Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit :
1° wordt verstaan onder :
a) "krijgsmachtdeel" : de landmacht, de luchtmacht, de marine en de medische dienst zoals bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot bepaling van de algemene structuur van het ministerie van Landsverdediging en tot vastlegging van de bevoegdheden van bepaalde autoriteiten;
b) "de militair BDL" : naargelang het geval, de officier, de onderofficier of de vrijwilliger van het actief kader die een dienstneming van beperkte duur aangegaan heeft, zoals bedoeld in artikel 6 van de wet van 30 augustus 2013 tot instelling van de loopbaan van beperkte duur;
c) "de kandidaat-militair BDL" :
1° de militair BDL die een dienstneming heeft aangegaan om als kandidaat-militair van het actief kader een basisvorming te volgen ten einde als lid van het personeel te worden opgenomen, naargelang het geval, in de categorie van de officieren BDL van niveau A of B, van de onderofficieren BDL van niveau B of C, of van de vrijwilligers BDL;
2° [3 de militair BDL bedoeld in de artikelen 22 of 23, 1°, 2° en 3° van de wet die een nieuwe basisvorming heeft aangevat met het oog op zijn opname, naargelang het geval, in een hogere personeelscategorie BDL of in een hogere personeelscategorie als beroepsmilitair;]3
d) "overgang" : de opnames bij dewelke de militairen BDL kunnen toetreden tot het beroepsstatuut, binnen dezelfde personeelscategorie en -niveau;
e) "sociale promotie" : de opnames bij dewelke de militairen BDL kunnen toetreden tot de hogere BDL personeelscategorie;
f) "promotie op diploma" : de opnames bij dewelke de militairen BDL kunnen toetreden, naargelang het geval, tot de onmiddellijk hogere personeelscategorie of -niveau;
g) "de minister" : de minister van [1 Defensie]1;
h) "de DGHR" : de directeur-generaal human resources;
i) "de wet" : de wet van 30 augustus 2013 tot instelling van de militaire loopbaan van beperkte duur;
j) "de wet van 28 februari 2007" : de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de krijgsmacht;
k) "het koninklijk besluit van 7 november 2013" : het koninklijk besluit van 7 november 2013 betreffende de vorming van de kandidaat-militairen van het actief kader;
[2 l) "de dienstneming":
1° de dienstneming bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet;
2° de nieuwe dienstneming bedoeld in artikel 6, derde lid, van de wet;
3° de verlenging van rechtswege van de dienstneming bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van de wet;
4° de dienstneming bedoeld in artikel 39 van de wet;
5° de nieuwe dienstneming bedoeld in de artikelen 4, tweede lid, 5, en 8, § 2;]2
2° wordt, telkens als een graad wordt vermeld, ook de gelijkwaardige graad in aanmerking genomen.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
7 NOVEMBER 2013. - Koninklijk besluit betreffende het administratief statuut van de militair die een dienstneming van beperkte duur aangaat(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-11-2013 en tekstbijwerking tot 16-02-2026)
Titre
7 NOVEMBRE 2013. - Arrêté royal relatif au statut administratif du militaire qui contracte un engagement à durée limitée(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 29-11-2013 et mise à jour au 16-02-2026)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
TITEL 1. - Algemene bepalingen
TITEL 2. - De werving
TITEL 3. - De vorming
HOOFDSTUK 1. - De cyclus basisvorming
HOOFDSTUK 2. - De reclassering en het verlies v...
TITEL 4. - De verbreking van de dienstneming
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK 2. - De verbreking van rechtswege
HOOFDSTUK 3. - De verbreking op aanvraag
HOOFDSTUK 4. - De verbreking van ambtswege
TITEL 4/1. [1 - De verlenging van de dienstnemi...
TITEL 5. - De opname in een andere hoedanigheid...
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK 2. - De promotie op diploma
Afdeling 1. - De promotie op diploma van de vri...
Afdeling 2. - De promotie op diploma van de vri...
Afdeling 3. - De promotie op diploma van de ond...
Afdeling 4. - De promotie op diploma van de ond...
Afdeling 5. - De promotie op diploma van de ond...
Afdeling 6. - De promotie op diploma van de off...
HOOFDSTUK 3. - De sociale promotie naar een hog...
Afdeling 1. - De sociale promotie van de vrijwi...
Afdeling 2. - De sociale promotie van de ondero...
HOOFDSTUK 4. - De overgang van de militair BDL ...
Afdeling 1. - De overgang van de vrijwilliger B...
Afdeling 2. - De overgang van de onderofficier ...
Afdeling 3. - De overgang van de onderofficier ...
Afdeling 4. - De overgang van de officier BDL v...
Afdeling 5. - De overgang van de officier BDL v...
TITEL 6. - De eindeloopbaan-periode
HOOFDSTUK 1. - De reclasseringspremie
HOOFDSTUK 2. - Het vormingsverlof
HOOFDSTUK 3. - Het vormingskrediet
TITEL 7. - Opheffings-, overgangs- en slotbepal...
Inhoud
TITRE 1er. - Dispositions générales
TITRE 2. - Du recrutement
TITRE 3. - De la formation
CHAPITRE 1er. - Du cycle de formation de base
CHAPITRE 2. - Du reclassement et de la perte de...
TITRE 4. - De la résiliation de l'engagement
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
CHAPITRE 2. - De la résiliation de plein droit
CHAPITRE 3. - De la résiliation à la demande
CHAPITRE 4. - De la résiliation d'office
TITRE 4/1. [1 - De la prolongation de l'engagem...
TITRE 5. - De l'admission dans une autre qualit...
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
CHAPITRE 2. - De la promotion sur diplôme
Section 1re. - De la promotion sur diplôme du v...
Section 2. - De la promotion sur diplôme du vol...
Section 3. - De la promotion sur diplôme du sou...
Section 4. - De la promotion sur diplôme du sou...
Section 5. - De la promotion sur diplôme du sou...
Section 6. - De la promotion sur diplôme de l'o...
CHAPITRE 3. - De la promotion sociale vers une ...
Section 1re. - De la promotion sociale du volon...
Section 2. - De de la promotion sociale du sous...
CHAPITRE 4. - Du passage du militaire BDL comme...
Section 1re. - Du passage du volontaire BDL ver...
Section 2. - Du passage du sous-officier BDL du...
Section 3. - Du passage du sous-officier BDL du...
Section 4. - Du passage de l'officier BDL du ni...
Section 5. - Du passage de l'officier BDL du ni...
TITRE 6. - De la période de fin de carrière
CHAPITRE 1er. - De la prime de reclassement
CHAPITRE 2. - Du congé de formation
CHAPITRE 3. - Du crédit de formation
TITRE 7. - Dispositions abrogatoires, transitoi...
Tekst (159)
Texte (159)
TITEL 1. - Algemene bepalingen
TITRE 1er. - Dispositions générales
Article 1er. Pour l'application du présent arrêté :
1° Il faut entendre par :
a) "force" : la force terrestre, la force aérienne, la marine et le service médical tel que fixé dans l'article 2 de l'arrêté royal du 21 décembre 2001 déterminant la structure générale du ministère de la Défense et fixant les attributions de certaines autorités;
b) "le militaire BDL" : selon le cas, l'officier, le sous-officier ou le volontaire du cadre actif servant à la faveur d'un engagement à durée limitée, tel que visé à l'article 6 de la loi du 30 août 2013 instituant la carrière à durée limitée;
c) "le candidat militaire BDL" :
1° le militaire BDL qui a contracté un engagement pour suivre comme candidat-militaire du cadre actif une formation de base en vue de son admission, selon le cas, comme membre du personnel dans la catégorie des officiers BDL du niveau A ou B, des sous-officiers BDL du niveau B ou C, ou des volontaires BDL;
2° [2 le militaire BDL visé aux articles 22 ou 23, 1°, 2° et 3° de la loi qui a entamé une nouvelle formation de base en vue de son admission, selon le cas, dans une catégorie de personnel supérieure BDL ou dans une catégorie de personnel supérieure comme militaire de carrière;]2
d) "passage" : les admissions par lesquelles les militaires BDL peuvent accéder au statut de carrière, au sein de la même catégorie et de niveau de personnel;
e) "promotion sociale" : les admissions par lesquelles les militaires BDL peuvent accéder à la catégorie de personnel BDL supérieure;
f) "promotion sur diplôme" : les admissions par lesquelles les militaires BDL peuvent accéder, selon le cas, à la catégorie ou au niveau de personnel de carrière immédiatement supérieurs;
g) "le ministre" : le ministre de la Défense;
h) "le DGHR" : le directeur général human resources;
i) "la loi" : la loi du 30 août 2013 instituant la carrière militaire à durée limitée;
j) "la loi du 28 février 2007" : la loi du 28 février 2007 fixant le statut des militaires et des candidats militaires du cadre actif des forces armées;
k) "l'arrêté royal du 7 novembre 2013" : l'arrêté royal du 7 novembre 2013 relatif à la formation des candidats militaires du cadre actif;
[1 l) "l'engagement":
1° l'engagement visé à l'article 6, alinéa 1er, de la loi;
2° le nouvel engagement visé à l'article 6, alinéa 3, de la loi;
3° la prolongation de plein droit de l'engagement visé à l'article 6, alinéa 5, de la loi;
4° l'engagement visé à l'article 39 de la loi;
5° le nouvel engagement visé aux articles 4, alinéa 2, 5, et 8, § 2;]1
2° chaque fois qu'un grade est mentionné, le grade équivalent est également pris en considération.
1° Il faut entendre par :
a) "force" : la force terrestre, la force aérienne, la marine et le service médical tel que fixé dans l'article 2 de l'arrêté royal du 21 décembre 2001 déterminant la structure générale du ministère de la Défense et fixant les attributions de certaines autorités;
b) "le militaire BDL" : selon le cas, l'officier, le sous-officier ou le volontaire du cadre actif servant à la faveur d'un engagement à durée limitée, tel que visé à l'article 6 de la loi du 30 août 2013 instituant la carrière à durée limitée;
c) "le candidat militaire BDL" :
1° le militaire BDL qui a contracté un engagement pour suivre comme candidat-militaire du cadre actif une formation de base en vue de son admission, selon le cas, comme membre du personnel dans la catégorie des officiers BDL du niveau A ou B, des sous-officiers BDL du niveau B ou C, ou des volontaires BDL;
2° [2 le militaire BDL visé aux articles 22 ou 23, 1°, 2° et 3° de la loi qui a entamé une nouvelle formation de base en vue de son admission, selon le cas, dans une catégorie de personnel supérieure BDL ou dans une catégorie de personnel supérieure comme militaire de carrière;]2
d) "passage" : les admissions par lesquelles les militaires BDL peuvent accéder au statut de carrière, au sein de la même catégorie et de niveau de personnel;
e) "promotion sociale" : les admissions par lesquelles les militaires BDL peuvent accéder à la catégorie de personnel BDL supérieure;
f) "promotion sur diplôme" : les admissions par lesquelles les militaires BDL peuvent accéder, selon le cas, à la catégorie ou au niveau de personnel de carrière immédiatement supérieurs;
g) "le ministre" : le ministre de la Défense;
h) "le DGHR" : le directeur général human resources;
i) "la loi" : la loi du 30 août 2013 instituant la carrière militaire à durée limitée;
j) "la loi du 28 février 2007" : la loi du 28 février 2007 fixant le statut des militaires et des candidats militaires du cadre actif des forces armées;
k) "l'arrêté royal du 7 novembre 2013" : l'arrêté royal du 7 novembre 2013 relatif à la formation des candidats militaires du cadre actif;
[1 l) "l'engagement":
1° l'engagement visé à l'article 6, alinéa 1er, de la loi;
2° le nouvel engagement visé à l'article 6, alinéa 3, de la loi;
3° la prolongation de plein droit de l'engagement visé à l'article 6, alinéa 5, de la loi;
4° l'engagement visé à l'article 39 de la loi;
5° le nouvel engagement visé aux articles 4, alinéa 2, 5, et 8, § 2;]1
2° chaque fois qu'un grade est mentionné, le grade équivalent est également pris en considération.
TITEL 2. - De werving
TITRE 2. - Du recrutement
Art. 2. De sollicitant BDL wordt beoordeeld volgens dezelfde selectieproeven als de sollicitant beroepsmilitair die solliciteert met het oog op een loopbaan in dezelfde personeelscategorie, in hetzelfde personeelsniveau en in een gelijkaardig type werving.
Behoren tot gelijkaardige types werving en worden volgens dezelfde selectieproeven beoordeeld :
1° de sollicitant officier BDL van niveau A en de sollicitant beroepsofficier van niveau A van de bijzondere werving;
2° de sollicitant officier BDL van niveau B en de sollicitant beroepsofficier van niveau B van de bijzondere werving;
3° de sollicitant onderofficier BDL van niveau B en de sollicitant beroepsonderofficier van niveau B van de bijzondere werving;
4° de sollicitant onderofficier BDL van niveau C en de sollicitant beroepsonderofficier van niveau C van de normale werving;
5° de sollicitant vrijwilliger BDL en de sollicitant beroepsvrijwilliger van de normale werving.
Behoren tot gelijkaardige types werving en worden volgens dezelfde selectieproeven beoordeeld :
1° de sollicitant officier BDL van niveau A en de sollicitant beroepsofficier van niveau A van de bijzondere werving;
2° de sollicitant officier BDL van niveau B en de sollicitant beroepsofficier van niveau B van de bijzondere werving;
3° de sollicitant onderofficier BDL van niveau B en de sollicitant beroepsonderofficier van niveau B van de bijzondere werving;
4° de sollicitant onderofficier BDL van niveau C en de sollicitant beroepsonderofficier van niveau C van de normale werving;
5° de sollicitant vrijwilliger BDL en de sollicitant beroepsvrijwilliger van de normale werving.
Art. 2. Le postulant BDL est apprécié selon les mêmes épreuves de sélection que le postulant militaire de carrière qui postule en vue d'une carrière dans la même catégorie de personnel, dans le même niveau de personnel et dans un type de recrutement équivalent.
Appartiennent à des types de recrutement équivalents et sont appréciés selon les mêmes épreuves de sélection :
1° le postulant officier BDL du niveau A et le postulant officier de carrière du niveau A du recrutement spécial;
2° le postulant officier BDL du niveau B et le postulant officier de carrière du niveau B du recrutement spécial;
3° le postulant sous-officier BDL du niveau B et le postulant sous-officier de carrière du niveau B du recrutement spécial;
4° le postulant sous-officier BDL du niveau C et le postulant sous-officier de carrière du niveau C du recrutement normal;
5° le postulant volontaire BDL et le postulant volontaire de carrière du recrutement normal.
Appartiennent à des types de recrutement équivalents et sont appréciés selon les mêmes épreuves de sélection :
1° le postulant officier BDL du niveau A et le postulant officier de carrière du niveau A du recrutement spécial;
2° le postulant officier BDL du niveau B et le postulant officier de carrière du niveau B du recrutement spécial;
3° le postulant sous-officier BDL du niveau B et le postulant sous-officier de carrière du niveau B du recrutement spécial;
4° le postulant sous-officier BDL du niveau C et le postulant sous-officier de carrière du niveau C du recrutement normal;
5° le postulant volontaire BDL et le postulant volontaire de carrière du recrutement normal.
TITEL 3. - De vorming
TITRE 3. - De la formation
HOOFDSTUK 1. - De cyclus basisvorming
CHAPITRE 1er. - Du cycle de formation de base
Art. 3. In het kader van de cyclus basisvorming :
1° volgt de kandidaat-officier BDL van niveau A dezelfde vormingen als de kandidaat-beroepsofficier van niveau A van de bijzondere werving;
2° volgt de kandidaat-officier BDL van niveau B dezelfde vormingen als de kandidaat-beroepsofficier van niveau B van de bijzondere werving;
3° volgt de kandidaat-onderofficier BDL van niveau B dezelfde vormingen als de kandidaat-beroepsonderofficier van niveau B van de bijzondere werving;
4° volgt de kandidaat-onderofficier BDL van niveau C dezelfde vormingen als de kandidaat-beroepsonderofficier van niveau C van de [1 normale]1 werving;
5° volgt de kandidaat-vrijwilliger BDL dezelfde vormingen als de [1 kandidaat-beroepsvrijwilliger van de normale werving]1.
[2 De duur van de basisvormingen van de kandidaten BDL stemt overeen met de duur van de respectievelijke vormingscycli bedoeld in het eerste lid, behalve voor de kandidaat-onderofficier BDL van niveau C, wiens basisvorming twee vormingsjaren duurt.]2
De concrete samenstelling en de concrete duur van elke periode, deelperiode en fase van de cyclus basisvorming, alsook het programma en de nadere regels betreffende de uitvoering van dit programma worden vastgelegd in een reglement uitgevaardigd door de minister.
1° volgt de kandidaat-officier BDL van niveau A dezelfde vormingen als de kandidaat-beroepsofficier van niveau A van de bijzondere werving;
2° volgt de kandidaat-officier BDL van niveau B dezelfde vormingen als de kandidaat-beroepsofficier van niveau B van de bijzondere werving;
3° volgt de kandidaat-onderofficier BDL van niveau B dezelfde vormingen als de kandidaat-beroepsonderofficier van niveau B van de bijzondere werving;
4° volgt de kandidaat-onderofficier BDL van niveau C dezelfde vormingen als de kandidaat-beroepsonderofficier van niveau C van de [1 normale]1 werving;
5° volgt de kandidaat-vrijwilliger BDL dezelfde vormingen als de [1 kandidaat-beroepsvrijwilliger van de normale werving]1.
[2 De duur van de basisvormingen van de kandidaten BDL stemt overeen met de duur van de respectievelijke vormingscycli bedoeld in het eerste lid, behalve voor de kandidaat-onderofficier BDL van niveau C, wiens basisvorming twee vormingsjaren duurt.]2
De concrete samenstelling en de concrete duur van elke periode, deelperiode en fase van de cyclus basisvorming, alsook het programma en de nadere regels betreffende de uitvoering van dit programma worden vastgelegd in een reglement uitgevaardigd door de minister.
Art. 3. Dans le cadre du cycle de formation de base :
1° le candidat officier BDL du niveau A suit les mêmes formations que le candidat officier de carrière du niveau A du recrutement spécial;
2° le candidat officier BDL du niveau B suit les mêmes formations que le candidat officier de carrière du niveau B du recrutement spécial;
3° le candidat sous-officier BDL du niveau B suit les mêmes formations que le candidat sous-officier de carrière du niveau B du recrutement spécial;
4° le candidat sous-officier BDL du niveau C suit les mêmes formations que le candidat sous-officier de carrière du niveau C du recrutement normal;
5° le candidat volontaire BDL suit les mêmes formations que le [1 candidat volontaire de carrière du recrutement norma]1.
[2 Les durées des formations de base des candidats BDL correspondent aux durées des cycles de formation respectifs visés à l'alinéa 1er, sauf pour le candidat sous-officier BDL du niveau C, dont la formation de base dure deux années de formation.]2
La composition concrète et la durée concrète de chaque période, période partielle et phase du cycle de formation de base ainsi que le programme et les règles complémentaires relatives à l'exécution de ce programme sont fixés dans un règlement arrêté par le ministre.
1° le candidat officier BDL du niveau A suit les mêmes formations que le candidat officier de carrière du niveau A du recrutement spécial;
2° le candidat officier BDL du niveau B suit les mêmes formations que le candidat officier de carrière du niveau B du recrutement spécial;
3° le candidat sous-officier BDL du niveau B suit les mêmes formations que le candidat sous-officier de carrière du niveau B du recrutement spécial;
4° le candidat sous-officier BDL du niveau C suit les mêmes formations que le candidat sous-officier de carrière du niveau C du recrutement normal;
5° le candidat volontaire BDL suit les mêmes formations que le [1 candidat volontaire de carrière du recrutement norma]1.
[2 Les durées des formations de base des candidats BDL correspondent aux durées des cycles de formation respectifs visés à l'alinéa 1er, sauf pour le candidat sous-officier BDL du niveau C, dont la formation de base dure deux années de formation.]2
La composition concrète et la durée concrète de chaque période, période partielle et phase du cycle de formation de base ainsi que le programme et les règles complémentaires relatives à l'exécution de ce programme sont fixés dans un règlement arrêté par le ministre.
Art. 4. De kandidaat-militair, bedoeld in artikel 105 van de wet van 28 februari 2007, die een dienstneming BDL heeft aangegaan, kan enkel zijn heroriëntering verkrijgen, overeenkomstig nadere bepalingen van artikel 22 van het koninklijk besluit van 7 november 2013, in dezelfde of in een andere hoedanigheid van kandidaat-militair BDL.
[1 De kandidaat-militair BDL kan op zijn verzoek geheroriënteerd worden naar een andere specifieke vormingscyclus, in dezelfde hoedanigheid.
De kandidaat-officier BDL van niveau A kan op zijn verzoek geheroriënteerd worden, naargelang het geval:
1° naar een vormingscyclus in de hoedanigheid van kandidaat-officier BDL van niveau B;
2° naar een vormingscyclus in de hoedanigheid van kandidaat-onderofficier BDL van niveau B;
3° naar een vormingscyclus in de hoedanigheid van kandidaat-onderofficier BDL van niveau C;
4° naar een vormingscyclus in de hoedanigheid van kandidaat-vrijwilliger BDL.
De kandidaat-officier BDL van niveau B kan op zijn verzoek geheroriënteerd worden, naargelang het geval:
1° naar een vormingscyclus in de hoedanigheid van kandidaat-onderofficier BDL van niveau B;
2° naar een vormingscyclus in de hoedanigheid van kandidaat-onderofficier BDL van niveau C;
3° naar een vormingscyclus in de hoedanigheid van kandidaat-vrijwilliger BDL.
De kandidaat-onderofficier BDL van niveau B kan op zijn verzoek geheroriënteerd worden, naargelang het geval:
1° naar een vormingscyclus in de hoedanigheid van kandidaat-onderofficier BDL van niveau C;
2° naar een vormingscyclus in de hoedanigheid van kandidaat-vrijwilliger BDL.
De kandidaat-onderofficier BDL van niveau C kan op zijn verzoek geheroriënteerd worden naar een vormingscyclus in de hoedanigheid van kandidaat-vrijwilliger BDL.]1
De kandidaat-militair BDL die zijn heroriëntering verkrijgt in een andere hoedanigheid van kandidaat-militair BDL, overeenkomstig de bepalingen van artikel 22 van het koninklijk besluit van 7 november 2013, gaat in deze nieuwe hoedanigheid een nieuwe dienstneming aan voor de duur die nodig is voor het voleindigen van de in zijn oorspronkelijke hoedanigheid van militair BDL aangegane dienstneming.
[1 De kandidaat-militair BDL kan op zijn verzoek geheroriënteerd worden naar een andere specifieke vormingscyclus, in dezelfde hoedanigheid.
De kandidaat-officier BDL van niveau A kan op zijn verzoek geheroriënteerd worden, naargelang het geval:
1° naar een vormingscyclus in de hoedanigheid van kandidaat-officier BDL van niveau B;
2° naar een vormingscyclus in de hoedanigheid van kandidaat-onderofficier BDL van niveau B;
3° naar een vormingscyclus in de hoedanigheid van kandidaat-onderofficier BDL van niveau C;
4° naar een vormingscyclus in de hoedanigheid van kandidaat-vrijwilliger BDL.
De kandidaat-officier BDL van niveau B kan op zijn verzoek geheroriënteerd worden, naargelang het geval:
1° naar een vormingscyclus in de hoedanigheid van kandidaat-onderofficier BDL van niveau B;
2° naar een vormingscyclus in de hoedanigheid van kandidaat-onderofficier BDL van niveau C;
3° naar een vormingscyclus in de hoedanigheid van kandidaat-vrijwilliger BDL.
De kandidaat-onderofficier BDL van niveau B kan op zijn verzoek geheroriënteerd worden, naargelang het geval:
1° naar een vormingscyclus in de hoedanigheid van kandidaat-onderofficier BDL van niveau C;
2° naar een vormingscyclus in de hoedanigheid van kandidaat-vrijwilliger BDL.
De kandidaat-onderofficier BDL van niveau C kan op zijn verzoek geheroriënteerd worden naar een vormingscyclus in de hoedanigheid van kandidaat-vrijwilliger BDL.]1
De kandidaat-militair BDL die zijn heroriëntering verkrijgt in een andere hoedanigheid van kandidaat-militair BDL, overeenkomstig de bepalingen van artikel 22 van het koninklijk besluit van 7 november 2013, gaat in deze nieuwe hoedanigheid een nieuwe dienstneming aan voor de duur die nodig is voor het voleindigen van de in zijn oorspronkelijke hoedanigheid van militair BDL aangegane dienstneming.
Art. 4. Le candidat militaire, visé à l'article 105 de la loi du 28 février 2007, qui a contracté un engagement BDL, ne peut obtenir sa réorientation, conformément aux modalités de l'article 22 de l'arrêté royal du 7 novembre 2013, que dans la même ou dans une autre qualité de candidat militaire BDL.
[1 Le candidat militaire BDL peut à sa demande être réorienté vers un autre cycle de formation spécifique, dans la même qualité.
Le candidat officier BDL du niveau A peut à sa demande être réorienté, selon le cas:
1° vers un cycle de formation dans la qualité de candidat officier BDL du niveau B;
2° vers un cycle de formation dans la qualité de candidat sous-officier BDL du niveau B;
3° vers un cycle de formation dans la qualité de candidat sous-officier BDL du niveau C;
4° vers un cycle de formation dans la qualité de candidat volontaire BDL.
Le candidat officier BDL du niveau B peut à sa demande être réorienté, selon le cas:
1° vers un cycle de formation dans la qualité de candidat sous-officier BDL du niveau B;
2° vers un cycle de formation dans la qualité de candidat sous-officier BDL du niveau C;
3° vers un cycle de formation dans la qualité de candidat volontaire BDL.
Le candidat sous-officier BDL du niveau B peut à sa demande être réorienté, selon le cas:
1° vers un cycle de formation dans la qualité de candidat sous-officier BDL du niveau C;
2° vers un cycle de formation dans la qualité de candidat volontaire BDL.
Le candidat sous-officier BDL du niveau C peut à sa demande être réorienté vers un cycle de formation dans la qualité de candidat volontaire BDL.]1
Le candidat militaire BDL qui obtient sa réorientation dans une autre qualité de candidat militaire BDL, conformément aux dispositions de l'article 22 de l'arrêté royal du 7 novembre 2013, contracte, dans cette nouvelle qualité de candidat militaire BDL, un nouvel engagement d'une durée nécessaire pour parfaire l'engagement contracté dans sa qualité d'origine de militaire BDL.
[1 Le candidat militaire BDL peut à sa demande être réorienté vers un autre cycle de formation spécifique, dans la même qualité.
Le candidat officier BDL du niveau A peut à sa demande être réorienté, selon le cas:
1° vers un cycle de formation dans la qualité de candidat officier BDL du niveau B;
2° vers un cycle de formation dans la qualité de candidat sous-officier BDL du niveau B;
3° vers un cycle de formation dans la qualité de candidat sous-officier BDL du niveau C;
4° vers un cycle de formation dans la qualité de candidat volontaire BDL.
Le candidat officier BDL du niveau B peut à sa demande être réorienté, selon le cas:
1° vers un cycle de formation dans la qualité de candidat sous-officier BDL du niveau B;
2° vers un cycle de formation dans la qualité de candidat sous-officier BDL du niveau C;
3° vers un cycle de formation dans la qualité de candidat volontaire BDL.
Le candidat sous-officier BDL du niveau B peut à sa demande être réorienté, selon le cas:
1° vers un cycle de formation dans la qualité de candidat sous-officier BDL du niveau C;
2° vers un cycle de formation dans la qualité de candidat volontaire BDL.
Le candidat sous-officier BDL du niveau C peut à sa demande être réorienté vers un cycle de formation dans la qualité de candidat volontaire BDL.]1
Le candidat militaire BDL qui obtient sa réorientation dans une autre qualité de candidat militaire BDL, conformément aux dispositions de l'article 22 de l'arrêté royal du 7 novembre 2013, contracte, dans cette nouvelle qualité de candidat militaire BDL, un nouvel engagement d'une durée nécessaire pour parfaire l'engagement contracté dans sa qualité d'origine de militaire BDL.
Wijzigingen
Art. 5. De kandidaat-militair BDL die zijn reïntegratie verkrijgt in zijn oorspronkelijke hoedanigheid van kandidaat-militair BDL, overeenkomstig de bepalingen van artikel 44 van het koninklijk besluit van 7 november 2013, gaat een nieuwe dienstneming aan voor de duur die nodig is voor het voleindigen van de in zijn oorspronkelijke hoedanigheid van militair BDL aangegane dienstneming.
Art. 5. Le candidat militaire BDL qui obtient sa réintégration dans sa qualité d'origine de candidat militaire BDL, conformément aux dispositions de l'article 44 de l'arrêté royal du 7 novembre 2013, contracte un nouvel engagement d'une durée nécessaire pour parfaire l'engagement contracté dans sa qualité d'origine de militaire BDL.
Art. 6. De kandidaat-militair BDL die zijn reïntegratie verkrijgt in zijn oorspronkelijke hoedanigheid van kandidaat-militair van het actief kader, overeenkomstig de bepalingen van artikel 44 van het koninklijk besluit van 7 november 2013, gaat, in deze oorspronkelijke hoedanigheid, een nieuwe dienstneming aan overeenkomstig de bepalingen die van toepassing zijn op zijn nieuwe personeelscategorie.
Art. 6. Le candidat militaire BDL qui obtient sa réintégration dans sa qualité d'origine de candidat militaire du cadre actif, conformément aux dispositions de l'article 44 de l'arrêté royal du 7 novembre 2013, contracte, dans cette qualité d'origine, un nouvel engagement de candidat militaire du cadre actif selon les dispositions applicables à sa nouvelle catégorie de personnel.
Art. 7. De vorming van de kandidaat-militair BDL eindigt in de volgende gevallen :
1° door het slagen in de cyclus basisvorming;
2° door het verlies van de hoedanigheid van kandidaat-militair BDL.
In het geval bedoeld in het eerste lid, 2°, verliest de kandidaat-militair BDL de graad waarin hij is aangesteld.
1° door het slagen in de cyclus basisvorming;
2° door het verlies van de hoedanigheid van kandidaat-militair BDL.
In het geval bedoeld in het eerste lid, 2°, verliest de kandidaat-militair BDL de graad waarin hij is aangesteld.
Art. 7. La formation du candidat militaire BDL prend fin dans les cas suivants :
1° par la réussite du cycle de formation de base;
2° par la perte de la qualité de candidat militaire BDL.
Dans le cas visé à l'alinéa 1er, 2°, le candidat militaire BDL perd le grade dans lequel il est commissionné.
1° par la réussite du cycle de formation de base;
2° par la perte de la qualité de candidat militaire BDL.
Dans le cas visé à l'alinéa 1er, 2°, le candidat militaire BDL perd le grade dans lequel il est commissionné.
HOOFDSTUK 2. - De reclassering en het verlies van de hoedanigheid van kandidaat-militair BDL
CHAPITRE 2. - Du reclassement et de la perte de qualité de candidat militaire BDL
Art. 8. § 1. De DGHR of de autoriteit die hij aanwijst, is bevoegd om de reclassering, op zijn aanvraag, van de kandidaat-militair BDL bedoeld in artikel 10, eerste lid, 1°, van de wet, toe te kennen.
Evenwel kan de reclassering van een kandidaat-militair BDL enkel worden toegestaan, naargelang het geval, in dezelfde of in een andere hoedanigheid van kandidaat-militair BDL, overeenkomstig de nadere bepalingen van artikel 42 van het koninklijk besluit van 7 novembre 2013.
§ 2. De in een andere hoedanigheid gereclasseerde kandidaat-militair BDL gaat, in deze nieuwe hoedanigheid van kandidaat-militair BDL, een nieuwe dienstneming aan voor de duur die nodig is voor het voleindigen van de in zijn oorspronkelijke hoedanigheid van militair BDL aangegane dienstneming.
Evenwel kan de reclassering van een kandidaat-militair BDL enkel worden toegestaan, naargelang het geval, in dezelfde of in een andere hoedanigheid van kandidaat-militair BDL, overeenkomstig de nadere bepalingen van artikel 42 van het koninklijk besluit van 7 novembre 2013.
§ 2. De in een andere hoedanigheid gereclasseerde kandidaat-militair BDL gaat, in deze nieuwe hoedanigheid van kandidaat-militair BDL, een nieuwe dienstneming aan voor de duur die nodig is voor het voleindigen van de in zijn oorspronkelijke hoedanigheid van militair BDL aangegane dienstneming.
Art. 8. § 1er. Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne, est compétent pour autoriser le reclassement, à sa demande, du candidat militaire BDL visé à l'article 10, alinéa 1er, 1°, de la loi.
Toutefois, le reclassement d'un candidat militaire BDL ne peut être autorisé, selon le cas, que dans la même ou dans une autre qualité de candidat militaire BDL, conformément aux modalités de l'article 42 de l'arrêté royal du 7 novembre 2013.
§ 2. Le candidat militaire BDL reclassé dans une autre qualité contracte, dans cette nouvelle qualité de candidat militaire BDL, un nouvel engagement d'une durée nécessaire pour parfaire l'engagement contracté dans sa qualité d'origine de militaire BDL.
Toutefois, le reclassement d'un candidat militaire BDL ne peut être autorisé, selon le cas, que dans la même ou dans une autre qualité de candidat militaire BDL, conformément aux modalités de l'article 42 de l'arrêté royal du 7 novembre 2013.
§ 2. Le candidat militaire BDL reclassé dans une autre qualité contracte, dans cette nouvelle qualité de candidat militaire BDL, un nouvel engagement d'une durée nécessaire pour parfaire l'engagement contracté dans sa qualité d'origine de militaire BDL.
Art. 9. De kandidaat-militair BDL, naargelang het geval, bedoeld in artikel 10, eerste lid, 1°, van de wet, die geen reclassering verkrijgt, verliest van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-militair BDL.
Het verlies van de hoedanigheid van kandidaat-militair BDL wordt uitgesproken door de DGHR of de autoriteit die hij aanwijst.
Het verlies van de hoedanigheid van kandidaat-militair BDL wordt uitgesproken door de DGHR of de autoriteit die hij aanwijst.
Art. 9. Le candidat militaire BDL, selon le cas, visé à l'article 10, alinéa 1er, 1°, de la loi, qui n'obtient pas de reclassement, perd de plein droit la qualité de candidat militaire BDL.
La perte de la qualité de candidat militaire BDL est prononcée par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne.
La perte de la qualité de candidat militaire BDL est prononcée par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne.
TITEL 4. - De verbreking van de dienstneming
TITRE 4. - De la résiliation de l'engagement
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Art. 10. De verbreking van de dienstneming heeft uitwerking indien deze van ambtswege is of op verzoek :
1° de dag volgend na deze van de kennisgeving aan de betrokkene, behalve wanneer een latere datum expliciet vermeld wordt;
2° in het geval de rechtstreekse kennisgeving aan de betrokkene niet kan plaatsvinden, de derde werkdag na de dag van verzending van de aangetekende brief waarmee betrokkene van de beslissing in kennis werd gesteld, behalve wanneer een latere datum expliciet vermeld wordt.
1° de dag volgend na deze van de kennisgeving aan de betrokkene, behalve wanneer een latere datum expliciet vermeld wordt;
2° in het geval de rechtstreekse kennisgeving aan de betrokkene niet kan plaatsvinden, de derde werkdag na de dag van verzending van de aangetekende brief waarmee betrokkene van de beslissing in kennis werd gesteld, behalve wanneer een latere datum expliciet vermeld wordt.
Art. 10. La résiliation de l'engagement produit ses effets si elle intervient d'office ou à la demande :
1° le jour qui suit celui de la notification de la décision à l'intéressé, sauf lorsqu'une date ultérieure est explicitement mentionnée;
2° dans le cas où la notification directe à l'intéressé ne peut avoir lieu, le troisième jour ouvrable qui suit celui de l'expédition de la lettre recommandée par laquelle la décision lui est notifiée, sauf lorsqu'une date ultérieure est explicitement mentionnée.
1° le jour qui suit celui de la notification de la décision à l'intéressé, sauf lorsqu'une date ultérieure est explicitement mentionnée;
2° dans le cas où la notification directe à l'intéressé ne peut avoir lieu, le troisième jour ouvrable qui suit celui de l'expédition de la lettre recommandée par laquelle la décision lui est notifiée, sauf lorsqu'une date ultérieure est explicitement mentionnée.
Art. 11. § 1. Voor een militair BDL aan wie de verbreking van zijn dienstneming ter kennis wordt gebracht en die in behandeling is in een hospitaal ten gevolge van een ongeval of ziekte in dienst opgelopen, wordt de dienstneming verlengd totdat zijn hospitaalopname definitief wordt beëindigd, ofwel omdat hij erom verzoekt, ofwel omdat zijn gezondheidstoestand het mogelijk maakt en dat deze toestand, in voorkomend geval, door een militair geneesheer van het actief kader vastgesteld wordt.
§ 2. Voor een vrouwelijke militair BDL aan wie de verbreking van de dienstneming ter kennis wordt gebracht en die met moederschapsverlof of met verlof wegens borstvoeding is, wordt de dienstneming verlengd tot op het einde van deze verloven.
De vrouwelijke militair mag evenwel aan het voordeel van deze bepaling verzaken.
§ 2. Voor een vrouwelijke militair BDL aan wie de verbreking van de dienstneming ter kennis wordt gebracht en die met moederschapsverlof of met verlof wegens borstvoeding is, wordt de dienstneming verlengd tot op het einde van deze verloven.
De vrouwelijke militair mag evenwel aan het voordeel van deze bepaling verzaken.
Art. 11. § 1er. L'engagement du militaire BDL auquel une résiliation d'engagement a été notifiée et qui se trouve en traitement dans un hôpital à la suite d'un accident survenu ou d'une maladie contractée en service, est prorogé jusqu'au moment où son hospitalisation est définitivement terminée, soit qu'il en fasse la demande, soit que son état de santé le permette et que cette situation soit, le cas échéant, constatée par un médecin militaire du cadre actif.
§ 2. L'engagement du militaire BDL féminin auquel une résiliation d'engagement a été notifiée et qui se trouve en congé de maternité ou en congé d'allaitement, est prorogé jusqu'à la fin desdits congés.
Le militaire féminin peut toutefois renoncer au bénéfice de cette disposition.
§ 2. L'engagement du militaire BDL féminin auquel une résiliation d'engagement a été notifiée et qui se trouve en congé de maternité ou en congé d'allaitement, est prorogé jusqu'à la fin desdits congés.
Le militaire féminin peut toutefois renoncer au bénéfice de cette disposition.
HOOFDSTUK 2. - De verbreking van rechtswege
CHAPITRE 2. - De la résiliation de plein droit
Art. 12. De dienstneming van de militair BDL wordt van rechtswege verbroken indien hij niet ten minste het volgende medisch profiel behoudt :
1° voor de officier en de onderofficier BDL :
P S I V C A M E
3 3 3 3 3 2 1 2
2° voor de vrijwilliger BDL :
P S I V C A M E
3 3 3 3 3 2 3 3
De militair BDL van de marine moet bovendien het volgend speciaal medisch profiel behouden :
G Y K O
2 3 3 3
1° voor de officier en de onderofficier BDL :
P S I V C A M E
3 3 3 3 3 2 1 2
2° voor de vrijwilliger BDL :
P S I V C A M E
3 3 3 3 3 2 3 3
De militair BDL van de marine moet bovendien het volgend speciaal medisch profiel behouden :
G Y K O
2 3 3 3
Art. 12. L'engagement du militaire BDL est résilié de plein droit s'il ne conserve pas au moins le profil médical suivant :
1° pour l'officier et le sous-officier BDL :
P S I V C A M E
3 3 3 3 3 2 1 2
2° pour le volontaire BDL :
P S I V C A M E
3 3 3 3 3 2 3 3
Le militaire BDL de la marine doit conserver en outre le profil médical spécial suivant :
G Y K O
2 3 3 3
1° pour l'officier et le sous-officier BDL :
P S I V C A M E
3 3 3 3 3 2 1 2
2° pour le volontaire BDL :
P S I V C A M E
3 3 3 3 3 2 3 3
Le militaire BDL de la marine doit conserver en outre le profil médical spécial suivant :
G Y K O
2 3 3 3
HOOFDSTUK 3. - De verbreking op aanvraag
CHAPITRE 3. - De la résiliation à la demande
Art. 13. Niettegenstaande de bepalingen van artikel 49, § 1, van de wet van 13 juli 1976 betreffende de getalsterkte aan officieren en de statuten van het personeel van de krijgsmacht, kan de dienstneming van de militair BDL die erom verzoekt verbroken worden.
Art. 13. Nonobstant les dispositions de l'article 49, § 1er, de la loi du 13 juillet 1976 relative aux effectifs en officiers et aux statuts du personnel des forces armées, l'engagement du militaire BDL qui le demande peut être résilié.
Art. 14. De militair BDL bekomt van zijn korpscommandant de verbreking van zijn dienstneming indien hij daartoe een schriftelijke aanvraag indient binnen de zes maand volgend op zijn indiensttreding.
Art. 14. Le militaire BDL obtient de son chef de corps la résiliation de son engagement s'il en fait la demande écrite dans les six mois qui suivent son entrée en service.
Art. 15. In de andere gevallen dan datgene bepaald in artikel 14, wordt de verbreking van de dienstneming uitgesproken :
1° door de minister indien het een officier BDL [1 ...]1 betreft;
2° [1 door de chef Defensie indien het een onderofficier BDL betreft;]1
[1 3° door de directeur-generaal human resources indien het een vrijwilliger BDL betreft.]1
1° door de minister indien het een officier BDL [1 ...]1 betreft;
2° [1 door de chef Defensie indien het een onderofficier BDL betreft;]1
[1 3° door de directeur-generaal human resources indien het een vrijwilliger BDL betreft.]1
Art. 15. Dans les cas autres que celui prévu à l'article 14, la résiliation de l'engagement est prononcée :
1° par le ministre lorsqu'il s'agit d'un officier BDL [1 ...]1;
2° [1 par le chef de la Défense lorsqu'il s'agit d'un sous-officier BDL;]1
[1 3° par le directeur général human resources lorsqu'il s'agit d'un volontaire BDL.]1
1° par le ministre lorsqu'il s'agit d'un officier BDL [1 ...]1;
2° [1 par le chef de la Défense lorsqu'il s'agit d'un sous-officier BDL;]1
[1 3° par le directeur général human resources lorsqu'il s'agit d'un volontaire BDL.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK 4. - De verbreking van ambtswege
CHAPITRE 4. - De la résiliation d'office
Art. 16. De dienstneming van de militair BDL wordt van ambtswege verbroken door de bevoegde autoriteit bedoeld in artikel 15 wanneer hij, naar de uitspraak van de militaire commissie voor geschiktheid en reform of van de militaire commissie van beroep voor geschiktheid en reform, niet meer voldoet aan het minimale medisch profiel bedoeld in artikel 12.
Art. 16. L'engagement du militaire BDL est résilié d'office par l'autorité compétente visée à l'article 15 lorsque, d'après le prononcé de la commission militaire d'aptitude et de réforme ou de la commission militaire d'aptitude et de réforme d'appel, il ne satisfait plus au profil médical minimum visé à l'article 12.
Art. 17.
Art. 17.
Art. 18. § 1. In de gevallen bedoeld in [1 artikel 18, 1° en 2°, van de wet]1, wordt de beslissing genomen op voorstel van een hiërarchische meerdere met een rang ten minste gelijk aan die van korpscommandant.
§ 2. In het geval bedoeld in [1 artikel 18, 3°, van de wet]1, maakt elke korpscommandant of hogere hiërarchische overheid een omstandig verslag op waarin zijn opgenomen :
1° een uiteenzetting van de feiten;
2° een met redenen omkleed advies inzake hun ernst;
3° een voorstel om de betrokkene voor een onderzoeksraad te doen verschijnen.
§ 3. De reglementaire bepalingen betreffende de onderzoeksraad voor de militairen van de personeelscategorie van de betrokkene, de voorafgaande procedure en de werkwijze van die raad zijn van toepassing op de verbreking van de dienstneming van de militairen BDL, uitgesproken bij toepassing van [1 artikel 18, 3°, van de wet]1.
§ 4. Wanneer de onderzoeksraad oordeelt dat de feiten ernstig zijn en niet overeen te brengen zijn met de staat van militair, kan de bevoegde overheid de dienstneming van deze laatste verbreken.
§ 5. Wat de militairen BDL betreft die niet ten minste twee jaar dienst hebben volbracht, stuurt de korpscommandant van de betrokkene aan de minister, langs de onmiddellijke hiërarchische weg, doch zonder tussenkomst van de onderzoeksraad, een voorstel tot verbreking van ambtswege van de dienstneming of de wederdienstneming dat berust op de beweegredenen opgesomd in [1 artikel 18, 3°, van de wet]1.
De korpscommandant stelt betrokkene schriftelijk in kennis van het voorstel vooraleer het wordt ingediend. Deze kan een verweerschrift indienen binnen vijf werkdagen na kennisgeving van het voorstel. Indien hij binnen dezelfde termijn erom verzoekt, wordt hij door de korpscommandant gehoord.
§ 2. In het geval bedoeld in [1 artikel 18, 3°, van de wet]1, maakt elke korpscommandant of hogere hiërarchische overheid een omstandig verslag op waarin zijn opgenomen :
1° een uiteenzetting van de feiten;
2° een met redenen omkleed advies inzake hun ernst;
3° een voorstel om de betrokkene voor een onderzoeksraad te doen verschijnen.
§ 3. De reglementaire bepalingen betreffende de onderzoeksraad voor de militairen van de personeelscategorie van de betrokkene, de voorafgaande procedure en de werkwijze van die raad zijn van toepassing op de verbreking van de dienstneming van de militairen BDL, uitgesproken bij toepassing van [1 artikel 18, 3°, van de wet]1.
§ 4. Wanneer de onderzoeksraad oordeelt dat de feiten ernstig zijn en niet overeen te brengen zijn met de staat van militair, kan de bevoegde overheid de dienstneming van deze laatste verbreken.
§ 5. Wat de militairen BDL betreft die niet ten minste twee jaar dienst hebben volbracht, stuurt de korpscommandant van de betrokkene aan de minister, langs de onmiddellijke hiërarchische weg, doch zonder tussenkomst van de onderzoeksraad, een voorstel tot verbreking van ambtswege van de dienstneming of de wederdienstneming dat berust op de beweegredenen opgesomd in [1 artikel 18, 3°, van de wet]1.
De korpscommandant stelt betrokkene schriftelijk in kennis van het voorstel vooraleer het wordt ingediend. Deze kan een verweerschrift indienen binnen vijf werkdagen na kennisgeving van het voorstel. Indien hij binnen dezelfde termijn erom verzoekt, wordt hij door de korpscommandant gehoord.
Art. 18. § 1er. Dans les cas visés à [1 l'article 18, 1° et 2°, de la loi]1, la décision est prise sur la proposition d'un supérieur hiérarchique d'un rang au moins égal à celui de chef de corps.
§ 2. Dans le cas visé à [1 l'article 18, 3°, de la loi]1, tout chef de corps ou autorité hiérarchique supérieure établit un rapport circonstancié contenant :
1° un exposé des faits;
2° un avis motivé quant à leur gravité;
3° une proposition tendant à la comparution de l'intéressé devant un conseil d'enquête.
§ 3. Les dispositions réglementaires relatives au conseil d'enquête pour les militaires de la catégorie de personnel de l'intéressé, à la procédure préalable et au fonctionnement de ce conseil, sont applicables à la résiliation des engagements des militaires BDL en application de [1 l'article 18, 3°, de la loi]1.
§ 4. Lorsque le conseil d'enquête est d'avis que les faits sont graves et incompatibles avec l'état de militaire, l'autorité compétente peut résilier l'engagement de ce dernier.
§ 5. En ce qui concerne les militaires BDL qui n'ont pas accompli au moins deux ans de service, le chef de corps de l'intéressé transmet au ministre, par la voie hiérarchique immédiatement supérieure, mais sans l'intervention du conseil d'enquête, une proposition fondée sur les motifs énoncés à [1 l'article 18, 3°, de la loi]1, en vue de la résiliation d'office de l'engagement.
Le chef de corps notifie par écrit la proposition à l'intéressé avant qu'elle ne soit introduite. Celui-ci peut introduire un recours dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification de la proposition. Il est entendu par le chef de corps s'il le demande dans le même délai.
§ 2. Dans le cas visé à [1 l'article 18, 3°, de la loi]1, tout chef de corps ou autorité hiérarchique supérieure établit un rapport circonstancié contenant :
1° un exposé des faits;
2° un avis motivé quant à leur gravité;
3° une proposition tendant à la comparution de l'intéressé devant un conseil d'enquête.
§ 3. Les dispositions réglementaires relatives au conseil d'enquête pour les militaires de la catégorie de personnel de l'intéressé, à la procédure préalable et au fonctionnement de ce conseil, sont applicables à la résiliation des engagements des militaires BDL en application de [1 l'article 18, 3°, de la loi]1.
§ 4. Lorsque le conseil d'enquête est d'avis que les faits sont graves et incompatibles avec l'état de militaire, l'autorité compétente peut résilier l'engagement de ce dernier.
§ 5. En ce qui concerne les militaires BDL qui n'ont pas accompli au moins deux ans de service, le chef de corps de l'intéressé transmet au ministre, par la voie hiérarchique immédiatement supérieure, mais sans l'intervention du conseil d'enquête, une proposition fondée sur les motifs énoncés à [1 l'article 18, 3°, de la loi]1, en vue de la résiliation d'office de l'engagement.
Le chef de corps notifie par écrit la proposition à l'intéressé avant qu'elle ne soit introduite. Celui-ci peut introduire un recours dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification de la proposition. Il est entendu par le chef de corps s'il le demande dans le même délai.
Wijzigingen
TITEL 4/1. [1 - De verlenging van de dienstneming]1
TITRE 4/1. [1 - De la prolongation de l'engagement]1
Art.18/1. [1 De verlenging van de dienstneming van één jaar wordt schriftelijk door de korpscommandant aan de betrokken militair BDL ter kennis gebracht, ten laatste drie maanden vóór de einddatum van zijn lopende dienstneming.]1
Art.18/1. [1 La prolongation de l'engagement d'un an est notifiée par écrit par le chef de corps au militaire BDL concerné au plus tard trois mois avant la date de fin de son engagement en cours.]1
TITEL 5. - De opname in een andere hoedanigheid van militair BDL of van militair van het actief kader
TITRE 5. - De l'admission dans une autre qualité de militaire BDL ou de militaire du cadre actif
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Art. 19. § 1. Voor de verschillende overgangen, promoties op diploma en sociale promoties en bedoeld in de artikelen 20, 22 en 23 van de wet, bepaalt de minister jaarlijks, per taalstelsel en, naargelang het geval, per vakrichting of per ambt, het aantal kandidaten dat kan worden aanvaard. Daarbij specificeert hij de bijzonderheden van de vacatures die een gevolg hebben op de selectie.
De minister kan het aantal kandidaten dat kan worden aanvaard evenwel per krijgsmachtdeel bepalen.
De DGHR of de overheid die hij hiertoe aanwijst, bepaalt, binnen de grenzen van de opengestelde plaatsen, de overdracht van niet bezette plaatsen, binnen eenzelfde wedstrijd voor de overgang, de promotie op diploma of de sociale promotie.
De DGHR of de overheid die hij aanwijst bepaalt, per wedstrijd, de prioriteit die zal worden toegepast bij de toewijzing van de opengestelde plaatsen wanneer eenzelfde deelnemer aan de toelatingsvoorwaarden voldoet voor verschillende [1 sessies]1 van overgang, promotie op diploma of sociale promotie.
§ 2. [2 In voorkomend geval wordt de lijst van vacatures, waarvoor het afleggen van psychotechnische proeven verplicht is, bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.]2
De resultaten behaald voor de psychotechnische proeven afgelegd in het kader van het koninklijk besluit van 11 september 2003 betreffende de werving van de militairen zijn geldig voor de kandidaten bedoeld in onderhavige titel.
De bepalingen hernomen in de artikelen 26, §§ 1 en 3, en 27bis, §§ 2, 3°, van hetzelfde besluit, zijn eveneens van toepassing voor de psychotechnische proeven afgelegd in het kader van de overgang, de promotie op diploma of de sociale promotie.
§ 3. Voor zover zij niet onverenigbaar zijn met de bepalingen van deze titel, zijn de volgende bepalingen van het koninklijk besluit van 7 november 2013 van toepassing op de kandidaat-militairen die een vorming ontvangen met het oog op hun promotie op diploma of sociale promotie :
1° de vrijstelling van vormingsgedeelten of cursussen bedoeld in artikel 19;
2° het uitstel bedoeld in de artikelen 20 en 21;
3° de voortzetting van de vorming bedoeld in het artikel 40;
4° het regime van de kandidaten bedoeld in de artikelen 23 tot 26;
5° de beoordeling van de kandidaten bedoeld in de artikelen 27 tot 29;
6° de samenstelling, de procedure en de mogelijke beslissingen van, naargelang het geval, de deliberatie- of de evaluatiecommissie, bedoeld in de artikelen 30 tot 36.
De beslissing van de deliberatiecommissie waarbij een kandidaat-militair de vorming mag herbeginnen en aangehecht mag worden aan de volgende promotie, bij een onvoldoende beoordeling van zijn professionele hoedanigheden is evenwel niet toepasselijk.
§ 4. De kandidaat die niet slaagt in de vorming met het oog op zijn sociale promotie of promotie op diploma wegens onvoldoende professionele of karakteriële hoedanigheden, kan zich ten vroegste de tweede sessie volgend op de mislukking opnieuw kandidaat stellen met het oog op dezelfde, sociale promotie of promotie op diploma, onverminderd de toepassing van de leeftijdslimieten bepaald in dit besluit.
[3 § 5. De DGHR of de overheid die hij aanwijst, is bevoegd voor het verlenen van de toestemming inzake de reclassering op zijn verzoek, van de kandidaat-militair BDL, aanvaard om een basisvorming te volgen met het oog op een sociale promotie bedoeld in artikel 22 van de wet, die definitief mislukt wordt bevonden wegens een onvoldoende beoordeling van de professionele hoedanigheden.
De kandidaat dient, in voorkomend geval, te slagen in de bijkomende selectieproeven, bepaald in het koninklijk besluit van 11 september 2003 betreffende de werving van de militairen, voor de vormingscyclus waarnaar de kandidaat wenst te worden gereclasseerd.
De overheid neemt haar beslissing op basis van:
1° in voorkomend geval, de resultaten van de selectieproeven;
2° de resultaten inzake professionele hoedanigheden, karakteriële hoedanigheden en fysieke hoedanigheden op het vlak van de fysieke conditie van de kandidaat sinds zijn aanvaarding als kandidaat-militair in het kader van de sociale promotie;
3° de reeds gevolgde vormingsgedeelten;
4° de medische geschiktheid van de kandidaat;
5° de vereiste veiligheidsmachtiging.
De beslissing tot reclassering bestaat uit de toestemming krijgen om een nieuwe basisvorming aan te vatten in dezelfde hoedanigheid en in dezelfde personeelscategorie.
De reclassering bedoeld in het eerste lid kan slechts éénmaal worden toegestaan per vormingscyclus in het kader van de sociale promotie bedoeld in artikel 22 van de wet.]3
De minister kan het aantal kandidaten dat kan worden aanvaard evenwel per krijgsmachtdeel bepalen.
De DGHR of de overheid die hij hiertoe aanwijst, bepaalt, binnen de grenzen van de opengestelde plaatsen, de overdracht van niet bezette plaatsen, binnen eenzelfde wedstrijd voor de overgang, de promotie op diploma of de sociale promotie.
De DGHR of de overheid die hij aanwijst bepaalt, per wedstrijd, de prioriteit die zal worden toegepast bij de toewijzing van de opengestelde plaatsen wanneer eenzelfde deelnemer aan de toelatingsvoorwaarden voldoet voor verschillende [1 sessies]1 van overgang, promotie op diploma of sociale promotie.
§ 2. [2 In voorkomend geval wordt de lijst van vacatures, waarvoor het afleggen van psychotechnische proeven verplicht is, bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.]2
De resultaten behaald voor de psychotechnische proeven afgelegd in het kader van het koninklijk besluit van 11 september 2003 betreffende de werving van de militairen zijn geldig voor de kandidaten bedoeld in onderhavige titel.
De bepalingen hernomen in de artikelen 26, §§ 1 en 3, en 27bis, §§ 2, 3°, van hetzelfde besluit, zijn eveneens van toepassing voor de psychotechnische proeven afgelegd in het kader van de overgang, de promotie op diploma of de sociale promotie.
§ 3. Voor zover zij niet onverenigbaar zijn met de bepalingen van deze titel, zijn de volgende bepalingen van het koninklijk besluit van 7 november 2013 van toepassing op de kandidaat-militairen die een vorming ontvangen met het oog op hun promotie op diploma of sociale promotie :
1° de vrijstelling van vormingsgedeelten of cursussen bedoeld in artikel 19;
2° het uitstel bedoeld in de artikelen 20 en 21;
3° de voortzetting van de vorming bedoeld in het artikel 40;
4° het regime van de kandidaten bedoeld in de artikelen 23 tot 26;
5° de beoordeling van de kandidaten bedoeld in de artikelen 27 tot 29;
6° de samenstelling, de procedure en de mogelijke beslissingen van, naargelang het geval, de deliberatie- of de evaluatiecommissie, bedoeld in de artikelen 30 tot 36.
De beslissing van de deliberatiecommissie waarbij een kandidaat-militair de vorming mag herbeginnen en aangehecht mag worden aan de volgende promotie, bij een onvoldoende beoordeling van zijn professionele hoedanigheden is evenwel niet toepasselijk.
§ 4. De kandidaat die niet slaagt in de vorming met het oog op zijn sociale promotie of promotie op diploma wegens onvoldoende professionele of karakteriële hoedanigheden, kan zich ten vroegste de tweede sessie volgend op de mislukking opnieuw kandidaat stellen met het oog op dezelfde, sociale promotie of promotie op diploma, onverminderd de toepassing van de leeftijdslimieten bepaald in dit besluit.
[3 § 5. De DGHR of de overheid die hij aanwijst, is bevoegd voor het verlenen van de toestemming inzake de reclassering op zijn verzoek, van de kandidaat-militair BDL, aanvaard om een basisvorming te volgen met het oog op een sociale promotie bedoeld in artikel 22 van de wet, die definitief mislukt wordt bevonden wegens een onvoldoende beoordeling van de professionele hoedanigheden.
De kandidaat dient, in voorkomend geval, te slagen in de bijkomende selectieproeven, bepaald in het koninklijk besluit van 11 september 2003 betreffende de werving van de militairen, voor de vormingscyclus waarnaar de kandidaat wenst te worden gereclasseerd.
De overheid neemt haar beslissing op basis van:
1° in voorkomend geval, de resultaten van de selectieproeven;
2° de resultaten inzake professionele hoedanigheden, karakteriële hoedanigheden en fysieke hoedanigheden op het vlak van de fysieke conditie van de kandidaat sinds zijn aanvaarding als kandidaat-militair in het kader van de sociale promotie;
3° de reeds gevolgde vormingsgedeelten;
4° de medische geschiktheid van de kandidaat;
5° de vereiste veiligheidsmachtiging.
De beslissing tot reclassering bestaat uit de toestemming krijgen om een nieuwe basisvorming aan te vatten in dezelfde hoedanigheid en in dezelfde personeelscategorie.
De reclassering bedoeld in het eerste lid kan slechts éénmaal worden toegestaan per vormingscyclus in het kader van de sociale promotie bedoeld in artikel 22 van de wet.]3
Art. 19. § 1er. Pour les différents passages, promotions sur diplôme et promotions sociales visés aux articles 20, 22 et 23 de la loi, le ministre fixe chaque année, par régime linguistique et, selon le cas, par filière de métier ou par emploi, le nombre de candidats pouvant être admis. A cette occasion, il spécifie les particularités des postes vacants qui ont une incidence sur la sélection.
Toutefois, le ministre peut fixer le nombre de candidats pouvant être admis par force.
Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne, fixe, dans les limites des places ouvertes, le transfert des places non occupées, à l'intérieur du même concours de passage, de promotion sur diplôme ou de promotion sociale.
Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne fixe, par concours, la priorité qui sera appliquée pour l'attribution des places ouvertes lorsqu'un même participant satisfait aux conditions d'admission pour différentes sessions de passage, de promotion sur diplôme ou de promotion sociale.
§ 2. [1 Le cas échéant, la liste des postes vacants pour lesquels la présentation d'épreuves psychotechniques est obligatoire, est fixée dans un règlement arrêté par le ministre.]1
Les résultats obtenus lors des épreuves psychotechniques présentées dans le cadre de l'arrêté royal du 11 septembre 2003 relatif au recrutement des militaires sont valables pour les candidats visés dans le présent titre.
Les dispositions reprises aux articles 26, §§ 1er et 3, et 27bis, §§ 2, 3°, du même arrêté, s'appliquent également aux épreuves psychotechniques effectuées dans le cadre du passage, de la promotion sur diplôme ou de la promotion sociale.
§ 3. Pour autant qu'elles ne soient pas incompatibles avec les dispositions du présent titre, les dispositions suivantes de l'arrêté royal du 7 novembre 2013 sont applicables aux candidats militaires qui suivent une formation en vue de leur promotion sur diplôme ou promotion sociale :
1° la dispense de parties de formation ou de cours visée à l'article 19;
2° l'ajournement visé aux articles 20 et 21;
3° la poursuite de la formation visée à l'article 40;
4° le régime des candidats visé aux articles 23 à 26;
5° l'appréciation des candidats visée aux articles 27 à 29;
6° la composition, la procédure et les décisions possibles, selon le cas, de la commission de délibération ou d'évaluation, visées aux articles 30 à 36.
La décision de la commission de délibération, selon laquelle un candidat militaire peut recommencer la formation et être rattaché à la promotion suivante, en cas d'appréciation insuffisante de ses qualités professionnelles, n'est toutefois pas applicable.
§ 4. Le candidat qui échoue dans la formation en vue de sa promotion sociale ou sa promotion sur diplôme, pour cause de qualités professionnelles ou caractérielles insuffisantes, ne peut représenter au plus tôt sa candidature en vue de la même promotion sociale ou promotion sur diplôme que pour la deuxième session suivant l'échec, sans préjudice de l'application des limites d'âges fixées dans le présent arrêté.
[2 § 5. Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne, est compétent pour accorder l'autorisation de reclasser à sa demande le candidat militaire BDL, admis à suivre une formation de base en vue d'une promotion sociale visée à l'article 22 de la loi, qui a échoué définitivement à la suite d'une appréciation insuffisante des qualités professionnelles.
Le candidat doit réussir, le cas échéant, les épreuves de sélection supplémentaires, fixées dans l'arrêté royal du 11 septembre 2003 relatif au recrutement des militaires, pour le cycle de formation dans lequel le candidat désire être reclassé.
L'autorité prend sa décision sur la base:
1° le cas échéant, des résultats des épreuves de sélection;
2° des résultats relatifs aux qualités professionnelles, caractérielles et physiques sur le plan de la condition physique du candidat depuis son admission comme candidat militaire dans le cadre de la promotion sociale;
3° des parties de formation déjà suivies;
4° de l'aptitude médicale du candidat;
5° de l'habilitation de sécurité exigée.
La décision de reclassement consiste à obtenir l'autorisation de suivre une nouvelle formation de base dans la même qualité et dans la même catégorie de personnel.
Le reclassement visé à l'alinéa 1er ne peut être accordé qu'une fois par cycle de formation en vue d'une promotion sociale visée à l'article 22 de la loi.]2
Toutefois, le ministre peut fixer le nombre de candidats pouvant être admis par force.
Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne, fixe, dans les limites des places ouvertes, le transfert des places non occupées, à l'intérieur du même concours de passage, de promotion sur diplôme ou de promotion sociale.
Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne fixe, par concours, la priorité qui sera appliquée pour l'attribution des places ouvertes lorsqu'un même participant satisfait aux conditions d'admission pour différentes sessions de passage, de promotion sur diplôme ou de promotion sociale.
§ 2. [1 Le cas échéant, la liste des postes vacants pour lesquels la présentation d'épreuves psychotechniques est obligatoire, est fixée dans un règlement arrêté par le ministre.]1
Les résultats obtenus lors des épreuves psychotechniques présentées dans le cadre de l'arrêté royal du 11 septembre 2003 relatif au recrutement des militaires sont valables pour les candidats visés dans le présent titre.
Les dispositions reprises aux articles 26, §§ 1er et 3, et 27bis, §§ 2, 3°, du même arrêté, s'appliquent également aux épreuves psychotechniques effectuées dans le cadre du passage, de la promotion sur diplôme ou de la promotion sociale.
§ 3. Pour autant qu'elles ne soient pas incompatibles avec les dispositions du présent titre, les dispositions suivantes de l'arrêté royal du 7 novembre 2013 sont applicables aux candidats militaires qui suivent une formation en vue de leur promotion sur diplôme ou promotion sociale :
1° la dispense de parties de formation ou de cours visée à l'article 19;
2° l'ajournement visé aux articles 20 et 21;
3° la poursuite de la formation visée à l'article 40;
4° le régime des candidats visé aux articles 23 à 26;
5° l'appréciation des candidats visée aux articles 27 à 29;
6° la composition, la procédure et les décisions possibles, selon le cas, de la commission de délibération ou d'évaluation, visées aux articles 30 à 36.
La décision de la commission de délibération, selon laquelle un candidat militaire peut recommencer la formation et être rattaché à la promotion suivante, en cas d'appréciation insuffisante de ses qualités professionnelles, n'est toutefois pas applicable.
§ 4. Le candidat qui échoue dans la formation en vue de sa promotion sociale ou sa promotion sur diplôme, pour cause de qualités professionnelles ou caractérielles insuffisantes, ne peut représenter au plus tôt sa candidature en vue de la même promotion sociale ou promotion sur diplôme que pour la deuxième session suivant l'échec, sans préjudice de l'application des limites d'âges fixées dans le présent arrêté.
[2 § 5. Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne, est compétent pour accorder l'autorisation de reclasser à sa demande le candidat militaire BDL, admis à suivre une formation de base en vue d'une promotion sociale visée à l'article 22 de la loi, qui a échoué définitivement à la suite d'une appréciation insuffisante des qualités professionnelles.
Le candidat doit réussir, le cas échéant, les épreuves de sélection supplémentaires, fixées dans l'arrêté royal du 11 septembre 2003 relatif au recrutement des militaires, pour le cycle de formation dans lequel le candidat désire être reclassé.
L'autorité prend sa décision sur la base:
1° le cas échéant, des résultats des épreuves de sélection;
2° des résultats relatifs aux qualités professionnelles, caractérielles et physiques sur le plan de la condition physique du candidat depuis son admission comme candidat militaire dans le cadre de la promotion sociale;
3° des parties de formation déjà suivies;
4° de l'aptitude médicale du candidat;
5° de l'habilitation de sécurité exigée.
La décision de reclassement consiste à obtenir l'autorisation de suivre une nouvelle formation de base dans la même qualité et dans la même catégorie de personnel.
Le reclassement visé à l'alinéa 1er ne peut être accordé qu'une fois par cycle de formation en vue d'une promotion sociale visée à l'article 22 de la loi.]2
Art. 20. Voor de kandidaten van de overgang, de promotie op diploma en de sociale promotie, wordt een selectiecomité opgericht dat ermee belast is de waarde van de kandidaat te beoordelen en de kandidaten te rangschikken.
Het selectiecomité wordt voorgezeten door een hoofdofficier.
Naast de voorzitter, bestaat het bovendien uit volgende leden :
1° twee officieren hoger in graad dan de te beoordelen kandidaten, waarvan een hoofdofficier;
2° een officier, met adviserende stem, hoger in graad dan de te beoordelen kandidaten, belast met de voordracht van de kandidaturen;
3° een officier of een hoofdonderofficier, zonder stemrecht, die de functie van secretaris vervult.
De voorzitter en de leden worden aangewezen door de DGHR of de autoriteit die hij aanwijst.
Het selectiecomité wordt voorgezeten door een hoofdofficier.
Naast de voorzitter, bestaat het bovendien uit volgende leden :
1° twee officieren hoger in graad dan de te beoordelen kandidaten, waarvan een hoofdofficier;
2° een officier, met adviserende stem, hoger in graad dan de te beoordelen kandidaten, belast met de voordracht van de kandidaturen;
3° een officier of een hoofdonderofficier, zonder stemrecht, die de functie van secretaris vervult.
De voorzitter en de leden worden aangewezen door de DGHR of de autoriteit die hij aanwijst.
Art. 20. Pour les candidats du passage, de la promotion sur diplôme et de la promotion sociale, il est constitué un comité de sélection chargé d'apprécier la valeur du candidat et de classer les candidats.
Le comité de sélection est présidé par un officier supérieur.
Outre le président, il est composé des membres suivants :
1° deux officiers d'un grade supérieur à celui des candidats à apprécier, dont un officier supérieur;
2° un officier, ayant voix consultative, d'un grade supérieur à celui des candidats à apprécier, chargé de présenter les candidatures;
3° un officier ou un sous-officier supérieur, sans droit de vote, qui remplit la fonction de secrétaire.
Le président et les membres sont désignés par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne.
Le comité de sélection est présidé par un officier supérieur.
Outre le président, il est composé des membres suivants :
1° deux officiers d'un grade supérieur à celui des candidats à apprécier, dont un officier supérieur;
2° un officier, ayant voix consultative, d'un grade supérieur à celui des candidats à apprécier, chargé de présenter les candidatures;
3° un officier ou un sous-officier supérieur, sans droit de vote, qui remplit la fonction de secrétaire.
Le président et les membres sont désignés par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne.
HOOFDSTUK 2. - De promotie op diploma
CHAPITRE 2. - De la promotion sur diplôme
Afdeling 1. - De promotie op diploma van de vrijwilliger BDL naar beroepsonderofficier van niveau C
Section 1re. - De la promotion sur diplôme du volontaire BDL vers sous-officier de carrière du niveau C
Art. 21. Met het oog op zijn promotie op diploma, kan de vrijwilliger BDL door [1 de DGHR]1 aanvaard worden als kandidaat beroepsonderofficier van niveau C indien hij aan de volgende voorwaarden voldoet [4 vóór de afsluitingsdatum van de inschrijvingen]4:
1° [3 ...]3
2° geslaagd zijn voor de militaire tests van lichamelijke geschiktheid volgens de criteria bepaald door de minister;
3° voor de vrijwilliger die voor een functie bij de marine solliciteert, medisch geschikt zijn voor dienst op zee;
4° houder zijn van een diploma van het hoger secundair onderwijs of van een gelijkwaardig diploma of getuigschrift vóór de afsluitingsdatum van de inschrijvingen voor de promotie op diploma;
5° geslaagd zijn voor het examen bedoeld in artikel 8, § 1, van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger of van dit examen vrijgesteld zijn volgens de bepalingen van artikel 8, § 2, van dezelfde wet;
6° niet afgewezen worden, door de DGHR of de overheid die hij aanwijst;
7° batig gerangschikt worden bij de overgangsproef, bedoeld in artikel 19, derde lid, 3°, van de wet, binnen de grenzen van het aantal opengestelde plaatsen.
Overeenkomstig het eerste lid, 6°, kan de DGHR, of de autoriteit die hij aanwijst, een kandidatuur afwijzen op basis van het persoonlijk dossier van de betrokken militair. Het geheel van de beoordelingselementen die in beschouwing kunnen worden genomen wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
[2 De overgangsproef bedoeld in het eerste lid, 7°, omvat de beoordeling van de waarde van de kandidaat door het selectiecomité bedoeld in artikel 20 en, naargelang het geval, psychotechnische proeven.]2
1° [3 ...]3
2° geslaagd zijn voor de militaire tests van lichamelijke geschiktheid volgens de criteria bepaald door de minister;
3° voor de vrijwilliger die voor een functie bij de marine solliciteert, medisch geschikt zijn voor dienst op zee;
4° houder zijn van een diploma van het hoger secundair onderwijs of van een gelijkwaardig diploma of getuigschrift vóór de afsluitingsdatum van de inschrijvingen voor de promotie op diploma;
5° geslaagd zijn voor het examen bedoeld in artikel 8, § 1, van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger of van dit examen vrijgesteld zijn volgens de bepalingen van artikel 8, § 2, van dezelfde wet;
6° niet afgewezen worden, door de DGHR of de overheid die hij aanwijst;
7° batig gerangschikt worden bij de overgangsproef, bedoeld in artikel 19, derde lid, 3°, van de wet, binnen de grenzen van het aantal opengestelde plaatsen.
Overeenkomstig het eerste lid, 6°, kan de DGHR, of de autoriteit die hij aanwijst, een kandidatuur afwijzen op basis van het persoonlijk dossier van de betrokken militair. Het geheel van de beoordelingselementen die in beschouwing kunnen worden genomen wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
[2 De overgangsproef bedoeld in het eerste lid, 7°, omvat de beoordeling van de waarde van de kandidaat door het selectiecomité bedoeld in artikel 20 en, naargelang het geval, psychotechnische proeven.]2
Art. 21. En vue de sa promotion sur diplôme, le volontaire BDL peut être agréé par [1 le DGHR]1 en qualité de candidat sous-officier de carrière du niveau C s'il satisfait aux conditions suivantes [4 avant la date de clôture des inscriptions]4:
1° [3 ...]3
2° avoir réussi les tests militaires d'aptitude physique selon les critères fixés par le ministre;
3° pour le volontaire qui postule pour une fonction à la la marine, être médicalement apte au service en mer;
4° être titulaire d'un diplôme de l'enseignement secondaire supérieur ou d'un diplôme ou certificat équivalent avant la date de clôture des inscriptions à la promotion sur diplôme;
5° avoir réussi l'examen visé à l'article 8, § 1er, de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée ou être exempté de cet examen selon les dispositions de l'article 8, § 2, de la même loi;
6° ne pas être refusé, par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne;
7° être classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage, visée à l'article 19, alinéa 3, 3°, de la loi, dans les limites du nombre de places ouvertes.
Le DGHR, ou l'autorité qu'il désigne, peut refuser une candidature conformément à l'alinéa 1er, 6°, sur la base du dossier personnel du militaire concerné. L'ensemble des éléments d'appréciation qui peuvent être pris en considération est fixé dans un règlement arrêté par le ministre.
[2 L'épreuve de passage visée à l'alinéa 1er, 7°, comprend l'appréciation de la valeur du candidat par le comité de sélection visé à l'article 20 et, selon le cas, des épreuves psychotechniques.]2
1° [3 ...]3
2° avoir réussi les tests militaires d'aptitude physique selon les critères fixés par le ministre;
3° pour le volontaire qui postule pour une fonction à la la marine, être médicalement apte au service en mer;
4° être titulaire d'un diplôme de l'enseignement secondaire supérieur ou d'un diplôme ou certificat équivalent avant la date de clôture des inscriptions à la promotion sur diplôme;
5° avoir réussi l'examen visé à l'article 8, § 1er, de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée ou être exempté de cet examen selon les dispositions de l'article 8, § 2, de la même loi;
6° ne pas être refusé, par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne;
7° être classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage, visée à l'article 19, alinéa 3, 3°, de la loi, dans les limites du nombre de places ouvertes.
Le DGHR, ou l'autorité qu'il désigne, peut refuser une candidature conformément à l'alinéa 1er, 6°, sur la base du dossier personnel du militaire concerné. L'ensemble des éléments d'appréciation qui peuvent être pris en considération est fixé dans un règlement arrêté par le ministre.
[2 L'épreuve de passage visée à l'alinéa 1er, 7°, comprend l'appréciation de la valeur du candidat par le comité de sélection visé à l'article 20 et, selon le cas, des épreuves psychotechniques.]2
Art. 22. De [1 eenheidscommandant]1 brengt een advies uit over de wijze van dienen en de geschiktheid om dienst te doen in de categorie van de beroepsonderofficieren van niveau C van de vrijwilliger BDL die zich kandidaat stelt en aan de voorwaarden bedoeld in artikel 21, eerste lid, 1° tot 5°, voldoet.
Het advies wordt uitgedrukt door de beoordeling "Gunstig" of "Ongunstig". De beoordeling "Gunstig" wordt aangevuld met één der volgende vermeldingen : uitstekend, zeer goed, goed, tamelijk goed.
Elk advies moet met redenen omkleed zijn en aan de betrokkene worden betekend. Deze kan binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving een verweerschrift indienen bij de [1 eenheidscommandant]1 tegen de beoordeling of de vermelding bedoeld in het tweede lid. Naar aanleiding van het verweerschrift kan deze laatste zijn advies of de eraan verbonden vermelding wijzigen. De [1 eenheidscommandant]1 stelt betrokken militair in kennis indien hij desbetreffende beoordeling of vermelding wijzigt of bevestigt.
Het advies wordt aan de DGHR overgemaakt, langs de onmiddellijk hogere hiërarchische overheid. Elke beoordeling in ongunstige zin uitgebracht door deze overheid wordt aan de betrokkene betekend vooraleer ze wordt toegezonden aan de DGHR, eventueel vergezeld van een verweerschrift ingediend binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving.
De DGHR of de autoriteit die hij aanwijst, aanvaardt of verwerpt de kandidatuur. De beslissing wordt aan de betrokkene betekend.
Het advies wordt uitgedrukt door de beoordeling "Gunstig" of "Ongunstig". De beoordeling "Gunstig" wordt aangevuld met één der volgende vermeldingen : uitstekend, zeer goed, goed, tamelijk goed.
Elk advies moet met redenen omkleed zijn en aan de betrokkene worden betekend. Deze kan binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving een verweerschrift indienen bij de [1 eenheidscommandant]1 tegen de beoordeling of de vermelding bedoeld in het tweede lid. Naar aanleiding van het verweerschrift kan deze laatste zijn advies of de eraan verbonden vermelding wijzigen. De [1 eenheidscommandant]1 stelt betrokken militair in kennis indien hij desbetreffende beoordeling of vermelding wijzigt of bevestigt.
Het advies wordt aan de DGHR overgemaakt, langs de onmiddellijk hogere hiërarchische overheid. Elke beoordeling in ongunstige zin uitgebracht door deze overheid wordt aan de betrokkene betekend vooraleer ze wordt toegezonden aan de DGHR, eventueel vergezeld van een verweerschrift ingediend binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving.
De DGHR of de autoriteit die hij aanwijst, aanvaardt of verwerpt de kandidatuur. De beslissing wordt aan de betrokkene betekend.
Art. 22. Le [1 commandant d'unité]1 émet un avis quant à la manière de servir et à l'aptitude à servir dans la catégorie des sous-officiers de carrière du niveau C du volontaire BDL qui pose sa candidature et qui satisfait aux conditions visées à l'article 21, alinéa 1er, 1° à 5°.
L'avis est exprimé par l'appréciation "Favorable" ou "Défavorable". L'appréciation "Favorable" est complétée par une des mentions suivantes : excellent, très bon, bon, assez bon.
Tout avis doit être motivé et notifié à l'intéressé. Dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification, celui-ci peut introduire un mémoire auprès du [1 commandant d'unité]1 contre une appréciation ou mention visée à l'alinéa 2. A la suite du mémoire, ce dernier peut modifier son avis ou la mention y relative. Le [1 commandant d'unité]1 notifie au militaire concerné s'il modifie ou confirme l'appréciation ou la mention concernée.
L'avis est transmis au DGHR par la voie de l'autorité hiérarchique immédiatement supérieure. Toute appréciation dans un sens défavorable émise par cette autorité est notifiée à l'intéressé avant d'être transmise au DGHR, éventuellement accompagnée d'un mémoire introduit dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification.
Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne, agrée ou rejette la candidature. La décision est notifiée à l'intéressé.
L'avis est exprimé par l'appréciation "Favorable" ou "Défavorable". L'appréciation "Favorable" est complétée par une des mentions suivantes : excellent, très bon, bon, assez bon.
Tout avis doit être motivé et notifié à l'intéressé. Dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification, celui-ci peut introduire un mémoire auprès du [1 commandant d'unité]1 contre une appréciation ou mention visée à l'alinéa 2. A la suite du mémoire, ce dernier peut modifier son avis ou la mention y relative. Le [1 commandant d'unité]1 notifie au militaire concerné s'il modifie ou confirme l'appréciation ou la mention concernée.
L'avis est transmis au DGHR par la voie de l'autorité hiérarchique immédiatement supérieure. Toute appréciation dans un sens défavorable émise par cette autorité est notifiée à l'intéressé avant d'être transmise au DGHR, éventuellement accompagnée d'un mémoire introduit dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification.
Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne, agrée ou rejette la candidature. La décision est notifiée à l'intéressé.
Wijzigingen
Art. 23. [1 Naargelang het geval, legt de vrijwilliger BDL psychotechnische proeven af.]1 Deze proeven hebben tot doel te beoordelen of de betrokkene de vereiste karakteriële hoedanigheden en het vereiste intellectueel potentieel bezit.
[1 De vrijwilliger BDL die een cijfer heeft behaald dat lager is dan de uitsluitingsdrempel bedoeld in artikel 26, § 4, van het voornoemde koninklijk besluit van 11 september 2003, wordt evenwel niet gerangschikt.]1
De nadere uitvoeringsregels betreffende de psychotechnische proeven worden bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
[1 De vrijwilliger BDL die een cijfer heeft behaald dat lager is dan de uitsluitingsdrempel bedoeld in artikel 26, § 4, van het voornoemde koninklijk besluit van 11 september 2003, wordt evenwel niet gerangschikt.]1
De nadere uitvoeringsregels betreffende de psychotechnische proeven worden bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
Art. 23. [1 Selon le cas, le volontaire BDL présente des épreuves psychotechniques.]1 Ces épreuves ont pour but d'apprécier si l'intéressé possède les qualités caractérielles et le potentiel intellectuel exigés.
[1 Toutefois, le volontaire BDL qui a obtenu une note inférieure au seuil d'exclusion visé à l'article 26, § 4, de l'arrêté royal du 11 septembre 2003 précité, n'est pas classé.]1
Les modalités d'exécution relatives aux épreuves psychotechniques sont fixées dans un règlement arrêté par le ministre.
[1 Toutefois, le volontaire BDL qui a obtenu une note inférieure au seuil d'exclusion visé à l'article 26, § 4, de l'arrêté royal du 11 septembre 2003 précité, n'est pas classé.]1
Les modalités d'exécution relatives aux épreuves psychotechniques sont fixées dans un règlement arrêté par le ministre.
Wijzigingen
Art. 24. [1 Voor het opmaken van de rangschikking van de vrijwilligers BDL houdt het selectiecomité rekening met de waarde van de kandidaat, beoordeeld door het selectiecomité op grond van de krachtens artikel 22 uitgebrachte adviezen en van de inhoud van zijn persoonlijk dossier, berekend op 100 punten, overeenkomstig de procedure bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.]1
De kandidaat die niet ten minste de helft van de punten behaalt voor de beoordeling van zijn waarde, wordt evenwel niet gerangschikt.
Het selectiecomité weerhoudt de kandidaten met inachtneming van de opgestelde rangschikking en van het aantal beschikbare plaatsen per vakrichting, per taalstelsel en naargelang het geval per krijgsmachtdeel.
Indien twee kandidaten hetzelfde puntentotaal behalen, wordt voorrang gegeven :
1° aan de kandidaat met de hoogste graad;
2° bij gelijke graad, aan deze met de meeste anciënniteit in de graad;
3° bij gelijke graad en anciënniteit, aan diegene waarvan de kandidatuur het grootst aantal keren afgewezen werd;
4° bij gelijke graad, bij gelijke anciënniteit en bij hetzelfde aantal afwijzingen, aan de oudste.
De niet-rangschikking of de al dan niet batige rangschikking bij de overgangsproef wordt aan de kandidaat betekend door de voorzitter van het selectiecomité.
De kandidaat die niet ten minste de helft van de punten behaalt voor de beoordeling van zijn waarde, wordt evenwel niet gerangschikt.
Het selectiecomité weerhoudt de kandidaten met inachtneming van de opgestelde rangschikking en van het aantal beschikbare plaatsen per vakrichting, per taalstelsel en naargelang het geval per krijgsmachtdeel.
Indien twee kandidaten hetzelfde puntentotaal behalen, wordt voorrang gegeven :
1° aan de kandidaat met de hoogste graad;
2° bij gelijke graad, aan deze met de meeste anciënniteit in de graad;
3° bij gelijke graad en anciënniteit, aan diegene waarvan de kandidatuur het grootst aantal keren afgewezen werd;
4° bij gelijke graad, bij gelijke anciënniteit en bij hetzelfde aantal afwijzingen, aan de oudste.
De niet-rangschikking of de al dan niet batige rangschikking bij de overgangsproef wordt aan de kandidaat betekend door de voorzitter van het selectiecomité.
Art. 24. [1 Pour l'établissement du classement des volontaires BDL, le comité de sélection tient compte de la valeur du candidat, appréciée par le comité de sélection sur la base des avis émis en vertu de l'article 22 et du contenu de son dossier personnel, calculée sur 100 points, selon la procédure fixée dans un règlement arrêté par le ministre.]1
Toutefois, le candidat qui n'obtient pas au moins la moitié des points pour l'appréciation de sa valeur, n'est pas classé.
Le comité de sélection retient les candidats dans l'ordre du classement établi et à concurrence du nombre de places disponibles par filière de métier, par régime linguistique et, le cas échéant, par force.
Si deux candidats obtiennent le même total de points, il est donné priorité :
1° au candidat le plus gradé;
2° à grade égal, au plus ancien dans le grade;
3° à grade égal et à ancienneté égale, à celui dont la candidature a été refusée le nombre le plus élevé de fois;
4° à grade égal, à ancienneté égale et à nombre de refus égal, au plus âgé.
Le non-classement ou le classement en ordre utile ou non lors de l'épreuve de passage est notifié au candidat par le président du comité de sélection.
Toutefois, le candidat qui n'obtient pas au moins la moitié des points pour l'appréciation de sa valeur, n'est pas classé.
Le comité de sélection retient les candidats dans l'ordre du classement établi et à concurrence du nombre de places disponibles par filière de métier, par régime linguistique et, le cas échéant, par force.
Si deux candidats obtiennent le même total de points, il est donné priorité :
1° au candidat le plus gradé;
2° à grade égal, au plus ancien dans le grade;
3° à grade égal et à ancienneté égale, à celui dont la candidature a été refusée le nombre le plus élevé de fois;
4° à grade égal, à ancienneté égale et à nombre de refus égal, au plus âgé.
Le non-classement ou le classement en ordre utile ou non lors de l'épreuve de passage est notifié au candidat par le président du comité de sélection.
Wijzigingen
Art. 25. § 1. De bij de overgangsproef batig gerangschikte vrijwilliger BDL wordt met het oog op het volbrengen van een vorming met een duur van achttien maanden door [1 de DGHR]1 aanvaard als kandidaat-beroepsonderofficier van niveau C.
De aanvaarding door [1 de DGHR]1 wordt aan de kandidaat betekend door de DGHR of de overheid die hij aanwijst.
De vorming bedoeld in artikel 118, § 1, tweede lid, van de wet van 28 februari 2007, bestaat uit een gedeelte van de vormingscyclus van kandidaat-beroepsonderofficier van niveau C van de normale werving, bedoeld in artikel 16 van het koninklijk besluit van 7 november 2013. De concrete vorming wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De kandidaat-beroepsonderofficieren van niveau C volgen de vorming overeenkomstig de vakrichting waarvoor ze door [1 de DGHR]1 aanvaard werden.
§ 2. De kandidaat-beroepsonderofficier van niveau C die van de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie de toestemming krijgt om een herexamen af te leggen op het einde van zijn vorming moet dit herexamen afleggen op de datum vastgesteld, naargelang het geval, de schoolcommandant of de hoofdofficier verantwoordelijk voor de vorming van de kandidaat in het militair organisme waar de kandidaat zijn vorming volgt, zonder dat hem nog aanvullende cursussen worden gegeven. Hij kan de toestemming krijgen om de stage- of evaluatieperiode aan te vangen. Het herexamen moet worden afgelegd, ten vroegste, op de vijfde werkdag na de beslissing van de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie en, ten laatste, drie maanden na deze datum.
De kandidaat die door de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie als definitief mislukt wordt beschouwd, verliest van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-beroepsonderofficier van niveau C.
§ 3. Op het einde van de stageperiode en de evaluatieperiode maakt de korpscommandant, respectievelijk, een stageverslag en een evaluatieverslag op betreffende de geschiktheid van de kandidaat om de functies van beroepsonderofficier van niveau C uit te oefenen.
De kandidaat die door de evaluatiecommissie of de beroepsinstantie als definitief mislukt wordt beschouwd, verliest van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-beroepsonderofficier van niveau C.
De aanvaarding door [1 de DGHR]1 wordt aan de kandidaat betekend door de DGHR of de overheid die hij aanwijst.
De vorming bedoeld in artikel 118, § 1, tweede lid, van de wet van 28 februari 2007, bestaat uit een gedeelte van de vormingscyclus van kandidaat-beroepsonderofficier van niveau C van de normale werving, bedoeld in artikel 16 van het koninklijk besluit van 7 november 2013. De concrete vorming wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De kandidaat-beroepsonderofficieren van niveau C volgen de vorming overeenkomstig de vakrichting waarvoor ze door [1 de DGHR]1 aanvaard werden.
§ 2. De kandidaat-beroepsonderofficier van niveau C die van de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie de toestemming krijgt om een herexamen af te leggen op het einde van zijn vorming moet dit herexamen afleggen op de datum vastgesteld, naargelang het geval, de schoolcommandant of de hoofdofficier verantwoordelijk voor de vorming van de kandidaat in het militair organisme waar de kandidaat zijn vorming volgt, zonder dat hem nog aanvullende cursussen worden gegeven. Hij kan de toestemming krijgen om de stage- of evaluatieperiode aan te vangen. Het herexamen moet worden afgelegd, ten vroegste, op de vijfde werkdag na de beslissing van de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie en, ten laatste, drie maanden na deze datum.
De kandidaat die door de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie als definitief mislukt wordt beschouwd, verliest van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-beroepsonderofficier van niveau C.
§ 3. Op het einde van de stageperiode en de evaluatieperiode maakt de korpscommandant, respectievelijk, een stageverslag en een evaluatieverslag op betreffende de geschiktheid van de kandidaat om de functies van beroepsonderofficier van niveau C uit te oefenen.
De kandidaat die door de evaluatiecommissie of de beroepsinstantie als definitief mislukt wordt beschouwd, verliest van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-beroepsonderofficier van niveau C.
Art. 25. § 1er. Le volontaire BDL classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage est agréé en qualité de candidat sous-officier de carrière du niveau C par [1 le DGHR]1 en vue d'effectuer une formation d'une durée de dix-huit mois.
L'agrément par [1 le DGHR]1 est notifié au candidat par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne.
La formation visée à l'article 118, § 1er, alinéa 2, de la loi du 28 février 2007, consiste en une partie du cycle de formation de candidat sous-officier de carrière du niveau C du recrutement normal, visé à l'article 16 de l'arrêté royal du 7 novembre 2013. La formation concrète est fixée dans un règlement arrêté par le ministre.
Les candidats sous-officiers du niveau C suivent la formation correspondant à la filière de métier pour laquelle ils ont été agréés par [1 le DGHR]1.
§ 2. Le candidat sous-officier de carrière du niveau C autorisé par la commission de délibération ou l'instance d'appel à présenter un examen de repêchage à la fin de sa formation doit présenter cet examen à la date fixée par, selon le cas, le commandant de l'école ou l'officier supérieur responsable de la formation du candidat au sein de l'organisme militaire où le candidat suit sa formation, sans qu'il lui soit encore donné des cours complémentaires. Il peut obtenir l'autorisation de commencer la période de stage ou d'évaluation. L'examen de repêchage doit être présenté au plus tôt cinq jours ouvrables après la date de la décision de la commission de délibération ou de l'instance d'appel, et au plus tard trois mois après cette date.
Le candidat qui est considéré par la commission de délibération ou l'instance d'appel comme ayant échoué définitivement, perd de plein droit la qualité de candidat sous-officier de carrière du niveau C.
§ 3. A l'issue de la période de stage et de la période d'évaluation, le chef de corps établit, respectivement, un rapport de stage et un rapport d'évaluation portant sur l'aptitude du candidat à remplir les fonctions de sous-officier de carrière du niveau C.
Le candidat qui est considéré par la commission d'évaluation ou l'instance d'appel comme ayant échoué définitivement, perd de plein droit la qualité de candidat sous-officier de carrière du niveau C.
L'agrément par [1 le DGHR]1 est notifié au candidat par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne.
La formation visée à l'article 118, § 1er, alinéa 2, de la loi du 28 février 2007, consiste en une partie du cycle de formation de candidat sous-officier de carrière du niveau C du recrutement normal, visé à l'article 16 de l'arrêté royal du 7 novembre 2013. La formation concrète est fixée dans un règlement arrêté par le ministre.
Les candidats sous-officiers du niveau C suivent la formation correspondant à la filière de métier pour laquelle ils ont été agréés par [1 le DGHR]1.
§ 2. Le candidat sous-officier de carrière du niveau C autorisé par la commission de délibération ou l'instance d'appel à présenter un examen de repêchage à la fin de sa formation doit présenter cet examen à la date fixée par, selon le cas, le commandant de l'école ou l'officier supérieur responsable de la formation du candidat au sein de l'organisme militaire où le candidat suit sa formation, sans qu'il lui soit encore donné des cours complémentaires. Il peut obtenir l'autorisation de commencer la période de stage ou d'évaluation. L'examen de repêchage doit être présenté au plus tôt cinq jours ouvrables après la date de la décision de la commission de délibération ou de l'instance d'appel, et au plus tard trois mois après cette date.
Le candidat qui est considéré par la commission de délibération ou l'instance d'appel comme ayant échoué définitivement, perd de plein droit la qualité de candidat sous-officier de carrière du niveau C.
§ 3. A l'issue de la période de stage et de la période d'évaluation, le chef de corps établit, respectivement, un rapport de stage et un rapport d'évaluation portant sur l'aptitude du candidat à remplir les fonctions de sous-officier de carrière du niveau C.
Le candidat qui est considéré par la commission d'évaluation ou l'instance d'appel comme ayant échoué définitivement, perd de plein droit la qualité de candidat sous-officier de carrière du niveau C.
Wijzigingen
Art. 26. § 1. De vrijwilliger BDL die als kandidaat-beroepsonderofficier van niveau C werd aanvaard, wordt door de overheid met de rang van korpscommandant onder wiens bevelen hij zich bevindt in de graad van sergeant aangesteld op de eerste dag van de zesde maand volgend op de maand van zijn aanvaarding door [1 de DGHR]1.
§ 2. De kandidaat-beroepsonderofficier van niveau C wordt door de minister in de graad van sergeant benoemd op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij zijn cyclus basisvorming met goed gevolg heeft beëindigd. De benoeming heeft met terugwerkende kracht uitwerking op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij in deze graad werd aangesteld.
Hij wordt gerangschikt na de onderofficieren BDL van niveau C die, in het kader van een overgang naar de personeelscategorie van de beroepsonderofficieren van niveau C, op dezelfde datum tot sergeant werden benoemd.
§ 2. De kandidaat-beroepsonderofficier van niveau C wordt door de minister in de graad van sergeant benoemd op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij zijn cyclus basisvorming met goed gevolg heeft beëindigd. De benoeming heeft met terugwerkende kracht uitwerking op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij in deze graad werd aangesteld.
Hij wordt gerangschikt na de onderofficieren BDL van niveau C die, in het kader van een overgang naar de personeelscategorie van de beroepsonderofficieren van niveau C, op dezelfde datum tot sergeant werden benoemd.
Art. 26. § 1er. Le volontaire BDL agréé comme candidat sous-officier de carrière du niveau C est commissionné au grade de sergent par l'autorité du rang de chef de corps sous les ordres de laquelle il se trouve le premier jour du sixième mois suivant le mois de son agrément par [1 le DGHR]1.
§ 2. Le candidat sous-officier de carrière du niveau C est nommé par le ministre au grade de sergent le vingt-sixième jour du dernier mois du trimestre au cours duquel il a terminé son cycle de formation de base avec succès. La nomination prend lieu avec effet rétroactif au vingt-sixième jour du dernier mois du trimestre au cours duquel il a été commissionné dans ce grade.
Il est classé après les sous-officiers BDL du niveau C qui, dans le cadre d'un passage vers la catégorie de personnel des sous-officiers de carrière du niveau C, ont été nommés sergent à la même date.
§ 2. Le candidat sous-officier de carrière du niveau C est nommé par le ministre au grade de sergent le vingt-sixième jour du dernier mois du trimestre au cours duquel il a terminé son cycle de formation de base avec succès. La nomination prend lieu avec effet rétroactif au vingt-sixième jour du dernier mois du trimestre au cours duquel il a été commissionné dans ce grade.
Il est classé après les sous-officiers BDL du niveau C qui, dans le cadre d'un passage vers la catégorie de personnel des sous-officiers de carrière du niveau C, ont été nommés sergent à la même date.
Wijzigingen
Art. 27. § 1. De relatieve anciënniteit van diegenen die op dezelfde datum worden benoemd en aan dezelfde vormingscyclus hebben deelgenomen, wordt bepaald door de rangschikking die op het einde van de opleiding wordt opgemaakt op grond van de einduitslag.
De kandidaten die dezelfde einduitslag bekomen worden gerangschikt volgens afdalende orde van de dienstanciënniteit en in geval van ex-aequo wordt voorrang gegeven aan de oudste.
In geval van slagen na herkansing, komt enkel de einduitslag behaald bij de eerste poging in aanmerking voor het opstellen van de rangschikking.
§ 2. De relatieve anciënniteit van diegenen die op dezelfde datum worden benoemd en die niet aan dezelfde vormingscyclus hebben deelgenomen, is bepaald door een enige rangschikking die wordt opgemaakt op basis van de verschillende rangschikkingen opgesteld in overeenstemming met de bepalingen van § 1 en waarin de onderofficieren die verschillende vormingscyclussen hebben gevolgd in verhouding tot hun aantal om beurten zijn opgenomen.
De zo opgemaakte enige rangschikking mag echter niet tot gevolg hebben dat een onderofficier wordt gerangschikt vóór een andere onderofficier wiens einduitslag meer dan tien procent van het totaal der punten hoger is dan het zijne.
De kandidaten die dezelfde einduitslag bekomen worden gerangschikt volgens afdalende orde van de dienstanciënniteit en in geval van ex-aequo wordt voorrang gegeven aan de oudste.
In geval van slagen na herkansing, komt enkel de einduitslag behaald bij de eerste poging in aanmerking voor het opstellen van de rangschikking.
§ 2. De relatieve anciënniteit van diegenen die op dezelfde datum worden benoemd en die niet aan dezelfde vormingscyclus hebben deelgenomen, is bepaald door een enige rangschikking die wordt opgemaakt op basis van de verschillende rangschikkingen opgesteld in overeenstemming met de bepalingen van § 1 en waarin de onderofficieren die verschillende vormingscyclussen hebben gevolgd in verhouding tot hun aantal om beurten zijn opgenomen.
De zo opgemaakte enige rangschikking mag echter niet tot gevolg hebben dat een onderofficier wordt gerangschikt vóór een andere onderofficier wiens einduitslag meer dan tien procent van het totaal der punten hoger is dan het zijne.
Art. 27. § 1er. L'ancienneté relative de ceux qui sont nommés à la même date et qui ont participé au même cycle de formation est déterminée par le classement établi à la fin de l'instruction sur la base du résultat final.
Les candidats qui obtiennent la même note finale sont classés dans l'ordre décroissant de leur ancienneté de service et en cas d'ex-aequo, priorité est donnée au plus âgé.
En cas de réussite après repêchage, seul le résultat final obtenu au premier essai intervient pour l'établissement du classement.
§ 2. L'ancienneté relative de ceux qui sont nommés à la même date et qui n'ont pas participé au même cycle de formation est déterminée par un classement unique établi sur la base des différents classements établis conformément au § 1er et dans lequel les sous-officiers qui ont suivi des cycles de formations différents alternent proportionnellement à leur nombre.
Le classement unique ainsi établi ne peut toutefois avoir pour effet de classer un sous-officier avant un autre sous-officier dont le résultat final est supérieur au sien de plus de dix pour cent du total des points.
Les candidats qui obtiennent la même note finale sont classés dans l'ordre décroissant de leur ancienneté de service et en cas d'ex-aequo, priorité est donnée au plus âgé.
En cas de réussite après repêchage, seul le résultat final obtenu au premier essai intervient pour l'établissement du classement.
§ 2. L'ancienneté relative de ceux qui sont nommés à la même date et qui n'ont pas participé au même cycle de formation est déterminée par un classement unique établi sur la base des différents classements établis conformément au § 1er et dans lequel les sous-officiers qui ont suivi des cycles de formations différents alternent proportionnellement à leur nombre.
Le classement unique ainsi établi ne peut toutefois avoir pour effet de classer un sous-officier avant un autre sous-officier dont le résultat final est supérieur au sien de plus de dix pour cent du total des points.
Afdeling 2. - De promotie op diploma van de vrijwilliger BDL naar beroepsonderofficier van niveau B
Section 2. - De la promotion sur diplôme du volontaire BDL vers sous-officier de carrière du niveau B
Art. 28. Met het oog op zijn promotie op diploma kan de vrijwilliger BDL aanvaard worden als kandidaat-beroepsonderofficier van niveau B door [1 de DGHR]1 wanneer hij aan de volgende voorwaarden voldoet [4 vóór de afsluitingsdatum van de inschrijvingen]4:
1° [3 ...]3
2° geslaagd zijn voor de militaire tests van lichamelijke geschiktheid, volgens de criteria bepaald door de minister;
3° voor de vrijwilliger die voor een functie bij de marine solliciteert, medisch geschikt zijn voor dienst op zee;
4° houder zijn van een bachelor of van een gelijkwaardig diploma of getuigschrift vóór de afsluitingsdatum van de inschrijvingen voor de promotie op diploma;
5° geslaagd zijn voor het examen bedoeld in artikel 8, § 1, van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger of van dit examen vrijgesteld zijn volgens de bepalingen van artikel 8, § 2, van dezelfde wet;
6° niet afgewezen worden, door de DGHR of de overheid die hij aanwijst;
7° batig gerangschikt worden bij de overgangsproef, bedoeld in artikel 19, derde lid, 3°, van de wet, binnen de grenzen van het aantal opengestelde plaatsen.
Overeenkomstig het eerste lid, 6°, kan de DGHR, of de autoriteit die hij aanwijst, een kandidatuur afwijzen op basis van het persoonlijk dossier van de betrokken militair. Het geheel van de beoordelingselementen die in beschouwing kunnen worden genomen wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
[2 De overgangsproef bedoeld in het eerste lid, 7°, omvat de beoordeling van de waarde van de kandidaat door het selectiecomité bedoeld in artikel 20 en, naargelang het geval, psychotechnische proeven.]2
1° [3 ...]3
2° geslaagd zijn voor de militaire tests van lichamelijke geschiktheid, volgens de criteria bepaald door de minister;
3° voor de vrijwilliger die voor een functie bij de marine solliciteert, medisch geschikt zijn voor dienst op zee;
4° houder zijn van een bachelor of van een gelijkwaardig diploma of getuigschrift vóór de afsluitingsdatum van de inschrijvingen voor de promotie op diploma;
5° geslaagd zijn voor het examen bedoeld in artikel 8, § 1, van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger of van dit examen vrijgesteld zijn volgens de bepalingen van artikel 8, § 2, van dezelfde wet;
6° niet afgewezen worden, door de DGHR of de overheid die hij aanwijst;
7° batig gerangschikt worden bij de overgangsproef, bedoeld in artikel 19, derde lid, 3°, van de wet, binnen de grenzen van het aantal opengestelde plaatsen.
Overeenkomstig het eerste lid, 6°, kan de DGHR, of de autoriteit die hij aanwijst, een kandidatuur afwijzen op basis van het persoonlijk dossier van de betrokken militair. Het geheel van de beoordelingselementen die in beschouwing kunnen worden genomen wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
[2 De overgangsproef bedoeld in het eerste lid, 7°, omvat de beoordeling van de waarde van de kandidaat door het selectiecomité bedoeld in artikel 20 en, naargelang het geval, psychotechnische proeven.]2
Art. 28. En vue de sa promotion sur diplôme, le volontaire BDL peut être agréé, par [1 le DGHR]1, comme candidat sous-officier de carrière du niveau B s'il satisfait aux conditions suivantes [4 avant la date de clôture des inscriptions]4:
1° [3 ...]3
2° avoir réussi les tests militaires d'aptitude physique, selon les critères fixés par le ministre;
3° pour le volontaire qui postule pour une fonction à la marine, être médicalement apte au service en mer;
4° être titulaire d'un bachelier ou d'un diplôme ou certificat équivalent avant la date de clôture des inscriptions pour la promotion sur diplôme;
5° avoir réussi l'examen visé à l'article 8, § 1er, de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée ou être exempté de cet examen selon les dispositions de l'article 8, § 2, de la même loi;
6° ne pas être refusé, par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne;
7° être classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage, visée à l'article 19, alinéa 3, 3°, de la loi, dans les limites du nombre de places ouvertes.
Le DGHR, ou l'autorité qu'il désigne, peut refuser une candidature conformément à l'alinéa 1er, 6°, sur la base du dossier personnel du militaire concerné. L'ensemble des éléments d'appréciation qui peuvent être pris en considération est fixé dans un règlement arrêté par le ministre.
[2 L'épreuve de passage visée à l'alinéa 1er, 7°, comprend l'appréciation de la valeur du candidat par le comité de sélection visé à l'article 20 et, selon le cas, des épreuves psychotechniques.]2
1° [3 ...]3
2° avoir réussi les tests militaires d'aptitude physique, selon les critères fixés par le ministre;
3° pour le volontaire qui postule pour une fonction à la marine, être médicalement apte au service en mer;
4° être titulaire d'un bachelier ou d'un diplôme ou certificat équivalent avant la date de clôture des inscriptions pour la promotion sur diplôme;
5° avoir réussi l'examen visé à l'article 8, § 1er, de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée ou être exempté de cet examen selon les dispositions de l'article 8, § 2, de la même loi;
6° ne pas être refusé, par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne;
7° être classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage, visée à l'article 19, alinéa 3, 3°, de la loi, dans les limites du nombre de places ouvertes.
Le DGHR, ou l'autorité qu'il désigne, peut refuser une candidature conformément à l'alinéa 1er, 6°, sur la base du dossier personnel du militaire concerné. L'ensemble des éléments d'appréciation qui peuvent être pris en considération est fixé dans un règlement arrêté par le ministre.
[2 L'épreuve de passage visée à l'alinéa 1er, 7°, comprend l'appréciation de la valeur du candidat par le comité de sélection visé à l'article 20 et, selon le cas, des épreuves psychotechniques.]2
Art. 29. De [1 eenheidscommandant]1 brengt een advies uit over de wijze van dienen en de geschiktheid om dienst te doen in de categorie van de beroepsonderofficieren van niveau B van de vrijwilliger BDL die zich kandidaat stelt en aan de voorwaarden bedoeld in artikel 28, eerste lid, 1° tot 5°, voldoet.
Het advies wordt uitgedrukt door de beoordeling "Gunstig" of "Ongunstig". De beoordeling "Gunstig" wordt aangevuld met één der volgende vermeldingen : uitstekend, zeer goed, goed, tamelijk goed.
Elk advies moet met redenen omkleed zijn en aan de betrokkene worden betekend. Deze kan binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving een verweerschrift indienen bij de [1 eenheidscommandant]1 tegen de beoordeling of de vermelding bedoeld in het tweede lid. Naar aanleiding van het verweerschrift kan deze laatste zijn advies of de eraan verbonden vermelding wijzigen. De [1 eenheidscommandant]1 stelt betrokken militair in kennis indien hij desbetreffende beoordeling of vermelding wijzigt of bevestigt.
Het advies wordt aan de DGHR overgemaakt, langs de onmiddellijk hogere hiërarchische overheid. Elke beoordeling in ongunstige zin uitgebracht door deze overheid wordt aan de betrokkene betekend vooraleer ze wordt toegezonden aan de DGHR, eventueel vergezeld van een verweerschrift ingediend binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving.
De DGHR of de overheid die hij aanwijst, aanvaardt of verwerpt de kandidatuur. De beslissing wordt aan de betrokkene betekend.
Het advies wordt uitgedrukt door de beoordeling "Gunstig" of "Ongunstig". De beoordeling "Gunstig" wordt aangevuld met één der volgende vermeldingen : uitstekend, zeer goed, goed, tamelijk goed.
Elk advies moet met redenen omkleed zijn en aan de betrokkene worden betekend. Deze kan binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving een verweerschrift indienen bij de [1 eenheidscommandant]1 tegen de beoordeling of de vermelding bedoeld in het tweede lid. Naar aanleiding van het verweerschrift kan deze laatste zijn advies of de eraan verbonden vermelding wijzigen. De [1 eenheidscommandant]1 stelt betrokken militair in kennis indien hij desbetreffende beoordeling of vermelding wijzigt of bevestigt.
Het advies wordt aan de DGHR overgemaakt, langs de onmiddellijk hogere hiërarchische overheid. Elke beoordeling in ongunstige zin uitgebracht door deze overheid wordt aan de betrokkene betekend vooraleer ze wordt toegezonden aan de DGHR, eventueel vergezeld van een verweerschrift ingediend binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving.
De DGHR of de overheid die hij aanwijst, aanvaardt of verwerpt de kandidatuur. De beslissing wordt aan de betrokkene betekend.
Art. 29. Le [1 commandant d'unité]1 émet un avis quant à la manière de servir et à l'aptitude à servir dans la catégorie des sous-officiers de carrière du niveau B du volontaire BDL qui pose sa candidature et qui satisfait aux conditions visées à l'article 28, alinéa 1er, 1° à 5°.
L'avis est exprimé par l'appréciation "Favorable" ou "Défavorable". L'appréciation "Favorable" est complétée par une des mentions suivantes : excellent, très bon, bon, assez bon.
Tout avis doit être motivé et notifié à l'intéressé. Dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification, celui-ci peut introduire un mémoire auprès du [1 commandant d'unité]1 contre une appréciation ou mention visée à l'alinéa 2. A la suite du mémoire, ce dernier peut modifier son avis ou la mention y relative. Le [1 commandant d'unité]1 notifie au militaire concerné s'il modifie ou confirme l'appréciation ou la mention concernée.
L'avis est transmis au DGHR par la voie de l'autorité hiérarchique immédiatement supérieure. Toute appréciation dans un sens défavorable émise par cette autorité est notifiée à l'intéressé avant d'être transmise au DGHR, éventuellement accompagnée d'un mémoire introduit dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification.
Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne, agrée ou rejette la candidature. La décision est notifiée à l'intéressé.
L'avis est exprimé par l'appréciation "Favorable" ou "Défavorable". L'appréciation "Favorable" est complétée par une des mentions suivantes : excellent, très bon, bon, assez bon.
Tout avis doit être motivé et notifié à l'intéressé. Dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification, celui-ci peut introduire un mémoire auprès du [1 commandant d'unité]1 contre une appréciation ou mention visée à l'alinéa 2. A la suite du mémoire, ce dernier peut modifier son avis ou la mention y relative. Le [1 commandant d'unité]1 notifie au militaire concerné s'il modifie ou confirme l'appréciation ou la mention concernée.
L'avis est transmis au DGHR par la voie de l'autorité hiérarchique immédiatement supérieure. Toute appréciation dans un sens défavorable émise par cette autorité est notifiée à l'intéressé avant d'être transmise au DGHR, éventuellement accompagnée d'un mémoire introduit dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification.
Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne, agrée ou rejette la candidature. La décision est notifiée à l'intéressé.
Wijzigingen
Art. 30. [1 Naargelang het geval, legt de vrijwilliger BDL psychotechnische proeven af.]1 Deze proeven hebben tot doel te beoordelen of de betrokkene de vereiste karakteriële hoedanigheden en het vereiste intellectueel potentieel bezit.
[1 De vrijwilliger BDL die een cijfer heeft behaald dat lager is dan de uitsluitingsdrempel bedoeld in artikel 26, § 4, van het voornoemde koninklijk besluit van 11 september 2003, wordt evenwel niet gerangschikt.]1
De nadere uitvoeringsregels betreffende de psychotechnische proeven worden bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
[1 De vrijwilliger BDL die een cijfer heeft behaald dat lager is dan de uitsluitingsdrempel bedoeld in artikel 26, § 4, van het voornoemde koninklijk besluit van 11 september 2003, wordt evenwel niet gerangschikt.]1
De nadere uitvoeringsregels betreffende de psychotechnische proeven worden bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
Art. 30. [1 Selon le cas, le volontaire BDL présente des épreuves psychotechniques.]1 Ces épreuves ont pour but d'apprécier si l'intéressé possède les qualités caractérielles et le potentiel intellectuel exigés.
[1 Toutefois, le volontaire BDL qui a obtenu une note inférieure au seuil d'exclusion visé à l'article 26, § 4, de l'arrêté royal du 11 septembre 2003 précité, n'est pas classé.]1
Les modalités d'exécution relatives aux épreuves psychotechniques sont fixées dans un règlement arrêté par le ministre.
[1 Toutefois, le volontaire BDL qui a obtenu une note inférieure au seuil d'exclusion visé à l'article 26, § 4, de l'arrêté royal du 11 septembre 2003 précité, n'est pas classé.]1
Les modalités d'exécution relatives aux épreuves psychotechniques sont fixées dans un règlement arrêté par le ministre.
Wijzigingen
Art. 31. [1 Voor het opmaken van de rangschikking van de vrijwilligers BDL houdt het selectiecomité rekening met de waarde van de kandidaat, beoordeeld door het selectiecomité op grond van de krachtens artikel 29 uitgebrachte adviezen en van de inhoud van zijn persoonlijk dossier, berekend op 100 punten, overeenkomstig de procedure bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.]1
De kandidaat die niet ten minste de helft van de punten behaalt voor de beoordeling van zijn waarde, wordt evenwel niet gerangschikt.
Het selectiecomité weerhoudt de kandidaten met inachtneming van de opgestelde rangschikking en van het aantal beschikbare plaatsen per vakrichting, per taalstelsel en, naargelang het geval, per krijgsmachtdeel.
Indien twee kandidaten hetzelfde puntentotaal behalen, wordt voorrang gegeven :
1° aan de kandidaat met de hoogste graad;
2° bij gelijke graad, aan deze met de meeste anciënniteit in de graad;
3° bij gelijke graad en anciënniteit, aan diegene waarvan de kandidatuur het grootst aantal keren afgewezen werd;
4° bij gelijke graad, bij gelijke anciënniteit en bij hetzelfde aantal afwijzingen, aan de oudste.
De niet-rangschikking of de al dan niet batige rangschikking bij de overgangsproef wordt aan de kandidaat betekend door de voorzitter van het selectiecomité.
De kandidaat die niet ten minste de helft van de punten behaalt voor de beoordeling van zijn waarde, wordt evenwel niet gerangschikt.
Het selectiecomité weerhoudt de kandidaten met inachtneming van de opgestelde rangschikking en van het aantal beschikbare plaatsen per vakrichting, per taalstelsel en, naargelang het geval, per krijgsmachtdeel.
Indien twee kandidaten hetzelfde puntentotaal behalen, wordt voorrang gegeven :
1° aan de kandidaat met de hoogste graad;
2° bij gelijke graad, aan deze met de meeste anciënniteit in de graad;
3° bij gelijke graad en anciënniteit, aan diegene waarvan de kandidatuur het grootst aantal keren afgewezen werd;
4° bij gelijke graad, bij gelijke anciënniteit en bij hetzelfde aantal afwijzingen, aan de oudste.
De niet-rangschikking of de al dan niet batige rangschikking bij de overgangsproef wordt aan de kandidaat betekend door de voorzitter van het selectiecomité.
Art. 31. [1 Pour l'établissement du classement des volontaires BDL, le comité de sélection tient compte de la valeur du candidat, appréciée par le comité de sélection sur la base des avis émis en vertu de l'article 29 et du contenu de son dossier personnel, calculée sur 100 points, selon la procédure fixée dans un règlement arrêté par le ministre.]1
Toutefois, le candidat qui n'obtient pas au moins la moitié des points pour l'appréciation de sa valeur, n'est pas classé.
Le comité de sélection retient les candidats dans l'ordre de classement établi et à concurrence du nombre de places disponibles par filière de métier, par régime linguistique et, le cas échéant, par force.
Si deux candidats obtiennent le même total de points, il est donné priorité :
1° au candidat le plus gradé;
2° à grade égal, au plus ancien dans le grade;
3° à grade égal et à ancienneté égale, à celui dont la candidature a été refusée le nombre le plus élevé de fois;
4° à grade égal, à ancienneté égale et à nombre de refus égal, au plus âgé.
Le non-classement ou le classement en ordre utile ou non lors de l'épreuve de passage est notifié au candidat par le président du comité de sélection.
Toutefois, le candidat qui n'obtient pas au moins la moitié des points pour l'appréciation de sa valeur, n'est pas classé.
Le comité de sélection retient les candidats dans l'ordre de classement établi et à concurrence du nombre de places disponibles par filière de métier, par régime linguistique et, le cas échéant, par force.
Si deux candidats obtiennent le même total de points, il est donné priorité :
1° au candidat le plus gradé;
2° à grade égal, au plus ancien dans le grade;
3° à grade égal et à ancienneté égale, à celui dont la candidature a été refusée le nombre le plus élevé de fois;
4° à grade égal, à ancienneté égale et à nombre de refus égal, au plus âgé.
Le non-classement ou le classement en ordre utile ou non lors de l'épreuve de passage est notifié au candidat par le président du comité de sélection.
Wijzigingen
Art. 32. § 1. De bij de overgangsproef batig gerangschikte vrijwilliger BDL wordt met het oog op het volbrengen van een vorming met een duur van achttien maanden door [1 de DGHR]1 aanvaard als kandidaat-beroepsonderofficier van niveau B.
De aanvaarding door [1 de DGHR]1 wordt aan de kandidaat betekend door de DGHR of de overheid die hij aanwijst.
De vorming bedoeld in artikel 119/2, § 1, van de wet van 28 februari 2007, bestaat uit een gedeelte van de vormingscyclus van kandidaat-beroepsonderofficier van niveau B van de bijzondere werving, bedoeld in artikel 16 van het koninklijk besluit van 7 november 2013. De concrete vorming wordt vastgelegd in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De kandidaat-beroepsonderofficieren van niveau B volgen de vorming overeenkomstig de vakrichting waarvoor ze door [1 de DGHR]1 werden aanvaard.
§ 2. De kandidaat die van de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie de toestemming krijgt om een herexamen af te leggen op het einde van zijn vorming moet dit herexamen afleggen op de datum vastgesteld, naargelang het geval, de schoolcommandant of de hoofdofficier verantwoordelijk voor de vorming van de kandidaat in het militair organisme waar de kandidaat zijn vorming volgt, zonder dat hem nog aanvullende cursussen worden gegeven. Hij kan de toestemming krijgen om de stage- of evaluatieperiode aan te vangen. Het herexamen moet worden afgelegd, ten vroegste, op de vijfde werkdag na de beslissing van de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie en, ten laatste, drie maanden na deze datum.
De kandidaat die door de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie als definitief mislukt wordt beschouwd, verliest van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-beroepsonderofficier van niveau B.
§ 3. Op het einde van de stageperiode en de evaluatieperiode maakt de korpscommandant, respectievelijk, een stageverslag en een evaluatieverslag op betreffende de geschiktheid van de kandidaat om de functies van beroepsonderofficier van niveau B uit te oefenen.
De kandidaat die door de evaluatiecommissie of de beroepsinstantie als definitief mislukt wordt beschouwd, verliest van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-beroepsonderofficier van niveau B.
De aanvaarding door [1 de DGHR]1 wordt aan de kandidaat betekend door de DGHR of de overheid die hij aanwijst.
De vorming bedoeld in artikel 119/2, § 1, van de wet van 28 februari 2007, bestaat uit een gedeelte van de vormingscyclus van kandidaat-beroepsonderofficier van niveau B van de bijzondere werving, bedoeld in artikel 16 van het koninklijk besluit van 7 november 2013. De concrete vorming wordt vastgelegd in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De kandidaat-beroepsonderofficieren van niveau B volgen de vorming overeenkomstig de vakrichting waarvoor ze door [1 de DGHR]1 werden aanvaard.
§ 2. De kandidaat die van de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie de toestemming krijgt om een herexamen af te leggen op het einde van zijn vorming moet dit herexamen afleggen op de datum vastgesteld, naargelang het geval, de schoolcommandant of de hoofdofficier verantwoordelijk voor de vorming van de kandidaat in het militair organisme waar de kandidaat zijn vorming volgt, zonder dat hem nog aanvullende cursussen worden gegeven. Hij kan de toestemming krijgen om de stage- of evaluatieperiode aan te vangen. Het herexamen moet worden afgelegd, ten vroegste, op de vijfde werkdag na de beslissing van de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie en, ten laatste, drie maanden na deze datum.
De kandidaat die door de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie als definitief mislukt wordt beschouwd, verliest van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-beroepsonderofficier van niveau B.
§ 3. Op het einde van de stageperiode en de evaluatieperiode maakt de korpscommandant, respectievelijk, een stageverslag en een evaluatieverslag op betreffende de geschiktheid van de kandidaat om de functies van beroepsonderofficier van niveau B uit te oefenen.
De kandidaat die door de evaluatiecommissie of de beroepsinstantie als definitief mislukt wordt beschouwd, verliest van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-beroepsonderofficier van niveau B.
Art. 32. § 1er. Le volontaire BDL classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage est agréé par [1 le DGHR]1 comme candidat sous-officier de carrière du niveau B, en vue d'effectuer une formation d'une durée de dix-huit mois.
L'agrément par [1 le DGHR]1 est notifié au candidat par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne.
La formation visée à l'article 119/2, § 1er, de la loi du 28 février 2007, consiste en une partie du cycle de formation de candidat sous-officier de carrière du niveau B du recrutement spécial, visé à l'article 16 de l'arrêté royal du 7 novembre 2013. La formation concrète est fixée dans un règlement arrêté par le ministre.
Les candidats sous-officiers de carrière du niveau B suivent la formation correspondant à la filière de métier pour laquelle ils ont été agréés par [1 le DGHR]1.
§ 2. Le candidat autorisé par la commission de délibération ou l'instance d'appel à présenter un examen de repêchage à la fin de sa formation doit présenter cet examen à la date fixée par, selon le cas, le commandant de l'école ou l'officier supérieur responsable de la formation du candidat au sein de l'organisme militaire où le candidat suit sa formation, sans qu'il lui soit encore donné des cours complémentaires. Il peut obtenir l'autorisation de commencer la période de stage ou d'évaluation. L'examen de repêchage doit être présenté au plus tôt cinq jours ouvrables après la date de la décision de la commission de délibération ou de l'instance d'appel, et au plus tard trois mois après cette date.
Le candidat qui est considéré par la commission de délibération ou l'instance d'appel comme ayant échoué définitivement, perd de plein droit la qualité de candidat sous-officier de carrière du niveau B.
§ 3. A l'issue de la période de stage et de la période d'évaluation, le chef de corps établit, respectivement, un rapport de stage et un rapport d'évaluation portant sur l'aptitude du candidat à remplir les fonctions de sous-officier de carrière du niveau B.
Le candidat qui est considéré par la commission d'évaluation ou l'instance d'appel comme ayant échoué définitivement, perd de plein droit la qualité de candidat sous-officier de carrière du niveau B.
L'agrément par [1 le DGHR]1 est notifié au candidat par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne.
La formation visée à l'article 119/2, § 1er, de la loi du 28 février 2007, consiste en une partie du cycle de formation de candidat sous-officier de carrière du niveau B du recrutement spécial, visé à l'article 16 de l'arrêté royal du 7 novembre 2013. La formation concrète est fixée dans un règlement arrêté par le ministre.
Les candidats sous-officiers de carrière du niveau B suivent la formation correspondant à la filière de métier pour laquelle ils ont été agréés par [1 le DGHR]1.
§ 2. Le candidat autorisé par la commission de délibération ou l'instance d'appel à présenter un examen de repêchage à la fin de sa formation doit présenter cet examen à la date fixée par, selon le cas, le commandant de l'école ou l'officier supérieur responsable de la formation du candidat au sein de l'organisme militaire où le candidat suit sa formation, sans qu'il lui soit encore donné des cours complémentaires. Il peut obtenir l'autorisation de commencer la période de stage ou d'évaluation. L'examen de repêchage doit être présenté au plus tôt cinq jours ouvrables après la date de la décision de la commission de délibération ou de l'instance d'appel, et au plus tard trois mois après cette date.
Le candidat qui est considéré par la commission de délibération ou l'instance d'appel comme ayant échoué définitivement, perd de plein droit la qualité de candidat sous-officier de carrière du niveau B.
§ 3. A l'issue de la période de stage et de la période d'évaluation, le chef de corps établit, respectivement, un rapport de stage et un rapport d'évaluation portant sur l'aptitude du candidat à remplir les fonctions de sous-officier de carrière du niveau B.
Le candidat qui est considéré par la commission d'évaluation ou l'instance d'appel comme ayant échoué définitivement, perd de plein droit la qualité de candidat sous-officier de carrière du niveau B.
Wijzigingen
Art. 33. De vrijwilliger BDL, die als kandidaat-beroepsonderofficier van niveau B werd aanvaard, wordt door de overheid met de rang van korpscommandant onder wiens bevelen hij zich bevindt in de graad van sergeant aangesteld op de eerste dag van de zesde maand volgend op de maand van zijn aanvaarding door [1 de DGHR]1.
Art. 33. Le volontaire BDL, agréé comme candidat sous-officier de carrière du niveau B, est commissionné au grade de sergent par l'autorité du rang de chef de corps sous les ordres de laquelle il se trouve le premier jour du sixième mois qui suit le mois de son agrément par [1 le DGHR]1.
Wijzigingen
Art. 34. § 1. De kandidaat-beroepsonderofficier van niveau B wordt door de minister in de graad van eerste sergeant-majoor benoemd op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij de evaluatieperiode met goed gevolg heeft beëindigd.
§ 2. Hij wordt gerangschikt na de onderofficieren BDL van niveau C die, in het kader van een promotie op diploma naar de personeelscategorie van de beroepsonderofficieren van niveau B, op dezelfde datum tot eerste sergeant-majoor werden benoemd.
§ 2. Hij wordt gerangschikt na de onderofficieren BDL van niveau C die, in het kader van een promotie op diploma naar de personeelscategorie van de beroepsonderofficieren van niveau B, op dezelfde datum tot eerste sergeant-majoor werden benoemd.
Art. 34. § 1er. Le candidat sous-officier de carrière du niveau B est nommé par le ministre au grade de premier sergent-major le vingt-sixième jour du dernier mois du trimestre au cours duquel il a terminé avec succès la période d'évaluation.
§ 2. Il est classé après les sous-officiers BDL du niveau C qui, dans le cadre d'une promotion sur diplôme vers la catégorie de personnel des sous-officiers de carrière du niveau B, ont été nommés premier sergent-major à la même date.
§ 2. Il est classé après les sous-officiers BDL du niveau C qui, dans le cadre d'une promotion sur diplôme vers la catégorie de personnel des sous-officiers de carrière du niveau B, ont été nommés premier sergent-major à la même date.
Art. 35. § 1. De relatieve anciënniteit van diegenen die op dezelfde datum worden benoemd en aan dezelfde vormingscyclus hebben deelgenomen, wordt bepaald door de rangschikking die op het einde van de opleiding wordt opgemaakt op grond van de einduitslag.
De kandidaten die dezelfde einduitslag bekomen worden gerangschikt volgens afdalende orde van de dienstanciënniteit en in geval van ex-aequo wordt voorrang gegeven aan de oudste.
In geval van slagen na herkansing, komt enkel de einduitslag behaald bij de eerste poging in aanmerking voor het opstellen van de rangschikking.
§ 2. De relatieve anciënniteit van diegenen die op dezelfde datum worden benoemd en die niet aan dezelfde vormingscyclus hebben deelgenomen, is bepaald door een enige rangschikking die wordt opgemaakt op basis van de verschillende rangschikkingen opgesteld overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 1 en waarin de onderofficieren die verschillende vormingscyclussen hebben gevolgd in verhouding tot hun aantal om beurten zijn opgenomen.
De zo opgemaakte enige rangschikking mag evenwel niet tot gevolg hebben dat een onderofficier wordt gerangschikt vóór een andere onderofficier wiens einduitslag meer dan tien procent van het totaal der punten hoger is dan het zijne.
De kandidaten die dezelfde einduitslag bekomen worden gerangschikt volgens afdalende orde van de dienstanciënniteit en in geval van ex-aequo wordt voorrang gegeven aan de oudste.
In geval van slagen na herkansing, komt enkel de einduitslag behaald bij de eerste poging in aanmerking voor het opstellen van de rangschikking.
§ 2. De relatieve anciënniteit van diegenen die op dezelfde datum worden benoemd en die niet aan dezelfde vormingscyclus hebben deelgenomen, is bepaald door een enige rangschikking die wordt opgemaakt op basis van de verschillende rangschikkingen opgesteld overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 1 en waarin de onderofficieren die verschillende vormingscyclussen hebben gevolgd in verhouding tot hun aantal om beurten zijn opgenomen.
De zo opgemaakte enige rangschikking mag evenwel niet tot gevolg hebben dat een onderofficier wordt gerangschikt vóór een andere onderofficier wiens einduitslag meer dan tien procent van het totaal der punten hoger is dan het zijne.
Art. 35. § 1er. L'ancienneté relative de ceux qui sont nommés à la même date et qui ont participé au même cycle de formation est déterminée par le classement établi à la fin de l'instruction sur la base du résultat final.
Les candidats qui obtiennent la même note finale sont classés dans l'ordre décroissant de leur ancienneté de service et en cas d'ex-aequo, priorité est donnée au plus âgé.
En cas de réussite après repêchage, seul le résultat final obtenu au premier essai intervient pour l'établissement du classement.
§ 2. L'ancienneté relative de ceux qui sont nommés à la même date et qui n'ont pas participé au même cycle de formation est déterminée par un classement unique établi sur la base des différents classements établis conformément aux dispositions du paragraphe 1er et dans lequel les sous-officiers qui ont suivi des cycles de formations différents alternent proportionnellement à leur nombre.
Le classement unique ainsi établi ne peut toutefois avoir pour conséquence de classer un sous-officier avant un autre sous-officier dont le résultat final est supérieur au sien de plus de dix pour cent du total des points.
Les candidats qui obtiennent la même note finale sont classés dans l'ordre décroissant de leur ancienneté de service et en cas d'ex-aequo, priorité est donnée au plus âgé.
En cas de réussite après repêchage, seul le résultat final obtenu au premier essai intervient pour l'établissement du classement.
§ 2. L'ancienneté relative de ceux qui sont nommés à la même date et qui n'ont pas participé au même cycle de formation est déterminée par un classement unique établi sur la base des différents classements établis conformément aux dispositions du paragraphe 1er et dans lequel les sous-officiers qui ont suivi des cycles de formations différents alternent proportionnellement à leur nombre.
Le classement unique ainsi établi ne peut toutefois avoir pour conséquence de classer un sous-officier avant un autre sous-officier dont le résultat final est supérieur au sien de plus de dix pour cent du total des points.
Afdeling 3. - De promotie op diploma van de onderofficier BDL van niveau C naar beroepsonderofficier van niveau B
Section 3. - De la promotion sur diplôme du sous-officier BDL du niveau C vers sous-officier de carrière du niveau B
Art. 36. Met het oog op zijn promotie op diploma kan de onderofficier BDL van niveau C aanvaard worden [2 als beroepsonderofficier]2 van niveau B door [1 de DGHR]1 wanneer hij aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° [2 ...]2
2° geslaagd zijn voor de militaire tests van lichamelijke geschiktheid volgens de criteria bepaald door de minister;
3° voor de onderofficier die voor een functie bij de marine solliciteert, medisch geschikt zijn voor dienst op zee;
4° houder zijn van een bachelor of van een gelijkwaardig diploma of getuigschrift vóór de afsluitingsdatum van de inschrijvingen voor de promotie op diploma;
5° niet afgewezen worden, door de DGHR of de overheid die hij aanwijst, op basis van criteria bepaald in reglement vastgelegd door de minister;
6° batig gerangschikt worden bij de overgangsproef, bedoeld in artikel 19, derde lid, 3°, van de wet, binnen de grenzen van het aantal opengestelde plaatsen.
Overeenkomstig het eerste lid, 5°, kan de DGHR, of de autoriteit die hij aanwijst, een kandidatuur afwijzen op basis van het persoonlijk dossier van de betrokken militair. Het geheel van de beoordelingselementen die in beschouwing kunnen worden genomen wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De overgangsproef bedoeld in het eerste lid, 6°, omvat de beoordeling van de waarde van de kandidaat door het selectiecomité bedoeld in artikel 20.
1° [2 ...]2
2° geslaagd zijn voor de militaire tests van lichamelijke geschiktheid volgens de criteria bepaald door de minister;
3° voor de onderofficier die voor een functie bij de marine solliciteert, medisch geschikt zijn voor dienst op zee;
4° houder zijn van een bachelor of van een gelijkwaardig diploma of getuigschrift vóór de afsluitingsdatum van de inschrijvingen voor de promotie op diploma;
5° niet afgewezen worden, door de DGHR of de overheid die hij aanwijst, op basis van criteria bepaald in reglement vastgelegd door de minister;
6° batig gerangschikt worden bij de overgangsproef, bedoeld in artikel 19, derde lid, 3°, van de wet, binnen de grenzen van het aantal opengestelde plaatsen.
Overeenkomstig het eerste lid, 5°, kan de DGHR, of de autoriteit die hij aanwijst, een kandidatuur afwijzen op basis van het persoonlijk dossier van de betrokken militair. Het geheel van de beoordelingselementen die in beschouwing kunnen worden genomen wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De overgangsproef bedoeld in het eerste lid, 6°, omvat de beoordeling van de waarde van de kandidaat door het selectiecomité bedoeld in artikel 20.
Art. 36. En vue de sa promotion sur diplôme, le sous-officier BDL du niveau C peut être agréé par [1 le DGHR]1 [2 comme sous-officier de carrière]2 du niveau B s'il satisfait aux conditions suivantes :
1° [2 ...]2
2° avoir réussi les tests militaires d'aptitude physique selon les critères fixés par le ministre;
3° pour le sous-officier qui postule pour une fonction à la marine, être médicalement apte au service en mer;
4° être titulaire d'un bachelier ou d'un diplôme ou certificat équivalent avant la date de clôture des inscriptions pour la promotion sur diplôme;
5° ne pas être refusé, par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne, sur la base de critères fixés dans un règlement arrêté par le ministre;
6° être classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage, visée à l'article 19, alinéa 3, 3°, de la loi, dans les limites du nombre de places ouvertes.
Le DGHR, ou l'autorité qu'il désigne, peut refuser une candidature conformément à l'alinéa 1er, 5°, sur la base du dossier personnel du militaire concerné. L'ensemble des éléments d'appréciation qui peuvent être pris en considération est fixé dans un règlement arrêté par le ministre.
L'épreuve de passage visée à l'alinéa 1er, 6°, comprend l'appréciation de la valeur du candidat par le comité de sélection visé à l'article 20.
1° [2 ...]2
2° avoir réussi les tests militaires d'aptitude physique selon les critères fixés par le ministre;
3° pour le sous-officier qui postule pour une fonction à la marine, être médicalement apte au service en mer;
4° être titulaire d'un bachelier ou d'un diplôme ou certificat équivalent avant la date de clôture des inscriptions pour la promotion sur diplôme;
5° ne pas être refusé, par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne, sur la base de critères fixés dans un règlement arrêté par le ministre;
6° être classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage, visée à l'article 19, alinéa 3, 3°, de la loi, dans les limites du nombre de places ouvertes.
Le DGHR, ou l'autorité qu'il désigne, peut refuser une candidature conformément à l'alinéa 1er, 5°, sur la base du dossier personnel du militaire concerné. L'ensemble des éléments d'appréciation qui peuvent être pris en considération est fixé dans un règlement arrêté par le ministre.
L'épreuve de passage visée à l'alinéa 1er, 6°, comprend l'appréciation de la valeur du candidat par le comité de sélection visé à l'article 20.
Art. 37. De [1 eenheidscommandant]1 brengt een advies uit over de wijze van dienen en de geschiktheid om dienst te doen in de categorie van de beroepsonderofficieren van niveau B van de onderofficier BDL van niveau C die zich kandidaat stelt en aan de voorwaarden bedoeld in artikel 36, eerste lid, 1° tot 4°, voldoet.
Het advies wordt uitgedrukt door de beoordeling "Gunstig" of "Ongunstig". De beoordeling "Gunstig" wordt aangevuld met één der volgende vermeldingen : uitstekend, zeer goed, goed, tamelijk goed.
Elk advies moet met redenen omkleed zijn en aan de betrokkene worden betekend. Deze kan binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving een verweerschrift indienen bij de [1 eenheidscommandant]1 tegen de beoordeling of de vermelding bedoeld in het tweede lid. Naar aanleiding van het verweerschrift kan deze laatste zijn advies of de eraan verbonden vermelding wijzigen. De [1 eenheidscommandant]1 stelt betrokken militair in kennis indien hij desbetreffende beoordeling of vermelding wijzigt of bevestigt.
Het advies wordt aan de DGHR overgemaakt, langs de onmiddellijk hogere hiërarchische overheid. Elke beoordeling in ongunstige zin uitgebracht door deze overheid wordt aan de betrokkene betekend vooraleer ze wordt toegezonden aan de DGHR, eventueel vergezeld van een verweerschrift ingediend binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving.
De DGHR of de overheid die hij aanwijst, aanvaardt of verwerpt de kandidatuur. De beslissing wordt aan de betrokkene betekend.
Het advies wordt uitgedrukt door de beoordeling "Gunstig" of "Ongunstig". De beoordeling "Gunstig" wordt aangevuld met één der volgende vermeldingen : uitstekend, zeer goed, goed, tamelijk goed.
Elk advies moet met redenen omkleed zijn en aan de betrokkene worden betekend. Deze kan binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving een verweerschrift indienen bij de [1 eenheidscommandant]1 tegen de beoordeling of de vermelding bedoeld in het tweede lid. Naar aanleiding van het verweerschrift kan deze laatste zijn advies of de eraan verbonden vermelding wijzigen. De [1 eenheidscommandant]1 stelt betrokken militair in kennis indien hij desbetreffende beoordeling of vermelding wijzigt of bevestigt.
Het advies wordt aan de DGHR overgemaakt, langs de onmiddellijk hogere hiërarchische overheid. Elke beoordeling in ongunstige zin uitgebracht door deze overheid wordt aan de betrokkene betekend vooraleer ze wordt toegezonden aan de DGHR, eventueel vergezeld van een verweerschrift ingediend binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving.
De DGHR of de overheid die hij aanwijst, aanvaardt of verwerpt de kandidatuur. De beslissing wordt aan de betrokkene betekend.
Art. 37. Le [1 commandant d'unité]1 émet un avis quant à la manière de servir et à l'aptitude à servir dans la catégorie des sous-officiers de carrière du niveau B du sous-officier BDL du niveau C qui pose sa candidature et qui satisfait aux conditions visées à l'article 36, alinéa 1er, 1° à 4°.
L'avis est exprimé par l'appréciation "Favorable" ou "Défavorable". L'appréciation "Favorable" est complétée par une des mentions suivantes : excellent, très bon, bon, assez bon.
Tout avis doit être motivé et notifié à l'intéressé. Dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification, celui-ci peut introduire un mémoire auprès du [1 commandant d'unité]1 contre une appréciation ou mention visée à l'alinéa 2. A la suite du mémoire, ce dernier peut modifier son avis ou la mention y relative. Le [1 commandant d'unité]1 notifie au militaire concerné s'il modifie ou confirme l'appréciation ou la mention concernée.
L'avis est transmis au DGHR par la voie de l'autorité hiérarchique immédiatement supérieure. Toute appréciation dans un sens défavorable émise par cette autorité est notifiée à l'intéressé avant d'être transmise au DGHR, éventuellement accompagnée d'un mémoire introduit dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification.
Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne, agrée ou rejette la candidature. La décision est notifiée à l'intéressé.
L'avis est exprimé par l'appréciation "Favorable" ou "Défavorable". L'appréciation "Favorable" est complétée par une des mentions suivantes : excellent, très bon, bon, assez bon.
Tout avis doit être motivé et notifié à l'intéressé. Dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification, celui-ci peut introduire un mémoire auprès du [1 commandant d'unité]1 contre une appréciation ou mention visée à l'alinéa 2. A la suite du mémoire, ce dernier peut modifier son avis ou la mention y relative. Le [1 commandant d'unité]1 notifie au militaire concerné s'il modifie ou confirme l'appréciation ou la mention concernée.
L'avis est transmis au DGHR par la voie de l'autorité hiérarchique immédiatement supérieure. Toute appréciation dans un sens défavorable émise par cette autorité est notifiée à l'intéressé avant d'être transmise au DGHR, éventuellement accompagnée d'un mémoire introduit dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification.
Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne, agrée ou rejette la candidature. La décision est notifiée à l'intéressé.
Wijzigingen
Art. 38. Voor het opmaken van de rangschikking houdt het selectiecomité rekening met de waarde van de kandidaat, beoordeeld door het selectiecomité op grond van de krachtens artikel 37 uitgebrachte adviezen, en van de inhoud van zijn persoonlijk dossier, berekend op 100 punten, overeenkomstig de procedure bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De kandidaat die niet ten minste de helft van de punten behaalt voor de beoordeling van zijn waarde, wordt evenwel niet gerangschikt.
Het selectiecomité weerhoudt de kandidaten met inachtneming van de opgestelde rangschikking en van het aantal beschikbare plaatsen per vakrichting, per taalstelsel en, naargelang het geval, per krijgsmachtdeel.
Indien twee kandidaten hetzelfde puntentotaal behalen, wordt voorrang gegeven :
1° aan de kandidaat met de hoogste graad;
2° bij gelijke graad, aan deze met de meeste anciënniteit in de graad;
3° bij gelijke graad en anciënniteit, aan diegene waarvan de kandidatuur het grootst aantal keren afgewezen werd;
4° bij gelijke graad, bij gelijke anciënniteit en bij hetzelfde aantal afwijzingen, aan de oudste.
De niet-rangschikking of de al dan niet batige rangschikking bij de overgangsproef wordt aan de kandidaat betekend door de voorzitter van het selectiecomité.
De kandidaat die niet ten minste de helft van de punten behaalt voor de beoordeling van zijn waarde, wordt evenwel niet gerangschikt.
Het selectiecomité weerhoudt de kandidaten met inachtneming van de opgestelde rangschikking en van het aantal beschikbare plaatsen per vakrichting, per taalstelsel en, naargelang het geval, per krijgsmachtdeel.
Indien twee kandidaten hetzelfde puntentotaal behalen, wordt voorrang gegeven :
1° aan de kandidaat met de hoogste graad;
2° bij gelijke graad, aan deze met de meeste anciënniteit in de graad;
3° bij gelijke graad en anciënniteit, aan diegene waarvan de kandidatuur het grootst aantal keren afgewezen werd;
4° bij gelijke graad, bij gelijke anciënniteit en bij hetzelfde aantal afwijzingen, aan de oudste.
De niet-rangschikking of de al dan niet batige rangschikking bij de overgangsproef wordt aan de kandidaat betekend door de voorzitter van het selectiecomité.
Art. 38. Pour l'établissement du classement, le comité de sélection tient compte de la valeur du candidat, appréciée par le comité de sélection sur la base des avis émis en vertu de l'article 37, et du contenu de son dossier personnel, calculée sur 100 points, selon la procédure fixée dans un règlement arrêté par le ministre.
Toutefois, le candidat qui n'obtient pas au moins la moitié des points pour l'appréciation de sa valeur, n'est pas classé.
Le comité de sélection retient les candidats dans l'ordre de classement établi et à concurrence du nombre de places disponibles par filière de métier, par régime linguistique et, le cas échéant, par force.
Si deux candidats obtiennent le même total de points, il est donné priorité :
1° au candidat le plus gradé;
2° à grade égal, au plus ancien dans le grade;
3° à grade égal et à ancienneté égale, à celui dont la candidature a été refusée le nombre le plus élevé de fois;
4° à grade égal, à ancienneté égale et à nombre de refus égal, au plus âgé.
Le non-classement ou le classement en ordre utile ou non lors de l'épreuve de passage est notifié au candidat par le président du comité de sélection.
Toutefois, le candidat qui n'obtient pas au moins la moitié des points pour l'appréciation de sa valeur, n'est pas classé.
Le comité de sélection retient les candidats dans l'ordre de classement établi et à concurrence du nombre de places disponibles par filière de métier, par régime linguistique et, le cas échéant, par force.
Si deux candidats obtiennent le même total de points, il est donné priorité :
1° au candidat le plus gradé;
2° à grade égal, au plus ancien dans le grade;
3° à grade égal et à ancienneté égale, à celui dont la candidature a été refusée le nombre le plus élevé de fois;
4° à grade égal, à ancienneté égale et à nombre de refus égal, au plus âgé.
Le non-classement ou le classement en ordre utile ou non lors de l'épreuve de passage est notifié au candidat par le président du comité de sélection.
Art. 39. § 1. [2 De bij de overgangsproef batig gerangschikte onderofficier BDL van niveau C wordt door de DGHR aanvaard met het oog op zijn promotie op diploma als beroepsonderofficier van niveau B.]2
De aanvaarding door [1 de DGHR]1 wordt aan [2 betrokkene]2 betekend door de DGHR of de overheid die hij aanwijst.
§ 2. [2 ...]2
De aanvaarding door [1 de DGHR]1 wordt aan [2 betrokkene]2 betekend door de DGHR of de overheid die hij aanwijst.
§ 2. [2 ...]2
Art. 39. § 1er. [2 Le sous-officier BDL du niveau C classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage est agréé, par le DGHR, en vue de sa promotion sur diplôme comme sous-officier de carrière du niveau B.]2
L'agrément par [1 le DGHR]1 est notifié au [2 concerné]2 par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne.
§ 2. [2 ...]2
L'agrément par [1 le DGHR]1 est notifié au [2 concerné]2 par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne.
§ 2. [2 ...]2
Art. 40. § 1. [2 ...]2
§ 2. [2 In functie van de graad en anciënniteit waarmee hij bekleed is op de datum van zijn aanvaarding voor de promotie op diploma, wordt de onderofficier BDL van niveau C door de chef defensie benoemd in de overeenstemmende graad in de personeelscategorie van de beroepsonderofficieren van niveau B, zoals bepaald in de rechter kolom van de tabel van de bijlage A bij het koninklijk besluit van 7 november 2013 betreffende de overgang binnen dezelfde personeelscategorie, de sociale promotie en de promotie op diploma naar een hogere personeelscategorie, op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij door de DGHR aanvaard werd.]2
§ 3. Hij wordt gerangschikt na de onderofficieren BDL van niveau B die, in het kader van een overgang naar de personeelscategorie van de beroepsonderofficieren van niveau B, op dezelfde datum tot eerste sergeant-majoor werden benoemd.
§ 2. [2 In functie van de graad en anciënniteit waarmee hij bekleed is op de datum van zijn aanvaarding voor de promotie op diploma, wordt de onderofficier BDL van niveau C door de chef defensie benoemd in de overeenstemmende graad in de personeelscategorie van de beroepsonderofficieren van niveau B, zoals bepaald in de rechter kolom van de tabel van de bijlage A bij het koninklijk besluit van 7 november 2013 betreffende de overgang binnen dezelfde personeelscategorie, de sociale promotie en de promotie op diploma naar een hogere personeelscategorie, op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij door de DGHR aanvaard werd.]2
§ 3. Hij wordt gerangschikt na de onderofficieren BDL van niveau B die, in het kader van een overgang naar de personeelscategorie van de beroepsonderofficieren van niveau B, op dezelfde datum tot eerste sergeant-majoor werden benoemd.
Art. 40. § 1er. [2 ...]2
§ 2. [2 En fonction du grade et de l'ancienneté dont il est revêtu à la date de son agrément pour la promotion sur diplôme, le sous-officier BDL du niveau C est nommé par le chef de la défense au grade correspondant dans la catégorie de personnel des sous-officiers de carrière du niveau B, comme déterminé dans la colonne de droite du tableau de l'annexe A de l'arrêté royal du 7 novembre 2013 relatif au passage au sein de la même catégorie de personnel, à la promotion sociale et à la promotion sur diplôme vers une catégorie de personnel supérieure, le vingt-sixième jour du dernier mois du trimestre au cours duquel il a été agréé par le DGHR.]2
§ 3. Il est classé après les sous-officiers BDL du niveau B qui, dans le cadre d'un passage vers la catégorie de personnel des sous-officiers de carrière du niveau B, ont été nommés premier sergent major à la même date.
§ 2. [2 En fonction du grade et de l'ancienneté dont il est revêtu à la date de son agrément pour la promotion sur diplôme, le sous-officier BDL du niveau C est nommé par le chef de la défense au grade correspondant dans la catégorie de personnel des sous-officiers de carrière du niveau B, comme déterminé dans la colonne de droite du tableau de l'annexe A de l'arrêté royal du 7 novembre 2013 relatif au passage au sein de la même catégorie de personnel, à la promotion sociale et à la promotion sur diplôme vers une catégorie de personnel supérieure, le vingt-sixième jour du dernier mois du trimestre au cours duquel il a été agréé par le DGHR.]2
§ 3. Il est classé après les sous-officiers BDL du niveau B qui, dans le cadre d'un passage vers la catégorie de personnel des sous-officiers de carrière du niveau B, ont été nommés premier sergent major à la même date.
Art. 41. § 1. [1 De relatieve anciënniteit van diegenen die op dezelfde datum worden benoemd, wordt bepaald door het resultaat behaald bij de overgangsproef bedoeld in artikel 36, eerste lid, 6°.]1
[1 Diegenen die hetzelfde resultaat bekomen]1 worden gerangschikt volgens afdalende orde van de dienstanciënniteit en in geval van ex-aequo wordt voorrang gegeven aan de oudste.
[1 ...]1
§ 2. [1 ...]1
[1 Diegenen die hetzelfde resultaat bekomen]1 worden gerangschikt volgens afdalende orde van de dienstanciënniteit en in geval van ex-aequo wordt voorrang gegeven aan de oudste.
[1 ...]1
§ 2. [1 ...]1
Art. 41. § 1er. [1 L'ancienneté relative de ceux qui sont nommés à la même date est déterminée par le résultat obtenu lors de l'épreuve de passage visé à l'article 36, alinéa 1er, 6°.]1
[1 Ceux qui obtiennent le même résultat]1 sont classés dans l'ordre décroissant de leur ancienneté de service et en cas d'ex-aequo, priorité est donnée au plus âgé.
[1 ...]1
§ 2. [1 ...]1
[1 Ceux qui obtiennent le même résultat]1 sont classés dans l'ordre décroissant de leur ancienneté de service et en cas d'ex-aequo, priorité est donnée au plus âgé.
[1 ...]1
§ 2. [1 ...]1
Wijzigingen
Afdeling 4. - De promotie op diploma van de onderofficier BDL van niveau C naar beroepsofficier van niveau B
Section 4. - De la promotion sur diplôme du sous-officier BDL du niveau C vers officier de carrière du niveau B
Art. 42. Met het oog op zijn promotie op diploma, kan de onderofficier BDL van niveau C door [1 de DGHR]1 aanvaard worden als kandidaat-beroepsofficier van niveau B indien hij aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° [3 ...]3
2° geslaagd zijn voor de militaire tests van lichamelijke geschiktheid volgens de criteria bepaald door de minister;
3° voor de onderofficier die voor een functie bij de marine solliciteert, medisch geschikt zijn voor dienst op zee;
4° houder zijn van een bachelor of van een gelijkwaardig diploma of getuigschrift vóór de afsluitingsdatum van de inschrijvingen voor de promotie op diploma;
5° geslaagd zijn voor volgende taalexamens [4 vóór de afsluitingsdatum van de inschrijvingen]4:
a) het examen over de grondige kennis van de Nederlandse of van de Franse taal bepaald in artikel 2 van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger;
b) het examen over de wezenlijke kennis van de andere taal, [4 bedoeld]4 in de artikelen 3 en 4 van dezelfde wet;
6° niet afgewezen worden, door de DGHR of de autoriteit die hij aanwijst;
7° batig gerangschikt worden bij de overgangsproef, bedoeld in artikel 19, derde lid, 3°, van de wet, binnen de grenzen van het aantal opengestelde plaatsen.
Overeenkomstig het eerste lid, 6°, kan de DGHR, of de autoriteit die hij aanwijst, een kandidatuur afwijzen op basis van het persoonlijk dossier van de betrokken militair. Het geheel van de beoordelingselementen die in beschouwing kunnen worden genomen wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
[2 De overgangsproef bedoeld in het eerste lid, 7°, omvat de beoordeling van de waarde van de kandidaat door het selectiecomité bedoeld in artikel 20 en, naargelang het geval, psychotechnische proeven.]2
1° [3 ...]3
2° geslaagd zijn voor de militaire tests van lichamelijke geschiktheid volgens de criteria bepaald door de minister;
3° voor de onderofficier die voor een functie bij de marine solliciteert, medisch geschikt zijn voor dienst op zee;
4° houder zijn van een bachelor of van een gelijkwaardig diploma of getuigschrift vóór de afsluitingsdatum van de inschrijvingen voor de promotie op diploma;
5° geslaagd zijn voor volgende taalexamens [4 vóór de afsluitingsdatum van de inschrijvingen]4:
a) het examen over de grondige kennis van de Nederlandse of van de Franse taal bepaald in artikel 2 van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger;
b) het examen over de wezenlijke kennis van de andere taal, [4 bedoeld]4 in de artikelen 3 en 4 van dezelfde wet;
6° niet afgewezen worden, door de DGHR of de autoriteit die hij aanwijst;
7° batig gerangschikt worden bij de overgangsproef, bedoeld in artikel 19, derde lid, 3°, van de wet, binnen de grenzen van het aantal opengestelde plaatsen.
Overeenkomstig het eerste lid, 6°, kan de DGHR, of de autoriteit die hij aanwijst, een kandidatuur afwijzen op basis van het persoonlijk dossier van de betrokken militair. Het geheel van de beoordelingselementen die in beschouwing kunnen worden genomen wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
[2 De overgangsproef bedoeld in het eerste lid, 7°, omvat de beoordeling van de waarde van de kandidaat door het selectiecomité bedoeld in artikel 20 en, naargelang het geval, psychotechnische proeven.]2
Art. 42. En vue de sa promotion sur diplôme, le sous-officier BDL du niveau C peut être agréé par [1 le DGHR]1 comme candidat officier de carrière du niveau B s'il satisfait aux conditions suivantes :
1° [3 ...]3
2° avoir réussi les tests militaires d'aptitude physique selon les critères fixés par le ministre;
3° pour le sous-officier qui postule pour une fonction à la marine, être médicalement apte au service en mer;
4° être titulaire d'un bachelier ou d'un diplôme ou certificat équivalent avant la date de clôture des inscriptions à la promotion sur diplôme;
5° avoir réussi les examens linguistiques suivants [4 avant la date de clôture des inscriptions]4:
a) l'examen sur la connaissance approfondie de la langue néerlandaise ou française défini à l'article 2 de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée;
b) l'examen sur la connaissance effective de l'autre langue, [4 visé]4 aux articles 3 et 4 de la même loi;
6° ne pas être refusé, par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne;
7° être classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage, visée à l'article 19, alinéa 3, 3°, de la loi, dans les limites du nombre de places ouvertes.
Le DGHR, ou l'autorité qu'il désigne, peut refuser une candidature conformément à l'alinéa 1er, 6°, sur la base du dossier personnel du militaire concerné. L'ensemble des éléments d'appréciation qui peuvent être pris en considération est fixé dans un règlement arrêté par le ministre.
[2 L'épreuve de passage visée à l'alinéa 1er, 7°, comprend l'appréciation de la valeur du candidat par le comité de sélection visé à l'article 20 et, selon le cas, des épreuves psychotechniques.]2
1° [3 ...]3
2° avoir réussi les tests militaires d'aptitude physique selon les critères fixés par le ministre;
3° pour le sous-officier qui postule pour une fonction à la marine, être médicalement apte au service en mer;
4° être titulaire d'un bachelier ou d'un diplôme ou certificat équivalent avant la date de clôture des inscriptions à la promotion sur diplôme;
5° avoir réussi les examens linguistiques suivants [4 avant la date de clôture des inscriptions]4:
a) l'examen sur la connaissance approfondie de la langue néerlandaise ou française défini à l'article 2 de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée;
b) l'examen sur la connaissance effective de l'autre langue, [4 visé]4 aux articles 3 et 4 de la même loi;
6° ne pas être refusé, par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne;
7° être classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage, visée à l'article 19, alinéa 3, 3°, de la loi, dans les limites du nombre de places ouvertes.
Le DGHR, ou l'autorité qu'il désigne, peut refuser une candidature conformément à l'alinéa 1er, 6°, sur la base du dossier personnel du militaire concerné. L'ensemble des éléments d'appréciation qui peuvent être pris en considération est fixé dans un règlement arrêté par le ministre.
[2 L'épreuve de passage visée à l'alinéa 1er, 7°, comprend l'appréciation de la valeur du candidat par le comité de sélection visé à l'article 20 et, selon le cas, des épreuves psychotechniques.]2
Art. 43. De [1 eenheidscommandant]1 brengt een advies uit over de wijze van dienen en de geschiktheid om dienst te doen in de categorie van de beroepsofficieren van niveau B van de onderofficier BDL van niveau C die zich kandidaat stelt en aan de voorwaarden bedoeld in artikel 42, eerste lid, 1° tot 5°, voldoet.
Het advies wordt uitgedrukt door de beoordeling "Gunstig" of "Ongunstig". De beoordeling "Gunstig" wordt aangevuld met één der volgende vermeldingen : uitstekend, zeer goed, goed, tamelijk goed.
Elk advies moet met redenen omkleed zijn en aan de betrokkene worden betekend. Deze kan binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving een verweerschrift indienen bij de [1 eenheidscommandant]1 tegen de beoordeling of de vermelding bedoeld in het tweede lid. Naar aanleiding van het verweerschrift kan deze laatste zijn advies of de eraan verbonden vermelding wijzigen. De [1 eenheidscommandant]1 stelt betrokken militair in kennis indien hij desbetreffende beoordeling of vermelding wijzigt of bevestigt.
Het advies wordt aan de DGHR overgemaakt, langs de onmiddellijk hogere hiërarchische overheid. Elke beoordeling in ongunstige zin uitgebracht door deze overheid wordt aan de betrokkene betekend vooraleer ze wordt toegezonden aan de DGHR, eventueel vergezeld van een verweerschrift ingediend binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving.
De DGHR of de autoriteit die hij aanwijst, aanvaardt of verwerpt de kandidatuur. De beslissing wordt aan de betrokkene betekend.
Het advies wordt uitgedrukt door de beoordeling "Gunstig" of "Ongunstig". De beoordeling "Gunstig" wordt aangevuld met één der volgende vermeldingen : uitstekend, zeer goed, goed, tamelijk goed.
Elk advies moet met redenen omkleed zijn en aan de betrokkene worden betekend. Deze kan binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving een verweerschrift indienen bij de [1 eenheidscommandant]1 tegen de beoordeling of de vermelding bedoeld in het tweede lid. Naar aanleiding van het verweerschrift kan deze laatste zijn advies of de eraan verbonden vermelding wijzigen. De [1 eenheidscommandant]1 stelt betrokken militair in kennis indien hij desbetreffende beoordeling of vermelding wijzigt of bevestigt.
Het advies wordt aan de DGHR overgemaakt, langs de onmiddellijk hogere hiërarchische overheid. Elke beoordeling in ongunstige zin uitgebracht door deze overheid wordt aan de betrokkene betekend vooraleer ze wordt toegezonden aan de DGHR, eventueel vergezeld van een verweerschrift ingediend binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving.
De DGHR of de autoriteit die hij aanwijst, aanvaardt of verwerpt de kandidatuur. De beslissing wordt aan de betrokkene betekend.
Art. 43. Le [1 commandant d'unité]1 émet un avis quant à la manière de servir et à l'aptitude à servir dans la catégorie des officiers de carrière du niveau B du sous-officier BDL du niveau C qui pose sa candidature et qui satisfait aux conditions visées à l'article 42, alinéa 1er, 1° à 5°.
L'avis est exprimé par l'appréciation "Favorable" ou "Défavorable". L'appréciation "Favorable" est complétée par une des mentions suivantes : excellent, très bon, bon, assez bon.
Tout avis doit être motivé et notifié à l'intéressé. Dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification, celui-ci peut introduire un mémoire auprès du [1 commandant d'unité]1 contre une appréciation ou mention visée à l'alinéa 2. A la suite du mémoire, ce dernier peut modifier son avis ou la mention y relative. Le [1 commandant d'unité]1 notifie au militaire concerné s'il modifie ou confirme l'appréciation ou la mention concernée.
L'avis est transmis au DGHR par la voie de l'autorité hiérarchique immédiatement supérieure. Toute appréciation dans un sens défavorable émise par cette autorité est notifiée à l'intéressé avant d'être transmise au DGHR, éventuellement accompagnée d'un mémoire introduit dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification.
Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne, agrée ou rejette la candidature. La décision est notifiée à l'intéressé.
L'avis est exprimé par l'appréciation "Favorable" ou "Défavorable". L'appréciation "Favorable" est complétée par une des mentions suivantes : excellent, très bon, bon, assez bon.
Tout avis doit être motivé et notifié à l'intéressé. Dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification, celui-ci peut introduire un mémoire auprès du [1 commandant d'unité]1 contre une appréciation ou mention visée à l'alinéa 2. A la suite du mémoire, ce dernier peut modifier son avis ou la mention y relative. Le [1 commandant d'unité]1 notifie au militaire concerné s'il modifie ou confirme l'appréciation ou la mention concernée.
L'avis est transmis au DGHR par la voie de l'autorité hiérarchique immédiatement supérieure. Toute appréciation dans un sens défavorable émise par cette autorité est notifiée à l'intéressé avant d'être transmise au DGHR, éventuellement accompagnée d'un mémoire introduit dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification.
Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne, agrée ou rejette la candidature. La décision est notifiée à l'intéressé.
Wijzigingen
Art. 44. [1 Naargelang het geval, legt de onderofficier BDL van niveau C psychotechnische proeven af.]1 Deze proeven hebben tot doel te beoordelen of de betrokkene de vereiste karakteriële hoedanigheden en het vereiste intellectueel potentieel bezit.
[1 De onderofficier BDL van niveau C die een cijfer heeft behaald dat lager is dan de uitsluitingsdrempel bedoeld in artikel 26, § 4, van het voornoemde koninklijk besluit van 11 september 2003, wordt evenwel niet gerangschikt.]1
De nadere uitvoeringsregels betreffende de psychotechnische proeven worden bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
[1 De onderofficier BDL van niveau C die een cijfer heeft behaald dat lager is dan de uitsluitingsdrempel bedoeld in artikel 26, § 4, van het voornoemde koninklijk besluit van 11 september 2003, wordt evenwel niet gerangschikt.]1
De nadere uitvoeringsregels betreffende de psychotechnische proeven worden bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
Art. 44. [1 Selon le cas, le sous-officier BDL du niveau C présente des épreuves psychotechniques.]1 Ces épreuves ont pour but d'apprécier si l'intéressé possède les qualités caractérielles et le potentiel intellectuel exigés.
[1 Toutefois, le sous-officier BDL du niveau C, qui a obtenu une note inférieure au seuil d'exclusion visé à l'article 26, § 4, de l'arrêté royal du 11 septembre 2003 précité, n'est pas classé.]1
Les modalités d'exécution relatives aux épreuves psychotechniques sont fixées dans un règlement arrêté par le ministre.
[1 Toutefois, le sous-officier BDL du niveau C, qui a obtenu une note inférieure au seuil d'exclusion visé à l'article 26, § 4, de l'arrêté royal du 11 septembre 2003 précité, n'est pas classé.]1
Les modalités d'exécution relatives aux épreuves psychotechniques sont fixées dans un règlement arrêté par le ministre.
Wijzigingen
Art. 45. [1 Voor het opmaken van de rangschikking van de onderofficieren BDL van niveau C houdt het selectiecomité rekening met de waarde van de kandidaat, beoordeeld door het selectiecomité op grond van de krachtens artikel 43 uitgebrachte adviezen en van de inhoud van zijn persoonlijk dossier, berekend op 100 punten, overeenkomstig de procedure bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.]1
De kandidaat die niet ten minste de helft van de punten behaalt voor de beoordeling van zijn waarde, wordt evenwel niet gerangschikt.
Het selectiecomité weerhoudt de kandidaten met inachtneming van de opgestelde rangschikking en van het aantal beschikbare plaatsen per vakrichting, per taalstelsel en, naargelang het geval, per krijgsmachtdeel.
Indien twee kandidaten hetzelfde puntentotaal behalen, wordt voorrang gegeven :
1° aan de kandidaat met de hoogste graad;
2° bij gelijke graad, aan deze met de meeste anciënniteit in de graad;
3° bij gelijke graad en anciënniteit, aan diegene waarvan de kandidatuur het grootst aantal keren afgewezen werd;
4° bij gelijke graad, bij gelijke anciënniteit en bij hetzelfde aantal afwijzingen, aan de oudste.
De niet-rangschikking of al dan niet batige rangschikking bij de overgangsproef wordt aan de kandidaat betekend door de voorzitter van het selectiecomité.
De kandidaat die niet ten minste de helft van de punten behaalt voor de beoordeling van zijn waarde, wordt evenwel niet gerangschikt.
Het selectiecomité weerhoudt de kandidaten met inachtneming van de opgestelde rangschikking en van het aantal beschikbare plaatsen per vakrichting, per taalstelsel en, naargelang het geval, per krijgsmachtdeel.
Indien twee kandidaten hetzelfde puntentotaal behalen, wordt voorrang gegeven :
1° aan de kandidaat met de hoogste graad;
2° bij gelijke graad, aan deze met de meeste anciënniteit in de graad;
3° bij gelijke graad en anciënniteit, aan diegene waarvan de kandidatuur het grootst aantal keren afgewezen werd;
4° bij gelijke graad, bij gelijke anciënniteit en bij hetzelfde aantal afwijzingen, aan de oudste.
De niet-rangschikking of al dan niet batige rangschikking bij de overgangsproef wordt aan de kandidaat betekend door de voorzitter van het selectiecomité.
Art. 45. [1 Pour l'établissement du classement des sous-officiers BDL du niveau C, le comité de sélection tient compte de la valeur du candidat, appréciée par le comité de sélection sur la base des avis émis en vertu de l'article 43 et du contenu de son dossier personnel, calculée sur 100 points, selon la procédure fixée dans un règlement arrêté par le ministre.]1
Toutefois, le candidat qui n'obtient pas au moins la moitié des points pour l'appréciation de sa valeur, n'est pas classé.
Le comité de sélection retient les candidats dans l'ordre de classement établi et à concurrence du nombre de places disponibles par filière de métier, par régime linguistique et, le cas échéant, par force.
Si deux candidats obtiennent le même total de points, il est donné priorité :
1° au candidat le plus gradé;
2° à grade égal, au plus ancien dans le grade;
3° à grade égal et à ancienneté égale, à celui dont la candidature a été refusée le nombre le plus élevé de fois;
4° à grade égal, à ancienneté égale et à nombre de refus égal, au plus âgé.
Le non-classement ou le classement en ordre utile ou non lors de l'épreuve de passage est notifié au candidat par le président du comité de sélection.
Toutefois, le candidat qui n'obtient pas au moins la moitié des points pour l'appréciation de sa valeur, n'est pas classé.
Le comité de sélection retient les candidats dans l'ordre de classement établi et à concurrence du nombre de places disponibles par filière de métier, par régime linguistique et, le cas échéant, par force.
Si deux candidats obtiennent le même total de points, il est donné priorité :
1° au candidat le plus gradé;
2° à grade égal, au plus ancien dans le grade;
3° à grade égal et à ancienneté égale, à celui dont la candidature a été refusée le nombre le plus élevé de fois;
4° à grade égal, à ancienneté égale et à nombre de refus égal, au plus âgé.
Le non-classement ou le classement en ordre utile ou non lors de l'épreuve de passage est notifié au candidat par le président du comité de sélection.
Wijzigingen
Art. 46. § 1. De bij de overgangsproef batig gerangschikte onderofficier BDL van niveau C wordt met het oog op het volbrengen van een vorming met een duur van achttien maanden door [1 de DGHR]1 aanvaard als kandidaat-beroepsofficier van niveau B.
De aanvaarding door [1 de DGHR]1 wordt aan de kandidaat betekend door de DGHR of de overheid die hij aanwijst.
De vorming bedoeld in artikel 118, § 1, eerste lid, van de wet van 28 februari 2007, bestaat uit een gedeelte van de vormingscyclus van kandidaat-beroepsofficier van niveau B van de bijzondere werving bedoeld in [2 artikel 6]2 van het koninklijk besluit van 7 november 2013. De concrete vorming wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De kandidaat-beroepsofficieren van niveau B volgen de vorming in overeenstemming met de vakrichting waarvoor ze door [1 de DGHR]1 aanvaard werden.
§ 2. De kandidaat-beroepsofficier van niveau B die van de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie de toestemming krijgt om een herexamen af te leggen op het einde van zijn vorming moet dit herexamen afleggen op de datum vastgesteld door, naargelang het geval, de schoolcommandant of de hoofdofficier verantwoordelijk voor de vorming van de kandidaat in het militair organisme waar de kandidaat zijn vorming volgt, zonder dat hem nog aanvullende cursussen worden gegeven. Hij kan de toestemming krijgen om de evaluatieperiode aan te vangen. Het herexamen moet worden afgelegd, ten vroegste, op de vijfde werkdag na de beslissing van de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie en, ten laatste, drie maanden na deze datum.
De kandidaat die door de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie als definitief mislukt wordt beschouwd, verliest van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-beroepsofficier van niveau B.
§ 3. Op het einde van de evaluatieperiode maakt de korpscommandant een evaluatieverslag op betreffende de geschiktheid van de kandidaat om de functies van beroepsofficier van niveau B uit te oefenen.
De kandidaat die door de evaluatiecommissie of de beroepsinstantie als definitief mislukt wordt beschouwd, verliest van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-beroepsofficier van niveau B.
De aanvaarding door [1 de DGHR]1 wordt aan de kandidaat betekend door de DGHR of de overheid die hij aanwijst.
De vorming bedoeld in artikel 118, § 1, eerste lid, van de wet van 28 februari 2007, bestaat uit een gedeelte van de vormingscyclus van kandidaat-beroepsofficier van niveau B van de bijzondere werving bedoeld in [2 artikel 6]2 van het koninklijk besluit van 7 november 2013. De concrete vorming wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De kandidaat-beroepsofficieren van niveau B volgen de vorming in overeenstemming met de vakrichting waarvoor ze door [1 de DGHR]1 aanvaard werden.
§ 2. De kandidaat-beroepsofficier van niveau B die van de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie de toestemming krijgt om een herexamen af te leggen op het einde van zijn vorming moet dit herexamen afleggen op de datum vastgesteld door, naargelang het geval, de schoolcommandant of de hoofdofficier verantwoordelijk voor de vorming van de kandidaat in het militair organisme waar de kandidaat zijn vorming volgt, zonder dat hem nog aanvullende cursussen worden gegeven. Hij kan de toestemming krijgen om de evaluatieperiode aan te vangen. Het herexamen moet worden afgelegd, ten vroegste, op de vijfde werkdag na de beslissing van de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie en, ten laatste, drie maanden na deze datum.
De kandidaat die door de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie als definitief mislukt wordt beschouwd, verliest van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-beroepsofficier van niveau B.
§ 3. Op het einde van de evaluatieperiode maakt de korpscommandant een evaluatieverslag op betreffende de geschiktheid van de kandidaat om de functies van beroepsofficier van niveau B uit te oefenen.
De kandidaat die door de evaluatiecommissie of de beroepsinstantie als definitief mislukt wordt beschouwd, verliest van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-beroepsofficier van niveau B.
Art. 46. § 1er. Le sous-officier BDL du niveau C classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage est agréé par [1 le DGHR]1 en qualité de candidat officier de carrière du niveau B en vue d'effectuer une formation d'une durée de dix-huit mois.
L'agrément par [1 le DGHR]1 est notifié au candidat par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne.
La formation visée à l'article 118, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 28 février 2007, consiste en une partie du cycle de formation de candidat officier de carrière du niveau B du recrutement spécial visé [2 à l'article 6]2 de l'arrêté royal du 7 novembre 2013. La formation concrète est fixée dans un règlement arrêté par le ministre.
Les candidats officiers de carrière du niveau B suivent la formation correspondant à la filière de métier pour laquelle ils ont été agréés par [1 le DGHR]1.
§ 2. Le candidat officier de carrière du niveau B autorisé par la commission de délibération ou l'instance d'appel à présenter un examen de repêchage à la fin de sa formation doit présenter cet examen à la date fixée par, selon le cas, le commandant de l'école ou l'officier supérieur responsable de la formation du candidat au sein de l'organisme militaire où le candidat suit sa formation, sans qu'il lui soit encore donné des cours complémentaires. Il peut obtenir l'autorisation de commencer la période d'évaluation. L'examen de repêchage doit être présenté au plus tôt cinq jours ouvrables après la date de la décision de la commission de délibération ou de l'instance d'appel, et au plus tard trois mois après cette date.
Le candidat qui est considéré par la commission de délibération ou l'instance d'appel comme ayant échoué définitivement, perd de plein droit la qualité de candidat officier de carrière du niveau B.
§ 3. A l'issue de la période d'évaluation, le chef de corps établit un rapport d'évaluation portant sur l'aptitude du candidat à remplir les fonctions d'officier de carrière du niveau B.
Le candidat qui est considéré par la commission d'évaluation ou l'instance d'appel comme ayant échoué définitivement, perd de plein droit la qualité de candidat officier de carrière du niveau B.
L'agrément par [1 le DGHR]1 est notifié au candidat par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne.
La formation visée à l'article 118, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 28 février 2007, consiste en une partie du cycle de formation de candidat officier de carrière du niveau B du recrutement spécial visé [2 à l'article 6]2 de l'arrêté royal du 7 novembre 2013. La formation concrète est fixée dans un règlement arrêté par le ministre.
Les candidats officiers de carrière du niveau B suivent la formation correspondant à la filière de métier pour laquelle ils ont été agréés par [1 le DGHR]1.
§ 2. Le candidat officier de carrière du niveau B autorisé par la commission de délibération ou l'instance d'appel à présenter un examen de repêchage à la fin de sa formation doit présenter cet examen à la date fixée par, selon le cas, le commandant de l'école ou l'officier supérieur responsable de la formation du candidat au sein de l'organisme militaire où le candidat suit sa formation, sans qu'il lui soit encore donné des cours complémentaires. Il peut obtenir l'autorisation de commencer la période d'évaluation. L'examen de repêchage doit être présenté au plus tôt cinq jours ouvrables après la date de la décision de la commission de délibération ou de l'instance d'appel, et au plus tard trois mois après cette date.
Le candidat qui est considéré par la commission de délibération ou l'instance d'appel comme ayant échoué définitivement, perd de plein droit la qualité de candidat officier de carrière du niveau B.
§ 3. A l'issue de la période d'évaluation, le chef de corps établit un rapport d'évaluation portant sur l'aptitude du candidat à remplir les fonctions d'officier de carrière du niveau B.
Le candidat qui est considéré par la commission d'évaluation ou l'instance d'appel comme ayant échoué définitivement, perd de plein droit la qualité de candidat officier de carrière du niveau B.
Art. 47. § 1. De onderofficier BDL van niveau C die als kandidaat-beroepsofficier van niveau B werd aanvaard, wordt door de minister in de graad van adjudant aangesteld bij de aanvang van de vormingscyclus.
§ 2. De kandidaat-beroepsofficier van niveau B wordt, door de Koning, in de graad van onderluitenant aangesteld op de eerste dag van de zesde maand volgend op de maand van zijn aanvaarding door [1 de DGHR]1 als kandidaat-beroepsofficier van niveau B.
§ 3. De kandidaat-beroepsofficier van niveau B wordt door de Koning in de graad van onderluitenant benoemd op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij zijn cyclus basisvorming met goed gevolg heeft beëindigd. De benoeming heeft met terugwerkende kracht uitwerking op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij in deze graad werd aangesteld.
Hij wordt gerangschikt na de officieren BDL van niveau B die, in het kader van een overgang naar de personeelscategorie van de beroepsofficieren van niveau B, op dezelfde datum tot onderluitenant werden benoemd.
§ 2. De kandidaat-beroepsofficier van niveau B wordt, door de Koning, in de graad van onderluitenant aangesteld op de eerste dag van de zesde maand volgend op de maand van zijn aanvaarding door [1 de DGHR]1 als kandidaat-beroepsofficier van niveau B.
§ 3. De kandidaat-beroepsofficier van niveau B wordt door de Koning in de graad van onderluitenant benoemd op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij zijn cyclus basisvorming met goed gevolg heeft beëindigd. De benoeming heeft met terugwerkende kracht uitwerking op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij in deze graad werd aangesteld.
Hij wordt gerangschikt na de officieren BDL van niveau B die, in het kader van een overgang naar de personeelscategorie van de beroepsofficieren van niveau B, op dezelfde datum tot onderluitenant werden benoemd.
Art. 47. § 1er. Le sous-officier BDL du niveau C agréé comme candidat officier de carrière du niveau B est commissionné par le ministre au grade d'adjudant au début du cycle de formation.
§ 2. Le candidat officier de carrière du niveau B est commissionné au grade de sous-lieutenant par le Roi, le premier jour du sixième mois suivant le mois de son agrément par [1 le DGHR]1, comme candidat officier de carrière du niveau B.
§ 3. Le candidat officier de carrière du niveau B est nommé par le Roi au grade de sous-lieutenant le vingt-sixième jour du dernier mois du trimestre au cours duquel il a terminé son cycle de formation de base avec succès. La nomination prend lieu avec effet rétroactif au vingt-sixième jour du dernier mois du trimestre au cours duquel il a été commissionné dans ce grade.
Il est classé après les officiers BDL du niveau B qui, dans le cadre d'un passage vers la catégorie de personnel des officiers de carrière du niveau B, ont été nommés sous-lieutenant à la même date.
§ 2. Le candidat officier de carrière du niveau B est commissionné au grade de sous-lieutenant par le Roi, le premier jour du sixième mois suivant le mois de son agrément par [1 le DGHR]1, comme candidat officier de carrière du niveau B.
§ 3. Le candidat officier de carrière du niveau B est nommé par le Roi au grade de sous-lieutenant le vingt-sixième jour du dernier mois du trimestre au cours duquel il a terminé son cycle de formation de base avec succès. La nomination prend lieu avec effet rétroactif au vingt-sixième jour du dernier mois du trimestre au cours duquel il a été commissionné dans ce grade.
Il est classé après les officiers BDL du niveau B qui, dans le cadre d'un passage vers la catégorie de personnel des officiers de carrière du niveau B, ont été nommés sous-lieutenant à la même date.
Wijzigingen
Art. 48. § 1. De relatieve anciënniteit van diegenen die op dezelfde datum worden benoemd en aan dezelfde vormingscyclus hebben deelgenomen, wordt bepaald door de rangschikking die op het einde van de periode van opleiding wordt opgemaakt op grond van de behaalde einduitslag.
De kandidaten die dezelfde einduitslag bekomen worden gerangschikt volgens afdalende orde van de dienstanciënniteit en in geval van ex-aequo wordt voorrang gegeven aan de oudste.
In geval van slagen na herkansing, komt enkel de einduitslag behaald bij de eerste poging in aanmerking voor het opstellen van de rangschikking.
§ 2. De relatieve anciënniteit van diegenen die op dezelfde datum worden benoemd en die niet aan dezelfde vormingscyclus hebben deelgenomen, wordt bepaald door een enige rangschikking die wordt opgemaakt op basis van de verschillende rangschikkingen opgesteld overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 1 en waarin de officieren die verschillende vormingscyclussen hebben gevolgd in verhouding tot hun aantal om beurten zijn opgenomen.
De zo opgemaakte enige rangschikking mag echter niet tot gevolg hebben dat een officier wordt gerangschikt vóór een andere officier wiens einduitslag meer dan tien procent van het totaal der punten hoger is dan het zijne.
De kandidaten die dezelfde einduitslag bekomen worden gerangschikt volgens afdalende orde van de dienstanciënniteit en in geval van ex-aequo wordt voorrang gegeven aan de oudste.
In geval van slagen na herkansing, komt enkel de einduitslag behaald bij de eerste poging in aanmerking voor het opstellen van de rangschikking.
§ 2. De relatieve anciënniteit van diegenen die op dezelfde datum worden benoemd en die niet aan dezelfde vormingscyclus hebben deelgenomen, wordt bepaald door een enige rangschikking die wordt opgemaakt op basis van de verschillende rangschikkingen opgesteld overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 1 en waarin de officieren die verschillende vormingscyclussen hebben gevolgd in verhouding tot hun aantal om beurten zijn opgenomen.
De zo opgemaakte enige rangschikking mag echter niet tot gevolg hebben dat een officier wordt gerangschikt vóór een andere officier wiens einduitslag meer dan tien procent van het totaal der punten hoger is dan het zijne.
Art. 48. § 1er. L'ancienneté relative de ceux qui sont nommés à la même date et qui ont participé au même cycle de formation, est déterminée par le classement établi à la fin de la période d'instruction sur la base du résultat final obtenu.
Les candidats qui obtiennent la même note finale sont classés dans l'ordre décroissant de leur ancienneté de service et en cas d'ex-aequo, priorité est donnée au plus âgé.
En cas de réussite après repêchage, seul le résultat final obtenu au premier essai intervient pour l'établissement du classement.
§ 2. L'ancienneté relative de ceux qui sont nommés à la même date et qui n'ont pas participé au même cycle de formation est déterminée par un classement unique établi sur la base des différents classements établis conformément au paragraphe 1er et dans lequel les officiers qui ont suivi des cycles de formations différents alternent proportionnellement à leur nombre.
Le classement unique ainsi établi ne peut toutefois avoir pour effet de classer un officier avant un autre officier dont le résultat final est supérieur au sien de plus de dix pour cent du total des points.
Les candidats qui obtiennent la même note finale sont classés dans l'ordre décroissant de leur ancienneté de service et en cas d'ex-aequo, priorité est donnée au plus âgé.
En cas de réussite après repêchage, seul le résultat final obtenu au premier essai intervient pour l'établissement du classement.
§ 2. L'ancienneté relative de ceux qui sont nommés à la même date et qui n'ont pas participé au même cycle de formation est déterminée par un classement unique établi sur la base des différents classements établis conformément au paragraphe 1er et dans lequel les officiers qui ont suivi des cycles de formations différents alternent proportionnellement à leur nombre.
Le classement unique ainsi établi ne peut toutefois avoir pour effet de classer un officier avant un autre officier dont le résultat final est supérieur au sien de plus de dix pour cent du total des points.
Afdeling 5. - De promotie op diploma van de onderofficier BDL van niveau B naar beroepsofficier van niveau A
Section 5. - De la promotion sur diplôme du sous-officier BDL du niveau B vers officier de carrière du niveau A
Art. 49. Met het oog op zijn promotie op diploma kan de onderofficier BDL van niveau B door [1 de DGHR]1 aanvaard worden als kandidaat-beroepsofficier van niveau A indien hij aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° [3 ...]3
2° geslaagd zijn voor de militaire tests van lichamelijke geschiktheid volgens de criteria bepaald door de minister;
3° voor de onderofficier die voor een functie bij de marine solliciteert, medisch geschikt zijn voor dienst op zee;
4° houder zijn van een master of van een gelijkwaardig diploma of getuigschrift vóór de afsluitingsdatum van de inschrijvingen voor de promotie op diploma;
5° geslaagd zijn voor volgende taalexamens [4 vóór de afsluitingsdatum van de inschrijvingen]4:
a) het examen over de grondige kennis van de Nederlandse of van de Franse taal bepaald in artikel 2 van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger;
b) het examen over de wezenlijke kennis van de andere taal, [4 bedoeld]4 in de artikelen 3 en 4 van dezelfde wet;
6° niet afgewezen worden door, de DGHR of de autoriteit die hij aanwijst;
7° batig gerangschikt worden bij de overgangsproef, bedoeld in artikel 19, derde lid, 3°, van de wet, binnen de grenzen van het aantal opengestelde plaatsen.
Overeenkomstig het eerste lid, 6°, kan de DGHR, of de autoriteit die hij aanwijst, een kandidatuur afwijzen op basis van het persoonlijk dossier van de betrokken militair. Het geheel van de beoordelingselementen die in beschouwing kunnen worden genomen wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
[2 De overgangsproef bedoeld in het eerste lid, 7°, omvat de beoordeling van de waarde van de kandidaat door het selectiecomité bedoeld in artikel 20 en, naargelang het geval, psychotechnische proeven.]2
1° [3 ...]3
2° geslaagd zijn voor de militaire tests van lichamelijke geschiktheid volgens de criteria bepaald door de minister;
3° voor de onderofficier die voor een functie bij de marine solliciteert, medisch geschikt zijn voor dienst op zee;
4° houder zijn van een master of van een gelijkwaardig diploma of getuigschrift vóór de afsluitingsdatum van de inschrijvingen voor de promotie op diploma;
5° geslaagd zijn voor volgende taalexamens [4 vóór de afsluitingsdatum van de inschrijvingen]4:
a) het examen over de grondige kennis van de Nederlandse of van de Franse taal bepaald in artikel 2 van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger;
b) het examen over de wezenlijke kennis van de andere taal, [4 bedoeld]4 in de artikelen 3 en 4 van dezelfde wet;
6° niet afgewezen worden door, de DGHR of de autoriteit die hij aanwijst;
7° batig gerangschikt worden bij de overgangsproef, bedoeld in artikel 19, derde lid, 3°, van de wet, binnen de grenzen van het aantal opengestelde plaatsen.
Overeenkomstig het eerste lid, 6°, kan de DGHR, of de autoriteit die hij aanwijst, een kandidatuur afwijzen op basis van het persoonlijk dossier van de betrokken militair. Het geheel van de beoordelingselementen die in beschouwing kunnen worden genomen wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
[2 De overgangsproef bedoeld in het eerste lid, 7°, omvat de beoordeling van de waarde van de kandidaat door het selectiecomité bedoeld in artikel 20 en, naargelang het geval, psychotechnische proeven.]2
Art. 49. En vue de sa promotion sur diplôme, le sous-officier BDL du niveau B peut être agréé par [1 le DGHR]1 comme candidat officier de carrière du niveau A s'il satisfait aux conditions suivantes :
1° [3 ...]3
2° avoir réussi les tests militaires d'aptitude physique selon les critères fixés par le ministre;
3° pour le sous-officier qui postule pour une fonction à la marine, être médicalement apte au service en mer;
4° être titulaire d'un master ou d'un diplôme ou certificat équivalent avant la date de clôture des inscriptions à la promotion sur diplôme;
5° avoir réussi les examens linguistiques suivants [4 avant la date de clôture des inscriptions]4:
a) l'examen sur la connaissance approfondie de la langue néerlandaise ou française défini à l'article 2 de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée;
b) l'examen sur la connaissance effective de l'autre langue, [4 visé]4 aux articles 3 et 4 de la même loi;
6° ne pas être refusé, par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne;
7° être classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage, visée à l'article 19, alinéa 3, 3°, de la loi, dans les limites du nombre de places ouvertes.
Le DGHR, ou l'autorité qu'il désigne, peut refuser une candidature conformément à l'alinéa 1er, 6°, sur la base du dossier personnel du militaire concerné. L'ensemble des éléments d'appréciation qui peuvent être pris en considération est fixé dans un règlement arrêté par le ministre.
[2 L'épreuve de passage visée à l'alinéa 1er, 7°, comprend l'appréciation de la valeur du candidat par le comité de sélection visé à l'article 20 et, selon le cas, des épreuves psychotechniques.]2
1° [3 ...]3
2° avoir réussi les tests militaires d'aptitude physique selon les critères fixés par le ministre;
3° pour le sous-officier qui postule pour une fonction à la marine, être médicalement apte au service en mer;
4° être titulaire d'un master ou d'un diplôme ou certificat équivalent avant la date de clôture des inscriptions à la promotion sur diplôme;
5° avoir réussi les examens linguistiques suivants [4 avant la date de clôture des inscriptions]4:
a) l'examen sur la connaissance approfondie de la langue néerlandaise ou française défini à l'article 2 de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée;
b) l'examen sur la connaissance effective de l'autre langue, [4 visé]4 aux articles 3 et 4 de la même loi;
6° ne pas être refusé, par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne;
7° être classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage, visée à l'article 19, alinéa 3, 3°, de la loi, dans les limites du nombre de places ouvertes.
Le DGHR, ou l'autorité qu'il désigne, peut refuser une candidature conformément à l'alinéa 1er, 6°, sur la base du dossier personnel du militaire concerné. L'ensemble des éléments d'appréciation qui peuvent être pris en considération est fixé dans un règlement arrêté par le ministre.
[2 L'épreuve de passage visée à l'alinéa 1er, 7°, comprend l'appréciation de la valeur du candidat par le comité de sélection visé à l'article 20 et, selon le cas, des épreuves psychotechniques.]2
Art. 50. De [1 eenheidscommandant]1 brengt een advies uit over de wijze van dienen en de geschiktheid om dienst te doen in de categorie van de beroepsofficieren van niveau A van de onderofficier BDL van niveau B die zich kandidaat stelt en aan de voorwaarden bedoeld in artikel 49, eerste lid, 1° tot 5°, voldoet.
Het advies wordt uitgedrukt door de beoordeling "Gunstig" of "Ongunstig". De beoordeling "Gunstig" wordt aangevuld met één der volgende vermeldingen : uitstekend, zeer goed, goed, tamelijk goed.
Elk advies moet met redenen omkleed zijn en aan de betrokkene worden betekend. Deze kan binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving een verweerschrift indienen bij de [1 eenheidscommandant]1 tegen de beoordeling of de vermelding bedoeld in het tweede lid. Naar aanleiding van het verweerschrift kan deze laatste zijn advies of de eraan verbonden vermelding wijzigen. De [1 eenheidscommandant]1 stelt betrokken militair in kennis indien hij desbetreffende beoordeling of vermelding wijzigt of bevestigt.
Het advies wordt aan de DGHR overgemaakt, langs de onmiddellijk hogere hiërarchische overheid. Elke beoordeling in ongunstige zin uitgebracht door deze overheid wordt aan de betrokkene betekend vooraleer ze wordt toegezonden aan de DGHR, eventueel vergezeld van een verweerschrift ingediend binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving.
De DGHR of de autoriteit die hij aanwijst, aanvaardt of verwerpt de kandidatuur. De beslissing wordt aan de betrokkene betekend.
Het advies wordt uitgedrukt door de beoordeling "Gunstig" of "Ongunstig". De beoordeling "Gunstig" wordt aangevuld met één der volgende vermeldingen : uitstekend, zeer goed, goed, tamelijk goed.
Elk advies moet met redenen omkleed zijn en aan de betrokkene worden betekend. Deze kan binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving een verweerschrift indienen bij de [1 eenheidscommandant]1 tegen de beoordeling of de vermelding bedoeld in het tweede lid. Naar aanleiding van het verweerschrift kan deze laatste zijn advies of de eraan verbonden vermelding wijzigen. De [1 eenheidscommandant]1 stelt betrokken militair in kennis indien hij desbetreffende beoordeling of vermelding wijzigt of bevestigt.
Het advies wordt aan de DGHR overgemaakt, langs de onmiddellijk hogere hiërarchische overheid. Elke beoordeling in ongunstige zin uitgebracht door deze overheid wordt aan de betrokkene betekend vooraleer ze wordt toegezonden aan de DGHR, eventueel vergezeld van een verweerschrift ingediend binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving.
De DGHR of de autoriteit die hij aanwijst, aanvaardt of verwerpt de kandidatuur. De beslissing wordt aan de betrokkene betekend.
Art. 50. Le [1 commandant d'unité]1 émet un avis quant à la manière de servir et à l'aptitude à servir dans la catégorie des officiers de carrière du niveau A du sous-officier BDL du niveau B qui pose sa candidature et qui satisfait aux conditions visées à l'article 49, alinéa 1er, 1° à 5°.
L'avis est exprimé par l'appréciation "Favorable" ou "Défavorable". L'appréciation "Favorable" est complétée par une des mentions suivantes : excellent, très bon, bon, assez bon.
Tout avis doit être motivé et notifié à l'intéressé. Dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification, celui-ci peut introduire un mémoire auprès du [1 commandant d'unité]1 contre une appréciation ou mention visée à l'alinéa 2. A la suite du mémoire, ce dernier peut modifier son avis ou la mention y relative. Le [1 commandant d'unité]1 notifie au militaire concerné s'il modifie ou confirme l'appréciation ou la mention concernée.
L'avis est transmis au DGHR par la voie de l'autorité hiérarchique immédiatement supérieure. Toute appréciation dans un sens défavorable émise par cette autorité est notifiée à l'intéressé avant d'être transmise au DGHR, éventuellement accompagnée d'un mémoire introduit dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification.
Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne, agrée ou rejette la candidature. La décision est notifiée à l'intéressé.
L'avis est exprimé par l'appréciation "Favorable" ou "Défavorable". L'appréciation "Favorable" est complétée par une des mentions suivantes : excellent, très bon, bon, assez bon.
Tout avis doit être motivé et notifié à l'intéressé. Dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification, celui-ci peut introduire un mémoire auprès du [1 commandant d'unité]1 contre une appréciation ou mention visée à l'alinéa 2. A la suite du mémoire, ce dernier peut modifier son avis ou la mention y relative. Le [1 commandant d'unité]1 notifie au militaire concerné s'il modifie ou confirme l'appréciation ou la mention concernée.
L'avis est transmis au DGHR par la voie de l'autorité hiérarchique immédiatement supérieure. Toute appréciation dans un sens défavorable émise par cette autorité est notifiée à l'intéressé avant d'être transmise au DGHR, éventuellement accompagnée d'un mémoire introduit dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification.
Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne, agrée ou rejette la candidature. La décision est notifiée à l'intéressé.
Wijzigingen
Art. 51. [1 Naargelang het geval, legt de onderofficier BDL van niveau B psychotechnische proeven af.]1 Deze proeven hebben tot doel te beoordelen of de betrokkene de vereiste karakteriële hoedanigheden en het vereiste intellectueel potentieel bezit.
[1 De onderofficier BDL van niveau B die een cijfer heeft behaald dat lager is dan de uitsluitingsdrempel bedoeld in artikel 26, § 4, van het voornoemde koninklijk besluit van 11 september 2003, wordt evenwel niet gerangschikt.]1
De nadere uitvoeringsregels betreffende de psychotechnische proeven worden bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
[1 De onderofficier BDL van niveau B die een cijfer heeft behaald dat lager is dan de uitsluitingsdrempel bedoeld in artikel 26, § 4, van het voornoemde koninklijk besluit van 11 september 2003, wordt evenwel niet gerangschikt.]1
De nadere uitvoeringsregels betreffende de psychotechnische proeven worden bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
Art. 51. [1 Selon le cas, le sous-officier BDL du niveau B présente des épreuves psychotechniques.]1 Ces épreuves ont pour but d'apprécier si l'intéressé possède les qualités caractérielles et le potentiel intellectuel exigés.
[1 Toutefois, le sous-officier BDL du niveau B, qui a obtenu une note inférieure au seuil d'exclusion visé à l'article 26, § 4, de l'arrêté royal du 11 septembre 2003 précité, n'est pas classé.]1
Les modalités d'exécution relatives aux épreuves psychotechniques sont fixées dans un règlement arrêté par le ministre.
[1 Toutefois, le sous-officier BDL du niveau B, qui a obtenu une note inférieure au seuil d'exclusion visé à l'article 26, § 4, de l'arrêté royal du 11 septembre 2003 précité, n'est pas classé.]1
Les modalités d'exécution relatives aux épreuves psychotechniques sont fixées dans un règlement arrêté par le ministre.
Wijzigingen
Art. 52. [1 Voor het opmaken van de rangschikking van de onderofficieren BDL van niveau B houdt het selectiecomité rekening met de waarde van de kandidaat, beoordeeld door het selectiecomité op grond van de krachtens artikel 50 uitgebrachte adviezen en van de inhoud van zijn persoonlijk dossier, berekend op 100 punten, overeenkomstig de procedure bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.]1
De kandidaat die niet ten minste de helft van de punten behaalt voor de beoordeling van zijn waarde, wordt evenwel niet gerangschikt.
Het selectiecomité weerhoudt de kandidaten met inachtneming van de opgestelde rangschikking en van het aantal beschikbare plaatsen per vakrichting, per taalstelsel en, naargelang het geval, per krijgsmachtdeel.
Indien twee kandidaten hetzelfde puntentotaal behalen, wordt voorrang gegeven :
1° aan de kandidaat met de hoogste graad;
2° bij gelijke graad, aan deze met de meeste anciënniteit in de graad;
3° bij gelijke graad en anciënniteit, aan diegene waarvan de kandidatuur het grootst aantal keren afgewezen werd;
4° bij gelijke graad, bij gelijke anciënniteit en bij hetzelfde aantal afwijzingen, aan de oudste.
De niet-rangschikking of de al dan niet batige rangschikking bij de overgangsproef wordt aan de kandidaat betekend door de voorzitter van het selectiecomité.
De kandidaat die niet ten minste de helft van de punten behaalt voor de beoordeling van zijn waarde, wordt evenwel niet gerangschikt.
Het selectiecomité weerhoudt de kandidaten met inachtneming van de opgestelde rangschikking en van het aantal beschikbare plaatsen per vakrichting, per taalstelsel en, naargelang het geval, per krijgsmachtdeel.
Indien twee kandidaten hetzelfde puntentotaal behalen, wordt voorrang gegeven :
1° aan de kandidaat met de hoogste graad;
2° bij gelijke graad, aan deze met de meeste anciënniteit in de graad;
3° bij gelijke graad en anciënniteit, aan diegene waarvan de kandidatuur het grootst aantal keren afgewezen werd;
4° bij gelijke graad, bij gelijke anciënniteit en bij hetzelfde aantal afwijzingen, aan de oudste.
De niet-rangschikking of de al dan niet batige rangschikking bij de overgangsproef wordt aan de kandidaat betekend door de voorzitter van het selectiecomité.
Art. 52. [1 Pour l'établissement du classement des sous-officiers BDL du niveau B, le comité de sélection tient compte de la valeur du candidat, appréciée par le comité de sélection sur la base des avis émis en vertu de l'article 50 et du contenu de son dossier personnel, calculée sur 100 points, selon la procédure fixée dans un règlement arrêté par le ministre.]1
Toutefois, le candidat qui n'obtient pas au moins la moitié des points pour l'appréciation de sa valeur, n'est pas classé.
Le comité de sélection retient les candidats dans l'ordre de classement établi et à concurrence du nombre de places disponibles par filière de métier, par régime linguistique et, le cas échéant, par force.
Si deux candidats obtiennent le même total de points, il est donné priorité :
1° au candidat le plus gradé;
2° à grade égal, au plus ancien dans le grade;
3° à grade égal et à ancienneté égale, à celui dont la candidature a été refusée le nombre le plus élevé de fois;
4° à grade égal, à ancienneté égale et à nombre de refus égal, au plus âgé.
Le non-classement ou le classement en ordre utile ou non lors de l'épreuve de passage est notifié au candidat par le président du comité de sélection.
Toutefois, le candidat qui n'obtient pas au moins la moitié des points pour l'appréciation de sa valeur, n'est pas classé.
Le comité de sélection retient les candidats dans l'ordre de classement établi et à concurrence du nombre de places disponibles par filière de métier, par régime linguistique et, le cas échéant, par force.
Si deux candidats obtiennent le même total de points, il est donné priorité :
1° au candidat le plus gradé;
2° à grade égal, au plus ancien dans le grade;
3° à grade égal et à ancienneté égale, à celui dont la candidature a été refusée le nombre le plus élevé de fois;
4° à grade égal, à ancienneté égale et à nombre de refus égal, au plus âgé.
Le non-classement ou le classement en ordre utile ou non lors de l'épreuve de passage est notifié au candidat par le président du comité de sélection.
Wijzigingen
Art. 53. § 1. De bij de overgangsproef batig gerangschikte onderofficier BDL van niveau B wordt met het oog op het volbrengen van een vorming met een duur van achttien maanden door [1 de DGHR]1 aanvaard als kandidaat-beroepsofficier van niveau A.
De aanvaarding door [1 de DGHR]1 wordt aan de kandidaat betekend door de DGHR of de overheid die hij aanwijst.
De vorming bestaat uit een gedeelte van de vormingscyclus van kandidaat-beroepsofficier van niveau A van de bijzondere werving bedoeld in de artikelen 6 en 11 van het koninklijk besluit van 7 november 2013. De concrete vorming wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De kandidaat-beroepsofficieren van niveau A volgen de vorming in overeenstemming met de vakrichting waarvoor ze door [1 de DGHR]1 aanvaard werden.
§ 2. De kandidaat-beroepsofficier van niveau A die van de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie de toestemming krijgt om een herexamen af te leggen op het einde van zijn vorming moet dit herexamen afleggen op de datum vastgesteld door, naargelang het geval, de schoolcommandant of de hoofdofficier verantwoordelijk voor de vorming van de kandidaat in het militair organisme waar de kandidaat zijn vorming volgt, zonder dat hem nog aanvullende cursussen worden gegeven. Hij kan de toestemming krijgen om de evaluatieperiode aan te vangen. Het herexamen moet worden afgelegd, ten vroegste, op de vijfde werkdag na de beslissing van de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie en, ten laatste, drie maanden na deze datum.
De kandidaat die door de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie als definitief mislukt wordt beschouwd, verliest van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-beroepsofficier van niveau A.
§ 3. Op het einde van de evaluatieperiode maakt de korpscommandant een evaluatieverslag op betreffende de geschiktheid van de kandidaat om de functies van beroepsofficier van niveau A uit te oefenen.
De kandidaat die door de evaluatiecommissie of de beroepsinstantie als definitief mislukt wordt beschouwd, verliest van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-beroepsofficier van niveau A.
De aanvaarding door [1 de DGHR]1 wordt aan de kandidaat betekend door de DGHR of de overheid die hij aanwijst.
De vorming bestaat uit een gedeelte van de vormingscyclus van kandidaat-beroepsofficier van niveau A van de bijzondere werving bedoeld in de artikelen 6 en 11 van het koninklijk besluit van 7 november 2013. De concrete vorming wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De kandidaat-beroepsofficieren van niveau A volgen de vorming in overeenstemming met de vakrichting waarvoor ze door [1 de DGHR]1 aanvaard werden.
§ 2. De kandidaat-beroepsofficier van niveau A die van de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie de toestemming krijgt om een herexamen af te leggen op het einde van zijn vorming moet dit herexamen afleggen op de datum vastgesteld door, naargelang het geval, de schoolcommandant of de hoofdofficier verantwoordelijk voor de vorming van de kandidaat in het militair organisme waar de kandidaat zijn vorming volgt, zonder dat hem nog aanvullende cursussen worden gegeven. Hij kan de toestemming krijgen om de evaluatieperiode aan te vangen. Het herexamen moet worden afgelegd, ten vroegste, op de vijfde werkdag na de beslissing van de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie en, ten laatste, drie maanden na deze datum.
De kandidaat die door de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie als definitief mislukt wordt beschouwd, verliest van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-beroepsofficier van niveau A.
§ 3. Op het einde van de evaluatieperiode maakt de korpscommandant een evaluatieverslag op betreffende de geschiktheid van de kandidaat om de functies van beroepsofficier van niveau A uit te oefenen.
De kandidaat die door de evaluatiecommissie of de beroepsinstantie als definitief mislukt wordt beschouwd, verliest van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-beroepsofficier van niveau A.
Art. 53. § 1er. Le sous-officier BDL du niveau B classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage est agréé par [1 le DGHR]1 en qualité de candidat officier de carrière du niveau A en vue d'effectuer une formation d'une durée de dix-huit mois.
L'agrément par [1 le DGHR]1 est notifié au candidat par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne.
La formation consiste en une partie du cycle de formation de candidat officier de carrière du niveau A du recrutement spécial visé aux articles 6 et 11 de l'arrêté royal du 7 novembre 2013. La formation concrète est fixée dans un règlement arrêté par le ministre.
Les candidats officiers de carrière du niveau A suivent la formation correspondant à la filière de métier pour laquelle ils ont été agréés par le [1 le DGHR]1.
§ 2. Le candidat officier de carrière du niveau A autorisé par la commission de délibération ou l'instance d'appel de présenter un examen de repêchage à la fin de sa formation doit présenter cet examen à la date fixée par, selon le cas, le commandant de l'école ou l'officier supérieur responsable de la formation du candidat au sein de l'organisme militaire où le candidat suit sa formation, sans qu'il lui soit encore donné des cours complémentaires. Il peut obtenir l'autorisation de commencer la période d'évaluation. L'examen de repêchage doit être présenté au plus tôt cinq jours ouvrables après la date de la décision de la commission de délibération ou de l'instance d'appel, et au plus tard trois mois après cette date.
Le candidat qui est considéré par la commission de délibération ou l'instance d'appel comme ayant échoué définitivement, perd de plein droit la qualité de candidat officier de carrière du niveau A.
§ 3. A l'issue de la période d'évaluation, le chef de corps établit un rapport d'évaluation portant sur l'aptitude du candidat à remplir les fonctions d`officier de carrière du niveau A.
Le candidat qui est considéré par la commission d'évaluation ou l'instance d'appel comme ayant échoué définitivement, perd de plein droit la qualité de candidat officier de carrière du niveau A.
L'agrément par [1 le DGHR]1 est notifié au candidat par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne.
La formation consiste en une partie du cycle de formation de candidat officier de carrière du niveau A du recrutement spécial visé aux articles 6 et 11 de l'arrêté royal du 7 novembre 2013. La formation concrète est fixée dans un règlement arrêté par le ministre.
Les candidats officiers de carrière du niveau A suivent la formation correspondant à la filière de métier pour laquelle ils ont été agréés par le [1 le DGHR]1.
§ 2. Le candidat officier de carrière du niveau A autorisé par la commission de délibération ou l'instance d'appel de présenter un examen de repêchage à la fin de sa formation doit présenter cet examen à la date fixée par, selon le cas, le commandant de l'école ou l'officier supérieur responsable de la formation du candidat au sein de l'organisme militaire où le candidat suit sa formation, sans qu'il lui soit encore donné des cours complémentaires. Il peut obtenir l'autorisation de commencer la période d'évaluation. L'examen de repêchage doit être présenté au plus tôt cinq jours ouvrables après la date de la décision de la commission de délibération ou de l'instance d'appel, et au plus tard trois mois après cette date.
Le candidat qui est considéré par la commission de délibération ou l'instance d'appel comme ayant échoué définitivement, perd de plein droit la qualité de candidat officier de carrière du niveau A.
§ 3. A l'issue de la période d'évaluation, le chef de corps établit un rapport d'évaluation portant sur l'aptitude du candidat à remplir les fonctions d`officier de carrière du niveau A.
Le candidat qui est considéré par la commission d'évaluation ou l'instance d'appel comme ayant échoué définitivement, perd de plein droit la qualité de candidat officier de carrière du niveau A.
Wijzigingen
Art. 54. § 1. De onderofficier BDL van niveau B die als kandidaat-beroepsofficier van niveau A werd aanvaard, wordt door de minister in de graad van adjudant aangesteld bij de aanvang van de vormingscyclus, indien hij nog niet met deze graad bekleed is.
§ 2. De kandidaat-beroepsofficier van niveau A wordt, door de Koning, in de graad van onderluitenant aangesteld op de eerste dag van de zesde maand volgend op de maand van zijn aanvaarding door [2 de DGHR]2 als kandidaat- beroepsofficier van niveau A.
§ 3. De kandidaat-beroepsofficier van niveau A wordt door de Koning in de graad van onderluitenant benoemd op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij zijn cyclus basisvorming met goed gevolg heeft beëindigd. De benoeming heeft met terugwerkende kracht uitwerking op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij in deze graad werd aangesteld.
Hij wordt gerangschikt na de officieren BDL van niveau B die, in het kader van een promotie op diploma naar de personeelscategorie van de [1 beroepsofficieren]1 van niveau A, op dezelfde datum tot onderluitenant werden benoemd.
§ 2. De kandidaat-beroepsofficier van niveau A wordt, door de Koning, in de graad van onderluitenant aangesteld op de eerste dag van de zesde maand volgend op de maand van zijn aanvaarding door [2 de DGHR]2 als kandidaat- beroepsofficier van niveau A.
§ 3. De kandidaat-beroepsofficier van niveau A wordt door de Koning in de graad van onderluitenant benoemd op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij zijn cyclus basisvorming met goed gevolg heeft beëindigd. De benoeming heeft met terugwerkende kracht uitwerking op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij in deze graad werd aangesteld.
Hij wordt gerangschikt na de officieren BDL van niveau B die, in het kader van een promotie op diploma naar de personeelscategorie van de [1 beroepsofficieren]1 van niveau A, op dezelfde datum tot onderluitenant werden benoemd.
Art. 54. § 1er. Le sous-officier BDL du niveau B agréé comme candidat officier de carrière du niveau A, est commissionné par le ministre au grade d'adjudant au début du cycle de formation, s'il n'est pas encore revêtu de ce grade.
§ 2. Le candidat officier de carrière du niveau A est commissionné au grade de sous-lieutenant par le Roi, le premier jour du sixième mois qui suit le mois de son agrément par [1 le DGHR]1 comme candidat officier de carrière du niveau A.
§ 3. Le candidat officier de carrière du niveau A est nommé par le Roi au grade de sous-lieutenant le vingt-sixième jour du dernier mois du trimestre au cours duquel il a terminé son cycle de formation de base avec succès. La nomination prend lieu avec effet rétroactif au vingt-sixième jour du dernier mois du trimestre au cours duquel il a été commissionné dans ce grade.
Il est classé après les officiers BDL du niveau B qui, dans le cadre d'une promotion sur diplôme vers la catégorie de personnel des officiers de carrière du niveau A, ont été nommés sous-lieutenant à la même date.
§ 2. Le candidat officier de carrière du niveau A est commissionné au grade de sous-lieutenant par le Roi, le premier jour du sixième mois qui suit le mois de son agrément par [1 le DGHR]1 comme candidat officier de carrière du niveau A.
§ 3. Le candidat officier de carrière du niveau A est nommé par le Roi au grade de sous-lieutenant le vingt-sixième jour du dernier mois du trimestre au cours duquel il a terminé son cycle de formation de base avec succès. La nomination prend lieu avec effet rétroactif au vingt-sixième jour du dernier mois du trimestre au cours duquel il a été commissionné dans ce grade.
Il est classé après les officiers BDL du niveau B qui, dans le cadre d'une promotion sur diplôme vers la catégorie de personnel des officiers de carrière du niveau A, ont été nommés sous-lieutenant à la même date.
Wijzigingen
Art. 55. § 1. De relatieve anciënniteit van diegenen die op dezelfde datum worden benoemd en aan dezelfde vormingscyclus hebben deelgenomen, wordt bepaald door de rangschikking die op het einde van de periode van opleiding wordt opgemaakt op grond van de behaalde einduitslag.
De kandidaten die dezelfde einduitslag bekomen worden gerangschikt volgens afdalende orde van de dienstanciënniteit en in geval van ex-aequo wordt voorrang gegeven aan de oudste.
In geval van slagen na herkansing, komt enkel de einduitslag behaald bij de eerste poging in aanmerking voor het opstellen van de rangschikking.
§ 2. De relatieve anciënniteit van diegenen die op dezelfde datum worden benoemd en die niet aan dezelfde vormingscyclus hebben deelgenomen, wordt bepaald door een enige rangschikking die wordt opgemaakt op basis van de verschillende rangschikkingen opgesteld overeenkomstig de bepalingen van § 1 en waarin de officieren die verschillende vormingscyclussen hebben gevolgd in verhouding tot hun aantal om beurten zijn opgenomen.
De zo opgemaakte enige rangschikking mag echter niet tot gevolg hebben dat een officier wordt gerangschikt vóór een andere officier wiens einduitslag meer dan tien procent van het totaal der punten hoger is dan het zijne.
De kandidaten die dezelfde einduitslag bekomen worden gerangschikt volgens afdalende orde van de dienstanciënniteit en in geval van ex-aequo wordt voorrang gegeven aan de oudste.
In geval van slagen na herkansing, komt enkel de einduitslag behaald bij de eerste poging in aanmerking voor het opstellen van de rangschikking.
§ 2. De relatieve anciënniteit van diegenen die op dezelfde datum worden benoemd en die niet aan dezelfde vormingscyclus hebben deelgenomen, wordt bepaald door een enige rangschikking die wordt opgemaakt op basis van de verschillende rangschikkingen opgesteld overeenkomstig de bepalingen van § 1 en waarin de officieren die verschillende vormingscyclussen hebben gevolgd in verhouding tot hun aantal om beurten zijn opgenomen.
De zo opgemaakte enige rangschikking mag echter niet tot gevolg hebben dat een officier wordt gerangschikt vóór een andere officier wiens einduitslag meer dan tien procent van het totaal der punten hoger is dan het zijne.
Art. 55. § 1er. L'ancienneté relative de ceux qui sont nommés à la même date et qui ont participé au même cycle de formation, est déterminée par le classement établi à la fin de la période d'instruction sur la base du résultat final obtenu.
Les candidats qui obtiennent la même note finale sont classés dans l'ordre décroissant de leur ancienneté de service et en cas d'ex-aequo, priorité est donnée au plus âgé.
En cas de réussite après repêchage, seul le résultat final obtenu au premier essai intervient pour l'établissement du classement.
§ 2. L'ancienneté relative de ceux qui sont nommés à la même date et qui n'ont pas participé au même cycle de formation est déterminée par un classement unique établi sur la base des différents classements établis conformément au § 1er et dans lequel les officiers qui ont suivi des cycles de formations différents alternent proportionnellement à leur nombre.
Le classement unique ainsi établi ne peut toutefois avoir pour effet de classer un officier avant un autre officier dont le résultat final est supérieur au sien de plus de dix pour cent du total des points.
Les candidats qui obtiennent la même note finale sont classés dans l'ordre décroissant de leur ancienneté de service et en cas d'ex-aequo, priorité est donnée au plus âgé.
En cas de réussite après repêchage, seul le résultat final obtenu au premier essai intervient pour l'établissement du classement.
§ 2. L'ancienneté relative de ceux qui sont nommés à la même date et qui n'ont pas participé au même cycle de formation est déterminée par un classement unique établi sur la base des différents classements établis conformément au § 1er et dans lequel les officiers qui ont suivi des cycles de formations différents alternent proportionnellement à leur nombre.
Le classement unique ainsi établi ne peut toutefois avoir pour effet de classer un officier avant un autre officier dont le résultat final est supérieur au sien de plus de dix pour cent du total des points.
Afdeling 6. - De promotie op diploma van de officier BDL van niveau B naar beroepsofficier van niveau A
Section 6. - De la promotion sur diplôme de l'officier BDL du niveau B vers officier de carrière du niveau A
Art. 56. Met het oog op zijn promotie op diploma, kan de officier BDL van niveau B door [1 de DGHR]1 aanvaard worden [2 als beroepsofficier]2 van niveau A indien hij aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° [2 ...]2
2° geslaagd zijn voor de militaire tests van lichamelijke geschiktheid volgens de criteria bepaald door de minister;
3° voor de officier die voor een functie bij de marine solliciteert, medisch geschikt zijn voor dienst op zee;
4° houder zijn van een master of van een gelijkwaardig diploma of getuigschrift vóór de afsluitingsdatum van de inschrijvingen voor de promotie op diploma;
5° niet afgewezen worden, door de DGHR of de overheid die hij aanwijst;
6° batig gerangschikt worden bij de overgangsproef, bedoeld in artikel 19, derde lid, 3°, van de wet, binnen de grenzen van het aantal opengestelde plaatsen.
Overeenkomstig het eerste lid, 5°, kan de DGHR, of de autoriteit die hij aanwijst, een kandidatuur afwijzen op basis van het persoonlijk dossier van de betrokken militair. Het geheel van de beoordelingselementen die in beschouwing kunnen worden genomen wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De overgangsproef bedoeld in het eerste lid, 6°, omvat de beoordeling van de waarde van de kandidaat door het selectiecomité bedoeld in artikel 20.
1° [2 ...]2
2° geslaagd zijn voor de militaire tests van lichamelijke geschiktheid volgens de criteria bepaald door de minister;
3° voor de officier die voor een functie bij de marine solliciteert, medisch geschikt zijn voor dienst op zee;
4° houder zijn van een master of van een gelijkwaardig diploma of getuigschrift vóór de afsluitingsdatum van de inschrijvingen voor de promotie op diploma;
5° niet afgewezen worden, door de DGHR of de overheid die hij aanwijst;
6° batig gerangschikt worden bij de overgangsproef, bedoeld in artikel 19, derde lid, 3°, van de wet, binnen de grenzen van het aantal opengestelde plaatsen.
Overeenkomstig het eerste lid, 5°, kan de DGHR, of de autoriteit die hij aanwijst, een kandidatuur afwijzen op basis van het persoonlijk dossier van de betrokken militair. Het geheel van de beoordelingselementen die in beschouwing kunnen worden genomen wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De overgangsproef bedoeld in het eerste lid, 6°, omvat de beoordeling van de waarde van de kandidaat door het selectiecomité bedoeld in artikel 20.
Art. 56. En vue de sa promotion sur diplôme, l'officier BDL du niveau B peut être agréé par [1 le DGHR]1 [2 comme officier de carrière]2 du niveau A s'il satisfait aux conditions suivantes :
1° [2 ...]2
2° avoir réussi les tests militaires d'aptitude physique selon les critères fixés par le ministre;
3° pour l'officier qui postule pour une fonction à la marine, être médicalement apte au service en mer;
4° être titulaire d'un master ou d'un diplôme ou certificat équivalent avant la date de clôture des inscriptions à la promotion sur diplôme;
5° ne pas être refusé, par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne;
6° être classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage, visée à l'article 19, alinéa 3, 3°, de la loi, dans les limites du nombre de places ouvertes.
Le DGHR, ou l'autorité qu'il désigne, peut refuser une candidature conformément à l'alinéa 1er, 5°, sur la base du dossier personnel du militaire concerné. L'ensemble des éléments d'appréciation qui peuvent être pris en considération est fixé dans un règlement arrêté par le ministre.
L'épreuve de passage visée à l'alinéa 1er, 6°, comprend l'appréciation de la valeur du candidat par le comité de sélection visé à l'article 20.
1° [2 ...]2
2° avoir réussi les tests militaires d'aptitude physique selon les critères fixés par le ministre;
3° pour l'officier qui postule pour une fonction à la marine, être médicalement apte au service en mer;
4° être titulaire d'un master ou d'un diplôme ou certificat équivalent avant la date de clôture des inscriptions à la promotion sur diplôme;
5° ne pas être refusé, par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne;
6° être classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage, visée à l'article 19, alinéa 3, 3°, de la loi, dans les limites du nombre de places ouvertes.
Le DGHR, ou l'autorité qu'il désigne, peut refuser une candidature conformément à l'alinéa 1er, 5°, sur la base du dossier personnel du militaire concerné. L'ensemble des éléments d'appréciation qui peuvent être pris en considération est fixé dans un règlement arrêté par le ministre.
L'épreuve de passage visée à l'alinéa 1er, 6°, comprend l'appréciation de la valeur du candidat par le comité de sélection visé à l'article 20.
Art. 57. De korpscommandant brengt een advies uit over de wijze van dienen en de geschiktheid om dienst te doen in de categorie van de beroepsofficieren van niveau A van de officier BDL van niveau B die zich kandidaat stelt en aan de voorwaarden bedoeld in artikel 56, eerste lid, 1° tot 4° voldoet.
Het advies wordt uitgedrukt door de beoordeling "Gunstig" of "Ongunstig". De beoordeling "Gunstig" wordt aangevuld met één der volgende vermeldingen : uitstekend, zeer goed, goed, tamelijk goed.
Elk advies moet met redenen omkleed zijn en aan de betrokkene worden betekend. Deze kan binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving een verweerschrift indienen bij de korpscommandant tegen de beoordeling of de vermelding bedoeld in het tweede lid. Naar aanleiding van het verweerschrift kan deze laatste zijn advies of de eraan verbonden vermelding wijzigen. De korpscommandant stelt betrokken militair in kennis indien hij desbetreffende beoordeling of vermelding wijzigt of bevestigt.
Het advies wordt aan de DGHR overgemaakt, langs de onmiddellijk hogere hiërarchische overheid. Elke beoordeling in ongunstige zin uitgebracht door deze overheid wordt aan de betrokkene betekend vooraleer ze wordt toegezonden aan de DGHR, eventueel vergezeld van een verweerschrift ingediend binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving.
De DGHR of de autoriteit die hij aanwijst, aanvaardt of verwerpt de kandidatuur. De beslissing wordt aan de betrokkene betekend.
Het advies wordt uitgedrukt door de beoordeling "Gunstig" of "Ongunstig". De beoordeling "Gunstig" wordt aangevuld met één der volgende vermeldingen : uitstekend, zeer goed, goed, tamelijk goed.
Elk advies moet met redenen omkleed zijn en aan de betrokkene worden betekend. Deze kan binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving een verweerschrift indienen bij de korpscommandant tegen de beoordeling of de vermelding bedoeld in het tweede lid. Naar aanleiding van het verweerschrift kan deze laatste zijn advies of de eraan verbonden vermelding wijzigen. De korpscommandant stelt betrokken militair in kennis indien hij desbetreffende beoordeling of vermelding wijzigt of bevestigt.
Het advies wordt aan de DGHR overgemaakt, langs de onmiddellijk hogere hiërarchische overheid. Elke beoordeling in ongunstige zin uitgebracht door deze overheid wordt aan de betrokkene betekend vooraleer ze wordt toegezonden aan de DGHR, eventueel vergezeld van een verweerschrift ingediend binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving.
De DGHR of de autoriteit die hij aanwijst, aanvaardt of verwerpt de kandidatuur. De beslissing wordt aan de betrokkene betekend.
Art. 57. Le chef de corps émet un avis quant à la manière de servir et à l'aptitude à servir dans la catégorie des officiers de carrière du niveau A de l'officier BDL du niveau B qui pose sa candidature et qui satisfait aux conditions visées à l'article 56, alinéa 1er, 1° à 4°.
L'avis est exprimé par l'appréciation "Favorable" ou "Défavorable". L'appréciation "Favorable" est complétée par une des mentions suivantes : excellent, très bon, bon, assez bon.
Tout avis doit être motivé et notifié à l'intéressé. Dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification, celui-ci peut introduire un mémoire auprès du chef de corps contre une appréciation ou mention visée à l'alinéa 2. A la suite du mémoire, ce dernier peut modifier son avis ou la mention y relative. Le chef de corps notifie au militaire concerné s'il modifie ou confirme l'appréciation ou la mention concernée.
L'avis est transmis au DGHR par la voie de l'autorité hiérarchique immédiatement supérieure. Toute appréciation dans un sens défavorable émise par cette autorité est notifiée à l'intéressé avant d'être transmise au DGHR, éventuellement accompagnée d'un mémoire introduit dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification.
Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne, agrée ou rejette la candidature. La décision est notifiée à l'intéressé.
L'avis est exprimé par l'appréciation "Favorable" ou "Défavorable". L'appréciation "Favorable" est complétée par une des mentions suivantes : excellent, très bon, bon, assez bon.
Tout avis doit être motivé et notifié à l'intéressé. Dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification, celui-ci peut introduire un mémoire auprès du chef de corps contre une appréciation ou mention visée à l'alinéa 2. A la suite du mémoire, ce dernier peut modifier son avis ou la mention y relative. Le chef de corps notifie au militaire concerné s'il modifie ou confirme l'appréciation ou la mention concernée.
L'avis est transmis au DGHR par la voie de l'autorité hiérarchique immédiatement supérieure. Toute appréciation dans un sens défavorable émise par cette autorité est notifiée à l'intéressé avant d'être transmise au DGHR, éventuellement accompagnée d'un mémoire introduit dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification.
Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne, agrée ou rejette la candidature. La décision est notifiée à l'intéressé.
Art. 58. Voor het opmaken van de rangschikking van de officieren BDL van niveau B houdt het selectiecomité rekening met de waarde van de kandidaat, beoordeeld door het selectiecomité op grond van de krachtens artikel 57 uitgebrachte adviezen en van de inhoud van zijn persoonlijk dossier, berekend op 100 punten, overeenkomstig de procedure bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De kandidaat die niet ten minste de helft van de punten behaalt voor de beoordeling van zijn waarde, wordt evenwel niet gerangschikt.
Het selectiecomité weerhoudt de kandidaten met inachtneming van de opgestelde rangschikking en van het aantal beschikbare plaatsen per vakrichting, per taalstelsel en, naargelang het geval, per krijgsmachtdeel.
Indien twee kandidaten hetzelfde puntentotaal behalen, wordt voorrang gegeven :
1° aan de kandidaat met de hoogste graad;
2° bij gelijke graad, aan deze met de meeste anciënniteit in de graad;
3° bij gelijke graad en anciënniteit, aan diegene waarvan de kandidatuur het grootst aantal keren afgewezen werd;
4° bij gelijke graad, bij gelijke anciënniteit en bij hetzelfde aantal afwijzingen, aan de oudste.
De niet-rangschikking of de al dan niet batige rangschikking bij de overgangsproef wordt aan de kandidaat betekend door de voorzitter van het selectiecomité.
De kandidaat die niet ten minste de helft van de punten behaalt voor de beoordeling van zijn waarde, wordt evenwel niet gerangschikt.
Het selectiecomité weerhoudt de kandidaten met inachtneming van de opgestelde rangschikking en van het aantal beschikbare plaatsen per vakrichting, per taalstelsel en, naargelang het geval, per krijgsmachtdeel.
Indien twee kandidaten hetzelfde puntentotaal behalen, wordt voorrang gegeven :
1° aan de kandidaat met de hoogste graad;
2° bij gelijke graad, aan deze met de meeste anciënniteit in de graad;
3° bij gelijke graad en anciënniteit, aan diegene waarvan de kandidatuur het grootst aantal keren afgewezen werd;
4° bij gelijke graad, bij gelijke anciënniteit en bij hetzelfde aantal afwijzingen, aan de oudste.
De niet-rangschikking of de al dan niet batige rangschikking bij de overgangsproef wordt aan de kandidaat betekend door de voorzitter van het selectiecomité.
Art. 58. Pour l'établissement du classement des officiers BDL du niveau B, le comité de sélection tient compte de la valeur du candidat, appréciée par le comité de sélection sur la base des avis émis en vertu de l'article 57 et du contenu de son dossier personnel, calculée sur 100 points, selon la procédure fixée dans un règlement arrêté par le ministre.
Toutefois, le candidat qui n'obtient pas au moins la moitié des points pour l'appréciation de sa valeur, n'est pas classé.
Le comité de sélection retient les candidats dans l'ordre du classement établi et à concurrence du nombre de places disponibles par filière de métier, par régime linguistique et, le cas échéant, par force.
Si deux candidats obtiennent le même total de points, il est donné priorité :
1° au candidat le plus gradé;
2° à grade égal, au plus ancien dans le grade;
3° à grade égal et à ancienneté égale, à celui dont la candidature a été refusée le nombre le plus élevé de fois;
4° à grade égal, à ancienneté égale et à nombre de refus égal, au plus âgé.
Le non-classement ou le classement en ordre utile ou non lors de l'épreuve de passage est notifié au candidat par le président du comité de sélection.
Toutefois, le candidat qui n'obtient pas au moins la moitié des points pour l'appréciation de sa valeur, n'est pas classé.
Le comité de sélection retient les candidats dans l'ordre du classement établi et à concurrence du nombre de places disponibles par filière de métier, par régime linguistique et, le cas échéant, par force.
Si deux candidats obtiennent le même total de points, il est donné priorité :
1° au candidat le plus gradé;
2° à grade égal, au plus ancien dans le grade;
3° à grade égal et à ancienneté égale, à celui dont la candidature a été refusée le nombre le plus élevé de fois;
4° à grade égal, à ancienneté égale et à nombre de refus égal, au plus âgé.
Le non-classement ou le classement en ordre utile ou non lors de l'épreuve de passage est notifié au candidat par le président du comité de sélection.
Art. 59. § 1. [2 De bij de overgangsproef batig gerangschikte officier BDL van niveau B wordt door de DGHR aanvaard met het oog op zijn promotie op diploma als beroepsofficier van niveau A.]2
De aanvaarding door [1 de DGHR]1 wordt aan [2 betrokkene]2 betekend door de DGHR of de overheid die hij aanwijst.
§ 2. [2 ...]2
De aanvaarding door [1 de DGHR]1 wordt aan [2 betrokkene]2 betekend door de DGHR of de overheid die hij aanwijst.
§ 2. [2 ...]2
Art. 59. § 1er. [2 L'officier BDL du niveau B classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage est agréé par le DGHR en vue de sa promotion sur diplôme comme officier de carrière du niveau A.]2
L'agrément par [1 le DGHR]1 est notifié au [2 concerné]2 par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne.
§ 2. [2 ...]2
L'agrément par [1 le DGHR]1 est notifié au [2 concerné]2 par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne.
§ 2. [2 ...]2
Art. 60. [2 ...]2
[2 De officier BDL van niveau B wordt, met zijn graad en zijn anciënniteit in die graad, opgenomen in de personeelscategorie van de beroepsofficieren van niveau A op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij door de DGHR aanvaard werd.]2
Hij wordt gerangschikt na de officieren BDL van niveau A met dezelfde graad en dezelfde anciënniteit in die graad, die, in het kader van een overgang naar de personeelscategorie van de beroepsofficieren van niveau A, op dezelfde datum als beroepsmilitair werden opgenomen.
[2 De officier BDL van niveau B wordt, met zijn graad en zijn anciënniteit in die graad, opgenomen in de personeelscategorie van de beroepsofficieren van niveau A op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij door de DGHR aanvaard werd.]2
Hij wordt gerangschikt na de officieren BDL van niveau A met dezelfde graad en dezelfde anciënniteit in die graad, die, in het kader van een overgang naar de personeelscategorie van de beroepsofficieren van niveau A, op dezelfde datum als beroepsmilitair werden opgenomen.
Art. 60. [2 ...]2
[2 L'officier BDL du niveau B est admis, avec son grade et son ancienneté dans ce grade, dans la catégorie de personnel des officiers de carrière du niveau A le vingt-sixième jour du dernier mois du trimestre au cours duquel il a été agréé par le DGHR.]2
Il est classé après les officiers BDL du niveau A de même grade et de même ancienneté dans ce grade, qui, dans le cadre d'un passage vers la catégorie de personnel des officiers de carrière du niveau A, ont été admis comme militaire de carrière à la même date.
[2 L'officier BDL du niveau B est admis, avec son grade et son ancienneté dans ce grade, dans la catégorie de personnel des officiers de carrière du niveau A le vingt-sixième jour du dernier mois du trimestre au cours duquel il a été agréé par le DGHR.]2
Il est classé après les officiers BDL du niveau A de même grade et de même ancienneté dans ce grade, qui, dans le cadre d'un passage vers la catégorie de personnel des officiers de carrière du niveau A, ont été admis comme militaire de carrière à la même date.
Art. 61. § 1. [1 De relatieve anciënniteit van diegenen die op dezelfde datum worden benoemd, wordt bepaald door het resultaat behaald bij de overgangsproef bedoeld in artikel 56, eerste lid, 6°.]1
[1 Diegenen die hetzelfde resultaat bekomen]1 worden gerangschikt volgens afdalende orde van de dienstanciënniteit en in geval van ex-aequo wordt voorrang gegeven aan de oudste.
[1 ...]1
§ 2. [1 ...]1
[1 Diegenen die hetzelfde resultaat bekomen]1 worden gerangschikt volgens afdalende orde van de dienstanciënniteit en in geval van ex-aequo wordt voorrang gegeven aan de oudste.
[1 ...]1
§ 2. [1 ...]1
Art. 61. § 1er. [1 L'ancienneté relative de ceux qui sont nommés à la même date est déterminée par le résultat obtenu lors de l'épreuve de passage visée à l'article 56, alinéa 1er, 6°.]1
[1 Ceux qui obtiennent le même résultat]1 sont classés dans l'ordre décroissant de leur ancienneté de service et en cas d'ex-aequo, priorité est donnée au plus âgé.
[1 ...]1
§ 2. [1 ...]1
[1 Ceux qui obtiennent le même résultat]1 sont classés dans l'ordre décroissant de leur ancienneté de service et en cas d'ex-aequo, priorité est donnée au plus âgé.
[1 ...]1
§ 2. [1 ...]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK 3. - De sociale promotie naar een hogere personeelscategorie BDL
CHAPITRE 3. - De la promotion sociale vers une catégorie de personnel BDL supérieure
Afdeling 1. - De sociale promotie van de vrijwilliger BDL naar onderofficier BDL van niveau C
Section 1re. - De la promotion sociale du volontaire BDL vers sous-officier BDL du niveau C
Art. 62. Met het oog op zijn sociale promotie kan de vrijwilliger BDL aanvaard worden als kandidaat-onderofficier BDL van niveau C door [1 de DGHR]1 wanneer hij aan de volgende voorwaarden voldoet [4 vóór de afsluitingsdatum van de inschrijvingen]4:
1° [3 ...]3
2° geslaagd zijn voor de militaire tests van lichamelijke geschiktheid volgens de criteria bepaald door de minister;
3° voor de vrijwilliger die voor een functie bij de marine solliciteert, medisch geschikt zijn voor dienst op zee;
4° geslaagd zijn voor het examen bedoeld in artikel 8, § 1, van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger of van dit examen vrijgesteld zijn volgens de bepalingen van artikel 8, § 2, van dezelfde wet;
5° niet afgewezen worden, door de DGHR of de overheid die hij aanwijst;
6° batig gerangschikt worden bij de overgangsproef, bedoeld in artikel 19, derde lid, 3°, van de wet, binnen de grenzen van het aantal opengestelde plaatsen.
Overeenkomstig het eerste lid, 5°, kan de DGHR, of de autoriteit die hij aanwijst, een kandidatuur afwijzen op basis van het persoonlijk dossier van de betrokken militair. Het geheel van de beoordelingselementen die in beschouwing kunnen worden genomen wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
[2 De overgangsproef bedoeld in het eerste lid, 6°, omvat de beoordeling van de waarde van de kandidaat door het selectiecomité bedoeld in artikel 20 en, naargelang het geval, psychotechnische proeven.]2
1° [3 ...]3
2° geslaagd zijn voor de militaire tests van lichamelijke geschiktheid volgens de criteria bepaald door de minister;
3° voor de vrijwilliger die voor een functie bij de marine solliciteert, medisch geschikt zijn voor dienst op zee;
4° geslaagd zijn voor het examen bedoeld in artikel 8, § 1, van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger of van dit examen vrijgesteld zijn volgens de bepalingen van artikel 8, § 2, van dezelfde wet;
5° niet afgewezen worden, door de DGHR of de overheid die hij aanwijst;
6° batig gerangschikt worden bij de overgangsproef, bedoeld in artikel 19, derde lid, 3°, van de wet, binnen de grenzen van het aantal opengestelde plaatsen.
Overeenkomstig het eerste lid, 5°, kan de DGHR, of de autoriteit die hij aanwijst, een kandidatuur afwijzen op basis van het persoonlijk dossier van de betrokken militair. Het geheel van de beoordelingselementen die in beschouwing kunnen worden genomen wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
[2 De overgangsproef bedoeld in het eerste lid, 6°, omvat de beoordeling van de waarde van de kandidaat door het selectiecomité bedoeld in artikel 20 en, naargelang het geval, psychotechnische proeven.]2
Art. 62. En vue de sa promotion sociale, le volontaire BDL peut être agréé par [1 le DGHR]1 comme candidat sous-officier BDL du niveau C, s'il satisfait aux conditions suivantes [4 avant la date de clôture des inscriptions]4:
1° [3 ...]3
2° avoir réussi les tests militaires d'aptitude physique selon les critères fixés par le ministre;
3° pour le volontaire qui postule pour une fonction à la marine, être médicalement apte au service en mer;
4° avoir réussi l'examen visé à l'article 8, § 1er, de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée ou être exempté de cet examen selon les dispositions de l'article 8, § 2, de la même loi.
5° ne pas être refusé, par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne;
6° être classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage, visée à l'article 19, alinéa 3, 3°, de la loi, dans les limites du nombre de places ouvertes.
Le DGHR, ou l'autorité qu'il désigne, peut refuser une candidature conformément à l'alinéa 1er, 5°, sur la base du dossier personnel du militaire concerné. L'ensemble des éléments d'appréciation qui peuvent être pris en considération est fixé dans un règlement arrêté par le ministre.
[2 L'épreuve de passage visée à l'alinéa 1er, 6°, comprend l'appréciation de la valeur du candidat par le comité de sélection visé à l'article 20 et, selon le cas, des épreuves psychotechniques.]2
1° [3 ...]3
2° avoir réussi les tests militaires d'aptitude physique selon les critères fixés par le ministre;
3° pour le volontaire qui postule pour une fonction à la marine, être médicalement apte au service en mer;
4° avoir réussi l'examen visé à l'article 8, § 1er, de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée ou être exempté de cet examen selon les dispositions de l'article 8, § 2, de la même loi.
5° ne pas être refusé, par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne;
6° être classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage, visée à l'article 19, alinéa 3, 3°, de la loi, dans les limites du nombre de places ouvertes.
Le DGHR, ou l'autorité qu'il désigne, peut refuser une candidature conformément à l'alinéa 1er, 5°, sur la base du dossier personnel du militaire concerné. L'ensemble des éléments d'appréciation qui peuvent être pris en considération est fixé dans un règlement arrêté par le ministre.
[2 L'épreuve de passage visée à l'alinéa 1er, 6°, comprend l'appréciation de la valeur du candidat par le comité de sélection visé à l'article 20 et, selon le cas, des épreuves psychotechniques.]2
Art. 63. De [1 eenheidscommandant]1 brengt, naast de beoordelingen bedoeld in artikel 73 van de wet van 28 februari 2007, een advies uit over de wijze van dienen en de geschiktheid om dienst te doen in de categorie van de beroepsonderofficieren van niveau C van de beroepsvrijwilliger die zich kandidaat stelt en aan de voorwaarden bedoeld in artikel 62, eerste lid, 1° tot 4°, voldoet.
Het advies wordt uitgedrukt door de beoordeling "Gunstig" of "Ongunstig". De beoordeling "Gunstig" wordt aangevuld met één der volgende vermeldingen : uitstekend, zeer goed, goed, tamelijk goed.
Elk advies moet met redenen omkleed zijn en aan de betrokkene worden betekend. Deze kan binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving een verweerschrift indienen bij de [1 eenheidscommandant]1 tegen de beoordeling of de vermelding bedoeld in het tweede lid. Naar aanleiding van het verweerschrift kan deze laatste zijn advies of de eraan verbonden vermelding wijzigen. De [1 eenheidscommandant]1 stelt betrokken militair in kennis indien hij desbetreffende beoordeling of vermelding wijzigt of bevestigt.
Het advies wordt aan de DGHR overgemaakt, langs de onmiddellijk hogere hiërarchische overheid. Elke beoordeling in ongunstige zin uitgebracht door deze overheid wordt aan de betrokkene betekend vooraleer ze wordt toegezonden aan de DGHR, eventueel vergezeld van een verweerschrift ingediend binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving.
De DGHR of de overheid die hij aanwijst, aanvaardt of verwerpt de kandidatuur. De beslissing wordt aan de betrokkene betekend.
Het advies wordt uitgedrukt door de beoordeling "Gunstig" of "Ongunstig". De beoordeling "Gunstig" wordt aangevuld met één der volgende vermeldingen : uitstekend, zeer goed, goed, tamelijk goed.
Elk advies moet met redenen omkleed zijn en aan de betrokkene worden betekend. Deze kan binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving een verweerschrift indienen bij de [1 eenheidscommandant]1 tegen de beoordeling of de vermelding bedoeld in het tweede lid. Naar aanleiding van het verweerschrift kan deze laatste zijn advies of de eraan verbonden vermelding wijzigen. De [1 eenheidscommandant]1 stelt betrokken militair in kennis indien hij desbetreffende beoordeling of vermelding wijzigt of bevestigt.
Het advies wordt aan de DGHR overgemaakt, langs de onmiddellijk hogere hiërarchische overheid. Elke beoordeling in ongunstige zin uitgebracht door deze overheid wordt aan de betrokkene betekend vooraleer ze wordt toegezonden aan de DGHR, eventueel vergezeld van een verweerschrift ingediend binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving.
De DGHR of de overheid die hij aanwijst, aanvaardt of verwerpt de kandidatuur. De beslissing wordt aan de betrokkene betekend.
Art. 63. Outre les appréciations visées à l'article 73 de la loi du 28 février 2007, le [1 commandant d'unité]1 émet un avis quant à la manière de servir et à l'aptitude à servir dans la catégorie des sous-officiers de carrière du niveau C du volontaire de carrière qui pose sa candidature et qui satisfait aux conditions visées à l'article 62, alinéa 1er, 1° à 4°.
L'avis est exprimé par l'appréciation "Favorable" ou "Défavorable". L'appréciation "Favorable" est complétée par une des mentions suivantes : excellent, très bon, bon, assez bon.
Tout avis doit être motivé et notifié à l'intéressé. Dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification, celui-ci peut introduire un mémoire auprès du [1 commandant d'unité]1 contre une appréciation ou mention visée à l'alinéa 2. A la suite du mémoire, ce dernier peut modifier son avis ou la mention y relative. Le [1 commandant d'unité]1 notifie au militaire concerné s'il modifie ou confirme l'appréciation ou la mention concernée.
L'avis est transmis au DGHR par la voie de l'autorité hiérarchique immédiatement supérieure. Toute appréciation dans un sens défavorable émise par cette autorité est notifiée à l'intéressé avant d'être transmise au DGHR, éventuellement accompagnée d'un mémoire introduit dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification.
Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne, agrée ou rejette la candidature. La décision est notifiée à l'intéressé.
L'avis est exprimé par l'appréciation "Favorable" ou "Défavorable". L'appréciation "Favorable" est complétée par une des mentions suivantes : excellent, très bon, bon, assez bon.
Tout avis doit être motivé et notifié à l'intéressé. Dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification, celui-ci peut introduire un mémoire auprès du [1 commandant d'unité]1 contre une appréciation ou mention visée à l'alinéa 2. A la suite du mémoire, ce dernier peut modifier son avis ou la mention y relative. Le [1 commandant d'unité]1 notifie au militaire concerné s'il modifie ou confirme l'appréciation ou la mention concernée.
L'avis est transmis au DGHR par la voie de l'autorité hiérarchique immédiatement supérieure. Toute appréciation dans un sens défavorable émise par cette autorité est notifiée à l'intéressé avant d'être transmise au DGHR, éventuellement accompagnée d'un mémoire introduit dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification.
Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne, agrée ou rejette la candidature. La décision est notifiée à l'intéressé.
Wijzigingen
Art. 64. [1 Naargelang het geval, legt de vrijwilliger BDL psychotechnische proeven af.]1 Deze proeven hebben tot doel te beoordelen of de betrokkene de vereiste karakteriële hoedanigheden en het vereiste intellectueel potentieel bezit.
[1 De vrijwilliger BDL die een cijfer heeft behaald dat lager is dan de uitsluitingsdrempel bedoeld in artikel 26, § 4, van het voornoemde koninklijk besluit van 11 september 2003, wordt evenwel niet gerangschikt.]1
De nadere uitvoeringsregels betreffende de psychotechnische proeven worden bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
[1 De vrijwilliger BDL die een cijfer heeft behaald dat lager is dan de uitsluitingsdrempel bedoeld in artikel 26, § 4, van het voornoemde koninklijk besluit van 11 september 2003, wordt evenwel niet gerangschikt.]1
De nadere uitvoeringsregels betreffende de psychotechnische proeven worden bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
Art. 64. [1 Selon le cas, le volontaire BDL présente des épreuves psychotechniques.]1 Ces épreuves ont pour but d'apprécier si l'intéressé possède les qualités caractérielles et le potentiel intellectuel exigés.
[1 Toutefois, le volontaire BDL qui a obtenu une note inférieure au seuil d'exclusion visé à l'article 26, § 4, de l'arrêté royal du 11 septembre 2003 précité, n'est pas classé.]1
Les modalités d'exécution relatives aux épreuves psychotechniques sont fixées dans un règlement arrêté par le ministre.
[1 Toutefois, le volontaire BDL qui a obtenu une note inférieure au seuil d'exclusion visé à l'article 26, § 4, de l'arrêté royal du 11 septembre 2003 précité, n'est pas classé.]1
Les modalités d'exécution relatives aux épreuves psychotechniques sont fixées dans un règlement arrêté par le ministre.
Wijzigingen
Art. 65. [1 Voor het opmaken van de rangschikking houdt het selectiecomité rekening met de waarde van de kandidaat, beoordeeld door het selectiecomité op grond van de krachtens artikel 63 uitgebrachte adviezen en van de inhoud van zijn persoonlijk dossier, berekend op 100 punten, overeenkomstig de procedure bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.]1
De kandidaat die niet ten minste de helft van de punten behaalt voor de beoordeling van zijn waarde, wordt evenwel niet gerangschikt.
Het selectiecomité weerhoudt de kandidaten met inachtneming van de opgestelde rangschikking en van het aantal beschikbare plaatsen per vakrichting, per taalstelsel en, naargelang het geval, per krijgsmachtdeel.
Indien twee kandidaten hetzelfde puntentotaal behalen, wordt voorrang gegeven :
1° aan de kandidaat met de hoogste graad;
2° bij gelijke graad, aan deze met de meeste anciënniteit in de graad;
3° bij gelijke graad en anciënniteit, aan diegene waarvan de kandidatuur het grootst aantal keren afgewezen werd;
4° bij gelijke graad, bij gelijke anciënniteit en bij hetzelfde aantal afwijzingen, aan de oudste.
De niet-rangschikking of de al dan niet batige rangschikking bij de overgangsproef wordt aan de kandidaat betekend door de voorzitter van het selectiecomité.
De kandidaat die niet ten minste de helft van de punten behaalt voor de beoordeling van zijn waarde, wordt evenwel niet gerangschikt.
Het selectiecomité weerhoudt de kandidaten met inachtneming van de opgestelde rangschikking en van het aantal beschikbare plaatsen per vakrichting, per taalstelsel en, naargelang het geval, per krijgsmachtdeel.
Indien twee kandidaten hetzelfde puntentotaal behalen, wordt voorrang gegeven :
1° aan de kandidaat met de hoogste graad;
2° bij gelijke graad, aan deze met de meeste anciënniteit in de graad;
3° bij gelijke graad en anciënniteit, aan diegene waarvan de kandidatuur het grootst aantal keren afgewezen werd;
4° bij gelijke graad, bij gelijke anciënniteit en bij hetzelfde aantal afwijzingen, aan de oudste.
De niet-rangschikking of de al dan niet batige rangschikking bij de overgangsproef wordt aan de kandidaat betekend door de voorzitter van het selectiecomité.
Art. 65. [1 Pour l'établissement du classement, le comité de sélection tient compte de la valeur du candidat, appréciée par le comité de sélection sur la base des avis émis en vertu de l'article 63 et du contenu de son dossier personnel, calculée sur 100 points, selon la procédure fixée dans un règlement arrêté par le ministre.]1
Toutefois, le candidat qui n'obtient pas au moins la moitié des points pour l'appréciation de sa valeur, n'est pas classé.
Le comité de sélection retient les candidats dans l'ordre de classement établi et à concurrence du nombre de places disponibles par filière de métier, par régime linguistique et, le cas échéant, par force.
Si deux candidats obtiennent le même total de points, il est donné priorité :
1° au candidat le plus gradé;
2° à grade égal, au plus ancien dans le grade;
3° à grade égal et à ancienneté égale, à celui dont la candidature a été refusée le nombre le plus élevé de fois;
4° à grade égal, à ancienneté égale et à nombre de refus égal, au plus âgé.
Le non-classement ou le classement en ordre utile ou non lors de l'épreuve de passage est notifié au candidat par le président du comité de sélection.
Toutefois, le candidat qui n'obtient pas au moins la moitié des points pour l'appréciation de sa valeur, n'est pas classé.
Le comité de sélection retient les candidats dans l'ordre de classement établi et à concurrence du nombre de places disponibles par filière de métier, par régime linguistique et, le cas échéant, par force.
Si deux candidats obtiennent le même total de points, il est donné priorité :
1° au candidat le plus gradé;
2° à grade égal, au plus ancien dans le grade;
3° à grade égal et à ancienneté égale, à celui dont la candidature a été refusée le nombre le plus élevé de fois;
4° à grade égal, à ancienneté égale et à nombre de refus égal, au plus âgé.
Le non-classement ou le classement en ordre utile ou non lors de l'épreuve de passage est notifié au candidat par le président du comité de sélection.
Wijzigingen
Art. 66. § 1. De bij de overgangsproef batig gerangschikte vrijwilliger BDL wordt met het oog op het volbrengen van een vorming met een duur van achttien maanden door [1 de DGHR]1 aanvaard als kandidaat-onderofficier BDL van niveau C.
De aanvaarding door [1 de DGHR]1 wordt aan de kandidaat betekend door de DGHR of de overheid die hij aanwijst.
De vorming, bedoeld in artikel 118, § 1 tweede lid, van de wet van 28 februari 2007, bestaat uit een gedeelte van de vormingscyclus van kandidaat-beroepsonderofficier van niveau C van de normale werving, bedoeld in artikel 16 van het koninklijk besluit van 7 november 2013. De concrete vorming wordt vastgelegd in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De kandidaat-onderofficieren BDL van niveau C volgen de vorming overeenkomstig de vakrichting waarvoor zij door [1 de DGHR]1 werden aanvaard.
§ 2. De kandidaat die van de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie de toestemming krijgt om een herexamen af te leggen op het einde van zijn vorming moet dit herexamen afleggen op de datum vastgesteld, naargelang het geval, de schoolcommandant of de hoofdofficier verantwoordelijk voor de vorming van de kandidaat in het militair organisme waar de kandidaat zijn vorming volgt, zonder dat hem nog aanvullende cursussen worden gegeven. Hij kan de toestemming krijgen om de stage- of evaluatieperiode aan te vangen. Het herexamen moet worden afgelegd, ten vroegste, op de vijfde werkdag na de beslissing van de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie en, ten laatste, drie maanden na deze datum.
De kandidaat die door de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie als definitief mislukt wordt beschouwd, verliest van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-beroepsonderofficier van niveau C.
§ 3. Op het einde van de stageperiode en de evaluatieperiode maakt de korpscommandant, respectievelijk, een stageverslag of een evaluatieverslag op betreffende de geschiktheid van de kandidaat om de functies van onderofficier BDL van niveau C uit te oefenen.
De kandidaat die door de evaluatiecommissie of de beroepsinstantie als definitief mislukt wordt beschouwd, verliest van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-onderofficier BDL van niveau C.
De aanvaarding door [1 de DGHR]1 wordt aan de kandidaat betekend door de DGHR of de overheid die hij aanwijst.
De vorming, bedoeld in artikel 118, § 1 tweede lid, van de wet van 28 februari 2007, bestaat uit een gedeelte van de vormingscyclus van kandidaat-beroepsonderofficier van niveau C van de normale werving, bedoeld in artikel 16 van het koninklijk besluit van 7 november 2013. De concrete vorming wordt vastgelegd in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De kandidaat-onderofficieren BDL van niveau C volgen de vorming overeenkomstig de vakrichting waarvoor zij door [1 de DGHR]1 werden aanvaard.
§ 2. De kandidaat die van de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie de toestemming krijgt om een herexamen af te leggen op het einde van zijn vorming moet dit herexamen afleggen op de datum vastgesteld, naargelang het geval, de schoolcommandant of de hoofdofficier verantwoordelijk voor de vorming van de kandidaat in het militair organisme waar de kandidaat zijn vorming volgt, zonder dat hem nog aanvullende cursussen worden gegeven. Hij kan de toestemming krijgen om de stage- of evaluatieperiode aan te vangen. Het herexamen moet worden afgelegd, ten vroegste, op de vijfde werkdag na de beslissing van de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie en, ten laatste, drie maanden na deze datum.
De kandidaat die door de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie als definitief mislukt wordt beschouwd, verliest van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-beroepsonderofficier van niveau C.
§ 3. Op het einde van de stageperiode en de evaluatieperiode maakt de korpscommandant, respectievelijk, een stageverslag of een evaluatieverslag op betreffende de geschiktheid van de kandidaat om de functies van onderofficier BDL van niveau C uit te oefenen.
De kandidaat die door de evaluatiecommissie of de beroepsinstantie als definitief mislukt wordt beschouwd, verliest van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-onderofficier BDL van niveau C.
Art. 66. § 1er. Le volontaire BDL classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage est agréé, par [1 le DGHR]1, comme candidat sous-officier BDL du niveau C en vue d'effectuer une formation d'une durée de dix-huit mois.
L'agrément par [1 le DGHR]1 est notifié au candidat par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne.
La formation visée à l'article 118, § 1er, alinéa 2, de la loi du 28 février 2007, consiste en une partie du cycle de formation de candidat sous-officier de carrière du niveau C du recrutement normal, visé à l'article 16 de l'arrêté royal du 7 novembre 2013. La formation concrète est fixée dans un règlement arrêté par le ministre.
Les candidats sous-officiers BDL du niveau C suivent la formation correspondant à la filière de métier pour laquelle ils ont été agréés par [1 le DGHR]1.
§ 2. Le candidat autorisé par la commission de délibération ou l'instance d'appel à présenter un examen de repêchage à la fin de sa formation doit présenter cet examen à la date fixée par, selon le cas, le commandant de l'école ou l'officier supérieur responsable de la formation du candidat au sein de l'organisme militaire où le candidat suit sa formation, sans qu'il lui soit encore donné des cours complémentaires. Il peut obtenir l'autorisation de commencer la période de stage ou d'évaluation. L'examen de repêchage doit être présenté au plus tôt cinq jours ouvrables après la date de la décision de la commission de délibération ou de l'instance d'appel, et au plus tard trois mois après cette date.
Le candidat qui est considéré par la commission de délibération ou l'instance d'appel comme ayant échoué définitivement, perd de plein droit la qualité de candidat sous-officier de carrière du niveau C.
§ 3. A l'issue de la période de stage et de la période d'évaluation, le chef de corps établit, respectivement, un rapport de stage et un rapport d'évaluation portant sur l'aptitude du candidat à remplir les fonctions de sous-officier BDL du niveau C.
Le candidat qui est considéré par la commission d'évaluation ou l'instance d'appel comme ayant échoué définitivement, perd de plein droit la qualité de candidat sous-officier BDL du niveau C.
L'agrément par [1 le DGHR]1 est notifié au candidat par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne.
La formation visée à l'article 118, § 1er, alinéa 2, de la loi du 28 février 2007, consiste en une partie du cycle de formation de candidat sous-officier de carrière du niveau C du recrutement normal, visé à l'article 16 de l'arrêté royal du 7 novembre 2013. La formation concrète est fixée dans un règlement arrêté par le ministre.
Les candidats sous-officiers BDL du niveau C suivent la formation correspondant à la filière de métier pour laquelle ils ont été agréés par [1 le DGHR]1.
§ 2. Le candidat autorisé par la commission de délibération ou l'instance d'appel à présenter un examen de repêchage à la fin de sa formation doit présenter cet examen à la date fixée par, selon le cas, le commandant de l'école ou l'officier supérieur responsable de la formation du candidat au sein de l'organisme militaire où le candidat suit sa formation, sans qu'il lui soit encore donné des cours complémentaires. Il peut obtenir l'autorisation de commencer la période de stage ou d'évaluation. L'examen de repêchage doit être présenté au plus tôt cinq jours ouvrables après la date de la décision de la commission de délibération ou de l'instance d'appel, et au plus tard trois mois après cette date.
Le candidat qui est considéré par la commission de délibération ou l'instance d'appel comme ayant échoué définitivement, perd de plein droit la qualité de candidat sous-officier de carrière du niveau C.
§ 3. A l'issue de la période de stage et de la période d'évaluation, le chef de corps établit, respectivement, un rapport de stage et un rapport d'évaluation portant sur l'aptitude du candidat à remplir les fonctions de sous-officier BDL du niveau C.
Le candidat qui est considéré par la commission d'évaluation ou l'instance d'appel comme ayant échoué définitivement, perd de plein droit la qualité de candidat sous-officier BDL du niveau C.
Wijzigingen
Art. 67. De vrijwilliger BDL die als kandidaat-onderofficier BDL van niveau C werd aanvaard, wordt door de overheid met de rang van korpscommandant onder wiens bevelen hij zich bevindt in de graad van sergeant aangesteld op de eerste dag van de zesde maand volgend op de maand van zijn aanvaarding door [1 de DGHR]1.
Art. 67. Le volontaire BDL agréé comme candidat sous-officier BDL du niveau C est commissionné au grade de sergent par l'autorité du rang de chef de corps sous les ordres de laquelle il se trouve le premier jour du sixième mois suivant le mois de son agrément par [1 le DGHR]1.
Wijzigingen
Art. 68. § 1. De kandidaat-onderofficier BDL van niveau C wordt door de minister in de graad van sergeant benoemd op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij zijn cyclusbasisvorming met goed gevolg heeft beëindigd. De benoeming heeft met terugwerkende kracht uitwerking op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij in deze graad werd aangesteld.
§ 2. Hij wordt gerangschikt na de onderofficieren BDL van niveau C van de normale werving die op dezelfde datum tot sergeant werden benoemd.
§ 2. Hij wordt gerangschikt na de onderofficieren BDL van niveau C van de normale werving die op dezelfde datum tot sergeant werden benoemd.
Art. 68. § 1er. Le candidat sous-officier BDL du niveau C est nommé par le ministre au grade de sergent le vingt-sixième jour du dernier mois du trimestre au cours duquel il a terminé son cycle de formation de base avec succès. La nomination prend lieu avec effet rétroactif au vingt-sixième jour du dernier mois du trimestre au cours duquel il a été commissionné dans ce grade.
§ 2. Il est classé après les sous-officiers BDL du niveau C du recrutement normal qui ont été nommés sergent à la même date.
§ 2. Il est classé après les sous-officiers BDL du niveau C du recrutement normal qui ont été nommés sergent à la même date.
Art. 69. § 1. De relatieve anciënniteit van diegenen die op dezelfde datum worden benoemd en aan dezelfde vormingscyclus hebben deelgenomen, wordt bepaald door de rangschikking die op het einde van de opleiding wordt opgemaakt op grond van de einduitslag.
De kandidaten die dezelfde einduitslag bekomen worden gerangschikt volgens afdalende orde van de dienstanciënniteit en in geval van ex-aequo wordt voorrang gegeven aan de oudste.
In geval van slagen na herkansing, komt enkel de einduitslag behaald bij de eerste poging in aanmerking voor het opstellen van de rangschikking.
§ 2. De relatieve anciënniteit van diegenen die op dezelfde datum worden benoemd en die niet aan dezelfde vormingscyclus hebben deelgenomen, is bepaald door een enige rangschikking die wordt opgemaakt op basis van de verschillende rangschikkingen opgesteld overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 1 en waarin de onderofficieren die verschillende vormingscyclussen hebben gevolgd in verhouding tot hun aantal om beurten zijn opgenomen.
De zo opgemaakte enige rangschikking mag evenwel niet tot gevolg hebben dat een onderofficier wordt gerangschikt vóór een andere onderofficier wiens einduitslag meer dan tien procent van het totaal der punten hoger is dan het zijne.
De kandidaten die dezelfde einduitslag bekomen worden gerangschikt volgens afdalende orde van de dienstanciënniteit en in geval van ex-aequo wordt voorrang gegeven aan de oudste.
In geval van slagen na herkansing, komt enkel de einduitslag behaald bij de eerste poging in aanmerking voor het opstellen van de rangschikking.
§ 2. De relatieve anciënniteit van diegenen die op dezelfde datum worden benoemd en die niet aan dezelfde vormingscyclus hebben deelgenomen, is bepaald door een enige rangschikking die wordt opgemaakt op basis van de verschillende rangschikkingen opgesteld overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 1 en waarin de onderofficieren die verschillende vormingscyclussen hebben gevolgd in verhouding tot hun aantal om beurten zijn opgenomen.
De zo opgemaakte enige rangschikking mag evenwel niet tot gevolg hebben dat een onderofficier wordt gerangschikt vóór een andere onderofficier wiens einduitslag meer dan tien procent van het totaal der punten hoger is dan het zijne.
Art. 69. § 1er. L'ancienneté relative de ceux qui sont nommés à la même date et qui ont participé au même cycle de formation est déterminée par le classement établi à la fin de l'instruction sur la base du résultat final.
Les candidats qui obtiennent la même note finale sont classés dans l'ordre décroissant de leur ancienneté de service et en cas d'ex-aequo, priorité est donnée au plus âgé.
En cas de réussite après repêchage, seul le résultat final obtenu au premier essai intervient pour l'établissement du classement.
§ 2. L'ancienneté relative de ceux qui sont nommés à la même date et qui n'ont pas participé au même cycle de formation est déterminée par un classement unique établi sur la base des différents classements établis conformément aux dispositions du paragraphe 1er et dans lequel les sous-officiers qui ont suivi des cycles de formations différents alternent proportionnellement à leur nombre.
Le classement unique ainsi établi ne peut toutefois avoir pour conséquence de classer un sous-officier avant un autre sous-officier dont le résultat final est supérieur au sien de plus de dix pour cent du total des points.
Les candidats qui obtiennent la même note finale sont classés dans l'ordre décroissant de leur ancienneté de service et en cas d'ex-aequo, priorité est donnée au plus âgé.
En cas de réussite après repêchage, seul le résultat final obtenu au premier essai intervient pour l'établissement du classement.
§ 2. L'ancienneté relative de ceux qui sont nommés à la même date et qui n'ont pas participé au même cycle de formation est déterminée par un classement unique établi sur la base des différents classements établis conformément aux dispositions du paragraphe 1er et dans lequel les sous-officiers qui ont suivi des cycles de formations différents alternent proportionnellement à leur nombre.
Le classement unique ainsi établi ne peut toutefois avoir pour conséquence de classer un sous-officier avant un autre sous-officier dont le résultat final est supérieur au sien de plus de dix pour cent du total des points.
Afdeling 2. - De sociale promotie van de onderofficier BDL van niveau C naar officier BDL van niveau B
Section 2. - De de la promotion sociale du sous-officier BDL du niveau C vers officier BDL du niveau B
Art. 70. Met het oog op zijn sociale promotie kan de onderofficier BDL van niveau C door [2 de DGHR]2 aanvaard worden als kandidaat-officier BDL van niveau B wanneer hij aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° [4 ...]4
2° geslaagd zijn voor de militaire tests van lichamelijke geschiktheid volgens de criteria bepaald door de minister;
3° voor de onderofficier die voor een functie bij de marine solliciteert, medisch geschikt zijn voor dienst op zee;
4° geslaagd zijn voor volgende taalexamens [5 vóór de afsluitingsdatum van de inschrijvingen]5:
a) het examen over de grondige kennis van de Nederlandse of van de Franse taal bedoeld in artikel 2 van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger;
b) het examen over de wezenlijke kennis van de andere taal, bedoeld in de artikelen 3 en 4 van dezelfde wet;
5° niet afgewezen worden, door de DGHR of de overheid die hij aanwijst;
6° batig gerangschikt worden bij de overgangsproef, bedoeld in artikel 19, derde lid, 3°, van de wet, binnen de grenzen van het aantal opengestelde plaatsen.
Overeenkomstig het eerste lid, 5°, kan de DGHR, of de autoriteit die hij aanwijst, een kandidatuur afwijzen op basis van het persoonlijk dossier van de betrokken militair. Het geheel van de beoordelingselementen die in beschouwing kunnen worden genomen wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
[3 De overgangsproef bedoeld in het eerste lid, 6°, omvat de beoordeling van de waarde van de kandidaat door het selectiecomité bedoeld in artikel 20 en, naargelang het geval, psychotechnische proeven.]3
1° [4 ...]4
2° geslaagd zijn voor de militaire tests van lichamelijke geschiktheid volgens de criteria bepaald door de minister;
3° voor de onderofficier die voor een functie bij de marine solliciteert, medisch geschikt zijn voor dienst op zee;
4° geslaagd zijn voor volgende taalexamens [5 vóór de afsluitingsdatum van de inschrijvingen]5:
a) het examen over de grondige kennis van de Nederlandse of van de Franse taal bedoeld in artikel 2 van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger;
b) het examen over de wezenlijke kennis van de andere taal, bedoeld in de artikelen 3 en 4 van dezelfde wet;
5° niet afgewezen worden, door de DGHR of de overheid die hij aanwijst;
6° batig gerangschikt worden bij de overgangsproef, bedoeld in artikel 19, derde lid, 3°, van de wet, binnen de grenzen van het aantal opengestelde plaatsen.
Overeenkomstig het eerste lid, 5°, kan de DGHR, of de autoriteit die hij aanwijst, een kandidatuur afwijzen op basis van het persoonlijk dossier van de betrokken militair. Het geheel van de beoordelingselementen die in beschouwing kunnen worden genomen wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
[3 De overgangsproef bedoeld in het eerste lid, 6°, omvat de beoordeling van de waarde van de kandidaat door het selectiecomité bedoeld in artikel 20 en, naargelang het geval, psychotechnische proeven.]3
Wijzigingen
Art. 70. En vue de sa promotion sociale, le sous-officier BDL du niveau C peut être agréé par [2 le DGHR]2 comme candidat officier BDL du niveau B, s'il satisfait aux conditions suivantes [5 avant la date de clôture des inscriptions]5:
1° [4 ...]4
2° avoir réussi les tests militaires d'aptitude physique selon les critères fixés par le ministre;
3° pour le sous-officier qui postule pour une fonction à la marine, être médicalement apte au service en mer;
4° avoir réussi les examens linguistiques suivants :
a) l'examen sur la connaissance approfondie de la langue néerlandaise ou française visée à l'article 2 de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée;
b) l'examen sur la connaissance effective de l'autre langue, [5 visé]5 aux articles 3 et 4 de la même loi;
5° ne pas être refusé, par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne;
6° être classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage, visée à l'article 19, alinéa 3, 3°, de la loi, dans les limites du nombre de places ouvertes.
Le DGHR, ou l'autorité qu'il désigne, peut refuser une candidature conformément à l'alinéa 1er, 5°, sur la base du dossier personnel du militaire concerné. L'ensemble des éléments d'appréciation qui peuvent être pris en considération est fixé dans un règlement arrêté par le ministre.
[3 L'épreuve de passage visée à l'alinéa 1er, 6°, comprend l'appréciation de la valeur du candidat par le comité de sélection visé à l'article 20 et, selon le cas, des épreuves psychotechniques.]3
1° [4 ...]4
2° avoir réussi les tests militaires d'aptitude physique selon les critères fixés par le ministre;
3° pour le sous-officier qui postule pour une fonction à la marine, être médicalement apte au service en mer;
4° avoir réussi les examens linguistiques suivants :
a) l'examen sur la connaissance approfondie de la langue néerlandaise ou française visée à l'article 2 de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée;
b) l'examen sur la connaissance effective de l'autre langue, [5 visé]5 aux articles 3 et 4 de la même loi;
5° ne pas être refusé, par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne;
6° être classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage, visée à l'article 19, alinéa 3, 3°, de la loi, dans les limites du nombre de places ouvertes.
Le DGHR, ou l'autorité qu'il désigne, peut refuser une candidature conformément à l'alinéa 1er, 5°, sur la base du dossier personnel du militaire concerné. L'ensemble des éléments d'appréciation qui peuvent être pris en considération est fixé dans un règlement arrêté par le ministre.
[3 L'épreuve de passage visée à l'alinéa 1er, 6°, comprend l'appréciation de la valeur du candidat par le comité de sélection visé à l'article 20 et, selon le cas, des épreuves psychotechniques.]3
Wijzigingen
Art. 71. De [1 eenheidscommandant]1 brengt, naast de beoordelingen bedoeld in artikel 73 van de wet van 28 februari 2007, een advies uit over de wijze van dienen en de geschiktheid om dienst te doen in de categorie van de officieren BDL van niveau B van de onderofficier BDL van niveau C die zich kandidaat stelt en aan de voorwaarden bedoeld in artikel 70, eerste lid, 1° tot 4°, voldoet.
Het advies wordt uitgedrukt door de beoordeling "Gunstig" of "Ongunstig". De beoordeling "Gunstig" wordt aangevuld met één der volgende vermeldingen : uitstekend, zeer goed, goed, tamelijk goed.
Elk advies moet met redenen omkleed zijn en aan de betrokkene worden betekend. Deze kan binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving een verweerschrift indienen bij de [1 eenheidscommandant]1 tegen de beoordeling of de vermelding bedoeld in het tweede lid. Naar aanleiding van het verweerschrift kan deze laatste zijn advies of de eraan verbonden vermelding wijzigen. De [1 eenheidscommandant]1 stelt betrokken militair in kennis indien hij desbetreffende beoordeling of vermelding wijzigt of bevestigt.
Het advies wordt aan de DGHR overgemaakt, langs de onmiddellijk hogere hiërarchische overheid. Elke beoordeling in ongunstige zin uitgebracht door deze overheid wordt aan de betrokkene betekend vooraleer ze wordt toegezonden aan de DGHR, eventueel vergezeld van een verweerschrift ingediend binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving.
De DGHR of de overheid die hij aanwijst, aanvaardt of verwerpt de kandidatuur. De beslissing wordt aan de betrokkene betekend.
Het advies wordt uitgedrukt door de beoordeling "Gunstig" of "Ongunstig". De beoordeling "Gunstig" wordt aangevuld met één der volgende vermeldingen : uitstekend, zeer goed, goed, tamelijk goed.
Elk advies moet met redenen omkleed zijn en aan de betrokkene worden betekend. Deze kan binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving een verweerschrift indienen bij de [1 eenheidscommandant]1 tegen de beoordeling of de vermelding bedoeld in het tweede lid. Naar aanleiding van het verweerschrift kan deze laatste zijn advies of de eraan verbonden vermelding wijzigen. De [1 eenheidscommandant]1 stelt betrokken militair in kennis indien hij desbetreffende beoordeling of vermelding wijzigt of bevestigt.
Het advies wordt aan de DGHR overgemaakt, langs de onmiddellijk hogere hiërarchische overheid. Elke beoordeling in ongunstige zin uitgebracht door deze overheid wordt aan de betrokkene betekend vooraleer ze wordt toegezonden aan de DGHR, eventueel vergezeld van een verweerschrift ingediend binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving.
De DGHR of de overheid die hij aanwijst, aanvaardt of verwerpt de kandidatuur. De beslissing wordt aan de betrokkene betekend.
Art. 71. Outre les appréciations visées à l'article 73 de la loi du 28 février 2007, le [1 commandant d'unité]1 émet un avis quant à la manière de servir et à l'aptitude à servir dans la catégorie des officiers BDL du niveau B du sous-officier BDL du niveau C qui pose sa candidature et qui satisfait aux conditions visées à l'article 70, alinéa 1er, 1° à 4°.
L'avis est exprimé par l'appréciation "Favorable" ou "Défavorable". L'appréciation "Favorable" est complétée par une des mentions suivantes : excellent, très bon, bon, assez bon.
Tout avis doit être motivé et notifié à l'intéressé. Dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification, celui-ci peut introduire un mémoire auprès du [1 commandant d'unité]1 contre une appréciation ou mention visée à l'alinéa 2. A la suite du mémoire, ce dernier peut modifier son avis ou la mention y relative. Le [1 commandant d'unité]1 notifie au militaire concerné s'il modifie ou confirme l'appréciation ou la mention concernée.
L'avis est transmis au DGHR par la voie de l'autorité hiérarchique immédiatement supérieure. Toute appréciation dans un sens défavorable émise par cette autorité est notifiée à l'intéressé avant d'être transmise au DGHR, éventuellement accompagnée d'un mémoire introduit dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification.
Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne, agrée ou rejette la candidature. La décision est notifiée à l'intéressé.
L'avis est exprimé par l'appréciation "Favorable" ou "Défavorable". L'appréciation "Favorable" est complétée par une des mentions suivantes : excellent, très bon, bon, assez bon.
Tout avis doit être motivé et notifié à l'intéressé. Dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification, celui-ci peut introduire un mémoire auprès du [1 commandant d'unité]1 contre une appréciation ou mention visée à l'alinéa 2. A la suite du mémoire, ce dernier peut modifier son avis ou la mention y relative. Le [1 commandant d'unité]1 notifie au militaire concerné s'il modifie ou confirme l'appréciation ou la mention concernée.
L'avis est transmis au DGHR par la voie de l'autorité hiérarchique immédiatement supérieure. Toute appréciation dans un sens défavorable émise par cette autorité est notifiée à l'intéressé avant d'être transmise au DGHR, éventuellement accompagnée d'un mémoire introduit dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification.
Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne, agrée ou rejette la candidature. La décision est notifiée à l'intéressé.
Wijzigingen
Art. 72. [1 Naargelang het geval, legt de onderofficier BDL van niveau C psychotechnische proeven af.]1 Deze proeven hebben tot doel te beoordelen of de betrokkene de vereiste karakteriële hoedanigheden en het vereiste intellectueel potentieel bezit.
[1 De onderofficier BDL van niveau C die een cijfer heeft behaald dat lager is dan de uitsluitingsdrempel bedoeld in artikel 26, § 4, van het voornoemde koninklijk besluit van 11 september 2003, wordt evenwel niet gerangschikt.]1
De nadere uitvoeringsregels betreffende de psychotechnische proeven worden bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
[1 De onderofficier BDL van niveau C die een cijfer heeft behaald dat lager is dan de uitsluitingsdrempel bedoeld in artikel 26, § 4, van het voornoemde koninklijk besluit van 11 september 2003, wordt evenwel niet gerangschikt.]1
De nadere uitvoeringsregels betreffende de psychotechnische proeven worden bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
Art. 72. [1 Selon le cas, le sous-officier BDL du niveau C présente des épreuves psychotechniques.]1 Ces épreuves ont pour but d'apprécier si l'intéressé possède les qualités caractérielles et le potentiel intellectuel exigés.
[1 Toutefois, le sous-officier BDL du niveau C qui a obtenu une note inférieure au seuil d'exclusion visé à l'article 26, § 4, de l'arrêté royal du 11 septembre 2003 précité, n'est pas classé.]1
Les modalités d'exécution relatives aux épreuves psychotechniques sont fixées dans un règlement arrêté par le ministre.
[1 Toutefois, le sous-officier BDL du niveau C qui a obtenu une note inférieure au seuil d'exclusion visé à l'article 26, § 4, de l'arrêté royal du 11 septembre 2003 précité, n'est pas classé.]1
Les modalités d'exécution relatives aux épreuves psychotechniques sont fixées dans un règlement arrêté par le ministre.
Wijzigingen
Art. 73. [1 Voor het opmaken van de rangschikking van de onderofficieren BDL van niveau C houdt het selectiecomité rekening met de waarde van de kandidaat, beoordeeld door het selectiecomité op grond van de krachtens artikel 71 uitgebrachte adviezen en van de inhoud van zijn persoonlijk dossier, berekend op 100 punten, overeenkomstig de procedure bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.]1
De kandidaat die niet ten minste de helft van de punten behaalt voor de beoordeling van zijn waarde wordt evenwel niet gerangschikt.
Het selectiecomité weerhoudt de kandidaten met inachtneming van de opgestelde rangschikking en van het aantal beschikbare plaatsen per vakrichting, per taalstelsel en, naargelang het geval, per krijgsmachtdeel.
Indien twee kandidaten hetzelfde puntentotaal behalen, wordt voorrang gegeven :
1° aan de kandidaat met de hoogste graad;
2° bij gelijke graad, aan deze met de meeste anciënniteit in de graad;
3° bij gelijke graad en anciënniteit, aan diegene waarvan de kandidatuur het grootst aantal keren afgewezen werd;
4° bij gelijke graad, bij gelijke anciënniteit en bij hetzelfde aantal afwijzingen, aan de oudste.
De niet-rangschikking of de al dan niet batige rangschikking bij de overgangsproef wordt aan de kandidaat betekend door de voorzitter van het selectiecomité.
De kandidaat die niet ten minste de helft van de punten behaalt voor de beoordeling van zijn waarde wordt evenwel niet gerangschikt.
Het selectiecomité weerhoudt de kandidaten met inachtneming van de opgestelde rangschikking en van het aantal beschikbare plaatsen per vakrichting, per taalstelsel en, naargelang het geval, per krijgsmachtdeel.
Indien twee kandidaten hetzelfde puntentotaal behalen, wordt voorrang gegeven :
1° aan de kandidaat met de hoogste graad;
2° bij gelijke graad, aan deze met de meeste anciënniteit in de graad;
3° bij gelijke graad en anciënniteit, aan diegene waarvan de kandidatuur het grootst aantal keren afgewezen werd;
4° bij gelijke graad, bij gelijke anciënniteit en bij hetzelfde aantal afwijzingen, aan de oudste.
De niet-rangschikking of de al dan niet batige rangschikking bij de overgangsproef wordt aan de kandidaat betekend door de voorzitter van het selectiecomité.
Art. 73. [1 Pour l'établissement du classement des sous-officiers BDL du niveau C, le comité de sélection tient compte de la valeur du candidat, appréciée par le comité de sélection sur la base des avis émis en vertu de l'article 71 et du contenu de son dossier personnel, calculée sur 100 points, selon la procédure fixée dans un règlement arrêté par le ministre.]1
Toutefois, le candidat qui n'obtient pas au moins la moitié des points pour l'appréciation de sa valeur n'est pas classé.
Le comité de sélection retient les candidats dans l'ordre de classement établi et à concurrence du nombre de places disponibles par filière de métier, par régime linguistique et, le cas échéant, par force.
Si deux candidats obtiennent le même total de points, il est donné priorité :
1° au candidat le plus gradé;
2° à grade égal, au plus ancien dans le grade;
3° à grade égal et à ancienneté égale, à celui dont la candidature a été refusée le nombre le plus élevé de fois;
4° à grade égal, à ancienneté égale et à nombre de refus égal, au plus âgé.
Le non-classement ou le classement en ordre utile ou non lors de l'épreuve de passage est notifié au candidat par le président du comité de sélection.
Toutefois, le candidat qui n'obtient pas au moins la moitié des points pour l'appréciation de sa valeur n'est pas classé.
Le comité de sélection retient les candidats dans l'ordre de classement établi et à concurrence du nombre de places disponibles par filière de métier, par régime linguistique et, le cas échéant, par force.
Si deux candidats obtiennent le même total de points, il est donné priorité :
1° au candidat le plus gradé;
2° à grade égal, au plus ancien dans le grade;
3° à grade égal et à ancienneté égale, à celui dont la candidature a été refusée le nombre le plus élevé de fois;
4° à grade égal, à ancienneté égale et à nombre de refus égal, au plus âgé.
Le non-classement ou le classement en ordre utile ou non lors de l'épreuve de passage est notifié au candidat par le président du comité de sélection.
Wijzigingen
Art. 74. § 1. De bij de overgangsproef batig gerangschikte onderofficier BDL wordt met het oog op het volbrengen van een vorming met een duur van achttien maanden door [1 de DGHR]1 aanvaard als kandidaat-officier BDL van niveau B.
De aanvaarding door [1 de DGHR]1 wordt aan de kandidaat betekend door de DGHR of de overheid die hij aanwijst.
De vorming bedoeld in artikel 118, § 1, eerste lid, van de wet van 28 februari 2007, bestaat uit een gedeelte van de vormingscyclus van kandidaat-beroepsofficier van niveau B bedoeld in [3 artikel 6]3 van het koninklijk besluit van 7 november 2013. De concrete vorming wordt vastgelegd in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De kandidaat-officieren BDL van niveau B volgen de vorming overeenkomstig de vakrichting waarvoor ze door [2 de DGHR]2 werden aanvaard.
§ 2. De kandidaat die van de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie de toestemming krijgt om een herexamen af te leggen op het einde van zijn vorming moet dit herexamen afleggen op de datum vastgesteld door, naargelang het geval, de schoolcommandant of de hoofdofficier verantwoordelijk voor de vorming van de kandidaat in het militair organisme waar de kandidaat zijn vorming volgt, zonder dat hem nog aanvullende cursussen worden gegeven. Hij kan de toestemming krijgen om de evaluatieperiode aan te vangen. Het herexamen moet worden afgelegd, ten vroegste, op de vijfde werkdag na de beslissing van de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie en, ten laatste, drie maanden na deze datum.
De kandidaat die door de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie als definitief mislukt wordt beschouwd, verliest van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-officier BDL van niveau B.
§ 3. Op het einde van de evaluatieperiode maakt de korpscommandant een evaluatieverslag op betreffende de geschiktheid van de kandidaat om de functies van officier BDL van niveau B uit te oefenen.
De kandidaat die door de evaluatiecommissie of de beroepsinstantie als definitief mislukt wordt beschouwd, verliest van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-officier BDL van niveau B.
De aanvaarding door [1 de DGHR]1 wordt aan de kandidaat betekend door de DGHR of de overheid die hij aanwijst.
De vorming bedoeld in artikel 118, § 1, eerste lid, van de wet van 28 februari 2007, bestaat uit een gedeelte van de vormingscyclus van kandidaat-beroepsofficier van niveau B bedoeld in [3 artikel 6]3 van het koninklijk besluit van 7 november 2013. De concrete vorming wordt vastgelegd in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De kandidaat-officieren BDL van niveau B volgen de vorming overeenkomstig de vakrichting waarvoor ze door [2 de DGHR]2 werden aanvaard.
§ 2. De kandidaat die van de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie de toestemming krijgt om een herexamen af te leggen op het einde van zijn vorming moet dit herexamen afleggen op de datum vastgesteld door, naargelang het geval, de schoolcommandant of de hoofdofficier verantwoordelijk voor de vorming van de kandidaat in het militair organisme waar de kandidaat zijn vorming volgt, zonder dat hem nog aanvullende cursussen worden gegeven. Hij kan de toestemming krijgen om de evaluatieperiode aan te vangen. Het herexamen moet worden afgelegd, ten vroegste, op de vijfde werkdag na de beslissing van de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie en, ten laatste, drie maanden na deze datum.
De kandidaat die door de deliberatiecommissie of de beroepsinstantie als definitief mislukt wordt beschouwd, verliest van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-officier BDL van niveau B.
§ 3. Op het einde van de evaluatieperiode maakt de korpscommandant een evaluatieverslag op betreffende de geschiktheid van de kandidaat om de functies van officier BDL van niveau B uit te oefenen.
De kandidaat die door de evaluatiecommissie of de beroepsinstantie als definitief mislukt wordt beschouwd, verliest van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-officier BDL van niveau B.
Art. 74. § 1er. Le sous-officier BDL classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage est agréé, par [1 le DGHR]1, comme candidat officier BDL du niveau B en vue d'effectuer une formation d'une durée de dix-huit mois.
L'agrément par [1 le DGHR]1 est notifié au candidat par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne.
La formation visée à l'article 118, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 28 février 2007, consiste en une partie du cycle de formation de candidat officier de carrière du niveau B visé [3 à l'article 6]3 de l'arrêté royal du 7 novembre 2013. La formation concrète est fixée dans un règlement arrêté par le ministre.
Les candidats officiers BDL du niveau B suivent la formation correspondant à la filière de métier pour laquelle ils ont été agréés par [2 le DGHR]2.
§ 2. Le candidat qui est autorisé par la commission de délibération ou l'instance d'appel à présenter un examen de repêchage à la fin de sa formation doit présenter cet examen à la date fixée par, selon le cas, le commandant de l'école ou l'officier supérieur responsable de la formation du candidat au sein de l'organisme militaire où le candidat suit sa formation, sans qu'il lui soit encore donné des cours complémentaires. Il peut obtenir l'autorisation de commencer la période d'évaluation. L'examen de repêchage doit être présenté au plus tôt cinq jours ouvrables après la date de la décision de la commission de délibération ou de l'instance d'appel, et au plus tard trois mois après cette date.
Le candidat qui est considéré par la commission de délibération ou l'instance d'appel comme ayant échoué définitivement, perd de plein droit la qualité de candidat officier BDL du niveau B.
§ 3. A l'issue de la période d'évaluation, le chef de corps établit un rapport d'évaluation portant sur l'aptitude du candidat à remplir les fonctions d'officier BDL du niveau B.
Le candidat qui est considéré par la commission d'évaluation ou l'instance d'appel comme ayant échoué définitivement, perd de plein droit la qualité de candidat officier BDL du niveau B.
L'agrément par [1 le DGHR]1 est notifié au candidat par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne.
La formation visée à l'article 118, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 28 février 2007, consiste en une partie du cycle de formation de candidat officier de carrière du niveau B visé [3 à l'article 6]3 de l'arrêté royal du 7 novembre 2013. La formation concrète est fixée dans un règlement arrêté par le ministre.
Les candidats officiers BDL du niveau B suivent la formation correspondant à la filière de métier pour laquelle ils ont été agréés par [2 le DGHR]2.
§ 2. Le candidat qui est autorisé par la commission de délibération ou l'instance d'appel à présenter un examen de repêchage à la fin de sa formation doit présenter cet examen à la date fixée par, selon le cas, le commandant de l'école ou l'officier supérieur responsable de la formation du candidat au sein de l'organisme militaire où le candidat suit sa formation, sans qu'il lui soit encore donné des cours complémentaires. Il peut obtenir l'autorisation de commencer la période d'évaluation. L'examen de repêchage doit être présenté au plus tôt cinq jours ouvrables après la date de la décision de la commission de délibération ou de l'instance d'appel, et au plus tard trois mois après cette date.
Le candidat qui est considéré par la commission de délibération ou l'instance d'appel comme ayant échoué définitivement, perd de plein droit la qualité de candidat officier BDL du niveau B.
§ 3. A l'issue de la période d'évaluation, le chef de corps établit un rapport d'évaluation portant sur l'aptitude du candidat à remplir les fonctions d'officier BDL du niveau B.
Le candidat qui est considéré par la commission d'évaluation ou l'instance d'appel comme ayant échoué définitivement, perd de plein droit la qualité de candidat officier BDL du niveau B.
Art. 75. De onderofficier BDL van niveau C die als kandidaat-officier BDL van niveau B werd aanvaard, wordt door de minister in de graad van adjudant aangesteld bij de aanvang van de vormingscyclus, indien hij nog niet met deze graad bekleed is.
De kandidaat-officier BDL van niveau B wordt, door de Koning, in de graad van onderluitenant aangesteld op de eerste dag van de zesde maand volgend op de maand van zijn aanvaarding door [1 de DGHR]1 als kandidaat-officier BDL van niveau B.
De kandidaat-officier BDL van niveau B wordt, door de Koning, in de graad van onderluitenant aangesteld op de eerste dag van de zesde maand volgend op de maand van zijn aanvaarding door [1 de DGHR]1 als kandidaat-officier BDL van niveau B.
Art. 75. Le sous-officier BDL du niveau C agréé comme candidat officier BDL du niveau B est commissionné au grade d'adjudant par le ministre au début du cycle de formation, s'il n'est pas encore revêtu de ce grade.
Le candidat officier BDL du niveau B est commissionné au grade de sous-lieutenant par le Roi, le premier jour du sixième mois qui suit le mois de son agrément par [1 le DGHR]1 comme candidat officier BDL du niveau B.
Le candidat officier BDL du niveau B est commissionné au grade de sous-lieutenant par le Roi, le premier jour du sixième mois qui suit le mois de son agrément par [1 le DGHR]1 comme candidat officier BDL du niveau B.
Wijzigingen
Art. 76. § 1er. De kandidaat-officier BDL van niveau B wordt door de [1 Koning]1 in de graad van onderluitenant benoemd op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij zijn cyclus basisvorming met goed gevolg heeft beëindigd. De benoeming heeft met terugwerkende kracht uitwerking op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij in deze graad werd aangesteld.
§ 2. Hij wordt gerangschikt na de officieren BDL van niveau B van de bijzondere werving die op dezelfde datum tot onderluitenant werden benoemd.
§ 2. Hij wordt gerangschikt na de officieren BDL van niveau B van de bijzondere werving die op dezelfde datum tot onderluitenant werden benoemd.
Art. 76. § 1er. Le candidat officier BDL du niveau B est nommé par le [1 Roi]1 au grade de sous-lieutenant le vingt-sixième jour du dernier mois du trimestre au cours duquel il a terminé son cycle de formation de base avec succès. La nomination prend lieu avec effet rétroactif au vingt-sixième jour du dernier mois du trimestre au cours duquel il a été commissionné dans ce grade.
§ 2. Il est classé après les officiers BDL du niveau B du recrutement spécial qui ont été nommés sous-lieutenant à la même date.
§ 2. Il est classé après les officiers BDL du niveau B du recrutement spécial qui ont été nommés sous-lieutenant à la même date.
Wijzigingen
Art. 77. § 1. De relatieve anciënniteit van diegenen die op dezelfde datum worden benoemd en aan dezelfde vormingscyclus hebben deelgenomen, wordt bepaald door de rangschikking die op het einde van de opleiding wordt opgemaakt op grond van de einduitslag.
De kandidaten die dezelfde einduitslag bekomen worden gerangschikt volgens afdalende orde van de dienstanciënniteit en in geval van ex-aequo wordt voorrang gegeven aan de oudste.
In geval van slagen na herkansing, komt enkel de einduitslag behaald bij de eerste poging in aanmerking voor het opstellen van de rangschikking.
§ 2. De relatieve anciënniteit van diegenen die op dezelfde datum worden benoemd en die niet aan dezelfde vormingscyclus hebben deelgenomen, is bepaald door een enige rangschikking die wordt opgemaakt op basis van de verschillende rangschikkingen opgesteld overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 1 en waarin de onderofficieren die verschillende vormingscyclussen hebben gevolgd in verhouding tot hun aantal om beurten zijn opgenomen.
De zo opgemaakte enige rangschikking mag evenwel niet tot gevolg hebben dat een onderofficier wordt gerangschikt vóór een andere onderofficier wiens einduitslag meer dan tien procent van het totaal der punten hoger is dan het zijne.
De kandidaten die dezelfde einduitslag bekomen worden gerangschikt volgens afdalende orde van de dienstanciënniteit en in geval van ex-aequo wordt voorrang gegeven aan de oudste.
In geval van slagen na herkansing, komt enkel de einduitslag behaald bij de eerste poging in aanmerking voor het opstellen van de rangschikking.
§ 2. De relatieve anciënniteit van diegenen die op dezelfde datum worden benoemd en die niet aan dezelfde vormingscyclus hebben deelgenomen, is bepaald door een enige rangschikking die wordt opgemaakt op basis van de verschillende rangschikkingen opgesteld overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 1 en waarin de onderofficieren die verschillende vormingscyclussen hebben gevolgd in verhouding tot hun aantal om beurten zijn opgenomen.
De zo opgemaakte enige rangschikking mag evenwel niet tot gevolg hebben dat een onderofficier wordt gerangschikt vóór een andere onderofficier wiens einduitslag meer dan tien procent van het totaal der punten hoger is dan het zijne.
Art. 77. § 1er. L'ancienneté relative de ceux qui sont nommés à la même date et qui ont participé au même cycle de formation est déterminée par le classement établi à la fin de l'instruction sur la base du résultat final.
Les candidats qui obtiennent la même note finale sont classés dans l'ordre décroissant de leur ancienneté de service et en cas d'ex-aequo, priorité est donnée au plus âgé.
En cas de réussite après repêchage, seul le résultat final obtenu au premier essai intervient pour l'établissement du classement.
§ 2. L'ancienneté relative de ceux qui sont nommés à la même date et qui n'ont pas participé au même cycle de formation est déterminée par un classement unique établi sur la base des différents classements établis conformément aux dispositions du paragraphe 1er et dans lequel les sous-officiers qui ont suivi des cycles de formations différents alternent proportionnellement à leur nombre.
Le classement unique ainsi établi ne peut toutefois avoir pour conséquence de classer un sous-officier avant un autre sous-officier dont le résultat final est supérieur au sien de plus de dix pour cent du total des points.
Les candidats qui obtiennent la même note finale sont classés dans l'ordre décroissant de leur ancienneté de service et en cas d'ex-aequo, priorité est donnée au plus âgé.
En cas de réussite après repêchage, seul le résultat final obtenu au premier essai intervient pour l'établissement du classement.
§ 2. L'ancienneté relative de ceux qui sont nommés à la même date et qui n'ont pas participé au même cycle de formation est déterminée par un classement unique établi sur la base des différents classements établis conformément aux dispositions du paragraphe 1er et dans lequel les sous-officiers qui ont suivi des cycles de formations différents alternent proportionnellement à leur nombre.
Le classement unique ainsi établi ne peut toutefois avoir pour conséquence de classer un sous-officier avant un autre sous-officier dont le résultat final est supérieur au sien de plus de dix pour cent du total des points.
HOOFDSTUK 4. - De overgang van de militair BDL als beroepsmilitair
CHAPITRE 4. - Du passage du militaire BDL comme militaire de carrière
Afdeling 1. - De overgang van de vrijwilliger BDL naar beroepsvrijwilliger
Section 1re. - Du passage du volontaire BDL vers volontaire de carrière
Art. 78. Met het oog op zijn opname als beroepsvrijwilliger, kan de vrijwilliger BDL door [1 de DGHR]1 aanvaard worden indien hij aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° [2 ...]2
2° geslaagd zijn voor de militaire tests van lichamelijke geschiktheid volgens de criteria bepaald door de minister;
3° voor de vrijwilliger die voor een functie bij de marine solliciteert, medisch geschikt zijn voor dienst op zee;
4° niet afgewezen worden, door de DGHR of de autoriteit die hij aanwijst;
5° batig gerangschikt worden bij de overgangsproef, bedoeld in artikel 19, derde lid, 3°, van de wet, binnen de grenzen van het aantal opengestelde plaatsen.
Overeenkomstig het eerste lid, 4°, kan de DGHR, of de autoriteit die hij aanwijst, een kandidatuur afwijzen op basis van het persoonlijk dossier van de betrokken militair. Het geheel van de beoordelingselementen die in beschouwing kunnen worden genomen wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De overgangsproef bedoeld in het eerste lid, 5°, omvat de beoordeling van de waarde van de kandidaat door het selectiecomité bedoeld in artikel 20.
1° [2 ...]2
2° geslaagd zijn voor de militaire tests van lichamelijke geschiktheid volgens de criteria bepaald door de minister;
3° voor de vrijwilliger die voor een functie bij de marine solliciteert, medisch geschikt zijn voor dienst op zee;
4° niet afgewezen worden, door de DGHR of de autoriteit die hij aanwijst;
5° batig gerangschikt worden bij de overgangsproef, bedoeld in artikel 19, derde lid, 3°, van de wet, binnen de grenzen van het aantal opengestelde plaatsen.
Overeenkomstig het eerste lid, 4°, kan de DGHR, of de autoriteit die hij aanwijst, een kandidatuur afwijzen op basis van het persoonlijk dossier van de betrokken militair. Het geheel van de beoordelingselementen die in beschouwing kunnen worden genomen wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De overgangsproef bedoeld in het eerste lid, 5°, omvat de beoordeling van de waarde van de kandidaat door het selectiecomité bedoeld in artikel 20.
Art. 78. En vue de son admission comme volontaire de carrière, le volontaire BDL peut être agréé par [1 le DGHR]1 s'il satisfait aux conditions suivantes :
1° [2 ...]2
2° avoir réussi les tests militaires d'aptitude physique selon les critères fixés par le ministre;
3° pour le volontaire qui postule pour une fonction à la marine, être médicalement apte au service en mer;
4° ne pas être refusé, par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne;
5° être classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage, visée à l'article 19, alinéa 3, 3°, de la loi, dans les limites du nombre de places ouvertes.
Le DGHR, ou l'autorité qu'il désigne, peut refuser une candidature conformément à l'alinéa 1er, 4°, sur la base du dossier personnel du militaire concerné. L'ensemble des éléments d'appréciation qui peuvent être pris en considération est fixé dans un règlement arrêté par le ministre.
L'épreuve de passage visée à l'alinéa 1er, 5°, comprend l'appréciation de la valeur du candidat par le comité de sélection visé à l'article 20.
1° [2 ...]2
2° avoir réussi les tests militaires d'aptitude physique selon les critères fixés par le ministre;
3° pour le volontaire qui postule pour une fonction à la marine, être médicalement apte au service en mer;
4° ne pas être refusé, par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne;
5° être classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage, visée à l'article 19, alinéa 3, 3°, de la loi, dans les limites du nombre de places ouvertes.
Le DGHR, ou l'autorité qu'il désigne, peut refuser une candidature conformément à l'alinéa 1er, 4°, sur la base du dossier personnel du militaire concerné. L'ensemble des éléments d'appréciation qui peuvent être pris en considération est fixé dans un règlement arrêté par le ministre.
L'épreuve de passage visée à l'alinéa 1er, 5°, comprend l'appréciation de la valeur du candidat par le comité de sélection visé à l'article 20.
Art. 79. De [1 eenheidscommandant]1 brengt een advies uit over de wijze van dienen en de geschiktheid om dienst te doen in de categorie van de beroepsvrijwilligers van de vrijwilliger BDL die zich kandidaat stelt en aan de voorwaarden bedoeld in artikel 78, eerste lid, 1° tot 3°, voldoet.
Het advies wordt uitgedrukt door de beoordeling "Gunstig" of "Ongunstig". De beoordeling "Gunstig" wordt aangevuld met één der volgende vermeldingen : uitstekend, zeer goed, goed, tamelijk goed.
Elk advies moet met redenen omkleed zijn en aan de betrokkene worden betekend. Deze kan binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving een verweerschrift indienen bij de [1 eenheidscommandant]1 tegen de beoordeling of de vermelding bedoeld in het tweede lid. Naar aanleiding van het verweerschrift kan deze laatste zijn advies of de eraan verbonden vermelding wijzigen. De [1 eenheidscommandant]1 stelt betrokken militair in kennis indien hij desbetreffende beoordeling of vermelding wijzigt of bevestigt.
Het advies wordt aan de DGHR overgemaakt, langs de onmiddellijk hogere hiërarchische overheid. Elke beoordeling in ongunstige zin uitgebracht door deze overheid wordt aan de betrokkene betekend vooraleer ze wordt toegezonden aan de DGHR, eventueel vergezeld van een verweerschrift ingediend binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving.
De DGHR of de autoriteit die hij aanwijst aanvaardt of verwerpt de kandidatuur. De beslissing wordt aan de betrokkene betekend.
Het advies wordt uitgedrukt door de beoordeling "Gunstig" of "Ongunstig". De beoordeling "Gunstig" wordt aangevuld met één der volgende vermeldingen : uitstekend, zeer goed, goed, tamelijk goed.
Elk advies moet met redenen omkleed zijn en aan de betrokkene worden betekend. Deze kan binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving een verweerschrift indienen bij de [1 eenheidscommandant]1 tegen de beoordeling of de vermelding bedoeld in het tweede lid. Naar aanleiding van het verweerschrift kan deze laatste zijn advies of de eraan verbonden vermelding wijzigen. De [1 eenheidscommandant]1 stelt betrokken militair in kennis indien hij desbetreffende beoordeling of vermelding wijzigt of bevestigt.
Het advies wordt aan de DGHR overgemaakt, langs de onmiddellijk hogere hiërarchische overheid. Elke beoordeling in ongunstige zin uitgebracht door deze overheid wordt aan de betrokkene betekend vooraleer ze wordt toegezonden aan de DGHR, eventueel vergezeld van een verweerschrift ingediend binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving.
De DGHR of de autoriteit die hij aanwijst aanvaardt of verwerpt de kandidatuur. De beslissing wordt aan de betrokkene betekend.
Art. 79. Le [1 commandant d'unité]1 émet un avis quant à la manière de servir et à l'aptitude à servir dans la catégorie des volontaires de carrière du volontaire BDL qui pose sa candidature et qui satisfait aux conditions visées à l'article 78, alinéa 1er, 1° à 3°.
L'avis est exprimé par l'appréciation "Favorable" ou "Défavorable". L'appréciation "Favorable" est complétée par une des mentions suivantes : excellent, très bon, bon, assez bon.
Tout avis doit être motivé et notifié à l'intéressé. Dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification, celui-ci peut introduire un mémoire auprès du [1 commandant d'unité]1 contre une appréciation ou mention visée à l'alinéa 2. A la suite du mémoire, ce dernier peut modifier son avis ou la mention y relative. Le [1 commandant d'unité]1 notifie au militaire concerné s'il modifie ou confirme l'appréciation ou la mention concernée.
L'avis est transmis au DGHR par la voie de l'autorité hiérarchique immédiatement supérieure. Toute appréciation dans un sens défavorable émise par cette autorité est notifiée à l'intéressé avant d'être transmise au DGHR, éventuellement accompagnée d'un mémoire introduit dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification.
Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne agrée ou rejette la candidature. La décision est notifiée à l'intéressé.
L'avis est exprimé par l'appréciation "Favorable" ou "Défavorable". L'appréciation "Favorable" est complétée par une des mentions suivantes : excellent, très bon, bon, assez bon.
Tout avis doit être motivé et notifié à l'intéressé. Dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification, celui-ci peut introduire un mémoire auprès du [1 commandant d'unité]1 contre une appréciation ou mention visée à l'alinéa 2. A la suite du mémoire, ce dernier peut modifier son avis ou la mention y relative. Le [1 commandant d'unité]1 notifie au militaire concerné s'il modifie ou confirme l'appréciation ou la mention concernée.
L'avis est transmis au DGHR par la voie de l'autorité hiérarchique immédiatement supérieure. Toute appréciation dans un sens défavorable émise par cette autorité est notifiée à l'intéressé avant d'être transmise au DGHR, éventuellement accompagnée d'un mémoire introduit dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification.
Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne agrée ou rejette la candidature. La décision est notifiée à l'intéressé.
Wijzigingen
Art. 80. Voor het opmaken van de rangschikking, houdt het selectiecomité rekening met de waarde van de kandidaat, beoordeeld door het selectiecomité op grond van de krachtens artikel 79 uitgebrachte adviezen, en de inhoud van zijn persoonlijk dossier, berekend op 100 punten, overeenkomstig de procedure bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De kandidaat die niet ten minste de helft van de punten behaalt voor de beoordeling van zijn waarde, wordt evenwel niet gerangschikt.
Het selectiecomité weerhoudt de kandidaten met inachtneming van de opgestelde rangschikking en van het aantal beschikbare plaatsen per ambt, per taalstelsel en, naargelang het geval, per krijgsmachtdeel.
Indien twee kandidaten hetzelfde puntentotaal behalen, wordt voorrang gegeven :
1° aan de kandidaat met de hoogste graad;
2° bij gelijke graad, aan deze met de meeste anciënniteit in de graad;
3° bij gelijke graad en anciënniteit, aan diegene waarvan de kandidatuur het grootst aantal keren afgewezen werd;
4° bij gelijke graad, bij gelijke anciënniteit en bij hetzelfde aantal afwijzingen, aan de oudste.
De niet-klassering of de al dan niet batige rangschikking bij de overgangsproef wordt aan de kandidaat betekend door de voorzitter van het selectiecomité.
De kandidaat die niet ten minste de helft van de punten behaalt voor de beoordeling van zijn waarde, wordt evenwel niet gerangschikt.
Het selectiecomité weerhoudt de kandidaten met inachtneming van de opgestelde rangschikking en van het aantal beschikbare plaatsen per ambt, per taalstelsel en, naargelang het geval, per krijgsmachtdeel.
Indien twee kandidaten hetzelfde puntentotaal behalen, wordt voorrang gegeven :
1° aan de kandidaat met de hoogste graad;
2° bij gelijke graad, aan deze met de meeste anciënniteit in de graad;
3° bij gelijke graad en anciënniteit, aan diegene waarvan de kandidatuur het grootst aantal keren afgewezen werd;
4° bij gelijke graad, bij gelijke anciënniteit en bij hetzelfde aantal afwijzingen, aan de oudste.
De niet-klassering of de al dan niet batige rangschikking bij de overgangsproef wordt aan de kandidaat betekend door de voorzitter van het selectiecomité.
Art. 80. Pour l'établissement du classement, le comité de sélection tient compte de la valeur du candidat, appréciée par le comité de sélection sur la base des avis émis en vertu de l'article 79 et du contenu de son dossier personnel, calculée sur 100 points, selon la procédure fixée dans un règlement arrêté par le ministre.
Toutefois, le candidat qui n'obtient pas au moins la moitié des points pour l'appréciation de sa valeur, n'est pas classé.
Le comité de sélection retient les candidats dans l'ordre du classement établi et à concurrence du nombre de places disponibles par emploi, par régime linguistique et, le cas échéant, par force.
Si deux candidats obtiennent le même total de points, il est donné priorité :
1° au candidat le plus gradé;
2° à grade égal, au plus ancien dans le grade;
3° à grade égal et à ancienneté égale, à celui dont la candidature a été refusée le nombre le plus élevé de fois;
4° à grade égal, à ancienneté égale et à nombre de refus égal, au plus âgé.
Le non-classement ou le classement en ordre utile ou non lors de l'épreuve de passage est notifié au candidat par le président du comité de sélection.
Toutefois, le candidat qui n'obtient pas au moins la moitié des points pour l'appréciation de sa valeur, n'est pas classé.
Le comité de sélection retient les candidats dans l'ordre du classement établi et à concurrence du nombre de places disponibles par emploi, par régime linguistique et, le cas échéant, par force.
Si deux candidats obtiennent le même total de points, il est donné priorité :
1° au candidat le plus gradé;
2° à grade égal, au plus ancien dans le grade;
3° à grade égal et à ancienneté égale, à celui dont la candidature a été refusée le nombre le plus élevé de fois;
4° à grade égal, à ancienneté égale et à nombre de refus égal, au plus âgé.
Le non-classement ou le classement en ordre utile ou non lors de l'épreuve de passage est notifié au candidat par le président du comité de sélection.
Art. 81. De bij de overgangsproef batig gerangschikte vrijwilliger BDL wordt door [1 de DGHR]1 aanvaard met het oog op zijn overgang als beroepsmilitair binnen dezelfde personeelscategorie en -niveau.
De aanvaarding door [1 de DGHR]1 wordt aan de kandidaat betekend door de DGHR of de overheid die hij aanwijst.
De aanvaarding door [1 de DGHR]1 wordt aan de kandidaat betekend door de DGHR of de overheid die hij aanwijst.
Art. 81. Le volontaire BDL classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage est agréé par [1 le DGHR]1 en vue de son passage comme militaire de carrière au sein de la même catégorie et niveau de personnel.
L'agrément par [1 le DGHR]1 est notifié au candidat par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne.
L'agrément par [1 le DGHR]1 est notifié au candidat par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne.
Wijzigingen
Art. 82. De vrijwilliger BDL wordt als beroepsmilitair opgenomen, met zijn graad en zijn anciënniteit in die graad, op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij door [1 de DGHR]1 werd aanvaard.
Hij wordt gerangschikt na de beroepsvrijwilligers van de normale werving die met dezelfde graad en dezelfde anciënniteit in deze graad bekleed zijn.
Hij wordt gerangschikt na de beroepsvrijwilligers van de normale werving die met dezelfde graad en dezelfde anciënniteit in deze graad bekleed zijn.
Art. 82. Le volontaire BDL est admis comme militaire de carrière, avec son grade et son ancienneté dans ce grade, le vingt-sixième jour du dernier mois du trimestre au cours duquel il a été agréé par [1 le DGHR]1.
Il est classé à la suite des volontaires de carrière du recrutement normal revêtus du même grade et de même ancienneté dans ce grade.
Il est classé à la suite des volontaires de carrière du recrutement normal revêtus du même grade et de même ancienneté dans ce grade.
Wijzigingen
Art. 83. De relatieve anciënniteit van diegenen die, met hun graad en hun anciënniteit in deze graad, op dezelfde datum worden opgenomen, wordt bepaald volgens de dalende volgorde van hun dienstanciënniteit. In geval van ex-aequo wordt voorrang gegeven aan de oudste.
Art. 83. L'ancienneté relative de ceux qui sont admis à la même date, avec leur grade et leur ancienneté dans ce grade, est déterminée d'après l'ordre décroissant de leur ancienneté de service. En cas d'ex-aequo, la priorité est donnée au plus âgé.
Afdeling 2. - De overgang van de onderofficier BDL van niveau C naar beroepsonderofficier van niveau C
Section 2. - Du passage du sous-officier BDL du niveau C vers sous-officier de carrière du niveau C
Art. 84. Met het oog op zijn opname als beroepsonderofficier van niveau C, kan de onderofficier BDL van niveau C door [1 de DGHR]1 aanvaard worden indien hij aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° [2 ...]2
2° geslaagd zijn voor de militaire tests van lichamelijke geschiktheid volgens de criteria bepaald door de minister;
3° voor de onderofficier die voor een functie bij de marine solliciteert, medisch geschikt zijn voor dienst op zee;
4° niet afgewezen worden door de DGHR of de autoriteit die hij aanwijst;
5° batig gerangschikt worden bij de overgangsproef, bedoeld in artikel 19, derde lid, 3°, van de wet, binnen de grenzen van het aantal opengestelde plaatsen.
Overeenkomstig het eerste lid, 4°, kan de DGHR, of de autoriteit die hij aanwijst, een kandidatuur afwijzen op basis van het persoonlijk dossier van de betrokken militair. Het geheel van de beoordelingselementen die in beschouwing kunnen worden genomen wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De overgangsproef bedoeld in het eerste lid, 5°, omvat de beoordeling van de waarde van de kandidaat door het selectiecomité bedoeld in artikel 20.
1° [2 ...]2
2° geslaagd zijn voor de militaire tests van lichamelijke geschiktheid volgens de criteria bepaald door de minister;
3° voor de onderofficier die voor een functie bij de marine solliciteert, medisch geschikt zijn voor dienst op zee;
4° niet afgewezen worden door de DGHR of de autoriteit die hij aanwijst;
5° batig gerangschikt worden bij de overgangsproef, bedoeld in artikel 19, derde lid, 3°, van de wet, binnen de grenzen van het aantal opengestelde plaatsen.
Overeenkomstig het eerste lid, 4°, kan de DGHR, of de autoriteit die hij aanwijst, een kandidatuur afwijzen op basis van het persoonlijk dossier van de betrokken militair. Het geheel van de beoordelingselementen die in beschouwing kunnen worden genomen wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De overgangsproef bedoeld in het eerste lid, 5°, omvat de beoordeling van de waarde van de kandidaat door het selectiecomité bedoeld in artikel 20.
Art. 84. En vue de son admission comme sous-officier de carrière du niveau C, le sous-officier BDL du niveau C peut être agréé par [1 le DGHR]1 s'il satisfait aux conditions suivantes :
1° [2 ...]2
2° avoir réussi les tests militaires d'aptitude physique selon les critères fixés par le ministre;
3° pour le sous-officier qui postule pour une fonction à la marine, être médicalement apte au service en mer;
4° ne pas être refusé par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne;
5° être classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage, visée à l'article 19, alinéa 3, 3°, de la loi, dans les limites du nombre de places ouvertes.
Le DGHR, ou l'autorité qu'il désigne, peut refuser une candidature conformément à l'alinéa 1er, 4°, sur la base du dossier personnel du militaire concerné. L'ensemble des éléments d'appréciation qui peuvent être pris en considération est fixé dans un règlement arrêté par le ministre.
L'épreuve de passage visée à l'alinéa 1er, 5°, comprend l'appréciation de la valeur du candidat par le comité de sélection visé à l'article 20.
1° [2 ...]2
2° avoir réussi les tests militaires d'aptitude physique selon les critères fixés par le ministre;
3° pour le sous-officier qui postule pour une fonction à la marine, être médicalement apte au service en mer;
4° ne pas être refusé par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne;
5° être classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage, visée à l'article 19, alinéa 3, 3°, de la loi, dans les limites du nombre de places ouvertes.
Le DGHR, ou l'autorité qu'il désigne, peut refuser une candidature conformément à l'alinéa 1er, 4°, sur la base du dossier personnel du militaire concerné. L'ensemble des éléments d'appréciation qui peuvent être pris en considération est fixé dans un règlement arrêté par le ministre.
L'épreuve de passage visée à l'alinéa 1er, 5°, comprend l'appréciation de la valeur du candidat par le comité de sélection visé à l'article 20.
Art. 85. De [1 eenheidscommandant]1 brengt een advies uit over de wijze van dienen en de geschiktheid om dienst te doen in de personeelscategorie van de beroepsonderofficieren van niveau C van de onderofficier BDL van niveau C die zich kandidaat stelt en aan de voorwaarden bedoeld in artikel 84, eerste lid, 1° tot 3°, voldoet.
Het advies wordt uitgedrukt door de beoordeling "Gunstig" of "Ongunstig". De beoordeling "Gunstig" wordt aangevuld met één der volgende vermeldingen : uitstekend, zeer goed, goed, tamelijk goed.
Elk advies moet met redenen omkleed zijn en aan de betrokkene worden betekend. Deze kan binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving een verweerschrift indienen bij de [1 eenheidscommandant]1 tegen de beoordeling of de vermelding bedoeld in het tweede lid. Naar aanleiding van het verweerschrift kan deze laatste zijn advies of de eraan verbonden vermelding wijzigen. De [1 eenheidscommandant]1 stelt betrokken militair in kennis indien hij desbetreffende beoordeling of vermelding wijzigt of bevestigt.
Het advies wordt aan de DGHR overgemaakt, langs de onmiddellijk hogere hiërarchische overheid. Elke beoordeling in ongunstige zin uitgebracht door deze overheid wordt aan de betrokkene betekend vooraleer ze wordt toegezonden aan de DGHR, eventueel vergezeld van een verweerschrift ingediend binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving.
De DGHR of de autoriteit die hij aanwijst aanvaardt of verwerpt de kandidatuur. De beslissing wordt aan de betrokkene betekend.
Het advies wordt uitgedrukt door de beoordeling "Gunstig" of "Ongunstig". De beoordeling "Gunstig" wordt aangevuld met één der volgende vermeldingen : uitstekend, zeer goed, goed, tamelijk goed.
Elk advies moet met redenen omkleed zijn en aan de betrokkene worden betekend. Deze kan binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving een verweerschrift indienen bij de [1 eenheidscommandant]1 tegen de beoordeling of de vermelding bedoeld in het tweede lid. Naar aanleiding van het verweerschrift kan deze laatste zijn advies of de eraan verbonden vermelding wijzigen. De [1 eenheidscommandant]1 stelt betrokken militair in kennis indien hij desbetreffende beoordeling of vermelding wijzigt of bevestigt.
Het advies wordt aan de DGHR overgemaakt, langs de onmiddellijk hogere hiërarchische overheid. Elke beoordeling in ongunstige zin uitgebracht door deze overheid wordt aan de betrokkene betekend vooraleer ze wordt toegezonden aan de DGHR, eventueel vergezeld van een verweerschrift ingediend binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving.
De DGHR of de autoriteit die hij aanwijst aanvaardt of verwerpt de kandidatuur. De beslissing wordt aan de betrokkene betekend.
Art. 85. Le [1 commandant d'unité]1 émet un avis quant à la manière de servir et à l'aptitude à servir dans la catégorie des sous-officiers de carrière du niveau C du sous-officier BDL du niveau C qui pose sa candidature et qui satisfait aux conditions visées à l'article 84 alinéa 1er, 1° à 3°.
L'avis est exprimé par l'appréciation "Favorable" ou "Défavorable". L'appréciation "Favorable" est complétée par une des mentions suivantes : excellent, très bon, bon, assez bon.
Tout avis doit être motivé et notifié à l'intéressé. Dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification, celui-ci peut introduire un mémoire auprès du [1 commandant d'unité]1 contre une appréciation ou mention visée à l'alinéa 2. A la suite du mémoire, ce dernier peut modifier son avis ou la mention y relative. Le [1 commandant d'unité]1 notifie au militaire concerné s'il modifie ou confirme l'appréciation ou la mention concernée.
L'avis est transmis au DGHR par la voie de l'autorité hiérarchique immédiatement supérieure. Toute appréciation dans un sens défavorable émise par cette autorité est notifiée à l'intéressé avant d'être transmise au DGHR, éventuellement accompagnée d'un mémoire introduit dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification.
Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne agrée ou rejette la candidature. La décision est notifiée à l'intéressé.
L'avis est exprimé par l'appréciation "Favorable" ou "Défavorable". L'appréciation "Favorable" est complétée par une des mentions suivantes : excellent, très bon, bon, assez bon.
Tout avis doit être motivé et notifié à l'intéressé. Dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification, celui-ci peut introduire un mémoire auprès du [1 commandant d'unité]1 contre une appréciation ou mention visée à l'alinéa 2. A la suite du mémoire, ce dernier peut modifier son avis ou la mention y relative. Le [1 commandant d'unité]1 notifie au militaire concerné s'il modifie ou confirme l'appréciation ou la mention concernée.
L'avis est transmis au DGHR par la voie de l'autorité hiérarchique immédiatement supérieure. Toute appréciation dans un sens défavorable émise par cette autorité est notifiée à l'intéressé avant d'être transmise au DGHR, éventuellement accompagnée d'un mémoire introduit dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification.
Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne agrée ou rejette la candidature. La décision est notifiée à l'intéressé.
Wijzigingen
Art. 86. Voor het opmaken van de rangschikking, houdt het selectiecomité rekening met de waarde van de kandidaat, beoordeeld door het selectiecomité op grond van de krachtens artikel 85 uitgebrachte adviezen, en de inhoud van zijn persoonlijk dossier, berekend op 100 punten, overeenkomstig de procedure bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De kandidaat die niet ten minste de helft van de punten behaalt voor de beoordeling van zijn waarde, wordt evenwel niet gerangschikt.
Het selectiecomité weerhoudt de kandidaten met inachtneming van de opgestelde rangschikking en van het aantal beschikbare plaatsen per vakrichting, per taalstelsel en, naargelang het geval, per krijgsmachtdeel.
Indien twee kandidaten hetzelfde puntentotaal behalen, wordt voorrang gegeven :
1° aan de kandidaat met de hoogste graad;
2° bij gelijke graad, aan deze met de meeste anciënniteit in de graad;
3° bij gelijke graad en anciënniteit, aan diegene waarvan de kandidatuur het grootst aantal keren afgewezen werd;
4° bij gelijke graad, bij gelijke anciënniteit en bij hetzelfde aantal afwijzingen, aan de oudste.
De niet-klassering of de al dan niet batige rangschikking bij de overgangsproef wordt aan de kandidaat betekend door de voorzitter van het selectiecomité.
De kandidaat die niet ten minste de helft van de punten behaalt voor de beoordeling van zijn waarde, wordt evenwel niet gerangschikt.
Het selectiecomité weerhoudt de kandidaten met inachtneming van de opgestelde rangschikking en van het aantal beschikbare plaatsen per vakrichting, per taalstelsel en, naargelang het geval, per krijgsmachtdeel.
Indien twee kandidaten hetzelfde puntentotaal behalen, wordt voorrang gegeven :
1° aan de kandidaat met de hoogste graad;
2° bij gelijke graad, aan deze met de meeste anciënniteit in de graad;
3° bij gelijke graad en anciënniteit, aan diegene waarvan de kandidatuur het grootst aantal keren afgewezen werd;
4° bij gelijke graad, bij gelijke anciënniteit en bij hetzelfde aantal afwijzingen, aan de oudste.
De niet-klassering of de al dan niet batige rangschikking bij de overgangsproef wordt aan de kandidaat betekend door de voorzitter van het selectiecomité.
Art. 86. Pour l'établissement du classement, le comité de sélection tient compte de la valeur du candidat, appréciée par le comité de sélection sur la base des avis émis en vertu de l'article 85 et du contenu de son dossier personnel, calculée sur 100 points, selon la procédure fixée dans un règlement arrêté par le ministre.
Toutefois, le candidat qui n'obtient pas au moins la moitié des points pour l'appréciation de sa valeur, n'est pas classé.
Le comité de sélection retient les candidats dans l'ordre du classement établi et à concurrence du nombre de places disponibles par filière de métier, par régime linguistique et, le cas échéant, par force.
Si deux candidats obtiennent le même total de points, il est donné priorité :
1° au candidat le plus gradé;
2° à grade égal, au plus ancien dans le grade;
3° à grade égal et à ancienneté égale, à celui dont la candidature a été refusée le nombre le plus élevé de fois;
4° à grade égal, à ancienneté égale et à nombre de refus égal, au plus âgé.
Le non-classement ou le classement en ordre utile ou non lors de l'épreuve de passage est notifié au candidat par le président du comité de sélection.
Toutefois, le candidat qui n'obtient pas au moins la moitié des points pour l'appréciation de sa valeur, n'est pas classé.
Le comité de sélection retient les candidats dans l'ordre du classement établi et à concurrence du nombre de places disponibles par filière de métier, par régime linguistique et, le cas échéant, par force.
Si deux candidats obtiennent le même total de points, il est donné priorité :
1° au candidat le plus gradé;
2° à grade égal, au plus ancien dans le grade;
3° à grade égal et à ancienneté égale, à celui dont la candidature a été refusée le nombre le plus élevé de fois;
4° à grade égal, à ancienneté égale et à nombre de refus égal, au plus âgé.
Le non-classement ou le classement en ordre utile ou non lors de l'épreuve de passage est notifié au candidat par le président du comité de sélection.
Art. 87. De bij de overgangsproef batig gerangschikte onderofficier BDL van niveau C wordt door [1 de DGHR]1 aanvaard met het oog op zijn overgang als beroepsmilitair binnen dezelfde personeelscategorie en -niveau.
De aanvaarding door [1 de DGHR]1 wordt aan de kandidaat betekend door de DGHR of de overheid die hij aanwijst.
De aanvaarding door [1 de DGHR]1 wordt aan de kandidaat betekend door de DGHR of de overheid die hij aanwijst.
Art. 87. Le sous-officier BDL du niveau C classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage est agréé par [1 le DGHR]1 en vue de son passage comme militaire de carrière au sein de la même catégorie et niveau de personnel.
L'agrément par le ministre est notifié au candidat par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne.
L'agrément par le ministre est notifié au candidat par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne.
Wijzigingen
Art. 88. De onderofficier BDL van niveau C wordt als beroepsmilitair opgenomen, met zijn graad en zijn anciënniteit in die graad, op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij door [1 de DGHR]1 werd aanvaard.
Hij wordt gerangschikt na de beroepsonderofficieren van niveau C, gesproten uit de sociale promotie, die met dezelfde graad en dezelfde anciënniteit in deze graad bekleed zijn.
Hij wordt gerangschikt na de beroepsonderofficieren van niveau C, gesproten uit de sociale promotie, die met dezelfde graad en dezelfde anciënniteit in deze graad bekleed zijn.
Art. 88. Le sous-officier BDL du niveau C est admis comme militaire de carrière, avec son grade et son ancienneté dans ce grade, le vingt-sixième jour du dernier mois du trimestre au cours duquel il a été agréé par [1 le DGHR]1.
Il est classé après les sous-officiers de carrière du niveau C, issus de la promotion sociale, revêtus du même grade et de même ancienneté dans ce grade.
Il est classé après les sous-officiers de carrière du niveau C, issus de la promotion sociale, revêtus du même grade et de même ancienneté dans ce grade.
Wijzigingen
Art. 89. De relatieve anciënniteit van diegenen die, met hun graad en hun anciënniteit in deze graad, op dezelfde datum worden opgenomen, wordt bepaald volgens de dalende volgorde van hun dienstanciënniteit. In geval van ex-aequo wordt voorrang gegeven aan de oudste.
Art. 89. L'ancienneté relative de ceux qui sont admis à la même date, avec leur grade et leur ancienneté dans ce grade, est déterminée d'après l'ordre décroissant de leur ancienneté de service. En cas d'ex-aequo, la priorité est donnée au plus âgé.
Afdeling 3. - De overgang van de onderofficier BDL van niveau B naar beroepsonderofficier van niveau B
Section 3. - Du passage du sous-officier BDL du niveau B vers sous-officier de carrière du niveau B
Art. 90. Met het oog op zijn opname als beroepsonderofficier van niveau B, kan de onderofficier BDL van niveau B door [1 de DGHR]1 aanvaard worden indien hij aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° [2 ...]2
2° geslaagd zijn voor de militaire tests van lichamelijke geschiktheid volgens de criteria bepaald door de minister;
3° voor de onderofficier die voor een functie bij de marine solliciteert, medisch geschikt zijn voor dienst op zee;
4° niet afgewezen worden door de DGHR of de autoriteit die hij aanwijst;
5° batig gerangschikt worden bij de overgangsproef, bedoeld in artikel 19, derde lid, 3°, van de wet, binnen de grenzen van het aantal opengestelde plaatsen.
Overeenkomstig het eerste lid, 4°, kan de DGHR, of de autoriteit die hij aanwijst, een kandidatuur afwijzen op basis van het persoonlijk dossier van de betrokken militair. Het geheel van de beoordelingselementen die in beschouwing kunnen worden genomen wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De overgangsproef bedoeld in het eerste lid, 5°, omvat de beoordeling van de waarde van de kandidaat door het selectiecomité bedoeld in artikel 20.
1° [2 ...]2
2° geslaagd zijn voor de militaire tests van lichamelijke geschiktheid volgens de criteria bepaald door de minister;
3° voor de onderofficier die voor een functie bij de marine solliciteert, medisch geschikt zijn voor dienst op zee;
4° niet afgewezen worden door de DGHR of de autoriteit die hij aanwijst;
5° batig gerangschikt worden bij de overgangsproef, bedoeld in artikel 19, derde lid, 3°, van de wet, binnen de grenzen van het aantal opengestelde plaatsen.
Overeenkomstig het eerste lid, 4°, kan de DGHR, of de autoriteit die hij aanwijst, een kandidatuur afwijzen op basis van het persoonlijk dossier van de betrokken militair. Het geheel van de beoordelingselementen die in beschouwing kunnen worden genomen wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De overgangsproef bedoeld in het eerste lid, 5°, omvat de beoordeling van de waarde van de kandidaat door het selectiecomité bedoeld in artikel 20.
Art. 90. En vue de son admission comme sous-officier de carrière du niveau B, le sous-officier BDL du niveau B peut être agréé par [1 le DGHR]1 s'il satisfait aux conditions suivantes :
1° [2 ...]2
2° avoir réussi les tests militaires d'aptitude physique selon les critères fixés par le ministre;
3° pour le sous-officier qui postule pour une fonction à la marine, être médicalement apte au service en mer;
4° ne pas être refusé par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne;
5° être classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage, visée à l'article 19, alinéa 3, 3°, de la loi, dans les limites du nombre de places ouvertes.
Le DGHR, ou l'autorité qu'il désigne, peut refuser une candidature conformément à l'alinéa 1er, 4°, sur la base du dossier personnel du militaire concerné. L'ensemble des éléments d'appréciation qui peuvent être pris en considération est fixé dans un règlement arrêté par le ministre.
L'épreuve de passage visée à l'alinéa 1er, 5°, comprend l'appréciation de la valeur du candidat par le comité de sélection visé à l'article 20.
1° [2 ...]2
2° avoir réussi les tests militaires d'aptitude physique selon les critères fixés par le ministre;
3° pour le sous-officier qui postule pour une fonction à la marine, être médicalement apte au service en mer;
4° ne pas être refusé par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne;
5° être classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage, visée à l'article 19, alinéa 3, 3°, de la loi, dans les limites du nombre de places ouvertes.
Le DGHR, ou l'autorité qu'il désigne, peut refuser une candidature conformément à l'alinéa 1er, 4°, sur la base du dossier personnel du militaire concerné. L'ensemble des éléments d'appréciation qui peuvent être pris en considération est fixé dans un règlement arrêté par le ministre.
L'épreuve de passage visée à l'alinéa 1er, 5°, comprend l'appréciation de la valeur du candidat par le comité de sélection visé à l'article 20.
Art. 91. De [1 eenheidscommandant]1 brengt een advies uit over de wijze van dienen en de geschiktheid om dienst te doen in de personeelscategorie van de beroepsonderofficieren van niveau B van de onderofficier BDL van niveau B die zich kandidaat stelt en aan de voorwaarden bedoeld in artikel 90, eerste lid, 1° tot 3°, voldoet.
Het advies wordt uitgedrukt door de beoordeling "Gunstig" of "Ongunstig". De beoordeling "Gunstig" wordt aangevuld met één der volgende vermeldingen : uitstekend, zeer goed, goed, tamelijk goed.
Elk advies moet met redenen omkleed zijn en aan de betrokkene worden betekend. Deze kan binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving een verweerschrift indienen bij de [1 eenheidscommandant]1 tegen de beoordeling of de vermelding bedoeld in het tweede lid. Naar aanleiding van het verweerschrift kan deze laatste zijn advies of de eraan verbonden vermelding wijzigen. De [1 eenheidscommandant]1 stelt betrokken militair in kennis indien hij desbetreffende beoordeling of vermelding wijzigt of bevestigt.
Het advies wordt aan de DGHR overgemaakt, langs de onmiddellijk hogere hiërarchische overheid. Elke beoordeling in ongunstige zin uitgebracht door deze overheid wordt aan de betrokkene betekend vooraleer ze wordt toegezonden aan de DGHR, eventueel vergezeld van een verweerschrift ingediend binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving.
De DGHR of de autoriteit die hij aanwijst aanvaardt of verwerpt de kandidatuur. De beslissing wordt aan de betrokkene betekend.
Het advies wordt uitgedrukt door de beoordeling "Gunstig" of "Ongunstig". De beoordeling "Gunstig" wordt aangevuld met één der volgende vermeldingen : uitstekend, zeer goed, goed, tamelijk goed.
Elk advies moet met redenen omkleed zijn en aan de betrokkene worden betekend. Deze kan binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving een verweerschrift indienen bij de [1 eenheidscommandant]1 tegen de beoordeling of de vermelding bedoeld in het tweede lid. Naar aanleiding van het verweerschrift kan deze laatste zijn advies of de eraan verbonden vermelding wijzigen. De [1 eenheidscommandant]1 stelt betrokken militair in kennis indien hij desbetreffende beoordeling of vermelding wijzigt of bevestigt.
Het advies wordt aan de DGHR overgemaakt, langs de onmiddellijk hogere hiërarchische overheid. Elke beoordeling in ongunstige zin uitgebracht door deze overheid wordt aan de betrokkene betekend vooraleer ze wordt toegezonden aan de DGHR, eventueel vergezeld van een verweerschrift ingediend binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving.
De DGHR of de autoriteit die hij aanwijst aanvaardt of verwerpt de kandidatuur. De beslissing wordt aan de betrokkene betekend.
Art. 91. Le [1 commandant d'unité]1 émet un avis quant à la manière de servir et à l'aptitude à servir dans la catégorie de personnel des sous-officiers de carrière du niveau B du sous-officier BDL du niveau B qui pose sa candidature et qui satisfait aux conditions visées à l'article 90, alinéa 1er, 1° à 3°.
L'avis est exprimé par l'appréciation "Favorable" ou "Défavorable". L'appréciation "Favorable" est complétée par une des mentions suivantes : excellent, très bon, bon, assez bon.
Tout avis doit être motivé et notifié à l'intéressé. Dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification, celui-ci peut introduire un mémoire auprès du [1 commandant d'unité]1 contre une appréciation ou mention visée à l'alinéa 2. A la suite du mémoire, ce dernier peut modifier son avis ou la mention y relative. Le [1 commandant d'unité]1 notifie au militaire concerné s'il modifie ou confirme l'appréciation ou la mention concernée.
L'avis est transmis au DGHR par la voie de l'autorité hiérarchique immédiatement supérieure. Toute appréciation dans un sens défavorable émise par cette autorité est notifiée à l'intéressé avant d'être transmise au DGHR, éventuellement accompagnée d'un mémoire introduit dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification.
Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne agrée ou rejette la candidature. La décision est notifiée à l'intéressé.
L'avis est exprimé par l'appréciation "Favorable" ou "Défavorable". L'appréciation "Favorable" est complétée par une des mentions suivantes : excellent, très bon, bon, assez bon.
Tout avis doit être motivé et notifié à l'intéressé. Dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification, celui-ci peut introduire un mémoire auprès du [1 commandant d'unité]1 contre une appréciation ou mention visée à l'alinéa 2. A la suite du mémoire, ce dernier peut modifier son avis ou la mention y relative. Le [1 commandant d'unité]1 notifie au militaire concerné s'il modifie ou confirme l'appréciation ou la mention concernée.
L'avis est transmis au DGHR par la voie de l'autorité hiérarchique immédiatement supérieure. Toute appréciation dans un sens défavorable émise par cette autorité est notifiée à l'intéressé avant d'être transmise au DGHR, éventuellement accompagnée d'un mémoire introduit dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification.
Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne agrée ou rejette la candidature. La décision est notifiée à l'intéressé.
Wijzigingen
Art. 92. Voor het opmaken van de rangschikking, houdt het selectiecomité rekening met de waarde van de kandidaat, beoordeeld door het selectiecomité op grond van de krachtens artikel 91 uitgebrachte adviezen, en de inhoud van zijn persoonlijk dossier, berekend op 100 punten, overeenkomstig de procedure bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De kandidaat die niet ten minste de helft van de punten behaalt voor de beoordeling van zijn waarde, wordt evenwel niet gerangschikt.
Het selectiecomité weerhoudt de kandidaten met inachtneming van de opgestelde rangschikking en van het aantal beschikbare plaatsen per vakrichting, per taalstelsel en, naargelang het geval, per krijgsmachtdeel.
Indien twee kandidaten hetzelfde puntentotaal behalen, wordt voorrang gegeven :
1° aan de kandidaat met de hoogste graad;
2° bij gelijke graad, aan deze met de meeste anciënniteit in de graad;
3° bij gelijke graad en anciënniteit, aan diegene waarvan de kandidatuur het grootst aantal keren afgewezen werd;
4° bij gelijke graad, bij gelijke anciënniteit en bij hetzelfde aantal afwijzingen, aan de oudste.
De niet-klassering of de al dan niet batige rangschikking bij de overgangsproef wordt aan de kandidaat betekend door de voorzitter van het selectiecomité.
De kandidaat die niet ten minste de helft van de punten behaalt voor de beoordeling van zijn waarde, wordt evenwel niet gerangschikt.
Het selectiecomité weerhoudt de kandidaten met inachtneming van de opgestelde rangschikking en van het aantal beschikbare plaatsen per vakrichting, per taalstelsel en, naargelang het geval, per krijgsmachtdeel.
Indien twee kandidaten hetzelfde puntentotaal behalen, wordt voorrang gegeven :
1° aan de kandidaat met de hoogste graad;
2° bij gelijke graad, aan deze met de meeste anciënniteit in de graad;
3° bij gelijke graad en anciënniteit, aan diegene waarvan de kandidatuur het grootst aantal keren afgewezen werd;
4° bij gelijke graad, bij gelijke anciënniteit en bij hetzelfde aantal afwijzingen, aan de oudste.
De niet-klassering of de al dan niet batige rangschikking bij de overgangsproef wordt aan de kandidaat betekend door de voorzitter van het selectiecomité.
Art. 92. Pour l'établissement du classement, le comité de sélection tient compte de la valeur du candidat, appréciée par le comité de sélection sur la base des avis émis en vertu de l'article 91 et du contenu de son dossier personnel, calculée sur 100 points, selon la procédure fixée dans un règlement arrêté par le ministre.
Toutefois, le candidat qui n'obtient pas au moins la moitié des points pour l'appréciation de sa valeur, n'est pas classé.
Le comité de sélection retient les candidats dans l'ordre du classement établi et à concurrence du nombre de places disponibles par filière de métier, par régime linguistique et, le cas échéant, par force.
Si deux candidats obtiennent le même total de points, il est donné priorité :
1° au candidat le plus gradé;
2° à grade égal, au plus ancien dans le grade;
3° à grade égal et à ancienneté égale, à celui dont la candidature a été refusée le nombre le plus élevé de fois;
4° à grade égal, à ancienneté égale et à nombre de refus égal, au plus âgé.
Le non-classement ou le classement en ordre utile ou non lors de l'épreuve de passage est notifié au candidat par le président du comité de sélection.
Toutefois, le candidat qui n'obtient pas au moins la moitié des points pour l'appréciation de sa valeur, n'est pas classé.
Le comité de sélection retient les candidats dans l'ordre du classement établi et à concurrence du nombre de places disponibles par filière de métier, par régime linguistique et, le cas échéant, par force.
Si deux candidats obtiennent le même total de points, il est donné priorité :
1° au candidat le plus gradé;
2° à grade égal, au plus ancien dans le grade;
3° à grade égal et à ancienneté égale, à celui dont la candidature a été refusée le nombre le plus élevé de fois;
4° à grade égal, à ancienneté égale et à nombre de refus égal, au plus âgé.
Le non-classement ou le classement en ordre utile ou non lors de l'épreuve de passage est notifié au candidat par le président du comité de sélection.
Art. 93. De bij de overgangsproef batig gerangschikte onderofficier BDL van niveau B wordt door [1 de DGHR]1 aanvaard met het oog op zijn overgang als beroepsmilitair binnen dezelfde personeelscategorie en -niveau.
De aanvaarding door [1 de DGHR]1 wordt aan de kandidaat betekend door de DGHR of de overheid die hij aanwijst.
De aanvaarding door [1 de DGHR]1 wordt aan de kandidaat betekend door de DGHR of de overheid die hij aanwijst.
Art. 93. Le sous-officier BDL du niveau B classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage est agréé par [1 le DGHR]1 en vue de son passage comme militaire de carrière au sein de la même catégorie et niveau de personnel.
L'agrément par [1 le DGHR]1 est notifié au candidat par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne.
L'agrément par [1 le DGHR]1 est notifié au candidat par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne.
Wijzigingen
Art. 94. De onderofficier BDL van niveau B wordt als beroepsmilitair opgenomen, met zijn graad en zijn anciënniteit in die graad, op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij door [1 de DGHR]1 werd aanvaard.
Hij wordt gerangschikt na de beroepsonderofficieren van niveau B, gesproten uit de promotie op diploma, die met dezelfde graad en dezelfde anciënniteit in deze graad bekleed zijn.
Hij wordt gerangschikt na de beroepsonderofficieren van niveau B, gesproten uit de promotie op diploma, die met dezelfde graad en dezelfde anciënniteit in deze graad bekleed zijn.
Art. 94. Le sous-officier BDL du niveau B est admis comme militaire de carrière, avec son grade et son ancienneté dans ce grade, le vingt-sixième jour du dernier mois du trimestre au cours duquel il a été agréé par [1 le DGHR]1.
Il est classé après les sous-officiers de carrière du niveau B, issus de la promotion sur diplôme, revêtus du même grade et de même ancienneté dans ce grade.
Il est classé après les sous-officiers de carrière du niveau B, issus de la promotion sur diplôme, revêtus du même grade et de même ancienneté dans ce grade.
Wijzigingen
Art. 95. De relatieve anciënniteit van diegenen die, met hun graad en hun anciënniteit in deze graad, op dezelfde datum worden opgenomen, wordt bepaald volgens de dalende volgorde van hun dienstanciënniteit. In geval van ex-aequo wordt voorrang gegeven aan de oudste.
Art. 95. L'ancienneté relative de ceux qui sont admis à la même date, avec leur grade et leur ancienneté dans ce grade, est déterminée d'après l'ordre décroissant de leur ancienneté de service. En cas d'ex-aequo, la priorité est donnée au plus âgé.
Afdeling 4. - De overgang van de officier BDL van niveau B naar beroepsofficier van niveau B
Section 4. - Du passage de l'officier BDL du niveau B vers officier de carrière du niveau B
Art. 96. Met het oog op zijn opname als beroepsofficier van niveau B, kan de officier BDL van niveau B door [1 de DGHR]1 aanvaard worden indien hij aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° [2 ...]2
2° geslaagd zijn voor de militaire tests van lichamelijke geschiktheid volgens de criteria bepaald door de minister;
3° voor de officier die voor een functie bij de marine solliciteert medisch geschikt zijn voor dienst op zee;
4° niet afgewezen worden door de DGHR of de autoriteit die hij aanwijst;
5° batig gerangschikt worden bij de overgangsproef, bedoeld in artikel 19, derde lid, 3°, van de wet, binnen de grenzen van het aantal opengestelde plaatsen.
Overeenkomstig het eerste lid, 4°, kan de DGHR, of de autoriteit die hij aanwijst, een kandidatuur afwijzen op basis van het persoonlijk dossier van de betrokken militair. Het geheel van de beoordelingselementen die in beschouwing kunnen worden genomen wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De overgangsproef bedoeld in het eerste lid, 5°, omvat de beoordeling van de waarde van de kandidaat door het selectiecomité bedoeld in artikel 20.
1° [2 ...]2
2° geslaagd zijn voor de militaire tests van lichamelijke geschiktheid volgens de criteria bepaald door de minister;
3° voor de officier die voor een functie bij de marine solliciteert medisch geschikt zijn voor dienst op zee;
4° niet afgewezen worden door de DGHR of de autoriteit die hij aanwijst;
5° batig gerangschikt worden bij de overgangsproef, bedoeld in artikel 19, derde lid, 3°, van de wet, binnen de grenzen van het aantal opengestelde plaatsen.
Overeenkomstig het eerste lid, 4°, kan de DGHR, of de autoriteit die hij aanwijst, een kandidatuur afwijzen op basis van het persoonlijk dossier van de betrokken militair. Het geheel van de beoordelingselementen die in beschouwing kunnen worden genomen wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De overgangsproef bedoeld in het eerste lid, 5°, omvat de beoordeling van de waarde van de kandidaat door het selectiecomité bedoeld in artikel 20.
Art. 96. En vue de son admission comme officier de carrière du niveau B, l'officier BDL du niveau B peut être agréé par [1 le DGHR]1 s'il satisfait aux conditions suivantes :
1° [2 ...]2
2° avoir réussi les tests militaires d'aptitude physique selon les critères fixés par le ministre;
3° pour l'officier qui postule pour une fonction à la marine, être médicalement apte au service en mer;
4° ne pas être refusé par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne;
5° être classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage, visée à l'article 19, alinéa 3, 3°, de la loi, dans les limites du nombre de places ouvertes.
Le DGHR, ou l'autorité qu'il désigne, peut refuser une candidature conformément à l'alinéa 1er, 4°, sur la base du dossier personnel du militaire concerné. L'ensemble des éléments d'appréciation qui peuvent être pris en considération est fixé dans un règlement arrêté par le ministre.
L'épreuve de passage visée à l'alinéa 1er, 5°, comprend l'appréciation de la valeur du candidat par le comité de sélection visé à l'article 20.
1° [2 ...]2
2° avoir réussi les tests militaires d'aptitude physique selon les critères fixés par le ministre;
3° pour l'officier qui postule pour une fonction à la marine, être médicalement apte au service en mer;
4° ne pas être refusé par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne;
5° être classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage, visée à l'article 19, alinéa 3, 3°, de la loi, dans les limites du nombre de places ouvertes.
Le DGHR, ou l'autorité qu'il désigne, peut refuser une candidature conformément à l'alinéa 1er, 4°, sur la base du dossier personnel du militaire concerné. L'ensemble des éléments d'appréciation qui peuvent être pris en considération est fixé dans un règlement arrêté par le ministre.
L'épreuve de passage visée à l'alinéa 1er, 5°, comprend l'appréciation de la valeur du candidat par le comité de sélection visé à l'article 20.
Art. 97. De korpscommandant brengt een advies uit over de wijze van dienen en de geschiktheid om dienst te doen in de personeelscategorie van de beroepsofficieren van niveau B van de officier BDL van niveau B die zich kandidaat stelt en aan de voorwaarden bedoeld in artikel 96, eerste lid, 1° tot 3°, voldoet.
Het advies wordt uitgedrukt door de beoordeling "Gunstig" of "Ongunstig". De beoordeling "Gunstig" wordt aangevuld met één der volgende vermeldingen : uitstekend, zeer goed, goed, tamelijk goed.
Elk advies moet met redenen omkleed zijn en aan de betrokkene worden betekend. Deze kan binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving een verweerschrift indienen bij de korpscommandant tegen de beoordeling of de vermelding bedoeld in het tweede lid. Naar aanleiding van het verweerschrift kan deze laatste zijn advies of de eraan verbonden vermelding wijzigen. De korpscommandant stelt betrokken militair in kennis indien hij desbetreffende beoordeling of vermelding wijzigt of bevestigt.
Het advies wordt aan de DGHR overgemaakt, langs de onmiddellijk hogere hiërarchische overheid. Elke beoordeling in ongunstige zin uitgebracht door deze overheid wordt aan de betrokkene betekend vooraleer ze wordt toegezonden aan de DGHR, eventueel vergezeld van een verweerschrift ingediend binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving.
De DGHR of de autoriteit die hij aanwijst aanvaardt of verwerpt de kandidatuur. De beslissing wordt aan de betrokkene betekend.
Het advies wordt uitgedrukt door de beoordeling "Gunstig" of "Ongunstig". De beoordeling "Gunstig" wordt aangevuld met één der volgende vermeldingen : uitstekend, zeer goed, goed, tamelijk goed.
Elk advies moet met redenen omkleed zijn en aan de betrokkene worden betekend. Deze kan binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving een verweerschrift indienen bij de korpscommandant tegen de beoordeling of de vermelding bedoeld in het tweede lid. Naar aanleiding van het verweerschrift kan deze laatste zijn advies of de eraan verbonden vermelding wijzigen. De korpscommandant stelt betrokken militair in kennis indien hij desbetreffende beoordeling of vermelding wijzigt of bevestigt.
Het advies wordt aan de DGHR overgemaakt, langs de onmiddellijk hogere hiërarchische overheid. Elke beoordeling in ongunstige zin uitgebracht door deze overheid wordt aan de betrokkene betekend vooraleer ze wordt toegezonden aan de DGHR, eventueel vergezeld van een verweerschrift ingediend binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving.
De DGHR of de autoriteit die hij aanwijst aanvaardt of verwerpt de kandidatuur. De beslissing wordt aan de betrokkene betekend.
Art. 97. Le chef de corps émet un avis quant à la manière de servir et à l'aptitude à servir dans la catégorie de personnel des officiers de carrière du niveau B de l'officier BDL du niveau B qui pose sa candidature et qui satisfait aux conditions visées à l'article 96, alinéa 1er, 1° à 3°.
L'avis est exprimé par l'appréciation "Favorable" ou "Défavorable". L'appréciation "Favorable" est complétée par une des mentions suivantes : excellent, très bon, bon, assez bon.
Tout avis doit être motivé et notifié à l'intéressé. Dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification, celui-ci peut introduire un mémoire auprès du chef de corps contre une appréciation ou mention visée à l'alinéa 2. A la suite du mémoire, ce dernier peut modifier son avis ou la mention y relative. Le chef de corps notifie au militaire concerné s'il modifie ou confirme l'appréciation ou la mention concernée.
L'avis est transmis au DGHR par la voie de l'autorité hiérarchique immédiatement supérieure. Toute appréciation dans un sens défavorable émise par cette autorité est notifiée à l'intéressé avant d'être transmise au DGHR, éventuellement accompagnée d'un mémoire introduit dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification.
Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne agrée ou rejette la candidature. La décision est notifiée à l'intéressé.
L'avis est exprimé par l'appréciation "Favorable" ou "Défavorable". L'appréciation "Favorable" est complétée par une des mentions suivantes : excellent, très bon, bon, assez bon.
Tout avis doit être motivé et notifié à l'intéressé. Dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification, celui-ci peut introduire un mémoire auprès du chef de corps contre une appréciation ou mention visée à l'alinéa 2. A la suite du mémoire, ce dernier peut modifier son avis ou la mention y relative. Le chef de corps notifie au militaire concerné s'il modifie ou confirme l'appréciation ou la mention concernée.
L'avis est transmis au DGHR par la voie de l'autorité hiérarchique immédiatement supérieure. Toute appréciation dans un sens défavorable émise par cette autorité est notifiée à l'intéressé avant d'être transmise au DGHR, éventuellement accompagnée d'un mémoire introduit dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification.
Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne agrée ou rejette la candidature. La décision est notifiée à l'intéressé.
Art. 98. Voor het opmaken van de rangschikking, houdt het selectiecomité rekening met de waarde van de kandidaat, beoordeeld door het selectiecomité op grond van de krachtens artikel 97 uitgebrachte adviezen, en de inhoud van zijn persoonlijk dossier, berekend op 100 punten, overeenkomstig de procedure bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De kandidaat die niet ten minste de helft van de punten behaalt voor de beoordeling van zijn waarde, wordt evenwel niet gerangschikt.
Het selectiecomité weerhoudt de kandidaten met inachtneming van de opgestelde rangschikking en van het aantal beschikbare plaatsen per vakrichting, per taalstelsel en, naargelang het geval, per krijgsmachtdeel.
Indien twee kandidaten hetzelfde puntentotaal behalen, wordt voorrang gegeven :
1° aan de kandidaat met de hoogste graad;
2° bij gelijke graad, aan deze met de meeste anciënniteit in de graad;
3° bij gelijke graad en anciënniteit, aan diegene waarvan de kandidatuur het grootst aantal keren afgewezen werd;
4° bij gelijke graad, bij gelijke anciënniteit en bij hetzelfde aantal afwijzingen, aan de oudste.
De niet-klassering of de al dan niet batige rangschikking bij de overgangsproef wordt aan de kandidaat betekend door de voorzitter van het selectiecomité.
De kandidaat die niet ten minste de helft van de punten behaalt voor de beoordeling van zijn waarde, wordt evenwel niet gerangschikt.
Het selectiecomité weerhoudt de kandidaten met inachtneming van de opgestelde rangschikking en van het aantal beschikbare plaatsen per vakrichting, per taalstelsel en, naargelang het geval, per krijgsmachtdeel.
Indien twee kandidaten hetzelfde puntentotaal behalen, wordt voorrang gegeven :
1° aan de kandidaat met de hoogste graad;
2° bij gelijke graad, aan deze met de meeste anciënniteit in de graad;
3° bij gelijke graad en anciënniteit, aan diegene waarvan de kandidatuur het grootst aantal keren afgewezen werd;
4° bij gelijke graad, bij gelijke anciënniteit en bij hetzelfde aantal afwijzingen, aan de oudste.
De niet-klassering of de al dan niet batige rangschikking bij de overgangsproef wordt aan de kandidaat betekend door de voorzitter van het selectiecomité.
Art. 98. Pour l'établissement du classement, le comité de sélection tient compte de la valeur du candidat, appréciée par le comité de sélection sur la base des avis émis en vertu de l'article 97 et du contenu de son dossier personnel, calculée sur 100 points, selon la procédure fixée dans un règlement arrêté par le ministre.
Toutefois, le candidat qui n'obtient pas au moins la moitié des points pour l'appréciation de sa valeur, n'est pas classé.
Le comité de sélection retient les candidats dans l'ordre du classement établi et à concurrence du nombre de places disponibles par filière de métier, par régime linguistique et, le cas échéant, par force.
Si deux candidats obtiennent le même total de points, il est donné priorité :
1° au candidat le plus gradé;
2° à grade égal, au plus ancien dans le grade;
3° à grade égal et à ancienneté égale, à celui dont la candidature a été refusée le nombre le plus élevé de fois;
4° à grade égal, à ancienneté égale et à nombre de refus égal, au plus âgé.
Le non-classement ou le classement en ordre utile ou non lors de l'épreuve de passage est notifié au candidat par le président du comité de sélection.
Toutefois, le candidat qui n'obtient pas au moins la moitié des points pour l'appréciation de sa valeur, n'est pas classé.
Le comité de sélection retient les candidats dans l'ordre du classement établi et à concurrence du nombre de places disponibles par filière de métier, par régime linguistique et, le cas échéant, par force.
Si deux candidats obtiennent le même total de points, il est donné priorité :
1° au candidat le plus gradé;
2° à grade égal, au plus ancien dans le grade;
3° à grade égal et à ancienneté égale, à celui dont la candidature a été refusée le nombre le plus élevé de fois;
4° à grade égal, à ancienneté égale et à nombre de refus égal, au plus âgé.
Le non-classement ou le classement en ordre utile ou non lors de l'épreuve de passage est notifié au candidat par le président du comité de sélection.
Art. 99. De bij de overgangsproef batig gerangschikte officier BDL van niveau B wordt door [1 de DGHR]1 aanvaard met het oog op zijn overgang als beroepsmilitair binnen dezelfde personeelscategorie en -niveau.
De aanvaarding door [1 de DGHR]1 wordt aan de kandidaat betekend door de DGHR of de overheid die hij aanwijst.
De aanvaarding door [1 de DGHR]1 wordt aan de kandidaat betekend door de DGHR of de overheid die hij aanwijst.
Art. 99. L'officier BDL du niveau B classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage est agréé par [1 le DGHR]1 en vue de son passage comme militaire de carrière au sein de la même catégorie et niveau de personnel.
L'agrément par [1 le DGHR]1 est notifié au candidat par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne.
L'agrément par [1 le DGHR]1 est notifié au candidat par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne.
Wijzigingen
Art. 100. De officier BDL van niveau B wordt als beroepsmilitair opgenomen, met zijn graad en zijn anciënniteit in die graad, op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij door [1 de DGHR]1 werd aanvaard.
Hij wordt gerangschikt na de beroepsofficieren van niveau B, gesproten uit de sociale promotie, die met dezelfde graad en dezelfde anciënniteit in deze graad bekleed zijn.
Hij wordt gerangschikt na de beroepsofficieren van niveau B, gesproten uit de sociale promotie, die met dezelfde graad en dezelfde anciënniteit in deze graad bekleed zijn.
Art. 100. L'officier BDL du niveau B est admis comme militaire de carrière, avec son grade et son ancienneté dans ce grade, le vingt-sixième jour du dernier mois du trimestre au cours duquel il a été agréé par [1 le DGHR]1.
Il est classé après les officiers de carrière du niveau B, issus de la promotion sociale, revêtus du même grade et de même ancienneté dans ce grade.
Il est classé après les officiers de carrière du niveau B, issus de la promotion sociale, revêtus du même grade et de même ancienneté dans ce grade.
Wijzigingen
Art. 101. De relatieve anciënniteit van diegenen die, met hun graad en hun anciënniteit in deze graad, op dezelfde datum worden opgenomen, wordt bepaald volgens de dalende volgorde van hun dienstanciënniteit. In geval van ex-aequo wordt voorrang gegeven aan de oudste.
Art. 101. L'ancienneté relative de ceux qui sont admis à la même date, avec leur grade et leur ancienneté dans ce grade, est déterminée d'après l'ordre décroissant de leur ancienneté de service. En cas d'ex-aequo, la priorité est donnée au plus âgé.
Afdeling 5. - De overgang van de officier BDL van niveau A naar beroepsofficier van niveau A
Section 5. - Du passage de l'officier BDL du niveau A vers officier de carrière du niveau A
Art. 102. Met het oog op zijn opname als beroepsofficier van niveau A, kan de officier BDL van niveau A door [1 de DGHR]1 aanvaard worden indien hij aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° [2 ...]2
2° geslaagd zijn voor de militaire tests van lichamelijke geschiktheid volgens de criteria bepaald door de minister;
3° voor de officier die voor een functie bij de marine solliciteert medisch geschikt zijn voor dienst op zee;
4° niet afgewezen worden door de DGHR of de autoriteit die hij aanwijst;
5° batig gerangschikt worden bij de overgangsproef, bedoeld in artikel 19, derde lid, 3°, van de wet, binnen de grenzen van het aantal opengestelde plaatsen.
Overeenkomstig het eerste lid, 7°, kan de DGHR, of de autoriteit die hij aanwijst, een kandidatuur afwijzen op basis van het persoonlijk dossier van de betrokken militair. Het geheel van de beoordelingselementen die in beschouwing kunnen worden genomen wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De overgangsproef bedoeld in het eerste lid, 5°, omvat de beoordeling van de waarde van de kandidaat door het selectiecomité bedoeld in artikel 20.
1° [2 ...]2
2° geslaagd zijn voor de militaire tests van lichamelijke geschiktheid volgens de criteria bepaald door de minister;
3° voor de officier die voor een functie bij de marine solliciteert medisch geschikt zijn voor dienst op zee;
4° niet afgewezen worden door de DGHR of de autoriteit die hij aanwijst;
5° batig gerangschikt worden bij de overgangsproef, bedoeld in artikel 19, derde lid, 3°, van de wet, binnen de grenzen van het aantal opengestelde plaatsen.
Overeenkomstig het eerste lid, 7°, kan de DGHR, of de autoriteit die hij aanwijst, een kandidatuur afwijzen op basis van het persoonlijk dossier van de betrokken militair. Het geheel van de beoordelingselementen die in beschouwing kunnen worden genomen wordt bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De overgangsproef bedoeld in het eerste lid, 5°, omvat de beoordeling van de waarde van de kandidaat door het selectiecomité bedoeld in artikel 20.
Art. 102. En vue de son admission comme officier de carrière du niveau A, l'officier BDL du niveau A peut être agréé par [1 le DGHR]1 s'il satisfait aux conditions suivantes :
1° [2 ...]2
2° avoir réussi les tests militaires d'aptitude physique selon les critères fixés par le ministre;
3° pour l'officier qui postule pour une fonction à la marine, être médicalement apte au service en mer;
4° ne pas être refusé par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne;
5° être classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage, visée à l'article 19, alinéa 3, 3°, de la loi, dans les limites du nombre de places ouvertes.
Le DGHR, ou l'autorité qu'il désigne, peut refuser une candidature conformément à l'alinéa 1er, 7°, sur la base du dossier personnel du militaire concerné. L'ensemble des éléments d'appréciation qui peuvent être pris en considération est fixé dans un règlement arrêté par le ministre.
L'épreuve de passage visée à l'alinéa 1er, 5°, comprend l'appréciation de la valeur du candidat par le comité de sélection visé à l'article 20.
1° [2 ...]2
2° avoir réussi les tests militaires d'aptitude physique selon les critères fixés par le ministre;
3° pour l'officier qui postule pour une fonction à la marine, être médicalement apte au service en mer;
4° ne pas être refusé par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne;
5° être classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage, visée à l'article 19, alinéa 3, 3°, de la loi, dans les limites du nombre de places ouvertes.
Le DGHR, ou l'autorité qu'il désigne, peut refuser une candidature conformément à l'alinéa 1er, 7°, sur la base du dossier personnel du militaire concerné. L'ensemble des éléments d'appréciation qui peuvent être pris en considération est fixé dans un règlement arrêté par le ministre.
L'épreuve de passage visée à l'alinéa 1er, 5°, comprend l'appréciation de la valeur du candidat par le comité de sélection visé à l'article 20.
Art. 103. De korpscommandant brengt een advies uit over de wijze van dienen en de geschiktheid om dienst te doen in de personeelscategorie van de beroepsofficieren van niveau A van de officier BDL van niveau A die zich kandidaat stelt en aan de voorwaarden bedoeld in artikel 102, eerste lid, 1° tot 3°, voldoet.
Het advies wordt uitgedrukt door de beoordeling "Gunstig" of "Ongunstig". De beoordeling "Gunstig" wordt aangevuld met één der volgende vermeldingen : uitstekend, zeer goed, goed, tamelijk goed.
Elk advies moet met redenen omkleed zijn en aan de betrokkene worden betekend. Deze kan binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving een verweerschrift indienen bij de korpscommandant tegen de beoordeling of de vermelding bedoeld in het tweede lid. Naar aanleiding van het verweerschrift kan deze laatste zijn advies of de eraan verbonden vermelding wijzigen. De korpscommandant stelt betrokken militair in kennis indien hij desbetreffende beoordeling of vermelding wijzigt of bevestigt.
Het advies wordt aan de DGHR overgemaakt, langs de onmiddellijk hogere hiërarchische overheid. Elke beoordeling in ongunstige zin uitgebracht door deze overheid wordt aan de betrokkene betekend vooraleer ze wordt toegezonden aan de DGHR, eventueel vergezeld van een verweerschrift ingediend binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving.
De DGHR of de autoriteit die hij aanwijst aanvaardt of verwerpt de kandidatuur. De beslissing wordt aan de betrokkene betekend.
Het advies wordt uitgedrukt door de beoordeling "Gunstig" of "Ongunstig". De beoordeling "Gunstig" wordt aangevuld met één der volgende vermeldingen : uitstekend, zeer goed, goed, tamelijk goed.
Elk advies moet met redenen omkleed zijn en aan de betrokkene worden betekend. Deze kan binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving een verweerschrift indienen bij de korpscommandant tegen de beoordeling of de vermelding bedoeld in het tweede lid. Naar aanleiding van het verweerschrift kan deze laatste zijn advies of de eraan verbonden vermelding wijzigen. De korpscommandant stelt betrokken militair in kennis indien hij desbetreffende beoordeling of vermelding wijzigt of bevestigt.
Het advies wordt aan de DGHR overgemaakt, langs de onmiddellijk hogere hiërarchische overheid. Elke beoordeling in ongunstige zin uitgebracht door deze overheid wordt aan de betrokkene betekend vooraleer ze wordt toegezonden aan de DGHR, eventueel vergezeld van een verweerschrift ingediend binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving.
De DGHR of de autoriteit die hij aanwijst aanvaardt of verwerpt de kandidatuur. De beslissing wordt aan de betrokkene betekend.
Art. 103. Le chef de corps émet un avis quant à la manière de servir et à l'aptitude à servir dans la catégorie de personnel des officiers de carrière du niveau A de l'officier BDL du niveau A qui pose sa candidature et qui satisfait aux conditions visées à l'article 102, alinéa 1er, 1° à 3°.
L'avis est exprimé par l'appréciation "Favorable" ou "Défavorable". L'appréciation "Favorable" est complétée par une des mentions suivantes : excellent, très bon, bon, assez bon.
Tout avis doit être motivé et notifié à l'intéressé. Dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification, celui-ci peut introduire un mémoire auprès du chef de corps contre une appréciation ou mention visée à l'alinéa 2. A la suite du mémoire, ce dernier peut modifier son avis ou la mention y relative. Le chef de corps notifie au militaire concerné s'il modifie ou confirme l'appréciation ou la mention concernée.
L'avis est transmis au DGHR par la voie de l'autorité hiérarchique immédiatement supérieure. Toute appréciation dans un sens défavorable émise par cette autorité est notifiée à l'intéressé avant d'être transmise au DGHR, éventuellement accompagnée d'un mémoire introduit dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification.
Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne agrée ou rejette la candidature. La décision est notifiée à l'intéressé.
L'avis est exprimé par l'appréciation "Favorable" ou "Défavorable". L'appréciation "Favorable" est complétée par une des mentions suivantes : excellent, très bon, bon, assez bon.
Tout avis doit être motivé et notifié à l'intéressé. Dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification, celui-ci peut introduire un mémoire auprès du chef de corps contre une appréciation ou mention visée à l'alinéa 2. A la suite du mémoire, ce dernier peut modifier son avis ou la mention y relative. Le chef de corps notifie au militaire concerné s'il modifie ou confirme l'appréciation ou la mention concernée.
L'avis est transmis au DGHR par la voie de l'autorité hiérarchique immédiatement supérieure. Toute appréciation dans un sens défavorable émise par cette autorité est notifiée à l'intéressé avant d'être transmise au DGHR, éventuellement accompagnée d'un mémoire introduit dans les cinq jours ouvrables qui suivent la notification.
Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne agrée ou rejette la candidature. La décision est notifiée à l'intéressé.
Art. 104. Voor het opmaken van de rangschikking, houdt het selectiecomité rekening met de waarde van de kandidaat, beoordeeld door het selectiecomité op grond van de krachtens artikel 103 uitgebrachte adviezen, en de inhoud van zijn persoonlijk dossier, berekend op 100 punten, overeenkomstig de procedure bepaald in een reglement uitgevaardigd door de minister.
De kandidaat die niet ten minste de helft van de punten behaalt voor de beoordeling van zijn waarde, wordt evenwel niet gerangschikt.
Het selectiecomité weerhoudt de kandidaten met inachtneming van de opgestelde rangschikking en van het aantal beschikbare plaatsen per vakrichting, per taalstelsel en, naargelang het geval, per krijgsmachtdeel.
Indien twee kandidaten hetzelfde puntentotaal behalen, wordt voorrang gegeven :
1° aan de kandidaat met de hoogste graad;
2° bij gelijke graad, aan deze met de meeste anciënniteit in de graad;
3° bij gelijke graad en anciënniteit, aan diegene waarvan de kandidatuur het grootst aantal keren afgewezen werd;
4° bij gelijke graad, bij gelijke anciënniteit en bij hetzelfde aantal afwijzingen, aan de oudste.
De niet-klassering of de al dan niet batige rangschikking bij de overgangsproef wordt aan de kandidaat betekend door de voorzitter van het selectiecomité.
De kandidaat die niet ten minste de helft van de punten behaalt voor de beoordeling van zijn waarde, wordt evenwel niet gerangschikt.
Het selectiecomité weerhoudt de kandidaten met inachtneming van de opgestelde rangschikking en van het aantal beschikbare plaatsen per vakrichting, per taalstelsel en, naargelang het geval, per krijgsmachtdeel.
Indien twee kandidaten hetzelfde puntentotaal behalen, wordt voorrang gegeven :
1° aan de kandidaat met de hoogste graad;
2° bij gelijke graad, aan deze met de meeste anciënniteit in de graad;
3° bij gelijke graad en anciënniteit, aan diegene waarvan de kandidatuur het grootst aantal keren afgewezen werd;
4° bij gelijke graad, bij gelijke anciënniteit en bij hetzelfde aantal afwijzingen, aan de oudste.
De niet-klassering of de al dan niet batige rangschikking bij de overgangsproef wordt aan de kandidaat betekend door de voorzitter van het selectiecomité.
Art. 104. Pour l'établissement du classement, le comité de sélection tient compte de la valeur du candidat, appréciée par le comité de sélection sur la base des avis émis en vertu de l'article 103 et du contenu de son dossier personnel, calculée sur 100 points, selon la procédure fixée dans un règlement arrêté par le ministre.
Toutefois, le candidat qui n'obtient pas au moins la moitié des points pour l'appréciation de sa valeur, n'est pas classé.
Le comité de sélection retient les candidats dans l'ordre du classement établi et à concurrence du nombre de places disponibles par filière de métier, par régime linguistique et, le cas échéant, par force.
Si deux candidats obtiennent le même total de points, il est donné priorité :
1° au candidat le plus gradé;
2° à grade égal, au plus ancien dans le grade;
3° à grade égal et à ancienneté égale, à celui dont la candidature a été refusée le nombre le plus élevé de fois;
4° à grade égal, à ancienneté égale et à nombre de refus égal, au plus âgé.
Le non-classement ou le classement en ordre utile ou non lors de l'épreuve de passage est notifié au candidat par le président du comité de sélection.
Toutefois, le candidat qui n'obtient pas au moins la moitié des points pour l'appréciation de sa valeur, n'est pas classé.
Le comité de sélection retient les candidats dans l'ordre du classement établi et à concurrence du nombre de places disponibles par filière de métier, par régime linguistique et, le cas échéant, par force.
Si deux candidats obtiennent le même total de points, il est donné priorité :
1° au candidat le plus gradé;
2° à grade égal, au plus ancien dans le grade;
3° à grade égal et à ancienneté égale, à celui dont la candidature a été refusée le nombre le plus élevé de fois;
4° à grade égal, à ancienneté égale et à nombre de refus égal, au plus âgé.
Le non-classement ou le classement en ordre utile ou non lors de l'épreuve de passage est notifié au candidat par le président du comité de sélection.
Art. 105. De bij de overgangsproef batig gerangschikte officier BDL van niveau A wordt door [1 de DGHR]1 aanvaard met het oog op zijn overgang als beroepsmilitair binnen dezelfde personeelscategorie en -niveau.
De aanvaarding door [1 de DGHR]1 wordt aan de kandidaat betekend door de DGHR of de overheid die hij aanwijst.
De aanvaarding door [1 de DGHR]1 wordt aan de kandidaat betekend door de DGHR of de overheid die hij aanwijst.
Art. 105. L'officier BDL du niveau A classé en ordre utile lors de l'épreuve de passage est agréé par [1 le DGHR]1 en vue de son passage comme militaire de carrière au sein de la même catégorie et niveau de personnel.
L'agrément par [1 le DGHR]1 est notifié au candidat par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne.
L'agrément par [1 le DGHR]1 est notifié au candidat par le DGHR ou l'autorité qu'il désigne.
Wijzigingen
Art. 106. De officier BDL van niveau A wordt als beroepsmilitair opgenomen, met zijn graad en zijn anciënniteit in die graad, op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij door [1 de DGHR]1 werd aanvaard.
Hij wordt gerangschikt na de beroepsofficieren van niveau A, gesproten uit de sociale promotie, die met dezelfde graad en dezelfde anciënniteit in deze graad bekleed zijn.
Hij wordt gerangschikt na de beroepsofficieren van niveau A, gesproten uit de sociale promotie, die met dezelfde graad en dezelfde anciënniteit in deze graad bekleed zijn.
Art. 106. L'officier BDL du niveau A est admis comme militaire de carrière, avec son grade et son ancienneté dans ce grade, le vingt-sixième jour du dernier mois du trimestre au cours duquel il a été agréé par [1 le DGHR]1.
Il est classé après les officiers de carrière du niveau A, issus de la promotion sociale, revêtus du même grade et de même ancienneté dans ce grade.
Il est classé après les officiers de carrière du niveau A, issus de la promotion sociale, revêtus du même grade et de même ancienneté dans ce grade.
Wijzigingen
Art. 107. De relatieve anciënniteit van diegenen die, met hun graad en hun anciënniteit in deze graad, op dezelfde datum worden opgenomen, wordt bepaald volgens de dalende volgorde van hun dienstanciënniteit. In geval van ex-aequo wordt voorrang gegeven aan de oudste.
Art. 107. L'ancienneté relative de ceux qui sont admis à la même date, avec leur grade et leur ancienneté dans ce grade, est déterminée d'après l'ordre décroissant de leur ancienneté de service. En cas d'ex-aequo, la priorité est donnée au plus âgé.
TITEL 6. - De eindeloopbaan-periode
TITRE 6. - De la période de fin de carrière
HOOFDSTUK 1. - De reclasseringspremie
CHAPITRE 1er. - De la prime de reclassement
Art. 108. Het bedrag van de reclasseringspremie, bedoeld in het artikel 29 van de wet, wordt bepaald als volgt :
1° voor de militair BDL die minstens zestig maanden werkelijke dienst heeft volbracht, is het bedrag van de reclasseringspremie gelijk aan zes maal het bedrag van de laatst ontvangen volledige maandwedde;
2° voor de militair BDL die minstens tweeënzeventig maanden werkelijke dienst heeft volbracht, is het bedrag van de reclasseringspremie gelijk aan acht maal het bedrag van de laatst ontvangen volledige maandwedde;
3° voor de militair BDL die minstens vierentachtig maanden werkelijke dienst heeft volbracht, is het bedrag van de reclasseringspremie gelijk aan twaalf maal het bedrag van de laatst ontvangen volledige maandwedde;
[1 4° voor de militair BDL die minstens honderdenacht maanden werkelijke dienst heeft volbracht, is het bedrag van de reclasseringspremie gelijk aan dertien maal het bedrag van de laatst ontvangen volledige maandwedde;
5° voor de militair BDL die minstens honderdtweeëndertig maanden werkelijke dienst heeft volbracht, is het bedrag van de reclasseringspremie gelijk aan veertien maal het bedrag van de laatst ontvangen volledige maandwedde.]1
In het geval bedoeld in het artikel 33 van dezelfde wet, wordt de periode van terbeschikkingstelling bij een andere openbare werkgever in beschouwing genomen voor de berekening van de werkelijke dienst.
De wedden bedoeld in het eerste lid omvatten, in voorkomend geval, de haard- of standplaatstoelage bedoeld in het koninklijk besluit van 26 november 1997 tot vervanging, voor het personeel van sommige overheidsdiensten, van het koninklijk besluit van 30 januari 1967 houdende toekenning van een haardtoelage of een standplaatstoelage aan het personeel der ministeries.
[1 ...]1
[1 De reclasseringspremie wordt uitbetaald op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de verbreking van de dienstneming uitwerking heeft.]1
1° voor de militair BDL die minstens zestig maanden werkelijke dienst heeft volbracht, is het bedrag van de reclasseringspremie gelijk aan zes maal het bedrag van de laatst ontvangen volledige maandwedde;
2° voor de militair BDL die minstens tweeënzeventig maanden werkelijke dienst heeft volbracht, is het bedrag van de reclasseringspremie gelijk aan acht maal het bedrag van de laatst ontvangen volledige maandwedde;
3° voor de militair BDL die minstens vierentachtig maanden werkelijke dienst heeft volbracht, is het bedrag van de reclasseringspremie gelijk aan twaalf maal het bedrag van de laatst ontvangen volledige maandwedde;
[1 4° voor de militair BDL die minstens honderdenacht maanden werkelijke dienst heeft volbracht, is het bedrag van de reclasseringspremie gelijk aan dertien maal het bedrag van de laatst ontvangen volledige maandwedde;
5° voor de militair BDL die minstens honderdtweeëndertig maanden werkelijke dienst heeft volbracht, is het bedrag van de reclasseringspremie gelijk aan veertien maal het bedrag van de laatst ontvangen volledige maandwedde.]1
In het geval bedoeld in het artikel 33 van dezelfde wet, wordt de periode van terbeschikkingstelling bij een andere openbare werkgever in beschouwing genomen voor de berekening van de werkelijke dienst.
De wedden bedoeld in het eerste lid omvatten, in voorkomend geval, de haard- of standplaatstoelage bedoeld in het koninklijk besluit van 26 november 1997 tot vervanging, voor het personeel van sommige overheidsdiensten, van het koninklijk besluit van 30 januari 1967 houdende toekenning van een haardtoelage of een standplaatstoelage aan het personeel der ministeries.
[1 ...]1
[1 De reclasseringspremie wordt uitbetaald op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de verbreking van de dienstneming uitwerking heeft.]1
Art. 108. Le montant de la prime de reclassement, visée à l'article 29 de la loi, est fixé comme suit :
1° pour un militaire BDL totalisant au moins soixante mois de service actif, le montant de la prime de reclassement est égal à six fois le montant du dernier traitement mensuel entier perçu;
2° pour un militaire BDL totalisant au moins septante-deux mois de service actif, le montant de la prime de reclassement est égal à huit fois le montant du dernier traitement mensuel entier perçu;
3° pour un militaire BDL totalisant au moins quatre-vingt-quatre mois de service actif, le montant de la prime de reclassement est égal à douze fois le montant du dernier traitement mensuel entier perçu;
[1 4° pour un militaire BDL totalisant au moins cent huit mois de service actif, le montant de la prime de reclassement est égal à treize fois le montant du dernier traitement mensuel entier perçu;
5° pour un militaire BDL totalisant au moins cent trente-deux mois de service actif, le montant de la prime de reclassement est égal à quatorze fois le montant du dernier traitement mensuel entier perçu.]1
Dans le cas visé à l'article 33 de la même loi, la période de mise à disposition auprès d'un autre employeur public est prise en considération pour le calcul du service actif.
Les traitements visés à l'alinéa 1er comprennent, le cas échéant, l'allocation de foyer ou de résidence visée à l'arrêté royal du 26 novembre 1997 remplaçant, pour le personnel de certains services publics, l'arrêté royal du 30 janvier 1967 attribuant une allocation de foyer ou une allocation de résidence au personnel des ministères.
[1 ...]1
[1 La prime de reclassement est payée le premier jour du mois qui suit le mois au cours duquel la résiliation de l'engagement prend effet.]1
1° pour un militaire BDL totalisant au moins soixante mois de service actif, le montant de la prime de reclassement est égal à six fois le montant du dernier traitement mensuel entier perçu;
2° pour un militaire BDL totalisant au moins septante-deux mois de service actif, le montant de la prime de reclassement est égal à huit fois le montant du dernier traitement mensuel entier perçu;
3° pour un militaire BDL totalisant au moins quatre-vingt-quatre mois de service actif, le montant de la prime de reclassement est égal à douze fois le montant du dernier traitement mensuel entier perçu;
[1 4° pour un militaire BDL totalisant au moins cent huit mois de service actif, le montant de la prime de reclassement est égal à treize fois le montant du dernier traitement mensuel entier perçu;
5° pour un militaire BDL totalisant au moins cent trente-deux mois de service actif, le montant de la prime de reclassement est égal à quatorze fois le montant du dernier traitement mensuel entier perçu.]1
Dans le cas visé à l'article 33 de la même loi, la période de mise à disposition auprès d'un autre employeur public est prise en considération pour le calcul du service actif.
Les traitements visés à l'alinéa 1er comprennent, le cas échéant, l'allocation de foyer ou de résidence visée à l'arrêté royal du 26 novembre 1997 remplaçant, pour le personnel de certains services publics, l'arrêté royal du 30 janvier 1967 attribuant une allocation de foyer ou une allocation de résidence au personnel des ministères.
[1 ...]1
[1 La prime de reclassement est payée le premier jour du mois qui suit le mois au cours duquel la résiliation de l'engagement prend effet.]1
Wijzigingen
Art.108/1. [1 De DGHR of de autoriteit die hij aanwijst, is de overheid bedoeld in artikel 31bis, tweede lid, van de wet.]1
Art.108/1. [1 Le DGHR ou l'autorité qu'il désigne, est l'autorité visée à l'article 31bis, alinéa 2, de la loi.]1
HOOFDSTUK 2. - Het vormingsverlof
CHAPITRE 2. - Du congé de formation
Art. 109. Het vormingsverlof bedoeld in het artikel 30, eerste lid, 1°, van de wet kan worden toegekend voor elke vorm van, buiten Defensie, ingerichte professionele vorming.
Art. 109. Le congé de formation visé à l'article 30, alinéa 1er, 1°, de la loi, peut être accordé pour tout type de formation professionnelle organisée en dehors de la Défense.
Art. 110. Om te genieten van een vormingsverlof, dient de militair hiertoe een aanvraag in te dienen bij zijn korpscommandant.
Het vormingsverlof kan, geheel of gedeeltelijk, omwille van dienstredenen geweigerd worden indien de aanvraag op minder dan vijfenveertig werkdagen van de aanvang van het vormingsverlof ingediend wordt.
Indien de aanvraag ingediend wordt na ten minste vierentachtig maanden van werkelijke dienst, wordt de termijn bedoeld in het tweede lid verkort tot vijfentwintig werkdagen.
Een reeds toegekend vormingsverlof wordt automatisch uitgesteld wanneer de vorming waarvoor de militair BDL dit verlof aangevraagd heeft naar een andere datum verplaatst wordt door de betrokken instelling.
Het vormingsverlof kan, geheel of gedeeltelijk, omwille van dienstredenen geweigerd worden indien de aanvraag op minder dan vijfenveertig werkdagen van de aanvang van het vormingsverlof ingediend wordt.
Indien de aanvraag ingediend wordt na ten minste vierentachtig maanden van werkelijke dienst, wordt de termijn bedoeld in het tweede lid verkort tot vijfentwintig werkdagen.
Een reeds toegekend vormingsverlof wordt automatisch uitgesteld wanneer de vorming waarvoor de militair BDL dit verlof aangevraagd heeft naar een andere datum verplaatst wordt door de betrokken instelling.
Art. 110. Pour bénéficier d'un congé de formation, le militaire BDL doit en faire la demande auprès de son chef de corps.
Le congé de formation peut être refusé pour des raisons de service, totalement ou partiellement, lorsque la demande est introduite moins de quarante-cinq jours ouvrables avant le début du congé de formation.
Si la demande est introduite après au moins quatre-vingt-quatre mois de service actif, le délai visé à l'alinéa 2 est réduit à vingt-cinq jours ouvrables.
Un congé de formation accordé est automatiquement reporté, lorsque la formation pour laquelle le militaire BDL a sollicité ce congé est reportée à une autre date par l'institution concernée.
Le congé de formation peut être refusé pour des raisons de service, totalement ou partiellement, lorsque la demande est introduite moins de quarante-cinq jours ouvrables avant le début du congé de formation.
Si la demande est introduite après au moins quatre-vingt-quatre mois de service actif, le délai visé à l'alinéa 2 est réduit à vingt-cinq jours ouvrables.
Un congé de formation accordé est automatiquement reporté, lorsque la formation pour laquelle le militaire BDL a sollicité ce congé est reportée à une autre date par l'institution concernée.
Art. 111. Voorafgaand aan de aanvang van het vormingsverlof kan de korpscommandant zich een inschrijvingsattest laten voorleggen.
Het vormingsverlof kan worden ingetrokken indien de begunstigde desbetreffend bewijs niet kan voorleggen.
Het vormingsverlof kan worden ingetrokken indien de begunstigde desbetreffend bewijs niet kan voorleggen.
Art. 111. Le chef de corps peut exiger avant le début du congé de formation une attestation d'inscription.
Le congé de formation peut être retiré si le bénéficiaire n'est pas en mesure de présenter ladite attestation.
Le congé de formation peut être retiré si le bénéficiaire n'est pas en mesure de présenter ladite attestation.
Art. 112. De korpscommandant kan zich een aanwezigheidsattest laten voorleggen.
Het vormingsverlof kan worden opgeschort indien de begunstigde desbetreffend attest niet kan voorleggen of indien uit dit attest blijkt dat hij de vorming waarvoor hij een vormingsverlof heeft verkregen niet met regelmaat heeft gevolgd.
Wordt beschouwd als een leerling die de vorming niet regelmatig heeft gevolgd, de militair BDL die voor meer dan een vijfde van de vorming onrechtmatig afwezig was.
De opschorting vangt aan van zodra de toestand zich voordoet die ertoe aanleiding geeft en loopt door tot het einde van het toegekende vormingsverlof.
De korpskommandant kan de opschorting van het vormingsverlof voor het geheel of een gedeelte van het resterende saldo opheffen, om aan de betrokkene toe te laten, op zijn gemotiveerde aanvraag, de vorming te hervatten.
Het vormingsverlof kan worden opgeschort indien de begunstigde desbetreffend attest niet kan voorleggen of indien uit dit attest blijkt dat hij de vorming waarvoor hij een vormingsverlof heeft verkregen niet met regelmaat heeft gevolgd.
Wordt beschouwd als een leerling die de vorming niet regelmatig heeft gevolgd, de militair BDL die voor meer dan een vijfde van de vorming onrechtmatig afwezig was.
De opschorting vangt aan van zodra de toestand zich voordoet die ertoe aanleiding geeft en loopt door tot het einde van het toegekende vormingsverlof.
De korpskommandant kan de opschorting van het vormingsverlof voor het geheel of een gedeelte van het resterende saldo opheffen, om aan de betrokkene toe te laten, op zijn gemotiveerde aanvraag, de vorming te hervatten.
Art. 112. Le chef de corps peut exiger une attestation de présence.
Le congé de formation peut être suspendu si le bénéficiaire n'est pas en mesure de présenter ladite attestation ou s'il ressort de cette attestation qu'il n'a pas suivi régulièrement la formation pour laquelle il a obtenu un congé de formation.
Est considéré comme un élève n'ayant pas suivi régulièrement une formation, le militaire BDL qui a été absent pendant plus d'un cinquième de ladite formation sans raison légitime.
La suspension prend cours dès que la situation qui y donne lieu se produit et s'étend à la partie restante du congé de formation obtenu.
Le chef de corps peut lever la suspension du congé de formation pour la totalité ou pour une partie du solde restant, afin de permettre à l'intéressé, sur sa demande motivée, de reprendre la formation.
Le congé de formation peut être suspendu si le bénéficiaire n'est pas en mesure de présenter ladite attestation ou s'il ressort de cette attestation qu'il n'a pas suivi régulièrement la formation pour laquelle il a obtenu un congé de formation.
Est considéré comme un élève n'ayant pas suivi régulièrement une formation, le militaire BDL qui a été absent pendant plus d'un cinquième de ladite formation sans raison légitime.
La suspension prend cours dès que la situation qui y donne lieu se produit et s'étend à la partie restante du congé de formation obtenu.
Le chef de corps peut lever la suspension du congé de formation pour la totalité ou pour une partie du solde restant, afin de permettre à l'intéressé, sur sa demande motivée, de reprendre la formation.
HOOFDSTUK 3. - Het vormingskrediet
CHAPITRE 3. - Du crédit de formation
Art. 113. Om te genieten van een vormingskrediet binnen de limieten bedoeld in artikel 30, eerste lid, 2°, van de wet, dient de militair BDL, bij zijn korpscommandant, een aanvraag tot terugbetaling van de inschrijvingskosten in te dienen. De aanvraag dient van de volgende elementen vergezeld te zijn :
1° de facturen en andere boekhoudkundige stukken met betrekking tot de inschrijvingskosten;
2° een bewijs van betaling voor alle aan de inschrijving gerelateerde onkostenposten waarvoor een terugbetaling aangevraagd wordt;
3° een attest van regelmatig ingeschreven leerling.
1° de facturen en andere boekhoudkundige stukken met betrekking tot de inschrijvingskosten;
2° een bewijs van betaling voor alle aan de inschrijving gerelateerde onkostenposten waarvoor een terugbetaling aangevraagd wordt;
3° een attest van regelmatig ingeschreven leerling.
Art. 113. Pour bénéficier d'un crédit de formation dans les limites fixées à l'article 30, alinéa 1er, 2°, de la loi, le militaire BDL doit introduire une demande de remboursement des frais d'inscription auprès de son chef de corps. La demande doit être accompagnée des éléments suivants :
1° les factures et autres pièces comptables relatives aux frais d'inscription;
2° une preuve de paiement pour chacun des postes de frais d'inscription pour lesquels le remboursement est demandé;
3° une attestation d'élève régulièrement inscrit.
1° les factures et autres pièces comptables relatives aux frais d'inscription;
2° une preuve de paiement pour chacun des postes de frais d'inscription pour lesquels le remboursement est demandé;
3° une attestation d'élève régulièrement inscrit.
Art. 114. Worden als inschrijvingskosten aanvaard :
1° alle inschrijvingsgelden die door een vormingsorganisme aangerekend werden;
2° de kosten gerelateerd aan het aanschaffen van de door de vorming vereiste syllabi en materieel, beperkt tot een bedrag van maximum 250 euro;
3° de administratieve kosten gerelateerd aan het behalen van een rijbewijs of elke andere vergunning.
1° alle inschrijvingsgelden die door een vormingsorganisme aangerekend werden;
2° de kosten gerelateerd aan het aanschaffen van de door de vorming vereiste syllabi en materieel, beperkt tot een bedrag van maximum 250 euro;
3° de administratieve kosten gerelateerd aan het behalen van een rijbewijs of elke andere vergunning.
Art. 114. Sont admis comme frais d'inscription :
1° tout droit d'inscription réclamé par un organisme de formation;
2° les frais de syllabi et de matériel inhérents à la formation, limités à un montant maximum de 250 euros;
3° les coûts administratifs relatifs à l'obtention d'un permis de conduire ou toute autre licence.
1° tout droit d'inscription réclamé par un organisme de formation;
2° les frais de syllabi et de matériel inhérents à la formation, limités à un montant maximum de 250 euros;
3° les coûts administratifs relatifs à l'obtention d'un permis de conduire ou toute autre licence.
Art. 115. In het kader van de vorming voor dewelke de militair BDL van een vormingskrediet geniet, kan de korpscommandant zich een regelmatigheidsattest laten voorleggen.
De terugbetaling van het vormingskrediet kan worden gevorderd indien uit het regelmatigheidsattest blijkt dat de militair BDL de vorming waarvoor hij een vormingskrediet heeft ontvangen niet met regelmaat heeft gevolgd.
De terugbetaling van het vormingskrediet kan worden gevorderd indien uit het regelmatigheidsattest blijkt dat de militair BDL de vorming waarvoor hij een vormingskrediet heeft ontvangen niet met regelmaat heeft gevolgd.
Art. 115. Dans le cadre de la formation pour laquelle le militaire BDL bénéficie d'un crédit de formation, le chef de corps peut exiger une attestation d'assiduité.
Le remboursement du crédit de formation peut être exigé s'il ressort de l'attestation d'assiduité que le militaire BDL n'a pas suivi régulièrement la formation pour laquelle il a obtenu un crédit de formation.
Le remboursement du crédit de formation peut être exigé s'il ressort de l'attestation d'assiduité que le militaire BDL n'a pas suivi régulièrement la formation pour laquelle il a obtenu un crédit de formation.
TITEL 7. - Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen
TITRE 7. - Dispositions abrogatoires, transitoires et finales
Art. 116. De artikelen 22 tot 26 van het koninklijk besluit van 27 juni 2010 betreffende het statuut van de militair die een vrijwillige militaire inzet vervult worden opgeheven.
Art. 116. Les articles 22 à 26 de l'arrêté royal du 27 juin 2010 relatif au statut administratif du militaire qui effectue un engagement volontaire militaire sont abrogés.
Art. 117. De militair EVMI die bij de DGHR een aanvraag tot opname in een andere hoedanigheid van militair van het actief kader, zoals bedoeld in artikel 37, § 1, van de wet indient, wordt beoordeeld door zijn korpscommandant inzake zijn wijze van dienen.
Indien zijn wijze van dienen als voldoende wordt beoordeeld, wordt de militair EVMI geacht een positieve beoordeling van zijn korpscommandant te hebben gekregen en wordt aanvaard door de DGHR met het oog op zijn opname in een andere hoedanigheid van militair van het actief kader zoals bedoeld in artikel 37, § 1, van de wet.
Indien zijn wijze van dienen als voldoende wordt beoordeeld, wordt de militair EVMI geacht een positieve beoordeling van zijn korpscommandant te hebben gekregen en wordt aanvaard door de DGHR met het oog op zijn opname in een andere hoedanigheid van militair van het actief kader zoals bedoeld in artikel 37, § 1, van de wet.
Art. 117. Le militaire EVMI qui introduit auprès du DGHR une demande d'admission dans une autre qualité de militaire du cadre actif, telle que visée à l'article 37, § 1er, de la loi, est évalué par son chef de corps quant à sa manière de servir.
Si sa manière de servir est évaluée suffisante, le militaire EVMI est considéré comme ayant reçu une évaluation positive de son chef de corps et est agréé par le DGHR en vue de son admission dans une autre qualité de militaire du cadre actif telle que visée à l'article 37, § 1er, de la loi.
Si sa manière de servir est évaluée suffisante, le militaire EVMI est considéré comme ayant reçu une évaluation positive de son chef de corps et est agréé par le DGHR en vue de son admission dans une autre qualité de militaire du cadre actif telle que visée à l'article 37, § 1er, de la loi.
Art. 118. De militair EVMI van wie de wijze van dienen als onvoldoende wordt beoordeeld, kan, binnen de vijf werkdagen volgend op de dag waarop de beoordeling hem werd betekend, een verweerschrift indienen en vragen om door zijn korpscommandant gehoord te worden.
Hij wordt desgevallend gehoord door zijn korpscommandant ten laatste vijf werkdagen volgend op de dag van het indienen van deze aanvraag.
Wanneer hij gehoord wordt door de korpscommandant, mag de betrokken militair zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze.
Binnen de drie werkdagen volgend op de dag van ontvangst van het verweerschrift of van het horen van de betrokken militair, licht de korpscommandant de betrokkene in van het handhaven van de negatieve beoordeling of van de beslissing hem een positieve beoordeling toe te kennen.
Hij wordt desgevallend gehoord door zijn korpscommandant ten laatste vijf werkdagen volgend op de dag van het indienen van deze aanvraag.
Wanneer hij gehoord wordt door de korpscommandant, mag de betrokken militair zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze.
Binnen de drie werkdagen volgend op de dag van ontvangst van het verweerschrift of van het horen van de betrokken militair, licht de korpscommandant de betrokkene in van het handhaven van de negatieve beoordeling of van de beslissing hem een positieve beoordeling toe te kennen.
Art. 118. Le militaire EVMI dont la manière de servir est jugée insuffisante peut, dans les cinq jours ouvrables qui suivent le jour où l'évaluation lui a été notifiée, introduire un mémoire justificatif et demander à être entendu par son chef de corps.
Le cas échéant, il est entendu par son chef de corps au plus tard cinq jours ouvrables après le jour de l'introduction de cette demande.
Lorsqu'il est entendu par le chef de corps, le militaire concerné peut se faire assister par une personne de son choix.
Dans les trois jours ouvrables qui suivent le jour de la réception du mémoire ou de l'audition du militaire concerné, le chef de corps informe l'intéressé du maintien de l'évaluation négative ou de la décision de lui attribuer une évaluation positive.
Le cas échéant, il est entendu par son chef de corps au plus tard cinq jours ouvrables après le jour de l'introduction de cette demande.
Lorsqu'il est entendu par le chef de corps, le militaire concerné peut se faire assister par une personne de son choix.
Dans les trois jours ouvrables qui suivent le jour de la réception du mémoire ou de l'audition du militaire concerné, le chef de corps informe l'intéressé du maintien de l'évaluation négative ou de la décision de lui attribuer une évaluation positive.
Art. 119. Indien de korpscommandant de negatieve beoordeling handhaaft, wordt het beoordelingsdossier overgemaakt aan de DGHR, ten laatste vijf werkdagen volgend op de dag van betekening van de beslissing van de korpscommandant.
De DGHR beslist op stukken en besluit de militair EVMI te aanvaarden of niet te aanvaarden met het oog op zijn opname in een andere hoedanigheid van militair van het actief kader zoals bedoeld in artikel 37, § 1, van de wet. Deze beslissing wordt betekend aan de betrokken militair ten laatste twintig werkdagen volgend op de dag van betekening van de beslissing van de korpscommandant bedoeld in het eerste lid.
De DGHR beslist op stukken en besluit de militair EVMI te aanvaarden of niet te aanvaarden met het oog op zijn opname in een andere hoedanigheid van militair van het actief kader zoals bedoeld in artikel 37, § 1, van de wet. Deze beslissing wordt betekend aan de betrokken militair ten laatste twintig werkdagen volgend op de dag van betekening van de beslissing van de korpscommandant bedoeld in het eerste lid.
Art. 119. Si le chef de corps maintient l'évaluation négative, le dossier d'évaluation est transmis au DGHR, au plus tard cinq jours ouvrables après le jour de la notification de la décision du chef de corps.
Le DGHR statue sur pièces et décide d'agréer ou de ne pas agréer le militaire EVMI en vue de son admission dans une autre qualité de militaire du cadre actif telle que visée à l'article 37, § 1er, de la loi. Cette décision est notifiée au militaire concerné au plus tard vingt jours ouvrables après le jour de la notification de la décision du chef de corps visée à l'alinéa 1er.
Le DGHR statue sur pièces et décide d'agréer ou de ne pas agréer le militaire EVMI en vue de son admission dans une autre qualité de militaire du cadre actif telle que visée à l'article 37, § 1er, de la loi. Cette décision est notifiée au militaire concerné au plus tard vingt jours ouvrables après le jour de la notification de la décision du chef de corps visée à l'alinéa 1er.
Art. 120. De anciënniteit in de graad van de militair EVMI, bedoeld in artikel 38 van de wet, vangt aan op dezelfde datum als deze waarop de anciënniteit aanvangt van de militair aangeworven in de hoedanigheid waarin de militair EVMI wordt opgenomen in toepassing van artikel 37, § 1, van de wet, die tijdens hetzelfde jaar werd aangeworven en waarvan de vormingscyclus op een normale wijze verliep.
Art. 120. L'ancienneté dans le grade du militaire EVMI, visée à l'article 38 de la loi, prend cours à la même date à laquelle prend cours l'ancienneté du militaire recruté dans la qualité dans laquelle le militaire EVMI est admis en application de l'article 37, § 1er, de la loi, qui a été recruté au cours de la même année et dont le cycle de formation s'est déroulé normalement.
Art. 121. De anciënniteit in de graad van de militair korte termijn, bedoeld in artikel 38 van de wet, vangt aan op dezelfde datum als deze waarop de anciënniteit aanvangt van de militair aangeworven in de hoedanigheid waarin de militair korte termijn wordt opgenomen in toepassing van artikel 37, § 3, van de wet, die tijdens hetzelfde jaar werd aangeworven en waarvan de vormingscyclus op een normale wijze verliep.
Art. 121. L'ancienneté dans le grade du militaire court terme, visée à l'article 38 de la loi, prend cours à la même date à laquelle prend cours l'ancienneté du militaire recruté dans la qualité dans laquelle le militaire court terme est admis en application de l'article 37, § 3, de la loi, qui a été recruté au cours de la même année et dont le cycle de formation s'est déroulé normalement.
Art. 122. Treden in werking op 31 december 2013 :
1° de wet van 30 augustus 2013 tot instelling van de militaire loopbaan van beperkte duur, met uitzondering van het artikel 4 van dezelfde wet, dat uitwerking heeft met ingang van 1 oktober 2013;
2° dit besluit, met uitzondering van het artikel 2 dat uitwerking heeft met ingang van 1 oktober 2013.
1° de wet van 30 augustus 2013 tot instelling van de militaire loopbaan van beperkte duur, met uitzondering van het artikel 4 van dezelfde wet, dat uitwerking heeft met ingang van 1 oktober 2013;
2° dit besluit, met uitzondering van het artikel 2 dat uitwerking heeft met ingang van 1 oktober 2013.
Art. 122. Entrent en vigueur le 31 décembre 2013 :
1° la loi du 30 août 2013 instituant la carrière militaire à durée limitée, à l'exception de l'article 4 de la même loi, qui produit ses effets le 1er octobre 2013;
2° le présent arrêté, à l'exception de l'article 2 qui produit ses effets le 1er octobre 2013.
1° la loi du 30 août 2013 instituant la carrière militaire à durée limitée, à l'exception de l'article 4 de la même loi, qui produit ses effets le 1er octobre 2013;
2° le présent arrêté, à l'exception de l'article 2 qui produit ses effets le 1er octobre 2013.
Art. 123. De Minister bevoegd voor landsverdediging is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 123. Le Ministre qui a la défense dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.