Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder :
1° [1 ...]1
2° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het gezondheidsbeleid;
3° besluit van de Vlaamse Regering van 14 november 2008 : besluit van de Vlaamse Regering van 14 november 2008 betreffende Vlaamse werkgroepen binnen het preventieve gezondheidsbeleid.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
16 NOVEMBER 2012. - Ministerieel besluit tot oprichting van de Vlaamse werkgroep Bevolkingsonderzoek naar aangeboren aandoeningen bij pasgeborenen via een bloedstaal(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 08-01-2013 en tekstbijwerking tot 13-10-2023)
Titre
16 NOVEMBRE 2012. - Arrêté ministériel portant création du Groupe de Travail flamand Dépistage de Population aux affections congénitales chez les nouveaux-nés à l'aide d'un échantillon de sang(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 08-01-2013 et mise à jour au 13-10-2023)
Documentinformatie
Info du document
Tekst (8)
Texte (8)
Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° agence : la "Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid" (Agence flamande Soins et Santé);
2° Ministre : le Ministre flamand chargé de la politique en matière de santé;
3° arrêté du Gouvernement flamand du 14 novembre 2008 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 novembre 2008 relatif aux groupes de travail flamands dans la politique de santé préventive.
1° agence : la "Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid" (Agence flamande Soins et Santé);
2° Ministre : le Ministre flamand chargé de la politique en matière de santé;
3° arrêté du Gouvernement flamand du 14 novembre 2008 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 novembre 2008 relatif aux groupes de travail flamands dans la politique de santé préventive.
Art. 2. De Vlaamse werkgroep Bevolkingsonderzoek naar aangeboren aandoeningen, verder Vlaamse werkgroep te noemen, wordt opgericht.
Het betreft een ondersteunende Vlaamse werkgroep als vermeld in artikel 3, § 2, b, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 november 2008, die tot doel heeft de uitvoering van het Vlaams bevolkingsonderzoek naar aangeboren aandoeningen bij pasgeborenen via een bloedstaal, verder bevolkingsonderzoek te noemen, inhoudelijk en organisatorisch te ondersteunen, op te volgen en te coördineren.
Het betreft een ondersteunende Vlaamse werkgroep als vermeld in artikel 3, § 2, b, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 november 2008, die tot doel heeft de uitvoering van het Vlaams bevolkingsonderzoek naar aangeboren aandoeningen bij pasgeborenen via een bloedstaal, verder bevolkingsonderzoek te noemen, inhoudelijk en organisatorisch te ondersteunen, op te volgen en te coördineren.
Art. 2. Le Groupe de Travail flamand Dépistage de Population aux affections congénitales, ci-après dénommé groupe de travail flamand, est créé.
Il s'agit d'un groupe de travail flamand d'appui, tel que visé à l'article 3, § 2, b, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 novembre 2008, qui vise à appuyer au niveau du contenu et de l'organisation, à suivre et à coordonner l'exécution du dépistage de population flamand aux affections congénitales chez les nouveaux-nés à l'aide d'un échantillon de sang, ci-après dénommé dépistage de population.
Il s'agit d'un groupe de travail flamand d'appui, tel que visé à l'article 3, § 2, b, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 novembre 2008, qui vise à appuyer au niveau du contenu et de l'organisation, à suivre et à coordonner l'exécution du dépistage de population flamand aux affections congénitales chez les nouveaux-nés à l'aide d'un échantillon de sang, ci-après dénommé dépistage de population.
Art. 3. De Vlaamse werkgroep wordt opgericht voor onbepaalde duur.
Art. 3. Le groupe de travail flamand est créé pour une durée indéterminée.
Art. 4. § 1. De Vlaamse werkgroep wordt opgericht voor de volgende opdrachten :
1° opvolgen van en adviseren over evoluties op wetenschappelijk en maatschappelijk vlak inzake de opsporing van aangeboren aandoeningen bij pasgeborenen via een bloedstaal, onder andere aan de hand van wetenschappelijke literatuur, Europese consensussen en persteksten, vooral wanneer die een impact kunnen hebben op het Vlaamse bevolkingsonderzoek naar aangeboren aandoeningen;
2° opvolgen en bewaken van de werkzaamheden van de eventuele subwerkgroepen;
3° opvolgen van en adviseren over de kwaliteitsbewaking en de evaluatie van het bevolkingsonderzoek en in elk geval het formuleren van evaluatiecriteria, indicatoren, voorstellen van verbetering en bijsturing en procedures dienaangaande;
4° opvolgen van en adviseren over methodieken en initiatieven met betrekking tot de sensibilisatie naar verschillende doelgroepen in het kader van het bevolkingsonderzoek;
5° samen met [1 de administratie]1 en de organisaties met terreinwerking formuleren, opvolgen, evalueren en zo nodig herformuleren van afspraken in een draaiboek over de organisatie van het bevolkingsonderzoek;
6° evalueren van en adviseren over de lijst op te sporen aangeboren aandoeningen bij pasgeborenen via een bloedstaal en voorbereiden van een gemotiveerd dossier voor de Vlaamse werkgroep bevolkingsonderzoek;
7° op vraag of op eigen initiatief, advies uitbrengen aan de minister, [1 de administratie]1 en de Vlaamse werkgroep bevolkingsonderzoek over de opsporing van aangeboren aandoeningen bij pasgeborenen via een bloedstaal in het algemeen en de hierboven genoemde punten in het bijzonder.
§ 2. De Vlaamse werkgroep rapporteert aan de minister en [1 de administratie]1 over de realisatie van de opdrachten, aan de hand van verslagen en adviezen van de Vlaamse werkgroep.
§ 3. De Vlaamse werkgroep maakt een huishoudelijk reglement op.
Het huishoudelijk reglement en de wijzigingen ervan, worden ter goedkeuring voorgelegd aan [1 de administratie]1.
§ 4. [1 de administratie]1 neemt de secretariaatstaken waar, namelijk de administratieve, logistieke en, in functie van haar deskundigheid, inhoudelijke ondersteuning van de Vlaamse werkgroep.
Als er subwerkgroepen worden opgericht, is [1 de administratie]1 niet verantwoordelijk voor de administratieve, logistieke en inhoudelijke ondersteuning, tenzij dat bij de goedkeuring van het oprichten van een subwerkgroep, vermeld in artikel 5, § 1, vierde lid, anders wordt vermeld.
1° opvolgen van en adviseren over evoluties op wetenschappelijk en maatschappelijk vlak inzake de opsporing van aangeboren aandoeningen bij pasgeborenen via een bloedstaal, onder andere aan de hand van wetenschappelijke literatuur, Europese consensussen en persteksten, vooral wanneer die een impact kunnen hebben op het Vlaamse bevolkingsonderzoek naar aangeboren aandoeningen;
2° opvolgen en bewaken van de werkzaamheden van de eventuele subwerkgroepen;
3° opvolgen van en adviseren over de kwaliteitsbewaking en de evaluatie van het bevolkingsonderzoek en in elk geval het formuleren van evaluatiecriteria, indicatoren, voorstellen van verbetering en bijsturing en procedures dienaangaande;
4° opvolgen van en adviseren over methodieken en initiatieven met betrekking tot de sensibilisatie naar verschillende doelgroepen in het kader van het bevolkingsonderzoek;
5° samen met [1 de administratie]1 en de organisaties met terreinwerking formuleren, opvolgen, evalueren en zo nodig herformuleren van afspraken in een draaiboek over de organisatie van het bevolkingsonderzoek;
6° evalueren van en adviseren over de lijst op te sporen aangeboren aandoeningen bij pasgeborenen via een bloedstaal en voorbereiden van een gemotiveerd dossier voor de Vlaamse werkgroep bevolkingsonderzoek;
7° op vraag of op eigen initiatief, advies uitbrengen aan de minister, [1 de administratie]1 en de Vlaamse werkgroep bevolkingsonderzoek over de opsporing van aangeboren aandoeningen bij pasgeborenen via een bloedstaal in het algemeen en de hierboven genoemde punten in het bijzonder.
§ 2. De Vlaamse werkgroep rapporteert aan de minister en [1 de administratie]1 over de realisatie van de opdrachten, aan de hand van verslagen en adviezen van de Vlaamse werkgroep.
§ 3. De Vlaamse werkgroep maakt een huishoudelijk reglement op.
Het huishoudelijk reglement en de wijzigingen ervan, worden ter goedkeuring voorgelegd aan [1 de administratie]1.
§ 4. [1 de administratie]1 neemt de secretariaatstaken waar, namelijk de administratieve, logistieke en, in functie van haar deskundigheid, inhoudelijke ondersteuning van de Vlaamse werkgroep.
Als er subwerkgroepen worden opgericht, is [1 de administratie]1 niet verantwoordelijk voor de administratieve, logistieke en inhoudelijke ondersteuning, tenzij dat bij de goedkeuring van het oprichten van een subwerkgroep, vermeld in artikel 5, § 1, vierde lid, anders wordt vermeld.
Art. 4. § 1er. Le groupe de travail flamand est créé pour les missions suivantes :
1° suivre et conseiller sur les évolutions aux niveaux scientifique et sociétal en matière de dépistage des affections congénitales chez les nouveaux-nés à l'aide d'un échantillon de sang, entre autres sur la base de la littérature scientifique, de consensus et textes de presse européens, surtout lorsque ceux-ci peuvent avoir un impact sur le dépistage de population flamand aux affections congénitales;
2° suivre et surveiller les activités des sous-groupes de travail éventuels;
3° suivre et conseiller sur la gestion de la qualité et l'évaluation du dépistage de population et, en tout cas, la formulation de critères d'évaluation, d'indicateurs, de propositions d'amélioration et d'ajustement et de procédures y afférentes;
4° suivre et conseiller sur les méthodologies et les initiatives relatives à la sensibilisation de divers groupes cibles dans le cadre du dépistage de population;
5° conjointement avec l'agence et les organisations oeuvrant sur le terrain, formuler, suivre, évaluer et, si nécessaire, reformuler des accords dans un guide sur l'organisation du dépistage de population;
6° évaluer et conseiller sur la liste des affections congénitales à dépister chez les nouveaux-nés à l'aide d'un échantillon de sang, et préparer un dossier motivé pour le groupe de travail flamand dépistage de population;
7° émettre, sur demande ou d'initiative, des avis au Ministre, à l'agence et au groupe de travail flamand dépistage de population sur le dépistage d'affections congénitales chez les nouveaux-nés à l'aide d'un échantillon de sang en général et sur les points susvisés en particulier.
§ 2. Le groupe de travail flamand fait rapport au Ministre et à l'agence sur la réalisation des missions, à l'aide de rapports et d'avis du groupe de travail flamand.
§ 3. Le groupe de travail flamand établit un règlement d'ordre intérieur.
Le règlement d'ordre d'intérieur et ses modifications sont soumis à l'approbation de l'agence.
§ 4. L'agence assure les tâches de secrétariat, à savoir le soutien administratif, logistique et, en fonction de son expertise, thématique du groupe de travail flamand.
Si des sous-groupes de travail sont créés, l'agence n'est pas responsable du soutien administratif, logistique et thématique, sauf disposition contraire lors de l'approbation de la création d'un sous-groupe de travail, visé à l'article 5, § 1er, alinéa quatre.
1° suivre et conseiller sur les évolutions aux niveaux scientifique et sociétal en matière de dépistage des affections congénitales chez les nouveaux-nés à l'aide d'un échantillon de sang, entre autres sur la base de la littérature scientifique, de consensus et textes de presse européens, surtout lorsque ceux-ci peuvent avoir un impact sur le dépistage de population flamand aux affections congénitales;
2° suivre et surveiller les activités des sous-groupes de travail éventuels;
3° suivre et conseiller sur la gestion de la qualité et l'évaluation du dépistage de population et, en tout cas, la formulation de critères d'évaluation, d'indicateurs, de propositions d'amélioration et d'ajustement et de procédures y afférentes;
4° suivre et conseiller sur les méthodologies et les initiatives relatives à la sensibilisation de divers groupes cibles dans le cadre du dépistage de population;
5° conjointement avec l'agence et les organisations oeuvrant sur le terrain, formuler, suivre, évaluer et, si nécessaire, reformuler des accords dans un guide sur l'organisation du dépistage de population;
6° évaluer et conseiller sur la liste des affections congénitales à dépister chez les nouveaux-nés à l'aide d'un échantillon de sang, et préparer un dossier motivé pour le groupe de travail flamand dépistage de population;
7° émettre, sur demande ou d'initiative, des avis au Ministre, à l'agence et au groupe de travail flamand dépistage de population sur le dépistage d'affections congénitales chez les nouveaux-nés à l'aide d'un échantillon de sang en général et sur les points susvisés en particulier.
§ 2. Le groupe de travail flamand fait rapport au Ministre et à l'agence sur la réalisation des missions, à l'aide de rapports et d'avis du groupe de travail flamand.
§ 3. Le groupe de travail flamand établit un règlement d'ordre intérieur.
Le règlement d'ordre d'intérieur et ses modifications sont soumis à l'approbation de l'agence.
§ 4. L'agence assure les tâches de secrétariat, à savoir le soutien administratif, logistique et, en fonction de son expertise, thématique du groupe de travail flamand.
Si des sous-groupes de travail sont créés, l'agence n'est pas responsable du soutien administratif, logistique et thématique, sauf disposition contraire lors de l'approbation de la création d'un sous-groupe de travail, visé à l'article 5, § 1er, alinéa quatre.
Art. 5. § 1. De heer Pieter Vandenbulcke wordt, namens [1 de administratie]1, benoemd als voorzitter van de Vlaamse werkgroep.
De voorzitter kan zich laten vervangen door zelf een vervanger aan te duiden. Duidt hij geen vervanger aan, dan zit het oudste aanwezige lid de vergadering van de Vlaamse werkgroep voor. Indien de voorzitter zich gedurende meer dan zes opeenvolgende maanden laat vervangen, duidt de minister een andere voorzitter aan.
De voorzitter kan een of meerdere subwerkgroepen oprichten na goedkeuring door [1 de administratie]1. Daartoe deelt hij zijn voornemen tot het oprichten van een subwerkgroep mee aan [1 de administratie]1, met inbegrip van de deelaspecten van de opdracht van de Vlaamse werkgroep die door de subwerkgroep zullen worden uitgevoerd, het tijdschema om die deelaspecten uit te voeren, de samenstelling en het maximale aantal leden.
De voorzitter van de werkgroep verklaart de aanwezigheidslijst voor waar en echt.
§ 2. De volgende personen worden benoemd tot lid van de Vlaamse werkgroep :
1° de heer Alliet, Philippe;
2° de heer Borry, Pascal;
3° Mevr. Debaere, Lut;
4° Mevr. De Meirleir, Linda;
5° Mevr. De Ronne, Nadine;
6° de heer De Schepper, Jean;
7° de heer Eyskens, François;
8° Mevr. Laeremans, Hilde;
9° Mevr. Loccufier, Anne;
10° de heer Philips, Eddy;
11° Mevr. Van Holsbeeck, Ann;
12° de heer Vermeersch, Pieter.
§ 3. De leden, vermeld in paragraaf 2, kunnen, als ze niet op een vergadering aanwezig kunnen zijn, een plaatsvervanger aanduiden.
§ 4. De identificatie- en contactgegevens van de personen, vermeld in dit artikel, worden bijgehouden door [1 de administratie]1.
De voorzitter kan zich laten vervangen door zelf een vervanger aan te duiden. Duidt hij geen vervanger aan, dan zit het oudste aanwezige lid de vergadering van de Vlaamse werkgroep voor. Indien de voorzitter zich gedurende meer dan zes opeenvolgende maanden laat vervangen, duidt de minister een andere voorzitter aan.
De voorzitter kan een of meerdere subwerkgroepen oprichten na goedkeuring door [1 de administratie]1. Daartoe deelt hij zijn voornemen tot het oprichten van een subwerkgroep mee aan [1 de administratie]1, met inbegrip van de deelaspecten van de opdracht van de Vlaamse werkgroep die door de subwerkgroep zullen worden uitgevoerd, het tijdschema om die deelaspecten uit te voeren, de samenstelling en het maximale aantal leden.
De voorzitter van de werkgroep verklaart de aanwezigheidslijst voor waar en echt.
§ 2. De volgende personen worden benoemd tot lid van de Vlaamse werkgroep :
1° de heer Alliet, Philippe;
2° de heer Borry, Pascal;
3° Mevr. Debaere, Lut;
4° Mevr. De Meirleir, Linda;
5° Mevr. De Ronne, Nadine;
6° de heer De Schepper, Jean;
7° de heer Eyskens, François;
8° Mevr. Laeremans, Hilde;
9° Mevr. Loccufier, Anne;
10° de heer Philips, Eddy;
11° Mevr. Van Holsbeeck, Ann;
12° de heer Vermeersch, Pieter.
§ 3. De leden, vermeld in paragraaf 2, kunnen, als ze niet op een vergadering aanwezig kunnen zijn, een plaatsvervanger aanduiden.
§ 4. De identificatie- en contactgegevens van de personen, vermeld in dit artikel, worden bijgehouden door [1 de administratie]1.
Art. 5. § 1er. M. Pieter Vandenbulcke est nommé, au nom de la "Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid", président du groupe de travail flamand.
Le président peut se faire remplacer en désignant lui-même un remplaçant. S'il ne désigne pas de remplaçant, le membre le plus âgé présent préside la réunion du groupe de travail flamand. Si le président se fait remplacer pendant plus de six mois consécutifs, le Ministre désigne un autre président.
Le président peut créer un ou plusieurs sous-groupes de travail après l'approbation de l'agence. A cet effet, il communique son intention de création d'un sous-groupe de travail à l'agence, y compris les aspects partiels de la mission du groupe de travail flamand qui seront effectués par le sous-groupe de travail, le calendrier pour réaliser ces aspects partiels, la composition et le nombre maximal de membres.
Le président du groupe de travail certifie la liste des présences sincère et véritable.
§ 2. Les personnes suivantes sont nommées membres du groupe de travail flamand :
1° M. Alliet, Philippe;
2° M. Borry, Pascal;
3° Mme Debaere, Lut;
4° Mme De Meirleir, Linda;
5° Mme De Ronne, Nadine;
6° M. De Schepper, Jean;
7° M. Eyskens, François;
8° Mme Laeremans, Hilde;
9° Mme Loccufier, Anne;
10° M. Philips, Eddy;
11° Mme Van Holsbeeck, Ann;
12° M. Vermeersch, Pieter.
§ 3. Les membres, visés au paragraphe 2, peuvent désigner un remplaçant lorsqu'ils ne peuvent pas participer à une réunion.
§ 4. Les données d'identification et les coordonnées des personnes, visées au présent article, sont conservées par l'agence.
Le président peut se faire remplacer en désignant lui-même un remplaçant. S'il ne désigne pas de remplaçant, le membre le plus âgé présent préside la réunion du groupe de travail flamand. Si le président se fait remplacer pendant plus de six mois consécutifs, le Ministre désigne un autre président.
Le président peut créer un ou plusieurs sous-groupes de travail après l'approbation de l'agence. A cet effet, il communique son intention de création d'un sous-groupe de travail à l'agence, y compris les aspects partiels de la mission du groupe de travail flamand qui seront effectués par le sous-groupe de travail, le calendrier pour réaliser ces aspects partiels, la composition et le nombre maximal de membres.
Le président du groupe de travail certifie la liste des présences sincère et véritable.
§ 2. Les personnes suivantes sont nommées membres du groupe de travail flamand :
1° M. Alliet, Philippe;
2° M. Borry, Pascal;
3° Mme Debaere, Lut;
4° Mme De Meirleir, Linda;
5° Mme De Ronne, Nadine;
6° M. De Schepper, Jean;
7° M. Eyskens, François;
8° Mme Laeremans, Hilde;
9° Mme Loccufier, Anne;
10° M. Philips, Eddy;
11° Mme Van Holsbeeck, Ann;
12° M. Vermeersch, Pieter.
§ 3. Les membres, visés au paragraphe 2, peuvent désigner un remplaçant lorsqu'ils ne peuvent pas participer à une réunion.
§ 4. Les données d'identification et les coordonnées des personnes, visées au présent article, sont conservées par l'agence.
Art. 6. De belangenverklaring, vermeld in artikel 7, § 2, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 november 2008, bevat volgende gegevens :
1° de doelstelling van een belangenverklaring;
2° de omschrijving van wat een belangenconflict kan zijn;
3° de mogelijke maatregelen bij een belangenconflict;
4° de verklaring.
1° de doelstelling van een belangenverklaring;
2° de omschrijving van wat een belangenconflict kan zijn;
3° de mogelijke maatregelen bij een belangenconflict;
4° de verklaring.
Art. 6. La déclaration d'intérêts, visée à l'article 7, § 2, alinéa deux, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 novembre 2008, comprend les données suivantes :
1° l'objectif d'une déclaration d'intérêts;
2° la description de ce qui peut constituer un conflit d'intérêts;
3° les mesures éventuelles lors d'un conflit d'intérêts;
4° la déclaration.
1° l'objectif d'une déclaration d'intérêts;
2° la description de ce qui peut constituer un conflit d'intérêts;
3° les mesures éventuelles lors d'un conflit d'intérêts;
4° la déclaration.
Art. 7. Met toepassing van artikel 10, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 november 2008, ontvangen de volgende personen en hun eventuele plaatsvervangers, vermeld in artikel 5, tenzij die plaatsvervangers niet vallen onder het toepassingsgebied van artikel 10, § 1, van het genoemde besluit, geen vergoeding omdat zij verbonden zijn aan een overheid of aan een organisatie die door de Vlaamse overheid gefinancierd wordt en deelname aan de Vlaamse werkgroep behoort tot het takenpakket van hun organisatie :
1° Mevr. De Meirleir, Linda;
2° Mevr. De Ronne, Nadine;
3° de heer Eyskens, François;
4° Mevr. Laeremans, Hilde;
5° de heer Philips, Eddy;
6° de heer Vandenbulcke, Pieter.
1° Mevr. De Meirleir, Linda;
2° Mevr. De Ronne, Nadine;
3° de heer Eyskens, François;
4° Mevr. Laeremans, Hilde;
5° de heer Philips, Eddy;
6° de heer Vandenbulcke, Pieter.
Art. 7. En application de l'article 10, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 novembre 2008, les personnes suivantes et leurs remplaçants éventuels, visés à l'article 5, sauf si ces remplaçants ne relèvent pas du champ d'application de l'article 10, § 1er, de l'arrêté précité, ne bénéficient pas d'une indemnité parce qu'ils sont liés à une autorité ou à une organisation financée par l'Autorité flamande et que la participation au groupe de travail flamand n'appartient pas aux tâches de leur organisation :
1° Mme De Meirleir, Linda;
2° Mme De Ronne, Nadine;
3° M. Eyskens, François;
4° Mme Laeremans, Hilde;
5° M. Philips, Eddy;
6° M. Vandenbulcke, Pieter.
1° Mme De Meirleir, Linda;
2° Mme De Ronne, Nadine;
3° M. Eyskens, François;
4° Mme Laeremans, Hilde;
5° M. Philips, Eddy;
6° M. Vandenbulcke, Pieter.
Art. 8. De indexering, vermeld in artikel 12 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 november 2008, gebeurt elk werkingsjaar vanaf 1 januari, volgens de volgende formule :
vergoeding jaar X = vergoeding BVR x gezondheidsindex december jaar X-1/gezondheidsindex december 2008
waarbij :
"vergoeding BVR" = de vergoeding, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 november 2008;
"jaar X" = het werkingsjaar waarop de vergoeding betrekking heeft;
"vergoeding jaar X" wordt afgerond tot twee cijfers na de komma;
"gezondheidsindex december 2008" = 111,24 (2004 = 100).
vergoeding jaar X = vergoeding BVR x gezondheidsindex december jaar X-1/gezondheidsindex december 2008
waarbij :
"vergoeding BVR" = de vergoeding, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 november 2008;
"jaar X" = het werkingsjaar waarop de vergoeding betrekking heeft;
"vergoeding jaar X" wordt afgerond tot twee cijfers na de komma;
"gezondheidsindex december 2008" = 111,24 (2004 = 100).
Art. 8. L'indexation, visée à l'article 12 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 novembre 2008, se fait chaque année d'activité à partir du 1er janvier, selon la formule suivante :
indemnité année X = indemnité AGF x indice de décembre X-1/indice de santé décembre 2008
où :
"indemnité AGF" = l'indemnité, visée à l'article 8, § 2, alinéa premier, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 novembre 2008;
"année X" = l'année d'activité à laquelle l'indemnité a trait;
"indemnité année X" est arrondie à deux décimales;
"indice de santé décembre 2008" = 111,24 (2004 = 100).
indemnité année X = indemnité AGF x indice de décembre X-1/indice de santé décembre 2008
où :
"indemnité AGF" = l'indemnité, visée à l'article 8, § 2, alinéa premier, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 novembre 2008;
"année X" = l'année d'activité à laquelle l'indemnité a trait;
"indemnité année X" est arrondie à deux décimales;
"indice de santé décembre 2008" = 111,24 (2004 = 100).