Artikel 1. § 1. Op de datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit bedoeld in paragraaf 2, wordt de naamloze vennootschap, opgericht door NMBS Holding en Infrabel, met als benaming " HR-Test " zonder onderbreking van de continuïteit van haar rechtspersoonlijkheid, omgevormd tot een publiekrechtelijke rechtspersoon, die de vorm aanneemt van een naamloze vennootschap van publiek recht, die de benaming " HR Rail " krijgt en die geregeld wordt door de bepalingen van dit besluit.
  § 2. Binnen dertig dagen na de inwerkingtreding van deze paragraaf, stelt de Koning bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de statuten van HR Rail vast, die gelden vanaf de omvorming in een naamloze vennootschap van publiek recht.
  § 3. Op de datum van inwerkingtreding van het besluit bedoeld in paragraaf 2 stelt de algemene vergadering de omvorming van HR-Test in HR Rail als naamloze vennootschap van publiek recht vast.
  § 4. Artikel 559 van het Wetboek van vennootschappen en de bepalingen van boek XII van het Wetboek van vennootschappen zijn niet van toepassing op de omvorming waarvan sprake in dit artikel.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
11 DECEMBER 2013. - Koninklijk besluit houdende het personeel van de Belgische Spoorwegen
Titre
11 DECEMBRE 2013. - ArrĂȘtĂ© royal relatif au personnel des Chemins de fer belges
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
Titel I. - Totstandbrenging van HR Rail als naa...
Titel II. - Overdracht van personeel naar HR Ra...
Titel III. - Het personeel van de Belgische Spo...
Titel IV. - Wijzigings- en opheffingsbepalingen
HOOFDSTUK 1. - In de wet van 23 juli 1926 betre...
HOOFDSTUK 2. - In de wet van 21 maart 1991
HOOFDSTUK 3. - Andere
Afdeling 1. - Pensioenen
Afdeling 2. - Gezinsbijslag
Afdeling 3. - Beroepsziekten
Afdeling 4. - Arbeidsongevallen
Afdeling 5. - Verplichte verzekering voor genee...
Afdeling 6. - Sociale zekerheid voor werknemers
Afdeling 7. - Diverse bepalingen
Titel V. - Overgangsbepalingen
Titel VI. - Fiscale bepaling
Titel VII. - Diverse bepalingen
Inhoud
Titre Ier. - Création de HR Rail en tant que so...
Titre II. - Transfert du personnel vers HR Rail...
Titre III. - Le personnel des Chemins de fer be...
Titre IV. - Dispositions modificatives et abrog...
CHAPITRE 1er. - Dans la loi du 23 juillet 1926 ...
CHAPITRE 2. - Dans la loi du 21 mars 1991
CHAPITRE 3. - Autres
Section 1re. - Pensions
Section 2. - Allocations familiales
Section 3. - Maladies professionelles
Section 4. - Accidents du travail
Section 5. - Assurance obligatoire soins de san...
Section 6. - Sécurité sociale des travailleurs ...
Section 7. - Dispositions diverses
Titre V. - Dispositions transitoires
Titre VI. - Disposition fiscale
Titre VII. - Dispositions diverses
Tekst (99)
Texte (99)
Titel I. - Totstandbrenging van HR Rail als naamloze vennootschap van publiek recht
Titre Ier. - Création de HR Rail en tant que société anonyme de droit public
Article 1er. § 1er. A l'entrĂ©e en vigueur de l'arrĂȘtĂ© royal visĂ© au paragraphe 2, la sociĂ©tĂ© anonyme, constituĂ©e par la SNCB Holding et Infrabel, sous la dĂ©nomination " HR-Test ", est transformĂ©e, sans interruption de la continuitĂ© de sa personnalitĂ© juridique, en personne morale de droit public, sous la forme d'une sociĂ©tĂ© anonyme de droit public, qui sera dĂ©nommĂ©e " HR Rail " et qui sera rĂ©glĂ©e par les dispositions du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  § 2. EndĂ©ans les trente jours aprĂšs l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent paragraphe, le Roi Ă©tablit, par arrĂȘtĂ© dĂ©libĂ©rĂ© en Conseil des ministres, les statuts de HR Rail, qui seront d'application Ă partir de sa transformation en sociĂ©tĂ© anonyme de droit public.
  § 3. A la date de l'entrĂ©e en vigueur de l'arrĂȘtĂ© visĂ© au paragraphe 2, l'assemblĂ©e gĂ©nĂ©rale constate la transformation de HR-Test en HR Rail sous la forme d'une sociĂ©tĂ© anonyme de droit public.
  § 4. L'article 559 du Code des sociétés et les dispositions du livre XII du Code des sociétés ne sont pas applicables à la transformation visée au présent article.
  § 2. EndĂ©ans les trente jours aprĂšs l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent paragraphe, le Roi Ă©tablit, par arrĂȘtĂ© dĂ©libĂ©rĂ© en Conseil des ministres, les statuts de HR Rail, qui seront d'application Ă partir de sa transformation en sociĂ©tĂ© anonyme de droit public.
  § 3. A la date de l'entrĂ©e en vigueur de l'arrĂȘtĂ© visĂ© au paragraphe 2, l'assemblĂ©e gĂ©nĂ©rale constate la transformation de HR-Test en HR Rail sous la forme d'une sociĂ©tĂ© anonyme de droit public.
  § 4. L'article 559 du Code des sociétés et les dispositions du livre XII du Code des sociétés ne sont pas applicables à la transformation visée au présent article.
Titel II. - Overdracht van personeel naar HR Rail en terbeschikkingstelling van personeel door HR Rail
Titre II. - Transfert du personnel vers HR Rail et mise Ă disposition du personnel par HR Rail
Art. 2. § 1. Alle statutaire en niet statutaire personeelsleden in dienst van NMBS Holding op 31 december 2013 worden van rechtswege overgedragen naar HR Rail met ingang van 1 januari 2014 zonder dat hun rechtspositie hierbij wordt gewijzigd.
  § 2. Zonder afbreuk te doen aan de paragrafen 3, 4 en 5, worden de personeelsleden die op 31 december 2013 ter beschikking gesteld waren van Infrabel of NMBS op 1 januari 2014 van rechtswege ter beschikking gesteld van Infrabel of (nieuwe) NMBS al naargelang zij op 31 december 2013 ter beschikking waren gesteld van het zij de ene, hetzij de andere vennootschap.
  § 3. Indien een activiteit die voor de hervorming ondergebracht was bij Infrabel respectievelijk bij NMBS door de hervorming ondergebracht wordt bij (nieuwe) NMBS respectievelijk Infrabel, dan volgt het personeel dat op 31 december 2013 verbonden was aan deze activiteit en dat voor de hervorming ter beschikking was gesteld van Infrabel, respectievelijk NMBS, deze activiteit en wordt het op 1 januari 2014 van rechtswege ter beschikking gesteld van (nieuwe) NMBS respectievelijk Infrabel.
  § 4. Indien een activiteit die voor de hervorming ondergebracht was bij NMBS Holding door de hervorming ondergebracht wordt bij Infrabel respectievelijk (nieuwe) NMBS, dan volgt het personeel dat op 31 december 2013 verbonden was aan deze activiteit, deze activiteit en wordt het op 1 januari 2014 van rechtswege ter beschikking gesteld van Infrabel respectievelijk (nieuwe) NMBS.
  § 5. Indien een activiteit die voor de hervorming ondergebracht was bij NMBS Holding door de hervorming gesplitst wordt waarbij de delen ondergebracht worden bij Infrabel, respectievelijk (nieuwe) NMBS, respectievelijk HR Rail, dan zullen de personeelsleden toegewezen worden aan Infrabel of (nieuwe) NMBS of HR Rail op basis van een akkoord tussen NMBS Holding, Infrabel en NMBS.
  § 2. Zonder afbreuk te doen aan de paragrafen 3, 4 en 5, worden de personeelsleden die op 31 december 2013 ter beschikking gesteld waren van Infrabel of NMBS op 1 januari 2014 van rechtswege ter beschikking gesteld van Infrabel of (nieuwe) NMBS al naargelang zij op 31 december 2013 ter beschikking waren gesteld van het zij de ene, hetzij de andere vennootschap.
  § 3. Indien een activiteit die voor de hervorming ondergebracht was bij Infrabel respectievelijk bij NMBS door de hervorming ondergebracht wordt bij (nieuwe) NMBS respectievelijk Infrabel, dan volgt het personeel dat op 31 december 2013 verbonden was aan deze activiteit en dat voor de hervorming ter beschikking was gesteld van Infrabel, respectievelijk NMBS, deze activiteit en wordt het op 1 januari 2014 van rechtswege ter beschikking gesteld van (nieuwe) NMBS respectievelijk Infrabel.
  § 4. Indien een activiteit die voor de hervorming ondergebracht was bij NMBS Holding door de hervorming ondergebracht wordt bij Infrabel respectievelijk (nieuwe) NMBS, dan volgt het personeel dat op 31 december 2013 verbonden was aan deze activiteit, deze activiteit en wordt het op 1 januari 2014 van rechtswege ter beschikking gesteld van Infrabel respectievelijk (nieuwe) NMBS.
  § 5. Indien een activiteit die voor de hervorming ondergebracht was bij NMBS Holding door de hervorming gesplitst wordt waarbij de delen ondergebracht worden bij Infrabel, respectievelijk (nieuwe) NMBS, respectievelijk HR Rail, dan zullen de personeelsleden toegewezen worden aan Infrabel of (nieuwe) NMBS of HR Rail op basis van een akkoord tussen NMBS Holding, Infrabel en NMBS.
Art. 2. § 1er. Tous les membres du personnel statutaire et non statutaire au service de la SNCB Holding au 31 décembre 2013 sont de plein droit transférés vers HR Rail à compter du 1er janvier 2014, sans que cela n'entraßne une modification de leur statut juridique.
  § 2. Sans préjudice aux paragraphes 3, 4 et 5, les membres du personnel, qui étaient mis à la disposition d'Infrabel ou de la SNCB au 31 décembre 2013, sont de plein droit mis à la disposition d'Infrabel ou de la (nouvelle) SNCB au 1er janvier 2014, suivant qu'ils étaient mis à la disposition soit de l'une soit de l'autre société, au 31 décembre 2013.
  § 3. Si une activité qui, avant la réforme était attribuée auprÚs respectivement d'Infrabel ou de la SNCB, est attribuée, suite à la réforme, auprÚs respectivement de la (nouvelle) SNCB ou d'Infrabel, alors le personnel qui était lié au 31 décembre 2013 à cette activité et qui, avant la réforme, était mis à la disposition respectivement d'Infrabel ou de la SNCB, suit cette activité et est mis de plein droit à la disposition respectivement de la (nouvelle) SNCB ou d'Infrabel au 1er janvier 2014.
  § 4. Si une activité qui, avant la réforme, était attribuée à la SNCB Holding est attribuée, suite à la réforme à respectivement Infrabel ou la (nouvelle) SNCB, alors le personnel qui était lié au 31 décembre 2013 à cette activité suit cette activité et est mis d'office à la disposition respectivement d'Infrabel ou de la (nouvelle) SNCB au 1er janvier 2014.
  § 5. Si une activité qui, avant la réforme, était attribuée à la SNCB Holding est divisée, suite à la réforme, de sorte que les parties sont attribuées respectivement à Infrabel ou à la (nouvelle) SNCB ou à HR Rail, alors les membres du personnel seront attribués à Infrabel, la (nouvelle) SNCB ou HR rail sur base d'un accord entre la SNCB Holding, Infrabel et la SNCB.
  § 2. Sans préjudice aux paragraphes 3, 4 et 5, les membres du personnel, qui étaient mis à la disposition d'Infrabel ou de la SNCB au 31 décembre 2013, sont de plein droit mis à la disposition d'Infrabel ou de la (nouvelle) SNCB au 1er janvier 2014, suivant qu'ils étaient mis à la disposition soit de l'une soit de l'autre société, au 31 décembre 2013.
  § 3. Si une activité qui, avant la réforme était attribuée auprÚs respectivement d'Infrabel ou de la SNCB, est attribuée, suite à la réforme, auprÚs respectivement de la (nouvelle) SNCB ou d'Infrabel, alors le personnel qui était lié au 31 décembre 2013 à cette activité et qui, avant la réforme, était mis à la disposition respectivement d'Infrabel ou de la SNCB, suit cette activité et est mis de plein droit à la disposition respectivement de la (nouvelle) SNCB ou d'Infrabel au 1er janvier 2014.
  § 4. Si une activité qui, avant la réforme, était attribuée à la SNCB Holding est attribuée, suite à la réforme à respectivement Infrabel ou la (nouvelle) SNCB, alors le personnel qui était lié au 31 décembre 2013 à cette activité suit cette activité et est mis d'office à la disposition respectivement d'Infrabel ou de la (nouvelle) SNCB au 1er janvier 2014.
  § 5. Si une activité qui, avant la réforme, était attribuée à la SNCB Holding est divisée, suite à la réforme, de sorte que les parties sont attribuées respectivement à Infrabel ou à la (nouvelle) SNCB ou à HR Rail, alors les membres du personnel seront attribués à Infrabel, la (nouvelle) SNCB ou HR rail sur base d'un accord entre la SNCB Holding, Infrabel et la SNCB.
Titel III. - Het personeel van de Belgische Spoorwegen
Titre III. - Le personnel des Chemins de fer belges
Art. 3. De wet van 23 juli 1926 betreffende N.M.B.S. Holding en haar verbonden vennootschappen, waarvan de bestaande tekst Boek 1 zal vormen met als opschrift " Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen ", wordt aangevuld met een Boek 2, luidende :
  Boek 2. Het personeel van de Belgische Spoorwegen
  Titel 1. Definities
  Art. 21. Voor de toepassing van dit boek, wordt verstaan onder :
  Vennootschap(pen) : Infrabel, NMBS, HR Rail;
  NMBS Holding : de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS Holding, voor het ogenblik waarop de fusie bedoeld in hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 7 november 2013 tot hervorming van de structuren van NMBS Holding, Infrabel en de NMBS (I) uitwerking heeft;
  Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, afgekort " NMBS " : de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS, vanaf het ogenblik dat de fusie bedoeld in hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 7 november 2013 tot hervorming van de structuren van NMBS Holding, Infrabel en de NMBS (I) uitwerking heeft;
  Infrabel : de naamloze vennootschap van publiek recht Infrabel;
  Belgische Spoorwegen : de drie vennootschappen gezamenlijk;
  Hervorming : hervorming van de Belgische Spoorwegen op grond van de wet van 30 augustus 2013 betreffende de hervorming van de Belgische spoorwegen;
  Human resources, afgekort HR : omvat onder meer de volgende domeinen : sociale dialoog, terbeschikkingstelling van personeel, personeelsplanning, aanwerving en selectie, beloningsbeleid en arbeidsvoorwaarden, loopbaanbeleid, opleiding en ontwikkeling, performantiemanagement, opruststelling en (on)vrijwillige uitstroom, beheer van de uitbetalingen, sociale zaken, personeelsbeslissingen met individuele draagwijdte, beheer van de opruststelling, tucht, evaluatie, opvolging van arbeidsongevallen en beroepsziekten, welzijn, medische dienst, CPS en het beheer van de bedrijfsrestaurants;
  HR-beleid : het voorstellen en nader bepalen van het beleid inzake personeelszaken, waaronder onder meer de beleidsevaluatie en alle HR-beleidsbeslissingen worden gevat in één of meer domeinen van HR. Het HR-beleid heeft een algemene draagwijdte en betreft een deel of het volledige personeel van de Belgische Spoorwegen al dan niet ter beschikking gesteld van Infrabel of NMBS;
  HR-uitvoering : het doen, het opleveren of het administratief verwerken van het HR-beleid en het HR-beheer; het voeren van personeelsadministratie en het verlenen van aanverwante dienstverlening aan het personeel en de vennootschappen in één of meer domeinen van HR;
  HR-beheer : het administratief beheer, waaronder onder meer het data-beheer, het documenteren, het onderhouden en het bewaren van informatie in één of meer domeinen van HR worden gevat;
  HR-expertise : het adviseren en het informeren omtrent één of meer domeinen van HR;
  HR-processen : het geheel van de opeenvolgende bewerkingen, verricht met als doel de HR-uitvoering, en de opeenvolgende ontwikkelingen strekkend tot voortdurende verbetering, modernisering en uitbouw van het HR-beleid, de HR-uitvoering, het HR-beheer en/of de HR-expertise;
  HR-dienstenovereenkomst : de wederzijdse overeenkomst(en) tussen HR Rail en Infrabel en HR Rail en NMBS waarin de wederzijdse rechten en verplichtingen inzake het HR-beleid, de HR-uitvoering, het HR-beheer en de HR-exptertise in één of meer van de domeinen van HR nader worden gepreciseerd en toebedeeld, afgesloten volgens de modaliteiten zoals voorgeschreven onder artikel 98;
  HR Coördinatie Comité : Comité voor de coördinatie van het beheer van de personeelszaken, bedoeld in artikel 45 en volgende van deze wet;
  Personeelsstatuut : het statuut van het personeel tewerkgesteld bij de Belgische Spoorwegen, zoals vastgesteld door de raad van bestuur van HR Rail overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 75;
  Syndicaal statuut : Hoofdstuk XIII van het personeelsstatuut en ARPS-bundel 548 en alle latere wijzigingen ervan;
  Personeelsreglementering : interne reglementering vastgesteld ter uitvoering van het personeelsstatuut;
  Arbeidsreglement : een arbeidsreglement in de zin van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen;
  Wet van 21 maart 1991 : de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven;
  Wet van 4 augustus 1996 : de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;
  Kaderpersoneel : de leden van het hoger kader zoals omschreven in het personeelsstatuut.
  Titel 2. HR Rail
  Hoofdstuk 1. Maatschappelijk doel, kapitaal, statuten, wettelijke en reglementaire bepalingen
  Afdeling 1. Maatschappelijk doel en opdracht van openbare dienst van HR Rail
  Art. 22. § 1. HR Rail is een naamloze vennootschap van publiek recht. Zij ressorteert onder de minister die bevoegd is voor overheidsbedrijven.
  § 2. Op alle akten, facturen, aankondigingen, bekendmakingen, briefwisseling, publicaties, orders en andere stukken uitgaande van de vennootschap dient de benaming " HR Rail " steeds te worden voorafgegaan of gevolgd door de vermelding " naamloze vennootschap van publiek recht ".
  Art. 23. § 1. HR Rail heeft tot doel :
  1° de selectie en de aanwerving van het statutair en het niet statutair personeel dat nodig is voor de verwezenlijking van de opdrachten van Infrabel en NMBS, de terbeschikkingstelling aan Infrabel en NMBS van dat personeel en het optreden als juridisch werkgever met betrekking tot dat personeel;
  2° het beheer van personeelszaken, waaronder het bepalen en opvolgen van het HR-beleid, de HR-uitvoering, het HR-beheer en de HR-expertise worden omvat, zoals omschreven en binnen de afbakening van bevoegdheden en verantwoordelijkheden, uiteengezet door hoofdstuk III, afdeling 5, van deze wet, en dit ten dienste van de Belgische Spoorwegen;
  3° het organiseren en beheren van de sociale dialoog op het niveau van de Belgische Spoorwegen;
  4° het voorzien in een externe dienst in de zin van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, en dit ten dienste van de Belgische Spoorwegen;
  5° het beheer van de statutaire pensioenen op grond van artikel 159 van de programmawet van 27 december 2005 en in overeenstemming met het koninklijk besluit van 28 december 2005 betreffende de overname van de pensioenverplichtingen van de NMBS Holding door de Belgische Staat, bekrachtigd door de programmawet van 20 juli 2006 en met de uitvoeringsbesluiten;
  6° de selectie en de aanwerving en terbeschikkingstelling van statutair personeel dat nodig is voor de uitvoering van hun opdrachten aan vennootschappen, verenigingen en instellingen van publiek of privaat recht waarmee Infrabel, NMBS en/of HR Rail een deelnemingsverhouding hebben;
  7° de andere opdrachten waarmee zij belast is door of krachtens de wet.
  § 2. HR Rail kan de taken bedoeld in paragraaf 1, 2° en 4°, ook uitvoeren ten dienste van vennootschappen, verenigingen en instellingen van publiek of privaat recht waarmee Infrabel, NMBS en/of HR Rail een deelnemingsverhouding hebben en, in de mate deze taken bijkomstig zijn aan de taken bedoeld in paragraaf 1, ten dienste van derden.
  § 3. De taak vervat onder paragraaf 1, 3° vormt de opdracht van openbare dienst van HR Rail.
  § 4. HR Rail mag in België en in het buitenland alle handelingen stellen en verrichtingen doen die nodig of dienstig zijn voor de verwezenlijking van haar doel, met inbegrip van het nemen of aanhouden van rechtstreekse of onrechtstreekse belangen in vennootschappen, verenigingen en instellingen van publiek of privaat recht waarvan het doel verenigbaar is met haar maatschappelijk doel.
  Afdeling 2. Kapitaal - aandelen
  Art. 24. § 1. Elke uitgifte van nieuwe aandelen is onderworpen aan de voorafgaandelijke goedkeuring van de Koning, bij een besluit vastgesteld na beraadslaging in de Ministerraad.
  § 2. Geen enkele verrichting kan tot gevolg hebben dat het aantal aandelen gehouden door of voor rekening van de Staat in het maatschappelijk kapitaal van HR Rail daalt beneden twee procent van de aandelen in het maatschappelijk kapitaal van HR Rail, noch dat de overige aandelen in het maatschappelijk kapitaal van HR Rail niet meer in gelijke delen door Infrabel en NMBS worden gehouden.
  Art. 25. Ongeacht het deel van het maatschappelijk kapitaal dat zij vertegenwoordigen, geven de aandelen gehouden door of voor rekening van de Staat van rechtswege recht op zestig procent van de stemmen, de aandelen gehouden door Infrabel twintig procent van de stemmen en de aandelen gehouden door NMBS eveneens twintig procent van de stemmen.
  Afdeling 3. Statuten
  Art. 26. Een statutenwijziging heeft slechts uitwerking na goedkeuring door de Koning, bij een besluit vastgesteld na beraadslaging in de Ministerraad.
  Afdeling 4. Wettelijke en reglementaire bepalingen
  Art. 27. De vennootschap is onderworpen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die van toepassing zijn op de naamloze vennootschappen, in zoverre hiervan niet uitdrukkelijk door of krachtens deze wet of een andere bijzondere wet wordt afgeweken.
  Art. 28. De handelingen van HR Rail worden geacht daden van koophandel te zijn.
  Art. 29. Artikel 544 van het Wetboek van vennootschappen is niet van toepassing op HR Rail.
  Art. 30. HR Rail is niet onderworpen aan de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen en aan de faillissementswet van 8 augustus 1997.
  Art. 31. HR Rail geniet immuniteit van tenuitvoerlegging voor de goederen die geheel of gedeeltelijk zijn bestemd voor de uitvoering van haar opdracht van openbare dienst.
  Hoofdstuk 2. Organisatie
  Afdeling 1. De algemene vergadering
  Art. 32. De minister onder wiens bevoegdheid HR Rail ressorteert, of zijn afgevaardigde, vertegenwoordigt de Staat op de algemene vergadering.
  Art. 33. De algemene vergadering oefent geen andere bevoegdheden uit dan die welke haar zijn voorbehouden of toegekend op grond van deze wet of op grond van de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen die van toepassing zijn op de naamloze vennootschappen.
  Afdeling 2. De raad van bestuur
  Onderafdeling 1. Samenstelling en werking
  Art. 34. § 1. De raad van bestuur is samengesteld uit :
  1° één bestuurder die wordt benoemd door de Koning overeenkomstig paragraaf 2;
  2° de gedelegeerd bestuurder van Infrabel, die van rechtswege deel uitmaakt van de raad van bestuur;
  3° de gedelegeerd bestuurder van NMBS, die van rechtswege deel uitmaakt van de raad van bestuur;
  4° de algemeen directeur, die wordt benoemd overeenkomstig artikel 39.
  § 2. De bestuurder die wordt benoemd door de Koning, bij een besluit vastgesteld na beraadslaging in de Ministerraad voor een hernieuwbare termijn van zes jaar, treedt tevens van rechtswege op als voorzitter van de raad van bestuur. Deze bestuurder wordt gekozen omwille van zijn bijzondere bekwaamheid inzake sociale betrekkingen en kan slechts worden ontslagen door de Koning, bij een besluit vastgesteld na beraadslaging in de Ministerraad.
  § 3. De bezoldiging van de voorzitter wordt door de algemene vergadering bepaald.
  § 4. Wanneer de betrekking van de voorzitter vacant wordt, voorzien de overblijvende bestuurders voorlopig in deze vacature tot op het ogenblik dat een definitieve benoeming gebeurt overeenkomstig dit artikel.
  § 5. De voorzitter behoort tot een andere taalrol dan deze waartoe de algemeen directeur behoort.
  Art. 35. § 1. Een beslissing van de raad van bestuur kan slechts geldig worden genomen indien alle leden van de raad van bestuur aanwezig of geldig vertegenwoordigd zijn. Dit aanwezigheidsquorum wordt geverifieerd bij het begin van de vergadering van de raad van bestuur en voor de goedkeuring van elke beslissing van de raad van bestuur. Dit aanwezigheidsquorum geldt niet voor beslissingen op grond van artikel 39, § 1, en artikel 41, § 3, die geldig kunnen worden genomen, ongeacht het aantal aanwezige of geldig vertegenwoordigde bestuurders.
  § 2. De beslissingen van de raad van bestuur worden genomen bij gewone meerderheid van de stemmen van de aanwezige of geldig vertegenwoordigde bestuurders.
  Elk lid van de raad van bestuur dat een al dan niet bezoldigde functie, mandaat of activiteit, hetzij persoonlijk, hetzij via tussenkomst van een rechtspersoon, uitoefent ten dienste van NMBS kan niet deelnemen aan de beraadslagingen van de raad van bestuur over beslissingen die uitsluitend betrekking hebben op personeel van Infrabel dat behoort tot de in artikel 199bis, § 1 van de wet van 21 maart 1991 beschreven gespecialiseerde dienst, noch aan de stemming in dat verband. Dergelijk lid wordt meegerekend voor de berekening van het aanwezigheidsquorum, maar zal geacht worden afwezig te zijn voor de berekening van het meerderheidsquorum.
  § 3. Behoudens bij toepassing van artikel 39, § 1, en artikel 41, § 3, zal, indien binnen de raad van bestuur, op drie achtereenvolgende behoorlijk bijeengeroepen vergaderingen van de raad van bestuur binnen een tijdspanne van maximaal drie maanden, geen beslissing kon worden genomen over eenzelfde agendapunt, de voorzitter van de raad van bestuur een algemene vergadering bijeenroepen binnen een termijn van één maand, waarbij het betreffende agendapunt in de oproeping tot de algemene vergadering wordt vermeld. De algemene vergadering zal kunnen oordelen over het agendapunt bij gewone meerderheid van stemmen.
  Onderafdeling 2. Bevoegdheden
  Art. 36. § 1. De raad van bestuur is bevoegd om alle handelingen te verrichten die nodig of dienstig zijn tot verwezenlijking van het doel van HR Rail.
  De raad van bestuur houdt toezicht op het beleid van de algemeen directeur.
  § 2. De raad van bestuur kan de in paragraaf 1 bedoelde bevoegdheden geheel of gedeeltelijk opdragen aan de algemeen directeur, met uitzondering van :
  1° het vaststellen van het ondernemingsplan en het algemeen beleid;
  2° het toezicht op de algemeen directeur;
  3° de andere bevoegdheden die door deze wet en door het Wetboek van vennootschappen uitdrukkelijk aan de raad van bestuur worden toegewezen.
  § 3. De algemeen directeur doet op geregelde tijdstippen verslag aan de raad van bestuur. De raad van bestuur of zijn voorzitter kan op elk ogenblik van de algemeen directeur een verslag vragen betreffende de activiteiten van HR Rail of sommige ervan, dat aan de raad van bestuur wordt meegedeeld.
  Onderafdeling 3. Vertegenwoordiging
  Art. 37. HR Rail wordt zowel in rechte als ten aanzien van derden geldig vertegenwoordigd door de gezamenlijke handtekening van de algemeen directeur en van een andere bestuurder.
  Onderafdeling 4. Benoemings- en bezoldigingscomité
  Art. 38. § 1. De raad van bestuur richt in zijn midden een benoemings- en bezoldigingscomité op, waarin de voorzitter van de raad van bestuur die bedoeld comité ook voorzit, de gedelegeerd bestuurder van Infrabel en de gedelegeerd bestuurder van NMBS zetelen.
  § 2. Het benoemings- en bezoldigingscomité brengt overeenkomstig artikel 42 advies uit over de kandidaturen die door de algemeen directeur worden voorgesteld met het oog op de benoeming van de adjunct van de algemeen directeur en van het kaderpersoneel van HR Rail dat niet is terbeschikking gesteld.
  § 3. Het benoemings- en bezoldigingscomité doet een voorstel van de bezoldiging en de voordelen die worden toegekend aan de adjunct van de algemeen directeur, evenals aan het kaderpersoneel van HR Rail dat niet is ter beschikking gesteld.
  Afdeling 3. De algemeen directeur - de adjunct van de algemeen directeur
  Onderafdeling 1. De algemeen directeur
  Art. 39. § 1. De algemeen directeur, die onder meer een bijzondere bekwaamheid moet hebben op het vlak van HR, wordt benoemd door de raad van bestuur voor een hernieuwbare termijn van zes jaar, op unanieme voordracht van de twee bestuurders bedoeld in artikel 34, § 1, 2° en 3°. Indien een algemeen directeur in functie is, neemt deze niet deel aan de beraadslaging en stemming met betrekking tot dit agendapunt. De algemeen directeur wordt geacht afwezig te zijn voor de berekening van het meerderheidsquorum. De algemeen directeur wordt op dezelfde wijze ontslagen. Zijn opdracht bedoeld in artikel 40, § 1, wordt op dezelfde wijze vastgesteld.
  § 2. De administratieve en geldelijke rechtspositie van de algemeen directeur wordt door de raad van bestuur van HR Rail vastgesteld. Indien een algemeen directeur in functie is, neemt deze niet deel aan de beraadslaging en stemming met betrekking tot dit agendapunt. De algemeen directeur wordt geacht afwezig te zijn voor de berekening van het meerderheidsquorum.
  Art. 40. § 1. De algemeen directeur is belast met het dagelijks bestuur van HR Rail, inclusief het financieel beheer, en met de bevoegdheden, inclusief de vertegenwoordigingsbevoegdheden, die hem krachtens deze wet zijn toegekend. Hij heeft als voornaamste doelstelling de modernisering van het beheer van de personeelszaken op basis van een opdrachtbrief. Hij waakt in het bijzonder over de uitvoering van de opdracht van openbare dienst, over het financieel evenwicht van HR Rail en over het welzijn van het personeel tewerkgesteld voor de uitvoering van de opdrachten van HR Rail.
  § 2. De algemeen directeur is tevens belast met de krachtens artikel 36, § 2, door de raad van bestuur opgedragen bevoegdheden alsmede met de uitvoering van de beslissingen van de raad van bestuur.
  § 3. De algemeen directeur vertegenwoordigt HR Rail voor wat betreft het dagelijks bestuur en voor wat betreft de bevoegdheden die hem krachtens deze wet zijn toegekend.
  § 4. De algemeen directeur vervult een voltijdse functie binnen HR Rail.
  Art. 41. § 1. De algemeen directeur rapporteert ten minste tweemaal per jaar aan de raad van bestuur over de gemaakte vorderingen op het vlak van de modernisering bedoeld in artikel 40, § 1 en over de uitvoering van de opdracht van openbare dienst.
  § 2. Hij waakt erover dat hij vooraf de raad van bestuur informeert over alle standpunten die hij inneemt die een financiële impact kunnen hebben op Infrabel en NMBS.
  § 3. De evaluatie van de algemeen directeur van HR Rail gebeurt jaarlijks door de raad van bestuur. Opdat enige beslissing met betrekking tot deze evaluatie geldig kan worden genomen, dienen de twee bestuurders bedoeld in artikel 34, § 1, 2° en 3°, hun goedkeuring te verlenen. De algemeen directeur neemt niet deel aan de beraadslaging en stemming met betrekking tot dit agendapunt. De algemeen directeur wordt geacht afwezig te zijn voor de berekening van het meerderheidsquorum.
  Onderafdeling 2. De adjunct van de algemeen directeur
  Art. 42. § 1. De adjunct van de algemeen directeur die een bijzondere bekwaamheid moet hebben onder meer op het vlak van HR, wordt benoemd bij beslissing van de raad van bestuur, voor een hernieuwbare termijn van zes jaar, op voordracht van de algemeen directeur en na het advies te hebben ingewonnen van het benoemings- en bezoldigingscomité. De algemeen directeur neemt niet deel aan de stemming. De adjunct van de algemeen directeur wordt op dezelfde wijze ontslagen.
  § 2. De adjunct van de algemeen directeur behoort tot een andere taalrol dan deze waartoe de algemeen directeur behoort.
  § 3. De administratieve en geldelijke rechtspositie van de adjunct van de algemeen directeur wordt door de raad van bestuur van HR Rail vastgesteld op voorstel van het benoemings- en bezoldigingscomité zoals bedoeld in artikel 38, § 3.
  Art. 43. § 1. De adjunct van de algemeen directeur heeft de bevoegdheden die hem krachtens deze wet zijn toegekend. Hij vervangt tevens de algemeen directeur indien deze laatste afwezig of verhinderd is.
  § 2. De adjunct van de algemeen directeur vervult een voltijdse functie binnen HR Rail.
  Onderafdeling 3. Het mandaat van algemeen directeur en adjunct van de algemeen directeur
  Art. 44. § 1. De algemeen directeur of de adjunct van de algemeen directeur die zich, op het ogenblik van zijn benoeming, in een statutaire band bevindt met de Staat of enige andere rechtspersoon van publiek recht die onder de Staat ressorteert, wordt van rechtswege ter beschikking gesteld overeenkomstig de bepalingen van het betrokken statuut voor de hele duur van zijn mandaat. Indien hij ressorteert onder het personeelsstatuut zal hij gedurende deze periode zijn rechten op bevordering, op loonsverhoging en op pensioen behouden.
  § 2. Als de algemeen directeur of de adjunct van de algemeen directeur zich op het ogenblik van zijn benoeming in een contractuele band bevindt met de Staat of met enige andere rechtspersoon van publiek recht die onder de Staat ressorteert, wordt de betrokken overeenkomst van rechtswege geschorst voor de hele duur van zijn mandaat. Indien hij zich in een contractuele band met HR Rail bevond, zal hij gedurende deze periode zijn rechten op bevordering en op loonsverhoging behouden.
  Afdeling 4. Het HR Coördinatie Comité
  Onderafdeling 1. Samenstelling en werking
  Art. 45. Het HR Coördinatie Comité is samengesteld uit volgende vier leden, die er van rechtswege deel van uitmaken :
  - de algemeen directeur van HR Rail;
  - de adjunct van de algemeen directeur van HR Rail;
  - de verantwoordelijke voor het personeelsbeleid bij Infrabel;
  - de verantwoordelijke voor het personeelsbeleid bij NMBS.
  Onderafdeling 2. Bevoegdheden
  Art. 46. Het HR Coördinatie Comité heeft onder meer de bevoegdheden die voortvloeien uit titel 3, hoofdstuk 5 van deze wet.
  Onderafdeling 3. Huishoudelijk reglement
  Art. 47. Het HR Coördinatie Comité stelt een huishoudelijk reglement op dat uitdrukkelijk het kader formuleert dat zijn werking regelt. Het huishoudelijk reglement zal voor de leden van het HR Coördinatie Comité een bepaling bevatten die analoog is aan artikel 35, § 2, tweede lid. Dit huishoudelijk reglement wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de raad van bestuur.
  Afdeling 5. Delegatie
  Art. 48. De raad van bestuur kan bijzondere volmachten verlenen aan één of meer van zijn leden, of zelfs aan derden. Elke delegatie-akte legt duidelijk de bevoegdheden vast die het voorwerp van de delegatie uitmaken. De delegatie wordt toegekend voor een duur bepaald door de raad van bestuur.
  Art. 49. De algemeen directeur kan bijzondere volmachten verlenen aan elke lasthebber binnen de perken van zijn eigen bevoegdheden. Elke delegatie-akte legt duidelijk de bevoegdheden vast die het voorwerp van de delegatie uitmaken. De delegatie wordt toegekend voor een duur bepaald door de algemeen directeur.
  Afdeling 6. Discretie
  Art. 50. Bij de uitoefening van hun mandaat en in het belang van de vennootschap zijn de bestuurders (waaronder de algemeen directeur), de adjunct van de algemeen directeur en leden van het HR Coördinatie Comité gehouden tot discretie.
  Afdeling 7. Onverenigbaarheden
  Art. 51. § 1. Onverminderd andere beperkingen bepaald bij of krachtens een wet of door het organiek statuut van HR Rail is het mandaat van bestuurder, algemeen directeur en adjunct van de algemeen directeur onverenigbaar met het mandaat of de functie van :
  1° lid van het Europees Parlement;
  2° lid van de Wetgevende Kamers;
  3° Minister of Staatssecretaris;
  4° lid van de Raad of de Regering van een Gemeenschap of een Gewest;
  5° gouverneur van een provincie of lid van de bestendige deputatie van een provincieraad.
  Bovendien is het mandaat van algemeen directeur en adjunct van de algemeen directeur onverenigbaar met het mandaat van burgemeester, schepen of voorzitter van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
  Het mandaat van algemeen directeur en van adjunct van de algemeen directeur is onverenigbaar met elk mandaat of elke functie bij Infrabel en NMBS.
  § 2. Wanneer één van de leden bedoeld in paragraaf 1 een inbreuk pleegt op de bepalingen van paragraaf 1, moet hij de betrokken mandaten of functies neerleggen. Indien hij nalaat dit te doen, wordt hij geacht van rechtswege zijn mandaat bij HR Rail te hebben neergelegd op het moment dat het mandaat of functie waarmee de onverenigbaarheid bestaat een aanvang heeft genomen, zonder dat dit afbreuk aan de rechtsgeldigheid van de handelingen die hij inmiddels heeft gesteld, of van de beraadslagingen waaraan hij inmiddels heeft deelgenomen.
  Hoofdstuk 3. Financiering van de opdracht van openbare dienst
  Art. 52. De Koning kan de bijzondere regels en voorwaarden vastleggen waaronder HR Rail de opdracht van openbare dienst vervult die haar door artikel 23, § 3 is toevertrouwd.
  De financiering van de opdracht van openbare dienst van HR Rail wordt jaarlijks bepaald in de Staatsbegroting.
  Hoofdstuk 4. Het ondernemingsplan
  Art. 53. § 1. De raad van bestuur van HR Rail stelt een ondernemingsplan op voor een duur van drie jaar dat de doelstellingen en de strategie van HR Rail vastlegt.
  § 2. Het ondernemingsplan moet volgende onderwerpen bevatten :
  1° visie met betrekking tot die delen van HR die tot de bevoegdheid van HR Rail behoren, voor het geheel van de personeelsleden tewerkgesteld bij de Belgische Spoorwegen;
  2° visie met betrekking tot het personeelsbeleid van het personeel tewerkgesteld bij HR Rail;
  3° de evolutie van de exploitatierekening uitgedrukt in een financieel plan;
  4° de beschrijving van de algemene exploitatievoorwaarden betreffende de andere activiteitssectoren van HR Rail;
  5° visie met betrekking tot de werking van HR Rail.
  § 3. Het ondernemingsplan wordt jaarlijks aangepast en aan de minister onder wiens bevoegdheid HR Rail ressorteert meegedeeld.
  § 4. De onderdelen van het ondernemingsplan die de uitvoering van de opdracht van openbare dienst betreffen worden ter goedkeuring aan de raad van bestuur van HR Rail voorgelegd, na mededeling ter informatie aan het strategisch bedrijfscomité van HR Rail overeenkomstig artikel 129, § 1, 10°.
  Hoofdstuk 5. Toezicht en controle
  Afdeling 1. Het administratief toezicht
  Art. 54. § 1. HR Rail is onderworpen aan de controle van de minister onder wiens bevoegdheid zij ressorteert.
  Deze controle wordt uitgeoefend door tussenkomst van een Regeringscommissaris.
  § 2. De Regeringscommissaris wordt benoemd en ontslagen door de Koning op voordracht van de minister onder wiens bevoegdheid HR Rail ressorteert.
  De Koning regelt de uitoefening van de opdrachten van de Regeringscommissaris en zijn bezoldiging. Deze bezoldiging is ten laste van HR Rail.
  § 3. De Regeringscommissaris waakt over de naleving van de wet en de statuten.
  Hij brengt verslag uit bij de minister onder wiens bevoegdheid HR Rail ressorteert.
  Hij brengt verslag uit bij de Minister van Begroting aangaande alle beslissingen van de raad van bestuur en de algemeen directeur die een weerslag hebben op de algemene uitgavenbegroting van de Staat.
  § 4. De Regeringscommissaris wordt uitgenodigd op alle vergaderingen van de raad van bestuur van HR Rail en heeft raadgevende stem.
  Hij kan op elk ogenblik ter plaatse kennis nemen van alle boeken en documenten van HR Rail.
  Hij kan aan de leden van haar bestuursorganen, personeelsleden en aangestelden alle inlichtingen vragen en alle verificaties uitvoeren die hij nodig acht voor de uitvoering van zijn mandaat.
  § 5. De Regeringscommissaris kan tegen elke beslissing van de bestuursorganen van HR Rail welke hij strijdig acht met de wet of de statuten, beroep aantekenen bij de minister onder wiens bevoegdheid HR Rail ressorteert.
  Hij beschikt daartoe over een termijn van veertien dagen. Deze termijn gaat in de dag van de vergadering waarop de beslissing werd genomen, voor zover de Regeringscommissaris daarop regelmatig was uitgenodigd en, in het tegenovergestelde geval, de dag waarop hij van de beslissing kennis heeft gekregen. Dit beroep heeft een schorsende werking.
  Elk beroep van de Regeringscommissaris wordt de dag waarop het bij de minister onder wiens bevoegdheid HR Rail ressorteert, wordt aangetekend, bij aangetekend schrijven meegedeeld aan de voorzitter van de raad van bestuur van HR Rail die de overige bestuurders hiervan onverwijld op de hoogte brengt.
  § 6. Binnen een termijn van veertien dagen, ingaand op dezelfde dag als de in paragraaf 5, tweede lid, bedoelde termijn, betekent de minister onder wiens bevoegdheid HR Rail ressorteert, aan de voorzitter van de raad van bestuur de nietigverklaring van de beslissing.
  In geval de beslissing een weerslag heeft of kan hebben op de algemene uitgavenbegroting van de Staat wordt de termijn vermeld in het eerste lid met veertien dagen verlengd. De minister onder wiens bevoegdheid HR Rail ressorteert informeert de voorzitter van de raad van bestuur van HR Rail over deze verlenging en vraagt het akkoord van de Minister van Begroting alvorens tot nietigverklaring van de beslissing over te gaan.
  Bij ontstentenis van de betekening van de nietigverklaring van de beslissing binnen de in het eerste lid bedoelde termijn, desgevallend verlengd met toepassing van het tweede lid, krijgt de beslissing van HR Rail een definitief karakter.
  Afdeling 2. Controle op de financiële toestand
  Art. 55. § 1. De controle op de financiële toestand, op de jaarrekening en op de regelmatigheid, vanuit het oogpunt van deze wet en van het organiek statuut, van de verrichtingen weer te geven in de jaarrekening, wordt in HR Rail opgedragen aan een college van commissarissen dat drie leden telt. De leden van het college voeren de titel van commissaris.
  § 2. Een lid van het college van commissarissen wordt benoemd door het Rekenhof onder zijn leden. De twee andere leden worden overeenkomstig artikel 156 van het Wetboek van vennootschappen onder de leden van het Instituut der bedrijfsrevisoren benoemd door de algemene vergadering van HR Rail, waarbij het strategisch bedrijfscomité van HR Rail de taak van de ondernemingsraad vervult.
  § 3. De commissarissen worden benoemd voor een eenmaal hernieuwbare termijn van ten hoogste zes jaar.
  Hoofdstuk 6. Boekhouding en jaarrekeningen
  Art. 56. § 1. HR Rail is onderworpen aan de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen. Zij voert haar boekhouding per kalenderjaar. Zij voorziet in een afzonderlijk stelsel van rekeningen voor de activiteiten die verband houden met haar opdracht van openbare dienst, enerzijds, en haar andere activiteiten, anderzijds.
  De bijlage bij de jaarrekening bevat een samenvattende staat van de rekeningen betreffende de opdracht van openbare dienst en een desbetreffend commentaar. De Koning kan algemene of bijzondere regelen bepalen inzake de vorm en inhoud van deze samenvattende staat en commentaar.
  § 2. Elk jaar maakt de raad van bestuur een inventaris op, alsmede de jaarrekening en een jaarverslag. Het jaarverslag bevat de informatie bepaald in artikel 96 van het Wetboek van vennootschappen.
  Onder voorbehoud van bijzondere regelen vastgesteld krachtens artikel 10, § 2, derde lid, van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen, ingevoegd bij de wet van 1 juli 1983, worden de jaarrekening, het jaarverslag en het verslag van het college van commissarissen bekendgemaakt op de wijze bepaald in artikelen 98 en 100 van het Wetboek van vennootschappen. Artikelen 104 en 105 van het Wetboek van vennootschappen zijn van toepassing.
  § 3. De raad van bestuur zendt, veertien dagen vóór de algemene vergadering, de jaarrekening tezamen met het jaarverslag en het verslag van het college van commissarissen, over aan de minister onder wiens bevoegdheid HR Rail ressorteert, alsmede aan de Minister van Begroting.
  De minister onder wiens bevoegdheid HR Rail ressorteert, zendt de in het eerste lid bedoelde stukken vóór 30 juni van het jaar volgend op het betrokken boekjaar ter nazicht over aan het Rekenhof.
  Het Rekenhof kan door bemiddeling van haar vertegenwoordiger in het college van commissarissen een toezicht ter plaatse inrichten op de rekeningen en verrichtingen die betrekking hebben op de uitvoering van de opdracht van openbare dienst. Het Hof kan de rekeningen in zijn Opmerkingenboek bekendmaken.
  Vóór dezelfde datum deelt de minister onder wiens bevoegdheid HR Rail ressorteert, de in het eerste lid bedoelde stukken mee aan de Wetgevende Kamers.
  Hoofdstuk 7. Financiering
  Art. 57. Onverminderd artikel 52, moet de facturatie door HR Rail aan Infrabel en NMBS van de HR-diensten, met inbegrip van de terbeschikkingstelling van personeel, minstens de kostprijs dekken.
  Art. 58. HR Rail beslist, binnen de grenzen van haar maatschappelijk doel, over de belegging van haar beschikbare gelden.
  Art. 59. HR Rail wendt geen middelen aan, afkomstig van staatstoelagen, voor de ontwikkeling, financiering en uitbating van activiteiten andere dan deze in het kader van haar opdracht van openbare dienst.
  Hoofdstuk 8. Fiscaal statuut
  Art. 60. HR Rail is een openbare instelling in de zin van artikel 161 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, en in de zin van artikel 55 Wetboek der successierechten.
  Zij is vrijgesteld van alle belastingen en taksen ten bate van de provincies en de gemeenten, met uitzondering echter van heffingen ter vergoeding van op haar verzoek verstrekte diensten.
  Art. 61. Belastingheffing van de door HR Rail opgelopen niet-aftrekbare kosten is uitsluitend toegelaten in hoofde van de vennootschappen waaraan het personeel ter beschikking wordt gesteld en waaraan deze kosten worden doorgerekend, en dit in overeenstemming met de fiscale behandeling die eigen is aan deze kosten in hun hoofde. Een jaarlijkse afrekening van de niet aftrekbare kosten zal opgesteld worden en overgemaakt worden aan de entiteiten die gebruik maken van het personeel dat hen ter beschikking wordt gesteld. De niet-aftrekbare kosten verbonden aan het personeel dat niet ter beschikking wordt gesteld blijven belastbaar in hoofde van HR Rail volgens de normaal toepasselijke regels inzake vennootschapsbelasting.
  Hoofdstuk 9. Ontbinding
  Art. 62. De ontbinding van HR Rail kan slechts bij of krachtens een wet worden uitgesproken. De wet regelt de wijze en de voorwaarden van de vereffening.
  Hoofdstuk 10. Diverse bepalingen
  Art. 63. HR Rail beslist, binnen de grenzen van haar maatschappelijk doel, over de verwerving, de aanwending en de vervreemding van haar lichamelijke en onlichamelijke goederen, de vestiging of opheffing van zakelijke rechten op deze goederen, alsmede over de uitvoering van dergelijke beslissingen.
  Art. 64. De opdrachten van de aanneming van werken, leveringen en diensten worden gegund bij of krachtens beslissing van de raad van bestuur. De raad van bestuur duidt de opdrachten aan waarvan de gunning behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de algemeen directeur alsmede de opdrachten waarvoor de beslissing door de algemeen directeur mag worden gesubdelegeerd.
  Art. 65. HR Rail kan dadingen aangaan en overeenkomsten tot arbitrage sluiten. Elke overeenkomst tot arbitrage gesloten met natuurlijke personen vooraleer het geschil is gerezen, is evenwel nietig.
  Titel 3. Personeel
  Hoofdstuk 1. Beginselen betreffende het personeelsstatuut en het syndicaal statuut
  Art. 66. HR Rail is de enige werkgever van het statutaire en niet statutaire personeel van de Belgische Spoorwegen, al dan niet ter beschikking gesteld aan Infrabel en NMBS.
  HR Rail stelt personeel te werk voor de uitvoering van haar eigen opdrachten. Infrabel en NMBS kunnen enkel personeel tewerkstellen dat hen ter beschikking wordt gesteld door HR Rail. Infrabel, NMBS en HR Rail stellen het personeelskader vast, elk voor wat betreft het personeel dat zij gebruiken.
  Art. 67. § 1. Het personeel van de Belgische Spoorwegen wordt aangeworven bij of krachtens beslissing van de raad van bestuur van HR Rail en tewerkgesteld krachtens het personeelsstatuut en de personeelsreglementering.
  § 2. Echter, HR Rail kan personeelsleden aanwerven en tewerkstellen met een arbeidsovereenkomst onderworpen aan de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, met het oog op :
  1° de tegemoetkoming aan een buitengewone en tijdelijke personeelsbehoefte, ten gevolge van de uitvoering van in de tijd beperkte projecten of een buitengewone toename in het werk;
  2° de uitvoering van taken die een kennis of ervaring op hoog niveau vereisen;
  3° de vervanging van statutaire of niet statutaire personeelsleden gedurende perioden van tijdelijke, gehele of gedeeltelijke afwezigheid;
  4° de uitvoering van bijkomstige of specifieke opdrachten.
  Art. 68. § 1. De hiërarchie der rechtsbronnen in de arbeidsbetrekkingen tussen de Belgische Spoorwegen en haar statutaire personeelsleden, wordt als volgt vastgesteld :
  1° De dwingende bepalingen bepaald door of krachtens de wet;
  2° De collectieve overeenkomsten gesloten in de schoot van het Comité Overheidsbedrijven overeenkomstig artikel 31, § 4, van de wet van 21 maart 1991;
  3° Het personeelsstatuut;
  4° De personeelsreglementering;
  5° Het arbeidsreglement;
  6° De instructies van de vennootschap die het werkgeversgezag uitoefent;
  7° Aanvullende bepalingen van de wet;
  8° Het gebruik.
  § 2. Bij strijdigheid van een norm uit een lagere rechtsbron met een norm uit een hogere rechtsbron krijgt de norm uit de hogere rechtsbron voorrang en wordt de norm uit de lagere rechtsbron buiten toepassing gelaten.
  Art. 69. Infrabel en NMBS moeten in hun verhouding tot het statutair personeel dat aan hen is ter beschikking gesteld in overeenstemming handelen met de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de toepasselijke rechtsbronnen met inbegrip van het personeelsstatuut en de personeelsreglementering.
  Art. 70. Infrabel, NMBS en HR Rail zijn onderworpen aan het gemeen recht wat de arbeidsduur en de vrijheid van vereniging betreft.
  Art. 71. § 1. De mobiliteit van het personeel tussen HR Rail, Infrabel en NMBS wordt geregeld door of krachtens het personeelsstatuut.
  § 2. De externe mobiliteit bepaald in artikel 29bis van de wet van 21 maart 1991 is van toepassing op het personeel van de Belgische Spoorwegen.
  Hoofdstuk 2. Terbeschikkingstelling van personeel door HR Rail
  Art. 72. § 1. HR Rail stelt aan Infrabel en NMBS het statutair en niet statutair personeel ter beschikking dat nodig is voor de uitvoering van hun opdrachten. Tijdens de periode van hun terbeschikkingstelling staan de personeelsleden evenwel onder het uitsluitende werkgeversgezag van Infrabel of NMBS.
  De terbeschikkingstelling van het personeel gebeurt volgens de bepalingen van deze wet. De verdere voorwaarden en nadere bepalingen van de terbeschikkingstelling van het personeel krachtens het eerste lid, kunnen worden vastgesteld in een overeenkomst die, na de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad, kan worden gesloten tussen HR Rail en Infrabel en/of NMBS. Deze overeenkomst evenals alle wijzigingen ervan zijn onderworpen aan het voorafgaand akkoord van de Nationale Paritaire Commissie die beslist met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 75.
  § 2. Hoofdstuk III van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, is niet van toepassing op de terbeschikkingstelling van personeel bedoeld in paragraaf 1.
  § 3. Het personeel dat ter beschikking is gesteld van Infrabel is financieel ten laste van Infrabel, en het personeel dat ter beschikking is gesteld van NMBS is financieel ten laste van NMBS.
  Zonder afbreuk te doen aan de mobiliteit bedoeld in artikel 71, § 1, kan aan de terbeschikkingstelling van een personeelslid aan Infrabel of NMBS slechts een einde komen met voorafgaand akkoord van HR Rail.
  Afdeling 7. van hoofdstuk 5 van deze titel is niet van toepassing op de beslissing te nemen door HR Rail inzake het einde van de terbeschikkingstelling bedoeld in het tweede lid van deze paragraaf. § 4. HR Rail identificeert het beschikbare personeel op basis van het personeelsstatuut en de personeelsreglementering. HR Rail zoekt in samenwerking met Infrabel of NMBS, naargelang het geval, voor het beschikbare personeel een passende benuttiging in toepassing van het personeelsstatuut en de personeelsreglementering, met inachtneming van de verplichtingen inzake sociale dialoog.
  § 5. De personeelsleden die ter beschikking zijn gesteld van Infrabel dienen te worden beschouwd als " aangestelde " van Infrabel en Infrabel als " aansteller " van die personeelsleden in de zin van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.
  De personeelsleden die ter beschikking zijn gesteld van NMBS dienen te worden beschouwd als " aangestelde " van NMBS en NMBS als " aansteller " van die personeelsleden in de zin van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.
  Hoofdstuk 3. Vaststelling van het personeelsstatuut en het syndicaal statuut
  Art. 73. Het personeelsstatuut, het syndicaal statuut, alsmede alle personeelsreglementering die bestond op 31 december 2013, gaan van rechtswege over op HR Rail en vormen het eerste personeelsstatuut, het eerste syndicaal statuut en de eerste personeelsreglementering, zonder afbreuk te doen aan artikelen 68 en 78.
  Art. 74. § 1. Zonder afbreuk te kunnen doen aan de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, zijn de grondregelen betreffende het administratief statuut, de bezoldiging, het pensioenstelsel van het statutair personeel, de organisatie van de eventuele sociale diensten, zoals opgesomd onder artikel 34, § 2, onder A, B, C en E in de wet van 21 maart 1991, andere aangelegenheden wat het statutair personeel aangaat zoals opgesomd onder artikel 34, § 2, F, van de wet van 21 maart 1991, en aangelegenheden wat de niet statutaire personeelsleden aangaat opgesomd onder artikel 34, § 2, G, van de wet van 21 maart 1991, deze die zijn opgenomen in het personeelsstatuut en in de personeelsreglementering inzake " Dienst- en rusttijden ".
  § 2. Zonder afbreuk te kunnen doen aan de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, zijn de grondregelen betreffende de collectieve arbeidsverhoudingen zoals opgesomd in artikel 34, § 2, D, van de wet van 21 maart 1991 deze opgenomen in het personeelsstatuut en het syndicaal statuut.
  Art. 75. Elk voorstel houdende vaststelling of wijziging van het personeelsstatuut, van het syndicaal statuut of van de personeelsreglementering inzake " Dienst- en rusttijden " wordt voor onderhandeling voorgelegd aan de Nationale Paritaire Commissie overeenkomstig het personeelsstatuut.
  Elk voorstel bedoeld in het eerste lid maakt het voorwerp uit van een onderhandelingsprocedure in de Nationale Paritaire Commissie, waarna deze beslist bij tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen.
  Elke regeling aldus gestemd door de Nationale Paritaire Commissie, is bindend voor de raad van bestuur van HR Rail die de wijziging vaststelt.
  Art. 76. § 1. Met uitsluiting van de reglementering inzake de administratieve en geldelijke loopbaan van het kaderpersoneel, die tot de bevoegdheid van de raad van bestuur van HR Rail behoort, maakt elk voorstel houdende vaststelling of wijziging van personeelsreglementering, het voorwerp uit van een overlegprocedure in de Nationale Paritaire Commissie, met het oog op een advies van deze Nationale Paritaire Commissie. De voorstellen worden aanhangig gemaakt overeenkomstig artikel 120, § 1, en zonder afbreuk te doen aan artikel 87.
  § 2. Deze reglementering wordt vastgesteld door de raad van bestuur van HR Rail.
  Hoofdstuk 4. Bijzondere bepalingen met betrekking tot niet statutaire personeelsleden
  Afdeling 1. Collectieve overeenkomsten
  Art. 77. § 1. In de schoot van de Nationale Paritaire Commissie kunnen, bij tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen, collectieve overeenkomsten worden gesloten die de individuele en collectieve betrekkingen met betrekking tot de niet statutaire personeelsleden regelen.
  § 2. De collectieve overeenkomsten gesloten in de Nationale Paritaire Commissie binden Infrabel, NMBS en HR Rail, de niet statutaire personeelsleden van HR Rail ongeacht of deze al dan niet ter beschikking zijn gesteld van Infrabel of NMBS, en de syndicale organisaties.
  § 3. Deze collectieve overeenkomsten worden genummerd, geregistreerd bij HR Rail en door HR Rail ter beschikking gesteld van de niet statutaire personeelsleden die daarom verzoeken.
  Afdeling 2. Rechtsbronnen
  Art. 78. § 1. De hiërarchie der rechtsbronnen in de arbeidsbetrekkingen tussen de Belgische Spoorwegen en haar niet statutaire personeelsleden, wordt als volgt vastgesteld :
  1° De dwingende bepalingen bepaald door of krachtens de wet;
  2° De collectieve overeenkomsten gesloten in de schoot van het Comité Overheidsbedrijven, overeenkomstig artikel 31, § 4, van de wet van 21 maart 1991;
  3° De collectieve overeenkomsten gesloten in de schoot van de Nationale Paritaire Commissie;
  4° De geschreven individuele arbeidsovereenkomst;
  5° Het arbeidsreglement waarin onder meer geacht worden te zijn opgenomen de bepalingen van het personeelsstatuut en van de personeelsreglementering die eveneens op het niet statutair personeel van toepassing zijn verklaard;
  6° De instructies van de vennootschap die het werkgeversgezag uitoefent;
  7° Aanvullende bepalingen van de wet;
  8° De mondelinge individuele overeenkomst;
  9° Het gebruik.
  § 2. Bij strijdigheid van een norm uit een lagere rechtsbron met een norm uit een hogere rechtsbron krijgt de norm uit de hogere rechtsbron voorrang en wordt de norm uit de lagere rechtsbron buiten toepassing gelaten.
  Art. 79. Infrabel en NMBS moeten in hun verhouding tot het niet statutair personeel dat aan hen ter beschikking is gesteld, in overeenstemming handelen met de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de toepasselijke rechtsbronnen.
  Hoofdstuk 5. Bevoegdheden en verantwoordelijkheden van HR Rail, Infrabel en NMBS inzake personeelszaken
  Art. 80. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op welzijn op het werk.
  Afdeling 1. Basistaken van HR Rail
  Art. 81. HR Rail zal voor wat betreft het ter beschikking gestelde personeel minstens instaan voor :
  1° de selectie, de aanwerving, oriëntatie en het in kaart brengen van de talenten en competenties van het statutaire en niet statutaire personeel dat nodig is voor de uitoefening van de opdrachten van HR Rail, Infrabel en NMBS;
  2° de betaling van de bezoldigingen en wedden van het statutair en niet statutaire personeel;
  3° de transversale opleiding van het statutair en niet statutair personeel. Infrabel en NMBS organiseren beroepseigen specifieke opleidingen organiseren voor het hun ter beschikking gesteld personeel. Infrabel en NMBS informeren HR Rail over elk initiatief tot specifieke collectieve opleiding binnen de eigen vennootschap;
  4° het nakomen van alle verplichtingen als werkgever teneinde de betaling van gezinsbijslagen te verzekeren;
  5° het opvolgen van het beheer en van de uitvoering van de activiteiten van de Kas der Geneeskundige verzorging, onverminderd de bevoegdheden van haar bestuursorgaan;
  6° het beheer en de uitvoering van alle aspecten verbonden met het Fonds van de Sociale Werken en het Fonds van de sociale documentatie, onverminderd de bevoegdheden van hun bestuursorgaan;
  7° de organisatie van de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk en van de bestuursgeneeskunde waarvan de bevoegdheden en de taken zijn omschreven in het personeelsstatuut;
  8° alle aspecten verbonden met het beheer van de statutaire pensioenen op grond van artikel 159 van de programmawet van 27 december 2005 en in overeenstemming met het koninklijk besluit van 28 december 2005 betreffende de overname van de pensioenverplichtingen van de NMBS Holding door de Belgische Staat, bekrachtigd door de programmawet van 20 juli 2006, en de verdere uitvoeringsbesluiten;
  9° het organiseren en beheren van de sociale dialoog op het niveau van de Belgische Spoorwegen;
  10° de ondersteuning bij de HR-uitvoering en bij het HR-beleid, en organisatie en behoud van de kennis van het personeelsstatuut.
  Afdeling 2. Bevoegdheden inzake HR-beleid
  Onderafdeling 1. Algemene bepalingen
  Art. 82. HR Rail bewaakt de coherentie en de consistentie in de toepassing van het personeelsstatuut, met inbegrip van het syndicaal statuut, de personeelsreglementering, alsook de toepasselijke wetgeving en haar uitvoeringsbesluiten.
  Art. 83. § 1. HR Rail heeft de bevoegdheden op het vlak van HR-beleid voor wat betreft de personeelsleden die niet zijn ter beschikking van Infrabel en NMBS gesteld.
  § 2. Infrabel en NMBS hebben, elk voor wat de eigen vennootschap betreft, de bevoegdheden voor het HR-beleid, wat onder meer inhoudt :
  1° het bepalen van de HR-doelstellingen in lijn met de bedrijfsstrategie;
  2° het bepalen van de resultaats- en kwaliteitsvereisten van de dienstverlening in samenspraak met HR Rail;
  3° opdrachten geven aan HR Rail met betrekking tot het HR-beheer, de HR-uitvoering en de inbreng van HR-expertise;
  4° opdrachten geven aan HR Rail in het kader van de modernisering van HR in samenspraak met HR Rail;
  5° het evalueren van het HR-beleid, de uitvoering ervan en de beslissingen tot bijsturing;
  6° het nemen van bepaalde beslissingen op procesniveau, waarbij de aard van de beslissingen nader wordt gepreciseerd in samenspraak met HR Rail.
  Onderafdeling 2. Bijzondere bepalingen
  Art. 84. Deze onderafdeling heeft betrekking op de algemene beslissingen met betrekking tot het HR-beleid zoals bedoeld in artikel 21.
  Binnen het HR-beleid worden onderscheiden :
  1° " Reglementair HR-beleid " : Het HR-beleid met inbegrip van alle beleidsbeslissingen tot vaststelling of aanpassing van het personeelsstatuut met inbegrip van het syndicaal statuut, of van de personeelsreglementering.
  Het betreft alle beslissingen van HR-beleid die niet bedoeld zijn door het onder 2°, vermelde HR-beleid.
  2° " Niet-reglementair HR-beleid " : Het HR-beleid met inbegrip van alle overige beleidsbeslissingen tot vaststelling of aanpassing van HR-beleid met een algemene draagwijdte, die geen verandering inhouden of noodzaken van het onder 1° omschreven reglementair HR-beleid.
  1° Reglementair HR-beleid
  Art. 85. § 1. Op eigen initiatief of op voorstel van Infrabel, NMBS of HR Rail, bereidt het HR Coördinatie Comité wijzigingen aan het reglementair HR-beleid voor.
  § 2. Wanneer het HR Coördinatie Comité niet binnen een termijn van dertig dagen een consensus vindt over een voorliggend ontwerp van reglementair HR-beleid, beslist - na overdracht van het voorstel op initiatief van hetzij algemeen directeur van HR Rail, hetzij de verantwoordelijke voor het personeelsbeleid bij Infrabel, hetzij de verantwoordelijke voor het personeelsbeleid bij NMBS - de raad van bestuur van HR Rail. De raad van bestuur van HR Rail keurt het beleidsvoorstel al dan niet goed.
  Art. 86. Na goedkeuring door het HR Coördinatie Comité of, desgevallend, de raad van bestuur of de algemene vergadering van HR Rail, legt de algemeen directeur van HR Rail het voorstel van reglementair HR-beleid voor overleg of onderhandeling voor aan de Nationale Paritaire Commissie, al naargelang de vereiste procedures in het kader van het sociale dialoog, zoals bepaald door artikelen 75 en 76 .
  Art. 87. De raad van bestuur van HR Rail stelt het reglementair HR-beleid definitief vast, onverminderd de toepassing van artikel 75, waarin wordt voorgeschreven wanneer de raad van bestuur van HR Rail door het standpunt van de Nationale Paritaire Commissie is gebonden.
  2° Niet-reglementair HR-beleid
  Art. 88. De algemeen directeur van HR Rail, de verantwoordelijke voor het personeelsbeleid bij Infrabel en de verantwoordelijke voor het personeelsbeleid bij NMBS zijn, elk voor de respectievelijke vennootschap die zij vertegenwoordigen, bevoegd om voor het personeel waarover de vennootschap het werkgeversgezag uitoefent het niet-reglementair HR-beleid voor te bereiden.
  Art. 89. Elk ontwerp van niet-reglementair HR-beleid wordt overgemaakt aan het HR Coördinatie Comité. De algemeen directeur van HR Rail geeft binnen een termijn van dertig dagen gemotiveerd advies aan het HR Coördinatie Comité of de voorgenomen beleidsbeslissing een impact heeft die een aanpassing van het reglementair HR-beleid noodzaakt en of het ontwerp onder artikel 118 ressorteert. Wanneer het HR Coördinatie Comité op zijn eerstvolgende vergadering op basis van dit gemotiveerd advies bij gewone meerderheid vaststelt dat de voorgenomen beleidsbeslissing een impact heeft die een aanpassing van het reglementair HR-beleid noodzaakt, wordt de procedure gevolgd voor het reglementair HR-beleid.
  Art. 90. De raden van bestuur van HR Rail, Infrabel of NMBS, al naargelang het geval, zijn bevoegd voor de definitieve vaststelling van het niet-reglementair HR-beleid binnen de eigen vennootschap. Zij informeren de algemeen directeur van HR Rail en het HR Coördinatie Comité van de genomen beslissingen terzake.
  Afdeling 3. Bevoegdheden inzake HR-uitvoering
  Art. 91. § 1. Onverminderd paragraaf 2, is HR Rail bevoegd voor de HR-uitvoering voor de personeelsleden van HR Rail, ongeacht of ze ter beschikking zijn gesteld aan Infrabel of NMBS.
  § 2. In opdracht van Infrabel en NMBS, voert HR Rail HR-processen uit, overeenkomstig de in de HR-dienstenovereenkomst vastgelegde resultaats- en kwaliteitsvereisten. In dat kader stelt HR Rail het algemeen uitvoeringsbeleid vast en evalueert het uitvoeringbeleid op periodieke basis.
  Art. 92. HR Rail organiseert op regelmatige basis bilaterale samenspraak met Infrabel en/of NMBS inzake HR-uitvoering.
  Art. 93. HR Rail waakt over de vereiste eenvormigheid in de toepassing van het personeelsstatuut bij de HR-uitvoering.
  In de mate dat HR Rail interpretatieproblemen vaststelt die de eenvormigheid kunnen ondermijnen, koppelt HR Rail terug met Infrabel en/of NMBS, al naargelang de modaliteiten voorgeschreven in de HR-dienstenovereenkomst.
  Art. 94. HR Rail bewaakt de kwaliteit van de operationele HR-uitvoering op klantgerichtheid, effectiviteit en efficiëntie.
  Art. 95. Infrabel en NMBS voeren voor bepaalde HR-processen zelf activiteiten uit. Het betreft steeds activiteiten waarvoor de realisatie een intensieve samenwerking vereist met de hiërarchische lijn van Infrabel of NMBS.
  HR Rail brengt proactief of op vraag van Infrabel of NMBS HR-expertise in.
  Afdeling 4. Bevoegdheden inzake HR-beheer
  Art. 96. § 1. HR Rail is voor wat de personeelsleden betreft die niet ter beschikking worden gesteld bevoegd voor het HR-beheer.
  § 2. HR Rail is bevoegd voor het HR-beheer en verantwoordelijk voor minstens volgende taken voor wat het terbeschikkinggestelde personeel betreft :
  1° het beheren van de data en know-how die voortvloeien uit de operationele uitvoering van het HR-beleid na hun administratieve verwerking;
  2° het systematisch en gepast verzamelen, analyseren en ter beschikking stellen van de gegevens, statistieken en pertinente informatie met betrekking tot personeelszaken;
  3° het faciliteren van de toegang van het databeheer voor Infrabel en NMBS;
  4° het waken over de kwaliteit van de gegevens en de beveiliging van de gegevens;
  5° het treffen van maatregelen om fraude op te sporen en tegen te gaan, onverminderd de fraudebestrijding door Infrabel en NMBS zelf;
  6° het investeren in informaticasystemen en kwaliteitssystemen;
  7° het beheer en de uitvoering van alle aspecten verbonden met het Fonds van de Sociale Werken, en het Fonds van de sociale documentatie en mogelijk andere Kassen of Fondsen ten behoeve van het personeel, onverminderd de bevoegdheid van hun bestuursorgaan;
  8° het beheer van de collectieve overeenkomsten gesloten in toepassing van artikel 77.
  Afdeling 5. Bevoegdheden inzake HR-expertise
  Art. 97. § 1. HR Rail staat in voor de HR-expertise, met inbegrip van de juridische expertise, en adviseert en informeert proactief of op vraag van Infrabel en NMBS.
  § 2. De onder paragraaf 1 vermelde inbreng van HR-expertise houdt onder meer volgende taken in :
  1° HR Rail organiseert binnen haar kern-HR-processen een systematiek van expertise-ontwikkeling en adviesverlening;
  2° HR Rail analyseert HR-gegevens en verwerkt deze tot bruikbare beleidsinformatie voor Infrabel en NMBS;
  3° HR Rail ontwikkelt HR-expertise in lijn met de visie op modern geïntegreerd beheer inzake personeelszaken;
  4° HR Rail is bevoegd om externe dienstverlening in te schakelen met het oog op het ontwikkelen en/of verbeteren van een modern geïntegreerd beheer inzake personeelszaken;
  5° HR Rail vergelijkt de operationele HR-processen met vergelijkbare HR-processen die als voorbeeld kunnen gelden.
  § 3. HR Rail kan het initiatief nemen om beleidsvoorstellen te doen met het oog op de modernisering van HR.
  Afdeling 6. HR-dienstenovereenkomst
  Art. 98. § 1. Voor die diensten die bij wet of door de toepasselijke HR-dienstenovereenkomst toebedeeld zijn aan HR Rail, zullen Infrabel en NMBS uitsluitend beroep doen op de diensten van HR Rail.
  § 2. Er wordt een HR-dienstenovereenkomst gesloten tussen Infrabel en HR Rail en tussen NMBS en HR Rail. In de HR-dienstenovereenkomst worden de wederzijdse rechten en verantwoordelijkheden inzake het HR-beleid, HR-uitvoering, HR-beheer en HR-expertise voor elk van het domeinen van HR zoals opgesomd onder artikel 21, nader gepreciseerd, zonder afbreuk te doen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen, met inbegrip van het personeelsstatuut en de personeelsreglementering.
  In de HR-dienstenovereenkomst worden de sancties bepaald die zullen gelden wanneer een van de partijen zich niet aan de bepalingen van de HR-dienstenovereenkomst houdt.
  § 3. Het ontwerp van de HR-dienstenovereenkomst wordt, op gezamenlijk voorstel van HR Rail en respectievelijk Infrabel en NMBS, voor advies aan de Nationale Paritaire Commissie overgelegd alvorens te worden overgelegd aan de raad van bestuur van HR Rail.
  De Nationale Paritaire Commissie beschikt over een termijn van dertig dagen, die ingaat de dag nadat het ontwerp aan haar is overgemaakt, om advies te geven over het ontwerp.
  Art. 99. Op initiatief van Infrabel, NMBS of HR Rail kan de HR-dienstenovereenkomst aangepast en/of gemoderniseerd worden, volgens de procedure zoals omschreven in artikel 98.
  Art. 100. § 1. De HR-dienstenovereenkomst regelt de door HR Rail, Infrabel en NMBS te volgen samenspraak- of bemiddelingsprocedure, wanneer er een geschil rijst omtrent de toepassing en/of de interpretatie van de wederzijdse bevoegdheidsverdeling tussen de vennootschappen.
  § 2. De Koning kan de bijzondere elementen die in de HR-dienstenovereenkomst moeten staan en de modaliteiten betreffende de inwerkingtreding van de HR-dienstenovereenkomst nader bepalen, met inachtneming van artikel 81.
  Art. 101. Indien uiterlijk op 30 juni 2014 geen HR-dienstenovereenkomst is gesloten met betrekking tot de in artikel 21 opgesomde domeinen van HR, tussen HR Rail en Infrabel of HR Rail en NMBS kan de Koning zelf op bindende wijze de inhoud van de bedingen die in de ontbrekende HR-dienstenovereenkomst hadden moeten staan, bepalen, na advies te hebben gevraagd aan de Nationale Paritaire Commissie overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 98, § 3.
  Deze aldus vastgelegde bepalingen zullen van toepassing zijn tot de ontbrekende HR-dienstenovereenkomst is gesloten.
  Afdeling 7. Bevoegdheden van HR Rail, Infrabel en NMBS inzake personeelsbeslissingen met individuele draagwijdte
  Onderafdeling 1. Algemene bepalingen
  Art. 102. Voor de toepassing van deze afdeling, betreffen de " personeelsbeslissingen met individuele draagwijdte " alle beslissingen ten aanzien van een identificeerbaar personeelslid van HR Rail, waaronder zowel de statutaire personeelsleden als niet statutaire personeelsleden zijn begrepen, die rechtsgevolgen teweegbrengen of kunnen teweegbrengen ten aanzien van het personeelslid.
  Onder personeelsbeslissingen met individuele draagwijdte worden ook de eerste aanwervingsbeslissingen begrepen, waardoor een personeelslid wordt aangeworven door HR Rail, ongeacht of hij ter beschikking wordt gesteld aan Infrabel of NMBS.
  Art. 103. HR Rail organiseert op regelmatige basis bilaterale samenspraak met Infrabel en NMBS over de toepassing van de personeelsbeslissingen met individuele draagwijdte teneinde de eenheid van het personeelsstatuut en de personeelsreglementering te bewaken.
  Art. 104. In overeenstemming met afdeling 3 van dit hoofdstuk, staat HR Rail in voor de HR-uitvoering van personeelsbeslissingen met individuele draagwijdte, ongeacht of de beslissingen genomen zijn door de HR Rail, Infrabel of NMBS.
  Art. 105. De wederzijdse rechten en verbintenissen inzake de personeelsbeslissingen met individuele draagwijdte tussen HR Rail, Infrabel en NMBS, worden nader vastgesteld in de HR-dienstenovereenkomst.
  Onderafdeling 2. Gewone beslissingsbevoegdheden
  Art. 106. HR Rail neemt alle personeelsbeslissingen met individuele draagwijdte ten aanzien van het statutair en niet statutair personeel dat niet ter beschikking is of zal worden gesteld van Infrabel en NMBS.
  Art. 107. Onverminderd artikelen 111, 112 en 113, neemt HR Rail formeel alle personeelsbeslissingen met individuele draagwijdte voor een personeelslid dat aan Infrabel of NMBS ter beschikking is of zal worden gesteld op eensluidend gemotiveerd voorstel van het bevoegd orgaan van Infrabel of NMBS, al naargelang het geval.
  Art. 108. § 1. Infrabel of NMBS kunnen op eigen initiatief een gemotiveerd voorstel uitbrengen aan HR Rail over een personeelsbeslissing met individuele draagwijdte van een personeelslid dat hun ter beschikking is of zal worden gesteld.
  § 2. Het gemotiveerd voorstel van Infrabel of NMBS bindt HR Rail.
  § 3. HR Rail neemt een gemotiveerde formele beslissing tot niet-uitvoering van een gemotiveerd voorstel van Infrabel of NMBS wanneer het voorstel van Infrabel of NMBS in strijd is met een norm uit een hogere rechtsbron.
  § 4. HR Rail beslist formeel binnen een termijn van dertig dagen nadat het gemotiveerd voorstel aan haar is overgemaakt.
  § 5. Bij gebrek aan beslissing in de zin van paragraaf 4 door HR Rail binnen de termijn van dertig dagen, treedt Infrabel of NMBS in de plaats van HR Rail om ook de formele beslissing te nemen waarover het een bindend voorstel heeft uitgebracht. In de HR-dienstenovereenkomst kan een andere termijn worden overeengekomen.
  Art. 109. § 1. Op verzoek van HR Rail, brengt Infrabel of NMBS, al naargelang het geval, binnen een termijn van dertig dagen een gemotiveerd voorstel uit over een personeelsbeslissing met individuele draagwijdte van een personeelslid dat tot zijn beschikking is of zal worden gesteld.
  § 2. Het gemotiveerd voorstel van Infrabel of NMBS bindt HR Rail.
  § 3. HR Rail beslist formeel binnen een termijn van dertig dagen nadat het gemotiveerd voorstel van Infrabel of NMBS haar is overgemaakt.
  § 4. HR Rail neemt geen formele beslissing bij gebrek aan gemotiveerd voorstel van Infrabel of NMBS binnen een termijn van dertig dagen na de dag waarop HR Rail een verzoek tot voorstel aan Infrabel of NMBS heeft gericht.
  Onderafdeling 3. Bijzondere beslissingsbevoegdheden
  Art. 110. § 1. HR Rail treedt op als bevoegde evaluerende overheid voor het personeel dat niet ter beschikking is gesteld van Infrabel en NMBS.
  § 2. HR Rail treedt op als bevoegde tuchtoverheid voor het personeel dat niet ter beschikking is gesteld van Infrabel en NMBS.
  § 3. HR Rail is voor het personeel bedoeld in de paragrafen 1 en 2 exclusief bevoegd om evaluatiebeslissingen te nemen evenals om tuchtsancties op te leggen, overeenkomstig hetgeen bepaald in artikel 106.
  Art. 111. § 1. Infrabel en NMBS treden op als bevoegde evaluerende overheid voor het personeel dat hun ter beschikking is gesteld door HR Rail.
  § 2. Infrabel en NMBS treden, in hoedanigheid van evaluerende overheid, bij het nemen van formele evaluatiebeslissingen van rechtswege in de plaats van HR Rail.
  Art. 112. § 1. Infrabel en NMBS treden op als bevoegde tuchtoverheid voor het personeel dat hun ter beschikking is gesteld door HR Rail.
  § 2. Infrabel en NMBS treden, in hun hoedanigheid van tuchtoverheid, bij het formeel opleggen van voorgestelde of definitieve tuchtsancties van rechtswege in de plaats van HR Rail, behoudens bij de in paragraaf 3 vermelde uitzondering.
  § 3. Indien Infrabel en NMBS, in hun hoedanigheid van tuchtoverheid, voornemens zijn een personeelslid een tuchtsanctie op te leggen waardoor een einde wordt of kan worden gesteld aan de tewerkstelling van het statutair personeelslid dat hun ter beschikking is gesteld, geldt de gewone beslissingsbevoegdheid zoals voorzien in artikelen 106 en volgende.
  Art. 113. In de uitzonderlijke gevallen van spoedeisendheid die zijn opgenomen in de HR-dienstenovereenkomst, kan Infrabel of NMBS van rechtswege in de plaats treden van HR Rail om ook de formele beslissing te nemen.
  De reden tot spoedeisendheid moet worden gemotiveerd.
  De beslissing wordt ter informatie en voor uitvoering aan de algemeen directeur van HR Rail overlegd.
  Hoofdstuk 6. Sociale dialoog
  Afdeling 1. Organen van sociale dialoog op het niveau van de Belgische Spoorwegen
  Onderafdeling 1. Algemeen
  Art. 114. HR Rail is verantwoordelijk voor het organiseren en beheren van de sociale dialoog op het niveau van de Belgische Spoorwegen.
  Onderafdeling 2. De Nationale Paritaire Commissie
  Art. 115. De Nationale Paritaire Commissie is het hogere orgaan voor sociale dialoog over sociale aangelegenheden van de Belgische Spoorwegen, zowel deze die eigen zijn aan één van de vennootschappen als deze die het niveau van één vennootschap overschrijden.
  1° Samenstelling
  Art. 116. De Nationale Paritaire Commissie bestaat uit zesentwintig leden samengesteld als volgt :
  a) drie leden benoemd door de raad van bestuur van HR Rail, waaronder in ieder geval de voorzitter van de raad van bestuur van HR Rail, die van rechtswege voorzitter van de Nationale Paritaire Commissie is, en de algemeen directeur van HR Rail;
  b) vijf leden benoemd door de raad van bestuur van Infrabel;
  c) vijf leden benoemd door de raad van bestuur van NMBS;
  d) één lid benoemd door elk van de in de Nationale Arbeidsraad vertegenwoordigde op nationaal vlak opgerichte interprofessionele organisaties van werknemers, die ook in Infrabel, in NMBS en in HR Rail zijn vertegenwoordigd;
  e) de overige leden benoemd door de erkende syndicale organisaties in de zin van het personeelsstatuut van naar evenredigheid van het aantal bijdragende leden van elk van deze syndicale organisaties bij Infrabel, NMBS en HR Rail samen.
  Art. 117. De Nationale Paritaire Commissie wordt om de zes jaar vernieuwd, op een door het personeelsstatuut bepaalde datum, op grond van de gegevens per één januari van het jaar waarin tot de vernieuwing wordt overgegaan.
  2° Bevoegdheden
  Art. 118. Niettegenstaande elke andersluidende bepaling en onverminderd de andere bepalingen van deze wet, heeft de Nationale Paritaire Commissie de volgende bevoegdheden, ten aanzien van de Belgische Spoorwegen alsook waar van toepassing ten aanzien van elke vennootschap afzonderlijk :
  1° het onderzoeken van al de kwesties betreffende de bepalingen van het personeelsstatuut en de arbeidsovereenkomsten, met inbegrip van de regelen inzake de vergoeding van schade naar aanleiding van arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar of van het werk en van beroepsziekten, en over het algemeen al de kwesties die voor het personeel rechtstreeks van belang zijn, kwesties die haar worden voorgelegd overeenkomstig artikel 120, § 1;
  2° het uitbrengen van haar advies over al de kwesties van algemene aard die de personen of organen bedoeld in artikel 120 menen haar te moeten voorleggen, onder meer in de gevallen waarin die personen of organen oordelen dat die zaken voor het personeel onrechtstreeks van belang kunnen zijn;
  3° het onderzoek van de economische en financiële inlichtingen betreffende de vennootschappen, zoals bepaald in artikel 15, b), 1° en 2°, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven en zoals gepreciseerd en aangevuld door collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten binnen de Nationale Arbeidsraad;
  4° het onderhandelen over het personeelsstatuut, het syndicaal statuut en de personeelsreglementering inzake " Dienst- en rusttijden " en hieromtrent een bindende regeling vaststellen bij een meerderheid van tweederde van de uitgebrachte stemmen, overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 75;
  5° het onderzoeken van alle aangelegenheden die rechtstreeks of onrechtstreeks van belang zijn voor het niet statutair personeel;
  6° met een meerderheid van tweederde van de uitgebrachte stemmen een of meer arbeidsreglementen opstellen en wijzigen overeenkomstig artikel 11 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen, waarbij de Nationale Paritaire Commissie de taken van de ondernemingsraad vervult;
  7° advies geven over de HR-dienstenovereenkomst(en);
  8° voorafgaandelijk goedkeuren, met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, van de afsluiting en wijziging van de overeenkomsten inzake terbeschikkingstelling van personeel die overeenkomstig artikel 72 kunnen worden gesloten;
  9° advies geven over de afsluiting en wijziging van de overeenkomsten inzake terbeschikkingstelling van personeel die overeenkomstig artikel 153 kunnen worden gesloten;
  10° het deelnemen aan het beheer van de ten behoeve van het personeel opgerichte of op te richten instellingen;
  11° het overleg met en de algemene informatie van het personeel inzake HR-beleid, met inbegrip van de aangelegenheden waarop de procedure bepaald in artikel 75 niet van toepassing is;
  12° de kennisname van aangelegenheden betreffende het welzijn van het personeel op het werk, die haar worden meegedeeld door de Nationale Commissie voor preventie en bescherming op het werk;
  13° het formuleren van een advies omtrent het driejaarlijks verslag van de algemeen directeur van HR Rail betreffende de woon-werkverplaatsingen van het personeel van de Belgische Spoorwegen, bedoeld in artikel 15, l), van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, ingevoegd bij de programmawet van 8 april 2003;
  14° het onderzoeken van de mogelijkheden tot wederbenuttiging bij afschaffing van betrekking van statutair personeel;
  15° het onderhandelen en sluiten van collectieve overeenkomsten van toepassing op het niet statutaire personeel zoals bepaald in artikel 77;
  16° het indienen van een aanvraag tot tussenkomst van een sociaal bemiddelaar zoals bepaald in artikel 136.
  Art. 119. Zonder afbreuk te doen aan artikel 136, heeft de voorzitter van de Nationale Paritaire Commissie of een door HR Rail in overleg met de voorzitter aangeduide lokale vertegenwoordiger een bemiddelende rol bij de sociale dialoog op het niveau van de Belgische Spoorwegen en binnen elk van de drie vennootschappen. Hij kan uit eigen initiatief optreden, of hij kan daartoe aangezocht worden door de voorzitter van het desbetreffende orgaan van sociale dialoog. De voorzitter van een orgaan van sociale dialoog is verplicht de tussenkomst van de voorzitter van de Nationale Paritaire Commissie, of diens vertegenwoordiger, te vragen indien de leden van het orgaan van sociale dialoog hem daartoe verzoeken bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen.
  3° Werking
  Art. 120. § 1. Punten voor de agenda van de Nationale Paritaire Commissie kunnen worden aangebracht door :
  1° de raad van bestuur van HR Rail;
  2° de algemeen directeur van HR Rail;
  3° het HR Coördinatie Comité;
  4° de raad van bestuur of het directiecomité van Infrabel of NMBS;
  5° de voorzitter of zijn gemandateerde van een syndicale organisatie die in de Nationale Paritaire Commissie zetelt, overeenkomstig de bepalingen van het personeelsstatuut of het syndicaal statuut.
  § 2. Voor de aangelegenheden bepaald in artikel 118, 2°, kan ook de minister die bevoegd is voor overheidsbedrijven punten op de agenda van de Nationale Paritaire Commissie laten plaatsen.
  Art. 121. De gedelegeerd bestuurder van Infrabel, de gedelegeerd bestuurder van NMBS, of de algemeen directeur van HR Rail, of hun vertegenwoordigers, zijn, elk voor wat hun vennootschap betreft, ertoe gehouden aan de Nationale Paritaire Commissie de noodzakelijke inlichtingen te verstrekken voor het uitoefenen van haar bevoegdheden.
  Art. 122. De Nationale Paritaire Commissie komt op geregelde tijdstippen bijeen, volgens de bepalingen van het personeelsstatuut of het syndicaal statuut.
  Onderafdeling 3. Het Sturingscomité 1° Oprichting en samenstelling
  Art. 123. Bij de Belgische Spoorwegen wordt een sturingscomité ingericht, dat is samengesteld uit : de gedelegeerd bestuurder van Infrabel, de gedelegeerd bestuurder van NMBS, de algemeen directeur van HR Rail en drie vertegenwoordigers van de erkende syndicale organisaties in de zin van het personeelsstatuut; onder alternerend voorzitterschap van de gedelegeerd bestuurder van Infrabel, de gedelegeerd bestuurder van NMBS en de algemeen directeur van HR Rail.
  2° Bevoegdheden
  Art. 124. Het sturingscomité pleegt samenspraak indien nodig voor de punctuele begeleiding van de uitbouw van nieuwe structuren, bij sociale conflicten en problemen in verband met operationeel beheer of wanneer de geëigende sociale dialoog geen oplossing biedt. Het sturingscomité kan tussenkomen bij betwistingen of nakende betwistingen tussen erkende syndicale organisaties en de vennootschappen.
  Bovendien is het sturingscomité gedurende het eerste jaar na de inwerkingtreding van de hervorming bevoegd voor de begeleiding van de hervorming.
  3° Werking
  Art. 125. Jaarlijks laat de algemeen directeur van HR Rail een kalender vastleggen voor de vergaderingen van het sturingscomité, op basis van één vergadering per maand.
  Onverminderd wat bepaald is in artikel 124, tweede lid, zullen de vergaderingen slechts doorgaan indien een lid van het sturingscomité hier ten laatste veertien dagen op voorhand om verzoekt. Ook de voorzitter van de raad van bestuur van HR Rail en het HR Coördinatie Comité kunnen verzoeken om een vergadering te laten doorgaan.
  Art. 126. Het HR Coördinatie Comité en elk lid van het sturingscomité kunnen punten op de agenda van het sturingscomité plaatsen.
  Afdeling 2. Organen van sociale dialoog op het niveau van elke vennootschap
  Onderafdeling 1. Strategisch bedrijfscomité 1° Oprichting
  Art. 127. Infrabel, NMBS en HR Rail zijn verantwoordelijk om elk in hun schoot een strategisch bedrijfscomité op te richten en te beheren, dat hoofdzakelijk bevoegd is voor economische en financiële aangelegenheden van de vennootschap, zoals hierna bepaald.
  2° Samenstelling
  Art. 128. § 1. De samenstelling van de strategische bedrijfscomités wordt in het personeelsstatuut of het syndicaal statuut geregeld, met dien verstande dat deze tweeledig zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van de betrokken vennootschap en vertegenwoordigers van het personeel en dat er niet meer vertegenwoordigers van de betrokken vennootschap dan vertegenwoordigers van het personeel mogen aangeduid zijn.
  § 2. Het strategisch bedrijfscomité van Infrabel wordt voorgezeten door de gedelegeerd bestuurder van Infrabel. Het strategisch bedrijfscomité van NMBS wordt voorgezeten door de gedelegeerd bestuurder van NMBS. Het strategisch bedrijfscomité van HR Rail wordt voorgezeten door de algemeen directeur van HR Rail. De gedelegeerd bestuurder of de algemeen directeur kan zich laten vervangen door zijn vertegenwoordiger.
  3° Bevoegdheden
  Art. 129. § 1. Onverminderd de andere bepalingen van deze wet en de bevoegdheden die voortvloeien uit de wet van 21 maart 1991, zijn de strategische bedrijfscomités, elk voor de vennootschap waarbinnen zij zijn opgericht, belast met de volgende bevoegdheden :
  1° Onderzoek van de economische en financiële inlichtingen betreffende de betrokken vennootschap, zoals bepaald in artikel 15, b), 1° en 2°, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven en zoals gepreciseerd en aangevuld door collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten binnen de Nationale Arbeidsraad;
  2° Het kennisnemen van de evolutie en van de aard van de tewerkstelling binnen de betrokken vennootschap, met inbegrip van het toezicht op de naleving van de afspraken met betrekking tot de terbeschikkingstelling ten behoeve van Infrabel en NMBS van het personeel door HR Rail;
  3° Voordracht aan de minister die bevoegd is voor overheidsbedrijven van leden van het college van commissarissen binnen de betrokken vennootschap;
  4° Het uitbrengen van een advies voorafgaand aan het afsluiten en wijzigen van het beheerscontract van Infrabel en van NMBS, en de opvolging van de uitvoering van dit beheerscontract;
  5° Het kennisnemen van en het uitbrengen van een voorafgaand advies over maatregelen die de tewerkstelling op middellange en lange termijn kunnen beïnvloeden;
  6° Het kennisnemen van en het uitbrengen van een voorafgaand advies over de maatregelen te nemen ten gevolge van beslissingen met een invloed op de lange termijn inzake algemene bedrijfsstrategie, dochterondernemingen, processen van fusies en overnames, herstructureringen, algemeen personeels- en investeringsbeleid, de ontwikkeling van jaarlijkse financiën en budgetten en de verdediging van de concurrentiepositie;
  7° Het waken over de naleving van de afspraken gemaakt door de betrokken vennootschap in de HR-dienstenovereenkomst en desgevallend de overeenkomst inzake terbeschikkingstelling van personeel;
  8° Het optreden als ondernemingsraad binnen de betrokken vennootschap in geval van overname of overdracht van activiteiten;
  9° Het toezicht op de uitvoering van de activiteiten van de betrokken vennootschap, voor wat de benuttiging van het spoorwegpersoneel betreft, zowel voor de spoorwegactiviteiten als voor de logistieke ondersteuning en overeenkomstig de afspraken met betrekking tot terbeschikkingstelling door HR Rail van personeel ten behoeve van Infrabel en NMBS;
  10° Het kennisnemen van de onderdelen van het ondernemingsplan die de uitvoering van de taken van openbare dienst betreffen met toepassing van artikel 26 van de wet van 21 maart 1991 en artikel 53, § 4.
  § 2. De strategische bedrijfscomités geven geen advies over de zaken die vallen onder paragraaf 1, 5°, 6° en 8°, waarover de Nationale Paritaire Commissie reeds advies heeft gegeven.
  4° Werking
  Art. 130. § 1. De gedelegeerd bestuurder of bij HR Rail de algemeen directeur, of hun vertegenwoordigers, zijn ertoe gehouden aan het strategische bedrijfscomité van hun vennootschap de inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor het uitoefenen van zijn bevoegdheden.
  § 2. Bij de uitoefening van hun bevoegdheden beschikken de strategische bedrijfscomités, voor zover van toepassing, over de verslagen van het auditcomité van de betrokken vennootschap betreffende het onderzoek van de rekeningen van deze vennootschap.
  Art. 131. De strategische bedrijfscomités kunnen ambtshalve advies verstrekken over de materies die tot hun bevoegdheden behoren.
  Onderafdeling 2. Regionale sociale dialoog 1° Organisatie
  Art. 132. De regionale sociale dialoog wordt georganiseerd en beheerd door Infrabel, NMBS en HR Rail, elk voor hun vennootschap, waarbij Infrabel en NMBS elk respectievelijk vijf gewestelijke paritaire comités inrichten en HR Rail vijf gewestelijke paritaire commissies inricht.
  2° Samenstelling
  Art. 133. § 1. De samenstelling van de gewestelijke paritaire comités en commissies wordt in het personeelsstatuut of het syndicaal statuut geregeld, met dien verstande dat deze paritair zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van de betrokken vennootschap en vertegenwoordigers van het personeel.
  § 2. Elk gewestelijke paritair comité van Infrabel of NMBS wordt voorgezeten door de lokaal verantwoordelijke van de regio, die wordt bijgestaan door de vertegenwoordiger van HR Rail bevoegd voor de uitvoering van het personeelsbeleid in deze regio.
  § 3. Elke gewestelijke paritaire commissie van HR Rail wordt voorgezeten door de vertegenwoordiger van de algemeen directeur van HR Rail.
  3° Bevoegdheden
  Art. 134. § 1. De regionale sociale dialoog heeft onder meer betrekking op de volgende aangelegenheden, onverminderd de bevoegdheden toegekend aan andere organen van sociale dialoog :
  1° Onderzoeken van de voorstellen en bezwaren van het personeel betreffende de regeling van de arbeid en de verbetering van de productie;
  2° Helpen van de diensthoofden bij het opmaken van de lijsten van bijslagen, vergoeding voor dienstouderdom, dienststrepen en van de bevorderingstabellen;
  3° Uitbrengen van advies over alle vraagstukken betreffende de werkregeling, telkens die door de bevoegde gewestelijke overheid worden voorgelegd, met inbegrip van de vraagstukken die voor het personeel onrechtstreeks van belang kunnen zijn, met uitzondering van welzijn op het werk;
  4° Mogelijkheid tot overmaken aan de bevoegde gewestelijke paritaire commissie van HR Rail van een vraag tot onderzoek van een kwestie die de mobiliteit van het personeel tussen Infrabel, NMBS en HR Rail en de wederbenuttiging van beschikbare personeelsleden betreft.
  § 2. De gewestelijke paritaire commissies van HR Rail zijn bovendien bevoegd om de kwesties met betrekking tot mobiliteit van het personeel tussen Infrabel, NMBS en HR Rail te onderzoeken, alsook de wederbenuttiging van beschikbare personeelsleden.
  Bij het uitoefenen van deze bevoegdheid nodigt de voorzitter van de gewestelijke paritaire commissie van HR Rail een vertegenwoordiger van Infrabel en/of NMBS uit als technisch expert.
  § 3. De gewestelijke paritaire comités en commissies brengen advies uit over de kwesties die hen worden voorgelegd door de betrokken vennootschap. Zij moeten niet ambtshalve of vooraf kennis krijgen van de vraagstukken betreffende de werkregeling, behalve in de gevallen bepaald in de wet, de personeelsreglementering of het personeelsstatuut.
  De kwesties van algemene aard en de beginselkwesties vallen onder de bevoegdheid van de Nationale Paritaire Commissie.
  4° Werking
  Art. 135. De gewestelijke paritaire comités en commissies komen op geregelde tijdstippen bijeen, volgens de bepalingen van het personeelsstatuut of het syndicaal statuut.
  Afdeling 3. Bemiddeling
  Art. 136. § 1. De Algemene Directie van de collectieve arbeidsbetrekkingen bij de Federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg wordt belast met de sociale bemiddeling op het niveau van de Belgische Spoorwegen en in elk van de vennootschappen met het oog op het voorkomen, opvolgen en beëindigen van de collectieve geschillen tussen Infrabel, NMBS en/of HR Rail en het personeel.
  De sociaal bemiddelaars aangewezen krachtens artikel 12octies van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, zijn bevoegd voor het vervullen van de opdrachten van sociale bemiddeling bij Infrabel, NMBS en HR Rail.
  § 2. De sociale bemiddeling omvat de volgende opdrachten :
  1° het voorkomen van sociale geschillen en het opvolgen van het uitbreken, het verloop en de beëindiging ervan;
  2° het vervullen van alle sociale bemiddelingsopdrachten.
  § 3. De sociaal bemiddelaars bedoeld in paragraaf 1 kunnen elke vergadering van een orgaan van sociale dialoog opgericht krachtens deze wet of krachtens het personeelsstatuut op het niveau van de Belgische Spoorwegen of binnen Infrabel, NMBS en HR Rail bijwonen als waarnemer en ontvangen hiervoor een uitnodiging alsof zij lid waren van deze organen.
  § 4. De Nationale Paritaire Commissie, de voorzitter van de raad van bestuur van HR Rail, de gedelegeerd bestuurder van Infrabel, de gedelegeerd bestuurder van NMBS, de minister die bevoegd is voor overheidsbedrijven, het HR Coördinatie Comité en de voorzitter of zijn gemandateerde van een syndicale organisatie overeenkomstig de bepalingen van het personeelsstatuut of het syndicaal statuut, kunnen een aanvraag tot tussenkomst van een sociaal bemiddelaar indienen bij de Algemene Directie van de collectieve arbeidsbetrekkingen bedoeld in paragraaf 1.
  Afdeling 4. Gemeenschappelijke bepalingen inzake sociale dialoog
  Art. 137. § 1. Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van deze wet, worden de samenstelling, bevoegdheden en werking van de organen van sociale dialoog op het niveau van de Belgische Spoorwegen of op het niveau van één of meer vennootschappen na de inwerkingtreding van de hervorming geregeld in het personeelsstatuut of het syndicaal statuut overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 75.
  § 2. Nochtans kunnen na de inwerkingtreding van de hervorming de bevoegdheden van de organen van sociale dialoog opgenomen in deze wet worden gewijzigd, overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 75.
  § 3. Na de inwerkingtreding van de hervorming kunnen bijkomende organen van sociale dialoog worden ingericht, overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 75.
  Art. 138. § 1. Indien drie maanden na de inwerkingtreding van de hervorming de nieuwe regels van samenstelling, bevoegdheden en werking van de organen van sociale dialoog, zowel van deze die ingericht moeten worden krachtens de wet als van deze die uitsluitend ingericht worden krachtens het personeelsstatuut of het syndicaal statuut, niet in het personeelsstatuut of het syndicaal statuut zijn ingeschreven, kan de Koning dit regelen.
  § 2. Paragraaf 1 is ook van toepassing op de raad van beroep bedoeld in hoofdstuk 7 van deze titel.
  Hoofdstuk 7. De raad van beroep
  Art. 139. § 1. De raad van beroep is gelast het personeelslid ten aanzien van wie een maatregel van tuchtsanctie of van ambtshalve ontslag is uitgevaardigd, zoals die zijn vastgesteld in het personeelsstatuut, op zijn verzoek te horen en hierover een gemotiveerde beslissing te nemen en die over te maken aan respectievelijk de algemeen directeur van HR Rail, de verantwoordelijke voor het personeelsbeleid bij Infrabel en de verantwoordelijke voor het personeelsbeleid bij NMBS, naargelang de vennootschap bij wie het betrokken personeelslid is tewerkgesteld.
  § 2. De raad van beroep bestaat uit twee kamers in functie van de aard van de voorgestelde maatregel lastens het personeelslid.
  De eerste kamer neemt kennis van de beroepen tegen voorgestelde maatregelen naar aanleiding van overtredingen van het gemeen recht, van het personeelsstatuut of van de personeelsreglementering alsook van de beroepen tegen het ambtshalve ontslag na tien dagen ongewettigde afwezigheid. De tweede kamer neemt kennis van beroepen tegen voorgestelde maatregelen naar aanleiding van beroepsfouten in verband met de veiligheid van het spoorwegverkeer.
  § 3. De raad van beroep is samengesteld uit :
  1° een voorzitter, magistraat, aangewezen door de eerste voorzitter van het Hof van Beroep te Brussel;
  2° een griffier-verslaggever, aangewezen door de raad van bestuur van HR Rail. De griffier-verslaggever is niet stemgerechtigd;
  3° tien bijzitters per kamer, waarvan de helft aangewezen wordt door het personeel van de Belgische Spoorwegen en de helft aangewezen wordt door HR Rail, Infrabel en/of NMBS, al naargelang de hoedanigheid van het personeelslid dat beroep heeft ingesteld.
  Indien het personeelslid dat beroep instelt, tewerkgesteld wordt bij HR Rail, worden de tien bijzitters samengesteld uit drie vertegenwoordigers van HR Rail, één vertegenwoordiger van Infrabel, één vertegenwoordiger van NMBS en uit vijf vertegenwoordigers van het personeel.
  Indien het personeelslid dat het beroep instelt, ter beschikking gesteld is aan Infrabel, worden de bijzitters samengesteld uit drie vertegenwoordigers van Infrabel, één vertegenwoordiger van HR Rail, één vertegenwoordiger van NMBS en uit vijf vertegenwoordigers van het personeel.
  Indien het personeelslid dat het beroep instelt, ter beschikking gesteld is aan NMBS, worden de bijzitters samengesteld uit drie vertegenwoordigers van NMBS, één vertegenwoordiger van HR Rail, één vertegenwoordiger van Infrabel en uit vijf vertegenwoordigers van het personeel.
  De bijzitters worden door het personeel, en respectievelijk door Infrabel, NMBS en HR Rail benoemd voor een mandaat van vier jaar, volgens de voorwaarden en regels vastgesteld in het personeelsstatuut.
  § 4. Het personeelsstatuut bepaalt de nadere procedurevoorschriften van de raad van beroep.
  Hoofdstuk 8. Welzijn op het werk
  Afdeling 1. Verplichtingen inzake welzijn op het werk
  Art. 140. Infrabel, NMBS en HR Rail zijn onderworpen aan de wet van 4 augustus 1996, met dien verstande dat het Bedrijfscomité voor preventie en bescherming op het werk, in de vennootschap waarbinnen het is opgericht met toepassing van artikel 145 de taken uitvoert en de bevoegdheden heeft van het comité voor preventie en bescherming op het werk in de zin van de wet van 4 augustus 1996.
  Art. 141.HR. Rail is bevoegd om te waken over de naleving van de verplichtingen opgelegd door de wet van 4 augustus 1996, met betrekking tot de personeelsleden die niet ter beschikking zijn gesteld van Infrabel en NMBS, onverminderd artikel 153, § 2.
  Infrabel heeft die bevoegdheid met betrekking tot het personeel dat aan haar ter beschikking is gesteld. Ten aanzien van die personeelsleden, zal enkel Infrabel beschouwd worden als werkgever of gelijkgesteld met de werkgever in de zin van de wet van 4 augustus 1996.
  NMBS heeft die bevoegdheid met betrekking tot het personeel dat aan haar ter beschikking is gesteld. Ten aanzien van die personeelsleden, zal enkel NMBS beschouwd worden als werkgever of gelijkgesteld met de werkgever in de zin van de wet van 4 augustus 1996.
  Afdeling 2. Beleid inzake welzijn op het werk
  Art. 142. Voor de toepassing van deze afdeling, wordt verstaan onder :
  1° " Reglementair welzijnsbeleid " : Het beleid inzake welzijn op het werk met inbegrip van alle beleidsbeslissingen tot aanpassing van het personeelsstatuut met inbegrip van het syndicaal statuut, of van de personeelsreglementering. Het betreft alle beslissingen van welzijnsbeleid die niet bedoeld zijn onder 2°.
  2° " Niet-reglementair welzijnsbeleid " : Het beleid inzake welzijn op het werk met inbegrip van alle overige beleidsbeslissingen tot vaststelling of aanpassing van het welzijnsbeleid met een algemene draagwijdte, die geen verandering inhouden of noodzaken van het onder 1° omschreven reglementair welzijnsbeleid.
  Art. 143. In afwijking van wat bepaald is in hoofdstuk 3 van deze titel, en onverminderd de toepassing van artikel 144, § 4, artikel 145, § 4, artikel 147, § 1 en § 2, lid 1, en artikel 153, § 2 :
  1° stelt uitsluitend Infrabel het reglementair en niet-reglementair welzijnsbeleid vast voor het personeel dat aan haar ter beschikking is gesteld;
  2° stelt uitsluitend NMBS het reglementair en niet-reglementair welzijnsbeleid vast voor het personeel dat aan haar ter beschikking is gesteld;
  3° stelt uitsluitend HR Rail het reglementair en niet-reglementair welzijnsbeleid vast voor het personeel dat niet aan Infrabel of NMBS ter beschikking is gesteld;
  4° wordt het aldus vastgestelde reglementair welzijnsbeleid gelijkgesteld met de rechtsbron bepaald in artikel 68, § 1, 3° of 4°, al naargelang, en wordt het aldus vastgestelde niet-reglementair welzijnsbeleid gelijkgesteld met de rechtsbron bepaald in artikel 68, § 1, 6°, voor wat het statutair personeel betreft en wordt het aldus vastgestelde welzijnsbeleid beschouwd als een rechtsbron bedoeld in artikel 78, § 1, 6°, voor wat het niet statutair personeel betreft.
  Afdeling 3. Organen van sociale dialoog inzake welzijn op het werk
  Onderafdeling 1. Organen van sociale dialoog inzake welzijn op het werk op het niveau van de Belgische Spoorwegen 1° Nationale Commissie voor preventie en bescherming op het werk
  Art. 144. § 1. De Nationale Commissie voor preventie en bescherming op het werk wordt ingericht op het niveau van de Belgische Spoorwegen.
  HR Rail is verantwoordelijk voor het organiseren en beheren van de sociale dialoog binnen de Nationale Commissie voor preventie en bescherming op het werk.
  § 2. De samenstelling van de Nationale Commissie voor preventie en bescherming op het werk wordt in het personeelsstatuut of het syndicaal statuut geregeld, met dien verstande dat zij paritair is samengesteld en dat de drie vennootschappen erin vertegenwoordigd zijn.
  § 3. De Nationale Commissie voor preventie en bescherming op het werk wordt voorgezeten door de algemeen directeur van HR Rail of zijn vertegenwoordiger.
  § 4. De Nationale Commissie voor preventie en bescherming op het werk heeft de volgende bevoegdheden :
  1° onderzoek en adviesverlening in kwesties met betrekking tot welzijn op het werk die noodzakelijkerwijs meer dan één vennootschap aanbelangen;
  2° de mogelijkheid tot overmaken aan de Nationale Paritaire Commissie van alle kwesties in verband met welzijn op het werk die noodzakelijkerwijs meer dan één vennootschap aanbelangen;
  3° het geven van advies inzake een beoogde wijziging van reglementering inzake welzijn op het werk of een andere kwestie inzake welzijn op het werk die noodzakelijkerwijs meer dan één vennootschap aanbelangt.
  § 5. Punten kunnen op de agenda van de Nationale Commissie voor preventie en bescherming op het werk worden geplaatst door één van de volgende personen of organen :
  1° de voorzitter van een Bedrijfscomité voor preventie en bescherming op het werk;
  2° de vertegenwoordigers van Infrabel, NMBS of HR Rail of de voorzitter of zijn gemandateerde van een syndicale organisatie die in een Bedrijfscomité voor preventie en bescherming op het werk zetelen; of
  3° het HR Coördinatie Comité.
  Onderafdeling 2. Organen van sociale dialoog inzake welzijn op het werk op het niveau van elke vennootschap 1° Bedrijfscomité voor preventie en bescherming op het werk
  Art. 145. § 1. Binnen elke vennootschap wordt een Bedrijfscomité voor preventie en bescherming op het werk opgericht. Die vennootschap is verantwoordelijk voor de organisatie en het beheer van het Bedrijfscomité voor preventie en bescherming op het werk. Wanneer de vennootschap een Bedrijfscomité voor preventie en bescherming op het werk heeft opgericht, wordt zij beschouwd voldaan te hebben aan artikel 49 en 50 van de wet van 4 augustus 1996.
  De wettelijke en reglementaire voorschriften die gelden voor een comité voor preventie en bescherming op het werk in de zin van de wet van 4 augustus 1996, zijn slechts van toepassing op het Bedrijfscomité voor preventie en bescherming op het werk voorzover deze niet tegenstrijdig zijn met de bepalingen van deze wet.
  § 2. De samenstelling van het Bedrijfscomité voor preventie en bescherming op het werk wordt in het personeelsstatuut of het syndicaal statuut geregeld, met dien verstande dat deze tweeledig is samengesteld uit vertegenwoordigers van de betrokken vennootschap en vertegenwoordigers van het personeel en dat er niet meer vertegenwoordigers van de betrokken vennootschap dan vertegenwoordigers van het personeel mogen aangeduid zijn.
  § 3. Het Bedrijfscomité voor preventie en bescherming op het werk wordt voorgezeten door de gedelegeerd bestuurder of de algemeen directeur van de betrokken vennootschap of zijn vertegenwoordiger.
  § 4. De Bedrijfscomités voor preventie en bescherming op het werk zijn, elk voor de vennootschap waarbinnen zij zijn opgericht, belast met de volgende bevoegdheden :
  1° het uitoefenen van de bevoegdheden die overeenkomstig de wet van 4 augustus 1996 toekomen aan het comité voor preventie en bescherming op het werk;
  2° het geven van advies over een wijziging aan het reglementair of niet-reglementair welzijnsbeleid;
  3° het geven van advies over voorstellen van aanpassingen aan de structuur van de organen voor preventie en bescherming op het werk waarvan zij de noodzakelijkheid erkend heeft;
  4° de mogelijkheid tot ambtshalve of op verzoek uitbrengen van advies over alle vraagstukken betreffende welzijn op het werk;
  5° de mogelijkheid tot overmaken aan de Nationale Commissie voor preventie en bescherming op het werk, voor advies, van alle kwesties in verband met welzijn op het werk die tot de bevoegdheid van de Nationale Commissie voor preventie en bescherming op het werk behoren, overeenkomstig artikel 144, § 5;
  6° het uitwerken en het in toepassing brengen van gepaste propagandamiddelen met het doel de welzijn op het werk binnen de vennootschap in alle aspecten te bevorderen;
  7° het waken over de toepassing, binnen de betrokken vennootschap, van de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake preventie en bescherming op het werk en in het bijzonder over de eenheid in het welzijnsbeleid;
  8° het waken over de goede werking, binnen de betrokken vennootschap, van de verschillende organen voor preventie en bescherming op het werk;
  9° het onderzoeken van de eventuele klachten die uitgaan van de vennootschap of van de delegatie van het personeel dat in het Bedrijfscomité voor preventie en bescherming op het werk zetelt, inzake het verlenen van dienstvrijstellingen met toepassing van de toepasselijke personeelsreglementering;
  10° het geven van advies over de toepassing van hoofdstukken III, IV en V van de wet van 4 augustus 1996;
  11° het geven van een voorafgaand advies over de keuze of de vervanging van de in toepassing van de bepalingen van de Codex Welzijn op het Werk of het Algemeen reglement voor de arbeidsbescherming erkende organismen, agenten-bezoekers, laboratoria, instellingen, deskundigen, firma's;
  12° het geven van een voorafgaand advies over de keuze, de aankoop, het onderhoud en het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen.
  2° Comités voor preventie en bescherming op het werk
  Art. 146. § 1. Elke vennootschap regelt de structuur, samenstelling en werking van haar Comités voor preventie en bescherming op het werk, na akkoord van haar Bedrijfscomité voor preventie en bescherming op het werk dat beslist bij tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen.
  § 2. De voorzitter van een Comité voor preventie en bescherming op het werk kan, ambtshalve of op gemotiveerd verzoek van tweederde van de leden van dat Comité, punten op de agenda laten plaatsen van het Bedrijfscomité voor preventie en bescherming op het werk van de betrokken vennootschap.
  Onderafdeling 3. Gemeenschappelijke bepalingen
  Art. 147. § 1. Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van deze wet, worden de samenstelling, bevoegdheden en werking van de Nationale Commissie voor preventie en bescherming op het werk na de inwerkingtreding van de hervorming geregeld in het personeelsstatuut of het syndicaal statuut, overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 75.
  § 2. Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van deze wet wordt de samenstelling van de Bedrijfscomités voor preventie en bescherming op het werk na de inwerkingtreding van de hervorming geregeld in het personeelsstatuut of het syndicaal statuut, volgens de procedure bepaald in artikel 75.
  Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van deze wet, worden de bevoegdheden en de werking van de Bedrijfscomités voor preventie en bescherming op het werk na de inwerkingtreding van de hervorming geregeld door de vennootschap bij dewelke het Bedrijfscomité voor preventie en bescherming op het werk is ingericht, na akkoord van het Bedrijfscomité dat beslist bij tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen.
  § 3. Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van deze wet worden de samenstelling, de bevoegdheden en werking van de Comités voor preventie en bescherming op het werk na de inwerkingtreding van de hervorming geregeld door de vennootschap bij dewelke ze zijn ingericht, na akkoord van het Bedrijfscomité voor preventie en bescherming op het werk van die vennootschap, dat beslist bij tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen.
  Art. 148. Indien drie maanden na de inwerkingtreding van de hervorming de nieuwe regels van samenstelling, bevoegdheden en werking van de organen van sociale dialoog inzake welzijn op het werk, niet zijn vastgelegd overeenkomstig artikel 147, kan de Koning dit regelen.
  Afdeling 4. Bemiddeling
  Art. 149. Ook voor kwesties inzake welzijn op het werk kan beroep worden gedaan op de sociaal bemiddelaars in het kader van de opdracht bepaald in artikel 136.
  Afdeling 5. Externe dienst voor preventie en bescherming op het werk
  Art. 150. HR Rail is bevoegd om een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk in te richten, in de zin van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk.
  Die externe dienst kan dezelfde dienst zijn als deze die bevoegd was, op 31 december 2013, voor het personeel van de NMBS Holding.
  Onverminderd de mogelijkheid voor andere werkgevers om ook beroep te doen op deze dienst als externe dienst of elke andere bevoegdheid die daaraan zou worden toegekend, en onverminderd artikel 153, § 2, tweede lid, is de externe dienst bevoegd voor het geheel van het personeel van HR Rail al dan niet ter beschikking gesteld van Infrabel of van NMBS.
  Hoofdstuk 9. Sociale werken
  Art. 151. § 1. De organisatie, het beheer en de andere aspecten met betrekking tot sociale werken worden in het personeelsstatuut of het syndicaal statuut geregeld met dien verstande dat :
  1° de activiteiten en taken van het Beheerscomité van het Fonds van de sociale documentatie met ingang van datum van inwerkingtreding van de hervorming zullen worden uitgeoefend door het Nationaal Subcomité van de sociale werken;
  2° de gewestelijke Comités van de sociale werken worden geherstructureerd tot vijf gewestelijke Comités van de sociale werken bij de Belgische Spoorwegen.
  § 2. De samenstelling van het Nationaal Comité van de sociale werken, het Nationaal Subcomité van de sociale werken en de gewestelijke Comités van de sociale werken wordt in het personeelsstatuut of het syndicaal statuut geregeld, met dien verstande dat deze telkens paritair zijn samengesteld.
  Hoofdstuk 10. Arbeidsongevallen en beroepsziekten
  Art. 152. Voor de toepassing van artikel 46 van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen en van artikel 51, § 1, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970, moet de vennootschap aan wie een personeelslid ter beschikking is gesteld als werkgever van dat personeelslid worden beschouwd, en dat personeelslid als aangestelde van die vennootschap, met dien verstande dat waar dat artikel de rechtsvordering inzake burgerlijke aansprakelijkheid tegen de werkgever en zijn lasthebbers of aangestelden onmogelijk maakt, de rechtsvordering ook niet mogelijk is tegen HR Rail en zijn lasthebbers of aangestelden.
  Hoofdstuk 11. Personeel in de vennootschappen, verenigingen en instellingen van publiek of privaat recht waarmee Infrabel, NMBS of HR Rail een deelnemingsverhouding hebben
  Art. 153. § 1. Zonder afbreuk te doen aan artikel 72, § 3, kan aan een personeelslid verlof zonder bezoldiging verleend worden om een specifieke opdracht te vervullen bij vennootschappen, verenigingen en instellingen van publiek of privaat recht waarmee Infrabel, NMBS of HR Rail een deelnemingsverhouding hebben.
  § 2. Onverminderd wat bepaald is in paragraaf 1, en zonder afbreuk te doen aan artikel 72, § 3, kan een statutair personeelslid ter beschikking worden gesteld aan vennootschappen, verenigingen en instellingen van publiek of privaat recht waarmee Infrabel, NMBS of HR Rail een deelnemingsverhouding hebben. Gedurende de terbeschikkingstelling worden de personeelsleden verder bezoldigd door HR Rail.
  Uitsluitend die vennootschap, vereniging of instelling van publiek of privaat recht wordt voor de toepassing van de wet van 4 augustus 1996 beschouwd als werkgever of met de werkgever gelijkgestelde.
  De voorwaarden en nadere bepalingen met betrekking tot de terbeschikkingstelling van het personeel krachtens het eerste lid, kunnen worden vastgesteld in een overeenkomst die na de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad kan worden gesloten tussen HR Rail en de betrokken vennootschap, vereniging of instelling van publiek of privaat recht waarmee Infrabel, NMBS of HR Rail een deelnemingsverhouding heeft. Deze overeenkomst evenals alle wijzingen ervan zijn onderworpen aan een voorafgaand advies van de Nationale Paritaire Commissie.
  § 3. De paragrafen 1 en 2 doen geen afbreuk aan de andere mogelijkheden van verloven en detachering zoals geregeld in het personeelsstatuut en de personeelsreglementering ook aan andere publieke of private rechtspersonen dan deze bedoeld in dit hoofdstuk.
  § 4. Een personeelslid dat ter beschikking gesteld is van Infrabel of NMBS en op wie de paragrafen 1, 2 of 3 worden toegepast, wordt geacht ter beschikking gesteld gebleven te zijn van respectievelijk Infrabel of NMBS, behoudens andersluidende beslissing van HR Rail met toepassing van artikel 72, § 3.
  Boek 2. Het personeel van de Belgische Spoorwegen
  Titel 1. Definities
  Art. 21. Voor de toepassing van dit boek, wordt verstaan onder :
  Vennootschap(pen) : Infrabel, NMBS, HR Rail;
  NMBS Holding : de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS Holding, voor het ogenblik waarop de fusie bedoeld in hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 7 november 2013 tot hervorming van de structuren van NMBS Holding, Infrabel en de NMBS (I) uitwerking heeft;
  Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, afgekort " NMBS " : de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS, vanaf het ogenblik dat de fusie bedoeld in hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 7 november 2013 tot hervorming van de structuren van NMBS Holding, Infrabel en de NMBS (I) uitwerking heeft;
  Infrabel : de naamloze vennootschap van publiek recht Infrabel;
  Belgische Spoorwegen : de drie vennootschappen gezamenlijk;
  Hervorming : hervorming van de Belgische Spoorwegen op grond van de wet van 30 augustus 2013 betreffende de hervorming van de Belgische spoorwegen;
  Human resources, afgekort HR : omvat onder meer de volgende domeinen : sociale dialoog, terbeschikkingstelling van personeel, personeelsplanning, aanwerving en selectie, beloningsbeleid en arbeidsvoorwaarden, loopbaanbeleid, opleiding en ontwikkeling, performantiemanagement, opruststelling en (on)vrijwillige uitstroom, beheer van de uitbetalingen, sociale zaken, personeelsbeslissingen met individuele draagwijdte, beheer van de opruststelling, tucht, evaluatie, opvolging van arbeidsongevallen en beroepsziekten, welzijn, medische dienst, CPS en het beheer van de bedrijfsrestaurants;
  HR-beleid : het voorstellen en nader bepalen van het beleid inzake personeelszaken, waaronder onder meer de beleidsevaluatie en alle HR-beleidsbeslissingen worden gevat in één of meer domeinen van HR. Het HR-beleid heeft een algemene draagwijdte en betreft een deel of het volledige personeel van de Belgische Spoorwegen al dan niet ter beschikking gesteld van Infrabel of NMBS;
  HR-uitvoering : het doen, het opleveren of het administratief verwerken van het HR-beleid en het HR-beheer; het voeren van personeelsadministratie en het verlenen van aanverwante dienstverlening aan het personeel en de vennootschappen in één of meer domeinen van HR;
  HR-beheer : het administratief beheer, waaronder onder meer het data-beheer, het documenteren, het onderhouden en het bewaren van informatie in één of meer domeinen van HR worden gevat;
  HR-expertise : het adviseren en het informeren omtrent één of meer domeinen van HR;
  HR-processen : het geheel van de opeenvolgende bewerkingen, verricht met als doel de HR-uitvoering, en de opeenvolgende ontwikkelingen strekkend tot voortdurende verbetering, modernisering en uitbouw van het HR-beleid, de HR-uitvoering, het HR-beheer en/of de HR-expertise;
  HR-dienstenovereenkomst : de wederzijdse overeenkomst(en) tussen HR Rail en Infrabel en HR Rail en NMBS waarin de wederzijdse rechten en verplichtingen inzake het HR-beleid, de HR-uitvoering, het HR-beheer en de HR-exptertise in één of meer van de domeinen van HR nader worden gepreciseerd en toebedeeld, afgesloten volgens de modaliteiten zoals voorgeschreven onder artikel 98;
  HR Coördinatie Comité : Comité voor de coördinatie van het beheer van de personeelszaken, bedoeld in artikel 45 en volgende van deze wet;
  Personeelsstatuut : het statuut van het personeel tewerkgesteld bij de Belgische Spoorwegen, zoals vastgesteld door de raad van bestuur van HR Rail overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 75;
  Syndicaal statuut : Hoofdstuk XIII van het personeelsstatuut en ARPS-bundel 548 en alle latere wijzigingen ervan;
  Personeelsreglementering : interne reglementering vastgesteld ter uitvoering van het personeelsstatuut;
  Arbeidsreglement : een arbeidsreglement in de zin van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen;
  Wet van 21 maart 1991 : de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven;
  Wet van 4 augustus 1996 : de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;
  Kaderpersoneel : de leden van het hoger kader zoals omschreven in het personeelsstatuut.
  Titel 2. HR Rail
  Hoofdstuk 1. Maatschappelijk doel, kapitaal, statuten, wettelijke en reglementaire bepalingen
  Afdeling 1. Maatschappelijk doel en opdracht van openbare dienst van HR Rail
  Art. 22. § 1. HR Rail is een naamloze vennootschap van publiek recht. Zij ressorteert onder de minister die bevoegd is voor overheidsbedrijven.
  § 2. Op alle akten, facturen, aankondigingen, bekendmakingen, briefwisseling, publicaties, orders en andere stukken uitgaande van de vennootschap dient de benaming " HR Rail " steeds te worden voorafgegaan of gevolgd door de vermelding " naamloze vennootschap van publiek recht ".
  Art. 23. § 1. HR Rail heeft tot doel :
  1° de selectie en de aanwerving van het statutair en het niet statutair personeel dat nodig is voor de verwezenlijking van de opdrachten van Infrabel en NMBS, de terbeschikkingstelling aan Infrabel en NMBS van dat personeel en het optreden als juridisch werkgever met betrekking tot dat personeel;
  2° het beheer van personeelszaken, waaronder het bepalen en opvolgen van het HR-beleid, de HR-uitvoering, het HR-beheer en de HR-expertise worden omvat, zoals omschreven en binnen de afbakening van bevoegdheden en verantwoordelijkheden, uiteengezet door hoofdstuk III, afdeling 5, van deze wet, en dit ten dienste van de Belgische Spoorwegen;
  3° het organiseren en beheren van de sociale dialoog op het niveau van de Belgische Spoorwegen;
  4° het voorzien in een externe dienst in de zin van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, en dit ten dienste van de Belgische Spoorwegen;
  5° het beheer van de statutaire pensioenen op grond van artikel 159 van de programmawet van 27 december 2005 en in overeenstemming met het koninklijk besluit van 28 december 2005 betreffende de overname van de pensioenverplichtingen van de NMBS Holding door de Belgische Staat, bekrachtigd door de programmawet van 20 juli 2006 en met de uitvoeringsbesluiten;
  6° de selectie en de aanwerving en terbeschikkingstelling van statutair personeel dat nodig is voor de uitvoering van hun opdrachten aan vennootschappen, verenigingen en instellingen van publiek of privaat recht waarmee Infrabel, NMBS en/of HR Rail een deelnemingsverhouding hebben;
  7° de andere opdrachten waarmee zij belast is door of krachtens de wet.
  § 2. HR Rail kan de taken bedoeld in paragraaf 1, 2° en 4°, ook uitvoeren ten dienste van vennootschappen, verenigingen en instellingen van publiek of privaat recht waarmee Infrabel, NMBS en/of HR Rail een deelnemingsverhouding hebben en, in de mate deze taken bijkomstig zijn aan de taken bedoeld in paragraaf 1, ten dienste van derden.
  § 3. De taak vervat onder paragraaf 1, 3° vormt de opdracht van openbare dienst van HR Rail.
  § 4. HR Rail mag in België en in het buitenland alle handelingen stellen en verrichtingen doen die nodig of dienstig zijn voor de verwezenlijking van haar doel, met inbegrip van het nemen of aanhouden van rechtstreekse of onrechtstreekse belangen in vennootschappen, verenigingen en instellingen van publiek of privaat recht waarvan het doel verenigbaar is met haar maatschappelijk doel.
  Afdeling 2. Kapitaal - aandelen
  Art. 24. § 1. Elke uitgifte van nieuwe aandelen is onderworpen aan de voorafgaandelijke goedkeuring van de Koning, bij een besluit vastgesteld na beraadslaging in de Ministerraad.
  § 2. Geen enkele verrichting kan tot gevolg hebben dat het aantal aandelen gehouden door of voor rekening van de Staat in het maatschappelijk kapitaal van HR Rail daalt beneden twee procent van de aandelen in het maatschappelijk kapitaal van HR Rail, noch dat de overige aandelen in het maatschappelijk kapitaal van HR Rail niet meer in gelijke delen door Infrabel en NMBS worden gehouden.
  Art. 25. Ongeacht het deel van het maatschappelijk kapitaal dat zij vertegenwoordigen, geven de aandelen gehouden door of voor rekening van de Staat van rechtswege recht op zestig procent van de stemmen, de aandelen gehouden door Infrabel twintig procent van de stemmen en de aandelen gehouden door NMBS eveneens twintig procent van de stemmen.
  Afdeling 3. Statuten
  Art. 26. Een statutenwijziging heeft slechts uitwerking na goedkeuring door de Koning, bij een besluit vastgesteld na beraadslaging in de Ministerraad.
  Afdeling 4. Wettelijke en reglementaire bepalingen
  Art. 27. De vennootschap is onderworpen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die van toepassing zijn op de naamloze vennootschappen, in zoverre hiervan niet uitdrukkelijk door of krachtens deze wet of een andere bijzondere wet wordt afgeweken.
  Art. 28. De handelingen van HR Rail worden geacht daden van koophandel te zijn.
  Art. 29. Artikel 544 van het Wetboek van vennootschappen is niet van toepassing op HR Rail.
  Art. 30. HR Rail is niet onderworpen aan de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen en aan de faillissementswet van 8 augustus 1997.
  Art. 31. HR Rail geniet immuniteit van tenuitvoerlegging voor de goederen die geheel of gedeeltelijk zijn bestemd voor de uitvoering van haar opdracht van openbare dienst.
  Hoofdstuk 2. Organisatie
  Afdeling 1. De algemene vergadering
  Art. 32. De minister onder wiens bevoegdheid HR Rail ressorteert, of zijn afgevaardigde, vertegenwoordigt de Staat op de algemene vergadering.
  Art. 33. De algemene vergadering oefent geen andere bevoegdheden uit dan die welke haar zijn voorbehouden of toegekend op grond van deze wet of op grond van de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen die van toepassing zijn op de naamloze vennootschappen.
  Afdeling 2. De raad van bestuur
  Onderafdeling 1. Samenstelling en werking
  Art. 34. § 1. De raad van bestuur is samengesteld uit :
  1° één bestuurder die wordt benoemd door de Koning overeenkomstig paragraaf 2;
  2° de gedelegeerd bestuurder van Infrabel, die van rechtswege deel uitmaakt van de raad van bestuur;
  3° de gedelegeerd bestuurder van NMBS, die van rechtswege deel uitmaakt van de raad van bestuur;
  4° de algemeen directeur, die wordt benoemd overeenkomstig artikel 39.
  § 2. De bestuurder die wordt benoemd door de Koning, bij een besluit vastgesteld na beraadslaging in de Ministerraad voor een hernieuwbare termijn van zes jaar, treedt tevens van rechtswege op als voorzitter van de raad van bestuur. Deze bestuurder wordt gekozen omwille van zijn bijzondere bekwaamheid inzake sociale betrekkingen en kan slechts worden ontslagen door de Koning, bij een besluit vastgesteld na beraadslaging in de Ministerraad.
  § 3. De bezoldiging van de voorzitter wordt door de algemene vergadering bepaald.
  § 4. Wanneer de betrekking van de voorzitter vacant wordt, voorzien de overblijvende bestuurders voorlopig in deze vacature tot op het ogenblik dat een definitieve benoeming gebeurt overeenkomstig dit artikel.
  § 5. De voorzitter behoort tot een andere taalrol dan deze waartoe de algemeen directeur behoort.
  Art. 35. § 1. Een beslissing van de raad van bestuur kan slechts geldig worden genomen indien alle leden van de raad van bestuur aanwezig of geldig vertegenwoordigd zijn. Dit aanwezigheidsquorum wordt geverifieerd bij het begin van de vergadering van de raad van bestuur en voor de goedkeuring van elke beslissing van de raad van bestuur. Dit aanwezigheidsquorum geldt niet voor beslissingen op grond van artikel 39, § 1, en artikel 41, § 3, die geldig kunnen worden genomen, ongeacht het aantal aanwezige of geldig vertegenwoordigde bestuurders.
  § 2. De beslissingen van de raad van bestuur worden genomen bij gewone meerderheid van de stemmen van de aanwezige of geldig vertegenwoordigde bestuurders.
  Elk lid van de raad van bestuur dat een al dan niet bezoldigde functie, mandaat of activiteit, hetzij persoonlijk, hetzij via tussenkomst van een rechtspersoon, uitoefent ten dienste van NMBS kan niet deelnemen aan de beraadslagingen van de raad van bestuur over beslissingen die uitsluitend betrekking hebben op personeel van Infrabel dat behoort tot de in artikel 199bis, § 1 van de wet van 21 maart 1991 beschreven gespecialiseerde dienst, noch aan de stemming in dat verband. Dergelijk lid wordt meegerekend voor de berekening van het aanwezigheidsquorum, maar zal geacht worden afwezig te zijn voor de berekening van het meerderheidsquorum.
  § 3. Behoudens bij toepassing van artikel 39, § 1, en artikel 41, § 3, zal, indien binnen de raad van bestuur, op drie achtereenvolgende behoorlijk bijeengeroepen vergaderingen van de raad van bestuur binnen een tijdspanne van maximaal drie maanden, geen beslissing kon worden genomen over eenzelfde agendapunt, de voorzitter van de raad van bestuur een algemene vergadering bijeenroepen binnen een termijn van één maand, waarbij het betreffende agendapunt in de oproeping tot de algemene vergadering wordt vermeld. De algemene vergadering zal kunnen oordelen over het agendapunt bij gewone meerderheid van stemmen.
  Onderafdeling 2. Bevoegdheden
  Art. 36. § 1. De raad van bestuur is bevoegd om alle handelingen te verrichten die nodig of dienstig zijn tot verwezenlijking van het doel van HR Rail.
  De raad van bestuur houdt toezicht op het beleid van de algemeen directeur.
  § 2. De raad van bestuur kan de in paragraaf 1 bedoelde bevoegdheden geheel of gedeeltelijk opdragen aan de algemeen directeur, met uitzondering van :
  1° het vaststellen van het ondernemingsplan en het algemeen beleid;
  2° het toezicht op de algemeen directeur;
  3° de andere bevoegdheden die door deze wet en door het Wetboek van vennootschappen uitdrukkelijk aan de raad van bestuur worden toegewezen.
  § 3. De algemeen directeur doet op geregelde tijdstippen verslag aan de raad van bestuur. De raad van bestuur of zijn voorzitter kan op elk ogenblik van de algemeen directeur een verslag vragen betreffende de activiteiten van HR Rail of sommige ervan, dat aan de raad van bestuur wordt meegedeeld.
  Onderafdeling 3. Vertegenwoordiging
  Art. 37. HR Rail wordt zowel in rechte als ten aanzien van derden geldig vertegenwoordigd door de gezamenlijke handtekening van de algemeen directeur en van een andere bestuurder.
  Onderafdeling 4. Benoemings- en bezoldigingscomité
  Art. 38. § 1. De raad van bestuur richt in zijn midden een benoemings- en bezoldigingscomité op, waarin de voorzitter van de raad van bestuur die bedoeld comité ook voorzit, de gedelegeerd bestuurder van Infrabel en de gedelegeerd bestuurder van NMBS zetelen.
  § 2. Het benoemings- en bezoldigingscomité brengt overeenkomstig artikel 42 advies uit over de kandidaturen die door de algemeen directeur worden voorgesteld met het oog op de benoeming van de adjunct van de algemeen directeur en van het kaderpersoneel van HR Rail dat niet is terbeschikking gesteld.
  § 3. Het benoemings- en bezoldigingscomité doet een voorstel van de bezoldiging en de voordelen die worden toegekend aan de adjunct van de algemeen directeur, evenals aan het kaderpersoneel van HR Rail dat niet is ter beschikking gesteld.
  Afdeling 3. De algemeen directeur - de adjunct van de algemeen directeur
  Onderafdeling 1. De algemeen directeur
  Art. 39. § 1. De algemeen directeur, die onder meer een bijzondere bekwaamheid moet hebben op het vlak van HR, wordt benoemd door de raad van bestuur voor een hernieuwbare termijn van zes jaar, op unanieme voordracht van de twee bestuurders bedoeld in artikel 34, § 1, 2° en 3°. Indien een algemeen directeur in functie is, neemt deze niet deel aan de beraadslaging en stemming met betrekking tot dit agendapunt. De algemeen directeur wordt geacht afwezig te zijn voor de berekening van het meerderheidsquorum. De algemeen directeur wordt op dezelfde wijze ontslagen. Zijn opdracht bedoeld in artikel 40, § 1, wordt op dezelfde wijze vastgesteld.
  § 2. De administratieve en geldelijke rechtspositie van de algemeen directeur wordt door de raad van bestuur van HR Rail vastgesteld. Indien een algemeen directeur in functie is, neemt deze niet deel aan de beraadslaging en stemming met betrekking tot dit agendapunt. De algemeen directeur wordt geacht afwezig te zijn voor de berekening van het meerderheidsquorum.
  Art. 40. § 1. De algemeen directeur is belast met het dagelijks bestuur van HR Rail, inclusief het financieel beheer, en met de bevoegdheden, inclusief de vertegenwoordigingsbevoegdheden, die hem krachtens deze wet zijn toegekend. Hij heeft als voornaamste doelstelling de modernisering van het beheer van de personeelszaken op basis van een opdrachtbrief. Hij waakt in het bijzonder over de uitvoering van de opdracht van openbare dienst, over het financieel evenwicht van HR Rail en over het welzijn van het personeel tewerkgesteld voor de uitvoering van de opdrachten van HR Rail.
  § 2. De algemeen directeur is tevens belast met de krachtens artikel 36, § 2, door de raad van bestuur opgedragen bevoegdheden alsmede met de uitvoering van de beslissingen van de raad van bestuur.
  § 3. De algemeen directeur vertegenwoordigt HR Rail voor wat betreft het dagelijks bestuur en voor wat betreft de bevoegdheden die hem krachtens deze wet zijn toegekend.
  § 4. De algemeen directeur vervult een voltijdse functie binnen HR Rail.
  Art. 41. § 1. De algemeen directeur rapporteert ten minste tweemaal per jaar aan de raad van bestuur over de gemaakte vorderingen op het vlak van de modernisering bedoeld in artikel 40, § 1 en over de uitvoering van de opdracht van openbare dienst.
  § 2. Hij waakt erover dat hij vooraf de raad van bestuur informeert over alle standpunten die hij inneemt die een financiële impact kunnen hebben op Infrabel en NMBS.
  § 3. De evaluatie van de algemeen directeur van HR Rail gebeurt jaarlijks door de raad van bestuur. Opdat enige beslissing met betrekking tot deze evaluatie geldig kan worden genomen, dienen de twee bestuurders bedoeld in artikel 34, § 1, 2° en 3°, hun goedkeuring te verlenen. De algemeen directeur neemt niet deel aan de beraadslaging en stemming met betrekking tot dit agendapunt. De algemeen directeur wordt geacht afwezig te zijn voor de berekening van het meerderheidsquorum.
  Onderafdeling 2. De adjunct van de algemeen directeur
  Art. 42. § 1. De adjunct van de algemeen directeur die een bijzondere bekwaamheid moet hebben onder meer op het vlak van HR, wordt benoemd bij beslissing van de raad van bestuur, voor een hernieuwbare termijn van zes jaar, op voordracht van de algemeen directeur en na het advies te hebben ingewonnen van het benoemings- en bezoldigingscomité. De algemeen directeur neemt niet deel aan de stemming. De adjunct van de algemeen directeur wordt op dezelfde wijze ontslagen.
  § 2. De adjunct van de algemeen directeur behoort tot een andere taalrol dan deze waartoe de algemeen directeur behoort.
  § 3. De administratieve en geldelijke rechtspositie van de adjunct van de algemeen directeur wordt door de raad van bestuur van HR Rail vastgesteld op voorstel van het benoemings- en bezoldigingscomité zoals bedoeld in artikel 38, § 3.
  Art. 43. § 1. De adjunct van de algemeen directeur heeft de bevoegdheden die hem krachtens deze wet zijn toegekend. Hij vervangt tevens de algemeen directeur indien deze laatste afwezig of verhinderd is.
  § 2. De adjunct van de algemeen directeur vervult een voltijdse functie binnen HR Rail.
  Onderafdeling 3. Het mandaat van algemeen directeur en adjunct van de algemeen directeur
  Art. 44. § 1. De algemeen directeur of de adjunct van de algemeen directeur die zich, op het ogenblik van zijn benoeming, in een statutaire band bevindt met de Staat of enige andere rechtspersoon van publiek recht die onder de Staat ressorteert, wordt van rechtswege ter beschikking gesteld overeenkomstig de bepalingen van het betrokken statuut voor de hele duur van zijn mandaat. Indien hij ressorteert onder het personeelsstatuut zal hij gedurende deze periode zijn rechten op bevordering, op loonsverhoging en op pensioen behouden.
  § 2. Als de algemeen directeur of de adjunct van de algemeen directeur zich op het ogenblik van zijn benoeming in een contractuele band bevindt met de Staat of met enige andere rechtspersoon van publiek recht die onder de Staat ressorteert, wordt de betrokken overeenkomst van rechtswege geschorst voor de hele duur van zijn mandaat. Indien hij zich in een contractuele band met HR Rail bevond, zal hij gedurende deze periode zijn rechten op bevordering en op loonsverhoging behouden.
  Afdeling 4. Het HR Coördinatie Comité
  Onderafdeling 1. Samenstelling en werking
  Art. 45. Het HR Coördinatie Comité is samengesteld uit volgende vier leden, die er van rechtswege deel van uitmaken :
  - de algemeen directeur van HR Rail;
  - de adjunct van de algemeen directeur van HR Rail;
  - de verantwoordelijke voor het personeelsbeleid bij Infrabel;
  - de verantwoordelijke voor het personeelsbeleid bij NMBS.
  Onderafdeling 2. Bevoegdheden
  Art. 46. Het HR Coördinatie Comité heeft onder meer de bevoegdheden die voortvloeien uit titel 3, hoofdstuk 5 van deze wet.
  Onderafdeling 3. Huishoudelijk reglement
  Art. 47. Het HR Coördinatie Comité stelt een huishoudelijk reglement op dat uitdrukkelijk het kader formuleert dat zijn werking regelt. Het huishoudelijk reglement zal voor de leden van het HR Coördinatie Comité een bepaling bevatten die analoog is aan artikel 35, § 2, tweede lid. Dit huishoudelijk reglement wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de raad van bestuur.
  Afdeling 5. Delegatie
  Art. 48. De raad van bestuur kan bijzondere volmachten verlenen aan één of meer van zijn leden, of zelfs aan derden. Elke delegatie-akte legt duidelijk de bevoegdheden vast die het voorwerp van de delegatie uitmaken. De delegatie wordt toegekend voor een duur bepaald door de raad van bestuur.
  Art. 49. De algemeen directeur kan bijzondere volmachten verlenen aan elke lasthebber binnen de perken van zijn eigen bevoegdheden. Elke delegatie-akte legt duidelijk de bevoegdheden vast die het voorwerp van de delegatie uitmaken. De delegatie wordt toegekend voor een duur bepaald door de algemeen directeur.
  Afdeling 6. Discretie
  Art. 50. Bij de uitoefening van hun mandaat en in het belang van de vennootschap zijn de bestuurders (waaronder de algemeen directeur), de adjunct van de algemeen directeur en leden van het HR Coördinatie Comité gehouden tot discretie.
  Afdeling 7. Onverenigbaarheden
  Art. 51. § 1. Onverminderd andere beperkingen bepaald bij of krachtens een wet of door het organiek statuut van HR Rail is het mandaat van bestuurder, algemeen directeur en adjunct van de algemeen directeur onverenigbaar met het mandaat of de functie van :
  1° lid van het Europees Parlement;
  2° lid van de Wetgevende Kamers;
  3° Minister of Staatssecretaris;
  4° lid van de Raad of de Regering van een Gemeenschap of een Gewest;
  5° gouverneur van een provincie of lid van de bestendige deputatie van een provincieraad.
  Bovendien is het mandaat van algemeen directeur en adjunct van de algemeen directeur onverenigbaar met het mandaat van burgemeester, schepen of voorzitter van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
  Het mandaat van algemeen directeur en van adjunct van de algemeen directeur is onverenigbaar met elk mandaat of elke functie bij Infrabel en NMBS.
  § 2. Wanneer één van de leden bedoeld in paragraaf 1 een inbreuk pleegt op de bepalingen van paragraaf 1, moet hij de betrokken mandaten of functies neerleggen. Indien hij nalaat dit te doen, wordt hij geacht van rechtswege zijn mandaat bij HR Rail te hebben neergelegd op het moment dat het mandaat of functie waarmee de onverenigbaarheid bestaat een aanvang heeft genomen, zonder dat dit afbreuk aan de rechtsgeldigheid van de handelingen die hij inmiddels heeft gesteld, of van de beraadslagingen waaraan hij inmiddels heeft deelgenomen.
  Hoofdstuk 3. Financiering van de opdracht van openbare dienst
  Art. 52. De Koning kan de bijzondere regels en voorwaarden vastleggen waaronder HR Rail de opdracht van openbare dienst vervult die haar door artikel 23, § 3 is toevertrouwd.
  De financiering van de opdracht van openbare dienst van HR Rail wordt jaarlijks bepaald in de Staatsbegroting.
  Hoofdstuk 4. Het ondernemingsplan
  Art. 53. § 1. De raad van bestuur van HR Rail stelt een ondernemingsplan op voor een duur van drie jaar dat de doelstellingen en de strategie van HR Rail vastlegt.
  § 2. Het ondernemingsplan moet volgende onderwerpen bevatten :
  1° visie met betrekking tot die delen van HR die tot de bevoegdheid van HR Rail behoren, voor het geheel van de personeelsleden tewerkgesteld bij de Belgische Spoorwegen;
  2° visie met betrekking tot het personeelsbeleid van het personeel tewerkgesteld bij HR Rail;
  3° de evolutie van de exploitatierekening uitgedrukt in een financieel plan;
  4° de beschrijving van de algemene exploitatievoorwaarden betreffende de andere activiteitssectoren van HR Rail;
  5° visie met betrekking tot de werking van HR Rail.
  § 3. Het ondernemingsplan wordt jaarlijks aangepast en aan de minister onder wiens bevoegdheid HR Rail ressorteert meegedeeld.
  § 4. De onderdelen van het ondernemingsplan die de uitvoering van de opdracht van openbare dienst betreffen worden ter goedkeuring aan de raad van bestuur van HR Rail voorgelegd, na mededeling ter informatie aan het strategisch bedrijfscomité van HR Rail overeenkomstig artikel 129, § 1, 10°.
  Hoofdstuk 5. Toezicht en controle
  Afdeling 1. Het administratief toezicht
  Art. 54. § 1. HR Rail is onderworpen aan de controle van de minister onder wiens bevoegdheid zij ressorteert.
  Deze controle wordt uitgeoefend door tussenkomst van een Regeringscommissaris.
  § 2. De Regeringscommissaris wordt benoemd en ontslagen door de Koning op voordracht van de minister onder wiens bevoegdheid HR Rail ressorteert.
  De Koning regelt de uitoefening van de opdrachten van de Regeringscommissaris en zijn bezoldiging. Deze bezoldiging is ten laste van HR Rail.
  § 3. De Regeringscommissaris waakt over de naleving van de wet en de statuten.
  Hij brengt verslag uit bij de minister onder wiens bevoegdheid HR Rail ressorteert.
  Hij brengt verslag uit bij de Minister van Begroting aangaande alle beslissingen van de raad van bestuur en de algemeen directeur die een weerslag hebben op de algemene uitgavenbegroting van de Staat.
  § 4. De Regeringscommissaris wordt uitgenodigd op alle vergaderingen van de raad van bestuur van HR Rail en heeft raadgevende stem.
  Hij kan op elk ogenblik ter plaatse kennis nemen van alle boeken en documenten van HR Rail.
  Hij kan aan de leden van haar bestuursorganen, personeelsleden en aangestelden alle inlichtingen vragen en alle verificaties uitvoeren die hij nodig acht voor de uitvoering van zijn mandaat.
  § 5. De Regeringscommissaris kan tegen elke beslissing van de bestuursorganen van HR Rail welke hij strijdig acht met de wet of de statuten, beroep aantekenen bij de minister onder wiens bevoegdheid HR Rail ressorteert.
  Hij beschikt daartoe over een termijn van veertien dagen. Deze termijn gaat in de dag van de vergadering waarop de beslissing werd genomen, voor zover de Regeringscommissaris daarop regelmatig was uitgenodigd en, in het tegenovergestelde geval, de dag waarop hij van de beslissing kennis heeft gekregen. Dit beroep heeft een schorsende werking.
  Elk beroep van de Regeringscommissaris wordt de dag waarop het bij de minister onder wiens bevoegdheid HR Rail ressorteert, wordt aangetekend, bij aangetekend schrijven meegedeeld aan de voorzitter van de raad van bestuur van HR Rail die de overige bestuurders hiervan onverwijld op de hoogte brengt.
  § 6. Binnen een termijn van veertien dagen, ingaand op dezelfde dag als de in paragraaf 5, tweede lid, bedoelde termijn, betekent de minister onder wiens bevoegdheid HR Rail ressorteert, aan de voorzitter van de raad van bestuur de nietigverklaring van de beslissing.
  In geval de beslissing een weerslag heeft of kan hebben op de algemene uitgavenbegroting van de Staat wordt de termijn vermeld in het eerste lid met veertien dagen verlengd. De minister onder wiens bevoegdheid HR Rail ressorteert informeert de voorzitter van de raad van bestuur van HR Rail over deze verlenging en vraagt het akkoord van de Minister van Begroting alvorens tot nietigverklaring van de beslissing over te gaan.
  Bij ontstentenis van de betekening van de nietigverklaring van de beslissing binnen de in het eerste lid bedoelde termijn, desgevallend verlengd met toepassing van het tweede lid, krijgt de beslissing van HR Rail een definitief karakter.
  Afdeling 2. Controle op de financiële toestand
  Art. 55. § 1. De controle op de financiële toestand, op de jaarrekening en op de regelmatigheid, vanuit het oogpunt van deze wet en van het organiek statuut, van de verrichtingen weer te geven in de jaarrekening, wordt in HR Rail opgedragen aan een college van commissarissen dat drie leden telt. De leden van het college voeren de titel van commissaris.
  § 2. Een lid van het college van commissarissen wordt benoemd door het Rekenhof onder zijn leden. De twee andere leden worden overeenkomstig artikel 156 van het Wetboek van vennootschappen onder de leden van het Instituut der bedrijfsrevisoren benoemd door de algemene vergadering van HR Rail, waarbij het strategisch bedrijfscomité van HR Rail de taak van de ondernemingsraad vervult.
  § 3. De commissarissen worden benoemd voor een eenmaal hernieuwbare termijn van ten hoogste zes jaar.
  Hoofdstuk 6. Boekhouding en jaarrekeningen
  Art. 56. § 1. HR Rail is onderworpen aan de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen. Zij voert haar boekhouding per kalenderjaar. Zij voorziet in een afzonderlijk stelsel van rekeningen voor de activiteiten die verband houden met haar opdracht van openbare dienst, enerzijds, en haar andere activiteiten, anderzijds.
  De bijlage bij de jaarrekening bevat een samenvattende staat van de rekeningen betreffende de opdracht van openbare dienst en een desbetreffend commentaar. De Koning kan algemene of bijzondere regelen bepalen inzake de vorm en inhoud van deze samenvattende staat en commentaar.
  § 2. Elk jaar maakt de raad van bestuur een inventaris op, alsmede de jaarrekening en een jaarverslag. Het jaarverslag bevat de informatie bepaald in artikel 96 van het Wetboek van vennootschappen.
  Onder voorbehoud van bijzondere regelen vastgesteld krachtens artikel 10, § 2, derde lid, van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen, ingevoegd bij de wet van 1 juli 1983, worden de jaarrekening, het jaarverslag en het verslag van het college van commissarissen bekendgemaakt op de wijze bepaald in artikelen 98 en 100 van het Wetboek van vennootschappen. Artikelen 104 en 105 van het Wetboek van vennootschappen zijn van toepassing.
  § 3. De raad van bestuur zendt, veertien dagen vóór de algemene vergadering, de jaarrekening tezamen met het jaarverslag en het verslag van het college van commissarissen, over aan de minister onder wiens bevoegdheid HR Rail ressorteert, alsmede aan de Minister van Begroting.
  De minister onder wiens bevoegdheid HR Rail ressorteert, zendt de in het eerste lid bedoelde stukken vóór 30 juni van het jaar volgend op het betrokken boekjaar ter nazicht over aan het Rekenhof.
  Het Rekenhof kan door bemiddeling van haar vertegenwoordiger in het college van commissarissen een toezicht ter plaatse inrichten op de rekeningen en verrichtingen die betrekking hebben op de uitvoering van de opdracht van openbare dienst. Het Hof kan de rekeningen in zijn Opmerkingenboek bekendmaken.
  Vóór dezelfde datum deelt de minister onder wiens bevoegdheid HR Rail ressorteert, de in het eerste lid bedoelde stukken mee aan de Wetgevende Kamers.
  Hoofdstuk 7. Financiering
  Art. 57. Onverminderd artikel 52, moet de facturatie door HR Rail aan Infrabel en NMBS van de HR-diensten, met inbegrip van de terbeschikkingstelling van personeel, minstens de kostprijs dekken.
  Art. 58. HR Rail beslist, binnen de grenzen van haar maatschappelijk doel, over de belegging van haar beschikbare gelden.
  Art. 59. HR Rail wendt geen middelen aan, afkomstig van staatstoelagen, voor de ontwikkeling, financiering en uitbating van activiteiten andere dan deze in het kader van haar opdracht van openbare dienst.
  Hoofdstuk 8. Fiscaal statuut
  Art. 60. HR Rail is een openbare instelling in de zin van artikel 161 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, en in de zin van artikel 55 Wetboek der successierechten.
  Zij is vrijgesteld van alle belastingen en taksen ten bate van de provincies en de gemeenten, met uitzondering echter van heffingen ter vergoeding van op haar verzoek verstrekte diensten.
  Art. 61. Belastingheffing van de door HR Rail opgelopen niet-aftrekbare kosten is uitsluitend toegelaten in hoofde van de vennootschappen waaraan het personeel ter beschikking wordt gesteld en waaraan deze kosten worden doorgerekend, en dit in overeenstemming met de fiscale behandeling die eigen is aan deze kosten in hun hoofde. Een jaarlijkse afrekening van de niet aftrekbare kosten zal opgesteld worden en overgemaakt worden aan de entiteiten die gebruik maken van het personeel dat hen ter beschikking wordt gesteld. De niet-aftrekbare kosten verbonden aan het personeel dat niet ter beschikking wordt gesteld blijven belastbaar in hoofde van HR Rail volgens de normaal toepasselijke regels inzake vennootschapsbelasting.
  Hoofdstuk 9. Ontbinding
  Art. 62. De ontbinding van HR Rail kan slechts bij of krachtens een wet worden uitgesproken. De wet regelt de wijze en de voorwaarden van de vereffening.
  Hoofdstuk 10. Diverse bepalingen
  Art. 63. HR Rail beslist, binnen de grenzen van haar maatschappelijk doel, over de verwerving, de aanwending en de vervreemding van haar lichamelijke en onlichamelijke goederen, de vestiging of opheffing van zakelijke rechten op deze goederen, alsmede over de uitvoering van dergelijke beslissingen.
  Art. 64. De opdrachten van de aanneming van werken, leveringen en diensten worden gegund bij of krachtens beslissing van de raad van bestuur. De raad van bestuur duidt de opdrachten aan waarvan de gunning behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de algemeen directeur alsmede de opdrachten waarvoor de beslissing door de algemeen directeur mag worden gesubdelegeerd.
  Art. 65. HR Rail kan dadingen aangaan en overeenkomsten tot arbitrage sluiten. Elke overeenkomst tot arbitrage gesloten met natuurlijke personen vooraleer het geschil is gerezen, is evenwel nietig.
  Titel 3. Personeel
  Hoofdstuk 1. Beginselen betreffende het personeelsstatuut en het syndicaal statuut
  Art. 66. HR Rail is de enige werkgever van het statutaire en niet statutaire personeel van de Belgische Spoorwegen, al dan niet ter beschikking gesteld aan Infrabel en NMBS.
  HR Rail stelt personeel te werk voor de uitvoering van haar eigen opdrachten. Infrabel en NMBS kunnen enkel personeel tewerkstellen dat hen ter beschikking wordt gesteld door HR Rail. Infrabel, NMBS en HR Rail stellen het personeelskader vast, elk voor wat betreft het personeel dat zij gebruiken.
  Art. 67. § 1. Het personeel van de Belgische Spoorwegen wordt aangeworven bij of krachtens beslissing van de raad van bestuur van HR Rail en tewerkgesteld krachtens het personeelsstatuut en de personeelsreglementering.
  § 2. Echter, HR Rail kan personeelsleden aanwerven en tewerkstellen met een arbeidsovereenkomst onderworpen aan de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, met het oog op :
  1° de tegemoetkoming aan een buitengewone en tijdelijke personeelsbehoefte, ten gevolge van de uitvoering van in de tijd beperkte projecten of een buitengewone toename in het werk;
  2° de uitvoering van taken die een kennis of ervaring op hoog niveau vereisen;
  3° de vervanging van statutaire of niet statutaire personeelsleden gedurende perioden van tijdelijke, gehele of gedeeltelijke afwezigheid;
  4° de uitvoering van bijkomstige of specifieke opdrachten.
  Art. 68. § 1. De hiërarchie der rechtsbronnen in de arbeidsbetrekkingen tussen de Belgische Spoorwegen en haar statutaire personeelsleden, wordt als volgt vastgesteld :
  1° De dwingende bepalingen bepaald door of krachtens de wet;
  2° De collectieve overeenkomsten gesloten in de schoot van het Comité Overheidsbedrijven overeenkomstig artikel 31, § 4, van de wet van 21 maart 1991;
  3° Het personeelsstatuut;
  4° De personeelsreglementering;
  5° Het arbeidsreglement;
  6° De instructies van de vennootschap die het werkgeversgezag uitoefent;
  7° Aanvullende bepalingen van de wet;
  8° Het gebruik.
  § 2. Bij strijdigheid van een norm uit een lagere rechtsbron met een norm uit een hogere rechtsbron krijgt de norm uit de hogere rechtsbron voorrang en wordt de norm uit de lagere rechtsbron buiten toepassing gelaten.
  Art. 69. Infrabel en NMBS moeten in hun verhouding tot het statutair personeel dat aan hen is ter beschikking gesteld in overeenstemming handelen met de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de toepasselijke rechtsbronnen met inbegrip van het personeelsstatuut en de personeelsreglementering.
  Art. 70. Infrabel, NMBS en HR Rail zijn onderworpen aan het gemeen recht wat de arbeidsduur en de vrijheid van vereniging betreft.
  Art. 71. § 1. De mobiliteit van het personeel tussen HR Rail, Infrabel en NMBS wordt geregeld door of krachtens het personeelsstatuut.
  § 2. De externe mobiliteit bepaald in artikel 29bis van de wet van 21 maart 1991 is van toepassing op het personeel van de Belgische Spoorwegen.
  Hoofdstuk 2. Terbeschikkingstelling van personeel door HR Rail
  Art. 72. § 1. HR Rail stelt aan Infrabel en NMBS het statutair en niet statutair personeel ter beschikking dat nodig is voor de uitvoering van hun opdrachten. Tijdens de periode van hun terbeschikkingstelling staan de personeelsleden evenwel onder het uitsluitende werkgeversgezag van Infrabel of NMBS.
  De terbeschikkingstelling van het personeel gebeurt volgens de bepalingen van deze wet. De verdere voorwaarden en nadere bepalingen van de terbeschikkingstelling van het personeel krachtens het eerste lid, kunnen worden vastgesteld in een overeenkomst die, na de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad, kan worden gesloten tussen HR Rail en Infrabel en/of NMBS. Deze overeenkomst evenals alle wijzigingen ervan zijn onderworpen aan het voorafgaand akkoord van de Nationale Paritaire Commissie die beslist met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 75.
  § 2. Hoofdstuk III van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, is niet van toepassing op de terbeschikkingstelling van personeel bedoeld in paragraaf 1.
  § 3. Het personeel dat ter beschikking is gesteld van Infrabel is financieel ten laste van Infrabel, en het personeel dat ter beschikking is gesteld van NMBS is financieel ten laste van NMBS.
  Zonder afbreuk te doen aan de mobiliteit bedoeld in artikel 71, § 1, kan aan de terbeschikkingstelling van een personeelslid aan Infrabel of NMBS slechts een einde komen met voorafgaand akkoord van HR Rail.
  Afdeling 7. van hoofdstuk 5 van deze titel is niet van toepassing op de beslissing te nemen door HR Rail inzake het einde van de terbeschikkingstelling bedoeld in het tweede lid van deze paragraaf. § 4. HR Rail identificeert het beschikbare personeel op basis van het personeelsstatuut en de personeelsreglementering. HR Rail zoekt in samenwerking met Infrabel of NMBS, naargelang het geval, voor het beschikbare personeel een passende benuttiging in toepassing van het personeelsstatuut en de personeelsreglementering, met inachtneming van de verplichtingen inzake sociale dialoog.
  § 5. De personeelsleden die ter beschikking zijn gesteld van Infrabel dienen te worden beschouwd als " aangestelde " van Infrabel en Infrabel als " aansteller " van die personeelsleden in de zin van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.
  De personeelsleden die ter beschikking zijn gesteld van NMBS dienen te worden beschouwd als " aangestelde " van NMBS en NMBS als " aansteller " van die personeelsleden in de zin van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.
  Hoofdstuk 3. Vaststelling van het personeelsstatuut en het syndicaal statuut
  Art. 73. Het personeelsstatuut, het syndicaal statuut, alsmede alle personeelsreglementering die bestond op 31 december 2013, gaan van rechtswege over op HR Rail en vormen het eerste personeelsstatuut, het eerste syndicaal statuut en de eerste personeelsreglementering, zonder afbreuk te doen aan artikelen 68 en 78.
  Art. 74. § 1. Zonder afbreuk te kunnen doen aan de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, zijn de grondregelen betreffende het administratief statuut, de bezoldiging, het pensioenstelsel van het statutair personeel, de organisatie van de eventuele sociale diensten, zoals opgesomd onder artikel 34, § 2, onder A, B, C en E in de wet van 21 maart 1991, andere aangelegenheden wat het statutair personeel aangaat zoals opgesomd onder artikel 34, § 2, F, van de wet van 21 maart 1991, en aangelegenheden wat de niet statutaire personeelsleden aangaat opgesomd onder artikel 34, § 2, G, van de wet van 21 maart 1991, deze die zijn opgenomen in het personeelsstatuut en in de personeelsreglementering inzake " Dienst- en rusttijden ".
  § 2. Zonder afbreuk te kunnen doen aan de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, zijn de grondregelen betreffende de collectieve arbeidsverhoudingen zoals opgesomd in artikel 34, § 2, D, van de wet van 21 maart 1991 deze opgenomen in het personeelsstatuut en het syndicaal statuut.
  Art. 75. Elk voorstel houdende vaststelling of wijziging van het personeelsstatuut, van het syndicaal statuut of van de personeelsreglementering inzake " Dienst- en rusttijden " wordt voor onderhandeling voorgelegd aan de Nationale Paritaire Commissie overeenkomstig het personeelsstatuut.
  Elk voorstel bedoeld in het eerste lid maakt het voorwerp uit van een onderhandelingsprocedure in de Nationale Paritaire Commissie, waarna deze beslist bij tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen.
  Elke regeling aldus gestemd door de Nationale Paritaire Commissie, is bindend voor de raad van bestuur van HR Rail die de wijziging vaststelt.
  Art. 76. § 1. Met uitsluiting van de reglementering inzake de administratieve en geldelijke loopbaan van het kaderpersoneel, die tot de bevoegdheid van de raad van bestuur van HR Rail behoort, maakt elk voorstel houdende vaststelling of wijziging van personeelsreglementering, het voorwerp uit van een overlegprocedure in de Nationale Paritaire Commissie, met het oog op een advies van deze Nationale Paritaire Commissie. De voorstellen worden aanhangig gemaakt overeenkomstig artikel 120, § 1, en zonder afbreuk te doen aan artikel 87.
  § 2. Deze reglementering wordt vastgesteld door de raad van bestuur van HR Rail.
  Hoofdstuk 4. Bijzondere bepalingen met betrekking tot niet statutaire personeelsleden
  Afdeling 1. Collectieve overeenkomsten
  Art. 77. § 1. In de schoot van de Nationale Paritaire Commissie kunnen, bij tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen, collectieve overeenkomsten worden gesloten die de individuele en collectieve betrekkingen met betrekking tot de niet statutaire personeelsleden regelen.
  § 2. De collectieve overeenkomsten gesloten in de Nationale Paritaire Commissie binden Infrabel, NMBS en HR Rail, de niet statutaire personeelsleden van HR Rail ongeacht of deze al dan niet ter beschikking zijn gesteld van Infrabel of NMBS, en de syndicale organisaties.
  § 3. Deze collectieve overeenkomsten worden genummerd, geregistreerd bij HR Rail en door HR Rail ter beschikking gesteld van de niet statutaire personeelsleden die daarom verzoeken.
  Afdeling 2. Rechtsbronnen
  Art. 78. § 1. De hiërarchie der rechtsbronnen in de arbeidsbetrekkingen tussen de Belgische Spoorwegen en haar niet statutaire personeelsleden, wordt als volgt vastgesteld :
  1° De dwingende bepalingen bepaald door of krachtens de wet;
  2° De collectieve overeenkomsten gesloten in de schoot van het Comité Overheidsbedrijven, overeenkomstig artikel 31, § 4, van de wet van 21 maart 1991;
  3° De collectieve overeenkomsten gesloten in de schoot van de Nationale Paritaire Commissie;
  4° De geschreven individuele arbeidsovereenkomst;
  5° Het arbeidsreglement waarin onder meer geacht worden te zijn opgenomen de bepalingen van het personeelsstatuut en van de personeelsreglementering die eveneens op het niet statutair personeel van toepassing zijn verklaard;
  6° De instructies van de vennootschap die het werkgeversgezag uitoefent;
  7° Aanvullende bepalingen van de wet;
  8° De mondelinge individuele overeenkomst;
  9° Het gebruik.
  § 2. Bij strijdigheid van een norm uit een lagere rechtsbron met een norm uit een hogere rechtsbron krijgt de norm uit de hogere rechtsbron voorrang en wordt de norm uit de lagere rechtsbron buiten toepassing gelaten.
  Art. 79. Infrabel en NMBS moeten in hun verhouding tot het niet statutair personeel dat aan hen ter beschikking is gesteld, in overeenstemming handelen met de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de toepasselijke rechtsbronnen.
  Hoofdstuk 5. Bevoegdheden en verantwoordelijkheden van HR Rail, Infrabel en NMBS inzake personeelszaken
  Art. 80. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op welzijn op het werk.
  Afdeling 1. Basistaken van HR Rail
  Art. 81. HR Rail zal voor wat betreft het ter beschikking gestelde personeel minstens instaan voor :
  1° de selectie, de aanwerving, oriëntatie en het in kaart brengen van de talenten en competenties van het statutaire en niet statutaire personeel dat nodig is voor de uitoefening van de opdrachten van HR Rail, Infrabel en NMBS;
  2° de betaling van de bezoldigingen en wedden van het statutair en niet statutaire personeel;
  3° de transversale opleiding van het statutair en niet statutair personeel. Infrabel en NMBS organiseren beroepseigen specifieke opleidingen organiseren voor het hun ter beschikking gesteld personeel. Infrabel en NMBS informeren HR Rail over elk initiatief tot specifieke collectieve opleiding binnen de eigen vennootschap;
  4° het nakomen van alle verplichtingen als werkgever teneinde de betaling van gezinsbijslagen te verzekeren;
  5° het opvolgen van het beheer en van de uitvoering van de activiteiten van de Kas der Geneeskundige verzorging, onverminderd de bevoegdheden van haar bestuursorgaan;
  6° het beheer en de uitvoering van alle aspecten verbonden met het Fonds van de Sociale Werken en het Fonds van de sociale documentatie, onverminderd de bevoegdheden van hun bestuursorgaan;
  7° de organisatie van de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk en van de bestuursgeneeskunde waarvan de bevoegdheden en de taken zijn omschreven in het personeelsstatuut;
  8° alle aspecten verbonden met het beheer van de statutaire pensioenen op grond van artikel 159 van de programmawet van 27 december 2005 en in overeenstemming met het koninklijk besluit van 28 december 2005 betreffende de overname van de pensioenverplichtingen van de NMBS Holding door de Belgische Staat, bekrachtigd door de programmawet van 20 juli 2006, en de verdere uitvoeringsbesluiten;
  9° het organiseren en beheren van de sociale dialoog op het niveau van de Belgische Spoorwegen;
  10° de ondersteuning bij de HR-uitvoering en bij het HR-beleid, en organisatie en behoud van de kennis van het personeelsstatuut.
  Afdeling 2. Bevoegdheden inzake HR-beleid
  Onderafdeling 1. Algemene bepalingen
  Art. 82. HR Rail bewaakt de coherentie en de consistentie in de toepassing van het personeelsstatuut, met inbegrip van het syndicaal statuut, de personeelsreglementering, alsook de toepasselijke wetgeving en haar uitvoeringsbesluiten.
  Art. 83. § 1. HR Rail heeft de bevoegdheden op het vlak van HR-beleid voor wat betreft de personeelsleden die niet zijn ter beschikking van Infrabel en NMBS gesteld.
  § 2. Infrabel en NMBS hebben, elk voor wat de eigen vennootschap betreft, de bevoegdheden voor het HR-beleid, wat onder meer inhoudt :
  1° het bepalen van de HR-doelstellingen in lijn met de bedrijfsstrategie;
  2° het bepalen van de resultaats- en kwaliteitsvereisten van de dienstverlening in samenspraak met HR Rail;
  3° opdrachten geven aan HR Rail met betrekking tot het HR-beheer, de HR-uitvoering en de inbreng van HR-expertise;
  4° opdrachten geven aan HR Rail in het kader van de modernisering van HR in samenspraak met HR Rail;
  5° het evalueren van het HR-beleid, de uitvoering ervan en de beslissingen tot bijsturing;
  6° het nemen van bepaalde beslissingen op procesniveau, waarbij de aard van de beslissingen nader wordt gepreciseerd in samenspraak met HR Rail.
  Onderafdeling 2. Bijzondere bepalingen
  Art. 84. Deze onderafdeling heeft betrekking op de algemene beslissingen met betrekking tot het HR-beleid zoals bedoeld in artikel 21.
  Binnen het HR-beleid worden onderscheiden :
  1° " Reglementair HR-beleid " : Het HR-beleid met inbegrip van alle beleidsbeslissingen tot vaststelling of aanpassing van het personeelsstatuut met inbegrip van het syndicaal statuut, of van de personeelsreglementering.
  Het betreft alle beslissingen van HR-beleid die niet bedoeld zijn door het onder 2°, vermelde HR-beleid.
  2° " Niet-reglementair HR-beleid " : Het HR-beleid met inbegrip van alle overige beleidsbeslissingen tot vaststelling of aanpassing van HR-beleid met een algemene draagwijdte, die geen verandering inhouden of noodzaken van het onder 1° omschreven reglementair HR-beleid.
  1° Reglementair HR-beleid
  Art. 85. § 1. Op eigen initiatief of op voorstel van Infrabel, NMBS of HR Rail, bereidt het HR Coördinatie Comité wijzigingen aan het reglementair HR-beleid voor.
  § 2. Wanneer het HR Coördinatie Comité niet binnen een termijn van dertig dagen een consensus vindt over een voorliggend ontwerp van reglementair HR-beleid, beslist - na overdracht van het voorstel op initiatief van hetzij algemeen directeur van HR Rail, hetzij de verantwoordelijke voor het personeelsbeleid bij Infrabel, hetzij de verantwoordelijke voor het personeelsbeleid bij NMBS - de raad van bestuur van HR Rail. De raad van bestuur van HR Rail keurt het beleidsvoorstel al dan niet goed.
  Art. 86. Na goedkeuring door het HR Coördinatie Comité of, desgevallend, de raad van bestuur of de algemene vergadering van HR Rail, legt de algemeen directeur van HR Rail het voorstel van reglementair HR-beleid voor overleg of onderhandeling voor aan de Nationale Paritaire Commissie, al naargelang de vereiste procedures in het kader van het sociale dialoog, zoals bepaald door artikelen 75 en 76 .
  Art. 87. De raad van bestuur van HR Rail stelt het reglementair HR-beleid definitief vast, onverminderd de toepassing van artikel 75, waarin wordt voorgeschreven wanneer de raad van bestuur van HR Rail door het standpunt van de Nationale Paritaire Commissie is gebonden.
  2° Niet-reglementair HR-beleid
  Art. 88. De algemeen directeur van HR Rail, de verantwoordelijke voor het personeelsbeleid bij Infrabel en de verantwoordelijke voor het personeelsbeleid bij NMBS zijn, elk voor de respectievelijke vennootschap die zij vertegenwoordigen, bevoegd om voor het personeel waarover de vennootschap het werkgeversgezag uitoefent het niet-reglementair HR-beleid voor te bereiden.
  Art. 89. Elk ontwerp van niet-reglementair HR-beleid wordt overgemaakt aan het HR Coördinatie Comité. De algemeen directeur van HR Rail geeft binnen een termijn van dertig dagen gemotiveerd advies aan het HR Coördinatie Comité of de voorgenomen beleidsbeslissing een impact heeft die een aanpassing van het reglementair HR-beleid noodzaakt en of het ontwerp onder artikel 118 ressorteert. Wanneer het HR Coördinatie Comité op zijn eerstvolgende vergadering op basis van dit gemotiveerd advies bij gewone meerderheid vaststelt dat de voorgenomen beleidsbeslissing een impact heeft die een aanpassing van het reglementair HR-beleid noodzaakt, wordt de procedure gevolgd voor het reglementair HR-beleid.
  Art. 90. De raden van bestuur van HR Rail, Infrabel of NMBS, al naargelang het geval, zijn bevoegd voor de definitieve vaststelling van het niet-reglementair HR-beleid binnen de eigen vennootschap. Zij informeren de algemeen directeur van HR Rail en het HR Coördinatie Comité van de genomen beslissingen terzake.
  Afdeling 3. Bevoegdheden inzake HR-uitvoering
  Art. 91. § 1. Onverminderd paragraaf 2, is HR Rail bevoegd voor de HR-uitvoering voor de personeelsleden van HR Rail, ongeacht of ze ter beschikking zijn gesteld aan Infrabel of NMBS.
  § 2. In opdracht van Infrabel en NMBS, voert HR Rail HR-processen uit, overeenkomstig de in de HR-dienstenovereenkomst vastgelegde resultaats- en kwaliteitsvereisten. In dat kader stelt HR Rail het algemeen uitvoeringsbeleid vast en evalueert het uitvoeringbeleid op periodieke basis.
  Art. 92. HR Rail organiseert op regelmatige basis bilaterale samenspraak met Infrabel en/of NMBS inzake HR-uitvoering.
  Art. 93. HR Rail waakt over de vereiste eenvormigheid in de toepassing van het personeelsstatuut bij de HR-uitvoering.
  In de mate dat HR Rail interpretatieproblemen vaststelt die de eenvormigheid kunnen ondermijnen, koppelt HR Rail terug met Infrabel en/of NMBS, al naargelang de modaliteiten voorgeschreven in de HR-dienstenovereenkomst.
  Art. 94. HR Rail bewaakt de kwaliteit van de operationele HR-uitvoering op klantgerichtheid, effectiviteit en efficiëntie.
  Art. 95. Infrabel en NMBS voeren voor bepaalde HR-processen zelf activiteiten uit. Het betreft steeds activiteiten waarvoor de realisatie een intensieve samenwerking vereist met de hiërarchische lijn van Infrabel of NMBS.
  HR Rail brengt proactief of op vraag van Infrabel of NMBS HR-expertise in.
  Afdeling 4. Bevoegdheden inzake HR-beheer
  Art. 96. § 1. HR Rail is voor wat de personeelsleden betreft die niet ter beschikking worden gesteld bevoegd voor het HR-beheer.
  § 2. HR Rail is bevoegd voor het HR-beheer en verantwoordelijk voor minstens volgende taken voor wat het terbeschikkinggestelde personeel betreft :
  1° het beheren van de data en know-how die voortvloeien uit de operationele uitvoering van het HR-beleid na hun administratieve verwerking;
  2° het systematisch en gepast verzamelen, analyseren en ter beschikking stellen van de gegevens, statistieken en pertinente informatie met betrekking tot personeelszaken;
  3° het faciliteren van de toegang van het databeheer voor Infrabel en NMBS;
  4° het waken over de kwaliteit van de gegevens en de beveiliging van de gegevens;
  5° het treffen van maatregelen om fraude op te sporen en tegen te gaan, onverminderd de fraudebestrijding door Infrabel en NMBS zelf;
  6° het investeren in informaticasystemen en kwaliteitssystemen;
  7° het beheer en de uitvoering van alle aspecten verbonden met het Fonds van de Sociale Werken, en het Fonds van de sociale documentatie en mogelijk andere Kassen of Fondsen ten behoeve van het personeel, onverminderd de bevoegdheid van hun bestuursorgaan;
  8° het beheer van de collectieve overeenkomsten gesloten in toepassing van artikel 77.
  Afdeling 5. Bevoegdheden inzake HR-expertise
  Art. 97. § 1. HR Rail staat in voor de HR-expertise, met inbegrip van de juridische expertise, en adviseert en informeert proactief of op vraag van Infrabel en NMBS.
  § 2. De onder paragraaf 1 vermelde inbreng van HR-expertise houdt onder meer volgende taken in :
  1° HR Rail organiseert binnen haar kern-HR-processen een systematiek van expertise-ontwikkeling en adviesverlening;
  2° HR Rail analyseert HR-gegevens en verwerkt deze tot bruikbare beleidsinformatie voor Infrabel en NMBS;
  3° HR Rail ontwikkelt HR-expertise in lijn met de visie op modern geïntegreerd beheer inzake personeelszaken;
  4° HR Rail is bevoegd om externe dienstverlening in te schakelen met het oog op het ontwikkelen en/of verbeteren van een modern geïntegreerd beheer inzake personeelszaken;
  5° HR Rail vergelijkt de operationele HR-processen met vergelijkbare HR-processen die als voorbeeld kunnen gelden.
  § 3. HR Rail kan het initiatief nemen om beleidsvoorstellen te doen met het oog op de modernisering van HR.
  Afdeling 6. HR-dienstenovereenkomst
  Art. 98. § 1. Voor die diensten die bij wet of door de toepasselijke HR-dienstenovereenkomst toebedeeld zijn aan HR Rail, zullen Infrabel en NMBS uitsluitend beroep doen op de diensten van HR Rail.
  § 2. Er wordt een HR-dienstenovereenkomst gesloten tussen Infrabel en HR Rail en tussen NMBS en HR Rail. In de HR-dienstenovereenkomst worden de wederzijdse rechten en verantwoordelijkheden inzake het HR-beleid, HR-uitvoering, HR-beheer en HR-expertise voor elk van het domeinen van HR zoals opgesomd onder artikel 21, nader gepreciseerd, zonder afbreuk te doen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen, met inbegrip van het personeelsstatuut en de personeelsreglementering.
  In de HR-dienstenovereenkomst worden de sancties bepaald die zullen gelden wanneer een van de partijen zich niet aan de bepalingen van de HR-dienstenovereenkomst houdt.
  § 3. Het ontwerp van de HR-dienstenovereenkomst wordt, op gezamenlijk voorstel van HR Rail en respectievelijk Infrabel en NMBS, voor advies aan de Nationale Paritaire Commissie overgelegd alvorens te worden overgelegd aan de raad van bestuur van HR Rail.
  De Nationale Paritaire Commissie beschikt over een termijn van dertig dagen, die ingaat de dag nadat het ontwerp aan haar is overgemaakt, om advies te geven over het ontwerp.
  Art. 99. Op initiatief van Infrabel, NMBS of HR Rail kan de HR-dienstenovereenkomst aangepast en/of gemoderniseerd worden, volgens de procedure zoals omschreven in artikel 98.
  Art. 100. § 1. De HR-dienstenovereenkomst regelt de door HR Rail, Infrabel en NMBS te volgen samenspraak- of bemiddelingsprocedure, wanneer er een geschil rijst omtrent de toepassing en/of de interpretatie van de wederzijdse bevoegdheidsverdeling tussen de vennootschappen.
  § 2. De Koning kan de bijzondere elementen die in de HR-dienstenovereenkomst moeten staan en de modaliteiten betreffende de inwerkingtreding van de HR-dienstenovereenkomst nader bepalen, met inachtneming van artikel 81.
  Art. 101. Indien uiterlijk op 30 juni 2014 geen HR-dienstenovereenkomst is gesloten met betrekking tot de in artikel 21 opgesomde domeinen van HR, tussen HR Rail en Infrabel of HR Rail en NMBS kan de Koning zelf op bindende wijze de inhoud van de bedingen die in de ontbrekende HR-dienstenovereenkomst hadden moeten staan, bepalen, na advies te hebben gevraagd aan de Nationale Paritaire Commissie overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 98, § 3.
  Deze aldus vastgelegde bepalingen zullen van toepassing zijn tot de ontbrekende HR-dienstenovereenkomst is gesloten.
  Afdeling 7. Bevoegdheden van HR Rail, Infrabel en NMBS inzake personeelsbeslissingen met individuele draagwijdte
  Onderafdeling 1. Algemene bepalingen
  Art. 102. Voor de toepassing van deze afdeling, betreffen de " personeelsbeslissingen met individuele draagwijdte " alle beslissingen ten aanzien van een identificeerbaar personeelslid van HR Rail, waaronder zowel de statutaire personeelsleden als niet statutaire personeelsleden zijn begrepen, die rechtsgevolgen teweegbrengen of kunnen teweegbrengen ten aanzien van het personeelslid.
  Onder personeelsbeslissingen met individuele draagwijdte worden ook de eerste aanwervingsbeslissingen begrepen, waardoor een personeelslid wordt aangeworven door HR Rail, ongeacht of hij ter beschikking wordt gesteld aan Infrabel of NMBS.
  Art. 103. HR Rail organiseert op regelmatige basis bilaterale samenspraak met Infrabel en NMBS over de toepassing van de personeelsbeslissingen met individuele draagwijdte teneinde de eenheid van het personeelsstatuut en de personeelsreglementering te bewaken.
  Art. 104. In overeenstemming met afdeling 3 van dit hoofdstuk, staat HR Rail in voor de HR-uitvoering van personeelsbeslissingen met individuele draagwijdte, ongeacht of de beslissingen genomen zijn door de HR Rail, Infrabel of NMBS.
  Art. 105. De wederzijdse rechten en verbintenissen inzake de personeelsbeslissingen met individuele draagwijdte tussen HR Rail, Infrabel en NMBS, worden nader vastgesteld in de HR-dienstenovereenkomst.
  Onderafdeling 2. Gewone beslissingsbevoegdheden
  Art. 106. HR Rail neemt alle personeelsbeslissingen met individuele draagwijdte ten aanzien van het statutair en niet statutair personeel dat niet ter beschikking is of zal worden gesteld van Infrabel en NMBS.
  Art. 107. Onverminderd artikelen 111, 112 en 113, neemt HR Rail formeel alle personeelsbeslissingen met individuele draagwijdte voor een personeelslid dat aan Infrabel of NMBS ter beschikking is of zal worden gesteld op eensluidend gemotiveerd voorstel van het bevoegd orgaan van Infrabel of NMBS, al naargelang het geval.
  Art. 108. § 1. Infrabel of NMBS kunnen op eigen initiatief een gemotiveerd voorstel uitbrengen aan HR Rail over een personeelsbeslissing met individuele draagwijdte van een personeelslid dat hun ter beschikking is of zal worden gesteld.
  § 2. Het gemotiveerd voorstel van Infrabel of NMBS bindt HR Rail.
  § 3. HR Rail neemt een gemotiveerde formele beslissing tot niet-uitvoering van een gemotiveerd voorstel van Infrabel of NMBS wanneer het voorstel van Infrabel of NMBS in strijd is met een norm uit een hogere rechtsbron.
  § 4. HR Rail beslist formeel binnen een termijn van dertig dagen nadat het gemotiveerd voorstel aan haar is overgemaakt.
  § 5. Bij gebrek aan beslissing in de zin van paragraaf 4 door HR Rail binnen de termijn van dertig dagen, treedt Infrabel of NMBS in de plaats van HR Rail om ook de formele beslissing te nemen waarover het een bindend voorstel heeft uitgebracht. In de HR-dienstenovereenkomst kan een andere termijn worden overeengekomen.
  Art. 109. § 1. Op verzoek van HR Rail, brengt Infrabel of NMBS, al naargelang het geval, binnen een termijn van dertig dagen een gemotiveerd voorstel uit over een personeelsbeslissing met individuele draagwijdte van een personeelslid dat tot zijn beschikking is of zal worden gesteld.
  § 2. Het gemotiveerd voorstel van Infrabel of NMBS bindt HR Rail.
  § 3. HR Rail beslist formeel binnen een termijn van dertig dagen nadat het gemotiveerd voorstel van Infrabel of NMBS haar is overgemaakt.
  § 4. HR Rail neemt geen formele beslissing bij gebrek aan gemotiveerd voorstel van Infrabel of NMBS binnen een termijn van dertig dagen na de dag waarop HR Rail een verzoek tot voorstel aan Infrabel of NMBS heeft gericht.
  Onderafdeling 3. Bijzondere beslissingsbevoegdheden
  Art. 110. § 1. HR Rail treedt op als bevoegde evaluerende overheid voor het personeel dat niet ter beschikking is gesteld van Infrabel en NMBS.
  § 2. HR Rail treedt op als bevoegde tuchtoverheid voor het personeel dat niet ter beschikking is gesteld van Infrabel en NMBS.
  § 3. HR Rail is voor het personeel bedoeld in de paragrafen 1 en 2 exclusief bevoegd om evaluatiebeslissingen te nemen evenals om tuchtsancties op te leggen, overeenkomstig hetgeen bepaald in artikel 106.
  Art. 111. § 1. Infrabel en NMBS treden op als bevoegde evaluerende overheid voor het personeel dat hun ter beschikking is gesteld door HR Rail.
  § 2. Infrabel en NMBS treden, in hoedanigheid van evaluerende overheid, bij het nemen van formele evaluatiebeslissingen van rechtswege in de plaats van HR Rail.
  Art. 112. § 1. Infrabel en NMBS treden op als bevoegde tuchtoverheid voor het personeel dat hun ter beschikking is gesteld door HR Rail.
  § 2. Infrabel en NMBS treden, in hun hoedanigheid van tuchtoverheid, bij het formeel opleggen van voorgestelde of definitieve tuchtsancties van rechtswege in de plaats van HR Rail, behoudens bij de in paragraaf 3 vermelde uitzondering.
  § 3. Indien Infrabel en NMBS, in hun hoedanigheid van tuchtoverheid, voornemens zijn een personeelslid een tuchtsanctie op te leggen waardoor een einde wordt of kan worden gesteld aan de tewerkstelling van het statutair personeelslid dat hun ter beschikking is gesteld, geldt de gewone beslissingsbevoegdheid zoals voorzien in artikelen 106 en volgende.
  Art. 113. In de uitzonderlijke gevallen van spoedeisendheid die zijn opgenomen in de HR-dienstenovereenkomst, kan Infrabel of NMBS van rechtswege in de plaats treden van HR Rail om ook de formele beslissing te nemen.
  De reden tot spoedeisendheid moet worden gemotiveerd.
  De beslissing wordt ter informatie en voor uitvoering aan de algemeen directeur van HR Rail overlegd.
  Hoofdstuk 6. Sociale dialoog
  Afdeling 1. Organen van sociale dialoog op het niveau van de Belgische Spoorwegen
  Onderafdeling 1. Algemeen
  Art. 114. HR Rail is verantwoordelijk voor het organiseren en beheren van de sociale dialoog op het niveau van de Belgische Spoorwegen.
  Onderafdeling 2. De Nationale Paritaire Commissie
  Art. 115. De Nationale Paritaire Commissie is het hogere orgaan voor sociale dialoog over sociale aangelegenheden van de Belgische Spoorwegen, zowel deze die eigen zijn aan één van de vennootschappen als deze die het niveau van één vennootschap overschrijden.
  1° Samenstelling
  Art. 116. De Nationale Paritaire Commissie bestaat uit zesentwintig leden samengesteld als volgt :
  a) drie leden benoemd door de raad van bestuur van HR Rail, waaronder in ieder geval de voorzitter van de raad van bestuur van HR Rail, die van rechtswege voorzitter van de Nationale Paritaire Commissie is, en de algemeen directeur van HR Rail;
  b) vijf leden benoemd door de raad van bestuur van Infrabel;
  c) vijf leden benoemd door de raad van bestuur van NMBS;
  d) één lid benoemd door elk van de in de Nationale Arbeidsraad vertegenwoordigde op nationaal vlak opgerichte interprofessionele organisaties van werknemers, die ook in Infrabel, in NMBS en in HR Rail zijn vertegenwoordigd;
  e) de overige leden benoemd door de erkende syndicale organisaties in de zin van het personeelsstatuut van naar evenredigheid van het aantal bijdragende leden van elk van deze syndicale organisaties bij Infrabel, NMBS en HR Rail samen.
  Art. 117. De Nationale Paritaire Commissie wordt om de zes jaar vernieuwd, op een door het personeelsstatuut bepaalde datum, op grond van de gegevens per één januari van het jaar waarin tot de vernieuwing wordt overgegaan.
  2° Bevoegdheden
  Art. 118. Niettegenstaande elke andersluidende bepaling en onverminderd de andere bepalingen van deze wet, heeft de Nationale Paritaire Commissie de volgende bevoegdheden, ten aanzien van de Belgische Spoorwegen alsook waar van toepassing ten aanzien van elke vennootschap afzonderlijk :
  1° het onderzoeken van al de kwesties betreffende de bepalingen van het personeelsstatuut en de arbeidsovereenkomsten, met inbegrip van de regelen inzake de vergoeding van schade naar aanleiding van arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar of van het werk en van beroepsziekten, en over het algemeen al de kwesties die voor het personeel rechtstreeks van belang zijn, kwesties die haar worden voorgelegd overeenkomstig artikel 120, § 1;
  2° het uitbrengen van haar advies over al de kwesties van algemene aard die de personen of organen bedoeld in artikel 120 menen haar te moeten voorleggen, onder meer in de gevallen waarin die personen of organen oordelen dat die zaken voor het personeel onrechtstreeks van belang kunnen zijn;
  3° het onderzoek van de economische en financiële inlichtingen betreffende de vennootschappen, zoals bepaald in artikel 15, b), 1° en 2°, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven en zoals gepreciseerd en aangevuld door collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten binnen de Nationale Arbeidsraad;
  4° het onderhandelen over het personeelsstatuut, het syndicaal statuut en de personeelsreglementering inzake " Dienst- en rusttijden " en hieromtrent een bindende regeling vaststellen bij een meerderheid van tweederde van de uitgebrachte stemmen, overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 75;
  5° het onderzoeken van alle aangelegenheden die rechtstreeks of onrechtstreeks van belang zijn voor het niet statutair personeel;
  6° met een meerderheid van tweederde van de uitgebrachte stemmen een of meer arbeidsreglementen opstellen en wijzigen overeenkomstig artikel 11 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen, waarbij de Nationale Paritaire Commissie de taken van de ondernemingsraad vervult;
  7° advies geven over de HR-dienstenovereenkomst(en);
  8° voorafgaandelijk goedkeuren, met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, van de afsluiting en wijziging van de overeenkomsten inzake terbeschikkingstelling van personeel die overeenkomstig artikel 72 kunnen worden gesloten;
  9° advies geven over de afsluiting en wijziging van de overeenkomsten inzake terbeschikkingstelling van personeel die overeenkomstig artikel 153 kunnen worden gesloten;
  10° het deelnemen aan het beheer van de ten behoeve van het personeel opgerichte of op te richten instellingen;
  11° het overleg met en de algemene informatie van het personeel inzake HR-beleid, met inbegrip van de aangelegenheden waarop de procedure bepaald in artikel 75 niet van toepassing is;
  12° de kennisname van aangelegenheden betreffende het welzijn van het personeel op het werk, die haar worden meegedeeld door de Nationale Commissie voor preventie en bescherming op het werk;
  13° het formuleren van een advies omtrent het driejaarlijks verslag van de algemeen directeur van HR Rail betreffende de woon-werkverplaatsingen van het personeel van de Belgische Spoorwegen, bedoeld in artikel 15, l), van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, ingevoegd bij de programmawet van 8 april 2003;
  14° het onderzoeken van de mogelijkheden tot wederbenuttiging bij afschaffing van betrekking van statutair personeel;
  15° het onderhandelen en sluiten van collectieve overeenkomsten van toepassing op het niet statutaire personeel zoals bepaald in artikel 77;
  16° het indienen van een aanvraag tot tussenkomst van een sociaal bemiddelaar zoals bepaald in artikel 136.
  Art. 119. Zonder afbreuk te doen aan artikel 136, heeft de voorzitter van de Nationale Paritaire Commissie of een door HR Rail in overleg met de voorzitter aangeduide lokale vertegenwoordiger een bemiddelende rol bij de sociale dialoog op het niveau van de Belgische Spoorwegen en binnen elk van de drie vennootschappen. Hij kan uit eigen initiatief optreden, of hij kan daartoe aangezocht worden door de voorzitter van het desbetreffende orgaan van sociale dialoog. De voorzitter van een orgaan van sociale dialoog is verplicht de tussenkomst van de voorzitter van de Nationale Paritaire Commissie, of diens vertegenwoordiger, te vragen indien de leden van het orgaan van sociale dialoog hem daartoe verzoeken bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen.
  3° Werking
  Art. 120. § 1. Punten voor de agenda van de Nationale Paritaire Commissie kunnen worden aangebracht door :
  1° de raad van bestuur van HR Rail;
  2° de algemeen directeur van HR Rail;
  3° het HR Coördinatie Comité;
  4° de raad van bestuur of het directiecomité van Infrabel of NMBS;
  5° de voorzitter of zijn gemandateerde van een syndicale organisatie die in de Nationale Paritaire Commissie zetelt, overeenkomstig de bepalingen van het personeelsstatuut of het syndicaal statuut.
  § 2. Voor de aangelegenheden bepaald in artikel 118, 2°, kan ook de minister die bevoegd is voor overheidsbedrijven punten op de agenda van de Nationale Paritaire Commissie laten plaatsen.
  Art. 121. De gedelegeerd bestuurder van Infrabel, de gedelegeerd bestuurder van NMBS, of de algemeen directeur van HR Rail, of hun vertegenwoordigers, zijn, elk voor wat hun vennootschap betreft, ertoe gehouden aan de Nationale Paritaire Commissie de noodzakelijke inlichtingen te verstrekken voor het uitoefenen van haar bevoegdheden.
  Art. 122. De Nationale Paritaire Commissie komt op geregelde tijdstippen bijeen, volgens de bepalingen van het personeelsstatuut of het syndicaal statuut.
  Onderafdeling 3. Het Sturingscomité 1° Oprichting en samenstelling
  Art. 123. Bij de Belgische Spoorwegen wordt een sturingscomité ingericht, dat is samengesteld uit : de gedelegeerd bestuurder van Infrabel, de gedelegeerd bestuurder van NMBS, de algemeen directeur van HR Rail en drie vertegenwoordigers van de erkende syndicale organisaties in de zin van het personeelsstatuut; onder alternerend voorzitterschap van de gedelegeerd bestuurder van Infrabel, de gedelegeerd bestuurder van NMBS en de algemeen directeur van HR Rail.
  2° Bevoegdheden
  Art. 124. Het sturingscomité pleegt samenspraak indien nodig voor de punctuele begeleiding van de uitbouw van nieuwe structuren, bij sociale conflicten en problemen in verband met operationeel beheer of wanneer de geëigende sociale dialoog geen oplossing biedt. Het sturingscomité kan tussenkomen bij betwistingen of nakende betwistingen tussen erkende syndicale organisaties en de vennootschappen.
  Bovendien is het sturingscomité gedurende het eerste jaar na de inwerkingtreding van de hervorming bevoegd voor de begeleiding van de hervorming.
  3° Werking
  Art. 125. Jaarlijks laat de algemeen directeur van HR Rail een kalender vastleggen voor de vergaderingen van het sturingscomité, op basis van één vergadering per maand.
  Onverminderd wat bepaald is in artikel 124, tweede lid, zullen de vergaderingen slechts doorgaan indien een lid van het sturingscomité hier ten laatste veertien dagen op voorhand om verzoekt. Ook de voorzitter van de raad van bestuur van HR Rail en het HR Coördinatie Comité kunnen verzoeken om een vergadering te laten doorgaan.
  Art. 126. Het HR Coördinatie Comité en elk lid van het sturingscomité kunnen punten op de agenda van het sturingscomité plaatsen.
  Afdeling 2. Organen van sociale dialoog op het niveau van elke vennootschap
  Onderafdeling 1. Strategisch bedrijfscomité 1° Oprichting
  Art. 127. Infrabel, NMBS en HR Rail zijn verantwoordelijk om elk in hun schoot een strategisch bedrijfscomité op te richten en te beheren, dat hoofdzakelijk bevoegd is voor economische en financiële aangelegenheden van de vennootschap, zoals hierna bepaald.
  2° Samenstelling
  Art. 128. § 1. De samenstelling van de strategische bedrijfscomités wordt in het personeelsstatuut of het syndicaal statuut geregeld, met dien verstande dat deze tweeledig zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van de betrokken vennootschap en vertegenwoordigers van het personeel en dat er niet meer vertegenwoordigers van de betrokken vennootschap dan vertegenwoordigers van het personeel mogen aangeduid zijn.
  § 2. Het strategisch bedrijfscomité van Infrabel wordt voorgezeten door de gedelegeerd bestuurder van Infrabel. Het strategisch bedrijfscomité van NMBS wordt voorgezeten door de gedelegeerd bestuurder van NMBS. Het strategisch bedrijfscomité van HR Rail wordt voorgezeten door de algemeen directeur van HR Rail. De gedelegeerd bestuurder of de algemeen directeur kan zich laten vervangen door zijn vertegenwoordiger.
  3° Bevoegdheden
  Art. 129. § 1. Onverminderd de andere bepalingen van deze wet en de bevoegdheden die voortvloeien uit de wet van 21 maart 1991, zijn de strategische bedrijfscomités, elk voor de vennootschap waarbinnen zij zijn opgericht, belast met de volgende bevoegdheden :
  1° Onderzoek van de economische en financiële inlichtingen betreffende de betrokken vennootschap, zoals bepaald in artikel 15, b), 1° en 2°, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven en zoals gepreciseerd en aangevuld door collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten binnen de Nationale Arbeidsraad;
  2° Het kennisnemen van de evolutie en van de aard van de tewerkstelling binnen de betrokken vennootschap, met inbegrip van het toezicht op de naleving van de afspraken met betrekking tot de terbeschikkingstelling ten behoeve van Infrabel en NMBS van het personeel door HR Rail;
  3° Voordracht aan de minister die bevoegd is voor overheidsbedrijven van leden van het college van commissarissen binnen de betrokken vennootschap;
  4° Het uitbrengen van een advies voorafgaand aan het afsluiten en wijzigen van het beheerscontract van Infrabel en van NMBS, en de opvolging van de uitvoering van dit beheerscontract;
  5° Het kennisnemen van en het uitbrengen van een voorafgaand advies over maatregelen die de tewerkstelling op middellange en lange termijn kunnen beïnvloeden;
  6° Het kennisnemen van en het uitbrengen van een voorafgaand advies over de maatregelen te nemen ten gevolge van beslissingen met een invloed op de lange termijn inzake algemene bedrijfsstrategie, dochterondernemingen, processen van fusies en overnames, herstructureringen, algemeen personeels- en investeringsbeleid, de ontwikkeling van jaarlijkse financiën en budgetten en de verdediging van de concurrentiepositie;
  7° Het waken over de naleving van de afspraken gemaakt door de betrokken vennootschap in de HR-dienstenovereenkomst en desgevallend de overeenkomst inzake terbeschikkingstelling van personeel;
  8° Het optreden als ondernemingsraad binnen de betrokken vennootschap in geval van overname of overdracht van activiteiten;
  9° Het toezicht op de uitvoering van de activiteiten van de betrokken vennootschap, voor wat de benuttiging van het spoorwegpersoneel betreft, zowel voor de spoorwegactiviteiten als voor de logistieke ondersteuning en overeenkomstig de afspraken met betrekking tot terbeschikkingstelling door HR Rail van personeel ten behoeve van Infrabel en NMBS;
  10° Het kennisnemen van de onderdelen van het ondernemingsplan die de uitvoering van de taken van openbare dienst betreffen met toepassing van artikel 26 van de wet van 21 maart 1991 en artikel 53, § 4.
  § 2. De strategische bedrijfscomités geven geen advies over de zaken die vallen onder paragraaf 1, 5°, 6° en 8°, waarover de Nationale Paritaire Commissie reeds advies heeft gegeven.
  4° Werking
  Art. 130. § 1. De gedelegeerd bestuurder of bij HR Rail de algemeen directeur, of hun vertegenwoordigers, zijn ertoe gehouden aan het strategische bedrijfscomité van hun vennootschap de inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor het uitoefenen van zijn bevoegdheden.
  § 2. Bij de uitoefening van hun bevoegdheden beschikken de strategische bedrijfscomités, voor zover van toepassing, over de verslagen van het auditcomité van de betrokken vennootschap betreffende het onderzoek van de rekeningen van deze vennootschap.
  Art. 131. De strategische bedrijfscomités kunnen ambtshalve advies verstrekken over de materies die tot hun bevoegdheden behoren.
  Onderafdeling 2. Regionale sociale dialoog 1° Organisatie
  Art. 132. De regionale sociale dialoog wordt georganiseerd en beheerd door Infrabel, NMBS en HR Rail, elk voor hun vennootschap, waarbij Infrabel en NMBS elk respectievelijk vijf gewestelijke paritaire comités inrichten en HR Rail vijf gewestelijke paritaire commissies inricht.
  2° Samenstelling
  Art. 133. § 1. De samenstelling van de gewestelijke paritaire comités en commissies wordt in het personeelsstatuut of het syndicaal statuut geregeld, met dien verstande dat deze paritair zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van de betrokken vennootschap en vertegenwoordigers van het personeel.
  § 2. Elk gewestelijke paritair comité van Infrabel of NMBS wordt voorgezeten door de lokaal verantwoordelijke van de regio, die wordt bijgestaan door de vertegenwoordiger van HR Rail bevoegd voor de uitvoering van het personeelsbeleid in deze regio.
  § 3. Elke gewestelijke paritaire commissie van HR Rail wordt voorgezeten door de vertegenwoordiger van de algemeen directeur van HR Rail.
  3° Bevoegdheden
  Art. 134. § 1. De regionale sociale dialoog heeft onder meer betrekking op de volgende aangelegenheden, onverminderd de bevoegdheden toegekend aan andere organen van sociale dialoog :
  1° Onderzoeken van de voorstellen en bezwaren van het personeel betreffende de regeling van de arbeid en de verbetering van de productie;
  2° Helpen van de diensthoofden bij het opmaken van de lijsten van bijslagen, vergoeding voor dienstouderdom, dienststrepen en van de bevorderingstabellen;
  3° Uitbrengen van advies over alle vraagstukken betreffende de werkregeling, telkens die door de bevoegde gewestelijke overheid worden voorgelegd, met inbegrip van de vraagstukken die voor het personeel onrechtstreeks van belang kunnen zijn, met uitzondering van welzijn op het werk;
  4° Mogelijkheid tot overmaken aan de bevoegde gewestelijke paritaire commissie van HR Rail van een vraag tot onderzoek van een kwestie die de mobiliteit van het personeel tussen Infrabel, NMBS en HR Rail en de wederbenuttiging van beschikbare personeelsleden betreft.
  § 2. De gewestelijke paritaire commissies van HR Rail zijn bovendien bevoegd om de kwesties met betrekking tot mobiliteit van het personeel tussen Infrabel, NMBS en HR Rail te onderzoeken, alsook de wederbenuttiging van beschikbare personeelsleden.
  Bij het uitoefenen van deze bevoegdheid nodigt de voorzitter van de gewestelijke paritaire commissie van HR Rail een vertegenwoordiger van Infrabel en/of NMBS uit als technisch expert.
  § 3. De gewestelijke paritaire comités en commissies brengen advies uit over de kwesties die hen worden voorgelegd door de betrokken vennootschap. Zij moeten niet ambtshalve of vooraf kennis krijgen van de vraagstukken betreffende de werkregeling, behalve in de gevallen bepaald in de wet, de personeelsreglementering of het personeelsstatuut.
  De kwesties van algemene aard en de beginselkwesties vallen onder de bevoegdheid van de Nationale Paritaire Commissie.
  4° Werking
  Art. 135. De gewestelijke paritaire comités en commissies komen op geregelde tijdstippen bijeen, volgens de bepalingen van het personeelsstatuut of het syndicaal statuut.
  Afdeling 3. Bemiddeling
  Art. 136. § 1. De Algemene Directie van de collectieve arbeidsbetrekkingen bij de Federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg wordt belast met de sociale bemiddeling op het niveau van de Belgische Spoorwegen en in elk van de vennootschappen met het oog op het voorkomen, opvolgen en beëindigen van de collectieve geschillen tussen Infrabel, NMBS en/of HR Rail en het personeel.
  De sociaal bemiddelaars aangewezen krachtens artikel 12octies van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, zijn bevoegd voor het vervullen van de opdrachten van sociale bemiddeling bij Infrabel, NMBS en HR Rail.
  § 2. De sociale bemiddeling omvat de volgende opdrachten :
  1° het voorkomen van sociale geschillen en het opvolgen van het uitbreken, het verloop en de beëindiging ervan;
  2° het vervullen van alle sociale bemiddelingsopdrachten.
  § 3. De sociaal bemiddelaars bedoeld in paragraaf 1 kunnen elke vergadering van een orgaan van sociale dialoog opgericht krachtens deze wet of krachtens het personeelsstatuut op het niveau van de Belgische Spoorwegen of binnen Infrabel, NMBS en HR Rail bijwonen als waarnemer en ontvangen hiervoor een uitnodiging alsof zij lid waren van deze organen.
  § 4. De Nationale Paritaire Commissie, de voorzitter van de raad van bestuur van HR Rail, de gedelegeerd bestuurder van Infrabel, de gedelegeerd bestuurder van NMBS, de minister die bevoegd is voor overheidsbedrijven, het HR Coördinatie Comité en de voorzitter of zijn gemandateerde van een syndicale organisatie overeenkomstig de bepalingen van het personeelsstatuut of het syndicaal statuut, kunnen een aanvraag tot tussenkomst van een sociaal bemiddelaar indienen bij de Algemene Directie van de collectieve arbeidsbetrekkingen bedoeld in paragraaf 1.
  Afdeling 4. Gemeenschappelijke bepalingen inzake sociale dialoog
  Art. 137. § 1. Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van deze wet, worden de samenstelling, bevoegdheden en werking van de organen van sociale dialoog op het niveau van de Belgische Spoorwegen of op het niveau van één of meer vennootschappen na de inwerkingtreding van de hervorming geregeld in het personeelsstatuut of het syndicaal statuut overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 75.
  § 2. Nochtans kunnen na de inwerkingtreding van de hervorming de bevoegdheden van de organen van sociale dialoog opgenomen in deze wet worden gewijzigd, overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 75.
  § 3. Na de inwerkingtreding van de hervorming kunnen bijkomende organen van sociale dialoog worden ingericht, overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 75.
  Art. 138. § 1. Indien drie maanden na de inwerkingtreding van de hervorming de nieuwe regels van samenstelling, bevoegdheden en werking van de organen van sociale dialoog, zowel van deze die ingericht moeten worden krachtens de wet als van deze die uitsluitend ingericht worden krachtens het personeelsstatuut of het syndicaal statuut, niet in het personeelsstatuut of het syndicaal statuut zijn ingeschreven, kan de Koning dit regelen.
  § 2. Paragraaf 1 is ook van toepassing op de raad van beroep bedoeld in hoofdstuk 7 van deze titel.
  Hoofdstuk 7. De raad van beroep
  Art. 139. § 1. De raad van beroep is gelast het personeelslid ten aanzien van wie een maatregel van tuchtsanctie of van ambtshalve ontslag is uitgevaardigd, zoals die zijn vastgesteld in het personeelsstatuut, op zijn verzoek te horen en hierover een gemotiveerde beslissing te nemen en die over te maken aan respectievelijk de algemeen directeur van HR Rail, de verantwoordelijke voor het personeelsbeleid bij Infrabel en de verantwoordelijke voor het personeelsbeleid bij NMBS, naargelang de vennootschap bij wie het betrokken personeelslid is tewerkgesteld.
  § 2. De raad van beroep bestaat uit twee kamers in functie van de aard van de voorgestelde maatregel lastens het personeelslid.
  De eerste kamer neemt kennis van de beroepen tegen voorgestelde maatregelen naar aanleiding van overtredingen van het gemeen recht, van het personeelsstatuut of van de personeelsreglementering alsook van de beroepen tegen het ambtshalve ontslag na tien dagen ongewettigde afwezigheid. De tweede kamer neemt kennis van beroepen tegen voorgestelde maatregelen naar aanleiding van beroepsfouten in verband met de veiligheid van het spoorwegverkeer.
  § 3. De raad van beroep is samengesteld uit :
  1° een voorzitter, magistraat, aangewezen door de eerste voorzitter van het Hof van Beroep te Brussel;
  2° een griffier-verslaggever, aangewezen door de raad van bestuur van HR Rail. De griffier-verslaggever is niet stemgerechtigd;
  3° tien bijzitters per kamer, waarvan de helft aangewezen wordt door het personeel van de Belgische Spoorwegen en de helft aangewezen wordt door HR Rail, Infrabel en/of NMBS, al naargelang de hoedanigheid van het personeelslid dat beroep heeft ingesteld.
  Indien het personeelslid dat beroep instelt, tewerkgesteld wordt bij HR Rail, worden de tien bijzitters samengesteld uit drie vertegenwoordigers van HR Rail, één vertegenwoordiger van Infrabel, één vertegenwoordiger van NMBS en uit vijf vertegenwoordigers van het personeel.
  Indien het personeelslid dat het beroep instelt, ter beschikking gesteld is aan Infrabel, worden de bijzitters samengesteld uit drie vertegenwoordigers van Infrabel, één vertegenwoordiger van HR Rail, één vertegenwoordiger van NMBS en uit vijf vertegenwoordigers van het personeel.
  Indien het personeelslid dat het beroep instelt, ter beschikking gesteld is aan NMBS, worden de bijzitters samengesteld uit drie vertegenwoordigers van NMBS, één vertegenwoordiger van HR Rail, één vertegenwoordiger van Infrabel en uit vijf vertegenwoordigers van het personeel.
  De bijzitters worden door het personeel, en respectievelijk door Infrabel, NMBS en HR Rail benoemd voor een mandaat van vier jaar, volgens de voorwaarden en regels vastgesteld in het personeelsstatuut.
  § 4. Het personeelsstatuut bepaalt de nadere procedurevoorschriften van de raad van beroep.
  Hoofdstuk 8. Welzijn op het werk
  Afdeling 1. Verplichtingen inzake welzijn op het werk
  Art. 140. Infrabel, NMBS en HR Rail zijn onderworpen aan de wet van 4 augustus 1996, met dien verstande dat het Bedrijfscomité voor preventie en bescherming op het werk, in de vennootschap waarbinnen het is opgericht met toepassing van artikel 145 de taken uitvoert en de bevoegdheden heeft van het comité voor preventie en bescherming op het werk in de zin van de wet van 4 augustus 1996.
  Art. 141.HR. Rail is bevoegd om te waken over de naleving van de verplichtingen opgelegd door de wet van 4 augustus 1996, met betrekking tot de personeelsleden die niet ter beschikking zijn gesteld van Infrabel en NMBS, onverminderd artikel 153, § 2.
  Infrabel heeft die bevoegdheid met betrekking tot het personeel dat aan haar ter beschikking is gesteld. Ten aanzien van die personeelsleden, zal enkel Infrabel beschouwd worden als werkgever of gelijkgesteld met de werkgever in de zin van de wet van 4 augustus 1996.
  NMBS heeft die bevoegdheid met betrekking tot het personeel dat aan haar ter beschikking is gesteld. Ten aanzien van die personeelsleden, zal enkel NMBS beschouwd worden als werkgever of gelijkgesteld met de werkgever in de zin van de wet van 4 augustus 1996.
  Afdeling 2. Beleid inzake welzijn op het werk
  Art. 142. Voor de toepassing van deze afdeling, wordt verstaan onder :
  1° " Reglementair welzijnsbeleid " : Het beleid inzake welzijn op het werk met inbegrip van alle beleidsbeslissingen tot aanpassing van het personeelsstatuut met inbegrip van het syndicaal statuut, of van de personeelsreglementering. Het betreft alle beslissingen van welzijnsbeleid die niet bedoeld zijn onder 2°.
  2° " Niet-reglementair welzijnsbeleid " : Het beleid inzake welzijn op het werk met inbegrip van alle overige beleidsbeslissingen tot vaststelling of aanpassing van het welzijnsbeleid met een algemene draagwijdte, die geen verandering inhouden of noodzaken van het onder 1° omschreven reglementair welzijnsbeleid.
  Art. 143. In afwijking van wat bepaald is in hoofdstuk 3 van deze titel, en onverminderd de toepassing van artikel 144, § 4, artikel 145, § 4, artikel 147, § 1 en § 2, lid 1, en artikel 153, § 2 :
  1° stelt uitsluitend Infrabel het reglementair en niet-reglementair welzijnsbeleid vast voor het personeel dat aan haar ter beschikking is gesteld;
  2° stelt uitsluitend NMBS het reglementair en niet-reglementair welzijnsbeleid vast voor het personeel dat aan haar ter beschikking is gesteld;
  3° stelt uitsluitend HR Rail het reglementair en niet-reglementair welzijnsbeleid vast voor het personeel dat niet aan Infrabel of NMBS ter beschikking is gesteld;
  4° wordt het aldus vastgestelde reglementair welzijnsbeleid gelijkgesteld met de rechtsbron bepaald in artikel 68, § 1, 3° of 4°, al naargelang, en wordt het aldus vastgestelde niet-reglementair welzijnsbeleid gelijkgesteld met de rechtsbron bepaald in artikel 68, § 1, 6°, voor wat het statutair personeel betreft en wordt het aldus vastgestelde welzijnsbeleid beschouwd als een rechtsbron bedoeld in artikel 78, § 1, 6°, voor wat het niet statutair personeel betreft.
  Afdeling 3. Organen van sociale dialoog inzake welzijn op het werk
  Onderafdeling 1. Organen van sociale dialoog inzake welzijn op het werk op het niveau van de Belgische Spoorwegen 1° Nationale Commissie voor preventie en bescherming op het werk
  Art. 144. § 1. De Nationale Commissie voor preventie en bescherming op het werk wordt ingericht op het niveau van de Belgische Spoorwegen.
  HR Rail is verantwoordelijk voor het organiseren en beheren van de sociale dialoog binnen de Nationale Commissie voor preventie en bescherming op het werk.
  § 2. De samenstelling van de Nationale Commissie voor preventie en bescherming op het werk wordt in het personeelsstatuut of het syndicaal statuut geregeld, met dien verstande dat zij paritair is samengesteld en dat de drie vennootschappen erin vertegenwoordigd zijn.
  § 3. De Nationale Commissie voor preventie en bescherming op het werk wordt voorgezeten door de algemeen directeur van HR Rail of zijn vertegenwoordiger.
  § 4. De Nationale Commissie voor preventie en bescherming op het werk heeft de volgende bevoegdheden :
  1° onderzoek en adviesverlening in kwesties met betrekking tot welzijn op het werk die noodzakelijkerwijs meer dan één vennootschap aanbelangen;
  2° de mogelijkheid tot overmaken aan de Nationale Paritaire Commissie van alle kwesties in verband met welzijn op het werk die noodzakelijkerwijs meer dan één vennootschap aanbelangen;
  3° het geven van advies inzake een beoogde wijziging van reglementering inzake welzijn op het werk of een andere kwestie inzake welzijn op het werk die noodzakelijkerwijs meer dan één vennootschap aanbelangt.
  § 5. Punten kunnen op de agenda van de Nationale Commissie voor preventie en bescherming op het werk worden geplaatst door één van de volgende personen of organen :
  1° de voorzitter van een Bedrijfscomité voor preventie en bescherming op het werk;
  2° de vertegenwoordigers van Infrabel, NMBS of HR Rail of de voorzitter of zijn gemandateerde van een syndicale organisatie die in een Bedrijfscomité voor preventie en bescherming op het werk zetelen; of
  3° het HR Coördinatie Comité.
  Onderafdeling 2. Organen van sociale dialoog inzake welzijn op het werk op het niveau van elke vennootschap 1° Bedrijfscomité voor preventie en bescherming op het werk
  Art. 145. § 1. Binnen elke vennootschap wordt een Bedrijfscomité voor preventie en bescherming op het werk opgericht. Die vennootschap is verantwoordelijk voor de organisatie en het beheer van het Bedrijfscomité voor preventie en bescherming op het werk. Wanneer de vennootschap een Bedrijfscomité voor preventie en bescherming op het werk heeft opgericht, wordt zij beschouwd voldaan te hebben aan artikel 49 en 50 van de wet van 4 augustus 1996.
  De wettelijke en reglementaire voorschriften die gelden voor een comité voor preventie en bescherming op het werk in de zin van de wet van 4 augustus 1996, zijn slechts van toepassing op het Bedrijfscomité voor preventie en bescherming op het werk voorzover deze niet tegenstrijdig zijn met de bepalingen van deze wet.
  § 2. De samenstelling van het Bedrijfscomité voor preventie en bescherming op het werk wordt in het personeelsstatuut of het syndicaal statuut geregeld, met dien verstande dat deze tweeledig is samengesteld uit vertegenwoordigers van de betrokken vennootschap en vertegenwoordigers van het personeel en dat er niet meer vertegenwoordigers van de betrokken vennootschap dan vertegenwoordigers van het personeel mogen aangeduid zijn.
  § 3. Het Bedrijfscomité voor preventie en bescherming op het werk wordt voorgezeten door de gedelegeerd bestuurder of de algemeen directeur van de betrokken vennootschap of zijn vertegenwoordiger.
  § 4. De Bedrijfscomités voor preventie en bescherming op het werk zijn, elk voor de vennootschap waarbinnen zij zijn opgericht, belast met de volgende bevoegdheden :
  1° het uitoefenen van de bevoegdheden die overeenkomstig de wet van 4 augustus 1996 toekomen aan het comité voor preventie en bescherming op het werk;
  2° het geven van advies over een wijziging aan het reglementair of niet-reglementair welzijnsbeleid;
  3° het geven van advies over voorstellen van aanpassingen aan de structuur van de organen voor preventie en bescherming op het werk waarvan zij de noodzakelijkheid erkend heeft;
  4° de mogelijkheid tot ambtshalve of op verzoek uitbrengen van advies over alle vraagstukken betreffende welzijn op het werk;
  5° de mogelijkheid tot overmaken aan de Nationale Commissie voor preventie en bescherming op het werk, voor advies, van alle kwesties in verband met welzijn op het werk die tot de bevoegdheid van de Nationale Commissie voor preventie en bescherming op het werk behoren, overeenkomstig artikel 144, § 5;
  6° het uitwerken en het in toepassing brengen van gepaste propagandamiddelen met het doel de welzijn op het werk binnen de vennootschap in alle aspecten te bevorderen;
  7° het waken over de toepassing, binnen de betrokken vennootschap, van de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake preventie en bescherming op het werk en in het bijzonder over de eenheid in het welzijnsbeleid;
  8° het waken over de goede werking, binnen de betrokken vennootschap, van de verschillende organen voor preventie en bescherming op het werk;
  9° het onderzoeken van de eventuele klachten die uitgaan van de vennootschap of van de delegatie van het personeel dat in het Bedrijfscomité voor preventie en bescherming op het werk zetelt, inzake het verlenen van dienstvrijstellingen met toepassing van de toepasselijke personeelsreglementering;
  10° het geven van advies over de toepassing van hoofdstukken III, IV en V van de wet van 4 augustus 1996;
  11° het geven van een voorafgaand advies over de keuze of de vervanging van de in toepassing van de bepalingen van de Codex Welzijn op het Werk of het Algemeen reglement voor de arbeidsbescherming erkende organismen, agenten-bezoekers, laboratoria, instellingen, deskundigen, firma's;
  12° het geven van een voorafgaand advies over de keuze, de aankoop, het onderhoud en het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen.
  2° Comités voor preventie en bescherming op het werk
  Art. 146. § 1. Elke vennootschap regelt de structuur, samenstelling en werking van haar Comités voor preventie en bescherming op het werk, na akkoord van haar Bedrijfscomité voor preventie en bescherming op het werk dat beslist bij tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen.
  § 2. De voorzitter van een Comité voor preventie en bescherming op het werk kan, ambtshalve of op gemotiveerd verzoek van tweederde van de leden van dat Comité, punten op de agenda laten plaatsen van het Bedrijfscomité voor preventie en bescherming op het werk van de betrokken vennootschap.
  Onderafdeling 3. Gemeenschappelijke bepalingen
  Art. 147. § 1. Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van deze wet, worden de samenstelling, bevoegdheden en werking van de Nationale Commissie voor preventie en bescherming op het werk na de inwerkingtreding van de hervorming geregeld in het personeelsstatuut of het syndicaal statuut, overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 75.
  § 2. Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van deze wet wordt de samenstelling van de Bedrijfscomités voor preventie en bescherming op het werk na de inwerkingtreding van de hervorming geregeld in het personeelsstatuut of het syndicaal statuut, volgens de procedure bepaald in artikel 75.
  Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van deze wet, worden de bevoegdheden en de werking van de Bedrijfscomités voor preventie en bescherming op het werk na de inwerkingtreding van de hervorming geregeld door de vennootschap bij dewelke het Bedrijfscomité voor preventie en bescherming op het werk is ingericht, na akkoord van het Bedrijfscomité dat beslist bij tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen.
  § 3. Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van deze wet worden de samenstelling, de bevoegdheden en werking van de Comités voor preventie en bescherming op het werk na de inwerkingtreding van de hervorming geregeld door de vennootschap bij dewelke ze zijn ingericht, na akkoord van het Bedrijfscomité voor preventie en bescherming op het werk van die vennootschap, dat beslist bij tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen.
  Art. 148. Indien drie maanden na de inwerkingtreding van de hervorming de nieuwe regels van samenstelling, bevoegdheden en werking van de organen van sociale dialoog inzake welzijn op het werk, niet zijn vastgelegd overeenkomstig artikel 147, kan de Koning dit regelen.
  Afdeling 4. Bemiddeling
  Art. 149. Ook voor kwesties inzake welzijn op het werk kan beroep worden gedaan op de sociaal bemiddelaars in het kader van de opdracht bepaald in artikel 136.
  Afdeling 5. Externe dienst voor preventie en bescherming op het werk
  Art. 150. HR Rail is bevoegd om een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk in te richten, in de zin van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk.
  Die externe dienst kan dezelfde dienst zijn als deze die bevoegd was, op 31 december 2013, voor het personeel van de NMBS Holding.
  Onverminderd de mogelijkheid voor andere werkgevers om ook beroep te doen op deze dienst als externe dienst of elke andere bevoegdheid die daaraan zou worden toegekend, en onverminderd artikel 153, § 2, tweede lid, is de externe dienst bevoegd voor het geheel van het personeel van HR Rail al dan niet ter beschikking gesteld van Infrabel of van NMBS.
  Hoofdstuk 9. Sociale werken
  Art. 151. § 1. De organisatie, het beheer en de andere aspecten met betrekking tot sociale werken worden in het personeelsstatuut of het syndicaal statuut geregeld met dien verstande dat :
  1° de activiteiten en taken van het Beheerscomité van het Fonds van de sociale documentatie met ingang van datum van inwerkingtreding van de hervorming zullen worden uitgeoefend door het Nationaal Subcomité van de sociale werken;
  2° de gewestelijke Comités van de sociale werken worden geherstructureerd tot vijf gewestelijke Comités van de sociale werken bij de Belgische Spoorwegen.
  § 2. De samenstelling van het Nationaal Comité van de sociale werken, het Nationaal Subcomité van de sociale werken en de gewestelijke Comités van de sociale werken wordt in het personeelsstatuut of het syndicaal statuut geregeld, met dien verstande dat deze telkens paritair zijn samengesteld.
  Hoofdstuk 10. Arbeidsongevallen en beroepsziekten
  Art. 152. Voor de toepassing van artikel 46 van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen en van artikel 51, § 1, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970, moet de vennootschap aan wie een personeelslid ter beschikking is gesteld als werkgever van dat personeelslid worden beschouwd, en dat personeelslid als aangestelde van die vennootschap, met dien verstande dat waar dat artikel de rechtsvordering inzake burgerlijke aansprakelijkheid tegen de werkgever en zijn lasthebbers of aangestelden onmogelijk maakt, de rechtsvordering ook niet mogelijk is tegen HR Rail en zijn lasthebbers of aangestelden.
  Hoofdstuk 11. Personeel in de vennootschappen, verenigingen en instellingen van publiek of privaat recht waarmee Infrabel, NMBS of HR Rail een deelnemingsverhouding hebben
  Art. 153. § 1. Zonder afbreuk te doen aan artikel 72, § 3, kan aan een personeelslid verlof zonder bezoldiging verleend worden om een specifieke opdracht te vervullen bij vennootschappen, verenigingen en instellingen van publiek of privaat recht waarmee Infrabel, NMBS of HR Rail een deelnemingsverhouding hebben.
  § 2. Onverminderd wat bepaald is in paragraaf 1, en zonder afbreuk te doen aan artikel 72, § 3, kan een statutair personeelslid ter beschikking worden gesteld aan vennootschappen, verenigingen en instellingen van publiek of privaat recht waarmee Infrabel, NMBS of HR Rail een deelnemingsverhouding hebben. Gedurende de terbeschikkingstelling worden de personeelsleden verder bezoldigd door HR Rail.
  Uitsluitend die vennootschap, vereniging of instelling van publiek of privaat recht wordt voor de toepassing van de wet van 4 augustus 1996 beschouwd als werkgever of met de werkgever gelijkgestelde.
  De voorwaarden en nadere bepalingen met betrekking tot de terbeschikkingstelling van het personeel krachtens het eerste lid, kunnen worden vastgesteld in een overeenkomst die na de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad kan worden gesloten tussen HR Rail en de betrokken vennootschap, vereniging of instelling van publiek of privaat recht waarmee Infrabel, NMBS of HR Rail een deelnemingsverhouding heeft. Deze overeenkomst evenals alle wijzingen ervan zijn onderworpen aan een voorafgaand advies van de Nationale Paritaire Commissie.
  § 3. De paragrafen 1 en 2 doen geen afbreuk aan de andere mogelijkheden van verloven en detachering zoals geregeld in het personeelsstatuut en de personeelsreglementering ook aan andere publieke of private rechtspersonen dan deze bedoeld in dit hoofdstuk.
  § 4. Een personeelslid dat ter beschikking gesteld is van Infrabel of NMBS en op wie de paragrafen 1, 2 of 3 worden toegepast, wordt geacht ter beschikking gesteld gebleven te zijn van respectievelijk Infrabel of NMBS, behoudens andersluidende beslissing van HR Rail met toepassing van artikel 72, § 3.
Art. 3. La loi du 23 juillet 1926 relative à la S.N.C.B. Holding et à ses sociétés liées, dont le texte actuel formera le Livre 1er avec l'intitulé " Société Nationale des Chemins de fer belges ", est complétée par un Livre 2, rédigé comme suit :
  Livre 2. Le personnel des Chemins de fer belges
  Titre 1. Définitions
  Art. 21. Pour l'application du présent livre, il y a lieu d'entendre par :
  Société(s) : Infrabel, la SNCB, HR Rail;
  SNCB Holding : la sociĂ©tĂ© anonyme de droit public SNCB Holding, avant le moment oĂč la fusion visĂ©e au chapitre II de l'arrĂȘtĂ© royal de 7 novembre 2013 portant rĂ©forme des structures de la SNCB Holding, d'Infrabel et de la SNCB (I) sort ses effets;
  SociĂ©tĂ© nationale des Chemins de fer belges, en abrĂ©gĂ© " SNCB " : la sociĂ©tĂ© anonyme de droit public SNCB, Ă partir du moment oĂč la fusion visĂ©e au chapitre II de l'arrĂȘtĂ© royal de 7 novembre 2013 portant rĂ©forme des structures de la SNCB Holding, d'Infrabel et de la SNCB (I) sort ses effets;
  Infrabel : la société anonyme de droit public Infrabel;
  Chemins de fer belges : les trois sociétés ensemble;
  Réforme : réforme des Chemins de fer belges sur la base de la loi du 30 août 2013 relative à la réforme des chemins de fer belges;
  Ressources humaines, en abrĂ©gĂ© RH : comprend entre autres les domaines suivants : le dialogue social, la mise Ă disposition de personnel, la planification en matiĂšre de personnel, le recrutement et la sĂ©lection, la politique de rĂ©munĂ©ration et les conditions de travail, la politique de carriĂšre, la formation et le dĂ©veloppement, le management de la performance, la mise Ă la retraite et les dĂ©parts (in)volontaires, gestion des paiements, les affaires sociales, les dĂ©cisions en matiĂšre de personnel Ă portĂ©e individuelle, la gestion de la mise Ă la retraite, la discipline, l'Ă©valuation, le suivi des accidents de travail et des maladies professionnelles, le bien-ĂȘtre, le service mĂ©dical, CPS et la gestion des restaurants d'entreprise;
  Politique RH : la proposition et la détermination de la politique en matiÚre de personnel, y-compris entre autres l'évaluation de la politique et toutes les décisions en matiÚre de politique RH dans un ou plusieurs domaines de RH. La politique RH a une portée générale et concerne une partie ou l'ensemble du personnel des Chemins de fer belges mis ou non à la disposition d'Infrabel ou de la SNCB;
  Exécution RH : l'exécution, la production ou le traitement administratif de la politique RH et de la gestion RH; l'administration du personnel et la prestation de services connexes au personnel et aux sociétés dans un ou plusieurs domaines de RH;
  Gestion RH : la gestion administrative, y-compris entre autres la gestion de données, la documentation, l'entretien et la conservation d'information dans un ou plusieurs domaines de RH;
  Expertise RH : les conseils et l'information dans un ou plusieurs domaines de RH;
  Processus RH : l'ensemble d'opérations consécutives, menées dans le but de l'exécution RH, et les développements consécutifs en vue de l'amélioration, la modernisation et le développement continus de la politique RH, l'exécution RH, la gestion RH et/ou l'expertise RH;
  Contrat de services RH : le(s) contrat(s) réciproque(s) entre HR Rail et Infrabel et HR Rail et la SNCB dans lesquels les droits et obligations réciproques en matiÚre de politique RH, d'exécution RH, de gestion RH et d'expertise RH dans un ou plusieurs des domaines de RH sont précisés et répartis, et qui sont conclus suivant les modalités établies à l'article 98;
  Comité de Coordination RH : Comité pour la coordination de la gestion du personnel visé à l'article 45 et suivants de la présente loi;
  Statut du personnel : le statut du personnel employé aux Chemins de fer belges, tel que déterminé par le conseil d'administration de HR Rail conformément à la procédure déterminée à l'article 75;
  Statut syndical : le Chapitre XIII du statut du personnel et le RGPS-Fascicule 548 et toutes les modifications ultérieures qui y sont apportées;
  Réglementation du personnel : réglementation interne déterminée en exécution du statut du personnel;
  RÚglement de travail : un rÚglement de travail au sens de la loi du 8 avril 1965 instituant les rÚglements de travail;
  Loi du 21 mars 1991 : la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques;
  Loi du 4 aoĂ»t 1996 : la loi du 4 aoĂ»t 1996 relative au bien-ĂȘtre des travailleurs lors de l'exĂ©cution de leur travail;
  Personnel cadre : les membres du cadre supérieur comme défini dans le statut du personnel.
  Titre 2. HR Rail
  Chapitre 1. Objet social, capital, statuts, dispositions législatives et réglementaires
  Section 1. Objet social et mission de service public de HR Rail
  Art. 22. § 1. HR Rail est une société anonyme de droit public. Elle relÚve de la compétence du ministre ayant les entreprises publiques dans ses attributions.
  § 2. Sur tous les actes, factures, annonces, publications, correspondance, ordres et autres piĂšces Ă©manant de la sociĂ©tĂ©, la dĂ©nomination " HR Rail " doit toujours ĂȘtre prĂ©cĂ©dĂ©e ou suivie de la mention " sociĂ©tĂ© anonyme de droit public ".
  Art. 23. § 1. HR Rail a pour objet :
  1° la sélection et le recrutement du personnel statutaire et non statutaire nécessaire à la réalisation des missions d'Infrabel et de la SNCB, la mise à la disposition d'Infrabel et de la SNCB de ce personnel et l'intervention en tant qu'employeur juridique de ce personnel;
  2° la gestion des affaires du personnel, en ce-compris la détermination et le suivi de la politique RH, de l'exécution RH, de la gestion RH, et de l'expertise RH, tels que définis par et dans les limites des compétences et des responsabilités visées au chapitre III, section 5 de la présente loi et ceci au service des Chemins de fer belges;
  3° l'organisation et la gestion du dialogue social au niveau des Chemins de fer belges;
  4° la mise en place d'un service externe au sens de l'arrĂȘtĂ© royal du 27 mars 1998 relatif au service externe pour la prĂ©vention et la protection au travail et ceci au service des Chemins de fer belges;
  5° la gestion des pensions statutaires sur la base de l'article 159 de la loi-programme du 27 dĂ©cembre 2005 et conformĂ©ment Ă l'arrĂȘtĂ© royal du 28 dĂ©cembre 2005 rĂ©glant la reprise des obligations de pension de la SNCB-Holding par l'Etat belge, ratifiĂ© par la loi-programme du 20 juillet 2006 et Ă ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution;
  6° la sélection et le recrutement et la mise à disposition des sociétés, associations et institutions de droit public ou privé dans lesquelles Infrabel, la SNCB et/ou HR Rail ont un lien de participation, du personnel statutaire nécessaire à l'exécution de leur mission;
  7° les autres missions dont elle est chargée par ou en vertu de la loi.
  § 2. HR Rail peut aussi exĂ©cuter les tĂąches visĂ©es au paragraphe 1er, 2° et 4° au service de sociĂ©tĂ©s, d'associations et d'institutions de droit public ou privĂ© avec lesquels Infrabel, la SNCB et/ou HR Rail ont un lien de participation, ainsi qu' au service de tiers dans la mesure oĂč ces tĂąches sont complĂ©mentaires aux tĂąches visĂ©es au paragraphe 1er.
  § 3. La tùche visée au paragraphe 1er, 3° constitue la mission de service public de HR Rail.
  § 4. HR Rail peut accomplir tous les actes en Belgique et à l'étranger et y effectuer toutes les opérations qui sont nécessaires ou utiles à la réalisation de son objet social, y-compris prendre ou détenir des participations directes ou indirectes dans des sociétés, associations et institutions de droit public ou privé dont l'objet est compatible avec son objet social.
  Section 2. Capital - actions
  Art. 24. § 1. Toute Ă©mission de nouvelles actions est soumise Ă l'approbation prĂ©alable du Roi, par arrĂȘtĂ© dĂ©libĂ©rĂ© en Conseil des ministres.
  § 2. Aucune opération ne peut avoir pour conséquence que le nombre d'actions détenues dans le capital social de HR Rail par l'Etat ou pour le compte de l'Etat, soit inférieur à deux pourcent des actions qui représentent le capital social de HR Rail, ni que le solde des actions dans le capital social de HR Rail ne soit plus détenu par parts égales entre Infrabel et la SNCB.
  Art. 25. Quelle que soit la part de capital social qu'elles représentent, les actions détenues par ou pour le compte de l'Etat donnent de plein droit droit à soixante pour cent des voix, les actions détenues par Infrabel à vingt pour cent des voix et les actions détenues par la SNCB à vingt pour cent des voix également.
  Section 3. Statuts
  Art. 26. Une modification des statuts ne produit ses effets qu'aprĂšs approbation par le Roi, par arrĂȘtĂ© dĂ©libĂ©rĂ© en Conseil des ministres.
  Section 4. Dispositions législatives et réglementaires
  Art. 27. La société est soumise aux dispositions législatives et réglementaires qui sont d'application aux sociétés anonymes, pour autant qu'il n'y soit pas explicitement dérogé par ou en vertu de la présente loi ou d'une quelconque loi spécifique.
  Art. 28. Les actes de HR Rail sont considérés comme des actes de commerce.
  Art. 29. L'article 544 du Code des sociétés ne s'applique pas à HR Rail.
  Art. 30. HR Rail n'est pas soumise à la loi du 31 janvier 2009 relative à la continuité des entreprises, ni à la loi du 8 août 1997 sur les faillites.
  Art. 31. HR Rail bénéficie de l'immunité d'exécution sur les biens entiÚrement ou partiellement affectés à l'exécution de sa mission de service public.
  Chapitre 2. Organisation
  Section 1re. L'assemblée générale
  Art. 32. Le ministre ayant HR Rail dans ses attributions, ou son délégué, représente l'Etat à l'assemblée générale.
  Art. 33. L'assemblée générale n'exerce aucune autre compétence que celles qui lui sont réservées ou attribuées sur la base de la présente loi ou sur la base des dispositions du Code des sociétés applicables aux sociétés anonymes.
  Section 2. Le conseil d'administration
  Sous-section.1re. Composition. et fonctionnement
  Art. 34. § 1er. Le conseil d'administration est composé de :
  1° un administrateur nommé par le Roi conformément au paragraphe 2;
  2° l'administrateur délégué d'Infrabel, qui fait de plein droit partie du conseil d'administration;
  3° l'administrateur délégué de la SNCB, qui fait de plein droit partie du conseil d'administration;
  4° le directeur général, qui est nommé conformément à l'article 39.
  § 2. L'administrateur qui est nommĂ© par le Roi par arrĂȘtĂ© dĂ©libĂ©rĂ© au Conseil des ministres pour une pĂ©riode renouvelable de six ans, interviendra Ă©galement de plein droit en tant que prĂ©sident du conseil d'administration. Cet administrateur est choisi en raison de sa compĂ©tence particuliĂšre en matiĂšre de relations sociales et peut uniquement ĂȘtre rĂ©voquĂ© par le Roi par arrĂȘtĂ© dĂ©libĂ©rĂ© en Conseil des ministres.
  § 3. La rémunération du président est déterminée par l'assemblée générale.
  § 4. En cas de vacance du poste de président, les administrateurs restants y pourvoient jusqu'à ce qu'une nomination définitive intervienne conformément au présent article.
  § 5. Le président appartient à un autre rÎle linguistique que le directeur général.
  Art. 35. § 1er. Une décision du conseil d'administration n'est valablement adoptée que lorsque tous les membres du conseil d'administration sont présents ou valablement représentés. Ce quorum de présence est vérifié au début de la réunion du conseil d'administration et avant l'adoption de chaque décision du conseil d'administration. Ce quorum de présence n'est pas d'application pour les décisions visées par l'article 39, § 1er, et l'article 41, § 3, lesquelles sont valablement prises quel que soit le nombre d'administrateurs présents ou valablement représentés.
  § 2. Les décisions du conseil d'administration sont prises à la majorité simple des voix des administrateurs présents ou valablement représentés.
  Tout membre du conseil d'administration qui occupe une fonction, un mandat ou une activité, rémunérée ou non, soit personnellement, soit par l'intermédiaire d'une personne morale au service de la SNCB ne peut assister aux délibérations du conseil d'administration relatives aux décisions qui concernent exclusivement le personnel d'Infrabel affecté auprÚs du service spécialisé visé à l'article 199bis, § 1er, de la loi du 21 mars 1991, ni prendre part au vote. Ce membre est inclus pour le calcul du quorum de présence, mais sera présumé absent pour le calcul du quorum de majorité.
  § 3. Sauf en cas d'application de l'article 39, § 1er, et de l'article 41, § 3, si, au sein du conseil d'administration, aprĂšs trois rĂ©unions consĂ©cutives du conseil d'administration convoquĂ©es valablement sur une pĂ©riode de maximum trois mois, aucune dĂ©cision n'a pu ĂȘtre prise concernant un mĂȘme point de l'ordre du jour, le prĂ©sident du conseil d'administration convoque une assemblĂ©e gĂ©nĂ©rale dans un dĂ©lai d'un mois; le point Ă l'ordre du jour est mentionnĂ© dans la convocation Ă l'assemblĂ©e gĂ©nĂ©rale. L'assemblĂ©e gĂ©nĂ©rale peut statuer Ă la majoritĂ© simple des voix concernant ce point de l'ordre du jour.
  Sous-section 2. Compétences
  Art. 36. § 1er. Le conseil d'administration a le pouvoir d'accomplir tous les actes nécessaires ou utiles à la réalisation de l'objet social de HR Rail.
  Le conseil d'administration contrÎle la gestion assurée par le directeur général.
  § 2. Le conseil d'administration peut déléguer au directeur général tout ou partie de ses compétences visées au paragraphe 1er, à l'exception :
  1° de l'élaboration du plan d'entreprise et la définition de la politique générale;
  2 ° du contrÎle du directeur général;
  3° des autres compétences explicitement attribuées au conseil d'administration par la présente loi et par le Code des sociétés.
  § 3. Le directeur général fait réguliÚrement rapport au conseil d'administration. Le conseil d'administration ou son président peut à tout moment demander un rapport au directeur général, concernant les activités de HR Rail, ou certaines d'entre elles, qui est communiqué au conseil d'administration.
  Sous-section 3. Représentation
  Art. 37. HR Rail est valablement représentée, tant en droit qu'à l'égard des tiers, par la signature conjointe du directeur général et d'un autre administrateur.
  Sous-section 4. Comité de nominations et de rémunération
  Art. 38. § 1er. Le conseil d'administration institue en son sein un comité de nominations et de rémunération dans lequel siÚgent le président du conseil d'administration qui préside également le comité concerné, l'administrateur délégué d'Infrabel et l'administrateur délégué de la SNCB.
  § 2. Le comité de nominations et de rémunération rend, conformément à l'article 42, des avis sur les candidatures proposées par le directeur général en vue de la nomination de l'adjoint du directeur général et du personnel cadre de HR Rail qui n'est pas mis à disposition.
  § 3. Le comité de nominations et de rémunération propose la rémunération et les avantages accordés à l'adjoint du directeur général, ainsi qu'au personnel cadre de HR Rail qui n'est pas mis à disposition.
  Section 3. Le directeur général - l'adjoint du directeur général
  Sous-section 1re. Le directeur général
  Art. 39. § 1er. Le directeur gĂ©nĂ©ral, qui doit, entre autres, avoir une compĂ©tence particuliĂšre en matiĂšre de RH, est nommĂ© par le conseil d'administration pour un terme renouvelable de six ans, sur proposition unanime des deux administrateurs visĂ©s Ă l'article 34, § 1er, 2° et 3°. Si un directeur gĂ©nĂ©ral est en fonction, il n'assiste pas aux dĂ©libĂ©rations ni ne prend part au vote relatifs Ă ce point Ă l'ordre du jour. Le directeur gĂ©nĂ©ral est prĂ©sumĂ© absent pour le calcul du quorum de majoritĂ©. Le directeur gĂ©nĂ©ral est rĂ©voquĂ© de la mĂȘme maniĂšre. Sa mission visĂ©e Ă l'article 40, § 1er, est dĂ©terminĂ©e de la mĂȘme maniĂšre.
  § 2. Le statut administratif et pécuniaire du directeur général est établi par le conseil d'administration de HR Rail. Si un directeur général est en fonction, il n'assiste pas aux délibérations ni ne prend part au vote relatifs à ce point à l'ordre du jour. Le directeur général est présumé absent pour le calcul du quorum de majorité.
  Art. 40. § 1er. Le directeur gĂ©nĂ©ral est chargĂ© de la gestion journaliĂšre de HR Rail, en ce compris la gestion financiĂšre, et des compĂ©tences, en ce compris les compĂ©tences de reprĂ©sentation, qui lui sont attribuĂ©es en vertu de la prĂ©sente loi. Il a pour principal objectif de moderniser la gestion en matiĂšre de personnel sur la base d'une lettre de mission. Il veillera en particulier Ă l'exĂ©cution de la mission de service public, Ă l'Ă©quilibre financier de HR Rail et au bien-ĂȘtre du personnel occupĂ© pour l'exĂ©cution des missions de HR Rail.
  § 2. Le directeur gĂ©nĂ©ral est chargĂ© des compĂ©tences qui lui sont dĂ©lĂ©guĂ©es par le conseil d'administration en vertu de l'article 36, § 2, de mĂȘme que de l'exĂ©cution des dĂ©cisions du conseil d'administration.
  § 3. Le directeur général représente HR Rail pour ce qui concerne la gestion journaliÚre et pour ce qui concerne les compétences qui lui sont attribuées en vertu de la présente loi.
  § 4. Le directeur général remplit une fonction à temps plein au sein de HR Rail.
  Art. 41. § 1er. Au moins deux fois par an, le directeur général fait un rapport relatif aux progrÚs réalisés à l'égard de la modernisation visée à l'article 40, § 1er et relatif à l'exécution de la mission de service public.
  § 2. Il veille à informer le conseil d'administration préalablement de toutes ses prises de position qui sont susceptibles d'avoir un impact financier sur Infrabel et la SNCB.
  § 3. L'Ă©valuation du directeur gĂ©nĂ©ral de HR Rail est rĂ©alisĂ©e annuellement par le conseil d'administration. Pour que toute dĂ©cision relative Ă cette Ă©valuation puisse ĂȘtre prise valablement, les deux administrateurs visĂ©s Ă l'article 34, § 1, 2° et 3°, doivent donner leur approbation. Le directeur gĂ©nĂ©ral n'assiste pas aux dĂ©libĂ©rations ni ne prend part au vote relatifs Ă ce point Ă l'ordre du jour. Le directeur gĂ©nĂ©ral est prĂ©sumĂ© absent pour le calcul du quorum de majoritĂ©.
  Sous-section 2. L'adjoint du directeur général
  Art. 42. § 1er. L'adjoint du directeur gĂ©nĂ©ral, qui doit avoir une compĂ©tence particuliĂšre, entre autres en matiĂšre de RH, est nommĂ© sur dĂ©cision du conseil d'administration pour une pĂ©riode renouvelable de six ans, sur proposition du directeur gĂ©nĂ©ral et aprĂšs avis du comitĂ© de nominations et de rĂ©munĂ©ration. Le directeur gĂ©nĂ©ral ne prend pas part au vote. L'adjoint du directeur gĂ©nĂ©ral est rĂ©voquĂ© de la mĂȘme maniĂšre.
  § 2. L'adjoint du directeur général appartient à un autre rÎle linguistique que le directeur général.
  § 3. Le statut administratif et pécuniaire de l'adjoint du directeur général est fixé par le conseil d'administration de HR Rail, sur proposition du comité de nominations et de rémunération, tel que visé à l'article 38, § 3.
  Art. 43. § 1er. L'adjoint du directeur gĂ©nĂ©ral possĂšde les compĂ©tences qui lui sont attribuĂ©es par la prĂ©sente loi. Il remplace Ă©galement le directeur gĂ©nĂ©ral lorsque celui-ci est absent ou empĂȘchĂ©.
  § 2. L'adjoint du directeur général remplit une fonction à temps plein au sein de HR Rail.
  Sous-section 3. Le mandat de directeur général et d'adjoint du directeur général
  Art. 44. § 1er. Le directeur général ou l'adjoint du directeur général qui, au moment de sa nomination, se trouve dans un lien statutaire avec l'Etat ou avec toute autre personne de droit public relevant de l'Etat, est mis de plein droit en congé pour mission selon les dispositions du statut en question, pour toute la durée de son mandat. Si le statut du personnel lui est applicable, il gardera durant cette période ses titres à la promotion, à l'avancement de traitement et à la pension.
  § 2. Lorsque le directeur général ou l'adjoint du directeur général, au moment de sa nomination, se trouve dans un lien contractuel avec l'Etat ou avec toute autre personne de droit public relevant de l'Etat, le contrat concerné est suspendu de plein droit pour toute la durée de son mandat. S'il se trouvait dans un lien contractuel avec HR Rail, il gardera durant cette période ses titres à la promotion et à l'avancement de traitement.
  Section 4. Le Comité de Coordination RH
  Sous-section 1re. Composition et fonctionnement
  Art. 45. Le Comité de Coordination RH est composé des quatre membres suivants, qui en font partie de plein droit :
  - le directeur général de HR Rail;
  - l'adjoint du directeur général de HR Rail;
  - le responsable de la politique du personnel auprÚs d'Infrabel;
  - le responsable de la politique du personnel auprÚs de la SNCB.
  Sous-section 2. Compétences
  Art. 46. Le Comité de Coordination RH possÚde entre autres les compétences découlant du titre 3, chapitre 5 de la présente loi.
  Sous-section 3. RÚglement d'ordre intérieur
  Art. 47. Le Comité de Coordination RH établit un rÚglement d'ordre intérieur qui définit explicitement le cadre réglant son fonctionnement. Le rÚglement d'ordre intérieur contiendra une disposition, applicable aux membres du Comité de Coordination RH, analogue à l'article 35, § 2, alinéa 2. Ce rÚglement d'ordre intérieur est soumis au conseil d'administration pour approbation.
  Section 5. Délégation
  Art. 48. Le conseil d'administration peut octroyer des mandats spéciaux à un ou plusieurs de ses membres, voire à des tiers. Tout acte de délégation définit clairement les compétences faisant l'objet de la délégation. La délégation est attribuée pour une durée fixée par le conseil d'administration.
  Art. 49. Le directeur général peut octroyer des mandats spéciaux à chaque mandataire dans les limites de ses propres compétences. Tout acte de délégation définit clairement les compétences faisant l'objet de la délégation. La délégation est attribuée pour une durée fixée par le directeur général.
  Section 6. Discrétion
  Art. 50. Lors de l'exercice de leur mandat et dans l'intĂ©rĂȘt de la sociĂ©tĂ©, les administrateurs (en ce compris le directeur gĂ©nĂ©ral), l'adjoint du directeur gĂ©nĂ©ral et les membres du ComitĂ© de Coordination RH, sont tenus Ă la discrĂ©tion.
  Section 7. Incompatibilités
  Art. 51. § 1er. Sans préjudice d'autres restrictions définies par ou en vertu d'une loi ou par le statut organique de HR Rail le mandat d'administrateur, de directeur général et d'adjoint du directeur général est incompatible avec le mandat ou les fonctions de :
  1° membre du Parlement européen;
  2° membre des Chambres législatives;
  3° ministre ou secrétaire d'Etat;
  4° membre du Conseil ou du Gouvernement d'une Communauté ou d'une Région;
  5° gouverneur d'une province ou membre de la députation permanente d'un conseil provincial.
  En outre, le mandat de directeur général et d'adjoint du directeur général est incompatible avec le mandat de bourgmestre, d'échevin ou de président d'un centre public d'aide sociale.
  Le mandat de directeur général et d'adjoint du directeur général est incompatible avec tout mandat ou toute fonction au sein d'Infrabel et de la SNCB.
  § 2. Lorsque l'un des membres visĂ©s au paragraphe 1er contrevient aux dispositions du paragraphe 1er, il est tenu de se dĂ©mettre des mandats ou fonctions en question. S'il ne le fait pas, il est rĂ©putĂ© s'ĂȘtre dĂ©mis de plein droit de son mandat auprĂšs de HR Rail au moment oĂč le mandat ou la fonction avec lequel l'incompatibilitĂ© existe commence, sans que cela ne porte prĂ©judice Ă la validitĂ© juridique des actes qu'il a accomplis ou des dĂ©libĂ©rations auxquelles il a pris part pendant la pĂ©riode concernĂ©e.
  Chapitre 3. Financement de la mission de service public
  Art. 52. Le Roi peut établir les rÚgles et conditions particuliÚres selon lesquelles HR Rail accomplit la mission de service public qui lui est confiée en vertu de l'article 23, § 3.
  Le financement de la mission de service public de HR Rail est prévu annuellement au Budget de l'Etat.
  Chapitre 4. Le plan d'entreprise
  Art. 53. § 1er. Le conseil d'administration de HR Rail établit un plan d'entreprise d'une durée de trois ans définissant les objectifs et la stratégie de HR Rail.
  § 2. Le plan d'entreprise doit comprendre les matiÚres suivantes :
  1° une vision, en ce qui concerne les parties de RH qui relÚvent de la compétence de HR Rail, pour l'ensemble des membres du personnel employé par les Chemins de fer belges;
  2° une vision, en ce qui concerne la politique du personnel, du personnel employé par HR Rail;
  3° l'évolution du compte d'exploitation transposé dans un plan financier;
  4° la description des conditions d'exploitation générales relatives aux autres secteurs d'activité de HR Rail;
  5° une vision en ce qui concerne le fonctionnement de HR Rail.
  § 3. Le plan d'entreprise est adapté chaque année et communiqué au ministre dont relÚve HR Rail.
  § 4. Les éléments du plan d'entreprise qui concernent l'exécution de la mission de service public sont soumis pour approbation au conseil d'administration de HR Rail, aprÚs avoir été communiqués pour information au comité d'entreprise stratégique de HR Rail conformément à l'article 129, § 1er, 10°.
  Chapitre 5. Tutelle et contrÎle
  Section 1re. La tutelle administrative
  Art. 54. § 1er. HR Rail est soumise au contrÎle du ministre dont elle relÚve.
  Ce contrÎle est exercé à l'intervention d'un commissaire du Gouvernement.
  § 2. Le commissaire du Gouvernement est nommé et révoqué par le Roi sur la proposition du ministre dont relÚve HR Rail.
  Le Roi rÚgle l'exercice des missions du commissaire du Gouvernement et sa rémunération. Cette rémunération est à charge de HR Rail.
  § 3. Le commissaire du Gouvernement veille au respect de la loi et des statuts.
  Il fait rapport au ministre dont relÚve HR Rail.
  Il fait rapport au Ministre du Budget sur toutes les décisions du conseil d'administration et du directeur général qui ont une incidence sur le budget général des dépenses de l'Etat.
  § 4. Le commissaire du gouvernement est invité à toutes les réunions du conseil d'administration de HR Rail et y a voix consultative.
  Il peut à tout moment prendre connaissance, sans déplacement, de tous les livres et documents de HR Rail.
  Il peut demander aux membres de ses organes de gestion, membres du personnel et préposés toutes les informations et procéder à toutes les vérifications qui lui paraissent nécessaires à l'exécution de son mandat.
  § 5. Le commissaire du Gouvernement peut introduire un recours auprÚs du ministre dont relÚve HR Rail contre toute décision des organes de gestion de HR Rail qu'il estime contraire à la loi ou aux statuts.
  Il dispose Ă cet effet d'un dĂ©lai de quatorze jours. Ce dĂ©lai court Ă partir du jour de la rĂ©union Ă laquelle la dĂ©cision a Ă©tĂ© prise, pour autant que le commissaire du Gouvernement y ait Ă©tĂ© rĂ©guliĂšrement convoquĂ© et, dans le cas contraire, Ă partir du jour oĂč il a reçu connaissance de ladite dĂ©cision. Ce recours a un effet suspensif.
  Tout recours du commissaire du Gouvernement est signifiĂ©, le jour oĂč il a Ă©tĂ© signifiĂ© au ministre dont relĂšve HR Rail, par lettre recommandĂ©e au prĂ©sident du conseil d'administration, qui en avertit sans dĂ©lai les autres administrateurs.
  § 6. Dans un dĂ©lai de quatorze jours prenant cours le mĂȘme jour que celui visĂ© au paragraphe 5, deuxiĂšme alinĂ©a, le ministre dont relĂšve HR Rail signifie au prĂ©sident du conseil d'administration l'annulation de la dĂ©cision.
  Dans le cas oĂč la dĂ©cision a ou est susceptible d'avoir un impact sur le budget gĂ©nĂ©ral des dĂ©penses de l'Etat, le dĂ©lai visĂ© au premier alinĂ©a est prolongĂ© de quatorze jours. Le ministre dont relĂšve HR Rail informe le prĂ©sident du conseil d'administration de HR Rail de cette prolongation et demande l'accord du Ministre du Budget avant de procĂ©der Ă l'annulation de la dĂ©cision.
  A défaut de notification de la décision dans le délai visé au premier alinéa, prolongé le cas échéant en application du deuxiÚme alinéa, la décision de HR Rail se voit accorder un caractÚre définitif.
  Section 2. ContrÎle de la situation financiÚre
  Art. 55. § 1er. Le contrÎle de la situation financiÚre, des comptes annuels et de la régularité, au regard de la loi et du statut organique, des opérations à constater dans les comptes annuels, est confié, au sein de HR Rail, à un collÚge de commissaires qui compte trois membres. Les membres du collÚge portent le titre de commissaire.
  § 2. Un membre du collÚge des commissaires est nommé par la Cour des Comptes parmi ses membres. Conformément à l'article 156 du Code des sociétés, les deux autres membres sont nommés parmi les membres de l'Institut des réviseurs d'entreprise par l'assemblée générale de HR Rail, le comité d'entreprise stratégique de HR Rail remplissant la fonction du conseil d'entreprise.
  § 3. Les commissaires sont nommés pour un terme de maximum six ans renouvelable une fois.
  Chapitre 6. Comptabilité et comptes annuels
  Art. 56. § 1er. HR Rail est soumise à la loi du 17 juillet 1975 relative à la comptabilité et aux comptes annuels des entreprises. Elle établit sa comptabilité par année civile. Elle établit un systÚme distinct de comptes pour les activités ayant trait à sa mission de service public, d'une part, et pour ses autres activités, d'autre part.
  L'annexe des comptes annuels contient un Ă©tat rĂ©capitulatif des comptes relatifs Ă la mission de service public et un commentaire Ă ce sujet. Le Roi peut arrĂȘter des rĂšgles gĂ©nĂ©rales ou particuliĂšres relatives Ă la forme et au contenu de cet Ă©tat rĂ©capitulatif et de ce commentaire.
  § 2. Chaque année, le conseil d'administration dresse un inventaire, et établit les comptes annuels et un rapport de gestion. Le rapport de gestion contient les informations visées à l'article 96 du Code des sociétés.
  Sous rĂ©serve des rĂšgles particuliĂšres arrĂȘtĂ©es en vertu de l'article 10, § 2, troisiĂšme alinĂ©a, de la loi du 17 juillet 1975 relative Ă la comptabilitĂ© et aux comptes annuels des entreprises, insĂ©rĂ©e par la loi du 1er juillet 1983, les comptes annuels, le rapport de gestion et le rapport du collĂšge des commissaires sont publiĂ©s de la maniĂšre dĂ©terminĂ©e aux articles 98 et 100 du Code des sociĂ©tĂ©s. Les articles 104 et 105 du Code des sociĂ©tĂ©s sont d'application.
  § 3. Quatorze jours avant l'assemblée générale, le conseil d'administration communique les comptes annuels accompagnés du rapport de gestion et du rapport du collÚge des commissaires au ministre dont relÚve HR Rail, ainsi qu'au Ministre du Budget.
  Avant le 30 juin de l'année suivant l'exercice concerné, le ministre dont relÚve HR Rail communique les documents visés au premier alinéa à la Cour des Comptes pour vérification.
  La Cour des Comptes peut, à l'intervention de son représentant au collÚge des commissaires, organiser un contrÎle sur place des comptes et opérations ayant trait à l'exécution de la mission de service public. La Cour peut publier les comptes dans son Cahier d'Observations.
  Avant la mĂȘme date, le ministre dont relĂšve HR Rail communique les documents visĂ©s au premier alinĂ©a aux Chambres lĂ©gislatives.
  Chapitre 7. Financement
  Art. 57. Sans préjudice de l'article 52, la facturation par HR Rail à Infrabel et la SNCB des services RH, y-compris la mise à disposition du personnel, doit couvrir au moins le prix coutant.
  Art. 58. HR Rail décide, dans les limites de son objet social, du placement de ses fonds disponibles.
  Art. 59. HR Rail n'affecte aucun moyen provenant de subventions d'Etat, au développement, au financement et à l'exploitation d'activités autres que celles prévues dans le cadre de sa mission de service public.
  Chapitre 8. Statut fiscal
  Art. 60. HR Rail est un établissement public d'Etat au sens de l'article 161 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothÚque et de greffe, et au sens de l'article 55 du Code des droits de succession.
  Elle est exemptée de tous impÎts et taxes quelconques au profit des provinces et des communes, à l'exception toutefois des redevances en vue de rémunérer des services prestés à sa demande.
  Art. 61. La taxation des frais non déductibles encourus par HR Rail est uniquement autorisée dans le chef des sociétés auxquelles le personnel est mis à disposition et auxquelles ces frais sont refacturés, conformément au traitement fiscal qui est propre à ces frais dans leur chef. Un décompte annuel des frais non déductibles sera établi et transmis aux entités utilisant le personnel mis à leur disposition. Les frais non-déductibles liés au personnel qui n'est pas mis à disposition, demeurent imposables dans le chef de HR Rail selon les rÚgles normales applicables en matiÚre d'impÎt des sociétés.
  Chapitre 9. Dissolution
  Art. 62. La dissolution de HR Rail ne peut ĂȘtre prononcĂ©e que par ou en vertu d'une loi. La loi rĂšgle le mode et les conditions de la liquidation.
  Chapitre 10. Dispositions diverses
  Art. 63. HR Rail décide, dans les limites de son objet social, de l'acquisition, l'utilisation et l'aliénation de ses biens matériels et immatériels, de la constitution ou de la suppression de droits réels sur ces biens, ainsi que de l'exécution de telles décisions.
  Art. 64. Les marchés de travaux, de fournitures et de services sont passés par ou en vertu d'une décision du conseil d'administration. Le conseil d'administration détermine les marchés pour lesquels le directeur général est seul compétent et les marchés pour lesquels le directeur général peut déléguer la décision.
  Art. 65. HR Rail peut conclure des transactions et des conventions d'arbitrage. Toutefois, toute convention d'arbitrage conclue avec des personnes physiques avant la naissance du différend est nulle.
  Titre 3. Personnel
  Chapitre 1er. Principes gouvernant le statut du personnel et le statut syndical
  Art. 66. HR Rail est l'employeur unique du personnel statutaire et non statutaire des Chemins de fer belges, qu'il soit mis ou non à la disposition d'Infrabel et de la SNCB.
  HR Rail emploie du personnel pour l'exécution de ses propres missions. Infrabel et la SNCB peuvent uniquement employer du personnel mis à leur disposition par HR Rail. Infrabel, la SNCB et HR Rail fixent le cadre du personnel, chacune pour le personnel qu'elles utilisent.
  Art. 67. § 1er. Le personnel des Chemins de fer belges est recruté par ou en vertu d'une décision du conseil d'administration de HR Rail et employé en vertu du statut du personnel et de la réglementation du personnel.
  § 2. Toutefois, HR Rail peut recruter et employer du personnel en vertu d'un contrat de travail soumis à la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail afin :
  1° de répondre à un besoin exceptionnel et temporaire de personnel, qu'il s'agisse soit de la mise en oeuvre d'actions limitées dans le temps, soit d'un surcroßt extraordinaire de travail;
  2° d'exécuter des tùches nécessitant une connaissance ou expérience de haute qualification;
  3° de remplacer des membres du personnel statutaire ou non statutaire pendant des périodes d'absence temporaire partielle ou totale;
  4° d'accomplir des tùches auxiliaires ou spécifiques.
  Art. 68. § 1er. La hiérarchie des sources de droit dans les relations de travail entre les Chemins de fer belges et les membres de son personnel statutaire, est établie comme suit :
  1° Les dispositions impératives déterminées par ou en vertu de la loi;
  2° Les conventions collectives conclues au sein de la Commission Entreprises publiques, conformément à l'article 31, § 4, de la loi du 21 mars 1991;
  3° Le statut du personnel;
  4° La réglementation du personnel;
  5° Le rÚglement du travail;
  6° Les ordres de la société qui exerce l'autorité patronale;
  7° La loi dans ses dispositions supplétives;
  8° L'usage.
  § 2. En cas de contrariété entre une norme d'une source de droit inférieure et une norme d'une source de droit supérieure, la norme de la source de droit supérieure prime et la norme de la source de droit inférieure n'est pas appliquée.
  Art. 69. Dans leurs relations avec le personnel statutaire mis à leur disposition, Infrabel et la SNCB doivent agir conformément aux droits et obligations découlant des sources de droit applicables, en ce compris le statut du personnel et la réglementation du personnel.
  Art. 70. Infrabel, la SNCB et HR Rail sont soumises au droit commun quant à la durée de travail et la liberté d'association.
  Art. 71. § 1er. La mobilité du personnel entre HR Rail, Infrabel et la SNCB est réglée par ou en vertu du statut du personnel.
  § 2. La mobilité externe déterminée à l'article 29bis de la loi du 21 mars 1991 est d'application au personnel des Chemins de fer belges.
  Chapitre 2. Mise à disposition du personnel par HR Rail
  Art. 72. § 1er. HR Rail met à la disposition d'Infrabel et de la SNCB le personnel statutaire et non statutaire nécessaire à l'exécution de leurs missions. Durant la période de leur mise à disposition, les membres du personnel sont toutefois exclusivement soumis à l'autorité patronale d'Infrabel ou de la SNCB.
  La mise Ă disposition du personnel s'effectue selon les dispositions de la prĂ©sente loi. Les autres conditions et modalitĂ©s relatives Ă la mise Ă disposition du personnel en vertu du premier alinĂ©a, peuvent ĂȘtre fixĂ©es dans une convention Ă conclure entre HR Rail et Infrabel et/ou la SNCB aprĂšs la publication de la prĂ©sente loi au Moniteur belge. Cette convention ainsi que toutes les modifications Ă celle-ci sont soumises Ă l'accord prĂ©alable de la Commission paritaire nationale statuant Ă la majoritĂ© des deux tiers des voix exprimĂ©es, conformĂ©ment Ă la procĂ©dure dĂ©terminĂ©e Ă l'article 75.
  § 2. Le chapitre III de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, ne s'applique pas à la mise à disposition du personnel visée au paragraphe 1er.
  § 3. Le personnel mis à la disposition d'Infrabel est financiÚrement à charge d'Infrabel, et le personnel mis à la disposition de la SNCB est financiÚrement à charge de la SNCB.
  Sans prĂ©judice Ă la mobilitĂ© visĂ©e Ă l'article 71, § 1, il ne peut ĂȘtre mis fin Ă la mise Ă disposition d'un membre du personnel Ă Infrabel ou Ă la SNCB que moyennant l'accord prĂ©alable de HR Rail.
  La section 7 du chapitre 5 du présent titre n'est pas applicable à la décision à prendre par HR Rail concernant la fin de la mise à disposition visée au second alinéa du présent paragraphe.
  § 4. HR Rail identifie le personnel disponible sur base du statut du personnel et de la réglementation du personnel. HR Rail recherche, en collaboration avec Infrabel ou la SNCB, selon le cas, une utilisation adéquate du personnel disponible en application du statut du personnel et de la réglementation du personnel, dans le respect des obligations en matiÚre de dialogue social.
  § 5. Les membres du personnel qui sont mis Ă la disposition d'Infrabel doivent ĂȘtre considĂ©rĂ©s comme Ă©tant " prĂ©posĂ©s " d'Infrabel et Infrabel comme " commettant " de ces membres du personnel, au sens de l'article 1384, troisiĂšme alinĂ©a, du Code civil.
  Les membres du personnel qui sont mis Ă la disposition de la SNCB doivent ĂȘtre considĂ©rĂ©s comme Ă©tant " prĂ©posĂ©s " de la SNCB et la SNCB comme " commettant " de ces membres du personnel, au sens de l'article 1384, troisiĂšme alinĂ©a, du Code civil.
  Chapitre 3. Fixation du statut du personnel et du statut syndical
  Art. 73. Le statut du personnel, le statut syndical, ainsi que l'ensemble de la réglementation du personnel qui existait au 31 décembre 2013, passent de plein droit à HR Rail et constituent le premier statut du personnel, le premier statut syndical et la premiÚre réglementation du personnel, sans préjudice des articles 68 et 78.
  Art. 74. § 1er. Sans pouvoir porter prĂ©judice aux dispositions de la prĂ©sente loi et Ă ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution, les rĂ©glementations de base relatives au statut administratif, au statut pĂ©cuniaire, au rĂ©gime des pensions du personnel statutaire, Ă l'organisation des services sociaux Ă©ventuels, telles que citĂ©es Ă l'article 34, § 2, sous A, B, C et E, de la loi du 21 mars 1991, Ă d'autres matiĂšres en ce qui concerne le personnel statutaire, telles que citĂ©es Ă l'article 34, § 2, F, de la loi du 21 mars 1991, et aux matiĂšres en ce qui concerne le personnel non statutaire telles que citĂ©es Ă l'article 34, § 2, G, de la loi du 21 mars 1991, sont celles reprises dans le statut du personnel et la rĂ©glementation du personnel en matiĂšre de " Prestations et repos ".
  § 2. Sans pouvoir porter prĂ©judice aux dispositions de la prĂ©sente loi et Ă ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution, les rĂ©glementations de base relatives aux relations collectives de travail telles que citĂ©es Ă l'article 34, § 2, D, de la loi du 21 mars 1991, sont celles Ă©noncĂ©es dans le statut du personnel et le statut syndical.
  Art. 75. Chaque proposition portant fixation ou modification du statut du personnel, du statut syndical ou de réglementation du personnel en matiÚre de " Prestations et repos " est soumise pour négociation à la Commission paritaire nationale, conformément au statut du personnel.
  Chaque proposition visée à l'alinéa 1er fait l'objet d'une procédure de négociation au sein de la Commission paritaire nationale au terme de laquelle celle-ci statue à la majorité des deux tiers des voix exprimées.
  Chaque rĂ©glementation ainsi votĂ©e par la Commission paritaire nationale lie le conseil d'administration de HR Rail qui arrĂȘte la modification.
  Art. 76. § 1er. A l'exclusion des rÚglements relatifs à la carriÚre administrative et pécuniaire du personnel cadre, qui relÚvent de la compétence du conseil d'administration de HR Rail, chaque proposition portant fixation ou modification de la réglementation du personnel, fait l'objet d'une procédure de concertation au sein de la Commission paritaire nationale, en vue d'un avis de cette Commission paritaire nationale. Les propositions sont introduites conformément à l'article 120, § 1, et sans préjudice de l'article 87.
  § 2. Cette réglementation est fixée par le conseil d'administration de HR Rail.
  Chapitre 4. Dispositions particuliÚres quant aux membres du personnel non statutaire
  Section 1re. Conventions collectives
  Art. 77. § 1er. Il peut ĂȘtre conclu au sein de la Commission paritaire nationale, Ă la majoritĂ© des deux tiers des voix exprimĂ©es, des conventions collectives qui rĂšglent les relations individuelles et collectives avec les membres du personnel non statutaire.
  § 2. Les conventions collectives conclues au sein de la Commission paritaire nationale lient Infrabel, la SNCB et HR Rail, les membres du personnel non statutaire de HR Rail, qu'ils soient ou non mis à la disposition d'Infrabel ou de la SNCB, ainsi que les organisations syndicales.
  § 3. Les conventions collectives sont numérotées, enregistrées auprÚs de HR Rail et mises par HR Rail à la disposition des membres du personnel non statutaire qui en font la demande.
  Section 2. Sources de droit
  Art. 78. § 1er. La hiérarchie des sources de droit dans les relations de travail entre les Chemins de fer belges et les membres de son personnel non statutaire, est établie comme suit :
  1° Les dispositions impératives déterminées par ou en vertu de la loi;
  2° Les conventions collectives conclues au sein de la Commission Entreprises publiques, conformément à l'article 31, § 4, de la loi du 21 mars 1991;
  3° Les conventions collectives conclues au sein de la Commission paritaire nationale;
  4° Le contrat de travail individuel écrit;
  5° Le rÚglement du travail dans lequel sont notamment considérées comme reprises les dispositions du statut du personnel et de la réglementation du personnel qui ont également été déclarées applicables au personnel non statutaire;
  6° Les ordres de la société qui exerce l'autorité patronale;
  7° La loi dans ses dispositions supplétives;
  8° La convention individuelle verbale;
  9° L'usage.
  § 2. En cas de contrariété entre une norme d'une source de droit inférieure et une norme d'une source de droit supérieure, la norme de la source de droit supérieure prime et la norme de la source de droit inférieure n'est pas appliquée.
  Art. 79. Dans leurs relations avec le personnel non statutaire mis à leur disposition, Infrabel et la SNCB doivent agir conformément aux droits et obligations découlant des sources de droit applicables.
  Chapitre 5. Compétences et responsabilités de HR Rail, Infrabel et la SNCB en matiÚre de personnel
  Art. 80. Le prĂ©sent chapitre n'est pas applicable au bien-ĂȘtre au travail.
  Section 1. Missions de base de HR Rail
  Art. 81. HR Rail devra au moins se charger des missions suivantes en ce qui concerne le personnel mis à disposition :
  1° la sélection, le recrutement, l'orientation et l'identification des talents et compétences du personnel statutaire et non statutaire nécessaire à l'accomplissement des missions de HR Rail, d'Infrabel et de la SNCB;
  2° le paiement des rémunérations et traitements du personnel statutaire et non statutaire;
  3° la formation transversale du personnel statutaire et non statutaire. Infrabel et la SNCB organisent des formations spécifiques propres au métier pour le personnel qui est mis à leur disposition. Infrabel et la SNCB informent HR Rail de toute initiative de formation collective spécifique au sein de leur propre société;
  4° le respect de toutes les obligations qui lui incombent en tant qu'employeur afin d'assurer le paiement des allocations familiales;
  5° le suivi de la gestion et de l'exécution des activités de la Caisse des soins de santé, sans préjudice des compétences de son organe de gestion;
  6° la gestion et l'exécution de tous les aspects liés au Fonds des OEuvres Sociales et au Fonds de la documentation sociale, sans préjudice des compétences de leur organe de gestion;
  7° l'organisation du service externe pour la prévention et la protection au travail et de la médecine de l'administration dont les compétences et les tùches sont décrites dans le statut du personnel;
  8° tous les aspects liĂ©s Ă la gestion des pensions statutaires sur la base de l'article 159 de la loi-programme du 27 dĂ©cembre 2005 et conformĂ©ment Ă l'arrĂȘtĂ© royal du 28 dĂ©cembre 2005 relatif Ă la reprise des obligations de pension de la SNCB Holding par l'Etat belge, confirmĂ©e par la loi-programme du 20 juillet 2006, et les autres arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution;
  9° l'organisation et la gestion du dialogue social au niveau des Chemins de fer belges;
  10° le soutien pour l'exécution RH et la politique RH, ainsi que pour l'organisation et le maintien des connaissances du statut du personnel.
  Section 2. Compétences en matiÚre de politique RH
  Sous-section 1. Dispostions générales
  Art. 82. HR Rail veille Ă l'application cohĂ©rente et consistante du statut du personnel, y compris le statut syndical, la rĂ©glementation du personnel, ainsi que la lĂ©gislation applicable et ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution.
  Art. 83. § 1er. HR Rail dispose de compétences sur le plan de la politique RH pour ce qui concerne les membres du personnel qui ne sont pas mis à disposition d'Infrabel et de la SNCB.
  § 2. Infrabel et la SNCB possÚdent, chacune pour ce qui concerne sa propre société, les compétences de la politique RH, qui contiennent entre autres :
  1° la détermination des objectifs RH en veillant à leur conformité avec la stratégie d'entreprise;
  2° la détermination des exigences de résultats et de qualité du service en dialogue avec HR Rail;
  3° l'octroi de missions à HR Rail en ce qui concerne la gestion RH, l'exécution RH et la contribution à l'expertise RH;
  4° l'octroi de missions à HR Rail dans le cadre de la modernisation des RH en dialogue avec HR Rail;
  5° l'évaluation de la politique RH, son exécution et les décisions d'adaptation;
  6° l'adoption de certaines décisions au niveau des processus, la nature de celles-ci étant précisée en dialogue avec HR Rail.
  Sous-section 2. Dispositions particuliÚres
  Art. 84. La présente sous-section porte sur les décisions générales relatives à la politique RH telle que visée à l'article 21.
  Au sein de la politique RH, sont distinguées :
  1° " La politique RH réglementaire " : La politique RH comprenant toutes les décisions en matiÚre de politique fixant ou adaptant le statut du personnel, y compris le statut syndical, ou la réglementation du personnel.
  Il s'agit de toutes les décisions de politique RH autres que celles visées par la politique RH mentionnée sous 2°.
  2° " La politique RH non réglementaire " : La politique RH, en ce compris toutes les autres décisions en matiÚre de politique fixant ou adaptant la politique RH de portée générale, qui n'impliquent ou ne nécessitent aucune modification de la politique RH réglementaire décrite au 1°.
  1° La politique RH réglementaire
  Art. 85. § 1er. De sa propre initiative ou sur proposition d'Infrabel, de la SNCB ou de HR Rail, le Comité de Coordination RH propose des modifications à la politique RH réglementaire.
  § 2. Lorsque, dans un délai de trente jours, le Comité de Coordination RH ne trouve pas un consensus concernant un projet présenté de politique RH réglementaire, le conseil d'administration de HR Rail décide aprÚs transfert de la proposition à l'initiative soit du directeur général de HR Rail, soit du responsable de la politique du personnel auprÚs d'Infrabel, soit du responsable de la politique du personnel auprÚs de la SNCB. Le conseil d'administration de HR Rail approuve alors ou non la proposition de politique.
  Art. 86. AprÚs approbation par le Comité de Coordination RH ou, le cas échéant, par le conseil d'administration ou l'assemblée générale de HR Rail, le directeur général de HR Rail soumet la proposition de politique RH réglementaire pour concertation ou négociation à la Commission paritaire nationale, selon les procédures requises dans le cadre du dialogue social, telles que définies par les articles 75 et 76.
  Art. 87. Le conseil d'administration de HR Rail fixe définitivement la politique RH réglementaire, sans préjudice de l'application de l'article 75, dans lequel est prescrit dans quels cas le conseil d'administration de HR Rail est lié par la position de la Commission paritaire nationale.
  2° La politique RH non-réglementaire
  Art. 88. Le directeur général de HR Rail, le responsable de la politique du personnel auprÚs d'Infrabel et le responsable de la politique du personnel auprÚs de la SNCB sont, chacun pour la société qu'ils représentent, compétents pour préparer la politique RH non réglementaire à l'attention du personnel sur lequel la société exerce l'autorité patronale.
  Art. 89. Chaque projet de politique RH non-réglementaire est communiqué au Comité de Coordination RH. Le directeur général de HR Rail donne dans un délai de trente jours un avis motivé au Comité de Coordination RH si la décision de politique envisagée a un impact qui nécessite une adaptation de la politique RH réglementaire et si le projet ressort de l'article 118. Lorsque le Comité de Coordination RH, lors de sa prochaine réunion, constate à la majorité simple, sur base de cet avis motivé, que la décision de politique projetée a un impact qui nécessite une adaptation de la politique RH réglementaire, la procédure pour la politique RH réglementaire est suivie.
  Art. 90. Les conseils d'administration de HR Rail, d'Infrabel ou de la SNCB, selon le cas, sont compétents pour la fixation définitive de la politique RH non-réglementaire au sein de leur propre société. Ils informent le directeur général de HR Rail et le Comité de Coordination RH des décisions prises en la matiÚre.
  Section 3. Compétences en matiÚre d'exécution RH
  Art. 91. § 1er. Sans préjudice du paragraphe 2, HR Rail est compétente pour l'exécution RH pour les membres du personnel de HR Rail, qu'il soient ou non mis à la disposition d'Infrabel ou de la SNCB.
  § 2. A la demande d'Infrabel et de la SNCB, HR Rail exécute les processus RH, conformément aux exigences de résultats et de qualité du service fixées dans le contrat de services RH. Dans ce cadre, HR Rail définit la politique d'exécution générale et évalue la politique d'exécution périodiquement.
  Art. 92. HR Rail organise réguliÚrement un dialogue bilatéral avec Infrabel et/ou la SNCB en matiÚre d'exécution RH.
  Art. 93. HR Rail veille à l'uniformité requise dans l'application du statut du personnel lors de l'exécution RH.
  Dans la mesure oĂč HR Rail constate des problĂšmes d'interprĂ©tation susceptibles de nuire Ă l'uniformitĂ©, HR Rail rĂ©percute l'information Ă Infrabel et/ou Ă la SNCB selon les modalitĂ©s prescrites dans le contrat de services RH.
  Art. 94. HR Rail veille à la qualité de l'exécution opérationnelle RH en termes d'orientation client, d'efficacité et d'efficience.
  Art. 95. Pour certains processus RH, Infrabel et la SNCB effectuent elles-mĂȘmes certaines activitĂ©s. Il s'agit toujours d'activitĂ©s dont la rĂ©alisation requiert une collaboration intensive avec la ligne hiĂ©rarchique d'Infrabel ou de la SNCB.
  HR Rail fournit une expertise RH de maniÚre proactive ou à la demande d'Infrabel ou de la SNCB.
  Section 4. Compétences en matiÚre de gestion RH
  Art. 96. § 1er. HR Rail est, pour ce qui concerne les membres du personnel qui ne sont pas mis à disposition, compétente pour la gestion RH.
  § 2. HR Rail est compétente pour la gestion RH et responsable au moins des tùches suivantes pour ce qui concerne le personnel mis à disposition :
  1° la gestion, aprÚs leur traitement administratif, des données et du know-how découlant de l'exécution opérationnelle de la politique RH;
  2° la collecte, l'analyse et la mise à disposition systématiques et adéquates des données, statistiques et informations pertinentes concernant le personnel;
  3° la facilitation de l'accÚs à la gestion des données pour Infrabel et la SNCB;
  4° veiller à la qualité des données et leur protection;
  5° l'adoption de mesures visant Ă dĂ©tecter la fraude et Ă lutter contre celle-ci, sans prĂ©judice de la lutte contre la fraude par Infrabel et la SNCB elles-mĂȘmes;
  6° l'investissement dans des systÚmes informatiques et des systÚmes de qualité;
  7° la gestion et l'exécution de tous les aspects liés au Fonds des OEuvres Sociales, et au Fonds de la documentation sociale, et éventuellement à d'autres Caisses ou Fonds au profit du personnel, sans préjudice de la compétence de leur organe de gestion;
  8° la gestion des conventions collectives conclues en application de l'article 77.
  Section 5. Compétences en matiÚre d'expertise RH
  Art. 97. § 1er. HR Rail se charge de l'expertise RH, y compris l'expertise juridique, et conseille et informe de maniÚre proactive ou à la demande d'Infrabel et de la SNCB.
  § 2. L'apport d'expertise RH visée au paragraphe 1er comprend notamment les tùches suivantes :
  1° HR Rail organise au sein de ses principaux processus RH une systématique de développement de l'expertise et de consultance;
  2° HR Rail analyse les données RH et les transpose en des informations de politique utilisables pour Infrabel et la SNCB;
  3° HR Rail développe l'expertise RH conformément à la vision relative à une gestion moderne intégrée en matiÚre de personnel;
  4° HR Rail est compétente pour faire appel à un service externe en vue du développement et/ou de l'amélioration d'une gestion moderne intégrée en matiÚre de personnel;
  5° HR Rail compare les processus opérationnels RH avec des processus RH similaires pouvant servir d'exemple.
  § 3. HR Rail peut prendre l'initiative de formuler des propositions de politique en vue de la modernisation des RH.
  Section 6. Contrat de services RH
  Art. 98. § 1er. Pour les services confiés à HR Rail par la loi ou par le contrat de services RH applicable, Infrabel et la SNCB feront exclusivement appel aux services de HR Rail.
  § 2. Un contrat de services RH est conclu entre Infrabel et HR Rail et entre la SNCB et HR Rail. Le contrat de services RH précise les droits et obligations réciproques en matiÚre de politique RH, d'exécution RH, de gestion RH et d'expertise RH pour chacun des domaines de RH tels qu'énumérés à l'article 21, sans préjudice des dispositions légales et réglementaires, en ce compris le statut du personnel et la réglementation du personnel.
  Le contrat de services RH dĂ©finit les sanctions qui seront appliquĂ©es dans le cas oĂč l'une des parties ne respecte pas les dispositions du contrat de services RH.
  § 3. Le projet de contrat de services RH est soumis, pour avis Ă la Commission paritaire nationale, sur proposition conjointe de HR Rail et respectivement d'Infrabel ou de la SNCB, avant d'ĂȘtre soumis au conseil d'administration de HR Rail.
  La Commission paritaire nationale dispose d'un dĂ©lai de trente jours, qui prend cours le jour suivant le jour oĂč le projet lui a Ă©tĂ© transmis, pour rendre un avis concernant ledit projet.
  Art. 99. A l'initiative d'Infrabel, de la SNCB ou de HR Rail, le contrat de services RH peut ĂȘtre adaptĂ© et/ou modernisĂ© selon la procĂ©dure dĂ©crite Ă l'article 98.
  Art. 100. § 1er. Le contrat de services RH Ă©tablit la procĂ©dure de dialogue ou de mĂ©diation devant ĂȘtre suivie par HR Rail, Infrabel et la SNCB en cas de litige concernant l'application et/ou l'interprĂ©tation de la rĂ©partition rĂ©ciproque des compĂ©tences entre les sociĂ©tĂ©s.
  § 2. Le Roi peut définir plus en détails les éléments particuliers qui doivent figurer dans le contrat de services RH et les modalités relatives à son entrée en vigueur, et ce en tenant compte de l'article 81.
  Art. 101. Si aucun contrat de services RH n'a Ă©tĂ© conclu concernant les domaines de RH visĂ©s Ă l'article 21 entre HR Rail et Infrabel ou HR Rail et la SNCB pour le 30 juin 2014 au plus tard, le Roi peut lui-mĂȘme fixer de façon contraignante le contenu des clauses qui auraient dĂ» figurer dans le contrat de services RH manquant, aprĂšs avoir sollicitĂ© l'avis de la Commission paritaire nationale, conformĂ©ment Ă la procĂ©dure prĂ©vue Ă l'article 98, § 3.
  Les dispositions ainsi fixées seront applicables jusqu'à ce que le contrat de services RH manquant soit conclu.
  Section 7. Compétences de HR Rail, Infrabel et la SNCB quant aux décisions en matiÚre de personnel à portée individuelle
  Sous-section 1re. Dispositions générales
  Art. 102. Pour l'application de la présente section, les " décisions en matiÚre de personnel à portée individuelle " concernent toutes les décisions prises à l'égard d'un membre identifiable du personnel de HR Rail, qu'il s'agisse du personnel statutaire ou non statutaire, et qui ont ou peuvent avoir des conséquences juridiques à l'égard de ce membre du personnel.
  Parmi les décisions en matiÚre de personnel à portée individuelle sont également inclues les premiÚres décisions de recrutement, par lesquelles un membre du personnel est recruté par HR Rail, qu'il soit ou non mis à la disposition d'Infrabel ou de la SNCB.
  Art. 103. Afin de veiller à l'unicité du statut du personnel et de la réglementation du personnel, HR Rail organise réguliÚrement un dialogue bilatéral avec Infrabel et la SNCB concernant l'application des décisions en matiÚre de personnel à portée individuelle.
  Art. 104. Conformément à la section 3 du présent chapitre, HR Rail se charge de l'exécution RH des décisions en matiÚre de personnel à portée individuelle, que les décisions soient prises par HR Rail, Infrabel ou la SNCB.
  Art. 105. Les droits et engagements réciproques concernant les décisions en matiÚre de personnel à portée individuelle entre HR Rail, Infrabel et la SNCB sont fixés plus en détail dans le contrat de services RH.
  Sous-section 2. Compétences décisionnelles ordinaires
  Art. 106. HR Rail prend toutes les décisions en matiÚre de personnel à portée individuelle vis-à -vis du personnel statutaire et non statutaire qui n'est pas mis à disposition ou ne sera pas mis à disposition d'Infrabel et de la SNCB.
  Art. 107. Sans préjudice des articles 111, 112 et 113, HR Rail prend formellement toutes les décisions en matiÚre de personnel à portée individuelle pour un membre du personnel mis à la disposition ou qui y sera mis à la disposition d'Infrabel ou de la SNCB, sur proposition motivée conforme de l'organe compétent d'Infrabel ou de la SNCB, selon le cas.
  Art. 108. § 1er. Infrabel ou la SNCB peuvent, de leur propre initiative, adresser une proposition motivée à HR Rail concernant une décision en matiÚre de personnel à portée individuelle pour un membre du personnel qui est ou sera mis à leur disposition.
  § 2. La proposition motivée d'Infrabel ou de la SNCB lie HR Rail.
  § 3. HR Rail prend une décision formelle motivée de non-exécution d'une proposition motivée d'Infrabel ou de la SNCB si la proposition d'Infrabel ou de la SNCB est contraire à une norme d'une source de droit supérieure.
  § 4. HR Rail prend une décision formelle dans un délai de trente jours aprÚs que la proposition motivée lui ait été transmise.
  § 5. A dĂ©faut d'une dĂ©cision au sens du paragraphe 4 prise par HR Rail dans un dĂ©lai de trente jours, Infrabel ou la SNCB intervient Ă la place de HR Rail pour prendre Ă©galement la dĂ©cision formelle concernant laquelle elle a exprimĂ© une proposition contraignante. Un autre dĂ©lai peut-ĂȘtre convenu dans le contrat de services RH.
  Art. 109. § 1er. A la demande de HR Rail, Infrabel ou la SNCB, selon le cas, formule dans un délai de trente jours une proposition motivée concernant une décision en matiÚre de personnel à portée individuelle pour un membre du personnel qui est ou sera mis à sa disposition.
  § 2. HR Rail est liée par la proposition motivée d'Infrabel ou de la SNCB.
  § 3. HR Rail prend une décision formelle dans un délai de trente jours suivant la transmission de la proposition motivée d'Infrabel ou de la SNCB.
  § 4. HR Rail ne prend aucune décision formelle à défaut de proposition motivée d'Infrabel ou de la SNCB dans un délai de trente jours suivant la date à laquelle HR Rail a sollicité une proposition d'Infrabel ou de la SNCB.
  Sous-section 3. Compétences décisionnelles particuliÚres
  Art. 110. § 1er. HR Rail est l'autorité compétente en matiÚre d'évaluation pour le personnel qui n'est pas mis à disposition d'Infrabel et de la SNCB.
  § 2. HR Rail est l'autorité disciplinaire compétente pour le personnel qui n'est pas mis à disposition d'Infrabel et de la SNCB.
  § 3. HR Rail est, pour le personnel visé aux paragraphes 1er et 2, exclusivement compétente pour prendre les décisions d'évaluation et pour imposer des sanctions disciplinaires, conformément à l'article 106.
  Art. 111. § 1er. Infrabel et la SNCB sont chacune pour le personnel mis à leur disposition par HR Rail les autorités compétentes en matiÚre d'évaluation.
  § 2. Infrabel et la SNCB interviennent, en leur qualité d'autorité compétente en matiÚre d'évaluation, de plein droit en lieu et place de HR Rail dans la prise de décisions formelles d'évaluation.
  Art. 112. § 1er. Infrabel et la SNCB interviennent en tant qu'autorité disciplinaire compétente pour le personnel mis à leur disposition par HR Rail.
  § 2. Infrabel et la SNCB interviennent en tant qu'autorité compétente en matiÚre disciplinaire, pour formellement infliger de plein droit en lieu et place de HR Rail des sanctions disciplinaires proposées ou définitives, sauf dans le cas exceptionnel mentionné au paragraphe 3.
  § 3. Si Infrabel et la SNCB, en leur qualité d'autorité disciplinaire, ont l'intention d'infliger à un membre du personnel une sanction disciplinaire mettant ou pouvant mettre fin à l'emploi dudit membre du personnel statutaire mis à leur disposition, la compétence décisionnelle ordinaire telle que visée aux articles 106 et suivants est applicable.
  Art. 113. Dans les cas exceptionnels d'urgence prévus dans le contrat de services RH, Infrabel ou la SNCB peut agir de plein droit en lieu et en place de HR Rail pour prendre également la décision formelle.
  Le motif d'urgence doit ĂȘtre motivĂ©.
  La décision est soumise pour information et pour exécution au directeur général de HR Rail.
  Chapitre 6. Dialogue social
  Section 1re. Organes de dialogue social au niveau des Chemins de fer belges
  Sous-section 1re. En général
  Art. 114. HR Rail est responsable pour l'organisation et la gestion du dialogue social au niveau des Chemins de fer belges.
  Sous-section 2. La Commission paritaire nationale
  Art. 115. La Commission paritaire nationale est l'organe de dialogue social supérieur pour les questions sociales des Chemins de fer belges, tant propres à l'une des sociétés que dépassant le niveau d'une société.
  1° Composition
  Art. 116. La Commission paritaire nationale comprend vingt-six membres, à savoir :
  a) trois membres nommés par le conseil d'administration de HR Rail, dont, dans tous les cas, le président du conseil d'administration de HR Rail, qui est de plein droit président de la Commission paritaire nationale, et le directeur général de HR Rail;
  b) cinq membres nommés par le conseil d'administration d'Infrabel;
  c) cinq membres nommés par le conseil d'administration de la SNCB;
  d) un membre nommé par chaque organisation interprofessionnelle des travailleurs, constituée sur le plan national et représentée au Conseil national du Travail, qui est également représentée au sein d'Infrabel, de la SNCB et de HR Rail;
  e) les autres membres nommés par les organisations syndicales reconnues au sens du statut du personnel au prorata du nombre des membres cotisants de chacune de ces organisations syndicales au sein d'Infrabel, de la SNCB et de HR Rail réunies.
  Art. 117. La Commission paritaire nationale est renouvelée tous les six ans, à une date fixée par le statut du personnel, sur la base des données au premier janvier de l'année de renouvellement.
  2° Compétences
  Art. 118. Nonobstant toute disposition contraire et sans préjudice des autres dispositions de la présente loi, la Commission paritaire nationale dispose des compétences suivantes, vis-à -vis des Chemins de fer belges ainsi que, le cas échéant, vis-à -vis de chaque société distinctement :
  1° examiner toutes les questions relatives aux dispositions du statut du personnel et aux contrats de travail, y compris les rÚgles concernant la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles, et en général, toutes les questions intéressant directement le personnel, questions qui lui sont transmises conformément à l'article 120, § 1er;
  2° rendre son avis sur toutes les questions d'ordre gĂ©nĂ©ral que les personnes ou organes visĂ©s Ă l'article 120 estimeraient devoir lui soumettre, notamment dans les cas oĂč ces personnes ou organes jugeraient que ces questions peuvent intĂ©resser indirectement le personnel;
  3° l'examen des informations économiques et financiÚres relatives aux sociétés, comme stipulé à l'article 15, b), 1° et 2°, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie et tel que précisé et complété par des conventions collectives de travail conclues au sein du Conseil national du Travail;
  4° nĂ©gocier le statut du personnel, le statut syndical et la rĂ©glementation du personnel en matiĂšre de " Prestations et repos " et arrĂȘter Ă ce sujet, Ă la majoritĂ© des deux tiers des voix exprimĂ©es, une rĂ©glementation liant le conseil d'administration de HR Rail, conformĂ©ment Ă la procĂ©dure dĂ©terminĂ©e Ă l'article 75;
  5° examiner toutes les questions intéressant de façon directe ou indirecte le personnel non statutaire;
  6° avec une majorité de deux tiers des voix exprimées, établir et modifier un ou plusieurs rÚglements de travail, conformément à l'article 11 de la loi du 8 avril 1965 instituant les rÚglements de travail, la Commission paritaire nationale exerçant les tùches du conseil d'entreprise;
  7° rendre son avis concernant le(s) contrat(s) de services RH;
  8° approuver au prĂ©alable, Ă la majoritĂ© des deux tiers des voix exprimĂ©es, la conclusion et la modification des conventions relatives Ă la mise Ă disposition de personnel qui peuvent ĂȘtre conclues conformĂ©ment Ă l'article 72;
  9° rendre son avis concernant la conclusion et la modification des conventions relatives Ă la mise Ă disposition de personnel qui peuvent ĂȘtre conclues conformĂ©ment Ă l'article 153;
  10° participer à la gestion des institutions créées ou à créer en faveur du personnel;
  11° la concertation avec et l'information générale du personnel concernant la politique RH, en ce compris, pour les matiÚres pour lesquelles la procédure déterminée à l'article 75 n'est pas d'application;
  12° prendre connaissance de matiĂšres concernant le bien-ĂȘtre du personnel au travail, qui lui sont communiquĂ©es par la Commission Nationale pour la prĂ©vention et la protection au travail;
  13° formuler un avis concernant l'état triennal du directeur général de HR Rail sur les déplacements des membres du personnel des Chemins de fer belges entre leur domicile et leur lieu de travail, visé à l'article 15, l), de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, inséré par la loi-programme du 8 avril 2003;
  14° examiner les possibilités de réutilisation en cas de suppression d'emploi de personnel statutaire;
  15° négocier et conclure des conventions collectives applicables aux membres du personnel non statutaire, comme déterminé à l'article 77;
  16° introduire une demande d'intervention d'un conciliateur social, comme déterminé à l'article 136.
  Art. 119. Sans prĂ©judice de l'article 136, le prĂ©sident de la Commission paritaire nationale ou un reprĂ©sentant local qui est dĂ©signĂ© par HR Rail en concertation avec le prĂ©sident a un rĂŽle de conciliation pour le dialogue social au niveau des Chemins de fer belges et au sein de chacune des trois sociĂ©tĂ©s. Il peut intervenir de sa propre initiative, ou son intervention peut ĂȘtre sollicitĂ©e par le prĂ©sident de l'organe de dialogue social concernĂ©. Le prĂ©sident d'un organe de dialogue social doit obligatoirement demander l'intervention du prĂ©sident de la Commission paritaire nationale ou de son reprĂ©sentant, si les membres de l'organe de dialogue social lui en font la demande Ă la majoritĂ© des voies exprimĂ©es.
  3° Fonctionnement
  Art. 120. § 1er. Des points peuvent ĂȘtre inscrits Ă l'ordre du jour de la Commission paritaire nationale par :
  1° le conseil d'administration de HR Rail;
  2° le directeur général de HR Rail;
  3° le Comité de Coordination RH;
  4° le conseil d'administration ou le comité de direction d'Infrabel ou de la SNCB;
  5° le président ou son mandataire d'une organisation syndicale siégeant dans la Commission paritaire nationale, conformément aux dispositions du statut du personnel ou du statut syndical.
  § 2. Pour les matiÚres visées à l'article 118, 2°, le ministre ayant les entreprises publiques dans ses attributions peut aussi faire inscrire des points à l'ordre du jour de la Commission paritaire nationale.
  Art. 121. L'administrateur délégué d'Infrabel, l'administrateur délégué de la SNCB ou le directeur général de HR Rail, ou leurs représentants, sont, chacun pour leur société, tenus de fournir à la Commission paritaire nationale les renseignements nécessaires à l'exercice de ses compétences.
  Art. 122. La Commission paritaire nationale se réunit périodiquement selon les dispositions du statut du personnel ou du statut syndical.
  Sous-section 3. Le Comité de pilotage 1° Etablissement et composition
  Art. 123. Il est institué au sein des Chemins de fer belges un comité de pilotage qui est composé comme suit : l'administrateur délégué d'Infrabel, l'administrateur délégué de la SNCB, le directeur général de HR Rail et trois représentants des organisations syndicales reconnues au sens du statut du personnel; le comité est présidé en alternance par l'administrateur délégué d'Infrabel, l'administrateur délégué de la SNCB et le directeur général de HR Rail.
  2° Compétences
  Art. 124. Le comité de pilotage se concerte si nécessaire pour l'accompagnement ponctuel de l'élaboration de nouvelles structures, en cas de conflits sociaux et de problÚmes de gestion opérationnelle, ou si le dialogue social prévu n'apporte pas de solution. Le comité de pilotage peut intervenir en cas de litiges ou de litiges imminents entre organisations syndicales reconnues et les sociétés.
  En outre, le comité de pilotage est compétent pour le suivi de la réforme durant la premiÚre année suivant l'entrée en vigueur de la réforme.
  3° Fonctionnement
  Art. 125. Chaque année, le directeur général de HR Rail fait établir un calendrier pour les réunions du comité de pilotage, sur la base d'une réunion par mois.
  Sans préjudice de ce que prévoit l'article 124, alinéa 2, les réunions n'ont lieu que si un membre du comité de pilotage en fait la demande au plus tard quatorze jours à l'avance. Le président du conseil d'administration de HR Rail et le Comité de Coordination RH peuvent également demander la convocation d'une réunion.
  Art. 126. Le Comité de Coordination RH et chaque membre du comité de pilotage peuvent faire inscrire des points à l'ordre du jour du comité de pilotage.
  Section 2. Organes de dialogue social au niveau de chaque société
  Sous-section 1re. Comité d'entreprise stratégique 1° Constitution
  Art. 127. Infrabel, la SNCB et HR Rail sont responsables pour créer et gérer chacune en leur sein un comité d'entreprise stratégique qui est principalement compétent pour les matiÚres économiques et financiÚres de la société, comme stipulé ci-aprÚs.
  2° Composition
  Art. 128. § 1re. La composition des comitĂ©s d'entreprise stratĂ©giques est rĂ©glĂ©e dans le statut du personnel ou dans le statut syndical, Ă©tant entendu que ces comitĂ©s sont composĂ©s de maniĂšre bipartite d'une part de reprĂ©sentants de la sociĂ©tĂ© concernĂ©e et, d'autre part, de reprĂ©sentants du personnel, et qu'il ne peut ĂȘtre dĂ©signĂ© un nombre de reprĂ©sentants de la sociĂ©tĂ© concernĂ©e supĂ©rieur au nombre de reprĂ©sentants du personnel.
  § 2. Le comité d'entreprise stratégique d'Infrabel est présidé par l'administrateur délégué d'Infrabel. Le comité d'entreprise stratégique de la SNCB est présidé par l'administrateur délégué de la SNCB. Le comité d'entreprise stratégique de HR Rail est présidé par le directeur général de HR Rail. L'administrateur délégué ou le directeur général peut se faire remplacer par son représentant.
  3° Compétences
  Art. 129. § 1er. Sans préjudice des autres dispositions de la présente loi et des compétences résultant de la loi du 21 mars 1991, les comités d'entreprise stratégiques sont, chacun pour la société au sein de laquelle ils sont institués, chargés des compétences suivantes :
  1° Examen des informations économiques et financiÚres relatives à la société concernée, comme stipulé à l'article 15, b), 1° et 2°, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie et tel que précisé et complété par des conventions collectives de travail conclues au sein du Conseil national du Travail;
  2° Prendre connaissance de l'évolution et de la nature de l'emploi au sein de la société concernée, en ce compris le contrÎle du respect des accords relatifs à la mise à disposition de personnel par HR Rail à Infrabel et à la SNCB;
  3° Proposition au ministre ayant les entreprises publiques dans ses attributions, de membres du collÚge de commissaires au sein de la société concernée;
  4° Rendre un avis préalable à la conclusion et à la modification du contrat de gestion d'Infrabel et de la SNCB, et assurer le suivi de l'exécution de ce contrat de gestion;
  5° Prendre connaissance de et rendre un avis préalable sur les mesures susceptibles d'influencer l'emploi à moyen et à long terme;
  6° Prendre connaissance de et rendre un avis préalable sur les mesures à prendre à la suite de décisions ayant un impact à long terme en matiÚre de stratégie générale de l'entreprise, de filiales, de processus de fusions et acquisitions, de restructurations, de politique générale de personnel et des investissements, de l'évolution des finances et des budgets annuels et de la défense de la position concurrentielle;
  7° Veiller au respect des engagements conclus par la société concernée dans le contrat de services RH et, le cas échéant, dans la convention relative à la mise à disposition de personnel;
  8° Agir en tant que conseil d'entreprise au sein de la société concernée en cas de reprise ou de transfert d'activités;
  9° Surveiller l'exécution des activités de la société concernée en ce qui concerne l'utilisation de personnel ferroviaire, tant pour les activités ferroviaires que pour l'appui logistique et conformément aux accords relatifs à la mise à disposition de personnel par HR Rail à Infrabel et à la SNCB;
  10° Prendre connaissance des parties du plan d'entreprise qui concernent l'exécution des missions de service public en application de l'article 26 de la loi du 21 mars 1991 et de l'article 53, § 4.
  § 2. Les comités d'entreprise stratégiques ne donneront pas d'avis sur les matiÚres relevant du paragraphe 1er, 5°, 6° et 8°, sur lesquelles la Commission paritaire nationale a déjà rendu un avis.
  4° Fonctionnement
  Art. 130. § 1er. L'administrateur délégué ou, pour HR Rail, le directeur général, ou leurs représentants, sont tenus de fournir au comité d'entreprise stratégique de leur société les renseignements qui sont nécessaires à l'exercice de ses compétences.
  § 2. Dans le cadre de l'exercice de leurs compétences, les comités d'entreprise stratégiques disposent, pour autant que cela soit d'application, des rapports du comité d'audit de la société concernée concernant l'examen des comptes de cette société.
  Art. 131. Les comités d'entreprise stratégiques peuvent rendre d'office un avis concernant les matiÚres qui relÚvent de leurs compétences.
  Sous-section 2. Dialogue social régional 1° Organisation
  Art. 132. Le dialogue social régional est organisé et géré par Infrabel, la SNCB et HR Rail, chacune pour leur société, Infrabel et la SNCB chacune respectivement instituant cinq comités paritaires régionaux et HR Rail instituant cinq commissions paritaires régionales.
  2° Composition
  Art. 133. § 1er. La composition des comités et commissions paritaires régionaux est réglée dans le statut du personnel ou le statut syndical, étant entendu qu'ils sont composés paritairement de représentants de la société concernée et de représentants du personnel.
  § 2. Chaque comité paritaire régional d'Infrabel ou de la SNCB est présidé par le responsable local de la région, qui est assisté par le représentant de HR Rail compétent pour l'exécution de la politique du personnel dans cette région.
  § 3. Chaque commission paritaire régionale de HR Rail est présidée par le représentant du directeur général de HR Rail.
  3° Compétences
  Art. 134. § 1er. Le dialogue social régional porte notamment sur les matiÚres suivantes, sans préjudice des compétences attribuées à d'autres organes de dialogue social :
  1° Examiner les propositions et les réclamations du personnel relatives à l'organisation du travail et à l'amélioration de la production;
  2° Collaborer avec les chefs de service à l'établissement des listes de gratification, bonification d'ancienneté, chevrons et tableaux d'avancement;
  3° Rendre un avis sur toutes les questions d'organisation du travail, chaque fois qu'elles sont soumises par l'autoritĂ© rĂ©gionale compĂ©tente, y compris les questions pouvant intĂ©resser indirectement le personnel, Ă l'exception du bien-ĂȘtre au travail;
  4° Faculté de transmettre à la commission paritaire régionale compétente de HR Rail une demande d'examiner une question relative à la mobilité du personnel entre Infrabel, la SNCB et HR Rail et la réutilisation des membres du personnel disponibles.
  § 2. Les commissions paritaires régionales de HR Rail ont en outre la compétence d'examiner des questions de mobilité du personnel entre Infrabel, la SNCB et HR Rail, ainsi que la réutilisation des membres du personnel disponibles.
  Lorsqu'il exerce cette compétence le président de la commission paritaire régionale de HR Rail invite un représentant d'Infrabel et/ou de la SNCB en tant qu'expert technique.
  § 3. Les comitĂ©s et commissions paritaires rĂ©gionaux rendent un avis sur les questions qui leur sont soumises par la sociĂ©tĂ© concernĂ©e. Elles ne doivent pas ĂȘtre saisies, d'office ou prĂ©alablement, des questions d'organisation du travail, sauf dans les cas prĂ©vus par la loi, la rĂ©glementation du personnel ou le statut du personnel.
  Les questions d'ordre général et les questions de principe relÚvent de la compétence de la Commission paritaire nationale.
  4° Fonctionnement
  Art. 135. Les comités et commissions paritaires régionaux se réunissent périodiquement selon les dispositions du statut du personnel ou du statut syndical.
  Section 3. Conciliation
  Art. 136. § 1er. La Direction Générale des relations collectives de travail auprÚs du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale est chargée de la conciliation sociale au niveau des Chemins de fer belges et dans chacune des sociétés en vue de prévenir, suivre et régler les différends collectifs entre Infrabel, la SNCB et/ou HR Rail et le personnel.
  Les conciliateurs sociaux désignés en vertu de l'article 12octies de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités, sont compétents pour accomplir les missions de conciliation sociale auprÚs d'Infrabel, la SNCB et HR Rail.
  § 2. La conciliation sociale recouvre les missions suivantes :
  1° la prévention des conflits sociaux et le suivi du déclenchement, du déroulement et de la conclusion de tels conflits;
  2° l'exercice de toute mission de conciliation sociale.
  § 3. Les conciliateurs sociaux visés au paragraphe 1, peuvent assister à chaque réunion d'un organe de dialogue social institué en vertu de cette loi ou du statut du personnel au niveau des Chemins de fer belges ou au sein d'Infrabel, la SNCB et HR Rail, en tant qu'observateur, et sont invités à cet effet comme s'ils étaient membres de ces organes.
  § 4. La Commission paritaire nationale, le président du conseil d'administration de HR Rail, l'administrateur délégué d'Infrabel, l'administrateur délégué de la SNCB, le ministre ayant les entreprises publiques dans ses attributions, le Comité de Coordination RH et le président ou son mandataire d'une organisation syndicale conformément aux dispositions du statut du personnel ou du statut syndical, peuvent introduire une demande d'intervention d'un conciliateur social auprÚs de la Direction Générale des relations collectives de travail visée au paragraphe 1.
  Section 4. Dispositions communes relatives au dialogue social
  Art. 137. § 1er. AprÚs l'entrée en vigueur de la réforme, et sans porter préjudice aux dispositions de la présente loi, la composition, les compétences et le fonctionnement des organes de dialogue social au niveau des Chemins de fer belges ou au niveau d'une ou plusieurs sociétés sont réglés dans le statut du personnel ou le statut syndical conformément à la procédure déterminée à l'article 75.
  § 2. NĂ©anmoins les compĂ©tences des organes de dialogue social mentionnĂ©s dans la prĂ©sente loi peuvent ĂȘtre modifiĂ©es, aprĂšs l'entrĂ©e en vigueur de la rĂ©forme, conformĂ©ment Ă la procĂ©dure dĂ©terminĂ©e Ă l'article 75.
  § 3. AprĂšs l'entrĂ©e en vigueur de la rĂ©forme, des organes de dialogue social complĂ©mentaires peuvent ĂȘtre instituĂ©s, conformĂ©ment Ă la procĂ©dure dĂ©terminĂ©e Ă l'article 75.
  Art. 138. Si trois mois aprĂšs l'entrĂ©e en vigueur de la rĂ©forme, les nouvelles rĂšgles relatives Ă la composition, aux compĂ©tences et au fonctionnement des organes de dialogue social, tant pour ceux qui doivent ĂȘtre instituĂ©s en vertu de la loi que pour ceux qui sont instituĂ©s seulement en vertu du statut du personnel ou du statut syndical, ne sont pas inscrites dans le statut du personnel ou le statut syndical, le Roi peut rĂ©gler ces matiĂšres.
  § 2. Le paragraphe 1 est également applicable au Conseil d'appel visé au chapitre 7 du présent titre.
  Chapitre 7. Le Conseil d'appel
  Art. 139. § 1er. Le Conseil d'appel a pour mission d'entendre à sa demande le membre du personnel à l'égard duquel est prononcé une mesure de sanction disciplinaire ou de démission d'office, telle que fixée par le statut du personnel, et de rendre à cet égard une décision motivée et de la communiquer respectivement au directeur général de HR Rail, au responsable de la politique du personnel auprÚs d'Infrabel et au responsable de la politique du personnel auprÚs de la SNCB, en fonction de la société auprÚs de laquelle le membre du personnel concerné est employé.
  § 2. Le Conseil d'appel est composé de deux chambres dont les compétences sont fonction de la nature de la mesure proposée à l'encontre du membre du personnel.
  La premiÚre chambre connaßt des appels dirigés contre des mesures proposées en raison d'infractions au droit commun, au statut du personnel ou à la réglementation du personnel, ainsi que des appels dirigés contre les démissions d'office consécutives à dix journées d'absence infondée. La seconde chambre connaßt des appels dirigés contre des mesures proposées en raison de fautes professionnelles en relation avec la sécurité du trafic ferroviaire.
  § 3. Le Conseil d'appel est composé de :
  1° un magistrat président, désigné par le premier président de la Cour d'appel de Bruxelles;
  2° un greffier-rapporteur, désigné par le conseil d'administration de HR Rail. Le greffier-rapporteur n'a pas de voix délibérative.
  3° dix assesseurs par chambre, dont la moitié est désignée par le personnel des Chemins de fer belges et l'autre moitié par HR Rail, Infrabel et/ou la SNCB, selon la qualité du membre du personnel qui a introduit l'appel.
  Lorsque le membre du personnel à l'origine de l'appel, est employé auprÚs de HR Rail, les dix assesseurs sont composés de trois représentants de HR Rail, un représentant d'Infrabel, un représentant de la SNCB et de cinq représentants du personnel.
  Lorsque le membre du personnel à l'origine de l'appel est mis à la disposition d'Infrabel, les assesseurs sont composés de trois représentants d'Infrabel, un représentant de HR Rail, un représentant de la SNCB et de cinq représentants du personnel.
  Lorsque le membre du personnel à l'origine de l'appel est mis à la disposition de la SNCB, les assesseurs sont composés de trois représentants de la SNCB, un représentant de HR Rail, un représentant d'Infrabel et de cinq représentants du personnel.
  Les assesseurs sont nommés respectivement par le personnel ou par Infrabel, la SNCB et HR Rail pour un mandat de quatre ans, selon les conditions et rÚgles fixées dans le statut du personnel.
  § 4. Le statut du personnel précise les rÚgles de procédures applicables au Conseil d'appel.
  Chapitre 8. Bien-ĂȘtre au travail
  Section 1er. Obligations en matiĂšre de bien-ĂȘtre au travail
  Art. 140. Infrabel, la SNCB, et HR Rail sont soumises à la loi du 4 août 1996, étant entendu que le Comité d'entreprise pour la prévention et la protection au travail, dans la société au sein de laquelle il est institué en application de l'article 145, exécute les tùches et possÚde les compétences du comité pour la prévention et la protection au travail au sens de la loi du 4 août 1996.
  Art. 141. HR Rail est compétente pour veiller au respect des obligations imposées par la loi du 4 août 1996, en ce qui concerne le personnel qui n'est pas mis à disposition d'Infrabel et de la SNCB, sans préjudice de l'article 153, § 2.
  Infrabel est compétente à cet égard pour ce qui concerne le personnel mis à sa disposition. Par rapport à ces membres du personnel, seule Infrabel sera considérée comme employeur ou assimilée à l'employeur au sens de la loi du 4 août 1996.
  La SNCB est compétente à cet égard pour ce qui concerne le personnel mis à sa disposition. Par rapport à ces membres du personnel, seule la SNCB sera considérée comme employeur ou assimilée à l'employeur au sens de la loi du 4 août 1996.
  Section 2. Politique de bien-ĂȘtre au travail
  Art. 142. Pour l'application de la présente section, il y a lieu d'entendre par :
  1° " Politique de bien-ĂȘtre rĂ©glementaire " : La politique en matiĂšre de bien-ĂȘtre au travail en ce compris toutes les dĂ©cisions en matiĂšre de politique adaptant le statut du personnel, y compris le statut syndical, ou la rĂ©glementation du personnel. Il s'agit de toutes les dĂ©cisions de politique de bien-ĂȘtre autres que celles visĂ©es au 2°.
  2° " Politique de bien-ĂȘtre non-rĂ©glementaire " : La politique en matiĂšre de bien-ĂȘtre au travail, en ce compris toutes les autres dĂ©cisions en matiĂšre de politique fixant ou adaptant la politique de bien-ĂȘtre de portĂ©e gĂ©nĂ©rale, qui n'impliquent ou ne nĂ©cessitent aucune modification de la politique de bien-ĂȘtre rĂ©glementaire dĂ©crite au 1°.
  Art. 143. Contrairement à ce qui est prévu au chapitre 3 du présent titre, et sans préjudice de l'application de l'article 144, § 4, l'article 145, § 4, l'article 147, § 1er et § 2, alinéa 1er, et l'article 153, § 2 :
  1° seule Infrabel dĂ©termine la politique de bien-ĂȘtre rĂ©glementaire et non-rĂ©glementaire pour le personnel mis Ă sa disposition;
  2° seule la SNCB dĂ©termine la politique de bien-ĂȘtre rĂ©glementaire et non-rĂ©glementaire pour le personnel mis Ă sa disposition;
  3° seule HR Rail dĂ©termine la politique de bien-ĂȘtre rĂ©glementaire et non-rĂ©glementaire pour le personnel qui n'est pas mis Ă la disposition d'Infrabel ou de la SNCB;
  4° la politique de bien-ĂȘtre rĂ©glementaire ainsi dĂ©terminĂ©e est assimilĂ©e Ă la source de droit dĂ©terminĂ©e Ă l'article 68, § 1er, 3° ou 4°, selon le cas, et la politique de bien-ĂȘtre non-rĂ©glementaire ainsi dĂ©terminĂ©e est assimiliĂ©e Ă la source de droit dĂ©terminĂ©e Ă l'article 68, § 1er, 6°, pour ce qui concerne le personnel statutaire, et la politique de bien-ĂȘtre ainsi dĂ©terminĂ©e est considĂ©rĂ©e comme une source de droit dĂ©terminĂ©e Ă l'article 78, § 1er, 6°, pour ce qui concerne le personnel non statutaire.
  Section 3. Organes de dialogue social en matiĂšre de bien-ĂȘtre au travail
  Sous-section 1re. Organes de dialogue social en matiĂšre de bien-ĂȘtre au travail au niveau des Chemins de fer belges 1° Commission Nationale pour la prĂ©vention et la protection au travail
  Art. 144. § 1er. La Commission Nationale pour la prévention et la protection au travail est instituée au niveau des Chemins de fer belges.
  HR Rail est responsable pour l'organisation et la gestion du dialogue social au sein de la Commission Nationale pour la prévention et la protection au travail.
  § 2. La composition de la Commission Nationale pour la prévention et la protection au travail est réglée dans le statut du personnel ou le statut syndical, étant entendu qu'elle est composée paritairement et que les trois sociétés y sont représentées.
  § 3. La Commission Nationale pour la prévention et la protection au travail est présidée par le directeur général de HR Rail ou par son représentant.
  § 4. La Commission Nationale pour la prévention et la protection au travail possÚde les compétences suivantes :
  1° examen et formulation d'avis pour les questions liĂ©es au bien-ĂȘtre au travail qui intĂ©ressent nĂ©cessairement plus d'une sociĂ©tĂ©;
  2° facultĂ© de transmettre Ă la Commission paritaire nationale, toutes les questions relatives au bien-ĂȘtre au travail qui intĂ©ressent nĂ©cessairement plus d'une sociĂ©tĂ©;
  3° rendre un avis sur une modification envisagĂ©e de la rĂ©glementation en matiĂšre de bien-ĂȘtre au travail ou toute autre question relative au bien-ĂȘtre au travail qui intĂ©resse nĂ©cessairement plus d'une sociĂ©tĂ©.
  § 5. Des points peuvent ĂȘtre inscrits Ă l'ordre du jour de la Commission Nationale pour la prĂ©vention et la protection au travail par l'une des personnes ou l'un des organes suivants :
  1° le président d'un Comité d'entreprise pour la prévention et la protection au travail;
  2° les représentants d'Infrabel, de la SNCB ou de HR Rail ou le président ou son mandataire d'une organisation syndicale siégeant au sein d'un Comité d'entreprise pour la prévention et la protection au travail; ou
  3° le Comité de Coordination RH.
  Sous-section 2. Organes de dialogue social en matiĂšre de bien-ĂȘtre au travail au niveau de chaque sociĂ©tĂ© 1° ComitĂ© d'entreprise pour la prĂ©vention et la protection au travail
  Art. 145. § 1er. Un Comité d'entreprise pour la prévention et la protection au travail est institué au sein de chaque société. Cette société est responsable pour l'organisation et la gestion du Comité d'entreprise pour la prévention et la protection au travail. DÚs que la société a institué un Comité d'entreprise pour la prévention et la protection au travail, elle est considérée comme ayant satisfait aux articles 49 et 50 de la loi du 4 août 1996.
  Les prescriptions légales et réglementaires applicables à un comité pour la prévention et la protection au travail au sens de la loi du 4 août 1996 s'appliquent uniquement au Comité d'entreprise pour la prévention et la protection au travail, pour autant qu'elles ne soient pas contraires aux dispositions de la présente loi.
  § 2. La composition du ComitĂ© d'entreprise pour la prĂ©vention et la protection au travail est rĂ©glĂ©e dans le statut du personnel ou le statut syndical, Ă©tant entendu qu'il est composĂ© de maniĂšre bipartite d'une part de reprĂ©sentants de la sociĂ©tĂ© concernĂ©e et d'autre part de reprĂ©sentants du personnel, et qu'il ne peut ĂȘtre dĂ©signĂ© un nombre de reprĂ©sentants de la sociĂ©tĂ© concernĂ©e supĂ©rieur au nombre de reprĂ©sentants du personnel.
  § 3. Le Comité d'entreprise pour la prévention et la protection au travail est présidé par l'administrateur délégué ou le directeur général de la société concernée ou par son représentant.
  § 4. Les Comités d'entreprise pour la prévention et la protection au travail sont, chacun pour la société au sein de laquelle il est institué, chargés des compétences suivantes :
  1° l'exercice des compétences qui, conformément à la loi du 4 août 1996, reviennent au comité pour la prévention et la protection au travail;
  2° rendre un avis sur une modification de la politique de bien-ĂȘtre rĂ©glementaire ou non rĂ©glementaire;
  3° rendre un avis sur des propositions d'adaptations à la structure des organes pour la prévention et la protection au travail, dont il a reconnu la nécessité;
  4° la facultĂ© de rendre d'office ou sur demande un avis sur toutes les questions relatives au bien-ĂȘtre au travail;
  5° la facultĂ© de transmettre pour avis Ă la Commission Nationale pour la prĂ©vention et la protection au travail, toutes les questions liĂ©es au bien-ĂȘtre au travail qui sont de la compĂ©tence de la Commission Nationale pour la prĂ©vention et la protection au travail, conformĂ©ment Ă l'article 144, § 5;
  6° l'Ă©laboration et la mise en oeuvre des moyens de propagande appropriĂ©s en vue de promouvoir le bien-ĂȘtre au travail sous tous ses aspects au sein de la sociĂ©tĂ©;
  7° veiller Ă l'application, au sein de la sociĂ©tĂ© concernĂ©e, des dispositions lĂ©gales et rĂ©glementaires en matiĂšre de prĂ©vention et de protection au travail, et en particulier Ă l'unicitĂ© de la politique de bien-ĂȘtre;
  8° veiller au bon fonctionnement, au sein de la société concernée, des différents organes pour la prévention et la protection au travail;
  9° examiner les plaintes éventuelles émanant de la société ou de la délégation du personnel siégeant au Comité d'entreprise pour la prévention et la protection au travail, quant à l'octroi des dispenses de service dans le cadre de la réglementation du personnel applicable;
  10° rendre un avis concernant l'application des chapitres III, IV et V de la loi du 4 août 1996;
  11° rendre un avis prĂ©alable sur le choix ou le remplacement d'organismes, d'agents-visiteurs, de laboratoires, d'institutions, d'experts, de firmes agréés en application des dispositions du Code sur le bien-ĂȘtre au travail ou le RĂšglement gĂ©nĂ©ral pour la protection du travail;
  12° rendre un avis préalable sur le choix, l'achat, l'entretien et l'utilisation des équipements de protection individuelle.
  2° Comités pour la prévention et la protection au travail
  Art. 146. § 1er. Chaque société rÚgle la structure, la composition et le fonctionnement de ses Comités pour la prévention et la protection au travail, aprÚs accord de son Comité d'entreprise pour la prévention et la protection au travail statuant à la majorité des deux tiers des voix exprimées.
  § 2. Le président d'un Comité pour la prévention et la protection au travail peut, d'office ou sur demande motivée de deux tiers des membres de ce Comité, faire inscrire des points à l'ordre du jour du Comité d'entreprise pour la prévention et la protection au travail de la société concernée.
  Sous-section 3. Dispositions communes
  Art. 147. § 1er. AprÚs l'entrée en vigueur de la réforme, et sans porter préjudice aux Dispositions de la présente loi, la composition, les compétences et le fonctionnement de la Commission Nationale pour la prévention et la protection au travail sont réglés dans le statut du personnel ou le statut syndical, conformément à la procédure déterminée à l'article 75.
  § 2. AprÚs l'entrée en vigueur de la réforme, et sans porter préjudice aux dispositions de la présente loi, la composition des Comités d'entreprise pour la prévention et la protection au travail est réglée dans le statut du personnel ou le statut syndical, conformément à la procédure déterminée à l'article 75.
  AprÚs l'entrée en vigueur de la réforme, et sans porter préjudice aux dispositions de la présente loi, les compétences et le fonctionnement des Comités d'entreprise pour la prévention et la protection au travail sont réglés par la société au sein de laquelle le Comité d'entreprise pour la prévention et la protection au travail est institué, aprÚs accord du Comité d'entreprise qui statue à la majorité des deux tiers des voix exprimées.
  § 3. AprÚs l'entrée en vigueur de la réforme, et sans porter préjudice aux dispositions de la présente loi, la composition, les compétences et le fonctionnement des Comités pour la prévention et la protection au travail sont réglés par la société au sein de laquelle ils sont institués, aprÚs accord du Comité d'entreprise pour la prévention et la protection au travail au sein de cette société, qui statue à la majorité des deux tiers des voix exprimées.
  Art. 148. Si trois mois aprĂšs l'entrĂ©e en vigueur de la rĂ©forme, les nouvelles rĂšgles relatives Ă la composition, les compĂ©tences et le fonctionnement des organes de dialogue social en matiĂšre de bien-ĂȘtre au travail ne sont pas fixĂ©es conformĂ©ment Ă l'article 147, le Roi peut rĂ©gler ces matiĂšres.
  Section 4. Conciliation
  Art. 149. Pour les questions relatives au bien-ĂȘtre au travail il peut Ă©galement ĂȘtre fait appel aux conciliateurs sociaux, dans le cadre de la mission prĂ©vue Ă l'article 136.
  Section 5. Service externe pour la prévention et la protection au travail
  Art. 150. HR Rail est compĂ©tente pour instituer un service externe pour la prĂ©vention et la protection au travail, au sens de l'arrĂȘtĂ© royal du 27 mars 1998 relatif aux services externes pour la prĂ©vention et la protection au travail.
  Ce service externe peut ĂȘtre le mĂȘme que celui qui Ă©tait compĂ©tent, Ă la date du 31 dĂ©cembre 2013, pour le personnel de la SNCB Holding.
  Sans préjudice de la possibilité que d'autres employeurs fassent également appel à ce service en tant que service externe ou de toute autre compétence qui lui serait confiée, et sans préjudice de l'article 153, § 2, deuxiÚme alinéa, ce service externe est compétent pour l'ensemble du personnel de HR Rail mis ou non à disposition d'Infrabel ou de la SNCB.
  Chapitre 9. Oeuvres sociales
  Art. 151. § 1er. L'organisation, la gestion et les autres aspects liés aux oeuvres sociales sont réglés dans le statut du personnel ou le statut syndical, étant entendu que :
  1° les activités et tùches du Comité de gestion du Fonds de la documentation sociale seront exercées par le Sous-comité national des oeuvres sociales à compter de la date d'entrée en vigueur de la réforme;
  2° les Comités régionaux des oeuvres sociales sont restructurés en cinq Comités régionaux des oeuvres sociales au sein des Chemins de fer belges.
  § 2. La composition du Comité National des oeuvres sociales, du Sous-comité national des oeuvres sociales et des Comités régionaux des oeuvres sociales est réglée dans le statut du personnel ou le statut syndical, étant entendu qu'ils sont chacun composé paritairement.
  Chapitre 10. Accidents du travail et maladies professionnelles
  Art. 152. Pour l'application de l'article 46 de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail et de l'article 51, § 1er, des lois relatives à la prévention des maladies professionnelles et à la réparation des dommages résultant de celles-ci, coordonnées le 3 juin 1970, la société à qui un membre du personnel est mis à disposition est considérée comme étant l'employeur de ce membre du personnel, et ce membre du personnel comme préposé de cette société, étant entendu que là ou cet article rend impossible une action en justice en responsabilité civile contre l'employeur et ses mandataires ou préposés, cette action n'est pas non plus possible à l'encontre de HR Rail ou ses mandataires ou préposés.
  Chapitre 11. Personnel dans les sociétés, associations et institutions de droit public ou privé avec lesquelles Infrabel, la SNCB ou HR Rail ont un lien de participation
  Art. 153. § 1er. Sans prĂ©judice de l'article 72, § 3, un congĂ© sans rĂ©munĂ©ration pour effectuer une mission spĂ©cifique auprĂšs de sociĂ©tĂ©s, associations et institutions de droit public ou privĂ© avec lesquelles Infrabel, la SNCB ou HR Rail ont un lien de participation, peut ĂȘtre accordĂ© Ă un membre du personnel.
  § 2. Sans prĂ©judice du paragraphe 1er, ni de l'article 72, § 3, un membre du personnel statutaire peut ĂȘtre mis Ă la disposition de sociĂ©tĂ©s, associations et institutions de droit public ou privĂ© avec lesquelles Infrabel, la SNCB ou HR Rail ont un lien de participation. Durant cette mise Ă disposition, les membres du personnel continuent Ă ĂȘtre rĂ©munĂ©rĂ©s par HR Rail.
  Seule cette société, association ou institution de droit public ou privé est considérée pour l'application de la loi du 4 août 1996 comme étant l'employeur ou assimilé à l'employeur.
  Les conditions et modalitĂ©s relatives Ă la mise Ă disposition du personnel en vertu du premier alinĂ©a, peuvent ĂȘtre fixĂ©es dans une convention Ă conclure aprĂšs la publication de la prĂ©sente loi au Moniteur belge entre HR Rail et la sociĂ©tĂ©, l'association ou l'institution de droit public ou privĂ© concernĂ©e avec laquelle Infrabel, la SNCB ou HR Rail a un lien de participation. Cette convention, ainsi que toute modification qui y est apportĂ©e, est soumise Ă un avis prĂ©alable de la Commission paritaire nationale.
  § 3. Les paragraphes 1er et 2 ne portent pas préjudice aux autres possibilités de congé et de détachement tels que réglé dans le statut du personnel et la réglementation du personnel également à d'autres personnes morales de droit public ou privé que celles visées au présent chapitre.
  § 4. Un membre du personnel qui est mis à disposition d'Infrabel ou de la SNCB et auquel les paragraphes 1er, 2 ou 3 sont appliqués, est considéré comme étant resté mis à disposition de respectivement Infrabel ou la SNCB, sauf décision contraire de HR Rail en application de l'article 72, § 3.
  Livre 2. Le personnel des Chemins de fer belges
  Titre 1. Définitions
  Art. 21. Pour l'application du présent livre, il y a lieu d'entendre par :
  Société(s) : Infrabel, la SNCB, HR Rail;
  SNCB Holding : la sociĂ©tĂ© anonyme de droit public SNCB Holding, avant le moment oĂč la fusion visĂ©e au chapitre II de l'arrĂȘtĂ© royal de 7 novembre 2013 portant rĂ©forme des structures de la SNCB Holding, d'Infrabel et de la SNCB (I) sort ses effets;
  SociĂ©tĂ© nationale des Chemins de fer belges, en abrĂ©gĂ© " SNCB " : la sociĂ©tĂ© anonyme de droit public SNCB, Ă partir du moment oĂč la fusion visĂ©e au chapitre II de l'arrĂȘtĂ© royal de 7 novembre 2013 portant rĂ©forme des structures de la SNCB Holding, d'Infrabel et de la SNCB (I) sort ses effets;
  Infrabel : la société anonyme de droit public Infrabel;
  Chemins de fer belges : les trois sociétés ensemble;
  Réforme : réforme des Chemins de fer belges sur la base de la loi du 30 août 2013 relative à la réforme des chemins de fer belges;
  Ressources humaines, en abrĂ©gĂ© RH : comprend entre autres les domaines suivants : le dialogue social, la mise Ă disposition de personnel, la planification en matiĂšre de personnel, le recrutement et la sĂ©lection, la politique de rĂ©munĂ©ration et les conditions de travail, la politique de carriĂšre, la formation et le dĂ©veloppement, le management de la performance, la mise Ă la retraite et les dĂ©parts (in)volontaires, gestion des paiements, les affaires sociales, les dĂ©cisions en matiĂšre de personnel Ă portĂ©e individuelle, la gestion de la mise Ă la retraite, la discipline, l'Ă©valuation, le suivi des accidents de travail et des maladies professionnelles, le bien-ĂȘtre, le service mĂ©dical, CPS et la gestion des restaurants d'entreprise;
  Politique RH : la proposition et la détermination de la politique en matiÚre de personnel, y-compris entre autres l'évaluation de la politique et toutes les décisions en matiÚre de politique RH dans un ou plusieurs domaines de RH. La politique RH a une portée générale et concerne une partie ou l'ensemble du personnel des Chemins de fer belges mis ou non à la disposition d'Infrabel ou de la SNCB;
  Exécution RH : l'exécution, la production ou le traitement administratif de la politique RH et de la gestion RH; l'administration du personnel et la prestation de services connexes au personnel et aux sociétés dans un ou plusieurs domaines de RH;
  Gestion RH : la gestion administrative, y-compris entre autres la gestion de données, la documentation, l'entretien et la conservation d'information dans un ou plusieurs domaines de RH;
  Expertise RH : les conseils et l'information dans un ou plusieurs domaines de RH;
  Processus RH : l'ensemble d'opérations consécutives, menées dans le but de l'exécution RH, et les développements consécutifs en vue de l'amélioration, la modernisation et le développement continus de la politique RH, l'exécution RH, la gestion RH et/ou l'expertise RH;
  Contrat de services RH : le(s) contrat(s) réciproque(s) entre HR Rail et Infrabel et HR Rail et la SNCB dans lesquels les droits et obligations réciproques en matiÚre de politique RH, d'exécution RH, de gestion RH et d'expertise RH dans un ou plusieurs des domaines de RH sont précisés et répartis, et qui sont conclus suivant les modalités établies à l'article 98;
  Comité de Coordination RH : Comité pour la coordination de la gestion du personnel visé à l'article 45 et suivants de la présente loi;
  Statut du personnel : le statut du personnel employé aux Chemins de fer belges, tel que déterminé par le conseil d'administration de HR Rail conformément à la procédure déterminée à l'article 75;
  Statut syndical : le Chapitre XIII du statut du personnel et le RGPS-Fascicule 548 et toutes les modifications ultérieures qui y sont apportées;
  Réglementation du personnel : réglementation interne déterminée en exécution du statut du personnel;
  RÚglement de travail : un rÚglement de travail au sens de la loi du 8 avril 1965 instituant les rÚglements de travail;
  Loi du 21 mars 1991 : la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques;
  Loi du 4 aoĂ»t 1996 : la loi du 4 aoĂ»t 1996 relative au bien-ĂȘtre des travailleurs lors de l'exĂ©cution de leur travail;
  Personnel cadre : les membres du cadre supérieur comme défini dans le statut du personnel.
  Titre 2. HR Rail
  Chapitre 1. Objet social, capital, statuts, dispositions législatives et réglementaires
  Section 1. Objet social et mission de service public de HR Rail
  Art. 22. § 1. HR Rail est une société anonyme de droit public. Elle relÚve de la compétence du ministre ayant les entreprises publiques dans ses attributions.
  § 2. Sur tous les actes, factures, annonces, publications, correspondance, ordres et autres piĂšces Ă©manant de la sociĂ©tĂ©, la dĂ©nomination " HR Rail " doit toujours ĂȘtre prĂ©cĂ©dĂ©e ou suivie de la mention " sociĂ©tĂ© anonyme de droit public ".
  Art. 23. § 1. HR Rail a pour objet :
  1° la sélection et le recrutement du personnel statutaire et non statutaire nécessaire à la réalisation des missions d'Infrabel et de la SNCB, la mise à la disposition d'Infrabel et de la SNCB de ce personnel et l'intervention en tant qu'employeur juridique de ce personnel;
  2° la gestion des affaires du personnel, en ce-compris la détermination et le suivi de la politique RH, de l'exécution RH, de la gestion RH, et de l'expertise RH, tels que définis par et dans les limites des compétences et des responsabilités visées au chapitre III, section 5 de la présente loi et ceci au service des Chemins de fer belges;
  3° l'organisation et la gestion du dialogue social au niveau des Chemins de fer belges;
  4° la mise en place d'un service externe au sens de l'arrĂȘtĂ© royal du 27 mars 1998 relatif au service externe pour la prĂ©vention et la protection au travail et ceci au service des Chemins de fer belges;
  5° la gestion des pensions statutaires sur la base de l'article 159 de la loi-programme du 27 dĂ©cembre 2005 et conformĂ©ment Ă l'arrĂȘtĂ© royal du 28 dĂ©cembre 2005 rĂ©glant la reprise des obligations de pension de la SNCB-Holding par l'Etat belge, ratifiĂ© par la loi-programme du 20 juillet 2006 et Ă ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution;
  6° la sélection et le recrutement et la mise à disposition des sociétés, associations et institutions de droit public ou privé dans lesquelles Infrabel, la SNCB et/ou HR Rail ont un lien de participation, du personnel statutaire nécessaire à l'exécution de leur mission;
  7° les autres missions dont elle est chargée par ou en vertu de la loi.
  § 2. HR Rail peut aussi exĂ©cuter les tĂąches visĂ©es au paragraphe 1er, 2° et 4° au service de sociĂ©tĂ©s, d'associations et d'institutions de droit public ou privĂ© avec lesquels Infrabel, la SNCB et/ou HR Rail ont un lien de participation, ainsi qu' au service de tiers dans la mesure oĂč ces tĂąches sont complĂ©mentaires aux tĂąches visĂ©es au paragraphe 1er.
  § 3. La tùche visée au paragraphe 1er, 3° constitue la mission de service public de HR Rail.
  § 4. HR Rail peut accomplir tous les actes en Belgique et à l'étranger et y effectuer toutes les opérations qui sont nécessaires ou utiles à la réalisation de son objet social, y-compris prendre ou détenir des participations directes ou indirectes dans des sociétés, associations et institutions de droit public ou privé dont l'objet est compatible avec son objet social.
  Section 2. Capital - actions
  Art. 24. § 1. Toute Ă©mission de nouvelles actions est soumise Ă l'approbation prĂ©alable du Roi, par arrĂȘtĂ© dĂ©libĂ©rĂ© en Conseil des ministres.
  § 2. Aucune opération ne peut avoir pour conséquence que le nombre d'actions détenues dans le capital social de HR Rail par l'Etat ou pour le compte de l'Etat, soit inférieur à deux pourcent des actions qui représentent le capital social de HR Rail, ni que le solde des actions dans le capital social de HR Rail ne soit plus détenu par parts égales entre Infrabel et la SNCB.
  Art. 25. Quelle que soit la part de capital social qu'elles représentent, les actions détenues par ou pour le compte de l'Etat donnent de plein droit droit à soixante pour cent des voix, les actions détenues par Infrabel à vingt pour cent des voix et les actions détenues par la SNCB à vingt pour cent des voix également.
  Section 3. Statuts
  Art. 26. Une modification des statuts ne produit ses effets qu'aprĂšs approbation par le Roi, par arrĂȘtĂ© dĂ©libĂ©rĂ© en Conseil des ministres.
  Section 4. Dispositions législatives et réglementaires
  Art. 27. La société est soumise aux dispositions législatives et réglementaires qui sont d'application aux sociétés anonymes, pour autant qu'il n'y soit pas explicitement dérogé par ou en vertu de la présente loi ou d'une quelconque loi spécifique.
  Art. 28. Les actes de HR Rail sont considérés comme des actes de commerce.
  Art. 29. L'article 544 du Code des sociétés ne s'applique pas à HR Rail.
  Art. 30. HR Rail n'est pas soumise à la loi du 31 janvier 2009 relative à la continuité des entreprises, ni à la loi du 8 août 1997 sur les faillites.
  Art. 31. HR Rail bénéficie de l'immunité d'exécution sur les biens entiÚrement ou partiellement affectés à l'exécution de sa mission de service public.
  Chapitre 2. Organisation
  Section 1re. L'assemblée générale
  Art. 32. Le ministre ayant HR Rail dans ses attributions, ou son délégué, représente l'Etat à l'assemblée générale.
  Art. 33. L'assemblée générale n'exerce aucune autre compétence que celles qui lui sont réservées ou attribuées sur la base de la présente loi ou sur la base des dispositions du Code des sociétés applicables aux sociétés anonymes.
  Section 2. Le conseil d'administration
  Sous-section.1re. Composition. et fonctionnement
  Art. 34. § 1er. Le conseil d'administration est composé de :
  1° un administrateur nommé par le Roi conformément au paragraphe 2;
  2° l'administrateur délégué d'Infrabel, qui fait de plein droit partie du conseil d'administration;
  3° l'administrateur délégué de la SNCB, qui fait de plein droit partie du conseil d'administration;
  4° le directeur général, qui est nommé conformément à l'article 39.
  § 2. L'administrateur qui est nommĂ© par le Roi par arrĂȘtĂ© dĂ©libĂ©rĂ© au Conseil des ministres pour une pĂ©riode renouvelable de six ans, interviendra Ă©galement de plein droit en tant que prĂ©sident du conseil d'administration. Cet administrateur est choisi en raison de sa compĂ©tence particuliĂšre en matiĂšre de relations sociales et peut uniquement ĂȘtre rĂ©voquĂ© par le Roi par arrĂȘtĂ© dĂ©libĂ©rĂ© en Conseil des ministres.
  § 3. La rémunération du président est déterminée par l'assemblée générale.
  § 4. En cas de vacance du poste de président, les administrateurs restants y pourvoient jusqu'à ce qu'une nomination définitive intervienne conformément au présent article.
  § 5. Le président appartient à un autre rÎle linguistique que le directeur général.
  Art. 35. § 1er. Une décision du conseil d'administration n'est valablement adoptée que lorsque tous les membres du conseil d'administration sont présents ou valablement représentés. Ce quorum de présence est vérifié au début de la réunion du conseil d'administration et avant l'adoption de chaque décision du conseil d'administration. Ce quorum de présence n'est pas d'application pour les décisions visées par l'article 39, § 1er, et l'article 41, § 3, lesquelles sont valablement prises quel que soit le nombre d'administrateurs présents ou valablement représentés.
  § 2. Les décisions du conseil d'administration sont prises à la majorité simple des voix des administrateurs présents ou valablement représentés.
  Tout membre du conseil d'administration qui occupe une fonction, un mandat ou une activité, rémunérée ou non, soit personnellement, soit par l'intermédiaire d'une personne morale au service de la SNCB ne peut assister aux délibérations du conseil d'administration relatives aux décisions qui concernent exclusivement le personnel d'Infrabel affecté auprÚs du service spécialisé visé à l'article 199bis, § 1er, de la loi du 21 mars 1991, ni prendre part au vote. Ce membre est inclus pour le calcul du quorum de présence, mais sera présumé absent pour le calcul du quorum de majorité.
  § 3. Sauf en cas d'application de l'article 39, § 1er, et de l'article 41, § 3, si, au sein du conseil d'administration, aprĂšs trois rĂ©unions consĂ©cutives du conseil d'administration convoquĂ©es valablement sur une pĂ©riode de maximum trois mois, aucune dĂ©cision n'a pu ĂȘtre prise concernant un mĂȘme point de l'ordre du jour, le prĂ©sident du conseil d'administration convoque une assemblĂ©e gĂ©nĂ©rale dans un dĂ©lai d'un mois; le point Ă l'ordre du jour est mentionnĂ© dans la convocation Ă l'assemblĂ©e gĂ©nĂ©rale. L'assemblĂ©e gĂ©nĂ©rale peut statuer Ă la majoritĂ© simple des voix concernant ce point de l'ordre du jour.
  Sous-section 2. Compétences
  Art. 36. § 1er. Le conseil d'administration a le pouvoir d'accomplir tous les actes nécessaires ou utiles à la réalisation de l'objet social de HR Rail.
  Le conseil d'administration contrÎle la gestion assurée par le directeur général.
  § 2. Le conseil d'administration peut déléguer au directeur général tout ou partie de ses compétences visées au paragraphe 1er, à l'exception :
  1° de l'élaboration du plan d'entreprise et la définition de la politique générale;
  2 ° du contrÎle du directeur général;
  3° des autres compétences explicitement attribuées au conseil d'administration par la présente loi et par le Code des sociétés.
  § 3. Le directeur général fait réguliÚrement rapport au conseil d'administration. Le conseil d'administration ou son président peut à tout moment demander un rapport au directeur général, concernant les activités de HR Rail, ou certaines d'entre elles, qui est communiqué au conseil d'administration.
  Sous-section 3. Représentation
  Art. 37. HR Rail est valablement représentée, tant en droit qu'à l'égard des tiers, par la signature conjointe du directeur général et d'un autre administrateur.
  Sous-section 4. Comité de nominations et de rémunération
  Art. 38. § 1er. Le conseil d'administration institue en son sein un comité de nominations et de rémunération dans lequel siÚgent le président du conseil d'administration qui préside également le comité concerné, l'administrateur délégué d'Infrabel et l'administrateur délégué de la SNCB.
  § 2. Le comité de nominations et de rémunération rend, conformément à l'article 42, des avis sur les candidatures proposées par le directeur général en vue de la nomination de l'adjoint du directeur général et du personnel cadre de HR Rail qui n'est pas mis à disposition.
  § 3. Le comité de nominations et de rémunération propose la rémunération et les avantages accordés à l'adjoint du directeur général, ainsi qu'au personnel cadre de HR Rail qui n'est pas mis à disposition.
  Section 3. Le directeur général - l'adjoint du directeur général
  Sous-section 1re. Le directeur général
  Art. 39. § 1er. Le directeur gĂ©nĂ©ral, qui doit, entre autres, avoir une compĂ©tence particuliĂšre en matiĂšre de RH, est nommĂ© par le conseil d'administration pour un terme renouvelable de six ans, sur proposition unanime des deux administrateurs visĂ©s Ă l'article 34, § 1er, 2° et 3°. Si un directeur gĂ©nĂ©ral est en fonction, il n'assiste pas aux dĂ©libĂ©rations ni ne prend part au vote relatifs Ă ce point Ă l'ordre du jour. Le directeur gĂ©nĂ©ral est prĂ©sumĂ© absent pour le calcul du quorum de majoritĂ©. Le directeur gĂ©nĂ©ral est rĂ©voquĂ© de la mĂȘme maniĂšre. Sa mission visĂ©e Ă l'article 40, § 1er, est dĂ©terminĂ©e de la mĂȘme maniĂšre.
  § 2. Le statut administratif et pécuniaire du directeur général est établi par le conseil d'administration de HR Rail. Si un directeur général est en fonction, il n'assiste pas aux délibérations ni ne prend part au vote relatifs à ce point à l'ordre du jour. Le directeur général est présumé absent pour le calcul du quorum de majorité.
  Art. 40. § 1er. Le directeur gĂ©nĂ©ral est chargĂ© de la gestion journaliĂšre de HR Rail, en ce compris la gestion financiĂšre, et des compĂ©tences, en ce compris les compĂ©tences de reprĂ©sentation, qui lui sont attribuĂ©es en vertu de la prĂ©sente loi. Il a pour principal objectif de moderniser la gestion en matiĂšre de personnel sur la base d'une lettre de mission. Il veillera en particulier Ă l'exĂ©cution de la mission de service public, Ă l'Ă©quilibre financier de HR Rail et au bien-ĂȘtre du personnel occupĂ© pour l'exĂ©cution des missions de HR Rail.
  § 2. Le directeur gĂ©nĂ©ral est chargĂ© des compĂ©tences qui lui sont dĂ©lĂ©guĂ©es par le conseil d'administration en vertu de l'article 36, § 2, de mĂȘme que de l'exĂ©cution des dĂ©cisions du conseil d'administration.
  § 3. Le directeur général représente HR Rail pour ce qui concerne la gestion journaliÚre et pour ce qui concerne les compétences qui lui sont attribuées en vertu de la présente loi.
  § 4. Le directeur général remplit une fonction à temps plein au sein de HR Rail.
  Art. 41. § 1er. Au moins deux fois par an, le directeur général fait un rapport relatif aux progrÚs réalisés à l'égard de la modernisation visée à l'article 40, § 1er et relatif à l'exécution de la mission de service public.
  § 2. Il veille à informer le conseil d'administration préalablement de toutes ses prises de position qui sont susceptibles d'avoir un impact financier sur Infrabel et la SNCB.
  § 3. L'Ă©valuation du directeur gĂ©nĂ©ral de HR Rail est rĂ©alisĂ©e annuellement par le conseil d'administration. Pour que toute dĂ©cision relative Ă cette Ă©valuation puisse ĂȘtre prise valablement, les deux administrateurs visĂ©s Ă l'article 34, § 1, 2° et 3°, doivent donner leur approbation. Le directeur gĂ©nĂ©ral n'assiste pas aux dĂ©libĂ©rations ni ne prend part au vote relatifs Ă ce point Ă l'ordre du jour. Le directeur gĂ©nĂ©ral est prĂ©sumĂ© absent pour le calcul du quorum de majoritĂ©.
  Sous-section 2. L'adjoint du directeur général
  Art. 42. § 1er. L'adjoint du directeur gĂ©nĂ©ral, qui doit avoir une compĂ©tence particuliĂšre, entre autres en matiĂšre de RH, est nommĂ© sur dĂ©cision du conseil d'administration pour une pĂ©riode renouvelable de six ans, sur proposition du directeur gĂ©nĂ©ral et aprĂšs avis du comitĂ© de nominations et de rĂ©munĂ©ration. Le directeur gĂ©nĂ©ral ne prend pas part au vote. L'adjoint du directeur gĂ©nĂ©ral est rĂ©voquĂ© de la mĂȘme maniĂšre.
  § 2. L'adjoint du directeur général appartient à un autre rÎle linguistique que le directeur général.
  § 3. Le statut administratif et pécuniaire de l'adjoint du directeur général est fixé par le conseil d'administration de HR Rail, sur proposition du comité de nominations et de rémunération, tel que visé à l'article 38, § 3.
  Art. 43. § 1er. L'adjoint du directeur gĂ©nĂ©ral possĂšde les compĂ©tences qui lui sont attribuĂ©es par la prĂ©sente loi. Il remplace Ă©galement le directeur gĂ©nĂ©ral lorsque celui-ci est absent ou empĂȘchĂ©.
  § 2. L'adjoint du directeur général remplit une fonction à temps plein au sein de HR Rail.
  Sous-section 3. Le mandat de directeur général et d'adjoint du directeur général
  Art. 44. § 1er. Le directeur général ou l'adjoint du directeur général qui, au moment de sa nomination, se trouve dans un lien statutaire avec l'Etat ou avec toute autre personne de droit public relevant de l'Etat, est mis de plein droit en congé pour mission selon les dispositions du statut en question, pour toute la durée de son mandat. Si le statut du personnel lui est applicable, il gardera durant cette période ses titres à la promotion, à l'avancement de traitement et à la pension.
  § 2. Lorsque le directeur général ou l'adjoint du directeur général, au moment de sa nomination, se trouve dans un lien contractuel avec l'Etat ou avec toute autre personne de droit public relevant de l'Etat, le contrat concerné est suspendu de plein droit pour toute la durée de son mandat. S'il se trouvait dans un lien contractuel avec HR Rail, il gardera durant cette période ses titres à la promotion et à l'avancement de traitement.
  Section 4. Le Comité de Coordination RH
  Sous-section 1re. Composition et fonctionnement
  Art. 45. Le Comité de Coordination RH est composé des quatre membres suivants, qui en font partie de plein droit :
  - le directeur général de HR Rail;
  - l'adjoint du directeur général de HR Rail;
  - le responsable de la politique du personnel auprÚs d'Infrabel;
  - le responsable de la politique du personnel auprÚs de la SNCB.
  Sous-section 2. Compétences
  Art. 46. Le Comité de Coordination RH possÚde entre autres les compétences découlant du titre 3, chapitre 5 de la présente loi.
  Sous-section 3. RÚglement d'ordre intérieur
  Art. 47. Le Comité de Coordination RH établit un rÚglement d'ordre intérieur qui définit explicitement le cadre réglant son fonctionnement. Le rÚglement d'ordre intérieur contiendra une disposition, applicable aux membres du Comité de Coordination RH, analogue à l'article 35, § 2, alinéa 2. Ce rÚglement d'ordre intérieur est soumis au conseil d'administration pour approbation.
  Section 5. Délégation
  Art. 48. Le conseil d'administration peut octroyer des mandats spéciaux à un ou plusieurs de ses membres, voire à des tiers. Tout acte de délégation définit clairement les compétences faisant l'objet de la délégation. La délégation est attribuée pour une durée fixée par le conseil d'administration.
  Art. 49. Le directeur général peut octroyer des mandats spéciaux à chaque mandataire dans les limites de ses propres compétences. Tout acte de délégation définit clairement les compétences faisant l'objet de la délégation. La délégation est attribuée pour une durée fixée par le directeur général.
  Section 6. Discrétion
  Art. 50. Lors de l'exercice de leur mandat et dans l'intĂ©rĂȘt de la sociĂ©tĂ©, les administrateurs (en ce compris le directeur gĂ©nĂ©ral), l'adjoint du directeur gĂ©nĂ©ral et les membres du ComitĂ© de Coordination RH, sont tenus Ă la discrĂ©tion.
  Section 7. Incompatibilités
  Art. 51. § 1er. Sans préjudice d'autres restrictions définies par ou en vertu d'une loi ou par le statut organique de HR Rail le mandat d'administrateur, de directeur général et d'adjoint du directeur général est incompatible avec le mandat ou les fonctions de :
  1° membre du Parlement européen;
  2° membre des Chambres législatives;
  3° ministre ou secrétaire d'Etat;
  4° membre du Conseil ou du Gouvernement d'une Communauté ou d'une Région;
  5° gouverneur d'une province ou membre de la députation permanente d'un conseil provincial.
  En outre, le mandat de directeur général et d'adjoint du directeur général est incompatible avec le mandat de bourgmestre, d'échevin ou de président d'un centre public d'aide sociale.
  Le mandat de directeur général et d'adjoint du directeur général est incompatible avec tout mandat ou toute fonction au sein d'Infrabel et de la SNCB.
  § 2. Lorsque l'un des membres visĂ©s au paragraphe 1er contrevient aux dispositions du paragraphe 1er, il est tenu de se dĂ©mettre des mandats ou fonctions en question. S'il ne le fait pas, il est rĂ©putĂ© s'ĂȘtre dĂ©mis de plein droit de son mandat auprĂšs de HR Rail au moment oĂč le mandat ou la fonction avec lequel l'incompatibilitĂ© existe commence, sans que cela ne porte prĂ©judice Ă la validitĂ© juridique des actes qu'il a accomplis ou des dĂ©libĂ©rations auxquelles il a pris part pendant la pĂ©riode concernĂ©e.
  Chapitre 3. Financement de la mission de service public
  Art. 52. Le Roi peut établir les rÚgles et conditions particuliÚres selon lesquelles HR Rail accomplit la mission de service public qui lui est confiée en vertu de l'article 23, § 3.
  Le financement de la mission de service public de HR Rail est prévu annuellement au Budget de l'Etat.
  Chapitre 4. Le plan d'entreprise
  Art. 53. § 1er. Le conseil d'administration de HR Rail établit un plan d'entreprise d'une durée de trois ans définissant les objectifs et la stratégie de HR Rail.
  § 2. Le plan d'entreprise doit comprendre les matiÚres suivantes :
  1° une vision, en ce qui concerne les parties de RH qui relÚvent de la compétence de HR Rail, pour l'ensemble des membres du personnel employé par les Chemins de fer belges;
  2° une vision, en ce qui concerne la politique du personnel, du personnel employé par HR Rail;
  3° l'évolution du compte d'exploitation transposé dans un plan financier;
  4° la description des conditions d'exploitation générales relatives aux autres secteurs d'activité de HR Rail;
  5° une vision en ce qui concerne le fonctionnement de HR Rail.
  § 3. Le plan d'entreprise est adapté chaque année et communiqué au ministre dont relÚve HR Rail.
  § 4. Les éléments du plan d'entreprise qui concernent l'exécution de la mission de service public sont soumis pour approbation au conseil d'administration de HR Rail, aprÚs avoir été communiqués pour information au comité d'entreprise stratégique de HR Rail conformément à l'article 129, § 1er, 10°.
  Chapitre 5. Tutelle et contrÎle
  Section 1re. La tutelle administrative
  Art. 54. § 1er. HR Rail est soumise au contrÎle du ministre dont elle relÚve.
  Ce contrÎle est exercé à l'intervention d'un commissaire du Gouvernement.
  § 2. Le commissaire du Gouvernement est nommé et révoqué par le Roi sur la proposition du ministre dont relÚve HR Rail.
  Le Roi rÚgle l'exercice des missions du commissaire du Gouvernement et sa rémunération. Cette rémunération est à charge de HR Rail.
  § 3. Le commissaire du Gouvernement veille au respect de la loi et des statuts.
  Il fait rapport au ministre dont relÚve HR Rail.
  Il fait rapport au Ministre du Budget sur toutes les décisions du conseil d'administration et du directeur général qui ont une incidence sur le budget général des dépenses de l'Etat.
  § 4. Le commissaire du gouvernement est invité à toutes les réunions du conseil d'administration de HR Rail et y a voix consultative.
  Il peut à tout moment prendre connaissance, sans déplacement, de tous les livres et documents de HR Rail.
  Il peut demander aux membres de ses organes de gestion, membres du personnel et préposés toutes les informations et procéder à toutes les vérifications qui lui paraissent nécessaires à l'exécution de son mandat.
  § 5. Le commissaire du Gouvernement peut introduire un recours auprÚs du ministre dont relÚve HR Rail contre toute décision des organes de gestion de HR Rail qu'il estime contraire à la loi ou aux statuts.
  Il dispose Ă cet effet d'un dĂ©lai de quatorze jours. Ce dĂ©lai court Ă partir du jour de la rĂ©union Ă laquelle la dĂ©cision a Ă©tĂ© prise, pour autant que le commissaire du Gouvernement y ait Ă©tĂ© rĂ©guliĂšrement convoquĂ© et, dans le cas contraire, Ă partir du jour oĂč il a reçu connaissance de ladite dĂ©cision. Ce recours a un effet suspensif.
  Tout recours du commissaire du Gouvernement est signifiĂ©, le jour oĂč il a Ă©tĂ© signifiĂ© au ministre dont relĂšve HR Rail, par lettre recommandĂ©e au prĂ©sident du conseil d'administration, qui en avertit sans dĂ©lai les autres administrateurs.
  § 6. Dans un dĂ©lai de quatorze jours prenant cours le mĂȘme jour que celui visĂ© au paragraphe 5, deuxiĂšme alinĂ©a, le ministre dont relĂšve HR Rail signifie au prĂ©sident du conseil d'administration l'annulation de la dĂ©cision.
  Dans le cas oĂč la dĂ©cision a ou est susceptible d'avoir un impact sur le budget gĂ©nĂ©ral des dĂ©penses de l'Etat, le dĂ©lai visĂ© au premier alinĂ©a est prolongĂ© de quatorze jours. Le ministre dont relĂšve HR Rail informe le prĂ©sident du conseil d'administration de HR Rail de cette prolongation et demande l'accord du Ministre du Budget avant de procĂ©der Ă l'annulation de la dĂ©cision.
  A défaut de notification de la décision dans le délai visé au premier alinéa, prolongé le cas échéant en application du deuxiÚme alinéa, la décision de HR Rail se voit accorder un caractÚre définitif.
  Section 2. ContrÎle de la situation financiÚre
  Art. 55. § 1er. Le contrÎle de la situation financiÚre, des comptes annuels et de la régularité, au regard de la loi et du statut organique, des opérations à constater dans les comptes annuels, est confié, au sein de HR Rail, à un collÚge de commissaires qui compte trois membres. Les membres du collÚge portent le titre de commissaire.
  § 2. Un membre du collÚge des commissaires est nommé par la Cour des Comptes parmi ses membres. Conformément à l'article 156 du Code des sociétés, les deux autres membres sont nommés parmi les membres de l'Institut des réviseurs d'entreprise par l'assemblée générale de HR Rail, le comité d'entreprise stratégique de HR Rail remplissant la fonction du conseil d'entreprise.
  § 3. Les commissaires sont nommés pour un terme de maximum six ans renouvelable une fois.
  Chapitre 6. Comptabilité et comptes annuels
  Art. 56. § 1er. HR Rail est soumise à la loi du 17 juillet 1975 relative à la comptabilité et aux comptes annuels des entreprises. Elle établit sa comptabilité par année civile. Elle établit un systÚme distinct de comptes pour les activités ayant trait à sa mission de service public, d'une part, et pour ses autres activités, d'autre part.
  L'annexe des comptes annuels contient un Ă©tat rĂ©capitulatif des comptes relatifs Ă la mission de service public et un commentaire Ă ce sujet. Le Roi peut arrĂȘter des rĂšgles gĂ©nĂ©rales ou particuliĂšres relatives Ă la forme et au contenu de cet Ă©tat rĂ©capitulatif et de ce commentaire.
  § 2. Chaque année, le conseil d'administration dresse un inventaire, et établit les comptes annuels et un rapport de gestion. Le rapport de gestion contient les informations visées à l'article 96 du Code des sociétés.
  Sous rĂ©serve des rĂšgles particuliĂšres arrĂȘtĂ©es en vertu de l'article 10, § 2, troisiĂšme alinĂ©a, de la loi du 17 juillet 1975 relative Ă la comptabilitĂ© et aux comptes annuels des entreprises, insĂ©rĂ©e par la loi du 1er juillet 1983, les comptes annuels, le rapport de gestion et le rapport du collĂšge des commissaires sont publiĂ©s de la maniĂšre dĂ©terminĂ©e aux articles 98 et 100 du Code des sociĂ©tĂ©s. Les articles 104 et 105 du Code des sociĂ©tĂ©s sont d'application.
  § 3. Quatorze jours avant l'assemblée générale, le conseil d'administration communique les comptes annuels accompagnés du rapport de gestion et du rapport du collÚge des commissaires au ministre dont relÚve HR Rail, ainsi qu'au Ministre du Budget.
  Avant le 30 juin de l'année suivant l'exercice concerné, le ministre dont relÚve HR Rail communique les documents visés au premier alinéa à la Cour des Comptes pour vérification.
  La Cour des Comptes peut, à l'intervention de son représentant au collÚge des commissaires, organiser un contrÎle sur place des comptes et opérations ayant trait à l'exécution de la mission de service public. La Cour peut publier les comptes dans son Cahier d'Observations.
  Avant la mĂȘme date, le ministre dont relĂšve HR Rail communique les documents visĂ©s au premier alinĂ©a aux Chambres lĂ©gislatives.
  Chapitre 7. Financement
  Art. 57. Sans préjudice de l'article 52, la facturation par HR Rail à Infrabel et la SNCB des services RH, y-compris la mise à disposition du personnel, doit couvrir au moins le prix coutant.
  Art. 58. HR Rail décide, dans les limites de son objet social, du placement de ses fonds disponibles.
  Art. 59. HR Rail n'affecte aucun moyen provenant de subventions d'Etat, au développement, au financement et à l'exploitation d'activités autres que celles prévues dans le cadre de sa mission de service public.
  Chapitre 8. Statut fiscal
  Art. 60. HR Rail est un établissement public d'Etat au sens de l'article 161 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothÚque et de greffe, et au sens de l'article 55 du Code des droits de succession.
  Elle est exemptée de tous impÎts et taxes quelconques au profit des provinces et des communes, à l'exception toutefois des redevances en vue de rémunérer des services prestés à sa demande.
  Art. 61. La taxation des frais non déductibles encourus par HR Rail est uniquement autorisée dans le chef des sociétés auxquelles le personnel est mis à disposition et auxquelles ces frais sont refacturés, conformément au traitement fiscal qui est propre à ces frais dans leur chef. Un décompte annuel des frais non déductibles sera établi et transmis aux entités utilisant le personnel mis à leur disposition. Les frais non-déductibles liés au personnel qui n'est pas mis à disposition, demeurent imposables dans le chef de HR Rail selon les rÚgles normales applicables en matiÚre d'impÎt des sociétés.
  Chapitre 9. Dissolution
  Art. 62. La dissolution de HR Rail ne peut ĂȘtre prononcĂ©e que par ou en vertu d'une loi. La loi rĂšgle le mode et les conditions de la liquidation.
  Chapitre 10. Dispositions diverses
  Art. 63. HR Rail décide, dans les limites de son objet social, de l'acquisition, l'utilisation et l'aliénation de ses biens matériels et immatériels, de la constitution ou de la suppression de droits réels sur ces biens, ainsi que de l'exécution de telles décisions.
  Art. 64. Les marchés de travaux, de fournitures et de services sont passés par ou en vertu d'une décision du conseil d'administration. Le conseil d'administration détermine les marchés pour lesquels le directeur général est seul compétent et les marchés pour lesquels le directeur général peut déléguer la décision.
  Art. 65. HR Rail peut conclure des transactions et des conventions d'arbitrage. Toutefois, toute convention d'arbitrage conclue avec des personnes physiques avant la naissance du différend est nulle.
  Titre 3. Personnel
  Chapitre 1er. Principes gouvernant le statut du personnel et le statut syndical
  Art. 66. HR Rail est l'employeur unique du personnel statutaire et non statutaire des Chemins de fer belges, qu'il soit mis ou non à la disposition d'Infrabel et de la SNCB.
  HR Rail emploie du personnel pour l'exécution de ses propres missions. Infrabel et la SNCB peuvent uniquement employer du personnel mis à leur disposition par HR Rail. Infrabel, la SNCB et HR Rail fixent le cadre du personnel, chacune pour le personnel qu'elles utilisent.
  Art. 67. § 1er. Le personnel des Chemins de fer belges est recruté par ou en vertu d'une décision du conseil d'administration de HR Rail et employé en vertu du statut du personnel et de la réglementation du personnel.
  § 2. Toutefois, HR Rail peut recruter et employer du personnel en vertu d'un contrat de travail soumis à la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail afin :
  1° de répondre à un besoin exceptionnel et temporaire de personnel, qu'il s'agisse soit de la mise en oeuvre d'actions limitées dans le temps, soit d'un surcroßt extraordinaire de travail;
  2° d'exécuter des tùches nécessitant une connaissance ou expérience de haute qualification;
  3° de remplacer des membres du personnel statutaire ou non statutaire pendant des périodes d'absence temporaire partielle ou totale;
  4° d'accomplir des tùches auxiliaires ou spécifiques.
  Art. 68. § 1er. La hiérarchie des sources de droit dans les relations de travail entre les Chemins de fer belges et les membres de son personnel statutaire, est établie comme suit :
  1° Les dispositions impératives déterminées par ou en vertu de la loi;
  2° Les conventions collectives conclues au sein de la Commission Entreprises publiques, conformément à l'article 31, § 4, de la loi du 21 mars 1991;
  3° Le statut du personnel;
  4° La réglementation du personnel;
  5° Le rÚglement du travail;
  6° Les ordres de la société qui exerce l'autorité patronale;
  7° La loi dans ses dispositions supplétives;
  8° L'usage.
  § 2. En cas de contrariété entre une norme d'une source de droit inférieure et une norme d'une source de droit supérieure, la norme de la source de droit supérieure prime et la norme de la source de droit inférieure n'est pas appliquée.
  Art. 69. Dans leurs relations avec le personnel statutaire mis à leur disposition, Infrabel et la SNCB doivent agir conformément aux droits et obligations découlant des sources de droit applicables, en ce compris le statut du personnel et la réglementation du personnel.
  Art. 70. Infrabel, la SNCB et HR Rail sont soumises au droit commun quant à la durée de travail et la liberté d'association.
  Art. 71. § 1er. La mobilité du personnel entre HR Rail, Infrabel et la SNCB est réglée par ou en vertu du statut du personnel.
  § 2. La mobilité externe déterminée à l'article 29bis de la loi du 21 mars 1991 est d'application au personnel des Chemins de fer belges.
  Chapitre 2. Mise à disposition du personnel par HR Rail
  Art. 72. § 1er. HR Rail met à la disposition d'Infrabel et de la SNCB le personnel statutaire et non statutaire nécessaire à l'exécution de leurs missions. Durant la période de leur mise à disposition, les membres du personnel sont toutefois exclusivement soumis à l'autorité patronale d'Infrabel ou de la SNCB.
  La mise Ă disposition du personnel s'effectue selon les dispositions de la prĂ©sente loi. Les autres conditions et modalitĂ©s relatives Ă la mise Ă disposition du personnel en vertu du premier alinĂ©a, peuvent ĂȘtre fixĂ©es dans une convention Ă conclure entre HR Rail et Infrabel et/ou la SNCB aprĂšs la publication de la prĂ©sente loi au Moniteur belge. Cette convention ainsi que toutes les modifications Ă celle-ci sont soumises Ă l'accord prĂ©alable de la Commission paritaire nationale statuant Ă la majoritĂ© des deux tiers des voix exprimĂ©es, conformĂ©ment Ă la procĂ©dure dĂ©terminĂ©e Ă l'article 75.
  § 2. Le chapitre III de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, ne s'applique pas à la mise à disposition du personnel visée au paragraphe 1er.
  § 3. Le personnel mis à la disposition d'Infrabel est financiÚrement à charge d'Infrabel, et le personnel mis à la disposition de la SNCB est financiÚrement à charge de la SNCB.
  Sans prĂ©judice Ă la mobilitĂ© visĂ©e Ă l'article 71, § 1, il ne peut ĂȘtre mis fin Ă la mise Ă disposition d'un membre du personnel Ă Infrabel ou Ă la SNCB que moyennant l'accord prĂ©alable de HR Rail.
  La section 7 du chapitre 5 du présent titre n'est pas applicable à la décision à prendre par HR Rail concernant la fin de la mise à disposition visée au second alinéa du présent paragraphe.
  § 4. HR Rail identifie le personnel disponible sur base du statut du personnel et de la réglementation du personnel. HR Rail recherche, en collaboration avec Infrabel ou la SNCB, selon le cas, une utilisation adéquate du personnel disponible en application du statut du personnel et de la réglementation du personnel, dans le respect des obligations en matiÚre de dialogue social.
  § 5. Les membres du personnel qui sont mis Ă la disposition d'Infrabel doivent ĂȘtre considĂ©rĂ©s comme Ă©tant " prĂ©posĂ©s " d'Infrabel et Infrabel comme " commettant " de ces membres du personnel, au sens de l'article 1384, troisiĂšme alinĂ©a, du Code civil.
  Les membres du personnel qui sont mis Ă la disposition de la SNCB doivent ĂȘtre considĂ©rĂ©s comme Ă©tant " prĂ©posĂ©s " de la SNCB et la SNCB comme " commettant " de ces membres du personnel, au sens de l'article 1384, troisiĂšme alinĂ©a, du Code civil.
  Chapitre 3. Fixation du statut du personnel et du statut syndical
  Art. 73. Le statut du personnel, le statut syndical, ainsi que l'ensemble de la réglementation du personnel qui existait au 31 décembre 2013, passent de plein droit à HR Rail et constituent le premier statut du personnel, le premier statut syndical et la premiÚre réglementation du personnel, sans préjudice des articles 68 et 78.
  Art. 74. § 1er. Sans pouvoir porter prĂ©judice aux dispositions de la prĂ©sente loi et Ă ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution, les rĂ©glementations de base relatives au statut administratif, au statut pĂ©cuniaire, au rĂ©gime des pensions du personnel statutaire, Ă l'organisation des services sociaux Ă©ventuels, telles que citĂ©es Ă l'article 34, § 2, sous A, B, C et E, de la loi du 21 mars 1991, Ă d'autres matiĂšres en ce qui concerne le personnel statutaire, telles que citĂ©es Ă l'article 34, § 2, F, de la loi du 21 mars 1991, et aux matiĂšres en ce qui concerne le personnel non statutaire telles que citĂ©es Ă l'article 34, § 2, G, de la loi du 21 mars 1991, sont celles reprises dans le statut du personnel et la rĂ©glementation du personnel en matiĂšre de " Prestations et repos ".
  § 2. Sans pouvoir porter prĂ©judice aux dispositions de la prĂ©sente loi et Ă ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution, les rĂ©glementations de base relatives aux relations collectives de travail telles que citĂ©es Ă l'article 34, § 2, D, de la loi du 21 mars 1991, sont celles Ă©noncĂ©es dans le statut du personnel et le statut syndical.
  Art. 75. Chaque proposition portant fixation ou modification du statut du personnel, du statut syndical ou de réglementation du personnel en matiÚre de " Prestations et repos " est soumise pour négociation à la Commission paritaire nationale, conformément au statut du personnel.
  Chaque proposition visée à l'alinéa 1er fait l'objet d'une procédure de négociation au sein de la Commission paritaire nationale au terme de laquelle celle-ci statue à la majorité des deux tiers des voix exprimées.
  Chaque rĂ©glementation ainsi votĂ©e par la Commission paritaire nationale lie le conseil d'administration de HR Rail qui arrĂȘte la modification.
  Art. 76. § 1er. A l'exclusion des rÚglements relatifs à la carriÚre administrative et pécuniaire du personnel cadre, qui relÚvent de la compétence du conseil d'administration de HR Rail, chaque proposition portant fixation ou modification de la réglementation du personnel, fait l'objet d'une procédure de concertation au sein de la Commission paritaire nationale, en vue d'un avis de cette Commission paritaire nationale. Les propositions sont introduites conformément à l'article 120, § 1, et sans préjudice de l'article 87.
  § 2. Cette réglementation est fixée par le conseil d'administration de HR Rail.
  Chapitre 4. Dispositions particuliÚres quant aux membres du personnel non statutaire
  Section 1re. Conventions collectives
  Art. 77. § 1er. Il peut ĂȘtre conclu au sein de la Commission paritaire nationale, Ă la majoritĂ© des deux tiers des voix exprimĂ©es, des conventions collectives qui rĂšglent les relations individuelles et collectives avec les membres du personnel non statutaire.
  § 2. Les conventions collectives conclues au sein de la Commission paritaire nationale lient Infrabel, la SNCB et HR Rail, les membres du personnel non statutaire de HR Rail, qu'ils soient ou non mis à la disposition d'Infrabel ou de la SNCB, ainsi que les organisations syndicales.
  § 3. Les conventions collectives sont numérotées, enregistrées auprÚs de HR Rail et mises par HR Rail à la disposition des membres du personnel non statutaire qui en font la demande.
  Section 2. Sources de droit
  Art. 78. § 1er. La hiérarchie des sources de droit dans les relations de travail entre les Chemins de fer belges et les membres de son personnel non statutaire, est établie comme suit :
  1° Les dispositions impératives déterminées par ou en vertu de la loi;
  2° Les conventions collectives conclues au sein de la Commission Entreprises publiques, conformément à l'article 31, § 4, de la loi du 21 mars 1991;
  3° Les conventions collectives conclues au sein de la Commission paritaire nationale;
  4° Le contrat de travail individuel écrit;
  5° Le rÚglement du travail dans lequel sont notamment considérées comme reprises les dispositions du statut du personnel et de la réglementation du personnel qui ont également été déclarées applicables au personnel non statutaire;
  6° Les ordres de la société qui exerce l'autorité patronale;
  7° La loi dans ses dispositions supplétives;
  8° La convention individuelle verbale;
  9° L'usage.
  § 2. En cas de contrariété entre une norme d'une source de droit inférieure et une norme d'une source de droit supérieure, la norme de la source de droit supérieure prime et la norme de la source de droit inférieure n'est pas appliquée.
  Art. 79. Dans leurs relations avec le personnel non statutaire mis à leur disposition, Infrabel et la SNCB doivent agir conformément aux droits et obligations découlant des sources de droit applicables.
  Chapitre 5. Compétences et responsabilités de HR Rail, Infrabel et la SNCB en matiÚre de personnel
  Art. 80. Le prĂ©sent chapitre n'est pas applicable au bien-ĂȘtre au travail.
  Section 1. Missions de base de HR Rail
  Art. 81. HR Rail devra au moins se charger des missions suivantes en ce qui concerne le personnel mis à disposition :
  1° la sélection, le recrutement, l'orientation et l'identification des talents et compétences du personnel statutaire et non statutaire nécessaire à l'accomplissement des missions de HR Rail, d'Infrabel et de la SNCB;
  2° le paiement des rémunérations et traitements du personnel statutaire et non statutaire;
  3° la formation transversale du personnel statutaire et non statutaire. Infrabel et la SNCB organisent des formations spécifiques propres au métier pour le personnel qui est mis à leur disposition. Infrabel et la SNCB informent HR Rail de toute initiative de formation collective spécifique au sein de leur propre société;
  4° le respect de toutes les obligations qui lui incombent en tant qu'employeur afin d'assurer le paiement des allocations familiales;
  5° le suivi de la gestion et de l'exécution des activités de la Caisse des soins de santé, sans préjudice des compétences de son organe de gestion;
  6° la gestion et l'exécution de tous les aspects liés au Fonds des OEuvres Sociales et au Fonds de la documentation sociale, sans préjudice des compétences de leur organe de gestion;
  7° l'organisation du service externe pour la prévention et la protection au travail et de la médecine de l'administration dont les compétences et les tùches sont décrites dans le statut du personnel;
  8° tous les aspects liĂ©s Ă la gestion des pensions statutaires sur la base de l'article 159 de la loi-programme du 27 dĂ©cembre 2005 et conformĂ©ment Ă l'arrĂȘtĂ© royal du 28 dĂ©cembre 2005 relatif Ă la reprise des obligations de pension de la SNCB Holding par l'Etat belge, confirmĂ©e par la loi-programme du 20 juillet 2006, et les autres arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution;
  9° l'organisation et la gestion du dialogue social au niveau des Chemins de fer belges;
  10° le soutien pour l'exécution RH et la politique RH, ainsi que pour l'organisation et le maintien des connaissances du statut du personnel.
  Section 2. Compétences en matiÚre de politique RH
  Sous-section 1. Dispostions générales
  Art. 82. HR Rail veille Ă l'application cohĂ©rente et consistante du statut du personnel, y compris le statut syndical, la rĂ©glementation du personnel, ainsi que la lĂ©gislation applicable et ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution.
  Art. 83. § 1er. HR Rail dispose de compétences sur le plan de la politique RH pour ce qui concerne les membres du personnel qui ne sont pas mis à disposition d'Infrabel et de la SNCB.
  § 2. Infrabel et la SNCB possÚdent, chacune pour ce qui concerne sa propre société, les compétences de la politique RH, qui contiennent entre autres :
  1° la détermination des objectifs RH en veillant à leur conformité avec la stratégie d'entreprise;
  2° la détermination des exigences de résultats et de qualité du service en dialogue avec HR Rail;
  3° l'octroi de missions à HR Rail en ce qui concerne la gestion RH, l'exécution RH et la contribution à l'expertise RH;
  4° l'octroi de missions à HR Rail dans le cadre de la modernisation des RH en dialogue avec HR Rail;
  5° l'évaluation de la politique RH, son exécution et les décisions d'adaptation;
  6° l'adoption de certaines décisions au niveau des processus, la nature de celles-ci étant précisée en dialogue avec HR Rail.
  Sous-section 2. Dispositions particuliÚres
  Art. 84. La présente sous-section porte sur les décisions générales relatives à la politique RH telle que visée à l'article 21.
  Au sein de la politique RH, sont distinguées :
  1° " La politique RH réglementaire " : La politique RH comprenant toutes les décisions en matiÚre de politique fixant ou adaptant le statut du personnel, y compris le statut syndical, ou la réglementation du personnel.
  Il s'agit de toutes les décisions de politique RH autres que celles visées par la politique RH mentionnée sous 2°.
  2° " La politique RH non réglementaire " : La politique RH, en ce compris toutes les autres décisions en matiÚre de politique fixant ou adaptant la politique RH de portée générale, qui n'impliquent ou ne nécessitent aucune modification de la politique RH réglementaire décrite au 1°.
  1° La politique RH réglementaire
  Art. 85. § 1er. De sa propre initiative ou sur proposition d'Infrabel, de la SNCB ou de HR Rail, le Comité de Coordination RH propose des modifications à la politique RH réglementaire.
  § 2. Lorsque, dans un délai de trente jours, le Comité de Coordination RH ne trouve pas un consensus concernant un projet présenté de politique RH réglementaire, le conseil d'administration de HR Rail décide aprÚs transfert de la proposition à l'initiative soit du directeur général de HR Rail, soit du responsable de la politique du personnel auprÚs d'Infrabel, soit du responsable de la politique du personnel auprÚs de la SNCB. Le conseil d'administration de HR Rail approuve alors ou non la proposition de politique.
  Art. 86. AprÚs approbation par le Comité de Coordination RH ou, le cas échéant, par le conseil d'administration ou l'assemblée générale de HR Rail, le directeur général de HR Rail soumet la proposition de politique RH réglementaire pour concertation ou négociation à la Commission paritaire nationale, selon les procédures requises dans le cadre du dialogue social, telles que définies par les articles 75 et 76.
  Art. 87. Le conseil d'administration de HR Rail fixe définitivement la politique RH réglementaire, sans préjudice de l'application de l'article 75, dans lequel est prescrit dans quels cas le conseil d'administration de HR Rail est lié par la position de la Commission paritaire nationale.
  2° La politique RH non-réglementaire
  Art. 88. Le directeur général de HR Rail, le responsable de la politique du personnel auprÚs d'Infrabel et le responsable de la politique du personnel auprÚs de la SNCB sont, chacun pour la société qu'ils représentent, compétents pour préparer la politique RH non réglementaire à l'attention du personnel sur lequel la société exerce l'autorité patronale.
  Art. 89. Chaque projet de politique RH non-réglementaire est communiqué au Comité de Coordination RH. Le directeur général de HR Rail donne dans un délai de trente jours un avis motivé au Comité de Coordination RH si la décision de politique envisagée a un impact qui nécessite une adaptation de la politique RH réglementaire et si le projet ressort de l'article 118. Lorsque le Comité de Coordination RH, lors de sa prochaine réunion, constate à la majorité simple, sur base de cet avis motivé, que la décision de politique projetée a un impact qui nécessite une adaptation de la politique RH réglementaire, la procédure pour la politique RH réglementaire est suivie.
  Art. 90. Les conseils d'administration de HR Rail, d'Infrabel ou de la SNCB, selon le cas, sont compétents pour la fixation définitive de la politique RH non-réglementaire au sein de leur propre société. Ils informent le directeur général de HR Rail et le Comité de Coordination RH des décisions prises en la matiÚre.
  Section 3. Compétences en matiÚre d'exécution RH
  Art. 91. § 1er. Sans préjudice du paragraphe 2, HR Rail est compétente pour l'exécution RH pour les membres du personnel de HR Rail, qu'il soient ou non mis à la disposition d'Infrabel ou de la SNCB.
  § 2. A la demande d'Infrabel et de la SNCB, HR Rail exécute les processus RH, conformément aux exigences de résultats et de qualité du service fixées dans le contrat de services RH. Dans ce cadre, HR Rail définit la politique d'exécution générale et évalue la politique d'exécution périodiquement.
  Art. 92. HR Rail organise réguliÚrement un dialogue bilatéral avec Infrabel et/ou la SNCB en matiÚre d'exécution RH.
  Art. 93. HR Rail veille à l'uniformité requise dans l'application du statut du personnel lors de l'exécution RH.
  Dans la mesure oĂč HR Rail constate des problĂšmes d'interprĂ©tation susceptibles de nuire Ă l'uniformitĂ©, HR Rail rĂ©percute l'information Ă Infrabel et/ou Ă la SNCB selon les modalitĂ©s prescrites dans le contrat de services RH.
  Art. 94. HR Rail veille à la qualité de l'exécution opérationnelle RH en termes d'orientation client, d'efficacité et d'efficience.
  Art. 95. Pour certains processus RH, Infrabel et la SNCB effectuent elles-mĂȘmes certaines activitĂ©s. Il s'agit toujours d'activitĂ©s dont la rĂ©alisation requiert une collaboration intensive avec la ligne hiĂ©rarchique d'Infrabel ou de la SNCB.
  HR Rail fournit une expertise RH de maniÚre proactive ou à la demande d'Infrabel ou de la SNCB.
  Section 4. Compétences en matiÚre de gestion RH
  Art. 96. § 1er. HR Rail est, pour ce qui concerne les membres du personnel qui ne sont pas mis à disposition, compétente pour la gestion RH.
  § 2. HR Rail est compétente pour la gestion RH et responsable au moins des tùches suivantes pour ce qui concerne le personnel mis à disposition :
  1° la gestion, aprÚs leur traitement administratif, des données et du know-how découlant de l'exécution opérationnelle de la politique RH;
  2° la collecte, l'analyse et la mise à disposition systématiques et adéquates des données, statistiques et informations pertinentes concernant le personnel;
  3° la facilitation de l'accÚs à la gestion des données pour Infrabel et la SNCB;
  4° veiller à la qualité des données et leur protection;
  5° l'adoption de mesures visant Ă dĂ©tecter la fraude et Ă lutter contre celle-ci, sans prĂ©judice de la lutte contre la fraude par Infrabel et la SNCB elles-mĂȘmes;
  6° l'investissement dans des systÚmes informatiques et des systÚmes de qualité;
  7° la gestion et l'exécution de tous les aspects liés au Fonds des OEuvres Sociales, et au Fonds de la documentation sociale, et éventuellement à d'autres Caisses ou Fonds au profit du personnel, sans préjudice de la compétence de leur organe de gestion;
  8° la gestion des conventions collectives conclues en application de l'article 77.
  Section 5. Compétences en matiÚre d'expertise RH
  Art. 97. § 1er. HR Rail se charge de l'expertise RH, y compris l'expertise juridique, et conseille et informe de maniÚre proactive ou à la demande d'Infrabel et de la SNCB.
  § 2. L'apport d'expertise RH visée au paragraphe 1er comprend notamment les tùches suivantes :
  1° HR Rail organise au sein de ses principaux processus RH une systématique de développement de l'expertise et de consultance;
  2° HR Rail analyse les données RH et les transpose en des informations de politique utilisables pour Infrabel et la SNCB;
  3° HR Rail développe l'expertise RH conformément à la vision relative à une gestion moderne intégrée en matiÚre de personnel;
  4° HR Rail est compétente pour faire appel à un service externe en vue du développement et/ou de l'amélioration d'une gestion moderne intégrée en matiÚre de personnel;
  5° HR Rail compare les processus opérationnels RH avec des processus RH similaires pouvant servir d'exemple.
  § 3. HR Rail peut prendre l'initiative de formuler des propositions de politique en vue de la modernisation des RH.
  Section 6. Contrat de services RH
  Art. 98. § 1er. Pour les services confiés à HR Rail par la loi ou par le contrat de services RH applicable, Infrabel et la SNCB feront exclusivement appel aux services de HR Rail.
  § 2. Un contrat de services RH est conclu entre Infrabel et HR Rail et entre la SNCB et HR Rail. Le contrat de services RH précise les droits et obligations réciproques en matiÚre de politique RH, d'exécution RH, de gestion RH et d'expertise RH pour chacun des domaines de RH tels qu'énumérés à l'article 21, sans préjudice des dispositions légales et réglementaires, en ce compris le statut du personnel et la réglementation du personnel.
  Le contrat de services RH dĂ©finit les sanctions qui seront appliquĂ©es dans le cas oĂč l'une des parties ne respecte pas les dispositions du contrat de services RH.
  § 3. Le projet de contrat de services RH est soumis, pour avis Ă la Commission paritaire nationale, sur proposition conjointe de HR Rail et respectivement d'Infrabel ou de la SNCB, avant d'ĂȘtre soumis au conseil d'administration de HR Rail.
  La Commission paritaire nationale dispose d'un dĂ©lai de trente jours, qui prend cours le jour suivant le jour oĂč le projet lui a Ă©tĂ© transmis, pour rendre un avis concernant ledit projet.
  Art. 99. A l'initiative d'Infrabel, de la SNCB ou de HR Rail, le contrat de services RH peut ĂȘtre adaptĂ© et/ou modernisĂ© selon la procĂ©dure dĂ©crite Ă l'article 98.
  Art. 100. § 1er. Le contrat de services RH Ă©tablit la procĂ©dure de dialogue ou de mĂ©diation devant ĂȘtre suivie par HR Rail, Infrabel et la SNCB en cas de litige concernant l'application et/ou l'interprĂ©tation de la rĂ©partition rĂ©ciproque des compĂ©tences entre les sociĂ©tĂ©s.
  § 2. Le Roi peut définir plus en détails les éléments particuliers qui doivent figurer dans le contrat de services RH et les modalités relatives à son entrée en vigueur, et ce en tenant compte de l'article 81.
  Art. 101. Si aucun contrat de services RH n'a Ă©tĂ© conclu concernant les domaines de RH visĂ©s Ă l'article 21 entre HR Rail et Infrabel ou HR Rail et la SNCB pour le 30 juin 2014 au plus tard, le Roi peut lui-mĂȘme fixer de façon contraignante le contenu des clauses qui auraient dĂ» figurer dans le contrat de services RH manquant, aprĂšs avoir sollicitĂ© l'avis de la Commission paritaire nationale, conformĂ©ment Ă la procĂ©dure prĂ©vue Ă l'article 98, § 3.
  Les dispositions ainsi fixées seront applicables jusqu'à ce que le contrat de services RH manquant soit conclu.
  Section 7. Compétences de HR Rail, Infrabel et la SNCB quant aux décisions en matiÚre de personnel à portée individuelle
  Sous-section 1re. Dispositions générales
  Art. 102. Pour l'application de la présente section, les " décisions en matiÚre de personnel à portée individuelle " concernent toutes les décisions prises à l'égard d'un membre identifiable du personnel de HR Rail, qu'il s'agisse du personnel statutaire ou non statutaire, et qui ont ou peuvent avoir des conséquences juridiques à l'égard de ce membre du personnel.
  Parmi les décisions en matiÚre de personnel à portée individuelle sont également inclues les premiÚres décisions de recrutement, par lesquelles un membre du personnel est recruté par HR Rail, qu'il soit ou non mis à la disposition d'Infrabel ou de la SNCB.
  Art. 103. Afin de veiller à l'unicité du statut du personnel et de la réglementation du personnel, HR Rail organise réguliÚrement un dialogue bilatéral avec Infrabel et la SNCB concernant l'application des décisions en matiÚre de personnel à portée individuelle.
  Art. 104. Conformément à la section 3 du présent chapitre, HR Rail se charge de l'exécution RH des décisions en matiÚre de personnel à portée individuelle, que les décisions soient prises par HR Rail, Infrabel ou la SNCB.
  Art. 105. Les droits et engagements réciproques concernant les décisions en matiÚre de personnel à portée individuelle entre HR Rail, Infrabel et la SNCB sont fixés plus en détail dans le contrat de services RH.
  Sous-section 2. Compétences décisionnelles ordinaires
  Art. 106. HR Rail prend toutes les décisions en matiÚre de personnel à portée individuelle vis-à -vis du personnel statutaire et non statutaire qui n'est pas mis à disposition ou ne sera pas mis à disposition d'Infrabel et de la SNCB.
  Art. 107. Sans préjudice des articles 111, 112 et 113, HR Rail prend formellement toutes les décisions en matiÚre de personnel à portée individuelle pour un membre du personnel mis à la disposition ou qui y sera mis à la disposition d'Infrabel ou de la SNCB, sur proposition motivée conforme de l'organe compétent d'Infrabel ou de la SNCB, selon le cas.
  Art. 108. § 1er. Infrabel ou la SNCB peuvent, de leur propre initiative, adresser une proposition motivée à HR Rail concernant une décision en matiÚre de personnel à portée individuelle pour un membre du personnel qui est ou sera mis à leur disposition.
  § 2. La proposition motivée d'Infrabel ou de la SNCB lie HR Rail.
  § 3. HR Rail prend une décision formelle motivée de non-exécution d'une proposition motivée d'Infrabel ou de la SNCB si la proposition d'Infrabel ou de la SNCB est contraire à une norme d'une source de droit supérieure.
  § 4. HR Rail prend une décision formelle dans un délai de trente jours aprÚs que la proposition motivée lui ait été transmise.
  § 5. A dĂ©faut d'une dĂ©cision au sens du paragraphe 4 prise par HR Rail dans un dĂ©lai de trente jours, Infrabel ou la SNCB intervient Ă la place de HR Rail pour prendre Ă©galement la dĂ©cision formelle concernant laquelle elle a exprimĂ© une proposition contraignante. Un autre dĂ©lai peut-ĂȘtre convenu dans le contrat de services RH.
  Art. 109. § 1er. A la demande de HR Rail, Infrabel ou la SNCB, selon le cas, formule dans un délai de trente jours une proposition motivée concernant une décision en matiÚre de personnel à portée individuelle pour un membre du personnel qui est ou sera mis à sa disposition.
  § 2. HR Rail est liée par la proposition motivée d'Infrabel ou de la SNCB.
  § 3. HR Rail prend une décision formelle dans un délai de trente jours suivant la transmission de la proposition motivée d'Infrabel ou de la SNCB.
  § 4. HR Rail ne prend aucune décision formelle à défaut de proposition motivée d'Infrabel ou de la SNCB dans un délai de trente jours suivant la date à laquelle HR Rail a sollicité une proposition d'Infrabel ou de la SNCB.
  Sous-section 3. Compétences décisionnelles particuliÚres
  Art. 110. § 1er. HR Rail est l'autorité compétente en matiÚre d'évaluation pour le personnel qui n'est pas mis à disposition d'Infrabel et de la SNCB.
  § 2. HR Rail est l'autorité disciplinaire compétente pour le personnel qui n'est pas mis à disposition d'Infrabel et de la SNCB.
  § 3. HR Rail est, pour le personnel visé aux paragraphes 1er et 2, exclusivement compétente pour prendre les décisions d'évaluation et pour imposer des sanctions disciplinaires, conformément à l'article 106.
  Art. 111. § 1er. Infrabel et la SNCB sont chacune pour le personnel mis à leur disposition par HR Rail les autorités compétentes en matiÚre d'évaluation.
  § 2. Infrabel et la SNCB interviennent, en leur qualité d'autorité compétente en matiÚre d'évaluation, de plein droit en lieu et place de HR Rail dans la prise de décisions formelles d'évaluation.
  Art. 112. § 1er. Infrabel et la SNCB interviennent en tant qu'autorité disciplinaire compétente pour le personnel mis à leur disposition par HR Rail.
  § 2. Infrabel et la SNCB interviennent en tant qu'autorité compétente en matiÚre disciplinaire, pour formellement infliger de plein droit en lieu et place de HR Rail des sanctions disciplinaires proposées ou définitives, sauf dans le cas exceptionnel mentionné au paragraphe 3.
  § 3. Si Infrabel et la SNCB, en leur qualité d'autorité disciplinaire, ont l'intention d'infliger à un membre du personnel une sanction disciplinaire mettant ou pouvant mettre fin à l'emploi dudit membre du personnel statutaire mis à leur disposition, la compétence décisionnelle ordinaire telle que visée aux articles 106 et suivants est applicable.
  Art. 113. Dans les cas exceptionnels d'urgence prévus dans le contrat de services RH, Infrabel ou la SNCB peut agir de plein droit en lieu et en place de HR Rail pour prendre également la décision formelle.
  Le motif d'urgence doit ĂȘtre motivĂ©.
  La décision est soumise pour information et pour exécution au directeur général de HR Rail.
  Chapitre 6. Dialogue social
  Section 1re. Organes de dialogue social au niveau des Chemins de fer belges
  Sous-section 1re. En général
  Art. 114. HR Rail est responsable pour l'organisation et la gestion du dialogue social au niveau des Chemins de fer belges.
  Sous-section 2. La Commission paritaire nationale
  Art. 115. La Commission paritaire nationale est l'organe de dialogue social supérieur pour les questions sociales des Chemins de fer belges, tant propres à l'une des sociétés que dépassant le niveau d'une société.
  1° Composition
  Art. 116. La Commission paritaire nationale comprend vingt-six membres, à savoir :
  a) trois membres nommés par le conseil d'administration de HR Rail, dont, dans tous les cas, le président du conseil d'administration de HR Rail, qui est de plein droit président de la Commission paritaire nationale, et le directeur général de HR Rail;
  b) cinq membres nommés par le conseil d'administration d'Infrabel;
  c) cinq membres nommés par le conseil d'administration de la SNCB;
  d) un membre nommé par chaque organisation interprofessionnelle des travailleurs, constituée sur le plan national et représentée au Conseil national du Travail, qui est également représentée au sein d'Infrabel, de la SNCB et de HR Rail;
  e) les autres membres nommés par les organisations syndicales reconnues au sens du statut du personnel au prorata du nombre des membres cotisants de chacune de ces organisations syndicales au sein d'Infrabel, de la SNCB et de HR Rail réunies.
  Art. 117. La Commission paritaire nationale est renouvelée tous les six ans, à une date fixée par le statut du personnel, sur la base des données au premier janvier de l'année de renouvellement.
  2° Compétences
  Art. 118. Nonobstant toute disposition contraire et sans préjudice des autres dispositions de la présente loi, la Commission paritaire nationale dispose des compétences suivantes, vis-à -vis des Chemins de fer belges ainsi que, le cas échéant, vis-à -vis de chaque société distinctement :
  1° examiner toutes les questions relatives aux dispositions du statut du personnel et aux contrats de travail, y compris les rÚgles concernant la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles, et en général, toutes les questions intéressant directement le personnel, questions qui lui sont transmises conformément à l'article 120, § 1er;
  2° rendre son avis sur toutes les questions d'ordre gĂ©nĂ©ral que les personnes ou organes visĂ©s Ă l'article 120 estimeraient devoir lui soumettre, notamment dans les cas oĂč ces personnes ou organes jugeraient que ces questions peuvent intĂ©resser indirectement le personnel;
  3° l'examen des informations économiques et financiÚres relatives aux sociétés, comme stipulé à l'article 15, b), 1° et 2°, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie et tel que précisé et complété par des conventions collectives de travail conclues au sein du Conseil national du Travail;
  4° nĂ©gocier le statut du personnel, le statut syndical et la rĂ©glementation du personnel en matiĂšre de " Prestations et repos " et arrĂȘter Ă ce sujet, Ă la majoritĂ© des deux tiers des voix exprimĂ©es, une rĂ©glementation liant le conseil d'administration de HR Rail, conformĂ©ment Ă la procĂ©dure dĂ©terminĂ©e Ă l'article 75;
  5° examiner toutes les questions intéressant de façon directe ou indirecte le personnel non statutaire;
  6° avec une majorité de deux tiers des voix exprimées, établir et modifier un ou plusieurs rÚglements de travail, conformément à l'article 11 de la loi du 8 avril 1965 instituant les rÚglements de travail, la Commission paritaire nationale exerçant les tùches du conseil d'entreprise;
  7° rendre son avis concernant le(s) contrat(s) de services RH;
  8° approuver au prĂ©alable, Ă la majoritĂ© des deux tiers des voix exprimĂ©es, la conclusion et la modification des conventions relatives Ă la mise Ă disposition de personnel qui peuvent ĂȘtre conclues conformĂ©ment Ă l'article 72;
  9° rendre son avis concernant la conclusion et la modification des conventions relatives Ă la mise Ă disposition de personnel qui peuvent ĂȘtre conclues conformĂ©ment Ă l'article 153;
  10° participer à la gestion des institutions créées ou à créer en faveur du personnel;
  11° la concertation avec et l'information générale du personnel concernant la politique RH, en ce compris, pour les matiÚres pour lesquelles la procédure déterminée à l'article 75 n'est pas d'application;
  12° prendre connaissance de matiĂšres concernant le bien-ĂȘtre du personnel au travail, qui lui sont communiquĂ©es par la Commission Nationale pour la prĂ©vention et la protection au travail;
  13° formuler un avis concernant l'état triennal du directeur général de HR Rail sur les déplacements des membres du personnel des Chemins de fer belges entre leur domicile et leur lieu de travail, visé à l'article 15, l), de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, inséré par la loi-programme du 8 avril 2003;
  14° examiner les possibilités de réutilisation en cas de suppression d'emploi de personnel statutaire;
  15° négocier et conclure des conventions collectives applicables aux membres du personnel non statutaire, comme déterminé à l'article 77;
  16° introduire une demande d'intervention d'un conciliateur social, comme déterminé à l'article 136.
  Art. 119. Sans prĂ©judice de l'article 136, le prĂ©sident de la Commission paritaire nationale ou un reprĂ©sentant local qui est dĂ©signĂ© par HR Rail en concertation avec le prĂ©sident a un rĂŽle de conciliation pour le dialogue social au niveau des Chemins de fer belges et au sein de chacune des trois sociĂ©tĂ©s. Il peut intervenir de sa propre initiative, ou son intervention peut ĂȘtre sollicitĂ©e par le prĂ©sident de l'organe de dialogue social concernĂ©. Le prĂ©sident d'un organe de dialogue social doit obligatoirement demander l'intervention du prĂ©sident de la Commission paritaire nationale ou de son reprĂ©sentant, si les membres de l'organe de dialogue social lui en font la demande Ă la majoritĂ© des voies exprimĂ©es.
  3° Fonctionnement
  Art. 120. § 1er. Des points peuvent ĂȘtre inscrits Ă l'ordre du jour de la Commission paritaire nationale par :
  1° le conseil d'administration de HR Rail;
  2° le directeur général de HR Rail;
  3° le Comité de Coordination RH;
  4° le conseil d'administration ou le comité de direction d'Infrabel ou de la SNCB;
  5° le président ou son mandataire d'une organisation syndicale siégeant dans la Commission paritaire nationale, conformément aux dispositions du statut du personnel ou du statut syndical.
  § 2. Pour les matiÚres visées à l'article 118, 2°, le ministre ayant les entreprises publiques dans ses attributions peut aussi faire inscrire des points à l'ordre du jour de la Commission paritaire nationale.
  Art. 121. L'administrateur délégué d'Infrabel, l'administrateur délégué de la SNCB ou le directeur général de HR Rail, ou leurs représentants, sont, chacun pour leur société, tenus de fournir à la Commission paritaire nationale les renseignements nécessaires à l'exercice de ses compétences.
  Art. 122. La Commission paritaire nationale se réunit périodiquement selon les dispositions du statut du personnel ou du statut syndical.
  Sous-section 3. Le Comité de pilotage 1° Etablissement et composition
  Art. 123. Il est institué au sein des Chemins de fer belges un comité de pilotage qui est composé comme suit : l'administrateur délégué d'Infrabel, l'administrateur délégué de la SNCB, le directeur général de HR Rail et trois représentants des organisations syndicales reconnues au sens du statut du personnel; le comité est présidé en alternance par l'administrateur délégué d'Infrabel, l'administrateur délégué de la SNCB et le directeur général de HR Rail.
  2° Compétences
  Art. 124. Le comité de pilotage se concerte si nécessaire pour l'accompagnement ponctuel de l'élaboration de nouvelles structures, en cas de conflits sociaux et de problÚmes de gestion opérationnelle, ou si le dialogue social prévu n'apporte pas de solution. Le comité de pilotage peut intervenir en cas de litiges ou de litiges imminents entre organisations syndicales reconnues et les sociétés.
  En outre, le comité de pilotage est compétent pour le suivi de la réforme durant la premiÚre année suivant l'entrée en vigueur de la réforme.
  3° Fonctionnement
  Art. 125. Chaque année, le directeur général de HR Rail fait établir un calendrier pour les réunions du comité de pilotage, sur la base d'une réunion par mois.
  Sans préjudice de ce que prévoit l'article 124, alinéa 2, les réunions n'ont lieu que si un membre du comité de pilotage en fait la demande au plus tard quatorze jours à l'avance. Le président du conseil d'administration de HR Rail et le Comité de Coordination RH peuvent également demander la convocation d'une réunion.
  Art. 126. Le Comité de Coordination RH et chaque membre du comité de pilotage peuvent faire inscrire des points à l'ordre du jour du comité de pilotage.
  Section 2. Organes de dialogue social au niveau de chaque société
  Sous-section 1re. Comité d'entreprise stratégique 1° Constitution
  Art. 127. Infrabel, la SNCB et HR Rail sont responsables pour créer et gérer chacune en leur sein un comité d'entreprise stratégique qui est principalement compétent pour les matiÚres économiques et financiÚres de la société, comme stipulé ci-aprÚs.
  2° Composition
  Art. 128. § 1re. La composition des comitĂ©s d'entreprise stratĂ©giques est rĂ©glĂ©e dans le statut du personnel ou dans le statut syndical, Ă©tant entendu que ces comitĂ©s sont composĂ©s de maniĂšre bipartite d'une part de reprĂ©sentants de la sociĂ©tĂ© concernĂ©e et, d'autre part, de reprĂ©sentants du personnel, et qu'il ne peut ĂȘtre dĂ©signĂ© un nombre de reprĂ©sentants de la sociĂ©tĂ© concernĂ©e supĂ©rieur au nombre de reprĂ©sentants du personnel.
  § 2. Le comité d'entreprise stratégique d'Infrabel est présidé par l'administrateur délégué d'Infrabel. Le comité d'entreprise stratégique de la SNCB est présidé par l'administrateur délégué de la SNCB. Le comité d'entreprise stratégique de HR Rail est présidé par le directeur général de HR Rail. L'administrateur délégué ou le directeur général peut se faire remplacer par son représentant.
  3° Compétences
  Art. 129. § 1er. Sans préjudice des autres dispositions de la présente loi et des compétences résultant de la loi du 21 mars 1991, les comités d'entreprise stratégiques sont, chacun pour la société au sein de laquelle ils sont institués, chargés des compétences suivantes :
  1° Examen des informations économiques et financiÚres relatives à la société concernée, comme stipulé à l'article 15, b), 1° et 2°, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie et tel que précisé et complété par des conventions collectives de travail conclues au sein du Conseil national du Travail;
  2° Prendre connaissance de l'évolution et de la nature de l'emploi au sein de la société concernée, en ce compris le contrÎle du respect des accords relatifs à la mise à disposition de personnel par HR Rail à Infrabel et à la SNCB;
  3° Proposition au ministre ayant les entreprises publiques dans ses attributions, de membres du collÚge de commissaires au sein de la société concernée;
  4° Rendre un avis préalable à la conclusion et à la modification du contrat de gestion d'Infrabel et de la SNCB, et assurer le suivi de l'exécution de ce contrat de gestion;
  5° Prendre connaissance de et rendre un avis préalable sur les mesures susceptibles d'influencer l'emploi à moyen et à long terme;
  6° Prendre connaissance de et rendre un avis préalable sur les mesures à prendre à la suite de décisions ayant un impact à long terme en matiÚre de stratégie générale de l'entreprise, de filiales, de processus de fusions et acquisitions, de restructurations, de politique générale de personnel et des investissements, de l'évolution des finances et des budgets annuels et de la défense de la position concurrentielle;
  7° Veiller au respect des engagements conclus par la société concernée dans le contrat de services RH et, le cas échéant, dans la convention relative à la mise à disposition de personnel;
  8° Agir en tant que conseil d'entreprise au sein de la société concernée en cas de reprise ou de transfert d'activités;
  9° Surveiller l'exécution des activités de la société concernée en ce qui concerne l'utilisation de personnel ferroviaire, tant pour les activités ferroviaires que pour l'appui logistique et conformément aux accords relatifs à la mise à disposition de personnel par HR Rail à Infrabel et à la SNCB;
  10° Prendre connaissance des parties du plan d'entreprise qui concernent l'exécution des missions de service public en application de l'article 26 de la loi du 21 mars 1991 et de l'article 53, § 4.
  § 2. Les comités d'entreprise stratégiques ne donneront pas d'avis sur les matiÚres relevant du paragraphe 1er, 5°, 6° et 8°, sur lesquelles la Commission paritaire nationale a déjà rendu un avis.
  4° Fonctionnement
  Art. 130. § 1er. L'administrateur délégué ou, pour HR Rail, le directeur général, ou leurs représentants, sont tenus de fournir au comité d'entreprise stratégique de leur société les renseignements qui sont nécessaires à l'exercice de ses compétences.
  § 2. Dans le cadre de l'exercice de leurs compétences, les comités d'entreprise stratégiques disposent, pour autant que cela soit d'application, des rapports du comité d'audit de la société concernée concernant l'examen des comptes de cette société.
  Art. 131. Les comités d'entreprise stratégiques peuvent rendre d'office un avis concernant les matiÚres qui relÚvent de leurs compétences.
  Sous-section 2. Dialogue social régional 1° Organisation
  Art. 132. Le dialogue social régional est organisé et géré par Infrabel, la SNCB et HR Rail, chacune pour leur société, Infrabel et la SNCB chacune respectivement instituant cinq comités paritaires régionaux et HR Rail instituant cinq commissions paritaires régionales.
  2° Composition
  Art. 133. § 1er. La composition des comités et commissions paritaires régionaux est réglée dans le statut du personnel ou le statut syndical, étant entendu qu'ils sont composés paritairement de représentants de la société concernée et de représentants du personnel.
  § 2. Chaque comité paritaire régional d'Infrabel ou de la SNCB est présidé par le responsable local de la région, qui est assisté par le représentant de HR Rail compétent pour l'exécution de la politique du personnel dans cette région.
  § 3. Chaque commission paritaire régionale de HR Rail est présidée par le représentant du directeur général de HR Rail.
  3° Compétences
  Art. 134. § 1er. Le dialogue social régional porte notamment sur les matiÚres suivantes, sans préjudice des compétences attribuées à d'autres organes de dialogue social :
  1° Examiner les propositions et les réclamations du personnel relatives à l'organisation du travail et à l'amélioration de la production;
  2° Collaborer avec les chefs de service à l'établissement des listes de gratification, bonification d'ancienneté, chevrons et tableaux d'avancement;
  3° Rendre un avis sur toutes les questions d'organisation du travail, chaque fois qu'elles sont soumises par l'autoritĂ© rĂ©gionale compĂ©tente, y compris les questions pouvant intĂ©resser indirectement le personnel, Ă l'exception du bien-ĂȘtre au travail;
  4° Faculté de transmettre à la commission paritaire régionale compétente de HR Rail une demande d'examiner une question relative à la mobilité du personnel entre Infrabel, la SNCB et HR Rail et la réutilisation des membres du personnel disponibles.
  § 2. Les commissions paritaires régionales de HR Rail ont en outre la compétence d'examiner des questions de mobilité du personnel entre Infrabel, la SNCB et HR Rail, ainsi que la réutilisation des membres du personnel disponibles.
  Lorsqu'il exerce cette compétence le président de la commission paritaire régionale de HR Rail invite un représentant d'Infrabel et/ou de la SNCB en tant qu'expert technique.
  § 3. Les comitĂ©s et commissions paritaires rĂ©gionaux rendent un avis sur les questions qui leur sont soumises par la sociĂ©tĂ© concernĂ©e. Elles ne doivent pas ĂȘtre saisies, d'office ou prĂ©alablement, des questions d'organisation du travail, sauf dans les cas prĂ©vus par la loi, la rĂ©glementation du personnel ou le statut du personnel.
  Les questions d'ordre général et les questions de principe relÚvent de la compétence de la Commission paritaire nationale.
  4° Fonctionnement
  Art. 135. Les comités et commissions paritaires régionaux se réunissent périodiquement selon les dispositions du statut du personnel ou du statut syndical.
  Section 3. Conciliation
  Art. 136. § 1er. La Direction Générale des relations collectives de travail auprÚs du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale est chargée de la conciliation sociale au niveau des Chemins de fer belges et dans chacune des sociétés en vue de prévenir, suivre et régler les différends collectifs entre Infrabel, la SNCB et/ou HR Rail et le personnel.
  Les conciliateurs sociaux désignés en vertu de l'article 12octies de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités, sont compétents pour accomplir les missions de conciliation sociale auprÚs d'Infrabel, la SNCB et HR Rail.
  § 2. La conciliation sociale recouvre les missions suivantes :
  1° la prévention des conflits sociaux et le suivi du déclenchement, du déroulement et de la conclusion de tels conflits;
  2° l'exercice de toute mission de conciliation sociale.
  § 3. Les conciliateurs sociaux visés au paragraphe 1, peuvent assister à chaque réunion d'un organe de dialogue social institué en vertu de cette loi ou du statut du personnel au niveau des Chemins de fer belges ou au sein d'Infrabel, la SNCB et HR Rail, en tant qu'observateur, et sont invités à cet effet comme s'ils étaient membres de ces organes.
  § 4. La Commission paritaire nationale, le président du conseil d'administration de HR Rail, l'administrateur délégué d'Infrabel, l'administrateur délégué de la SNCB, le ministre ayant les entreprises publiques dans ses attributions, le Comité de Coordination RH et le président ou son mandataire d'une organisation syndicale conformément aux dispositions du statut du personnel ou du statut syndical, peuvent introduire une demande d'intervention d'un conciliateur social auprÚs de la Direction Générale des relations collectives de travail visée au paragraphe 1.
  Section 4. Dispositions communes relatives au dialogue social
  Art. 137. § 1er. AprÚs l'entrée en vigueur de la réforme, et sans porter préjudice aux dispositions de la présente loi, la composition, les compétences et le fonctionnement des organes de dialogue social au niveau des Chemins de fer belges ou au niveau d'une ou plusieurs sociétés sont réglés dans le statut du personnel ou le statut syndical conformément à la procédure déterminée à l'article 75.
  § 2. NĂ©anmoins les compĂ©tences des organes de dialogue social mentionnĂ©s dans la prĂ©sente loi peuvent ĂȘtre modifiĂ©es, aprĂšs l'entrĂ©e en vigueur de la rĂ©forme, conformĂ©ment Ă la procĂ©dure dĂ©terminĂ©e Ă l'article 75.
  § 3. AprĂšs l'entrĂ©e en vigueur de la rĂ©forme, des organes de dialogue social complĂ©mentaires peuvent ĂȘtre instituĂ©s, conformĂ©ment Ă la procĂ©dure dĂ©terminĂ©e Ă l'article 75.
  Art. 138. Si trois mois aprĂšs l'entrĂ©e en vigueur de la rĂ©forme, les nouvelles rĂšgles relatives Ă la composition, aux compĂ©tences et au fonctionnement des organes de dialogue social, tant pour ceux qui doivent ĂȘtre instituĂ©s en vertu de la loi que pour ceux qui sont instituĂ©s seulement en vertu du statut du personnel ou du statut syndical, ne sont pas inscrites dans le statut du personnel ou le statut syndical, le Roi peut rĂ©gler ces matiĂšres.
  § 2. Le paragraphe 1 est également applicable au Conseil d'appel visé au chapitre 7 du présent titre.
  Chapitre 7. Le Conseil d'appel
  Art. 139. § 1er. Le Conseil d'appel a pour mission d'entendre à sa demande le membre du personnel à l'égard duquel est prononcé une mesure de sanction disciplinaire ou de démission d'office, telle que fixée par le statut du personnel, et de rendre à cet égard une décision motivée et de la communiquer respectivement au directeur général de HR Rail, au responsable de la politique du personnel auprÚs d'Infrabel et au responsable de la politique du personnel auprÚs de la SNCB, en fonction de la société auprÚs de laquelle le membre du personnel concerné est employé.
  § 2. Le Conseil d'appel est composé de deux chambres dont les compétences sont fonction de la nature de la mesure proposée à l'encontre du membre du personnel.
  La premiÚre chambre connaßt des appels dirigés contre des mesures proposées en raison d'infractions au droit commun, au statut du personnel ou à la réglementation du personnel, ainsi que des appels dirigés contre les démissions d'office consécutives à dix journées d'absence infondée. La seconde chambre connaßt des appels dirigés contre des mesures proposées en raison de fautes professionnelles en relation avec la sécurité du trafic ferroviaire.
  § 3. Le Conseil d'appel est composé de :
  1° un magistrat président, désigné par le premier président de la Cour d'appel de Bruxelles;
  2° un greffier-rapporteur, désigné par le conseil d'administration de HR Rail. Le greffier-rapporteur n'a pas de voix délibérative.
  3° dix assesseurs par chambre, dont la moitié est désignée par le personnel des Chemins de fer belges et l'autre moitié par HR Rail, Infrabel et/ou la SNCB, selon la qualité du membre du personnel qui a introduit l'appel.
  Lorsque le membre du personnel à l'origine de l'appel, est employé auprÚs de HR Rail, les dix assesseurs sont composés de trois représentants de HR Rail, un représentant d'Infrabel, un représentant de la SNCB et de cinq représentants du personnel.
  Lorsque le membre du personnel à l'origine de l'appel est mis à la disposition d'Infrabel, les assesseurs sont composés de trois représentants d'Infrabel, un représentant de HR Rail, un représentant de la SNCB et de cinq représentants du personnel.
  Lorsque le membre du personnel à l'origine de l'appel est mis à la disposition de la SNCB, les assesseurs sont composés de trois représentants de la SNCB, un représentant de HR Rail, un représentant d'Infrabel et de cinq représentants du personnel.
  Les assesseurs sont nommés respectivement par le personnel ou par Infrabel, la SNCB et HR Rail pour un mandat de quatre ans, selon les conditions et rÚgles fixées dans le statut du personnel.
  § 4. Le statut du personnel précise les rÚgles de procédures applicables au Conseil d'appel.
  Chapitre 8. Bien-ĂȘtre au travail
  Section 1er. Obligations en matiĂšre de bien-ĂȘtre au travail
  Art. 140. Infrabel, la SNCB, et HR Rail sont soumises à la loi du 4 août 1996, étant entendu que le Comité d'entreprise pour la prévention et la protection au travail, dans la société au sein de laquelle il est institué en application de l'article 145, exécute les tùches et possÚde les compétences du comité pour la prévention et la protection au travail au sens de la loi du 4 août 1996.
  Art. 141. HR Rail est compétente pour veiller au respect des obligations imposées par la loi du 4 août 1996, en ce qui concerne le personnel qui n'est pas mis à disposition d'Infrabel et de la SNCB, sans préjudice de l'article 153, § 2.
  Infrabel est compétente à cet égard pour ce qui concerne le personnel mis à sa disposition. Par rapport à ces membres du personnel, seule Infrabel sera considérée comme employeur ou assimilée à l'employeur au sens de la loi du 4 août 1996.
  La SNCB est compétente à cet égard pour ce qui concerne le personnel mis à sa disposition. Par rapport à ces membres du personnel, seule la SNCB sera considérée comme employeur ou assimilée à l'employeur au sens de la loi du 4 août 1996.
  Section 2. Politique de bien-ĂȘtre au travail
  Art. 142. Pour l'application de la présente section, il y a lieu d'entendre par :
  1° " Politique de bien-ĂȘtre rĂ©glementaire " : La politique en matiĂšre de bien-ĂȘtre au travail en ce compris toutes les dĂ©cisions en matiĂšre de politique adaptant le statut du personnel, y compris le statut syndical, ou la rĂ©glementation du personnel. Il s'agit de toutes les dĂ©cisions de politique de bien-ĂȘtre autres que celles visĂ©es au 2°.
  2° " Politique de bien-ĂȘtre non-rĂ©glementaire " : La politique en matiĂšre de bien-ĂȘtre au travail, en ce compris toutes les autres dĂ©cisions en matiĂšre de politique fixant ou adaptant la politique de bien-ĂȘtre de portĂ©e gĂ©nĂ©rale, qui n'impliquent ou ne nĂ©cessitent aucune modification de la politique de bien-ĂȘtre rĂ©glementaire dĂ©crite au 1°.
  Art. 143. Contrairement à ce qui est prévu au chapitre 3 du présent titre, et sans préjudice de l'application de l'article 144, § 4, l'article 145, § 4, l'article 147, § 1er et § 2, alinéa 1er, et l'article 153, § 2 :
  1° seule Infrabel dĂ©termine la politique de bien-ĂȘtre rĂ©glementaire et non-rĂ©glementaire pour le personnel mis Ă sa disposition;
  2° seule la SNCB dĂ©termine la politique de bien-ĂȘtre rĂ©glementaire et non-rĂ©glementaire pour le personnel mis Ă sa disposition;
  3° seule HR Rail dĂ©termine la politique de bien-ĂȘtre rĂ©glementaire et non-rĂ©glementaire pour le personnel qui n'est pas mis Ă la disposition d'Infrabel ou de la SNCB;
  4° la politique de bien-ĂȘtre rĂ©glementaire ainsi dĂ©terminĂ©e est assimilĂ©e Ă la source de droit dĂ©terminĂ©e Ă l'article 68, § 1er, 3° ou 4°, selon le cas, et la politique de bien-ĂȘtre non-rĂ©glementaire ainsi dĂ©terminĂ©e est assimiliĂ©e Ă la source de droit dĂ©terminĂ©e Ă l'article 68, § 1er, 6°, pour ce qui concerne le personnel statutaire, et la politique de bien-ĂȘtre ainsi dĂ©terminĂ©e est considĂ©rĂ©e comme une source de droit dĂ©terminĂ©e Ă l'article 78, § 1er, 6°, pour ce qui concerne le personnel non statutaire.
  Section 3. Organes de dialogue social en matiĂšre de bien-ĂȘtre au travail
  Sous-section 1re. Organes de dialogue social en matiĂšre de bien-ĂȘtre au travail au niveau des Chemins de fer belges 1° Commission Nationale pour la prĂ©vention et la protection au travail
  Art. 144. § 1er. La Commission Nationale pour la prévention et la protection au travail est instituée au niveau des Chemins de fer belges.
  HR Rail est responsable pour l'organisation et la gestion du dialogue social au sein de la Commission Nationale pour la prévention et la protection au travail.
  § 2. La composition de la Commission Nationale pour la prévention et la protection au travail est réglée dans le statut du personnel ou le statut syndical, étant entendu qu'elle est composée paritairement et que les trois sociétés y sont représentées.
  § 3. La Commission Nationale pour la prévention et la protection au travail est présidée par le directeur général de HR Rail ou par son représentant.
  § 4. La Commission Nationale pour la prévention et la protection au travail possÚde les compétences suivantes :
  1° examen et formulation d'avis pour les questions liĂ©es au bien-ĂȘtre au travail qui intĂ©ressent nĂ©cessairement plus d'une sociĂ©tĂ©;
  2° facultĂ© de transmettre Ă la Commission paritaire nationale, toutes les questions relatives au bien-ĂȘtre au travail qui intĂ©ressent nĂ©cessairement plus d'une sociĂ©tĂ©;
  3° rendre un avis sur une modification envisagĂ©e de la rĂ©glementation en matiĂšre de bien-ĂȘtre au travail ou toute autre question relative au bien-ĂȘtre au travail qui intĂ©resse nĂ©cessairement plus d'une sociĂ©tĂ©.
  § 5. Des points peuvent ĂȘtre inscrits Ă l'ordre du jour de la Commission Nationale pour la prĂ©vention et la protection au travail par l'une des personnes ou l'un des organes suivants :
  1° le président d'un Comité d'entreprise pour la prévention et la protection au travail;
  2° les représentants d'Infrabel, de la SNCB ou de HR Rail ou le président ou son mandataire d'une organisation syndicale siégeant au sein d'un Comité d'entreprise pour la prévention et la protection au travail; ou
  3° le Comité de Coordination RH.
  Sous-section 2. Organes de dialogue social en matiĂšre de bien-ĂȘtre au travail au niveau de chaque sociĂ©tĂ© 1° ComitĂ© d'entreprise pour la prĂ©vention et la protection au travail
  Art. 145. § 1er. Un Comité d'entreprise pour la prévention et la protection au travail est institué au sein de chaque société. Cette société est responsable pour l'organisation et la gestion du Comité d'entreprise pour la prévention et la protection au travail. DÚs que la société a institué un Comité d'entreprise pour la prévention et la protection au travail, elle est considérée comme ayant satisfait aux articles 49 et 50 de la loi du 4 août 1996.
  Les prescriptions légales et réglementaires applicables à un comité pour la prévention et la protection au travail au sens de la loi du 4 août 1996 s'appliquent uniquement au Comité d'entreprise pour la prévention et la protection au travail, pour autant qu'elles ne soient pas contraires aux dispositions de la présente loi.
  § 2. La composition du ComitĂ© d'entreprise pour la prĂ©vention et la protection au travail est rĂ©glĂ©e dans le statut du personnel ou le statut syndical, Ă©tant entendu qu'il est composĂ© de maniĂšre bipartite d'une part de reprĂ©sentants de la sociĂ©tĂ© concernĂ©e et d'autre part de reprĂ©sentants du personnel, et qu'il ne peut ĂȘtre dĂ©signĂ© un nombre de reprĂ©sentants de la sociĂ©tĂ© concernĂ©e supĂ©rieur au nombre de reprĂ©sentants du personnel.
  § 3. Le Comité d'entreprise pour la prévention et la protection au travail est présidé par l'administrateur délégué ou le directeur général de la société concernée ou par son représentant.
  § 4. Les Comités d'entreprise pour la prévention et la protection au travail sont, chacun pour la société au sein de laquelle il est institué, chargés des compétences suivantes :
  1° l'exercice des compétences qui, conformément à la loi du 4 août 1996, reviennent au comité pour la prévention et la protection au travail;
  2° rendre un avis sur une modification de la politique de bien-ĂȘtre rĂ©glementaire ou non rĂ©glementaire;
  3° rendre un avis sur des propositions d'adaptations à la structure des organes pour la prévention et la protection au travail, dont il a reconnu la nécessité;
  4° la facultĂ© de rendre d'office ou sur demande un avis sur toutes les questions relatives au bien-ĂȘtre au travail;
  5° la facultĂ© de transmettre pour avis Ă la Commission Nationale pour la prĂ©vention et la protection au travail, toutes les questions liĂ©es au bien-ĂȘtre au travail qui sont de la compĂ©tence de la Commission Nationale pour la prĂ©vention et la protection au travail, conformĂ©ment Ă l'article 144, § 5;
  6° l'Ă©laboration et la mise en oeuvre des moyens de propagande appropriĂ©s en vue de promouvoir le bien-ĂȘtre au travail sous tous ses aspects au sein de la sociĂ©tĂ©;
  7° veiller Ă l'application, au sein de la sociĂ©tĂ© concernĂ©e, des dispositions lĂ©gales et rĂ©glementaires en matiĂšre de prĂ©vention et de protection au travail, et en particulier Ă l'unicitĂ© de la politique de bien-ĂȘtre;
  8° veiller au bon fonctionnement, au sein de la société concernée, des différents organes pour la prévention et la protection au travail;
  9° examiner les plaintes éventuelles émanant de la société ou de la délégation du personnel siégeant au Comité d'entreprise pour la prévention et la protection au travail, quant à l'octroi des dispenses de service dans le cadre de la réglementation du personnel applicable;
  10° rendre un avis concernant l'application des chapitres III, IV et V de la loi du 4 août 1996;
  11° rendre un avis prĂ©alable sur le choix ou le remplacement d'organismes, d'agents-visiteurs, de laboratoires, d'institutions, d'experts, de firmes agréés en application des dispositions du Code sur le bien-ĂȘtre au travail ou le RĂšglement gĂ©nĂ©ral pour la protection du travail;
  12° rendre un avis préalable sur le choix, l'achat, l'entretien et l'utilisation des équipements de protection individuelle.
  2° Comités pour la prévention et la protection au travail
  Art. 146. § 1er. Chaque société rÚgle la structure, la composition et le fonctionnement de ses Comités pour la prévention et la protection au travail, aprÚs accord de son Comité d'entreprise pour la prévention et la protection au travail statuant à la majorité des deux tiers des voix exprimées.
  § 2. Le président d'un Comité pour la prévention et la protection au travail peut, d'office ou sur demande motivée de deux tiers des membres de ce Comité, faire inscrire des points à l'ordre du jour du Comité d'entreprise pour la prévention et la protection au travail de la société concernée.
  Sous-section 3. Dispositions communes
  Art. 147. § 1er. AprÚs l'entrée en vigueur de la réforme, et sans porter préjudice aux Dispositions de la présente loi, la composition, les compétences et le fonctionnement de la Commission Nationale pour la prévention et la protection au travail sont réglés dans le statut du personnel ou le statut syndical, conformément à la procédure déterminée à l'article 75.
  § 2. AprÚs l'entrée en vigueur de la réforme, et sans porter préjudice aux dispositions de la présente loi, la composition des Comités d'entreprise pour la prévention et la protection au travail est réglée dans le statut du personnel ou le statut syndical, conformément à la procédure déterminée à l'article 75.
  AprÚs l'entrée en vigueur de la réforme, et sans porter préjudice aux dispositions de la présente loi, les compétences et le fonctionnement des Comités d'entreprise pour la prévention et la protection au travail sont réglés par la société au sein de laquelle le Comité d'entreprise pour la prévention et la protection au travail est institué, aprÚs accord du Comité d'entreprise qui statue à la majorité des deux tiers des voix exprimées.
  § 3. AprÚs l'entrée en vigueur de la réforme, et sans porter préjudice aux dispositions de la présente loi, la composition, les compétences et le fonctionnement des Comités pour la prévention et la protection au travail sont réglés par la société au sein de laquelle ils sont institués, aprÚs accord du Comité d'entreprise pour la prévention et la protection au travail au sein de cette société, qui statue à la majorité des deux tiers des voix exprimées.
  Art. 148. Si trois mois aprĂšs l'entrĂ©e en vigueur de la rĂ©forme, les nouvelles rĂšgles relatives Ă la composition, les compĂ©tences et le fonctionnement des organes de dialogue social en matiĂšre de bien-ĂȘtre au travail ne sont pas fixĂ©es conformĂ©ment Ă l'article 147, le Roi peut rĂ©gler ces matiĂšres.
  Section 4. Conciliation
  Art. 149. Pour les questions relatives au bien-ĂȘtre au travail il peut Ă©galement ĂȘtre fait appel aux conciliateurs sociaux, dans le cadre de la mission prĂ©vue Ă l'article 136.
  Section 5. Service externe pour la prévention et la protection au travail
  Art. 150. HR Rail est compĂ©tente pour instituer un service externe pour la prĂ©vention et la protection au travail, au sens de l'arrĂȘtĂ© royal du 27 mars 1998 relatif aux services externes pour la prĂ©vention et la protection au travail.
  Ce service externe peut ĂȘtre le mĂȘme que celui qui Ă©tait compĂ©tent, Ă la date du 31 dĂ©cembre 2013, pour le personnel de la SNCB Holding.
  Sans préjudice de la possibilité que d'autres employeurs fassent également appel à ce service en tant que service externe ou de toute autre compétence qui lui serait confiée, et sans préjudice de l'article 153, § 2, deuxiÚme alinéa, ce service externe est compétent pour l'ensemble du personnel de HR Rail mis ou non à disposition d'Infrabel ou de la SNCB.
  Chapitre 9. Oeuvres sociales
  Art. 151. § 1er. L'organisation, la gestion et les autres aspects liés aux oeuvres sociales sont réglés dans le statut du personnel ou le statut syndical, étant entendu que :
  1° les activités et tùches du Comité de gestion du Fonds de la documentation sociale seront exercées par le Sous-comité national des oeuvres sociales à compter de la date d'entrée en vigueur de la réforme;
  2° les Comités régionaux des oeuvres sociales sont restructurés en cinq Comités régionaux des oeuvres sociales au sein des Chemins de fer belges.
  § 2. La composition du Comité National des oeuvres sociales, du Sous-comité national des oeuvres sociales et des Comités régionaux des oeuvres sociales est réglée dans le statut du personnel ou le statut syndical, étant entendu qu'ils sont chacun composé paritairement.
  Chapitre 10. Accidents du travail et maladies professionnelles
  Art. 152. Pour l'application de l'article 46 de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail et de l'article 51, § 1er, des lois relatives à la prévention des maladies professionnelles et à la réparation des dommages résultant de celles-ci, coordonnées le 3 juin 1970, la société à qui un membre du personnel est mis à disposition est considérée comme étant l'employeur de ce membre du personnel, et ce membre du personnel comme préposé de cette société, étant entendu que là ou cet article rend impossible une action en justice en responsabilité civile contre l'employeur et ses mandataires ou préposés, cette action n'est pas non plus possible à l'encontre de HR Rail ou ses mandataires ou préposés.
  Chapitre 11. Personnel dans les sociétés, associations et institutions de droit public ou privé avec lesquelles Infrabel, la SNCB ou HR Rail ont un lien de participation
  Art. 153. § 1er. Sans prĂ©judice de l'article 72, § 3, un congĂ© sans rĂ©munĂ©ration pour effectuer une mission spĂ©cifique auprĂšs de sociĂ©tĂ©s, associations et institutions de droit public ou privĂ© avec lesquelles Infrabel, la SNCB ou HR Rail ont un lien de participation, peut ĂȘtre accordĂ© Ă un membre du personnel.
  § 2. Sans prĂ©judice du paragraphe 1er, ni de l'article 72, § 3, un membre du personnel statutaire peut ĂȘtre mis Ă la disposition de sociĂ©tĂ©s, associations et institutions de droit public ou privĂ© avec lesquelles Infrabel, la SNCB ou HR Rail ont un lien de participation. Durant cette mise Ă disposition, les membres du personnel continuent Ă ĂȘtre rĂ©munĂ©rĂ©s par HR Rail.
  Seule cette société, association ou institution de droit public ou privé est considérée pour l'application de la loi du 4 août 1996 comme étant l'employeur ou assimilé à l'employeur.
  Les conditions et modalitĂ©s relatives Ă la mise Ă disposition du personnel en vertu du premier alinĂ©a, peuvent ĂȘtre fixĂ©es dans une convention Ă conclure aprĂšs la publication de la prĂ©sente loi au Moniteur belge entre HR Rail et la sociĂ©tĂ©, l'association ou l'institution de droit public ou privĂ© concernĂ©e avec laquelle Infrabel, la SNCB ou HR Rail a un lien de participation. Cette convention, ainsi que toute modification qui y est apportĂ©e, est soumise Ă un avis prĂ©alable de la Commission paritaire nationale.
  § 3. Les paragraphes 1er et 2 ne portent pas préjudice aux autres possibilités de congé et de détachement tels que réglé dans le statut du personnel et la réglementation du personnel également à d'autres personnes morales de droit public ou privé que celles visées au présent chapitre.
  § 4. Un membre du personnel qui est mis à disposition d'Infrabel ou de la SNCB et auquel les paragraphes 1er, 2 ou 3 sont appliqués, est considéré comme étant resté mis à disposition de respectivement Infrabel ou la SNCB, sauf décision contraire de HR Rail en application de l'article 72, § 3.
Titel IV. - Wijzigings- en opheffingsbepalingen
Titre IV. - Dispositions modificatives et abrogatoires
HOOFDSTUK 1. - In de wet van 23 juli 1926 betreffende N.M.B.S. Holding en haar verbonden vennootschappen
CHAPITRE 1er. - Dans la loi du 23 juillet 1926 relative à la S.N.C.B. Holding et à ses sociétés liées
Art. 4. Het opschrift van de wet van 23 juli 1926 betreffende N.M.B.S. Holding en haar verbonden vennootschappen wordt vervangen als volgt : " wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen ".
Art. 4. L'intitulé de la loi du 23 juillet 1926 relative à la S.N.C.B. Holding et à ses sociétés liées, est remplacé par ce qui suit : " loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges ".
Art. 5. Artikel 13 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 4 juli 1962, de wet van 21 april 1965, de wet van 10 oktober 1967, het koninklijk besluit nr. 452 van 29 augustus 1986, de wet van 21 maart 1991, het koninklijk besluit van 30 september 1992 en het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, wordt opgeheven, met uitzondering van het laatste lid met dien verstande dat de woorden " N.M.B.S. Holding " worden vervangen door de woorden " HR Rail ".
Art. 5. L'article 13 de la mĂȘme loi, modifiĂ© par la loi du 4 juillet 1962, la loi du 21 avril 1965, la loi du 10 octobre 1967, l'arrĂȘtĂ© royal n° 452 du 29 aoĂ»t 1986, la loi du 21 mars 1991, l'arrĂȘtĂ© royal du 30 septembre 1992 et l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, est abrogĂ©, Ă l'exception du dernier alinĂ©a Ă©tant entendu que les mots " La S.N.C.B. Holding " sont remplacĂ©s par les mots " HR Rail ".
Art. 6. Artikel 13bis van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 14 juni 2004, en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, wordt opgeheven.
Art. 6. L'article 13bis de la mĂȘme loi, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 14 juin 2004, et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, est abrogĂ©.
HOOFDSTUK 2. - In de wet van 21 maart 1991
CHAPITRE 2. - Dans la loi du 21 mars 1991
Art. 7. Artikel 4, § 2, van de wet van 21 maart 1991 wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " Voor de toepassing van de twee voorgaande leden vervult het strategisch bedrijfscomité bij Infrabel en NMBS de taak van het paritair comité. "
  " Voor de toepassing van de twee voorgaande leden vervult het strategisch bedrijfscomité bij Infrabel en NMBS de taak van het paritair comité. "
Art. 7. L'article 4, § 2, de la loi du 21 mars 1991, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Pour l'application des deux alinéas qui précÚdent, le comité d'entreprise stratégique auprÚs d'Infrabel et de la SNCB remplit la fonction de la commission paritaire. "
  " Pour l'application des deux alinéas qui précÚdent, le comité d'entreprise stratégique auprÚs d'Infrabel et de la SNCB remplit la fonction de la commission paritaire. "
Art. 8. Artikel 21 van dezelfde wet wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende :
  " § 5. Voor de toepassing van dit artikel vervult het strategisch bedrijfscomité bij Infrabel en NMBS de taak van het paritair comité. "
  " § 5. Voor de toepassing van dit artikel vervult het strategisch bedrijfscomité bij Infrabel en NMBS de taak van het paritair comité. "
Art. 8. L'article 21 de la mĂȘme loi, est complĂ©tĂ© par un paragraphe 4 rĂ©digĂ© comme suit :
  " 5. Pour l'application du présent article, le comité d'entreprise stratégique auprÚs d'Infrabel et de la SNCB remplit la fonction de la commission paritaire. "
  " 5. Pour l'application du présent article, le comité d'entreprise stratégique auprÚs d'Infrabel et de la SNCB remplit la fonction de la commission paritaire. "
Art. 9. Artikel 25, § 3, van dezelfde wet wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " Voor de toepassing van het voorgaande lid vervult het strategisch bedrijfscomité bij Infrabel en NMBS de taak van de ondernemingsraad. "
  " Voor de toepassing van het voorgaande lid vervult het strategisch bedrijfscomité bij Infrabel en NMBS de taak van de ondernemingsraad. "
Art. 9. L'article 25, § 3, de la mĂȘme loi, est complĂ©tĂ© par un alinĂ©a rĂ©digĂ© comme suit :
  " Pour l'application de l'alinéa qui précÚde, le comité d'entreprise stratégique auprÚs d'Infrabel et de la SNCB remplit la fonction du conseil d'entreprise. "
  " Pour l'application de l'alinéa qui précÚde, le comité d'entreprise stratégique auprÚs d'Infrabel et de la SNCB remplit la fonction du conseil d'entreprise. "
Art. 10. Artikel 26 van dezelfde wet wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " Voor de toepassing van het voorgaande lid, vervult het strategisch bedrijfscomité bij Infrabel en NMBS de taak van het paritair comité. "
  " Voor de toepassing van het voorgaande lid, vervult het strategisch bedrijfscomité bij Infrabel en NMBS de taak van het paritair comité. "
Art. 10. L'article 26 de la mĂȘme loi, est complĂ©tĂ© par un alinĂ©a rĂ©digĂ© comme suit :
  " Pour l'application de l'alinéa qui précÚde, le comité d'entreprise stratégique auprÚs d'Infrabel et de la SNCB remplit la fonction de la commission paritaire. "
  " Pour l'application de l'alinéa qui précÚde, le comité d'entreprise stratégique auprÚs d'Infrabel et de la SNCB remplit la fonction de la commission paritaire. "
Art. 11. In artikel 30 van dezelfde wet wordt paragraaf 6, gewijzigd bij koninklijk besluit van 18 oktober 2004, opgeheven.
Art. 11. Dans l'article 30 de la mĂȘme loi, le paragraphe 6, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, est abrogĂ©.
Art. 12. In artikel 31 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
  " § 1. Er wordt een paritair comité opgericht voor de autonome overheidsbedrijven bevoegd voor alle autonome overheidsbedrijven en voor HR Rail, hierna het " Comité Overheidsbedrijven " genoemd. ";
  2° paragraaf 3 wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " Het Comité Overheidsbedrijven is niet bevoegd inzake een voorontwerp van wet of van besluit dat uitsluitend het personeelsstatuut of het syndicaal statuut in de zin van Art. 21 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen regelt, met betrekking tot personeel dat al dan niet ter beschikking is gesteld van Infrabel of NMBS. "
  3° in paragraaf 6 worden het eerste tot en met het derde lid vervangen door de volgende leden :
  " Het Comité Overheidsbedrijven telt achttien leden, de voorzitter en de leden met raadgevende stem niet meegerekend.
  De raad van bestuur van elk autonoom overheidsbedrijf, met uitzondering van de autonome overheidsbedrijven die dochteronderneming zijn van een ander autonoom overheidsbedrijf, en met uitzondering van Infrabel en NMBS, draagt ten minste drie kandidaten voor. De raad van bestuur van Infrabel en de raad van bestuur van NMBS dragen elk ten minste twee kandidaten voor.
  De Koning benoemt, op voordracht van de Eerste Minister bij een besluit vastgesteld na beraadslaging in de Ministerraad, negen leden uit de door de raden van bestuur voorgedragen kandidaten. Hij benoemt ten minste twee leden op voordracht van de raad van bestuur van elk autonoom overheidsbedrijf, met uitzondering van Infrabel en NMBS, waar Hij minstens één lid op voordracht van de raad van bestuur van Infrabel en minstens één lid op voordracht van de raad van bestuur van NMBS benoemt.
  Bovendien draagt de raad van bestuur van HR Rail ten minste twee kandidaten voor, om HR Rail in het Comité overheidsbedrijven met raadgevende stem te vertegenwoordigen. Uit deze voorgedragen kandidaten benoemt de Koning één vertegenwoordiger van HR Rail met raadgevende stem in het Comité overheidsbedrijven.
  Negen leden worden benoemd door de ministers onder wie de betrokken overheidsbedrijven en HR Rail ressorteren, op voordracht van de representatieve vakorganisaties. Iedere representatieve vakorganisatie stelt een aantal leden voor in verhouding tot haar aantal bijdrageplichtige leden onder het totaal aantal personeelsleden van het geheel van de autonome overheidsbedrijven en HR Rail die bij een representatieve vakorganisatie zijn aangesloten. "
  4° paragraaf 7 wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " Voor Infrabel en NMBS moeten de woorden " een paritair comité " in het voorgaande lid worden begrepen als de Nationale Paritaire Commissie bedoeld in artikel 115 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen. "
  1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
  " § 1. Er wordt een paritair comité opgericht voor de autonome overheidsbedrijven bevoegd voor alle autonome overheidsbedrijven en voor HR Rail, hierna het " Comité Overheidsbedrijven " genoemd. ";
  2° paragraaf 3 wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " Het Comité Overheidsbedrijven is niet bevoegd inzake een voorontwerp van wet of van besluit dat uitsluitend het personeelsstatuut of het syndicaal statuut in de zin van Art. 21 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen regelt, met betrekking tot personeel dat al dan niet ter beschikking is gesteld van Infrabel of NMBS. "
  3° in paragraaf 6 worden het eerste tot en met het derde lid vervangen door de volgende leden :
  " Het Comité Overheidsbedrijven telt achttien leden, de voorzitter en de leden met raadgevende stem niet meegerekend.
  De raad van bestuur van elk autonoom overheidsbedrijf, met uitzondering van de autonome overheidsbedrijven die dochteronderneming zijn van een ander autonoom overheidsbedrijf, en met uitzondering van Infrabel en NMBS, draagt ten minste drie kandidaten voor. De raad van bestuur van Infrabel en de raad van bestuur van NMBS dragen elk ten minste twee kandidaten voor.
  De Koning benoemt, op voordracht van de Eerste Minister bij een besluit vastgesteld na beraadslaging in de Ministerraad, negen leden uit de door de raden van bestuur voorgedragen kandidaten. Hij benoemt ten minste twee leden op voordracht van de raad van bestuur van elk autonoom overheidsbedrijf, met uitzondering van Infrabel en NMBS, waar Hij minstens één lid op voordracht van de raad van bestuur van Infrabel en minstens één lid op voordracht van de raad van bestuur van NMBS benoemt.
  Bovendien draagt de raad van bestuur van HR Rail ten minste twee kandidaten voor, om HR Rail in het Comité overheidsbedrijven met raadgevende stem te vertegenwoordigen. Uit deze voorgedragen kandidaten benoemt de Koning één vertegenwoordiger van HR Rail met raadgevende stem in het Comité overheidsbedrijven.
  Negen leden worden benoemd door de ministers onder wie de betrokken overheidsbedrijven en HR Rail ressorteren, op voordracht van de representatieve vakorganisaties. Iedere representatieve vakorganisatie stelt een aantal leden voor in verhouding tot haar aantal bijdrageplichtige leden onder het totaal aantal personeelsleden van het geheel van de autonome overheidsbedrijven en HR Rail die bij een representatieve vakorganisatie zijn aangesloten. "
  4° paragraaf 7 wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " Voor Infrabel en NMBS moeten de woorden " een paritair comité " in het voorgaande lid worden begrepen als de Nationale Paritaire Commissie bedoeld in artikel 115 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen. "
Art. 12. A l'article 31 de la mĂȘme loi, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1. Il est créé une commission paritaire pour les entreprises publiques autonomes qui est compétente pour l'ensemble des entreprises publiques autonomes et pour HR Rail, ci-aprÚs dénommée la " Commission Entreprises publiques ".
  2° le paragraphe 3 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " La Commission Entreprises publiques n'est pas compĂ©tente en matiĂšre d'avant-projet de loi ou d'arrĂȘtĂ© rĂ©glant exclusivement le statut du personnel ou le statut syndical au sens de l'Art. 21 de la loi du 23 juillet 1926 relative Ă la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges, en ce qui concerne le personnel mis ou non Ă la disposition d'Infrabel ou de la SNCB ".
  3° dans le paragraphe 6, les alinéas un à trois sont remplacés par ce qui suit :
  " La Commission Entreprises publiques compte dix-huit membres, le président et les membres avec voix consultative non compris.
  Le conseil d'administration de chaque entreprise publique autonome, à l'exception des entreprises publiques autonomes qui sont une filiale d'une autre entreprise publique autonome, et à l'exception d'Infrabel et de la SNCB, propose au moins trois candidats. Le conseil d'administration d'Infrabel et le conseil d'administration de la SNCB proposent chacun au moins deux candidats.
  Le Roi nomme, sur proposition du Premier Ministre par arrĂȘtĂ© dĂ©libĂ©rĂ© en Conseil des ministres, neuf membres choisis parmi les candidats proposĂ©s par les conseils d'administration. Il nomme au moins deux membres sur proposition du conseil d'administration de chaque entreprise publique autonome, Ă l'exception d'Infrabel et de la SNCB, pour lesquelles Il nomme au moins un membre sur proposition du conseil d'administration d'Infrabel et au moins un membre sur proposition du conseil d'administration de la SNCB.
  En outre, le conseil d'administration de HR Rail propose au moins deux candidats pour représenter HR Rail dans la Commission Entreprises publiques avec voix consultative. Parmi ces candidats proposés le Roi nomme un représentant de HR Rail avec voix consultative au sein de la Commission Entreprises publiques.
  Neuf membres sont nommés par les ministres dont relÚvent les entreprises publiques concernées et HR Rail, sur proposition des organisations syndicales représentatives. Chaque organisation syndicale représentative propose un nombre de membres proportionnel au nombre de ses affiliés cotisants parmi le nombre total des membres du personnel de l'ensemble des entreprises publiques autonomes et de HR Rail affiliés à une organisation syndicale représentative. "
  4° le paragraphe 7 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Pour Infrabel et la SNCB les mots " une commission paritaire " dans l'alinĂ©a qui prĂ©cĂšde doivent ĂȘtre compris comme la Commission paritaire nationale visĂ©e Ă l'article 115 de la loi du 23 juillet 1926 relative Ă la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges. "
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1. Il est créé une commission paritaire pour les entreprises publiques autonomes qui est compétente pour l'ensemble des entreprises publiques autonomes et pour HR Rail, ci-aprÚs dénommée la " Commission Entreprises publiques ".
  2° le paragraphe 3 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " La Commission Entreprises publiques n'est pas compĂ©tente en matiĂšre d'avant-projet de loi ou d'arrĂȘtĂ© rĂ©glant exclusivement le statut du personnel ou le statut syndical au sens de l'Art. 21 de la loi du 23 juillet 1926 relative Ă la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges, en ce qui concerne le personnel mis ou non Ă la disposition d'Infrabel ou de la SNCB ".
  3° dans le paragraphe 6, les alinéas un à trois sont remplacés par ce qui suit :
  " La Commission Entreprises publiques compte dix-huit membres, le président et les membres avec voix consultative non compris.
  Le conseil d'administration de chaque entreprise publique autonome, à l'exception des entreprises publiques autonomes qui sont une filiale d'une autre entreprise publique autonome, et à l'exception d'Infrabel et de la SNCB, propose au moins trois candidats. Le conseil d'administration d'Infrabel et le conseil d'administration de la SNCB proposent chacun au moins deux candidats.
  Le Roi nomme, sur proposition du Premier Ministre par arrĂȘtĂ© dĂ©libĂ©rĂ© en Conseil des ministres, neuf membres choisis parmi les candidats proposĂ©s par les conseils d'administration. Il nomme au moins deux membres sur proposition du conseil d'administration de chaque entreprise publique autonome, Ă l'exception d'Infrabel et de la SNCB, pour lesquelles Il nomme au moins un membre sur proposition du conseil d'administration d'Infrabel et au moins un membre sur proposition du conseil d'administration de la SNCB.
  En outre, le conseil d'administration de HR Rail propose au moins deux candidats pour représenter HR Rail dans la Commission Entreprises publiques avec voix consultative. Parmi ces candidats proposés le Roi nomme un représentant de HR Rail avec voix consultative au sein de la Commission Entreprises publiques.
  Neuf membres sont nommés par les ministres dont relÚvent les entreprises publiques concernées et HR Rail, sur proposition des organisations syndicales représentatives. Chaque organisation syndicale représentative propose un nombre de membres proportionnel au nombre de ses affiliés cotisants parmi le nombre total des membres du personnel de l'ensemble des entreprises publiques autonomes et de HR Rail affiliés à une organisation syndicale représentative. "
  4° le paragraphe 7 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Pour Infrabel et la SNCB les mots " une commission paritaire " dans l'alinĂ©a qui prĂ©cĂšde doivent ĂȘtre compris comme la Commission paritaire nationale visĂ©e Ă l'article 115 de la loi du 23 juillet 1926 relative Ă la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges. "
Art. 13. In artikel 49 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, worden de woorden " N.M.B.S. Holding " vervangen door de woorden " NMBS ";
  2° paragraaf 1, tweede lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, wordt opgeheven;
  3° in paragraaf 3 wordt het tweede lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, opgeheven.
  1° in paragraaf 1, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, worden de woorden " N.M.B.S. Holding " vervangen door de woorden " NMBS ";
  2° paragraaf 1, tweede lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, wordt opgeheven;
  3° in paragraaf 3 wordt het tweede lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, opgeheven.
Art. 13. Dans l'article 49 de la mĂȘme loi, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° au paragraphe 1er, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, les mots " S.N.C.B. Holding " sont remplacĂ©s par les mots " SNCB ";
  2° le paragraphe 1, deuxiĂšme alinĂ©a, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, est abrogĂ© :
  3° dans le paragraphe 3, le deuxiĂšme alinĂ©a, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, est abrogĂ©.
  1° au paragraphe 1er, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, les mots " S.N.C.B. Holding " sont remplacĂ©s par les mots " SNCB ";
  2° le paragraphe 1, deuxiĂšme alinĂ©a, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, est abrogĂ© :
  3° dans le paragraphe 3, le deuxiĂšme alinĂ©a, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, est abrogĂ©.
Art. 14. Artikel 157 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, wordt opgeheven.
Art. 14. L'article 157 de la mĂȘme loi, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, est abrogĂ©.
Art. 15. In artikel 162quinquies, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 14 juni 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het zesde lid, ingevoegd bij de wet van 14 november 2011, worden de woorden " de Nationale Paritaire Commissie, bedoeld in artikel 13 van de wet van 23 juli 1926 betreffende NMBS-Holding en haar verbonden vennootschappen ", vervangen door de woorden " het strategische bedrijfscomité, bedoeld in Art. 127 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen ", en worden de woorden " die Nationale Paritaire Commissie " vervangen door de woorden " dat strategische bedrijfscomité ";
  2° in het achtste lid, ingevoegd bij de wet van 14 november 2011, worden de woorden " de in het zesde lid bedoelde Nationale Paritaire Commissie " vervangen door de woorden " het in het zesde lid bedoelde strategische bedrijfscomité ".
  1° in het zesde lid, ingevoegd bij de wet van 14 november 2011, worden de woorden " de Nationale Paritaire Commissie, bedoeld in artikel 13 van de wet van 23 juli 1926 betreffende NMBS-Holding en haar verbonden vennootschappen ", vervangen door de woorden " het strategische bedrijfscomité, bedoeld in Art. 127 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen ", en worden de woorden " die Nationale Paritaire Commissie " vervangen door de woorden " dat strategische bedrijfscomité ";
  2° in het achtste lid, ingevoegd bij de wet van 14 november 2011, worden de woorden " de in het zesde lid bedoelde Nationale Paritaire Commissie " vervangen door de woorden " het in het zesde lid bedoelde strategische bedrijfscomité ".
Art. 15. A l'article 162quinquies, § 1, de la mĂȘme loi, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 14 juin 2004, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans le sixiÚme alinéa, inséré par la loi du 14 novembre 2011, les mots " la Commission paritaire nationale, visée à l'article 13 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB-Holding et à ses sociétés liées ", sont remplacés par les mots " le comité d'entreprise stratégique visé à l'Art. 127 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges ", et les mots " Cette Commission paritaire nationale " sont remplacés par les mots " ce comité d'entreprise stratégique ";
  2° dans le huitiÚme alinéa, inséré par la loi du 14 novembre 2011, les mots " la Commission paritaire nationale, visée à l'alinéa 6 " sont remplacés par les mots " le comité d'entreprise stratégique visé à l'alinéa six ".
  1° dans le sixiÚme alinéa, inséré par la loi du 14 novembre 2011, les mots " la Commission paritaire nationale, visée à l'article 13 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB-Holding et à ses sociétés liées ", sont remplacés par les mots " le comité d'entreprise stratégique visé à l'Art. 127 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges ", et les mots " Cette Commission paritaire nationale " sont remplacés par les mots " ce comité d'entreprise stratégique ";
  2° dans le huitiÚme alinéa, inséré par la loi du 14 novembre 2011, les mots " la Commission paritaire nationale, visée à l'alinéa 6 " sont remplacés par les mots " le comité d'entreprise stratégique visé à l'alinéa six ".
Art. 16. In dezelfde wet wordt een artikel 163bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 163bis. § 1. NMBS beschikt over het personeel dat nodig is voor de verwezenlijking van haar opdrachten, haar ter beschikking gesteld door HR Rail. Het personeelsstatuut zoals bedoeld in artikel 21 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen, met inbegrip van het syndicaal statuut, blijft van toepassing op het personeel. Tijdens de periode van hun terbeschikkingstelling staan de personeelsleden evenwel onder het uitsluitende gezag van NMBS.
  De voorwaarden en de nadere bepalingen van de terbeschikkingstelling van het personeel krachtens het eerste lid, worden vastgesteld door of krachtens de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen.
  § 2. Hoofdstuk III van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers is niet van toepassing op de terbeschikkingstelling van personeel bedoeld in § 1. "
  " Art. 163bis. § 1. NMBS beschikt over het personeel dat nodig is voor de verwezenlijking van haar opdrachten, haar ter beschikking gesteld door HR Rail. Het personeelsstatuut zoals bedoeld in artikel 21 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen, met inbegrip van het syndicaal statuut, blijft van toepassing op het personeel. Tijdens de periode van hun terbeschikkingstelling staan de personeelsleden evenwel onder het uitsluitende gezag van NMBS.
  De voorwaarden en de nadere bepalingen van de terbeschikkingstelling van het personeel krachtens het eerste lid, worden vastgesteld door of krachtens de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen.
  § 2. Hoofdstuk III van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers is niet van toepassing op de terbeschikkingstelling van personeel bedoeld in § 1. "
Art. 16. Dans la mĂȘme loi, il est insĂ©rĂ© un article 163bis, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 163bis. § 1. La SNCB dispose du personnel nécessaire à l'accomplissement de ses missions, mis à sa disposition par HR Rail. Le statut du personnel tel que visé à l'article 21 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges, y compris le statut syndical, reste applicable au personnel. Toutefois, pendant la période de sa mise à disposition, ce personnel se trouve sous l'autorité exclusive de la SNCB.
  Les conditions et modalités de la mise à disposition du personnel en vertu du premier alinéa, sont fixées par ou en vertu de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges.
  § 2. Le Chapitre III de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs ne s'applique pas à la mise à disposition de personnel visée au § 1er. "
  " Art. 163bis. § 1. La SNCB dispose du personnel nécessaire à l'accomplissement de ses missions, mis à sa disposition par HR Rail. Le statut du personnel tel que visé à l'article 21 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges, y compris le statut syndical, reste applicable au personnel. Toutefois, pendant la période de sa mise à disposition, ce personnel se trouve sous l'autorité exclusive de la SNCB.
  Les conditions et modalités de la mise à disposition du personnel en vertu du premier alinéa, sont fixées par ou en vertu de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges.
  § 2. Le Chapitre III de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs ne s'applique pas à la mise à disposition de personnel visée au § 1er. "
Art. 17. In dezelfde wet wordt een artikel 163ter ingevoegd, luidende :
  " Art. 163ter. De bepalingen van titel I, hoofdstuk VIII, met uitzondering van artikel 31, en zonder afbreuk te doen aan artikel 71 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen, zijn niet van toepassing op NMBS en het personeel dat aan NMBS ter beschikking wordt gesteld. NMBS en haar personeel zijn onderworpen aan de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen. "
  " Art. 163ter. De bepalingen van titel I, hoofdstuk VIII, met uitzondering van artikel 31, en zonder afbreuk te doen aan artikel 71 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen, zijn niet van toepassing op NMBS en het personeel dat aan NMBS ter beschikking wordt gesteld. NMBS en haar personeel zijn onderworpen aan de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen. "
Art. 17. Dans la mĂȘme loi, il est insĂ©rĂ© un article 163ter, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 163ter. Les dispositions du titre I, chapitre VIII, à l'exception de l'article 31, et sans porter préjudice à l'article 71 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges, ne s'appliquent pas à la SNCB et au personnel mis à la disposition de la SNCB. La SNCB et son personnel sont soumis à la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges. "
  " Art. 163ter. Les dispositions du titre I, chapitre VIII, à l'exception de l'article 31, et sans porter préjudice à l'article 71 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges, ne s'appliquent pas à la SNCB et au personnel mis à la disposition de la SNCB. La SNCB et son personnel sont soumis à la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges. "
Art. 18. Artikel 197, 4°, van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 14 juni 2004, wordt vervangen als volgt :
  " 4° " Nationale Paritaire Commissie " : de Nationale Paritaire Commissie bedoeld in artikel 115 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen ".
  " 4° " Nationale Paritaire Commissie " : de Nationale Paritaire Commissie bedoeld in artikel 115 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen ".
Art. 18. L'article 197, 4°, de la mĂȘme loi, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 14 juin 2004, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " 4° " Commission Paritaire Nationale " : la Commission paritaire nationale visée à l'article 115 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges ".
  " 4° " Commission Paritaire Nationale " : la Commission paritaire nationale visée à l'article 115 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges ".
Art. 19. In artikel 209, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 14 juni 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het zesde lid, ingevoegd bij de wet van 14 november 2011, worden de woorden " de Nationale Paritaire Commissie, bedoeld in artikel 13 van de wet van 23 juli 1926 betreffende NMBS-Holding en haar verbonden vennootschappen ", vervangen door de woorden " het strategische bedrijfscomité, bedoeld in artikel 127 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen ", en worden de woorden " die Nationale Paritaire Commissie " vervangen door de woorden " dat strategische bedrijfscomité ";
  2° in het achtste lid, ingevoegd bij de wet van 14 november 2011, worden de woorden " de in het zesde lid bedoelde Nationale Paritaire Commissie " vervangen door de woorden " het in het zesde lid bedoelde strategische bedrijfscomité ".
  1° in het zesde lid, ingevoegd bij de wet van 14 november 2011, worden de woorden " de Nationale Paritaire Commissie, bedoeld in artikel 13 van de wet van 23 juli 1926 betreffende NMBS-Holding en haar verbonden vennootschappen ", vervangen door de woorden " het strategische bedrijfscomité, bedoeld in artikel 127 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen ", en worden de woorden " die Nationale Paritaire Commissie " vervangen door de woorden " dat strategische bedrijfscomité ";
  2° in het achtste lid, ingevoegd bij de wet van 14 november 2011, worden de woorden " de in het zesde lid bedoelde Nationale Paritaire Commissie " vervangen door de woorden " het in het zesde lid bedoelde strategische bedrijfscomité ".
Art. 19. A l'article 209, § 1er, de la mĂȘme loi, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 14 juin 2004, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans le sixiÚme alinéa, inséré par la loi du 14 novembre 2011, les mots " la Commission paritaire nationale, visée à l'article 13 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB-Holding et à ses sociétés liées ", sont remplacés par les mots " le comité d'entreprise stratégique visé à l'article 127 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges ", et les mots " cette Commission paritaire nationale " sont remplacés par les mots " ce comité d'entreprise stratégique ";
  2° dans le huitiÚme alinéa, inséré par la loi du 14 novembre 2011, les mots " la Commission paritaire nationale, visée à l'alinéa six " sont remplacés par les mots " le comité d'entreprise stratégique visé à l'alinéa six ".
  1° dans le sixiÚme alinéa, inséré par la loi du 14 novembre 2011, les mots " la Commission paritaire nationale, visée à l'article 13 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB-Holding et à ses sociétés liées ", sont remplacés par les mots " le comité d'entreprise stratégique visé à l'article 127 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges ", et les mots " cette Commission paritaire nationale " sont remplacés par les mots " ce comité d'entreprise stratégique ";
  2° dans le huitiÚme alinéa, inséré par la loi du 14 novembre 2011, les mots " la Commission paritaire nationale, visée à l'alinéa six " sont remplacés par les mots " le comité d'entreprise stratégique visé à l'alinéa six ".
Art. 20. In artikel 214 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 14 juni 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de eerste zin van paragraaf 1, eerste lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, worden de woorden " N.M.B.S. Holding " vervangen door de woorden " HR Rail ";
  2° in de tweede zin van paragraaf 1, eerste lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, worden de woorden " het statuut van het personeel van N.M.B.S. Holding " vervangen door de woorden " het personeelsstatuut zoals bedoeld in artikel 21 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen " en worden de woorden " onder het gezag van Infrabel " vervangen door de woorden " onder het uitsluitende gezag van Infrabel ".
  3° het tweede lid van paragraaf 1, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, wordt vervangen als volgt :
  " De voorwaarden en de nadere bepalingen van de terbeschikkingstelling van het personeel krachtens het eerste lid, worden vastgesteld door of krachtens de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen. "
  1° in de eerste zin van paragraaf 1, eerste lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, worden de woorden " N.M.B.S. Holding " vervangen door de woorden " HR Rail ";
  2° in de tweede zin van paragraaf 1, eerste lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, worden de woorden " het statuut van het personeel van N.M.B.S. Holding " vervangen door de woorden " het personeelsstatuut zoals bedoeld in artikel 21 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen " en worden de woorden " onder het gezag van Infrabel " vervangen door de woorden " onder het uitsluitende gezag van Infrabel ".
  3° het tweede lid van paragraaf 1, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, wordt vervangen als volgt :
  " De voorwaarden en de nadere bepalingen van de terbeschikkingstelling van het personeel krachtens het eerste lid, worden vastgesteld door of krachtens de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen. "
Art. 20. A l'article 214 de la mĂȘme loi, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 14 juin 2004, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans la premiĂšre phrase du paragraphe 1er, premier alinĂ©a, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, les mots " S.N.C.B.-Holding " sont remplacĂ©s par les mots " HR Rail ";
  2° dans la seconde phrase du paragraphe 1er, premier alinĂ©a, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, les mots " le statut du personnel de la S.N.C.B. Holding " sont remplacĂ©s par les mots " le statut du personnel, visĂ© Ă l'article 21 de la loi du 23 juillet 1926 relative Ă la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges " et les mots " sous l'autoritĂ© d'Infrabel " sont remplacĂ©s par les mots " sous l'autoritĂ© exclusive d'Infrabel ".
  3° le second alinĂ©a du paragraphe 1er, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Les conditions et modalités de la mise à disposition du personnel en vertu du premier alinéa, sont fixées par ou en vertu de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges. "
  1° dans la premiĂšre phrase du paragraphe 1er, premier alinĂ©a, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, les mots " S.N.C.B.-Holding " sont remplacĂ©s par les mots " HR Rail ";
  2° dans la seconde phrase du paragraphe 1er, premier alinĂ©a, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, les mots " le statut du personnel de la S.N.C.B. Holding " sont remplacĂ©s par les mots " le statut du personnel, visĂ© Ă l'article 21 de la loi du 23 juillet 1926 relative Ă la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges " et les mots " sous l'autoritĂ© d'Infrabel " sont remplacĂ©s par les mots " sous l'autoritĂ© exclusive d'Infrabel ".
  3° le second alinĂ©a du paragraphe 1er, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Les conditions et modalités de la mise à disposition du personnel en vertu du premier alinéa, sont fixées par ou en vertu de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges. "
Art. 21. Artikel 215 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 14 juni 2004, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 215. De bepalingen van titel I, hoofdstuk VIII, met uitzondering van artikel 31, en zonder afbreuk te doen aan artikel 71 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen, zijn niet van toepassing op Infrabel en het personeel dat aan Infrabel ter beschikking wordt gesteld. Infrabel en haar personeel zijn onderworpen aan de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen. "
  " Art. 215. De bepalingen van titel I, hoofdstuk VIII, met uitzondering van artikel 31, en zonder afbreuk te doen aan artikel 71 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen, zijn niet van toepassing op Infrabel en het personeel dat aan Infrabel ter beschikking wordt gesteld. Infrabel en haar personeel zijn onderworpen aan de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen. "
Art. 21. L'article 215 de la mĂȘme loi, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 14 juin 2004, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 215. Le titre I, chapitre VIII, à l'exception de l'article 31, et sans porter préjudice à l'article 71 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges, ne s'applique pas à Infrabel et au personnel mis à disposition d'Infrabel. Infrabel et son personnel sont soumis à la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges. "
  " Art. 215. Le titre I, chapitre VIII, à l'exception de l'article 31, et sans porter préjudice à l'article 71 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges, ne s'applique pas à Infrabel et au personnel mis à disposition d'Infrabel. Infrabel et son personnel sont soumis à la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges. "
HOOFDSTUK 3. - Andere
CHAPITRE 3. - Autres
Afdeling 1. - Pensioenen
Section 1re. - Pensions
Art. 22. In artikel 1, tweede lid, van de wet van 21 mei 1955 betreffende betreffende het rust- en overlevingspensioen voor arbeiders, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, worden de woorden " of HR Rail " ingevoegd tussen de woorden " de N.M.B.S. Holding " en de woorden " ; hetzelfde geldt ".
Art. 22. Dans l'article 1er, deuxiĂšme alinĂ©a, de la loi du 21 mai 1955 relative Ă la pension de retraite et de survie des ouvriers, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, les mots " ou HR Rail " sont insĂ©rĂ©s entre les mots " la S.N.C.B. Holding " et les mots " ; il en est de mĂȘme ".
Art. 23. In artikel 1, tweede lid van de wet van 12 juli 1957 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor bedienden, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, worden de woorden " of HR Rail " ingevoegd tussen de woorden " N.M.B.S. Holding " en de woorden " ; hetzelfde geldt ".
Art. 23. Dans l'article 1er, deuxiĂšme alinĂ©a de la loi du 12 juillet 1957 relative Ă la pension de retraite et de survie des employĂ©s, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, les mots " ou HR Rail " sont insĂ©rĂ©s entre les mots " S.N.C.B Holding " et les mots " ; il en est de mĂȘme ".
Art. 24. In artikel 11, § 2, van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, worden de woorden " of HR Rail " ingevoegd tussen de woorden " N.M.B.S. Holding " en de woorden " , of aan de pensioenregeling ".
Art. 24. Dans l'article 11, § 2, de la mĂȘme loi, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, les mots " ou HR Rail " sont insĂ©rĂ©s entre les mots " S.N.C.B. Holding " et les mots ", ou au rĂ©gime de pension ".
Art. 25. In artikel 115, zesde lid, van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, gewijzigd bij de wet van 21 mei 1991 en het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, worden de woorden " de N.M.B.S. Holding " vervangen door de woorden " HR Rail bedoeld in artikel 22 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen ".
Art. 25. Dans l'article 115, sixiĂšme alinĂ©a, de la loi du 14 fĂ©vrier 1961 d'expansion Ă©conomique, de progrĂšs social et de redressement financier, modifiĂ© par la loi du 21 mai 1991 et par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, les mots " S.N.C.B. Holding " sont remplacĂ©s par les mots " HR Rail visĂ© Ă l'article 22 de la loi du 23 juillet 1926 relative Ă la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges ".
Art. 26. In artikel 117, § 2, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 30 maart 2001 en het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden " de N.M.B.S. Holding " worden vervangen door de woorden " HR Rail ";
  2° de woorden " van deze Maatschappij " worden vervangen door de woorden " van HR Rail ".
  1° de woorden " de N.M.B.S. Holding " worden vervangen door de woorden " HR Rail ";
  2° de woorden " van deze Maatschappij " worden vervangen door de woorden " van HR Rail ".
Art. 26. A l'article 117, § 2, alinĂ©a 1er, de la mĂȘme loi, modifiĂ© par la loi du 30 mars 2001 et l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° les mots " la S.N.C.B Holding " sont remplacés par les mots " HR Rail ";
  2° les mots " de cette Société " sont remplacés par les mots " de HR Rail ".
  1° les mots " la S.N.C.B Holding " sont remplacés par les mots " HR Rail ";
  2° les mots " de cette Société " sont remplacés par les mots " de HR Rail ".
Art. 27. In artikel 3, tweede lid, van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden " of HR Rail " worden ingevoegd tussen de woorden " van de NMBS Holding " en de woorden " zijn loopbaan niet beëindigt ";
  2° de woorden " of HR Rail " worden ingevoegd tussen de woorden " bij de NMBS Holding " en de woorden " bewezen diensten ".
  1° de woorden " of HR Rail " worden ingevoegd tussen de woorden " van de NMBS Holding " en de woorden " zijn loopbaan niet beëindigt ";
  2° de woorden " of HR Rail " worden ingevoegd tussen de woorden " bij de NMBS Holding " en de woorden " bewezen diensten ".
Art. 27. A l'article 3, alinĂ©a 2, de la loi du 14 avril 1965 Ă©tablissant certaines relations entre les divers rĂ©gimes de pensions du secteur public, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 28 dĂ©cembre 2006, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° les mots " ou HR Rail " sont insérés entre les mots " de la SNCB Holding " et les mots " ne termine pas sa carriÚre ";
  2° les mots " ou HR Rail " sont insérés entre les mots " à la SNCB Holding " et les mots " sont pris en compte ".
  1° les mots " ou HR Rail " sont insérés entre les mots " de la SNCB Holding " et les mots " ne termine pas sa carriÚre ";
  2° les mots " ou HR Rail " sont insérés entre les mots " à la SNCB Holding " et les mots " sont pris en compte ".
Art. 28. In artikel 1, eerste lid, e), van de wet van 4 juli 1966 houdende toekenning van een vakantiegeld en van een aanvullende toeslag bij het vakantiegeld aan de gepensioneerden van de openbare diensten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, worden de woorden " N.M.B.S. Holding en " geschrapt.
Art. 28. Dans l'article 1er, alinĂ©a 1er, e), de la loi du 4 juillet 1966 accordant un pĂ©cule de vacances et un pĂ©cule complĂ©mentaire au pĂ©cule de vacances aux pensionnĂ©s des services publics, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, les mots " S.N.C.B. Holding " sont abrogĂ©s.
Art. 29. In artikel 2 van koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, gewijzigd bij de wet van 27 december 1973, het koninklijk besluit van 19 maart 1990 en het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, wordt het eerste lid aangevuld met de woorden " of HR Rail ".
Art. 29. Dans l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif Ă la pension de retraite et de survie des travailleurs salariĂ©s, modifiĂ© par la loi du 27 dĂ©cembre 1973, l'arrĂȘtĂ© royal du 19 mars 1990 et l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, le premier alinĂ©a est complĂ©tĂ© par les mots " ou HR Rail ".
Art. 30. In artikel 4, § 1, van de wet van 5 augustus 1968 tot vaststelling van een zeker verband tussen de pensioenstelsels van de openbare sector en die van de privé-sector, gewijzigd bij de wetten van 20 juni 1975 en 6 mei 2002 en het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, worden de woorden " , HR Rail " ingevoegd tussen de woorden " van N.M.B.S. Holding " en de woorden " of ieder ander persoon ".
Art. 30. Dans l'article 4, § 1er, de la loi du 5 aoĂ»t 1968 Ă©tablissant certaines relations entre les rĂ©gimes de pensions du secteur public et ceux du secteur privĂ©, modifiĂ©s par les lois du 20 juin 1975 et 6 mai 2002 et par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, les mots " HR Rail " sont insĂ©rĂ©s entre les mots " de la S.N.C.B. Holding " et les mots " ou toute autre personne ".
Art. 31. In artikel 11, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 20 juni 1975 en 6 mei 2002 en het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, worden de woorden " , HR Rail " ingevoegd tussen de woorden " van N.M.B.S. Holding " en de woorden " of van enig andere persoon ".
Art. 31. Dans l'article 11, § 1er, de la mĂȘme loi, modifiĂ© par les lois du 20 juin 1975 et du 6 mai 2002 et l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, les mots " HR Rail " sont insĂ©rĂ©s entre les mots " de la S.N.C.B. Holding " et les mots " ou de toute autre personne ".
Art. 32. In artikel 10, eerste lid, van de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden, gewijzigd bij de wet van 20 juli 1991 en het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, worden de woorden " of HR Rail " ingevoegd tussen de woorden " door N.M.B.S. Holding " en de woorden " , hetzij met toepassing ".
Art. 32. Dans l'article 10, alinĂ©a 1er, de la loi du 1er avril 1969 instituant un revenu garanti aux personnes ĂągĂ©es, modifiĂ© par la loi du 20 juillet 1991 et par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, les mots " ou HR Rail " sont insĂ©rĂ©s entre les mots " par la S.N.C.B. Holding " et les mots " soit en application ".
Art. 33. In artikel 12 van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector, vervangen bij de wet van 25 april 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 3 worden in de bepaling onder 14° de woorden " de NMBS Holding, Infrabel en de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen " vervangen door de woorden " Infrabel en NMBS ";
  2° in paragraaf 3 worden in de bepaling onder 15° de woorden " de NMBS Holding, Infrabel en de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (NMBS). " vervangen door de woorden " Infrabel, NMBS en HR Rail ";
  3° in paragraaf 4 worden de woorden " de NMBS " vervangen door de woorden " NMBS Holding of HR Rail ".
  1° in paragraaf 3 worden in de bepaling onder 14° de woorden " de NMBS Holding, Infrabel en de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen " vervangen door de woorden " Infrabel en NMBS ";
  2° in paragraaf 3 worden in de bepaling onder 15° de woorden " de NMBS Holding, Infrabel en de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (NMBS). " vervangen door de woorden " Infrabel, NMBS en HR Rail ";
  3° in paragraaf 4 worden de woorden " de NMBS " vervangen door de woorden " NMBS Holding of HR Rail ".
Art. 33. A l'article 12 de la loi du 9 juillet 1969 modifiant et complétant la législation relative aux pensions de retraite et de survie des agents du secteur public, remplacé par la loi du 25 avril 2007, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 3, dans la disposition énoncée sous 14°, les mots " la SNCB-Holding, Infrabel et la Société Nationale des Chemins de fer Belges " sont remplacés par les mots " Infrabel et la SNCB ";
  2° au paragraphe 3, dans la disposition énoncée sous 15°, les mots " la SNCB Holding, Infrabel et la Société Nationale des Chemins de fer Belges (SNCB). " sont remplacés par " Infrabel, la SNCB et HR Rail ";
  3° au paragraphe 4, les mots " la SNCB " sont remplacés par les mots " SNCB Holding ou HR Rail ".
  1° au paragraphe 3, dans la disposition énoncée sous 14°, les mots " la SNCB-Holding, Infrabel et la Société Nationale des Chemins de fer Belges " sont remplacés par les mots " Infrabel et la SNCB ";
  2° au paragraphe 3, dans la disposition énoncée sous 15°, les mots " la SNCB Holding, Infrabel et la Société Nationale des Chemins de fer Belges (SNCB). " sont remplacés par " Infrabel, la SNCB et HR Rail ";
  3° au paragraphe 4, les mots " la SNCB " sont remplacés par les mots " SNCB Holding ou HR Rail ".
Art. 34. In artikel 32, eerste lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 3 februari 2003 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 december 2006, worden de woorden " of van HR Rail " ingevoegd tussen de woorden " de NMBS Holding " en de woorden " Zij zijn niet van toepassing ".
Art. 34. Dans l'article 32, alinĂ©a 1er, de la mĂȘme loi, remplacĂ© par la loi du 3 fĂ©vrier 2003 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 28 dĂ©cembre 2006, les mots " ou de HR Rail " sont insĂ©rĂ©s entre les mots " la SNCB Holding " et les mots " Elles ne s'appliquent pas ".
Art. 35. In artikel 1, eerste lid, van de wet van 10 januari 1974 tot regeling van de inaanmerkingneming van bepaalde diensten en van met dienstactiviteit gelijkgestelde perioden voor het toekennen en berekenen van pensioenen ten laste van de Staatskas, gewijzigd bij de wetten van 6 mei 2002 en 24 oktober 2011 en het koninklijk besluit van 28 december 2006, worden de woorden " of van HR Rail " ingevoegd tussen de woorden " van de NMBS Holding " en de woorden " , van het Fonds voor pensioenen ".
Art. 35. Dans l'article 1er, alinĂ©a 1er, de la loi du 10 janvier 1974 rĂ©glant l'admissibilitĂ© de certains services et de pĂ©riodes assimilĂ©es Ă l'activitĂ© de service pour l'octroi et le calcul des pensions Ă charge du TrĂ©sor public, modifiĂ© par les lois du 6 mai 2002 et du 24 octobre 2011 et par l'arrĂȘtĂ© royal du 28 dĂ©cembre 2006, les mots " ou de HR Rail " sont insĂ©rĂ©s entre les mots " de la SNCB Holding " et les mots " , du Fonds des pensions ".
Art. 36. In artikel 83, § 1, 1°, van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen, vervangen bij de wet van 6 juli 1982 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 december 2006, worden de woorden " of van HR Rail " ingevoegd tussen de woorden " van de NMBS Holding " en de woorden " , de magistraten van de rechterlijke orde ".
Art. 36. Dans l'article 83, § 1er, 1°, de la loi du 5 aoĂ»t 1978 de rĂ©formes Ă©conomiques et budgĂ©taires, remplacĂ© par la loi du 6 juillet 1982 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 28 dĂ©cembre 2006, les mots " ou de HR Rail " sont insĂ©rĂ©s entre les mots " de la SNCB Holding " et les mots " , des magistrats de l'ordre judiciaire ".
Art. 37. In het artikel 46, § 3/1 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, ingevoegd bij de wet van 13 december 2012, wordt het derde lid aangevuld met de woorden " of bij HR Rail ".
Art. 37. Dans l' article 46, § 3/1 de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pension, inséré par la loi du 13 décembre 2012, le troisiÚme alinéa est complété par les mots " ou à HR Rail ".
Art. 38. In artikel 49, § 2, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 13 december 2012, wordt het derde lid aangevuld met de woorden " of van HR Rail ".
Art. 38. Dans l'article 49, § 2, de la mĂȘme loi, insĂ©rĂ© par la loi du 13 dĂ©cembre 2012, le troisiĂšme alinĂ©a est complĂ©tĂ© par les mots " ou de HR Rail ".
Art. 39. In artikel 59, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 december 2006, wordt de bepaling onder a) aangevuld met de woorden " of van HR Rail ".
Art. 39. Dans l'article 59, alinĂ©a 1er, de la mĂȘme loi, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 28 dĂ©cembre 2006, la disposition sous a) est complĂ©tĂ© par les mots " ou de HR Rail ".
Art. 40. In artikel 3, § 1, eerste lid, a), derde streepje, van de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn, gewijzigd bij de wet van 29 december 1990 en het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, worden de woorden " of HR Rail " ingevoegd tussen de woorden " van N.M.B.S. Holding " en de woorden " , krachtens iedere andere ".
Art. 40. Dans l'article 3, § 1er, alinĂ©a 1er, a), troisiĂšme tiret, de la loi du 20 juillet 1990 instaurant un Ăąge flexible de la retraite pour les travailleurs salariĂ©s et adaptant les pensions des travailleurs salariĂ©s Ă l'Ă©volution du bien-ĂȘtre gĂ©nĂ©ral, modifiĂ© par la loi du 29 dĂ©cembre 1990 et par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, les mots " ou HR Rail " sont insĂ©rĂ©s entre les mots " de la S.N.C.B. Holding " et les mots " en vertu de tout autre ".
Art. 41. In artikel 68, § 6, eerste lid, 4°, van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 oktober 2004 en van 28 december 2006, worden de woorden " de N.M.B.S. Holding " vervangen door de woorden " HR Rail ".
Art. 41. Dans l'article 68, § 6, premier alinĂ©a, 4°, de la loi du 30 mars 1994 portant des dispositions sociales, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux du 18 octobre 2004 et du 28 dĂ©cembre 2006, les mots " la S.N.C.B. Holding " sont remplacĂ©s par les mots " HR Rail ".
Art. 42. In artikel 12, eerste lid, van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, worden de woorden " of HR Rail " ingevoegd tussen de woorden " door N.M.B.S. Holding " en de woorden " , hetzij bij toepassing ".
Art. 42. Dans l'article 12, alinĂ©a 1er, de la loi du 22 mars 2001 instituant la garantie de revenus aux personnes ĂągĂ©es, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, les mots " ou HR Rail " sont insĂ©rĂ©s entre les mots " par la S.N.C.B Holding " et les mots " , soit en application ".
Art. 43. In artikel 10, laatste lid, van de wet van 30 maart 2001 betreffende het pensioen van het personeel van de politiediensten en hun rechthebbenden, ingevoegd bij de wet van 3 februari 2003 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, worden de woorden " , door N.M.B.S. Holding " geschrapt.
Art. 43. Dans l'article 10, dernier alinĂ©a, de la loi du 30 mars 2001 relative Ă la pension du personnel des services de police et de leurs ayants droit, insĂ©rĂ© par la loi du 3 fĂ©vrier 2003 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, les mots " , par la S.N.C.B. Holding " sont abrogĂ©s.
Art. 44. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 december 2005 betreffende de overname van de pensioenverplichtingen van de N.M.B.S. Holding door de Belgische Staat, gewijzigd bij de wet van 20 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de bepaling onder 4° wordt vervangen als volgt :
  " 4° " het Statuut van het personeel " : het personeelsstatuut bedoeld in de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen ";
  b) de bepaling onder 1° /1 wordt ingevoegd, luidende : " " HR Rail " : de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail bedoeld in artikel 22 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen ".
  a) de bepaling onder 4° wordt vervangen als volgt :
  " 4° " het Statuut van het personeel " : het personeelsstatuut bedoeld in de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen ";
  b) de bepaling onder 1° /1 wordt ingevoegd, luidende : " " HR Rail " : de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail bedoeld in artikel 22 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen ".
Art. 44. A l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 dĂ©cembre 2005 relatif Ă la reprise des obligations de pension de la S.N.C.B. Holding par l'Etat belge, modifiĂ© par la loi du 20 juillet 2006, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  a) la disposition sous 4° est remplacée comme suit :
  " 4° " le Statut du personnel " : le statut du personnel visé dans la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges ";
  b) la disposition sous 1° /1 est insérée et s'énonce comme suit : " " HR Rail " : la société anonyme de droit public HR Rail visée à l'article 22 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges ".
  a) la disposition sous 4° est remplacée comme suit :
  " 4° " le Statut du personnel " : le statut du personnel visé dans la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges ";
  b) la disposition sous 1° /1 est insérée et s'énonce comme suit : " " HR Rail " : la société anonyme de droit public HR Rail visée à l'article 22 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges ".
Art. 45. In artikel 2, § 2, van hetzelfde koninklijk besluit worden de woorden " artikel 13 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de N.M.B.S. Holding en haar verbonden vennootschappen " vervangen door de woorden " de bepalingen van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen ".
Art. 45. Dans l'article 2, § 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " article 13 de la loi du 23 juillet 1926 relative Ă la S.N.C.B. Holding et ses sociĂ©tĂ©s liĂ©es " sont remplacĂ©s par les mots " les dispositions de la loi du 23 juillet 1926 relative Ă la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges ".
Art. 46. In hetzelfde koninklijk besluit wordt een artikel 11/1 ingevoegd, luidende :
  " De rechten en plichten die voortvloeien uit dit besluit, zijn uitvoeringsbesluiten en de overeenkomst bedoeld in artikel 9, laatste lid, worden vanaf 1 januari 2014 van rechtswege overgenomen door HR Rail. "
  " De rechten en plichten die voortvloeien uit dit besluit, zijn uitvoeringsbesluiten en de overeenkomst bedoeld in artikel 9, laatste lid, worden vanaf 1 januari 2014 van rechtswege overgenomen door HR Rail. "
Art. 46. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, il est insĂ©rĂ© un article 11/1 rĂ©digĂ© comme suit :
  " Les droits et les obligations qui rĂ©sultent du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution et la convention visĂ©e Ă l'article 9, dernier alinĂ©a, sont repris de plein droit par HR Rail Ă partir du 1er janvier 2014. "
  " Les droits et les obligations qui rĂ©sultent du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution et la convention visĂ©e Ă l'article 9, dernier alinĂ©a, sont repris de plein droit par HR Rail Ă partir du 1er janvier 2014. "
Art. 47. In artikel 88, tweede lid, van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, gewijzigd bij de wet van 13 december 2012, worden de woorden " de NMBS-Holding " vervangen door de woorden " HR Rail ".
Art. 47. Dans l'article 88, alinéa 2, de la loi du 28 décembre 2011 portant des dispositions diverses, modifié par la loi du 13 décembre 2012, les mots " la SNCB-Holding " sont remplacés par les mots " HR Rail ".
Afdeling 2. - Gezinsbijslag
Section 2. - Allocations familiales
Art. 48. In artikel 3 van de gecoördineerde wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, ingevoegd bij de wet van 22 december 1989 en gewijzigd bij de wet van 12 augustus 2000, wordt de bepaling onder 2° aangevuld met de woorden " alsook HR Rail ".
Art. 48. Dans l'article 3 des lois coordonnées du 19 décembre 1939 relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, inséré par la loi du 22 décembre 1989 et modifié par la loi du 12 août 2000, le 2° est complété par les mots " ainsi que HR Rail ".
Art. 49. In artikel 56undecies, eerste lid, b), van dezelfde wetten, ingevoegd bij de wet van 29 april 1996 en gewijzigd bij de wet van 10 juni 1998 en bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, worden de woorden " N.M.B.S. Holding " vervangen door de woorden " HR Rail ".
Art. 49. Dans l'article 56undecies, alinĂ©a 1er, b), des mĂȘmes lois, insĂ©rĂ© par la loi du 29 avril 1996 et modifiĂ© par la loi du 10 juin 1998 et par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, les mots " S.N.C.B. Holding " sont remplacĂ©s par les mots " HR Rail ".
Art. 50. In artikel 57, eerste lid, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wetten van 27 maart 1951, 22 december 1989 en 30 december 2001 en bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, worden de woorden " N.M.B.S. Holding " geschrapt.
Art. 50. Dans l'article 57, alinĂ©a 1er, des mĂȘmes lois, modifiĂ© par les lois du 27 mars 1951, du 22 dĂ©cembre 1989 et du 30 dĂ©cembre 2001 et par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, les mots " S.N.C.B. Holding " sont abrogĂ©s.
Art. 51. In artikel 149, tweede lid, 1°, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991 en bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, worden de woorden " van N.M.B.S. Holding " vervangen door de woorden " van HR Rail ".
Art. 51. Dans l'article 149, alinĂ©a 2, 1° des mĂȘmes lois, modifiĂ© par la loi du 21 mars 1991 et par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, les mots " de S.N.C.B. Holding " sont remplacĂ©s par les mots " de HR Rail ".
Art. 52. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1987 tot uitvoering van artikel 18bis der samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders worden de woorden " de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen " vervangen door de woorden " HR Rail ".
Art. 52. Dans l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 29 octobre 1987 portant exĂ©cution de l'article 18bis des lois coordonnĂ©es relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariĂ©s, les mots " SociĂ©tĂ© nationale des chemins de fer belges " sont remplacĂ©s par les mots " HR Rail ".
Afdeling 3. - Beroepsziekten
Section 3. - Maladies professionelles
Art. 53. In artikel 2, § 1, tweede lid, c), van de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970 betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, ingevoegd bij de wet van 29 december 1990 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, worden de woorden " N.M.B.S. Holding " vervangen door de woorden " HR Rail ".
Art. 53. Dans l'article 2, § 1er, alinĂ©a 2, c), des lois coordonnĂ©es du 3 juin 1970 relatives Ă la prĂ©vention des maladies professionnelles et Ă la rĂ©paration des dommages rĂ©sultant de celles-ci, insĂ©rĂ© par la loi du 29 dĂ©cembre 1990 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, les mots " S.N.C.B. Holding " sont remplacĂ©s par les mots " HR Rail ".
Afdeling 4. - Arbeidsongevallen
Section 4. - Accidents du travail
Art. 54. In artikel 4 van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen, ingevoegd bij de wet van 29 december 1990 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, worden de woorden " N.M.B.S. Holding " vervangen door de woorden " HR Rail ".
Art. 54. Dans l'article 4 de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail, insĂ©rĂ© par la loi du 29 dĂ©cembre 1990 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, les mots " S.N.C.B. Holding " sont remplacĂ©s par les mots " HR Rail ".
Afdeling 5. - Verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en Kas der geneeskundige verzorging
Section 5. - Assurance obligatoire soins de santé et Caisse des soins de santé
Art. 55. In artikel 3bis van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg, ingevoegd bij de wet van 29 december 1990 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden " Kas der geneeskundige verzorging van N.M.B.S. Holding " worden vervangen door de woorden " Kas der geneeskundige verzorging van HR Rail ";
  2° de tweede zin wordt vervangen als volgt :
  " De leden worden benoemd door de Koning, waarvan respectievelijk :
  - vijf leden op voordracht van de raad van bestuur van HR Rail;
  - vijf leden op voordracht van de leden van de Nationale Paritaire Commissie die de syndicale organisaties vertegenwoordigen. "
  1° de woorden " Kas der geneeskundige verzorging van N.M.B.S. Holding " worden vervangen door de woorden " Kas der geneeskundige verzorging van HR Rail ";
  2° de tweede zin wordt vervangen als volgt :
  " De leden worden benoemd door de Koning, waarvan respectievelijk :
  - vijf leden op voordracht van de raad van bestuur van HR Rail;
  - vijf leden op voordracht van de leden van de Nationale Paritaire Commissie die de syndicale organisaties vertegenwoordigen. "
Art. 55. A l'article 3bis de la loi du 25 avril 1963 sur la gestion des organismes d'intĂ©rĂȘt public de sĂ©curitĂ© sociale et de prĂ©voyance sociale, insĂ©rĂ© par la loi du 29 dĂ©cembre 1990 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° les mots " Caisse des soins de santé de la S.N.C.B. Holding " sont remplacés par les mots " Caisse des soins de santé de HR Rail ";
  2° la deuxiÚme phrase est remplacée comme suit :
  " Les membres sont nommés par le Roi, dont respectivement :
  - cinq membres sur présentation du conseil d'administration de HR Rail;
  - cinq membres sur présentation des membres de la Commission paritaire nationale qui représentent les organisations syndicales. "
  1° les mots " Caisse des soins de santé de la S.N.C.B. Holding " sont remplacés par les mots " Caisse des soins de santé de HR Rail ";
  2° la deuxiÚme phrase est remplacée comme suit :
  " Les membres sont nommés par le Roi, dont respectivement :
  - cinq membres sur présentation du conseil d'administration de HR Rail;
  - cinq membres sur présentation des membres de la Commission paritaire nationale qui représentent les organisations syndicales. "
Art. 56. In artikel 18, laatste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 29 december 1990 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden " N.M.B.S. Holding " worden vervangen door de woorden " HR Rail ";
  2° de woorden " de Kas der geneeskundige verzorging van deze Maatschappij " worden vervangen door de woorden " de Kas der geneenskundige verzorging van HR Rail ".
  1° de woorden " N.M.B.S. Holding " worden vervangen door de woorden " HR Rail ";
  2° de woorden " de Kas der geneeskundige verzorging van deze Maatschappij " worden vervangen door de woorden " de Kas der geneenskundige verzorging van HR Rail ".
Art. 56. A l'article 18, dernier alinĂ©a, de la mĂȘme loi, insĂ©rĂ© par la loi du 29 dĂ©cembre 1990 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° les mots " S.N.C.B. Holding " sont remplacés par " HR Rail ";
  2° les mots " la Caisse des soins de santé de cette Société " sont remplacés par les mots " la Caisse des soins de santé de HR Rail ".
  1° les mots " S.N.C.B. Holding " sont remplacés par " HR Rail ";
  2° les mots " la Caisse des soins de santé de cette Société " sont remplacés par les mots " la Caisse des soins de santé de HR Rail ".
Art. 57. In artikel 6 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, worden de de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden " Kas der geneeskundige verzorging van N.M.B.S. Holding " worden telkens vervangen door de woorden " Kas der geneeskundige verzorging van HR Rail ";
  2° in het eerste lid worden de woorden " sociale werken van N.M.B.S. Holding " vervangen door de woorden " sociale werken van HR Rail ";
  3° in het tweede lid wordt de tweede zin vervangen als volgt : " De leden worden benoemd door de Koning, waarvan respectievelijk :
  - vijf leden op voordracht van de raad van bestuur van HR Rail;
  - vijf leden op voordracht van de leden van de Nationale Paritaire Commissie die de syndicale organisaties vertegenwoordigen. ".
  1° de woorden " Kas der geneeskundige verzorging van N.M.B.S. Holding " worden telkens vervangen door de woorden " Kas der geneeskundige verzorging van HR Rail ";
  2° in het eerste lid worden de woorden " sociale werken van N.M.B.S. Holding " vervangen door de woorden " sociale werken van HR Rail ";
  3° in het tweede lid wordt de tweede zin vervangen als volgt : " De leden worden benoemd door de Koning, waarvan respectievelijk :
  - vijf leden op voordracht van de raad van bestuur van HR Rail;
  - vijf leden op voordracht van de leden van de Nationale Paritaire Commissie die de syndicale organisaties vertegenwoordigen. ".
Art. 57. A l'article 6 de la loi relative Ă l'assurance obligatoire soins de santĂ© et indemnitĂ©s, coordonnĂ©e le 14 juillet 1994, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° les mots " Caisse des soins de santé de la S.N.C.B. Holding " sont chaque fois fois remplacés par les mots " Caisse des soins de santé de HR Rail ";
  2° dans l'alinéa 1er, les mots " oeuvres sociales de la S.N.C.B. Holding " sont remplacés par les mots " oeuvres sociales de HR Rail ";
  3° dans l'alinéa 2, la deuxiÚme phrase est remplacée comme suit : " Les membres sont nommés par le Roi, dont respectivement :
  - cinq membres sur présentation du conseil d'administration de HR Rail;
  - cinq membres sur présentation des membres de la Commission paritaire nationale qui représentent les organisations syndicales. "
  1° les mots " Caisse des soins de santé de la S.N.C.B. Holding " sont chaque fois fois remplacés par les mots " Caisse des soins de santé de HR Rail ";
  2° dans l'alinéa 1er, les mots " oeuvres sociales de la S.N.C.B. Holding " sont remplacés par les mots " oeuvres sociales de HR Rail ";
  3° dans l'alinéa 2, la deuxiÚme phrase est remplacée comme suit : " Les membres sont nommés par le Roi, dont respectivement :
  - cinq membres sur présentation du conseil d'administration de HR Rail;
  - cinq membres sur présentation des membres de la Commission paritaire nationale qui représentent les organisations syndicales. "
Art. 58. In artikel 32, eerste lid, 10°, van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, worden de woorden " of van HR Rail " ingevoegd tussen de woorden " N.M.B.S. Holding " en de woorden " recht hebben op ".
Art. 58. Dans l'article 32, alinĂ©a 1er, 10°, de la mĂȘme loi, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, les mots " ou de HR Rail " sont insĂ©rĂ©s entre les mots " S.N.C.B. Holding " et les mots " Ă une pension ".
Art. 59. In artikel 118 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004 en de wetten van 13 december 2006, van 26 maart 2007 en van 19 december 2008, worden de woorden " N.M.B.S. Holding " telkens vervangen door de woorden " HR Rail ".
Art. 59. Dans l'article 118 de la mĂȘme loi, modifiĂ©e par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004 et les lois du 13 dĂ©cembre 2006, du 26 mars 2007 et du 19 dĂ©cembre 2008, les mots " S.N.C.B. Holding " sont chaque fois remplacĂ©s par les mots " HR Rail ".
Art. 60. In artikel 187, van dezelfde wet, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 17 maart 1997 en van 18 oktober 2004, worden de woorden " N.M.B.S. Holding " telkens vervangen door de woorden " HR Rail ".
Art. 60. Dans l'article 187 de la mĂȘme loi, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux du 17 mars 1997 et du 18 octobre 2004, les mots " S.N.C.B. Holding " sont chaque fois remplacĂ©s par les mots " HR Rail ".
Art. 61. De woorden " Kas der geneeskundige verzorging van de N.M.B.S. Holding " of " Kas voor geneeskundige verzorging van de N.M.B.S. Holding " worden vervangen door de woorden " Kas der geneeskundige verzorging van HR Rail " in alle wettelijke en reglementaire bepalingen, en in het bijzonder in de volgende wetten en besluiten :
  De wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994;
  De wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut;
  De wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg;
  De wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen;
  Koninklijk besluit van 7 maart 1991 tot uitvoering van artikel 2, §§ 2 en 3, artikel 14, § 3, en artikel 19, derde en vierde lid, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen;
  Koninklijk besluit van 15 oktober 1991 tot uitvoering van artikel 6 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
  Koninklijk besluit van 17 oktober 1991 tot uitvoering van artikel 158 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
  Koninklijk besluit van 21 december 1992 tot uitvoering van artikel 50, § 2, eerste lid, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen;
  Koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
  Koninklijk besluit van 15 juni 2001 tot vaststelling van de erkenningscriteria voor de tariferingsdiensten;
  Koninklijk besluit van 28 augustus 2002 betreffende de responsabilisering van de verzekeringsinstellingen met betrekking tot het bedrag van hun administratiekosten;
  Koninklijk besluit van 21 oktober 2002 tot uitvoering van artikel 29, §§ 1 en 5, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen;
  De programmawet (I) van 24 december 2002;
  Koninklijk besluit van 16 januari 2003 tot vaststelling van de vergoedingen en het presentiegeld toegekend aan de voorzitters en leden van de beheersorganen van de openbare instellingen van sociale zekerheid en van de instellingen van openbaar nut die onder de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid ressorteren, en tegelijk onder de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken voor wat betreft de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten;
  Koninklijk besluit van 3 april 2003 betreffende de uitkeringen voor geneeskundige verzorging ten laste van de Dienst voor de overzeese sociale zekerheid;
  Verordening van 28 juli 2003 tot uitvoering van artikel 22, 11°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
  Koninklijk besluit van 22 januari 2004 tot vaststelling van de gegevens inzake te tariferen verstrekkingen die de verzekeringsinstellingen aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering moeten overmaken;
  Koninklijk besluit van 8 juli 2004 betreffende de vergoeding van weesgeneesmiddelen;
  Koninklijk besluit van 29 januari 2007 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder het Verzekeringscomité een overeenkomst kan sluiten in toepassing van artikel 56, § 2, 1°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, om de experimentele financiering van contraceptiva voor jongeren te verlengen;
  De wet van 21 augustus 2008 houdende oprichting en organisatie van het eHealth-platform en diverse bepalingen;
  Koninklijk besluit van 17 september 2010 tot uitvoering van artikel 75, § 2, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen.
  De wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994;
  De wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut;
  De wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg;
  De wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen;
  Koninklijk besluit van 7 maart 1991 tot uitvoering van artikel 2, §§ 2 en 3, artikel 14, § 3, en artikel 19, derde en vierde lid, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen;
  Koninklijk besluit van 15 oktober 1991 tot uitvoering van artikel 6 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
  Koninklijk besluit van 17 oktober 1991 tot uitvoering van artikel 158 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
  Koninklijk besluit van 21 december 1992 tot uitvoering van artikel 50, § 2, eerste lid, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen;
  Koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
  Koninklijk besluit van 15 juni 2001 tot vaststelling van de erkenningscriteria voor de tariferingsdiensten;
  Koninklijk besluit van 28 augustus 2002 betreffende de responsabilisering van de verzekeringsinstellingen met betrekking tot het bedrag van hun administratiekosten;
  Koninklijk besluit van 21 oktober 2002 tot uitvoering van artikel 29, §§ 1 en 5, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen;
  De programmawet (I) van 24 december 2002;
  Koninklijk besluit van 16 januari 2003 tot vaststelling van de vergoedingen en het presentiegeld toegekend aan de voorzitters en leden van de beheersorganen van de openbare instellingen van sociale zekerheid en van de instellingen van openbaar nut die onder de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid ressorteren, en tegelijk onder de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken voor wat betreft de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten;
  Koninklijk besluit van 3 april 2003 betreffende de uitkeringen voor geneeskundige verzorging ten laste van de Dienst voor de overzeese sociale zekerheid;
  Verordening van 28 juli 2003 tot uitvoering van artikel 22, 11°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
  Koninklijk besluit van 22 januari 2004 tot vaststelling van de gegevens inzake te tariferen verstrekkingen die de verzekeringsinstellingen aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering moeten overmaken;
  Koninklijk besluit van 8 juli 2004 betreffende de vergoeding van weesgeneesmiddelen;
  Koninklijk besluit van 29 januari 2007 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder het Verzekeringscomité een overeenkomst kan sluiten in toepassing van artikel 56, § 2, 1°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, om de experimentele financiering van contraceptiva voor jongeren te verlengen;
  De wet van 21 augustus 2008 houdende oprichting en organisatie van het eHealth-platform en diverse bepalingen;
  Koninklijk besluit van 17 september 2010 tot uitvoering van artikel 75, § 2, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen.
Art. 61. Les mots " Caisse des soins de santĂ© de la S.N.C.B. Holding " sont remplacĂ©s par les mots " Caisse des soins de santĂ© de HR Rail " dans toutes les dispositions lĂ©gales et rĂ©glementaires, et en particulier dans les lois et arrĂȘtĂ©s suivants :
  La loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994;
  La loi du 16 mars 1954 relative au contrĂŽle de certains organismes d'intĂ©rĂȘt public;
  La loi du 25 avril 1963 relative Ă la gestion des organismes d'intĂ©rĂȘt public de sĂ©curitĂ© sociale et de prĂ©voyance sociale;
  La loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités;
  ArrĂȘtĂ© royal du 7 mars 1991 portant exĂ©cution de l'article 2, §§ 2 et 3, article 14, § 3, et article 19, alinĂ©as 3 et 4, de la loi du 6 aoĂ»t 1990 relative aux mutualitĂ©s et aux unions nationales de mutualitĂ©s;
  ArrĂȘtĂ© royal du 15 octobre 1991 portant exĂ©cution de l'article 6 de la loi relative Ă l'assurance obligatoire soins de santĂ© et indemnitĂ©s, coordonnĂ©e le 14 juillet 1994;
  ArrĂȘtĂ© royal du 17 octobre 1991 portant exĂ©cution de l'article 158 de la loi relative Ă l'assurance obligatoire soins de santĂ© et indemnitĂ©s, coordonnĂ©e le 14 juillet 1994;
  ArrĂȘtĂ© royal du 21 dĂ©cembre 1992 portant exĂ©cution de l'article 50, § 2, alinĂ©a 1er, de la loi du 6 aoĂ»t 1990 relative aux mutualitĂ©s et aux unions nationales de mutualitĂ©s;
  ArrĂȘtĂ© royal du 3 juillet 1996 portant exĂ©cution de la loi relative Ă l'assurance obligatoire soins de santĂ© et indemnitĂ©s, coordonnĂ©e le 14 juillet 1994;
  ArrĂȘtĂ© royal du 15 juin 2001 dĂ©terminant les critĂšres d'agrĂ©ation des offices de tarification;
  ArrĂȘtĂ© royal du 28 aoĂ»t 2002 relatif Ă la responsabilisation des organismes assureurs sur le montant de leurs frais d'administration;
  ArrĂȘtĂ© royal du 21 octobre 2002 portant exĂ©cution de l'article 29, §§ 1er et 5, de la loi du 6 aoĂ»t 1990 relative aux mutualitĂ©s et aux unions nationales de mutualitĂ©s;
  La loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
  ArrĂȘtĂ© royal du 16 janvier 2003 fixant le montant des indemnitĂ©s et jetons de prĂ©sence attribuĂ©s aux prĂ©sidents et membres des organes de gestion des institutions publiques de sĂ©curitĂ© sociale et des organismes d'intĂ©rĂȘt public relevant du Service public fĂ©dĂ©ral SĂ©curitĂ© sociale et conjointement du Service public fĂ©dĂ©ral IntĂ©rieur en ce qui concerne l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale des administrations provinciales et locales;
  ArrĂȘtĂ© royal du 3 avril 2003 relatif aux prestations de soins de santĂ© Ă charge de l'Office de sĂ©curitĂ© sociale d'Outre-Mer;
  RÚglement du 28 juillet 2003 portant exécution de l'article 22, 11°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994;
  ArrĂȘtĂ© royal du 22 janvier 2004 dĂ©terminant les donnĂ©es relatives aux fournitures Ă tarifer que les organismes assureurs doivent transmettre Ă l'Institut national d'assurance maladie - invaliditĂ©;
  ArrĂȘtĂ© royal du 8 juillet 2004 relatif au remboursement des mĂ©dicaments orphelins;
  ArrĂȘtĂ© royal du 29 janvier 2007 fixant les conditions dans lesquelles le ComitĂ© de l'assurance peut conclure une convention en application de l'article 56, § 2, 1°, de la loi relative Ă l'assurance soins de santĂ© et indemnitĂ©s, coordonnĂ©e le 14 juillet 1994, en vue de prolonger le financement expĂ©rimental de contraceptifs pour les jeunes;
  La loi du 21 août 2008 relative à l'institution et à l'organisation de la plate-forme eHealth et portant diverses dispositions;
  ArrĂȘtĂ© royal du 17 septembre 2010 portant exĂ©cution de l'article 75, § 2, de la loi du 6 aoĂ»t 1990 relative aux mutualitĂ©s et aux unions nationales de mutualitĂ©s.
  La loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994;
  La loi du 16 mars 1954 relative au contrĂŽle de certains organismes d'intĂ©rĂȘt public;
  La loi du 25 avril 1963 relative Ă la gestion des organismes d'intĂ©rĂȘt public de sĂ©curitĂ© sociale et de prĂ©voyance sociale;
  La loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités;
  ArrĂȘtĂ© royal du 7 mars 1991 portant exĂ©cution de l'article 2, §§ 2 et 3, article 14, § 3, et article 19, alinĂ©as 3 et 4, de la loi du 6 aoĂ»t 1990 relative aux mutualitĂ©s et aux unions nationales de mutualitĂ©s;
  ArrĂȘtĂ© royal du 15 octobre 1991 portant exĂ©cution de l'article 6 de la loi relative Ă l'assurance obligatoire soins de santĂ© et indemnitĂ©s, coordonnĂ©e le 14 juillet 1994;
  ArrĂȘtĂ© royal du 17 octobre 1991 portant exĂ©cution de l'article 158 de la loi relative Ă l'assurance obligatoire soins de santĂ© et indemnitĂ©s, coordonnĂ©e le 14 juillet 1994;
  ArrĂȘtĂ© royal du 21 dĂ©cembre 1992 portant exĂ©cution de l'article 50, § 2, alinĂ©a 1er, de la loi du 6 aoĂ»t 1990 relative aux mutualitĂ©s et aux unions nationales de mutualitĂ©s;
  ArrĂȘtĂ© royal du 3 juillet 1996 portant exĂ©cution de la loi relative Ă l'assurance obligatoire soins de santĂ© et indemnitĂ©s, coordonnĂ©e le 14 juillet 1994;
  ArrĂȘtĂ© royal du 15 juin 2001 dĂ©terminant les critĂšres d'agrĂ©ation des offices de tarification;
  ArrĂȘtĂ© royal du 28 aoĂ»t 2002 relatif Ă la responsabilisation des organismes assureurs sur le montant de leurs frais d'administration;
  ArrĂȘtĂ© royal du 21 octobre 2002 portant exĂ©cution de l'article 29, §§ 1er et 5, de la loi du 6 aoĂ»t 1990 relative aux mutualitĂ©s et aux unions nationales de mutualitĂ©s;
  La loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
  ArrĂȘtĂ© royal du 16 janvier 2003 fixant le montant des indemnitĂ©s et jetons de prĂ©sence attribuĂ©s aux prĂ©sidents et membres des organes de gestion des institutions publiques de sĂ©curitĂ© sociale et des organismes d'intĂ©rĂȘt public relevant du Service public fĂ©dĂ©ral SĂ©curitĂ© sociale et conjointement du Service public fĂ©dĂ©ral IntĂ©rieur en ce qui concerne l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale des administrations provinciales et locales;
  ArrĂȘtĂ© royal du 3 avril 2003 relatif aux prestations de soins de santĂ© Ă charge de l'Office de sĂ©curitĂ© sociale d'Outre-Mer;
  RÚglement du 28 juillet 2003 portant exécution de l'article 22, 11°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994;
  ArrĂȘtĂ© royal du 22 janvier 2004 dĂ©terminant les donnĂ©es relatives aux fournitures Ă tarifer que les organismes assureurs doivent transmettre Ă l'Institut national d'assurance maladie - invaliditĂ©;
  ArrĂȘtĂ© royal du 8 juillet 2004 relatif au remboursement des mĂ©dicaments orphelins;
  ArrĂȘtĂ© royal du 29 janvier 2007 fixant les conditions dans lesquelles le ComitĂ© de l'assurance peut conclure une convention en application de l'article 56, § 2, 1°, de la loi relative Ă l'assurance soins de santĂ© et indemnitĂ©s, coordonnĂ©e le 14 juillet 1994, en vue de prolonger le financement expĂ©rimental de contraceptifs pour les jeunes;
  La loi du 21 août 2008 relative à l'institution et à l'organisation de la plate-forme eHealth et portant diverses dispositions;
  ArrĂȘtĂ© royal du 17 septembre 2010 portant exĂ©cution de l'article 75, § 2, de la loi du 6 aoĂ»t 1990 relative aux mutualitĂ©s et aux unions nationales de mutualitĂ©s.
Afdeling 6. - Sociale zekerheid voor werknemers
Section 6. - Sécurité sociale des travailleurs salariés
Art. 62. In artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, worden de volgende wijzingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, gewijzigd bij koninklijk besluit van 18 oktober 1996, worden de woorden " , HR Rail, " ingevoegd tussen de woorden " de instellingen van openbaar nut " en de woorden " en de autonome overheidsbedrijven ";
  2° in paragraaf 2, eerste lid, gewijzigd bij koninklijk besluiten van 26 februari 1991, van 3 oktober 1985 en van 18 oktober 1996, worden de woorden " , HR Rail, " ingevoegd tussen de woorden " instellingen van openbaar nut " en de woorden " en de autonome overheidsbedrijven ";
  3° in paragraaf 2, tweede lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 februari 2002, worden de woorden " de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen " vervangen door de woorden " HR Rail ";
  4° in paragraaf 2, derde lid, ingevoegd bij koninklijk besluit van 26 februari 1991 en gewijzigd bij koninklijk besluit van 23 december 1998, worden de woorden " de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen " vervangen door de woorden " HR Rail ";
  5° in paragraaf 3, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 2 december 2002, worden de woorden " HR Rail en " ingevoegd tussen de woorden " met uitzondering van " en de woorden " de autonome overheidsbedrijven ".
  1° in paragraaf 1, eerste lid, gewijzigd bij koninklijk besluit van 18 oktober 1996, worden de woorden " , HR Rail, " ingevoegd tussen de woorden " de instellingen van openbaar nut " en de woorden " en de autonome overheidsbedrijven ";
  2° in paragraaf 2, eerste lid, gewijzigd bij koninklijk besluiten van 26 februari 1991, van 3 oktober 1985 en van 18 oktober 1996, worden de woorden " , HR Rail, " ingevoegd tussen de woorden " instellingen van openbaar nut " en de woorden " en de autonome overheidsbedrijven ";
  3° in paragraaf 2, tweede lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 februari 2002, worden de woorden " de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen " vervangen door de woorden " HR Rail ";
  4° in paragraaf 2, derde lid, ingevoegd bij koninklijk besluit van 26 februari 1991 en gewijzigd bij koninklijk besluit van 23 december 1998, worden de woorden " de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen " vervangen door de woorden " HR Rail ";
  5° in paragraaf 3, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 2 december 2002, worden de woorden " HR Rail en " ingevoegd tussen de woorden " met uitzondering van " en de woorden " de autonome overheidsbedrijven ".
Art. 62. A l'article 11 de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 novembre 1969 pris en exĂ©cution de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans le paragraphe 1, alinĂ©a 1er, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 1996, les mots " HR Rail, " sont insĂ©rĂ©s entre les mots " les organismes d'intĂ©rĂȘt public " et les mots " et aux entreprises publiques autonomes ";
  2° dans le paragraphe 2, alinĂ©a 1er, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux du 26 fĂ©vrier 1991, du 3 octobre 1985 et du 18 octobre 1996, les mots " HR Rail, " sont insĂ©rĂ©s entre les mots " organismes d'intĂ©rĂȘt public " et les mots " et aux entreprises publiques autonomes ";
  3° dans le paragraphe 2, alinĂ©a 2, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 19 fĂ©vrier 2002, les mots " la SociĂ©tĂ© Nationale des Chemins de fer belges " sont remplacĂ©s par les mots " HR Rail ";
  4° dans le paragraphe 2, alinĂ©a 3, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 26 fĂ©vrier 1991 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 23 dĂ©cembre 1998, les mots " la SociĂ©tĂ© Nationale des Chemins de fer belges " sont remplacĂ©s par les mots " HR Rail ";
  5° dans le paragraphe 3, modifiĂ© pour la derniĂšre fois par l'arrĂȘtĂ© royal du 2 dĂ©cembre 2002, les mots " HR Rail et " sont insĂ©rĂ©s entre les mots " Ă l'exception " et les mots " des entreprises publiques Ă©conomiques ".
  1° dans le paragraphe 1, alinĂ©a 1er, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 1996, les mots " HR Rail, " sont insĂ©rĂ©s entre les mots " les organismes d'intĂ©rĂȘt public " et les mots " et aux entreprises publiques autonomes ";
  2° dans le paragraphe 2, alinĂ©a 1er, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux du 26 fĂ©vrier 1991, du 3 octobre 1985 et du 18 octobre 1996, les mots " HR Rail, " sont insĂ©rĂ©s entre les mots " organismes d'intĂ©rĂȘt public " et les mots " et aux entreprises publiques autonomes ";
  3° dans le paragraphe 2, alinĂ©a 2, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 19 fĂ©vrier 2002, les mots " la SociĂ©tĂ© Nationale des Chemins de fer belges " sont remplacĂ©s par les mots " HR Rail ";
  4° dans le paragraphe 2, alinĂ©a 3, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 26 fĂ©vrier 1991 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 23 dĂ©cembre 1998, les mots " la SociĂ©tĂ© Nationale des Chemins de fer belges " sont remplacĂ©s par les mots " HR Rail ";
  5° dans le paragraphe 3, modifiĂ© pour la derniĂšre fois par l'arrĂȘtĂ© royal du 2 dĂ©cembre 2002, les mots " HR Rail et " sont insĂ©rĂ©s entre les mots " Ă l'exception " et les mots " des entreprises publiques Ă©conomiques ".
Art. 63. In artikel 19ter, § 2, 1°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 30 juni 2006, worden de woorden " door de Nationale Paritaire Commissie bedoeld in Art. 115 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen, " ingevoegd tussen de woorden " sommige economische overheidsbedrijven " en de woorden " of door schriftelijke individuele overeenkomst ".
Art. 63. Dans l'article 19ter, § 2, 1°, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 30 juin 2006, les mots " par la Commission paritaire nationale visĂ©e Ă l'Art. 115 de la loi du 23 juillet 1926 relative Ă la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges, " sont insĂ©rĂ©s entre les mots " certaines entreprises publiques Ă©conomiques " et les mots " ou par convention individuelle Ă©crite ".
Art. 64. In artikel 38, § 3bis, zesde lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, ingevoegd bij koninklijk besluit nr. 401 van 18 april 1986 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, worden de woorden " N.M.B.S. Holding " vervangen door de woorden " HR Rail ".
Art. 64. Dans l'article 38, § 3bis, alinĂ©a 6, de la loi du 29 juin 1981 Ă©tablissant les principes gĂ©nĂ©raux de la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs salariĂ©s, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal n° 401 du 18 avril 1986 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, les mots " S.N.C.B. Holding " sont remplacĂ©s par les mots " HR Rail ".
Art. 65. In uitvoering van artikel 31 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, wordt HR Rail aangesteld als mandataris voor het autonoom overheidsbedrijf N.M.B.S. Holding. HR Rail neemt de opdracht op zich om alle verplichtingen over te nemen, eigen aan een tewerkstelling voorafgaand aan 1 januari 2014 door N.M.B.S. Holding, en voortvloeiend uit de betrekkingen van N.M.B.S. Holding met de instellingen, zoals ze zijn opgesomd in artikel 2, eerste lid, 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, gewijzigd door de wetten van 29 april 1996, 25 januari 1999, 24 december 2002 en 1 maart 2007.
Art. 65. En exécution de l'article 31 de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, HR Rail est désignée comme mandataire pour l'entreprise publique autonome S.N.C.B. Holding. HR Rail assure la tùche consistant à reprendre toutes les obligations propres à un emploi avant le 1er janvier 2014 par la S.N.C.B. Holding, et découlant des relations de la S.N.C.B. Holding avec les institutions, telles qu'elles sont énumérées à l'article 2, alinéa 1er, 2°, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, modifiée par les lois du 29 avril 1996, 25 janvier 1999, 24 décembre 2002 et 1 mars 2007.
Afdeling 7. - Diverse bepalingen
Section 7. - Dispositions diverses
Art. 66. In artikel 1, § 3, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt : " 1° HR Rail ".
Art. 66. Dans l'article 1er, § 3, de la loi du 19 dĂ©cembre 1974 organisant les relations entre les autoritĂ©s publiques et les syndicats des agents relevant de ces autoritĂ©s, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, le 1° est remplacĂ©e par ce qui suit : " 1° HR Rail ".
Art. 67. In artikel 8, § 1, 1°, c) van dezelfde wet, gewijzigd bij wet van 21 maart 1991 en bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, worden de woorden " N.M.B.S. Holding " vervangen door de woorden " HR Rail ".
Art. 67. Dans l'article 8, § 1er, 1°, c) de la mĂȘme loi, modifiĂ© par la loi du 21 mars 1991 et par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, les mots " S.N.C.B. Holding " sont remplacĂ©s par les mots " HR Rail ".
Art. 68. In het opschrift van afdeling 2 van Titel VI, hoofdstuk I, en in artikel 205 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991 en bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004, worden de woorden " N.M.B.S. Holding " en " Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen " telkens vervangen door de woorden " HR Rail ".
Art. 68. Dans l'intitulĂ© de la section 2 du Titre VI, chapitre I et dans l'article 205 de la loi du 29 dĂ©cembre 1990 portant des dispositions sociales, modifiĂ© par la loi du 21 mars 1991 et par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004, les mots " S.N.C.B. Holding " et " SociĂ©tĂ© nationale des chemins de fer belges " sont chaque fois remplacĂ©s par les mots " HR Rail ".
Art. 69. In artikel 154bis, eerste lid van het Wetboek van 10 april 1992 van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 3 juli 2005 en laatst gewijzigd bij de wet van 27 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het tweede streepje worden de woorden " de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS-Holding " opgeheven;
  2° dit lid wordt aangevuld met de bepaling onder een derde streepje, luidende :
  " - hetzij als de contractuele of statutaire werknemers tewerkgesteld zijn door de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail ".
  1° in het tweede streepje worden de woorden " de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS-Holding " opgeheven;
  2° dit lid wordt aangevuld met de bepaling onder een derde streepje, luidende :
  " - hetzij als de contractuele of statutaire werknemers tewerkgesteld zijn door de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail ".
Art. 69. A l'article 154bis, alinéa 1er, du Code du 10 avril 1992 des impÎts sur les revenus 1992, inséré par la loi du 3 juillet 2005 et modifié en dernier lieu par la loi du 27 mars 2009, les modifications suivantes sont apportées :
  1° Dans le deuxiÚme tiret, les mots " la société anonyme de droit public SNCB-Holding " sont abrogés;
  2° cet alinéa est complété par la disposition reprise sous un troisiÚme tiret, rédigé comme suit :
  " - soit qui sont occupés, sous statut ou avec un contrat de travail, par la société anonyme de droit public HR Rail ".
  1° Dans le deuxiÚme tiret, les mots " la société anonyme de droit public SNCB-Holding " sont abrogés;
  2° cet alinéa est complété par la disposition reprise sous un troisiÚme tiret, rédigé comme suit :
  " - soit qui sont occupés, sous statut ou avec un contrat de travail, par la société anonyme de droit public HR Rail ".
Art. 70. In artikel 275/1, tweede lid van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 juli 2005 en laatst gewijzigd bij de wet van 27 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden " de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS-Holding " worden opgeheven;
  2° dit lid wordt aangevuld met de bepaling onder een vierde streepje, luidende :
  " - de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail ".
  1° de woorden " de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS-Holding " worden opgeheven;
  2° dit lid wordt aangevuld met de bepaling onder een vierde streepje, luidende :
  " - de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail ".
Art. 70. A l'article 275/1, alinĂ©a 2 du mĂȘme Code, insĂ©rĂ© par la loi du dimanche 3 juillet 2005 et modifiĂ© en dernier lieu par la loi du 27 mars 2009, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° les mots " la société anonyme de droit public SNCB Holding " sont abrogés;
  2° cet alinéa est complété par la disposition reprise sous un quatriÚme tiret, rédigé comme suit :
  " - la société anonyme de droit public HR Rail ".
  1° les mots " la société anonyme de droit public SNCB Holding " sont abrogés;
  2° cet alinéa est complété par la disposition reprise sous un quatriÚme tiret, rédigé comme suit :
  " - la société anonyme de droit public HR Rail ".
Art. 71. In artikel 275/5, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 december 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de bepaling onder 1°, b), worden de woorden " de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS-Holding " opgeheven;
  b) de bepalingen onder 1° worden aangevuld met de bepaling onder c), luidende :
  " c) hetzij door statutaire werknemers bij de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail ";
  c) in de bepaling onder 2°, b) worden de woorden " de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS-Holding " opgeheven;
  d) de bepalingen onder 2° worden aangevuld met de bepaling onder c), luidende :
  " c) hetzij de statutaire werknemers bij de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail ".
  a) in de bepaling onder 1°, b), worden de woorden " de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS-Holding " opgeheven;
  b) de bepalingen onder 1° worden aangevuld met de bepaling onder c), luidende :
  " c) hetzij door statutaire werknemers bij de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail ";
  c) in de bepaling onder 2°, b) worden de woorden " de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS-Holding " opgeheven;
  d) de bepalingen onder 2° worden aangevuld met de bepaling onder c), luidende :
  " c) hetzij de statutaire werknemers bij de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail ".
Art. 71. A l'article 275/5, § 2, du mĂȘme Code, insĂ©rĂ© par la loi du 23 dĂ©cembre 2005 et modifiĂ© en dernier lieu par la loi du 27 mars 2009, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  a) dans le 1°, b), les mots " la société anonyme de droit public SNCB Holding " sont abrogés;
  b) le 1° est complété par un c), rédigé comme suit :
  " c) soit par des travailleurs sous statut auprÚs de la société anonyme de droit public HR Rail ";
  c) dans le 2°, b), les mots " la société anonyme de droit public SNCB Holding " sont abrogés;
  d) le 2° est complété par un c), rédigé comme suit :
  " c) soit les travailleurs sous statut auprÚs de la société anonyme de droit public HR Rail ".
  a) dans le 1°, b), les mots " la société anonyme de droit public SNCB Holding " sont abrogés;
  b) le 1° est complété par un c), rédigé comme suit :
  " c) soit par des travailleurs sous statut auprÚs de la société anonyme de droit public HR Rail ";
  c) dans le 2°, b), les mots " la société anonyme de droit public SNCB Holding " sont abrogés;
  d) le 2° est complété par un c), rédigé comme suit :
  " c) soit les travailleurs sous statut auprÚs de la société anonyme de droit public HR Rail ".
Art. 72. In artikel 275/7, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 mei 2007 en laatst gewijzigd bij de wet van 27 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden " de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS-Holding " worden opgeheven;
  2° dit lid wordt aangevuld met de bepaling onder een vierde streepje, luidende :
  " - de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail "
  1° de woorden " de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS-Holding " worden opgeheven;
  2° dit lid wordt aangevuld met de bepaling onder een vierde streepje, luidende :
  " - de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail "
Art. 72. A l'article 275/7, alinĂ©a 2, du mĂȘme Code, insĂ©rĂ© par la loi du 17 mai 2007 et modifiĂ© en dernier lieu par la loi du 27 mars 2009, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° les mots " la société anonyme de droit public SNCB Holding " sont abrogés;
  2° cet alinéa est complété par la disposition reprise sous un quatriÚme tiret, rédigé comme suit :
  " - la société anonyme de droit public HR Rail ".
  1° les mots " la société anonyme de droit public SNCB Holding " sont abrogés;
  2° cet alinéa est complété par la disposition reprise sous un quatriÚme tiret, rédigé comme suit :
  " - la société anonyme de droit public HR Rail ".
Art. 73. In artikel 73 van de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex worden de woorden " de NMBS-Holding " telkens vervangen door de woorden " HR Rail ".
Art. 73. Dans l'article 73 de la loi du 30 août 2013 portant le Code ferroviaire les mots " la SNCB-Holding " sont chaque fois remplacés par les mots " HR Rail ".
Titel V. - Overgangsbepalingen
Titre V. - Dispositions transitoires
Art. 74. § 1. Uiterlijk op 1 maart 2014 zijn de Nationale Paritaire Commissie, het Sturingscomité, de Strategische bedrijfscomités en de gewestelijke paritaire comités en de gewestelijke paritaire commissies ingericht overeenkomstig de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen.
  § 2. Onverminderd paragraaf 3 blijven de organen van sociale dialoog die op 31 december 2013 bestonden voor het personeel van NMBS Holding na de inwerkingtreding van de hervorming zoals bedoeld in Art. 21 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen voortbestaan tot hun wedersamenstelling of uiterlijk tot 1 maart 2014.
  § 3. Worden opgeheven op het moment van de wedersamenstelling van de Nationale Paritaire Commissie en uiterlijk op 1 maart 2014 : de paritaire overlegcomités en het strategisch comité zoals bedoeld in artikel 161ter van de wet van 21 maart 1991 zoals ingevoegd bij de wet van 22 maart 2002 en gewijzigd bij de wetten van 24 december 2002 en 9 juli 2004 en bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004.
  § 4. Het mandaat van zij die op 31 december 2013 effectief of plaatsvervangend lid waren van een orgaan van sociale dialoog, neemt van rechtswege een einde zodra de nieuwe leden zijn aangesteld en uiterlijk op 1 maart 2014.
  § 2. Onverminderd paragraaf 3 blijven de organen van sociale dialoog die op 31 december 2013 bestonden voor het personeel van NMBS Holding na de inwerkingtreding van de hervorming zoals bedoeld in Art. 21 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen voortbestaan tot hun wedersamenstelling of uiterlijk tot 1 maart 2014.
  § 3. Worden opgeheven op het moment van de wedersamenstelling van de Nationale Paritaire Commissie en uiterlijk op 1 maart 2014 : de paritaire overlegcomités en het strategisch comité zoals bedoeld in artikel 161ter van de wet van 21 maart 1991 zoals ingevoegd bij de wet van 22 maart 2002 en gewijzigd bij de wetten van 24 december 2002 en 9 juli 2004 en bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004.
  § 4. Het mandaat van zij die op 31 december 2013 effectief of plaatsvervangend lid waren van een orgaan van sociale dialoog, neemt van rechtswege een einde zodra de nieuwe leden zijn aangesteld en uiterlijk op 1 maart 2014.
Art. 74. § 1er. Au 1er mars 2014 au plus tard la Commission paritaire nationale, le Comité de pilotage, les Comités d'entreprise stratégiques, les comités paritaires régionales et les commissions paritaires régionales, sont institués conformément à la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges.
  § 2. AprÚs l'entrée en vigueur de la réforme visée à l'Art. 21 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges, et sans préjudice du paragraphe 3, les organes de dialogue social qui existaient au 31 décembre 2013 pour le personnel de la SNCB Holding, continuent à exister jusqu'à leur recomposition ou jusqu'au 1er mars 2014 au plus tard.
  § 3. Sont abrogĂ©s au moment de recomposition de la Commission paritaire nationale et au plus tard le 1er mars 2014 : les comitĂ©s paritaires de concertation, et le comitĂ© stratĂ©gique visĂ© Ă l'article 161ter de la loi du 21 mars 1991 tel qu'insĂ©rĂ© par la loi du 22 mars 2002 et modifiĂ© par les lois du 24 dĂ©cembre 2002 et du 9 juillet 2004 et par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004.
  § 4. Le mandat de ceux qui, au 31 décembre 2013, étaient membre effectif ou suppléant d'un organe de dialogue social, se termine d'office dÚs que les nouveaux membres ont été désignés, et au plus tard le 1er mars 2014.
  § 2. AprÚs l'entrée en vigueur de la réforme visée à l'Art. 21 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges, et sans préjudice du paragraphe 3, les organes de dialogue social qui existaient au 31 décembre 2013 pour le personnel de la SNCB Holding, continuent à exister jusqu'à leur recomposition ou jusqu'au 1er mars 2014 au plus tard.
  § 3. Sont abrogĂ©s au moment de recomposition de la Commission paritaire nationale et au plus tard le 1er mars 2014 : les comitĂ©s paritaires de concertation, et le comitĂ© stratĂ©gique visĂ© Ă l'article 161ter de la loi du 21 mars 1991 tel qu'insĂ©rĂ© par la loi du 22 mars 2002 et modifiĂ© par les lois du 24 dĂ©cembre 2002 et du 9 juillet 2004 et par l'arrĂȘtĂ© royal du 18 octobre 2004.
  § 4. Le mandat de ceux qui, au 31 décembre 2013, étaient membre effectif ou suppléant d'un organe de dialogue social, se termine d'office dÚs que les nouveaux membres ont été désignés, et au plus tard le 1er mars 2014.
Art. 75. § 1. Uiterlijk op 1 maart 2014 wordt de raad van beroep samengesteld overeenkomstig de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen. Tot deze wedersamenstelling en uiterlijk tot 1 maart 2014 blijft de Raad van beroep in de samenstelling die hij had op 31 december 2013 voortbestaan.
  § 2. Het mandaat van zij die op 31 december 2013 in de raad van beroep zetelden neemt van rechtswege een einde zodra de nieuwe leden zijn aangewezen en uiterlijk op 1 maart 2014.
  § 2. Het mandaat van zij die op 31 december 2013 in de raad van beroep zetelden neemt van rechtswege een einde zodra de nieuwe leden zijn aangewezen en uiterlijk op 1 maart 2014.
Art. 75. § 1er. Au 1er mars 2014 au plus tard le Conseil d'appel est composé conformément à la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges. Jusqu'à cette récomposition et au 1er mars 2014 au plus tard, le Conseil d'appel continue d'exister avec sa composition du 31 décembre 2013.
  § 2. Le mandat de ceux qui au 31 décembre 2013 siégeaient au conseil d'appel, se termine d'office dÚs que les nouveaux membres ont été désignés, et au plus tard le 1er mars 2014.
  § 2. Le mandat de ceux qui au 31 décembre 2013 siégeaient au conseil d'appel, se termine d'office dÚs que les nouveaux membres ont été désignés, et au plus tard le 1er mars 2014.
Art. 76. § 1. Uiterlijk op 1 maart 2014 zijn de Bedrijfscomités voor preventie en bescherming op het werk ingericht overeenkomstig de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen.
  De Nationale Paritaire Commissie en de Nationale Commissie voor preventie en bescherming op het Werk oefenen de bevoegdheden die zij op 31 december 2013 hadden op het vlak van welzijn op het werk verder uit tot de inrichting van de Bedrijfscomités voor preventie en bescherming op het werk en uiterlijk tot 1 maart 2014.
  § 2. Het mandaat van zij die op 31 december 2013 effectief of plaatsvervangend lid waren van de Nationale Commissie voor preventie en bescherming op het werk neemt van rechtswege een einde zodra de nieuwe leden zijn aangesteld en uiterlijk op 1 maart 2014.
  De Nationale Paritaire Commissie en de Nationale Commissie voor preventie en bescherming op het Werk oefenen de bevoegdheden die zij op 31 december 2013 hadden op het vlak van welzijn op het werk verder uit tot de inrichting van de Bedrijfscomités voor preventie en bescherming op het werk en uiterlijk tot 1 maart 2014.
  § 2. Het mandaat van zij die op 31 december 2013 effectief of plaatsvervangend lid waren van de Nationale Commissie voor preventie en bescherming op het werk neemt van rechtswege een einde zodra de nieuwe leden zijn aangesteld en uiterlijk op 1 maart 2014.
Art. 76. § 1er. Au 1er mars 2014 au plus tard les Comités d'entreprise pour la prévention et la protection au travail sont institués conformément à la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges.
  La Commission paritaire nationale et la Commission Nationale pour la prĂ©vention et la protection au travail continuent Ă exercer les compĂ©tences qu'elles avaient au 31 dĂ©cembre 2013 en matiĂšre de bien-ĂȘtre au travail jusqu'Ă l'institution des ComitĂ©s d'entreprise pour la prĂ©vention et la protection au travail et jusqu'au 1er mars 2014 au plus tard.
  § 2. Le mandat de ceux qui, au 31 décembre 2013, étaient membre effectif ou suppléant de la Commission Nationale pour la prévention et la protection au travail, se termine d'office dÚs que les nouveaux membres ont été désignés, et au plus tard le 1er mars 2014.
  La Commission paritaire nationale et la Commission Nationale pour la prĂ©vention et la protection au travail continuent Ă exercer les compĂ©tences qu'elles avaient au 31 dĂ©cembre 2013 en matiĂšre de bien-ĂȘtre au travail jusqu'Ă l'institution des ComitĂ©s d'entreprise pour la prĂ©vention et la protection au travail et jusqu'au 1er mars 2014 au plus tard.
  § 2. Le mandat de ceux qui, au 31 décembre 2013, étaient membre effectif ou suppléant de la Commission Nationale pour la prévention et la protection au travail, se termine d'office dÚs que les nouveaux membres ont été désignés, et au plus tard le 1er mars 2014.
Art. 77. Bij ontstentenis van een regeling op het niveau van de vennootschap, blijft de structuur van de comités voor preventie en bescherming op het werk behouden in de vennootschap, met dien verstande dat de comités voor preventie en bescherming op het werk die op 31 december 2013 onder NMBS Holding ressorteerden, na de inwerkingtreding van de hervorming enkel nog voor HR Rail bevoegd zullen zijn en dat de comités voor preventie en bescherming op het werk die voor de bedrijfsactiviteit " Information and Communication Technology for Rail " bevoegd waren, blijven bestaan.
Art. 77. A défaut d'une réglementation au niveau de la société, la structure des comités pour la prévention et la protection au travail est maintenue dans la société, étant entendu que les comités pour la prévention et la protection au travail qui relevaient de la compétence de la SNCB Holding au 31 décembre 2013 seront, aprÚs l'entrée en vigueur de la réforme, uniquement compétents pour HR Rail, et que les comités pour la prévention et la protection au travail qui étaient compétents pour l'unité opérationelle " Information and Communication Technology for Rail ", continuent à exister.
Art. 78. In afwachting van een beslissing van HR Rail in dat verband, wordt de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk in de zin van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, die bevoegd is voor het personeel van NMBS Holding op 31 december 2013, met ingang van 1 januari 2014 beschouwd als externe dienst voor preventie en bescherming op het werk voor het personeel van de Belgische Spoorwegen, al dan niet ter beschikking gesteld van Infrabel of NMBS.
Art. 78. Dans l'attente d'une dĂ©cision de HR Rail Ă cet Ă©gard, le service externe pour la prĂ©vention et la protection au travail au sens de l'arrĂȘtĂ© royal du 27 mars 1998 relatif aux services externes pour la prĂ©vention et la protection au travail, compĂ©tent pour le personnel de la SNCB Holding Ă la date du 31 dĂ©cembre 2013, est considĂ©rĂ© comme service externe pour la prĂ©vention et la protection au travail pour le personnel des Chemins de fer belges, qu'il soit mis ou non Ă disposition d'Infrabel ou de la SNCB, et ce, Ă partir du 1er janvier 2014.
Art. 79. Aan Infrabel en de NMBS wordt een overgangstermijn tot 30 juni 2014 toegekend om hun statuten in overeenstemming te brengen met de wijzigingen aan de wet van 21 maart 1991 op grond van dit besluit.
Art. 79. Infrabel et la SNCB sont accordĂ©es un dĂ©lai transitoire jusqu'au 30 juin 2014 pour accorder leur statuts aux modifications de la loi du 21 mars 1991 sur base du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Titel VI. - Fiscale bepaling
Titre VI. - Disposition fiscale
Art. 80. In artikel 208 van het Wetboek diverse rechten en taksen van 2 maart 1927, wordt een punt 5° ingevoegd luidende : " 5° HR Rail ".
Art. 80. Dans l'article 208 du Code des droits et taxes divers du 2 mars 1927, est inséré le point 5° suivant : " 5° HR Rail ".
Titel VII. - Diverse bepalingen
Titre VII. - Dispositions diverses
Art. 81. § 1. Artikel 1 van dit besluit en dit artikel treden in werking de dag waarop dit besluit in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van artikel 1, § 1 en § 3, die in werking treden op de datum van de inwerkingtreding van het besluit bedoeld in artikel 1, § 2.
  § 2. Artikel 3, voor wat betreft de invoeging van artikelen 21 tot 65 in voormelde wet van 23 juli 1926, treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van het besluit bedoeld in artikel 1, § 2. In afwijking van artikel 34, § 1, 3° van voormelde wet van 23 juli 1926, zoals ingevoegd door dit besluit, zal de gedelegeerd bestuurder van NMBS Holding van rechtswege deel uitmaken van de raad van bestuur van HR Rail tot op het ogenblik waarop de fusie bedoeld in hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 7 november 2013 tot hervorming van de structuren van de NMBS Holding, Infrabel en de NMBS (I) uitwerking heeft.
  § 3. Artikel 2, de overige bepalingen van artikel 3, de artikelen 4 tot 80 en artikel 82 treden in werking op 1 januari 2014 of op een latere door de Koning vastgestelde datum doch uiterlijk op 1 april 2014.
  § 2. Artikel 3, voor wat betreft de invoeging van artikelen 21 tot 65 in voormelde wet van 23 juli 1926, treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van het besluit bedoeld in artikel 1, § 2. In afwijking van artikel 34, § 1, 3° van voormelde wet van 23 juli 1926, zoals ingevoegd door dit besluit, zal de gedelegeerd bestuurder van NMBS Holding van rechtswege deel uitmaken van de raad van bestuur van HR Rail tot op het ogenblik waarop de fusie bedoeld in hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 7 november 2013 tot hervorming van de structuren van de NMBS Holding, Infrabel en de NMBS (I) uitwerking heeft.
  § 3. Artikel 2, de overige bepalingen van artikel 3, de artikelen 4 tot 80 en artikel 82 treden in werking op 1 januari 2014 of op een latere door de Koning vastgestelde datum doch uiterlijk op 1 april 2014.
Art. 81. § 1er. L'article 1er du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et le prĂ©sent article entrent en vigueur le jour de la publication au Moniteur belge du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, Ă l'exception de l'article 1, § 1 et § 3, qui entrent en vigueur Ă la date d'entrĂ©e en vigueur de l'arrĂȘtĂ© visĂ© Ă l'article 1, § 2.
  § 2. L'article 3, en ce qui concerne l'insertion des articles 21 Ă 65 dans la loi du 23 juillet 1926 prĂ©citĂ©e, entre en vigueur Ă la date d'entrĂ©e en vigueur de l'arrĂȘtĂ© visĂ© Ă l'article 1er, § 2. Par dĂ©rogation Ă l'article 34, § 1er, 3°, de la loi du 23 juillet 1926 prĂ©citĂ©e, insĂ©rĂ© par le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, l'administrateur dĂ©lĂ©guĂ© de la SNCB Holding fera, de plein droit, partie du conseil d'administration de HR Rail jusqu'Ă ce que la fusion visĂ©e au chapitre II de l'arrĂȘtĂ© royal du 7 novembre 2013 portant rĂ©forme des structures de la SNCB Holding, d'Infrabel et de la SNCB (I) sorte ses effets.
  § 3. L'article 2, les autres dispositions de l'article 3, les articles 4 à 80 et l'article 82 entrent en vigueur le 1er janvier 2014 ou à une date ultérieure fixée par le Roi et au plus tard le 1er avril 2014.
  § 2. L'article 3, en ce qui concerne l'insertion des articles 21 Ă 65 dans la loi du 23 juillet 1926 prĂ©citĂ©e, entre en vigueur Ă la date d'entrĂ©e en vigueur de l'arrĂȘtĂ© visĂ© Ă l'article 1er, § 2. Par dĂ©rogation Ă l'article 34, § 1er, 3°, de la loi du 23 juillet 1926 prĂ©citĂ©e, insĂ©rĂ© par le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, l'administrateur dĂ©lĂ©guĂ© de la SNCB Holding fera, de plein droit, partie du conseil d'administration de HR Rail jusqu'Ă ce que la fusion visĂ©e au chapitre II de l'arrĂȘtĂ© royal du 7 novembre 2013 portant rĂ©forme des structures de la SNCB Holding, d'Infrabel et de la SNCB (I) sorte ses effets.
  § 3. L'article 2, les autres dispositions de l'article 3, les articles 4 à 80 et l'article 82 entrent en vigueur le 1er janvier 2014 ou à une date ultérieure fixée par le Roi et au plus tard le 1er avril 2014.
Art. 82. De minister bevoegd voor Overheidsbedrijven is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 82. Le ministre qui a les Entreprises Publiques dans ses attributions est chargĂ© de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.