Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
14 OKTOBER 2013. - Koninklijk besluit tot vaststelling van de procedure betreffende de statutaire maatregelen toepasselijk op de militairen van het actief kader en tot wijziging van meerdere koninklijke besluiten betreffende de militaire tucht(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 06-11-2013 en tekstbijwerking tot 16-02-2026)
Titre
14 OCTOBRE 2013. - ArrĂȘtĂ© royal fixant la procĂ©dure relative aux mesures statutaires applicables aux militaires du cadre actif et modifiant divers arrĂȘtĂ©s royaux relatifs Ă  la discipline militaire(NOTE : Consultation des versions antĂ©rieures Ă  partir du 06-11-2013 et mise Ă  jour au 16-02-2026)
Documentinformatie
Numac: 2013007228
Datum: 2013-10-14
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2013007228
Date: 2013-10-14
Moniteur: Voir
Tekst (65)
Texte (65)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° "de wet" : de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de krijgsmacht;
2° "het besluit van 21 november 2007" : het koninklijk besluit van 21 november 2007 tot vaststelling van de werking van sommige instanties binnen Defensie en van de verschijningsprocedure van de militairen voor deze instanties;
3° "de minister" : de minister van [1 Defensie]1;
4° "de DGHR" : de directeur-generaal human resources;
5° "de korpscommandant" : de functionele meerdere, die de bevoegdheden van korpscommandant waarneemt ten opzichte van de betrokken militair.
Article 1er. Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, il faut entendre par :
1° "la loi" : la loi du 28 février 2007 fixant le statut des militaires et candidats militaires du cadre actif des forces armées;
2° "l'arrĂȘtĂ© du 21 novembre 2007" : l'arrĂȘtĂ© royal du 21 novembre 2007 fixant le fonctionnement de certaines instances au sein de la DĂ©fense et la procĂ©dure de comparution des militaires devant ces instances;
3° "le ministre" : le ministre de la Défense;
4° "le DGHR" : le directeur général human resources;
5° "le chef de corps" : le supérieur fonctionnel, exerçant les attributions de chef de corps à l'égard du militaire concerné.
Art. 2. De DGHR kan een autoriteit, minstens bekleed met een graad van hoofdofficier, aanwijzen voor het uitvoeren van één of meerdere van zijn bevoegdheden, die in dit besluit worden vastgesteld.
Art. 2. Le DGHR peut dĂ©signer une autoritĂ© compĂ©tente, revĂȘtue au moins d'un grade d'officier supĂ©rieur, pour exercer une ou plusieurs de ses compĂ©tences, dĂ©terminĂ©es dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 3. Wanneer de minister of de DGHR oordeelt dat de feiten, waar hij kennis van heeft, inbreuk kunnen maken op de korpstucht, maakt hij het dossier over aan de autoriteit die het recht heeft om te straffen, bedoeld in de wet van 14 januari 1975 houdende het tuchtreglement van de krijgsmacht en zijn uitvoeringsbesluiten.
Art. 3. Lorsque le ministre ou le DGHR estime que les faits dont il a connaissance peuvent porter atteinte Ă  la discipline du corps, il transmet le dossier Ă  l'autoritĂ© investie du droit de punir, visĂ©e dans la loi du 14 janvier 1975 portant le rĂšglement de discipline des forces armĂ©es et ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution.
HOOFDSTUK 2. - De procedure betreffende de statutaire maatregelen
CHAPITRE 2. - De la procédure relative aux mesures statutaires
Art. 4. Wanneer de korpscommandant van een militair oordeelt dat deze laatste zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige, met de staat van militair overeenstemmend met zijn personeelscategorie niet overeen te brengen feiten, maakt hij een omstandig verslag op dat een gemotiveerd advies bevat betreffende de ernst van de feiten die ten laste worden gelegd.
Hij gaat over tot de oproeping van de betrokken militair waarbij hij wordt geĂŻnformeerd dat hij opgeroepen wordt in het kader van een procedure die het nemen van een statutaire maatregel ten gevolge kan hebben.
Een afschrift van het omstandig verslag wordt bij de oproeping gevoegd.
Art. 4. Lorsque le chef de corps d'un militaire estime que ce dernier s'est rendu coupable de faits graves incompatibles avec l'état de militaire correspondant à sa catégorie de personnel, il rédige un rapport circonstancié reprenant un avis motivé sur la gravité des faits qui sont reprochés.
Il procÚde à la convocation du militaire concerné en l'informant qu'il est convoqué dans le cadre d'une procédure pouvant donner lieu à la prise d'une mesure statutaire.
Une copie du rapport circonstancié est jointe à la convocation.
Art. 5. Bij de verschijning voor de korpscommandant zijn de in artikel 178/1, § 2, van de wet en de in de artikelen 7 tot 14 van het besluit van 21 november 2007 hernomen nadere regels van toepassing.
De korpscommandant is de bevoegde autoriteit om zich uit te spreken over een aanvraag tot wraking.
Art. 5. Lors de la comparution devant le chef de corps, les modalitĂ©s reprises dans l'article 178/1, § 2, de la loi et dans les articles 7 Ă  14 de l'arrĂȘtĂ© du 21 novembre 2007 sont applicables.
Le chef de corps est l'autorité compétente pour se prononcer sur une demande de récusation.
Art. 6. Na de verschijning kan de korpscommandant van de betrokken militair de zaak zonder gevolg klasseren, onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen van de artikelen 9 en 10, of wijzigingen aanbrengen aan het omstandig verslag dat een gemotiveerd advies bevat betreffende de ernst van de feiten die ten laste worden gelegd.
Het omstandig verslag en het advies bedoeld in het eerste lid worden ter kennis gebracht van de betrokken militair. Hij ondertekent ze onder de vermelding "Gezien en kennis genomen" en krijgt ervan een afschrift.
Ten laatste de vijfde werkdag volgend op de dag van het meedelen van het voornoemde verslag en advies kan de betrokken militair er een verweerschrift aan toevoegen.
Iedere beschouwing die de korpscommandant in verband met dit verweerschrift nodig mocht achten, wordt ter kennis van de betrokken militair gebracht. Deze beschikt over een nieuwe termijn van vijf werkdagen om, als hij dit wenst, een aanvullend verweerschrift in te dienen.
Bij het verstrijken van de termijn beslist de korpscommandant, hetzij zijn verslag en zijn gemotiveerd adviezen te behouden, hetzij deze te wijzigen. Ten laatste de vijfde werkdag volgend op de dag waarop hij zijn beslissing neemt, betekent hij zijn beslissing aan de betrokkene en bezorgt hem een afschrift van deze documenten.
Art. 6. A la suite de la comparution, le chef de corps du militaire concerné peut classer l'affaire sans suite, sous réserve de l'application des dispositions des articles 9 et 10, ou apporter des modifications au rapport circonstancié reprenant un avis motivé sur la gravité des faits qui sont reprochés.
Le rapport circonstancié et l'avis visé à l'alinéa 1er sont portés à la connaissance du militaire en cause. Celui-ci les signe sous la mention "Vu et pris connaissance" et en reçoit une copie.
Au plus tard le cinquiÚme jour ouvrable qui suit le jour de la communication du rapport et de l'avis précités, le militaire concerné peut y joindre un mémoire.
Toute considération que le chef de corps jugerait utile de formuler au sujet de ce mémoire est portée à la connaissance du militaire concerné. Celui-ci dispose d'un nouveau délai de cinq jours ouvrables pour établir, s'il le désire, un mémoire complémentaire.
A l'expiration du dĂ©lai, le chef de corps dĂ©cide soit de maintenir le rapport et les avis motivĂ©s qu'il avait Ă©tablis, soit de les modifier. Au plus tard le cinquiĂšme jour ouvrable qui suit le jour oĂč il prend sa dĂ©cision, il notifie Ă  l'intĂ©ressĂ© sa dĂ©cision Ă  ce sujet et lui transmet une copie de ces documents.
Art. 7. Voor zover hij niet beslist de zaak zonder gevolg te klasseren, maakt de korpscommandant van de betrokken militair [1 rechtstreeks]1 aan de DGHR een dossier over dat de volgende stukken omvat :
1° het omstandig verslag dat een gemotiveerd advies bevat betreffende de ernst van de feiten die ten laste worden gelegd, bedoeld in artikel 4, eerste lid, eventueel aangepast na de oproeping van de betrokken militair;
2° het proces-verbaal van de verschijning;
3° de verdedigingsmiddelen ingediend door de betrokken militair na de oproeping;
4° alle stukken die de korpscommandant of de betrokken militair nodig acht.
Art. 7. Pour autant qu'il ne décide pas classer l'affaire sans suite le chef de corps du militaire concerné transmet [1 directement]1 au DGHR un dossier comprenant les piÚces suivantes:
1° le rapport circonstancié reprenant un avis motivé sur la gravité des faits qui sont reprochés, visé à l'article 4, alinéa 1er, éventuellement adapté à la suite de la convocation du militaire concerné;
2° le procÚs-verbal de la comparution;
3° les moyens de défense introduits par le militaire concerné à la suite de la convocation;
4° toutes piÚces estimées utiles par le chef de corps ou le militaire concerné.
Art. 8. Op basis van het in artikel 7 bedoelde dossier kan de DGHR, naargelang het geval :
1° de zaak zonder gevolg klasseren;
2° aan de minister een van de volgende voorstellen overmaken :
a) een inhouding op de wedde, met vermelding van het percentage en van de duur;
b) een tijdelijke ambtsontheffing bij tuchtmaatregel, met vermelding van de duur van deze tijdelijke ambtsontheffing;
c) de oproeping van de betrokken militair voor een onderzoeksraad.
Het voorstel van de DGHR, alsook het volledige dossier van de zaak, worden overgemaakt aan de minister. In het geval bedoeld in het eerste lid, 2°, c), wordt het dossier overgemaakt aan de minister, via de chef defensie, wanneer de betrokken militair een opperofficier is.
Art. 8. Sur la base du dossier visé à l'article 7, le DGHR peut, selon le cas :
1° classer l'affaire sans suite;
2° transmettre au ministre une des propositions suivantes :
a) une retenue sur le traitement, avec mention du pourcentage et de la durée;
b) un retrait temporaire d'emploi par mesure disciplinaire, avec mention de la durée de ce retrait temporaire d'emploi;
c) la comparution du militaire concernĂ© devant un conseil d'enquĂȘte.
La proposition du DGHR, ainsi que le dossier complet de l'affaire, sont transmis au ministre. Dans le cas visé à l'alinéa 1er, 2°, c), le dossier est transmis, par la voie du chef de la défense, lorsque le militaire concerné est un officier général.
Art. 9. Wanneer de DGHR wordt ingelicht dat een militair zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige, met de staat van militair overeenstemmend met zijn personeelscategorie niet overeen te brengen feiten, kan hij een procedure betreffende de statutaire maatregelen beginnen, zelfs indien de korpscommandant de zaak zonder gevolg heeft geklasseerd.
De DGHR :
1° raadpleegt de korpscommandant van de betrokken militair, die alle elementen en informatie in zijn bezit overmaakt;
2° maakt een omstandig verslag op dat een gemotiveerd advies bevat betreffende de ernst van de feiten die ten laste worden gelegd, of laat dit opmaken door de autoriteit die hij aanwijst;
3° gaat over tot de oproeping van de betrokken militair, overeenkomstig de nadere regels bepaald in de artikelen 4 en 5.
De betrokken militair wordt gehoord door een militair, aangewezen door de DGHR, binnen de algemene directie human resources, minstens bekleed met een graad van hoofdofficier, en bekleed met een hogere graad of die minstens meer anciënniteit heeft in dezelfde graad in dezelfde personeelscategorie.
Na de verschijning van de betrokken militair kan de DGHR wijzigingen aanbrengen aan het omstandig verslag dat een gemotiveerd advies bevat betreffende de ernst van de feiten die ten laste worden gelegd en vervolgens, naargelang het geval, klasseert hij de zaak zonder gevolg of maakt een van de voorstellen bedoeld in artikel 8, eerste lid, 2°, op. Dit wordt ter kennis gebracht van de betrokken militair, overeenkomstig de bepalingen van artikel 6, derde tot vijfde lid.
Behalve indien hij de zaak zonder gevolg klasseert, maakt de DGHR vervolgens het volledig dossier van de zaak en zijn voorstel van statutaire maatregel over aan de minister, in voorkomend geval, via de chef defensie, overeenkomstig artikel 8, tweede lid.
Art. 9. Lorsque le DGHR est informĂ© qu'un militaire s'est rendu coupable de faits graves, incompatibles avec l'Ă©tat de militaire correspondant Ă  sa catĂ©gorie de personnel, il peut entamer une procĂ©dure relative aux mesures statutaires, mĂȘme si le chef de corps a classĂ© l'affaire sans suite.
Le DGHR:
1° consulte le chef de corps du militaire concerné, qui transmet tout élément et toute information utile en sa possession;
2° rédige, ou fait rédiger par l'autorité qu'il désigne, un rapport circonstancié reprenant un avis motivé sur la gravité des faits qui sont reprochés;
3° procÚde à la convocation du militaire concerné, conformément aux rÚgles fixées aux articles 4 et 5.
Le militaire concernĂ© est entendu par un militaire, dĂ©signĂ© par le DGHR, au sein de la direction gĂ©nĂ©rale human resources, revĂȘtu au moins d'un grade d'officier supĂ©rieur, et revĂȘtu d'un grade plus Ă©levĂ© ou ayant au moins plus d'anciennetĂ© dans le mĂȘme grade de la mĂȘme catĂ©gorie de personnel.
A la suite de la convocation, le DGHR peut apporter des modifications au rapport circonstancié reprenant un avis motivé sur la gravité des faits qui sont reprochés et ensuite, selon le cas, classe l'affaire sans suite ou rédige une des propositions visées à l'article 8, alinéa 1er, 2°. Ceci est porté à la connaissance du militaire concerné, conformément aux dispositions de l'article 6, alinéas 3 à 5.
Sauf s'il classe l'affaire sans suite, le DGHR transmet ensuite le dossier complet de l'affaire et sa proposition de mesure statutaire au ministre, le cas échéant, par la voie du chef de la défense, conformément à l'article 8, alinéa 2.
Art. 10. Wanneer de minister wordt ingelicht dat een militair zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige, met de staat van militair overeenstemmend met zijn personeelscategorie niet overeen te brengen feiten, kan hij een procedure betreffende de statutaire maatregelen beginnen, zelfs indien de korpscommandant de zaak zonder gevolg heeft geklasseerd. Hij maakt dan het dossier over aan de DGHR.
De DGHR :
1° stelt een onderzoek in en maakt een dossier op, overeenkomstig de bepalingen van artikel 9, tweede tot vierde lid;
2° maakt het volledig dossier van de zaak, alsook zijn voorstel om de zaak zonder gevolg te klasseren of om één van de statutaire maatregel bedoeld in artikel 8, eerste lid, 2°, te nemen, over aan de minister, in voorkomend geval, via de chef defensie, overeenkomstig artikel 8, tweede lid.
Art. 10. Lorsque le ministre est informĂ©, qu'un militaire s'est rendu coupable de faits graves, incompatibles avec l'Ă©tat de militaire correspondant Ă  sa catĂ©gorie de personnel, il peut entamer une procĂ©dure relative aux mesures statutaires, mĂȘme si le chef de corps a classĂ© l'affaire sans suite. Il transmet le dossier au DGHR.
Le DGHR:
1° procĂšde Ă  une enquĂȘte et Ă©tablit un dossier, conformĂ©ment aux dispositions de l'article 9, alinĂ©as 2 Ă  4;
2° transmet au ministre le dossier complet de l'affaire, ainsi que sa proposition de classer l'affaire sans suite ou de prendre une des mesures statutaires visées à l'article 8, alinéa 1er, 2°, le cas échéant, par la voie du chef de la défense, conformément à l'article 8, alinéa 2.
Art. 11. Op basis van het dossier van de zaak en het voorstel van de DGHR, kan de minister, naargelang het geval :
1° de zaak zonder gevolg klasseren;
2° een inhouding op de wedde uitspreken;
3° buiten het geval bedoeld in artikel 56, tweede lid, van de wet, de door de DGHR voorgestelde tijdelijke ambtsontheffing bij tuchtmaatregel uitspreken, of een andere duur voor deze tijdelijke ambtsontheffing bepalen;
4° in het geval bedoeld in artikel 56, tweede lid, van de wet, een ontwerp van gemotiveerd besluit aan de Koning voorleggen;
5° het dossier naar een onderzoeksraad sturen, indien hij oordeelt dat de door de betrokken militair gepleegde feiten een definitieve ambtsontheffing kunnen wettigen, overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van de wet.
Vóór het nemen van [1 één van de beslissingen bedoeld in het eerste lid, 2° tot 5°,]1 betekent de minister zijn voornemen aan de betrokken militair. Ten laatste de tiende werkdag volgend op de dag van deze betekening, kan de betrokken militair zijn verdedigingsmiddelen bij wijze van elk communicatiemiddel tegen ontvangstbewijs, doen gelden bij de minister, vergezeld van elk stuk dat hij nuttig acht.
Art. 11. Sur la base du dossier de l'affaire et de la proposition du DGHR, le ministre peut, selon le cas :
1° classer l'affaire sans suite;
2° prononcer une retenue sur le traitement;
3° hors le cas visé à l'article 56, alinéa 2, de la loi, prononcer le retrait temporaire d'emploi par mesure disciplinaire proposé par le DGHR, ou fixer une autre durée pour ce retrait temporaire d'emploi;
4° dans le cas visĂ© Ă  l'article 56, alinĂ©a 2, de la loi, soumettre au Roi un projet d'arrĂȘtĂ© motivĂ©;
5° envoyer le dossier devant un conseil d'enquĂȘte, s'il estime que les faits commis par le militaire concernĂ© peuvent justifier un retrait dĂ©finitif d'emploi, conformĂ©ment Ă  l'article 57, alinĂ©a 2, de la loi.
Préalablement à la prise [1 d'une des décisions visées à l'alinéa 1er, 2° à 5°]1, le ministre notifie son intention au militaire concerné. Au plus tard le dixiÚme jour ouvrable qui suit le jour de cette notification, l'intéressé peut faire valoir ses moyens de défense par tout moyen de communication écrite avec accusé de réception, auprÚs du ministre, accompagnés de toute piÚce estimée utile.
Art. 12. De onderzoeksraad, ingesteld wanneer een militair bij ordemaatregel geschorst wordt en voor zover er geen procedure ingesteld werd die een statutaire maatregel ten gevolge kan hebben, kan het verlengen of het beëindigen van de schorsing bij ordemaatregel voorstellen.
Het voorstel bedoeld in het eerste lid wordt uitgebracht ten laatste de vijfde maand volgend op de datum waarop de schorsing bij ordemaatregel wordt uitgesproken.
Elke keer dat de schorsing bij ordemaatregel verlengd wordt na de zes maanden die volgen op de datum waarop de schorsing bij ordemaatregel werd uitgesproken, zonder dat een procedure ingesteld werd die een statutaire maatregel ten gevolge kan hebben, spreekt de onderzoeksraad een voorstel uit binnen de twee maanden volgend op de verlenging van deze schorsing.
Wanneer de schorsing bij ordemaatregel opgeschort wordt in toepassing van artikel 51, § 4, van de wet, wordt de termijn bedoeld in het tweede of het derde lid verlengd met de duur van de schorsingsperiode.
Art. 12. Le conseil d'enquĂȘte, constituĂ© lorsqu'un militaire est suspendu par mesure d'ordre, et pour autant qu'aucune procĂ©dure pouvant donner lieu Ă  une mesure statutaire ne soit entamĂ©e, peut proposer de prolonger ou de mettre fin Ă  la suspension par mesure d'ordre.
La proposition visée à l'alinéa 1er est rendue dans les cinq mois qui suivent la date à laquelle la suspension par mesure d'ordre a été prononcée.
Chaque fois que la suspension par mesure d'ordre est prolongĂ©e au-delĂ  des six mois qui suivent la date Ă  laquelle la suspension par mesure d'ordre a Ă©tĂ© prononcĂ©e, sans qu'une procĂ©dure donnant lieu Ă  une mesure statutaire ne soit entamĂ©e, le conseil d'enquĂȘte Ă©met une proposition dans les deux mois qui suivent la prolongation de cette suspension.
Lorsque la suspension par mesure d'ordre est suspendue en application de l'article 51, § 4, de la loi, le délai visé à l'alinéa 2 ou 3 est prolongé de la durée de la période de suspension.
Art. 13. Overeenkomstig artikel 57, vijfde lid, van de wet, bestaat iedere onderzoeksraad uit vijf leden, onder wie een voorzitter. Die leden moeten een hogere graad hebben dan de militair die voor de raad verschijnt of meer anciënniteit in dezelfde graad hebben in dezelfde personeelscategorie.
Overeenkomstig artikel 57, vijfde lid, van de wet, moeten twee militairen van dezelfde personeelscategorie als de betrokken militair deel uitmaken van de onderzoeksraad.
De militair die betrokken is geweest bij de feiten die tot de onderzoeksraad hebben geleid of die betrokken is geweest bij een onderzoek of een voorafgaande procedure betreffende deze feiten, mag geen lid zijn van de onderzoeksraad.
Art. 13. ConformĂ©ment Ă  l'article 57, alinĂ©a 5, de la loi, tout conseil d'enquĂȘte est composĂ© de cinq membres, dont un prĂ©sident. Ces membres doivent ĂȘtre d'un grade supĂ©rieur Ă  celui du militaire qui comparaĂźt devant le conseil ou plus anciens dans le mĂȘme grade de la mĂȘme catĂ©gorie de personnel.
ConformĂ©ment Ă  l'article 57, alinĂ©a 5, de la loi, deux militaires de la mĂȘme catĂ©gorie de personnel que le militaire concernĂ© doivent faire partie du conseil d'enquĂȘte.
Le militaire qui a Ă©tĂ© impliquĂ© dans les faits donnant lieu au conseil d'enquĂȘte ou qui a Ă©tĂ© impliquĂ© dans une enquĂȘte ou dans une procĂ©dure antĂ©rieure relative Ă  ces faits, ne peut pas ĂȘtre membre du conseil d'enquĂȘte.
Art. 14. Iedere onderzoeksraad wordt bijgestaan door een secretaris aangewezen door de DGHR binnen de algemene directie human resources.
De secretaris is minstens bekleed met een graad van hoofdonderofficier.
Op vraag van de betrokken militair, wijst de directeur-generaal human resources evenwel als secretaris een militair van zijn algemene directie aan die een hogere graad heeft dan de betrokken militair of, tenminste, meer anciënniteit heeft in dezelfde graad.
De secretaris verleent de voorzitter administratieve en technische bijstand.
Art. 14. Tout conseil d'enquĂȘte est assistĂ© par un secrĂ©taire dĂ©signĂ© par le DGHR au sein de la direction gĂ©nĂ©rale human resources.
Le secrĂ©taire est au moins revĂȘtu d'un grade de sous-officier supĂ©rieur.
Toutefois, Ă  la demande du militaire en cause, le directeur gĂ©nĂ©ral human resources dĂ©signe comme secrĂ©taire un militaire de sa direction gĂ©nĂ©rale qui est d'un grade supĂ©rieur Ă  celui du militaire en cause ou, tout au moins, plus ancien dans le mĂȘme grade.
Le secrétaire apporte au président une aide administrative et technique.
Art. 15. De DGHR wijst de militairen aan, die kunnen aangewezen worden gedurende één jaar als lid of plaatsvervangend lid van de onderzoeksraden :
1° voor de militairen behorend tot de algemene directie human resources;
2° op voorstel van de bevoegde directeur-generaal of onderstafchef, voor de militairen behorend tot een andere algemene directie of tot een stafdepartement.
De aanwijzing van de voorzitters wordt uitgevoerd als volgt :
1° voor de personeelscategorie van de officieren, een officier minstens bekleed met de graad van kolonel als voorzitter, en twee officieren minstens bekleed met de graad van kolonel als plaatsvervangende voorzitters;
2° voor de personeelscategorie van de onderofficieren, drie hoofdofficieren als voorzitters, en zes hoofdofficieren als plaatsvervangende voorzitters;
3° voor de personeelscategorie van de vrijwilligers, vijf hoofdofficieren of kapiteins-commandanten als voorzitters, en tien hoofdofficieren of kapiteins-commandanten of kapiteins als plaatsvervangende voorzitters.
Wanneer een onderzoeksraad wordt samengesteld, wijst de DGHR de leden en plaatsvervangende leden van deze onderzoeksraad aan.
De aanwijzing als lid van een onderzoeksraad wordt beschouwd als een prioritaire activiteit.
Art. 15. Le DGHR dĂ©signe les militaires pouvant ĂȘtre dĂ©signĂ©s, pendant un an, comme membre ou membre supplĂ©ant des conseils d'enquĂȘte:
1° pour les militaires appartenant à la direction générale human resources;
2° sur la proposition du directeur général ou sous-chef d'état-major compétent, pour les militaires appartenant à une autre direction générale ou à un département d'état-major.
La désignation des présidents s'effectue comme suit :
1° pour la catĂ©gorie de personnel des officiers, un officier revĂȘtu au moins du grade de colonel comme prĂ©sident, et deux officiers revĂȘtus au moins du grade de colonel comme prĂ©sidents supplĂ©ants;
2° pour la catégorie de personnel des sous-officiers, trois officiers supérieurs comme présidents, et six officiers supérieurs comme présidents suppléants;
3° pour la catégorie de personnel des volontaires, cinq officiers supérieurs ou capitaines-commandant comme présidents, et dix officiers supérieurs ou capitaines-commandant ou capitaines comme présidents suppléants.
Lorsqu'un conseil d'enquĂȘte est constituĂ©, le DGHR dĂ©signe les membres et membres supplĂ©ants de ce conseil d'enquĂȘte.
La dĂ©signation comme membre d'un conseil d'enquĂȘte est considĂ©rĂ© comme une activitĂ© prioritaire.
Art. 16. Na gehoord te zijn door de onderzoeksraad, kan de betrokken militair aan de voorzitter van de onderzoeksraad een verweerschrift overmaken dat zijn verweermiddelen samenvat. Dit verweerschrift wordt verzonden bij wijze van elk communicatiemiddel tegen ontvangstbewijs, ten laatste de tiende werkdag volgend op de dag van de verschijning.
Art. 16. AprĂšs avoir Ă©tĂ© entendu par le conseil d'enquĂȘte, le militaire concernĂ© peut transmettre au prĂ©sident du conseil d'enquĂȘte un mĂ©moire rĂ©sumant ses moyens de dĂ©fense. Ce mĂ©moire est envoyĂ©, par tout moyen de communication Ă©crite avec accusĂ© de rĂ©ception, au plus tard le dixiĂšme jour ouvrable qui suit le jour de la comparution.
Art. 17. Indien, bij het verstrijken van de termijn voor het indienen van het verweerschrift, de onderzoeksraad oordeelt dat hij voldoende is ingelicht om zich uit te spreken over de zaak, dan spreken de leden van de onderzoeksraad zich met "ja" of "neen" uit over de volgende vraag, te beginnen met de militair die de laagste graad heeft en, bij gelijke graad, diegene die de laagste anciënniteit in deze graad heeft :"zijn de feiten bewezen ?".
Indien, met meerderheid van stemmen, de feiten worden erkend als bewezen, spreken de leden van de onderzoeksraad zich met "ja" of "neen" uit over de volgende vragen, te beginnen met de militair die de laagste graad heeft en, bij gelijke graad, die de laagste anciënniteit in deze graad heeft :
1° "zijn de feiten ernstig ?";
2° "zijn de feiten onverenigbaar met de staat van militair overeenstemmend met de personeelscategorie van de betrokken militair ?";
3° "zijn er verzachtende of verzwarende omstandigheden ?".
De onderzoeksraad kan eveneens een of meerdere van de volgende maatregelen aan de minister voorstellen :
1° het klasseren van de zaak zonder gevolg;
2° het nemen van een ordemaatregel;
3° het uitspreken van één van de volgende statutaire maatregelen;
a) een inhouding op de wedde;
b) een tijdelijke ambtsontheffing bij tuchtmaatregel;
c) een definitieve ambtsontheffing.
Het advies van de onderzoeksraad met betrekking tot elke vraag, alsook het voorstel van maatregel, wordt gemotiveerd.
Art. 17. Si, Ă  l'expiration du dĂ©lai fixĂ© pour le dĂ©pĂŽt du mĂ©moire, le conseil d'enquĂȘte estime qu'il est suffisamment informĂ© pour se prononcer sur l'affaire, les membres du conseil d'enquĂȘte se prononcent par un "oui" ou par un "non", Ă  commencer par le militaire ayant le grade le moins Ă©levĂ© et, Ă  grade Ă©gal, ayant le moins d'anciennetĂ© dans ce grade, Ă  la question suivante : "les faits sont-ils Ă©tablis?".
Si, Ă  la majoritĂ© des voix, les faits sont reconnus Ă©tablis, les membres du conseil d'enquĂȘte se prononcent par un "oui" ou par un "non", Ă  commencer par le militaire ayant le grade le moins Ă©levĂ© et, Ă  grade Ă©gal, ayant le moins d'anciennetĂ© dans ce grade, aux questions suivantes:
1° "les faits sont-ils graves?";
2° "les faits sont-ils incompatibles avec l'état de militaire correspondant à la catégorie de personnel du militaire concerné ?";
3° "y a-t-il des circonstances atténuantes ou aggravantes ?".
Le conseil d'enquĂȘte peut proposer une ou plusieurs des mesures suivantes auministre :
1° classer l'affaire sans suite;
2° prendre une mesure d'ordre;
3° prononcer une des mesures statutaires suivantes :
a) une retenue sur le traitement;
b) un retrait temporaire d'emploi par mesure disciplinaire;
c) un retrait définitif d'emploi.
L'avis du conseil d'enquĂȘte sur chacune des questions, ainsi que la proposition de mesure, sont motivĂ©s.
Art. 18. Overeenkomstig artikel 16 van het besluit van 21 november 2007 zendt de voorzitter aan de betrokken militair het gemotiveerde advies met betrekking tot het bestaan van de feiten en, zo deze volledig of gedeeltelijk bewezen zijn, de gemotiveerde adviezen met betrekking tot hun ernst en met betrekking tot hun onverenigbaar karakter met de staat van militair overeenstemmend met zijn personeelscategorie. In voorkomend geval, maakt hij eveneens het voorstel bedoeld in artikel 17, derde lid, over.
Het volledig dossier van de zaak, waarbij een inventaris van de stukken gevoegd is, wordt onverwijld, via de DGHR, aan de minister overgemaakt.
Art. 18. Le prĂ©sident transmet au militaire concernĂ©, conformĂ©ment Ă  l'article 16 de l'arrĂȘtĂ© du 21 novembre 2007, l'avis motivĂ© relatifs Ă  l'existence des faits et, si ceux-ci sont totalement ou partiellement Ă©tablis, les avis motivĂ©s relatifs Ă  leur gravitĂ© et Ă  leur caractĂšre incompatible avec l'Ă©tat de militaire, correspondant Ă  sa catĂ©gorie de personnel. Le cas Ă©chĂ©ant, il transmet Ă©galement la proposition visĂ©e Ă  l'article 17, alinĂ©a 3.
Le dossier complet de l'affaire, auquel est joint un inventaire des piÚces est transmis sans délai au ministre, par la voie du DGHR.
Art. 19. Indien de DGHR of de minister oordeelt dat het onderzoek niet werd gevoerd met eerbied voor de rechten van de verdediging of niet op voldoende zorgvuldige wijze, of dat de gemotiveerde adviezen het niet toelaten om een beslissing te nemen in alle wettigheid, kan hij, op gemotiveerde wijze, de onderzoeksraad bevelen het onderzoek voort te zetten of nieuwe adviezen op te maken. In dat geval wordt de betrokken militair gehoord door de onderzoeksraad.
Art. 19. Si le DGHR ou le ministre estime que l'enquĂȘte n'a pas Ă©tĂ© effectuĂ©e dans le respect des droits de la dĂ©fense ou de maniĂšre suffisamment consciencieuse, ou que les avis motivĂ©s ne peuvent permettre de prendre une dĂ©cision en toute lĂ©galitĂ©, il peut enjoindre, de maniĂšre motivĂ©e, le conseil d'enquĂȘte de continuer l'enquĂȘte ou de rĂ©diger de nouveaux avis. Dans ce cas, le militaire concernĂ© est entendu par le conseil d'enquĂȘte.
Art. 20. Wanneer de onderzoeksraad heeft verklaard dat de feiten vaststaan en wanneer, op basis van de gemotiveerde adviezen van de onderzoeksraad, de minister oordeelt dat de feiten ernstig zijn en dat zij onverenigbaar zijn met de staat van militair overeenstemmend met de personeelscategorie van de betrokken militair, kan hij, overeenkomstig de artikelen 55 tot 57, van de wet :
1° de definitieve ambtsontheffing uitspreken, of, wanneer de betrokken militair een officier is, een ontwerp van gemotiveerd besluit, dat de definitieve ambtsontheffing uitspreekt, aan de Koning voorleggen;
2° een tijdelijke ambtsontheffing bij tuchtmaatregel uitspreken, of, in het geval bedoeld in artikel 56, tweede lid, van de wet, een ontwerp van gemotiveerd besluit, dat de tijdelijke ambtsontheffing bij tuchtmaatregel uitspreekt, met melding van de duur van deze tijdelijke ambtsontheffing, aan de Koning voorleggen;
3° een inhouding op de wedde uitspreken, met vermelding van het percentage en de duur.
Vóór het nemen van een beslissing betekent de minister zijn voornemen aan de betrokken militair. Ten laatste de tiende werkdag volgend op de dag van deze betekening, kan de betrokken militair zijn verdedigingsmiddelen bij wijze van elk communicatiemiddel tegen ontvangstbewijs, doen gelden bij de minister, vergezeld van elk stuk dat hij nuttig acht.
Indien de minister oordeelt dat de ernst van de feiten een van deze maatregelen niet rechtvaardigt, kan hij de zaak klasseren zonder gevolg.
Art. 20. Lorsque le conseil d'enquĂȘte a dĂ©clarĂ© les faits Ă©tablis et que, sur la base des avis motivĂ©s du conseil d'enquĂȘte, le ministre estime que les faits sont graves et qu'ils sont incompatibles avec l'Ă©tat de militaire correspondant Ă  la catĂ©gorie de personnel du militaire concernĂ©, il peut, conformĂ©ment aux articles 55 Ă  57 de la loi :
1° prononcer le retrait dĂ©finitif d'emploi ou, lorsque le militaire concernĂ© est un officier, soumettre au Roi un projet d'arrĂȘtĂ© motivĂ© qui prononce le retrait dĂ©finitif d'emploi;
2° prononcer un retrait temporaire d'emploi par mesure disciplinaire, ou, dans le cas visĂ© Ă  l'article 56, alinĂ©a 2, de la loi, soumettre au Roi un projet d'arrĂȘtĂ© motivĂ© qui prononce le retrait temporaire d'emploi par mesure disciplinaire, avec mention de la durĂ©e de ce retrait temporaire d'emploi;
3° prononcer une retenue sur le traitement, avec mention du pourcentage et de la durée.
Préalablement à la prise de décision, le ministre notifie son intention au militaire concerné. Au plus tard le dixiÚme jour ouvrable qui suit le jour de cette notification, l'intéressé peut faire valoir ses moyens de défense par tout moyen de communication écrite avec accusé de réception, auprÚs du ministre, accompagnés de toute piÚce estimée utile.
Si le ministre estime que la gravité des faits ne justifie pas une de ces mesures, il peut classer l'affaire sans suite.
HOOFDSTUK 3. - De militair gescheiden van het leger
CHAPITRE 3. - Le militaire séparé de l'armée
Art. 21. Wanneer een militair gescheiden is van het leger, hetzij tengevolge van oorlogsomstandigheden, hetzij door uitzonderlijke omstandigheden die niet aan hem te wijten zijn, maakt zijn functionele meerdere onmiddellijk een verslag op met opgave van alle nuttige aanwijzingen aangaande de vaststelling van de afwezigheid. Dit verslag wordt onverwijld via de rechtstreekse functionele meerdere van de auteur van dit verslag aan de minister overgemaakt.
Art. 21. Lorsqu'un militaire est séparé de l'armée, soit en raison de circonstances de guerre, soit en raison de circonstances extraordinaires qui ne sont pas son fait, un rapport est immédiatement établi par son supérieur fonctionnel, donnant toutes indications utiles au sujet de la constatation de l'absence. Ce rapport est transmis sans délai au ministre par la voie du supérieur fonctionnel immédiat de l'auteur de ce rapport.
Art. 22. Onverminderd een eventuele rechtsvordering, mag de minister de zaak in handen geven van een onderzoeksraad, die ermee belast is alle verklaringen en getuigschriften te verzamelen om vast te stellen in welke omstandigheden de afwezigheid haar oorsprong vindt. De verklaringen worden opgenomen in de notulen van de onderzoeksraad.
Art. 22. Sans prĂ©judice d'une action judiciaire Ă©ventuelle, le ministre peut faire constituer un conseil d'enquĂȘte, chargĂ©e de recueillir toutes dĂ©clarations et toutes attestations permettant de dĂ©terminer les circonstances qui sont Ă  l'origine de l'absence. Les dĂ©clarations sont actĂ©es par Ă©crit au procĂšs-verbal du conseil d'enquĂȘte.
Art. 23. Wanneer de periode van afwezigheid ten einde is, mag de minister een nieuwe onderzoeksraad ermee belasten, na te gaan of de feiten waarin de afwezigheid haar oorsprong vindt, of het gedrag van de militair tijdens zijn afwezigheid onverenigbaar is met de staat van militair overeenstemmend met zijn personeelscategorie.
Art. 23. Lorsque la pĂ©riode d'absence a pris fin, le ministre peut charger un nouveau conseil d'enquĂȘte d'examiner si les faits qui sont Ă  l'origine de l'absence ou si la conduite du militaire pendant son absence sont incompatibles avec l'Ă©tat de militaire correspondant Ă  sa catĂ©gorie de personnel.
Art. 24. De bepalingen van het hoofdstuk 2 betreffende de onderzoeksraad zijn van toepassing, onder voorbehoud van de bepalingen van het tweede tot het vierde lid.
Naast de vragen bedoeld in artikel 17, eerste en tweede lid, spreken de leden van de onderzoeksraad zich met "ja" of "neen" uit over de volgende vraag, te beginnen met de militair die de laagste graad heeft en, bij gelijke graad, diegene die de laagste anciënniteit in deze graad heeft : "Moet de periode van afwezigheid geheel of gedeeltelijk in een periode van non-activiteit worden omgezet ?".
De voorzitter van de onderzoeksraad geeft de betrokken militair niet alleen kennis van de adviezen en de voorstellen bedoeld in artikel 18, maar ook van het gemotiveerd advies van de raad over de eventuele gehele of gedeeltelijke omzetting van de periode van afwezigheid in non-activiteit.
Wanneer de onderzoeksraad de feiten als bewezen heeft verklaard, dan is artikel 20 van toepassing. Bovendien stelt de minister voor, overeenkomstig artikel 189, vijfde lid, van de wet, indien het gaat om een officier, aan de Koning de te nemen maatregelen betreffende de stand van de betrokken militair gedurende zijn afwezigheid of neemt hij zelf deze maatregelen, indien het gaat om een onderofficier of een vrijwilliger.
Art. 24. Les dispositions du chapitre 2 relatives au conseil d'enquĂȘte sont d'application, sous rĂ©serve des dispositions fixĂ©es aux alinĂ©as 2 Ă  4.
Outre les questions visĂ©es Ă  l'article 17, alinĂ©as 1er et 2, les membres du conseil d'enquĂȘte se prononcent, de maniĂšre motivĂ©e, par un "oui" ou par un "non", Ă  commencer par le militaire ayant le grade le moins Ă©levĂ© et, Ă  grade Ă©gal, ayant le moins d'anciennetĂ© dans ce grade, Ă  la question suivante : "Faut-il convertir, en tout ou en partie, la pĂ©riode d'absence en pĂ©riode de non-activitĂ© ?".
Le prĂ©sident du conseil d'enquĂȘte notifie au militaire concernĂ©, outre les avis et les propositions dont il est question Ă  l'article 18, l'avis motivĂ© du conseil sur la conversion Ă©ventuelle de tout ou partie de la pĂ©riode d'absence en non-activitĂ©.
Lorsque le conseil d'enquĂȘte a dĂ©clarĂ© les faits Ă©tablis, l'article 20 est applicable. En outre, conformĂ©ment Ă  l'article 189, alinĂ©a 5, de la loi le ministre propose au Roi, s'il s'agit d'un officier, les mesures Ă  prendre concernant la position du militaire concernĂ© durant son absence ou prend lui-mĂȘme ces mesures, s'il s'agit d'un sous-officier ou un volontaire.
HOOFDSTUK 4. [1 De onwettige afwezigheid van lange duur]1
CHAPITRE 4. [1 De l'absence illégale de longue durée]1
Art. 25. [1 Wanneer een militair of kandidaat-militair onwettig afwezig is, duidt de korpscommandant een hiërarchische of functionele meerdere van de betrokken militair aan om ieder nuttig onderzoek in te stellen teneinde het motief van de afwezigheid van de betrokken militair of kandidaat-militair te kennen, inzonderheid door iedere dienstige getuigenis af te nemen.
De overheid belast met het onderzoek bedoeld in het eerste lid moet:
1° onmiddellijk contact opnemen met de betrokken militair of kandidaat-militair of, in voorkomend geval, met de door de betrokken militair of kandidaat-militair aangewezen contactpersoon, alsook, indien nodig, met de familieleden teneinde inzonderheid deze personen te verwittigen van de gevolgen die uit zijn afwezigheid zouden kunnen voortvloeien, kennis te nemen van de eventuele familiale of relationele problemen of de plaats te kennen naar waar deze militair of kandidaat-militair op reis zou kunnen zijn vertrokken of gehospitaliseerd zou kunnen zijn;
2° indien de contacten bedoeld in de bepaling onder 1 niet genomen konden worden:
a) contact opnemen met de commissaris van politie van het rechtsgebied waarin de betrokken militair of kandidaat-militair verblijf houdt of geacht wordt te verblijven;
b) de afwezigheid van de betrokken militair of kandidaat-militair signaleren aan de Sociale Dienst van Defensie opdat deze alle relevante elementen in haar bezit zou kunnen communiceren, en, indien nodig, een sociaal onderzoek zou kunnen uitvoeren;
c) elke nuttige getuigenis afnemen van de collega's van de betrokken militair of kandidaat-militair.]1

Art. 25. [1 Lorsqu'un militaire ou candidat militaire est absent illĂ©galement, le chef de corps dĂ©signe un supĂ©rieur hiĂ©rarchique ou fonctionnel du militaire ou candidat militaire concernĂ© pour procĂ©der Ă  toute enquĂȘte nĂ©cessaire afin de connaĂźtre le motif de l'absence du militaire ou candidat militaire concernĂ©, notamment en recueillant tout tĂ©moignage utile.
L'autoritĂ© chargĂ©e de l'enquĂȘte visĂ©e Ă  l'alinĂ©a 1er doit :
1° prendre immĂ©diatement contact avec le militaire ou candidat militaire concernĂ© ou, le cas Ă©chĂ©ant, avec la personne de contact dĂ©signĂ©e par le militaire ou candidat militaire concernĂ©, ainsi que, si nĂ©cessaire, avec les membres de la famille, en particulier afin de prĂ©venir ces personnes des consĂ©quences qui pourraient dĂ©couler de son absence, de prendre connaissance de ses Ă©ventuels problĂšmes familiaux ou relationnels ou de connaĂźtre l'endroit oĂč ce militaire ou candidat militaire pourrait ĂȘtre parti en voyage ou ĂȘtre hospitalisĂ© ;
2° si les contacts visĂ©s au 1 n'ont pas pu ĂȘtre pris :
a) prendre contact avec le commissaire de police du ressort dans lequel réside ou est présumé résider le militaire ou candidat militaire concerné ;
b) signaler l'absence du militaire ou candidat militaire concernĂ© au Service Social de la DĂ©fense afin que celui-ci puisse communiquer tous les Ă©lĂ©ments pertinents qu'il possĂ©derait et, si nĂ©cessaire, effectuer une enquĂȘte sociale ;
c) recueillir tout témoignage utile des collÚgues du militaire ou candidat militaire concerné.]1

Art. 26. [1 Wanneer de voorwaarden bedoeld in artikel 59 van de wet vervuld zijn en het onderzoek bedoeld in artikel 25, is uitgevoerd, deelt de korpscommandant, zo spoedig mogelijk, aan de DGHR de onwettige afwezigheid van de betrokken militair of kandidaat-militair mee, alsook de verzamelde elementen ten gevolge van het in artikel 25 bedoelde onderzoek]1.
De betrokken militair of kandidaat-militair ontvangt met een bij aangetekende zending met ontvangstbewijs, een afschrift van de mededeling bedoeld in het eerste lid. Bij deze gelegenheid wordt hem verzocht aan de DGHR zijn argumenten mee te delen, binnen de tien werkdagen volgend op de dag [1 waarop de aangetekende zending aangeboden werd op de woonplaats van de geadresseerde of, in voorkomend geval, op de verblijfplaats of woonplaats, die werd aangegeven bij de autoriteit]1.
Art. 26. [1 Lorsque les conditions visĂ©es Ă  l'article 59 de la loi sont remplies et que l'enquĂȘte visĂ©e Ă  l'article 25 a Ă©tĂ© effectuĂ©e, le chef de corps communique au DGHR, dans les meilleurs dĂ©lais, l'absence illĂ©gale du militaire ou candidat militaire concernĂ©, ainsi que les Ă©lĂ©ments recueillis Ă  la suite de l'enquĂȘte visĂ©e Ă  l'article 25]1.
Le militaire ou candidat militaire concernĂ© reçoit par envoi recommandĂ© avec accusĂ© de rĂ©ception, une copie de la communication visĂ©e Ă  l'alinĂ©a 1er. A cette occasion, il lui est demandĂ© de faire connaĂźtre au DGHR ses arguments, dans les dix jours ouvrables qui suivent le jour [1 oĂč l'envoi recommandĂ© a Ă©tĂ© prĂ©sentĂ© au domicile du destinataire, ou, le cas Ă©chĂ©ant, Ă  la rĂ©sidence ou au domicile, qui a Ă©tĂ© renseignĂ© Ă  l'autoritĂ©]1.
Art. 27. Indien de betrokken militair of kandidaat-militair zijn argumenten niet meedeelt of indien de DGHR oordeelt dat de argumenten van de betrokken militair of kandidaat-militair ongegrond zijn, kan de DGHR een voorstel tot definitieve ambtsontheffing zenden aan :
1° de Koning, indien de betrokken militair een officier is;
2° de minister, indien de betrokken militair een onderofficier is;
3° de chef defensie, indien de betrokken militair een vrijwilliger is.
Art. 27. Si le militaire ou candidat militaire concerné ne fait pas connaßtre ses arguments, ou si le DGHR juge les arguments du militaire ou du candidat militaire concerné irrecevables, le DGHR peut transmettre une proposition de retrait définitif d'emploi au :
1° Roi, si le militaire concerné est un officier;
2° ministre, si le militaire concerné est un sous-officier;
3° chef de la défense, si le militaire concerné est un volontaire.
Art. 28. De korpscommandant is de overheid bedoeld in artikel 59, derde lid, van de wet.
Art. 28. Le chef de corps est l'autorité visée à l'article 59, alinéa 3, de la loi.
HOOFDSTUK 5. - De betekening
CHAPITRE 5. - De la notification
Art. 29. Elke beslissing, voorstel of advies genomen door een autoriteit krachtens dit besluit wordt betekend aan de betrokken militair via zijn korpscommandant. De betrokken militair ondertekent en dagtekent deze betekening onder de vermelding "gezien en kennis genomen".
Indien de betrokken militair afwezig is, of indien de korpscommandant het nodig acht, kan de betekening gebeuren met een aangetekende zending of bij de militaire post ingeschreven brief, tegen ontvangstbewijs.
Indien de betrokken militair de beslissing, het voorstel of het advies dat hem werd betekend niet ondertekent, of indien hij geen verweerschrift bijvoegt binnen de tien werkdagen volgend op de dag van de betekening, dan wordt hij geacht, naargelang het geval, ervan kennis te hebben genomen of geen verweerschrift te willen bijvoegen.
Art. 29. Toute dĂ©cision, proposition ou avis pris par une autoritĂ© en vertu du prĂ©sent arrĂȘtĂ© est notifiĂ© au militaire concernĂ© par la voie de son chef de corps. Le militaire concernĂ© signe et date cette notification sous la mention "vu et pris connaissance".
Si le militaire concernĂ© est absent, ou si son chef de corps l'estime nĂ©cessaire, la notification peut ĂȘtre faite par envoi recommandĂ© ou enregistrĂ© Ă  la poste militaire, contre accusĂ© de rĂ©ception.
Si le militaire concerné ne signe pas la décision, la proposition ou l'avis qui lui est notifiée, ou s'il n'y joint pas de mémoire dans les dix jours ouvrables qui suivent le jour de la notification, il est réputé, selon le cas, en avoir pris connaissance ou ne pas vouloir y joindre de mémoire.
HOOFDSTUK 6. - Bijzondere bepaling
CHAPITRE 6. - Disposition spéciale
Art. 30. De inhouding op de wedde van de betrokken militair heeft geen gevolgen voor de bepaling van het bedrag van geldelijke voordelen die aan hem verschuldigd zijn in dezelfde mate als zijn wedde, noch voor de berekening van de tussentijdse verhogingen.
Art. 30. La retenue sur le traitement du militaire concernĂ© n'a aucune incidence sur la dĂ©termination du montant d'avantages pĂ©cuniaires qui lui sont dus dans la mĂȘme mesure que son traitement, ni sur le calcul des augmentations intercalaires.
HOOFDSTUK 7. - Wijzigings-, opheffings-, overgangs- en slotbepalingen
CHAPITRE 7. - Dispositions modificatives, abrogatoires, transitoires et finales
Afdeling 1. - Wijzigingsbepalingen
Section 1re. - Dispositions modificatives
Onderafdeling 1. - Wijziging van het koninklijk besluit van 7 april 1959 betreffende de stand en de bevordering van de beroepsofficieren
Sous-section 1re. - Modification de l'arrĂȘtĂ© royal du 7 avril 1959 relatif Ă  la position et Ă  l'avancement des officiers de carriĂšre
Art. 31. In hoofdstuk V van het koninklijk besluit van 7 april 1959 betreffende de stand en de bevordering van de beroepsofficieren wordt de afdeling 1, die de artikelen 22 en 23 bevat, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 november 2002, opgeheven.
Art. 31. Dans le chapitre V de l'arrĂȘtĂ© royal du 7 avril 1959 relatif Ă  la position et Ă  l'avancement des officiers de carriĂšre, la section 1re, comportant les articles 22 et 23, modifiĂ©s par l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002, est abrogĂ©e.
Art. 32. In hetzelfde besluit worden de volgende artikelen opgeheven :
1° artikel 24, vervangen bij het koninklijk besluit van 23 juni 2005;
2° artikel 25;
3° artikel 26, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 28 maart 1997 en 5 november 2002;
4° artikel 27, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 november 2002;
5° artikel 27bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 augustus 2010;
6° artikel 28, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 28 december 1960, 5 november 2002, 26 augustus 2010 en 4 maart 2012;
7° artikel 29, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 november 2002;
8° artikel 30, vervangen bij het koninklijk besluit van 23 juni 2005.
Art. 32. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, les articles suivants sont abrogĂ©s :
1° l'article 24, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 23 juin 2005;
2° l'article 25;
3° l'article 26, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 28 mars 1997 et 5 novembre 2002;
4° l'article 27, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002;
5° l'article 27bis, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 26 aoĂ»t 2010;
6° l'article 28, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 28 dĂ©cembre 1960, 5 novembre 2002, 26 aoĂ»t 2010 et 4 mars 2012;
7° l'article 29, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002;
8° l'article 30, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 23 juin 2005.
Art. 33. In artikel 30bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 19 september 1984, worden de woorden "23 van de wet van 1 maart 1958" vervangen door de woorden "57 van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de krijgsmacht".
Art. 33. Dans l'article 30bis du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 19 septembre 1984, les mots "23 de la loi du 1er mars 1958" sont remplacĂ©s par les mots "57 de la loi du 28 fĂ©vrier 2007 fixant le statut des militaires et candidats militaires du cadre actif des forces armĂ©es".
Art. 34. In artikel 30ter van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 10 januari 2001 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 5 november 2002 en 23 september 2004, worden de woorden "21, §§ 2 en 4, van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut van de beroepsofficieren van de krijgsmacht" vervangen door de woorden "52, § 4, van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de krijgsmacht".
Art. 34. Dans l'article 30ter du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 10 janvier 2001 et modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 5 novembre 2002 et 23 septembre 2004, les mots "21, §§ 2 et 4, de la loi du 1er mars 1958 relative au statut des officiers de carriĂšre des forces armĂ©es" sont remplacĂ©s par les mots "52, § 4, de la loi du 28 fĂ©vrier 2007 fixant le statut des militaires et candidats militaires du cadre actif des forces armĂ©es".
Art. 35. In hoofdstuk V van het hetzelfde besluit, wordt de afdeling 3, die artikel 31 bevat, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 17 oktober 1989 en 4 maart 2012, die artikel 31bis bevat, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 4 maart 2012, die artikel 32 bevat, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 28 maart 1997 en 5 november 2002, die artikel 33 bevat, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 augustus 2010, die de artikelen 34 en 35 bevat, die artikel 36 bevat, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 3 november 1964, 28 maart 1997 en 26 augustus 2010, die artikel 37 bevat, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 maart 2012, die de artikelen 38 tot 40 bevat, die artikel 41 bevat, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 november 2002, en die artikel 42 bevat, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 5 november 2002 en 23 juni 2005, opgeheven.
Art. 35. Dans le chapitre V du mĂȘme arrĂȘtĂ©, la section 3, comportant l'article 31, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 17 octobre 1989 et 4 mars 2012, l'article 31bis, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 4 mars 2012, comportant l'article 32, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 28 mars 1997 et 5 novembre 2002, comportant l'article 33, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 26 aoĂ»t 2010, comportant les articles 34 et 35, comportant l'article 36, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 3 novembre 1964, 28 mars 1997 et 26 aoĂ»t 2010, comportant l'article 37, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 4 mars 2012, comportant les articles 38 Ă  40, comportant l'article 41, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002, et comportant l'article 42, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 5 novembre 2002 et 23 juin 2005, est abrogĂ©e.
Art. 36. In hetzelfde besluit wordt hoofdstuk VI van hetzelfde besluit, die de artikelen 44 tot 47 bevat, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 november 2002, die de artikelen 48 en 49 bevat en die artikel 50 bevat, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 november 2002, opgeheven.
Art. 36. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, le chapitre VI, comportant les articles 44 Ă  47, modifiĂ©s par l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002, comportant les articles 48 et 49 et comportant l'article 50, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002, est abrogĂ©.
Onderafdeling 2. - Wijziging van het koninklijk besluit van 25 oktober 1963 betreffende het statuut van de onderofficieren van het actief kader van de krijgsmacht
Sous-section 2. - Modification de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 octobre 1963 relatif au statut des sous-officiers du cadre actif des forces armĂ©es
Art. 37. De artikelen 22 en 23 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1963 betreffende het statuut van de onderofficieren van het actief kader van de krijgsmacht, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 maart 2003, worden opgeheven.
Art. 37. Les articles 22 et 23 de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 octobre 1963 relatif au statut des sous-officiers du cadre actif des forces armĂ©es, modifiĂ©s par l'arrĂȘtĂ© royal du 27 mars 2003, sont abrogĂ©s.
Art. 38. In artikel 23bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 10 januari 2001 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 27 maart 2003 en 23 september 2004, worden de woorden "23 van de wet van 27 december 1961 houdende statuut van de onderofficieren van het actief kader van de krijgsmacht" vervangen door de woorden "52, § 4, van de wet van 28 februari 2007".
Art. 38. Dans l'article 23bis du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 10 janvier 2001 et modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 27 mars 2003 et 23 septembre 2004, les mots "23 de la loi du 27 dĂ©cembre 1961 portant statut des sous-officiers du cadre actif des forces armĂ©es" sont remplacĂ©s par les mots "52, § 4, de la loi du 28 fĂ©vrier 2007 ".
Art. 39. In hetzelfde besluit worden de volgende artikelen opgeheven :
1° artikel 24, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 juni 2005;
2° artikel 25, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 maart 1997;
3° artikel 26, vervangen bij het koninklijk besluit van 28 maart 1997 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 maart 2003;
4° artikel 27, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 maart 2003;
5° artikel 27bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 augustus 2010;
6° artikel 28, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 28 maart 1997, 27 maart 2003, 26 augustus 2010 en 4 maart 2012;
7° artikel 29, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 maart 2003;
8° artikel 30;
9° artikel 31, vervangen bij het koninklijk besluit van 23 juni 2005.
Art. 39. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, les articles suivants sont abrogĂ©s :
1° l'article 24, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 23 juin 2005;
2° l'article 25, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 28 mars 1997;
3° l'article 26, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 28 mars 1997 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 27 mars 2003;
4° l'article 27, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 27 mars 2003;
5° l'article 27bis, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 26 aoĂ»t 2010;
6° l'article 28, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 28 mars 1997, 27 mars 2003, 26 aoĂ»t 2010 et 4 mars 2012;
7° l'article 29, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 27 mars 2003;
8° l'article 30;
9° l'article 31, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 23 juin 2005.
Art. 40. In artikel 31bis van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 19 september 1984 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 maart 2003, worden de woorden "25 van de wet van 27 december 1961" vervangen door de woorden "57 van de wet van 28 februari 2007".
Art. 40. Dans l'article 31bis du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 19 septembre 1984 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 27 mars 2003, les mots "25 de la loi du 27 dĂ©cembre 1961" sont remplacĂ©s par les mots "57 de la loi 28 fĂ©vrier 2007 ".
Art. 41. In hoofdstuk V van het hetzelfde besluit, wordt de afdeling 3, die artikel 32 bevat, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 17 oktober 1989, 18 september 2000 en 4 maart 2012, die artikel 32bis bevat, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 4 maart 2012, die artikel 33 bevat, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 september 1966 en 27 maart 2003, die artikel 34 bevat, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 28 maart 1997 en 27 maart 2003, die de artikelen 35 en 36 bevat, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 augustus 2010, die de artikelen 37 en 38 bevat, die artikel 39 bevat, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 maart 2012, die de artikelen 40 tot 42 bevat, die artikel 43 bevat, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 maart 2003, die artikel 44 bevat, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 juni 2005, en die de artikelen 45 en 46 bevat, opgeheven.
Art. 41. Dans le chapitre V du mĂȘme arrĂȘtĂ©, la section 3, comportant l'article 32, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 17 octobre 1989, 18 septembre 2000 et 4 mars 2012, comportant l'article 32bis, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 4 mars 2012, comportant l'article 33, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 20 septembre 1966 et 27 mars 2003, comportant l'article 34, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 28 mars 1997 et 27 mars 2003, comportant les articles 35 et 36, modifiĂ©s par l'arrĂȘtĂ© royal du 26 aoĂ»t 2010, comportant les articles 37 et 38, comportant l'article 39, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 4 mars 2012, comportant les articles 40 Ă  42, l'article 43, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 27 mars 2003, comportant l'article 44, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 23 juin 2005, et comportant les articles 45 et 46, est abrogĂ©e.
Art. 42. In hetzelfde besluit wordt hoofdstuk VII, die de artikelen 51 tot 54 bevat, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 maart 2003, die de artikelen 55 en 56 bevat en die artikel 57 bevat, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 maart 2003, opgeheven.
Art. 42. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, le chapitre VII, comportant les articles 51 Ă  54, modifiĂ©s par l'arrĂȘtĂ© royal du 27 mars 2003, comportant les articles 55 et 56 et comportant l'article 57, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 27 mars 2003, est abrogĂ©.
Onderafdeling 3. - Wijziging van het koninklijk besluit van 11 juni 1974 betreffende het statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de krijgsmacht
Sous-section 3. - Modification de l'arrĂȘtĂ© royal du 11 juin 1974 relatif au statut des volontaires du cadre actif des forces armĂ©es
Art. 43. In hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 11 juni 1974 betreffende het statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de krijgsmacht wordt de afdeling 1, die de artikelen 2 en 3 bevat, gewijzigd door het koninklijk besluit van 23 juni 2005, opgeheven.
Art. 43. Dans le chapitre II de l'arrĂȘtĂ© royal du 11 juin 1974 relatif au statut des volontaires du cadre actif des forces armĂ©es, la section 1Ăšre, comportant les articles 2 et 3, modifiĂ©s par l'arrĂȘtĂ© royal du 23 juin 2005, est abrogĂ©e.
Art. 44. In artikel 4 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 10 januari 2001 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 juni 2005, worden de woorden "17 van de wet van 12 juli 1973 houdende statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst" vervangen door de woorden "52, § 4, van de wet van 28 februari 2007".
Art. 44. Dans l'article 4 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 10 janvier 2001 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 23 juin 2005, les mots "17 de la loi du 12 juillet 1973 portant statut des volontaires du cadre actif des forces terrestre, aĂ©rienne et navale et du service mĂ©dical" sont remplacĂ©s par les mots "52, § 4, de la loi du 28 fĂ©vrier 2007".
Art. 45. In hetzelfde besluit worden de volgende artikelen opgeheven :
1° artikel 5, vervangen bij het koninklijk besluit van 23 juni 2005;
2° artikel 6, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 maart 1997;
3° artikel 7, vervangen bij het koninklijk besluit van 28 maart 1997 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 juni 2005;
4° artikel 8, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 juni 2005;
5° artikel 8bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 augustus 2010;
6° artikel 9, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 28 maart 1997, 11 augustus 1994, 26 augustus 2010, 23 juni 2005 en 4 maart 2012;
7° artikel 10, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 juni 2005;
8° de artikelen 11 en 12.
Art. 45. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© sont abrogĂ©s :
1° l'article 5, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 23 juin 2005;
2° l'article 6, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 28 mars 1997;
3° l'article 7, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 28 mars 1997 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 23 juin 2005;
4° l'article 8, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 23 juin 2005;
5° l'article 8bis, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 26 aoĂ»t 2010;
6° l'article 9, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 28 mars 1997, 11 aoĂ»t 1994, 26 aoĂ»t 2010, 23 juin 2005 et 4 mars 2012;
7° l'article 10, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 23 juin 2005;
8° les articles 11 et 12.
Art. 46. In artikel 12bis van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 19 september 1984 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 juni 2005, worden de woorden "18bis van de wet van 12 juli 1973" vervangen door de woorden "57 van de wet van 28 februari 2007".
Art. 46. Dans l'article 12bis du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 19 septembre 1984 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 23 juin 2005, les mots "18bis de la loi du 12 juillet 1973" sont remplacĂ©s par les mots "57 de la loi du 28 fĂ©vrier 2007 ".
Art. 47. In hoofdstuk II van het hetzelfde besluit, wordt de afdeling 3, die artikel 13 bevat, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 17 oktober 1989, 11 augustus 1994, 28 maart 1997 en 4 maart 2012, die artikel 13bis bevat, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 4 maart 2012, die artikel 14 bevat, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 juni 2005, die artikel 15 bevat, die de artikelen 16 en 17 bevat, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 augustus 2010, die de artikelen 18 en 19 bevat, die artikel 20 bevat, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 maart 2012, die de artikelen 21 tot 23 bevat, die artikel 24 bevat, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 juni 2005, die artikel 25 bevat, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 24 september 1977 en 23 juni 2005, en die de artikelen 26 en 27 bevat, opgeheven.
Art. 47. Dans le chapitre II du mĂȘme arrĂȘtĂ©, la section 3, comportant l'article 13, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 17 octobre 1989, 11 aoĂ»t 1994, 28 mars 1997 et 4 mars 2012, comportant l'article 13bis, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 4 mars 2012, comportant l'article 14, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 23 juin 2005, comportant l'article 15, comportant les articles 16 et 17, modifiĂ©s par l'arrĂȘtĂ© royal du 26 aoĂ»t 2010, comportant les articles 18 et 19, l'article 20, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 4 mars 2012, comportant les articles 21 Ă  23, l'article 24, modifiĂ©s par l'arrĂȘtĂ© royal du 23 juin 2005, comportant l'article 25, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux du 24 septembre 1977 et 23 juin 2005, et comportant les articles 26 et 27, est abrogĂ©e.
Art. 48. In hetzelfde besluit wordt hoofdstuk III van het hetzelfde besluit, die de artikelen 30 tot 33 bevat, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 juni 2005, die de artikelen 34 en 35 bevat en die artikel 36 bevat, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 juni 2005, opgeheven.
Art. 48. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, le chapitre III, comportant les articles 30 Ă  33, modifiĂ©s par l'arrĂȘtĂ© royal du 23 juin 2005, comportant les articles 34 et 35 et comportant l'article 36, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 23 juin 2005, est abrogĂ©.
Afdeling 2. - Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen
Section 2. - Dispositions abrogatoires, transitoires et finales
Art. 49. Worden opgeheven :
1° het koninklijk besluit van 30 december 1959 betreffende de militaire tucht, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 februari 1972, de wet van 14 januari 1975 en de koninklijke besluiten van 25 april 1979, 30 april 1980 en 11 augustus 1994;
2° het koninklijk besluit van 25 november 2007 tot vaststelling van de procedure betreffende de statutaire maatregelen toepasselijk op de militairen van het actief kader, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 6 december 2012.
Art. 49. Sont abrogés :
1° l'arrĂȘtĂ© royal du 30 dĂ©cembre 1959 relatif Ă  la discipline militaire, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 4 fĂ©vrier 1972, la loi du 14 janvier 1975 et les arrĂȘtĂ©s royaux des 25 avril 1979, 30 avril 1980 et 11 aoĂ»t 1994;
2° l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 2007 fixant la procĂ©dure relative aux mesures statutaires applicables aux militaires du cadre actif, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 6 dĂ©cembre 2012.
Art. 50. De procedures betreffende de tijdelijke ambtsontheffing bij tuchtmaatregel en de definitieve ambtsontheffing die vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit werden ingezet, worden onderworpen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die van toepassing waren de dag vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 50. Les procĂ©dures relatives au retrait temporaire d'emploi par mesure disciplinaire et au retrait dĂ©finitif d'emploi entamĂ©es avant l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, sont soumises aux dispositions lĂ©gislatives et rĂ©glementaires qui Ă©taient d'application Ă  la veille de la mise en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 51. Voor de onwettige afwezigheden die vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit zijn begonnen, vangt de termijn van eenentwintig dagen bedoeld in artikel 59, eerste lid, van de wet, aan op de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 51. Pour les absences illĂ©gales qui ont dĂ©butĂ© avant la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, le dĂ©lai de vingt et un jours visĂ© Ă  l'article 59, alinĂ©a 1er, de la loi, dĂ©bute Ă  la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 52. Op 31 december 2013 treden in werking :
1° de artikelen 54 tot 60, en 189 van de wet;
2° dit besluit.
Art. 52. Entrent en vigueur le 31 décembre 2013 :
1° les articles 54 à 60, et 189 de la loi;
2° le prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 53. De minister bevoegd voor Landsverdediging is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 53. Le ministre qui a la DĂ©fense dans ses attributions est chargĂ© de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.