Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
19 JULI 2013. - Koninklijk besluit tot vaststelling van het organiek reglement van de Federale Overheidsdienst Financiën en van de bijzondere bepalingen die van toepassing zijn op het statutair personeel(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 02-08-2013 en tekstbijwerking tot 30-09-2020)
Titre
19 JUILLET 2013. - Arrêté royal fixant le règlement organique du Service public fédéral Finances ainsi que les dispositions particulières applicables aux agents statutaires(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 02-08-2013 et mise à jour au 30-09-2020)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
TITEL 1. - Inleidende bepaling en definities
TITEL 2. - Algemene organisatie van de Federale...
HOOFDSTUK 1. - Organisatiestructuur van de Fede...
Afdeling 1. - De operationele diensten
Onderafdeling 1. - De algemene administraties e...
Onderafdeling 2. - De horizontale diensten op h...
Onderafdeling 3. - De administraties van de Alg...
Onderafdeling 4. - De administraties van de Alg...
Onderafdeling 4/1. [2 - De administraties van d...
Onderafdeling 5. - De administraties van de Alg...
Onderafdeling 6.
Onderafdeling 7.
Afdeling 2. - De diensten andere dan operationele
Onderafdeling 1. - De stafdiensten op het nivea...
Onderafdeling 2. - De horizontale diensten op h...
Onderafdeling 3. - Andere diensten op het nivea...
Onderafdeling 4. - [1 De Autonome diensten op h...
Onderafdeling 5. - [1 Autonome dienst op het ni...
Art. 13/1. [1 De Administrateur-generaal van de...
HOOFDSTUK 2. - De samenstelling van het Directi...
HOOFDSTUK 3. - De beheerscomités
TITEL 3. - Bepalingen betreffende het personeel
HOOFDSTUK 1. - Bevorderingen, veranderingen van...
HOOFDSTUK 2. - Vergelijkende selectie voor over...
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 2. - De vergelijkende selectie voor ov...
Afdeling 3. - De proef over de beroepsbekwaamhe...
Afdeling 4. - Gemeenschappelijke bepalingen bet...
Afdeling 5. - Gemeenschappelijke bepalingen bet...
HOOFDSTUK 3.
HOOFDSTUK 4. - Bijzondere bepalingen met betrek...
HOOFDSTUK 5. - Rangschikking van de kandidaten ...
HOOFDSTUK 6. - Bijzondere bepalingen betreffend...
HOOFDSTUK 7.
HOOFDSTUK 8. - Diverse bepalingen
TITEL 4. - Overgangsbepalingen
TITEL 5. - Opheffings- en slotbepalingen
BIJLAGE.
Inhoud
TITRE 1er. - Disposition introductive et défini...
TITRE 2. - Organisation générale du Service pub...
CHAPITRE 1er. - Structure de l'organisation du ...
Section 1re. - Les services opérationnels
Sous-section 1re. - Les administrations général...
Sous-section 2. - Les services horizontaux au n...
Sous-section 3. - Les administrations de l'Admi...
Sous-section 4. - Les administrations de l'Admi...
Sous-section 4/1. [2 - Les administrations de l...
Sous-section 5. - Les administrations de l'Admi...
Sous-section 6.
Sous-section 7.
Section 2. - Les services autres qu'opérationnels
Sous-section 1re. - Les services d'encadrement ...
Sous-section 2. - Les services horizontaux au n...
Sous-section 3. - Autres services au niveau du ...
Sous-section 4. - [1 Les services autonomes au ...
Sous-section 5. - [1 Service autonome au niveau...
CHAPITRE 2. - La composition du Comité de direc...
CHAPITRE 3. - Les comités de gestion
TITRE 3. - Dispositions concernant le personnel
CHAPITRE 1er. - Promotions, changements de grad...
CHAPITRE 2. - Sélection comparative d'accession...
Section 1re. - Dispositions générales
Section 2. - Les sélections comparatives [1 à u...
Section 3. - Les épreuves de qualification prof...
Section 4. - Dispositions communes relatives à ...
Section 5. - Dispositions communes relatives à ...
CHAPITRE 3.
CHAPITRE 4. - Dispositions particulières relati...
CHAPITRE 5. - Classement des candidats pour la ...
CHAPITRE 6. - Dispositions particulières relati...
CHAPITRE 7.
CHAPITRE 8. - Dispositions diverses
TITRE 4. - Dispositions transitoires
TITRE 5. - Dispositions abrogatoires et finales
ANNEXE.
Tekst (107)
Texte (107)
TITEL 1. - Inleidende bepaling en definities
TITRE 1er. - Disposition introductive et définitions
Artikel 1. De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op de erin vermelde diensten en hun personeelsleden.
Article 1er. Les dispositions du présent arrêté sont d'application aux services qui y sont mentionnés et à leurs membres du personnel.
Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder :
1° loopbaanexamens : de proeven voor overgang naar het niveau A, de vergelijkende selecties voor overgang naar het hogere niveau, de selecties voor verhoging in graad, de proeven over de beroepsbekwaamheid en de hieraan voorafgaande proeven, de vergelijkende selectie voor overgang naar een functie A2 van de cartografie en de hieraan voorafgaande proeven, de selecties voor verhoging in weddeschaal en de proeven tot toekenning van brevetten;
2° [3 entiteit: elke algemene administratie, elke stafdienst, de diensten bedoeld in de artikelen 12, 4° tot 13°, en 13/1, en de dienst Fedorest, administratieve dienst met boekhoudkundige autonomie;]3
3° geaffecteerd : hetzij benoemd, hetzij aangewezen voor een dienst of gemuteerd in de zin van artikel 49 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel;
4° mutatie : de mutatie en de dienstaanwijzing in de zin van artikel 49 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel;
5° algemene fiscale administraties : de algemene administraties bedoeld in artikel 3, 1° tot 5° ;
6° fiscale materie : de materies vermeld in de artikelen 2 tot 6 van het koninklijk besluit van 3 december 2009 houdende regeling van de operationele diensten van de Federale Overheidsdienst Financiën;
[2 7° activiteitsgebied: opdracht(en) van de Federale Overheidsdienst Financiën bedoeld in het bovenvermeld koninklijk besluit van 3 december 2009.]2
1° loopbaanexamens : de proeven voor overgang naar het niveau A, de vergelijkende selecties voor overgang naar het hogere niveau, de selecties voor verhoging in graad, de proeven over de beroepsbekwaamheid en de hieraan voorafgaande proeven, de vergelijkende selectie voor overgang naar een functie A2 van de cartografie en de hieraan voorafgaande proeven, de selecties voor verhoging in weddeschaal en de proeven tot toekenning van brevetten;
2° [3 entiteit: elke algemene administratie, elke stafdienst, de diensten bedoeld in de artikelen 12, 4° tot 13°, en 13/1, en de dienst Fedorest, administratieve dienst met boekhoudkundige autonomie;]3
3° geaffecteerd : hetzij benoemd, hetzij aangewezen voor een dienst of gemuteerd in de zin van artikel 49 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel;
4° mutatie : de mutatie en de dienstaanwijzing in de zin van artikel 49 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel;
5° algemene fiscale administraties : de algemene administraties bedoeld in artikel 3, 1° tot 5° ;
6° fiscale materie : de materies vermeld in de artikelen 2 tot 6 van het koninklijk besluit van 3 december 2009 houdende regeling van de operationele diensten van de Federale Overheidsdienst Financiën;
[2 7° activiteitsgebied: opdracht(en) van de Federale Overheidsdienst Financiën bedoeld in het bovenvermeld koninklijk besluit van 3 december 2009.]2
Art. 2. Pour l'application du présent arrêté, l'on entend par :
1° examens de carrière : les épreuves d'accession au niveau A, les sélections comparatives d'accession au niveau supérieur, les sélections d'avancement de grade, les épreuves de qualification professionnelle et ses épreuves préalables, la sélection comparative d'accession à une fonction A2 de la cartographie et ses épreuves préalables, les sélections d'avancement barémique et les épreuves pour l'octroi de brevets;
2° [3 entité : chaque administration générale, chaque service d'encadrement, les services visés aux articles 12, 4° à 13, et 13/1, et le service Fedorest, service administratif à comptabilité autonome;]3
3° affectés : soit nommés, soit désignés pour un service ou mutés au sens de l'article 49 de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat;
4° mutation : la mutation et l'affectation au sens de l'article 49 de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat;
5° administrations générales fiscales : les administrations générales visées à l'article 3, 1° à 5° ;
6° matière fiscale : les matières mentionnées aux articles 2 à 6 de l'arrêté royal du 3 décembre 2009 organique des services opérationnels du Service public fédéral Finances;
[2 7° domaine d'activité : mission(s) du Service public fédéral Finances visée(s) dans l'arrêté royal du 3 décembre 2009 susmentionné.]2
1° examens de carrière : les épreuves d'accession au niveau A, les sélections comparatives d'accession au niveau supérieur, les sélections d'avancement de grade, les épreuves de qualification professionnelle et ses épreuves préalables, la sélection comparative d'accession à une fonction A2 de la cartographie et ses épreuves préalables, les sélections d'avancement barémique et les épreuves pour l'octroi de brevets;
2° [3 entité : chaque administration générale, chaque service d'encadrement, les services visés aux articles 12, 4° à 13, et 13/1, et le service Fedorest, service administratif à comptabilité autonome;]3
3° affectés : soit nommés, soit désignés pour un service ou mutés au sens de l'article 49 de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat;
4° mutation : la mutation et l'affectation au sens de l'article 49 de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat;
5° administrations générales fiscales : les administrations générales visées à l'article 3, 1° à 5° ;
6° matière fiscale : les matières mentionnées aux articles 2 à 6 de l'arrêté royal du 3 décembre 2009 organique des services opérationnels du Service public fédéral Finances;
[2 7° domaine d'activité : mission(s) du Service public fédéral Finances visée(s) dans l'arrêté royal du 3 décembre 2009 susmentionné.]2
TITEL 2. - Algemene organisatie van de Federale Overheidsdienst Financiën
TITRE 2. - Organisation générale du Service public fédéral Finances
HOOFDSTUK 1. - Organisatiestructuur van de Federale Overheidsdienst Financiën
CHAPITRE 1er. - Structure de l'organisation du Service public fédéral Finances
Afdeling 1. - De operationele diensten
Section 1re. - Les services opérationnels
Onderafdeling 1. - De algemene administraties en hun leiding
Sous-section 1re. - Les administrations générales et leur direction
Art. 3. De Federale overheidsdienst Financiën bevat de volgende algemene administraties :
1° de Algemene Administratie van de Fiscaliteit;
2° de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen;
3° de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering;
4° de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie;
5° de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie;
6° de Algemene Administratie van de Thesaurie;
[1 7° de Algemene Administratie voor Beleidsexpertise en -ondersteuning.]1
Elk van deze algemene administraties wordt onder de verantwoordelijkheid geplaatst van een houder van een managementfunctie -1, die de titel draagt van administrateur-generaal.
1° de Algemene Administratie van de Fiscaliteit;
2° de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen;
3° de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering;
4° de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie;
5° de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie;
6° de Algemene Administratie van de Thesaurie;
[1 7° de Algemene Administratie voor Beleidsexpertise en -ondersteuning.]1
Elk van deze algemene administraties wordt onder de verantwoordelijkheid geplaatst van een houder van een managementfunctie -1, die de titel draagt van administrateur-generaal.
Art. 3. Le Service public fédéral Finances comprend les administrations générales suivantes :
1° l'Administration générale de la fiscalité;
2° l'Administration générale des douanes et accises;
3° l'Administration générale de la perception et du recouvrement;
4° l'Administration générale de l'inspection spéciale des impôts;
5° l'Administration générale de la documentation patrimoniale;
6° l'Administration générale de la trésorerie;
[1 7° l'Administration générale expertise et support stratégiques.]1
Chacune de ces administrations générales est placée sous la responsabilité d'un titulaire d'une fonction de management -1, qui porte le titre d'administrateur général.
1° l'Administration générale de la fiscalité;
2° l'Administration générale des douanes et accises;
3° l'Administration générale de la perception et du recouvrement;
4° l'Administration générale de l'inspection spéciale des impôts;
5° l'Administration générale de la documentation patrimoniale;
6° l'Administration générale de la trésorerie;
[1 7° l'Administration générale expertise et support stratégiques.]1
Chacune de ces administrations générales est placée sous la responsabilité d'un titulaire d'une fonction de management -1, qui porte le titre d'administrateur général.
Wijzigingen
Onderafdeling 2. - De horizontale diensten op het niveau van de administrateurs-generaal
Sous-section 2. - Les services horizontaux au niveau des administrateurs généraux
Art. 4. De algemene administraties bevatten, op het niveau van de administrateurs-generaal, de volgende diensten :
1° de Dienst voor Operationele Expertise en Ondersteuning;
2° de Dienst voor Operationele Coördinatie en Communicatie;
3° de Dienst van de Administrateur-generaal.
[1 In afwijking van het eerste lid, bevat de Algemene Administratie voor Beleidsexpertise en -ondersteuning niet de Dienst voor Operationele Expertise en Ondersteuning.]1
1° de Dienst voor Operationele Expertise en Ondersteuning;
2° de Dienst voor Operationele Coördinatie en Communicatie;
3° de Dienst van de Administrateur-generaal.
[1 In afwijking van het eerste lid, bevat de Algemene Administratie voor Beleidsexpertise en -ondersteuning niet de Dienst voor Operationele Expertise en Ondersteuning.]1
Art. 4. Les administrations générales comprennent, au niveau des administrateurs généraux, les services suivants :
1° le Service expertise opérationnelle et support;
2° le Service coordination opérationnelle et communication;
3° le Service de l'Administrateur général.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, l'Administration générale expertise et support stratégiques ne comprend pas le Service expertise opérationnelle et support.]1
1° le Service expertise opérationnelle et support;
2° le Service coordination opérationnelle et communication;
3° le Service de l'Administrateur général.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, l'Administration générale expertise et support stratégiques ne comprend pas le Service expertise opérationnelle et support.]1
Wijzigingen
Onderafdeling 3. - De administraties van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit en hun leiding
Sous-section 3. - Les administrations de l'Administration générale de la fiscalité et leur direction
Art. 5. De Algemene Administratie van de Fiscaliteit bevat de volgende administraties :
1° de Administratie Particulieren;
2° de Administratie Kleine en Middelgrote Ondernemingen;
3° de Administratie Grote Ondernemingen.
Elk van deze administraties wordt onder de verantwoordelijkheid geplaatst van een houder van een managementfunctie -2, die de titel draagt van administrateur.
1° de Administratie Particulieren;
2° de Administratie Kleine en Middelgrote Ondernemingen;
3° de Administratie Grote Ondernemingen.
Elk van deze administraties wordt onder de verantwoordelijkheid geplaatst van een houder van een managementfunctie -2, die de titel draagt van administrateur.
Art. 5. L'Administration générale de la fiscalité se compose des administrations suivantes :
1° l'Administration Particuliers;
2° l'Administration Petites et moyennes Entreprises;
3° l'Administration Grandes Entreprises.
Chacune de ces administrations est placée sous la responsabilité d'un titulaire d'une fonction de management -2 qui porte le titre d'administrateur.
1° l'Administration Particuliers;
2° l'Administration Petites et moyennes Entreprises;
3° l'Administration Grandes Entreprises.
Chacune de ces administrations est placée sous la responsabilité d'un titulaire d'une fonction de management -2 qui porte le titre d'administrateur.
Onderafdeling 4. - De administraties van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen en hun leiding
Sous-section 4. - Les administrations de l'Administration générale des douanes et accises et leur direction
Art. 6. [1 De Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen bevat de volgende administraties:
1° de Administratie Operaties;
2° de Administratie Opsporing.]1
Elk van deze administraties wordt onder de verantwoordelijkheid geplaatst van een houder van een managementfunctie -2, die de titel draagt van administrateur.
1° de Administratie Operaties;
2° de Administratie Opsporing.]1
Elk van deze administraties wordt onder de verantwoordelijkheid geplaatst van een houder van een managementfunctie -2, die de titel draagt van administrateur.
Art. 6. [1 L'administration générale des douanes et accises se compose des administrations suivantes :
1° l'Administration Opérations ;
2° l'Administration Recherche.]1
Chacune de ces administrations est placée sous la responsabilité d'un titulaire d'une fonction de management -2 qui porte le titre d'administrateur.
1° l'Administration Opérations ;
2° l'Administration Recherche.]1
Chacune de ces administrations est placée sous la responsabilité d'un titulaire d'une fonction de management -2 qui porte le titre d'administrateur.
Wijzigingen
Onderafdeling 4/1. [2 - De administraties van de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering en hun leiding]2
Sous-section 4/1. [2 - Les administrations de l'Administration générale de la perception et du recouvrement et leur direction]2
Art. 6/1. [2 De Algemene Administratie van de Inning en de Invordering bevat de volgende administraties:
1° de Administratie Inning;
2° de Administratie Invordering;
3° de Administratie Niet-Fiscale Invordering.
Elk van deze administraties wordt onder de verantwoordelijkheid geplaatst van een houder van een managementfunctie -2, die de titel draagt van administrateur.]2
1° de Administratie Inning;
2° de Administratie Invordering;
3° de Administratie Niet-Fiscale Invordering.
Elk van deze administraties wordt onder de verantwoordelijkheid geplaatst van een houder van een managementfunctie -2, die de titel draagt van administrateur.]2
Art.6/1.[2 L'Administration générale de la perception et du recouvrement se compose des administrations suivantes :
1° l'Administration Perception ;
2° l'Administration Recouvrement ;
3° L'Administration Recouvrement non-fiscal.
Chacune de ces administrations est placée sous la responsabilité d'un titulaire d'une fonction de management -2 qui porte le titre d'administrateur.]2
1° l'Administration Perception ;
2° l'Administration Recouvrement ;
3° L'Administration Recouvrement non-fiscal.
Chacune de ces administrations est placée sous la responsabilité d'un titulaire d'une fonction de management -2 qui porte le titre d'administrateur.]2
Onderafdeling 5. - De administraties van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie en hun leiding
Sous-section 5. - Les administrations de l'Administration générale de la documentation patrimoniale et leur direction
Art. 7. De Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie bevat de volgende administraties :
1° de Administratie van de Patrimoniumdiensten;
2° de Administratie Opmetingen en Waarderingen;
3° de Administratie Informatieverzameling en -uitwisseling;
4° de Administratie Rechtszekerheid;
5° [1 ...]1
Elk van deze administraties wordt onder de verantwoordelijkheid geplaatst van een houder van een managementfunctie -2, die de titel draagt van administrateur.
1° de Administratie van de Patrimoniumdiensten;
2° de Administratie Opmetingen en Waarderingen;
3° de Administratie Informatieverzameling en -uitwisseling;
4° de Administratie Rechtszekerheid;
5° [1 ...]1
Elk van deze administraties wordt onder de verantwoordelijkheid geplaatst van een houder van een managementfunctie -2, die de titel draagt van administrateur.
Art. 7. L'Administration générale de la documentation patrimoniale se compose des administrations suivantes :
1° l'Administration des Services patrimoniaux;
2° l'Administration Mesures et Evaluations;
3° l'Administration Collecte et Echange d'informations;
4° l'Administration Sécurité juridique;
5° [1 ...]1
Chacune de ces administrations est placée sous la responsabilité d'un titulaire d'une fonction de management -2 qui porte le titre d'administrateur.
1° l'Administration des Services patrimoniaux;
2° l'Administration Mesures et Evaluations;
3° l'Administration Collecte et Echange d'informations;
4° l'Administration Sécurité juridique;
5° [1 ...]1
Chacune de ces administrations est placée sous la responsabilité d'un titulaire d'une fonction de management -2 qui porte le titre d'administrateur.
Wijzigingen
Onderafdeling 6.
Sous-section 6.
Onderafdeling 7.
Sous-section 7.
Afdeling 2. - De diensten andere dan operationele
Section 2. - Les services autres qu'opérationnels
Onderafdeling 1. - De stafdiensten op het niveau van de Voorzitter van het directiecomité en hun leiding
Sous-section 1re. - Les services d'encadrement au niveau du Président du comité de direction et leur direction
Art. 10. De Federale Overheidsdienst Financiën bevat, op het niveau van de Voorzitter van het directiecomité, de volgende stafdiensten :
1° [1 ...]1
2° de stafdienst Personeel en Organisatie;
3° de stafdienst Begroting en Beheerscontrole;
4° de stafdienst Informatie- en Communicatietechnologie;
5° [1 ...]1
Elk van deze stafdiensten wordt onder de verantwoordelijkheid geplaatst van een houder van een staffunctie -1, die de titel draagt van directeur.
1° [1 ...]1
2° de stafdienst Personeel en Organisatie;
3° de stafdienst Begroting en Beheerscontrole;
4° de stafdienst Informatie- en Communicatietechnologie;
5° [1 ...]1
Elk van deze stafdiensten wordt onder de verantwoordelijkheid geplaatst van een houder van een staffunctie -1, die de titel draagt van directeur.
Art. 10. Le Service public fédéral Finances comprend, au niveau du Président du comité de direction, les services d'encadrement suivants :
1° [1 ...]1
2° le Service d'encadrement Personnel et Organisation;
3° le Service d'encadrement Budget et Contrôle de la Gestion;
4° le Service d'encadrement Technologie de l'Information et de la Communication;
5° [1 ...]1
Chacun de ces services d'encadrement est placé sous la responsabilité d'un titulaire d'une fonction d'encadrement -1 qui porte le titre de directeur.
1° [1 ...]1
2° le Service d'encadrement Personnel et Organisation;
3° le Service d'encadrement Budget et Contrôle de la Gestion;
4° le Service d'encadrement Technologie de l'Information et de la Communication;
5° [1 ...]1
Chacun de ces services d'encadrement est placé sous la responsabilité d'un titulaire d'une fonction d'encadrement -1 qui porte le titre de directeur.
Wijzigingen
Onderafdeling 2. - De horizontale diensten op het niveau van de directeurs van de stafdiensten
Sous-section 2. - Les services horizontaux au niveau des directeurs des services d'encadrement
Art. 11. De stafdiensten bevatten op het niveau van de directeurs van deze diensten, de volgende diensten :
1° de Dienst voor Operationele Coördinatie en Communicatie;
2° de Dienst van de Directeur van de stafdienst.
1° de Dienst voor Operationele Coördinatie en Communicatie;
2° de Dienst van de Directeur van de stafdienst.
Art. 11. Les [1 services d'encadrement]1 comprennent, au niveau des directeurs desdits services, les services suivants :
1° le Service coordination opérationnelle et communication;
2° le Service du Directeur du Service d'encadrement.
1° le Service coordination opérationnelle et communication;
2° le Service du Directeur du Service d'encadrement.
Wijzigingen
Onderafdeling 3. - Andere diensten op het niveau van de Voorzitter van het directiecomité
Sous-section 3. - Autres services au niveau du Président du Comité de direction
Art. 12. De volgende diensten bevinden zich op het niveau van de Voorzitter van het directiecomité :
1° [1 ...]1
2° de Waarnemingspost voor de gewestelijke fiscaliteit;
3° [1 ...]1
4° de Centrale Rechtskundige Dienst;
5° de Dienst van de Voorzitter van het directiecomité;
6° de Dienst " Multikanaal dienstverlening ";
7° de Dienst voor Duurzame Ontwikkeling;
8° de Dienst voor Informatieveiligheid en Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer;
9° [2 ...]2
10° de Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk;
[1 11° de Dienst Strategische Coördinatie en Communicatie;
12° de Dienst Integriteit;
13° de Vertaaldienst.]1
1° [1 ...]1
2° de Waarnemingspost voor de gewestelijke fiscaliteit;
3° [1 ...]1
4° de Centrale Rechtskundige Dienst;
5° de Dienst van de Voorzitter van het directiecomité;
6° de Dienst " Multikanaal dienstverlening ";
7° de Dienst voor Duurzame Ontwikkeling;
8° de Dienst voor Informatieveiligheid en Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer;
9° [2 ...]2
10° de Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk;
[1 11° de Dienst Strategische Coördinatie en Communicatie;
12° de Dienst Integriteit;
13° de Vertaaldienst.]1
Art. 12. Les services suivants se situent au niveau du Président du Comité de direction :
1° [1 ...]1
2° l'Observatoire de la fiscalité régionale;
3° [1 ...]1
4° le Service juridique central;
5° le Service du Président du comité de direction;
6° le Service Prestation de services multi-canaux;
7° le Service pour le développement durable;
8° le Service de Sécurité de l'Information et de Protection de la vie privée;
9° [2 ...]2
10° Le Service interne pour la Prévention et la Protection au Travail;
[1 11° le Service Coordination Stratégique et Communication ;
12° le Service Intégrité ;
13° le Service traduction.]1
1° [1 ...]1
2° l'Observatoire de la fiscalité régionale;
3° [1 ...]1
4° le Service juridique central;
5° le Service du Président du comité de direction;
6° le Service Prestation de services multi-canaux;
7° le Service pour le développement durable;
8° le Service de Sécurité de l'Information et de Protection de la vie privée;
9° [2 ...]2
10° Le Service interne pour la Prévention et la Protection au Travail;
[1 11° le Service Coordination Stratégique et Communication ;
12° le Service Intégrité ;
13° le Service traduction.]1
Onderafdeling 4. - [1 De Autonome diensten op het niveau van de Voorzitter van het directiecomité]1
Sous-section 4. - [1 Les services autonomes au niveau du Président du comité de direction]1
Art. 13. [1 Op het niveau van de Voorzitter bevinden zich]1 de volgende autonome diensten :
1° de Dienst van de voorafgaande beslissingen in fiscale zaken;
2° de Fiscale bemiddelingsdienst.
1° de Dienst van de voorafgaande beslissingen in fiscale zaken;
2° de Fiscale bemiddelingsdienst.
Art. 13. [1 Au niveau du Président se trouvent]1 les services autonomes suivants :
1° le Service des décisions anticipées en matière fiscale;
2° le Service de conciliation fiscale.
1° le Service des décisions anticipées en matière fiscale;
2° le Service de conciliation fiscale.
Wijzigingen
Onderafdeling 5. - [1 Autonome dienst op het niveau van de Administrateur-generaal van de Bijzondere Belastinginspectie]1
Sous-section 5. - [1 Service autonome au niveau de l'Administrateur général de l'inspection spéciale des impôts]1
Art. 13/1. [1 De Administrateur-generaal van de Bijzondere Belastinginspectie oefent het gezag uit over de dienst Coördinatie Anti-Fraude. ]1
Art. 13/1. [1 L'Administrateur général de l'inspection spéciale des impôts exerce l'autorité sur le service Coordination Anti-Fraude.]1
HOOFDSTUK 2. - De samenstelling van het Directiecomité
CHAPITRE 2. - La composition du Comité de direction
Art. 14. Voor de toepassing van artikel 4 van het koninklijk besluit van 7 november 2000 houdende oprichting en samenstelling van de organen die gemeenschappelijk zijn aan iedere federale overheidsdienst, zijn de administrateurs-generaal van de algemene administraties, bedoeld in artikel 3, de hoofden van de operationele diensten bij de Federale Overheidsdienst Financiën.
Art. 14. Pour l'application de l'article 4 de l'arrêté royal du 7 novembre 2000 portant création et composition des organes communs à chaque service public fédéral, les administrateurs généraux des administrations générales visées à l'article 3 sont les responsables des services opérationnels au Service public fédéral Finances.
HOOFDSTUK 3. - De beheerscomités
CHAPITRE 3. - Les comités de gestion
Art. 15. [1 Er wordt een beheerscomité opgericht:
1° dat bevoegd is voor het geheel van de diensten vermeld in artikel 12;
2° in elk van de algemene administraties en de stafdiensten.]1
1° dat bevoegd is voor het geheel van de diensten vermeld in artikel 12;
2° in elk van de algemene administraties en de stafdiensten.]1
Art. 15. [1 Il est créé un comité de gestion :
1° qui est compétent pour l'ensemble des services mentionnés à l'article 12 ;
2° dans chaque administration générale et dans chacun des services d'encadrement.]1
1° qui est compétent pour l'ensemble des services mentionnés à l'article 12 ;
2° dans chaque administration générale et dans chacun des services d'encadrement.]1
Wijzigingen
Art. 16. § 1. [1 De beheerscomités zijn samengesteld uit de volgende leden:
1° de administrateur-generaal of de directeur van de stafdienst die de leiding heeft over de algemene administratie of de stafdienst waartoe het beheerscomité behoort, Voorzitter;
2° de houders van een managementfunctie -2 binnen de algemene administratie waartoe het beheerscomité behoort;
3° elke ambtenaar van niveau A aangewezen door de Voorzitter van het directiecomité na advies van het Directiecomité.]1
§ 2. De voorzitter van het beheerscomité kan deskundigen uitnodigen van wie hij de aanwezigheid noodzakelijk acht, deze zijn echter niet stemgerechtigd.
§ 3. [1 ...]1
§ 4. De voorzitter van het beheerscomité duidt de leden van het secretariaat aan.
§ 5. De beheerscomités zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van de wet van 20 juli 1990 ter bevordering van de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen in organen met een adviserende bevoegdheid.
1° de administrateur-generaal of de directeur van de stafdienst die de leiding heeft over de algemene administratie of de stafdienst waartoe het beheerscomité behoort, Voorzitter;
2° de houders van een managementfunctie -2 binnen de algemene administratie waartoe het beheerscomité behoort;
3° elke ambtenaar van niveau A aangewezen door de Voorzitter van het directiecomité na advies van het Directiecomité.]1
§ 2. De voorzitter van het beheerscomité kan deskundigen uitnodigen van wie hij de aanwezigheid noodzakelijk acht, deze zijn echter niet stemgerechtigd.
§ 3. [1 ...]1
§ 4. De voorzitter van het beheerscomité duidt de leden van het secretariaat aan.
§ 5. De beheerscomités zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van de wet van 20 juli 1990 ter bevordering van de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen in organen met een adviserende bevoegdheid.
Art. 16. § 1er. [1 Les comités de gestion sont composés des membres suivants :
1° l'administrateur général ou le directeur du service d'encadrement qui dirige l'administration générale ou le service d'encadrement dont le comité de gestion relève, Président ;
2° les titulaires d'une fonction de management -2 au sein de l'administration générale dont le comité de gestion relève ;
3° tout agent de niveau A désigné par le Président du comité de direction, après avis du Comité de direction.]1
§ 2. Le président du comité de gestion peut inviter des experts dont il estime la présence nécessaire; ces experts n'ont toutefois pas voix délibérative.
§ 3. [1 ...]1
§ 4. Le président du comité de gestion désigne les membres du secrétariat.
§ 5. Les comités de gestion sont exclus du champ d'application de la loi du 20 juillet 1990 visant à promouvoir la présence d'hommes et de femmes dans les organes possédant une compétence d'avis.
1° l'administrateur général ou le directeur du service d'encadrement qui dirige l'administration générale ou le service d'encadrement dont le comité de gestion relève, Président ;
2° les titulaires d'une fonction de management -2 au sein de l'administration générale dont le comité de gestion relève ;
3° tout agent de niveau A désigné par le Président du comité de direction, après avis du Comité de direction.]1
§ 2. Le président du comité de gestion peut inviter des experts dont il estime la présence nécessaire; ces experts n'ont toutefois pas voix délibérative.
§ 3. [1 ...]1
§ 4. Le président du comité de gestion désigne les membres du secrétariat.
§ 5. Les comités de gestion sont exclus du champ d'application de la loi du 20 juillet 1990 visant à promouvoir la présence d'hommes et de femmes dans les organes possédant une compétence d'avis.
Wijzigingen
Art. 16/1. [1 § 1. In afwijking van artikel 16, § 1, is het beheerscomité dat bevoegd is voor het geheel van de diensten vermeld in artikel 15, 1°, samengesteld uit de volgden leden:
1° de Voorzitter van het directiecomité;
2° de ambtenaren belast met de leiding van de diensten bedoeld in artikel 12, 2°, 4°, 6° tot 13° ;
3° elke ambtenaar van niveau A aangewezen door de Voorzitter van het directiecomité na advies van het Directiecomité.
§ 2. De bepalingen van de artikel 16, §§ 2, 4 en 5 blijven onverminderd van toepassing op het in paragraaf 1 bedoelde beheerscomité.]1
1° de Voorzitter van het directiecomité;
2° de ambtenaren belast met de leiding van de diensten bedoeld in artikel 12, 2°, 4°, 6° tot 13° ;
3° elke ambtenaar van niveau A aangewezen door de Voorzitter van het directiecomité na advies van het Directiecomité.
§ 2. De bepalingen van de artikel 16, §§ 2, 4 en 5 blijven onverminderd van toepassing op het in paragraaf 1 bedoelde beheerscomité.]1
Art.16/1. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 16, § 1er, le comité de gestion compétent pour l'ensemble des services mentionnés à l'article 15, 1°, est composé des membres suivants :
1° le Président du comité de direction ;
2° les agents chargés de la direction des services visés à l'article 12, 2°, 4° et 6° à 13° ;
3° tout agent de niveau A désigné par le Président du comité de direction, après avis du Comité de direction.
§ 2. Les dispositions de l'article 16, §§ 2, 4 et 5, restent entièrement d'application au comité de gestion visé au paragraphe 1er.]1
1° le Président du comité de direction ;
2° les agents chargés de la direction des services visés à l'article 12, 2°, 4° et 6° à 13° ;
3° tout agent de niveau A désigné par le Président du comité de direction, après avis du Comité de direction.
§ 2. Les dispositions de l'article 16, §§ 2, 4 et 5, restent entièrement d'application au comité de gestion visé au paragraphe 1er.]1
Art. 17. Het Directiecomité kan aan elk beheerscomité de bevoegdheden delegeren die aan het directiecomité zijn toevertrouwd inzake :
- tucht bij het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel;
- [1 ...]1
- de bevordering door dit besluit en het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het Rijkspersoneel
- mutatie door dit besluit;
- [2 ...]2
- tucht bij het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel;
- [1 ...]1
- de bevordering door dit besluit en het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het Rijkspersoneel
- mutatie door dit besluit;
- [2 ...]2
Art. 17. Le Comité de direction peut déléguer à chaque comité de gestion les compétences qui sont confiées au comité de direction en matière :
- disciplinaire par l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat;
- [1 ...]1
- de promotion par le présent arrêté et par l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat;
- de mutation par le présent arrêté;
- [2 ...]2
- disciplinaire par l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat;
- [1 ...]1
- de promotion par le présent arrêté et par l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat;
- de mutation par le présent arrêté;
- [2 ...]2
Art. 18. Elk beheerscomité stelt zijn huishoudelijk reglement op. Dit reglement wordt meegedeeld aan alle personeelsleden van de algemene administratie of de stafdienst waarin het beheerscomité werd opgericht.
Art. 18. Chaque comité de gestion établit son règlement d'ordre intérieur. Ce règlement est communiqué à tous les membres du personnel de l'administration générale ou du service d'encadrement où il a été créé.
TITEL 3. - Bepalingen betreffende het personeel
TITRE 3. - Dispositions concernant le personnel
HOOFDSTUK 1. - Bevorderingen, veranderingen van graad en mutaties
CHAPITRE 1er. - Promotions, changements de grade et mutations
Art. 19. § 1. Onverminderd artikel 28 vermeldt het vacaturebericht of het functieprofiel, in voorkomend geval, het loopbaanexamen waarvoor de kandidaten voor bevordering, verandering van graad of mutatie dienen geslaagd te zijn.
Het vacaturebericht of het functieprofiel kan bepalen ten behoeve van welke entiteit of, in voorkomend geval, welke administratie het eventueel vereiste loopbaanexamen diende te zijn georganiseerd.
Indien er objectieve redenen zijn die in verband staan met de uitoefening van de te begeven functie, kunnen functievereisten worden opgenomen in het vacaturebericht of het functieprofiel.
§ 2. Paragraaf 1 doet geen afbreuk aan de bepalingen vermeld in de bijlage, in het Statuut van het Rijkspersoneel en zijn uitvoeringsbesluiten of de vereisten van de functie bepaald overeenkomstig artikel 43.
Het vacaturebericht of het functieprofiel kan bepalen ten behoeve van welke entiteit of, in voorkomend geval, welke administratie het eventueel vereiste loopbaanexamen diende te zijn georganiseerd.
Indien er objectieve redenen zijn die in verband staan met de uitoefening van de te begeven functie, kunnen functievereisten worden opgenomen in het vacaturebericht of het functieprofiel.
§ 2. Paragraaf 1 doet geen afbreuk aan de bepalingen vermeld in de bijlage, in het Statuut van het Rijkspersoneel en zijn uitvoeringsbesluiten of de vereisten van de functie bepaald overeenkomstig artikel 43.
Art. 19. § 1er. Sans préjudice de l'article 28, l'avis de vacance d'emploi ou le profil de fonction mentionne, le cas échéant, l'examen de carrière dont les candidats à la promotion, au changement de grade ou à la mutation doivent être lauréats.
L'avis de vacance ou le profil de fonction peut spécifier pour les besoins de quelle entité ou, le cas échéant, de quelle administration l'éventuel examen de carrière exigé devait être organisé.
S'il existe des raisons objectives liées à l'exercice de la fonction à attribuer, des exigences de fonction peuvent être reprises dans l'avis de vacance d'emploi ou dans le profil de fonction.
§ 2. Le paragraphe 1er ne porte pas préjudice aux dispositions mentionnées à l'annexe, ni au Statut des agents de l'Etat et à ses arrêtés d'exécution, ni aux exigences de la fonction fixées conformément à l'article 43.
L'avis de vacance ou le profil de fonction peut spécifier pour les besoins de quelle entité ou, le cas échéant, de quelle administration l'éventuel examen de carrière exigé devait être organisé.
S'il existe des raisons objectives liées à l'exercice de la fonction à attribuer, des exigences de fonction peuvent être reprises dans l'avis de vacance d'emploi ou dans le profil de fonction.
§ 2. Le paragraphe 1er ne porte pas préjudice aux dispositions mentionnées à l'annexe, ni au Statut des agents de l'Etat et à ses arrêtés d'exécution, ni aux exigences de la fonction fixées conformément à l'article 43.
Art.19/1. [1 Om aan een proef over de beroepsbekwaamheid te kunnen deelnemen, moet de rijksambtenaar zich bevinden in een administratieve stand waarin hij zijn rechten op bevordering kan doen gelden en bij zijn laatste evaluatie de vermelding "uitzonderlijk" of "voldoet aan de verwachtingen" hebben gekregen en behouden.]1
Art.19/1. [1 Pour participer à une épreuve de qualification professionnelle, l'agent de l'Etat doit être dans une position administrative où il peut faire valoir ses titres à la promotion et avoir obtenu et conserver la mention " exceptionnel " ou " répond aux attentes " au terme de son évaluation.]1
Art. 20. [1 § 1. Onverminderd de artikelen 21, 22 en 35, § 3, 1e lid, kan voor bevorderingen binnen het niveau A die alleen openstaan voor rijksambtenaren behorend tot de Federale Overheidsdienst Financiën, het vacaturebericht bepalen dat de technische en/of generieke competenties van de kandidaten zullen worden geëvalueerd met het oog op de evaluatie van de verdiensten en het rangschikken van de kandidaten, zoals bedoeld in de artikelen 26 en 26bis van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel. Het niet slagen van de evaluaties met betrekking tot de technische competenties kan, mits dit vermeld werd in het vacaturebericht, de kandidaat uitsluiten van deelname aan de evaluaties met betrekking tot de generieke competenties of omgekeerd.
§ 2. Indien dit werd bepaald in het vacaturebericht, heeft het Directiecomité of het bevoegde beheerscomité een mondeling onderhoud met de geslaagden voor de in pararagraaf 1 bedoelde evaluaties. Het vacaturebericht kan het aantal kandidaten die zullen worden uitgenodidgd voor het mondeling onderhoud beperken rekening houdend met de beste behaalde resultaten voor de test(s) die de generieke competenties evalueren.
Het Directiecomité of het bevoegde beheerscomité kan het houden van het mondeling onderhoud, bedoeld in het eerste lid, delegeren aan een door haar aangewezen comité. In voorkomend geval, is het aangewezen comité samengesteld uit:
1° een of meerdere houders van een management- en/of staffunctie en/of ambtenaren benoemd in dezelfde klasse of een hogere klasse als deze verbonden aan de vacante betrekking(en);
2° een deskundige met betrekking tot selecties en/of evaluaties van competenties;
3° eventueel, een of meer deskundigen niet bedoeld onder 2°.
Tijdens het mondeling onderhoud zal de motivatie van de kandidaat met betrekking tot de gesolliciteerde betrekking(en), zijn visie op de functie en zijn functioneren in het algemeen worden geëvalueerd, alsook kunnen op een geïntegreerde wijze de technische en generieke competenties worden onderzocht, die vereist worden voor het gesolliciteerde functieprofiel.
Op basis van het mondeling onderhoud zal een nieuwe gemotiveerde rangschikking worden opgesteld onder de kandidaten die hieraan deelnamen, bij de rangschikking kan rekening worden gehouden met elementen van het persoonlijk dossier van de kandidaat.
§ 3. De overheid die bevoegd is om de betrekkingen vacant te verklaren bepaalt de geldigheidsduur van de geslaagde testen die de generieke en technische competenties evalueren. Dezelfde overheid bepaalt de duur van de periode tijdens dewelke een kandidaat die niet geslaagd is voor een test die de generieke of technische competenties evalueert, wordt uitgesloten van deelname aan eenzelfde test.]1
§ 2. Indien dit werd bepaald in het vacaturebericht, heeft het Directiecomité of het bevoegde beheerscomité een mondeling onderhoud met de geslaagden voor de in pararagraaf 1 bedoelde evaluaties. Het vacaturebericht kan het aantal kandidaten die zullen worden uitgenodidgd voor het mondeling onderhoud beperken rekening houdend met de beste behaalde resultaten voor de test(s) die de generieke competenties evalueren.
Het Directiecomité of het bevoegde beheerscomité kan het houden van het mondeling onderhoud, bedoeld in het eerste lid, delegeren aan een door haar aangewezen comité. In voorkomend geval, is het aangewezen comité samengesteld uit:
1° een of meerdere houders van een management- en/of staffunctie en/of ambtenaren benoemd in dezelfde klasse of een hogere klasse als deze verbonden aan de vacante betrekking(en);
2° een deskundige met betrekking tot selecties en/of evaluaties van competenties;
3° eventueel, een of meer deskundigen niet bedoeld onder 2°.
Tijdens het mondeling onderhoud zal de motivatie van de kandidaat met betrekking tot de gesolliciteerde betrekking(en), zijn visie op de functie en zijn functioneren in het algemeen worden geëvalueerd, alsook kunnen op een geïntegreerde wijze de technische en generieke competenties worden onderzocht, die vereist worden voor het gesolliciteerde functieprofiel.
Op basis van het mondeling onderhoud zal een nieuwe gemotiveerde rangschikking worden opgesteld onder de kandidaten die hieraan deelnamen, bij de rangschikking kan rekening worden gehouden met elementen van het persoonlijk dossier van de kandidaat.
§ 3. De overheid die bevoegd is om de betrekkingen vacant te verklaren bepaalt de geldigheidsduur van de geslaagde testen die de generieke en technische competenties evalueren. Dezelfde overheid bepaalt de duur van de periode tijdens dewelke een kandidaat die niet geslaagd is voor een test die de generieke of technische competenties evalueert, wordt uitgesloten van deelname aan eenzelfde test.]1
Art. 20. [1 § 1er. Sans préjudice des articles 21, 22 et 35, § 3, alinéa 1er, l'avis de vacance d'emploi peut stipuler que pour les promotions dans le niveau A qui sont uniquement ouvertes aux agents de l'Etat du Service public fédéral Finances, les compétences techniques et/ou génériques des candidats seront évaluées en vue de l'évaluation des mérites et du classement des candidats, tels que visés aux articles 26 et 26bis de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat. L'échec aux évaluations relatives aux compétences techniques peut, pour autant que cela ait été mentionné dans l'avis de vacance d'emploi, entraîner l'exclusion du candidat à la participation aux évaluations relatives aux compétences génériques ou inversement.
§ 2. Si l'avis de vacance d'emploi le stipule, le comité de direction ou le comité de gestion compétent a un entretien oral avec les lauréats des évaluations visées au paragraphe 1er. L'avis de vacance d'emploi peut limiter le nombre de lauréats qui seront invités à l'entretien oral en tenant compte des meilleurs résultats obtenus aux évaluations.
Le comité de direction ou le comité de gestion compétent peut déléguer la tenue de l'entretien oral visé à l'alinéa 1er, à un comité qu'il aura désigné. Le cas échéant, le comité désigné est composé :
1° d'un ou de plusieurs titulaires d'une fonction de management et/ou d'encadrement et/ou d'agents nommés dans la même classe que celle attachée à l'emploi ou aux emplois vacants ou dans une classe supérieure ;
2° un expert en sélection et/ou en évaluation des compétences ;
3° éventuellement, d'un ou de plusieurs experts non visés sous le 2°.
Lors de l'entretien oral, la motivation du candidat par rapport à l'emploi ou aux emplois sollicités sera évaluée ainsi que sa vision de la fonction et son fonctionnement en général. De même, les compétences génériques et techniques exigées dans le profil de la fonction sollicitée pourront être examinées d'une manière intégrée.
Sur base de l'entretien oral, un nouveau classement motivé des candidats y ayant participé sera établi et qui pourra tenir compte d'éléments du dossier personnel du candidat.
§ 3. L'autorité compétente pour déclarer les emplois vacants fixe la durée de validité des tests réussis qui évaluent les compétences génériques et techniques. La même autorité fixe la durée de la période pendant laquelle un candidat qui n'est pas lauréat d'un test évaluant les compétences génériques ou techniques est exclu de la participation à un même test.]1
§ 2. Si l'avis de vacance d'emploi le stipule, le comité de direction ou le comité de gestion compétent a un entretien oral avec les lauréats des évaluations visées au paragraphe 1er. L'avis de vacance d'emploi peut limiter le nombre de lauréats qui seront invités à l'entretien oral en tenant compte des meilleurs résultats obtenus aux évaluations.
Le comité de direction ou le comité de gestion compétent peut déléguer la tenue de l'entretien oral visé à l'alinéa 1er, à un comité qu'il aura désigné. Le cas échéant, le comité désigné est composé :
1° d'un ou de plusieurs titulaires d'une fonction de management et/ou d'encadrement et/ou d'agents nommés dans la même classe que celle attachée à l'emploi ou aux emplois vacants ou dans une classe supérieure ;
2° un expert en sélection et/ou en évaluation des compétences ;
3° éventuellement, d'un ou de plusieurs experts non visés sous le 2°.
Lors de l'entretien oral, la motivation du candidat par rapport à l'emploi ou aux emplois sollicités sera évaluée ainsi que sa vision de la fonction et son fonctionnement en général. De même, les compétences génériques et techniques exigées dans le profil de la fonction sollicitée pourront être examinées d'une manière intégrée.
Sur base de l'entretien oral, un nouveau classement motivé des candidats y ayant participé sera établi et qui pourra tenir compte d'éléments du dossier personnel du candidat.
§ 3. L'autorité compétente pour déclarer les emplois vacants fixe la durée de validité des tests réussis qui évaluent les compétences génériques et techniques. La même autorité fixe la durée de la période pendant laquelle un candidat qui n'est pas lauréat d'un test évaluant les compétences génériques ou techniques est exclu de la participation à un même test.]1
Wijzigingen
Art. 21. [1 § 1. In afwijking van artikel 20, voor de bevorderingen in de klasse A3 waaraan een expertenfunctie in een fiscale materie is verbonden in een algemene fiscale administratie, die alleen openstaan voor rijksambtenaren behorend tot de Federale Overheidsdienst Financiën, met het oog op het evalueren van de verdiensten van de kandidaten, zoals bedoeld in de artikelen 26 en 26bis van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel, worden de kandidaten gerangschikt en onderworpen aan een procedure volgens de bepalingen van de paragrafen 2 tot 4.
§ 2. Voor een expertenfunctie in een fiscale materie wordt voorrang geven aan de kandidaten, die geslaagd zijn voor een in het vacaturebericht vermelde vergelijkende selectie voor overgang naar een functie A2 of de hiermee overeenstemmende proef over de beroepsbekwaamheid bedoeld in artikel 28 of een loopbaanexamen dat toegang verleende tot de betrekkingen van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur, mits zij slagen voor de test of testen die de generieke competenties evalueren.
De kandidaten die geslaagd zijn voor de test of testen die de generieke competenties evalueren worden onderling gerangschikt op basis van de punten behaald voor die test of testen.
Indien dit werd bepaald in het vacaturebericht, heeft het Directiecomité of het bevoegde beheerscomité een mondeling onderhoud met de kandidaten die geslaagd zijn voor de test of de meerdere testen die de generieke competenties evalueren. Het vacaturebericht kan het aantal kandidaten die zullen worden uitgenodidgd voor het mondeling onderhoud beperken rekening houdend met de beste behaalde resultaten voor de test(s) die de generieke comptenties evalueren.
Tijdens het mondeling onderhoud zal de motivatie van de kandidaat met betrekking tot de gesolliciteerde betrekking(en), zijn visie op de functie en zijn functioneren in het algemeen worden geëvalueerd, alsook kunnen op een geïntegreerde wijze de technische en generieke competenties worden onderzocht, die vereist worden voor het gesolliciteerde functieprofiel.
Het Directiecomité of het bevoegde beheerscomité kan het houden van het mondeling onderhoud, bedoeld in het tweede lid, delegeren aan een door haar aangewezen comité. In voorkomend geval, is het aangewezen comité samengesteld zoals bepaald in artikel 20, § 2, 2e lid.
Op basis van dit mondeling onderhoud, kan het Directiecomité of het bevoegde beheerscomité, bij gemotiveerde beslissing, afwijken van de in het tweede lid bedoelde rangschikking bij het uitbrengen van zijn voorstel overeenkomstig de artikelen 26 en 26bis van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel.
De kandidaten die niet geslaagd zijn voor de test of testen die de generieke competenties evalueren, worden door het Directiecomité of het bevoegde beheerscomité als niet geschikt beschouwd voor een bevordering in een expertenfunctie in een fiscale materie, behorend tot de klasse A3 van de cartografie.
Indien na toepassing van deze paragraaf de kandidaten over gelijke verdiensten beschikken, worden zij gerangschikt overeenkomstig paragraaf 4.
De in deze paragraaf bedoelde kandidaten die geslaagd zijn voor de test of de meerdere testen die de generieke competenties evalueren hebben voorrang op de kandidaten bedoeld in paragraaf 3.
§ 3. De kandidaten die niet geslaagd zijn voor een in het vacaturebericht vermelde vergelijkende selectie voor overgang naar een functie A2 of de hiermee overeenstemmende proef over de beroepsbekwaamheid bedoeld in artikel 28 of een loopbaanexamen dat toegang verleende tot de betrekkingen van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur worden onderworpen aan testen die de technische en generieke competenties evalueren. De kandidaten die geslaagd zijn voor de test of testen die de technische competenties evalueren worden vervolgens toegelaten tot de test of de testen die de generieke competenties evalueren.
De in het eerste lid bedoelde kandidaten die geslaagd zijn voor de test of testen die de generieke competenties evalueren worden onderling gerangschikt, op basis van de punten behaald voor de testen die deze competenties evalueren.
Indien dit werd bepaald in het vacaturebericht worden de kandidaten die geslaagd zijn voor de test of de meerdere testen, die de generieke competenties evalueren, door het Directiecomité of het bevoegde beheerscomité uitgenodigd voor een mondeling onderhoud. Het vacaturebericht kan afhankelijk van de beste resultaten behaald voor de test of testen die de generieke competenties evalueren, het aantal kandidaten beperken die zullen worden uitgenodigd voor het mondeling onderhoud.
Tijdens het mondeling onderhoud zal de motivatie van de kandidaat met betrekking tot de gesolliciteerde betrekking(en), zijn visie op de functie en zijn functioneren in het algemeen worden geëvalueerd, alsook kunnen op een geïntegreerde wijze de technische en generieke competenties worden onderzocht, die vereist worden voor het gesolliciteerde functieprofiel.
Het Directiecomité of het bevoegde beheerscomité kan het houden van het mondeling onderhoud, bedoeld in het derde lid, delegeren aan een door haar aangewezen comité. In voorkomend geval, is het aangewezen comité samengesteld zoals bepaald in artikel 20, § 2, 2e lid.
Op basis van dit mondeling onderhoud, kan het Directiecomité of het bevoegde beheerscomité, bij gemotiveerde beslissing, afwijken van de in het tweede lid bedoelde rangschikking bij het uitbrengen van zijn voorstel overeenkomstig de artikelen 26 en 26bis van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel.
De kandidaten die niet geslaagd zijn voor de test of testen die de technische competenties evalueren of die niet geslaagd zijn voor de test of testen die de generieke competenties evalueren, worden door het Directiecomité of het bevoegde beheerscomité als niet geschikt beschouwd voor een bevordering in een expertenfunctie in een fiscale materie, behorend tot de klasse A3 van de cartografie.
Indien na toepassing van deze paragraaf, de kandidaten over gelijke verdiensten beschikken, worden zij gerangschikt overeenkomstig paragraaf 4.
§ 4. Bij gelijke punten, wordt de voorrang als volgt bepaald:
1° de ambtenaar met de grootste klasseanciënniteit;
2° bij gelijke klasseanciënniteit, de ambtenaar met de grootste dienstanciënniteit;
3° bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste ambtenaar.
Wanneer overeenkomstig artikel 41, tweede lid, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel, ambtenaren van de klasse A1 en de klasse A2 kandidaat zijn voor een bevordering tot de klasse A3 wordt de klasseanciënniteit van de ambtenaren van de klasse A2 die niet ambtshalve werden benoemd in deze klasse, noch werden aangeworven in deze klasse, voor de toepassing van het eerste lid, verhoogd met de klasseanciënniteit verworven in de klasse A1.
De toepassing van het eerste lid doet geen afbreuk aan artikel 54 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel.
§ 5. De overheid die bevoegd is om de betrekkingen vacant te verklaren bepaalt de geldigheidsduur van de geslaagde testen die de generieke en technische competenties evalueren. Dezelfde overheid bepaalt de duur van de periode tijdens dewelke een kandidaat die niet geslaagd is voor een test die de generieke of technische competenties evalueert, wordt uitgesloten van deelname aan eenzelfde test.]1
§ 2. Voor een expertenfunctie in een fiscale materie wordt voorrang geven aan de kandidaten, die geslaagd zijn voor een in het vacaturebericht vermelde vergelijkende selectie voor overgang naar een functie A2 of de hiermee overeenstemmende proef over de beroepsbekwaamheid bedoeld in artikel 28 of een loopbaanexamen dat toegang verleende tot de betrekkingen van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur, mits zij slagen voor de test of testen die de generieke competenties evalueren.
De kandidaten die geslaagd zijn voor de test of testen die de generieke competenties evalueren worden onderling gerangschikt op basis van de punten behaald voor die test of testen.
Indien dit werd bepaald in het vacaturebericht, heeft het Directiecomité of het bevoegde beheerscomité een mondeling onderhoud met de kandidaten die geslaagd zijn voor de test of de meerdere testen die de generieke competenties evalueren. Het vacaturebericht kan het aantal kandidaten die zullen worden uitgenodidgd voor het mondeling onderhoud beperken rekening houdend met de beste behaalde resultaten voor de test(s) die de generieke comptenties evalueren.
Tijdens het mondeling onderhoud zal de motivatie van de kandidaat met betrekking tot de gesolliciteerde betrekking(en), zijn visie op de functie en zijn functioneren in het algemeen worden geëvalueerd, alsook kunnen op een geïntegreerde wijze de technische en generieke competenties worden onderzocht, die vereist worden voor het gesolliciteerde functieprofiel.
Het Directiecomité of het bevoegde beheerscomité kan het houden van het mondeling onderhoud, bedoeld in het tweede lid, delegeren aan een door haar aangewezen comité. In voorkomend geval, is het aangewezen comité samengesteld zoals bepaald in artikel 20, § 2, 2e lid.
Op basis van dit mondeling onderhoud, kan het Directiecomité of het bevoegde beheerscomité, bij gemotiveerde beslissing, afwijken van de in het tweede lid bedoelde rangschikking bij het uitbrengen van zijn voorstel overeenkomstig de artikelen 26 en 26bis van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel.
De kandidaten die niet geslaagd zijn voor de test of testen die de generieke competenties evalueren, worden door het Directiecomité of het bevoegde beheerscomité als niet geschikt beschouwd voor een bevordering in een expertenfunctie in een fiscale materie, behorend tot de klasse A3 van de cartografie.
Indien na toepassing van deze paragraaf de kandidaten over gelijke verdiensten beschikken, worden zij gerangschikt overeenkomstig paragraaf 4.
De in deze paragraaf bedoelde kandidaten die geslaagd zijn voor de test of de meerdere testen die de generieke competenties evalueren hebben voorrang op de kandidaten bedoeld in paragraaf 3.
§ 3. De kandidaten die niet geslaagd zijn voor een in het vacaturebericht vermelde vergelijkende selectie voor overgang naar een functie A2 of de hiermee overeenstemmende proef over de beroepsbekwaamheid bedoeld in artikel 28 of een loopbaanexamen dat toegang verleende tot de betrekkingen van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur worden onderworpen aan testen die de technische en generieke competenties evalueren. De kandidaten die geslaagd zijn voor de test of testen die de technische competenties evalueren worden vervolgens toegelaten tot de test of de testen die de generieke competenties evalueren.
De in het eerste lid bedoelde kandidaten die geslaagd zijn voor de test of testen die de generieke competenties evalueren worden onderling gerangschikt, op basis van de punten behaald voor de testen die deze competenties evalueren.
Indien dit werd bepaald in het vacaturebericht worden de kandidaten die geslaagd zijn voor de test of de meerdere testen, die de generieke competenties evalueren, door het Directiecomité of het bevoegde beheerscomité uitgenodigd voor een mondeling onderhoud. Het vacaturebericht kan afhankelijk van de beste resultaten behaald voor de test of testen die de generieke competenties evalueren, het aantal kandidaten beperken die zullen worden uitgenodigd voor het mondeling onderhoud.
Tijdens het mondeling onderhoud zal de motivatie van de kandidaat met betrekking tot de gesolliciteerde betrekking(en), zijn visie op de functie en zijn functioneren in het algemeen worden geëvalueerd, alsook kunnen op een geïntegreerde wijze de technische en generieke competenties worden onderzocht, die vereist worden voor het gesolliciteerde functieprofiel.
Het Directiecomité of het bevoegde beheerscomité kan het houden van het mondeling onderhoud, bedoeld in het derde lid, delegeren aan een door haar aangewezen comité. In voorkomend geval, is het aangewezen comité samengesteld zoals bepaald in artikel 20, § 2, 2e lid.
Op basis van dit mondeling onderhoud, kan het Directiecomité of het bevoegde beheerscomité, bij gemotiveerde beslissing, afwijken van de in het tweede lid bedoelde rangschikking bij het uitbrengen van zijn voorstel overeenkomstig de artikelen 26 en 26bis van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel.
De kandidaten die niet geslaagd zijn voor de test of testen die de technische competenties evalueren of die niet geslaagd zijn voor de test of testen die de generieke competenties evalueren, worden door het Directiecomité of het bevoegde beheerscomité als niet geschikt beschouwd voor een bevordering in een expertenfunctie in een fiscale materie, behorend tot de klasse A3 van de cartografie.
Indien na toepassing van deze paragraaf, de kandidaten over gelijke verdiensten beschikken, worden zij gerangschikt overeenkomstig paragraaf 4.
§ 4. Bij gelijke punten, wordt de voorrang als volgt bepaald:
1° de ambtenaar met de grootste klasseanciënniteit;
2° bij gelijke klasseanciënniteit, de ambtenaar met de grootste dienstanciënniteit;
3° bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste ambtenaar.
Wanneer overeenkomstig artikel 41, tweede lid, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel, ambtenaren van de klasse A1 en de klasse A2 kandidaat zijn voor een bevordering tot de klasse A3 wordt de klasseanciënniteit van de ambtenaren van de klasse A2 die niet ambtshalve werden benoemd in deze klasse, noch werden aangeworven in deze klasse, voor de toepassing van het eerste lid, verhoogd met de klasseanciënniteit verworven in de klasse A1.
De toepassing van het eerste lid doet geen afbreuk aan artikel 54 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel.
§ 5. De overheid die bevoegd is om de betrekkingen vacant te verklaren bepaalt de geldigheidsduur van de geslaagde testen die de generieke en technische competenties evalueren. Dezelfde overheid bepaalt de duur van de periode tijdens dewelke een kandidaat die niet geslaagd is voor een test die de generieke of technische competenties evalueert, wordt uitgesloten van deelname aan eenzelfde test.]1
Art. 21. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 20, pour les promotions à la classe A3 auxquelles, dans une administration générale fiscale, une fonction d'expert dans une matière fiscale est attachée et qui sont uniquement ouvertes aux agents de l'Etat relevant du Service public fédéral Finances, les candidats sont classés et soumis à une procédure selon les dispositions des paragraphes 2 à 4 en vue de l'évaluation de leurs mérites telle que visée aux articles 26 et 26bis de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat.
§ 2. Pour une fonction d'expert dans une matière fiscale, priorité est donnée aux candidats lauréats d'une sélection comparative d'accession à une fonction A2 ou de l'épreuve de qualification professionnelle correspondante visées à l'article 28 ou d'un examen de carrière qui donnait accès aux emplois d'inspecteur principal d'administration fiscale, mentionnés dans l'avis de vacance d'emploi, à condition qu'ils soient lauréats du test ou des tests évaluant les compétences génériques.
Les lauréats du test ou des tests évaluant les compétences génériques sont classés entre eux sur base des points obtenus à ce test ou ces tests évaluant les compétences génériques.
Si l'avis de vacance d'emploi le stipule, le comité de direction ou le comité de gestion compétent a un entretien oral avec les lauréats du test ou des différents tests évaluant les compétences génériques. L'avis de vacance d'emploi peut limiter le nombre de candidats qui seront invités à l'entretien oral en tenant compte des meilleurs résultats obtenus au(x) test(s) évaluant les compétences génériques.
Lors de l'entretien oral, la motivation du candidat par rapport à l'emploi ou aux emplois sollicités sera évaluée ainsi que sa vision de la fonction et son fonctionnement en général. De même, les compétences génériques et techniques exigées dans le profil de la fonction sollicitée pourront être examinées d'une manière intégrée.
Le comité de direction ou le comité de gestion compétent peut déléguer la tenue de l'entretien oral visé à l'alinéa 2, à un comité qu'il aura désigné. Le cas échéant, le comité désigné est composé tel que précisé à l'article 20, § 2, alinéa 2.
Sur base de cet entretien oral, le comité de direction ou le comité de gestion compétent peut, par décision motivée, déroger au classement visé à l'alinéa 2 pour établir sa proposition conformément aux articles 26 et 26bis de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat.
Les candidats qui n'ont pas réussi au(x) test(s) évaluant les compétences génériques sont considérés par le comité de direction ou le comité de gestion compétent comme étant inaptes à être promus dans une fonction d'expert dans une matière fiscale relevant de la classe A3 de la cartographie.
Si après application du présent paragraphe, les candidats disposent de mérites identiques, ils sont alors classés conformément au paragraphe 4.
Les candidats visés dans le présent paragraphe qui sont lauréats du au test ou aux des différents tests évaluant les compétences génériques ont priorité sur les candidats visés au paragraphe 3.
§ 3. Les candidats qui ne sont lauréats ni d'une sélection comparative d'accession à une fonction A2 ou de l'épreuve de qualification professionnelle correspondante visée à l'article 28, ni d'un examen de carrière qui donnait accès aux emplois d'inspecteur principal d'administration fiscale mentionnés dans l'avis de vacance d'emploi sont soumis à des tests évaluant les compétences techniques et génériques. Les candidats qui sont lauréats du test ou des tests évaluant les compétences techniques sont ensuite admis au(x) test(s) évaluant les compétences génériques.
Les candidats visés à l'alinéa 1er qui sont lauréats du test ou des tests évaluant les compétences génériques sont classés entre eux sur base des points obtenus aux tests évaluant ces compétences.
Si l'avis de vacance d'emploi le stipule, les lauréats du test ou des différents tests évaluant les compétences génériques sont invités par le comité de direction ou le comité de gestion compétent à un entretien oral. L'avis de vacance d'emploi peut limiter le nombre de candidats qui seront invités à l'entretien oral en tenant compte des meilleurs résultats obtenus au(x) test(s) évaluant les compétences génériques.
Pendant l'entretien oral, la motivation du candidat relative à l'emploi ou aux emplois sollicités, sa vision de la fonction et son fonctionnement en général seront évalués. De même, les compétences techniques et génériques exigées dans le profil de la fonction sollicitée pourront être examinées d'une manière intégrée.
Le comité de direction ou le comité de gestion compétent peut déléguer la tenue de l'entretien oral visé à l'alinéa 3 à un comité qu'il aura désigné. Le cas échéant, le comité désigné est composé tel que spécifié à l'article 20, § 2, alinéa 2.
Sur base de cet entretien oral, le comité de direction ou le comité de gestion compétent peut, par décision motivée, déroger au classement visé à l'alinéa 2 pour établir sa proposition conformément aux articles 26 et 26bis de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat.
Les candidats qui ne sont pas lauréats du test ou des tests évaluant les compétences techniques ou qui n'ont pas réussi le test ou les tests évaluant les compétences génériques sont considérés comme étant inaptes par le comité de direction ou le comité de gestion compétent à être promus dans une fonction d'expert dans une matière fiscale relevant de la classe A3 de la cartographie.
Si après application du présent paragraphe, les candidats disposent de mérites identiques, ils sont alors classés conformément au paragraphe 4.
§ 4. A égalité de points, la priorité est donnée :
1° à l'agent qui compte la plus grande ancienneté de classe ;
2° à égalité d'ancienneté de classe, à l'agent qui compte la plus grande ancienneté de service ;
3° à égalité d'ancienneté de service, à l'agent le plus âgé.
Lorsque, conformément à l'article 41, alinéa 2, de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat, des agents de la classe A1 et de la classe A2 sont candidats à une promotion à la classe A3, l'ancienneté de classe des agents de la classe A2 qui n'ont été ni nommés d'office dans cette classe, ni recrutés dans cette classe est, pour l'application de l'alinéa 1er, augmentée de l'ancienneté de classe acquise dans la classe A1.
L'application de l'alinéa 1er ne porte pas préjudice à l'article 54 de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat.
§ 5. L'autorité compétente pour déclarer les emplois vacants fixe la durée de validité des tests réussis qui évaluent les compétences génériques et techniques. La même autorité fixe la durée de la période pendant laquelle un candidat qui n'est pas lauréat d'un test évaluant les compétences génériques ou techniques est exclu de la participation à un même test.]1
§ 2. Pour une fonction d'expert dans une matière fiscale, priorité est donnée aux candidats lauréats d'une sélection comparative d'accession à une fonction A2 ou de l'épreuve de qualification professionnelle correspondante visées à l'article 28 ou d'un examen de carrière qui donnait accès aux emplois d'inspecteur principal d'administration fiscale, mentionnés dans l'avis de vacance d'emploi, à condition qu'ils soient lauréats du test ou des tests évaluant les compétences génériques.
Les lauréats du test ou des tests évaluant les compétences génériques sont classés entre eux sur base des points obtenus à ce test ou ces tests évaluant les compétences génériques.
Si l'avis de vacance d'emploi le stipule, le comité de direction ou le comité de gestion compétent a un entretien oral avec les lauréats du test ou des différents tests évaluant les compétences génériques. L'avis de vacance d'emploi peut limiter le nombre de candidats qui seront invités à l'entretien oral en tenant compte des meilleurs résultats obtenus au(x) test(s) évaluant les compétences génériques.
Lors de l'entretien oral, la motivation du candidat par rapport à l'emploi ou aux emplois sollicités sera évaluée ainsi que sa vision de la fonction et son fonctionnement en général. De même, les compétences génériques et techniques exigées dans le profil de la fonction sollicitée pourront être examinées d'une manière intégrée.
Le comité de direction ou le comité de gestion compétent peut déléguer la tenue de l'entretien oral visé à l'alinéa 2, à un comité qu'il aura désigné. Le cas échéant, le comité désigné est composé tel que précisé à l'article 20, § 2, alinéa 2.
Sur base de cet entretien oral, le comité de direction ou le comité de gestion compétent peut, par décision motivée, déroger au classement visé à l'alinéa 2 pour établir sa proposition conformément aux articles 26 et 26bis de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat.
Les candidats qui n'ont pas réussi au(x) test(s) évaluant les compétences génériques sont considérés par le comité de direction ou le comité de gestion compétent comme étant inaptes à être promus dans une fonction d'expert dans une matière fiscale relevant de la classe A3 de la cartographie.
Si après application du présent paragraphe, les candidats disposent de mérites identiques, ils sont alors classés conformément au paragraphe 4.
Les candidats visés dans le présent paragraphe qui sont lauréats du au test ou aux des différents tests évaluant les compétences génériques ont priorité sur les candidats visés au paragraphe 3.
§ 3. Les candidats qui ne sont lauréats ni d'une sélection comparative d'accession à une fonction A2 ou de l'épreuve de qualification professionnelle correspondante visée à l'article 28, ni d'un examen de carrière qui donnait accès aux emplois d'inspecteur principal d'administration fiscale mentionnés dans l'avis de vacance d'emploi sont soumis à des tests évaluant les compétences techniques et génériques. Les candidats qui sont lauréats du test ou des tests évaluant les compétences techniques sont ensuite admis au(x) test(s) évaluant les compétences génériques.
Les candidats visés à l'alinéa 1er qui sont lauréats du test ou des tests évaluant les compétences génériques sont classés entre eux sur base des points obtenus aux tests évaluant ces compétences.
Si l'avis de vacance d'emploi le stipule, les lauréats du test ou des différents tests évaluant les compétences génériques sont invités par le comité de direction ou le comité de gestion compétent à un entretien oral. L'avis de vacance d'emploi peut limiter le nombre de candidats qui seront invités à l'entretien oral en tenant compte des meilleurs résultats obtenus au(x) test(s) évaluant les compétences génériques.
Pendant l'entretien oral, la motivation du candidat relative à l'emploi ou aux emplois sollicités, sa vision de la fonction et son fonctionnement en général seront évalués. De même, les compétences techniques et génériques exigées dans le profil de la fonction sollicitée pourront être examinées d'une manière intégrée.
Le comité de direction ou le comité de gestion compétent peut déléguer la tenue de l'entretien oral visé à l'alinéa 3 à un comité qu'il aura désigné. Le cas échéant, le comité désigné est composé tel que spécifié à l'article 20, § 2, alinéa 2.
Sur base de cet entretien oral, le comité de direction ou le comité de gestion compétent peut, par décision motivée, déroger au classement visé à l'alinéa 2 pour établir sa proposition conformément aux articles 26 et 26bis de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat.
Les candidats qui ne sont pas lauréats du test ou des tests évaluant les compétences techniques ou qui n'ont pas réussi le test ou les tests évaluant les compétences génériques sont considérés comme étant inaptes par le comité de direction ou le comité de gestion compétent à être promus dans une fonction d'expert dans une matière fiscale relevant de la classe A3 de la cartographie.
Si après application du présent paragraphe, les candidats disposent de mérites identiques, ils sont alors classés conformément au paragraphe 4.
§ 4. A égalité de points, la priorité est donnée :
1° à l'agent qui compte la plus grande ancienneté de classe ;
2° à égalité d'ancienneté de classe, à l'agent qui compte la plus grande ancienneté de service ;
3° à égalité d'ancienneté de service, à l'agent le plus âgé.
Lorsque, conformément à l'article 41, alinéa 2, de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat, des agents de la classe A1 et de la classe A2 sont candidats à une promotion à la classe A3, l'ancienneté de classe des agents de la classe A2 qui n'ont été ni nommés d'office dans cette classe, ni recrutés dans cette classe est, pour l'application de l'alinéa 1er, augmentée de l'ancienneté de classe acquise dans la classe A1.
L'application de l'alinéa 1er ne porte pas préjudice à l'article 54 de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat.
§ 5. L'autorité compétente pour déclarer les emplois vacants fixe la durée de validité des tests réussis qui évaluent les compétences génériques et techniques. La même autorité fixe la durée de la période pendant laquelle un candidat qui n'est pas lauréat d'un test évaluant les compétences génériques ou techniques est exclu de la participation à un même test.]1
Wijzigingen
Art. 22. [1 § 1. In afwijking van artikel 20, voor de bevorderingen in de klasse A3 waaraan een leidinggevende functie in een fiscale dienst van een algemene fiscale administratie is verbonden, die alleen openstaan voor rijksambtenaren behorend tot de Federale Overheidsdienst Financiën, met het oog op het evalueren van de verdiensten van de kandidaten, zoals bedoeld in de artikelen 26 en 26bis van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel, worden de kandidaten gerangschikt en onderworpen aan een procedure volgens de bepalingen van paragraaf twee.
§ 2. Onverminderd het derde lid, dienen de kandidaten te slagen voor de testen die de technische en generieke competenties evalueren, om door het Directiecomité of bevoegde beheerscomité als geschikt te worden beschouwd voor een bevordering in een leidinggevende functie in een fiscale dienst van een algemene fiscale administratie, behorend tot de klasse A3 van de cartografie.
Alleen de kandidaten die geslaagd zijn voor de test of testen die de technische competenties evalueren of hiervan overeenkomstig het derde lid zijn vrijgesteld, worden toegelaten tot de test of testen die de generieke competenties evalueren.
De kandidaten die geslaagd zijn voor een in het vacaturebericht vermelde vergelijkende selectie voor overgang naar een functie A2 of de hiermee overeenstemmende proef over de beroepsbekwaamheid bedoeld in artikel 28 of een loopbaanexamen dat toegang verleende tot de betrekkingen van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur, zijn vrijgesteld van de test of testen die de technische competenties evalueren.
De kandidaten die geslaagd zijn voor de test of testen die de generieke competenties evalueren worden onderling gerangschikt op basis van de punten behaald voor die test of testen.
Indien dit werd bepaald in het vacaturebericht worden de kandidaten die geslaagd zijn voor de test of testen die de generieke competenties evalueren, door het Directiecomité of het bevoegde beheerscomité uitgenodigd voor een mondeling onderhoud. Het vacaturebericht kan het aantal kandidaten die zullen worden uitgenodidgd voor het mondeling onderhoud beperken rekening houdend met de beste behaalde resultaten voor de test(s) die de generieke comptenties evalueren.
Tijdens het mondeling onderhoud zal de motivatie van de kandidaat met betrekking tot de gesolliciteerde betrekking(en), zijn visie op de functie en zijn functioneren in het algemeen worden geëvalueerd, alsook kunnen op een geïntegreerde wijze de technische en generieke competenties worden onderzocht, die vereist worden voor het gesolliciteerde functieprofiel.
Het Directiecomité of het bevoegde beheerscomité kan het houden van het mondeling onderhoud, bedoeld in het vijfde lid, delegeren aan een door haar aangewezen comité. In voorkomend geval, is het aangewezen comité samengesteld zoals bepaald in artikel 20, § 2, 2e lid.
Op basis van dit mondeling onderhoud, kan het Directiecomité of het bevoegde beheerscomité, bij gemotiveerde beslissing, afwijken van de in het vierde lid bedoelde rangschikking bij het uitbrengen van zijn voorstel overeenkomstig de artikelen 26 en 26bis van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel.
Indien na toepassing van deze paragraaf, de kandidaten over gelijke verdiensten beschikken, worden zij gerangschikt overeenkomstig artikel 21, § 4.
§ 3. De overheid die bevoegd is om de betrekkingen vacant te verklaren bepaalt de geldigheidsduur van de geslaagde testen die de generieke en technische competenties evalueren. Dezelfde overheid bepaalt de duur van de periode tijdens dewelke een kandidaat die niet geslaagd is voor een test die de generieke of technische competenties evalueert, wordt uitgesloten van deelname aan eenzelfde test.]1
§ 2. Onverminderd het derde lid, dienen de kandidaten te slagen voor de testen die de technische en generieke competenties evalueren, om door het Directiecomité of bevoegde beheerscomité als geschikt te worden beschouwd voor een bevordering in een leidinggevende functie in een fiscale dienst van een algemene fiscale administratie, behorend tot de klasse A3 van de cartografie.
Alleen de kandidaten die geslaagd zijn voor de test of testen die de technische competenties evalueren of hiervan overeenkomstig het derde lid zijn vrijgesteld, worden toegelaten tot de test of testen die de generieke competenties evalueren.
De kandidaten die geslaagd zijn voor een in het vacaturebericht vermelde vergelijkende selectie voor overgang naar een functie A2 of de hiermee overeenstemmende proef over de beroepsbekwaamheid bedoeld in artikel 28 of een loopbaanexamen dat toegang verleende tot de betrekkingen van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur, zijn vrijgesteld van de test of testen die de technische competenties evalueren.
De kandidaten die geslaagd zijn voor de test of testen die de generieke competenties evalueren worden onderling gerangschikt op basis van de punten behaald voor die test of testen.
Indien dit werd bepaald in het vacaturebericht worden de kandidaten die geslaagd zijn voor de test of testen die de generieke competenties evalueren, door het Directiecomité of het bevoegde beheerscomité uitgenodigd voor een mondeling onderhoud. Het vacaturebericht kan het aantal kandidaten die zullen worden uitgenodidgd voor het mondeling onderhoud beperken rekening houdend met de beste behaalde resultaten voor de test(s) die de generieke comptenties evalueren.
Tijdens het mondeling onderhoud zal de motivatie van de kandidaat met betrekking tot de gesolliciteerde betrekking(en), zijn visie op de functie en zijn functioneren in het algemeen worden geëvalueerd, alsook kunnen op een geïntegreerde wijze de technische en generieke competenties worden onderzocht, die vereist worden voor het gesolliciteerde functieprofiel.
Het Directiecomité of het bevoegde beheerscomité kan het houden van het mondeling onderhoud, bedoeld in het vijfde lid, delegeren aan een door haar aangewezen comité. In voorkomend geval, is het aangewezen comité samengesteld zoals bepaald in artikel 20, § 2, 2e lid.
Op basis van dit mondeling onderhoud, kan het Directiecomité of het bevoegde beheerscomité, bij gemotiveerde beslissing, afwijken van de in het vierde lid bedoelde rangschikking bij het uitbrengen van zijn voorstel overeenkomstig de artikelen 26 en 26bis van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel.
Indien na toepassing van deze paragraaf, de kandidaten over gelijke verdiensten beschikken, worden zij gerangschikt overeenkomstig artikel 21, § 4.
§ 3. De overheid die bevoegd is om de betrekkingen vacant te verklaren bepaalt de geldigheidsduur van de geslaagde testen die de generieke en technische competenties evalueren. Dezelfde overheid bepaalt de duur van de periode tijdens dewelke een kandidaat die niet geslaagd is voor een test die de generieke of technische competenties evalueert, wordt uitgesloten van deelname aan eenzelfde test.]1
Art. 22. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 20, pour les promotions à la classe A3 auxquelles une fonction dirigeante dans un service fiscal d'une administration générale fiscale est attachée et qui sont uniquement ouvertes aux agents de l'Etat du Service public fédéral Finances, les candidats sont classés et soumis à une procédure selon les dispositions du paragraphe 2 en vue de l'évaluation de leurs mérites telle que visée aux articles 26 et 26bis de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat.
§ 2. Sans préjudice de l'alinéa 3, les candidats doivent réussir les tests qui évaluent les compétences techniques et génériques pour être considérés par le comité de direction ou le comité de gestion compétent, comme étant aptes à être promus dans une fonction dirigeante relevant de la classe A3 de la cartographie, dans un service fiscal d'une administration générale fiscale.
Seuls les candidats qui sont lauréats du test ou des tests évaluant les compétences techniques ou qui en sont dispensés conformément à l'alinéa 3 sont admis au(x) test(s) évaluant les compétences génériques.
Les candidats qui sont lauréats d'une sélection comparative d'accession à une fonction A2 ou de l'épreuve de qualification professionnelle correspondante visée à l'article 28 ou d'un examen de carrière qui donnait accès aux emplois d'inspecteur principal d'administration fiscale mentionnés dans l'avis de vacance d'emploi sont dispensés du test ou des tests évaluant les compétences techniques.
Les candidats qui sont lauréats du test ou des tests évaluant les compétences génériques sont classés entre eux sur base des points obtenus à ce(s) test(s).
Si l'avis de vacance d'emploi le stipule, les candidats qui ont réussi le(s) test(s) évaluant les compétences génériques sont invités par le comité de direction ou le comité de gestion compétent, à un entretien oral. L'avis de vacance d'emploi peut limiter le nombre de candidats qui seront invités à l'entretien oral en tenant compte des meilleurs résultats obtenus au(x) test(s) évaluant les compétences génériques.
Pendant l'entretien oral, la motivation du candidat relative à l'emploi ou aux emplois sollicités, sa vision de la fonction et son fonctionnement en général seront évalués. De même, les compétences techniques et génériques exigées dans le profil de la fonction sollicitée pourront être examinées d'une manière intégrée.
Le comité de direction ou le comité de gestion compétent peut déléguer la tenue de l'entretien oral visé à l'alinéa 5 à un comité qu'il aura désigné. Le cas échéant, le comité désigné est composé tel que spécifié à l'article 20, § 2, alinéa 2.
Sur base de cet entretien oral, le comité de direction ou le comité de gestion compétent peut déroger au classement visé à l'alinéa 4, par décision motivée, pour établir sa proposition conformément à l'article 26 et 26bis de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat.
Si après application du présent paragraphe, les candidats disposent de mérites identiques, ils sont classés conformément à l'article 21, § 4.
§ 3. L'autorité compétente pour déclarer les emplois vacants fixe la durée de validité des tests réussis qui évaluent les compétences génériques et techniques. La même autorité fixe la durée de la période pendant laquelle un candidat qui n'est pas lauréat d'un test évaluant les compétences génériques ou techniques est exclu de la participation à un même test.]1
§ 2. Sans préjudice de l'alinéa 3, les candidats doivent réussir les tests qui évaluent les compétences techniques et génériques pour être considérés par le comité de direction ou le comité de gestion compétent, comme étant aptes à être promus dans une fonction dirigeante relevant de la classe A3 de la cartographie, dans un service fiscal d'une administration générale fiscale.
Seuls les candidats qui sont lauréats du test ou des tests évaluant les compétences techniques ou qui en sont dispensés conformément à l'alinéa 3 sont admis au(x) test(s) évaluant les compétences génériques.
Les candidats qui sont lauréats d'une sélection comparative d'accession à une fonction A2 ou de l'épreuve de qualification professionnelle correspondante visée à l'article 28 ou d'un examen de carrière qui donnait accès aux emplois d'inspecteur principal d'administration fiscale mentionnés dans l'avis de vacance d'emploi sont dispensés du test ou des tests évaluant les compétences techniques.
Les candidats qui sont lauréats du test ou des tests évaluant les compétences génériques sont classés entre eux sur base des points obtenus à ce(s) test(s).
Si l'avis de vacance d'emploi le stipule, les candidats qui ont réussi le(s) test(s) évaluant les compétences génériques sont invités par le comité de direction ou le comité de gestion compétent, à un entretien oral. L'avis de vacance d'emploi peut limiter le nombre de candidats qui seront invités à l'entretien oral en tenant compte des meilleurs résultats obtenus au(x) test(s) évaluant les compétences génériques.
Pendant l'entretien oral, la motivation du candidat relative à l'emploi ou aux emplois sollicités, sa vision de la fonction et son fonctionnement en général seront évalués. De même, les compétences techniques et génériques exigées dans le profil de la fonction sollicitée pourront être examinées d'une manière intégrée.
Le comité de direction ou le comité de gestion compétent peut déléguer la tenue de l'entretien oral visé à l'alinéa 5 à un comité qu'il aura désigné. Le cas échéant, le comité désigné est composé tel que spécifié à l'article 20, § 2, alinéa 2.
Sur base de cet entretien oral, le comité de direction ou le comité de gestion compétent peut déroger au classement visé à l'alinéa 4, par décision motivée, pour établir sa proposition conformément à l'article 26 et 26bis de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat.
Si après application du présent paragraphe, les candidats disposent de mérites identiques, ils sont classés conformément à l'article 21, § 4.
§ 3. L'autorité compétente pour déclarer les emplois vacants fixe la durée de validité des tests réussis qui évaluent les compétences génériques et techniques. La même autorité fixe la durée de la période pendant laquelle un candidat qui n'est pas lauréat d'un test évaluant les compétences génériques ou techniques est exclu de la participation à un même test.]1
Wijzigingen
Art. 23. De vacante betrekkingen in de niveaus D, C en B en de klassen A1 en A2 worden bij voorrang toegekend bij wege van mutatie. De bevoegde overheid kan van deze bepaling slechts afwijken bij een gemotiveerde beslissing.
Art. 23. Les emplois vacants dans les niveaux D, C et B et dans les classes A1 et A2 sont prioritairement attribués par voie de mutation. L'autorité compétente ne peut déroger à cette disposition que moyennant une décision motivée.
Art. 24. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op de mutaties in de betrekkingen, die :
1° verbonden zijn aan een graad of klasse, die eveneens bij wege van werving kan worden verleend;
2° verbonden zijn aan een van de volgende afgeschafte graden :
- adjunct-financieel assistent;
- bestuurschef;
- adjunct-fiscaal deskundige.
Om te kunnen worden gemuteerd naar een andere entiteit of administratie in een betrekking bedoeld in het eerste lid, dienen de ambtenaren van het niveau B, C of D met vrucht de basiscursus te hebben gevolgd die, in voorkomend geval, wordt vermeld in de functievereisten bepaald overeenkomstig artikel 43.
De ambtenaren die wensen te muteren naar een in het eerste lid bedoelde betrekking in een andere entiteit of administratie mogen deelnemen aan de basiscursussen die ten behoeve van deze entiteit worden georganiseerd.
De ambtenaren dienen aan de stafdienst Personeel en Organisatie mee te delen dat zij zich wensen in te schrijven voor een basiscursus georganiseerd ten behoeve van een andere entiteit.
De ambtenaren kunnen in een periode van vijf jaar, zich slechts eenmaal inschrijven voor een basiscursus verbonden aan hun graad of klasse en die wordt georganiseerd ten behoeve van de andere entiteiten dan deze waarin ze zijn geaffecteerd.
De Voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde kan afwijkingen op het vijfde lid toestaan.
1° verbonden zijn aan een graad of klasse, die eveneens bij wege van werving kan worden verleend;
2° verbonden zijn aan een van de volgende afgeschafte graden :
- adjunct-financieel assistent;
- bestuurschef;
- adjunct-fiscaal deskundige.
Om te kunnen worden gemuteerd naar een andere entiteit of administratie in een betrekking bedoeld in het eerste lid, dienen de ambtenaren van het niveau B, C of D met vrucht de basiscursus te hebben gevolgd die, in voorkomend geval, wordt vermeld in de functievereisten bepaald overeenkomstig artikel 43.
De ambtenaren die wensen te muteren naar een in het eerste lid bedoelde betrekking in een andere entiteit of administratie mogen deelnemen aan de basiscursussen die ten behoeve van deze entiteit worden georganiseerd.
De ambtenaren dienen aan de stafdienst Personeel en Organisatie mee te delen dat zij zich wensen in te schrijven voor een basiscursus georganiseerd ten behoeve van een andere entiteit.
De ambtenaren kunnen in een periode van vijf jaar, zich slechts eenmaal inschrijven voor een basiscursus verbonden aan hun graad of klasse en die wordt georganiseerd ten behoeve van de andere entiteiten dan deze waarin ze zijn geaffecteerd.
De Voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde kan afwijkingen op het vijfde lid toestaan.
Art. 24. Les dispositions du présent article sont applicables aux mutations dans les emplois qui :
1° sont liés à un grade ou à une classe qui peuvent être également attribués par voie de recrutement;
2° sont liés aux grades supprimés suivants :
- assistant financier adjoint;
- chef administratif;
- expert fiscal adjoint.
Pour pouvoir être mutés dans une autre entité ou administration dans un emploi visé à l'alinéa 1er, les agents du niveau B, C ou D doivent avoir réussi avec fruit les cours de base qui sont, le cas échéant, repris dans les exigences de la fonction fixées conformément à l'article 43.
Les agents qui désirent être mutés dans un emploi visé à l'alinéa 1er dans une autre entité ou administration peuvent participer aux cours de base organisés pour les besoins de cette entité.
Les agents doivent communiquer au Service d'encadrement Personnel et Organisation leur souhait d'être inscrits au cours de base organisé pour les besoins d'une autre entité.
Les agents ne peuvent s'inscrire par période de cinq ans qu'une seule fois au cours de base lié à leur grade ou à leur classe organisé pour les besoins d'une entité autre que celle dans laquelle ils sont affectés.
Le Président du Comité de direction ou son délégué peut accorder des dérogations à la disposition visée à l'alinéa 5.
1° sont liés à un grade ou à une classe qui peuvent être également attribués par voie de recrutement;
2° sont liés aux grades supprimés suivants :
- assistant financier adjoint;
- chef administratif;
- expert fiscal adjoint.
Pour pouvoir être mutés dans une autre entité ou administration dans un emploi visé à l'alinéa 1er, les agents du niveau B, C ou D doivent avoir réussi avec fruit les cours de base qui sont, le cas échéant, repris dans les exigences de la fonction fixées conformément à l'article 43.
Les agents qui désirent être mutés dans un emploi visé à l'alinéa 1er dans une autre entité ou administration peuvent participer aux cours de base organisés pour les besoins de cette entité.
Les agents doivent communiquer au Service d'encadrement Personnel et Organisation leur souhait d'être inscrits au cours de base organisé pour les besoins d'une autre entité.
Les agents ne peuvent s'inscrire par période de cinq ans qu'une seule fois au cours de base lié à leur grade ou à leur classe organisé pour les besoins d'une entité autre que celle dans laquelle ils sont affectés.
Le Président du Comité de direction ou son délégué peut accorder des dérogations à la disposition visée à l'alinéa 5.
Art. 25. De Voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde kan beslissen om, voor een door hem te bepalen termijn van maximaal vier jaar, de mutatieaanvragen niet in te willigen van de ambtenaren die bij hun werving, bevordering, verandering van graad of mutatie zich kandidaat hebben gesteld voor een betrekking in een dienst of een administratieve standplaats waarvoor hun voorafgaandelijk werd meegedeeld dat in geval van toekenning van de betrekking, zij gedurende een periode van maximaal vier jaar hun recht op mutatie niet zullen kunnen uitoefenen.
Art. 25. Le Président du comité de direction ou son délégué peut décider de ne pas accorder, pendant un délai de maximum quatre ans qu'il détermine, les demandes de mutation d'agents qui, lors de leur recrutement, promotion, changement de grade ou mutation, se sont portés candidats pour un emploi dans un service ou une résidence administrative dont il leur avait été préalablement communiqué qu'en cas d'attribution de l'emploi, ils ne pourraient pas exercer leur droit à la mutation pendant une période de maximum quatre ans.
Art. 26. § 1. In het belang van de dienst kan de uitvoering van een beslissing tot mutatie van een ambtenaar naar een dienst, worden opgeschort voor een periode van maximaal zes maanden.
De gemotiveerde beslissing van de Voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde wordt betekend aan de ambtenaar.
§ 2. Op advies van het Directiecomité kan de Voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde de in paragraaf 1 bedoelde opschorting tweemaal verlengen met een periode van maximaal zes maanden.
De gemotiveerde beslissing van de Voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde wordt betekend aan de ambtenaar.
§ 2. Op advies van het Directiecomité kan de Voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde de in paragraaf 1 bedoelde opschorting tweemaal verlengen met een periode van maximaal zes maanden.
Art. 26. § 1er. L'exécution d'une décision relative à la mutation d'un agent dans un service, peut être suspendue dans l'intérêt du service pendant une période de six mois maximum.
La décision motivée du Président du Comité de direction ou de son délégué est portée à la connaissance de l'agent.
§ 2. Sur avis du Comité de direction, le Président du comité de direction ou son délégué peut prolonger deux fois la suspension visée au paragraphe 1er d'une période de six mois maximum.
La décision motivée du Président du Comité de direction ou de son délégué est portée à la connaissance de l'agent.
§ 2. Sur avis du Comité de direction, le Président du comité de direction ou son délégué peut prolonger deux fois la suspension visée au paragraphe 1er d'une période de six mois maximum.
Art. 27. § 1. De ambtenaren mogen deelnemen aan de loopbaanexamens die worden georganiseerd ten behoeve van een andere entiteit of administratie.
De in het eerste lid bedoelde ambtenaren, die wensen deel te nemen aan loopbaanexamens die worden georganiseerd ten behoeve van een andere entiteit of administratie, dienen met het oog op hun inschrijving voor deze loopbaanexamens, dit mee te delen aan de stafdienst Personeel en Organisatie.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren, die wensen deel te nemen aan de loopbaanexamens die worden georganiseerd ten behoeve van een andere entiteit of administratie, mogen de opleidingen volgen die worden georganiseerd ter voorbereiding van deze loopbaanexamens.
Met het oog op hun inschrijving voor de opleidingen dienen de ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, mee te delen aan de stafdienst Personeel en Organisatie, dat zij wensen te worden geïnformeerd betreffende de opleidingen die zullen worden georganiseerd ter voorbereiding van het loopbaanexamen waaraan zij wensen deel te nemen.
De ambtenaren kunnen in een periode van vijf jaar zich slechts eenmaal inschrijven voor een opleiding die wordt georganiseerd ten behoeve van de andere entiteiten, dan deze waarin ze geaffecteerd zijn.
De Voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde kan afwijkingen op het derde lid toestaan, in het bijzonder wat de opleidingen betreft die voorafgaan aan een loopbaanexamen dat toegang verleent tot een graad of klasse en dat niet wordt georganiseerd ten behoeve van de entiteit waarin de ambtenaar geaffecteerd is.
De in het eerste lid bedoelde ambtenaren, die wensen deel te nemen aan loopbaanexamens die worden georganiseerd ten behoeve van een andere entiteit of administratie, dienen met het oog op hun inschrijving voor deze loopbaanexamens, dit mee te delen aan de stafdienst Personeel en Organisatie.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren, die wensen deel te nemen aan de loopbaanexamens die worden georganiseerd ten behoeve van een andere entiteit of administratie, mogen de opleidingen volgen die worden georganiseerd ter voorbereiding van deze loopbaanexamens.
Met het oog op hun inschrijving voor de opleidingen dienen de ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, mee te delen aan de stafdienst Personeel en Organisatie, dat zij wensen te worden geïnformeerd betreffende de opleidingen die zullen worden georganiseerd ter voorbereiding van het loopbaanexamen waaraan zij wensen deel te nemen.
De ambtenaren kunnen in een periode van vijf jaar zich slechts eenmaal inschrijven voor een opleiding die wordt georganiseerd ten behoeve van de andere entiteiten, dan deze waarin ze geaffecteerd zijn.
De Voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde kan afwijkingen op het derde lid toestaan, in het bijzonder wat de opleidingen betreft die voorafgaan aan een loopbaanexamen dat toegang verleent tot een graad of klasse en dat niet wordt georganiseerd ten behoeve van de entiteit waarin de ambtenaar geaffecteerd is.
Art. 27. § 1er. Les agents peuvent participer aux examens de carrière qui sont organisés pour les besoins d'une autre entité ou administration.
Les agents visés à l'alinéa 1er qui désirent participer aux examens de carrière qui sont organisés pour les besoins d'une autre entité ou administration doivent, en vue de leur inscription à ces examens de carrière, en informer le Service d'encadrement Personnel et Organisation.
§ 2. Les agents visés au paragraphe 1er qui désirent participer aux examens de carrière organisés pour les besoins d'une autre entité ou administration peuvent suivre les formations qui sont organisées en préparation à ces examens de carrière.
En vue de leur inscription aux formations, les agents visés à l'alinéa 1er doivent communiquer au Service d'encadrement Personnel et Organisation qu'ils désirent être informés des formations qui seront organisées en préparation à l'examen de carrière auquel ils désirent participer.
Les agents ne peuvent, par période de cinq ans, s'inscrire qu'une seule fois à une formation organisée pour les besoins d'une entité autre que celle dans laquelle ils sont affectés.
Le Président du Comité de direction ou son délégué peut accorder des dérogations à la disposition reprise à l'alinéa 3, en particulier pour ce qui concerne les formations préparatoires à un examen de carrière donnant accès à un grade ou à une classe et qui n'est pas organisé pour l'entité dans laquelle l'agent est affecté.
Les agents visés à l'alinéa 1er qui désirent participer aux examens de carrière qui sont organisés pour les besoins d'une autre entité ou administration doivent, en vue de leur inscription à ces examens de carrière, en informer le Service d'encadrement Personnel et Organisation.
§ 2. Les agents visés au paragraphe 1er qui désirent participer aux examens de carrière organisés pour les besoins d'une autre entité ou administration peuvent suivre les formations qui sont organisées en préparation à ces examens de carrière.
En vue de leur inscription aux formations, les agents visés à l'alinéa 1er doivent communiquer au Service d'encadrement Personnel et Organisation qu'ils désirent être informés des formations qui seront organisées en préparation à l'examen de carrière auquel ils désirent participer.
Les agents ne peuvent, par période de cinq ans, s'inscrire qu'une seule fois à une formation organisée pour les besoins d'une entité autre que celle dans laquelle ils sont affectés.
Le Président du Comité de direction ou son délégué peut accorder des dérogations à la disposition reprise à l'alinéa 3, en particulier pour ce qui concerne les formations préparatoires à un examen de carrière donnant accès à un grade ou à une classe et qui n'est pas organisé pour l'entité dans laquelle l'agent est affecté.
HOOFDSTUK 2. - Vergelijkende selectie voor overgang [1 naar een of meerdere functies]1 A2 van de cartografie en de hiermee overeenstemmende proef over de beroepsbekwaamheid
CHAPITRE 2. - Sélection comparative d'accession [1 à une ou plusieurs fonctions]1 A2 de la cartographie et l'épreuve de qualification professionnelle correspondante
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 28. In de algemene fiscale administraties kan een vergelijkende selectie voor overgang [1 naar een of meerdere functies]1 van de cartografie behorend tot de klasse A2 worden georganiseerd, alsook een hiermee overeenstemmende proef over de beroepsbekwaamheid.
Art. 28. Une sélection comparative d'accession [1 à une ou plusieurs fonctions]1 de la cartographie appartenant à la classe A2 ainsi qu'une épreuve de qualification professionnelle correspondante peuvent être organisées dans les administrations générales fiscales.
Wijzigingen
Afdeling 2. - De vergelijkende selectie voor overgang [1 naar een of meerdere functies]1 A2 van de cartografie in de algemene fiscale administraties
Section 2. - Les sélections comparatives [1 à une ou plusieurs fonctions]1 A2 de la cartographie dans les administrations générales fiscales
Art. 29. In afwijking van artikel 30 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel, zijn de vergelijkende selectie voor overgang [1 naar een of meerdere functies]1 A2 in de algemene fiscale administraties en de hieraan voorafgaande proeven uitsluitend voorbehouden aan de rijksambtenaren van het niveau B.
Om aan de vergelijkende selectie voor overgang en de hieraan voorafgaande proeven deel te nemen moet de rijksambtenaar zich in een administratieve stand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan laten gelden, en bij zijn laatste evaluatie de vermelding [2 "uitzonderlijk"]2 of " voldoet aan de verwachtingen " hebben gekregen en behouden.
Om aan de vergelijkende selectie voor overgang en de hieraan voorafgaande proeven deel te nemen moet de rijksambtenaar zich in een administratieve stand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan laten gelden, en bij zijn laatste evaluatie de vermelding [2 "uitzonderlijk"]2 of " voldoet aan de verwachtingen " hebben gekregen en behouden.
Art. 29. Par dérogation à l'article 30 de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat, la sélection comparative d'accession [1 à une ou plusieurs fonctions]1 A2 dans les administrations générales fiscales et les épreuves qui y sont préalables sont exclusivement réservées aux agents de l'Etat de niveau B.
Pour participer à la sélection comparative et aux épreuves qui y sont préalables, l'agent de l'Etat doit être dans une position administrative où il peut faire valoir ses titres à la promotion et avoir obtenu et conserver la mention [2 " exceptionnel "]2 ou " répond aux attentes " à sa dernière évaluation.
Pour participer à la sélection comparative et aux épreuves qui y sont préalables, l'agent de l'Etat doit être dans une position administrative où il peut faire valoir ses titres à la promotion et avoir obtenu et conserver la mention [2 " exceptionnel "]2 ou " répond aux attentes " à sa dernière évaluation.
Art. 30. § 1. De vergelijkende selectie voor overgang wordt voorafgegaan door proeven die in twee reeksen zijn ingedeeld.
§ 2. Op de eerste reeks zijn van toepassing de bepalingen van artikel 31, § 3, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel.
§ 3. De tweede reeks omvat vier proeven die een evaluatie van de verwerving van kennis beogen en bestaan in het volgen en slagen voor cursussen georganiseerd door de Federale Overheidsdienst Financiën. De bepalingen van artikel 31, § 4, vierde lid, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel, zijn van toepassing op deze proeven.
In afwijking van artikel 31, § 4, derde lid, van bovenvermeld koninklijk besluit van 7 augustus 1939, wordt de inhoud van de proeven vastgesteld door de directeur van de Stafdienst Personeel en Organisatie of zijn gemachtigde.
[1 Ten minste een van de proeven behoort tot het vakgebied economie, recht of overheidsfinanciën.]1
De andere [2 ...]2 proeven hebben betrekking, hetzij op de in het derde lid genoemde vakgebieden, hetzij andere vakgebieden, die verband houden met de opdrachten van de algemene fiscale administraties, zoals bepaald in de artikelen 2 tot 6 van het koninklijk besluit van 3 december 2009 houdende regeling van de operationele diensten van de Federale Overheidsdienst Financiën.
Voor elke proef van deze reeks is het slagen onbeperkt in de tijd geldig.
In afwijking van artikel 31, § 4, vijfde lid, van bovenvermeld koninklijk besluit van 7 augustus 1939, worden de kandidaten die houder zijn van een master of van een ander diploma dat toegang verleent tot het niveau A, die is uitgereikt door een universiteit of hogeschool niet beschouwd als geslaagden van de proeven van de tweede reeks.
§ 4. De vergelijkende selectie [3 voor een of meerdere functies]3 A2 van de cartografie in de algemene fiscale administraties wordt georganiseerd overeenkomstig artikel 31, § 5, van bovenvermeld koninklijk besluit van 7 augustus 1939.
§ 2. Op de eerste reeks zijn van toepassing de bepalingen van artikel 31, § 3, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel.
§ 3. De tweede reeks omvat vier proeven die een evaluatie van de verwerving van kennis beogen en bestaan in het volgen en slagen voor cursussen georganiseerd door de Federale Overheidsdienst Financiën. De bepalingen van artikel 31, § 4, vierde lid, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel, zijn van toepassing op deze proeven.
In afwijking van artikel 31, § 4, derde lid, van bovenvermeld koninklijk besluit van 7 augustus 1939, wordt de inhoud van de proeven vastgesteld door de directeur van de Stafdienst Personeel en Organisatie of zijn gemachtigde.
[1 Ten minste een van de proeven behoort tot het vakgebied economie, recht of overheidsfinanciën.]1
De andere [2 ...]2 proeven hebben betrekking, hetzij op de in het derde lid genoemde vakgebieden, hetzij andere vakgebieden, die verband houden met de opdrachten van de algemene fiscale administraties, zoals bepaald in de artikelen 2 tot 6 van het koninklijk besluit van 3 december 2009 houdende regeling van de operationele diensten van de Federale Overheidsdienst Financiën.
Voor elke proef van deze reeks is het slagen onbeperkt in de tijd geldig.
In afwijking van artikel 31, § 4, vijfde lid, van bovenvermeld koninklijk besluit van 7 augustus 1939, worden de kandidaten die houder zijn van een master of van een ander diploma dat toegang verleent tot het niveau A, die is uitgereikt door een universiteit of hogeschool niet beschouwd als geslaagden van de proeven van de tweede reeks.
§ 4. De vergelijkende selectie [3 voor een of meerdere functies]3 A2 van de cartografie in de algemene fiscale administraties wordt georganiseerd overeenkomstig artikel 31, § 5, van bovenvermeld koninklijk besluit van 7 augustus 1939.
Art. 30. § 1er. La sélection comparative d'accession est précédée d'épreuves qui se répartissent en deux séries.
§ 2. Les dispositions de l'article 31, § 3, de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat sont applicables à la première série.
§ 3. La deuxième série comprend quatre épreuves qui visent à évaluer l'acquisition de connaissances et consistent dans le suivi et la réussite de cours organisés par le Service public fédéral Finances. Les dispositions de l'article 31, § 4, alinéa 4, de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat sont d'application à ces quatre épreuves.
Par dérogation à l'article 31, § 4, alinéa 3, de l'arrêté royal du 7 août 1939 précité, le contenu des épreuves est fixé par le directeur du Service d'encadrement Personnel et Organisation ou son délégué.
[1 Au moins une des épreuves relève du domaine de l'économie, du droit ou des finances publiques.]1
Les [1 ...]1 autres épreuves ont trait soit aux domaines cités à l'alinéa 3, soit à d'autres domaines qui ont un lien avec les missions des administrations générales fiscales, telles que fixées aux articles 2 à 6 de l'arrêté royal du 3 décembre 2009 organique des services opérationnels du Service public fédéral Finances.
La réussite de chaque épreuve de cette série est valable sans limitation de temps.
Par dérogation à l'article 31, § 4, alinéa 5, de l'arrêté royal du 7 août 1939 précité, les candidats titulaires d'un master ou d'un autre diplôme qui donne accès au niveau A délivrés par une université ou une haute école ne sont pas considérés comme lauréats des épreuves de la deuxième série.
§ 4. La sélection comparative [2 à une ou plusieurs fonctions]2 A2 de la cartographie dans les administrations générales fiscales est organisée conformément à l'article 31, § 5, de l'arrêté royal du 7 août 1939 précité.
§ 2. Les dispositions de l'article 31, § 3, de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat sont applicables à la première série.
§ 3. La deuxième série comprend quatre épreuves qui visent à évaluer l'acquisition de connaissances et consistent dans le suivi et la réussite de cours organisés par le Service public fédéral Finances. Les dispositions de l'article 31, § 4, alinéa 4, de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat sont d'application à ces quatre épreuves.
Par dérogation à l'article 31, § 4, alinéa 3, de l'arrêté royal du 7 août 1939 précité, le contenu des épreuves est fixé par le directeur du Service d'encadrement Personnel et Organisation ou son délégué.
[1 Au moins une des épreuves relève du domaine de l'économie, du droit ou des finances publiques.]1
Les [1 ...]1 autres épreuves ont trait soit aux domaines cités à l'alinéa 3, soit à d'autres domaines qui ont un lien avec les missions des administrations générales fiscales, telles que fixées aux articles 2 à 6 de l'arrêté royal du 3 décembre 2009 organique des services opérationnels du Service public fédéral Finances.
La réussite de chaque épreuve de cette série est valable sans limitation de temps.
Par dérogation à l'article 31, § 4, alinéa 5, de l'arrêté royal du 7 août 1939 précité, les candidats titulaires d'un master ou d'un autre diplôme qui donne accès au niveau A délivrés par une université ou une haute école ne sont pas considérés comme lauréats des épreuves de la deuxième série.
§ 4. La sélection comparative [2 à une ou plusieurs fonctions]2 A2 de la cartographie dans les administrations générales fiscales est organisée conformément à l'article 31, § 5, de l'arrêté royal du 7 août 1939 précité.
Art. 31. De geslaagden, onder voorbehoud dat ze de vermelding [1 "uitzonderlijk"]1 of " voldoet aan de verwachtingen " hebben behouden of teruggekregen, worden in de dienst geroepen in de openstaande betrekkingen, volgens de volgorde van hun rangschikking.
In afwijking van artikel 31bis, tweede lid, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel, kunnen de laureaten van een vergelijkende selectie voor overgang [2 naar een of meerdere functies]2 A2 in een algemene fiscale administratie bedoeld in artikel 28, op basis van het slagen van deze selectie niet ingaan op een aanbod van een andere dienst bedoeld in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken.
In afwijking van artikel 31bis, tweede lid, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel, kunnen de laureaten van een vergelijkende selectie voor overgang [2 naar een of meerdere functies]2 A2 in een algemene fiscale administratie bedoeld in artikel 28, op basis van het slagen van deze selectie niet ingaan op een aanbod van een andere dienst bedoeld in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken.
Art. 31. Sous réserve d'avoir conservé ou recouvré la mention [1 " exceptionnel "]1 ou " répond aux attentes ", les lauréats sont appelés en service dans les emplois vacants selon l'ordre de leur classement.
Par dérogation à l'article 31bis, alinéa 2, de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat, les lauréats d'une sélection comparative d'accession [2 à une ou plusieurs fonctions]2 A2 dans une administration générale fiscale visée à l'article 28 ne peuvent pas, sur base de la réussite de cette sélection, répondre à une offre d'un autre service visé à l'article 1er de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique.
Par dérogation à l'article 31bis, alinéa 2, de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat, les lauréats d'une sélection comparative d'accession [2 à une ou plusieurs fonctions]2 A2 dans une administration générale fiscale visée à l'article 28 ne peuvent pas, sur base de la réussite de cette sélection, répondre à une offre d'un autre service visé à l'article 1er de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique.
Afdeling 3. - De proef over de beroepsbekwaamheid die in de algemene fiscale administraties toegang geeft [1 tot een of meerdere functies]1 A2 van de cartografie
Section 3. - Les épreuves de qualification professionnelle donnant accès [1 à une ou plusieurs fonctions]1 A2 de la cartographie dans les administrations générales fiscales
Art. 33. In afwijking van het artikel 26 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel, kunnen in de algemene fiscale administraties ambtenaren van het niveau A bevorderd worden in de klasse A2 op grond van het slagen voor een proef over de beroepsbekwaamheid die toegang geeft [1 tot een of meerdere functies]1 A2 van de cartografie.
De proef over de beroepsbekwaamheid staat open voor de rijksambtenaren van het niveau A.
De proef over de beroepsbekwaamheid staat open voor de rijksambtenaren van het niveau A.
Art. 33. Dans les administrations générales fiscales, par dérogation à l'article 26 de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat, les agents du niveau A peuvent être promus dans la classe A2 sur base d'une épreuve de qualification professionnelle donnant accès [1 à une ou plusieurs fonctions]1 A2 de la cartographie.
L'épreuve de qualification professionnelle est accessible aux agents statutaires du niveau A.
L'épreuve de qualification professionnelle est accessible aux agents statutaires du niveau A.
Wijzigingen
Art. 34. Om aan de proef over de beroepsbekwaamheid en de hieraan voorafgaande twee proeven deel te nemen moet de rijksambtenaar zich in een administratieve stand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan laten gelden, en bij zijn laatste evaluatie de vermelding [1 "uitzonderlijk"]1 of " voldoet aan de verwachtingen " hebben gekregen en behouden.
Art. 34. Pour participer à l'épreuve de qualification professionnelle et aux deux épreuves qui y sont préalables, l'agent de l'Etat doit être dans une position où il peut faire valoir ses titres à la promotion et avoir obtenu et conserver la mention [1 " exceptionnel "]1 ou " répond aux attentes " à sa dernière évaluation.
Wijzigingen
Art. 35. § 1. De proef over de beroepsbekwaamheid wordt voorafgegaan door twee proeven.
De twee proeven hebben betrekking op vakgebieden die verband houden met de opdrachten van de algemene fiscale administraties, zoals bepaald in de artikelen 2 tot 6 van het koninklijk besluit van 3 december 2009 houdende regeling van de operationele diensten van de Federale Overheidsdienst Financiën. [1 Deze proeven zijn identiek aan twee van de proeven bedoeld in artikel 30, § 3, 4e lid.]1
[1 De proeven beogen een evaluatie van de verwerving van kennis en bestaan in het volgen en slagen van cursussen georganiseerd door de Federale Overheidsdienst Financiën.]1
Voor elk van deze proeven is het slagen onbeperkt in de tijd geldig.
§ 2. De proef over de beroepsbekwaamheid die in de algemene fiscale administraties toegang geeft [2 tot een of meerdere functies]2 A2 van de cartografie wordt georganiseerd door SELOR. SELOR kan ze geheel of gedeeltelijk toevertrouwen aan de Federale Overheidsdienst Financiën. Ze is alleen toegankelijk voor de geslaagden van de twee proeven, bedoeld in paragraaf 1, tweede lid.
De proef over de beroepsbekwaamheid kan meerdere proeven omvatten, waarvan de eerste een uitsluitingsproef kan zijn.
De proef over de beroepsbekwaamheid wordt afgesloten met een rangschikking van kandidaten die geschikt zijn bevonden om de functie uit te oefenen.
De resultaten van de proef over de beroepsbekwaamheid zijn twee jaar geldig. Die termijn kan een keer worden verlengd met maximum twee jaar, door de Voorzitter van het directiecomité of de directeur van de stafdienst Personeel en Organisatie.
§ 3. De geslaagden, onder voorbehoud dat ze de vermelding [3 "uitzonderlijk"]3 of " voldoet aan de verwachtingen " hebben behouden of teruggekregen, worden bevorderd in de openstaande betrekkingen, volgens de volgorde van hun rangschikking.
[4 ...]4
De twee proeven hebben betrekking op vakgebieden die verband houden met de opdrachten van de algemene fiscale administraties, zoals bepaald in de artikelen 2 tot 6 van het koninklijk besluit van 3 december 2009 houdende regeling van de operationele diensten van de Federale Overheidsdienst Financiën. [1 Deze proeven zijn identiek aan twee van de proeven bedoeld in artikel 30, § 3, 4e lid.]1
[1 De proeven beogen een evaluatie van de verwerving van kennis en bestaan in het volgen en slagen van cursussen georganiseerd door de Federale Overheidsdienst Financiën.]1
Voor elk van deze proeven is het slagen onbeperkt in de tijd geldig.
§ 2. De proef over de beroepsbekwaamheid die in de algemene fiscale administraties toegang geeft [2 tot een of meerdere functies]2 A2 van de cartografie wordt georganiseerd door SELOR. SELOR kan ze geheel of gedeeltelijk toevertrouwen aan de Federale Overheidsdienst Financiën. Ze is alleen toegankelijk voor de geslaagden van de twee proeven, bedoeld in paragraaf 1, tweede lid.
De proef over de beroepsbekwaamheid kan meerdere proeven omvatten, waarvan de eerste een uitsluitingsproef kan zijn.
De proef over de beroepsbekwaamheid wordt afgesloten met een rangschikking van kandidaten die geschikt zijn bevonden om de functie uit te oefenen.
De resultaten van de proef over de beroepsbekwaamheid zijn twee jaar geldig. Die termijn kan een keer worden verlengd met maximum twee jaar, door de Voorzitter van het directiecomité of de directeur van de stafdienst Personeel en Organisatie.
§ 3. De geslaagden, onder voorbehoud dat ze de vermelding [3 "uitzonderlijk"]3 of " voldoet aan de verwachtingen " hebben behouden of teruggekregen, worden bevorderd in de openstaande betrekkingen, volgens de volgorde van hun rangschikking.
[4 ...]4
Art. 35. § 1er. L'épreuve de qualification professionnelle est précédée de deux épreuves.
Les deux épreuves ont trait à des domaines qui ont un lien avec les missions des administrations générales fiscales, telles que fixées aux articles 2 à 6 de l'arrêté royal du 3 décembre 2009 organique des services opérationnels du Service public fédéral Finances. [1 Ces épreuves sont identiques à deux des épreuves visées à l'article 30, § 3, alinéa 4.]1
[1 Les épreuves visent à évaluer l'acquisition de connaissances et consistent en le suivi et la réussite de cours organisés par le Service public fédéral Finances.]1
Pour chacune de ces épreuves, la réussite est valable sans limite dans le temps.
§ 2. L'épreuve de qualification professionnelle donnant accès [2 à une ou plusieurs fonctions]2 A2 de la cartographie dans les administrations générales fiscales est organisée par SELOR. SELOR peut en confier tout ou partie au Service public fédéral Finances. Elle est uniquement accessible aux lauréats des deux épreuves visées au paragraphe 1er, alinéa 2.
L'épreuve de qualification professionnelle peut comprendre plusieurs épreuves dont la première peut être éliminatoire.
L'épreuve de qualification professionnelle se conclut par un classement des candidats qui sont reconnus aptes à exercer la fonction.
Les résultats de l'épreuve de qualification professionnelle sont valables deux ans. Cette durée peut être prolongée une seule fois pour un maximum de deux ans par le Président du Comité de direction ou le directeur du Service d'encadrement Personnel et Organisation.
§ 3. Sous réserve d'avoir conservé ou recouvré la mention [3 " exceptionnel "]3 ou " répond aux attentes ", les lauréats sont promus dans les emplois vacants selon l'ordre de leur classement.
[4 ...]4
Les deux épreuves ont trait à des domaines qui ont un lien avec les missions des administrations générales fiscales, telles que fixées aux articles 2 à 6 de l'arrêté royal du 3 décembre 2009 organique des services opérationnels du Service public fédéral Finances. [1 Ces épreuves sont identiques à deux des épreuves visées à l'article 30, § 3, alinéa 4.]1
[1 Les épreuves visent à évaluer l'acquisition de connaissances et consistent en le suivi et la réussite de cours organisés par le Service public fédéral Finances.]1
Pour chacune de ces épreuves, la réussite est valable sans limite dans le temps.
§ 2. L'épreuve de qualification professionnelle donnant accès [2 à une ou plusieurs fonctions]2 A2 de la cartographie dans les administrations générales fiscales est organisée par SELOR. SELOR peut en confier tout ou partie au Service public fédéral Finances. Elle est uniquement accessible aux lauréats des deux épreuves visées au paragraphe 1er, alinéa 2.
L'épreuve de qualification professionnelle peut comprendre plusieurs épreuves dont la première peut être éliminatoire.
L'épreuve de qualification professionnelle se conclut par un classement des candidats qui sont reconnus aptes à exercer la fonction.
Les résultats de l'épreuve de qualification professionnelle sont valables deux ans. Cette durée peut être prolongée une seule fois pour un maximum de deux ans par le Président du Comité de direction ou le directeur du Service d'encadrement Personnel et Organisation.
§ 3. Sous réserve d'avoir conservé ou recouvré la mention [3 " exceptionnel "]3 ou " répond aux attentes ", les lauréats sont promus dans les emplois vacants selon l'ordre de leur classement.
[4 ...]4
Afdeling 4. - Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de vergelijkende selectie voor overgang [1 naar een of meerdere functies]1 A2 van de cartografie in de algemene fiscale administraties en de hiermee overeenstemmende proef over de beroepsbekwaamheid
Section 4. - Dispositions communes relatives à la sélection comparative d'accession [1 à une ou plusieurs fonctions]1 A2 de la cartographie dans les administrations générales fiscales et à l'épreuve de qualification professionnelle correspondante
Art. 36. In afwijking van artikel 31, § 5, derde lid, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel, maken de vergelijkende selectie voor overgang [1 naar een of meerdere functies]1 A2 van de cartografie in de algemene fiscale administraties en de hiermee overeenstemmende proef over de beroepsbekwaamheid het voorwerp uit van één en dezelfde organisatie.
In afwijking van artikel 31, § 5, derde lid, van het bovenvermeld koninklijk besluit van 7 augustus 1939, wanneer de geslaagden van de vergelijkende selectie voor overgang en/of de proef over de beroepsbekwaamheid ex aequo werden gerangschikt worden zij, met het oog op hun bevordering, subsidiair als volgt gerangschikt :
1° de ambtenaar met de grootste gecumuleerde anciënniteit in de klasse A1 en/of in de graden die toegang verlenen tot de vergelijkende selectie voor overgang naar een functie A2 in de algemene fiscale administraties;
2° bij gelijke rangschikking overeenkomstig 1°, de ambtenaar met de grootste dienstanciënniteit;
3° bij gelijk rangschikking overeenkomstig 2°, de oudste ambtenaar.
In afwijking van artikel 31, § 5, derde lid, van het bovenvermeld koninklijk besluit van 7 augustus 1939, wanneer de geslaagden van de vergelijkende selectie voor overgang en/of de proef over de beroepsbekwaamheid ex aequo werden gerangschikt worden zij, met het oog op hun bevordering, subsidiair als volgt gerangschikt :
1° de ambtenaar met de grootste gecumuleerde anciënniteit in de klasse A1 en/of in de graden die toegang verlenen tot de vergelijkende selectie voor overgang naar een functie A2 in de algemene fiscale administraties;
2° bij gelijke rangschikking overeenkomstig 1°, de ambtenaar met de grootste dienstanciënniteit;
3° bij gelijk rangschikking overeenkomstig 2°, de oudste ambtenaar.
Art. 36. Par dérogation à l'article 31, § 5, alinéa 3, de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat, la sélection comparative d'accession [1 à une ou plusieurs fonctions]1 A2 de la cartographie dans les administrations générales fiscales et l'épreuve de qualification professionnelle correspondante font l'objet d'une seule et même organisation.
Par dérogation à l'article 31, § 5, alinéa 3, de l'arrêté royal du 7 août 1939 précité, lorsque des lauréats de la sélection comparative d'accession et/ou de l'épreuve de qualification professionnelle ont été classés ex aequo, ils sont alors, en vue de leur promotion, classés subsidiairement comme suit :
1° l'agent dont l'ancienneté cumulée dans la classe A1 et/ou les grades donnant accès à la sélection comparative d'accession à une fonction A2 dans les administrations générales fiscales est la plus grande;
2° en cas d'égalité de classement conformément au 1°, l'agent dont l'ancienneté de service est la plus grande;
3° en cas d'égalité de classement conformément au 2°, l'agent le plus âgé.
Par dérogation à l'article 31, § 5, alinéa 3, de l'arrêté royal du 7 août 1939 précité, lorsque des lauréats de la sélection comparative d'accession et/ou de l'épreuve de qualification professionnelle ont été classés ex aequo, ils sont alors, en vue de leur promotion, classés subsidiairement comme suit :
1° l'agent dont l'ancienneté cumulée dans la classe A1 et/ou les grades donnant accès à la sélection comparative d'accession à une fonction A2 dans les administrations générales fiscales est la plus grande;
2° en cas d'égalité de classement conformément au 1°, l'agent dont l'ancienneté de service est la plus grande;
3° en cas d'égalité de classement conformément au 2°, l'agent le plus âgé.
Wijzigingen
Art. 36/1. [1 Wanneer er geslaagden van verschillende vergelijkende selecties voor overgang naar het niveau A en/of proeven over de beroepsbekwaamheid naar eenzelfde bevordering dingen, worden zij gerangschikt volgens de datum van de processen-verbaal van afsluiting, te beginnen met de verst afgelegen datum, en, voor elke vergelijkende selectie of proef over de beroepsbekwaamheid, in de volgorde van hun rangschikking.]1
Art.36/1. [1 Lorsque des lauréats de différentes sélections comparatives d'accession au niveau A et/ou d'épreuves de qualification professionnelle sont en compétition pour une même promotion, ils sont classés suivant l'ordre chronologique des procès-verbaux de clôture, à commencer par la date la plus ancienne, et, pour chaque sélection comparative ou épreuve de qualification professionnelle, dans l'ordre de leur classement.]1
Art. 37. Een vrijstelling van één of meerdere proeven van de tweede reeks van proeven die de vergelijkende selectie voor overgang [1 naar een of meerdere functies]1 A2 van de cartografie in de algemene fiscale administraties voorafgaan, alsook een vrijstelling van één of twee proeven die de overeenstemmende proef over de beroepsbekwaamheid voorafgaan, wordt ambtshalve verleend aan de rijksambtenaren die geslaagd zijn voor de technische proeven bedoeld in artikel 16quater van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 tot vaststelling van het organiek reglement van de Federale Overheidsdienst Financiën, en van de bijzondere bepalingen die er voorzien in de uitvoering van het statuut van het Rijkspersoneel, zoals dit artikel van toepassing was voor zijn opheffing.
De vrijstelling wordt bepaald door de afgevaardigd bestuurder van SELOR, na advies van de Voorzitter van het directiecomité of de directeur van de stafdienst Personeel en Organisatie.
De technische proeven zoals bedoeld in hetzelfde artikel 16quater behelzen ook de vakken die hiermee gelijkwaardig werden verklaard bij ministerieel besluit van 10 december 1997 tot vaststelling van de gelijkwaardigheid tussen enerzijds de vakken van de verschillende gedeelten van loopbaanexamens die toegang gaven tot een graad van rang 11 georganiseerd in de periode van 1 januari 1985 tot 1 juli 1997 en anderzijds de vakken van de technische proeven van de laatste tijdens de voormelde periode georganiseerde loopbaanexamens die toegang gaven tot een graad van rang 11.
De vrijstelling wordt bepaald door de afgevaardigd bestuurder van SELOR, na advies van de Voorzitter van het directiecomité of de directeur van de stafdienst Personeel en Organisatie.
De technische proeven zoals bedoeld in hetzelfde artikel 16quater behelzen ook de vakken die hiermee gelijkwaardig werden verklaard bij ministerieel besluit van 10 december 1997 tot vaststelling van de gelijkwaardigheid tussen enerzijds de vakken van de verschillende gedeelten van loopbaanexamens die toegang gaven tot een graad van rang 11 georganiseerd in de periode van 1 januari 1985 tot 1 juli 1997 en anderzijds de vakken van de technische proeven van de laatste tijdens de voormelde periode georganiseerde loopbaanexamens die toegang gaven tot een graad van rang 11.
Art. 37. Une dispense d'une ou plusieurs épreuves de la deuxième série qui sont préalables à la sélection comparative d'accession [1 à une ou plusieurs fonctions]1 A2 de la cartographie dans les administrations générales fiscales ainsi qu'une dispense d'une ou des deux épreuves préalables à l'épreuve de qualification professionnelle correspondante est d'office accordée aux agents de l'Etat lauréats des épreuves techniques visées à l'article 16quater de l'arrêté royal du 29 octobre 1971 fixant le règlement organique du Service public fédéral Finances, ainsi que les dispositions particulières y assurant l'exécution du Statut des agents de l'Etat, tel que cet article était d'application avant son abrogation.
La dispense est accordée par l'administrateur délégué de SELOR, sur avis du Président du Comité de direction ou du directeur du Service d'encadrement Personnel et Organisation.
Les épreuves techniques telles que visées dans le même article 16quater comprennent également les matières déclarées équivalentes par l'arrêté ministériel du 10 décembre 1997 déterminant l'équivalence entre d'une part les matières des différentes parties des épreuves de carrière qui donnaient accès à un grade du rang 11 organisées dans la période du 1er janvier 1985 au 1er juillet 1997 et dàutre part, les matières des épreuves techniques des dernières épreuves de carrière qui donnaient accès à un grade du rang 11 organisées pendant la période précitée.
La dispense est accordée par l'administrateur délégué de SELOR, sur avis du Président du Comité de direction ou du directeur du Service d'encadrement Personnel et Organisation.
Les épreuves techniques telles que visées dans le même article 16quater comprennent également les matières déclarées équivalentes par l'arrêté ministériel du 10 décembre 1997 déterminant l'équivalence entre d'une part les matières des différentes parties des épreuves de carrière qui donnaient accès à un grade du rang 11 organisées dans la période du 1er janvier 1985 au 1er juillet 1997 et dàutre part, les matières des épreuves techniques des dernières épreuves de carrière qui donnaient accès à un grade du rang 11 organisées pendant la période précitée.
Wijzigingen
Afdeling 5. - Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de vergelijkende selectie voor overgang naar het niveau A en de proef over de beroepsbekwaamheid die in de algemene fiscale administraties toegang geeft [1 tot een of meerdere functies]1 A2 van de cartografie
Section 5. - Dispositions communes relatives à la sélection comparative d'accession au niveau A et à l'épreuve de qualification professionnelle qui donne accès [1 à une ou plusieurs fonctions]1 A2 de la cartographie dans les administrations générales fiscales
Art. 38. In afwijking van artikel 23 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel, is het met redenen omkleed advies van het Directiecomité niet vereist voor de bevordering tot de klasse A1 of de klasse A2 wanneer deze plaats heeft op grond van een vergelijkende selectie voor overgang of een proef over de beroepsbekwaamheid, die in de algemene fiscale administraties toegang geeft [1 tot een of meerdere functies]1 A2 van de cartografie.
Het voorstel tot bevordering wordt gedaan door de Voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde.
[2 Het in het tweede lid bedoelde voorstel wordt schriftelijk of elektronisch meegedeeld aan alle kandidaten die hun kandidatuur geldig hebben ingediend.
De ambtenaar die zich benadeeld acht kan binnen de tien werkdagen na de mededeling een bezwaarschrift indienen op een van de volgende wijzen:
1° per aangetekend schrijven;
2° per overhandigde brief;
3° via elektronische weg.
Onder werkdag dient te worden verstaan alle dagen met uitzondering van zaterdagen, zondagen en feestdagen.
Om tegenstelbaar te zijn dient de kandidaat te beschikken over een ontvangstmelding die de afgifte van het bezwaarschrift bewijst.
Indien, na het onderzoek van het bezwaarschrift, het voorstel niet wordt gewijzigd door de bevoegde overheid, wordt deze beslissing enkel meegedeeld aan de kandidaat die de klacht heeft ingediend. De mededeling gebeurt schriftelijk of elektronisch.
Indien integendeel een nieuw voorstel wordt uitgebracht, wordt dit schriftelijk of elektronisch meegedeeld aan alle kandidaten die geldig hun kandidatuur hebben ingediend.]2
Indien een ambtenaar zich opnieuw benadeeld acht, kan hij een schriftelijke klacht indienen volgens de in het vierde lid bedoelde procedure.
Het voorstel tot bevordering wordt gedaan door de Voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde.
[2 Het in het tweede lid bedoelde voorstel wordt schriftelijk of elektronisch meegedeeld aan alle kandidaten die hun kandidatuur geldig hebben ingediend.
De ambtenaar die zich benadeeld acht kan binnen de tien werkdagen na de mededeling een bezwaarschrift indienen op een van de volgende wijzen:
1° per aangetekend schrijven;
2° per overhandigde brief;
3° via elektronische weg.
Onder werkdag dient te worden verstaan alle dagen met uitzondering van zaterdagen, zondagen en feestdagen.
Om tegenstelbaar te zijn dient de kandidaat te beschikken over een ontvangstmelding die de afgifte van het bezwaarschrift bewijst.
Indien, na het onderzoek van het bezwaarschrift, het voorstel niet wordt gewijzigd door de bevoegde overheid, wordt deze beslissing enkel meegedeeld aan de kandidaat die de klacht heeft ingediend. De mededeling gebeurt schriftelijk of elektronisch.
Indien integendeel een nieuw voorstel wordt uitgebracht, wordt dit schriftelijk of elektronisch meegedeeld aan alle kandidaten die geldig hun kandidatuur hebben ingediend.]2
Indien een ambtenaar zich opnieuw benadeeld acht, kan hij een schriftelijke klacht indienen volgens de in het vierde lid bedoelde procedure.
Art. 38. Par dérogation à l'article 23 de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat, l'avis motivé du Comité de direction n'est pas requis pour la promotion à la classe A1 ou A2 lorsque celle-ci a lieu sur base d'une sélection comparative d'accession à la classe A2 ou d'une épreuve de qualification professionnelle donnant accès [1 à une ou plusieurs fonctions]1 A2 de la cartographie dans les administrations générales fiscales.
La proposition de promotion est faite par le Président du comité de direction ou son délégué.
[2 La proposition visée à l'alinéa 2 est communiquée par écrit ou par voie électronique à tous les candidats qui ont valablement introduit leur candidature.
L'agent qui s'estime lésé peut introduire dans les dix jours ouvrables de la communication une réclamation par l'un des modes suivants :
1° par courrier recommandé ;
2° par lettre remise de la main à la main ;
3° par voie électronique.
Par jour ouvrable, l'on entend tous les jours à l'exception des samedis, dimanches et jours fériés.
Pour être opposable, le candidat doit disposer d'un accusé réception prouvant le dépôt de la réclamation.
Si, après examen de la réclamation, la proposition n'est pas modifiée par l'autorité compétente, cette décision est uniquement communiquée au candidat qui a introduit la réclamation. Cette communication est faite par écrit ou par voie électronique.
Si, par contre, une nouvelle proposition est émise, elle est communiquée par écrit ou par voie électronique à tous les candidats qui ont introduit valablement leur candidature.]2
Si à nouveau, un agent s'estime lésé, il peut introduire une réclamation écrite selon la procédure prévue à l'alinéa 4.
La proposition de promotion est faite par le Président du comité de direction ou son délégué.
[2 La proposition visée à l'alinéa 2 est communiquée par écrit ou par voie électronique à tous les candidats qui ont valablement introduit leur candidature.
L'agent qui s'estime lésé peut introduire dans les dix jours ouvrables de la communication une réclamation par l'un des modes suivants :
1° par courrier recommandé ;
2° par lettre remise de la main à la main ;
3° par voie électronique.
Par jour ouvrable, l'on entend tous les jours à l'exception des samedis, dimanches et jours fériés.
Pour être opposable, le candidat doit disposer d'un accusé réception prouvant le dépôt de la réclamation.
Si, après examen de la réclamation, la proposition n'est pas modifiée par l'autorité compétente, cette décision est uniquement communiquée au candidat qui a introduit la réclamation. Cette communication est faite par écrit ou par voie électronique.
Si, par contre, une nouvelle proposition est émise, elle est communiquée par écrit ou par voie électronique à tous les candidats qui ont introduit valablement leur candidature.]2
Si à nouveau, un agent s'estime lésé, il peut introduire une réclamation écrite selon la procédure prévue à l'alinéa 4.
HOOFDSTUK 3.
CHAPITRE 3.
HOOFDSTUK 4. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot de Algemene Administratie van de Thesaurie
CHAPITRE 4. - Dispositions particulières relatives à l'Administration générale de la trésorerie
HOOFDSTUK 5. - Rangschikking van de kandidaten voor bevordering of mutatie in een bijzondere graad
CHAPITRE 5. - Classement des candidats pour la promotion ou la mutation dans des grades particuliers
Art. 42. De wijzen waarop de betrekkingen die verbonden zijn aan een bijzondere graad kunnen worden toegekend, de vereiste toekenningsvoorwaarden, de rangschikking van de kandidaten, de loopbaanexamens en de deelnemingsvoorwaarden hiervoor worden vastgesteld door dit besluit en zijn bijlage.
Art. 42. Les modes par lesquels des emplois liés à un grade particulier sont attribués, les conditions d'attribution, le classement des candidats, les examens de carrière et les conditions de participation à ceux-ci sont fixés par le présent arrêté et son annexe.
Art. 43. De vereisten van de functie, in de zin van artikel 49, § 2, 1e lid, van het Statuut van het rijkspersoneel, worden voor de functies behorend tot de niveaus B, C en D bepaald door de Voorzitter van het directiecomité.
Art. 43. Les exigences de la fonction, au sens de l'article 49, § 2, alinéa 1er, du Statut des agents de l'Etat, sont fixées pour les fonctions des niveaux B, C et D par le Président du comité de direction.
Art. 44. Met uitzondering van wat betreft de mutaties, worden de kandidaten voor een betrekking waaraan een bijzondere graad is verbonden, gerangschikt in de volgende orde van voorrang :
1° de ambtenaar die behoort tot de groep van kandidaten met het kleinste volgnummer dat voorkomt in kolom 1 van de bijlage;
2° bij gelijke of bij gebrek aan rangschikking overeenkomstig 1°, de best gerangschikte ambtenaar overeenkomstig de andere bepalingen opgenomen in de kolommen 1 en 2 van de bijlage.
1° de ambtenaar die behoort tot de groep van kandidaten met het kleinste volgnummer dat voorkomt in kolom 1 van de bijlage;
2° bij gelijke of bij gebrek aan rangschikking overeenkomstig 1°, de best gerangschikte ambtenaar overeenkomstig de andere bepalingen opgenomen in de kolommen 1 en 2 van de bijlage.
Art. 44. A l'exception de ce qui concerne les mutations, les candidats à un emploi auquel est attaché un grade particulier sont classés selon l'ordre de priorité suivant :
1° l'agent faisant partie du groupe de candidats portant le numéro d'ordre le moins élevé figurant à la colonne 1 de l'annexe;
2° à égalité ou à défaut de classement conformément au 1°, l'agent le mieux classé conformément aux autres dispositions prévues dans les colonnes 1 et 2 de l'annexe.
1° l'agent faisant partie du groupe de candidats portant le numéro d'ordre le moins élevé figurant à la colonne 1 de l'annexe;
2° à égalité ou à défaut de classement conformément au 1°, l'agent le mieux classé conformément aux autres dispositions prévues dans les colonnes 1 et 2 de l'annexe.
HOOFDSTUK 6. - Bijzondere bepalingen betreffende de benoemingen
CHAPITRE 6. - Dispositions particulières relatives aux nominations
Art. 45. § 1. De Minister of zijn gemachtigde verklaart de betrekkingen van niveau A vacant.
De betrekkingen behorend tot het niveau B, C of D worden vacant verklaard door de Voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde overheid stelt de datum of data vast waarop de benoemingsvoorwaarden voor de vacant verklaarde betrekkingen moeten vervuld zijn.
De betrekkingen behorend tot het niveau B, C of D worden vacant verklaard door de Voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde overheid stelt de datum of data vast waarop de benoemingsvoorwaarden voor de vacant verklaarde betrekkingen moeten vervuld zijn.
Art. 45. § 1er. Le Ministre ou son délégué déclare vacants les emplois du niveau A.
Les emplois des niveaux B, C ou D sont déclarés vacants par le Président du Comité de direction ou son délégué.
§ 2. L'autorité visée au paragraphe 1er fixe la ou les dates auxquelles les conditions de nomination pour les emplois déclarés vacants doivent être remplies.
Les emplois des niveaux B, C ou D sont déclarés vacants par le Président du Comité de direction ou son délégué.
§ 2. L'autorité visée au paragraphe 1er fixe la ou les dates auxquelles les conditions de nomination pour les emplois déclarés vacants doivent être remplies.
Art. 46. Wanneer het bestuur van de Medische Expertise vaststelt dat een ambtenaar niet meer in staat is zijn functie volledig, geregeld en onafgebroken uit te oefenen en ze later terug te hervatten, kan de in artikel 45, § 1, bedoelde overheid zijn betrekking vacant verklaren.
Art. 46. Lorsque l'administration de l'expertise médicale constate qu'un agent est hors d'état de remplir ses fonctions d'une manière complète, régulière et continue et de les reprendre à l'avenir, l'autorité compétente visée à l'article 45, § 1er, peut déclarer son emploi vacant.
Art. 47. De procedures van incompetitiestelling kunnen met het oog op bevorderingen, veranderingen van graad en mutaties tot nog niet vacante betrekkingen worden uitgebreid, de benoemingen en de mutaties in die betrekkingen mogen geen uitwerking hebben vooraleer zij werkelijk vacant zijn.
Art. 47. Les procédures de mise en compétition en vue de promotions, de changements de grade et de mutations peuvent être ouvertes à des emplois qui ne sont pas encore vacants; les nominations et les mutations dans ces emplois ne peuvent prendre effet avant que l'emploi ne soit réellement vacant.
HOOFDSTUK 7.
CHAPITRE 7.
HOOFDSTUK 8. - Diverse bepalingen
CHAPITRE 8. - Dispositions diverses
Art. 49. De administratieve standplaats van de ambtenaren wordt bepaald door de Voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde.
Art. 49. La résidence administrative des agents est fixée par le Président du Comité de direction ou son délégué.
Art. 50. In afwijking van artikel 49 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, kan de Voorzitter van het directiecomité een ambtenaar ambtshalve muteren naar een dienst gevestigd in een andere administratieve standplaats in de volgende gevallen :
1° wanneer de dienst waarvoor de ambtenaar werd aangewezen verhuist naar een andere administratieve standplaats;
2° wanneer de dienst waarvoor de ambtenaar werd aangewezen wordt afgeschaft en een of meerdere diensten gevestigd in een andere administratieve standplaats de materiële en territoriale bevoegdheden geheel of gedeeltelijk overneemt;
3° wanneer een of meerdere diensten gevestigd in een andere administratieve standplaats gedeeltelijk de materiële en/of territoriale bevoegdheden overnemen van de dienst waarvoor de ambtenaar werd aangewezen;
4° wanneer de werklast van de dienst vermindert in verhouding tot het aantal personeelsleden.
1° wanneer de dienst waarvoor de ambtenaar werd aangewezen verhuist naar een andere administratieve standplaats;
2° wanneer de dienst waarvoor de ambtenaar werd aangewezen wordt afgeschaft en een of meerdere diensten gevestigd in een andere administratieve standplaats de materiële en territoriale bevoegdheden geheel of gedeeltelijk overneemt;
3° wanneer een of meerdere diensten gevestigd in een andere administratieve standplaats gedeeltelijk de materiële en/of territoriale bevoegdheden overnemen van de dienst waarvoor de ambtenaar werd aangewezen;
4° wanneer de werklast van de dienst vermindert in verhouding tot het aantal personeelsleden.
Art. 50. Par dérogation à l'article 49 de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat, le Président du Comité de direction peut muter d'office un agent dans un service situé dans une autre résidence administrative dans les cas suivants :
1° lorsque le service pour lequel l'agent a été désigné déménage dans une autre résidence administrative;
2° lorsque le service pour lequel l'agent a été désigné est supprimé et qu'un ou plusieurs services situé(s) dans une autre résidence administrative reprennent partiellement ou totalement les compétences matérielles et territoriales;
3° lorsqu'un ou plusieurs services situé(s) dans une autre résidence administrative reprennent partiellement les compétences matérielles et/ou territoriales du service pour lequel l'agent a été désigné;
4° lorsque la charge de travail du service diminue par rapport au nombre de membres du personnel.
1° lorsque le service pour lequel l'agent a été désigné déménage dans une autre résidence administrative;
2° lorsque le service pour lequel l'agent a été désigné est supprimé et qu'un ou plusieurs services situé(s) dans une autre résidence administrative reprennent partiellement ou totalement les compétences matérielles et territoriales;
3° lorsqu'un ou plusieurs services situé(s) dans une autre résidence administrative reprennent partiellement les compétences matérielles et/ou territoriales du service pour lequel l'agent a été désigné;
4° lorsque la charge de travail du service diminue par rapport au nombre de membres du personnel.
Art. 50/1. [1 § 1. De ambtenaren die, in uitvoering van artikel 49 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, wegens dwingende noodzakelijkheid worden aangewezen voor een andere entiteit binnen hun administratieve standplaats en die geslaagd zijn voor loopbaanexamens die georganiseerd werden voor een andere entiteit, worden eveneens geacht de overeenstemmende loopbaanexamens geslaagd te zijn die eventueel werden georganiseerd ten behoeve van de entiteit waarvoor ze werden aangewezen.
§ 2. De ambtenaren die, in uitvoering van artikel 50 van dit besluit, ambtshalve worden gemuteerd naar een dienst van een andere entiteit en die geslaagd zijn voor loopbaanexamens die georganiseerd werden voor een andere entiteit, worden eveneens geacht de overeenstemmende loopbaanexamens geslaagd te zijn die eventueel werden georganiseerd ten behoeve van de entiteit waarvoor ze werden aangewezen.
§ 3. Onder overeenstemmende loopbaanexamens dient te worden begrepen, deze die toegang verlenen tot eenzelfde graad of klasse.
§ 4. De in de paragrafen 1 en 2 bedoelde ambtenaren behouden het voordeel van de datum verbonden aan het proces-verbaal van de door hen geslaagde loopbaanexamens, alsook van de behaalde punten.]1
§ 2. De ambtenaren die, in uitvoering van artikel 50 van dit besluit, ambtshalve worden gemuteerd naar een dienst van een andere entiteit en die geslaagd zijn voor loopbaanexamens die georganiseerd werden voor een andere entiteit, worden eveneens geacht de overeenstemmende loopbaanexamens geslaagd te zijn die eventueel werden georganiseerd ten behoeve van de entiteit waarvoor ze werden aangewezen.
§ 3. Onder overeenstemmende loopbaanexamens dient te worden begrepen, deze die toegang verlenen tot eenzelfde graad of klasse.
§ 4. De in de paragrafen 1 en 2 bedoelde ambtenaren behouden het voordeel van de datum verbonden aan het proces-verbaal van de door hen geslaagde loopbaanexamens, alsook van de behaalde punten.]1
Art.50/1. [1 § 1er. Les agents qui, en application de l'article 49 de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat, sont affectés pour des nécessités impérieuses, dans une autre entité au sein de leur résidence administrative et qui sont lauréats d'examens de carrière qui ont été organisés pour une autre entité, sont censés être également lauréats des examens de carrière correspondants qui ont été éventuellement organisés pour les besoins de l'entité dans laquelle ils ont été affectés.
§ 2. Les agents qui, en application de l'article 50 du présent arrêté, sont mutés d'office dans un service d'une autre entité et qui sont lauréats d'examens de carrière qui ont été organisés pour une autre entité, sont censés être également lauréats des examens de carrière correspondants qui ont été éventuellement organisés pour les besoins de l'entité dans laquelle ils ont été affectés.
§ 3. Par examens de carrière correspondants, l'on entend les examens de carrière qui donnent accès au même grade ou à la même classe.
§ 4. Les agents visés aux paragraphes 1er et 2 maintiennent le bénéfice de la date du procès-verbal des examens de carrière qu'ils ont réussis et des points obtenus.]1
§ 2. Les agents qui, en application de l'article 50 du présent arrêté, sont mutés d'office dans un service d'une autre entité et qui sont lauréats d'examens de carrière qui ont été organisés pour une autre entité, sont censés être également lauréats des examens de carrière correspondants qui ont été éventuellement organisés pour les besoins de l'entité dans laquelle ils ont été affectés.
§ 3. Par examens de carrière correspondants, l'on entend les examens de carrière qui donnent accès au même grade ou à la même classe.
§ 4. Les agents visés aux paragraphes 1er et 2 maintiennent le bénéfice de la date du procès-verbal des examens de carrière qu'ils ont réussis et des points obtenus.]1
Art. 51. Onverminderd artikel 70bis van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel en artikel 35, § 2, van onderhavig besluit, kan de afgevaardigde bestuurder van SELOR - Selectiebureau van de Federale Overheid, onder zijn toezicht, geheel of gedeeltelijk de organisatie van de proeven over de beroepsbekwaamheid opdragen aan de Federale Overheidsdienst Financiën.
Art. 51. Sans préjudice de l'article 70bis de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat et de l'article 35, § 2, du présent arrêté, l'administrateur délégué de SELOR - Bureau de Sélection de l'Administration fédérale peut, sous sa surveillance, confier tout ou partie de l'organisation des épreuves de qualification professionnelle au Service public fédéral Finances.
Art. 52. § 1. De Minister kan, onder de voorwaarden en binnen de perken die hij bepaalt, aan de houders van een managementfunctie of een staffunctie en de ambtenaren belast met de algemene leiding van een dienst bedoeld in artikel 12 of 13, een gedeelte van de hem verleende bevoegdheden delegeren.
§ 2. De houders van een managementfunctie of een staffunctie en de ambtenaren belast met de algemene leiding van een dienst bedoeld in artikel 12 of 13 kunnen een gedeelte van de hun verleende bevoegdheden delegeren of subdelegeren.
§ 2. De houders van een managementfunctie of een staffunctie en de ambtenaren belast met de algemene leiding van een dienst bedoeld in artikel 12 of 13 kunnen een gedeelte van de hun verleende bevoegdheden delegeren of subdelegeren.
Art. 52. § 1er. Le Ministre peut, dans les conditions et dans les limites qu'il détermine, déléguer aux titulaires d'une fonction de management ou d'une fonction d'encadrement et aux fonctionnaires chargés de la direction générale d'un service visé à l'article 12 ou 13, une partie des compétences qui lui sont conférées.
§ 2. Les titulaires d'une fonction de management ou d'une fonction d'encadrement et les fonctionnaires chargés de la direction générale d'un service visé à l'article 12 ou 13 peuvent déléguer ou subdéléguer une partie des compétences qui leur sont conférées.
§ 2. Les titulaires d'une fonction de management ou d'une fonction d'encadrement et les fonctionnaires chargés de la direction générale d'un service visé à l'article 12 ou 13 peuvent déléguer ou subdéléguer une partie des compétences qui leur sont conférées.
TITEL 4. - Overgangsbepalingen
TITRE 4. - Dispositions transitoires
Art. 53. De rijksambtenaren en de stagiairs die worden geïntegreerd in een van de hierna vermelde operationele diensten of diensten andere dan operationele, worden er op datum van hun integratie in dezelfde statutaire hoedanigheid ambtshalve benoemd :
1° de Algemene Administratie van de Fiscaliteit;
2° de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen;
3° de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering;
4° de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie;
5° de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie;
6° de Algemene Administratie van de Thesaurie;
7° de Stafdienst voor Beleidsexpertise en -ondersteuning;
8° de Stafdienst Personeel en Organisatie;
9° de Stafdienst Begroting en Beheerscontrole;
10° de Stafdienst Informatie- en Communicatietechnologie;
11° de Stafdienst Logistiek;
12° de " Dienst van de Voorzitter van het directiecomité ";
13° de Centrale rechtskundige dienst;
14° de Dienst " Multikanaal dienstverlening ";
15° de Dienst voor duurzame ontwikkeling;
16° de Dienst voor Informatieveiligheid en Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer;
17° de Dienst voor het Toezicht;
18° de Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk.
De ambtshalve benoemingen, bedoeld in het eerste lid hebben geen weerslag op de wedde van de ambtenaren, zoals deze wordt gedefinieerd in artikel 36 van het koninklijk besluit van 3 maart 2005 houdende de bijzondere bepalingen met betrekking tot de bezoldigingsregeling van het personeel van de Federale Overheidsdienst Financiën en van de Pensioendienst voor de overheidssector.
1° de Algemene Administratie van de Fiscaliteit;
2° de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen;
3° de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering;
4° de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie;
5° de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie;
6° de Algemene Administratie van de Thesaurie;
7° de Stafdienst voor Beleidsexpertise en -ondersteuning;
8° de Stafdienst Personeel en Organisatie;
9° de Stafdienst Begroting en Beheerscontrole;
10° de Stafdienst Informatie- en Communicatietechnologie;
11° de Stafdienst Logistiek;
12° de " Dienst van de Voorzitter van het directiecomité ";
13° de Centrale rechtskundige dienst;
14° de Dienst " Multikanaal dienstverlening ";
15° de Dienst voor duurzame ontwikkeling;
16° de Dienst voor Informatieveiligheid en Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer;
17° de Dienst voor het Toezicht;
18° de Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk.
De ambtshalve benoemingen, bedoeld in het eerste lid hebben geen weerslag op de wedde van de ambtenaren, zoals deze wordt gedefinieerd in artikel 36 van het koninklijk besluit van 3 maart 2005 houdende de bijzondere bepalingen met betrekking tot de bezoldigingsregeling van het personeel van de Federale Overheidsdienst Financiën en van de Pensioendienst voor de overheidssector.
Art. 53. Les agents de l'Etat et les stagiaires qui sont intégrés dans un service opérationnel ou dans un service autre qu'opérationnel repris ci-dessous sont, à la date de leur intégration, nommés d'office dans la même qualité statutaire :
1° à l'Administration générale de la fiscalité;
2° à l'Administration générale des douanes et accises;
3° à l'Administration générale de la perception et du recouvrement;
4° à l'Administration générale de l'inspection spéciale des impôts;
5° à l'Administration générale de la documentation patrimoniale;
6° à l'Administration générale de la trésorerie;
7° au Service d'encadrement expertise et support stratégiques;
8° au Service d'encadrement Personnel et Organisation;
9° au Service d'encadrement Budget et Contrôle de la gestion;
10° au Service d'encadrement Technologie de l'information et de la communication;
11° au Service d'encadrement Logistique;
12° au " Service du Président du comité de direction ";
13° au Service juridique central;
14° au Service " Prestation de services multi-canaux ";
15° le Service pour le développement durable;
16° le Service de Sécurité de l'Information et de Protection de la vie privée
17° Le Service de surveillance;
18° Le Service interne pour la Prévention et la Protection au Travail.
Les nominations d'office visées à l'alinéa 1er, n'ont aucune conséquence sur le traitement des agents, tel que défini par l'article 36 de l'arrêté royal du 3 mars 2005 portant dispositions particulières concernant le statut pécuniaire du personnel du Service public fédéral Finances et du Service des Pensions du Secteur public.
1° à l'Administration générale de la fiscalité;
2° à l'Administration générale des douanes et accises;
3° à l'Administration générale de la perception et du recouvrement;
4° à l'Administration générale de l'inspection spéciale des impôts;
5° à l'Administration générale de la documentation patrimoniale;
6° à l'Administration générale de la trésorerie;
7° au Service d'encadrement expertise et support stratégiques;
8° au Service d'encadrement Personnel et Organisation;
9° au Service d'encadrement Budget et Contrôle de la gestion;
10° au Service d'encadrement Technologie de l'information et de la communication;
11° au Service d'encadrement Logistique;
12° au " Service du Président du comité de direction ";
13° au Service juridique central;
14° au Service " Prestation de services multi-canaux ";
15° le Service pour le développement durable;
16° le Service de Sécurité de l'Information et de Protection de la vie privée
17° Le Service de surveillance;
18° Le Service interne pour la Prévention et la Protection au Travail.
Les nominations d'office visées à l'alinéa 1er, n'ont aucune conséquence sur le traitement des agents, tel que défini par l'article 36 de l'arrêté royal du 3 mars 2005 portant dispositions particulières concernant le statut pécuniaire du personnel du Service public fédéral Finances et du Service des Pensions du Secteur public.
Art. 54. De procedures houdende bevordering, verandering van graad, mutatie en werving die, op de datum van inwerkingtreding van dit artikel, lopende zijn in een dienst die niet vanuit de voorlopige cel werd overgedragen naar een entiteit, worden voortgezet in de voorlopige cel en verder geregeld door de bepalingen zoals die van kracht waren voor die datum.
De ambtenaren worden op grond van hun nieuwe betrekking en rekening houdende met de dienst waarvoor de in het eerste lid bedoelde procedures werden opgestart, geïntegreerd in de operationele diensten of in de andere diensten dan operationele, overeenkomstig een van de volgende besluiten :
1° het koninklijk besluit van 19 juli 2013 betreffende de tewerkstelling van personeelsleden en de integratie in de Federale Overheidsdienst Financiën van :
- de buitendiensten van de fiscale administraties van het Ministerie van Financiën;
- de diensten van de Administratie der thesaurie van het Ministerie van Financiën;
2° het koninklijk besluit van 19 juli 2013 betreffende de tewerkstelling van de personeelsleden in de diensten andere dan operationele diensten van de Federale Overheidsdienst Financiën.
De in het tweede lid bedoelde ambtenaren worden overeenkomstig artikel 53 ambtshalve benoemd.
De ambtshalve benoemingen hebben geen weerslag op de wedde van de ambtenaren, zoals deze wordt gedefinieerd in artikel 36 van het koninklijk besluit van 3 maart 2005 houdende de bijzondere bepalingen met betrekking tot de bezoldigingsregeling van het personeel van de Federale Overheidsdienst Financiën en van de Pensioendienst voor de overheidssector.
De ambtenaren worden op grond van hun nieuwe betrekking en rekening houdende met de dienst waarvoor de in het eerste lid bedoelde procedures werden opgestart, geïntegreerd in de operationele diensten of in de andere diensten dan operationele, overeenkomstig een van de volgende besluiten :
1° het koninklijk besluit van 19 juli 2013 betreffende de tewerkstelling van personeelsleden en de integratie in de Federale Overheidsdienst Financiën van :
- de buitendiensten van de fiscale administraties van het Ministerie van Financiën;
- de diensten van de Administratie der thesaurie van het Ministerie van Financiën;
2° het koninklijk besluit van 19 juli 2013 betreffende de tewerkstelling van de personeelsleden in de diensten andere dan operationele diensten van de Federale Overheidsdienst Financiën.
De in het tweede lid bedoelde ambtenaren worden overeenkomstig artikel 53 ambtshalve benoemd.
De ambtshalve benoemingen hebben geen weerslag op de wedde van de ambtenaren, zoals deze wordt gedefinieerd in artikel 36 van het koninklijk besluit van 3 maart 2005 houdende de bijzondere bepalingen met betrekking tot de bezoldigingsregeling van het personeel van de Federale Overheidsdienst Financiën en van de Pensioendienst voor de overheidssector.
Art. 54. Les procédures de promotion, de changement de grade, de mutation et de recrutement qui sont en cours au moment de l'entrée en vigueur du présent article dans un service qui n'est pas transféré de la cellule provisoire vers une entité sont poursuivies dans la cellule provisoire et réglées par les dispositions qui étaient d'application avant cette date.
Les agents sont, sur base de leur nouvel emploi et compte tenu du service pour lequel les procédures visées à l'alinéa 1er ont été lancées, intégrés dans les services opérationnels ou dans les services autres qu'opérationnels conformément à un des arrêtés suivants :
1° arrêté royal du 19 juillet 2013 relatif à l'occupation des membres du personnel et à l'intégration au sein du Service public fédéral Finances :
- des services extérieurs des administrations fiscales du Ministère des Finances;
- des services de l'Administration de la Trésorerie du Ministère des Finances;
2° arrêté royal du 19 juillet 2013 relatif à l'occupation des membres du personnel dans les services autres qu'opérationnels du Service public fédéral Finances.
Les agents visés à l'alinéa 2 sont nommés d'office conformément à l'article 53.
Les nominations d'office n'ont aucune conséquence sur le traitement des agents, tel que défini par l'article 36 de l'arrêté royal du 3 mars 2005 portant dispositions particulières concernant le statut pécuniaire du personnel du Service public fédéral Finances et du Service des Pensions du Secteur public.
Les agents sont, sur base de leur nouvel emploi et compte tenu du service pour lequel les procédures visées à l'alinéa 1er ont été lancées, intégrés dans les services opérationnels ou dans les services autres qu'opérationnels conformément à un des arrêtés suivants :
1° arrêté royal du 19 juillet 2013 relatif à l'occupation des membres du personnel et à l'intégration au sein du Service public fédéral Finances :
- des services extérieurs des administrations fiscales du Ministère des Finances;
- des services de l'Administration de la Trésorerie du Ministère des Finances;
2° arrêté royal du 19 juillet 2013 relatif à l'occupation des membres du personnel dans les services autres qu'opérationnels du Service public fédéral Finances.
Les agents visés à l'alinéa 2 sont nommés d'office conformément à l'article 53.
Les nominations d'office n'ont aucune conséquence sur le traitement des agents, tel que défini par l'article 36 de l'arrêté royal du 3 mars 2005 portant dispositions particulières concernant le statut pécuniaire du personnel du Service public fédéral Finances et du Service des Pensions du Secteur public.
Art. 55. De procedures houdende bevordering, verandering van graad, mutatie en werving die, op de datum van inwerkingtreding van dit artikel, lopende zijn in een dienst die werd overgedragen naar een entiteit, worden voortgezet in die dienst en verder geregeld door de bepalingen zoals die van kracht waren voor die datum.
Art. 55. Les procédures de promotion, de changement de grade, de mutation et de recrutement qui, à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, sont en cours dans un service qui est transféré vers une entité sont poursuivies dans ce service et sont réglées par les dispositions qui étaient d'application avant cette date.
Art. 56. De organisatie van de loopbaanexamens die werd aangekondigd voor de opheffing van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 tot vaststelling van het organiek reglement van de Federale Overheidsdienst Financiën, en van de bijzondere bepalingen die er voorzien in de uitvoering van het statuut van het Rijkspersoneel, wordt voortgezet en verder geregeld door de bepalingen zoals die van kracht waren voor deze opheffing.
Art. 56. L'organisation des examens de carrière qui a été annoncée avant l'abrogation de l'arrêté royal du 29 octobre 1971 fixant le règlement organique du Service public fédéral Finances, ainsi que les dispositions particulières y assurant l'exécution du Statut des agents de l'Etat est poursuivie et continue à être réglée par les dispositions telles qu'elles étaient en vigueur avant ladite abrogation.
Art. 57. De loopbaanexamens die overeenkomstig artikel 56 worden georganiseerd ten behoeve van een administratie of sector, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 tot vaststelling van het organiek reglement van de Federale Overheidsdienst Financiën, en van de bijzondere bepalingen die er voorzien in de uitvoering van het statuut van het Rijkspersoneel, zoals dit artikel van toepassing was voor zijn opheffing, worden geacht te zijn georganiseerd ten behoeve van de operationele dienst of operationele diensten waaraan de materiële bevoegdheden werden overgedragen van de administratie of sector waarvoor de loopbaanexamens worden georganiseerd.
De loopbaanexamens die overeenkomstig artikel 56 worden georganiseerd ten behoeve van de Algemene Diensten van het Algemeen Secretariaat bedoeld in het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 tot vaststelling van het organiek reglement van de Federale Overheidsdienst Financiën, en van de bijzondere bepalingen die er voorzien in de uitvoering van het statuut van het Rijkspersoneel, zoals dit besluit van toepassing was voor zijn opheffing, worden geacht te zijn georganiseerd voor elk van de stafdiensten bedoeld in artikel 10, 2° tot 5°.
De loopbaanexamens die overeenkomstig artikel 56 worden georganiseerd ten behoeve van de Algemene Diensten van het Algemeen Secretariaat bedoeld in het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 tot vaststelling van het organiek reglement van de Federale Overheidsdienst Financiën, en van de bijzondere bepalingen die er voorzien in de uitvoering van het statuut van het Rijkspersoneel, zoals dit besluit van toepassing was voor zijn opheffing, worden geacht te zijn georganiseerd voor elk van de stafdiensten bedoeld in artikel 10, 2° tot 5°.
Art. 57. Les examens de carrière qui sont organisés conformément à l'article 56 pour les besoins d'une administration ou d'un secteur visés à l'article 1er de l'arrêté royal du 29 octobre 1971 fixant le règlement organique du Service public fédéral Finances ainsi que les dispositions particulières y assurant l'exécution du statut des agents de l'Etat tel que cet article était d'application avant son abrogation, sont censés être organisés pour les besoins du service opérationnel ou des services opérationnels au(x)quel(s) ont été transférées les compétences matérielles de l'administration ou du secteur pour lesquels les examens ont été organisés.
Les examens de carrière qui sont organisés conformément à l'article 56 pour les besoins des Services généraux du Secrétariat général visés à l'arrêté royal du 29 octobre 1971 fixant le règlement organique du Service public fédéral Finances ainsi que les dispositions particulières y assurant l'exécution du statut des agents de l'Etat tel que cet arrêté était d'application avant son abrogation, sont censés être organisés pour chaque service d'encadrement visé à l'article 10, 2° à 5°.
Les examens de carrière qui sont organisés conformément à l'article 56 pour les besoins des Services généraux du Secrétariat général visés à l'arrêté royal du 29 octobre 1971 fixant le règlement organique du Service public fédéral Finances ainsi que les dispositions particulières y assurant l'exécution du statut des agents de l'Etat tel que cet arrêté était d'application avant son abrogation, sont censés être organisés pour chaque service d'encadrement visé à l'article 10, 2° à 5°.
TITEL 5. - Opheffings- en slotbepalingen
TITRE 5. - Dispositions abrogatoires et finales
Art. 58. Het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 tot vaststelling van het organiek reglement van de Federale Overheidsdienst Financiën, en van de bijzondere bepalingen die er voorzien in de uitvoering van het statuut van het Rijkspersoneel wordt opgeheven.
Art. 58. L'arrêté royal du 29 octobre 1971 fixant le règlement organique du Service public fédéral Finances ainsi que les dispositions particulières y assurant l'exécution du statut des agents de l'Etat est abrogé.
Art. 59. Het koninklijk besluit van 12 augustus 2003 tot oprichting van personeelscomités bij de Federale Overheidsdienst Financiën wordt opgeheven.
Art. 59. L'arrêté royal du 12 août 2003 instituant des comités de personnel au sein du Service public fédéral Finances est abrogé.
Art. 60. Het koninklijk besluit van 4 maart 2008 houdende oprichting van de diensten voor risicobeheer bij de Federale Overheidsdienst Financiën wordt opgeheven.
Art. 60. L'arrêté royal du 4 mars 2008 portant création de services de gestion des risques au sein du Service public fédéral Finances est abrogé.
Art. 61. Het koninklijk besluit van 3 december 2009 houdende regeling van de diensten andere dan operationele diensten van de Federale Overheidsdienst Financiën wordt opgeheven.
Art. 61. L'arrêté royal du 3 décembre 2009 organique des services autres qu'opérationnels du Service public fédéral Finances est abrogé.
Art. 62. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand na die waarin het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van de artikelen 5 tot 8 die in werking treden voor elk van de administraties op de datum bepaald door de minister bevoegd voor de Financiën.
Art. 62. Le présent arrêté entre en vigueur le premier jour du mois qui suit celui de sa publication au Moniteur belge, à l'exception des articles 5 à 8 qui entrent en vigueur pour chacune des administrations à la date fixée par le ministre qui a les Finances dans ses attributions.
(NOTE : entrée en vigueur des art. 5 à 8 fixée au 01-01-2014 par AM 2013-12-19/06, art. 1)
Art. 63. De Eerste Minister en de minister bevoegd voor de Financiën zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 63. Le Premier Ministre et le Ministre qui a les Finances dans ses attributions sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N.
Art. N.
| Bijzondere graden | |
| Kolom 1 [1 (zie artikel 42)]1 | Kolom 2 [1 (zie artikel 42)]1 |
| Wijzen en orde van benoemingen Voorwaarden inzake graad, anciënniteit, selecties en proeven over de beroepsbekwaamheid | Bijzondere bepalingen |
| Niveau B | |
| Fiscaal deskundige 1. Verandering van graad : financieel en administratief deskundige (afgeschafte graad), laureaat van een selectie voor verhoging tot de graad van landmeter-expert van financiën of eerstaanwezend verificateur georganiseerd voor de behoeften van een algemene administratie bedoeld in artikel 3, 1° tot 5°. 2.a) Verandering van graad : financieel deskundige of adjunct-fiscaal deskundige (afgeschafte graad), laureaat van een proef over de beroepsbekwaamheid of selectie voor overgang die toegang verleent tot de graad van fiscaal deskundige. Bij de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen is de deelname aan de proef voorbehouden aan de kandidaten die de verificatiecursussen hebben gevolgd, die te hunner intentie worden ingericht door de algemene administratie. 2.b) Overgang naar het hogere niveau : financieel assistent, adjunct-financieel assistent (afgeschafte graad) of bestuurschef (afgeschafte graad), laureaat van de selectie voor overgang naar de graad van fiscaal deskundige. Bij de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen is de deelname aan de selectie voorbehouden aan de kandidaten die de verificatiecursussen hebben gevolgd, die te hunner intentie worden ingericht door de algemene administratie. 3. Mobiliteit : overeenkomstig het koninklijk besluit van 15 januari 2007 betreffende de mobiliteit van de statutaire ambtenaren in het federaal administratief openbaar ambt. Om te kunnen worden benoemd, dient de kandidaat voor een mobiliteit geslaagd te zijn voor de proef over de beroepsbekwaamheid georganiseerd ten behoeve van de entiteit waar de betrekking te begeven is. | A. Op de in kolom 1, sub 1, bedoelde verandering van graad zijn de bepalingen betreffende de mutaties van toepassing. B. De proef over de beroepsbekwaamheid stemt overeen met het bijzondere gedeelte of de meerdere bijzondere gedeelten van de vergelijkende selectie voor overgang naar de graad van fiscaal deskundige. C. Om te slagen moeten de kandidaten ten minste 60 % van de punten behalen voor het bijzondere gedeelte en zo dit uit meerdere delen bestaat, dient bijkomend op elk deel 50 % van de punten te worden behaald. D. Het bijzondere gedeelte of de meerdere bijzondere gedeelten van de vergelijkende selectie voor overgang naar de graad van fiscaal deskundige en de proef over de beroepsbekwaamheid maken het voorwerp uit van één en dezelfde organisatie. E. De rangschikking van de kandidaten bedoeld in kolom 1, sub 2, a en b, gebeurt als volgt : 1° de laureaat van een selectie of proef over de beroepsbekwaamheid, waarvan het proces-verbaal op de verst afgelegen datum werd afgesloten; 2° onder laureaten van een selectie of proef over de beroepsbekwaamheid die werd afgesloten op dezelfde datum, de laureaat die de meeste punten behaalde voor het bijzondere gedeelte of de bijzondere gedeelten; 3° onder laureaten die hetzelfde aantal punten behaalden : a) de ambtenaar met de grootste gecumuleerde anciënniteit in de niveaus B, 2+, C en 2; b) bij gelijkheid tussen de ambtenaren bedoeld in a), de kandidaat met de grootste dienstanciënniteit; c) bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste ambtenaar. |
| F. Bij de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen mag de proef over de beroepsbekwaamheid of de selectie voor overgang onder meer een proef over natuurkunde en scheikunde omvatten. | |
| G. De laureaten van de proef over de beroepsbekwaamheid of de vergelijkende selectie voor overgang die toegang verleent tot de graad van fiscaal deskundige behouden onbeperkt het voordeel van hun uitslag. | |
| [2 H. Indien een betrekking van fiscaal deskundige openstaat voor de laureaten van een proef over de beroepsbekwaamheid of een vergelijkende selectie voor overgang die georganiseerd werd ten behoeve van verschillende entiteiten, administraties of activiteitsgebieden, gebeurt de rangschikking van de kandidaten bedoeld in kolom 1, sub 2, a en b als volgt: 1° de laureaat van een selectie of een proef over de beroepsbekwaamheid, waarvan het proces-verbaal op de verst afgelegen datum werd afgesloten; 2° onder laureaten van een selectie of proef over de beroepsbekwaamheid die werd afgesloten op dezelfde datum, de ambtenaar met de grootste gecumuleerde anciënniteit in de niveaus B, 2+, C en 2; 3° bij gelijkheid tussen de ambtenaren bedoeld onder 2°, de kandidaat met de grootste dienstanciënniteit; 4° bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste ambtenaar.]2 | |
| Niveau C | |
| Financieel assistent 1.a) Verandering van graad : administratief assistent of adjunct-financieel assistent (afgeschafte graad), laureaat van de proef over de beroepsbekwaamheid die toegang verleent tot de graad van financieel assistent. 1.b) Overgang naar het hogere niveau : financieel medewerker laureaat van de vergelijkende selectie voor overgang naar de graad van financieel assistent. 2. Mobiliteit : overeenkomstig het koninklijk besluit van 15 januari 2007 betreffende de mobiliteit van de statutaire ambtenaren in het federaal administratief openbaar ambt. Om te kunnen worden benoemd, dient de kandidaat voor een mobiliteit geslaagd te zijn voor de proef over de beroepsbekwaamheid georganiseerd ten behoeve van de entiteit waar de betrekking te begeven is. | A. De vergelijkende selectie voor overgang naar de graad van financieel assistent bestaat slechts uit één proef, bestaande uit één of meer delen met betrekking tot de specifieke competenties vereist voor de functie. B. De proef over de beroepsbekwaamheid toetst de specifieke competenties vereist voor de functie. C. De vergelijkende selectie voor overgang naar de graad van financieel assistent en de proef over de beroepsbekwaamheid maken het voorwerp uit van één en dezelfde organisatie. Om te slagen moeten de kandidaten ten minste 60 % van de punten behalen voor de volledige vergelijkende selectie of de proef over de beroepsbekwaamheid en zo zij uit meerdere gedeelten bestaat, dient bijkomend op elk deel minstens 50 % van de punten te worden behaald. |
| D. De rangschikking van de kandidaten bedoeld in kolom 1, sub 1, a en 1, b, gebeurt als volgt : 1° de laureaat van de vergelijkende selectie voor overgang die toegang verleent tot de graad van financieel assistent of de proef over de beroepsbekwaamheid, waarvan het proces-verbaal op de verst afgelegen datum werd afgesloten; 2° onder laureaten van een vergelijkende selectie of proef over de beroepsbekwaamheid die werd afgesloten op dezelfde datum, de laureaat die de meeste punten behaalde voor het geheel van de verschillende delen; | |
| 3° onder laureaten die hetzelfde aantal punten behaalden : a) de ambtenaar met de grootste gecumuleerde niveauanciënniteit in de niveaus C, 2, D en 3; b) bij gelijkheid tussen de ambtenaren bedoeld in a), de ambtenaar met de grootste dienstanciënniteit; c) bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste ambtenaar. | |
| E. Bij wege van overgangsbepaling wordt de administratief assistent of adjunct-financieel assistent (afgeschafte graad) laureaat van een examen voor bevordering tot een graad van rang 34 of examen voor verhoging tot de weddeschaal 30S2 of voor verhoging tot de graad van sectiechef bij financiën geacht geslaagd te zijn voor de proef over de beroepsbekwaamheid die toegang verleent tot de graad van financieel assistent. Voor de toepassing van het vorige lid wordt geen rekening gehouden met de examens voor verhoging in de graden van hoofdoperateur-mechanorgraaf 1e klasse of hoofdoperateur-mechanograaf 2e klasse. | |
| Om te kunnen worden benoemd tot financieel assistent dient hij een vacante betrekking te solliciteren, hij kan zijn rechten op verandering van graad ten vroegst doen gelden bij de benoemingsprocedure waaraan de laureaten deelnemen van de eerste selectie voor overgang naar de graad van financieel assistent of de eerste proef over de beroepsbekwaamheid die toegang verleent tot deze graad en georganiseerd werd voor de behoeften van de entiteit waar de betrekking te begeven is. Voor hun rangschikking overeenkomstig sub D worden de datum en de punten in aanmerking genomen van het examen waarop zij zich kunnen beroepen. | |
| F. De laureaten van de proef over de beroepsbekwaamheid of de vergelijkende selectie voor overgang die toegang verleent tot de graad van financieel assistent behouden onbeperkt het voordeel van hun uitslag. | |
| [3 G. Indien een betrekking van financieel assistent openstaat voor de laureaten van een proef over de beroepsbekwaamheid of een vergelijkende selectie voor overgang die georganiseerd werd ten behoeve van verschillende entiteiten, administraties of activiteitsgebieden, gebeurt de rangschikking van de kandidaten bedoeld in kolom 1, sub 1, a en b als volgt: 1° de laureaat van de vergelijkende selectie voor overgang die toegang verleent tot de graad van financieel assistent of de proef over de beroepsbekwaamheid, waarvan het proces-verbaal op de verst afgelegen datum werd afgesloten; 2° onder laureaten van een vergelijkende selectie of proef over de beroepsbekwaamheid die werd afgesloten op dezelfde datum, de ambtenaar met de grootste gecumuleerde anciënniteit in de niveaus C, 2, D en 3; 3° bij gelijkheid tussen de ambtenaren bedoeld onder 2°, de kandidaat met de grootste dienstanciënniteit; 4° bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste ambtenaar.]3 | |
| Niveau D | |
| Financieel medewerker 1. Verandering van graad : administratief medewerker laureaat van de proef over de beroepsbekwaamheid die toegang verleent tot de graad van financieel medewerker. 2. Mobiliteit : overeenkomstig het koninklijk besluit van 15 januari 2007 betreffende de mobiliteit van de statutaire ambtenaren in het federaal administratief openbaar ambt. Om te kunnen worden benoemd, dient de kandidaat voor een mobiliteit geslaagd te zijn voor de proef over de beroepsbekwaamheid georganiseerd ten behoeve van de entiteit waar de betrekking te begeven is. | A. De proef over de beroepsbekwaamheid toetst de specifieke competenties vereist voor de functie. B. Om te slagen moeten de kandidaten ten minste 60 % van de punten behalen. C. De rangschikking van de kandidaten bedoeld in kolom 1, sub 1, gebeurt als volgt : 1° de laureaat van de proef over de beroepsbekwaamheid die toegang verleent tot de graad van financieel medewerker waarvan het proces-verbaal op de verst afgelegen datum werd afgesloten; |
| 2° onder laureaten van een proef over de beroepsbekwaamheid die werd afgesloten op dezelfde datum, de laureaat die de meeste punten behaalde; 3° onder laureaten die hetzelfde aantal punten behaalden, de ambtenaar met de grootste graadanciënniteit; 4° bij gelijke graadanciënniteit, de ambtenaar met de grootste dienstanciënniteit; | |
| 5° bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste ambtenaar. D. De laureaten van de proef over de beroepsbekwaamheid die toegang verleent tot de graad van financieel medewerker behouden onbeperkt het voordeel van hun uitslag. | |
| [4 E. Indien een betrekking van financieel medewerker openstaat voor de laureaten van een proef over de beroepsbekwaamheid die georganiseerd werd ten behoeve van verschillende entiteiten, administraties of activiteitsgebieden, gebeurt de rangschikking van de kandidaten bedoeld in kolom 1, sub 1 als volgt: 1° de laureaat van de proef over de beroepsbekwaamheid die toegang verleent tot de graad van financieel medewerker, waarvan het proces-verbaal op de verst afgelegen datum werd afgesloten; 2° onder laureaten van een proef over de beroepsbekwaamheid die werd afgesloten op dezelfde datum, de ambtenaar met de grootste graadanciënniteit; 3° bij gelijke graadanciënniteit, de ambtenaar met de grootste dienstanciënniteit; 4° bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste ambtenaar.]4 | |
| (1)<KB 2018-09-06/03, art. 38, 004; Inwerkingtreding : 01-09-2013> | |
| (2)<KB 2018-09-06/03, art. 39, 004; Inwerkingtreding : 01-10-2018> | |
| (3)<KB 2018-09-06/03, art. 40, 004; Inwerkingtreding : 01-10-2018> | |
| (4)<KB 2018-09-06/03, art. 41, 004; Inwerkingtreding : 01-10-2018> | |
[1 (zie artikel 42)]1Kolom 2
[1 (zie artikel 42)]1Wijzen en orde van benoemingen
Voorwaarden inzake graad, anciënniteit, selecties en proeven over de beroepsbekwaamheidBijzondere bepalingenNiveau BFiscaal deskundige
1. Verandering van graad : financieel en administratief deskundige (afgeschafte graad), laureaat van een selectie voor verhoging tot de graad van landmeter-expert van financiën of eerstaanwezend verificateur georganiseerd voor de behoeften van een algemene administratie bedoeld in artikel 3, 1° tot 5°.
2.a) Verandering van graad : financieel deskundige of adjunct-fiscaal deskundige (afgeschafte graad), laureaat van een proef over de beroepsbekwaamheid of selectie voor overgang die toegang verleent tot de graad van fiscaal deskundige.
Bij de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen is de deelname aan de proef voorbehouden aan de kandidaten die de verificatiecursussen hebben gevolgd, die te hunner intentie worden ingericht door de algemene administratie.
2.b) Overgang naar het hogere niveau : financieel assistent, adjunct-financieel assistent (afgeschafte graad) of bestuurschef (afgeschafte graad), laureaat van de selectie voor overgang naar de graad van fiscaal deskundige.
Bij de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen is de deelname aan de selectie voorbehouden aan de kandidaten die de verificatiecursussen hebben gevolgd, die te hunner intentie worden ingericht door de algemene administratie.
3. Mobiliteit : overeenkomstig het koninklijk besluit van 15 januari 2007 betreffende de mobiliteit van de statutaire ambtenaren in het federaal administratief openbaar ambt.
Om te kunnen worden benoemd, dient de kandidaat voor een mobiliteit geslaagd te zijn voor de proef over de beroepsbekwaamheid georganiseerd ten behoeve van de entiteit waar de betrekking te begeven is.
A. Op de in kolom 1, sub 1, bedoelde verandering van graad zijn de bepalingen betreffende de mutaties van toepassing.
B. De proef over de beroepsbekwaamheid stemt overeen met het bijzondere gedeelte of de meerdere bijzondere gedeelten van de vergelijkende selectie voor overgang naar de graad van fiscaal deskundige.
C. Om te slagen moeten de kandidaten ten minste 60 % van de punten behalen voor het bijzondere gedeelte en zo dit uit meerdere delen bestaat, dient bijkomend op elk deel 50 % van de punten te worden behaald.
D. Het bijzondere gedeelte of de meerdere bijzondere gedeelten van de vergelijkende selectie voor overgang naar de graad van fiscaal deskundige en de proef over de beroepsbekwaamheid maken het voorwerp uit van één en dezelfde organisatie.
E. De rangschikking van de kandidaten bedoeld in kolom 1, sub 2, a en b, gebeurt als volgt :
1° de laureaat van een selectie of proef over de beroepsbekwaamheid, waarvan het proces-verbaal op de verst afgelegen datum werd afgesloten;
2° onder laureaten van een selectie of proef over de beroepsbekwaamheid die werd afgesloten op dezelfde datum, de laureaat die de meeste punten behaalde voor het bijzondere gedeelte of de bijzondere gedeelten;
3° onder laureaten die hetzelfde aantal punten behaalden :
a) de ambtenaar met de grootste gecumuleerde anciënniteit in de niveaus B, 2+, C en 2;
b) bij gelijkheid tussen de ambtenaren bedoeld in a), de kandidaat met de grootste dienstanciënniteit;
c) bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste ambtenaar.F. Bij de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen mag de proef over de beroepsbekwaamheid of de selectie voor overgang onder meer een proef over natuurkunde en scheikunde omvatten.G. De laureaten van de proef over de beroepsbekwaamheid of de vergelijkende selectie voor overgang die toegang verleent tot de graad van fiscaal deskundige behouden onbeperkt het voordeel van hun uitslag.[2 H. Indien een betrekking van fiscaal deskundige openstaat voor de laureaten van een proef over de beroepsbekwaamheid of een vergelijkende selectie voor overgang die georganiseerd werd ten behoeve van verschillende entiteiten, administraties of activiteitsgebieden, gebeurt de rangschikking van de kandidaten bedoeld in kolom 1, sub 2, a en b als volgt:
1° de laureaat van een selectie of een proef over de beroepsbekwaamheid, waarvan het proces-verbaal op de verst afgelegen datum werd afgesloten;
2° onder laureaten van een selectie of proef over de beroepsbekwaamheid die werd afgesloten op dezelfde datum, de ambtenaar met de grootste gecumuleerde anciënniteit in de niveaus B, 2+, C en 2;
3° bij gelijkheid tussen de ambtenaren bedoeld onder 2°, de kandidaat met de grootste dienstanciënniteit;
4° bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste ambtenaar.]2Niveau CFinancieel assistent
1.a) Verandering van graad : administratief assistent of adjunct-financieel assistent (afgeschafte graad), laureaat van de proef over de beroepsbekwaamheid die toegang verleent tot de graad van financieel assistent.
1.b) Overgang naar het hogere niveau : financieel medewerker laureaat van de vergelijkende selectie voor overgang naar de graad van financieel assistent.
2. Mobiliteit : overeenkomstig het koninklijk besluit van 15 januari 2007 betreffende de mobiliteit van de statutaire ambtenaren in het federaal administratief openbaar ambt.
Om te kunnen worden benoemd, dient de kandidaat voor een mobiliteit geslaagd te zijn voor de proef over de beroepsbekwaamheid georganiseerd ten behoeve van de entiteit waar de betrekking te begeven is.
A. De vergelijkende selectie voor overgang naar de graad van financieel assistent bestaat slechts uit één proef, bestaande uit één of meer delen met betrekking tot de specifieke competenties vereist voor de functie.
B. De proef over de beroepsbekwaamheid toetst de specifieke competenties vereist voor de functie.
C. De vergelijkende selectie voor overgang naar de graad van financieel assistent en de proef over de beroepsbekwaamheid maken het voorwerp uit van één en dezelfde organisatie.
Om te slagen moeten de kandidaten ten minste 60 % van de punten behalen voor de volledige vergelijkende selectie of de proef over de beroepsbekwaamheid en zo zij uit meerdere gedeelten bestaat, dient bijkomend op elk deel minstens 50 % van de punten te worden behaald.D. De rangschikking van de kandidaten bedoeld in kolom 1, sub 1, a en 1, b, gebeurt als volgt :
1° de laureaat van de vergelijkende selectie voor overgang die toegang verleent tot de graad van financieel assistent of de proef over de beroepsbekwaamheid, waarvan het proces-verbaal op de verst afgelegen datum werd afgesloten;
2° onder laureaten van een vergelijkende selectie of proef over de beroepsbekwaamheid die werd afgesloten op dezelfde datum, de laureaat die de meeste punten behaalde voor het geheel van de verschillende delen;3° onder laureaten die hetzelfde aantal punten behaalden :
a) de ambtenaar met de grootste gecumuleerde niveauanciënniteit in de niveaus C, 2, D en 3;
b) bij gelijkheid tussen de ambtenaren bedoeld in a), de ambtenaar met de grootste dienstanciënniteit;
c) bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste ambtenaar.E. Bij wege van overgangsbepaling wordt de administratief assistent of adjunct-financieel assistent (afgeschafte graad) laureaat van een examen voor bevordering tot een graad van rang 34 of examen voor verhoging tot de weddeschaal 30S2 of voor verhoging tot de graad van sectiechef bij financiën geacht geslaagd te zijn voor de proef over de beroepsbekwaamheid die toegang verleent tot de graad van financieel assistent.
Voor de toepassing van het vorige lid wordt geen rekening gehouden met de examens voor verhoging in de graden van hoofdoperateur-mechanorgraaf 1e klasse of hoofdoperateur-mechanograaf 2e klasse.Om te kunnen worden benoemd tot financieel assistent dient hij een vacante betrekking te solliciteren, hij kan zijn rechten op verandering van graad ten vroegst doen gelden bij de benoemingsprocedure waaraan de laureaten deelnemen van de eerste selectie voor overgang naar de graad van financieel assistent of de eerste proef over de beroepsbekwaamheid die toegang verleent tot deze graad en georganiseerd werd voor de behoeften van de entiteit waar de betrekking te begeven is.
Voor hun rangschikking overeenkomstig sub D worden de datum en de punten in aanmerking genomen van het examen waarop zij zich kunnen beroepen.F. De laureaten van de proef over de beroepsbekwaamheid of de vergelijkende selectie voor overgang die toegang verleent tot de graad van financieel assistent behouden onbeperkt het voordeel van hun uitslag.[3 G. Indien een betrekking van financieel assistent openstaat voor de laureaten van een proef over de beroepsbekwaamheid of een vergelijkende selectie voor overgang die georganiseerd werd ten behoeve van verschillende entiteiten, administraties of activiteitsgebieden, gebeurt de rangschikking van de kandidaten bedoeld in kolom 1, sub 1, a en b als volgt:
1° de laureaat van de vergelijkende selectie voor overgang die toegang verleent tot de graad van financieel assistent of de proef over de beroepsbekwaamheid, waarvan het proces-verbaal op de verst afgelegen datum werd afgesloten;
2° onder laureaten van een vergelijkende selectie of proef over de beroepsbekwaamheid die werd afgesloten op dezelfde datum, de ambtenaar met de grootste gecumuleerde anciënniteit in de niveaus C, 2, D en 3;
3° bij gelijkheid tussen de ambtenaren bedoeld onder 2°, de kandidaat met de grootste dienstanciënniteit;
4° bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste ambtenaar.]3Niveau DFinancieel medewerker
1. Verandering van graad : administratief medewerker laureaat van de proef over de beroepsbekwaamheid die toegang verleent tot de graad van financieel medewerker.
2. Mobiliteit : overeenkomstig het koninklijk besluit van 15 januari 2007 betreffende de mobiliteit van de statutaire ambtenaren in het federaal administratief openbaar ambt.
Om te kunnen worden benoemd, dient de kandidaat voor een mobiliteit geslaagd te zijn voor de proef over de beroepsbekwaamheid georganiseerd ten behoeve van de entiteit waar de betrekking te begeven is.
A. De proef over de beroepsbekwaamheid toetst de specifieke competenties vereist voor de functie.
B. Om te slagen moeten de kandidaten ten minste 60 % van de punten behalen.
C. De rangschikking van de kandidaten bedoeld in kolom 1, sub 1, gebeurt als volgt :
1° de laureaat van de proef over de beroepsbekwaamheid die toegang verleent tot de graad van financieel medewerker waarvan het proces-verbaal op de verst afgelegen datum werd afgesloten;2° onder laureaten van een proef over de beroepsbekwaamheid die werd afgesloten op dezelfde datum, de laureaat die de meeste punten behaalde;
3° onder laureaten die hetzelfde aantal punten behaalden, de ambtenaar met de grootste graadanciënniteit;
4° bij gelijke graadanciënniteit, de ambtenaar met de grootste dienstanciënniteit;
5° bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste ambtenaar.
D. De laureaten van de proef over de beroepsbekwaamheid die toegang verleent tot de graad van financieel medewerker behouden onbeperkt het voordeel van hun uitslag.[4 E. Indien een betrekking van financieel medewerker openstaat voor de laureaten van een proef over de beroepsbekwaamheid die georganiseerd werd ten behoeve van verschillende entiteiten, administraties of activiteitsgebieden, gebeurt de rangschikking van de kandidaten bedoeld in kolom 1, sub 1 als volgt:
1° de laureaat van de proef over de beroepsbekwaamheid die toegang verleent tot de graad van financieel medewerker, waarvan het proces-verbaal op de verst afgelegen datum werd afgesloten;
2° onder laureaten van een proef over de beroepsbekwaamheid die werd afgesloten op dezelfde datum, de ambtenaar met de grootste graadanciënniteit;
3° bij gelijke graadanciënniteit, de ambtenaar met de grootste dienstanciënniteit;
4° bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste ambtenaar.]4(1)<KB 2018-09-06/03, art. 38, 004; Inwerkingtreding : 01-09-2013>(2)<KB 2018-09-06/03, art. 39, 004; Inwerkingtreding : 01-10-2018>(3)<KB 2018-09-06/03, art. 40, 004; Inwerkingtreding : 01-10-2018>(4)<KB 2018-09-06/03, art. 41, 004; Inwerkingtreding : 01-10-2018>
| Grades spécifiques | |
| Colonne 1 [1 (voir article 42)]1 | Colonne 2 [1 (voir article 42)]1 |
| Modes et ordres des nominations Conditions de grade, ancienneté, sélection et épreuves de qualification professionnelle | Dispositions particulières |
| Niveau B | |
| Expert fiscal 1. Changement de grade : expert financier et administratif (grade supprimé), lauréat d'une sélection d'avancement au grade de géomètre-expert des finances ou de vérificateur principal organisée pour les besoins d'une administration générale visée à l'article 3, 1° à 5°. 2.a) Changement de grade : expert financier ou expert fiscal adjoint (grade supprimé), lauréat d'une épreuve de qualification professionnelle ou d'une sélection d'accession donnant accès au grade d'expert fiscal; A l'administration des douanes et accises, la participation à l'épreuve est réservée aux candidats ayant suivi les cours de vérification organisés à leur intention par l'administration générale. 2.b) Accession au niveau supérieur : assistant financier, assistant financier adjoint (grade supprimé) ou chef administratif (grade supprimé) lauréat de la sélection d'accession au grade d'expert fiscal. A l'Administration générale des douanes et accises, la participation à la sélection est réservée aux candidats ayant suivi les cours de vérification organisés à leur intention par l'administration générale. 3. Mobilité : conformément à l'arrêté royal du 15 janvier 2007 relatif à la mobilité des agents statutaires dans la fonction publique fédérale administrative. Pour pouvoir être nommé, le candidat à une mobilité doit être lauréat de l'épreuve de qualification professionnelle organisée pour les besoins de l'entité où l'emploi est à pourvoir. | A. Les dispositions relatives aux mutations sont d'application au changement de grade visé à la colonne 1, sous le point 1. B. L'épreuve de qualification professionnelle correspond avec la partie spécifique ou les parties spécifiques de la sélection comparative d'accession au grade d'expert fiscal. C. Pour réussir les candidats doivent obtenir au moins 60 % des points à la partie spécifique et si elle comporte plusieurs parties, 50 % des points à chacune d'entre elles. D. La ou les parties spécifiques de la sélection comparative d'accession au grade d'expert fiscal et l'épreuve de qualification professionnelle font l'objet d'une seule et même organisation. E. Le classement des candidats visés à la colonne 1, sous 2, a et b, s'établit comme suit : 1° le lauréat de la sélection ou de l'épreuve de qualification dont le procès-verbal a été clôturé à la date la plus ancienne; 2° entre lauréats d'une sélection ou d'une épreuve de qualification professionnelle clôturées à la même date, le lauréat ayant obtenu le plus grand nombre de points à la ou les épreuves particulières; 3° entre lauréats ayant obtenu le même nombre de points : a) l'agent qui compte la plus grande ancienneté cumulée dans les niveaux B, 2+, C et 2; b) à égalité entre les agents visés au a), le candidat qui compte la plus grande ancienneté de service; c) à égalité d'ancienneté de service, l'agent le plus âgé. |
| F. A l'Administration générale des douanes et accises, la sélection d'accession ou l'épreuve de qualification professionnelle peut comprendre entre autres une épreuve sur la physique et la chimie. | |
| G. Les lauréats d'une épreuve de qualification professionnelle ou d'une sélection comparative d'accession au grade d'expert fiscal conservent de manière illimitée le bénéfice de leur résultat. | |
| [2 H. Si un emploi d'expert fiscal est ouvert aux lauréats d'une épreuve de qualification professionnelle ou d'une sélection comparative d'accession qui a été organisée pour les besoins de différentes entités, administrations ou domaines d'activité, le classement des candidats visés à la colonne 1, sous les 2, a et b, est fixé comme suit : 1° le lauréat d'une sélection ou d'une épreuve de qualification professionnelle, dont le procès-verbal a été clôturé à la date la plus ancienne ; 2° entre lauréats d'une sélection ou d'une épreuve de qualification professionnelle clôturées à la même date, l'agent dont l'ancienneté cumulée dans les niveaux B, 2+, C et 2 est la plus grande ; 3° à égalité entre les agents visés au 2°, le candidat dont l'ancienneté de service est la plus grande ; 4° à égalité d'ancienneté de service, l'agent le plus âgé.]2 | |
| Niveau C | |
| Assistant financier 1.a) Changement de grade : assistant administratif ou assistant financier adjoint (grade supprimé), lauréat de l'épreuve de qualification professionnelle donnant accès au grade d'assistant financier. 1.b) Accession niveau supérieur : collaborateur financier lauréat de la sélection comparative d'accession au grade d'assistant financier. 2. Mobilité : conformément à l'arrêté royal du 15 janvier 2007 relatif à la mobilité des agents statutaires dans la fonction publique fédérale administrative. Pour pouvoir être nommé, le candidat à une mobilité doit être lauréat de l'épreuve de qualification professionnelle organisée pour les besoins de l'entité où l'emploi est à pourvoir. | A. La sélection comparative d'accession au grade d'assistant financier consiste en une seule épreuve composée d'une ou plusieurs parties portant sur les compétences spécifiques requises pour la fonction. B. L'épreuve de qualification professionnelle évalue les compétences spécifiques requises pour la fonction. C. La sélection comparative d'accession au grade d'assistant financier et l'épreuve de qualification professionnelle font l'objet d'une seule et même organisation. Pour réussir, les candidats doivent au moins obtenir 60 % des points sur l'ensemble de la sélection comparative ou de l'épreuve de qualification professionnelle et si elle comporte plusieurs parties, 50 % des points à chacune d'entre elles. |
| D. Le classement des candidats visés à la colonne 1, sous 1.a et 1.b s'établit comme suit : 1° le lauréat de la sélection comparative d'accession donnant accès au grade d'assistant financier ou de l'épreuve de qualification professionnelle dont le procès-verbal a été clôturé à la date la plus ancienne; | |
| 2° entre lauréats d'une sélection comparative ou épreuve de qualification professionnelle clôturées à la même date, le lauréat qui a obtenu le plus de points au total des différentes parties; 3° entre lauréats ayant obtenu le même nombre de points : a) l'agent comptant la plus grande ancienneté cumulée dans les niveaux C, 2, D et 3; b) à égalité entre les candidats repris sous a), l'agent comptant la plus grande ancienneté de service; c) à égalité d'ancienneté de service, l'agent le plus âgé. | |
| E. Par mesure transitoire, l'assistant administratif ou l'assistant financier adjoint (grade supprimé), lauréat d'un examen de promotion à un grade de rang 34 ou d'un examen d'avancement barémique à l'échelle de traitement 30S2 ou d'un examen d'avancement au grade de chef de section des finances est censé avoir réussi l'épreuve de qualification professionnelle donnant accès au grade d'assistant financier. Pour l'application de l'alinéa précédent, il n'est pas tenu compte des examens d'avancement aux grades de chef opérateur-mécanographe 1ère classe ou de chef opérateur-mécanographe 2e classe. | |
| Afin de pouvoir être nommé au grade d'assistant financier, il doit postuler un emploi vacant. Il ne peut faire valoir son droit au changement de grade qu'au plus tôt lors de la procédure de nomination à laquelle participent les lauréats de la première sélection comparative d'accession au grade d'assistant financier ou de la première épreuve de qualification professionnelle organisée pour les besoins de l'entité où l'emploi est à pourvoir. La date et les points de l'examen dont ils peuvent se prévaloir, sont pris en considération pour l'établissement de leur classement établi conformément au point D. | |
| F. Les lauréats d'une épreuve de qualification professionnelle ou d'une sélection comparative d'accession au grade d'assistant financier conservent de manière illimitée le bénéfice de leur résultat. | |
| [3 G. Si un emploi d'assistant financier est ouvert aux lauréats d'une épreuve de qualification professionnelle ou d'une sélection comparative d'accession qui a été organisée pour les besoins de différentes entités, administrations ou domaines d'activité, le classement des candidats visés à la colonne 1, sous les 1, a et b, est fixé comme suit : 1° le lauréat d'une sélection comparative donnant accès au grade d'assistant financier ou de l'épreuve de qualification professionnelle, dont le procès-verbal a été clôturé à la date la plus ancienne ; 2° entre lauréats d'une sélection comparative ou d'une épreuve de qualification professionnelle clôturées à la même date, l'agent dont l'ancienneté cumulée dans les niveaux C, 2 et 3 est la plus grande ; 3° à égalité entre les agents visés au 2°, le candidat dont l'ancienneté de service est la plus grande ; 4° à égalité d'ancienneté de service, l'agent le plus âgé.]3 | |
| Niveau D | |
| Collaborateur financier 1. Changement de grade : collaborateur administratif, lauréat de l'épreuve de qualification professionnelle donnant accès au grade de collaborateur financier. 2. Mobilité : conformément à l'arrêté royal du 15 janvier 2007 relatif à la mobilité des agents statutaires dans la fonction publique fédérale administrative. Pour pouvoir être nommé, le candidat à une mobilité doit être lauréat de l'épreuve de qualification professionnelle organisée pour les besoins de l'entité où l'emploi est à pourvoir. | A. L'épreuve de qualification professionnelle évalue les compétences spécifiques exigées pour la fonction. B. Les candidats doivent au moins obtenir 60 % des points pour réussir. C. Le classement des candidats visés à la colonne 1, sous 1, s'établit comme suit : 1° le lauréat de l'épreuve de qualification professionnelle donnant accès au grade de collaborateur financier dont le procès-verbal a été clôturé à la date la plus ancienne; 2° entre lauréats d'une épreuve de qualification professionnelle clôturée à la même date, le lauréat qui a obtenu le plus grand nombre de points; |
| 3° entre lauréats ayant obtenu le plus grand nombre de points, l'agent qui compte la plus grande ancienneté de grade. 4° à égalité d'ancienneté de grade, l'agent qui compte la plus grande ancienneté de service; 5° à égalité d'ancienneté de service, l'agent le plus âgé. | |
| D. Les lauréats d'une épreuve de qualification professionnelle au grade de collaborateur financier conservent de manière illimitée le bénéfice de leur résultat. | |
| [4 E. Si un emploi de collaborateur financier est ouvert aux lauréats d'une épreuve de qualification professionnelle qui a été organisée pour les besoins de différentes entités, administrations ou domaines d'activité, le classement des candidats visés à la colonne 1, 1 est fixé comme suit : 1° le lauréat de l'épreuve de qualification professionnelle donnant accès au grade de collaborateur financier dont le procès-verbal est clôturé à la date la plus ancienne ; 2° entre lauréats d'une épreuve de qualification professionnelle qui a été clôturée à la même date, l'agent dont l'ancienneté de grade est la plus grande ; 3° à égalité d'ancienneté de grade, l'agent dont l'ancienneté de service est la plus grande ; 4° à égalité d'ancienneté de service, l'agent le plus âgé.]4 | |
| (1)<AR 2018-09-06/03, art. 38, 004; En vigueur : 01-09-2013> | |
| (2)<AR 2018-09-06/03, art. 39, 004; En vigueur : 01-10-2018> | |
| (3)<AR 2018-09-06/03, art. 40, 004; En vigueur : 01-10-2018> | |
| (4)<AR 2018-09-06/03, art. 41, 004; En vigueur : 01-10-2018> | |
[1 (voir article 42)]1Colonne 2
[1 (voir article 42)]1Modes et ordres des nominations
Conditions de grade, ancienneté, sélection et épreuves de qualification professionnelleDispositions particulièresNiveau BExpert fiscal
1. Changement de grade : expert financier et administratif (grade supprimé), lauréat d'une sélection d'avancement au grade de géomètre-expert des finances ou de vérificateur principal organisée pour les besoins d'une administration générale visée à l'article 3, 1° à 5°.
2.a) Changement de grade : expert financier ou expert fiscal adjoint (grade supprimé), lauréat d'une épreuve de qualification professionnelle ou d'une sélection d'accession donnant accès au grade d'expert fiscal;
A l'administration des douanes et accises, la participation à l'épreuve est réservée aux candidats ayant suivi les cours de vérification organisés à leur intention par l'administration générale.
2.b) Accession au niveau supérieur : assistant financier, assistant financier adjoint (grade supprimé) ou chef administratif (grade supprimé) lauréat de la sélection d'accession au grade d'expert fiscal.
A l'Administration générale des douanes et accises, la participation à la sélection est réservée aux candidats ayant suivi les cours de vérification organisés à leur intention par l'administration générale.
3. Mobilité : conformément à l'arrêté royal du 15 janvier 2007 relatif à la mobilité des agents statutaires dans la fonction publique fédérale administrative.
Pour pouvoir être nommé, le candidat à une mobilité doit être lauréat de l'épreuve de qualification professionnelle organisée pour les besoins de l'entité où l'emploi est à pourvoir.
A. Les dispositions relatives aux mutations sont d'application au changement de grade visé à la colonne 1, sous le point 1.
B. L'épreuve de qualification professionnelle correspond avec la partie spécifique ou les parties spécifiques de la sélection comparative d'accession au grade d'expert fiscal.
C. Pour réussir les candidats doivent obtenir au moins 60 % des points à la partie spécifique et si elle comporte plusieurs parties, 50 % des points à chacune d'entre elles.
D. La ou les parties spécifiques de la sélection comparative d'accession au grade d'expert fiscal et l'épreuve de qualification professionnelle font l'objet d'une seule et même organisation.
E. Le classement des candidats visés à la colonne 1, sous 2, a et b, s'établit comme suit :
1° le lauréat de la sélection ou de l'épreuve de qualification dont le procès-verbal a été clôturé à la date la plus ancienne;
2° entre lauréats d'une sélection ou d'une épreuve de qualification professionnelle clôturées à la même date, le lauréat ayant obtenu le plus grand nombre de points à la ou les épreuves particulières;
3° entre lauréats ayant obtenu le même nombre de points :
a) l'agent qui compte la plus grande ancienneté cumulée dans les niveaux B, 2+, C et 2;
b) à égalité entre les agents visés au a), le candidat qui compte la plus grande ancienneté de service;
c) à égalité d'ancienneté de service, l'agent le plus âgé.F. A l'Administration générale des douanes et accises, la sélection d'accession ou l'épreuve de qualification professionnelle peut comprendre entre autres une épreuve sur la physique et la chimie.G. Les lauréats d'une épreuve de qualification professionnelle ou d'une sélection comparative d'accession au grade d'expert fiscal conservent de manière illimitée le bénéfice de leur résultat.[2 H. Si un emploi d'expert fiscal est ouvert aux lauréats d'une épreuve de qualification professionnelle ou d'une sélection comparative d'accession qui a été organisée pour les besoins de différentes entités, administrations ou domaines d'activité, le classement des candidats visés à la colonne 1, sous les 2, a et b, est fixé comme suit :
1° le lauréat d'une sélection ou d'une épreuve de qualification professionnelle, dont le procès-verbal a été clôturé à la date la plus ancienne ;
2° entre lauréats d'une sélection ou d'une épreuve de qualification professionnelle clôturées à la même date, l'agent dont l'ancienneté cumulée dans les niveaux B, 2+, C et 2 est la plus grande ;
3° à égalité entre les agents visés au 2°, le candidat dont l'ancienneté de service est la plus grande ;
4° à égalité d'ancienneté de service, l'agent le plus âgé.]2Niveau CAssistant financier
1.a) Changement de grade : assistant administratif ou assistant financier adjoint (grade supprimé), lauréat de l'épreuve de qualification professionnelle donnant accès au grade d'assistant financier.
1.b) Accession niveau supérieur : collaborateur financier lauréat de la sélection comparative d'accession au grade d'assistant financier.
2. Mobilité : conformément à l'arrêté royal du 15 janvier 2007 relatif à la mobilité des agents statutaires dans la fonction publique fédérale administrative.
Pour pouvoir être nommé, le candidat à une mobilité doit être lauréat de l'épreuve de qualification professionnelle organisée pour les besoins de l'entité où l'emploi est à pourvoir.
A. La sélection comparative d'accession au grade d'assistant financier consiste en une seule épreuve composée d'une ou plusieurs parties portant sur les compétences spécifiques requises pour la fonction.
B. L'épreuve de qualification professionnelle évalue les compétences spécifiques requises pour la fonction.
C. La sélection comparative d'accession au grade d'assistant financier et l'épreuve de qualification professionnelle font l'objet
d'une seule et même organisation.
Pour réussir, les candidats doivent au moins obtenir 60 % des points sur l'ensemble de la sélection comparative ou de l'épreuve de qualification professionnelle et si elle comporte plusieurs parties, 50 % des points à chacune d'entre elles.D. Le classement des candidats visés à la colonne 1, sous 1.a et 1.b s'établit comme suit :
1° le lauréat de la sélection comparative d'accession donnant accès au grade d'assistant financier ou de l'épreuve de qualification professionnelle dont le procès-verbal a été clôturé à la date la plus ancienne;2° entre lauréats d'une sélection comparative ou épreuve de qualification professionnelle clôturées à la même date, le lauréat qui a obtenu le plus de points au total des différentes parties;
3° entre lauréats ayant obtenu le même nombre de points :
a) l'agent comptant la plus grande ancienneté cumulée dans les niveaux C, 2, D et 3;
b) à égalité entre les candidats repris sous a), l'agent comptant la plus grande ancienneté de service;
c) à égalité d'ancienneté de service, l'agent le plus âgé.E. Par mesure transitoire, l'assistant administratif ou l'assistant financier adjoint (grade supprimé), lauréat d'un examen de promotion à un grade de rang 34 ou d'un examen d'avancement barémique à l'échelle de traitement 30S2 ou d'un examen d'avancement au grade de chef de section des finances est censé avoir réussi l'épreuve de qualification professionnelle donnant accès au grade d'assistant financier.
Pour l'application de l'alinéa précédent, il n'est pas tenu compte des examens d'avancement aux grades de chef opérateur-mécanographe 1ère classe ou de chef opérateur-mécanographe 2e classe.Afin de pouvoir être nommé au grade d'assistant financier, il doit postuler un emploi vacant. Il ne peut faire valoir son droit au changement de grade qu'au plus tôt lors de la procédure de nomination à laquelle participent les lauréats de la première sélection comparative d'accession au grade d'assistant financier ou de la première épreuve de qualification professionnelle organisée pour les besoins de l'entité où l'emploi est à pourvoir.
La date et les points de l'examen dont ils peuvent se prévaloir, sont pris en considération pour l'établissement de leur classement établi conformément au point D.F. Les lauréats d'une épreuve de qualification professionnelle ou d'une sélection comparative d'accession au grade d'assistant financier conservent de manière illimitée le bénéfice de leur résultat.[3 G. Si un emploi d'assistant financier est ouvert aux lauréats d'une épreuve de qualification professionnelle ou d'une sélection comparative d'accession qui a été organisée pour les besoins de différentes entités, administrations ou domaines d'activité, le classement des candidats visés à la colonne 1, sous les 1, a et b, est fixé comme suit :
1° le lauréat d'une sélection comparative donnant accès au grade d'assistant financier ou de l'épreuve de qualification professionnelle, dont le procès-verbal a été clôturé à la date la plus ancienne ;
2° entre lauréats d'une sélection comparative ou d'une épreuve de qualification professionnelle clôturées à la même date, l'agent dont l'ancienneté cumulée dans les niveaux C, 2 et 3 est la plus grande ;
3° à égalité entre les agents visés au 2°, le candidat dont l'ancienneté de service est la plus grande ;
4° à égalité d'ancienneté de service, l'agent le plus âgé.]3Niveau DCollaborateur financier
1. Changement de grade : collaborateur administratif, lauréat de l'épreuve de qualification professionnelle donnant accès au grade de collaborateur financier.
2. Mobilité : conformément à l'arrêté royal du 15 janvier 2007 relatif à la mobilité des agents statutaires dans la fonction publique fédérale administrative.
Pour pouvoir être nommé, le candidat à une mobilité doit être lauréat de l'épreuve de qualification professionnelle organisée pour les besoins de l'entité où l'emploi est à pourvoir.
A. L'épreuve de qualification professionnelle évalue les compétences spécifiques exigées pour la fonction.
B. Les candidats doivent au moins obtenir 60 % des points pour réussir.
C. Le classement des candidats visés à la colonne 1, sous 1, s'établit comme suit :
1° le lauréat de l'épreuve de qualification professionnelle donnant accès au grade de collaborateur financier dont le procès-verbal a été clôturé à la date la plus ancienne;
2° entre lauréats d'une épreuve de qualification professionnelle clôturée à la même date, le lauréat qui a obtenu le plus grand nombre de points;3° entre lauréats ayant obtenu le plus grand nombre de points, l'agent qui compte la plus grande ancienneté de grade.
4° à égalité d'ancienneté de grade, l'agent qui compte la plus grande ancienneté de service;
5° à égalité d'ancienneté de service, l'agent le plus âgé.D. Les lauréats d'une épreuve de qualification professionnelle au grade de collaborateur financier conservent de manière illimitée le bénéfice de leur résultat.[4 E. Si un emploi de collaborateur financier est ouvert aux lauréats d'une épreuve de qualification professionnelle qui a été organisée pour les besoins de différentes entités, administrations ou domaines d'activité, le classement des candidats visés à la colonne 1, 1 est fixé comme suit :
1° le lauréat de l'épreuve de qualification professionnelle donnant accès au grade de collaborateur financier dont le procès-verbal est clôturé à la date la plus ancienne ;
2° entre lauréats d'une épreuve de qualification professionnelle qui a été clôturée à la même date, l'agent dont l'ancienneté de grade est la plus grande ;
3° à égalité d'ancienneté de grade, l'agent dont l'ancienneté de service est la plus grande ;
4° à égalité d'ancienneté de service, l'agent le plus âgé.]4(1)<AR 2018-09-06/03, art. 38, 004; En vigueur : 01-09-2013>(2)<AR 2018-09-06/03, art. 39, 004; En vigueur : 01-10-2018>(3)<AR 2018-09-06/03, art. 40, 004; En vigueur : 01-10-2018>(4)<AR 2018-09-06/03, art. 41, 004; En vigueur : 01-10-2018>