Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
24 JUNI 2013. - Wet betreffende de gemeentelijke administratieve sancties (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-07-2013 en tekstbijwerking tot 07-02-2024)
Titre
24 JUIN 2013. - Loi relative aux sanctions administratives communales (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 01-07-2013 et mise à jour au 07-02-2024)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
TITEL I. - Voorafgaande bepaling
TITEL II. - De administratieve sancties
HOOFDSTUK 1. - De sancties
Afdeling 1. - Gesanctioneerde inbreuken
Afdeling 2. - Sancties en alternatieve maatrege...
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Onderafdeling 2. - De gemeenschapsdienst voor d...
Onderafdeling 3. - De [1 GAS-bemiddeling]1 voor...
HOOFDSTUK 2. - Bijzondere bepalingen van toepas...
Afdeling 1. - De administratieve geldboete
Afdeling 2. - De informatieplicht
Afdeling 3. - De aanwezigheid van een advocaat
Afdeling 4. - De verschillende procedures van t...
Onderafdeling 1. - De procedure van ouderlijke ...
Onderafdeling 2. [1 - De GAS-bemiddelingsproced...
Onderafdeling 3. - De gemeenschapsdienst uitgev...
HOOFDSTUK 2/1. [1 - De verwerking van persoonsg...
HOOFDSTUK 3. - Administratieve procedure
Afdeling 1. - Vaststellingen
Afdeling 2. - Procedure in geval van gemengde i...
Afdeling 3. - Procedure voor de sanctionerend a...
Onderafdeling 1. - Verloop van de procedure
Onderafdeling 2. - Kennisgeving van de beslissing
Onderafdeling 3. - Procedure in geval van inbre...
Afdeling 4. - Beroep
HOOFDSTUK 4. - Inning van de geldboete
HOOFDSTUK 5. Onmiddellijke betaling van de admi...
HOOFDSTUK 6. - Verjaring van de administratieve...
HOOFDSTUK 7. Register van de gemeentelijke admi...
HOOFDSTUK 8. - Schorsing, [1 opheffing]1 en slu...
TITEL III. - Wijzigings- en opheffingsbepalingen
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingsbepalingen
Afdeling 1. - Wijzigingen van de Nieuwe gemeent...
Afdeling 2. - Wijziging van het Gerechtelijk We...
HOOFDSTUK 2. - Opheffingsbepaling
TITEL IV. - Overgangs- en slotbepalingen
Inhoud
TITRE Ier. - Disposition préliminaire
TITRE II. - Les sanctions administratives
CHAPITRE 1er. - Les sanctions
Section 1re. - Des infractions sanctionnées
Section 2. - Des sanctions et mesures alternati...
Sous-section 1re. - Dispositions générales
Sous-section 2. - De la prestation citoyenne po...
Sous-section 3. - De la [1 médiation SAC]1 pour...
CHAPITRE 2. - Dispositions particulières applic...
Section 1re. - De l'amende administrative
Section 2. - Du devoir d'information
Section 3. - De la présence d'un avocat
Section 4. - Des diverses procédures applicable...
Sous-section 1re. - De la procédure d'implicati...
Sous-section 2. - De la procédure de [1 médiati...
Sous-section 3. - De la prestation citoyenne ef...
CHAPITRE 2/1. [1 - Le traitement des données à ...
CHAPITRE 3. - Procédure administrative
Section 1re. - Constatations
Section 2. - Procédure en cas d'infractions mixtes
Section 3. - Procédure devant le fonctionnaire ...
Sous-section 1re. - Déroulement de la procédure
Sous-section 2. - Notification de la décision
Sous-section 3. - Procédure en cas d'infraction...
Section 4. - Recours
CHAPITRE 4. - Perception de l'amende
CHAPITRE 5. - Paiement immédiat de l'amende adm...
CHAPITRE 6. - Prescription des amendes administ...
CHAPITRE 7. Registre des sanctions administrati...
CHAPITRE 8. - Suspension, [1 abrogation]1 et fe...
TITRE III. - Dispositions modificatives et abro...
CHAPITRE 1er. - Dispositions modificatives
Section 1re. - Modifications de la Nouvelle loi...
Section 2. - Modification du Code judiciaire
CHAPITRE 2. - Disposition abrogatoire
TITRE IV. - Dispositions transitoire et finales
Tekst (91)
Texte (91)
TITEL I. - Voorafgaande bepaling
TITRE Ier. - Disposition préliminaire
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
TITEL II. - De administratieve sancties
TITRE II. - Les sanctions administratives
HOOFDSTUK 1. - De sancties
CHAPITRE 1er. - Les sanctions
Afdeling 1. - Gesanctioneerde inbreuken
Section 1re. - Des infractions sanctionnées
Art. 2. § 1. De gemeenteraad kan straffen of administratieve sancties bepalen voor de inbreuken op zijn reglementen of verordeningen, tenzij voor dezelfde inbreuken door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie, straffen of administratieve sancties worden bepaald.
§ 2. In een meergemeentezone waar de gemeenteraden van de betrokken gemeenten na een overleg, waarvan de nadere regels door de Koning bepaald kunnen worden, beslist hebben een identiek algemeen politiereglement aan te nemen, nemen de gemeenteraden van de politiezone een identiek algemeen politiereglement voor de zone aan, na advies van de raad van de betrokken politiezone.
§ 3. In de hypothese voorzien bij § 2 kunnen de gemeenteraden van de politiezone bovendien beslissen om een algemeen politiereglement aan te nemen dat identiek is voor één zone, meerdere zones of alle andere zones van hun gerechtelijk arrondissement die eveneens gebruik maken van de mogelijkheid voorzien bij § 2.
§ 4. De gemeenteraden van de negentien gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kunnen een algemeen gemeenschappelijk politiereglement aannemen, na overleg tussen de betrokken gemeenten waarvan de nadere regels door de Koning bepaald kunnen worden en na advies van de verschillende raden van de betrokken politiezones. De gemeenteraden van de zes zones van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kunnen bovendien gebruik maken van de mogelijkheid voorzien bij § 3.
§ 2. In een meergemeentezone waar de gemeenteraden van de betrokken gemeenten na een overleg, waarvan de nadere regels door de Koning bepaald kunnen worden, beslist hebben een identiek algemeen politiereglement aan te nemen, nemen de gemeenteraden van de politiezone een identiek algemeen politiereglement voor de zone aan, na advies van de raad van de betrokken politiezone.
§ 3. In de hypothese voorzien bij § 2 kunnen de gemeenteraden van de politiezone bovendien beslissen om een algemeen politiereglement aan te nemen dat identiek is voor één zone, meerdere zones of alle andere zones van hun gerechtelijk arrondissement die eveneens gebruik maken van de mogelijkheid voorzien bij § 2.
§ 4. De gemeenteraden van de negentien gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kunnen een algemeen gemeenschappelijk politiereglement aannemen, na overleg tussen de betrokken gemeenten waarvan de nadere regels door de Koning bepaald kunnen worden en na advies van de verschillende raden van de betrokken politiezones. De gemeenteraden van de zes zones van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kunnen bovendien gebruik maken van de mogelijkheid voorzien bij § 3.
Art. 2. § 1er. Le conseil communal peut établir des peines ou des sanctions administratives contre les infractions à ses règlements ou ordonnances, à moins que des peines ou des sanctions administratives soient établies par ou en vertu d'une loi, d'un décret ou d'une ordonnance pour les mêmes infractions.
§ 2. Dans une zone pluricommunale au sein de laquelle les conseils communaux des communes concernées ont décidé, après une concertation dont le Roi peut fixer les modalités, d'adopter un règlement général de police identique, les conseils communaux de la zone de police adoptent un règlement général de police identique pour la zone, après avis du conseil de la zone de police concerné.
§ 3. Dans l'hypothèse prévue au § 2, les conseils communaux de la zone de police peuvent en outre décider d'adopter un règlement général de police identique à une zone, plusieurs zones ou toutes les autres zones de leur arrondissement judiciaire qui font également usage de la faculté prévue par le § 2.
§ 4. Les conseils communaux des dix-neuf communes de la Région de Bruxelles-Capitale peuvent adopter un règlement général de police commun, après une concertation entre les communes concernées dont le Roi peut fixer les modalités et après avis des différents conseils des zones de police concernées. Les conseils communaux des six zones de la Région de Bruxelles-Capitale peuvent en outre faire usage de la faculté prévue au § 3.
§ 2. Dans une zone pluricommunale au sein de laquelle les conseils communaux des communes concernées ont décidé, après une concertation dont le Roi peut fixer les modalités, d'adopter un règlement général de police identique, les conseils communaux de la zone de police adoptent un règlement général de police identique pour la zone, après avis du conseil de la zone de police concerné.
§ 3. Dans l'hypothèse prévue au § 2, les conseils communaux de la zone de police peuvent en outre décider d'adopter un règlement général de police identique à une zone, plusieurs zones ou toutes les autres zones de leur arrondissement judiciaire qui font également usage de la faculté prévue par le § 2.
§ 4. Les conseils communaux des dix-neuf communes de la Région de Bruxelles-Capitale peuvent adopter un règlement général de police commun, après une concertation entre les communes concernées dont le Roi peut fixer les modalités et après avis des différents conseils des zones de police concernées. Les conseils communaux des six zones de la Région de Bruxelles-Capitale peuvent en outre faire usage de la faculté prévue au § 3.
Art. 3. In afwijking van artikel 2, § 1, kan de gemeenteraad bovendien in zijn reglementen of verordeningen een administratieve sanctie voorzien zoals bedoeld in [3 artikel 4, § 1]3 :
1° [4 voor inbreuken bedoeld in de artikelen 284 en 286 van het Strafwetboek, voor zover niet door de bewaarder of openbaar ambtenaar gepleegd, wat betreft de verzegeling overeenkomstig artikel 133ter van de Nieuwe Gemeentewet, en voor de inbreuken bedoeld in de artikelen 398, 448 en 521, derde lid, van het Strafwetboek;]4
2° voor inbreuken bedoeld in de artikelen 461, 463, 526, 534bis, 534ter, 537, 545, 559, 1°, 561, 1°, 563, 2° en 3° en 563bis van het Strafwetboek [3 en in artikel 18 van de wet van 10 november 2006 betreffende de openingsuren in handel, ambacht en dienstverlening voor wat betreft de voorafgaande vergunning die kan worden opgelegd bij gemeentelijk reglement]3;
3° voor de volgende inbreuken die worden bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op basis van de algemene reglementen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer en met uitzondering van de overtredingen op autosnelwegen, meer in het bijzonder :
- de overtredingen betreffende het stilstaan en het parkeren;
- de overtredingen van de bepalingen betreffende [1 de verkeersborden [3 C3, F103 en F111]3]1 [3 ...]3. [3 Wanneer deze inbreuken niet worden vastgesteld door middel van automatisch werkende toestellen, bedoeld in artikel 62 van dezelfde wet, wordt de bestuurder onmiddellijk geïdentificeerd. Indien het niet mogelijk is om de bestuurder op het ogenblik van de vaststelling te identificeren, gelden de regels betreffende de kentekenaansprakelijkheid, zoals bepaald in artikel 33]3;
[2 4° voor het niet nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 33, derde lid, derde zin.]2
1° [4 voor inbreuken bedoeld in de artikelen 284 en 286 van het Strafwetboek, voor zover niet door de bewaarder of openbaar ambtenaar gepleegd, wat betreft de verzegeling overeenkomstig artikel 133ter van de Nieuwe Gemeentewet, en voor de inbreuken bedoeld in de artikelen 398, 448 en 521, derde lid, van het Strafwetboek;]4
2° voor inbreuken bedoeld in de artikelen 461, 463, 526, 534bis, 534ter, 537, 545, 559, 1°, 561, 1°, 563, 2° en 3° en 563bis van het Strafwetboek [3 en in artikel 18 van de wet van 10 november 2006 betreffende de openingsuren in handel, ambacht en dienstverlening voor wat betreft de voorafgaande vergunning die kan worden opgelegd bij gemeentelijk reglement]3;
3° voor de volgende inbreuken die worden bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op basis van de algemene reglementen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer en met uitzondering van de overtredingen op autosnelwegen, meer in het bijzonder :
- de overtredingen betreffende het stilstaan en het parkeren;
- de overtredingen van de bepalingen betreffende [1 de verkeersborden [3 C3, F103 en F111]3]1 [3 ...]3. [3 Wanneer deze inbreuken niet worden vastgesteld door middel van automatisch werkende toestellen, bedoeld in artikel 62 van dezelfde wet, wordt de bestuurder onmiddellijk geïdentificeerd. Indien het niet mogelijk is om de bestuurder op het ogenblik van de vaststelling te identificeren, gelden de regels betreffende de kentekenaansprakelijkheid, zoals bepaald in artikel 33]3;
[2 4° voor het niet nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 33, derde lid, derde zin.]2
Art. 3. Par dérogation à l'article 2, § 1er, le conseil communal peut, en outre, prévoir dans ses règlements ou ordonnances une sanction administrative telle que définie à l'[3 article 4, § 1er]3 :
1° [4 pour les infractions visées aux articles 284 et 286 du Code pénal et, pour autant qu'elles ne soient pas commises par le gardien ou le fonctionnaire public, en ce qui concerne les scellés placés conformément à l'article 133ter de la Nouvelle Loi communale, et pour les infractions visées aux articles 398, 448 et 521, alinéa 3, du Code pénal;]4
2° pour les infractions visées aux articles 461, 463, 526, 534bis, 534ter, 537, 545, 559, 1°, 561, 1°, 563, 2° et 3° et 563bis, du Code pénal [3 et à l'article 18 de la loi du 10 novembre 2006 relative aux heures d'ouverture dans le commerce, l'artisanat et les services en ce qui concerne l'autorisation préalable qui peut être imposée par règlement communal]3;
3° pour les infractions suivantes qui sont déterminées par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres sur la base des règlements généraux visés à l'article 1er, alinéa 1er, de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière et à l'exception des infractions qui ont lieu sur les autoroutes, en particulier :
- les infractions relatives à l'arrêt et au stationnement;
- les infractions aux dispositions concernant [1 les signaux [3 C3, F103 et F111]3]1 [3 ...]3. [3 Lorsque ces infractions ne sont pas constatées au moyen d'appareils fonctionnant automatiquement visés à l'article 62 de la même loi, le conducteur est identifié immédiatement. S'il n'est pas possible d'identifier le conducteur au moment de la constatation, les règles relatives à la responsabilité en matière de plaques d'immatriculation s'appliquent, conformément à l'article 33]3;
[2 4° pour le non-respect de l'obligation visée à l'article 33, alinéa 3, troisième phrase.]2
1° [4 pour les infractions visées aux articles 284 et 286 du Code pénal et, pour autant qu'elles ne soient pas commises par le gardien ou le fonctionnaire public, en ce qui concerne les scellés placés conformément à l'article 133ter de la Nouvelle Loi communale, et pour les infractions visées aux articles 398, 448 et 521, alinéa 3, du Code pénal;]4
2° pour les infractions visées aux articles 461, 463, 526, 534bis, 534ter, 537, 545, 559, 1°, 561, 1°, 563, 2° et 3° et 563bis, du Code pénal [3 et à l'article 18 de la loi du 10 novembre 2006 relative aux heures d'ouverture dans le commerce, l'artisanat et les services en ce qui concerne l'autorisation préalable qui peut être imposée par règlement communal]3;
3° pour les infractions suivantes qui sont déterminées par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres sur la base des règlements généraux visés à l'article 1er, alinéa 1er, de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière et à l'exception des infractions qui ont lieu sur les autoroutes, en particulier :
- les infractions relatives à l'arrêt et au stationnement;
- les infractions aux dispositions concernant [1 les signaux [3 C3, F103 et F111]3]1 [3 ...]3. [3 Lorsque ces infractions ne sont pas constatées au moyen d'appareils fonctionnant automatiquement visés à l'article 62 de la même loi, le conducteur est identifié immédiatement. S'il n'est pas possible d'identifier le conducteur au moment de la constatation, les règles relatives à la responsabilité en matière de plaques d'immatriculation s'appliquent, conformément à l'article 33]3;
[2 4° pour le non-respect de l'obligation visée à l'article 33, alinéa 3, troisième phrase.]2
Afdeling 2. - Sancties en alternatieve maatregelen voor deze sancties
Section 2. - Des sanctions et mesures alternatives à ces sanctions
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Sous-section 1re. - Dispositions générales
Art. 4. § 1. De gemeenteraad kan in zijn reglementen of verordeningen in de mogelijkheid voorzien om een of meer van de volgende sancties op te leggen voor de feiten bedoeld in de artikelen 2 en 3 :
1° een administratieve geldboete die maximaal 175 of [1 500 euro]1 bedraagt, naargelang de overtreder minderjarig of meerderjarig is;
2° de administratieve schorsing van een door de gemeente verleende toestemming of vergunning;
3° de administratieve [2 opheffing]2 van een door de gemeente verleende toestemming of vergunning;
4° de tijdelijke of definitieve administratieve sluiting van een inrichting.
§ 2. De gemeenteraad kan in zijn reglementen of verordeningen voorzien in de volgende alternatieve maatregelen voor de administratieve geldboete bedoeld in § 1, 1° :
1° de gemeenschapsdienst, gedefinieerd als zijnde een prestatie van algemeen belang uitgevoerd door de overtreder ten gunste van de collectiviteit;
2° de [1 GAS-bemiddeling]1, gedefinieerd als zijnde een maatregel die het voor de overtreder mogelijk maakt om, door tussenkomst van een bemiddelaar, de veroorzaakte schade te herstellen of schadeloos te stellen of om het conflict te doen bedaren.
§ 3. De door de gemeenteraad vastgestelde straffen mogen de politiestraffen niet te boven gaan.
§ 4. In afwijking van § 1 kan voor de in artikel 3, 3°, bedoelde inbreuken alleen een administratieve geldboete zoals bedoeld in § 1, 1°, worden opgelegd.
Deze inbreuken worden door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad ingedeeld in vier categorieën waarbij het bedrag van de daaraan verbonden administratieve geldboetes wordt bepaald in functie van de ernst van de bedreiging die zij betekenen voor de verkeersveiligheid en de mobiliteit.
§ 5. Indien de gemeenteraad in zijn reglementen of verordeningen de mogelijkheid voorziet om de administratieve sanctie bepaald in § 1, 1°, ten aanzien van minderjarigen op te leggen voor de feiten bedoeld in de artikelen 2 en 3 wint hij vooraf het advies in betreffende dat reglement of die verordening van het orgaan of de organen die een adviesbevoegdheid hebben in jeugdzaken, voor zover het aanwezig is of zij aanwezig zijn in de gemeente.
1° een administratieve geldboete die maximaal 175 of [1 500 euro]1 bedraagt, naargelang de overtreder minderjarig of meerderjarig is;
2° de administratieve schorsing van een door de gemeente verleende toestemming of vergunning;
3° de administratieve [2 opheffing]2 van een door de gemeente verleende toestemming of vergunning;
4° de tijdelijke of definitieve administratieve sluiting van een inrichting.
§ 2. De gemeenteraad kan in zijn reglementen of verordeningen voorzien in de volgende alternatieve maatregelen voor de administratieve geldboete bedoeld in § 1, 1° :
1° de gemeenschapsdienst, gedefinieerd als zijnde een prestatie van algemeen belang uitgevoerd door de overtreder ten gunste van de collectiviteit;
2° de [1 GAS-bemiddeling]1, gedefinieerd als zijnde een maatregel die het voor de overtreder mogelijk maakt om, door tussenkomst van een bemiddelaar, de veroorzaakte schade te herstellen of schadeloos te stellen of om het conflict te doen bedaren.
§ 3. De door de gemeenteraad vastgestelde straffen mogen de politiestraffen niet te boven gaan.
§ 4. In afwijking van § 1 kan voor de in artikel 3, 3°, bedoelde inbreuken alleen een administratieve geldboete zoals bedoeld in § 1, 1°, worden opgelegd.
Deze inbreuken worden door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad ingedeeld in vier categorieën waarbij het bedrag van de daaraan verbonden administratieve geldboetes wordt bepaald in functie van de ernst van de bedreiging die zij betekenen voor de verkeersveiligheid en de mobiliteit.
§ 5. Indien de gemeenteraad in zijn reglementen of verordeningen de mogelijkheid voorziet om de administratieve sanctie bepaald in § 1, 1°, ten aanzien van minderjarigen op te leggen voor de feiten bedoeld in de artikelen 2 en 3 wint hij vooraf het advies in betreffende dat reglement of die verordening van het orgaan of de organen die een adviesbevoegdheid hebben in jeugdzaken, voor zover het aanwezig is of zij aanwezig zijn in de gemeente.
Art. 4. § 1er. Le conseil communal peut prévoir dans ses règlements ou ordonnances la possibilité d'infliger une ou plusieurs des sanctions suivantes pour les faits visés aux articles 2 et 3 :
1° une amende administrative qui s'élève au maximum à 175 euros ou [1 500 euros]1 selon que le contrevenant est mineur ou majeur;
2° la suspension administrative d'une autorisation ou permission délivrée par la commune;
3° [2 l'abrogation administrative]2 d'une autorisation ou permission délivrée par la commune;
4° la fermeture administrative d'un établissement à titre temporaire ou définitif.
§ 2. Le conseil communal peut prévoir dans ses règlements ou ordonnances les mesures alternatives suivantes à l'amende administrative visée au § 1er, 1° :
1° la prestation citoyenne définie comme étant une prestation d'intérêt général effectuée par le contrevenant au profit de la collectivité;
2° la [1 médiation SAC]1 définie comme une mesure permettant au contrevenant, grâce à l'intervention d'un médiateur, de réparer ou d'indemniser le dommage causé ou d'apaiser le conflit.
§ 3. Les peines établies par le conseil communal ne peuvent excéder les peines de police.
§ 4.Par dérogation au § 1er, seule une amende administrative visée au § 1er, 1°, peut être imposée pour les infractions visées à l'article 3, 3°.
Ces infractions sont réparties par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, en quatre catégories précisant le montant des amendes administratives qui y sont liées, en fonction de la gravité de la menace qu'elles représentent pour la sécurité routière et la mobilité.
§ 5. Si le conseil communal prévoit, dans ses règlements ou ordonnances, la possibilité d'infliger à des mineurs la sanction administrative prévue au § 1er, 1°, pour les faits visés aux articles 2 et 3, il recueille préalablement l'avis de l'organe ou des organes ayant une compétence d'avis en matière de jeunesse sur le règlement ou l'ordonnance en question, pour autant qu'il existe un tel organe ou de tels organes dans la commune.
1° une amende administrative qui s'élève au maximum à 175 euros ou [1 500 euros]1 selon que le contrevenant est mineur ou majeur;
2° la suspension administrative d'une autorisation ou permission délivrée par la commune;
3° [2 l'abrogation administrative]2 d'une autorisation ou permission délivrée par la commune;
4° la fermeture administrative d'un établissement à titre temporaire ou définitif.
§ 2. Le conseil communal peut prévoir dans ses règlements ou ordonnances les mesures alternatives suivantes à l'amende administrative visée au § 1er, 1° :
1° la prestation citoyenne définie comme étant une prestation d'intérêt général effectuée par le contrevenant au profit de la collectivité;
2° la [1 médiation SAC]1 définie comme une mesure permettant au contrevenant, grâce à l'intervention d'un médiateur, de réparer ou d'indemniser le dommage causé ou d'apaiser le conflit.
§ 3. Les peines établies par le conseil communal ne peuvent excéder les peines de police.
§ 4.Par dérogation au § 1er, seule une amende administrative visée au § 1er, 1°, peut être imposée pour les infractions visées à l'article 3, 3°.
Ces infractions sont réparties par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, en quatre catégories précisant le montant des amendes administratives qui y sont liées, en fonction de la gravité de la menace qu'elles représentent pour la sécurité routière et la mobilité.
§ 5. Si le conseil communal prévoit, dans ses règlements ou ordonnances, la possibilité d'infliger à des mineurs la sanction administrative prévue au § 1er, 1°, pour les faits visés aux articles 2 et 3, il recueille préalablement l'avis de l'organe ou des organes ayant une compétence d'avis en matière de jeunesse sur le règlement ou l'ordonnance en question, pour autant qu'il existe un tel organe ou de tels organes dans la commune.
Art. 5. De gemeenteraad kan voor dezelfde inbreuken op zijn reglementen en verordeningen niet tezelfdertijd in een strafsanctie en in een administratieve sanctie voorzien.
Art. 5. Le conseil communal ne peut prévoir simultanément une sanction pénale et une sanction administrative pour les mêmes infractions à ses règlements et ordonnances.
Art. 6. § 1. De in artikel 4, § 1, 1°, bedoelde administratieve geldboete wordt opgelegd door de sanctionerend ambtenaar.
§ 2. De sanctionerend ambtenaar beantwoordt aan de door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, vastgelegde kwalificatie- en onafhankelijkheidsvoorwaarden.
§ 3. De sanctionerend ambtenaar wordt door de gemeenteraad aangewezen en kan niet tegelijkertijd de persoon zijn die, met toepassing van de artikelen 20 en 21, de inbreuken vaststelt en de persoon die de bemiddelingsprocedure leidt. Hij kan tevens door meerdere gemeenten worden aangewezen.
§ 2. De sanctionerend ambtenaar beantwoordt aan de door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, vastgelegde kwalificatie- en onafhankelijkheidsvoorwaarden.
§ 3. De sanctionerend ambtenaar wordt door de gemeenteraad aangewezen en kan niet tegelijkertijd de persoon zijn die, met toepassing van de artikelen 20 en 21, de inbreuken vaststelt en de persoon die de bemiddelingsprocedure leidt. Hij kan tevens door meerdere gemeenten worden aangewezen.
Art. 6. § 1er. L'amende administrative visée à l'article 4, § 1er, 1°, est infligée par le fonctionnaire sanctionnateur.
§ 2. Le fonctionnaire sanctionnateur répond aux conditions de qualification et d'indépendance déterminées par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
§ 3. Le fonctionnaire sanctionnateur est désigné par le conseil communal, et ne peut être en même temps la personne qui, en application des articles 20 et 21, constate les infractions, ou celle qui mène la procédure de médiation. Il peut également être désigné par plusieurs communes.
§ 2. Le fonctionnaire sanctionnateur répond aux conditions de qualification et d'indépendance déterminées par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
§ 3. Le fonctionnaire sanctionnateur est désigné par le conseil communal, et ne peut être en même temps la personne qui, en application des articles 20 et 21, constate les infractions, ou celle qui mène la procédure de médiation. Il peut également être désigné par plusieurs communes.
Art. 7. De administratieve sanctie is proportioneel in functie van de zwaarte van de feiten die haar verantwoorden en in functie van de eventuele herhaling. Herhaling bestaat wanneer de overtreder reeds werd gesanctioneerd voor eenzelfde inbreuk binnen de vierentwintig maanden voorafgaand aan de nieuwe vaststelling van de inbreuk.
De vaststelling van meerdere samenlopende inbreuken op dezelfde reglementen of verordeningen, geeft aanleiding tot één enkele administratieve sanctie, in verhouding tot de ernst van het geheel van de feiten.
De vaststelling van meerdere samenlopende inbreuken op dezelfde reglementen of verordeningen, geeft aanleiding tot één enkele administratieve sanctie, in verhouding tot de ernst van het geheel van de feiten.
Art. 7. La sanction administrative est proportionnée à la gravité des faits qui la motivent et en fonction de l'éventuelle récidive. Il y a récidive lorsque le contrevenant a déjà été sanctionné pour une même infraction dans les vingt-quatre mois qui précèdent la nouvelle constatation de l'infraction.
La constatation de plusieurs infractions concomitantes aux mêmes règlements ou ordonnances donnera lieu à une sanction administrative unique, proportionnelle à la gravité de l'ensemble des faits.
La constatation de plusieurs infractions concomitantes aux mêmes règlements ou ordonnances donnera lieu à une sanction administrative unique, proportionnelle à la gravité de l'ensemble des faits.
Art. 8. De [1 GAS-bemiddeling]1 wordt gevoerd door een bemiddelaar die beantwoordt aan de minimale voorwaarden die door de Koning worden bepaald, hierna genoemd de bemiddelaar, of door een gespecialiseerde en door de gemeente erkende bemiddelingsdienst, overeenkomstig de door de Koning bepaalde voorwaarden en nadere regels.
[1 De bemiddelaar komt tussen op verzoek van de sanctionerend ambtenaar voor de uitwerking en de opvolging van alle fasen van de bemiddelingsprocedures die het mogelijk maken de veroorzaakte schade te herstellen of te vergoeden of het conflict te bedaren en recidive te voorkomen. De bemiddelaar is onafhankelijk van de sanctionerend ambtenaar.
De bemiddeling in het kader van de gemeentelijke administratieve sancties is voor de betrokken partijen een kosteloze procedure.
Binnen de perken van de beschikbare kredieten kan aan de gemeenten die een bemiddelaar aanwerven, een subsidie verleend worden volgens de door de Koning vastgestelde voorwaarden en nadere regels.
De gemeenten kunnen samen genieten van de diensten van eenzelfde bemiddelaar, die door een ervan wordt tewerkgesteld.]1
[1 De bemiddelaar komt tussen op verzoek van de sanctionerend ambtenaar voor de uitwerking en de opvolging van alle fasen van de bemiddelingsprocedures die het mogelijk maken de veroorzaakte schade te herstellen of te vergoeden of het conflict te bedaren en recidive te voorkomen. De bemiddelaar is onafhankelijk van de sanctionerend ambtenaar.
De bemiddeling in het kader van de gemeentelijke administratieve sancties is voor de betrokken partijen een kosteloze procedure.
Binnen de perken van de beschikbare kredieten kan aan de gemeenten die een bemiddelaar aanwerven, een subsidie verleend worden volgens de door de Koning vastgestelde voorwaarden en nadere regels.
De gemeenten kunnen samen genieten van de diensten van eenzelfde bemiddelaar, die door een ervan wordt tewerkgesteld.]1
Art. 8. La [1 médiation SAC]1 est menée par un médiateur qui répond aux conditions minimales définies par le Roi, ci-après dénommé le médiateur, ou par un service de médiation spécialisé et agréé par la commune, selon les conditions et modalités déterminées par le Roi.
[1 Le médiateur intervient à la demande du fonctionnaire sanctionnateur pour la mise en oeuvre et le suivi de toutes les phases des procédures de médiation qui permettent de réparer ou d'indemniser le dommage occasionné, ou d'apaiser le conflit et de prévenir la récidive. Le médiateur est indépendant du fonctionnaire sanctionnateur.
La médiation dans le cadre des sanctions administratives communales est une procédure gratuite pour les parties concernées.
Dans la limite des crédits disponibles, les communes qui recrutent un médiateur peuvent se voir octroyer une subvention selon les conditions et modalités fixées par le Roi.
Les communes peuvent bénéficier conjointement des services d'un même médiateur qui est employé par l'une d'elles.]1
[1 Le médiateur intervient à la demande du fonctionnaire sanctionnateur pour la mise en oeuvre et le suivi de toutes les phases des procédures de médiation qui permettent de réparer ou d'indemniser le dommage occasionné, ou d'apaiser le conflit et de prévenir la récidive. Le médiateur est indépendant du fonctionnaire sanctionnateur.
La médiation dans le cadre des sanctions administratives communales est une procédure gratuite pour les parties concernées.
Dans la limite des crédits disponibles, les communes qui recrutent un médiateur peuvent se voir octroyer une subvention selon les conditions et modalités fixées par le Roi.
Les communes peuvent bénéficier conjointement des services d'un même médiateur qui est employé par l'une d'elles.]1
Wijzigingen
Onderafdeling 2. - De gemeenschapsdienst voor de meerderjarigen
Sous-section 2. - De la prestation citoyenne pour les majeurs
Art. 9. Indien het gemeentereglement dit voorziet en voor zover de sanctionerend ambtenaar dit aangewezen acht, kan hij aan de meerderjarige overtreder, mits zijn akkoord of op zijn verzoek, een gemeenschapsdienst voorstellen in plaats van de administratieve geldboete.
Art. 9. Au cas où le règlement communal le prévoit et pour autant que le fonctionnaire sanctionnateur l'estime opportun, il peut proposer au contrevenant majeur, moyennant son accord ou à la demande de ce dernier, une prestation citoyenne en lieu et place de l'amende administrative.
Art. 10. De gemeenschapsdienst, bepaald door de reglementen of verordeningen van de gemeente, mag niet meer dan dertig uur bedragen en moet worden uitgevoerd binnen een termijn van zes maanden vanaf de datum van kennisgeving van de beslissing van de sanctionerend ambtenaar.
Zij bestaat uit :
1° een opleiding en/of;
2° een onbetaalde prestatie onder toezicht van de gemeente of van een door de gemeente aangewezen bevoegde rechtspersoon en uitgevoerd ten behoeve van een gemeentedienst of een publiekrechtelijke rechtspersoon, een stichting of een vereniging zonder winstgevend oogmerk die door de gemeente wordt aangewezen.
De gemeenschapsdienst wordt omkaderd door een door de gemeente erkende dienst of door een rechtspersoon die door deze gemeente wordt aangewezen.
Zij bestaat uit :
1° een opleiding en/of;
2° een onbetaalde prestatie onder toezicht van de gemeente of van een door de gemeente aangewezen bevoegde rechtspersoon en uitgevoerd ten behoeve van een gemeentedienst of een publiekrechtelijke rechtspersoon, een stichting of een vereniging zonder winstgevend oogmerk die door de gemeente wordt aangewezen.
De gemeenschapsdienst wordt omkaderd door een door de gemeente erkende dienst of door een rechtspersoon die door deze gemeente wordt aangewezen.
Art. 10. La prestation citoyenne, déterminée par les règlements ou ordonnances de la commune, ne peut excéder trente heures et doit être exécutée dans un délai de six mois à partir de la date de la notification de la décision du fonctionnaire sanctionnateur.
Elle consiste en :
1° une formation et/ou;
2° une prestation non rémunérée encadrée par la commune ou une personne morale compétente désignée par la commune et exécutée au bénéfice d'un service communal ou d'une personne morale de droit public, une fondation ou une association sans but lucratif désignée par la commune.
La prestation citoyenne est encadrée par un service agréé par la commune ou une personne morale désignée par celle-ci.
Elle consiste en :
1° une formation et/ou;
2° une prestation non rémunérée encadrée par la commune ou une personne morale compétente désignée par la commune et exécutée au bénéfice d'un service communal ou d'une personne morale de droit public, une fondation ou une association sans but lucratif désignée par la commune.
La prestation citoyenne est encadrée par un service agréé par la commune ou une personne morale désignée par celle-ci.
Art. 11. § 1. Wanneer de sanctionerend ambtenaar vaststelt dat de gemeenschapsdienst uitgevoerd werd, kan hij geen administratieve geldboete meer opleggen.
§ 2. In geval van niet-uitvoering of weigering van de gemeenschapsdienst kan de sanctionerend ambtenaar een administratieve geldboete opleggen.
§ 2. In geval van niet-uitvoering of weigering van de gemeenschapsdienst kan de sanctionerend ambtenaar een administratieve geldboete opleggen.
Art. 11. § 1er. Lorsque le fonctionnaire sanctionnateur constate que la prestation citoyenne a été exécutée, il ne peut plus infliger une amende administrative.
§ 2. En cas de non-exécution ou de refus de la prestation citoyenne, le fonctionnaire sanctionnateur peut infliger une amende administrative.
§ 2. En cas de non-exécution ou de refus de la prestation citoyenne, le fonctionnaire sanctionnateur peut infliger une amende administrative.
Onderafdeling 3. - De [1 GAS-bemiddeling]1 voor de meerderjarigen
Sous-section 3. - De la [1 médiation SAC]1 pour les majeurs
Art. 12. § 1. De sanctionerend ambtenaar kan een bemiddeling aan een meerderjarige overtreder voorstellen, wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
1° de gemeenteraad moet dit hebben voorzien in zijn reglement, evenals de procedure en de daarmee gepaard gaande nadere regels;
2° de instemming van de overtreder [1 die zowel aan de sanctionerend ambtenaar als aan de bemiddelaar kan worden gegeven]1;
3° [1 ...]1
§ 2. De schadeloosstelling of herstelling van de schade wordt vrij door de partijen onderhandeld en beslist.
1° de gemeenteraad moet dit hebben voorzien in zijn reglement, evenals de procedure en de daarmee gepaard gaande nadere regels;
2° de instemming van de overtreder [1 die zowel aan de sanctionerend ambtenaar als aan de bemiddelaar kan worden gegeven]1;
3° [1 ...]1
§ 2. De schadeloosstelling of herstelling van de schade wordt vrij door de partijen onderhandeld en beslist.
Art. 12. § 1er. Le fonctionnaire sanctionnateur peut proposer une médiation au contrevenant majeur lorsque les conditions suivantes sont remplies :
1° le conseil communal doit l'avoir prévu dans son règlement ainsi que la procédure et les modalités y afférentes;
2° l'accord du contrevenant [1 qui peut à la fois être donné au fonctionnaire sanctionnateur et au médiateur]1;
3° [1 ...]1
§ 2. L'indemnisation ou la réparation du dommage est négociée et décidée librement par les parties.
1° le conseil communal doit l'avoir prévu dans son règlement ainsi que la procédure et les modalités y afférentes;
2° l'accord du contrevenant [1 qui peut à la fois être donné au fonctionnaire sanctionnateur et au médiateur]1;
3° [1 ...]1
§ 2. L'indemnisation ou la réparation du dommage est négociée et décidée librement par les parties.
Wijzigingen
Art. 13. § 1. Wanneer de sanctionerend ambtenaar het welslagen van de bemiddeling vaststelt, kan hij geen administratieve geldboete meer opleggen.
§ 2. In geval van weigering van het aanbod of falen van de bemiddeling, kan de sanctionerend ambtenaar ofwel een gemeenschapsdienst voorstellen, ofwel een administratieve geldboete opleggen.
§ 2. In geval van weigering van het aanbod of falen van de bemiddeling, kan de sanctionerend ambtenaar ofwel een gemeenschapsdienst voorstellen, ofwel een administratieve geldboete opleggen.
Art. 13. § 1er. Lorsque le fonctionnaire sanctionnateur constate la réussite de la médiation, il ne peut plus infliger une amende administrative.
§ 2. En cas de refus de l'offre ou d'échec de la médiation, le fonctionnaire sanctionnateur peut soit proposer une prestation citoyenne, soit infliger une amende administrative.
§ 2. En cas de refus de l'offre ou d'échec de la médiation, le fonctionnaire sanctionnateur peut soit proposer une prestation citoyenne, soit infliger une amende administrative.
HOOFDSTUK 2. - Bijzondere bepalingen van toepassing op minderjarigen van veertien jaar en ouder
CHAPITRE 2. - Dispositions particulières applicables aux mineurs de quatorze ans et plus
Afdeling 1. - De administratieve geldboete
Section 1re. - De l'amende administrative
Art. 14. § 1. De minderjarige die de volle leeftijd van veertien jaar heeft bereikt op het ogenblik van de feiten, kan het voorwerp uitmaken van een administratieve geldboete, zelfs wanneer deze persoon op het ogenblik van de beoordeling van de feiten meerderjarig is geworden.
§ 2. [1 Iedere titularis die het ouderlijk gezag heeft over de minderjarige, is]1 burgerlijk aansprakelijk voor de betaling van de administratieve geldboete.
§ 2. [1 Iedere titularis die het ouderlijk gezag heeft over de minderjarige, is]1 burgerlijk aansprakelijk voor de betaling van de administratieve geldboete.
Art. 14. § 1er. Le mineur ayant atteint l'âge de quatorze ans accomplis au moment des faits, peut faire l'objet d'une amende administrative, même si cette personne est devenue majeure au moment du jugement des faits.
§ 2. [1 Chaque titulaire qui a l'autorité parentale sur le mineur, est civilement responsable]1 du paiement de l'amende administrative.
§ 2. [1 Chaque titulaire qui a l'autorité parentale sur le mineur, est civilement responsable]1 du paiement de l'amende administrative.
Wijzigingen
Afdeling 2. - De informatieplicht
Section 2. - Du devoir d'information
Art. 15. Wanneer de gemeenteraad in zijn reglement voorziet dat de minderjarigen het voorwerp kunnen uitmaken van de administratieve geldboete bedoeld in artikel 4, § 1, 1°, is hij verplicht om alle in de gemeente wonende minderjarigen en [1 iedere titularis die het ouderlijk gezag heeft over de minderjarigen]1, via een en alle mogelijke communicatiemiddelen te informeren over de door minderjarigen gepleegde inbreuken die bestraft kunnen worden met administratieve sancties.
Art. 15. Lorsque le conseil communal prévoit dans son règlement que les mineurs peuvent faire l'objet de l'amende administrative visée à l'article 4, § 1er, 1°, il a le devoir d'informer, par un et tous moyens de communication, tous les mineurs et [1 chaque titulaire qui a l'autorité parentale sur les mineurs]1, habitant la commune, des infractions commises par des mineurs punissables de sanctions administratives.
Wijzigingen
Afdeling 3. - De aanwezigheid van een advocaat
Section 3. - De la présence d'un avocat
Art. 16. Wanneer een minderjarige verdacht wordt van een inbreuk die bestraft wordt met de administratieve geldboete bedoeld in artikel 4, § 1, 1°, en de administratieve procedure in gang gezet werd, brengt de voor het opleggen van de sanctie bevoegde overheid de stafhouder van de orde van advocaten hiervan op de hoogte, zodat ervoor gezorgd wordt dat de betrokkene door een advocaat bijgestaan kan worden.
De stafhouder of het bureau voor juridische bijstand stelt een advocaat aan, uiterlijk binnen twee werkdagen na voormelde kennisgeving.
Een afschrift van het bericht van de kennisgeving aan de stafhouder wordt bij het dossier van de rechtspleging gevoegd.
Wanneer er een risico op een belangenconflict bestaat, zorgt de stafhouder of het bureau voor juridische bijstand ervoor dat de betrokkene bijgestaan wordt door een andere advocaat dan die waarop [1 iedere titularis die het ouderlijk gezag heeft over de minderjarige, een beroep heeft gedaan]1.
De advocaat kan ook aanwezig zijn tijdens de bemiddelingsprocedure.
De stafhouder of het bureau voor juridische bijstand stelt een advocaat aan, uiterlijk binnen twee werkdagen na voormelde kennisgeving.
Een afschrift van het bericht van de kennisgeving aan de stafhouder wordt bij het dossier van de rechtspleging gevoegd.
Wanneer er een risico op een belangenconflict bestaat, zorgt de stafhouder of het bureau voor juridische bijstand ervoor dat de betrokkene bijgestaan wordt door een andere advocaat dan die waarop [1 iedere titularis die het ouderlijk gezag heeft over de minderjarige, een beroep heeft gedaan]1.
De advocaat kan ook aanwezig zijn tijdens de bemiddelingsprocedure.
Art. 16. Lorsqu'un mineur est soupçonné d'une infraction sanctionnée par l'amende administrative visée à l'article 4, § 1er, 1°, et que la procédure administrative est entamée, l'autorité compétente pour infliger la sanction en avise le bâtonnier de l'ordre des avocats, afin qu'il soit veillé à ce que l'intéressé puisse être assisté d'un avocat.
Le bâtonnier ou le bureau d'aide juridique procède à la désignation d'un avocat, au plus tard dans les deux jours ouvrables à compter de cet avis.
Une copie de l'avis informant le bâtonnier est jointe au dossier de la procédure.
Lorsqu'il existe un risque de conflit d'intérêts, le bâtonnier ou le bureau d'aide juridique veille à ce que l'intéressé soit assisté par un avocat autre que celui auquel [1 a fait appel chaque titulaire qui a l'autorité parentale sur le mineur]1.
L'avocat peut également être présent lors de la procédure de médiation.
Le bâtonnier ou le bureau d'aide juridique procède à la désignation d'un avocat, au plus tard dans les deux jours ouvrables à compter de cet avis.
Une copie de l'avis informant le bâtonnier est jointe au dossier de la procédure.
Lorsqu'il existe un risque de conflit d'intérêts, le bâtonnier ou le bureau d'aide juridique veille à ce que l'intéressé soit assisté par un avocat autre que celui auquel [1 a fait appel chaque titulaire qui a l'autorité parentale sur le mineur]1.
L'avocat peut également être présent lors de la procédure de médiation.
Wijzigingen
Afdeling 4. - De verschillende procedures van toepassing op minderjarigen
Section 4. - Des diverses procédures applicables aux mineurs
Onderafdeling 1. - De procedure van ouderlijke betrokkenheid
Sous-section 1re. - De la procédure d'implication parentale
Art. 17. § 1. Een procedure van ouderlijke betrokkenheid kan worden voorzien voorafgaand aan het aanbod tot bemiddeling, tot gemeenschapsdienst of, desgevallend, de oplegging van een administratieve geldboete.
§ 2. In het kader van deze procedure, informeert de sanctionerend ambtenaar per aangetekende brief [1 iedere titularis die het ouderlijk gezag heeft over de minderjarige, over de vastgestelde feiten en verzoekt hem om, onmiddellijk na het ontvangen van het proces-verbaal of de vaststelling bedoeld in artikel 21, zijn mondelinge of schriftelijke opmerkingen]1 mee te delen over deze feiten en de eventueel te nemen opvoedkundige maatregelen. Hij kan hiertoe een ontmoeting vragen met [1 iedere titularis die het ouderlijk gezag heeft over de minderjarige]1 en de minderjarige.
§ 3. Na de in § 2 bedoelde opmerkingen te hebben ingewonnen en/of de minderjarige overtreder te hebben ontmoet, evenals [1 iedere titularis die het ouderlijk gezag heeft over de minderjarige]1 en indien hij tevreden is over de educatieve maatregelen die door [1 deze laatste]1 werden voorgesteld, kan de sanctionerend ambtenaar hetzij de zaak in dit stadium van de procedure afsluiten, hetzij de administratieve procedure opstarten.
§ 2. In het kader van deze procedure, informeert de sanctionerend ambtenaar per aangetekende brief [1 iedere titularis die het ouderlijk gezag heeft over de minderjarige, over de vastgestelde feiten en verzoekt hem om, onmiddellijk na het ontvangen van het proces-verbaal of de vaststelling bedoeld in artikel 21, zijn mondelinge of schriftelijke opmerkingen]1 mee te delen over deze feiten en de eventueel te nemen opvoedkundige maatregelen. Hij kan hiertoe een ontmoeting vragen met [1 iedere titularis die het ouderlijk gezag heeft over de minderjarige]1 en de minderjarige.
§ 3. Na de in § 2 bedoelde opmerkingen te hebben ingewonnen en/of de minderjarige overtreder te hebben ontmoet, evenals [1 iedere titularis die het ouderlijk gezag heeft over de minderjarige]1 en indien hij tevreden is over de educatieve maatregelen die door [1 deze laatste]1 werden voorgesteld, kan de sanctionerend ambtenaar hetzij de zaak in dit stadium van de procedure afsluiten, hetzij de administratieve procedure opstarten.
Art. 17. § 1er. Une procédure d'implication parentale peut être prévue préalablement à l'offre de médiation, de prestation citoyenne ou, le cas échéant, l'imposition d'une amende administrative.
§ 2. Dans le cadre de cette procédure, le fonctionnaire sanctionnateur porte, par lettre recommandée, à la connaissance [1 de chaque titulaire qui a l'autorité parentale sur le mineur, les faits constatés et sollicite ses observations orales ou écrites]1 vis-à-vis de ces faits et des éventuelles mesures éducatives à prendre, dès la réception du procès-verbal ou du constat visé à l'article 21. Il peut à cette fin demander une rencontre avec [1 chaque titulaire qui a l'autorité parentale sur le mineur]1 et ce dernier.
§ 3. Après avoir recueilli les observations visées au § 2, et/ou avoir rencontré le contrevenant mineur ainsi que [1 chaque titulaire qui a l'autorité parentale sur le mineur]1 et s'il est satisfait des mesures éducatives présentées par [1 ce dernier]1, le fonctionnaire sanctionnateur peut soit clôturer le dossier à ce stade de la procédure, soit entamer la procédure administrative.
§ 2. Dans le cadre de cette procédure, le fonctionnaire sanctionnateur porte, par lettre recommandée, à la connaissance [1 de chaque titulaire qui a l'autorité parentale sur le mineur, les faits constatés et sollicite ses observations orales ou écrites]1 vis-à-vis de ces faits et des éventuelles mesures éducatives à prendre, dès la réception du procès-verbal ou du constat visé à l'article 21. Il peut à cette fin demander une rencontre avec [1 chaque titulaire qui a l'autorité parentale sur le mineur]1 et ce dernier.
§ 3. Après avoir recueilli les observations visées au § 2, et/ou avoir rencontré le contrevenant mineur ainsi que [1 chaque titulaire qui a l'autorité parentale sur le mineur]1 et s'il est satisfait des mesures éducatives présentées par [1 ce dernier]1, le fonctionnaire sanctionnateur peut soit clôturer le dossier à ce stade de la procédure, soit entamer la procédure administrative.
Wijzigingen
Onderafdeling 2. [1 - De GAS-bemiddelingsprocedure]1
Sous-section 2. - De la procédure de [1 médiation SAC]1
Art. 18. § 1. Wanneer de gemeenteraad in zijn reglement voorziet dat de minderjarigen het voorwerp kunnen uitmaken van een administratieve geldboete zoals bedoeld in artikel 4, § 1, 1°, voorziet hij hierin eveneens een procedure van [2 GAS-bemiddeling]2 en de nadere regels ervan.
§ 2. De sanctionerend ambtenaar dient verplicht een aanbod van [2 GAS-bemiddeling]2 voor te stellen aan minderjarigen die de volle leeftijd van veertien jaar bereikt hebben op het ogenblik van de feiten.
§ 3. [1 Iedere titularis die het ouderlijk gezag heeft over de minderjarige, kan op zijn verzoek]1 de minderjarige begeleiden bij de bemiddeling.
§ 4. Wanneer de sanctionerend ambtenaar het welslagen van de bemiddeling vaststelt, kan hij geen administratieve geldboete meer opleggen.
§ 5. In geval van weigering van het aanbod of falen van de bemiddeling, kan de sanctionerend ambtenaar ofwel een gemeenschapsdienst voorstellen, ofwel een administratieve geldboete opleggen.
§ 2. De sanctionerend ambtenaar dient verplicht een aanbod van [2 GAS-bemiddeling]2 voor te stellen aan minderjarigen die de volle leeftijd van veertien jaar bereikt hebben op het ogenblik van de feiten.
§ 3. [1 Iedere titularis die het ouderlijk gezag heeft over de minderjarige, kan op zijn verzoek]1 de minderjarige begeleiden bij de bemiddeling.
§ 4. Wanneer de sanctionerend ambtenaar het welslagen van de bemiddeling vaststelt, kan hij geen administratieve geldboete meer opleggen.
§ 5. In geval van weigering van het aanbod of falen van de bemiddeling, kan de sanctionerend ambtenaar ofwel een gemeenschapsdienst voorstellen, ofwel een administratieve geldboete opleggen.
Art. 18. § 1er. Lorsque le conseil communal prévoit dans son règlement que les mineurs peuvent faire l'objet d'une amende administrative telle que visée par l'article 4, § 1er, 1°, il y prévoit également une procédure de [2 médiation SAC]2 et ses modalités.
§ 2. L'offre de [2 médiation SAC]2 effectuée par le fonctionnaire sanctionnateur est obligatoire lorsqu'elle se rapporte aux mineurs ayant atteint l'âge de quatorze ans accomplis aux moments des faits.
§ 3. [1 Chaque titulaire qui a l'autorité parentale sur le mineur, peut, à sa demande,]1 accompagner le mineur lors de la médiation.
§ 4. Lorsque le fonctionnaire sanctionnateur constate la réussite de la médiation, il ne peut plus infliger une amende administrative.
§ 5. En cas de refus de l'offre ou d'échec de la médiation, le fonctionnaire sanctionnateur peut soit proposer une prestation citoyenne, soit infliger une amende administrative.
§ 2. L'offre de [2 médiation SAC]2 effectuée par le fonctionnaire sanctionnateur est obligatoire lorsqu'elle se rapporte aux mineurs ayant atteint l'âge de quatorze ans accomplis aux moments des faits.
§ 3. [1 Chaque titulaire qui a l'autorité parentale sur le mineur, peut, à sa demande,]1 accompagner le mineur lors de la médiation.
§ 4. Lorsque le fonctionnaire sanctionnateur constate la réussite de la médiation, il ne peut plus infliger une amende administrative.
§ 5. En cas de refus de l'offre ou d'échec de la médiation, le fonctionnaire sanctionnateur peut soit proposer une prestation citoyenne, soit infliger une amende administrative.
Onderafdeling 3. - De gemeenschapsdienst uitgevoerd door de minderjarige
Sous-section 3. - De la prestation citoyenne effectuée par le mineur
Art. 19. § 1. In geval van weigering van het aanbod of falen van de bemiddeling, kan de sanctionerend ambtenaar een gemeenschapsdienst voorstellen, zoals omschreven bij artikel 10, tweede en derde lid, jegens de minderjarige, die georganiseerd wordt in verhouding tot zijn leeftijd en capaciteiten. Hij kan eveneens beslissen de keuze en de nadere regels van de gemeenschapsdienst toe te vertrouwen aan een bemiddelaar of een bemiddelingsdienst.
Deze gemeenschapsdienst mag niet meer dan vijftien uur bedragen en moet worden uitgevoerd binnen een termijn van zes maanden vanaf de datum van kennisgeving van de beslissing van de sanctionerend ambtenaar.
§ 2. [1 Iedere titularis die het ouderlijk gezag heeft over de minderjarige, kan op zijn verzoek]1 de minderjarige begeleiden bij het uitvoeren van de gemeenschapsdienst.
§ 3. In geval van niet-uitvoering of weigering van de gemeenschapsdienst, kan de sanctionerend ambtenaar een administratieve geldboete opleggen.
Deze gemeenschapsdienst mag niet meer dan vijftien uur bedragen en moet worden uitgevoerd binnen een termijn van zes maanden vanaf de datum van kennisgeving van de beslissing van de sanctionerend ambtenaar.
§ 2. [1 Iedere titularis die het ouderlijk gezag heeft over de minderjarige, kan op zijn verzoek]1 de minderjarige begeleiden bij het uitvoeren van de gemeenschapsdienst.
§ 3. In geval van niet-uitvoering of weigering van de gemeenschapsdienst, kan de sanctionerend ambtenaar een administratieve geldboete opleggen.
Art. 19. § 1er. En cas de refus de l'offre ou d'échec de la médiation, le fonctionnaire sanctionnateur peut proposer une prestation citoyenne, telle que décrite à l'article 10, alinéas 2 et 3, à l'égard du mineur, organisée en rapport avec son âge et ses capacités. Il peut aussi décider de confier le choix de la prestation citoyenne et de ses modalités à un médiateur ou un service de médiation.
Cette prestation citoyenne ne peut excéder quinze heures et doit être exécutée dans un délai de six mois à partir de la date de la notification de la décision du fonctionnaire sanctionnateur.
§ 2. [1 Chaque titulaire qui a l'autorité parentale sur le mineur, peut, à sa demande,]1 accompagner le mineur lors de l'exécution de la prestation citoyenne.
§ 3. En cas de non-exécution ou de refus de la prestation citoyenne, le fonctionnaire sanctionnateur peut infliger une amende administrative.
Cette prestation citoyenne ne peut excéder quinze heures et doit être exécutée dans un délai de six mois à partir de la date de la notification de la décision du fonctionnaire sanctionnateur.
§ 2. [1 Chaque titulaire qui a l'autorité parentale sur le mineur, peut, à sa demande,]1 accompagner le mineur lors de l'exécution de la prestation citoyenne.
§ 3. En cas de non-exécution ou de refus de la prestation citoyenne, le fonctionnaire sanctionnateur peut infliger une amende administrative.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 2/1. [1 - De verwerking van persoonsgegevens]1
CHAPITRE 2/1. [1 - Le traitement des données à caractère personnel]1
Art. 19/1. [1 § 1. In het kader van de toepassing van deze wet kunnen de volgende persoonsgegevens worden verwerkt:
1° de identificatiegegevens van de overtreder, meer bepaald diens naam, voornamen en geboortedatum, hoofdverblijfplaats, rijksregisternummer, datum van overlijden, de gegevens betreffende de bekwaamheid en de vertegenwoordiging en de gegevens betreffende de voogdij en de afstamming, teneinde de persoon of personen die het ouderlijk gezag hebben over de minderjarige overtreder te bepalen, alsook de identificatiegegevens en de hoofdverblijfplaats van deze perso(o)n(en);
2° de gegevens met betrekking tot een motorvoertuig, meer bepaald de status van de nummerplaat, het merk en het type van het voertuig en de kleur van het koetswerk, de gegevens met betrekking tot de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand, de aard van het voertuig, de brandstof en:
a) in geval van een overtreder-natuurlijke persoon: de identificatiegegevens van de houder van een nummerplaat, meer bepaald diens naam, voornamen, geboortedatum, hoofdverblijfplaats, rijksregisternummer en datum van overlijden;
b) in geval van een overtreder-rechtspersoon: de naam van de onderneming die houder is van de nummerplaat, de rechtsvorm van de onderneming, het adres van de maatschappelijke zetel (of van de gebruiker van het voertuig), het adres van de vestiging indien de maatschappelijke zetel niet gevestigd is in Belgie maar de rechtspersoon er niettemin over een vestiging beschikt en het ondernemingsnummer;
3° de identificatiegegevens van het slachtoffer, meer bepaald diens naam, voornamen en geboortedatum, hoofdverblijfplaats, rijksregisternummer, datum van overlijden en de gegevens met betrekking tot de bekwaamheid en de vertegenwoordiging.
Deze gegevens worden verwerkt met naleving van de regelgeving op de bescherming van de natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.
In het kader van de hun toegewezen taken kunnen de in het eerste lid bedoelde persoonsgegevens worden verwerkt door:
a) de sanctionerend ambtenaar, zoals bedoeld in artikel 6;
b) de vaststellers zoals bedoeld in artikel 21;
c) de bemiddelaar zoals bedoeld in artikel 8.
§ 2. De verwerking van de gegevens bedoeld in paragraaf 1 geschiedt met het oog op de controle op de naleving van de gemeentelijke reglementen en verordeningen waarin gemeentelijke administratieve sancties zijn opgenomen, alsmede met het oog op de sanctionering van eventuele inbreuken via gemeentelijke administratieve sancties en alternatieve maatregelen. De gegevens van het slachtoffer kunnen worden verwerkt met het oog op het identificeren van het slachtoffer in geval van GAS-bemiddeling en de doorgifte van informatie aan derden die daarbij een rechtmatig belang hebben.
§ 3. Voor de verwerking van deze persoonsgegevens is de gemeente de verwerkingsverantwoordelijke.
De verwerkingsverantwoordelijke kan, onder zijn verantwoordelijkheid, aan de personen die schriftelijk bij naam zijn aangewezen en die belast zijn met de administratieve opvolging van het dossier, een recht van toegang verlenen tot alle of een deel van de gegevens bedoeld in § 1, hetzij voor alleen-lezen, hetzij voor lezen en schrijven. Dit toegangsrecht moet met redenen omkleed zijn en verantwoord zijn door de noodwendigheden van de dienst. Deze personen hebben, in het kader van hun functies, toegang tot deze persoonsgegevens. De lijst van de personen die alzo toegang hebben tot deze persoonsgegevens moet door de verwerkingsverantwoordelijke ter beschikking gehouden worden van de Gegevensbeschermingsautoriteit. De verwerkingsverantwoordelijke dient ervoor te zorgen dat de aangewezen personen door een wettelijke of statutaire verplichting of door een evenwaardige contractuele bepaling ertoe gehouden zijn het vertrouwelijk karakter van de betrokken gegevens in acht te nemen.
§ 4. De persoonsgegevens worden bewaard gedurende een periode die maximaal gelijk is aan de bewaartermijn van de gegevens in het register overeenkomstig artikel 44. In de gevallen waarin geen administratieve geldboete wordt opgelegd, worden de persoonsgegevens maximaal bewaard gedurende de periode waarin een gemeentelijke administratieve geldboete opgelegd kan worden overeenkomstig artikel 26. De persoonsgegevens worden in ieder geval niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor ze verwerkt worden.
§ 5. Bij het verwerken van persoonsgegevens zijn de volgende technische en organisatorische veiligheidsmaatregelen inzake de bescherming van de gegevens van toepassing:
1° in het beleid dat hij of zij voert ter bescherming van de persoonsgegevens geeft de verwerkingsverantwoordelijke aan welke acties ondernomen moeten worden om de verwerking van deze categorieën van persoonsgegevens te beschermen;
2° er wordt een logbestand aangelegd waarin minstens de volgende handelingen worden opgenomen: de verzameling, de wijziging, de raadpleging, de bekendmaking, met inbegrip van de doorgiften, de combinatie en de wissing.
De logbestanden worden gebruikt om vast te stellen:
a) de reden, de datum en het tijdstip van deze verwerkingen;
b) de categorieën van personen die de persoonsgegevens hebben geraadpleegd en de identiteit van de persoon die de persoonsgegevens heeft geraadpleegd;
c) uit welke bronnen de gegevens zijn opgehaald;
d) de categorieën van de ontvangers van de persoonsgegevens en, indien mogelijk, de identiteit van de ontvangers van die gegevens.
De bewaartermijn van de in het eerste lid, 2°, bedoelde logbestanden bedraagt maximaal vijf jaar, te rekenen vanaf de afloop van de bewaartermijn bedoeld in paragraaf 4. Gepaste maatregelen worden getroffen om de veiligheid van de logbestanden te verzekeren, in het bijzonder om elke niet-toegelaten verwerking te voorkomen en de integriteit van de verwerkte gegevens te verzekeren.]1
1° de identificatiegegevens van de overtreder, meer bepaald diens naam, voornamen en geboortedatum, hoofdverblijfplaats, rijksregisternummer, datum van overlijden, de gegevens betreffende de bekwaamheid en de vertegenwoordiging en de gegevens betreffende de voogdij en de afstamming, teneinde de persoon of personen die het ouderlijk gezag hebben over de minderjarige overtreder te bepalen, alsook de identificatiegegevens en de hoofdverblijfplaats van deze perso(o)n(en);
2° de gegevens met betrekking tot een motorvoertuig, meer bepaald de status van de nummerplaat, het merk en het type van het voertuig en de kleur van het koetswerk, de gegevens met betrekking tot de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand, de aard van het voertuig, de brandstof en:
a) in geval van een overtreder-natuurlijke persoon: de identificatiegegevens van de houder van een nummerplaat, meer bepaald diens naam, voornamen, geboortedatum, hoofdverblijfplaats, rijksregisternummer en datum van overlijden;
b) in geval van een overtreder-rechtspersoon: de naam van de onderneming die houder is van de nummerplaat, de rechtsvorm van de onderneming, het adres van de maatschappelijke zetel (of van de gebruiker van het voertuig), het adres van de vestiging indien de maatschappelijke zetel niet gevestigd is in Belgie maar de rechtspersoon er niettemin over een vestiging beschikt en het ondernemingsnummer;
3° de identificatiegegevens van het slachtoffer, meer bepaald diens naam, voornamen en geboortedatum, hoofdverblijfplaats, rijksregisternummer, datum van overlijden en de gegevens met betrekking tot de bekwaamheid en de vertegenwoordiging.
Deze gegevens worden verwerkt met naleving van de regelgeving op de bescherming van de natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.
In het kader van de hun toegewezen taken kunnen de in het eerste lid bedoelde persoonsgegevens worden verwerkt door:
a) de sanctionerend ambtenaar, zoals bedoeld in artikel 6;
b) de vaststellers zoals bedoeld in artikel 21;
c) de bemiddelaar zoals bedoeld in artikel 8.
§ 2. De verwerking van de gegevens bedoeld in paragraaf 1 geschiedt met het oog op de controle op de naleving van de gemeentelijke reglementen en verordeningen waarin gemeentelijke administratieve sancties zijn opgenomen, alsmede met het oog op de sanctionering van eventuele inbreuken via gemeentelijke administratieve sancties en alternatieve maatregelen. De gegevens van het slachtoffer kunnen worden verwerkt met het oog op het identificeren van het slachtoffer in geval van GAS-bemiddeling en de doorgifte van informatie aan derden die daarbij een rechtmatig belang hebben.
§ 3. Voor de verwerking van deze persoonsgegevens is de gemeente de verwerkingsverantwoordelijke.
De verwerkingsverantwoordelijke kan, onder zijn verantwoordelijkheid, aan de personen die schriftelijk bij naam zijn aangewezen en die belast zijn met de administratieve opvolging van het dossier, een recht van toegang verlenen tot alle of een deel van de gegevens bedoeld in § 1, hetzij voor alleen-lezen, hetzij voor lezen en schrijven. Dit toegangsrecht moet met redenen omkleed zijn en verantwoord zijn door de noodwendigheden van de dienst. Deze personen hebben, in het kader van hun functies, toegang tot deze persoonsgegevens. De lijst van de personen die alzo toegang hebben tot deze persoonsgegevens moet door de verwerkingsverantwoordelijke ter beschikking gehouden worden van de Gegevensbeschermingsautoriteit. De verwerkingsverantwoordelijke dient ervoor te zorgen dat de aangewezen personen door een wettelijke of statutaire verplichting of door een evenwaardige contractuele bepaling ertoe gehouden zijn het vertrouwelijk karakter van de betrokken gegevens in acht te nemen.
§ 4. De persoonsgegevens worden bewaard gedurende een periode die maximaal gelijk is aan de bewaartermijn van de gegevens in het register overeenkomstig artikel 44. In de gevallen waarin geen administratieve geldboete wordt opgelegd, worden de persoonsgegevens maximaal bewaard gedurende de periode waarin een gemeentelijke administratieve geldboete opgelegd kan worden overeenkomstig artikel 26. De persoonsgegevens worden in ieder geval niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor ze verwerkt worden.
§ 5. Bij het verwerken van persoonsgegevens zijn de volgende technische en organisatorische veiligheidsmaatregelen inzake de bescherming van de gegevens van toepassing:
1° in het beleid dat hij of zij voert ter bescherming van de persoonsgegevens geeft de verwerkingsverantwoordelijke aan welke acties ondernomen moeten worden om de verwerking van deze categorieën van persoonsgegevens te beschermen;
2° er wordt een logbestand aangelegd waarin minstens de volgende handelingen worden opgenomen: de verzameling, de wijziging, de raadpleging, de bekendmaking, met inbegrip van de doorgiften, de combinatie en de wissing.
De logbestanden worden gebruikt om vast te stellen:
a) de reden, de datum en het tijdstip van deze verwerkingen;
b) de categorieën van personen die de persoonsgegevens hebben geraadpleegd en de identiteit van de persoon die de persoonsgegevens heeft geraadpleegd;
c) uit welke bronnen de gegevens zijn opgehaald;
d) de categorieën van de ontvangers van de persoonsgegevens en, indien mogelijk, de identiteit van de ontvangers van die gegevens.
De bewaartermijn van de in het eerste lid, 2°, bedoelde logbestanden bedraagt maximaal vijf jaar, te rekenen vanaf de afloop van de bewaartermijn bedoeld in paragraaf 4. Gepaste maatregelen worden getroffen om de veiligheid van de logbestanden te verzekeren, in het bijzonder om elke niet-toegelaten verwerking te voorkomen en de integriteit van de verwerkte gegevens te verzekeren.]1
Art.19/1. [1 § 1er. Dans le cadre de l'application de cette loi, les données à caractère personnel suivantes peuvent être traitées:
1° les données d'identification du contrevenant, notamment son nom, ses prénoms et sa date de naissance, son lieu de résidence principal, son numéro de registre national, sa date de décès, les données relatives à la capacité et à la représentation et les données relatives à la tutelle et la filiation, afin de déterminer la personne ou les personnes qui ont l'autorité parentale sur le contrevenant mineur, ainsi que les données d'identification et le lieu de résidence principal de cette ou ces personne(s);
2° les données relatives à un véhicule à moteur, notamment le statut de la plaque d'immatriculation, la marque et le type du véhicule et la couleur de la carrosserie, les données relatives à la masse maximale en charge techniquement admissible, la nature du véhicule, le carburant et:
a) en cas d'un contrevenant-personne physique: les données d'identification du titulaire d'une plaque d'immatriculation, notamment son nom, ses prénoms, sa date de naissance, son lieu de résidence principale, son numéro de registre national et sa date de décès;
b) en cas d'un contrevenant-personne morale: le nom de la société titulaire de la plaque d'immatriculation, la forme juridique de la société, l'adresse du siège social (ou de l'utilisateur du véhicule), l'adresse du siège d'exploitation si le siège social n'est pas en Belgique mais que la personne morale y dispose néanmoins d'un siège d'exploitation et le numéro d'entreprise;
3° les données d'identification de la victime, plus particulièrement ses nom, prénoms et date de naissance, son lieu de résidence principale, son numéro de registre national, sa date du décès et les données liées à la capacité et à la représentation.
Ces données sont traitées dans le respect de la réglementation sur la protection des personnes physiques en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel.
Dans le cadre des tâches qui leur sont confiées, les données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er peuvent être traitées par:
a) le fonctionnaire sanctionnateur, tel que visé à l'article 6;
b) les constatateurs tels que visés à l'article 21;
c) le médiateur tel que visé à l'article 8.
§ 2. Le traitement des données visé au paragraphe 1er, vise à contrôler le respect des règlements et des ordonnances communaux prévoyant des sanctions administratives communales, ainsi qu'en vue de sanctionner toute infraction éventuelle par le biais de sanctions administratives communales et de mesures alternatives. Les données de la victime peuvent être traitées afin d'identifier la victime en cas de médiation SAC et de transmettre des informations à des tiers ayant un intérêt légitime à le faire.
§ 3. Pour le traitement de ces données à caractère personnel, la commune est le responsable du traitement.
Le responsable du traitement peut, sous sa responsabilité, octroyer aux personnes nommément désignées par écrit et chargées du suivi administratif du dossier, un droit d'accès à tout ou partie des données visées au § 1er, soit en lecture seule, soit en lecture et en écriture. Ce droit d'accès doit être motivé et justifié par les nécessités du service. Ces personnes, dans le cadre de leurs fonctions, ont accès à ces données à caractère personnel. La liste des personnes qui ont ainsi accès à ces données à caractère personnel doit être tenue à disposition de l'Autorité de protection des données par le responsable du traitement. Le responsable du traitement doit veiller à ce que les personnes désignées soient tenues par une obligation légale ou statutaire ou par une disposition contractuelle équivalente, au respect du caractère confidentiel des données concernées.
§ 4. Les données à caractère personnel sont conservées pendant une période qui au maximum est égale au délai de conservation des données dans le registre conformément à l'article 44. Dans les cas où aucune amende administrative n'est imposée, les données à caractère personnel sont conservées pendant la période maximale au cours de laquelle une amende administrative communale peut être imposée conformément à l'article 26. En tout état de cause, les données à caractère personnel ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées.
§ 5. Lors du traitement des données à caractère personnel, les mesures de sécurité techniques et organisationnelles suivantes concernant la protection des données sont d'application:
1° dans la politique qu'il ou elle mène en vue de la protection des données à caractère personnel, le responsable du traitement indique les actions à prendre pour protéger le traitement de ces catégories de données à caractère personnel;
2° il est constitué un fichier de journalisation reprenant au moins les actions suivantes: la collecte, la modification, la consultation, la communication, en ce compris les transferts, l'interconnexion et l'effacement.
Les fichiers de journalisation sont utilisés pour constater:
a) la raison, la date et l'heure de ces traitements;
b) les catégories des personnes qui ont consulté les données à caractère personnel et l'identité de la personne qui a consulté les données à caractère personnel;
c) les sources d'où proviennent les données;
d) les catégories de destinataires des données à caractère personnel et, si possible, l'identité des destinataires de ces données.
Le délai de conservation des fichiers de journalisation visés à l'alinéa 1er, 2°, est de cinq ans maximum à compter de l'expiration du délai de conservation visée au paragraphe 4. Des mesures appropriées sont prises pour assurer la sécurité des fichiers de journalisation, en particulier afin d'éviter tout traitement non autorisé et de veiller à garantir l'intégrité des données traitées.]1
1° les données d'identification du contrevenant, notamment son nom, ses prénoms et sa date de naissance, son lieu de résidence principal, son numéro de registre national, sa date de décès, les données relatives à la capacité et à la représentation et les données relatives à la tutelle et la filiation, afin de déterminer la personne ou les personnes qui ont l'autorité parentale sur le contrevenant mineur, ainsi que les données d'identification et le lieu de résidence principal de cette ou ces personne(s);
2° les données relatives à un véhicule à moteur, notamment le statut de la plaque d'immatriculation, la marque et le type du véhicule et la couleur de la carrosserie, les données relatives à la masse maximale en charge techniquement admissible, la nature du véhicule, le carburant et:
a) en cas d'un contrevenant-personne physique: les données d'identification du titulaire d'une plaque d'immatriculation, notamment son nom, ses prénoms, sa date de naissance, son lieu de résidence principale, son numéro de registre national et sa date de décès;
b) en cas d'un contrevenant-personne morale: le nom de la société titulaire de la plaque d'immatriculation, la forme juridique de la société, l'adresse du siège social (ou de l'utilisateur du véhicule), l'adresse du siège d'exploitation si le siège social n'est pas en Belgique mais que la personne morale y dispose néanmoins d'un siège d'exploitation et le numéro d'entreprise;
3° les données d'identification de la victime, plus particulièrement ses nom, prénoms et date de naissance, son lieu de résidence principale, son numéro de registre national, sa date du décès et les données liées à la capacité et à la représentation.
Ces données sont traitées dans le respect de la réglementation sur la protection des personnes physiques en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel.
Dans le cadre des tâches qui leur sont confiées, les données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er peuvent être traitées par:
a) le fonctionnaire sanctionnateur, tel que visé à l'article 6;
b) les constatateurs tels que visés à l'article 21;
c) le médiateur tel que visé à l'article 8.
§ 2. Le traitement des données visé au paragraphe 1er, vise à contrôler le respect des règlements et des ordonnances communaux prévoyant des sanctions administratives communales, ainsi qu'en vue de sanctionner toute infraction éventuelle par le biais de sanctions administratives communales et de mesures alternatives. Les données de la victime peuvent être traitées afin d'identifier la victime en cas de médiation SAC et de transmettre des informations à des tiers ayant un intérêt légitime à le faire.
§ 3. Pour le traitement de ces données à caractère personnel, la commune est le responsable du traitement.
Le responsable du traitement peut, sous sa responsabilité, octroyer aux personnes nommément désignées par écrit et chargées du suivi administratif du dossier, un droit d'accès à tout ou partie des données visées au § 1er, soit en lecture seule, soit en lecture et en écriture. Ce droit d'accès doit être motivé et justifié par les nécessités du service. Ces personnes, dans le cadre de leurs fonctions, ont accès à ces données à caractère personnel. La liste des personnes qui ont ainsi accès à ces données à caractère personnel doit être tenue à disposition de l'Autorité de protection des données par le responsable du traitement. Le responsable du traitement doit veiller à ce que les personnes désignées soient tenues par une obligation légale ou statutaire ou par une disposition contractuelle équivalente, au respect du caractère confidentiel des données concernées.
§ 4. Les données à caractère personnel sont conservées pendant une période qui au maximum est égale au délai de conservation des données dans le registre conformément à l'article 44. Dans les cas où aucune amende administrative n'est imposée, les données à caractère personnel sont conservées pendant la période maximale au cours de laquelle une amende administrative communale peut être imposée conformément à l'article 26. En tout état de cause, les données à caractère personnel ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées.
§ 5. Lors du traitement des données à caractère personnel, les mesures de sécurité techniques et organisationnelles suivantes concernant la protection des données sont d'application:
1° dans la politique qu'il ou elle mène en vue de la protection des données à caractère personnel, le responsable du traitement indique les actions à prendre pour protéger le traitement de ces catégories de données à caractère personnel;
2° il est constitué un fichier de journalisation reprenant au moins les actions suivantes: la collecte, la modification, la consultation, la communication, en ce compris les transferts, l'interconnexion et l'effacement.
Les fichiers de journalisation sont utilisés pour constater:
a) la raison, la date et l'heure de ces traitements;
b) les catégories des personnes qui ont consulté les données à caractère personnel et l'identité de la personne qui a consulté les données à caractère personnel;
c) les sources d'où proviennent les données;
d) les catégories de destinataires des données à caractère personnel et, si possible, l'identité des destinataires de ces données.
Le délai de conservation des fichiers de journalisation visés à l'alinéa 1er, 2°, est de cinq ans maximum à compter de l'expiration du délai de conservation visée au paragraphe 4. Des mesures appropriées sont prises pour assurer la sécurité des fichiers de journalisation, en particulier afin d'éviter tout traitement non autorisé et de veiller à garantir l'intégrité des données traitées.]1
HOOFDSTUK 3. - Administratieve procedure
CHAPITRE 3. - Procédure administrative
Afdeling 1. - Vaststellingen
Section 1re. - Constatations
Art. 20. De inbreuken die het voorwerp van administratieve sancties kunnen uitmaken, worden vastgesteld door een politieambtenaar,een agent van politie of een bijzondere veldwachter in het kader van zijn bevoegdheden.
Art. 20. Les infractions qui peuvent faire l'objet de sanctions administratives sont constatées par un fonctionnaire de police, un agent de police ou un garde champêtre particulier dans le cadre de ses compétences.
Art. 21. § 1. De inbreuken die uitsluitend het voorwerp kunnen uitmaken van administratieve sancties kunnen eveneens worden vastgesteld door de volgende personen :
1° de gemeenteambtenaren die voldoen aan de door de Koning vastgelegde minimumvoorwaarden, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad inzake de selectie, aanwerving, opleiding en bevoegdheid, en die daartoe door de gemeenteraad worden aangewezen. In geval van een meergemeentepolitiezone, kunnen deze gemeenteambtenaren-vaststellers vaststellingen verrichten op het grondgebied van alle gemeenten die deel uitmaken van deze politiezone, en desgevallend, van de gemeenten van een of meer andere zones, op voorwaarde dat er een voorafgaande overeenkomst daartoe werd gesloten tussen de betrokken gemeenten van de politiezone van oorsprong van de ambtenaar en, in voorkomend geval, de gemeente die tot een andere politiezone behoort;
2° de provinciale of gewestelijke ambtenaren, de personeelsleden van de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en autonome gemeentebedrijven [3 ...]3. [3 De gemeenteraad wijst de betrokken overheid of entiteit aan waarvan de personeelsleden bevoegd zijn voor de vaststelling van de inbreuken die uitsluitend het voorwerp kunnen uitmaken van een administratieve sanctie. De betrokken overheid of entiteit duidt de personeelsleden aan die belast worden met een vaststellingsopdracht en houdt de namen en de rijksregisternummers van deze personen bij. De overheid of entiteit zorgt ervoor dat een gemeente kan nagaan of een personeelslid van de overheid of de entiteit wel degelijk beschikt over een vaststellingsbevoegdheid op het grondgebied van de gemeente. Jaarlijks deelt de betrokken overheid of entiteit aan de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken mee hoeveel ambtenaren of personeelsleden belast werden met een vaststellingsbevoegdheid]3;
3° de personeelsleden van de openbare vervoersmaatschappijen die behoren tot één van de door de Koning bepaalde categorieën, binnen het raam van hun bevoegdheden.
Voor de in het eerste lid, 2°, bedoelde personeelsleden, somt de gemeenteraad in het aanstellingsbesluit limitatief op de artikelen uit de gemeentelijke politiereglementen waarvoor deze personen de bevoegdheid hebben om inbreuken vast te stellen.
De gemeenteraad kan alleen die artikelen opsommen die in rechtstreeks verband staan met de bevoegdheden van de in het eerste lid, 2°, bedoelde personeelsleden die voortvloeien uit de regelgeving die op hen van toepassing is. De betrokken overheid of entiteit gaat akkoord met deze bijkomende bevoegdheid.
De in het eerste lid, 2°, bedoelde personeelsleden moeten voldoen aan de door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, vastgelegde minimumvoorwaarden inzake selectie, aanwerving en opleiding.
[3 Op voorwaarde dat voorafgaandelijk een machtiging werd verkregen van de minister bevoegd voor Binnenlandse zaken, hebben de in het eerste lid, 1° en 2°, bedoelde personen in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden toegang tot de volgende persoonsgegevens van de overtreder uit het Rijksregister:
1° de identificatiegegevens, meer bepaald de naam, voornamen en geboortedatum van de persoon;
2° de hoofdverblijfplaats;
3° het rijksregisternummer;
4° desgevallend de datum van overlijden.
De persoonsgegevens worden bewaard gedurende een periode die maximaal gelijk is aan de bewaartermijn van de gegevens in het register overeenkomstig artikel 44.]3
§ 2. De personeelsleden van de bewakingsondernemingen, die daartoe door de gemeenteraad werden aangewezen, kunnen uitsluitend bij de ambtenaar bedoeld in artikel 20 melding maken van inbreuken die enkel bestraft kunnen worden met een administratieve sanctie, en dit enkel in het kader van de activiteiten, bedoeld in [3 artikel 3, 10°, van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid]3.
§ 3. In geval van vaststellingen van inbreuken die kunnen leiden tot een administratieve sanctie, waarvan ze rechtstreeks getuige zijn en binnen het strikte kader van de hun toegekende bevoegdheden, kunnen de personen bedoeld in § 1, de voorlegging vragen van een identiteitsbewijs om de juiste identiteit van de overtreder te bepalen. Zij geven het identiteitsbewijs nadien onmiddellijk terug aan de betrokkene.
§ 4. [1 De in artikel 3, 3°, bedoelde inbreuken kunnen alleen worden vastgesteld door de volgende personen :
1° de in artikel 20 bedoelde personen;
2° de in artikel 21, § 1, 1°, bedoelde gemeenteambtenaren;
3° de personeelsleden van de autonome gemeentebedrijven wier activiteiten beperkt zijn tot het vaststellen van de gedepenaliseerde parkeerovertredingen, alsook tot de in artikel 3, 3°, bedoelde inbreuken, en die in het kader van hun bevoegdheid daartoe door de gemeenteraad zijn aangesteld;
4° de personeelsleden van het Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap als bedoeld in artikel 25 van de ordonnantie van 22 januari 2009 houdende de organisatie van het parkeerbeleid en de oprichting van het Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap, en die in het kader van hun bevoegdheid daartoe door de gemeenteraad zijn aangesteld.]1
[2 De in het eerste lid, 4°, bedoelde personeelsleden moeten voldoen aan de door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, vastgelegde minimumvoorwaarden inzake selectie, aanwerving en opleiding.]2
[3 Wanneer de vaststelling gebeurt door de in artikel 20 bedoelde personen, worden de in artikel 3, 3°, vermelde inbreuken vastgesteld in een proces-verbaal dat bewijskracht heeft tot bewijs van het tegendeel. Dit tegenbewijs kan met alle middelen van recht geleverd worden. Een afschrift van het proces-verbaal wordt aan de overtreders gezonden binnen een termijn van veertien dagen, te rekenen vanaf de datum van de vaststelling van de inbreuk, bij gebreke waaraan het betreffende proces-verbaal enkel geldt als loutere inlichting.]3
[3 § 5. De in § 1, 1° en 2°, en § 4, 2° tot 4°, bedoelde personen hebben in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden toegang tot de hiervoor ter zake dienende gegevens van de Kruispuntbank van de voertuigen op voorwaarde dat voorafgaandelijk een machtiging werd verkregen zoals bedoeld in artikel 18 van de wet van 19 mei 2010 houdende oprichting van de Kruispuntbank van de voertuigen.
De Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, de Union des Villes et Communes de Wallonie en Brulocalis kunnen voor hun leden een algemene machtiging vragen tot toegang tot de ter zake dienende gegevens van de Kruispuntbank van de voertuigen overeenkomstig artikel 18 van de wet van 19 mei 2010 houdende oprichting van de Kruispuntbank van de voertuigen.]3
1° de gemeenteambtenaren die voldoen aan de door de Koning vastgelegde minimumvoorwaarden, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad inzake de selectie, aanwerving, opleiding en bevoegdheid, en die daartoe door de gemeenteraad worden aangewezen. In geval van een meergemeentepolitiezone, kunnen deze gemeenteambtenaren-vaststellers vaststellingen verrichten op het grondgebied van alle gemeenten die deel uitmaken van deze politiezone, en desgevallend, van de gemeenten van een of meer andere zones, op voorwaarde dat er een voorafgaande overeenkomst daartoe werd gesloten tussen de betrokken gemeenten van de politiezone van oorsprong van de ambtenaar en, in voorkomend geval, de gemeente die tot een andere politiezone behoort;
2° de provinciale of gewestelijke ambtenaren, de personeelsleden van de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en autonome gemeentebedrijven [3 ...]3. [3 De gemeenteraad wijst de betrokken overheid of entiteit aan waarvan de personeelsleden bevoegd zijn voor de vaststelling van de inbreuken die uitsluitend het voorwerp kunnen uitmaken van een administratieve sanctie. De betrokken overheid of entiteit duidt de personeelsleden aan die belast worden met een vaststellingsopdracht en houdt de namen en de rijksregisternummers van deze personen bij. De overheid of entiteit zorgt ervoor dat een gemeente kan nagaan of een personeelslid van de overheid of de entiteit wel degelijk beschikt over een vaststellingsbevoegdheid op het grondgebied van de gemeente. Jaarlijks deelt de betrokken overheid of entiteit aan de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken mee hoeveel ambtenaren of personeelsleden belast werden met een vaststellingsbevoegdheid]3;
3° de personeelsleden van de openbare vervoersmaatschappijen die behoren tot één van de door de Koning bepaalde categorieën, binnen het raam van hun bevoegdheden.
Voor de in het eerste lid, 2°, bedoelde personeelsleden, somt de gemeenteraad in het aanstellingsbesluit limitatief op de artikelen uit de gemeentelijke politiereglementen waarvoor deze personen de bevoegdheid hebben om inbreuken vast te stellen.
De gemeenteraad kan alleen die artikelen opsommen die in rechtstreeks verband staan met de bevoegdheden van de in het eerste lid, 2°, bedoelde personeelsleden die voortvloeien uit de regelgeving die op hen van toepassing is. De betrokken overheid of entiteit gaat akkoord met deze bijkomende bevoegdheid.
De in het eerste lid, 2°, bedoelde personeelsleden moeten voldoen aan de door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, vastgelegde minimumvoorwaarden inzake selectie, aanwerving en opleiding.
[3 Op voorwaarde dat voorafgaandelijk een machtiging werd verkregen van de minister bevoegd voor Binnenlandse zaken, hebben de in het eerste lid, 1° en 2°, bedoelde personen in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden toegang tot de volgende persoonsgegevens van de overtreder uit het Rijksregister:
1° de identificatiegegevens, meer bepaald de naam, voornamen en geboortedatum van de persoon;
2° de hoofdverblijfplaats;
3° het rijksregisternummer;
4° desgevallend de datum van overlijden.
De persoonsgegevens worden bewaard gedurende een periode die maximaal gelijk is aan de bewaartermijn van de gegevens in het register overeenkomstig artikel 44.]3
§ 2. De personeelsleden van de bewakingsondernemingen, die daartoe door de gemeenteraad werden aangewezen, kunnen uitsluitend bij de ambtenaar bedoeld in artikel 20 melding maken van inbreuken die enkel bestraft kunnen worden met een administratieve sanctie, en dit enkel in het kader van de activiteiten, bedoeld in [3 artikel 3, 10°, van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid]3.
§ 3. In geval van vaststellingen van inbreuken die kunnen leiden tot een administratieve sanctie, waarvan ze rechtstreeks getuige zijn en binnen het strikte kader van de hun toegekende bevoegdheden, kunnen de personen bedoeld in § 1, de voorlegging vragen van een identiteitsbewijs om de juiste identiteit van de overtreder te bepalen. Zij geven het identiteitsbewijs nadien onmiddellijk terug aan de betrokkene.
§ 4. [1 De in artikel 3, 3°, bedoelde inbreuken kunnen alleen worden vastgesteld door de volgende personen :
1° de in artikel 20 bedoelde personen;
2° de in artikel 21, § 1, 1°, bedoelde gemeenteambtenaren;
3° de personeelsleden van de autonome gemeentebedrijven wier activiteiten beperkt zijn tot het vaststellen van de gedepenaliseerde parkeerovertredingen, alsook tot de in artikel 3, 3°, bedoelde inbreuken, en die in het kader van hun bevoegdheid daartoe door de gemeenteraad zijn aangesteld;
4° de personeelsleden van het Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap als bedoeld in artikel 25 van de ordonnantie van 22 januari 2009 houdende de organisatie van het parkeerbeleid en de oprichting van het Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap, en die in het kader van hun bevoegdheid daartoe door de gemeenteraad zijn aangesteld.]1
[2 De in het eerste lid, 4°, bedoelde personeelsleden moeten voldoen aan de door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, vastgelegde minimumvoorwaarden inzake selectie, aanwerving en opleiding.]2
[3 Wanneer de vaststelling gebeurt door de in artikel 20 bedoelde personen, worden de in artikel 3, 3°, vermelde inbreuken vastgesteld in een proces-verbaal dat bewijskracht heeft tot bewijs van het tegendeel. Dit tegenbewijs kan met alle middelen van recht geleverd worden. Een afschrift van het proces-verbaal wordt aan de overtreders gezonden binnen een termijn van veertien dagen, te rekenen vanaf de datum van de vaststelling van de inbreuk, bij gebreke waaraan het betreffende proces-verbaal enkel geldt als loutere inlichting.]3
[3 § 5. De in § 1, 1° en 2°, en § 4, 2° tot 4°, bedoelde personen hebben in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden toegang tot de hiervoor ter zake dienende gegevens van de Kruispuntbank van de voertuigen op voorwaarde dat voorafgaandelijk een machtiging werd verkregen zoals bedoeld in artikel 18 van de wet van 19 mei 2010 houdende oprichting van de Kruispuntbank van de voertuigen.
De Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, de Union des Villes et Communes de Wallonie en Brulocalis kunnen voor hun leden een algemene machtiging vragen tot toegang tot de ter zake dienende gegevens van de Kruispuntbank van de voertuigen overeenkomstig artikel 18 van de wet van 19 mei 2010 houdende oprichting van de Kruispuntbank van de voertuigen.]3
Art. 21. § 1er. Les infractions qui peuvent uniquement faire l'objet de sanctions administratives peuvent également faire l'objet d'un constat par les personnes suivantes :
1° les agents communaux qui répondent aux conditions minimales fixées par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, en matière de sélection, de recrutement, de formation et de compétence, et désignés à cette fin par le conseil communal. Dans le cas d'une zone de police pluricommunale, ces agents communaux-constatateurs peuvent procéder à des constatations sur le territoire de toutes les communes qui font partie de cette zone de police, et le cas échéant des communes d'une ou de plusieurs autres zones à condition qu'un accord préalable ait été conclu à cette fin entre les communes concernées de la zone de police d'origine de l'agent et, le cas échéant, la commune relevant d'une autre zone de police;
2° les fonctionnaires provinciaux ou régionaux, les membres du personnel des coopérations intercommunales et régies communales autonomes [3 ...]3. [3 Le conseil communal désigne l'autorité ou l'entité concernée dont les membres du personnel sont compétents pour constater les infractions qui peuvent exclusivement faire l'objet d'une sanction administrative. L'autorité ou l'entité concernée désigne les membres du personnel à qui est confiée une mission de constatation et conserve les noms et les numéros de registre national de ces personnes. L'autorité ou l'entité veille à ce qu'une commune puisse vérifier qu'un membre du personnel de l'autorité ou de l'entité dispose bien d'une compétence de constatation sur le territoire de la commune. Chaque année, l'autorité ou l'entité concernée communique au ministre qui a l'Intérieur dans ses attributions le nombre de fonctionnaires ou membres du personnel auxquels une compétence de constatation a été confiée]3;
3° les agents des sociétés de transport en commun, appartenant à une des catégories déterminées par le Roi, dans le cadre de leurs compétences.
Pour le personnel visé à l'alinéa 1er, 2°, le conseil communal énumère limitativement dans l'acte de désignation les articles des règlements de police communaux pour lesquels ces personnes ont le pouvoir de constater des infractions.
Le conseil communal ne peut énumérer que les articles qui sont directement en lien avec les compétences du personnel visé à l'alinéa 1er, 2° qui ressortent de la réglementation qui leur est applicable. L'autorité ou entité concernée donne son accord quant à cette compétence supplémentaire.
Le personnel visé à l'alinéa 1er, 2° devra répondre aux conditions minimales de sélection, de recrutement et de formation déterminées par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres.
[3 Moyennant l'obtention préalable d'une autorisation du ministre qui a l'Intérieur dans ses attributions, les personnes visées à l'alinéa 1er, 1° et 2°, ont dans le cadre de l'exercice de leurs compétences accès au Registre national aux données à caractère personnel suivantes du contrevenant:
1° les données d'identification, plus particulièrement les nom, prénoms et la date de naissance de la personne;
2° le lieu de résidence principale;
3° le numéro de régistre national;
4° le cas échéant, la date de décès.
Les données à caractère personnel sont conservées pendant une période qui au maximum est égale au délai de conservation des données dans le registre conformément à l'article 44.]3
§ 2. Les agents des entreprises de gardiennage, désignés à cette fin par le conseil communal peuvent déclarer les infractions pouvant uniquement être sanctionnées par une sanction administrative, exclusivement auprès de l'agent visé à l'article 20, et ceci uniquement dans le cadre des activités, visées à [3 l'article 3, 10°, de la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière]3.
§ 3. En cas de constatations d'infractions pouvant donner lieu à une sanction administrative, dont ils sont les témoins directs et dans le cadre strict des compétences qui leur sont accordées, les personnes visées au § 1er, peuvent demander la présentation d'une pièce d'identité afin de déterminer l'identité exacte du contrevenant. Elles restituent ensuite immédiatement cette pièce d'identité à l'intéressé.
§ 4. [1 Les infractions visées à l'article 3, 3°, ne peuvent être constatées que par les personnes suivantes :
1° les personnes visées à l'article 20;
2° les agents communaux visés à l'article 21, § 1er, 1° ;
3° les membres du personnel des régies communales autonomes dont les activités sont limitées à la constatation des infractions dépénalisées en matière de stationnement ainsi qu'aux infractions visées à l'article 3, 3°, et qui sont dans le cadre de leur compétence désignés à cette fin par le conseil communal;
4° les membres du personnel de l'Agence du stationnement de la Région de Bruxelles-Capitale, visée à l'article 25 de l'ordonnance du 22 janvier 2009 portant organisation de la politique du stationnement et création de l'Agence du stationnement de la Région de Bruxelles-Capitale et qui sont dans le cadre de leur compétence désignés à cette fin par le conseil communal.]1
[2 Les membres du personnel visés à l'alinéa 1er, 4°, doivent répondre aux conditions minimales de sélection, de recrutement et de formation déterminées par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres.]2
[3 Quand la constatation est effectuée par les personnes visées à l'article 20, les infractions qui sont mentionnées dans l'article 3, 3°, sont constatées dans un procès-verbal qui a force probante jusqu'à preuve du contraire. Cette preuve contraire peut être apportée par toutes voies de droit. Une copie du procès-verbal est envoyée aux contrevenants dans un délai de quatorze jours à compter de la date de la constatation de l'infraction, à défaut de laquelle le procès-verbal en question n'a valeur que de simple information.]3
[3 § 5. Les personnes visées au § 1er, 1° et 2°, et au § 4, 2° à 4°, ont dans le cadre de l'exercice de leur compétences, accès aux données pertinentes à cette fin de la Banque-Carrefour des véhicules, moyennant l'obtention préalable d'une autorisation telle que visée à l'article 18 de la loi du 19 mai 2010 portant création d'une Banque-Carrefour des véhicules.
La Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, l'Union des Villes et Communes de Wallonie et Brulocalis peuvent demander, pour leurs membres, une autorisation générale d'accès aux données pertinentes de la Banque-Carrefour des véhicules conformément à l'article 18 de la loi du 19 mai 2010 portant création de la Banque-Carrefour des véhicules.]3
1° les agents communaux qui répondent aux conditions minimales fixées par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, en matière de sélection, de recrutement, de formation et de compétence, et désignés à cette fin par le conseil communal. Dans le cas d'une zone de police pluricommunale, ces agents communaux-constatateurs peuvent procéder à des constatations sur le territoire de toutes les communes qui font partie de cette zone de police, et le cas échéant des communes d'une ou de plusieurs autres zones à condition qu'un accord préalable ait été conclu à cette fin entre les communes concernées de la zone de police d'origine de l'agent et, le cas échéant, la commune relevant d'une autre zone de police;
2° les fonctionnaires provinciaux ou régionaux, les membres du personnel des coopérations intercommunales et régies communales autonomes [3 ...]3. [3 Le conseil communal désigne l'autorité ou l'entité concernée dont les membres du personnel sont compétents pour constater les infractions qui peuvent exclusivement faire l'objet d'une sanction administrative. L'autorité ou l'entité concernée désigne les membres du personnel à qui est confiée une mission de constatation et conserve les noms et les numéros de registre national de ces personnes. L'autorité ou l'entité veille à ce qu'une commune puisse vérifier qu'un membre du personnel de l'autorité ou de l'entité dispose bien d'une compétence de constatation sur le territoire de la commune. Chaque année, l'autorité ou l'entité concernée communique au ministre qui a l'Intérieur dans ses attributions le nombre de fonctionnaires ou membres du personnel auxquels une compétence de constatation a été confiée]3;
3° les agents des sociétés de transport en commun, appartenant à une des catégories déterminées par le Roi, dans le cadre de leurs compétences.
Pour le personnel visé à l'alinéa 1er, 2°, le conseil communal énumère limitativement dans l'acte de désignation les articles des règlements de police communaux pour lesquels ces personnes ont le pouvoir de constater des infractions.
Le conseil communal ne peut énumérer que les articles qui sont directement en lien avec les compétences du personnel visé à l'alinéa 1er, 2° qui ressortent de la réglementation qui leur est applicable. L'autorité ou entité concernée donne son accord quant à cette compétence supplémentaire.
Le personnel visé à l'alinéa 1er, 2° devra répondre aux conditions minimales de sélection, de recrutement et de formation déterminées par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres.
[3 Moyennant l'obtention préalable d'une autorisation du ministre qui a l'Intérieur dans ses attributions, les personnes visées à l'alinéa 1er, 1° et 2°, ont dans le cadre de l'exercice de leurs compétences accès au Registre national aux données à caractère personnel suivantes du contrevenant:
1° les données d'identification, plus particulièrement les nom, prénoms et la date de naissance de la personne;
2° le lieu de résidence principale;
3° le numéro de régistre national;
4° le cas échéant, la date de décès.
Les données à caractère personnel sont conservées pendant une période qui au maximum est égale au délai de conservation des données dans le registre conformément à l'article 44.]3
§ 2. Les agents des entreprises de gardiennage, désignés à cette fin par le conseil communal peuvent déclarer les infractions pouvant uniquement être sanctionnées par une sanction administrative, exclusivement auprès de l'agent visé à l'article 20, et ceci uniquement dans le cadre des activités, visées à [3 l'article 3, 10°, de la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière]3.
§ 3. En cas de constatations d'infractions pouvant donner lieu à une sanction administrative, dont ils sont les témoins directs et dans le cadre strict des compétences qui leur sont accordées, les personnes visées au § 1er, peuvent demander la présentation d'une pièce d'identité afin de déterminer l'identité exacte du contrevenant. Elles restituent ensuite immédiatement cette pièce d'identité à l'intéressé.
§ 4. [1 Les infractions visées à l'article 3, 3°, ne peuvent être constatées que par les personnes suivantes :
1° les personnes visées à l'article 20;
2° les agents communaux visés à l'article 21, § 1er, 1° ;
3° les membres du personnel des régies communales autonomes dont les activités sont limitées à la constatation des infractions dépénalisées en matière de stationnement ainsi qu'aux infractions visées à l'article 3, 3°, et qui sont dans le cadre de leur compétence désignés à cette fin par le conseil communal;
4° les membres du personnel de l'Agence du stationnement de la Région de Bruxelles-Capitale, visée à l'article 25 de l'ordonnance du 22 janvier 2009 portant organisation de la politique du stationnement et création de l'Agence du stationnement de la Région de Bruxelles-Capitale et qui sont dans le cadre de leur compétence désignés à cette fin par le conseil communal.]1
[2 Les membres du personnel visés à l'alinéa 1er, 4°, doivent répondre aux conditions minimales de sélection, de recrutement et de formation déterminées par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres.]2
[3 Quand la constatation est effectuée par les personnes visées à l'article 20, les infractions qui sont mentionnées dans l'article 3, 3°, sont constatées dans un procès-verbal qui a force probante jusqu'à preuve du contraire. Cette preuve contraire peut être apportée par toutes voies de droit. Une copie du procès-verbal est envoyée aux contrevenants dans un délai de quatorze jours à compter de la date de la constatation de l'infraction, à défaut de laquelle le procès-verbal en question n'a valeur que de simple information.]3
[3 § 5. Les personnes visées au § 1er, 1° et 2°, et au § 4, 2° à 4°, ont dans le cadre de l'exercice de leur compétences, accès aux données pertinentes à cette fin de la Banque-Carrefour des véhicules, moyennant l'obtention préalable d'une autorisation telle que visée à l'article 18 de la loi du 19 mai 2010 portant création d'une Banque-Carrefour des véhicules.
La Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, l'Union des Villes et Communes de Wallonie et Brulocalis peuvent demander, pour leurs membres, une autorisation générale d'accès aux données pertinentes de la Banque-Carrefour des véhicules conformément à l'article 18 de la loi du 19 mai 2010 portant création de la Banque-Carrefour des véhicules.]3
Art. 22. § 1. Voor de in artikel 3, 1°, en 2°, bedoelde inbreuken wordt de originele vaststelling uiterlijk binnen twee maanden na de vaststelling overgezonden aan de procureur des Konings.
Indien het om minderjarigen gaat, moet het proces-verbaal toekomen bij de procureur des Konings van de verblijfplaats van de [2 iedere titularis die het ouderlijk gezag heeft over de minderjarige]2.
De in artikel 20 bedoelde persoon vermeldt uitdrukkelijk in het proces-verbaal de datum waarop dit is overgezonden of overhandigd aan de procureur des Konings. Een kopie wordt tegelijkertijd overgezonden aan de bevoegde sanctionerend ambtenaar van de gemeente waar de feiten zich hebben voorgedaan.
§ 2. Wanneer de inbreuk enkel met een administratieve sanctie kan worden bestraft, wordt de originele vaststelling uiterlijk binnen twee maanden na de vaststelling verstuurd aan de bevoegde sanctionerend ambtenaar van de gemeente waar de feiten zich hebben voorgedaan.
[3 De vaststelling van een inbreuk die enkel met een administratieve sanctie kan worden bestraft, maakt het voorwerp uit van een bestuurlijk verslag dat in gematerialiseerde of gedematerialiseerde vorm kan worden opgesteld. Het gedematerialiseerde verslag wordt door de opsteller ondertekend door middel van een gekwalificeerde elektronische handtekening. De digitale kopieën van de verslagen worden ondertekend met behulp van een geavanceerd elektronisch zegel. In afwijking van het eerste lid wordt enkel een kopie van de vaststelling overgezonden aan de sanctionerend ambtenaar wanneer het bestuurlijk verslag in gedematerialiseerde vorm wordt opgesteld.]3
§ 3. De in de artikelen 20 en 21 bedoelde personen zenden aan de procureur des Konings steeds een kopie over van de vaststellingen ten laste van minderjarigen voor feiten die enkel bestraft kunnen worden met een administratieve sanctie.
§ 4. Ingeval de vaststelling wordt opgesteld door een in artikel 21, § 1, eerste lid, 3°, bedoelde personeelslid, wordt zij uiterlijk binnen twee maanden na de vaststelling door dit personeelslid toegestuurd aan de sanctionerend ambtenaar bevoegd voor het grondgebied van de gemeente waar de feiten zich hebben voorgedaan.
§ 5. [1 ...]1
§ 6. Voor de in artikel 3, 3°, bedoelde inbreuken wordt de originele vaststelling [3 uiterlijk binnen de twee maanden na de vaststelling]3 overgezonden aan de sanctionerend ambtenaar. De procureur des Konings wordt hiervan op de hoogte gebracht volgens de nadere regels bepaald in het in artikel 23 bedoelde protocolakkoord.
[3 Wanneer de vaststelling gebeurt door de personen bedoeld in artikel 21, § 4, 2° tot 4°, maakt deze vaststelling het voorwerp uit van een bestuurlijk verslag dat in gematerialiseerde of gedematerialiseerde vorm kan worden opgesteld. Het gedematerialiseerde verslag wordt door de opsteller ondertekend door middel van een gekwalificeerde elektronische handtekening. De digitale kopieën van de verslagen worden ondertekend met behulp van een geavanceerd elektronisch zegel. In afwijking van het eerste lid wordt enkel een kopie van de vaststelling overgezonden aan de sanctionerend ambtenaar wanneer het bestuurlijk verslag in gedematerialiseerde vorm wordt opgesteld.]3
Wanneer het voertuig op directe of indirecte wijze betrokken is bij een ongeval of wanneer er eveneens andere dan de in artikel 3, 3°, bedoelde inbreuken worden vastgesteld, kan alleen een proces-verbaal worden opgesteld door de personen bedoeld in artikel 20. Dit proces-verbaal wordt overgezonden aan de procureur des Konings.
[3 § 7. De toegang tot de systemen voor de verwerking van de processen-verbaal en/of bestuurlijke verslagen wordt op zulke wijze georganiseerd dat alleen de gemachtigde personen na authenticatie beschikken over een toegang of een schrijfrecht in deze systemen. De systemen voor de verwerking van de processen-verbaal en/of bestuurlijke verslagen maken het voorwerp uit van veiligheidsmaatregelen die de vertrouwelijkheid, de beschikbaarheid, de traceerbaarheid en de integriteit van deze systemen en van de gegevens van de processen-verbaal en/of bestuurlijke verslagen verzekeren.
De elektronische of handmatige doorgifte van de processen-verbaal en bestuurlijke verslagen aan de sanctionerend ambtenaar wordt beveiligd volgens de regels van de kunst. De doorgifte van de processen-verbaal en bestuurlijke verslagen zal bijgehouden worden in een logbestand en indien dit via elektronische weg gebeurt, geschiedt dit via een beveiligd elektronisch communicatiekanaal.]3
[3 § 8. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a) gekwalificeerde elektronische handtekening: de handtekening zoals bedoeld in artikel 3.12 van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG;
b) geavanceerd elektronisch zegel: het zegel zoals bedoeld in artikel 3.26 van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identficatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.]3
Indien het om minderjarigen gaat, moet het proces-verbaal toekomen bij de procureur des Konings van de verblijfplaats van de [2 iedere titularis die het ouderlijk gezag heeft over de minderjarige]2.
De in artikel 20 bedoelde persoon vermeldt uitdrukkelijk in het proces-verbaal de datum waarop dit is overgezonden of overhandigd aan de procureur des Konings. Een kopie wordt tegelijkertijd overgezonden aan de bevoegde sanctionerend ambtenaar van de gemeente waar de feiten zich hebben voorgedaan.
§ 2. Wanneer de inbreuk enkel met een administratieve sanctie kan worden bestraft, wordt de originele vaststelling uiterlijk binnen twee maanden na de vaststelling verstuurd aan de bevoegde sanctionerend ambtenaar van de gemeente waar de feiten zich hebben voorgedaan.
[3 De vaststelling van een inbreuk die enkel met een administratieve sanctie kan worden bestraft, maakt het voorwerp uit van een bestuurlijk verslag dat in gematerialiseerde of gedematerialiseerde vorm kan worden opgesteld. Het gedematerialiseerde verslag wordt door de opsteller ondertekend door middel van een gekwalificeerde elektronische handtekening. De digitale kopieën van de verslagen worden ondertekend met behulp van een geavanceerd elektronisch zegel. In afwijking van het eerste lid wordt enkel een kopie van de vaststelling overgezonden aan de sanctionerend ambtenaar wanneer het bestuurlijk verslag in gedematerialiseerde vorm wordt opgesteld.]3
§ 3. De in de artikelen 20 en 21 bedoelde personen zenden aan de procureur des Konings steeds een kopie over van de vaststellingen ten laste van minderjarigen voor feiten die enkel bestraft kunnen worden met een administratieve sanctie.
§ 4. Ingeval de vaststelling wordt opgesteld door een in artikel 21, § 1, eerste lid, 3°, bedoelde personeelslid, wordt zij uiterlijk binnen twee maanden na de vaststelling door dit personeelslid toegestuurd aan de sanctionerend ambtenaar bevoegd voor het grondgebied van de gemeente waar de feiten zich hebben voorgedaan.
§ 5. [1 ...]1
§ 6. Voor de in artikel 3, 3°, bedoelde inbreuken wordt de originele vaststelling [3 uiterlijk binnen de twee maanden na de vaststelling]3 overgezonden aan de sanctionerend ambtenaar. De procureur des Konings wordt hiervan op de hoogte gebracht volgens de nadere regels bepaald in het in artikel 23 bedoelde protocolakkoord.
[3 Wanneer de vaststelling gebeurt door de personen bedoeld in artikel 21, § 4, 2° tot 4°, maakt deze vaststelling het voorwerp uit van een bestuurlijk verslag dat in gematerialiseerde of gedematerialiseerde vorm kan worden opgesteld. Het gedematerialiseerde verslag wordt door de opsteller ondertekend door middel van een gekwalificeerde elektronische handtekening. De digitale kopieën van de verslagen worden ondertekend met behulp van een geavanceerd elektronisch zegel. In afwijking van het eerste lid wordt enkel een kopie van de vaststelling overgezonden aan de sanctionerend ambtenaar wanneer het bestuurlijk verslag in gedematerialiseerde vorm wordt opgesteld.]3
Wanneer het voertuig op directe of indirecte wijze betrokken is bij een ongeval of wanneer er eveneens andere dan de in artikel 3, 3°, bedoelde inbreuken worden vastgesteld, kan alleen een proces-verbaal worden opgesteld door de personen bedoeld in artikel 20. Dit proces-verbaal wordt overgezonden aan de procureur des Konings.
[3 § 7. De toegang tot de systemen voor de verwerking van de processen-verbaal en/of bestuurlijke verslagen wordt op zulke wijze georganiseerd dat alleen de gemachtigde personen na authenticatie beschikken over een toegang of een schrijfrecht in deze systemen. De systemen voor de verwerking van de processen-verbaal en/of bestuurlijke verslagen maken het voorwerp uit van veiligheidsmaatregelen die de vertrouwelijkheid, de beschikbaarheid, de traceerbaarheid en de integriteit van deze systemen en van de gegevens van de processen-verbaal en/of bestuurlijke verslagen verzekeren.
De elektronische of handmatige doorgifte van de processen-verbaal en bestuurlijke verslagen aan de sanctionerend ambtenaar wordt beveiligd volgens de regels van de kunst. De doorgifte van de processen-verbaal en bestuurlijke verslagen zal bijgehouden worden in een logbestand en indien dit via elektronische weg gebeurt, geschiedt dit via een beveiligd elektronisch communicatiekanaal.]3
[3 § 8. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a) gekwalificeerde elektronische handtekening: de handtekening zoals bedoeld in artikel 3.12 van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG;
b) geavanceerd elektronisch zegel: het zegel zoals bedoeld in artikel 3.26 van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identficatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.]3
Art. 22. § 1er. Pour les infractions visées à l'article 3, 1° et 2°, l'original du constat est adressé au procureur du Roi au plus tard dans les deux mois de la constatation.
S'il s'agit de mineurs, le procès-verbal doit parvenir au procureur du Roi de la résidence [2 de chaque titulaire qui a l'autorité parentale sur le mineur]2.
La personne visée à l'article 20 consigne explicitement dans le procès-verbal la date à laquelle celui-ci a été transmis ou remis au procureur du Roi. Une copie est transmise au même moment au fonctionnaire sanctionnateur compétent de la commune où les faits se sont produits.
§ 2. Lorsque l'infraction n'est punissable que d'une sanction administrative, l'original du constat est envoyé au plus tard dans les deux mois de la constatation au fonctionnaire sanctionnateur compétent de la commune où les faits se sont produits.
[3 La constatation d'une infraction qui est uniquement punissable d'une sanction administrative fait l'objet d'un rapport administratif qui peut être établi sous forme matérialisée ou dématérialisée. Le rapport dématérialisé est signé par son auteur à l'aide d'une signature électronique qualifiée. Les copies digitales des rapports sont signées à l'aide d'un cachet électronique avancé. Par dérogation à l'alinéa 1er, seule une copie du constat est transmise au fonctionnaire sanctionnateur quand le rapport administratif est établi sous une forme dématérialisée.]3
§ 3. Les personnes visées aux articles 20 et 21 transmettent toujours au procureur du Roi une copie des constatations à charge de mineurs pour des faits qui ne sont punissables que par une sanction administrative.
§ 4. Dans le cas où la constatation est établie par un agent visé à l'article 21, § 1er, alinéa 1er, 3°, celui-ci l'envoie au plus tard dans les deux mois de la constatation au fonctionnaire sanctionnateur compétent sur le territoire de la commune où les faits se sont produits.
§ 5. [1 ...]1
§ 6. Pour les infractions visées à l'article 3, 3°, l'original du constat est adressé au fonctionnaire sanctionnateur [3 au plus tard dans les deux mois qui suivent le constat]3. Le procureur du Roi en est informé selon les modalités déterminées dans le protocole d'accord visé à l'article 23.
[3 Quand le constat est effectué par les personnes visées à l'article 21, § 4, 2° à 4°, ce constat fait l'objet d'un rapport administratif qui peut être établi sous forme matérialisée ou dématérialisée. Le rapport dématérialisé est signé par son auteur à l'aide d'une signature électronique qualifiée. Les copies digitales des rapports sont signées à l'aide d'un cachet électronique avancé. Par dérogation à l'alinéa 1er, seule une copie du constat est transmise au fonctionnaire sanctionnateur quand le rapport administratif est établi sous une forme dématérialisée.]3
Lorsque le véhicule est en outre, de manière directe ou indirecte, impliqué dans un accident ou si d'autres infractions que celles visées à l'article 3, 3°, sont également constatées, un procès-verbal ne peut être établi que par les personnes visées à l'article 20. Ce procès-verbal est transmis au procureur du Roi.
[3 § 7. L'accès aux systèmes de traitement des procès-verbaux et/ou rapports administratifs est organisé de telle manière que seules les personnes autorisées disposent, après authentification, d'un accès ou d'un droit d'écriture dans ces systèmes. Les systèmes de traitement des procès-verbaux et/ou rapports administratifs font l'objet de mesures de sécurité garantissant la confidentialité, la disponibilité, la traçabilité et l'intégrité de ces systèmes et des données des procès-verbaux et/ou rapports administratifs.
La transmission électronique ou manuelle des procès-verbaux et rapports administratifs au fonctionnaire sanctionnateur est sécurisée selon les règles de l'art. La transmission des procès-verbaux et des rapports administratifs sera consignée dans un fichier de journalisation et si cela est effectué par voie électronique, cela se fait par le biais d'un canal de communication électronique sécurisé.]3
[3 § 8. Pour l'application du présent article, l'on entend par:
a) signature électronique qualifiée: la signature visée à l'article 3.12 du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE;
b) cachet électronique avancé: le cachet visé à l'article 3.26 du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE.]3
S'il s'agit de mineurs, le procès-verbal doit parvenir au procureur du Roi de la résidence [2 de chaque titulaire qui a l'autorité parentale sur le mineur]2.
La personne visée à l'article 20 consigne explicitement dans le procès-verbal la date à laquelle celui-ci a été transmis ou remis au procureur du Roi. Une copie est transmise au même moment au fonctionnaire sanctionnateur compétent de la commune où les faits se sont produits.
§ 2. Lorsque l'infraction n'est punissable que d'une sanction administrative, l'original du constat est envoyé au plus tard dans les deux mois de la constatation au fonctionnaire sanctionnateur compétent de la commune où les faits se sont produits.
[3 La constatation d'une infraction qui est uniquement punissable d'une sanction administrative fait l'objet d'un rapport administratif qui peut être établi sous forme matérialisée ou dématérialisée. Le rapport dématérialisé est signé par son auteur à l'aide d'une signature électronique qualifiée. Les copies digitales des rapports sont signées à l'aide d'un cachet électronique avancé. Par dérogation à l'alinéa 1er, seule une copie du constat est transmise au fonctionnaire sanctionnateur quand le rapport administratif est établi sous une forme dématérialisée.]3
§ 3. Les personnes visées aux articles 20 et 21 transmettent toujours au procureur du Roi une copie des constatations à charge de mineurs pour des faits qui ne sont punissables que par une sanction administrative.
§ 4. Dans le cas où la constatation est établie par un agent visé à l'article 21, § 1er, alinéa 1er, 3°, celui-ci l'envoie au plus tard dans les deux mois de la constatation au fonctionnaire sanctionnateur compétent sur le territoire de la commune où les faits se sont produits.
§ 5. [1 ...]1
§ 6. Pour les infractions visées à l'article 3, 3°, l'original du constat est adressé au fonctionnaire sanctionnateur [3 au plus tard dans les deux mois qui suivent le constat]3. Le procureur du Roi en est informé selon les modalités déterminées dans le protocole d'accord visé à l'article 23.
[3 Quand le constat est effectué par les personnes visées à l'article 21, § 4, 2° à 4°, ce constat fait l'objet d'un rapport administratif qui peut être établi sous forme matérialisée ou dématérialisée. Le rapport dématérialisé est signé par son auteur à l'aide d'une signature électronique qualifiée. Les copies digitales des rapports sont signées à l'aide d'un cachet électronique avancé. Par dérogation à l'alinéa 1er, seule une copie du constat est transmise au fonctionnaire sanctionnateur quand le rapport administratif est établi sous une forme dématérialisée.]3
Lorsque le véhicule est en outre, de manière directe ou indirecte, impliqué dans un accident ou si d'autres infractions que celles visées à l'article 3, 3°, sont également constatées, un procès-verbal ne peut être établi que par les personnes visées à l'article 20. Ce procès-verbal est transmis au procureur du Roi.
[3 § 7. L'accès aux systèmes de traitement des procès-verbaux et/ou rapports administratifs est organisé de telle manière que seules les personnes autorisées disposent, après authentification, d'un accès ou d'un droit d'écriture dans ces systèmes. Les systèmes de traitement des procès-verbaux et/ou rapports administratifs font l'objet de mesures de sécurité garantissant la confidentialité, la disponibilité, la traçabilité et l'intégrité de ces systèmes et des données des procès-verbaux et/ou rapports administratifs.
La transmission électronique ou manuelle des procès-verbaux et rapports administratifs au fonctionnaire sanctionnateur est sécurisée selon les règles de l'art. La transmission des procès-verbaux et des rapports administratifs sera consignée dans un fichier de journalisation et si cela est effectué par voie électronique, cela se fait par le biais d'un canal de communication électronique sécurisé.]3
[3 § 8. Pour l'application du présent article, l'on entend par:
a) signature électronique qualifiée: la signature visée à l'article 3.12 du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE;
b) cachet électronique avancé: le cachet visé à l'article 3.26 du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE.]3
Afdeling 2. - Procedure in geval van gemengde inbreuken
Section 2. - Procédure en cas d'infractions mixtes
Art. 23. § 1. Met betrekking tot de in artikel 3 bedoelde inbreuken, kan de gemeenteraad een protocolakkoord dat gesloten werd tussen de bevoegde procureur des Konings en het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege, bekrachtigen.
Dit protocolakkoord, waarvan de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de nadere voorwaarden en het model vastlegt, is een overeenkomst die werd opgesteld tussen het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege en de voor de gemengde inbreuken bevoegde procureur des Konings.
Dit protocolakkoord leeft alle wettelijke bepalingen na die met name betrekking hebben op de procedures voorzien voor de overtreders en kan de rechten van de overtreders niet schenden.
Het kan identiek zijn voor alle gemeenten van de politiezone in het geval bedoeld in artikel 2, § 2.
Voor de in artikel 3, 3°, bedoelde inbreuken, is de opstelling van een protocolakkoord evenwel verplicht.
Het protocolakkoord wordt bij de in de artikelen 3 en 4 bedoelde reglementen en verordeningen gevoegd en door het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege bekendgemaakt op de internetsite van de gemeente indien zij daarover beschikt en/of via een affiche waarop vermeld staat waar de protocoltekst geraadpleegd kan worden door het publiek.
§ 2 Bij gebrek aan een protocolakkoord en voor de in artikel 3, 1°, bedoelde inbreuken kan de sanctionerend ambtenaar enkel een administratieve geldboete opleggen of een alternatieve maatregel hiervoor voorstellen voor zover de procureur des Konings, binnen een termijn van twee maanden, laat weten dat hij dit opportuun acht en dat hijzelf geen gevolg aan de feiten zal geven.
§ 3. Bij gebrek aan een protocolakkoord en voor de inbreuken bedoeld in artikel 3, 2°, beschikt de procureur des Konings over een termijn van twee maanden, te rekenen vanaf de dag van ontvangst van het origineel proces-verbaal, om de sanctionerend ambtenaar in te lichten dat een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek werd opgestart, vervolging werd ingesteld, dan wel dat hij oordeelt het dossier te moeten seponeren bij gebrek aan toereikende bezwaren. Deze mededeling doet de mogelijkheid vervallen voor de sanctionerend ambtenaar om een administratieve geldboete op te leggen.
De sanctionerend ambtenaar kan geen administratieve geldboete opleggen of een alternatieve maatregel hiervoor voorstellen vóór het verstrijken van deze termijn. Na het verstrijken ervan, kunnen de feiten enkel nog administratiefrechtelijk worden bestraft. De sanctionerend ambtenaar kan evenwel een administratieve geldboete opleggen of een alternatieve maatregel hiervoor voorstellen vooraleer deze termijn is verstreken indien de procureur des Konings vóór het verstrijken ervan heeft laten weten dat, zonder het materieel element van de inbreuk in twijfel te trekken, hij geen gevolg aan de feiten zal geven.
Dit protocolakkoord, waarvan de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de nadere voorwaarden en het model vastlegt, is een overeenkomst die werd opgesteld tussen het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege en de voor de gemengde inbreuken bevoegde procureur des Konings.
Dit protocolakkoord leeft alle wettelijke bepalingen na die met name betrekking hebben op de procedures voorzien voor de overtreders en kan de rechten van de overtreders niet schenden.
Het kan identiek zijn voor alle gemeenten van de politiezone in het geval bedoeld in artikel 2, § 2.
Voor de in artikel 3, 3°, bedoelde inbreuken, is de opstelling van een protocolakkoord evenwel verplicht.
Het protocolakkoord wordt bij de in de artikelen 3 en 4 bedoelde reglementen en verordeningen gevoegd en door het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege bekendgemaakt op de internetsite van de gemeente indien zij daarover beschikt en/of via een affiche waarop vermeld staat waar de protocoltekst geraadpleegd kan worden door het publiek.
§ 2 Bij gebrek aan een protocolakkoord en voor de in artikel 3, 1°, bedoelde inbreuken kan de sanctionerend ambtenaar enkel een administratieve geldboete opleggen of een alternatieve maatregel hiervoor voorstellen voor zover de procureur des Konings, binnen een termijn van twee maanden, laat weten dat hij dit opportuun acht en dat hijzelf geen gevolg aan de feiten zal geven.
§ 3. Bij gebrek aan een protocolakkoord en voor de inbreuken bedoeld in artikel 3, 2°, beschikt de procureur des Konings over een termijn van twee maanden, te rekenen vanaf de dag van ontvangst van het origineel proces-verbaal, om de sanctionerend ambtenaar in te lichten dat een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek werd opgestart, vervolging werd ingesteld, dan wel dat hij oordeelt het dossier te moeten seponeren bij gebrek aan toereikende bezwaren. Deze mededeling doet de mogelijkheid vervallen voor de sanctionerend ambtenaar om een administratieve geldboete op te leggen.
De sanctionerend ambtenaar kan geen administratieve geldboete opleggen of een alternatieve maatregel hiervoor voorstellen vóór het verstrijken van deze termijn. Na het verstrijken ervan, kunnen de feiten enkel nog administratiefrechtelijk worden bestraft. De sanctionerend ambtenaar kan evenwel een administratieve geldboete opleggen of een alternatieve maatregel hiervoor voorstellen vooraleer deze termijn is verstreken indien de procureur des Konings vóór het verstrijken ervan heeft laten weten dat, zonder het materieel element van de inbreuk in twijfel te trekken, hij geen gevolg aan de feiten zal geven.
Art. 23. § 1er. En ce qui concerne les infractions visées à l'article 3, le conseil communal peut ratifier un protocole d'accord conclu entre le procureur du Roi compétent et le collège des bourgmestre et échevins ou le collège communal.
Ce protocole d'accord, dont le Roi fixe les modalités et le modèle, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, est une convention établie entre le collège des bourgmestres et échevins ou le collège communal et le procureur du Roi compétent concernant les infractions mixtes.
Ce protocole d'accord respecte l'ensemble des dispositions légales concernant notamment les procédures prévues pour les contrevenants et ne peut déroger aux droits de ceux-ci.
Il peut être identique à l'ensemble des communes de la zone de police dans le cas visé à l'article 2, § 2.
Toutefois, pour les infractions visées à l'article 3, 3°, l'établissement d'un protocole d'accord est obligatoire.
Le protocole d'accord est annexé aux règlements et ordonnances visés aux articles 3 et 4, et publié par le collège des bourgmestre et échevin ou le collège communal sur le site internet de la commune si elle en dispose et/ou par la voie d'une affiche indiquant le lieu où le texte du protocole peut être consulté par le public.
§ 2. A défaut de protocole d'accord et pour les infractions visées à l'article 3, 1°, le fonctionnaire sanctionnateur ne peut infliger une amende administrative ou proposer une mesure alternative à celle-ci qu'au cas où le procureur du Roi a, dans un délai de deux mois, fait savoir qu'il trouve cela opportun et que lui-même ne réservera pas de suite aux faits.
§ 3. A défaut de protocole d'accord et pour les infractions visées à l'article 3, 2°, le procureur du Roi dispose d'un délai de deux mois, à compter du jour de la réception de l'original du procès-verbal, pour informer le fonctionnaire sanctionnateur qu'une information ou une instruction a été ouverte ou que des poursuites ont été entamées ou qu'il estime devoir classer sans suite le dossier à défaut de charges suffisantes. Cette communication éteint la possibilité pour le fonctionnaire sanctionnateur d'imposer une amende administrative.
Le fonctionnaire sanctionnateur ne peut infliger l'amende administrative ou proposer une mesure alternative à celle-ci avant l'échéance de ce délai. Passé celui-ci, les faits ne peuvent être sanctionnés que de manière administrative. Le fonctionnaire sanctionnateur peut, cependant, infliger une amende administrative ou proposer une mesure alternative à celle-ci avant l'échéance de ce délai si, avant l'expiration de celui-ci, le procureur du Roi, sans remettre en cause la matérialité de l'infraction, a fait savoir qu'il ne réservera pas de suite aux faits.
Ce protocole d'accord, dont le Roi fixe les modalités et le modèle, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, est une convention établie entre le collège des bourgmestres et échevins ou le collège communal et le procureur du Roi compétent concernant les infractions mixtes.
Ce protocole d'accord respecte l'ensemble des dispositions légales concernant notamment les procédures prévues pour les contrevenants et ne peut déroger aux droits de ceux-ci.
Il peut être identique à l'ensemble des communes de la zone de police dans le cas visé à l'article 2, § 2.
Toutefois, pour les infractions visées à l'article 3, 3°, l'établissement d'un protocole d'accord est obligatoire.
Le protocole d'accord est annexé aux règlements et ordonnances visés aux articles 3 et 4, et publié par le collège des bourgmestre et échevin ou le collège communal sur le site internet de la commune si elle en dispose et/ou par la voie d'une affiche indiquant le lieu où le texte du protocole peut être consulté par le public.
§ 2. A défaut de protocole d'accord et pour les infractions visées à l'article 3, 1°, le fonctionnaire sanctionnateur ne peut infliger une amende administrative ou proposer une mesure alternative à celle-ci qu'au cas où le procureur du Roi a, dans un délai de deux mois, fait savoir qu'il trouve cela opportun et que lui-même ne réservera pas de suite aux faits.
§ 3. A défaut de protocole d'accord et pour les infractions visées à l'article 3, 2°, le procureur du Roi dispose d'un délai de deux mois, à compter du jour de la réception de l'original du procès-verbal, pour informer le fonctionnaire sanctionnateur qu'une information ou une instruction a été ouverte ou que des poursuites ont été entamées ou qu'il estime devoir classer sans suite le dossier à défaut de charges suffisantes. Cette communication éteint la possibilité pour le fonctionnaire sanctionnateur d'imposer une amende administrative.
Le fonctionnaire sanctionnateur ne peut infliger l'amende administrative ou proposer une mesure alternative à celle-ci avant l'échéance de ce délai. Passé celui-ci, les faits ne peuvent être sanctionnés que de manière administrative. Le fonctionnaire sanctionnateur peut, cependant, infliger une amende administrative ou proposer une mesure alternative à celle-ci avant l'échéance de ce délai si, avant l'expiration de celui-ci, le procureur du Roi, sans remettre en cause la matérialité de l'infraction, a fait savoir qu'il ne réservera pas de suite aux faits.
Art. 24. Indien, afgezien van de gevallen van samenloop bedoeld in artikel 23, § 3, een feit zowel een strafrechtelijke als een administratieve inbreuk vormt, zijn de procedures voorzien voor de inbreuken bedoeld in artikel 3, 2°, van toepassing.
Art. 24. Si, en dehors des cas de concours mentionnés à l'article 23, § 3, un fait constitue à la fois une infraction pénale et une infraction administrative, les procédures prévues pour les infractions visées à l'article 3, 2°, sont d'application.
Afdeling 3. - Procedure voor de sanctionerend ambtenaar
Section 3. - Procédure devant le fonctionnaire sanctionnateur
Onderafdeling 1. - Verloop van de procedure
Sous-section 1re. - Déroulement de la procédure
Art. 25. § 1. [3 Op voorwaarde dat voorafgaand een machtiging werd verkregen van de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken, heeft de sanctionerend ambtenaar, in het kader van de uitoefening van zijn bevoegdheden, toegang tot de volgende persoonsgegevens van de overtreder uit het Rijksregister:
1° de identificatiegegevens, meer bepaald de naam, voornamen en geboortedatum van de persoon;
2° de hoofdverblijfplaats;
3° het rijksregisternummer;
4° desgevallend de datum van overlijden;
5° de gegevens betreffende de bekwaamheid en de vertegenwoordiging;
6° de gegevens betreffende de voogdij en de afstamming, teneinde de persoon of personen die het ouderlijk gezag heeft of hebben over de minderjarige overtreder te bepalen, alsook de identificatiegegevens en de hoofdverblijfplaats van deze perso(o)n(en).
De persoonsgegevens worden bewaard voor een periode die maximaal gelijk is aan de bewaartermijn van de gegevens in het register overeenkomstig artikel 44.
De sanctionerend ambtenaar heeft, in het kader van de uitoefening van zijn bevoegdheden, toegang tot de hiervoor ter zake dienende gegevens van de Kruispuntbank van de voertuigen, op voorwaarde dat voorafgaand een machtiging verkregen werd zoals bedoeld in artikel 18 van de wet van 19 mei 2010 houdende oprichting van de Kruispuntbank van de voertuigen.
De Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, de Union des Villes et Communes de Wallonie en Brulocalis kunnen voor hun leden een algemene machtiging vragen tot toegang tot de gegevens van de Kruispuntbank van de voertuigen overeenkomstig artikel 18 van de wet van 19 mei 2010 houdende oprichting van de Kruispuntbank van de voertuigen.]3
[3 § 1/1. De sanctionerend ambtenaar kan de personen bedoeld in artikel 20 en 21, § 1, 1° en 2°, en § 4, verzoeken om bijkomende informatie te verschaffen. Deze bijkomende informatie heeft enkel betrekking op de vastgestelde feiten en/of de geïdentificeerde overtreder met dien verstande dat geen andere persoonsgegevens mogen worden verwerkt dan degene die betrekking hebben op de inbreuk. Het is de sanctionerend ambtenaar niet toegelaten om onderzoeksdaden te stellen.]3
§ 2. Wanneer de sanctionerend ambtenaar beslist dat de administratieve procedure opgestart dient te worden, deelt hij het volgende, per aangetekende brief, mee aan de overtreder :
1° de feiten en hun kwalificatie;
2° dat de overtreder de mogelijkheid heeft om bij aangetekende brief zijn verweermiddelen uiteen te zetten, binnen een termijn van vijftien dagen na de datum van kennisgeving, en dat hij, bij die gelegenheid, het recht heeft om aan de sanctionerend ambtenaar te vragen zijn verweer mondeling uiteen te zetten;
3° dat de overtreder het recht heeft om zich te laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman;
4° dat de overtreder het recht heeft om zijn dossier te raadplegen;
5° een kopie van het proces-verbaal bedoeld in artikel 20 of van de vaststelling opgesteld door de personen bedoeld in artikel 21.
§ 3. De sanctionerend ambtenaar bepaalt de dag waarop de overtreder wordt uitgenodigd om zijn mondeling verweer uiteen te zetten.
§ 4. Indien de sanctionerend ambtenaar van oordeel is dat een administratieve geldboete moet worden opgelegd die niet hoger is dan 70 euro, heeft de [1 meerderjarige]1 overtreder het recht niet om te vragen zijn verweer mondeling uiteen te zetten.
§ 5. [2 Iedere titularis die het ouderlijk gezag heeft over de minderjarige wordt]2 eveneens per aangetekende brief op de hoogte gebracht dat een administratieve procedure geopend wordt. [2 Deze partij heeft]2 dezelfde rechten als de minderjarige.
1° de identificatiegegevens, meer bepaald de naam, voornamen en geboortedatum van de persoon;
2° de hoofdverblijfplaats;
3° het rijksregisternummer;
4° desgevallend de datum van overlijden;
5° de gegevens betreffende de bekwaamheid en de vertegenwoordiging;
6° de gegevens betreffende de voogdij en de afstamming, teneinde de persoon of personen die het ouderlijk gezag heeft of hebben over de minderjarige overtreder te bepalen, alsook de identificatiegegevens en de hoofdverblijfplaats van deze perso(o)n(en).
De persoonsgegevens worden bewaard voor een periode die maximaal gelijk is aan de bewaartermijn van de gegevens in het register overeenkomstig artikel 44.
De sanctionerend ambtenaar heeft, in het kader van de uitoefening van zijn bevoegdheden, toegang tot de hiervoor ter zake dienende gegevens van de Kruispuntbank van de voertuigen, op voorwaarde dat voorafgaand een machtiging verkregen werd zoals bedoeld in artikel 18 van de wet van 19 mei 2010 houdende oprichting van de Kruispuntbank van de voertuigen.
De Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, de Union des Villes et Communes de Wallonie en Brulocalis kunnen voor hun leden een algemene machtiging vragen tot toegang tot de gegevens van de Kruispuntbank van de voertuigen overeenkomstig artikel 18 van de wet van 19 mei 2010 houdende oprichting van de Kruispuntbank van de voertuigen.]3
[3 § 1/1. De sanctionerend ambtenaar kan de personen bedoeld in artikel 20 en 21, § 1, 1° en 2°, en § 4, verzoeken om bijkomende informatie te verschaffen. Deze bijkomende informatie heeft enkel betrekking op de vastgestelde feiten en/of de geïdentificeerde overtreder met dien verstande dat geen andere persoonsgegevens mogen worden verwerkt dan degene die betrekking hebben op de inbreuk. Het is de sanctionerend ambtenaar niet toegelaten om onderzoeksdaden te stellen.]3
§ 2. Wanneer de sanctionerend ambtenaar beslist dat de administratieve procedure opgestart dient te worden, deelt hij het volgende, per aangetekende brief, mee aan de overtreder :
1° de feiten en hun kwalificatie;
2° dat de overtreder de mogelijkheid heeft om bij aangetekende brief zijn verweermiddelen uiteen te zetten, binnen een termijn van vijftien dagen na de datum van kennisgeving, en dat hij, bij die gelegenheid, het recht heeft om aan de sanctionerend ambtenaar te vragen zijn verweer mondeling uiteen te zetten;
3° dat de overtreder het recht heeft om zich te laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman;
4° dat de overtreder het recht heeft om zijn dossier te raadplegen;
5° een kopie van het proces-verbaal bedoeld in artikel 20 of van de vaststelling opgesteld door de personen bedoeld in artikel 21.
§ 3. De sanctionerend ambtenaar bepaalt de dag waarop de overtreder wordt uitgenodigd om zijn mondeling verweer uiteen te zetten.
§ 4. Indien de sanctionerend ambtenaar van oordeel is dat een administratieve geldboete moet worden opgelegd die niet hoger is dan 70 euro, heeft de [1 meerderjarige]1 overtreder het recht niet om te vragen zijn verweer mondeling uiteen te zetten.
§ 5. [2 Iedere titularis die het ouderlijk gezag heeft over de minderjarige wordt]2 eveneens per aangetekende brief op de hoogte gebracht dat een administratieve procedure geopend wordt. [2 Deze partij heeft]2 dezelfde rechten als de minderjarige.
Art. 25. § 1er. [2 Moyennant l'obtention préalable d'une autorisation du ministre qui a l'Intérieur dans ses attributions, le fonctionnaire sanctionnateur, dans le cadre de l'exercice de ses compétences, a accès au Registre national aux données à caractère personnel suivantes du contrevenant:
1° les données d'identification, plus précisément les nom, prénoms et la date de naissance de la personne;
2° le lieu de résidence principale;
3° le numéro du registre national;
4° le cas échéant, la date de décès;
5° les données relatives à la capacité et la représentation;
6° les données relatives à la tutelle et la filiation, afin de déterminer la personne ou les personnes qui a ou ont l'autorité parentale sur le contrevant mineur, ainsi que les données d'identification et le lieu de résidence principal de cette ou ces personne(s).
Les données à caractère personnel sont conservées pendant une période qui au maximum est égale au délai de conservation des données conformément à l'article 44.
Le fonctionnaire sanctionnateur a, dans le cadre de l'exercice de ses compétences, accès aux données pertinentes à cette fin de la Banque-Carrefour des véhicules, moyennant l'obtention préalable d'une autorisation comme mentionnée à l'article 18 de la loi du 19 mai 2010 portant création de la Banque-Carrefour des véhicules.
La Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, l'Union des Villes et Communes de Wallonie et Brulocalis peuvent demander pour leurs membres une autorisation générale d'accès aux données de la Banque-Carrefour des véhicules conformément à l'article 18 de la loi du 19 mai 2010 portant création de la Banque-Carrefour des véhicules.]2
[2 § 1er/1. Le fonctionnaire sanctionnateur peut demander aux personnes visées aux articles 20 et 21, § 1er, 1° et 2°, et § 4, de lui fournir des informations complémentaires. Cette information complémentaire concerne uniquement les faits constatés et/ou le contrevenant identifié étant entendu qu'aucune donnée à caractère personnel autre que celles relatives à l'infraction ne peut être traitée. Il n'est pas permis au fonctionnaire sanctionnateur d'effectuer des actes d'enquête.]2
§ 2. Lorsque le fonctionnaire sanctionnateur décide qu'il y a lieu d'entamer la procédure administrative, il communique au contrevenant par lettre recommandée :
1° les faits et leur qualification;
2° que le contrevenant a la possibilité d'exposer, par lettre recommandée, ses moyens de défense dans un délai de quinze jours à compter du jour de la notification, et qu'il a, à cette occasion, le droit de demander au fonctionnaire sanctionnateur de présenter oralement sa défense;
3° que le contrevenant a le droit de se faire assister ou représenter par un conseil;
4° que le contrevenant a le droit de consulter son dossier;
5° une copie du procès-verbal visé à l'article 20 ou du constat effectué par les personnes visées à l'article 21.
§ 3. Le fonctionnaire sanctionnateur détermine le jour où le contrevenant est invité à exposer oralement sa défense.
§ 4. Si le fonctionnaire sanctionnateur estime qu'une amende administrative n'excédant pas les 70 euros doit être imposée, le contrevenant majeur n'a pas le droit de demander de présenter oralement sa défense.
§ 5. [1 Chaque titulaire qui a l'autorité parentale sur le mineur, est également informé]1 par lettre recommandée de l'ouverture de la procédure administrative. [1 Cette partie dispose]1 des mêmes droits que le mineur.
1° les données d'identification, plus précisément les nom, prénoms et la date de naissance de la personne;
2° le lieu de résidence principale;
3° le numéro du registre national;
4° le cas échéant, la date de décès;
5° les données relatives à la capacité et la représentation;
6° les données relatives à la tutelle et la filiation, afin de déterminer la personne ou les personnes qui a ou ont l'autorité parentale sur le contrevant mineur, ainsi que les données d'identification et le lieu de résidence principal de cette ou ces personne(s).
Les données à caractère personnel sont conservées pendant une période qui au maximum est égale au délai de conservation des données conformément à l'article 44.
Le fonctionnaire sanctionnateur a, dans le cadre de l'exercice de ses compétences, accès aux données pertinentes à cette fin de la Banque-Carrefour des véhicules, moyennant l'obtention préalable d'une autorisation comme mentionnée à l'article 18 de la loi du 19 mai 2010 portant création de la Banque-Carrefour des véhicules.
La Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, l'Union des Villes et Communes de Wallonie et Brulocalis peuvent demander pour leurs membres une autorisation générale d'accès aux données de la Banque-Carrefour des véhicules conformément à l'article 18 de la loi du 19 mai 2010 portant création de la Banque-Carrefour des véhicules.]2
[2 § 1er/1. Le fonctionnaire sanctionnateur peut demander aux personnes visées aux articles 20 et 21, § 1er, 1° et 2°, et § 4, de lui fournir des informations complémentaires. Cette information complémentaire concerne uniquement les faits constatés et/ou le contrevenant identifié étant entendu qu'aucune donnée à caractère personnel autre que celles relatives à l'infraction ne peut être traitée. Il n'est pas permis au fonctionnaire sanctionnateur d'effectuer des actes d'enquête.]2
§ 2. Lorsque le fonctionnaire sanctionnateur décide qu'il y a lieu d'entamer la procédure administrative, il communique au contrevenant par lettre recommandée :
1° les faits et leur qualification;
2° que le contrevenant a la possibilité d'exposer, par lettre recommandée, ses moyens de défense dans un délai de quinze jours à compter du jour de la notification, et qu'il a, à cette occasion, le droit de demander au fonctionnaire sanctionnateur de présenter oralement sa défense;
3° que le contrevenant a le droit de se faire assister ou représenter par un conseil;
4° que le contrevenant a le droit de consulter son dossier;
5° une copie du procès-verbal visé à l'article 20 ou du constat effectué par les personnes visées à l'article 21.
§ 3. Le fonctionnaire sanctionnateur détermine le jour où le contrevenant est invité à exposer oralement sa défense.
§ 4. Si le fonctionnaire sanctionnateur estime qu'une amende administrative n'excédant pas les 70 euros doit être imposée, le contrevenant majeur n'a pas le droit de demander de présenter oralement sa défense.
§ 5. [1 Chaque titulaire qui a l'autorité parentale sur le mineur, est également informé]1 par lettre recommandée de l'ouverture de la procédure administrative. [1 Cette partie dispose]1 des mêmes droits que le mineur.
Art. 26. § 1. De beslissing van de sanctionerend ambtenaar wordt binnen een termijn van zes maanden genomen en wordt ter kennis gebracht van de betrokkenen.
Deze termijn van zes maanden neemt aanvang vanaf de dag van de vaststelling van de feiten door de in de artikelen 20 en 21 bedoelde personen.
§ 2. In afwijking van § 1, wordt de beslissing van de sanctionerend ambtenaar binnen een termijn van twaalf maanden genomen en wordt ter kennis gebracht van de betrokkenen, indien er een gemeenschapsdienst en/of bemiddeling tussenkomt.
Deze termijn van twaalf maanden neemt aanvang vanaf de dag van de vaststelling van de feiten door de in artikelen 20 en 21 bedoelde personen.
[1 Indien in het bemiddelingsakkoord termijnen worden overeengekomen, kan de termijn van twaalf maanden, op verzoek van de bemiddelaar, verlengd worden tot vijftien maanden.]1
§ 3. Na het verstrijken van de in §§ 1 en 2 bedoelde termijnen, kan de sanctionerend ambtenaar geen administratieve geldboete meer opleggen.
Deze termijn van zes maanden neemt aanvang vanaf de dag van de vaststelling van de feiten door de in de artikelen 20 en 21 bedoelde personen.
§ 2. In afwijking van § 1, wordt de beslissing van de sanctionerend ambtenaar binnen een termijn van twaalf maanden genomen en wordt ter kennis gebracht van de betrokkenen, indien er een gemeenschapsdienst en/of bemiddeling tussenkomt.
Deze termijn van twaalf maanden neemt aanvang vanaf de dag van de vaststelling van de feiten door de in artikelen 20 en 21 bedoelde personen.
[1 Indien in het bemiddelingsakkoord termijnen worden overeengekomen, kan de termijn van twaalf maanden, op verzoek van de bemiddelaar, verlengd worden tot vijftien maanden.]1
§ 3. Na het verstrijken van de in §§ 1 en 2 bedoelde termijnen, kan de sanctionerend ambtenaar geen administratieve geldboete meer opleggen.
Art. 26. § 1er. La décision du fonctionnaire sanctionnateur est prise dans un délai de six mois et portée à la connaissance des intéressés.
Ce délai de six mois prend cours à partir du jour de la constatation des faits par les personnes visées aux articles 20 et 21.
§ 2. Par dérogation au § 1er, la décision du fonctionnaire sanctionnateur est prise dans un délai de douze mois et portée à la connaissance des intéressées, lorsqu'intervient une prestation citoyenne et/ou une médiation.
Ce délai de douze mois prend cours à partir du jour de la constatation des faits par les personnes visées aux articles 20 et 21.
[1 Si des délais sont convenus dans l'accord de médiation, le délai de douze mois peut être prolongé, à la demande du médiateur, à quinze mois.]1
§ 3. Après l'expiration des délais visés aux §§ 1er et 2, le fonctionnaire sanctionnateur ne peut plus infliger d'amende administrative.
Ce délai de six mois prend cours à partir du jour de la constatation des faits par les personnes visées aux articles 20 et 21.
§ 2. Par dérogation au § 1er, la décision du fonctionnaire sanctionnateur est prise dans un délai de douze mois et portée à la connaissance des intéressées, lorsqu'intervient une prestation citoyenne et/ou une médiation.
Ce délai de douze mois prend cours à partir du jour de la constatation des faits par les personnes visées aux articles 20 et 21.
[1 Si des délais sont convenus dans l'accord de médiation, le délai de douze mois peut être prolongé, à la demande du médiateur, à quinze mois.]1
§ 3. Après l'expiration des délais visés aux §§ 1er et 2, le fonctionnaire sanctionnateur ne peut plus infliger d'amende administrative.
Wijzigingen
Onderafdeling 2. - Kennisgeving van de beslissing
Sous-section 2. - Notification de la décision
Art. 27. Na het verstrijken van de in artikel 25, § 2, 2°, bedoelde termijn of vóór het verstrijken van deze termijn, wanneer de overtreder te kennen geeft de feiten niet te betwisten of, desgevallend, na mondeling of schriftelijk verweer door de overtreder of zijn raadsman, kan de sanctionerend ambtenaar de administratieve geldboete opleggen.
De sanctionerend ambtenaar brengt zijn beslissing ter kennis van de overtreder per aangetekende brief en, in geval van in artikel 3 bedoelde inbreuken, van de procureur des Konings.
De beslissing van de sanctionerend ambtenaar wordt eveneens per aangetekende brief ter kennis gebracht van de minderjarige en [1 iedere titularis die het ouderlijk gezag heeft over de minderjarige]1.
In de kennisgeving wordt tevens de informatie opgenomen bedoeld in [2 artikelen 5, 12 tot 22 en 34, van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).]2.
De sanctionerend ambtenaar brengt zijn beslissing ter kennis van de overtreder per aangetekende brief en, in geval van in artikel 3 bedoelde inbreuken, van de procureur des Konings.
De beslissing van de sanctionerend ambtenaar wordt eveneens per aangetekende brief ter kennis gebracht van de minderjarige en [1 iedere titularis die het ouderlijk gezag heeft over de minderjarige]1.
In de kennisgeving wordt tevens de informatie opgenomen bedoeld in [2 artikelen 5, 12 tot 22 en 34, van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).]2.
Art. 27. Après l'expiration du délai fixé par l'article 25, § 2, 2°, ou avant l'expiration de ce délai, lorsque le contrevenant signifie ne pas contester les faits ou, le cas échéant, après la défense orale ou écrite de l'affaire par le contrevenant ou son conseil, le fonctionnaire sanctionnateur peut infliger l'amende administrative.
Le fonctionnaire sanctionnateur notifie sa décision au contrevenant par lettre recommandée et, en cas d'infractions visées à l'article 3, au procureur du Roi.
La décision du fonctionnaire sanctionnateur est également notifiée par lettre recommandée, au mineur ainsi qu'à [1 chaque titulaire qui a l'autorité parentale sur le mineur]1.
La notification reprend également les informations visées aux [2 articles 5, 12 à 22 et 34, du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données).]2.
Le fonctionnaire sanctionnateur notifie sa décision au contrevenant par lettre recommandée et, en cas d'infractions visées à l'article 3, au procureur du Roi.
La décision du fonctionnaire sanctionnateur est également notifiée par lettre recommandée, au mineur ainsi qu'à [1 chaque titulaire qui a l'autorité parentale sur le mineur]1.
La notification reprend également les informations visées aux [2 articles 5, 12 à 22 et 34, du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données).]2.
Art. 28. De sanctionerend ambtenaar zendt een kopie van het proces-verbaal of van de vaststelling opgesteld door de personen bedoeld in artikel 21, evenals een kopie van zijn beslissing over aan elke partij die hierbij een rechtmatig belang heeft en die hem voorafgaand een schriftelijk en met redenen omkleed verzoek heeft overgezonden.
[1 Wanneer een bemiddelingsprocedure wordt voorgesteld en geweigerd door de overtreder of wanneer de bemiddelingsprocedure niet tot een resultaat leidt, wordt het slachtoffer door de sanctionerend ambtenaar ingelicht over de mogelijkheden om zijn rechten langs burgerrechtelijke weg te doen gelden.]1
[1 Wanneer een bemiddelingsprocedure wordt voorgesteld en geweigerd door de overtreder of wanneer de bemiddelingsprocedure niet tot een resultaat leidt, wordt het slachtoffer door de sanctionerend ambtenaar ingelicht over de mogelijkheden om zijn rechten langs burgerrechtelijke weg te doen gelden.]1
Art. 28. Le fonctionnaire sanctionnateur transmet une copie du procès-verbal ou du constat dressé par les personnes visées à l'article 21, ainsi qu'une copie de sa décision à toute partie qui a un intérêt légitime et qui lui a adressé au préalable une demande écrite et motivée.
[1 Lorsqu'une procédure de médiation est proposée et refusée par le contrevenant ou que la procédure de médiation n'aboutit pas, la victime est informée par le fonctionnaire sanctionnateur des possibilités de faire valoir ses droits par la voie civile.]1
[1 Lorsqu'une procédure de médiation est proposée et refusée par le contrevenant ou que la procédure de médiation n'aboutit pas, la victime est informée par le fonctionnaire sanctionnateur des possibilités de faire valoir ses droits par la voie civile.]1
Wijzigingen
Onderafdeling 3. - Procedure in geval van inbreuken [1 ...]1 bedoeld in artikel 3, 3° [2 en de artikelen 27.1, 27.2 en 27.3 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg]2
Sous-section 3. - Procédure en cas d'infractions [1 ...]1 visées à l'article 3, 3° [2 et aux articles 27.1, 27.2 et 27.3 de l'arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière et de l'usage de la voie publique]2
Art. 29. § 1. [1 In geval van inbreuken bedoeld in artikel 3, 3°, en inbreuken bedoeld in de artikelen 27.1, 27.2 en 27.3 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg deelt de sanctionerend ambtenaar]1 binnen de vijftien dagen na ontvangst van de vaststelling van de inbreuk, bij gewone zending, aan de overtreder de gegevens mee met betrekking tot de vastgestelde feiten en de begane inbreuk, alsmede het bedrag van de administratieve geldboete.
De administratieve boete wordt betaald door de overtreder binnen dertig dagen na de kennisgeving ervan, tenzij de overtreder binnen deze termijn zijn verweermiddelen bij gewone zending laat geworden aan de sanctionerend ambtenaar. De overtreder kan binnen deze termijn op zijn verzoek worden gehoord wanneer het bedrag van de administratieve geldboete hoger ligt dan 70 euro.
§ 2. Verklaart de sanctionerend ambtenaar de verweermiddelen niet gegrond, dan brengt hij de overtreder hiervan op een met redenen omklede wijze op de hoogte met verwijzing naar de te betalen administratieve geldboete die binnen een nieuwe termijn van dertig dagen na deze kennisgeving moet worden betaald.
§ 3. Wordt de administratieve geldboete niet betaald binnen de eerste termijn van dertig dagen, dan wordt, behoudens in geval van verweermiddelen, een herinnering verstuurd met uitnodiging tot betaling binnen een nieuwe termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van die herinnering.
[1 § 4. De beslissing van de sanctionerend ambtenaar wordt binnen een termijn van zes maanden genomen en ter kennis gebracht van de betrokkenen. Deze termijn van zes maanden neemt aanvang vanaf de dag van de vaststelling van de feiten.]1
De administratieve boete wordt betaald door de overtreder binnen dertig dagen na de kennisgeving ervan, tenzij de overtreder binnen deze termijn zijn verweermiddelen bij gewone zending laat geworden aan de sanctionerend ambtenaar. De overtreder kan binnen deze termijn op zijn verzoek worden gehoord wanneer het bedrag van de administratieve geldboete hoger ligt dan 70 euro.
§ 2. Verklaart de sanctionerend ambtenaar de verweermiddelen niet gegrond, dan brengt hij de overtreder hiervan op een met redenen omklede wijze op de hoogte met verwijzing naar de te betalen administratieve geldboete die binnen een nieuwe termijn van dertig dagen na deze kennisgeving moet worden betaald.
§ 3. Wordt de administratieve geldboete niet betaald binnen de eerste termijn van dertig dagen, dan wordt, behoudens in geval van verweermiddelen, een herinnering verstuurd met uitnodiging tot betaling binnen een nieuwe termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van die herinnering.
[1 § 4. De beslissing van de sanctionerend ambtenaar wordt binnen een termijn van zes maanden genomen en ter kennis gebracht van de betrokkenen. Deze termijn van zes maanden neemt aanvang vanaf de dag van de vaststelling van de feiten.]1
Art. 29. § 1er. [1 En cas d'infractions visées à l'article 3, 3°, et des infractions visées aux articles 27.1, 27.2 et 27.3 de l'arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière et de l'usage de la voie publique, le fonctionnaire sanctionnateur fait part au contrevenant]1, dans les quinze jours à compter de la réception de la constatation de l'infraction, par envoi ordinaire, des données relatives aux faits constatés et à l'infraction commise ainsi que du montant de l'amende administrative.
L'amende administrative est payée par le contrevenant dans les trente jours de la notification de celle-ci, sauf si celui-ci fait connaître par envoi ordinaire, dans ce délai, ses moyens de défense au fonctionnaire sanctionnateur. Le contrevenant peut-être entendu dans ce délai, à sa demande, lorsque le montant de l'amende administrative est supérieur à 70 euros.
§ 2. Si le fonctionnaire sanctionnateur déclare les moyens de défense non fondés, il en informe le contrevenant, de manière motivée, avec renvoi au paiement de l'amende administrative qui doit être payée dans un nouveau délai de trente jours à compter de cette notification.
§ 3. Si l'amende administrative n'est pas payée dans le premier délai de trente jours, excepté en cas de moyens de défense, un rappel est envoyé avec une invitation à payer dans un nouveau délai de trente jours à compter de la notification de ce rappel.
[1 § 4. La décision du fonctionnaire sanctionnateur est prise et portée à la connaissance des intéressés dans un délai de six mois. Ce délai de six mois prend cours à partir du jour de la constatation des faits.]1
L'amende administrative est payée par le contrevenant dans les trente jours de la notification de celle-ci, sauf si celui-ci fait connaître par envoi ordinaire, dans ce délai, ses moyens de défense au fonctionnaire sanctionnateur. Le contrevenant peut-être entendu dans ce délai, à sa demande, lorsque le montant de l'amende administrative est supérieur à 70 euros.
§ 2. Si le fonctionnaire sanctionnateur déclare les moyens de défense non fondés, il en informe le contrevenant, de manière motivée, avec renvoi au paiement de l'amende administrative qui doit être payée dans un nouveau délai de trente jours à compter de cette notification.
§ 3. Si l'amende administrative n'est pas payée dans le premier délai de trente jours, excepté en cas de moyens de défense, un rappel est envoyé avec une invitation à payer dans un nouveau délai de trente jours à compter de la notification de ce rappel.
[1 § 4. La décision du fonctionnaire sanctionnateur est prise et portée à la connaissance des intéressés dans un délai de six mois. Ce délai de six mois prend cours à partir du jour de la constatation des faits.]1
Wijzigingen
Art. 29/1. [1 In afwijking van artikel 4, § 4, kan de sanctionerend ambtenaar voor de inbreuken bedoeld in artikel 3, 3°, in dezelfde beslissing waarin een administratieve geldboete wordt opgelegd, geheel of gedeeltelijk uitstel toekennen voor de tenuitvoerlegging van de betaling van de geldboete.
Het uitstel is enkel mogelijk indien in de referteperiode aan de overtreder in dezelfde gemeente geen andere gemeentelijke administratieve geldboete werd opgelegd voor een inbreuk bedoeld in artikel 3, 3°.
De referteperiode is de periode van één jaar voorafgaand aan de datum waarop de inbreuk gepleegd wordt die achteraf aanleiding geeft tot de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete waarmee de sanctionerend ambtenaar het uitstel toekent.
Het uitstel geldt voor een proefperiode van één jaar. De proefperiode gaat in vanaf de datum van de kennisgeving van de beslissing tot het opleggen van de administratieve geldboete.
Het uitstel moet herroepen worden wanneer gedurende de proefperiode een nieuwe inbreuk wordt gepleegd bedoeld in artikel 3, 3°, en deze nieuwe inbreuk leidt tot een beslissing tot het opleggen van een nieuwe administratieve geldboete.
De herroeping van het uitstel wordt vermeld in dezelfde beslissing waarmee een administratieve geldboete wordt opgelegd voor de nieuwe inbreuk gepleegd gedurende de proefperiode. De administratieve geldboete waarvan de betaling uitvoerbaar wordt door de herroeping van het uitstel, wordt zonder beperking samengevoegd met die welke wordt opgelegd voor de nieuwe inbreuk.]1
Het uitstel is enkel mogelijk indien in de referteperiode aan de overtreder in dezelfde gemeente geen andere gemeentelijke administratieve geldboete werd opgelegd voor een inbreuk bedoeld in artikel 3, 3°.
De referteperiode is de periode van één jaar voorafgaand aan de datum waarop de inbreuk gepleegd wordt die achteraf aanleiding geeft tot de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete waarmee de sanctionerend ambtenaar het uitstel toekent.
Het uitstel geldt voor een proefperiode van één jaar. De proefperiode gaat in vanaf de datum van de kennisgeving van de beslissing tot het opleggen van de administratieve geldboete.
Het uitstel moet herroepen worden wanneer gedurende de proefperiode een nieuwe inbreuk wordt gepleegd bedoeld in artikel 3, 3°, en deze nieuwe inbreuk leidt tot een beslissing tot het opleggen van een nieuwe administratieve geldboete.
De herroeping van het uitstel wordt vermeld in dezelfde beslissing waarmee een administratieve geldboete wordt opgelegd voor de nieuwe inbreuk gepleegd gedurende de proefperiode. De administratieve geldboete waarvan de betaling uitvoerbaar wordt door de herroeping van het uitstel, wordt zonder beperking samengevoegd met die welke wordt opgelegd voor de nieuwe inbreuk.]1
Art.29/1. [1 Par dérogation à l'article 4, § 4, le fonctionnaire sanctionnateur peut, pour les infractions visées à l'article 3, 3°, dans la même décision infligeant une amende administrative, accorder un sursis en tout ou en partie pour l'exécution du paiement de l'amende.
Le sursis est uniquement possible si, durant la période de référence, aucune autre amende administrative communale n'a été infligée dans la même commune au contrevenant pour une infraction visée à l'article 3, 3°.
La période de référence est la période d'un an précédant la date à laquelle l'infraction a été commise, qui a par la suite donné lieu à la décision d'infliger une amende administrative par laquelle le fonctionnaire sanctionnateur a accordé le sursis.
Le sursis vaut pendant un délai d'épreuve d'un an. Le délai d'épreuve commence à courir à partir de la date de la notification de la décision d'infliger une amende administrative.
Le sursis doit être révoqué lorsqu'une nouvelle infraction visée à l'article 3, 3°, est commise durant le délai d'épreuve et que cette nouvelle infraction donne lieu à une décision d'infliger une nouvelle amende administrative.
La révocation du sursis est énoncée dans la même décision que celle par laquelle est infligée l'amende administrative pour la nouvelle infraction commise durant le délai d'épreuve. L'amende administrative dont le paiement devient exécutoire à la suite de la révocation du sursis est cumulée sans limite avec celle infligée du chef de la nouvelle infraction.]1
Le sursis est uniquement possible si, durant la période de référence, aucune autre amende administrative communale n'a été infligée dans la même commune au contrevenant pour une infraction visée à l'article 3, 3°.
La période de référence est la période d'un an précédant la date à laquelle l'infraction a été commise, qui a par la suite donné lieu à la décision d'infliger une amende administrative par laquelle le fonctionnaire sanctionnateur a accordé le sursis.
Le sursis vaut pendant un délai d'épreuve d'un an. Le délai d'épreuve commence à courir à partir de la date de la notification de la décision d'infliger une amende administrative.
Le sursis doit être révoqué lorsqu'une nouvelle infraction visée à l'article 3, 3°, est commise durant le délai d'épreuve et que cette nouvelle infraction donne lieu à une décision d'infliger une nouvelle amende administrative.
La révocation du sursis est énoncée dans la même décision que celle par laquelle est infligée l'amende administrative pour la nouvelle infraction commise durant le délai d'épreuve. L'amende administrative dont le paiement devient exécutoire à la suite de la révocation du sursis est cumulée sans limite avec celle infligée du chef de la nouvelle infraction.]1
Afdeling 4. - Beroep
Section 4. - Recours
Art. 30. De beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete heeft uitvoerbare kracht na het verstrijken van één maand vanaf de dag van de kennisgeving, behoudens wanneer hoger beroep wordt aangetekend overeenkomstig artikel 31.
Art. 30. La décision d'imposer une amende administrative a force exécutoire à l'expiration du délai d'un mois à compter du jour de sa notification, sauf en cas d'appel conformément à l'article 31.
Art. 31. § 1. De gemeente of de overtreder, in geval van een administratieve geldboete, kan een beroep instellen bij geschreven verzoekschrift bij de politierechtbank, volgens de burgerlijke procedure, binnen een maand na kennisgeving van de beslissing.
Wanneer de beslissing van de sanctionerend ambtenaar betrekking heeft op minderjarigen, wordt het beroep ingediend via kosteloos verzoekschrift bij de jeugdrechtbank. In dat geval kan het beroep eveneens worden ingesteld door [1 iedere titularis die het ouderlijk gezag heeft over de minderjarige]1. De jeugdrechtbank blijft bevoegd indien de overtreder meerderjarig is geworden op het moment van de uitspraak.
De politierechtbank of de jeugdrechtbank beslissen in het kader van een tegensprekelijk en openbaar debat, over het beroep ingesteld tegen de administratieve sanctie zoals bedoeld in artikel 4, § 1, 1°. Zij oordelen over de wettelijkheid en de proportionaliteit van de opgelegde geldboete.
Zij kunnen de beslissing van de sanctionerend ambtenaar ofwel bevestigen ofwel herzien.
[2 In geval van in artikel 3, 3°, bedoelde inbreuken heeft de politierechtbank dezelfde bevoegdheden als de sanctionerend ambtenaren wat betreft het uitstel. Alle regels betreffende het uitstel zoals bepaald in artikel 29/1 zijn van toepassing.]2
De jeugdrechtbank kan, wanneer hij gevat wordt door een beroep tegen de administratieve geldboete, in de plaats hiervan een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding opleggen, bepaald bij artikel 37 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. In dit geval is artikel 60 van dezelfde wet van toepassing.
De beslissing van de politierechtbank of van de jeugdrechtbank is niet vatbaar voor hoger beroep.
Wanneer de jeugdrechtbank echter beslist om de administratieve sanctie te vervangen door een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding zoals bedoeld in artikel 37 van de voormelde wet, is zijn beslissing wel vatbaar voor hoger beroep. In dit geval zijn de procedures bedoeld in de voormelde wet van toepassing.
Onverminderd het eerste tot het zevende lid en de voormelde wet van 8 april 1965, zijn de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing op het beroep bij de politierechtbank en de jeugdrechtbank.
§ 2. Wanneer een beroep wordt ingesteld tegen de beslissing van de sanctionerend ambtenaar kan deze laatste of zijn afgevaardigde de gemeente vertegenwoordigen in het kader van de procedure voor de politierechtbank of de jeugdrechtbank.
Wanneer de beslissing van de sanctionerend ambtenaar betrekking heeft op minderjarigen, wordt het beroep ingediend via kosteloos verzoekschrift bij de jeugdrechtbank. In dat geval kan het beroep eveneens worden ingesteld door [1 iedere titularis die het ouderlijk gezag heeft over de minderjarige]1. De jeugdrechtbank blijft bevoegd indien de overtreder meerderjarig is geworden op het moment van de uitspraak.
De politierechtbank of de jeugdrechtbank beslissen in het kader van een tegensprekelijk en openbaar debat, over het beroep ingesteld tegen de administratieve sanctie zoals bedoeld in artikel 4, § 1, 1°. Zij oordelen over de wettelijkheid en de proportionaliteit van de opgelegde geldboete.
Zij kunnen de beslissing van de sanctionerend ambtenaar ofwel bevestigen ofwel herzien.
[2 In geval van in artikel 3, 3°, bedoelde inbreuken heeft de politierechtbank dezelfde bevoegdheden als de sanctionerend ambtenaren wat betreft het uitstel. Alle regels betreffende het uitstel zoals bepaald in artikel 29/1 zijn van toepassing.]2
De jeugdrechtbank kan, wanneer hij gevat wordt door een beroep tegen de administratieve geldboete, in de plaats hiervan een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding opleggen, bepaald bij artikel 37 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. In dit geval is artikel 60 van dezelfde wet van toepassing.
De beslissing van de politierechtbank of van de jeugdrechtbank is niet vatbaar voor hoger beroep.
Wanneer de jeugdrechtbank echter beslist om de administratieve sanctie te vervangen door een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding zoals bedoeld in artikel 37 van de voormelde wet, is zijn beslissing wel vatbaar voor hoger beroep. In dit geval zijn de procedures bedoeld in de voormelde wet van toepassing.
Onverminderd het eerste tot het zevende lid en de voormelde wet van 8 april 1965, zijn de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing op het beroep bij de politierechtbank en de jeugdrechtbank.
§ 2. Wanneer een beroep wordt ingesteld tegen de beslissing van de sanctionerend ambtenaar kan deze laatste of zijn afgevaardigde de gemeente vertegenwoordigen in het kader van de procedure voor de politierechtbank of de jeugdrechtbank.
Art. 31. § 1er. La commune ou le contrevenant, en cas d'amende administrative peut introduire un recours par requête écrite auprès du tribunal de police, selon la procédure civile, dans le mois de la notification de la décision.
Lorsque la décision du fonctionnaire sanctionnateur se rapporte aux mineurs, le recours est introduit par requête gratuite auprès du tribunal de la jeunesse. Dans ce cas, le recours peut également être introduit par [1 chaque titulaire qui a l'autorité parentale sur le mineur]1. Le tribunal de la jeunesse demeure compétent si le contrevenant est devenu majeur au moment où il se prononce.
Le tribunal de police ou le tribunal de la jeunesse, statuent dans le cadre d'un débat contradictoire et public, sur le recours introduit contre la sanction administrative visée l'article 4, § 1er, 1°. Ils jugent de la légalité et de la proportionnalité de l'amende imposée.
Ils peuvent soit confirmer, soit réformer la décision prise par le fonctionnaire sanctionnateur.
[2 En cas d' infractions visées à l'article 3, 3°, le tribunal de police a les mêmes compétences que les fonctionnaires sanctionnateurs en ce qui concerne le sursis. Toutes les règles concernant le sursis telles que prévues par l'article 29/1 sont d'application.]2
Le tribunal de la jeunesse peut, lorsqu'il est saisi d'un recours contre l'amende administrative, substituer à celle-ci une mesure de garde, de préservation ou d'éducation prévue par l'article 37 de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait. Dans ce cas, l'article 60 de la même loi est d'application.
La décision du tribunal de police ou du tribunal de la jeunesse n'est pas susceptible d'appel.
Toutefois, lorsque le tribunal de la jeunesse décide de remplacer la sanction administrative par une mesure de garde, de préservation ou d'éducation visée à l'article 37 de la loi précitée, sa décision est susceptible d'appel. Dans ce cas, les procédures prévues par la loi précitée sont d'application.
Sans préjudice des alinéas 1er à 7 et de la loi précitée du 8 avril 1965, les dispositions du Code judiciaire s'appliquent au recours auprès du tribunal de police et du tribunal de la jeunesse.
§ 2. Lorsqu'un recours est introduit contre la décision du fonctionnaire sanctionnateur, ce dernier ou son délégué peut représenter la commune dans le cadre de la procédure devant le tribunal de police ou le tribunal de la jeunesse.
Lorsque la décision du fonctionnaire sanctionnateur se rapporte aux mineurs, le recours est introduit par requête gratuite auprès du tribunal de la jeunesse. Dans ce cas, le recours peut également être introduit par [1 chaque titulaire qui a l'autorité parentale sur le mineur]1. Le tribunal de la jeunesse demeure compétent si le contrevenant est devenu majeur au moment où il se prononce.
Le tribunal de police ou le tribunal de la jeunesse, statuent dans le cadre d'un débat contradictoire et public, sur le recours introduit contre la sanction administrative visée l'article 4, § 1er, 1°. Ils jugent de la légalité et de la proportionnalité de l'amende imposée.
Ils peuvent soit confirmer, soit réformer la décision prise par le fonctionnaire sanctionnateur.
[2 En cas d' infractions visées à l'article 3, 3°, le tribunal de police a les mêmes compétences que les fonctionnaires sanctionnateurs en ce qui concerne le sursis. Toutes les règles concernant le sursis telles que prévues par l'article 29/1 sont d'application.]2
Le tribunal de la jeunesse peut, lorsqu'il est saisi d'un recours contre l'amende administrative, substituer à celle-ci une mesure de garde, de préservation ou d'éducation prévue par l'article 37 de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait. Dans ce cas, l'article 60 de la même loi est d'application.
La décision du tribunal de police ou du tribunal de la jeunesse n'est pas susceptible d'appel.
Toutefois, lorsque le tribunal de la jeunesse décide de remplacer la sanction administrative par une mesure de garde, de préservation ou d'éducation visée à l'article 37 de la loi précitée, sa décision est susceptible d'appel. Dans ce cas, les procédures prévues par la loi précitée sont d'application.
Sans préjudice des alinéas 1er à 7 et de la loi précitée du 8 avril 1965, les dispositions du Code judiciaire s'appliquent au recours auprès du tribunal de police et du tribunal de la jeunesse.
§ 2. Lorsqu'un recours est introduit contre la décision du fonctionnaire sanctionnateur, ce dernier ou son délégué peut représenter la commune dans le cadre de la procédure devant le tribunal de police ou le tribunal de la jeunesse.
Art. 32. In afwijking van de in de artikelen 30 en 31 bedoelde termijnen kan de beslissing van de sanctionerend ambtenaar om een administratieve geldboete op te leggen in geval van in artikel 3, 3°, bedoelde inbreuken [1 en inbreuken bedoeld in de artikelen 27.1, 27.2 en 27.3 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg]1 gedwongen worden uitgevoerd, indien deze administratieve geldboete niet binnen de termijn bedoeld in artikel 29, § 3, werd betaald, tenzij de overtreder binnen deze termijn een beroep instelt.
Art. 32. Par dérogation aux délais visés aux articles 30 et 31, la décision du fonctionnaire sanctionnateur d'imposer une amende administrative en cas d'infractions visées à l'article 3, 3° [1 t d'infractions visées aux articles 27.1, 27.2 et 27.3 de l'arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière et de l'usage de la voie publique]1, peut être exécutée de manière forcée, si cette amende administrative n'est pas payée dans le délai visé à l'article 29, § 3, à moins que le contrevenant ait introduit un recours dans ce délai.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 4. - Inning van de geldboete
CHAPITRE 4. - Perception de l'amende
Art. 33. De Koning regelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze van inning van de administratieve geldboete.
De administratieve geldboetes worden geïnd ten voordele van de gemeente.
[2 Voor de in artikel 3, 3°, bedoelde inbreuken [3 en de inbreuken bedoeld in de artikelen 27.1, 27.2 en 27.3 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg]3 wordt bij afwezigheid van de bestuurder vermoed dat deze is begaan door de houder van de kentekenplaat van het voertuig. De houder van de kentekenplaat kan dit vermoeden weerleggen door met elk middel te bewijzen dat hij niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten. In dat geval is hij ertoe gehouden de identiteit van de onmiskenbare bestuurder kenbaar te maken binnen dertig dagen na de kennisgeving van de overtreding, behalve wanneer hij diefstal, fraude of overmacht kan bewijzen.]2
[3 ...]3
De administratieve geldboetes worden geïnd ten voordele van de gemeente.
[2 Voor de in artikel 3, 3°, bedoelde inbreuken [3 en de inbreuken bedoeld in de artikelen 27.1, 27.2 en 27.3 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg]3 wordt bij afwezigheid van de bestuurder vermoed dat deze is begaan door de houder van de kentekenplaat van het voertuig. De houder van de kentekenplaat kan dit vermoeden weerleggen door met elk middel te bewijzen dat hij niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten. In dat geval is hij ertoe gehouden de identiteit van de onmiskenbare bestuurder kenbaar te maken binnen dertig dagen na de kennisgeving van de overtreding, behalve wanneer hij diefstal, fraude of overmacht kan bewijzen.]2
[3 ...]3
Art. 33. Le Roi règle, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, la manière de percevoir l'amende administrative.
Les amendes administratives sont perçues au profit de la commune.
[2 Pour les infractions visées à l'article 3, 3° [3 et les infractions visées aux articles 27.1, 27.2 et 27.3 de l'arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière et de l'usage de la voie publique]3, en cas d'absence du conducteur, l'infraction est censée avoir été commise par le titulaire de la plaque d'immatriculation du véhicule. Le titulaire de la plaque d'immatriculation peut renverser cette présomption en prouvant par tout moyen qu'il n'était pas le conducteur au moment des faits. Dans ce cas, il est tenu de communiquer l'identité du conducteur incontestable dans les trente jours de la notification de l'infraction, sauf s'il peut prouver le vol, la fraude ou la force majeure.]2
[3 ...]3
Les amendes administratives sont perçues au profit de la commune.
[2 Pour les infractions visées à l'article 3, 3° [3 et les infractions visées aux articles 27.1, 27.2 et 27.3 de l'arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière et de l'usage de la voie publique]3, en cas d'absence du conducteur, l'infraction est censée avoir été commise par le titulaire de la plaque d'immatriculation du véhicule. Le titulaire de la plaque d'immatriculation peut renverser cette présomption en prouvant par tout moyen qu'il n'était pas le conducteur au moment des faits. Dans ce cas, il est tenu de communiquer l'identité du conducteur incontestable dans les trente jours de la notification de l'infraction, sauf s'il peut prouver le vol, la fraude ou la force majeure.]2
[3 ...]3
HOOFDSTUK 5. Onmiddellijke betaling van de administratieve geldboete
CHAPITRE 5. - Paiement immédiat de l'amende administrative
Art. 34. Dit hoofdstuk is van toepassing op de in de artikelen 2 en 3, 3°, bedoelde feiten gepleegd door een natuurlijk persoon die, noch een woonplaats, noch een vaste verblijfplaats heeft in België.
Art. 34. Le présent chapitre est applicable pour les faits visées aux articles 2 et 3, 3°, commis par une personne physique qui n'a en Belgique ni domicile ni résidence fixe.
Art. 35. Alleen de personeelsleden van het operationele kader van de federale en lokale politie kunnen gebruik maken van de door dit hoofdstuk voorziene onmiddellijke betaling.
Art. 35. Seuls les membres du personnel du cadre opérationnel de la police fédérale et locale peuvent faire usage du paiement immédiat prévu par le présent chapitre.
Art. 36. § 1. De administratieve geldboete kan alleen onmiddellijk worden geïnd mits akkoordbevinding van de overtreder.
§ 2. De overtreder wordt bij het verzoek tot onmiddellijke betaling door de personen bedoeld in artikel 35 op de hoogte gebracht van al zijn rechten
§ 2. De overtreder wordt bij het verzoek tot onmiddellijke betaling door de personen bedoeld in artikel 35 op de hoogte gebracht van al zijn rechten
Art. 36. § 1er. L'amende administrative ne peut être immédiatement perçue qu'avec l'accord du contrevenant.
§ 2. Le contrevenant est informé de l'ensemble de ses droits par les personnes visées à l'article 35, lors de la demande de paiement immédiat.
§ 2. Le contrevenant est informé de l'ensemble de ses droits par les personnes visées à l'article 35, lors de la demande de paiement immédiat.
Art. 37. De inbreuken die slechts het voorwerp kunnen uitmaken van een administratieve sanctie kunnen aanleiding geven tot de onmiddellijke betaling van een maximumbedrag van 25 euro per inbreuk en een maximumbedrag van 100 euro wanneer er meer dan vier inbreuken ten laste van de overtreder werden vastgesteld.
Art. 37. Les infractions qui ne peuvent faire l'objet que d'une sanction administrative peuvent donner lieu au paiement immédiat d'un montant maximum de 25 euros par infraction et d'un montant maximum de 100 euros lorsque plus de quatre infractions ont été constatées à charge du contrevenant.
Art. 38. De in artikel 3, 3°, bedoelde inbreuken kunnen aanleiding geven tot de onmiddellijke betaling van een door de Koning, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, vastgelegd bedrag.
Art. 38. Les infractions visées à l'article 3, 3°, peuvent donner lieu au paiement immédiat d'un montant déterminé par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
Art. 39. De onmiddellijke betaling is uitgesloten :
1° indien de overtreder minder dan 18 jaar oud is of onder het statuut van verlengde minderjarigheid valt of onbekwaam verklaard is;
2° indien één van de inbreuken die bij dezelfde gelegenheid worden vastgesteld geen aanleiding kan geven tot deze procedure.
1° indien de overtreder minder dan 18 jaar oud is of onder het statuut van verlengde minderjarigheid valt of onbekwaam verklaard is;
2° indien één van de inbreuken die bij dezelfde gelegenheid worden vastgesteld geen aanleiding kan geven tot deze procedure.
Art. 39. Le paiement immédiat est exclu :
1° si le contrevenant est âgé de moins de 18 ans ou est déclaré en état de minorité prolongée ou incapable;
2° si l'une des infractions constatées à la même occasion ne peut pas faire l'objet de cette procédure.
1° si le contrevenant est âgé de moins de 18 ans ou est déclaré en état de minorité prolongée ou incapable;
2° si l'une des infractions constatées à la même occasion ne peut pas faire l'objet de cette procédure.
Art. 40. De betaling van de administratieve geldboete gebeurt door middel van een bankkaart of kredietkaart of via overschrijving of in geld.
De bijkomende nadere regels betreffende de onmiddellijke betaling van de administratieve geldboete worden door de Koning bepaald.
De bijkomende nadere regels betreffende de onmiddellijke betaling van de administratieve geldboete worden door de Koning bepaald.
Art. 40. Le paiement de l'amende administrative s'effectue par carte bancaire ou de crédit ou par virement ou en espèces.
Les modalités supplémentaires relatives au paiement immédiat de l'amende administrative sont déterminées par le Roi.
Les modalités supplémentaires relatives au paiement immédiat de l'amende administrative sont déterminées par le Roi.
Art. 41. Het proces-verbaal dat gewag maakt van een onmiddellijke betaling van de administratieve geldboete wordt binnen een termijn van vijftien dagen overgezonden aan de sanctionerend ambtenaar en aan de procureur des Konings, in geval van inbreuken bedoeld in artikel 3, 3°.
Art. 41. Le procès-verbal faisant état d'un paiement immédiat de l'amende administrative est transmis au fonctionnaire sanctionnateur et au procureur du Roi, en cas d'infractions visées à l'article 3, 3°, dans un délai de quinze jours.
Art. 42. § 1er. De onmiddellijke betaling doet de mogelijkheid vervallen om aan de overtreder een administratieve geldboete voor het bedoelde feit op te leggen.
§ 2. De onmiddellijke betaling verhindert de procureur des Konings evenwel niet de artikelen 216bis of 216ter van het Wetboek van Strafvordering toe te passen, noch strafrechtelijke vervolgingen in te zetten. In geval van toepassing van de artikelen 216bis of 216ter van het Wetboek van Strafvordering, wordt het onmiddellijk geïnde bedrag verhaald op het bedrag dat door het openbaar ministerie wordt bepaald en wordt het eventuele overschot terugbetaald.
In geval van veroordeling van de betrokkene, wordt het onmiddellijk geïnde bedrag verhaald op de aan de Staat verschuldigde gerechtskosten en de uitgesproken boete, en wordt het eventuele overschot terugbetaald.
In geval van vrijspraak, wordt het onmiddellijk geïnde bedrag teruggegeven.
In geval van voorwaardelijke veroordeling, wordt het onmiddellijk geïnde bedrag teruggegeven na aftrekking van de gerechtskosten.
In geval van een [1 autonome probatiestraf, een werkstraf of een straf onder elektronisch toezicht]1, wordt het onmiddellijk geïnde bedrag verhaald op de aan de Staat verschuldigde gerechtskosten en wordt het eventuele overschot terugbetaald.
In geval van gewone schuldigverklaring, wordt het onmiddellijk geïnde bedrag verhaald op de aan de Staat verschuldigde gerechtskosten en wordt het eventuele overschot terugbetaald.
§ 2. De onmiddellijke betaling verhindert de procureur des Konings evenwel niet de artikelen 216bis of 216ter van het Wetboek van Strafvordering toe te passen, noch strafrechtelijke vervolgingen in te zetten. In geval van toepassing van de artikelen 216bis of 216ter van het Wetboek van Strafvordering, wordt het onmiddellijk geïnde bedrag verhaald op het bedrag dat door het openbaar ministerie wordt bepaald en wordt het eventuele overschot terugbetaald.
In geval van veroordeling van de betrokkene, wordt het onmiddellijk geïnde bedrag verhaald op de aan de Staat verschuldigde gerechtskosten en de uitgesproken boete, en wordt het eventuele overschot terugbetaald.
In geval van vrijspraak, wordt het onmiddellijk geïnde bedrag teruggegeven.
In geval van voorwaardelijke veroordeling, wordt het onmiddellijk geïnde bedrag teruggegeven na aftrekking van de gerechtskosten.
In geval van een [1 autonome probatiestraf, een werkstraf of een straf onder elektronisch toezicht]1, wordt het onmiddellijk geïnde bedrag verhaald op de aan de Staat verschuldigde gerechtskosten en wordt het eventuele overschot terugbetaald.
In geval van gewone schuldigverklaring, wordt het onmiddellijk geïnde bedrag verhaald op de aan de Staat verschuldigde gerechtskosten en wordt het eventuele overschot terugbetaald.
Art. 42. § 1er. Le paiement immédiat éteint la possibilité d'infliger au contrevenant une amende administrative pour le fait visé.
§ 2. Le paiement immédiat n'empêche cependant pas le procureur du Roi de faire application des articles 216bis ou 216ter du Code d'instruction criminelle, ni d'engager des poursuites pénales. En cas d'application des articles 216bis ou 216ter du Code d'instruction criminelle, le montant immédiatement perçu est imputé sur le montant fixé par le ministère public et l'excédent éventuel est remboursé.
En cas de condamnation de l'intéressé, le montant immédiatement perçu est imputé sur les frais de justice dus à l'Etat et sur l'amende prononcée, et l'excédent éventuel est remboursé.
En cas d'acquittement, le montant immédiatement perçu est restitué.
En cas de condamnation conditionnelle, le montant immédiatement perçu est restitué après déduction des frais de justice.
En cas de [1 peine de probation autonome, de peine de travail, ou de peine de surveillance électronique]1, le montant immédiatement perçu est imputé sur les frais de justice dus à l'Etat et l'excédent éventuel est remboursé.
En cas de simple déclaration de culpabilité, le montant immédiatement perçu est imputé sur les frais de justice dus à l'Etat et l'excédent éventuel est remboursé.
§ 2. Le paiement immédiat n'empêche cependant pas le procureur du Roi de faire application des articles 216bis ou 216ter du Code d'instruction criminelle, ni d'engager des poursuites pénales. En cas d'application des articles 216bis ou 216ter du Code d'instruction criminelle, le montant immédiatement perçu est imputé sur le montant fixé par le ministère public et l'excédent éventuel est remboursé.
En cas de condamnation de l'intéressé, le montant immédiatement perçu est imputé sur les frais de justice dus à l'Etat et sur l'amende prononcée, et l'excédent éventuel est remboursé.
En cas d'acquittement, le montant immédiatement perçu est restitué.
En cas de condamnation conditionnelle, le montant immédiatement perçu est restitué après déduction des frais de justice.
En cas de [1 peine de probation autonome, de peine de travail, ou de peine de surveillance électronique]1, le montant immédiatement perçu est imputé sur les frais de justice dus à l'Etat et l'excédent éventuel est remboursé.
En cas de simple déclaration de culpabilité, le montant immédiatement perçu est imputé sur les frais de justice dus à l'Etat et l'excédent éventuel est remboursé.
HOOFDSTUK 6. - Verjaring van de administratieve geldboetes
CHAPITRE 6. - Prescription des amendes administratives
Art. 43. De administratieve geldboetes verjaren na vijf jaar, te rekenen vanaf de datum waarop ze betaald moeten worden.
Die termijn kan gestuit worden, hetzij zoals voorzien bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, hetzij door een afstand van de verkregen verjaring. Indien de verjaring gestuit wordt, is een nieuwe verjaring die op dezelfde manier gestuit kan worden, vaststaand vijf jaar na de laatste stuitingsakte van de voorgaande verjaring indien er geen aanleg voor de rechtbank heeft plaatsgevonden.
Die termijn kan gestuit worden, hetzij zoals voorzien bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, hetzij door een afstand van de verkregen verjaring. Indien de verjaring gestuit wordt, is een nieuwe verjaring die op dezelfde manier gestuit kan worden, vaststaand vijf jaar na de laatste stuitingsakte van de voorgaande verjaring indien er geen aanleg voor de rechtbank heeft plaatsgevonden.
Art. 43. Les amendes administratives se prescrivent par cinq ans à compter de la date à laquelle elles doivent être payées.
Ce délai peut être interrompu soit tel que prévu par les articles 2244 et suivants du Code civil, soit par une renonciation de la prescription acquise. En cas d'interruption de la prescription, une nouvelle prescription susceptible d'être interrompue de la même manière, est acquise cinq ans après le dernier acte interruptif de la précédente prescription s'il n'y a instance en justice.
Ce délai peut être interrompu soit tel que prévu par les articles 2244 et suivants du Code civil, soit par une renonciation de la prescription acquise. En cas d'interruption de la prescription, une nouvelle prescription susceptible d'être interrompue de la même manière, est acquise cinq ans après le dernier acte interruptif de la précédente prescription s'il n'y a instance en justice.
HOOFDSTUK 7. Register van de gemeentelijke administratieve sancties
CHAPITRE 7. Registre des sanctions administratives communales
Art. 44. § 1. Elke gemeente houdt één enkel bestand bij van de natuurlijke personen of rechtspersonen die, op basis van het algemeen politiereglement, het voorwerp hebben uitgemaakt van een administratieve sanctie of een in artikel 4, § 2, bedoelde alternatieve maatregel. De gemeente is verantwoordelijk voor de verwerking van dit bestand.
Dit bestand is bedoeld om het beheer van de administratieve sancties en de in artikel 4, § 2, bedoelde alternatieve maatregelen te verzekeren.
Meerdere gemeenten kunnen beslissen om samen één enkel register bij te houden van de gemeentelijke administratieve sancties, op basis van hun algemene politiereglementen. In dat geval moeten zij, na overleg, de [2 verwerkingsverantwoordelijke]2 bepalen.
§ 2. Dit bestand bevat de volgende persoonsgegevens en informatiegegevens :
1° de naam, voornamen, geboortedatum en verblijfplaats van de personen die het voorwerp uitmaken van gemeentelijke administratieve sancties of van de in artikel 4, § 2, bedoelde alternatieve maatregelen. In het geval van een minderjarige, de namen, voornamen, geboortedatum en de verblijfplaats van [1 iedere titularis die het ouderlijk gezag heeft over de minderjarige]1;
2° de aard van de gepleegde feiten;
3° de aard van de sanctie en de dag waarop deze werd opgelegd;
4° in voorkomend geval, de informatie overgezonden door de procureur des Konings in het kader van de in artikel 3 bedoelde inbreuken;
5° de sancties waartegen geen beroep meer ingesteld kan worden.
De in het eerste lid bedoelde gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard, te rekenen vanaf de datum waarop de sanctie werd opgelegd of de alternatieve maatregel werd voorgesteld. Eens deze termijn verstreken is, worden zij hetzij vernietigd, hetzij geanonimiseerd.
§ 3. De sanctionerend ambtenaar heeft toegang tot de in § 2 bedoelde persoonsgegevens en informatiegegevens. [2 De gemeente kan onder zijn verantwoordelijkheid aan de schriftelijk bij naam aangewezen personen die belast zijn met de invoering van de gegevens in het register, een recht van toegang verlenen tot alle of een deel van de gegevens bedoeld in paragraaf 2, hetzij voor alleen lezen, hetzij voor lezen en schrijven. Dit toegangsrecht moet met redenen omkleed zijn en verantwoord zijn door de noodwendigheden van de dienst. Deze personen hebben, in het kader van hun functies, toegang tot het register van de gemeentelijke administratieve sancties. De lijst van de personen die alzo toegang hebben tot het register van de gemeentelijke administratieve sancties wordt door de verwerkingsverantwoordelijke ter beschikking gehouden van de Gegevensbeschermingsautoriteit. De verwerkingsverantwoordelijke zorgt ervoor dat de aangewezen personen door een wettelijke of statutaire verplichting, of door een evenwaardige contractuele bepaling ertoe gehouden zijn het vertrouwelijk karakter van de betrokken gegevens in acht te nemen.]2
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van [2 de Gegevensbeschermingsautoriteit]2, de andere bijzondere voorwaarden met betrekking tot de verwerking van de persoonsgegevens die vermeld worden in het register van de gemeentelijke administratieve sancties.
[2 § 4. De verwerkingsverantwoordelijke deelt op aanvraag de persoonsgegevens die opgenomen zijn in het register van de gemeentelijke administratieve sancties, mee aan:
1° de politiediensten, in het kader van hun opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie zoals bepaald in de artikelen 14 en 15 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
2° het openbaar ministerie, in het kader van zijn opdrachten zoals bepaald bij de artikelen 22 en 28ter, § 1, van het Wetboek van strafvordering.
Deze informatie mag enkel meegedeeld worden aan de personen bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, voor zover de kennisname van die gegevens vereist is in het kader van hun opdrachten overeenkomstig de regelgeving die op hen van toepassing is.
§ 5. Onverminderd de in paragraaf 3 opgesomde maatregelen, zijn bij het verwerken van persoonsgegevens de volgende technische en organisatorische veiligheidsmaatregelen inzake de bescherming van de gegevens van toepassing:
1° in het beleid dat hij of zij voert ter bescherming van de persoonsgegevens geeft de verwerkingsverantwoordelijke aan welke acties ondernomen moeten worden om de verwerking van deze categorieën van persoonsgegevens te beschermen;
2° er wordt een logbestand aangelegd waarin minstens volgende handeling worden opgenomen: de verzameling, de wijziging, de raadpleging, de bekendmaking, met inbegrip van de doorgiften, de combinatie en de wissing.
De logbestanden worden gebruikt om vast te stellen:
a) de reden, de datum en het tijdstip van deze verwerkingen;
b) de categorieën van personen die de persoonsgegevens hebben geraadpleegd en de identiteit van de persoon die de persoonsgegevens heeft geraadpleegd;
c) uit welke bronnen de gegevens zijn opgehaald;
d) de categorieën van de ontvangers van de persoonsgegevens en, indien mogelijk, de identiteit van de ontvangers van die gegevens.
De bewaartermijn van de in het eerste lid, 2°, bedoelde logbestanden is maximaal vijf jaar, te rekenen vanaf de laatst uitgevoerde handeling in het register. Gepaste maatregelen worden getroffen om de veiligheid van de logbestanden te verzekeren, in het bijzonder om elke niet-toegelaten verwerking te voorkomen en de integriteit van de verwerkte gegevens te verzekeren.]2
Dit bestand is bedoeld om het beheer van de administratieve sancties en de in artikel 4, § 2, bedoelde alternatieve maatregelen te verzekeren.
Meerdere gemeenten kunnen beslissen om samen één enkel register bij te houden van de gemeentelijke administratieve sancties, op basis van hun algemene politiereglementen. In dat geval moeten zij, na overleg, de [2 verwerkingsverantwoordelijke]2 bepalen.
§ 2. Dit bestand bevat de volgende persoonsgegevens en informatiegegevens :
1° de naam, voornamen, geboortedatum en verblijfplaats van de personen die het voorwerp uitmaken van gemeentelijke administratieve sancties of van de in artikel 4, § 2, bedoelde alternatieve maatregelen. In het geval van een minderjarige, de namen, voornamen, geboortedatum en de verblijfplaats van [1 iedere titularis die het ouderlijk gezag heeft over de minderjarige]1;
2° de aard van de gepleegde feiten;
3° de aard van de sanctie en de dag waarop deze werd opgelegd;
4° in voorkomend geval, de informatie overgezonden door de procureur des Konings in het kader van de in artikel 3 bedoelde inbreuken;
5° de sancties waartegen geen beroep meer ingesteld kan worden.
De in het eerste lid bedoelde gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard, te rekenen vanaf de datum waarop de sanctie werd opgelegd of de alternatieve maatregel werd voorgesteld. Eens deze termijn verstreken is, worden zij hetzij vernietigd, hetzij geanonimiseerd.
§ 3. De sanctionerend ambtenaar heeft toegang tot de in § 2 bedoelde persoonsgegevens en informatiegegevens. [2 De gemeente kan onder zijn verantwoordelijkheid aan de schriftelijk bij naam aangewezen personen die belast zijn met de invoering van de gegevens in het register, een recht van toegang verlenen tot alle of een deel van de gegevens bedoeld in paragraaf 2, hetzij voor alleen lezen, hetzij voor lezen en schrijven. Dit toegangsrecht moet met redenen omkleed zijn en verantwoord zijn door de noodwendigheden van de dienst. Deze personen hebben, in het kader van hun functies, toegang tot het register van de gemeentelijke administratieve sancties. De lijst van de personen die alzo toegang hebben tot het register van de gemeentelijke administratieve sancties wordt door de verwerkingsverantwoordelijke ter beschikking gehouden van de Gegevensbeschermingsautoriteit. De verwerkingsverantwoordelijke zorgt ervoor dat de aangewezen personen door een wettelijke of statutaire verplichting, of door een evenwaardige contractuele bepaling ertoe gehouden zijn het vertrouwelijk karakter van de betrokken gegevens in acht te nemen.]2
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van [2 de Gegevensbeschermingsautoriteit]2, de andere bijzondere voorwaarden met betrekking tot de verwerking van de persoonsgegevens die vermeld worden in het register van de gemeentelijke administratieve sancties.
[2 § 4. De verwerkingsverantwoordelijke deelt op aanvraag de persoonsgegevens die opgenomen zijn in het register van de gemeentelijke administratieve sancties, mee aan:
1° de politiediensten, in het kader van hun opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie zoals bepaald in de artikelen 14 en 15 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
2° het openbaar ministerie, in het kader van zijn opdrachten zoals bepaald bij de artikelen 22 en 28ter, § 1, van het Wetboek van strafvordering.
Deze informatie mag enkel meegedeeld worden aan de personen bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, voor zover de kennisname van die gegevens vereist is in het kader van hun opdrachten overeenkomstig de regelgeving die op hen van toepassing is.
§ 5. Onverminderd de in paragraaf 3 opgesomde maatregelen, zijn bij het verwerken van persoonsgegevens de volgende technische en organisatorische veiligheidsmaatregelen inzake de bescherming van de gegevens van toepassing:
1° in het beleid dat hij of zij voert ter bescherming van de persoonsgegevens geeft de verwerkingsverantwoordelijke aan welke acties ondernomen moeten worden om de verwerking van deze categorieën van persoonsgegevens te beschermen;
2° er wordt een logbestand aangelegd waarin minstens volgende handeling worden opgenomen: de verzameling, de wijziging, de raadpleging, de bekendmaking, met inbegrip van de doorgiften, de combinatie en de wissing.
De logbestanden worden gebruikt om vast te stellen:
a) de reden, de datum en het tijdstip van deze verwerkingen;
b) de categorieën van personen die de persoonsgegevens hebben geraadpleegd en de identiteit van de persoon die de persoonsgegevens heeft geraadpleegd;
c) uit welke bronnen de gegevens zijn opgehaald;
d) de categorieën van de ontvangers van de persoonsgegevens en, indien mogelijk, de identiteit van de ontvangers van die gegevens.
De bewaartermijn van de in het eerste lid, 2°, bedoelde logbestanden is maximaal vijf jaar, te rekenen vanaf de laatst uitgevoerde handeling in het register. Gepaste maatregelen worden getroffen om de veiligheid van de logbestanden te verzekeren, in het bijzonder om elke niet-toegelaten verwerking te voorkomen en de integriteit van de verwerkte gegevens te verzekeren.]2
Art. 44. § 1er. Chaque commune tient un seul fichier des personnes physiques ou morales qui ont fait l'objet d'une sanction administrative ou d'une mesure alternative visée à l'article 4, § 2, sur la base du règlement général de police. La commune est responsable du traitement de ce fichier.
Ce fichier vise à assurer la gestion des sanctions administratives et des mesures alternatives visées à l'article 4, § 2.
Plusieurs communes peuvent décider de tenir ensemble un seul registre des sanctions administratives communales, sur la base de leurs règlements généraux de police. Dans ce cas, elles doivent déterminer, après concertation, le responsable de traitement.
§ 2. Ce fichier contient les données à caractère personnel et les informations suivantes :
1° les nom, prénoms, date de naissance, et la résidence des personnes qui font l'objet de sanctions administratives communales ou des mesures alternatives visées à l'article 4, § 2. S'il s'agit d'un mineur, les noms, prénoms, date de naissance, et la résidence [1 de chaque titulaire qui a l'autorité parentale sur le mineur]1;
2° la nature des faits commis;
3° la nature de la sanction, ainsi que le jour où elle a été infligée;
4° le cas échéant, les informations transmises par le procureur du Roi compétent dans le cadre des infractions visées à l'article 3;
5° les sanctions qui ne sont plus susceptibles de recours.
Les données visées à l'alinéa 1ersont conservées pendant cinq ans, à compter du jour où la sanction a été infligée ou la mesure alternative a été proposée. Passé ce délai, elles sont soit détruites, soit anonymisées.
§ 3. Le fonctionnaire sanctionnateur a accès aux données à caractère personnel et aux informations visées au § 2. [2 La commune peut, sous sa responsabilité, octroyer aux personnes, nommément désignées par écrit et chargées de l'insertion des données dans le registre, un droit d'accès à tout ou partie des données visées au paragraphe 2, soit en lecture seule soit en lecture et en écriture. Ce droit d'accès doit être motivé et justifié par les nécessités du service. Dans le cadre de leur fonction, ces personnes ont accès au registre des sanctions administratives communales. La liste des personnes qui ont ainsi accès au registre des sanctions administratives communales est tenue par le responsable du traitement à disposition de l'Autorité de protection des données. Le responsable du traitement veille à ce que les personnes désignées soient tenues par une obligation légale ou statutaire, ou par une disposition contractuelle équivalente, au respect du caractère confidentiel des données concernées.]2
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, après avis de [2 l'Autorité de protection des données]2, les autres conditions particulières relatives au traitement des données à caractère personnel figurant dans le registre des sanctions administratives communales.
[2 § 4. Sur demande, le responsable du traitement communique les données à caractère personnel qui figurent dans le registre des sanctions administratives communales:
1° aux services de police, dans le cadre de leurs missions de police administrative ou judiciaire, telles que définies aux articles 14 et 15 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police;
2° au ministère public, dans le cadre de ses missions telles que définies aux articles 22 et 28ter, § 1er, du Code d'instruction criminelle.
Ces informations ne peuvent être communiquées aux personnes visées à l'alinéa 1er, 1° et 2°, que dans la mesure où la connaissance de ces données est requise dans le cadre de leurs missions conformément à la réglementation qui leur est applicable.
§ 5. Sans préjudice des mesures énumérées au paragraphe 3, les mesures de sécurité techniques et organisationnelles suivantes concernant la protection des données sont d'application lors du traitement de données à caractère personnel:
1° dans la politique qu'il ou elle mène en vue de la protection des données à caractère personnel, le responsable du traitement indique les actions à prendre pour protéger le traitement de ces catégories de données à caractère personnel;
2° il est constitué un fichier de journalisation reprenant au moins les actes suivants: la collecte, la modification, la consultation, la communication, en ce compris les transferts, l'interconnexion et l'effacement.
Les fichiers de journalisation sont utilisés pour déterminer:
a) la raison, la date et l'heure de ces traitements;
b) les catégories de personnes qui ont consulté les données à caractère personnel et l'identité de la personne qui a consulté les données à caractère personnel;
c) les sources d'où proviennent les données;
d) les catégories de destinataires de données à caractère personnel et, si possible, l'identité des destinataires de ces données.
Le délai de conservation des fichiers de journalisation visés à l'alinéa 1er, 2°, est de cinq ans maximum, à compter du dernier traitement effectué dans le registre. Des mesures appropriées sont prises pour assurer la sécurité des fichiers de journalisation, en particulier afin d'éviter tout traitement non autorisé et de veiller à l'intégrité des données traitées.]2
Ce fichier vise à assurer la gestion des sanctions administratives et des mesures alternatives visées à l'article 4, § 2.
Plusieurs communes peuvent décider de tenir ensemble un seul registre des sanctions administratives communales, sur la base de leurs règlements généraux de police. Dans ce cas, elles doivent déterminer, après concertation, le responsable de traitement.
§ 2. Ce fichier contient les données à caractère personnel et les informations suivantes :
1° les nom, prénoms, date de naissance, et la résidence des personnes qui font l'objet de sanctions administratives communales ou des mesures alternatives visées à l'article 4, § 2. S'il s'agit d'un mineur, les noms, prénoms, date de naissance, et la résidence [1 de chaque titulaire qui a l'autorité parentale sur le mineur]1;
2° la nature des faits commis;
3° la nature de la sanction, ainsi que le jour où elle a été infligée;
4° le cas échéant, les informations transmises par le procureur du Roi compétent dans le cadre des infractions visées à l'article 3;
5° les sanctions qui ne sont plus susceptibles de recours.
Les données visées à l'alinéa 1ersont conservées pendant cinq ans, à compter du jour où la sanction a été infligée ou la mesure alternative a été proposée. Passé ce délai, elles sont soit détruites, soit anonymisées.
§ 3. Le fonctionnaire sanctionnateur a accès aux données à caractère personnel et aux informations visées au § 2. [2 La commune peut, sous sa responsabilité, octroyer aux personnes, nommément désignées par écrit et chargées de l'insertion des données dans le registre, un droit d'accès à tout ou partie des données visées au paragraphe 2, soit en lecture seule soit en lecture et en écriture. Ce droit d'accès doit être motivé et justifié par les nécessités du service. Dans le cadre de leur fonction, ces personnes ont accès au registre des sanctions administratives communales. La liste des personnes qui ont ainsi accès au registre des sanctions administratives communales est tenue par le responsable du traitement à disposition de l'Autorité de protection des données. Le responsable du traitement veille à ce que les personnes désignées soient tenues par une obligation légale ou statutaire, ou par une disposition contractuelle équivalente, au respect du caractère confidentiel des données concernées.]2
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, après avis de [2 l'Autorité de protection des données]2, les autres conditions particulières relatives au traitement des données à caractère personnel figurant dans le registre des sanctions administratives communales.
[2 § 4. Sur demande, le responsable du traitement communique les données à caractère personnel qui figurent dans le registre des sanctions administratives communales:
1° aux services de police, dans le cadre de leurs missions de police administrative ou judiciaire, telles que définies aux articles 14 et 15 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police;
2° au ministère public, dans le cadre de ses missions telles que définies aux articles 22 et 28ter, § 1er, du Code d'instruction criminelle.
Ces informations ne peuvent être communiquées aux personnes visées à l'alinéa 1er, 1° et 2°, que dans la mesure où la connaissance de ces données est requise dans le cadre de leurs missions conformément à la réglementation qui leur est applicable.
§ 5. Sans préjudice des mesures énumérées au paragraphe 3, les mesures de sécurité techniques et organisationnelles suivantes concernant la protection des données sont d'application lors du traitement de données à caractère personnel:
1° dans la politique qu'il ou elle mène en vue de la protection des données à caractère personnel, le responsable du traitement indique les actions à prendre pour protéger le traitement de ces catégories de données à caractère personnel;
2° il est constitué un fichier de journalisation reprenant au moins les actes suivants: la collecte, la modification, la consultation, la communication, en ce compris les transferts, l'interconnexion et l'effacement.
Les fichiers de journalisation sont utilisés pour déterminer:
a) la raison, la date et l'heure de ces traitements;
b) les catégories de personnes qui ont consulté les données à caractère personnel et l'identité de la personne qui a consulté les données à caractère personnel;
c) les sources d'où proviennent les données;
d) les catégories de destinataires de données à caractère personnel et, si possible, l'identité des destinataires de ces données.
Le délai de conservation des fichiers de journalisation visés à l'alinéa 1er, 2°, est de cinq ans maximum, à compter du dernier traitement effectué dans le registre. Des mesures appropriées sont prises pour assurer la sécurité des fichiers de journalisation, en particulier afin d'éviter tout traitement non autorisé et de veiller à l'intégrité des données traitées.]2
HOOFDSTUK 8. - Schorsing, [1 opheffing]1 en sluiting
CHAPITRE 8. - Suspension, [1 abrogation]1 et fermeture
Art. 45. De schorsing, de [1 opheffing]1 en de sluiting, bedoeld in artikel 4, § 1, 2° tot 4°, worden opgelegd door het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege.
Zij kunnen slechts worden opgelegd nadat de overtreder een voorafgaande verwittiging heeft gekregen. Deze verwittiging bevat een uittreksel van het overtreden reglement of van de overtreden verordening.
De gemeenteraad bepaalt de manier waarop deze sancties ter kennis van de overtreder worden gebracht.
Zij kunnen slechts worden opgelegd nadat de overtreder een voorafgaande verwittiging heeft gekregen. Deze verwittiging bevat een uittreksel van het overtreden reglement of van de overtreden verordening.
De gemeenteraad bepaalt de manier waarop deze sancties ter kennis van de overtreder worden gebracht.
Art. 45. [1 La suspension, l'abrogation et la fermeture, visées à l'article 4, § 1er, 2° à 4°, sont imposées]1 par le collège des bourgmestre et échevins ou le collège communal.
Elles ne peuvent être imposées qu'après que le contrevenant ait reçu un avertissement préalable. Cet avertissement comprend un extrait du règlement ou de l'ordonnance transgressé.
Le conseil communal établit la manière dont ces sanctions sont notifiées au contrevenant.
Elles ne peuvent être imposées qu'après que le contrevenant ait reçu un avertissement préalable. Cet avertissement comprend un extrait du règlement ou de l'ordonnance transgressé.
Le conseil communal établit la manière dont ces sanctions sont notifiées au contrevenant.
Wijzigingen
TITEL III. - Wijzigings- en opheffingsbepalingen
TITRE III. - Dispositions modificatives et abrogatoires
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions modificatives
Afdeling 1. - Wijzigingen van de Nieuwe gemeentewet
Section 1re. - Modifications de la Nouvelle loi communale
Art. 46. Artikel 119bis van de Nieuwe gemeentewet, ingevoegd bij de wet van 13 mei 1999 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 1 juni 2011, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 119bis. De gemeenteraad kan gemeentelijke administratieve straffen en sancties opleggen overeenkomstig de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties. ".
" Art. 119bis. De gemeenteraad kan gemeentelijke administratieve straffen en sancties opleggen overeenkomstig de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties. ".
Art. 46. L'article 119bis de la Nouvelle loi communale, inséré par la loi du 13 mai 1999 et modifié en dernier lieu par la loi du 1er juin 2011, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 119bis. Le conseil communal peut établir des peines et des sanctions administratives communales conformément à la loi du 24 juin 2013 relative aux sanctions administratives communales. ".
" Art. 119bis. Le conseil communal peut établir des peines et des sanctions administratives communales conformément à la loi du 24 juin 2013 relative aux sanctions administratives communales. ".
Art. 47. In dezelfde wet wordt een artikel 134sexies ingevoegd, luidende :
" Art. 134sexies. § 1. De burgemeester kan, in geval van verstoring van de openbare orde veroorzaakt door individuele of collectieve gedragingen, of in geval van herhaaldelijke inbreuken op de reglementen en verordeningen van de gemeenteraad gepleegd op eenzelfde plaats of ter gelegenheid van gelijkaardige gebeurtenissen en die een verstoring van de openbare orde of een overlast met zich meebrengen, beslissen over te gaan tot een tijdelijk plaatsverbod van een maand, tweemaal hernieuwbaar, jegens de dader of de daders van deze gedragingen.
§ 2. Onder " tijdelijk plaatsverbod " wordt verstaan het verbod binnen te treden in een of meerdere duidelijke perimeters van plaatsen die als toegankelijk voor het publiek worden bepaald, gelegen binnen een gemeente, zonder evenwel het geheel van het grondgebied te beslaan. Worden beschouwd als plaats die toegankelijk is voor het publiek elke plaats die gelegen is in de gemeente die niet enkel toegankelijk is voor de beheerder van de plaats, voor degene die er werkt of voor degenen die er individueel worden uitgenodigd, met uitzondering van de woonplaats, de plaats van het werk of de plaats van de onderwijs- of opleidingsinstelling van de overtreder.
§ 3. De in § 1 bedoelde beslissing moet aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° met redenen omkleed zijn op basis van de hinder die verband houdt met de openbare orde;
2° bevestigd worden door het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege, bij de eerstvolgende vergadering, na de dader of de daders van die gedragingen of hun raadsman te hebben gehoord en nadat hij de mogelijkheid heeft gehad ter gelegenheid hiervan zijn verdedigingsmiddelen schriftelijk of mondeling te doen gelden, behalve indien hij, na te zijn uitgenodigd via een aangetekende brief, zich niet heeft gemeld en geen geldige motieven naar voren gebracht heeft voor zijn afwezigheid of zijn verhindering.
§ 4. De beslissing kan worden genomen, ofwel na een door de burgemeester betekende schriftelijke verwittiging die de dader of de daders van die gedragingen op de hoogte brengt van het feit dat een nieuwe inbreuk op een identieke plaats of ter gelegenheid van gelijkaardige gebeurtenissen aanleiding zal kunnen geven tot een plaatsverbod, ofwel, met het oog op de ordehandhaving, zonder verwittiging.
§ 5. In geval van niet-naleving van het tijdelijk plaatsverbod, kan de dader of kunnen de daders van die gedragingen gestraft worden met een administratieve geldboete zoals voorzien door de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties. ".
" Art. 134sexies. § 1. De burgemeester kan, in geval van verstoring van de openbare orde veroorzaakt door individuele of collectieve gedragingen, of in geval van herhaaldelijke inbreuken op de reglementen en verordeningen van de gemeenteraad gepleegd op eenzelfde plaats of ter gelegenheid van gelijkaardige gebeurtenissen en die een verstoring van de openbare orde of een overlast met zich meebrengen, beslissen over te gaan tot een tijdelijk plaatsverbod van een maand, tweemaal hernieuwbaar, jegens de dader of de daders van deze gedragingen.
§ 2. Onder " tijdelijk plaatsverbod " wordt verstaan het verbod binnen te treden in een of meerdere duidelijke perimeters van plaatsen die als toegankelijk voor het publiek worden bepaald, gelegen binnen een gemeente, zonder evenwel het geheel van het grondgebied te beslaan. Worden beschouwd als plaats die toegankelijk is voor het publiek elke plaats die gelegen is in de gemeente die niet enkel toegankelijk is voor de beheerder van de plaats, voor degene die er werkt of voor degenen die er individueel worden uitgenodigd, met uitzondering van de woonplaats, de plaats van het werk of de plaats van de onderwijs- of opleidingsinstelling van de overtreder.
§ 3. De in § 1 bedoelde beslissing moet aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° met redenen omkleed zijn op basis van de hinder die verband houdt met de openbare orde;
2° bevestigd worden door het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege, bij de eerstvolgende vergadering, na de dader of de daders van die gedragingen of hun raadsman te hebben gehoord en nadat hij de mogelijkheid heeft gehad ter gelegenheid hiervan zijn verdedigingsmiddelen schriftelijk of mondeling te doen gelden, behalve indien hij, na te zijn uitgenodigd via een aangetekende brief, zich niet heeft gemeld en geen geldige motieven naar voren gebracht heeft voor zijn afwezigheid of zijn verhindering.
§ 4. De beslissing kan worden genomen, ofwel na een door de burgemeester betekende schriftelijke verwittiging die de dader of de daders van die gedragingen op de hoogte brengt van het feit dat een nieuwe inbreuk op een identieke plaats of ter gelegenheid van gelijkaardige gebeurtenissen aanleiding zal kunnen geven tot een plaatsverbod, ofwel, met het oog op de ordehandhaving, zonder verwittiging.
§ 5. In geval van niet-naleving van het tijdelijk plaatsverbod, kan de dader of kunnen de daders van die gedragingen gestraft worden met een administratieve geldboete zoals voorzien door de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties. ".
Art. 47. Dans la même loi, il est inséré un article 134sexies rédigé comme il suit :
" Art. 134sexies. § 1er. Le bourgmestre peut, en cas de trouble à l'ordre public causé par des comportements individuels ou collectifs, ou en cas d'infractions répétées aux règlements et ordonnances du conseil communal commises dans un même lieu ou à l'occasion d'évènements semblables, et impliquant un trouble de l'ordre public ou une incivilité, décider d'une interdiction temporaire de lieu d'un mois, renouvelable deux fois, à l'égard du ou des auteurs de ces comportements.
§ 2. Par " interdiction temporaire de lieu ", on entend l'interdiction de pénétrer dans un ou plusieurs périmètres précis de lieux déterminés accessibles au public, situés au sein d'une commune, sans jamais pouvoir en couvrir l'ensemble du territoire. Est considéré comme lieu accessible au public tout lieu situé dans la commune qui n'est pas uniquement accessible au gestionnaire du lieu, à celui qui y travaille ou à ceux qui y sont invités à titre individuel, à l'exception du domicile, du lieu de travail ou de l'établissement scolaire ou de formation du contrevenant.
§ 3. La décision visée au § 1er doit remplir les conditions suivantes :
1° être motivée sur la base des nuisances liées à l'ordre public;
2° être confirmée par le collège des bourgmestres et échevins ou le collège communal, à sa plus prochaine réunion, après avoir entendu l'auteur ou les auteurs de ces comportements ou leur conseil et après qu'il ait eu la possibilité à cette occasion de faire valoir ses moyens de défense par écrit ou oralement, sauf si après avoir été invité par lettre recommandée, il ne s'est pas présenté et n'a pas présenté de motifs valables d'absence ou d'empêchement.
§ 4. La décision peut être prise, soit après un avertissement écrit notifié par le bourgmestre informant l'auteur ou les auteurs de ces comportements du fait qu'une nouvelle infraction dans un lieu ou lors d'événements identiques pourra donner lieu à une interdiction de lieu, soit, à des fins de maintien de l'ordre, sans avertissement.
§ 5. En cas de non-respect de l'interdiction temporaire de lieu, l'auteur ou les auteurs de ces comportements sont passibles d'une amende administrative telle que prévue par la loi du 24 juin 2013 relative aux sanctions administratives communales. ".
" Art. 134sexies. § 1er. Le bourgmestre peut, en cas de trouble à l'ordre public causé par des comportements individuels ou collectifs, ou en cas d'infractions répétées aux règlements et ordonnances du conseil communal commises dans un même lieu ou à l'occasion d'évènements semblables, et impliquant un trouble de l'ordre public ou une incivilité, décider d'une interdiction temporaire de lieu d'un mois, renouvelable deux fois, à l'égard du ou des auteurs de ces comportements.
§ 2. Par " interdiction temporaire de lieu ", on entend l'interdiction de pénétrer dans un ou plusieurs périmètres précis de lieux déterminés accessibles au public, situés au sein d'une commune, sans jamais pouvoir en couvrir l'ensemble du territoire. Est considéré comme lieu accessible au public tout lieu situé dans la commune qui n'est pas uniquement accessible au gestionnaire du lieu, à celui qui y travaille ou à ceux qui y sont invités à titre individuel, à l'exception du domicile, du lieu de travail ou de l'établissement scolaire ou de formation du contrevenant.
§ 3. La décision visée au § 1er doit remplir les conditions suivantes :
1° être motivée sur la base des nuisances liées à l'ordre public;
2° être confirmée par le collège des bourgmestres et échevins ou le collège communal, à sa plus prochaine réunion, après avoir entendu l'auteur ou les auteurs de ces comportements ou leur conseil et après qu'il ait eu la possibilité à cette occasion de faire valoir ses moyens de défense par écrit ou oralement, sauf si après avoir été invité par lettre recommandée, il ne s'est pas présenté et n'a pas présenté de motifs valables d'absence ou d'empêchement.
§ 4. La décision peut être prise, soit après un avertissement écrit notifié par le bourgmestre informant l'auteur ou les auteurs de ces comportements du fait qu'une nouvelle infraction dans un lieu ou lors d'événements identiques pourra donner lieu à une interdiction de lieu, soit, à des fins de maintien de l'ordre, sans avertissement.
§ 5. En cas de non-respect de l'interdiction temporaire de lieu, l'auteur ou les auteurs de ces comportements sont passibles d'une amende administrative telle que prévue par la loi du 24 juin 2013 relative aux sanctions administratives communales. ".
Art. 48. In de Franse tekst van artikel 135, § 2, tweede lid, 7°, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 13 mei 1999, worden de woorden " de dérangement public " vervangen door het woord " d'incivilités ".
Art. 48. Dans l'article 135, § 2, alinéa 2, 7°, de la même loi, inséré par la loi du 13 mai 1999, les mots " de dérangement public " sont remplacés par le mot " d'incivilités ".
Afdeling 2. - Wijziging van het Gerechtelijk Wetboek
Section 2. - Modification du Code judiciaire
Art. 49. In artikel 601ter van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 mei 1999, worden het 1° en 2° vervangen door wat volgt :
" 1° van het beroep tegen de beslissing tot opleggen van de sanctie bedoeld in artikel 4, § 1, 1°, van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties, door de sanctionerend ambtenaar die daartoe door de gemeente wordt aangewezen;
2° van het beroep tegen de beslissing tot het niet-opleggen van de sanctie bedoeld in artikel 4, § 1, 1°, van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties, door de sanctionerend ambtenaar die daartoe door de gemeente wordt aangewezen. ".
" 1° van het beroep tegen de beslissing tot opleggen van de sanctie bedoeld in artikel 4, § 1, 1°, van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties, door de sanctionerend ambtenaar die daartoe door de gemeente wordt aangewezen;
2° van het beroep tegen de beslissing tot het niet-opleggen van de sanctie bedoeld in artikel 4, § 1, 1°, van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties, door de sanctionerend ambtenaar die daartoe door de gemeente wordt aangewezen. ".
Art. 49. Dans l'article 601ter du Code judiciaire, inséré par la loi du 13 mai 1999, les 1° et 2°, sont remplacés par ce qui suit :
" 1° du recours contre la décision d'infliger la sanction visée à l'article 4, § 1er, 1°, de la loi du 24 juin 2013 relative aux sanctions administratives communales, par le fonctionnaire sanctionnateur désigné à cet effet par la commune;
2° du recours contre la décision de ne pas infliger la sanction visée à l'article 4, § 1er, 1°, de la loi du 24 juin 2013 relative aux sanctions administratives communales, par le fonctionnaire sanctionnateur désigné à cet effet par la commune. ".
" 1° du recours contre la décision d'infliger la sanction visée à l'article 4, § 1er, 1°, de la loi du 24 juin 2013 relative aux sanctions administratives communales, par le fonctionnaire sanctionnateur désigné à cet effet par la commune;
2° du recours contre la décision de ne pas infliger la sanction visée à l'article 4, § 1er, 1°, de la loi du 24 juin 2013 relative aux sanctions administratives communales, par le fonctionnaire sanctionnateur désigné à cet effet par la commune. ".
HOOFDSTUK 2. - Opheffingsbepaling
CHAPITRE 2. - Disposition abrogatoire
Art. 50. Artikel 119ter van de Nieuwe gemeentewet, ingevoegd bij de wet van 17 juni 2004, wordt opgeheven.
Art. 50. L'article 119ter de la Nouvelle loi communale, inséré par la loi du 17 juin 2004, est abrogé.
TITEL IV. - Overgangs- en slotbepalingen
TITRE IV. - Dispositions transitoire et finales
Art. 51. De procedures die lopende zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet blijven onderworpen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die van kracht waren op het tijdstip van de inleiding van de procedure.
Deze wet is enkel van toepassing op de inbreuken die gepleegd werden na de inwerkingtreding ervan.
Deze wet is enkel van toepassing op de inbreuken die gepleegd werden na de inwerkingtreding ervan.
Art. 51. Les procédures en cours au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi demeurent régies par les dispositions légales et réglementaires qui étaient en vigueur au moment de l'introduction de la procédure.
La présente loi ne s'applique qu'aux infractions commises après son entrée en vigueur.
La présente loi ne s'applique qu'aux infractions commises après son entrée en vigueur.
Art. 52. De minister van Binnenlandse zaken brengt [1 vijfjaarlijks]1 verslag uit aan het Parlement over de toepassing van deze wet. Daarin wordt minimaal een overzicht gegeven van het aantal administratieve geldboetes bedoeld in artikel 4, § 1, 1°, die werden opgelegd, voor welke categorieën van inbreuken en de procedurele moeilijkheden waartoe de toepassing van deze wet aanleiding heeft gegeven.
Art. 52. Le ministre de l'Intérieur fait [1 tous les cinq ans]1 rapport au Parlement sur l'application de la présente loi. Ce rapport contient au minimum un aperçu du nombre d'amendes administratives visées à l'article 4, § 1er, 1°, qui ont été infligées, réparties selon les catégories d'infractions, ainsi que des difficultés procédurales auxquelles l'application de la présente loi a donné lieu.
Wijzigingen
Art. 53. Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de zesde maand na die waarin ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 53. La présente loi entre en vigueur le premier jour du sixième mois qui suit celui de sa publication dans le Moniteur belge .