Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
12 OKTOBER 2012. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de invoering van een nieuw omkaderingssysteem in het gewoon basisonderwijs
Titre
12 OCTOBRE 2012. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif à l'introduction d'un nouveau système d'encadrement dans l'enseignement fondamental ordinaire
Documentinformatie
Info du document
Tekst (29)
Texte (29)
Artikel 1. In hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juni 1997 betreffende de personeelsformatie in het gewoon basisonderwijs, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2011, wordt het opschrift van afdeling A vervangen door wat volgt :
  " Afdeling A. Basisomkadering ".
Article 1er. Dans le chapitre III de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 juin 1997 relatif au cadre organique dans l'enseignement fondamental ordinaire, remplacé en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 septembre 2011, l'intitulé de la section A est remplacé par la disposition suivante :
  " Section A. - Encadrement de base ".
Art.2. In hoofdstuk III, afdeling A, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 november 2010, wordt het opschrift van onderafdeling 1 opgeheven.
Art.2. Dans le chapitre III, section A, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 novembre 2010, l'intitulé de la sous-section 1re est abrogé.
Art. 3. Artikel 5bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 januari 2002 en opgeheven door het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing :
  " Art. 5bis. § 1. Uit de basisomkadering van het kleuteronderwijs, verkregen volgens artikel 131 van het decreet, kunnen, in het kleuteronderwijs, betrekkingen worden ingericht :
  1° in het ambt van kleuteronderwijzer;
  2° in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding.
  § 2. De basisomkadering van het kleuteronderwijs, verkregen volgens artikel 131 van het decreet, wordt als volgt omgerekend naar de gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse of deeltijdse betrekkingen van kleuteronderwijzer of leermeester lichamelijke opvoeding :
  1° van de basisomkadering van het kleuteronderwijs worden de lestijden onderwijsopdracht die, in voorkomend geval, de directeur of de adjunct-direteur presteren in het kleuteronderwijs, afgetrokken;
  2° de overige lestijden worden gedeeld door 24 tot op de eenheid voor het ambt van kleuteronderwijzer of leermeester lichamelijke opvoeding. Het quotiënt is gelijk aan het mogelijke aantal volledige betrekkingen.
  § 3. Voor de schooljaren 2012-2013, 2013-2014 en 2014-2015 kan de basisomkadering van het kleuteronderwijs, mits er een tekort wordt vastgesteld aan kleuteronderwijzers met een vereist of een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs of kleuteronderwijzers met een ander bekwaamheidsbewijs die de opleiding bachelor in het onderwijs : kleuteronderwijs volgen, worden ingericht in het ambt van kinderverzorger, na omzetting volgens de onderstaande tabel :
Art. 3. L'article 5bis du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 janvier 2002 et abrogé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2007, est rétabli dans la rédaction suivante :
  " Art. 5bis. § 1er. Sur la base de l'encadrement de base de l'enseignement maternel obtenu en vertu de l'article 131 du décret, des emplois peuvent, dans l'enseignement maternel, être créés :
  1° dans la fonction d'instituteur préscolaire;
  2° dans la fonction de maître d'éducation physique.
  § 2. L'encadrement de base de l'enseignement maternel obtenu en vertu de l'article 131 du décret, est converti comme suit vers des emplois d'instituteur préscolaire ou de maître d'éducation physique à temps plein ou à temps partiel financés ou subventionnés :
  1° les périodes de cours charge d'enseignement prestées par le directeur ou le directeur adjoint dans l'enseignement maternel sont, le cas échéant, déduites de l'encadrement de base de l'enseignement maternel;
  2° les autres périodes de cours sont divisées par 24 jusqu'à l'unité pour la fonction d'instituteur préscolaire ou de maître d'éducation physique. Le quotient est égal au nombre possible d'emplois complets.
  § 3. Pour les années scolaires 2012-2013, 2013-2014 et 2014-2015, l'encadrement de base de l'enseignement maternel peut, à condition qu'un manque soit constaté d'instituteurs préscolaires ayant le titre requis ou un titre jugé suffisant ou d'instituteurs préscolaires possesseurs d'un autre titre qui suivent la formation de " bachelor in het onderwijs : kleuteronderwijs ", être organisé dans la fonction de puériculteur, après conversion suivant le tableau repris ci-dessous :
lestijdenuren kinderverzorger
12
23
35
46
58
610
711
813
914
1016
1117
1219
1321
1422
1524
1625
1727
1829
1930
2032
lestijdenuren kinderverzorger 12 23 35 46 58 610 711 813 914 1016 1117 1219 1321 1422 1524 1625 1727 1829 1930 2032
§ 4. Uit de basisomkadering van het lager onderwijs, verkregen volgens artikel 131 van het decreet, kunnen, in het lager onderwijs, betrekkingen worden ingericht in de volgende ambten :
  1° onderwijzer;
  2° leermeester lichamelijke opvoeding;
  3° leermeester godsdienst of niet-confessionele zedenleer.
  § 5. De basisomkadering van het lager onderwijs, verkregen volgens artikel 131 van het decreet, wordt als volgt omgerekend naar de gefinancierde of gesubsieerde voltijdse of deeltijdse betrekkingen van onderwijzer, leermeester lichamelijke opvoeding of leermeester godsienst of niet-confessionele zedenleer :
  1° van de basisomkadering van het lager onderwijs worden, in voorkomend geval, de lestijden onderwijsopdracht afgetrokken die de directeur of de adjunct-directeur presteren in het lager onderwijs;
  2° de overige lestijden worden gedeeld door 24 tot op de eenheid voor het ambt van onderwijzer, leermeester lichamelijke opvoeding of leermeester godsdienst of niet-confessionele zedenleer. Het quotiënt is gelijk aan het mogelijk aantal volledige betrekkingen.
  § 6. De onderwijsopdracht van de directeur of de adjunct-directeur van een basisschool kan geput worden uit de basisomkadering, toegekend volgens artikel 131 van het decreet.
  § 7. Ter uitvoering van artikel 173sexies van het decreet wendt een school voor gewoon basisonderwijs in zijn kleuteronderwijs minstens 7,7 % van de lestijden volgens de schalen verkregen volgens artikel 132 van het decreet aan voor het leergebied lichamelijke opvoeding en in zijn lager onderwijs minstens 1,2 %. Het aldus bekomen aantal lestijden wordt als volgt afgerond : als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgrond naar het lagere geheel getal.
  De lestijden bekomen door toepassing van het percentage 1,2 en de voorziene afronding moeten in het lager onderwijs aangewend worden om de werkdruk van het onderwijzend personeel te verminderen ten opzichte van de toestand voor de invoering van de aanvullende lestijden lichamelijke opvoeding in het lager onderwijs. Hiervoor moeten de criteria onderhandeld worden in het bevoegde lokaal comité ".
périodes heures puériculteur
12
23
35
46
58
610
711
813
914
1016
1117
1219
1321
1422
1524
1625
1727
1829
1930
2032
périodes heures puériculteur 12 23 35 46 58 610 711 813 914 1016 1117 1219 1321 1422 1524 1625 1727 1829 1930 2032
§ 4. Sur la base de l'encadrement de base de l'enseignement primaire obtenu en vertu de l'article 131 du décret, des emplois peuvent, dans l'enseignement primaire, être créés dans les fonctions suivantes :
  1° instituteur primaire;
  2° maître d'éducation physique;
  3° maître de religion ou de morale non confessionnelle.
  § 5. L'encadrement de base de l'enseignement primaire obtenu en vertu de l'article 131 du décret, est converti comme suit vers des emplois d'instuteur primaire, de maître d'éducation physique ou de maître de religion ou de morale non confessionnelle à temps plein ou à temps partiel financés ou subventionnés :
  1° les périodes de cours charge d'enseignement prestées par le directeur ou le directeur ajoint dans l'enseignement primaire sont, le cas échéant, déduites de l'encadrement de base de l'enseignement primaire;
  2° les autres périodes de cours sont divisées par 24 jusqu'à l'unité pour la fonction d'instituteur primaire, de maître d'éducation physique ou de maître de religion ou de morale non confessionnelle. Le quotient est égal au nombre possible d'emplois complets.
  § 6. La charge d'enseignement du directeur ou du directeur adjoint d'une école fondamentale peut être puisée dans l'encadrement de base, accordé en vertu de l'article 131 du décret.
  § 7. En exécution de l'article 173sexies du décret, une école d'enseignement fondamental ordinaire affecte dans son enseignement maternel au moins 7,7 % des périodes selon les échelles obtenues en vertu de l'article 132 du décret au domaine d'apprentissage " lichamelijke opvoeding " (éducation physique) et dans son enseignement primaire au moins 1,2 %. Le nombre de périodes ainsi obtenu est arrondi comme suit : si le premier chiffre après la virgule est supérieur à quatre, le nombre est arrondi à l'unité supérieure. Si le premier chiffre après la virgule est inférieur ou égal à quatre, le nombre est arrondi à l'unité inférieure.
  Dans l'enseignement primaire, les périodes obtenues par l'application du pourcentage 1,2 et l'arrondissement prévu doivent être utilisés pour réduire la pression du travail du personnel enseignant par rapport à la situation d'avant l'introduction des périodes complémentaires destinées à l'éducation physique dans l'enseignement primaire. A cet effet, les critères doivent être concertés dans le comité local compétent ".
Art.4. Artikel 6 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 11 januari 2002 en 16 mei 2008, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 6. § 1. Met toepassing van artikel 133, § 2, van het decreet wordt het leerlingenkenmerk 2, vermeld in artikel 133, § 1, b), vastgesteld aan de hand van de gegevens over de toegekende schooltoelagen, van de afdeling Studietoelagen van het agentschap AHOVOS, Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen op basis van de beschikbare gegevens op 28 februari van het voorgaande schooljaar.
  § 2. Met toepassing van artikel 133, § 2, van het decreet worden het leerlingenkenmerk 1, vermeld in artikel 133, § 1, a), van het decreet, en het leerlingenkenmerk 3, vermeld in artikel 133, § 1, c), van het decreet, vastgesteld op basis van de gegevens, verzameld via een verklaring op erewoord van de ouders of voogd van de leerling.
  Bij de verzameling van de gegevens vie de verklaring op erewoord wordt gebruikgemaakt van de vragen, vermeld in bijlage 1 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 2009 houdende de werkingsbudgetten in het basisonderwijs en de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs.
  De gegevens, verzameld voor leerlingenkenmerk 3, worden verwerkt op de wijze, vermeld in bijlage 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 2009 houdende de werkingsbudgetten in het basisonderwijs en de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs.
  Voor alle leerlingen die op de eerste schooldag van februari 2012 ingeschreven waren, zijn de gegevens over leerlingenkenmerk 1 en 3, die met het oog op de telling voor de berekening van het werkingsbudget verzameld zijn, van toepassing. Voor de leerlingen die nog niet ingeschreven waren, worden de gegevens over die kenmerken verzameld bij hun eerste inschrijving in een school, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap.
  Wijzigingen in de gegevens van leerlingenkenmerk 1 en 3 kunnen uitsluitend worden aanvaard als er een nieuwe verklaring op erewoord van de ouders of voogd van de leerling is.
  De verklaringen op erewoord die gebruikt worden om de gegevens voor leerlingenkenmerk 1 en 3 te verzamelen, worden ten minste vijftien jaar bewaard door de school.
  § 3. Met toepassing van artikel 140, § 1, 6°, zevende lid, van het decreet is het verblijf op zich in een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning een voldoende bewijs.
  § 4. Met toepassing van artikel 140, § 1, 6°, zevende lid, van het decreet is het verblijf op zich in een tehuis voor kinderen van wie de ouders geen vaste verblijfplaats hebben, een voldoende bewijs.
  § 5. Met toepassing van artikel 140, § 1, 6°, zevende lid, van het decreet wordt de indicator " die geplaatst zijn door de jeugdrechter of door de comités voor bijzondere jeugdzorg ", vermeld in artikel 140, § 1, 6°, c), van het decreet, vastgesteld op basis van een van de volgende attesten :
  1° een kopie van de beslissing van de jeugdrechtbank;
  2° een kopie van de beslissing van het comité voor bijzondere jeugdzorg;
  3° een verklaring van de betrokken instelling waaruit blijkt dat het om een plaatsing gaat in het kader van de bijzondere jeugdzorg of de jeugdbescherming door de jeugrechter of het comité voor bijzondere jeugdzorg. Het is niet noodzakelijk dat gespecificeerd wordt om welk van beide instanties het gaat.
  § 6. Met toepassing van artikel 140, § 1, 6°, zevende lid, van het decreet wordt de indicator " de ouders behoren tot de trekkende bevolking ", vermeld in artikel 140, § 1, 6°, d), van het decreet, vastgesteld op basis van een van de volgende attesten :
  1° een attest van gezinssamenstelling, waaruit blijkt dat beide ouders binnenschipper of kermis- of circusexploitant of -artiest zijn;
  2° een kopie van de aanvraag tot vermindering van het kostgeld voor kinderen van wie de ouders geen vaste verblijfplaats hebben;
  3° een kopie uit het handelsregister, waaruit blijkt dat beide ouders kermis- of circusexploitant of -artiest zijn;
  4° een lidmaatschapskaart van de ouders van foorreiziger of kermisexploitant;
  5° een formulier dat ingevuld is door de VZW die door de Vlaamse Gemeenschaperkend erkend is of door een specifieke dienst of cell van een stad of gemeente, waaruit blijkt dat de ouders tot de Roma of andere trekkende bevolking met een nomadische cultuur behoren (o.a. Rom, Voyageurs, Manoesj);
  6° een document, opgesteld door een officiële instantie van het land van herkomst, waaaruit blijkt dat de persoon Roma is. Bij documenten die opgesteld zijn in een andere taal dan het Nederlands, Frans, Engels of Duits, kan een Nederlandse vertaling gevraagd worden, opgesteld door een Belgische beëdigde vertaler;
  7° gedurende de periode dat de asielprocedure loopt, een document dat bij de asielaanvraag gevoegd is, waarin verklaard wordt dat de aanvrager Roma is;
  8° een verklaring van een asielcentrum dat de persoon bekendstaat als Roma;
  9° een verklaring van de burgemeester dat het vermelde adres een terrein is dat specifiek bedoeld is voor de trekkende bevolking met een nomadische cultuur (o.a. Rom, Voyageurs, Manoesj).
  De attesten die gebruikt worden om de gegevens te verzamelen, worden ten minste vijftien jaar bewaard door de school.
  § 7. Met toepassing van artikel 140, § 1, 6°, zevende lid, van het decreet wordt de indicator " thuisloos ", vermeld in artikel 140, § 1, 6°, e), van het decreet, vastgesteld op basis van een verklaring van de persoon, de voorziening of de sociale dienst die de leerling tijdelijk op permanent opneemt.
  De verklaringen op erewoord die gebruikt worden om de gegevens te verzamelen, worden ten minste vijftien jaar bewaard door de school. ".
Art.4. L'article 6 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 11 janvier 2002 et 16 mai 2008, est remplacé par les dispositions suivantes :
  " Art. 6. § 1er. Par application de l'article 133, § 2, du décret, la caractéristique de l'élève 2, mentionnée à l'article 133, § 1er, b), est déterminée au moyen des données sur les allocations scolaires accordées par la Division des Allocations d'Etudes de l'" Agentschap voor het Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen " (AHOVOS - Agence de l'Enseignement supérieur, de l'Education des Adultes et des Allocations d'études), sur la base des données disponibles au 28 février de l'année scolaire précédente.
  § 2. Par application de l'article 133, § 2, du décret, la caractéristique de l'élève 1, mentionnée à l'article 133, § 1er, a), du décret, et la caractéristique de l'élève 3, mentionnée à l'article 133, § 1er, c), du décret, sont déterminées sur la base des données recueillies au moyen d'une déclaration sur l'honneur faite par les parents ou le tuteur de l'élève.
  Pour le recueil des données au moyen de la déclaration sur l'honneur, il est fait usage des questions mentionnées à l'annexe 1re à l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 février 2009 portant les budgets de fonctionnement dans l'enseignement fondamental et les budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire.
  Les données recueillies pour la caractéristique de l'élève 3 sont traitées de la manière visée à l'annexe 2 à l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 février 2009 portant les budgets de fonctionnement dans l'enseignement fondamental et les budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire.
  Les données relatives aux caractéristiques de l'élève 1 et 3 recueillies en vue du comptage pour le calcul du budget de fonctionnement s'appliquent à tous es élèves inscrits le premier jour de classe du mois de février 2012. Pour les élèves qui n'étaient pas encore inscrits, les données sur ces caractéristiques sont recueillies au moment de leur première inscription dans une école financée ou subventionnée par la Communauté flamande.
  Toute modification dans les données sur les caractéristiques de l'élève 1 et 3 ne peut être acceptée que moyennant une nouvelle déclaration sur l'honneur des parents ou du tuteur de l'élève.
  Les déclarations sur l'honneur, sui sont utilisées pour rassembler les donénes sur les caractéristiques de l'élève 1 et 3, sont conservées par l'école pendant au moins quinze ans.
  § 3. Par application de l'article 140, § 1er, 6°, septième alinéa, du décret, le fait en soi de résider dans un centre d'aide aux enfants et d'assistance des familles vaut comme preuve suffisante.
  § 4. Par application de l'article 140, § 1er, 6°, septième alinéa, du décret, le fait en soi de résider dans un home pour enfants dont les parents n'ont pas de résidence fixe vaut comme preuven suffisante.
  § 5. Par applicaiton de l'article 140, § 1er, 6°, septième alinéa, du décret, l'indicateur " qui sont placés par le tribunal de la jeunesse ou par les comités d'assistance spéciale à la jeunesse ", repris à l'article 140, § 1er, 6°, c), du décret, est déterminé sur la base d'une des attestations suivantes :
  1° une copie de la décision du tribunal de la jeunesse;
  2° une copie de la décision du comité d'aide spéciale à la jeunesse;
  3° une déclaration de l'institution concernée dont il ressort qu'il s'agit d'un placement dans le cadre de l'aide spéciale à la jeunesse ou de la protection de la jeunesse par le juges de la jeunesse ou le comité d'aide spéciale à la jeunesse. Il n'est pas nécessaire de spécifier de laquelle des deux instances il s'agit.
  § 6. Par application de l'article 140, § 1er, 6°, septième alinéa, du décret, l'indicateur " dont les parents sont des nomades ", repris à l'article 140, § 1er, 6°, d), du décret, est déterminé sur la base d'une des attestations suivantes :
  1° une attestation de composition de ménage, dont il ressort que les deux parents sont des bateliers, des marchands forains ou des exploitants ou artistes de cirque;
  2° une copie de la demande de réduction des frais de scolarité pour les enfants dont les parents n'ont pas de résidence fixe;
  3° un extrait du registre de commerce, dont il ressort que les deux parents sont des marchands forains ou des exploitants ou artistes de cirque;
  4° une carte de membre de marchand forain ou d'exploitant de kermesse;
  5° un formulaire rempli par une ASBL agréée par la Communauté flamande ou par un service ou une cellule spécifique d'une ville ou commune, dont il ressort que les parents appartiennent aux Roma ou à une autre population itinérante ayant une culture nomade (e.a. Roms, Voyageurs, Manouches);
  6° un document dressé par une instance officielle du pays d'origine dont il ressort que la personne précitée appartient aux Roms. En cas de documents dressés dans une autre langue que le néerlandais, le français, l'anglais ou l'allemand, il peut être demandé une traduction néerlandaise, rédigée par un traducteur juré belge;
  7° pendant la période que court la procédure d'asile, un document joint à la demande d'asile dans lequel il est déclaré que le demandeur est Roma;
  8° une déclaration d'un centre d'asile que la personne précitée est connue comme tsigane Roma;
  9° une déclaration du bourgmestre que l'adresse mentionnée est un terrain spécifiquement destiné à la population itinérante ayant une culture nomade (Roms, Voyageurs, Manouches).
  Les attestations sur l'honneur qui sont utilisées pour rassembler les données sont conservées par l'école pendant au moins quinze ans.
  § 7. Par application de l'article 140, § 1er, 6°, septième alinéa, du décret, l'indicateur " qui vivent en dehors du milieu familial ", repris à l'article 140, § 1er, 6°, e), du décret, est déterminé sur la base d'une déclaration de la personne, de la structure ou du service social qui accueille l'élève temporairement ou de façon permanente.
  Les déclarations sur l'honneur qui sont utilisées pour rassembler les données sont conservées par l'école pendant au moins quinze ans. ".
Art.5. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2011, wordt een artikel 6bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
  " Art. 6bis. Met toepassing van artikel 140, § 1, 3°, van het decreet worden de vestigingsplaatsen in het Vlaamse Gewest gegeopositioneerd op basis van de geografische coördinaten, beschikbaar bij het Agentschap voor Geografische Informatie Vlaanderen, op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar. Daarbij wordt gebruikgemaakt van de technische voorschriften van de CRAB-specificaties, vermeld in artikel 5 van het ministerieel besluit van 25 maart 2011 tot vaststelling van de CRAB-specificaties.
  Indien de positie van een vestigingsplaats beschikbaar bij AGIV zich niet ten minste op het perceel bevindt waar de vestigingsplaats ligt, wordt er in afwijking van het eerste lid, gewerkt met de geopositie van de betrokken vestigingsplaats zoals deze, beschikbaar is in de bestanden van het ministerie van onderwijs en vorming.
  Met toepassing van artikel 140, § 1, 3°, van het decreet worden de vestigingsplaatsen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest gegeopositioneerd op basis van de geografische coördinaten, beschikbaar bij de dienst van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest die bevoegd is voor geopositionering, op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar.
  Indien de positie van een vestigingsplaats beschikbaar bij de dienst van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest die bevoegd is voor geopositionering, zich niet ten minste op het perceel bevindt waar de vestigingsplaats ligt, wordt er in afwijking van het derde lid, gewerkt met de geopositie van de betrokken vestigingsplaats zoals deze, beschikbaar is in de bestanden van het ministerie van onderwijs en vorming. ".
Art.5. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 septembre 2011, il est inséré un article 6bis, rédigé comme suit :
  " Art. 6bis. Par application de l'article 140, § 1er, 3°, du décret, les implantations dans la Région flamande sont géopositionnées sur la base des coordonnées géographiques disponibles auprès de l'Agentschap voor Geografische Informatie Vlaanderen " (Agence pour l'Information géographique de la Flandre), le premier jour de classe de février de l'année scolaire précédente. Il est fait usage des prescriptions techniques des spécifications du CRAB visées à l'article 5 de l'arrêté ministériel du 25 mars 2011 fixant les spécifications du CRAB.
  Si la position d'une implantation disponible auprès de l'AGIV ne se trouve pas sur la parcelle où se situe l'implantation, il est opéré, par dérogation à l'alinéa premier, avec la géoposition de l'implantation concernée telle que celle-ci est disponible dans les fichiers du Ministère de l'enseignement et de la formation.
  Par application de l'article 140, § 1er, 3°, du décret, les implantations dans la Région de Bruxelles-Capitale sont géopositionnées sur la base des coordonnées géographiques disponibles auprès du service de la Région de Bruxelles-Capitale compétent du géopositionnement, le premier jour de classe de février de l'année scolaire précédente.
  Si la position d'une implantation disponible auprès de l'AGIV ne se trouve pas sur la parcelle où se situe l'implantation, il est opéré, par dérogation à l'alinéa premier, avec la géoposition de l'implantation concernée telle que celle-ci est disponible dans les fichiers du Ministère de l'Enseignement et de la Formation. ".
Art.6. In artikel 7 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2008 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 november 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de zinsnede " op de instapdata, vermeld in artikel 12, § 2, van het decreet, " opgeheven;
  2° paragraaf 3, wordt vervangen door wat volgt :
  " § 3. Uit de lestijden bekomen ten gevolge van de herberekening vermeld in § 1 en uit de lestijden bekomen ten gevolge van de herberekening vermeld in artikel 173quinquies/1, § 2, van het decreet, kunnen betrekkingen worden ingericht :
  1° in het ambt van kleuteronderwijzer;
  2° in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding;
  3° voor de schooljaren 2012-2013, 2013-2014 en 2014-2015 na omzetting van de lestijden in het ambt van kinderverzorger, als er een tekort wordt vastgesteld aan kleuteronderwijzers met een vereist of een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs of aan kleuteronderwijzers met een ander bekwaamheidsbewijs die de opleiding bachelor in het onderwijs : kleuteronderwijs volgen. ";
  3° in paragraaf 4 worden de woorden " die op de verschillende instapdata worden bekomen en " opgeheven.
Art.6. A l'article 7 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 octobre 2008 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 novembre 2010, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, le membre de phrase " aux dates d'entrée visées à l'article 12, § 2, du décret, " est abrogé;
  2° la paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Les périodes obtenues à la suite du recalcul visé au § 1er et les périodes obtenues à la suite du recalcul visé à l'article 173quinquies/1, § 2, du décret, peuvent être utilisées pour la création d'emplois :
  1° dans la fonction d'instituteur préscolaire;
  2° dans la fonction de maître d'éducation physique;
  3° pour les années scolaires 2012-2013, 2013-2014 et 2014-2015, après conversion des périodes dans la fonction de puériculteur, à condition qu'un manque soit constaté d'instituteurs préscolaires ayant le titre requis ou un titre jugé siffusant ou d'instituteurs préscolaires possesseurs d'un autre titre qui suivent la formation de " bachelor in het onderwijs : kleuteronderwijs. ";
  3° dans le paragraphe 4, les mots " qui sont obtenues aux différentes dates d'entrée et " sont abrogés.
Art.7. In hetzelfde besluit worden de volgende artikelen opgeheven :
  1° artikel 8 en 9, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007;
  2° artikel 10, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 januari 2002 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 en 10 oktober 2008.
Art.7. Dans le même arrêté, les articles suivants sont abrogés :
  1° les articles 8 et 9, modifiés par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2007;
  2° l'article 10, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 janvier 2002 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 juillet 2007 et 10 octobre 2008.
Art.8. In hoofdstuk III, afdeling A, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 november 2010, wordt onderafdeling 2, dat bestaat uit artikel 11 tot en met 14, opgeheven.
Art.8. Au chapitre III, section A, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 novembre 2010, la sous-section 2, qui se compose des articles 11 à 14 inclus, est abrogée.
Art.9. In hetzelfde besluit worden de volgende artikelen opgeheven :
  1° artikel 23, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003;
  2° artikel 23bis en 23quater, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2005;
  3° artikel 23ter, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007;
  4° artikelen 23quinquies, 23sexies en 23septies, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 2005.
Art.9. Dans le même arrêté, les articles suivants sont abrogés :
  1° l'article 23, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 décembre 2003;
  2° les articles 23bis et 23quater, insérés par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 décembre 2005;
  3° l'article 23ter, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 décembre 2003 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2007;
  4° les articles 23quinquies, 23sexies et 23septies, insérés par l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 septembre 2005.
Art.10. In artikel 28 van hetzelfde besluit worden de woorden " het departement " vervangen door de woorden " het Agentschap voor Onderwijsdiensten ".
Art.10. A l'article 28 du même arrêté, les mots " le département " sont remplacés par les mots " l'"Agentschap voor Onderwijsdiensten" (agence de Services d'Enseignement) ".
Art.11. In artikel 29 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden " het departement " vervangen door de woorden " het Agentschap voor Onderwijsdiensten ";
  2° in paragraaf 2 worden de woorden " het departement Onderwijs " vervangen door de woorden " het Agentschap voor Onderwijsdiensten ".
Art.11. A l'article 29 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
  1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " le département " sont remplacés par les mots " l'"Agentschap voor Onderwijsdiensten" ";
  2° au paragraphe 2, les mots " le Département de l'Enseignement " sont remplacés par les mots " l'"Agentschap voor Onderwijsdiensten" ".
Art.12. In artikel 30bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 september 2008, wordt de zinsnede " 2009-2010 en 2010-2011 " vervangen door de zinsnede " 2009-2010, 2010-2011, 2011-2012, 2012-2013 en 2013-2014 ".
Art.12. A l'article 30bis du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 septembre 2008, le membre de phrase " 2009-2010 et 2010-2011 " est remplacé par le membre de phrase " 2009-2010, 2010-2011, 2011-2012, 2012-2013 et 2013-2014 ".
Art.13. In het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juni 1997 betreffende de opdracht van het personeel in het basisonderwijs, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 mei 2011, wordt een artikel 4ter ingevoegd, dat luidt als volgt :
  " Art. 4ter. Voor- en naschools toezicht buiten de normale aanwezigheid van de leerlingen en zelfstandig uitvoeren van een lesopdracht mogen in geen geval deel uitmaken van de opdracht van kinderverzorgers in het gewoon kleuteronderwijs. ".
Art.13. Dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 juin 1997 relatif à la charge du personnel dans l'enseignement fondamental, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 mai 2011, il est inséré un chapitre 4ter, rédigé comme suit :
  " Art. 4ter. La surveillance avant et après les heures de classe en dehors de la présence normale des élèves et l'exercice autonome d'une charge d'enseignement ne peuvent en aucun cas faire partir de la mission de puériculteurs dans l'enseignement maternel ordinaire. ".
Art.14. In artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juni 1997 betreffende de personeelsformatie in het buitengewoon basisonderwijs, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 20 januari 2006 en 16 mei 2008, wordt de zinsnede " artikel 132 " vervangen door de zinsnede " artikel 137ter ".
Art.14. A l'article 6 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 juin 1997 relatif au cadre organique dans l'enseignement fondamental spécial, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 20 janvier 2006 et 16 mai 2008, le membre de phrase " l'article 132 " est remplacé par le membre de phrase " l'article 137ter ".
Art.15. In artikel 10 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2008, wordt de zinsnede " artikel 132, § 6 " vervangen door de zinsnede " artikel 137bis, § 5, ".
Art.15. A l'article 10 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2008, le membre de phrase " l'article 132, § 6 " est remplacé par le membre de phrase " l'article 137bis, § 5, ".
Art.16. In artikel 26 en 27 van hetzelfde besluit worden de woorden " het departement " telkens vervangen door de woorden " het Agentschap voor Onderwijsdiensten ".
Art.16. Aux articles 26 et 27 du même arrêté, les mots " le département " sont chaque fois remplacés par les mots " l'"Agentschap voor Onderwijsdiensten" ".
Art.17. In artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juni 1997 betreffende de programmatie- en de rationalisatienormen in het gewoon basisonderwijs worden de woorden " het departement " vervangen door de woorden " het Agentschap voor Onderwijsdiensten ".
Art.17. A l'article 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 juin 1997 relatif aux normes de programmation et de rationalisation dans l'enseignement fondamental ordinaire, les mots " le département " sont remplacés par les mots " l'"Agentschap voor Onderwijsdiensten" (Agence de Services d'Enseignement) ".
Art.18. In artikel 9 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden " het departement " vervangen door de woorden " het Agentschap voor Onderwijsdiensten ";
  2° in paragraaf 2 worden de woorden " het departement Onderwijs " vervangen door de woorden " het Agentschap voor Onderwijsdiensten ".
Art.18. A l'article 9 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
  1° au paragrapge 1er, alinéa 1er, les mots " du département " sont remplacés par les mots " de l'"Agentschap voor Onderwijsdiensten" ";
  2° au paragraphe 2, les mots " le Département de l'Enseignement " sont remplacés par les mots " l'"Agentschap voor Onderwijsdiensten" ".
Art.19. Artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 september 2006 betreffende de toekenning van aanvullende lestijden voor de integratie van anderstaligen wordt vervangen door wat volgt :
  " Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde Nederlandstalige scholen van het buitengewoon basisonderwijs in de rand- en taalgrensgemeenten, op de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde scholen van het buitengewoon basisonderwijs in de gemeenten die grenzen aan de randgemeenten, en op de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde scholen van het buitengewoon basisonderwijs in de gemeenten die grenzen aan het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. ".
Art.19. L'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er septembre 2006 relatif à l'octroi de périodes de cours complémentaires destinées à promouvoir l'intégration des élèves allophones est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 1er. Le présent arrêté est applicable aux écoles néerlandophones d'enseignement fondamental spécial financiées et subventionnées par la Communauté flamande dans les communes périphériques et les communes de la frontière linguistique, aux écoles d'enseignement fondamental spécial financées et subventionnées par la Communauté flamande dans les communes limitrophes des communes périphériques, et aux écoles d'enseignement fondamental spécial financées et subventionnées par la Communauté flamande dans les communes limitrophes de la Région de Bruxelles-Capitale. ".
Art.20. Artikel 5/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2011, wordt opgeheven.
Art.20. L'article 5/1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2011, est abrogé.
Art.21. In artikel 6 van hetzelfde besluit wordt paragraaf 1 opgeheven
Art.21. A l'article 6 du même arrêté, le paragraphe 1er est abrogé.
Art.22. In artikel 7 van hetzelfde besluit worden de woorden " het departement " telkens vervangen door de woorden " het Agentschap voor Onderwijsdiensten ".
Art.22. A l'article 7 du même arrêté, les mots " le département " sont chaque fois remplacés par les mots " l'"Agentschap voor Onderwijsdiensten" (agence de Service d'Enseignement. ".
Art.23. In artikel 14, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2009 betreffende het ondersteuningsaanbod voor gelijke onderwijskansen in het buitengewoon basisonderwijs worden de woorden " het departement " vervangen door de woorden " het Agentschap voor Onderwijsdiensten ".
Art.23. A l'article 14, alinéa 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 octobre 2009 relatif à l'offre d'appui à l'égalité des chances en éducation dans l'enseignement fondamental spécial, les mots " le Département " sont remplacés par les mots " l'"Agentschap voor Onderwijsdiensten" (Agence de Services d'Enseignement) ".
Art.24. De volgende regelingen worden opgeheven :
  1° het besluit van de Vlaamse Regering van 22 december 1993 houdende maatregelen ter uitvoering van het project " geïntegreerde opvang van kinderen van zigeuners of woonwagenbewoners " in het basisonderwijs, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 10 mei 1995 en 9 juli 1996;
  2° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende het geïntegreerd ondersteuningsaanbod in het gewoon basisonderwijs, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 29 april 2005, 7 september 2007 en 10 oktober 2008;
  3° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2006 betreffende het tijdelijke project voor de toekenning van extra lestijden aan de scholen van het basisonderwijs in de gemeenten die grenzen aan de Brusselse randgemeenten en in de gemeenten die grenzen aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Art.24. Les règlements suivants sont abrogés :
  1° l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 décembre 1993 portant des mesures d'exécution du projet " Accueil intégré d'enfants de nomades et de forains " dans l'enseignement fondamental, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 10 mai 1995 et 9 juillet 1996;
  2° l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 relatif à l'offre d'appui intégrée dans l'enseignement fondamental ordinaire, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 29 avril 2005, 7 septembre 2007 et 10 octobre 2008;
  3° l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 mars 2006 relatif au projet temporaire pour l'octroi de périodes supplémentaires aux écoles de l'enseignement fondamental dans les communes limitrophes des communes de la périphérie bruxelloise et dans les communes limitrophes de la Région de Bruxelles-Capitale.
Art.25. Aan artikel 2, § 5, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2005, wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " 4° Voor de toepassing van dit besluit moet in het gewoon kleuteronderwijs bij een vermindering van het gehele pakket lestijden de daling van het aantal lestijden evenredig verdeeld worden tussen het aantal lestijden in het ambt van kleuteronderwijzer enerzijds en het aantal lestijden in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding anderzijds.
  Er wordt afgerond naar de hogere eenheid als de eerste decimaal vijf is of meer. Die afronding mag niet tot gevolg hebben dat het aantal lestijden, bestemd voor kleuteronderwijzer en leermeester lichamelijk opvoeding, berekend volgens de geldende reglementering, overschreven wordt. ".
Art.25. A l'article 2, § 5, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 avril 1992 relatif à la répartition de fonctions, à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation, à la remise au travail et à l'attribution d'un traitement d'attente ou d'une subvention-traitement d'attente, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 décembre 2003 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 septembre 2005, il est ajouté un point 4° ainsi rédigé :
  " 4° Pour l'application du présent arrêté, il faut que, lors d'une diminution du capital-périodes global dans l'enseignement maternel ordinaire, cette diminution soit répartie proportionnellement entre le nombre de périodes dans la fonction d'instituteur préscolaire d'une part et, d'autre part, le nombre de périodes dans la fonction de maître d'éducation physique.
  Si la première décimale est 5 ou plus, il faut arrondir à l'unité supérieure. Cet arrondissement ne peut avoir pour conséquence, que le nombre de périodes destinées à l'instituteur préscolaire et au maître d'éducation physique, calculées selon la réglementation en vigueur, soit dépassé. ".
Art.26. Aan artikel 20 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2010, wordt een paragraaf 6bis ingevoegd, die luidt als volgt :
  " § 6bis. In het gewoon kleuteronderwijs gelden de volgende specifieke maatregelen bij een vermindering van het gehele pakket lestijden voor het bestuurs- en onderwijzend personeel.
  Als een school of instelling ten opzichte van 30 juni van het voorafgaande schooljaar minder lestijden heeft binnen het lestijdenpakket voor het bestuurs- en onderwijzend personeel, kan dat tot gevolg hebben dat de school of de instelling een of meer betrekkingen van kleuteronderwijzer of van leermeester lcihamelijke opvoeding minder kan inrichten.
  Bij daling van het gehele pakket lestijden moet de daling van het aantal lestijden evenredig verdeeld worden tussen het aantal lestijden in het ambt van kleuteronderwijzer enerzijds en het aantal lestijden in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding anderzijds. Het gaat hier altijd om lestijden die in de school of instelling in kwestie werden aangewend op 30 juni van het voorafgaande schooljaar. ".
Art.26. A l'article 20 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 mai 2010, il est ajouté un paragraphe 6bis, rédigé comme suit :
  " § 6bis. L'enseignement maternel ordinaire est régi par les mesures spécifiques suivantes, en cas d'une réduction du capital-périodes global pour le personnel directeur et enseignant.
  Si, par rapport au 30 juin de l'année scolaire précédente, une école ou un établissement dispose de moins de périodes dans le capital-périodes pour le personnel directeur et enseignant, il est possible que l'école ou l'établissement puisse organiser un ou plusieurs emplois d'institueur préscolaire ou de maître d'éducation physique en moins.
  En cas d'une diminution du capital-périodes global, la diminution du nombre de périodes doit être répartie proportionnellement entre le nombre de périodes dans la fonction d'instituteur préscolaire d'une part et le nombre de périodes dans la fonction de maître d'éducation physique d'autre part. Il s'agit ici toujours de périoides affectées au 30 juin de l'année scolaire précédente dans l'école ou l'établissement en question. ".
Art.27. In het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 betreffende de vervangingen van de korte afwezigheden wordt artikel 3, 3° en 4°, vervangen door wat volgt :
  " 3° de coëfficiënt, bestemd om het aantal vervangingseenheden per school te bepalen voor een schooljaar, wordt vastgesteld door het totale aantal vervangingseenheden voor het basisonderwijs te delen door het totale aantal lestijden voor het basisonderwijs van het vorige schooljaar, waarbij onder het totale aantal lestijden voor het basisonderwijs wordt verstaan de som van het totale aantal :
  a) lestijden volgens de schalen;
  b) SES-lestijden;
  c) additionele lestijden volgens de schalen gebaseerd op de leerling-leerkracht ratio;
  d) aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid in het buitengewoon basisonderwijs;
  e) aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing;
  4° het aantal vervangingseenheden per school wordt voor een schooljaar berekend door de vervangingscoëfficiënt te vermenigvuldigen met het totale aantal lestijden van de school van het vorige schooljaar, waarbij onder het totale aantal lestijden van de school van het vorige schooljaar wordt verstaan de som van het totale aantal :
  a) lestijden volgens de schalen;
  b) SES-lestijden;
  c) additionele lestijden volgens de schalen gebaseerd op de leerling-leerkracht ratio;
  d) aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid in het buitengewoon basisonderwijs;
  e) aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing.
Art.27. A l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mai 2009 relatif aux remplacements d'absences de courte durée, l'article 3, 3° et 4°, est remplacé par ce qui suit :
  " 3° le coefficient destiné à la détermination du nombre d'unités de remplacement par école pour une année scolaire est fixé en divisant le nombre total d'unités de remplacement pour l'enseignement fondamental par le nombre total de périodes de cours pour l'enseignement fondamental de l'année scolaire précédente; dans le présent point, il y a lieu de comprendre par " nombre total de périodes de cours pour l'enseignement fondamental " la somme du nombre total de :
  a) périodes de cours suivant les échelles;
  b) périodes SES;
  c) périodes complémentaires destinées à la conduite d'une politique d'égalité des chances dans l'enseignement fondamental spécial;
  d) périodes complémentaires destinées à la conduite d'une politique d'égalité des chances dans l'enseignement fondamental spécial;
  e) périodes complémentaires de religion, morale non confessionnelle et formation culturelle;
  4° pour une année scolaire, le nombre d'unités de remplacement par école est calculé en multipliant le coefficient de remplacement par le nombre total de périodes de cours de l'école de l'année scolaire précédente; dans le présent point, il y a lieu de comprendre par " nombre total de périodes de cours de l'école de l'année scolaire précédente " la somme du nombre total de :
  a) périodes de cours suivant les échelles;
  b) périodes SES;
  c) périodes complémentaires destinées à la conduite d'une politique d'égalité des chances dans l'enseignement fondamental spécial;
  d) périodes complémentaires destinées à la conduite d'une politique d'égalité des chances dans l'enseignement fondamental spécial;
  e) périodes complémentaires de religion, morale non confessionnelle et formation culturelle.
Art.28. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 2012, met uitzondering van artikel 12, dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 2011 en artikel 27 dat in werking treedt op 1 september 2013.
Art.28. Le présent arrêté produit ses effets le 1er septembre 2012, à l'exception de l'article 12, qui produit ses effets le 1er septembre 2011 et de l'article 27 qui entre en vigeur le 1er septembre 2013.
Art. 29. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 29. Le Ministre flamand qui a l'enseignement dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
  Brussel, 12 oktober 2012.
  De minister-president van de Vlaamse Regering,
  K. PEETERS
  De Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel,
  P. SMET
  Bruxelles, le 12 octobre 2012.
  Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
  K. PEETERS
  Le Ministre flamand de l'Enseignement, de la Jeunesse, de l'Egalité des Chances et des Affaires bruxelloises,
  P. SMET