Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
8 DECEMBER 2013. - Wet tot wijziging van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen
Titre
8 DECEMBRE 2013. - Loi modifiant la loi du 22 mars 2001 instituant la garantie de revenus aux personnes âgées
Documentinformatie
Numac: 2013022607
Datum: 2013-12-08
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2013022607
Date: 2013-12-08
Moniteur: Voir
Tekst (9)
Texte (9)
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
Art. 2. Artikel 2 van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen, gewijzigd bij de wet van 23 december 2005, wordt aangevuld met de bepalingen onder 5° en 6°, luidende :
  "5° wettelijk samenwonende : de persoon die een schriftelijke verklaring van wettelijke samenwoning heeft afgelegd met toepassing van artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek;
  6° gezinslid in het kader van de Euromediterrane akkoorden, geratificeerd tussen de lidstaten van de Europese Unie en respectievelijk Marokko, Algerije en Tunesië : de niet feitelijk of van tafel en bed gescheiden echtgenoot of de niet uit de echt gescheiden echtgenoot.".
Art. 2. L'article 2 de la loi du 22 mars 2001 instituant la garantie de revenus aux personnes âgées, modifié par la loi du 23 décembre 2005, est complété par les 5° et 6°, rédigés comme suit :
  "5° cohabitant légal : la personne qui a fait une déclaration écrite de cohabitation légale en application de l'article 1475 du Code civil;
  6° membre de la famille dans le cadre des Accords Euro-méditerranéens, ratifiés entre les Etats membres de l'Union européenne et respectivement, le Maroc, l'Algérie et la Tunisie : le conjoint non séparé de fait ou de corps ou le conjoint non divorcé.".
Art. 3. In artikel 4 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 22 juni 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid wordt de bepaling onder 2° aangevuld met de woorden "of van de Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels;";
  2° in hetzelfde lid wordt de bepaling onder 4° aangevuld met de woorden "of de genieters van de subsidiaire beschermingsstatus bedoeld in artikel 49/2 van dezelfde wet van 15 december 1980;";
  3° in hetzelfde lid wordt de bepaling onder 7° ingevoegd, luidende :
  "7° de onderdanen van een Staat die partij is bij het Europees Sociaal Handvest van de Raad van Europa, ondertekend in Turijn op 18 oktober 1961 en goedgekeurd door de wet van 11 juli 1990 of het herziene Europees Sociaal Handvest van de Raad van Europa, ondertekend in Straatsburg op 3 mei 1996 en goedgekeurd door de wet van 2 maart 2004;";
  4° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Dit artikel voorziet in de bepaling onder 4° van het eerste lid in de gedeeltelijke omzetting van de Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming, voor wat betreft de genieters van de subsidiaire beschermingsstatus bedoeld in artikel 49/2 van dezelfde wet van 15 december 1980.".
Art. 3. A l'article 4 de la même loi, modifié par la loi du 22 juin 2012, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa 1er, le 2° est complété par les mots "ou du Règlement (CE) n° 883/2004 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 portant sur la coordination des systèmes de sécurité sociale;";
  2° au même alinéa, le 4° est complété par les mots "ou les bénéficiaires de la protection subsidiaire visés à l'article 49/2 de la même loi du 15 décembre 1980;";
  3° au même alinéa, est inséré le 7° rédigé comme suit :
  "7° les ressortissants d'un Etat partie à la Charte sociale européenne du Conseil de l'Europe, signée à Turin le 18 octobre 1961 et approuvée par la loi du 11 juillet 1990 ou à la Charte sociale européenne révisée du Conseil de l'Europe, signée à Strasbourg le 3 mai 1996 et approuvée par la loi du 2 mars 2004;";
  4° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  "Sous la disposition de l'alinéa 1er, 4°, le présent article transpose partiellement la Directive 2011/95/UE du 13 décembre 2011 du Parlement européen et du Conseil concernant les normes relatives aux conditions que doivent remplir les ressortissants des pays tiers ou les apatrides pour pouvoir bénéficier d'une protection internationale, à un statut uniforme pour les réfugiés ou les personnes pouvant bénéficier de la protection subsidiaire, et au contenu de cette protection, en ce qui concerne les bénéficiaires de la protection subsidiaire visés à l'article 49/2 de la même loi du 15 décembre 1980.".
Art. 4. Artikel 6 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 6. § 1. Het bedrag van de inkomensgarantie beloopt ten hoogste 4 653,00 euro per jaar.
  Onverminderd de toepassing van afdeling 2 van dit hoofdstuk wordt dit bedrag toegekend aan de betrokkene die aan de in artikelen 3 en 17 bedoelde leeftijdsvoorwaarden voldoet en dezelfde hoofdverblijfplaats deelt met één of meerdere andere personen.
  Worden geacht dezelfde hoofdverblijfplaats te delen, de aanvrager en elke andere persoon die gewoonlijk met hem op dezelfde plaats verblijft.
  Het gewoonlijk verblijf blijkt uit de inschrijving in de bevolkingsregisters van de gemeente waar de verblijfplaats is gevestigd.
  § 2. Op het in paragraaf 1 bedoelde bedrag wordt de coëfficiënt 1,50 toegepast voor de gerechtigde die dezelfde hoofdverblijfplaats niet met één of meerdere personen deelt en die aan de in artikelen 3 en 17 bedoelde leeftijdsvoorwaarden voldoet.
  De volgende personen worden niet geacht dezelfde hoofdverblijfplaats te delen met de aanvrager, ondanks het feit dat zij in de bevolkingsregisters zijn ingeschreven op het adres van de aanvrager :
  1° de minderjarige kinderen;
  2° de meerderjarige kinderen waarvoor kinderbijslag wordt genoten;
  3° de personen die in hetzelfde rusthuis of hetzelfde rust- en verzorgingstehuis of psychiatrisch verzorgingstehuis als de aanvrager zijn opgenomen;
  4° de bloed- of aanverwanten in de rechte neergaande of opgaande lijn en hun wettelijk samenwonende.
  § 3. Op het in paragraaf 1 bedoelde bedrag wordt de coëfficiënt 1,50 toegepast voor de gerechtigde die :
  1° dezelfde hoofdverblijfplaats heeft als de echtgenoot of de wettelijk samenwonende terwijl deze laatste in een rusthuis of rust- en verzorgingstehuis of psychiatrisch verzorgingstehuis is opgenomen en dit tehuis niet als hoofdverblijfplaats heeft en voor zover de gerechtigde die hoofdverblijfplaats niet deelt met één of meerdere andere personen dan een bloed- of aanverwant in rechte neergaande of opgaande lijn en diens wettelijk samenwonende, of minderjarige kinderen of meerderjarige kinderen waarvoor kinderbijslag wordt genoten;
  2° dezelfde hoofdverblijfplaats heeft als de echtgenoot of de wettelijk samenwonende terwijl deze gerechtigde in een rusthuis of rust- en verzorgingstehuis of psychiatrisch verzorgingstehuis is opgenomen en dit tehuis niet als hoofdverblijfplaats heeft;
  3° dezelfde hoofdverblijfplaats heeft als de echtgenoot of de wettelijk samenwonende terwijl zowel de gerechtigde als de echtgenoot of de wettelijk samenwonende in een rusthuis of rust- en verzorgingstehuis of psychiatrisch verzorgingstehuis zijn opgenomen en dit tehuis niet als hoofdverblijfplaats hebben.
  § 4 De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, vaststellen onder welke voorwaarden de bepalingen van paragrafen 2 en 3 kunnen worden uitgebreid tot andere categorieën van personen die Hij bepaalt.
  § 5. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het in paragraaf 1 bedoelde bedrag verhogen.
  § 6. Het in paragraaf 1 bedoelde bedrag is gekoppeld aan spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) en evolueert overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient te worden gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
  § 7. Het in paragraaf 1 bedoelde bedrag wordt om de twee jaar aangepast. De Koning stelt hiertoe, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de verhogingscoëfficiënt vast op basis van de beslissing die inzake de maximale marge voor de loonkostenontwikkeling wordt genomen in uitvoering van hetzij artikel 6, hetzij artikel 7 van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen.".
Art. 4. L'article 6 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 6. § 1er. Le montant annuel de la garantie de revenus s'élève au maximum à 4 653,00 euros.
  Sans préjudice de l'application de la section 2 du présent chapitre, ce montant est octroyé à l'intéressé qui satisfait aux conditions d'âge prévues aux articles 3 et 17 et qui partage la même résidence principale avec une ou plusieurs autres personnes.
  Sont censés partager la même résidence principale, le demandeur et toute autre personne qui réside habituellement avec lui au même endroit.
  La résidence habituelle ressort de l'inscription dans les registres de la population de la commune du lieu de résidence.
  § 2. Le coefficient 1,50 s'applique au montant visé au paragraphe 1er pour le bénéficiaire qui ne partage pas sa résidence principale avec une ou plusieurs autres personnes et qui satisfait aux conditions d'âge prévues aux articles 3 et 17.
  Nonobstant l'inscription dans les registres de la population à la même adresse que le demandeur, les personnes suivantes ne sont pas censées partager la même résidence principale que le demandeur :
  1° les enfants mineurs;
  2° les enfants majeurs pour lesquels des allocations familiales sont perçues;
  3° les personnes accueillies dans la même maison de repos ou la même maison de repos et de soins, ou la même maison de soins psychiatriques que le demandeur;
  4° les parents ou alliés en ligne directe descendante ou ascendante et leurs cohabitants légaux.
  § 3. Le coefficient 1,50 s'applique au montant visé au paragraphe 1er pour le bénéficiaire qui :
  1° a le même lieu de résidence principale que le conjoint ou le cohabitant légal alors que ce dernier a été admis dans une maison de repos ou une maison de repos et de soins ou dans une maison de soins psychiatriques et qui n'a pas cette maison comme lieu de résidence principale et pour autant que le bénéficiaire ne partage pas cette résidence principale avec une ou plusieurs personnes autres qu'un parent ou allié en ligne directe descendante ou ascendante et leurs cohabitants légaux, ou un ou plusieurs enfants mineurs ou majeurs pour lesquels des allocations familiales sont perçues;
  2° a le même lieu de résidence principale que le conjoint ou le cohabitant légal alors que ce bénéficiaire a été admis dans une maison de repos ou une maison de repos et de soins ou dans une maison de soins psychiatriques et qui n'a pas cette maison comme lieu de résidence principale;
  3° a le même lieu de résidence principale que le conjoint ou le cohabitant légal alors que tant le bénéficiaire que le conjoint ou le cohabitant légal ont été admis dans une maison de repos ou une maison de repos et de soins ou dans une maison de soins psychiatriques et qui n'ont pas cette maison comme lieu de résidence principale.
  § 4. Le Roi peut fixer, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, à quelles conditions les dispositions des paragraphes 2 et 3 peuvent être étendues à d'autres catégories de personnes qu'Il détermine.
  § 5. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, augmenter le montant visé au paragraphe 1er.
  § 6. Le montant visé au paragraphe 1er est lié à l'indice 103,14 (base 1996 = 100) et varie conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
  § 7. Le montant visé au paragraphe 1er est adapté tous les deux ans. A cet effet, le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le coefficient de revalorisation sur la base de la décision qui est prise en matière de marge maximale pour l'évolution du coût salarial en exécution, soit de l'article 6, soit de l'article 7 de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité.".
Art. 5. Artikel 7 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 9 juli 2004, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 7. § 1. De inkomensgarantie kan enkel worden toegekend na onderzoek van de bestaansmiddelen en van de pensioenen. Alle bestaansmiddelen en pensioenen, van welke aard of oorsprong ook, waarover de betrokkene of de echtgenoot of de wettelijk samenwonende waarmee hij dezelfde hoofdverblijfplaats deelt, beschikken, komen in aanmerking voor de berekening van de inkomensgarantie, behalve de door de Koning bepaalde uitzonderingen.
  Voor de persoon die in gemeenschap leeft of de hoofdverblijfplaats deelt met andere personen, andere dan de echtgenoot of de wettelijk samenwonende, wordt enkel rekening gehouden met de bestaansmiddelen en de pensioenen waarover de aanvrager persoonlijk beschikt. Wanneer de betrokkene aan de in artikel 6, § 2, bepaalde voorwaarden voldoet, wordt voor de berekening van de inkomensgarantie enkel rekening gehouden met de bestaansmiddelen en de pensioenen waarover hij persoonlijk beschikt.
  De Koning bepaalt met welke bestaansmiddelen bij het vaststellen van de inkomensgarantie geen rekening wordt gehouden.
  § 2. Het totaal van de in paragraaf 1 bedoelde bestaansmiddelen en de pensioenen wordt, na aftrek van de in de artikelen 8 tot 10 en 12 bedoelde vrijstellingen, gedeeld door het aantal personen wiens bestaansmiddelen en pensioenen overeenkomstig paragraaf 1 in aanmerking worden genomen, de betrokkene inbegrepen. Dit totaal wordt meegedeeld aan de betrokkene.
  In afwijking van het vorig lid wordt het aantal minderjarige kinderen en meerderjarige kinderen waarvoor kinderbijslag wordt genoten, voor beiden beperkt tot de eerste graad ten aanzien van betrokkene of de echtgenoot of de wettelijk samenwonende, en voor zover zij in het bevolkingsregister zijn ingeschreven op het adres van betrokkene, in de deler opgenomen.
  Kinderen die door een gerechtelijke beslissing geplaatst werden bij de betrokkene of zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende, en waarvoor kinderbijslag wordt genoten en die in het bevolkingsregister zijn ingeschreven op het adres van de betrokkene, worden eveneens opgenomen in de deler.
  Het resultaat van deze berekening wordt, na aftrek van de in artikel 11 bedoelde vrijstelling, in mindering gebracht op het in artikel 6, §§ 1, 2, of 3 bedoelde jaarbedrag, naargelang van het geval.
  § 3. De Koning bepaalt onder welke omstandigheden en onder welke voorwaarden het in artikel 6, § 1, vermelde bedrag zonder een nieuw onderzoek naar de bestaansmiddelen naar het in artikel 6, §§ 2 of 3, bedoelde bedrag wordt omgezet.
  § 4. Voor de toepassing van § 1, tweede lid, bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat onder "persoon die in gemeenschap leeft" moet begrepen worden".".
Art. 5. L'article 7 de la même loi, modifié par la loi du 9 juillet 2004, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 7. § 1er. La garantie de revenus ne peut être octroyée qu'après examen des ressources et des pensions. Toutes les ressources et pensions, de quelque nature qu'elles soient, dont disposent l'intéressé ou le conjoint ou cohabitant légal avec lequel il partage la même résidence principale, sont prises en considération pour le calcul de la garantie de revenus, sauf les exceptions prévues par le Roi.
  Pour la personne qui vit en communauté ou qui partage la résidence principale avec d'autres personnes, autres que le conjoint ou le cohabitant légal, il est uniquement tenu compte des ressources et des pensions dont le demandeur dispose personnellement. Lorsque l'intéressé satisfait aux conditions prévues à l'article 6, § 2, il est tenu compte, pour le calcul de la garantie de revenus, uniquement des ressources et des pensions dont il dispose personnellement.
  Le Roi détermine les ressources dont il n'est pas tenu compte lors de l'établissement de la garantie de revenus.
  § 2. Le total des ressources visées au paragraphe 1er et des pensions est, après déduction des immunisations visées aux articles 8 à 10 et 12, divisé par le nombre de personnes dont les ressources et pensions sont, conformément au paragraphe 1er, prises en considération, en ce compris l'intéressé. Ce total est communiqué à l'intéressé.
  Par dérogation à l'alinéa précédent, le nombre d'enfants mineurs d'âge et d'enfants majeurs pour lesquels des allocations familiales sont perçues, limité, dans les deux cas, au premier degré par rapport à l'intéressé ou au conjoint ou au cohabitant légal, et pour autant qu'ils soient inscrits dans le registre de la population à l'adresse de l'intéressé, est repris au dénominateur.
  Sont également repris dans le dénominateur, les enfants placés par décision judiciaire auprès de l'intéressé, ou de son conjoint ou du cohabitant légal, pour lesquels des allocations familiales sont perçues et qui sont inscrits dans le registre de la population à l'adresse de l'intéressé.
  Le résultat de ce calcul est, après déduction de l'immunisation visée à l'article 11, déduit du montant annuel visé à l'article 6, §§ 1er, 2 ou 3, suivant le cas.
  § 3. Le Roi fixe dans quelles circonstances et à quelles conditions le montant mentionné à l'article 6, § 1er, est converti sans un nouvel examen sur les ressources au montant visé à l'article 6, §§ 2 ou 3.
  § 4. Pour l'application du § 1er, alinéa 2, le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, ce qu'il faut entendre par "personne qui vit en communauté".".
Art. 6. In de artikelen 8, 10, 12 en 13 van dezelfde wet worden de woorden "de personen" telkens vervangen door de woorden "de echtgenoot of de wettelijk samenwonende".
Art. 6. Dans les articles 8, 10, 12 et 13 de la même loi, les mots "'les personnes avec" sont chaque fois remplacés par les mots "le conjoint ou le cohabitant légal avec".
Art. 7. Artikel 11 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 11. De inkomensgarantie wordt enkel met dat gedeelte van de bestaansmiddelen verminderd dat het door de Koning vastgesteld bedrag overschrijdt.
  Dit bedrag kan verschillen naargelang het een in artikel 6, §§ 1, 2, of 3 bedoelde gerechtigde betreft.".
Art. 7. L'article 11 de la même loi est remplacé comme suit :
  "Art. 11. La garantie de revenus n'est réduite que de cette partie des ressources qui dépasse le montant fixé par le Roi.
  Ce montant peut être différent selon qu'il s'agisse d'un bénéficiaire visé à l'article 6, §§ 1er, 2, ou 3.".
Art. 8. De artikelen 110 en 111 van de wet van 6 mei 2009 houdende diverse bepalingen worden opgeheven.
Art. 8. Les articles 110 et 111 de la loi du 6 mai 2009 portant des dispositions diverses sont abrogés.
Art. 9. Deze wet treedt in werking op 1 januari 2014, met uitzondering van artikel 3, 2°, dat in werking treedt op 21 december 2013 en met uitzondering van artikel 3, 3°, dat in werking treedt op een door de Koning te bepalen datum.
  De personen ten aanzien van wie een beslissing inzake inkomensgarantie voor ouderen werd getroffen met uitwerking ten laatste vóór 1 januari 2014, behouden het hen toegekende bedrag tot op het ogenblik dat ambtshalve of op aanvraag, conform de bepalingen van hoofdstuk 2, afdelingen 2 en 3, van het koninklijk besluit van 23 mei 2001 tot instelling van een algemeen reglement betreffende de inkomensgarantie voor ouderen, een herzieningsbeslissing wordt genomen en dit naar aanleiding van nieuwe feiten die zich voordoen ten vroegste op 1 januari 2014.
Art. 9. La présente loi entre en vigueur le 1er janvier 2014, à l'exception de l'article 3, 2°, qui entre en vigueur le 21 décembre 2013 et à l'exception de l'article 3, 3°, qui entre en vigueur à la date fixée par le Roi.
  Les personnes à l'égard desquelles une décision en matière de garantie de revenus aux personnes âgées a été prise avec effet avant le 1er janvier 2014, conservent le montant qui leur a été attribué jusqu'au moment où, d'office ou sur demande, conformément aux dispositions du chapitre 2, sections 2 et 3, de l'arrêté royal du 23 mai 2001 portant règlement général en matière de garantie de revenus aux personnes âgées, une décision de révision est prise et cela suite à des faits nouveaux qui se produisent au plus tôt le 1er janvier 2014.
  Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
  Gegeven te Brussel, 8 december 2013.
  FILIP
  Van Koningswege :
  De Minister van Pensioenen,
  A. DE CROO
  Met 's Lands zegel gezegeld :
  De Minister van Justitie,
  Mevr. A. TURTELBOOM
  Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soi revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
  Donné à Bruxelles, le 8 décembre 2013.
  PHILIPPE
  Par le Roi :
  Le Ministre des Pensions,
  A. DE CROO
  Scellé du sceau de l'Etat :
  La Ministre de la Justice,
  Mme A. TURTELBOOM