à tous les moyens par lesquels les carburants sont mis à la consommation par l'entité réglementée, notamment aux stades de la collecte, de la mesure, du calcul et de la déclaration des données.]1
Principes généraux
1. Les émissions correspondant à l'activité visée à l'article 3.3.16/1 sont soumises à une vérification.
2. La procédure de vérification vise notamment la déclaration établie en application de l'article 3.3.16/5, § 1er et la surveillance des émissions effectuée au cours de l'année précédente. Elle porte sur la fiabilité, la crédibilité et la précision des systèmes de surveillance ainsi que sur les données et informations déclarées en ce qui concerne les émissions, et notamment:
a) les carburants mis à la consommation déclarés et les calculs y afférents;
b) le choix et l'utilisation des facteurs d'émission;
c) les calculs permettant de déterminer les émissions globales.
3. Les émissions déclarées ne peuvent être validées que si des données et des informations fiables et crédibles permettent de déterminer les émissions avec un degré élevé de certitude. Pour parvenir à ce degré élevé de certitude, l'entité réglementée doit démontrer que:
a) les données déclarées sont exemptes d'incohérences;
b) la collecte des données a été effectuée conformément aux normes scientifiques applicables; et
c) les registres correspondants de l'entité réglementée sont complets et cohérents.
4. Le vérificateur a accès à tous les sites et à toutes les informations en rapport avec l'objet des vérifications.
5. Le vérificateur tient compte du fait que l'entité réglementée est enregistrée ou non dans le système communautaire de management environnemental et d'audit (EMAS).
Méthodologie
Analyse stratégique
6. La vérification est fondée sur une analyse stratégique de l'ensemble des quantités de carburant mises à la consommation par l'entité réglementée. Cela suppose que le vérificateur ait une vue globale de toutes les activités pour lesquelles l'entité réglementée met les carburants à la consommation ainsi que de leur poids relatif dans les émissions.
Analyse des procédés
7. La vérification des données et informations soumises est effectuée, en tant que de besoin, sur le site de l'entité réglementée. Le vérificateur recourt à des contrôles par sondage pour déterminer la fiabilité des données et informations déclarées.
Analyse des risques
8. Le vérificateur soumet tous les moyens par lesquels les carburants sont mis à la consommation par l'entité réglementée à une évaluation de la fiabilité des données relatives aux émissions globales de l'entité réglementée.
9. Sur la base de cette analyse, le vérificateur met explicitement en évidence tout élément qui comporte un risque d'erreur élevé et d'autres aspects de la procédure de surveillance et de déclaration qui sont susceptibles d'entraîner des erreurs dans la détermination des émissions globales. Il s'agit notamment des calculs à effectuer pour déterminer le niveau des émissions issues de différentes sources. Une attention particulière est accordée aux éléments qui comportent un risque d'erreur élevé et aux autres aspects susmentionnés de la procédure de surveillance.
10. Le vérificateur tient compte de toutes les méthodes effectives de gestion des risques appliquées par l'entité réglementée en vue de réduire au maximum le degré d'incertitude.
Rapport
11. Le vérificateur élabore un rapport sur la procédure de validation, indiquant si la déclaration faite en application 3.3.16/5, § 1er est satisfaisante. Ce rapport traite tous les aspects pertinents en rapport avec le travail effectué. Le vérificateur peut attester que la déclaration établie en application de 3.3.16/5, § 1er, est satisfaisante si, selon lui, les émissions totales déclarées ne sont pas matériellement inexactes.
Compétences minimales exigées du vérificateur
12. Le vérificateur est indépendant de l'entité réglementée, exerce ses activités avec un professionnalisme sérieux et objectif, et a une bonne connaissance:
a) des dispositions applicables au système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre pour le secteur du bâtiment, le secteur du transport routier et d'autres secteurs, ainsi que des normes et des lignes directrices pertinentes arrêtées par la Commission européenne;
b) des exigences législatives, réglementaires et administratives applicables aux activités soumises à la vérification; et
c) de l'élaboration de toutes les informations relatives à tous les moyens par lesquels les carburants sont mis à la consommation par l'entité réglementée, notamment aux stades de la collecte, de la mesure, du calcul et de la déclaration des données.]1
Art. N3. 8. [1 - Criteria voor de verificaties bedoeld in artikel 3.3.16/1
Algemene beginselen
1. Emissies die overeenkomen met de in artikel 3.3.16/1 bedoelde activiteit worden aan verificatie onderworpen.
2. Bij het verificatieproces moeten het verslag uit hoofde van artikel 3.3.16/5, § 1, en de bewaking tijdens het voorafgaande jaar worden bezien. Hierbij wordt gekeken naar de betrouwbaarheid, de geloofwaardigheid en de nauwkeurigheid van de bewakingssystemen en de gerapporteerde gegevens, en naar informatie inzake de emissies, en in het bijzonder:
a) de gerapporteerde tot verbruik uitgeslagen brandstoffen en de daarmee samenhangende berekeningen;
b) de keuze en het gebruik van emissiefactoren;
c) de berekeningen die leiden tot de bepaling van de totale emissies.
3. De emissies waarover verslag is uitgebracht kunnen alleen worden gevalideerd als betrouwbare, geloofwaardige gegevens en informatie het mogelijk maken de emissies met een hoge mate van zekerheid te bepalen. Voor een hoge mate van zekerheid moet de gereglementeerde entiteit aantonen dat:
a) de gerapporteerde gegevens vrij zijn van inconsistenties;
b) de gegevens zijn verzameld overeenkomstig de toepasselijke wetenschappelijke normen; en
a) de desbetreffende documenten van de gereglementeerde entiteit volledig en consistent zijn.
4. De verificateur krijgt toegang tot alle bedrijfsterreinen en tot alle informatie in verband met het onderwerp van de verificatie.
5. De verificateur houdt rekening met de vraag of de gereglementeerde entiteit geregistreerd is in het kader van het milieubeheer- en milieuauditsysteem van de Unie (EMAS).
Methodologie
Strategische analyse
6. De verificatie is gebaseerd op een strategische analyse van alle hoeveelheden brandstoffen die door de gereguleerde entiteit tot verbruik zijn uitgeslagen. Dit vereist dat de verificateur een overzicht heeft van alle activiteiten waarmee de gereglementeerde entiteit de brandstoffen uitslaat tot verbruik en van het belang van deze brandstoffen voor emissies.
Procesanalyse
7. De verificatie van de gegevens en overgelegde informatie vindt zo nodig bij de gereglementeerde entiteit plaats. De verificateur neemt steekproeven om de betrouwbaarheid van de gerapporteerde gegevens en informatie vast te stellen.
Risicoanalyse
8. De verificateur moet alle middelen waarmee de brandstoffen door de gereglementeerde entiteit tot verbruik worden uitgeslagen, evalueren met het oog op de betrouwbaarheid van de gegevens over de totale emissies van de gereglementeerde entiteit.
9. Aan de hand van deze analyse identificeert de verificateur uitdrukkelijk alle elementen met een groot foutenpotentieel en andere aspecten van de bewakings- en rapportageprocedure die waarschijnlijk zullen bijdragen tot fouten bij de bepaling van de totale emissies. Het betreft hier met name de berekeningen die nodig zijn om de emissies van afzonderlijke emissiebronnen vast te stellen. Bijzondere aandacht wordt besteed aan elementen met een groot foutenpotentieel en aan de desbetreffende aspecten van de bewakingsprocedure.
10. De verificateur houdt rekening met alle risicobeheersingsmethoden die de gereglementeerde entiteit toepast om de mate van onzekerheid zo klein mogelijk te houden.
Verslag
11. De verificateur stelt een verslag op over het valideringsproces, waarin wordt vermeld of het verslag op grond van artikel 3.3.16/5, § 1, bevredigend is. In dit verslag komen alle onderwerpen aan de orde die voor het verrichte werk van belang zijn. Er kan worden verklaard dat het verslag op grond van artikel 3.3.16/5, § 1, bevredigend is, als, naar de mening van de verificateur, de totale emissies niet wezenlijk verkeerd zijn weergegeven.
Aan de bevoegdheid van de verificateur te stellen minimumeisen
12. De verificateur is onafhankelijk van de gereglementeerde entiteit, voert zijn of haar werk serieus uit op een objectieve, professionele wijze en is vertrouwd met:
a) de bepalingen die van toepassing zijn op het systeem van handel in broeikasgasemissierechten voor de gebouwensector, de wegvervoerssector en aanvullende sectoren, alsmede de door de Europese Commissie goedgekeurde normen en richtsnoeren;
b) de wet- en regelgevende en administratieve vereisten die van toepassing zijn op de geverifieerde activiteiten; en
c) de totstandkoming van alle informatie over alle middelen waarmee de brandstoffen door de gereglementeerde entiteit tot verbruik worden uitgeslagen, met name wat betreft de verzameling, meting, berekening en rapportage van gegevens.]1
Algemene beginselen
1. Emissies die overeenkomen met de in artikel 3.3.16/1 bedoelde activiteit worden aan verificatie onderworpen.
2. Bij het verificatieproces moeten het verslag uit hoofde van artikel 3.3.16/5, § 1, en de bewaking tijdens het voorafgaande jaar worden bezien. Hierbij wordt gekeken naar de betrouwbaarheid, de geloofwaardigheid en de nauwkeurigheid van de bewakingssystemen en de gerapporteerde gegevens, en naar informatie inzake de emissies, en in het bijzonder:
a) de gerapporteerde tot verbruik uitgeslagen brandstoffen en de daarmee samenhangende berekeningen;
b) de keuze en het gebruik van emissiefactoren;
c) de berekeningen die leiden tot de bepaling van de totale emissies.
3. De emissies waarover verslag is uitgebracht kunnen alleen worden gevalideerd als betrouwbare, geloofwaardige gegevens en informatie het mogelijk maken de emissies met een hoge mate van zekerheid te bepalen. Voor een hoge mate van zekerheid moet de gereglementeerde entiteit aantonen dat:
a) de gerapporteerde gegevens vrij zijn van inconsistenties;
b) de gegevens zijn verzameld overeenkomstig de toepasselijke wetenschappelijke normen; en
a) de desbetreffende documenten van de gereglementeerde entiteit volledig en consistent zijn.
4. De verificateur krijgt toegang tot alle bedrijfsterreinen en tot alle informatie in verband met het onderwerp van de verificatie.
5. De verificateur houdt rekening met de vraag of de gereglementeerde entiteit geregistreerd is in het kader van het milieubeheer- en milieuauditsysteem van de Unie (EMAS).
Methodologie
Strategische analyse
6. De verificatie is gebaseerd op een strategische analyse van alle hoeveelheden brandstoffen die door de gereguleerde entiteit tot verbruik zijn uitgeslagen. Dit vereist dat de verificateur een overzicht heeft van alle activiteiten waarmee de gereglementeerde entiteit de brandstoffen uitslaat tot verbruik en van het belang van deze brandstoffen voor emissies.
Procesanalyse
7. De verificatie van de gegevens en overgelegde informatie vindt zo nodig bij de gereglementeerde entiteit plaats. De verificateur neemt steekproeven om de betrouwbaarheid van de gerapporteerde gegevens en informatie vast te stellen.
Risicoanalyse
8. De verificateur moet alle middelen waarmee de brandstoffen door de gereglementeerde entiteit tot verbruik worden uitgeslagen, evalueren met het oog op de betrouwbaarheid van de gegevens over de totale emissies van de gereglementeerde entiteit.
9. Aan de hand van deze analyse identificeert de verificateur uitdrukkelijk alle elementen met een groot foutenpotentieel en andere aspecten van de bewakings- en rapportageprocedure die waarschijnlijk zullen bijdragen tot fouten bij de bepaling van de totale emissies. Het betreft hier met name de berekeningen die nodig zijn om de emissies van afzonderlijke emissiebronnen vast te stellen. Bijzondere aandacht wordt besteed aan elementen met een groot foutenpotentieel en aan de desbetreffende aspecten van de bewakingsprocedure.
10. De verificateur houdt rekening met alle risicobeheersingsmethoden die de gereglementeerde entiteit toepast om de mate van onzekerheid zo klein mogelijk te houden.
Verslag
11. De verificateur stelt een verslag op over het valideringsproces, waarin wordt vermeld of het verslag op grond van artikel 3.3.16/5, § 1, bevredigend is. In dit verslag komen alle onderwerpen aan de orde die voor het verrichte werk van belang zijn. Er kan worden verklaard dat het verslag op grond van artikel 3.3.16/5, § 1, bevredigend is, als, naar de mening van de verificateur, de totale emissies niet wezenlijk verkeerd zijn weergegeven.
Aan de bevoegdheid van de verificateur te stellen minimumeisen
12. De verificateur is onafhankelijk van de gereglementeerde entiteit, voert zijn of haar werk serieus uit op een objectieve, professionele wijze en is vertrouwd met:
a) de bepalingen die van toepassing zijn op het systeem van handel in broeikasgasemissierechten voor de gebouwensector, de wegvervoerssector en aanvullende sectoren, alsmede de door de Europese Commissie goedgekeurde normen en richtsnoeren;
b) de wet- en regelgevende en administratieve vereisten die van toepassing zijn op de geverifieerde activiteiten; en
c) de totstandkoming van alle informatie over alle middelen waarmee de brandstoffen door de gereglementeerde entiteit tot verbruik worden uitgeslagen, met name wat betreft de verzameling, meting, berekening en rapportage van gegevens.]1
Art. N3. 8. [1 - Critères de vérification visés à l'article 3.3.16/1
Principes généraux
1. Les émissions correspondant à l'activité visée à l'article 3.3.16/1 sont soumises à une vérification.
2. La procédure de vérification vise notamment la déclaration établie en application de l'article 3.3.16/5, § 1er et la surveillance des émissions effectuée au cours de l'année précédente. Elle porte sur la fiabilité, la crédibilité et la précision des systèmes de surveillance ainsi que sur les données et informations déclarées en ce qui concerne les émissions, et notamment:
a) les carburants mis à la consommation déclarés et les calculs y afférents;
b) le choix et l'utilisation des facteurs d'émission;
c) les calculs permettant de déterminer les émissions globales.
3. Les émissions déclarées ne peuvent être validées que si des données et des informations fiables et crédibles permettent de déterminer les émissions avec un degré élevé de certitude. Pour parvenir à ce degré élevé de certitude, l'entité réglementée doit démontrer que:
a) les données déclarées sont exemptes d'incohérences;
b) la collecte des données a été effectuée conformément aux normes scientifiques applicables; et
c) les registres correspondants de l'entité réglementée sont complets et cohérents.
4. Le vérificateur a accès à tous les sites et à toutes les informations en rapport avec l'objet des vérifications.
5. Le vérificateur tient compte du fait que l'entité réglementée est enregistrée ou non dans le système communautaire de management environnemental et d'audit (EMAS).
Méthodologie
Analyse stratégique
6. La vérification est fondée sur une analyse stratégique de l'ensemble des quantités de carburant mises à la consommation par l'entité réglementée. Cela suppose que le vérificateur ait une vue globale de toutes les activités pour lesquelles l'entité réglementée met les carburants à la consommation ainsi que de leur poids relatif dans les émissions.
Analyse des procédés
7. La vérification des données et informations soumises est effectuée, en tant que de besoin, sur le site de l'entité réglementée. Le vérificateur recourt à des contrôles par sondage pour déterminer la fiabilité des données et informations déclarées.
Analyse des risques
8. Le vérificateur soumet tous les moyens par lesquels les carburants sont mis à la consommation par l'entité réglementée à une évaluation de la fiabilité des données relatives aux émissions globales de l'entité réglementée.
9. Sur la base de cette analyse, le vérificateur met explicitement en évidence tout élément qui comporte un risque d'erreur élevé et d'autres aspects de la procédure de surveillance et de déclaration qui sont susceptibles d'entraîner des erreurs dans la détermination des émissions globales. Il s'agit notamment des calculs à effectuer pour déterminer le niveau des émissions issues de différentes sources. Une attention particulière est accordée aux éléments qui comportent un risque d'erreur élevé et aux autres aspects susmentionnés de la procédure de surveillance.
10. Le vérificateur tient compte de toutes les méthodes effectives de gestion des risques appliquées par l'entité réglementée en vue de réduire au maximum le degré d'incertitude.
Rapport
11. Le vérificateur élabore un rapport sur la procédure de validation, indiquant si la déclaration faite en application 3.3.16/5, § 1er est satisfaisante. Ce rapport traite tous les aspects pertinents en rapport avec le travail effectué. Le vérificateur peut attester que la déclaration établie en application de 3.3.16/5, § 1er, est satisfaisante si, selon lui, les émissions totales déclarées ne sont pas matériellement inexactes.
Compétences minimales exigées du vérificateur
12. Le vérificateur est indépendant de l'entité réglementée, exerce ses activités avec un professionnalisme sérieux et objectif, et a une bonne connaissance:
a) des dispositions applicables au système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre pour le secteur du bâtiment, le secteur du transport routier et d'autres secteurs, ainsi que des normes et des lignes directrices pertinentes arrêtées par la Commission européenne;
b) des exigences législatives, réglementaires et administratives applicables aux activités soumises à la vérification; et
c) de l'élaboration de toutes les informations relatives à tous les moyens par lesquels les carburants sont mis à la consommation par l'entité réglementée, notamment aux stades de la collecte, de la mesure, du calcul et de la déclaration des données.]1
Principes généraux
1. Les émissions correspondant à l'activité visée à l'article 3.3.16/1 sont soumises à une vérification.
2. La procédure de vérification vise notamment la déclaration établie en application de l'article 3.3.16/5, § 1er et la surveillance des émissions effectuée au cours de l'année précédente. Elle porte sur la fiabilité, la crédibilité et la précision des systèmes de surveillance ainsi que sur les données et informations déclarées en ce qui concerne les émissions, et notamment:
a) les carburants mis à la consommation déclarés et les calculs y afférents;
b) le choix et l'utilisation des facteurs d'émission;
c) les calculs permettant de déterminer les émissions globales.
3. Les émissions déclarées ne peuvent être validées que si des données et des informations fiables et crédibles permettent de déterminer les émissions avec un degré élevé de certitude. Pour parvenir à ce degré élevé de certitude, l'entité réglementée doit démontrer que:
a) les données déclarées sont exemptes d'incohérences;
b) la collecte des données a été effectuée conformément aux normes scientifiques applicables; et
c) les registres correspondants de l'entité réglementée sont complets et cohérents.
4. Le vérificateur a accès à tous les sites et à toutes les informations en rapport avec l'objet des vérifications.
5. Le vérificateur tient compte du fait que l'entité réglementée est enregistrée ou non dans le système communautaire de management environnemental et d'audit (EMAS).
Méthodologie
Analyse stratégique
6. La vérification est fondée sur une analyse stratégique de l'ensemble des quantités de carburant mises à la consommation par l'entité réglementée. Cela suppose que le vérificateur ait une vue globale de toutes les activités pour lesquelles l'entité réglementée met les carburants à la consommation ainsi que de leur poids relatif dans les émissions.
Analyse des procédés
7. La vérification des données et informations soumises est effectuée, en tant que de besoin, sur le site de l'entité réglementée. Le vérificateur recourt à des contrôles par sondage pour déterminer la fiabilité des données et informations déclarées.
Analyse des risques
8. Le vérificateur soumet tous les moyens par lesquels les carburants sont mis à la consommation par l'entité réglementée à une évaluation de la fiabilité des données relatives aux émissions globales de l'entité réglementée.
9. Sur la base de cette analyse, le vérificateur met explicitement en évidence tout élément qui comporte un risque d'erreur élevé et d'autres aspects de la procédure de surveillance et de déclaration qui sont susceptibles d'entraîner des erreurs dans la détermination des émissions globales. Il s'agit notamment des calculs à effectuer pour déterminer le niveau des émissions issues de différentes sources. Une attention particulière est accordée aux éléments qui comportent un risque d'erreur élevé et aux autres aspects susmentionnés de la procédure de surveillance.
10. Le vérificateur tient compte de toutes les méthodes effectives de gestion des risques appliquées par l'entité réglementée en vue de réduire au maximum le degré d'incertitude.
Rapport
11. Le vérificateur élabore un rapport sur la procédure de validation, indiquant si la déclaration faite en application 3.3.16/5, § 1er est satisfaisante. Ce rapport traite tous les aspects pertinents en rapport avec le travail effectué. Le vérificateur peut attester que la déclaration établie en application de 3.3.16/5, § 1er, est satisfaisante si, selon lui, les émissions totales déclarées ne sont pas matériellement inexactes.
Compétences minimales exigées du vérificateur
12. Le vérificateur est indépendant de l'entité réglementée, exerce ses activités avec un professionnalisme sérieux et objectif, et a une bonne connaissance:
a) des dispositions applicables au système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre pour le secteur du bâtiment, le secteur du transport routier et d'autres secteurs, ainsi que des normes et des lignes directrices pertinentes arrêtées par la Commission européenne;
b) des exigences législatives, réglementaires et administratives applicables aux activités soumises à la vérification; et
c) de l'élaboration de toutes les informations relatives à tous les moyens par lesquels les carburants sont mis à la consommation par l'entité réglementée, notamment aux stades de la collecte, de la mesure, du calcul et de la déclaration des données.]1
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen
TITRE 1er. - Dispositions modificatives
Art. 4.1.1. § 1. In artikel 10 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen wordt punt 5° " indien het project onderworpen is aan de bepalingen van de ordonnantie betreffende de energieprestatie en het binnenklimaat van gebouwen, een exemplaar van het EPB-voorstel " opgeheven.
CHAPITRE 1er. - Modifications de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu
Art. 4.1.1. § 1er. A l'article 10 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, le point 5° " en cas de projet soumis aux dispositions de l'ordonnance relative à la performance énergétique et au climat intérieur des bâtiments, un exemplaire de la proposition PEB " est abrogé.
Art. 4.1.1. § 1. In artikel 10 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen wordt punt 5° " indien het project onderworpen is aan de bepalingen van de ordonnantie betreffende de energieprestatie en het binnenklimaat van gebouwen, een exemplaar van het EPB-voorstel " opgeheven.
§ 2. In artikel 18, § 2, 3° van dezelfde ordonnantie worden de woorden " en de elementen van het EPB-voorstel " opgeheven.
§ 3. In artikel 37, 4° worden de woorden " en het EPB-voorstel, met inbegrip van de haalbaarheidsstudie, indien die vereist is " opgeheven.
§ 4. Aan dezelfde ordonnantie wordt een artikel 13bis alsook een artikel 13ter toegevoegd die als volgt luiden :
" Artikel 13bis. Parkeerplaatsen
Een milieucertificaat of -vergunning voor parkeerplaatsen bij een gebouw of deel van een gebouw mag slechts worden uitgereikt binnen de grens van het aantal plaatsen voortvloeiend uit de toepassing van artikelen 2.3.53 en 2.3.54 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing.
Art. 13ter. § 1. De houder van een lopende milieuvergunning op de dag van de inwerkingtreding van artikelen 2.3.53 en 2.3.54 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing die overtollige parkeerplaatsen in de zin van dat Wetboek toestaat kan, te allen tijde, volledig of gedeeltelijk afzien van het behoud van deze overtollige parkeerplaatsen.
Deze verzaking neemt de vorm aan, hetzij van een volledige of gedeeltelijke afschaffing van die plaatsen, of van een omzetting van alle of een deel van die plaatsen in parkeerplaatsen die exclusief ter beschikking gesteld worden van de buurtbewoners, via verhuur, verkoop of enig ander mechanisme dat hun een exclusief gebruiksrecht verleent, of een combinatie van beide, of van hun herbestemming voor de andere doeleinden beschreven in artikel 2.3.52, § 3, punt 4°, van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing.
De gevolgen van die verzaking zijn definitief en onherroepbaar.
De verzaking wordt betekend overeenkomstig artikel 7bis.
§ 2. Zolang hij niet heeft afgezien van de overtollige parkeerplaatsen, mag de houder van een milieuvergunning bedoeld in § 1 echter de verlenging ervan aanvragen mits behoud van alle toegestane of overtollige parkeerplaatsen op voorwaarde dat hij de belasting bedoeld in artikel 2.3.55 van het Brussels Wetboek van lucht, klimaat en energiebeheersing betaalt.
§ 3. Voor de installaties die gedekt zijn door een milieuvergunning bedoeld in § 1 kan de bevoegde overheid, bij het verstrijken van de vergunning en als de exploitant daarom verzoekt, een nieuwe milieuvergunning uitreiken die betrekking heeft op bestaande en voordien toegekende overtollige plaatsen, mits betaling van de belasting bedoeld in artikel 2.3.55 van het Brussels Wetboek van lucht, klimaat en energiebeheersing. In zover ze betrekking heeft op overtollige plaatsen in de zin van dit Wetboek, kan de Regering de duur van deze vergunning beperken vanaf de uitreiking ervan.
§ 4. De houders van vergunningen bedoeld in §§ 2 en 3 hiervoor mogen, naar aanleiding van hun vraag tot verlenging of aanvraag van een nieuwe milieuvergunning, de bepalingen van artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing inroepen.
In voorkomend geval zal de persoon die om de verlenging of de nieuwe milieuvergunning verzoekt, in zijn aanvraag, het aantal parkeerplaatsen opgeven dat opnieuw moet worden aangewend voor de functies bepaald in artikel 2.3.52, § 3, punt 3°, van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing.
In zover ze op toegestane parkeerplaatsen in toepassing van de voorgaande leden betrekking heeft, is de duur van de nieuwe vergunning niet beperkt in toepassing van § 3 van onderhavig artikel. ".
§ 5. Aan artikel 18, § 2, van dezelfde ordonnantie, zoals gewijzigd door de ordonnantie van 7 juni 2007, wordt het volgende punt toegevoegd :
" 5° in voorkomend geval, de vermelding van een afwijkingsaanvraag krachtens artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en energiebeheersing alsook van de redenen die tot staving ervan worden ingeroepen; ".
Punten 5°, 6° en 7° van deze bepaling worden respectievelijk punten 6°, 7° en 8°.
§ 6. Aan artikel 26, eerste lid van dezelfde ordonnantie, wordt het volgende punt toegevoegd :
" 7° in voorkomend geval, de gedetailleerde en nauwkeurige beschrijving en beoordeling van de redenen die een afwijking krachtens artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing rechtvaardigen; ".
Punten 7° en 8° van deze bepaling worden respectievelijk punten 8° en 9°.
§ 7. Artikel 37 van dezelfde ordonnantie wordt als volgt gewijzigd.
a) Aan het tweede lid wordt de volgende bepaling toegevoegd :
" 7° in voorkomend geval, de gedetailleerde en nauwkeurige beschrijving en beoordeling van de redenen die een afwijking krachtens artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing rechtvaardigen; ".
Punten 7° en 8° van deze bepaling worden respectievelijk punten 8° en 9°.
b) Er wordt een nieuw derde lid toegevoegd dat als volgt luidt : " Conform artikel 2.3.54, § 4, van het Brussels Wetboek voor Lucht, Klimaat en Energiebeheersing en als de aanvraag een afwijking behelst die verband houdt met meer dan tien bijkomende plaatsen, moet het in het vorige lid bedoelde effectenrapport worden opgemaakt door een daartoe erkende persoon. ".
Het huidige derde lid wordt het vierde lid.
§ 8. Aan artikel 48, § 1, van dezelfde ordonnantie wordt een nieuw tweede lid toegevoegd dat als volgt luidt :
" Indien de aanvraag een afwijking krachtens artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing behelst, bevat ze ook een effectenrapport opgemaakt door een daartoe erkende of geregistreerde persoon. Conform artikel 2.3.54, § 4, van het Brussels Wetboek voor Lucht, Klimaat en Energiebeheersing en als de aanvraag een afwijking behelst die verband houdt met meer dan tien bijkomende plaatsen, moet het effectenrapport worden opgesteld door een te dien einde geregistreerd of erkend persoon. Dat effectenrapport bevat een gedetailleerde en nauwkeurige beschrijving van de redenen die deze afwijking rechtvaardigen, van haar gevolgen voor het milieu en de mobiliteit en van de maatregelen om ze te vermijden, te verwijderen of te verminderen. ".
Het huidige tweede lid wordt het derde lid.
§ 9. Artikel 62 van dezelfde ordonnantie wordt als volgt gewijzigd.
§ 3, eerste lid, wordt als volgt aangevuld :
" 4° in voorkomend geval, een evaluatie opgemaakt door een daartoe erkende of geregistreerde persoon dat een gedetailleerde en nauwkeurige beschrijving bevat van de redenen die een afwijking krachtens artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing rechtvaardigen, van haar gevolgen voor het milieu en de mobiliteit en van de maatregelen om ze te vermijden, te verwijderen of te verminderen. Als de aanvraag een afwijking behelst die verband houdt met meer dan tien bijkomende plaatsen, moet de effectenevaluatie worden opgesteld door een te dien einde geregistreerd of erkend persoon. ".
De tweede zin van § 6, eerste lid, wordt als volgt aangevuld : " en zich, in voorkomend geval, uitspreken over de rechtvaardiging van het aantal parkeerplaatsen toegestaan in toepassing van artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing in afwijking van artikelen 2.3.53 en 2.3.54, §§ 1 tot 3 van datzelfde Wetboek. ".
§ 6 wordt aangevuld met een nieuw tweede lid dat als volgt luidt : " Onverminderd artikel 13ter, § 2 weigert de bevoegde overheid deels de verlenging voor het gedeelte van de milieuvergunning dat betrekking heeft op overtollige parkeerplaatsen in de zin van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing. ".
De tweede zin van § 6, tweede lid (nieuw derde lid) wordt als volgt aangevuld :
" In zover ze verband houdt met het gedeelte van de milieuvergunning dat betrekking heeft op parkeerplaatsen die de normen vastgelegd in artikelen 2.3.53 en 2.3.54, §§ 1 tot 3 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing overschrijden, wordt de vergunning verlengd volgens de voorwaarden die in de verlengingsaanvraag zijn vermeld, onverminderd artikel 13ter, § 2. ".
§ 2. In artikel 18, § 2, 3° van dezelfde ordonnantie worden de woorden " en de elementen van het EPB-voorstel " opgeheven.
§ 3. In artikel 37, 4° worden de woorden " en het EPB-voorstel, met inbegrip van de haalbaarheidsstudie, indien die vereist is " opgeheven.
§ 4. Aan dezelfde ordonnantie wordt een artikel 13bis alsook een artikel 13ter toegevoegd die als volgt luiden :
" Artikel 13bis. Parkeerplaatsen
Een milieucertificaat of -vergunning voor parkeerplaatsen bij een gebouw of deel van een gebouw mag slechts worden uitgereikt binnen de grens van het aantal plaatsen voortvloeiend uit de toepassing van artikelen 2.3.53 en 2.3.54 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing.
Art. 13ter. § 1. De houder van een lopende milieuvergunning op de dag van de inwerkingtreding van artikelen 2.3.53 en 2.3.54 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing die overtollige parkeerplaatsen in de zin van dat Wetboek toestaat kan, te allen tijde, volledig of gedeeltelijk afzien van het behoud van deze overtollige parkeerplaatsen.
Deze verzaking neemt de vorm aan, hetzij van een volledige of gedeeltelijke afschaffing van die plaatsen, of van een omzetting van alle of een deel van die plaatsen in parkeerplaatsen die exclusief ter beschikking gesteld worden van de buurtbewoners, via verhuur, verkoop of enig ander mechanisme dat hun een exclusief gebruiksrecht verleent, of een combinatie van beide, of van hun herbestemming voor de andere doeleinden beschreven in artikel 2.3.52, § 3, punt 4°, van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing.
De gevolgen van die verzaking zijn definitief en onherroepbaar.
De verzaking wordt betekend overeenkomstig artikel 7bis.
§ 2. Zolang hij niet heeft afgezien van de overtollige parkeerplaatsen, mag de houder van een milieuvergunning bedoeld in § 1 echter de verlenging ervan aanvragen mits behoud van alle toegestane of overtollige parkeerplaatsen op voorwaarde dat hij de belasting bedoeld in artikel 2.3.55 van het Brussels Wetboek van lucht, klimaat en energiebeheersing betaalt.
§ 3. Voor de installaties die gedekt zijn door een milieuvergunning bedoeld in § 1 kan de bevoegde overheid, bij het verstrijken van de vergunning en als de exploitant daarom verzoekt, een nieuwe milieuvergunning uitreiken die betrekking heeft op bestaande en voordien toegekende overtollige plaatsen, mits betaling van de belasting bedoeld in artikel 2.3.55 van het Brussels Wetboek van lucht, klimaat en energiebeheersing. In zover ze betrekking heeft op overtollige plaatsen in de zin van dit Wetboek, kan de Regering de duur van deze vergunning beperken vanaf de uitreiking ervan.
§ 4. De houders van vergunningen bedoeld in §§ 2 en 3 hiervoor mogen, naar aanleiding van hun vraag tot verlenging of aanvraag van een nieuwe milieuvergunning, de bepalingen van artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing inroepen.
In voorkomend geval zal de persoon die om de verlenging of de nieuwe milieuvergunning verzoekt, in zijn aanvraag, het aantal parkeerplaatsen opgeven dat opnieuw moet worden aangewend voor de functies bepaald in artikel 2.3.52, § 3, punt 3°, van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing.
In zover ze op toegestane parkeerplaatsen in toepassing van de voorgaande leden betrekking heeft, is de duur van de nieuwe vergunning niet beperkt in toepassing van § 3 van onderhavig artikel. ".
§ 5. Aan artikel 18, § 2, van dezelfde ordonnantie, zoals gewijzigd door de ordonnantie van 7 juni 2007, wordt het volgende punt toegevoegd :
" 5° in voorkomend geval, de vermelding van een afwijkingsaanvraag krachtens artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en energiebeheersing alsook van de redenen die tot staving ervan worden ingeroepen; ".
Punten 5°, 6° en 7° van deze bepaling worden respectievelijk punten 6°, 7° en 8°.
§ 6. Aan artikel 26, eerste lid van dezelfde ordonnantie, wordt het volgende punt toegevoegd :
" 7° in voorkomend geval, de gedetailleerde en nauwkeurige beschrijving en beoordeling van de redenen die een afwijking krachtens artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing rechtvaardigen; ".
Punten 7° en 8° van deze bepaling worden respectievelijk punten 8° en 9°.
§ 7. Artikel 37 van dezelfde ordonnantie wordt als volgt gewijzigd.
a) Aan het tweede lid wordt de volgende bepaling toegevoegd :
" 7° in voorkomend geval, de gedetailleerde en nauwkeurige beschrijving en beoordeling van de redenen die een afwijking krachtens artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing rechtvaardigen; ".
Punten 7° en 8° van deze bepaling worden respectievelijk punten 8° en 9°.
b) Er wordt een nieuw derde lid toegevoegd dat als volgt luidt : " Conform artikel 2.3.54, § 4, van het Brussels Wetboek voor Lucht, Klimaat en Energiebeheersing en als de aanvraag een afwijking behelst die verband houdt met meer dan tien bijkomende plaatsen, moet het in het vorige lid bedoelde effectenrapport worden opgemaakt door een daartoe erkende persoon. ".
Het huidige derde lid wordt het vierde lid.
§ 8. Aan artikel 48, § 1, van dezelfde ordonnantie wordt een nieuw tweede lid toegevoegd dat als volgt luidt :
" Indien de aanvraag een afwijking krachtens artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing behelst, bevat ze ook een effectenrapport opgemaakt door een daartoe erkende of geregistreerde persoon. Conform artikel 2.3.54, § 4, van het Brussels Wetboek voor Lucht, Klimaat en Energiebeheersing en als de aanvraag een afwijking behelst die verband houdt met meer dan tien bijkomende plaatsen, moet het effectenrapport worden opgesteld door een te dien einde geregistreerd of erkend persoon. Dat effectenrapport bevat een gedetailleerde en nauwkeurige beschrijving van de redenen die deze afwijking rechtvaardigen, van haar gevolgen voor het milieu en de mobiliteit en van de maatregelen om ze te vermijden, te verwijderen of te verminderen. ".
Het huidige tweede lid wordt het derde lid.
§ 9. Artikel 62 van dezelfde ordonnantie wordt als volgt gewijzigd.
§ 3, eerste lid, wordt als volgt aangevuld :
" 4° in voorkomend geval, een evaluatie opgemaakt door een daartoe erkende of geregistreerde persoon dat een gedetailleerde en nauwkeurige beschrijving bevat van de redenen die een afwijking krachtens artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing rechtvaardigen, van haar gevolgen voor het milieu en de mobiliteit en van de maatregelen om ze te vermijden, te verwijderen of te verminderen. Als de aanvraag een afwijking behelst die verband houdt met meer dan tien bijkomende plaatsen, moet de effectenevaluatie worden opgesteld door een te dien einde geregistreerd of erkend persoon. ".
De tweede zin van § 6, eerste lid, wordt als volgt aangevuld : " en zich, in voorkomend geval, uitspreken over de rechtvaardiging van het aantal parkeerplaatsen toegestaan in toepassing van artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing in afwijking van artikelen 2.3.53 en 2.3.54, §§ 1 tot 3 van datzelfde Wetboek. ".
§ 6 wordt aangevuld met een nieuw tweede lid dat als volgt luidt : " Onverminderd artikel 13ter, § 2 weigert de bevoegde overheid deels de verlenging voor het gedeelte van de milieuvergunning dat betrekking heeft op overtollige parkeerplaatsen in de zin van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing. ".
De tweede zin van § 6, tweede lid (nieuw derde lid) wordt als volgt aangevuld :
" In zover ze verband houdt met het gedeelte van de milieuvergunning dat betrekking heeft op parkeerplaatsen die de normen vastgelegd in artikelen 2.3.53 en 2.3.54, §§ 1 tot 3 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing overschrijden, wordt de vergunning verlengd volgens de voorwaarden die in de verlengingsaanvraag zijn vermeld, onverminderd artikel 13ter, § 2. ".
Art. 4.1.1. § 1er. A l'article 10 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, le point 5° " en cas de projet soumis aux dispositions de l'ordonnance relative à la performance énergétique et au climat intérieur des bâtiments, un exemplaire de la proposition PEB " est abrogé.
§ 2. A l'article 18, § 2, 3°, de la même ordonnance, les mots " et les éléments de la proposition PEB " sont abrogés.
§ 3. A l'article 37, 4°, de la même ordonnance, les mots " et la proposition PEB, en ce compris l'étude de faisabilité, si elle est requise " sont abrogés.
§ 4. Dans la même ordonnance, il est inséré un article 13bis, ainsi qu'un article 13ter rédigés comme suit :
" Article 13bis. - Emplacements de parcage
Un permis ou un certificat d'environnement portant sur des emplacements de parcage accessoires à un immeuble ou à une partie d'immeuble ne pourra être délivré que dans la limite du nombre d'emplacements résultant de l'application des articles 2.3.53 et 2.3.54 du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'énergie.
Art. 13ter. § 1er. Le titulaire d'un permis d'environnement en cours au jour de l'entrée en vigueur des articles 2.3.53 et 2.3.54 du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'énergie autorisant des emplacements de parcage excédentaires au sens de ce Code, peut, à tout moment, renoncer en tout ou en partie au maintien de ces emplacements de parcage excédentaires.
Cette renonciation prend la forme soit d'une suppression totale ou partielle de ces emplacements, soit d'une conversion de tout ou partie de ces emplacements en places de parkings mises à disposition exclusive des riverains, par voie de location, de vente ou de tout autre mécanisme conférant à ceux-ci un droit d'utilisation exclusive, soit d'une combinaison de ces deux procédés, soit de leur réaffectation aux autres fins décrites à l'article 2.3.52, § 3, point 4°, du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'Energie.
Les effets de cette renonciation sont définitifs et irrévocables.
La renonciation est notifiée conformément à l'article 7bis.
§ 2. Tant qu'il n'a pas renoncé aux emplacements de parcage excédentaires, le titulaire d'un permis d'environnement visé au paragraphe 1er peut cependant en demander la prolongation en conservant l'ensemble de ces emplacements de parcage, même excédentaires, moyennant le paiement de la charge visée à l'article 2.3.55 du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'énergie.
§ 3. Pour les installations couvertes par un permis d'environnement visé au § 1er, l'autorité compétente peut délivrer, à l'expiration du permis et de sa prolongation et si l'exploitant en fait la demande, un nouveau permis d'environnement portant sur des emplacements de parcage excédentaires existants et précédemment autorisés, moyennant le paiement de la charge visée à l'article 2.3.55 du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'énergie. Le Gouvernement peut limiter la durée de ce permis à dater de sa délivrance en tant qu'il vise des emplacements de parcage excédentaires au sens de ce Code.
§ 4. Les titulaires de permis visés aux paragraphes 2 et 3 sont admis, à l'occasion de leur demande de prolongation ou de demande d'un nouveau permis d'environnement, à invoquer les dispositions de l'article 2.3.54, § 4 du Code bruxellois de l'air, du climat et de la maîtrise de l'énergie.
Le cas échéant, la personne qui sollicite la prolongation ou le nouveau permis d'environnement déterminera, dans sa demande, le nombre d'emplacements de parcage devant être réaffectés aux fonctions déterminées à l'article 2.3.52, § 3, point 3°, du Code bruxellois de l'air, du climat et de la maîtrise de l'énergie.
En tant qu'il porte sur des emplacements de parcage autorisés par application des alinéas qui précèdent, la durée du nouveau permis n'est pas limitée en application du paragraphe 3 du présent article. ".
§ 5. A l'article 18, § 2, de la même ordonnance, tel que modifié par l'ordonnance du 7 juin 2007, est inséré le point suivant :
" 5° le cas échéant, la mention d'une demande de dérogation en vertu de l'article 2.3.54, § 4, du Code bruxellois de l'air, du climat et de la maîtrise de l'énergie, ainsi que des raisons invoquées à l'appui de celle-ci; ".
Les points 5°, 6° et 7° de cette disposition deviennent respectivement les points 6°, 7° et 8°.
§ 6. A l'article 26, alinéa 1er, de la même ordonnance, est inséré le point suivant :
" 7° le cas échéant, la description et l'évaluation détaillées et précises des raisons justifiant une dérogation en vertu de l'article 2.3.54, § 4, du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'énergie; ".
Les points 7° et 8° de cette disposition deviennent respectivement les points 8° et 9°.
§ 7. L'article 37 de la même ordonnance est modifié comme suit :
a) A l'alinéa 2 est insérée la disposition suivante :
" 7° le cas échéant, la description et l'évaluation détaillées et précises des raisons justifiant une dérogation en vertu de l'article 2.3.54, § 4, du Code bruxellois de l'air, du climat et de la maîtrise de l'énergie; ".
Les points 7° et 8° de cette disposition deviennent respectivement les points 8° et 9°.
b) Il est inséré un nouvel alinéa 3, rédigé comme suit : " Conformément à l'article 2.3.54, § 4, du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'Energie, si la demande implique une dérogation qui concerne plus de dix emplacements supplémentaires, le rapport d'incidences visé à l'alinéa précédent doit être établi par une personne agréée à cet effet. ".
L'actuel alinéa 3 devient l'alinéa 4.
§ 8. Dans l'article 48, § 1er, de la même ordonnance est inséré un nouvel alinéa 2 rédigé comme suit :
" Si la demande implique une dérogation en vertu de l'article 2.3.54, § 4, du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'Energie, elle contient également un rapport d'incidences établi par une personne enregistrée ou agréée à cet effet. Conformément à l'article 2.3.54, § 4, du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'Energie, si la demande implique une dérogation qui concerne plus de dix emplacements supplémentaires, le rapport d'incidences doit être établi par une personne enregistrée ou agréée à cet effet. Ce rapport d'incidences comporte une description et une évaluation détaillées et précises des raisons justifiant cette dérogation, de ses incidences sur l'environnement et la mobilité et ainsi que des mesures visant à éviter, supprimer ou réduire celles-ci. ".
L'actuel alinéa 2 devient l'alinéa 3.
§ 9. L'article 62 de la même ordonnance est modifié comme suit.
Le paragraphe 3, alinéa 1er, est complété comme suit :
" 4° le cas échéant, une évaluation, établie par une personne enregistrée ou agréée à cet effet, comportant une description et une évaluation détaillées et précises des raisons justifiant une dérogation en vertu de l'article 2.3.54, § 4, du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'Energie, de ses incidences sur l'environnement et la mobilité ainsi que des mesures visant à éviter, supprimer ou réduire celles-ci. Si la demande implique une dérogation qui concerne plus de dix emplacements supplémentaires, l'évaluation des incidences est établie par une personne enregistrée ou agréée à cet effet. ".
La seconde phrase du paragraphe 6, alinéa 1er, est complétée comme suit : ", et statue le cas échéant sur la justification du nombre d'emplacements de parcage autorisé en application de l'article 2.3.54, § 4 du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'Energie, en dérogation aux articles 2.3.53 et 2.3.54, §§ 1er à 3 du même Code. ".
Un nouvel alinéa 2, rédigé comme suit, est ajouté au paragraphe 6 : " Sans préjudice de l'article 13ter, § 2, l'autorité compétente refuse partiellement la prolongation pour la partie du permis d'environnement qui concerne des emplacements de parcage excédentaires au sens du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'énergie. ".
La seconde phrase du paragraphe 6, alinéa 2 (devenu alinéa 3), est complétée comme suit :
" Toutefois, en tant qu'elle porte sur la partie du permis d'environnement qui concerne des emplacements de parcage excédant les normes fixées par les articles 2.3.53 et 2.3.54, §§ 1er à 3, du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'énergie, le permis est prolongé aux conditions contenues dans la demande de prolongation, sans préjudice de l'article 13ter, § 2. ".
§ 2. A l'article 18, § 2, 3°, de la même ordonnance, les mots " et les éléments de la proposition PEB " sont abrogés.
§ 3. A l'article 37, 4°, de la même ordonnance, les mots " et la proposition PEB, en ce compris l'étude de faisabilité, si elle est requise " sont abrogés.
§ 4. Dans la même ordonnance, il est inséré un article 13bis, ainsi qu'un article 13ter rédigés comme suit :
" Article 13bis. - Emplacements de parcage
Un permis ou un certificat d'environnement portant sur des emplacements de parcage accessoires à un immeuble ou à une partie d'immeuble ne pourra être délivré que dans la limite du nombre d'emplacements résultant de l'application des articles 2.3.53 et 2.3.54 du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'énergie.
Art. 13ter. § 1er. Le titulaire d'un permis d'environnement en cours au jour de l'entrée en vigueur des articles 2.3.53 et 2.3.54 du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'énergie autorisant des emplacements de parcage excédentaires au sens de ce Code, peut, à tout moment, renoncer en tout ou en partie au maintien de ces emplacements de parcage excédentaires.
Cette renonciation prend la forme soit d'une suppression totale ou partielle de ces emplacements, soit d'une conversion de tout ou partie de ces emplacements en places de parkings mises à disposition exclusive des riverains, par voie de location, de vente ou de tout autre mécanisme conférant à ceux-ci un droit d'utilisation exclusive, soit d'une combinaison de ces deux procédés, soit de leur réaffectation aux autres fins décrites à l'article 2.3.52, § 3, point 4°, du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'Energie.
Les effets de cette renonciation sont définitifs et irrévocables.
La renonciation est notifiée conformément à l'article 7bis.
§ 2. Tant qu'il n'a pas renoncé aux emplacements de parcage excédentaires, le titulaire d'un permis d'environnement visé au paragraphe 1er peut cependant en demander la prolongation en conservant l'ensemble de ces emplacements de parcage, même excédentaires, moyennant le paiement de la charge visée à l'article 2.3.55 du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'énergie.
§ 3. Pour les installations couvertes par un permis d'environnement visé au § 1er, l'autorité compétente peut délivrer, à l'expiration du permis et de sa prolongation et si l'exploitant en fait la demande, un nouveau permis d'environnement portant sur des emplacements de parcage excédentaires existants et précédemment autorisés, moyennant le paiement de la charge visée à l'article 2.3.55 du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'énergie. Le Gouvernement peut limiter la durée de ce permis à dater de sa délivrance en tant qu'il vise des emplacements de parcage excédentaires au sens de ce Code.
§ 4. Les titulaires de permis visés aux paragraphes 2 et 3 sont admis, à l'occasion de leur demande de prolongation ou de demande d'un nouveau permis d'environnement, à invoquer les dispositions de l'article 2.3.54, § 4 du Code bruxellois de l'air, du climat et de la maîtrise de l'énergie.
Le cas échéant, la personne qui sollicite la prolongation ou le nouveau permis d'environnement déterminera, dans sa demande, le nombre d'emplacements de parcage devant être réaffectés aux fonctions déterminées à l'article 2.3.52, § 3, point 3°, du Code bruxellois de l'air, du climat et de la maîtrise de l'énergie.
En tant qu'il porte sur des emplacements de parcage autorisés par application des alinéas qui précèdent, la durée du nouveau permis n'est pas limitée en application du paragraphe 3 du présent article. ".
§ 5. A l'article 18, § 2, de la même ordonnance, tel que modifié par l'ordonnance du 7 juin 2007, est inséré le point suivant :
" 5° le cas échéant, la mention d'une demande de dérogation en vertu de l'article 2.3.54, § 4, du Code bruxellois de l'air, du climat et de la maîtrise de l'énergie, ainsi que des raisons invoquées à l'appui de celle-ci; ".
Les points 5°, 6° et 7° de cette disposition deviennent respectivement les points 6°, 7° et 8°.
§ 6. A l'article 26, alinéa 1er, de la même ordonnance, est inséré le point suivant :
" 7° le cas échéant, la description et l'évaluation détaillées et précises des raisons justifiant une dérogation en vertu de l'article 2.3.54, § 4, du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'énergie; ".
Les points 7° et 8° de cette disposition deviennent respectivement les points 8° et 9°.
§ 7. L'article 37 de la même ordonnance est modifié comme suit :
a) A l'alinéa 2 est insérée la disposition suivante :
" 7° le cas échéant, la description et l'évaluation détaillées et précises des raisons justifiant une dérogation en vertu de l'article 2.3.54, § 4, du Code bruxellois de l'air, du climat et de la maîtrise de l'énergie; ".
Les points 7° et 8° de cette disposition deviennent respectivement les points 8° et 9°.
b) Il est inséré un nouvel alinéa 3, rédigé comme suit : " Conformément à l'article 2.3.54, § 4, du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'Energie, si la demande implique une dérogation qui concerne plus de dix emplacements supplémentaires, le rapport d'incidences visé à l'alinéa précédent doit être établi par une personne agréée à cet effet. ".
L'actuel alinéa 3 devient l'alinéa 4.
§ 8. Dans l'article 48, § 1er, de la même ordonnance est inséré un nouvel alinéa 2 rédigé comme suit :
" Si la demande implique une dérogation en vertu de l'article 2.3.54, § 4, du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'Energie, elle contient également un rapport d'incidences établi par une personne enregistrée ou agréée à cet effet. Conformément à l'article 2.3.54, § 4, du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'Energie, si la demande implique une dérogation qui concerne plus de dix emplacements supplémentaires, le rapport d'incidences doit être établi par une personne enregistrée ou agréée à cet effet. Ce rapport d'incidences comporte une description et une évaluation détaillées et précises des raisons justifiant cette dérogation, de ses incidences sur l'environnement et la mobilité et ainsi que des mesures visant à éviter, supprimer ou réduire celles-ci. ".
L'actuel alinéa 2 devient l'alinéa 3.
§ 9. L'article 62 de la même ordonnance est modifié comme suit.
Le paragraphe 3, alinéa 1er, est complété comme suit :
" 4° le cas échéant, une évaluation, établie par une personne enregistrée ou agréée à cet effet, comportant une description et une évaluation détaillées et précises des raisons justifiant une dérogation en vertu de l'article 2.3.54, § 4, du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'Energie, de ses incidences sur l'environnement et la mobilité ainsi que des mesures visant à éviter, supprimer ou réduire celles-ci. Si la demande implique une dérogation qui concerne plus de dix emplacements supplémentaires, l'évaluation des incidences est établie par une personne enregistrée ou agréée à cet effet. ".
La seconde phrase du paragraphe 6, alinéa 1er, est complétée comme suit : ", et statue le cas échéant sur la justification du nombre d'emplacements de parcage autorisé en application de l'article 2.3.54, § 4 du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'Energie, en dérogation aux articles 2.3.53 et 2.3.54, §§ 1er à 3 du même Code. ".
Un nouvel alinéa 2, rédigé comme suit, est ajouté au paragraphe 6 : " Sans préjudice de l'article 13ter, § 2, l'autorité compétente refuse partiellement la prolongation pour la partie du permis d'environnement qui concerne des emplacements de parcage excédentaires au sens du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'énergie. ".
La seconde phrase du paragraphe 6, alinéa 2 (devenu alinéa 3), est complétée comme suit :
" Toutefois, en tant qu'elle porte sur la partie du permis d'environnement qui concerne des emplacements de parcage excédant les normes fixées par les articles 2.3.53 et 2.3.54, §§ 1er à 3, du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'énergie, le permis est prolongé aux conditions contenues dans la demande de prolongation, sans préjudice de l'article 13ter, § 2. ".
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu
Art. 4.1.2.§ 1er. A l'article 2 de l'ordonnance du 25 mars 1999 relative à la recherche, la constatation, la poursuite et la répression des infractions en matière d'environnement, sont apportées les modifications suivantes :
Art. 4.1.2. § 1. In artikel 2 van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 4° wordt als volgt vervangen : " 4° het Brussels Wetboek van lucht, klimaat en energiebeheersing ";
2° punt 19° wordt opgeheven;
3° punt 20° wordt opgeheven;
4° punten 21°, 22°, 23°, 24°, 25°, 26°, 27°, 28° en 29° worden respectievelijk punten 19°, 20°, 21°, 22°, 23°, 24°, 25°, 26° en 27°.
§ 2. In artikel 4 van dezelfde ordonnantie worden de woorden " en van hoofdstuk 1 van titel 2 van boek 2 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing " toegevoegd na de woorden " de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de grondwateren ".
§ 3. In artikel 32, 1°, van dezelfde ordonnantie worden de woorden " de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de beoordeling en de verbetering van de luchtkwaliteit " vervangen door de woorden " het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing ".
§ 4. Artikel 32, 13°, van dezelfde ordonnantie wordt vervangen als volgt :
" 13° in de zin van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing, hij die :
a) als aangever nalaat de wijziging te betekenen van de aangever, EPB-adviseur of architect overeenkomstig de voorschriften van artikel 2.2.9 § 2;
b) als architect de verplichtingen waarin artikel 2.2.10 voorziet of die vastgelegd werden door de Regering krachtens artikel 2.2.10 niet nakomt;
c) als aangever de verplichtingen opgelegd door artikel 2.2.9, § 4 en artikel 2.2.10, § 6 niet nakomt. ".
§ 5. Artikel 33, 14°, van dezelfde ordonnantie wordt als volgt vervangen :
" 14° in de zin van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing, hij die :
a) als aangever nalaat een EPB-adviseur aan te wijzen overeenkomstig het voorschrift van artikel 2.2.9, § 1;
b) als aangever de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden niet bezorgt overeenkomstig de voorschriften van artikel 2.2.8;
c) als architect of aangever respectievelijk het rekenbestand of de EPB-aangifte niet bezorgt in de vormen en binnen de termijnen voorzien in artikel 2.2.11;
d) als de persoon die de verplichtingen volgens de voorwaarden vastgesteld door de Regering krachtens artikel 2.2.17 niet naleeft;
e) zijnde onderworpen aan de erkenning bedoeld in artikel 2.5.1. zonder erkenning werkt;
f) zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.2.14, § 1, 1° deze niet naleeft;
g) zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.2.14, § 1, 2° deze niet naleeft;
h) zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.2.14, § 1, 3° deze niet naleeft;
i) zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.2.14, § 2 deze niet naleeft;
j) als aangever of architect een EPB-aangifte opmaakt die niet beantwoordt aan de werkelijkheid;
k) als aangever de EPB-adviseur of het kwaliteitscontroleorganisme ertoe belet zijn recht tot vrije toegang tot de werf uit te oefenen overeenkomstig artikelen 2.2.9, § 3 en 2.5.4;
l) als aanvrager de geïntegreerde haalbaarheidsstudie niet aan [1 Leefmilieu Brussel]1 bezorgt overeenkomstig artikel 2.2.7, § 2, tweede lid.
§ 6. In artikel 33 van dezelfde ordonnantie wordt een nieuw punt 21° toegevoegd dat luidt als volgt :
" 21° in de zin van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing, hij die :
a) het orgaan dat nalaat een PLAGE-coördinator aan te stellen na afloop van het eerste jaar van de uitvoering van het PLAGE overeenkomstig artikel 2.2.23, § 1 van onderhavig Wetboek of de maatregelen genomen krachtens artikel 2.2.23, § 1;
b) het orgaan dat nalaat het actieprogramma mee te delen overeenkomstig artikel 2.2.23, § 3 of de maatregelen genomen krachtens artikel 2.2.23, § 2;
c) het orgaan dat nalaat de verslagen van de PLAGE-revisor over te maken overeenkomstig artikel 2.2.23, § 4 of de maatregelen genomen krachtens artikel 2.2.23, § 4;
d) de PLAGE-revisor die een verslag overmaakt dat niet strookt met de kwaliteitscriteria vastgelegd in toepassing van artikel 2.2.23, § 7. ".
§ 7. In artikel 33 van dezelfde ordonnantie wordt een nieuw punt 22° toegevoegd dat luidt als volgt :
" 22° in de zin van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing, de sitebeheerder of, in het geval bedoeld in artikel 2.3.37, § 1, van dat Wetboek, de sitegebruiker die weigert om de in artikel 2.3.39 van dat wetboek bedoelde overeenkomst op te stellen. ".
1° punt 4° wordt als volgt vervangen : " 4° het Brussels Wetboek van lucht, klimaat en energiebeheersing ";
2° punt 19° wordt opgeheven;
3° punt 20° wordt opgeheven;
4° punten 21°, 22°, 23°, 24°, 25°, 26°, 27°, 28° en 29° worden respectievelijk punten 19°, 20°, 21°, 22°, 23°, 24°, 25°, 26° en 27°.
§ 2. In artikel 4 van dezelfde ordonnantie worden de woorden " en van hoofdstuk 1 van titel 2 van boek 2 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing " toegevoegd na de woorden " de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de grondwateren ".
§ 3. In artikel 32, 1°, van dezelfde ordonnantie worden de woorden " de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de beoordeling en de verbetering van de luchtkwaliteit " vervangen door de woorden " het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing ".
§ 4. Artikel 32, 13°, van dezelfde ordonnantie wordt vervangen als volgt :
" 13° in de zin van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing, hij die :
a) als aangever nalaat de wijziging te betekenen van de aangever, EPB-adviseur of architect overeenkomstig de voorschriften van artikel 2.2.9 § 2;
b) als architect de verplichtingen waarin artikel 2.2.10 voorziet of die vastgelegd werden door de Regering krachtens artikel 2.2.10 niet nakomt;
c) als aangever de verplichtingen opgelegd door artikel 2.2.9, § 4 en artikel 2.2.10, § 6 niet nakomt. ".
§ 5. Artikel 33, 14°, van dezelfde ordonnantie wordt als volgt vervangen :
" 14° in de zin van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing, hij die :
a) als aangever nalaat een EPB-adviseur aan te wijzen overeenkomstig het voorschrift van artikel 2.2.9, § 1;
b) als aangever de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden niet bezorgt overeenkomstig de voorschriften van artikel 2.2.8;
c) als architect of aangever respectievelijk het rekenbestand of de EPB-aangifte niet bezorgt in de vormen en binnen de termijnen voorzien in artikel 2.2.11;
d) als de persoon die de verplichtingen volgens de voorwaarden vastgesteld door de Regering krachtens artikel 2.2.17 niet naleeft;
e) zijnde onderworpen aan de erkenning bedoeld in artikel 2.5.1. zonder erkenning werkt;
f) zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.2.14, § 1, 1° deze niet naleeft;
g) zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.2.14, § 1, 2° deze niet naleeft;
h) zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.2.14, § 1, 3° deze niet naleeft;
i) zijnde onderworpen aan de verplichting opgelegd in artikel 2.2.14, § 2 deze niet naleeft;
j) als aangever of architect een EPB-aangifte opmaakt die niet beantwoordt aan de werkelijkheid;
k) als aangever de EPB-adviseur of het kwaliteitscontroleorganisme ertoe belet zijn recht tot vrije toegang tot de werf uit te oefenen overeenkomstig artikelen 2.2.9, § 3 en 2.5.4;
l) als aanvrager de geïntegreerde haalbaarheidsstudie niet aan [1 Leefmilieu Brussel]1 bezorgt overeenkomstig artikel 2.2.7, § 2, tweede lid.
§ 6. In artikel 33 van dezelfde ordonnantie wordt een nieuw punt 21° toegevoegd dat luidt als volgt :
" 21° in de zin van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing, hij die :
a) het orgaan dat nalaat een PLAGE-coördinator aan te stellen na afloop van het eerste jaar van de uitvoering van het PLAGE overeenkomstig artikel 2.2.23, § 1 van onderhavig Wetboek of de maatregelen genomen krachtens artikel 2.2.23, § 1;
b) het orgaan dat nalaat het actieprogramma mee te delen overeenkomstig artikel 2.2.23, § 3 of de maatregelen genomen krachtens artikel 2.2.23, § 2;
c) het orgaan dat nalaat de verslagen van de PLAGE-revisor over te maken overeenkomstig artikel 2.2.23, § 4 of de maatregelen genomen krachtens artikel 2.2.23, § 4;
d) de PLAGE-revisor die een verslag overmaakt dat niet strookt met de kwaliteitscriteria vastgelegd in toepassing van artikel 2.2.23, § 7. ".
§ 7. In artikel 33 van dezelfde ordonnantie wordt een nieuw punt 22° toegevoegd dat luidt als volgt :
" 22° in de zin van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing, de sitebeheerder of, in het geval bedoeld in artikel 2.3.37, § 1, van dat Wetboek, de sitegebruiker die weigert om de in artikel 2.3.39 van dat wetboek bedoelde overeenkomst op te stellen. ".
Art. 4.1.2. § 1er. A l'article 2 de l'ordonnance du 25 mars 1999 relative à la recherche, la constatation, la poursuite et la répression des infractions en matière d'environnement, sont apportées les modifications suivantes :
1° le point 4° est remplacé par ce qui suit : " 4° le Code bruxellois de l'air, du climat et de la maîtrise de l'énergie ";
2° le point 19° est abrogé;
3° le point 20° est abrogé;
4° les points 21°, 22°, 23°, 24°, 25°, 26°, 27°, 28° et 29° deviennent respectivement les points 19°, 20°, 21°, 22°, 23°, 24°, 25°, 26° et 27°.
§ 2. A l'article 4 de la même ordonnance, les mots " et du chapitre 1er du titre 2 du livre 2 du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'Energie " sont insérés après les mots " la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux souterraines ".
§ 3. A l'article 32, 1°, de la même ordonnance, les mots " de l'ordonnance du 25 mars 1999 relative à l'évaluation et l'amélioration de la qualité de l'air ambiant " sont remplacés par les termes " du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'énergie ".
§ 4. L'article 32, 13°, de la même ordonnance est remplacé par ce qui suit :
" 13° au sens du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'énergie, celui qui :
a) étant déclarant, omet de notifier le changement de déclarant, de conseiller PEB ou de l'architecte chargé du contrôle de l'exécution des travaux conformément au prescrit de l'article 2.2.9, § 2;
b) étant architecte, ne respecte pas les obligations imposées par l'article 2.2.10 ou arrêtées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.10;
c) étant déclarant, ne respecte pas les obligations imposées par l'article 2.2.9, § 4 et l'article 2.2.10, § 6. ".
§ 5. L'article 33, 14°, de la même ordonnance est remplacé par ce qui suit :
" 14° au sens du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de maîtrise de l'énergie :
a) étant déclarant, omet de désigner un conseiller PEB conformément au prescrit de l'article 2.2.9, § 1er;
b) étant déclarant, ne transmet pas la notification de début des travaux conformément au prescrit de l'article 2.2.8;
c) étant architecte ou déclarant, ne notifie pas respectivement le fichier de calcul ou la déclaration PEB dans les formes et délais prévus à l'article 2.2.11;
d) étant la personne à qui il incombe de respecter les obligations dans les conditions arrêtées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.17, ne les respecte pas;
e) étant la personne soumise à agrément visée à l'article 2.5.1, exerce sans être agréée;
f) étant soumis à l'obligation imposée à l'article 2.2.14, § 1er, 1°, ne la respecte pas;
g) étant soumis à l'obligation imposée à l'article 2.2.14, § 1er, 2°, ne la respecte pas;
h) étant soumis à l'obligation imposée à l'article 2.2.14, § 1er, 3°, ne la respecte pas;
i) étant soumis à l'obligation imposée à l'article 2.2.14, § 2, ne la respecte pas;
j) étant déclarant ou architecte, établit une déclaration PEB qui ne correspond pas à la réalité;
k) étant déclarant, empêche le conseiller PEB ou l'organisme de contrôle de qualité d'exercer son droit d'accès libre au chantier conformément respectivement aux articles 2.2.9, § 3 et 2.5.4;
l) étant demandeur, ne transmet pas l'étude de faisabilité intégrée à [1 Bruxelles Environnement]1 conformément à l'article 2.2.7, § 2, alinéa 2.
§ 6. A l'article 33 de la même ordonnance, il est inséré un nouveau point 21°, libellé comme suit :
" 21° au sens du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'énergie :
a) l'organisme qui omet de désigner un coordinateur PLAGE au terme de la première année de mise en oeuvre du PLAGE conformément à l'article 2.2.23, § 1er, ou aux dispositions prises en vertu de l'article 2.2.23, § 1er;
b) l'organisme qui omet de communiquer le programme d'actions conformément à l'article 2.2.23, § 3, ou aux dispositions prises en vertu de l'article 2.2.23, § 2;
c) l'organisme qui omet de communiquer les rapports du réviseur PLAGE conformément à l'article 2.2.23, § 4, ou aux dispositions prises en vertu de l'article 2.2.23, § 4;
d) le réviseur PLAGE qui remet un rapport non conforme aux critères de qualités déterminés en application de l'article 2.2.23, § 7. ".
§ 7. A l'article 33 de la même ordonnance, il est inséré un nouveau point 22°, libellé comme suit :
" 22° au sens du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'énergie, le gestionnaire du site ou, dans l'hypothèse visée à l'article 2.3.37, § 1er, de ce Code, l'utilisateur du site qui ne met pas en oeuvre l'action obligatoire portant sur la contribution au coût résultant de l'adaptation de l'offre de transport public visée à l'article 2.3.39, § 1er. ".
1° le point 4° est remplacé par ce qui suit : " 4° le Code bruxellois de l'air, du climat et de la maîtrise de l'énergie ";
2° le point 19° est abrogé;
3° le point 20° est abrogé;
4° les points 21°, 22°, 23°, 24°, 25°, 26°, 27°, 28° et 29° deviennent respectivement les points 19°, 20°, 21°, 22°, 23°, 24°, 25°, 26° et 27°.
§ 2. A l'article 4 de la même ordonnance, les mots " et du chapitre 1er du titre 2 du livre 2 du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'Energie " sont insérés après les mots " la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux souterraines ".
§ 3. A l'article 32, 1°, de la même ordonnance, les mots " de l'ordonnance du 25 mars 1999 relative à l'évaluation et l'amélioration de la qualité de l'air ambiant " sont remplacés par les termes " du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'énergie ".
§ 4. L'article 32, 13°, de la même ordonnance est remplacé par ce qui suit :
" 13° au sens du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'énergie, celui qui :
a) étant déclarant, omet de notifier le changement de déclarant, de conseiller PEB ou de l'architecte chargé du contrôle de l'exécution des travaux conformément au prescrit de l'article 2.2.9, § 2;
b) étant architecte, ne respecte pas les obligations imposées par l'article 2.2.10 ou arrêtées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.10;
c) étant déclarant, ne respecte pas les obligations imposées par l'article 2.2.9, § 4 et l'article 2.2.10, § 6. ".
§ 5. L'article 33, 14°, de la même ordonnance est remplacé par ce qui suit :
" 14° au sens du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de maîtrise de l'énergie :
a) étant déclarant, omet de désigner un conseiller PEB conformément au prescrit de l'article 2.2.9, § 1er;
b) étant déclarant, ne transmet pas la notification de début des travaux conformément au prescrit de l'article 2.2.8;
c) étant architecte ou déclarant, ne notifie pas respectivement le fichier de calcul ou la déclaration PEB dans les formes et délais prévus à l'article 2.2.11;
d) étant la personne à qui il incombe de respecter les obligations dans les conditions arrêtées par le Gouvernement en vertu de l'article 2.2.17, ne les respecte pas;
e) étant la personne soumise à agrément visée à l'article 2.5.1, exerce sans être agréée;
f) étant soumis à l'obligation imposée à l'article 2.2.14, § 1er, 1°, ne la respecte pas;
g) étant soumis à l'obligation imposée à l'article 2.2.14, § 1er, 2°, ne la respecte pas;
h) étant soumis à l'obligation imposée à l'article 2.2.14, § 1er, 3°, ne la respecte pas;
i) étant soumis à l'obligation imposée à l'article 2.2.14, § 2, ne la respecte pas;
j) étant déclarant ou architecte, établit une déclaration PEB qui ne correspond pas à la réalité;
k) étant déclarant, empêche le conseiller PEB ou l'organisme de contrôle de qualité d'exercer son droit d'accès libre au chantier conformément respectivement aux articles 2.2.9, § 3 et 2.5.4;
l) étant demandeur, ne transmet pas l'étude de faisabilité intégrée à [1 Bruxelles Environnement]1 conformément à l'article 2.2.7, § 2, alinéa 2.
§ 6. A l'article 33 de la même ordonnance, il est inséré un nouveau point 21°, libellé comme suit :
" 21° au sens du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'énergie :
a) l'organisme qui omet de désigner un coordinateur PLAGE au terme de la première année de mise en oeuvre du PLAGE conformément à l'article 2.2.23, § 1er, ou aux dispositions prises en vertu de l'article 2.2.23, § 1er;
b) l'organisme qui omet de communiquer le programme d'actions conformément à l'article 2.2.23, § 3, ou aux dispositions prises en vertu de l'article 2.2.23, § 2;
c) l'organisme qui omet de communiquer les rapports du réviseur PLAGE conformément à l'article 2.2.23, § 4, ou aux dispositions prises en vertu de l'article 2.2.23, § 4;
d) le réviseur PLAGE qui remet un rapport non conforme aux critères de qualités déterminés en application de l'article 2.2.23, § 7. ".
§ 7. A l'article 33 de la même ordonnance, il est inséré un nouveau point 22°, libellé comme suit :
" 22° au sens du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'énergie, le gestionnaire du site ou, dans l'hypothèse visée à l'article 2.3.37, § 1er, de ce Code, l'utilisateur du site qui ne met pas en oeuvre l'action obligatoire portant sur la contribution au coût résultant de l'adaptation de l'offre de transport public visée à l'article 2.3.39, § 1er. ".
Wijzigingen
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de ordonnantie van 18 maart 2004 betreffende de milieueffectenbeoordeling van bepaalde plannen en programma's
Art. 4.1.3. A l'article 10, § 2, de l'ordonnance du 18 mars 2004 relative à l'évaluation de certains plans et programmes sur l'environnement, le point 2° et le point 5° relatif au plan régional d'allocation de quotas sont abrogés.
Art. 4.1.4. In artikel 2 van de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen wordt een punt 18° toegevoegd dat luidt als volgt :
" 18° het Klimaatfonds. ".
Worden aan dat fonds toegewezen :
1° de administratieve boetes geïnd krachtens artikel 3.4.2.van het Brussels Wetboek van lucht, klimaat en energiebeheersing;
2° de opbrengst van de toekenning tegen betaling van de emissierechten die niet kosteloos worden toegewezen;
3° de opbrengst van de verkoop van koolstofeenheden;
4° de opbrengst van de milieubelasting bedoeld in artikelen 2.3.55 tot 2.3.62 van het Brussels Wetboek van lucht, klimaat en Energiebeheersing;
5° de middelen, fondsen of subsidies die hem worden toegewezen krachtens wettelijke bepalingen.
De middelen van het fonds worden besteed aan :
1° de maatregelen betreffende de gebouwen, de installaties en de producten die de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen beogen, meer bepaald de personeelskosten, de informaticakosten en de expertisekosten;
2° de maatregelen betreffende het vervoer en de mobiliteit die de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen beogen, meer bepaald de personeelskosten, de informaticakosten en de expertisekosten. Het bedrag bestemd voor deze maatregelen komt overeen met 50 % van het jaarlijkse totaalbedrag van de ontvangsten afkomstig uit de opbrengst van de milieubelasting bedoeld in artikel 2.3.55 en volgende van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing;
3° de financiering van het klimaatbeleid dat de ontwikkelingslanden hebben uitgestippeld;
4° de financiering van projecten die koolstofeenheden opleveren in het kader van het gebruik van de projectsmechanismen. ".
" 18° het Klimaatfonds. ".
Worden aan dat fonds toegewezen :
1° de administratieve boetes geïnd krachtens artikel 3.4.2.van het Brussels Wetboek van lucht, klimaat en energiebeheersing;
2° de opbrengst van de toekenning tegen betaling van de emissierechten die niet kosteloos worden toegewezen;
3° de opbrengst van de verkoop van koolstofeenheden;
4° de opbrengst van de milieubelasting bedoeld in artikelen 2.3.55 tot 2.3.62 van het Brussels Wetboek van lucht, klimaat en Energiebeheersing;
5° de middelen, fondsen of subsidies die hem worden toegewezen krachtens wettelijke bepalingen.
De middelen van het fonds worden besteed aan :
1° de maatregelen betreffende de gebouwen, de installaties en de producten die de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen beogen, meer bepaald de personeelskosten, de informaticakosten en de expertisekosten;
2° de maatregelen betreffende het vervoer en de mobiliteit die de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen beogen, meer bepaald de personeelskosten, de informaticakosten en de expertisekosten. Het bedrag bestemd voor deze maatregelen komt overeen met 50 % van het jaarlijkse totaalbedrag van de ontvangsten afkomstig uit de opbrengst van de milieubelasting bedoeld in artikel 2.3.55 en volgende van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing;
3° de financiering van het klimaatbeleid dat de ontwikkelingslanden hebben uitgestippeld;
4° de financiering van projecten die koolstofeenheden opleveren in het kader van het gebruik van de projectsmechanismen. ".
Art. 4.1.3. A l'article 10, § 2, de l'ordonnance du 18 mars 2004 relative à l'évaluation de certains plans et programmes sur l'environnement, le point 2° et le point 5° relatif au plan régional d'allocation de quotas sont abrogés.
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van de begrotingsfondsen
Art. 4.1.4. Il est inséré à l'article 2 de l'ordonnance du 12 décembre 1991 créant des fonds budgétaires un point 18°, rédigé comme suit :
Art. 4.1.4. In artikel 2 van de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen wordt een punt 18° toegevoegd dat luidt als volgt :
" 18° het Klimaatfonds. ".
Worden aan dat fonds toegewezen :
1° de administratieve boetes geïnd krachtens artikel 3.4.2.van het Brussels Wetboek van lucht, klimaat en energiebeheersing;
2° de opbrengst van de toekenning tegen betaling van de emissierechten die niet kosteloos worden toegewezen;
3° de opbrengst van de verkoop van koolstofeenheden;
4° de opbrengst van de milieubelasting bedoeld in artikelen 2.3.55 tot 2.3.62 van het Brussels Wetboek van lucht, klimaat en Energiebeheersing;
5° de middelen, fondsen of subsidies die hem worden toegewezen krachtens wettelijke bepalingen.
De middelen van het fonds worden besteed aan :
1° de maatregelen betreffende de gebouwen, de installaties en de producten die de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen beogen, meer bepaald de personeelskosten, de informaticakosten en de expertisekosten;
2° de maatregelen betreffende het vervoer en de mobiliteit die de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen beogen, meer bepaald de personeelskosten, de informaticakosten en de expertisekosten. Het bedrag bestemd voor deze maatregelen komt overeen met 50 % van het jaarlijkse totaalbedrag van de ontvangsten afkomstig uit de opbrengst van de milieubelasting bedoeld in artikel 2.3.55 en volgende van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing;
3° de financiering van het klimaatbeleid dat de ontwikkelingslanden hebben uitgestippeld;
4° de financiering van projecten die koolstofeenheden opleveren in het kader van het gebruik van de projectsmechanismen. ".
" 18° het Klimaatfonds. ".
Worden aan dat fonds toegewezen :
1° de administratieve boetes geïnd krachtens artikel 3.4.2.van het Brussels Wetboek van lucht, klimaat en energiebeheersing;
2° de opbrengst van de toekenning tegen betaling van de emissierechten die niet kosteloos worden toegewezen;
3° de opbrengst van de verkoop van koolstofeenheden;
4° de opbrengst van de milieubelasting bedoeld in artikelen 2.3.55 tot 2.3.62 van het Brussels Wetboek van lucht, klimaat en Energiebeheersing;
5° de middelen, fondsen of subsidies die hem worden toegewezen krachtens wettelijke bepalingen.
De middelen van het fonds worden besteed aan :
1° de maatregelen betreffende de gebouwen, de installaties en de producten die de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen beogen, meer bepaald de personeelskosten, de informaticakosten en de expertisekosten;
2° de maatregelen betreffende het vervoer en de mobiliteit die de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen beogen, meer bepaald de personeelskosten, de informaticakosten en de expertisekosten. Het bedrag bestemd voor deze maatregelen komt overeen met 50 % van het jaarlijkse totaalbedrag van de ontvangsten afkomstig uit de opbrengst van de milieubelasting bedoeld in artikel 2.3.55 en volgende van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing;
3° de financiering van het klimaatbeleid dat de ontwikkelingslanden hebben uitgestippeld;
4° de financiering van projecten die koolstofeenheden opleveren in het kader van het gebruik van de projectsmechanismen. ".
Art. 4.1.4. Il est inséré à l'article 2 de l'ordonnance du 12 décembre 1991 créant des fonds budgétaires un point 18°, rédigé comme suit :
" 18° le Fonds Climat. ".
Sont affectés à ce fonds :
1° les amendes administratives perçues en vertu de l'article 3.4.2 du Code bruxellois de l'air, du climat et de la maîtrise de l'énergie;
2° le produit de l'attribution onéreuse des quotas qui ne sont pas alloués à titre gratuit;
3° le produit de la vente d'unités carbone;
4° le produit de la charge environnementale visée aux articles 2.3.55 à 2.3.62 du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'énergie;
5° les moyens, fonds ou subventions qui lui sont alloués, en vertu de dispositions légales.
Les moyens du fonds sont affectés :
1° aux mesures relatives aux bâtiments, aux installations et aux produits et visant à la réduction des émissions de gaz à effet de serre, notamment les frais de personnel, les frais informatiques et les frais d'expertise;
2° aux mesures relatives au transport et à la mobilité et visant à la réduction des émissions de gaz à effet de serre, notamment les frais de personnel, les frais informatiques et les frais d'expertise. Le montant affecté à ces mesures correspond à 50 % du montant annuel total des recettes issues du produit de la charge environnementale visée aux articles 2.3.55 et suivants du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'énergie;
3° au financement des politiques climatiques élaborées par les pays en voie de développement;
4° au financement de projets qui génèrent des unités carbone dans le cadre de l'utilisation des mécanismes de projet. ".
" 18° le Fonds Climat. ".
Sont affectés à ce fonds :
1° les amendes administratives perçues en vertu de l'article 3.4.2 du Code bruxellois de l'air, du climat et de la maîtrise de l'énergie;
2° le produit de l'attribution onéreuse des quotas qui ne sont pas alloués à titre gratuit;
3° le produit de la vente d'unités carbone;
4° le produit de la charge environnementale visée aux articles 2.3.55 à 2.3.62 du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'énergie;
5° les moyens, fonds ou subventions qui lui sont alloués, en vertu de dispositions légales.
Les moyens du fonds sont affectés :
1° aux mesures relatives aux bâtiments, aux installations et aux produits et visant à la réduction des émissions de gaz à effet de serre, notamment les frais de personnel, les frais informatiques et les frais d'expertise;
2° aux mesures relatives au transport et à la mobilité et visant à la réduction des émissions de gaz à effet de serre, notamment les frais de personnel, les frais informatiques et les frais d'expertise. Le montant affecté à ces mesures correspond à 50 % du montant annuel total des recettes issues du produit de la charge environnementale visée aux articles 2.3.55 et suivants du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la maîtrise de l'énergie;
3° au financement des politiques climatiques élaborées par les pays en voie de développement;
4° au financement de projets qui génèrent des unités carbone dans le cadre de l'utilisation des mécanismes de projet. ".
HOOFDSTUK 5. - Wijziging van het BWRO
Art. 4.1.5. Dans les articles 129, § 1er, 3° et 143, 4° du CoBAT, les mots " en ce compris l'étude de faisabilité, si elle est requise " sont abrogés.
Art. 4.1.5. In artikelen 129, § 1, 3° en 143, 4° van het BWRO worden de woorden " met inbegrip van de haalbaarheidsstudie, indien die vereist is " opgeheven.
Art. 4.1.5. Dans les articles 129, § 1er, 3° et 143, 4° du CoBAT, les mots " en ce compris l'étude de faisabilité, si elle est requise " sont abrogés.
Art. 4.2.2. De ordonnantie van 7 juni 2007 betreffende de energieprestatie en het binnenklimaat van de gebouwen wordt opgeheven.
Art. 4.2.1. L'ordonnance du 25 mars 1999 concernant l'évaluation et l'amélioration de la qualité de l'air ambiant est abrogée.
Art. 4.2.3. De ordonnantie van 31 januari 2008 houdende de vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en met betrekking tot de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto wordt opgeheven.
Art. 4.2.2. L'ordonnance du 7 juin 2007 relative à la performance énergétique et au climat intérieur des bâtiments est abrogée.
Art. 4.2.2. De ordonnantie van 7 juni 2007 betreffende de energieprestatie en het binnenklimaat van de gebouwen wordt opgeheven.
Art. 4.2.3. L'ordonnance du 31 janvier 2008 établissant un système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre et relatif aux mécanismes de flexibilité du protocole de Kyoto est abrogée.
Art. 4.2.3. De ordonnantie van 31 januari 2008 houdende de vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en met betrekking tot de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto wordt opgeheven.
Art. 4.2.3. L'ordonnance du 31 janvier 2008 établissant un système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre et relatif aux mécanismes de flexibilité du protocole de Kyoto est abrogée.
Art. 4.3.1. § 1. Artikel 2.2.3, artikelen 2.2.5 tot 2.2.11 en artikel 2.2.13, § 1 zijn niet van toepassing op de aanvragen ingediend vóór de inwerkingtreding van deze artikelen of afdelingen, zoals zal worden bepaald door de Regering.
§ 2. Artikel 2.2.13, § 2 is van toepassing :
1° op de overeenkomsten gesloten na de inwerkingtreding van deze bepaling;
2° op de openbare verkopen waarvan de verkoopvoorwaarden worden bepaald na de inwerkingtreding van deze bepaling en op voorwaarde dat de eerste zitting ten minste veertig dagen na de inwerkingtreding van deze bepaling plaatsvindt.
§ 3. Artikelen 2.3.51 tot 2.3.62 en paragrafen 4 tot 9 van artikel 4.1.1 zijn slechts van toepassing op de aanvragen van milieuvergunning of -certificaat of op de aanvragen tot verlenging van vergunning waarvan de datum van het indieningsattest dat aan de aanvrager uitgereikt werd, na hun inwerkingtreding valt.
[1 § 4. De artikelen 33 en 34, f) van de ordonnantie van 7 juni 2007 betreffende de energieprestatie en het binnenklimaat van de gebouwen blijven van toepassing zolang de artikelen 20 en 21 van dezelfde ordonnantie van kracht zijn.
De punten h) en l) van artikel 34 van de voornoemde ordonnantie van 7 juni 2007 blijven van toepassing zolang respectievelijk de artikelen 25 en 26 van dezelfde ordonnantie van kracht zijn.
De definities in artikel 3 van de voornoemde ordonnantie van 7 juni 2007, evenals de artikelen 4 en 5, blijven van toepassing op bepalingen van dezelfde ordonnantie die nog van kracht zijn.
§ 5. De artikelen 11 tot en met 16, 30, 33 en 34, a), b), c), d), e), j) en m) van de voornoemde ordonnantie van 7 juni 2007 blijven van toepassing voor de aanvragen zoals bedoeld in artikel 3, 15° en ingediend vóór de dag van de inwerkingtreding van artikel 4.2.2 van dit wetboek.
§ 6. De artikelen van de voornoemde ordonnantie van 7 juni 2007, bedoeld in de paragrafen 4 en 5, zijn onderworpen aan het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid.
§ 7. De artikelen 2.5.2, 2.5.3, 2.5.4 en 2.5.5. van dit wetboek zijn van toepassing op personen onderworpen aan de toekenning van een erkenning op grond van de bepalingen van de voornoemde ordonnantie van 7 juni 2007 die nog van kracht zijn.]1
§ 2. Artikel 2.2.13, § 2 is van toepassing :
1° op de overeenkomsten gesloten na de inwerkingtreding van deze bepaling;
2° op de openbare verkopen waarvan de verkoopvoorwaarden worden bepaald na de inwerkingtreding van deze bepaling en op voorwaarde dat de eerste zitting ten minste veertig dagen na de inwerkingtreding van deze bepaling plaatsvindt.
§ 3. Artikelen 2.3.51 tot 2.3.62 en paragrafen 4 tot 9 van artikel 4.1.1 zijn slechts van toepassing op de aanvragen van milieuvergunning of -certificaat of op de aanvragen tot verlenging van vergunning waarvan de datum van het indieningsattest dat aan de aanvrager uitgereikt werd, na hun inwerkingtreding valt.
[1 § 4. De artikelen 33 en 34, f) van de ordonnantie van 7 juni 2007 betreffende de energieprestatie en het binnenklimaat van de gebouwen blijven van toepassing zolang de artikelen 20 en 21 van dezelfde ordonnantie van kracht zijn.
De punten h) en l) van artikel 34 van de voornoemde ordonnantie van 7 juni 2007 blijven van toepassing zolang respectievelijk de artikelen 25 en 26 van dezelfde ordonnantie van kracht zijn.
De definities in artikel 3 van de voornoemde ordonnantie van 7 juni 2007, evenals de artikelen 4 en 5, blijven van toepassing op bepalingen van dezelfde ordonnantie die nog van kracht zijn.
§ 5. De artikelen 11 tot en met 16, 30, 33 en 34, a), b), c), d), e), j) en m) van de voornoemde ordonnantie van 7 juni 2007 blijven van toepassing voor de aanvragen zoals bedoeld in artikel 3, 15° en ingediend vóór de dag van de inwerkingtreding van artikel 4.2.2 van dit wetboek.
§ 6. De artikelen van de voornoemde ordonnantie van 7 juni 2007, bedoeld in de paragrafen 4 en 5, zijn onderworpen aan het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid.
§ 7. De artikelen 2.5.2, 2.5.3, 2.5.4 en 2.5.5. van dit wetboek zijn van toepassing op personen onderworpen aan de toekenning van een erkenning op grond van de bepalingen van de voornoemde ordonnantie van 7 juni 2007 die nog van kracht zijn.]1
Art. 4.2.4. L'ordonnance du 14 mai 2009 relative aux plans de déplacements est abrogée.
TITEL 3. - Overgangsbepalingen
Art. 4.3.1.§ 1er. L'article 2.2.3, les articles 2.2.5 à 2.2.11 et l'article 2.2.13, § 1er ne sont pas applicables aux demandes introduites avant l'entrée en vigueur desdits articles ou sections, telle qu'elle sera fixée par le Gouvernement.
Art. 4.4.1. (vroeger artikel 4.4.2)
De Regering bepaalt de datum waarop de bepalingen van boek 2 in werking treden. Artikel 4.2.4. treedt in werking samen met de bepaling van boek 2, titel 3. De Regering bepaalt ook de datum van inwerkingtreding van artikelen 4.1.2, § 1, 2°, § 2, § 4, § 5, § 6, en 4.2.2.
De Regering bepaalt de datum waarop de bepalingen van boek 2 in werking treden. Artikel 4.2.4. treedt in werking samen met de bepaling van boek 2, titel 3. De Regering bepaalt ook de datum van inwerkingtreding van artikelen 4.1.2, § 1, 2°, § 2, § 4, § 5, § 6, en 4.2.2.
Art. 4.3.1. § 1er. L'article 2.2.3, les articles 2.2.5 à 2.2.11 et l'article 2.2.13, § 1er ne sont pas applicables aux demandes introduites avant l'entrée en vigueur desdits articles ou sections, telle qu'elle sera fixée par le Gouvernement.
§ 2. L'article 2.2.13, § 2 s'applique :
1° aux conventions conclues après l'entrée en vigueur de cette disposition;
2° aux ventes publiques dont les conditions de vente sont établies après l'entrée en vigueur de cette disposition et à condition que la première séance ait lieu au moins quarante jours après l'entrée en vigueur de cette disposition.
§ 3. Les articles 2.3.51 à 2.3.62, et les paragraphes 4 à 9 de l'article 4.1.1 ne sont applicables qu'aux demandes de permis ou de certificat d'environnement ou aux demandes de prolongation de permis dont la date de l'attestation de dépôt délivrée au demandeur est postérieure à leur entrée en vigueur.
[1 § 4. Les articles 33 et 34, f), de l'ordonnance du 7 juin 2007 relative à la performance énergétique et au climat intérieur des bâtiments restent applicables tant que les articles 20 et 21 de cette même ordonnance sont en vigueur.
Les points h) et l) de l'article 34 de l'ordonnance précitée du 7 juin 2007 restent applicables tant que respectivement les articles 25 et 26 de cette même ordonnance sont en vigueur.
Les définitions contenues à l'article 3 de l'ordonnance précitée du 7 juin 2007, de même que ses articles 4 et 5, restent applicables aux dispositions de cette même ordonnance qui sont encore en vigueur.
§ 5. Par ailleurs, les articles 11 à 16, 30, 33 et 34, a), b), c), d), e), j) et m), de l'ordonnance du 7 juin 2007 précitée restent applicables pour les demandes visées à son article 3, 15°, introduites avant le jour de l'entrée en vigueur de l'article 4.2.2 du présent code.
§ 6. Les articles de l'ordonnance du 7 juin 2007 précitée, visés aux paragraphes 4 et 5, sont soumis au Code de l'inspection, la prévention, la constatation et la répression des infractions en matière d'environnement et de la responsabilité environnementale.
§ 7. Les articles 2.5.2, 2.5.3., 2.5.4 et 2.5.5. du présent code sont applicables aux personnes soumises à l'octroi d'un agrément en vertu des dispositions encore en vigueur de l'ordonnance du 7 juin 2007 précitée.]1
§ 2. L'article 2.2.13, § 2 s'applique :
1° aux conventions conclues après l'entrée en vigueur de cette disposition;
2° aux ventes publiques dont les conditions de vente sont établies après l'entrée en vigueur de cette disposition et à condition que la première séance ait lieu au moins quarante jours après l'entrée en vigueur de cette disposition.
§ 3. Les articles 2.3.51 à 2.3.62, et les paragraphes 4 à 9 de l'article 4.1.1 ne sont applicables qu'aux demandes de permis ou de certificat d'environnement ou aux demandes de prolongation de permis dont la date de l'attestation de dépôt délivrée au demandeur est postérieure à leur entrée en vigueur.
[1 § 4. Les articles 33 et 34, f), de l'ordonnance du 7 juin 2007 relative à la performance énergétique et au climat intérieur des bâtiments restent applicables tant que les articles 20 et 21 de cette même ordonnance sont en vigueur.
Les points h) et l) de l'article 34 de l'ordonnance précitée du 7 juin 2007 restent applicables tant que respectivement les articles 25 et 26 de cette même ordonnance sont en vigueur.
Les définitions contenues à l'article 3 de l'ordonnance précitée du 7 juin 2007, de même que ses articles 4 et 5, restent applicables aux dispositions de cette même ordonnance qui sont encore en vigueur.
§ 5. Par ailleurs, les articles 11 à 16, 30, 33 et 34, a), b), c), d), e), j) et m), de l'ordonnance du 7 juin 2007 précitée restent applicables pour les demandes visées à son article 3, 15°, introduites avant le jour de l'entrée en vigueur de l'article 4.2.2 du présent code.
§ 6. Les articles de l'ordonnance du 7 juin 2007 précitée, visés aux paragraphes 4 et 5, sont soumis au Code de l'inspection, la prévention, la constatation et la répression des infractions en matière d'environnement et de la responsabilité environnementale.
§ 7. Les articles 2.5.2, 2.5.3., 2.5.4 et 2.5.5. du présent code sont applicables aux personnes soumises à l'octroi d'un agrément en vertu des dispositions encore en vigueur de l'ordonnance du 7 juin 2007 précitée.]1
Wijzigingen
(NOTA : Inwerkingtreding van art. 2.3.51 tot en met 2.3.61 en 2.5.1 vastgesteld op 05-02-2014, door BESL 2014-01-16/14, art. 13) (NOTA : Inwerkingtreding van art. 2.1.1 tem 2.2.12, 2.2.13, § 1, 2.2.18, 2.5.1 tem 2.5.5, 2.6.1, 2.6.4, 2.6.5, 4.1.2, § 1, 2°, 4.1.2, § 2, 4.1.2, § 4, 4.1.2, § 5 en bijlagen 2.1 en 2.2 vastgesteld op 01-01-2015, door BESL 2014-04-03/35, art. 37, L1) (NOTA : Inwerkingtreding van Artikel 4.2.2 vastgesteld op 01-01-2015, , behalve wat de volgende artikelen van de ordonnantie van 7 juni 2007 betreffende de energieprestatie en het binnenklimaat van gebouwen betreft : 1° artikelen 18, §§ 2 tem 5, 25 en 26; 2° artikelen 19, 20, 21 en 32, door BESL 2014-04-03/35, art. 37, L2) (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 2.5.6 vastgesteld op 30-05-2014 door BESL 2014-04-24/36, art. 20) (NOTA : Inwerkingtreding van art. 2.4.5 en 2.4.7 vastgesteld op 01-08-2014 door BESL 2014-05-15/60, art. 16) (NOTA : Inwerkingtreding van art. 2.2.13, § 2 en § 4; 2.2.14, § 1 en § 3 vastgesteld op 01-01-2017 door BESL 2016-10-06/14, art. 50, eerste lid) (NOTA : Inwerkingtreding van art. 2.2.13, § 3 en 2.2.14, § 2 vastgesteld op 01-07-2015 door BESL 2016-10-06/14, art. 50, tweede lid) (NOTA : Inwerkingtreding van art. 4.2.2 vastgesteld op 01-01-2017 - in wat betreft art. 18, §§ 2 tot en met 5; 25 van ORD 2007-06-07/70 - door BESL 2016-10-06/14, art. 50, derde lid, 1°) (NOTA : Inwerkingtreding van art. 4.2.2 vastgesteld op 01-07-2015 - in wat betreft art. 26 van ORD 2007-06-07/70 - door BESL 2016-10-06/14, art. 50, derde lid, 2°) (NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 2.2.21 tot 2.2.25 ; 2.4.3 ; 2.6.3 ; 2.6.6 vastgesteld op 01-07-2019 door BESL 2018-06-14/19, art. 27) (NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 2.2.15 ; 2.2.16 ; 2.6.2 vastgesteld op 01-01-2019 door BESL 2018-06-21/16, art. 6.2.2) (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 4.2.2 vastgesteld op 01-01-2019 door BESL 2018-06-21/15, art. 7.3.2, voor wat artikelen 20 en 21 van de ordonnantie van 7 juni 2007 houdende de energieprestatie en het binnenklimaat van gebouwen betreft.) (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 4.2.2 vastgesteld op 01-01-2019 door BESL 2018-06-21/16, art. 6.2.2, voor wat artikelen 32 en 19 van de ordonnantie van 7 juni 2007 houdende de energieprestatie en het binnenklimaat van gebouwen betreft.)TITEL 5. - Algemene coördinatie
-
Art. 4.5.1. § 1. De Regering kan de bepalingen coördineren van onderhavig Wetboek met de bepalingen die ze uitdrukkelijk of impliciet zouden hebben gewijzigd.
§ 2. Daartoe kan zij :
1° de volgorde, de nummering en, meer in het algemeen, de voorstelling van de te coördineren bepalingen wijzigen;
2° de verwijzingen opgenomen in de te coördineren bepalingen wijzigen teneinde ze overeen te laten stemmen met de nieuwe nummering;
3° de redactie van de te coördineren bepalingen wijzigen ten einde de overeenstemming ervan te verzekeren en de terminologie ervan eenvormig te maken zonder dat afbreuk kan worden gedaan aan de beginselen ingeschreven in deze bepalingen;
4° de voorstelling aanpassen van de verwijzingen naar de bepalingen opgenomen in de coördinatie door andere bepalingen die er niet in opgenomen zijn.
§ 2. Daartoe kan zij :
1° de volgorde, de nummering en, meer in het algemeen, de voorstelling van de te coördineren bepalingen wijzigen;
2° de verwijzingen opgenomen in de te coördineren bepalingen wijzigen teneinde ze overeen te laten stemmen met de nieuwe nummering;
3° de redactie van de te coördineren bepalingen wijzigen ten einde de overeenstemming ervan te verzekeren en de terminologie ervan eenvormig te maken zonder dat afbreuk kan worden gedaan aan de beginselen ingeschreven in deze bepalingen;
4° de voorstelling aanpassen van de verwijzingen naar de bepalingen opgenomen in de coördinatie door andere bepalingen die er niet in opgenomen zijn.
Art. 4.4.1. (ancien article 4.4.2)
Le Gouvernement détermine l'entrée en vigueur des dispositions du livre 2. L'article 4.2.4. entre en vigueur en même temps que les dispositions du livre 2, titre 3. Le Gouvernement fixe également la date d'entrée en vigueur des articles 4.1.2, § 1er, 2°, § 2, § 4, § 5, § 6, et 4.2.2.
Le Gouvernement détermine l'entrée en vigueur des dispositions du livre 2. L'article 4.2.4. entre en vigueur en même temps que les dispositions du livre 2, titre 3. Le Gouvernement fixe également la date d'entrée en vigueur des articles 4.1.2, § 1er, 2°, § 2, § 4, § 5, § 6, et 4.2.2.
-
(NOTE : entrée en vigueur des art. 2.3.51 à 2.3.61 et 2.5.1 fixée au 05-02-2014, par ARR 2014-01-16/14, art. 13) (NOTE : entrée en vigueur des art. 2.1.1 à 2.2.12, 2.2.13, § 1er, 2.2.18, 2.5.1 à 2.5.5, 2.6.1, 2.6.4, 2.6.5, 4.1.2, § 1, 2°, 4.1.2, § 2, 4.1.2, § 4, 4.1.2, § 5 et les annexes 2.1 et 2.2 fixée au 01-01-2015, par ARR 2014-04-03/35, art. 37, L1) (NOTE : entrée en vigueur de l'art. 4.2.2 fixée au 01-01-2015, excepté en ce qui concerne les articles suivants de l'ordonnance du 7 juin 2007 relative à la performance énergétique et au climat intérieur des bâtiments : 1° les articles 18, §§ 2 à 5, 25 et 26; 2° les articles 19, 20, 21 et 32 par ARR 2014-04-03/35, art. 37, L2) (NOTE : Entrée en vigueur de l'art. 2.5.6 fixée au 30-05-2014 par ARR 2014-04-24/36, art. 20) (NOTE : Entrée en vigueur des art. 2.4.5 et 2.4.7 fixée au 01-08-2014 par ARR 2014-05-15/60, art. 16) (NOTE : entrée en vigueur des art. 2.2.13, § 2 et § 4; 2.2.14, § 1 et § 3 fixée au 01-01-2017 par ARR 2016-10-06/14, art. 50, alinéa 1er) (NOTE : entrée en vigueur des art. 2.2.13, § 3 et 2.2.14, § 2 fixée au 01-07-2015 par ARR 2016-10-06/14, art. 50, alinéa 2) (NOTE : entrée en vigueur de l'art. 4.2.2 fixée au 01-01-2017 - en ce qui concerne les art. 18, §§ 2 à 5; 25 de ORD 2007-06-07/70 - par ARR 2016-10-06/14, art. 50, alinéa 3, 1°) (NOTE : entrée en vigueur de l'art. 4.2.2 fixée au 01-07-2015 - en ce qui concerne l'art. 26 de ORD 2007-06-07/70 - par ARR 2016-10-06/14, art. 50, alinéa 3, 2°) (NOTE : Entrée en vigueur des articles 2.2.21 à 2.2.25 ; 2.4.3 ; 2.6.3 ; 2.6.6 fixée au 01-07-2019 par ARR 2018-06-14/19, art. 27) (NOTE : Entrée en vigueur des articles 2.2.15 ; 2.2.16 ; 2.6.2 fixée au 01-01-2019 par ARR 2018-06-21/16, art. 6.2.2) (NOTE : Entrée en vigueur de l'article 4.2.2 fixée au 01-01-2019 par ARR 2018-06-21/15, art. 7.3.2, en ce qui concerne les articles 20 et 21 de l'ordonnance du 7 juin 2007 relative à la performance énergétique et au climat intérieur des bâtiments) (NOTE : Entrée en vigueur de l'article 4.2.2 fixée au 01-01-2019 par ARR 2018-06-21/16, art. 6.2.2, en ce qui concerne les articles 32 et 19 de l'ordonnance du 7 juin 2007 relative à la performance énergétique et au climat intérieur des bâtiments.)
Art. 4.4.1. (vroeger artikel 4.4.2)
De Regering bepaalt de datum waarop de bepalingen van boek 2 in werking treden. Artikel 4.2.4. treedt in werking samen met de bepaling van boek 2, titel 3. De Regering bepaalt ook de datum van inwerkingtreding van artikelen 4.1.2, § 1, 2°, § 2, § 4, § 5, § 6, en 4.2.2.
De Regering bepaalt de datum waarop de bepalingen van boek 2 in werking treden. Artikel 4.2.4. treedt in werking samen met de bepaling van boek 2, titel 3. De Regering bepaalt ook de datum van inwerkingtreding van artikelen 4.1.2, § 1, 2°, § 2, § 4, § 5, § 6, en 4.2.2.
Art. 4.4.1. (ancien article 4.4.2)
Le Gouvernement détermine l'entrée en vigueur des dispositions du livre 2. L'article 4.2.4. entre en vigueur en même temps que les dispositions du livre 2, titre 3. Le Gouvernement fixe également la date d'entrée en vigueur des articles 4.1.2, § 1er, 2°, § 2, § 4, § 5, § 6, et 4.2.2.
Le Gouvernement détermine l'entrée en vigueur des dispositions du livre 2. L'article 4.2.4. entre en vigueur en même temps que les dispositions du livre 2, titre 3. Le Gouvernement fixe également la date d'entrée en vigueur des articles 4.1.2, § 1er, 2°, § 2, § 4, § 5, § 6, et 4.2.2.
(NOTA : Inwerkingtreding van art. 2.3.51 tot en met 2.3.61 en 2.5.1 vastgesteld op 05-02-2014, door BESL 2014-01-16/14, art. 13)
(NOTA : Inwerkingtreding van art. 2.1.1 tem 2.2.12, 2.2.13, § 1, 2.2.18, 2.5.1 tem 2.5.5, 2.6.1, 2.6.4, 2.6.5, 4.1.2, § 1, 2°, 4.1.2, § 2, 4.1.2, § 4, 4.1.2, § 5 en bijlagen 2.1 en 2.2 vastgesteld op 01-01-2015, door BESL 2014-04-03/35, art. 37, L1)
(NOTA : Inwerkingtreding van Artikel 4.2.2 vastgesteld op 01-01-2015, , behalve wat de volgende artikelen van de ordonnantie van 7 juni 2007 betreffende de energieprestatie en het binnenklimaat van gebouwen betreft :
1° artikelen 18, §§ 2 tem 5, 25 en 26;
2° artikelen 19, 20, 21 en 32,
door BESL 2014-04-03/35, art. 37, L2)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 2.5.6 vastgesteld op 30-05-2014 door BESL 2014-04-24/36, art. 20)
(NOTA : Inwerkingtreding van art. 2.4.5 en 2.4.7 vastgesteld op 01-08-2014 door BESL 2014-05-15/60, art. 16)
(NOTA : Inwerkingtreding van art. 2.2.13, § 2 en § 4; 2.2.14, § 1 en § 3 vastgesteld op 01-01-2017 door BESL 2016-10-06/14, art. 50, eerste lid)
(NOTA : Inwerkingtreding van art. 2.2.13, § 3 en 2.2.14, § 2 vastgesteld op 01-07-2015 door BESL 2016-10-06/14, art. 50, tweede lid)
(NOTA : Inwerkingtreding van art. 4.2.2 vastgesteld op 01-01-2017 - in wat betreft art. 18, §§ 2 tot en met 5; 25 van ORD 2007-06-07/70 - door BESL 2016-10-06/14, art. 50, derde lid, 1°)
(NOTA : Inwerkingtreding van art. 4.2.2 vastgesteld op 01-07-2015 - in wat betreft art. 26 van ORD 2007-06-07/70 - door BESL 2016-10-06/14, art. 50, derde lid, 2°)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 2.2.21 tot 2.2.25 ; 2.4.3 ; 2.6.3 ; 2.6.6 vastgesteld op 01-07-2019 door BESL 2018-06-14/19, art. 27)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 2.2.15 ; 2.2.16 ; 2.6.2 vastgesteld op 01-01-2019 door BESL 2018-06-21/16, art. 6.2.2)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 4.2.2 vastgesteld op 01-01-2019 door BESL 2018-06-21/15, art. 7.3.2, voor wat artikelen 20 en 21 van de ordonnantie van 7 juni 2007 houdende de energieprestatie en het binnenklimaat van gebouwen betreft.)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 4.2.2 vastgesteld op 01-01-2019 door BESL 2018-06-21/16, art. 6.2.2, voor wat artikelen 32 en 19 van de ordonnantie van 7 juni 2007 houdende de energieprestatie en het binnenklimaat van gebouwen betreft.)
(NOTA : Inwerkingtreding van art. 2.1.1 tem 2.2.12, 2.2.13, § 1, 2.2.18, 2.5.1 tem 2.5.5, 2.6.1, 2.6.4, 2.6.5, 4.1.2, § 1, 2°, 4.1.2, § 2, 4.1.2, § 4, 4.1.2, § 5 en bijlagen 2.1 en 2.2 vastgesteld op 01-01-2015, door BESL 2014-04-03/35, art. 37, L1)
(NOTA : Inwerkingtreding van Artikel 4.2.2 vastgesteld op 01-01-2015, , behalve wat de volgende artikelen van de ordonnantie van 7 juni 2007 betreffende de energieprestatie en het binnenklimaat van gebouwen betreft :
1° artikelen 18, §§ 2 tem 5, 25 en 26;
2° artikelen 19, 20, 21 en 32,
door BESL 2014-04-03/35, art. 37, L2)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 2.5.6 vastgesteld op 30-05-2014 door BESL 2014-04-24/36, art. 20)
(NOTA : Inwerkingtreding van art. 2.4.5 en 2.4.7 vastgesteld op 01-08-2014 door BESL 2014-05-15/60, art. 16)
(NOTA : Inwerkingtreding van art. 2.2.13, § 2 en § 4; 2.2.14, § 1 en § 3 vastgesteld op 01-01-2017 door BESL 2016-10-06/14, art. 50, eerste lid)
(NOTA : Inwerkingtreding van art. 2.2.13, § 3 en 2.2.14, § 2 vastgesteld op 01-07-2015 door BESL 2016-10-06/14, art. 50, tweede lid)
(NOTA : Inwerkingtreding van art. 4.2.2 vastgesteld op 01-01-2017 - in wat betreft art. 18, §§ 2 tot en met 5; 25 van ORD 2007-06-07/70 - door BESL 2016-10-06/14, art. 50, derde lid, 1°)
(NOTA : Inwerkingtreding van art. 4.2.2 vastgesteld op 01-07-2015 - in wat betreft art. 26 van ORD 2007-06-07/70 - door BESL 2016-10-06/14, art. 50, derde lid, 2°)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 2.2.21 tot 2.2.25 ; 2.4.3 ; 2.6.3 ; 2.6.6 vastgesteld op 01-07-2019 door BESL 2018-06-14/19, art. 27)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 2.2.15 ; 2.2.16 ; 2.6.2 vastgesteld op 01-01-2019 door BESL 2018-06-21/16, art. 6.2.2)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 4.2.2 vastgesteld op 01-01-2019 door BESL 2018-06-21/15, art. 7.3.2, voor wat artikelen 20 en 21 van de ordonnantie van 7 juni 2007 houdende de energieprestatie en het binnenklimaat van gebouwen betreft.)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 4.2.2 vastgesteld op 01-01-2019 door BESL 2018-06-21/16, art. 6.2.2, voor wat artikelen 32 en 19 van de ordonnantie van 7 juni 2007 houdende de energieprestatie en het binnenklimaat van gebouwen betreft.)
(NOTE : entrée en vigueur des art. 2.3.51 à 2.3.61 et 2.5.1 fixée au 05-02-2014, par ARR 2014-01-16/14, art. 13)
(NOTE : entrée en vigueur des art. 2.1.1 à 2.2.12, 2.2.13, § 1er, 2.2.18, 2.5.1 à 2.5.5, 2.6.1, 2.6.4, 2.6.5, 4.1.2, § 1, 2°, 4.1.2, § 2, 4.1.2, § 4, 4.1.2, § 5 et les annexes 2.1 et 2.2 fixée au 01-01-2015, par ARR 2014-04-03/35, art. 37, L1)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 4.2.2 fixée au 01-01-2015, excepté en ce qui concerne les articles suivants de l'ordonnance du 7 juin 2007 relative à la performance énergétique et au climat intérieur des bâtiments :
1° les articles 18, §§ 2 à 5, 25 et 26;
2° les articles 19, 20, 21 et 32
par ARR 2014-04-03/35, art. 37, L2)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'art. 2.5.6 fixée au 30-05-2014 par ARR 2014-04-24/36, art. 20)
(NOTE : Entrée en vigueur des art. 2.4.5 et 2.4.7 fixée au 01-08-2014 par ARR 2014-05-15/60, art. 16)
(NOTE : entrée en vigueur des art. 2.2.13, § 2 et § 4; 2.2.14, § 1 et § 3 fixée au 01-01-2017 par ARR 2016-10-06/14, art. 50, alinéa 1er)
(NOTE : entrée en vigueur des art. 2.2.13, § 3 et 2.2.14, § 2 fixée au 01-07-2015 par ARR 2016-10-06/14, art. 50, alinéa 2)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 4.2.2 fixée au 01-01-2017 - en ce qui concerne les art. 18, §§ 2 à 5; 25 de ORD 2007-06-07/70 - par ARR 2016-10-06/14, art. 50, alinéa 3, 1°)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 4.2.2 fixée au 01-07-2015 - en ce qui concerne l'art. 26 de ORD 2007-06-07/70 - par ARR 2016-10-06/14, art. 50, alinéa 3, 2°)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 2.2.21 à 2.2.25 ; 2.4.3 ; 2.6.3 ; 2.6.6 fixée au 01-07-2019 par ARR 2018-06-14/19, art. 27)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 2.2.15 ; 2.2.16 ; 2.6.2 fixée au 01-01-2019 par ARR 2018-06-21/16, art. 6.2.2)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 4.2.2 fixée au 01-01-2019 par ARR 2018-06-21/15, art. 7.3.2, en ce qui concerne les articles 20 et 21 de l'ordonnance du 7 juin 2007 relative à la performance énergétique et au climat intérieur des bâtiments)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 4.2.2 fixée au 01-01-2019 par ARR 2018-06-21/16, art. 6.2.2, en ce qui concerne les articles 32 et 19 de l'ordonnance du 7 juin 2007 relative à la performance énergétique et au climat intérieur des bâtiments.)
(NOTE : entrée en vigueur des art. 2.1.1 à 2.2.12, 2.2.13, § 1er, 2.2.18, 2.5.1 à 2.5.5, 2.6.1, 2.6.4, 2.6.5, 4.1.2, § 1, 2°, 4.1.2, § 2, 4.1.2, § 4, 4.1.2, § 5 et les annexes 2.1 et 2.2 fixée au 01-01-2015, par ARR 2014-04-03/35, art. 37, L1)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 4.2.2 fixée au 01-01-2015, excepté en ce qui concerne les articles suivants de l'ordonnance du 7 juin 2007 relative à la performance énergétique et au climat intérieur des bâtiments :
1° les articles 18, §§ 2 à 5, 25 et 26;
2° les articles 19, 20, 21 et 32
par ARR 2014-04-03/35, art. 37, L2)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'art. 2.5.6 fixée au 30-05-2014 par ARR 2014-04-24/36, art. 20)
(NOTE : Entrée en vigueur des art. 2.4.5 et 2.4.7 fixée au 01-08-2014 par ARR 2014-05-15/60, art. 16)
(NOTE : entrée en vigueur des art. 2.2.13, § 2 et § 4; 2.2.14, § 1 et § 3 fixée au 01-01-2017 par ARR 2016-10-06/14, art. 50, alinéa 1er)
(NOTE : entrée en vigueur des art. 2.2.13, § 3 et 2.2.14, § 2 fixée au 01-07-2015 par ARR 2016-10-06/14, art. 50, alinéa 2)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 4.2.2 fixée au 01-01-2017 - en ce qui concerne les art. 18, §§ 2 à 5; 25 de ORD 2007-06-07/70 - par ARR 2016-10-06/14, art. 50, alinéa 3, 1°)
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 4.2.2 fixée au 01-07-2015 - en ce qui concerne l'art. 26 de ORD 2007-06-07/70 - par ARR 2016-10-06/14, art. 50, alinéa 3, 2°)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 2.2.21 à 2.2.25 ; 2.4.3 ; 2.6.3 ; 2.6.6 fixée au 01-07-2019 par ARR 2018-06-14/19, art. 27)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 2.2.15 ; 2.2.16 ; 2.6.2 fixée au 01-01-2019 par ARR 2018-06-21/16, art. 6.2.2)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 4.2.2 fixée au 01-01-2019 par ARR 2018-06-21/15, art. 7.3.2, en ce qui concerne les articles 20 et 21 de l'ordonnance du 7 juin 2007 relative à la performance énergétique et au climat intérieur des bâtiments)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 4.2.2 fixée au 01-01-2019 par ARR 2018-06-21/16, art. 6.2.2, en ce qui concerne les articles 32 et 19 de l'ordonnance du 7 juin 2007 relative à la performance énergétique et au climat intérieur des bâtiments.)
TITEL 5. - Algemene coördinatie
Art. 4.5.1. § 1er. Le Gouvernement peut coordonner les dispositions du présent Code et les dispositions qui les auraient expressément ou implicitement modifiées.
Art. 4.5.1. § 1. De Regering kan de bepalingen coördineren van onderhavig Wetboek met de bepalingen die ze uitdrukkelijk of impliciet zouden hebben gewijzigd.
§ 2. Daartoe kan zij :
1° de volgorde, de nummering en, meer in het algemeen, de voorstelling van de te coördineren bepalingen wijzigen;
2° de verwijzingen opgenomen in de te coördineren bepalingen wijzigen teneinde ze overeen te laten stemmen met de nieuwe nummering;
3° de redactie van de te coördineren bepalingen wijzigen ten einde de overeenstemming ervan te verzekeren en de terminologie ervan eenvormig te maken zonder dat afbreuk kan worden gedaan aan de beginselen ingeschreven in deze bepalingen;
4° de voorstelling aanpassen van de verwijzingen naar de bepalingen opgenomen in de coördinatie door andere bepalingen die er niet in opgenomen zijn.
§ 2. Daartoe kan zij :
1° de volgorde, de nummering en, meer in het algemeen, de voorstelling van de te coördineren bepalingen wijzigen;
2° de verwijzingen opgenomen in de te coördineren bepalingen wijzigen teneinde ze overeen te laten stemmen met de nieuwe nummering;
3° de redactie van de te coördineren bepalingen wijzigen ten einde de overeenstemming ervan te verzekeren en de terminologie ervan eenvormig te maken zonder dat afbreuk kan worden gedaan aan de beginselen ingeschreven in deze bepalingen;
4° de voorstelling aanpassen van de verwijzingen naar de bepalingen opgenomen in de coördinatie door andere bepalingen die er niet in opgenomen zijn.
Art. 4.5.1. § 1er. Le Gouvernement peut coordonner les dispositions du présent Code et les dispositions qui les auraient expressément ou implicitement modifiées.
§ 2. A cette fin, il peut :
1° modifier l'ordre, le numérotage et, en général, la présentation des dispositions à coordonner;
2° modifier les références qui seraient contenues dans les dispositions à coordonner en vue de les mettre en concordance avec le nouveau numérotage;
3° modifier la rédaction des dispositions à coordonner en vue d'assurer leur concordance et d'en unifier la terminologie sans qu'il puisse être porté atteinte aux principes inscrits dans ces dispositions;
4° adapter la présentation des références que font aux dispositions reprises dans la coordination, d'autres dispositions qui n'y sont pas reprises.
§ 2. A cette fin, il peut :
1° modifier l'ordre, le numérotage et, en général, la présentation des dispositions à coordonner;
2° modifier les références qui seraient contenues dans les dispositions à coordonner en vue de les mettre en concordance avec le nouveau numérotage;
3° modifier la rédaction des dispositions à coordonner en vue d'assurer leur concordance et d'en unifier la terminologie sans qu'il puisse être porté atteinte aux principes inscrits dans ces dispositions;
4° adapter la présentation des références que font aux dispositions reprises dans la coordination, d'autres dispositions qui n'y sont pas reprises.
Art. 4.5.2. [1 De Regering kan de bepalingen van deze ordonnantie intrekken, aanvullen, wijzigen of vervangen om de maatregelen te nemen die nodig zijn om te voldoen aan de verplichtingen van technische aard die voortvloeien uit de richtlijnen van de Europese Unie inzake lucht-, klimaat- of energiebeheersing.]1
Art. 4.5.2. [1 Le Gouvernement peut abroger, compléter, modifier ou remplacer les dispositions de la présente ordonnance, afin de prendre les mesures requises pour l'exécution d'obligations de nature technique découlant des directives de l'Union européenne relatives à l'air, le climat ou la maîtrise de l'énergie.]1