Artikel 1. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 10° wordt vervangen door wat volgt :
" 10° "huishoudelijk afvalwater" : afvalwater dat alleen bestaat uit het water dat afkomstig is van :
a) normale huishoudelijke activiteiten;
b) sanitaire installaties;
c) keukens;
d) het reinigen van gebouwen, zoals woningen, kantoren, plaatsen waar groot- of kleinhandel wordt gedreven, zalen voor vertoningen, kazernen, kampeerterreinen, gevangenissen, onderwijsinrichtingen met of zonder internaat, zwembaden, hotels, restaurants, drankgelegenheden, kapsalons;
e) wassalons, waar de toestellen uitsluitend door het cliënteel zelf worden bediend.
Afvalwaterstromen van verzorgingsinstellingen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 5.49.0.4 van titel II van het VLAREM, worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld met huishoudelijk afvalwater; ";
2° in punt 23°, a), wordt de zinsnede " het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 " vervangen door de zinsnede " de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 ";
3° in punt 23°, b) en c), wordt de zinsnede " het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening " vervangen door de zinsnede " de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 ";
4° er worden een punt 56° tot en met 63° toegevoegd, die luiden als volgt :
" 56° " dierenbegraafplaats " : een plaats waar collectief krengen van gezelschapsdieren worden begraven;
57° " gezelschapsdieren " : alle dieren van soorten die gewoonlijk door de mens worden gevoed en gehouden, maar die niet gegeten worden, en die niet voor veeteelt gehouden worden;
58° " collectief begraven van krengen van gezelschapsdieren " : alle andere begravingen van krengen van gezelschapsdieren, dan de individuele begraving door de eigenaar van het kreng, in de eigen tuin;
59° " hippotherapie " : het doelgericht therapeutisch (be)handelen met het paard als medium;
60° " hogedrempel-Seveso-inrichting " : een inrichting die is ingedeeld in subrubriek 17.2.2 van de indelingslijst;
61° " veiligheidsnota " : openbaar document waarin aangetoond wordt dat de verandering van een vergunde inrichting geen bijkomend risico van zware ongevallen voor mens en milieu meebrengt ten opzichte van de bestaande toestand, zoals die beschreven is in een voor die inrichting goedgekeurd omgevingsveiligheidsrapport, en waarbij met betrekking tot die verandering wordt aangetoond welke maatregelen getroffen zijn of kunnen worden getroffen om zware ongevallen te voorkomen en om de gevolgen ervan voor mens en milieu te beperken;
62° " Verordening Dierlijke Bijproducten (EG) nr. 1069/2009 " : verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002;
63° " Verordening (EG) nr. 142/2011 " : verordening (EG) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn. ".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
23 DECEMBER 2011. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende de vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, wat betreft de actualisatie van voormelde besluiten aan de evolutie van de techniek
Titre
23 DECEMBRE 2011. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 février 1991 fixant le règlement flamand relatif à l'autorisation écologique et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement, pour ce qui concerne l'actualisation des arrêtés précités par rapport à l'évolution de la technique
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van titel I van het ...
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de bijlagen van ...
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van titel II van het...
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van de bijlagen van ...
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen in het besluit van d...
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen in het besluit van d...
HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen
BIJLAGEN.
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Modifications du titre Ier du V...
CHAPITRE 2. - Modifications aux annexes du titr...
CHAPITRE 3. - Modifications au titre II du Vlarem
CHAPITRE 4. - Modifications aux annexes du titr...
CHAPITRE 5. - Modification à l'arrêté du Gouver...
CHAPITRE 6. - Modifications à l'arrêté du Gouve...
CHAPITRE 7. - Dispositions finales
ANNEXES.
Tekst (234)
Texte (234)
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van titel I van het VLAREM
CHAPITRE 1er. - Modifications du titre Ier du VLAREM
Article 1er. A l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 février 1991 fixant le règlement flamand relatif à l'autorisation écologique, modifiée dernièrement par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010, sont apportées les modifications suivantes :
1° le point 10° est remplacé par la disposition suivante :
" 10° " eaux usées domestiques " : eaux usées ne comprenant que des eaux provenant :
a) d'activités domestiques normales;
b) d'installations sanitaires;
c) de cuisines;
d) du nettoyage de bâtiments tels que maisons, bureaux, lieux d'activités de commerce en gros ou en détail, salles de représentations, casernes, terrains de camping, prisons, établissements d'enseignement avec ou sans internat, piscines, hôtels, restaurants, débits de boissons, salons de coiffure;
e) de laveries, dans lesquelles les machines sont commandées exploités par les clients-mêmes.
Les eaux usées provenant de structures de soins qui répondent aux conditions de l'article 5.49.0.4 du titre II du VLAREM, sont assimilées aux eaux usées domestiques en vue de l'application du présent arrêté; ";
2° au point 23°, a), la partie de phrase " le décret relatif à l'aménagement du territoire du 28 octobre 1996 " est remplacée par la partie de phrase " le Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ";
3° au point 23°, b) et c), la partie de phrase " le décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire du 28 octobre 1996 " est remplacée par la partie de phrase " le Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ";
4° il est ajouté les points 56° à 63° inclus rédigés comme suit :
" 56° " cimetière pour animaux " : un endroit où des cadavres d'animaux de compagnie sont collectivement inhumés;
57° " animaux de compagnie " : tous les animaux des espèces normalement nourries et détenues par l'homme, mais pas mangées, et non destinées à la culture de bétail;
58° " inhumation collective de cadavres d'animaux de compagnie " : toutes les inhumations de cadavres d'animaux de compagnie autres que l'inhumation individuelle par le propriétaire du cadavre dans le propre jardin;
59° " hippothérapie " : le traitement/action thérapeutique ciblé(e) en utilisant le cheval comme moyen;
60° " établissement Seveso haut seuil " : un établissement classé dans la sous-rubrique 17.2.2 de la liste de classification;
61° " note de sécurité " : document public dans lequel il est démontré que le changement d'un établissement autorisé n'implique pas de risque supplémentaire d'accidents graves pour l'homme et l'environnement par rapport à l'état existant tel que décrit dans un rapport sécurité environnementale approuvé, et dans lequel il est démontré, en matière de ce changement, quelles mesures ont été ou peuvent être prises pour prévenir les accidents majeurs et en limiter les conséquences pour l'homme et l'environnement;
62° " Règlement relatif aux sous-produits animaux (CE) n° 1069/2009 " : le Règlement (CE) n° 1774/2009 du Parlement européen et du Conseil du 21 octobre 2009 établissant les règles sanitaires applicables aux sous-produits animaux non destinés à la consommation humaine et abrogeant le Règlement (CE) n° 1774/2002;
63° " Règlement (CE) n° 142/2011 " : Règlement (CE) n° 142/2011 de la Commission du 25 février 2011 portant application du Règlement (CE) n° 1069/2009 du Parlement européen et du Conseil établissant des règles sanitaires applicables aux sous-produits animaux et produits dérivés non destinés à la consommation humaine et portant application de la Directive 97/78/CE du Conseil en ce qui concerne certains échantillons et articles exemptés des contrôles vétérinaires effectués aux frontières en vertu de cette directive. ".
1° le point 10° est remplacé par la disposition suivante :
" 10° " eaux usées domestiques " : eaux usées ne comprenant que des eaux provenant :
a) d'activités domestiques normales;
b) d'installations sanitaires;
c) de cuisines;
d) du nettoyage de bâtiments tels que maisons, bureaux, lieux d'activités de commerce en gros ou en détail, salles de représentations, casernes, terrains de camping, prisons, établissements d'enseignement avec ou sans internat, piscines, hôtels, restaurants, débits de boissons, salons de coiffure;
e) de laveries, dans lesquelles les machines sont commandées exploités par les clients-mêmes.
Les eaux usées provenant de structures de soins qui répondent aux conditions de l'article 5.49.0.4 du titre II du VLAREM, sont assimilées aux eaux usées domestiques en vue de l'application du présent arrêté; ";
2° au point 23°, a), la partie de phrase " le décret relatif à l'aménagement du territoire du 28 octobre 1996 " est remplacée par la partie de phrase " le Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ";
3° au point 23°, b) et c), la partie de phrase " le décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire du 28 octobre 1996 " est remplacée par la partie de phrase " le Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ";
4° il est ajouté les points 56° à 63° inclus rédigés comme suit :
" 56° " cimetière pour animaux " : un endroit où des cadavres d'animaux de compagnie sont collectivement inhumés;
57° " animaux de compagnie " : tous les animaux des espèces normalement nourries et détenues par l'homme, mais pas mangées, et non destinées à la culture de bétail;
58° " inhumation collective de cadavres d'animaux de compagnie " : toutes les inhumations de cadavres d'animaux de compagnie autres que l'inhumation individuelle par le propriétaire du cadavre dans le propre jardin;
59° " hippothérapie " : le traitement/action thérapeutique ciblé(e) en utilisant le cheval comme moyen;
60° " établissement Seveso haut seuil " : un établissement classé dans la sous-rubrique 17.2.2 de la liste de classification;
61° " note de sécurité " : document public dans lequel il est démontré que le changement d'un établissement autorisé n'implique pas de risque supplémentaire d'accidents graves pour l'homme et l'environnement par rapport à l'état existant tel que décrit dans un rapport sécurité environnementale approuvé, et dans lequel il est démontré, en matière de ce changement, quelles mesures ont été ou peuvent être prises pour prévenir les accidents majeurs et en limiter les conséquences pour l'homme et l'environnement;
62° " Règlement relatif aux sous-produits animaux (CE) n° 1069/2009 " : le Règlement (CE) n° 1774/2009 du Parlement européen et du Conseil du 21 octobre 2009 établissant les règles sanitaires applicables aux sous-produits animaux non destinés à la consommation humaine et abrogeant le Règlement (CE) n° 1774/2002;
63° " Règlement (CE) n° 142/2011 " : Règlement (CE) n° 142/2011 de la Commission du 25 février 2011 portant application du Règlement (CE) n° 1069/2009 du Parlement européen et du Conseil établissant des règles sanitaires applicables aux sous-produits animaux et produits dérivés non destinés à la consommation humaine et portant application de la Directive 97/78/CE du Conseil en ce qui concerne certains échantillons et articles exemptés des contrôles vétérinaires effectués aux frontières en vertu de cette directive. ".
Art. 2. In artikel 4, § 2, tweede lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 1999, in artikel 42, § 5, 1°, toegevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 1999 en in artikel 51, § 1, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 oktober 1992 en 12 januari 1999 worden de woorden " bestendige deputatie van de provincie " vervangen door het woord " deputatie ".
Art. 2. A l'article 4, § 2, alinéa deux, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 janvier 1999, à l'article 42, § 5, 1°, ajouté par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 janvier 1999 et à l'article 51, § 1er, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 28 octobre 1992 et 12 janvier 1999, les mots " députation permanente de la province " sont remplacés par le mot " députation ".
Art. 3. In artikel 6, § 1, 1°, inleidende zin, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 september 2009, worden de woorden " bestendige deputatie van de provincie " en de woorden " bestendige deputaties van de provincies " respectievelijk vervangen door het woord " deputatie " en het woord " deputaties ".
Art. 3. A l'article 6, § 1er, 1°, phrase introductive, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 janvier 1999 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 septembre 2009, les mots " députation permanente de la province " et les mots " députations permanentes des provinces " sont respectivement remplacés par le mot " députation " et par le mot " députations ".
Art. 4. In artikel 6quater van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 september 2003, 12 mei 2006, 7 maart 2008 en 19 september 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan paragraaf 3, wordt de volgende zin toegevoegd :
" Als de mededeling betrekking heeft op een verandering in een hogedrempel-Seveso-inrichting, ofwel van de hoeveelheid of de fysische vorm van de gevaarlijke stoffen, ofwel van de processen of de installaties waarbij gevaarlijke stoffen worden gebruikt, wordt daarenboven een exemplaar gestuurd naar de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportering. ";
2° in paragraaf 4 en 5 worden de woorden " bestendige deputatie van de provincie " vervangen door het woord " deputatie ".
1° aan paragraaf 3, wordt de volgende zin toegevoegd :
" Als de mededeling betrekking heeft op een verandering in een hogedrempel-Seveso-inrichting, ofwel van de hoeveelheid of de fysische vorm van de gevaarlijke stoffen, ofwel van de processen of de installaties waarbij gevaarlijke stoffen worden gebruikt, wordt daarenboven een exemplaar gestuurd naar de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportering. ";
2° in paragraaf 4 en 5 worden de woorden " bestendige deputatie van de provincie " vervangen door het woord " deputatie ".
Art. 4. A l'article 6quater du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 janvier 1999 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1er septembre 2003, 12 mai 2006, 7 mars 2008 et 19 septembre 2008, sont apportées les modifications suivantes :
1° le paragraphe 3 est complété par la phrase suivante :
" Si la communication concerne un changement dans un établissement Seveso haut seuil, soit de la quantité ou de la forme physique des substances dangereuses, ou des procédés ou des installations où des substances dangereuses sont utilisées, une copie est en outre envoyée au département responsable des rapports de sécurité. ";
2° aux paragraphes 4 et 5, les mots " députation permanente de la province " sont remplacés par le mot " députation ".
1° le paragraphe 3 est complété par la phrase suivante :
" Si la communication concerne un changement dans un établissement Seveso haut seuil, soit de la quantité ou de la forme physique des substances dangereuses, ou des procédés ou des installations où des substances dangereuses sont utilisées, une copie est en outre envoyée au département responsable des rapports de sécurité. ";
2° aux paragraphes 4 et 5, les mots " députation permanente de la province " sont remplacés par le mot " députation ".
Art. 5. Aan artikel 18, § 2, derde lid, van hetzelfde besluit wordt de volgende zinsnede toegevoegd :
" of in minstens een dag- of weekblad met regionaal karakter en op een voor bekendmakingen geëigende en opvallende plaats op de website van de gemeente. ".
" of in minstens een dag- of weekblad met regionaal karakter en op een voor bekendmakingen geëigende en opvallende plaats op de website van de gemeente. ".
Art. 5. A l'article 18, alinéa trois, du même arrêté, la partie phrase suivante est ajoutée : " ou au moins dans un quotidien ou hebdomadaire à caractère régional et à un endroit approprié et bien en vue pour avis sur le site web de la commune. ".
Art. 6. In artikel 20 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de inleidende zin worden de woorden " bestendige deputatie van de provincie " vervangen door het woord " deputatie ";
2° in paragraaf 1, 2°, a) en c), wordt de zinsnede " door artikel 193, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening " vervangen door de zinsnede " door artikel 7.2.1, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 ";
3° in paragraaf 2, 2°, b), wordt de zinsnede " door artikel 193, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening " vervangen door de zinsnede " door artikel 7.2.1, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 ".
1° in de inleidende zin worden de woorden " bestendige deputatie van de provincie " vervangen door het woord " deputatie ";
2° in paragraaf 1, 2°, a) en c), wordt de zinsnede " door artikel 193, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening " vervangen door de zinsnede " door artikel 7.2.1, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 ";
3° in paragraaf 2, 2°, b), wordt de zinsnede " door artikel 193, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening " vervangen door de zinsnede " door artikel 7.2.1, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 ".
Art. 6. A l'article 20 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 décembre 2009, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans la phrase introductive, les mots " députation permanente de la province " sont remplacés par le mot " députation ".
2° au paragraphe 1er, a) et c) la partie de phrase " l'article 193, § 1er, du décret du 18 mai 1999 portant l'organisation de l'aménagement du territoire " sont remplacés par la partie de phrase " l'article 7.2.1, § 1er, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ";
3° au paragraphe 2, 2°, b) la partie de phrase " l'article 193, § 1er, du décret du 18 mai 1999 portant l'organisation de l'aménagement du territoire " sont remplacés par la partie de phrase " l'article 7.2.1, § 1er, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ";
1° dans la phrase introductive, les mots " députation permanente de la province " sont remplacés par le mot " députation ".
2° au paragraphe 1er, a) et c) la partie de phrase " l'article 193, § 1er, du décret du 18 mai 1999 portant l'organisation de l'aménagement du territoire " sont remplacés par la partie de phrase " l'article 7.2.1, § 1er, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ";
3° au paragraphe 2, 2°, b) la partie de phrase " l'article 193, § 1er, du décret du 18 mai 1999 portant l'organisation de l'aménagement du territoire " sont remplacés par la partie de phrase " l'article 7.2.1, § 1er, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ";
Art. 7. Aan artikel 21 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, wordt een paragraaf 11 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 11. Het advies van de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportering, bevat de volgende gegevens : een gemotiveerde beoordeling van de veiligheidsnota. ".
" § 11. Het advies van de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportering, bevat de volgende gegevens : een gemotiveerde beoordeling van de veiligheidsnota. ".
Art. 7. A l'article 21 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010, il est ajouté un paragraphe 11, rédigé comme suit :
" § 11. L'avis de la division responsable des rapports de sécurité, comprend les données suivantes : une évaluation motivée de la note de sécurité. ".
" § 11. L'avis de la division responsable des rapports de sécurité, comprend les données suivantes : une évaluation motivée de la note de sécurité. ".
Art. 8. In artikel 22 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 12 januari 1999, 7 maart 2008 en 19 september 2008 en 4 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 worden de woorden " Bestendige Deputatie van de provincieraad " vervangen door het woord " deputatie ";
2° in paragraaf 2, 1° en 2°, worden de woorden " Bestendige Deputatie van de provincieraad " vervangen door het woord " deputatie ";
3° in paragraaf 2, 3°, wordt de zinsnede " door artikel 193, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening " vervangen door de zinsnede " door artikel 7.2.1, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 ";
4° in paragraaf 2, 5°, worden de woorden " Bestendige Deputatie " vervangen door het woord " deputatie ";
5° in paragraaf 2, 5°, wordt de zinsnede " , met dien verstande dat zij niet mogen behoren tot het college van deskundigen bedoeld in artikel 7, § 5 van het decreet " opgeheven.
1° in paragraaf 1 worden de woorden " Bestendige Deputatie van de provincieraad " vervangen door het woord " deputatie ";
2° in paragraaf 2, 1° en 2°, worden de woorden " Bestendige Deputatie van de provincieraad " vervangen door het woord " deputatie ";
3° in paragraaf 2, 3°, wordt de zinsnede " door artikel 193, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening " vervangen door de zinsnede " door artikel 7.2.1, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 ";
4° in paragraaf 2, 5°, worden de woorden " Bestendige Deputatie " vervangen door het woord " deputatie ";
5° in paragraaf 2, 5°, wordt de zinsnede " , met dien verstande dat zij niet mogen behoren tot het college van deskundigen bedoeld in artikel 7, § 5 van het decreet " opgeheven.
Art. 8. A l'article 22 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 12 janvier 1999, 7 mars 2008, 19 septembre 2008 et 4 décembre 2009, sont apportées les modifications suivantes :
1° aux paragraphes 1er et 5, les mots " députation permanente de la province " sont remplacés par le mot " députation ".
2° aux paragraphes 2, 1° et 5, les mots " députation permanente de la province " sont remplacés par le mot " députation ".
3° au paragraphe 2, 3°, la partie de phrase " l'article 193, § 1er, du décret du 18 mai 1999 portant l'organisation de l'aménagement du territoire " sont remplacés par la partie de phrase " l'article 7.2.1, § 1er, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ";
4° au § 2, 5°, les mots " députation permanente de la province " sont remplacés par le mot " députation ";
5° au paragraphe 2, 5°, la partie de phrase " , à condition qu'ils ne peuvent pas appartenir au collège d'experts visé à l'article 7, § 5, du décret " sont supprimés.
1° aux paragraphes 1er et 5, les mots " députation permanente de la province " sont remplacés par le mot " députation ".
2° aux paragraphes 2, 1° et 5, les mots " députation permanente de la province " sont remplacés par le mot " députation ".
3° au paragraphe 2, 3°, la partie de phrase " l'article 193, § 1er, du décret du 18 mai 1999 portant l'organisation de l'aménagement du territoire " sont remplacés par la partie de phrase " l'article 7.2.1, § 1er, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ";
4° au § 2, 5°, les mots " députation permanente de la province " sont remplacés par le mot " députation ";
5° au paragraphe 2, 5°, la partie de phrase " , à condition qu'ils ne peuvent pas appartenir au collège d'experts visé à l'article 7, § 5, du décret " sont supprimés.
Art. 9. In artikel 23, § 4, eerste lid, in artikel 24, § 6, in artikel 44, § 2, 1°, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, in artikel 49, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 12 januari 1999, 23 april 2004 en 19 september 2008, in artikel 52, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 oktober 1992, 12 januari 1999, 7 maart 2008 en 19 september 2008, in artikel 54, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 april 2004, 19 september 2008 en 24 april 2009, in artikel 55, § 1, en in artikel 72, 1°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, worden de woorden " Bestendige Deputatie van de provincieraad " telkens vervangen door het woord " deputatie ".
Art. 9. A l'article 23, § 4, alinéa premier, à l'article 24, § 6, à l'article 44, § 2, 1°, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mars 2008, à l'article 49, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 12 janvier 1999, 23 avril 2004 et 19 septembre 2008, à l'article 52, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 28 octobre 1992, 12 janvier 1999, 7 mars 2008 et 19 septembre 2008, à l'article 54, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 23 avril 2004, 19 septembre 2008 et 24 avril 2009, à l'article 55, § 1er, et à l'article 72, 1°, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mars 2008, les mots " députation permanente de la province " sont chaque fois remplacés par le mot " députation ".
Art. 10. In artikel 30, § 6, derde lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 1992 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 1999, wordt het artikelnummer " 36, 4°, b) " vervangen door het artikelnummer " 36, 5°, b) ".
Art. 10. A l'article 30, § 6, alinéa trois, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 1992 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 janvier 1999, le numéro d'article " 36, 4°, b) " est remplacé par le numéro d'article " 36, 5°, b) ".
Art. 11. In artikel 35 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 oktober 1992, 12 januari 1999, 29 september 2000, 7 maart 2008 en 19 september 2008, worden de woorden " Bestendige Deputatie " en de woorden " Bestendige Deputatie van de provincieraad " telkens vervangen door het woord " deputatie ".
Art. 11. A l'article 35 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 28 octobre 1992, 12 janvier 1999, 29 septembre 2000, 7 mars 2008 et 19 septembre 2008, les mots " députation permanente de la province " sont chaque fois remplacés par le mot " députation ".
Art. 12. In artikel 38, § 2, 1°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 1999, worden de woorden " bestendige deputatie van de provincieraad " en de woorden " bestendige deputatie van de provincie " telkens vervangen door het woord " deputatie ".
Art. 12. A l'article 38, § 2, 1°, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 janvier 1999, les mots " députation permanente de la province " sont chaque fois remplacés par le mot " députation ".
Art. 13. In artikel 40, § 2, 1°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering, van 12 januari 1999 en 30 april 2009, worden de woorden " bestendige deputatie van de provincie " telkens vervangen door het woord " deputatie ".
Art. 13. A l'article 40, § 2, 1° du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 12 janvier 1999 et 30 avril 2009, les mots " députation permanente de la province " sont chaque fois remplacés par le mot " députation ".
Art. 14. In artikel 45, § 4, eerste lid, 2°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, worden de woorden " bestendige deputatie van de provincieraad " vervangen door het woord " deputatie ".
Art. 14. A l'article 45, alinéa premier, 2°, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, les mots "l'administration" sont remplacés par les mots "l'agence".
Art. 15. In artikel 45, § 4bis, zesde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005, wordt de zinsnede " , vermeld in § 4, 1°, c), " opgeheven.
Art. 15. A l'article 45, § 4bis, alinéa six, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005, le partie de phrase " visé au § 4, 1°, c), " est abrogé.
Art. 16. In artikel 50, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 oktober 1992, 12 januari 1999, 7 maart 2008 en 19 september 2008, worden de woorden " Bestendige Deputatie van de provincieraad ", de woorden " bestendige Deputatie van de provincie " en de woorden " Bestendige Deputatie van de provincie " telkens vervangen door het woord " deputatie ".
Art. 16. A l'article 50 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 28 octobre 1992, 12 janvier 1999, 7 mars 2008 et 19 septembre 2008, les mots " Députation permanente du conseil provincial " et les mots " Députation permanente de la province " sont chaque fois remplacés par le mot " députation ".
Art. 17. In artikel 53bis, § 2, 2°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009, worden de woorden " bestendige deputatie van de provincieraad ", de woorden " bestendige deputatie " en de woorden " Bestendige Deputatie van de provincie " telkens vervangen door het woord " deputatie ".
Art. 17. A l'article 53bis, § 2, 2°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 janvier 1999 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 avril 2009, les mots " Députation permanente du conseil provincial " et les mots " Députation permanente de la province " sont chaque fois remplacés par le mot " députation ".
Art. 18. In artikel 57quater, § 3, 4°, van hetzelfde besluit wordt het woord " bestendige " opgeheven.
Art. 18. A l'article 57quater, § 3, 4°, du même arrêté, le mot "permanente" est abrogé.
Art. 19. In hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk XIVter ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Hoofdstuk XIVter. - Gebruik van elektronische middelen voor gegevensuitwisseling
Art. 57decies. § 1. Op het grondgebied van gemeenten en provincies die dit toelaten, kunnen de volgende gegevensuitwisselingen geldig via elektronische middelen worden uitgevoerd :
1° de melding, vermeld in artikel 2, § 1, en artikel 3;
2° het indienen van de milieuvergunningsaanvraag, vermeld in artikel 5, tenzij het een samengevoegde aanvraag is, vermeld in artikel 55bis;
3° het meedelen van de kleine verandering, vermeld in artikel 6bis, § 2;
4° het melden van een overname, vermeld in artikel 42, § 2.
§ 2. De elektronische gegevensuitwisselingen, vermeld in paragraaf 1, worden, op straffe van onontvankelijkheid, ingediend via het elektronische milieuvergunningenloket van de Vlaamse overheid, verder genoemd het " eMIL-milieuvergunningenloket ". Er is toegang tot het eMIL-milieuvergunningenloket via een webpagina van de Vlaamse overheid of via een webpagina van de gemeente of van de provincie;
§ 3. De elektronische gegevensuitwisselingen, vermeld in paragraaf 1, voldoen, op straffe van onontvankelijkheid, aan de volgende voorwaarden :
1° alle bestanden die verzonden worden :
a) zijn virusvrij en kopieerbaar;
b) kunnen worden geopend en gelezen;
2° de minister kan de toegelaten formaten en de vereisten van de tekstdocumenten, bestanden en plannen bepalen.
§ 4. Indien de aanvraag onderdelen zou bevatten die niet voor openbaarheid in aanmerking komen, worden deze door de indiener in aparte bestanden ingediend. In de naamgeving van die bestanden wordt door de indiener de woorden "(niet openbaar)" opgenomen.
§ 5. De elektronische aangifte, op het eMIL-milieuvergunningenloket ter beschikking gesteld, die werd ingevuld en overgezonden overeenkomstig de daarin voorkomende aanduidingen, wordt gelijkgesteld met een gewaarmerkte, gedagtekende en ondertekende papieren aangifte.
§ 6. Als de exploitant opteert voor de elektronische gegevensuitwisselingen, vermeld in paragraaf 1, is hij ontslagen van de verplichting om schriftelijke exemplaren in te dienen, vermeld in artikel 2, artikel 3, artikel 6, § 1 tot en met § 2 en artikel 6ter, § 2 en § 3.
§ 7. Als het gaat om een vergunningsaanvraag die via het in paragraaf 2, 1°, vermelde loket ingediend is, zorgt de burgemeester ervoor dat de aanvraag en de bijlagen onder de vorm van een schriftelijke afdruk van het digitale exemplaar tijdens het openbaar onderzoek ter inzage worden gegeven van het publiek dat daarom verzoekt. Daarnaast mag de aanvraag ook digitaal bij de diensten van de gemeente worden aangeboden.
Art. 57undecies. Als overeenkomstig artikel 57decies de mededeling kleine verandering via elektronische middelen heeft plaatsgevonden, kan de bevoegde overheid of de door haar daartoe gemachtigde ambtenaar voldoen aan de verplichting tot het versturen van een exemplaar van het volledige mededelingsdossier, vermeld in artikel 6quater, § 3, via elektronische weg.
Art. 57duodecies. Als de gegevensuitwisseling via elektronische middelen heeft plaatsgevonden overeenkomstig artikel 57decies, kan de deputatie of de door haar daartoe gemachtigde provinciale ambtenaar voldoen aan de verplichting tot het versturen van exemplaren van het milieuvergunningsaanvraagdossier, vermeld in artikel 35, 3°, a) en b), en artikel 38, § 2, 1°, b), via elektronische weg.
Art. 57terdecies. Als de gegevensuitwisseling via elektronische middelen heeft plaatsgevonden overeenkomstig artikel 57decies, kan de burgemeester of de door haar daartoe gemachtigde ambtenaar voldoen aan de verplichting tot het versturen van exemplaren van het milieuvergunningsaanvraagdossier, vermeld in artikel 36, 3°, a) en b), via elektronische weg.
Art. 57quaterdecies. Als de gegevensuitwisseling via elektronische middelen heeft plaatsgevonden overeenkomstig artikel 57decies, kan de secretaris van de provinciale milieuvergunningscommissie voldoen aan de verplichting tot het versturen van een exemplaar of afschrift, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, via elektronische weg.
Art. 57quinquiesdecies. Het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid van de elektronische gegevensuitwisselingen, vermeld in artikel 57decies, verloopt volgens de procedure, vermeld in artikel 6quater, § 2, 1°, artikel 35, 1°, a), artikel 36, 1°, a), en artikel 38, § 2, 1°, a), en 2°, a), en omvat bovendien de controle op het voldoen van het digitale exemplaar aan de voorwaarden, vermeld in artikel 57decies, § 3. Als vastgesteld wordt dat niet aan al die voorwaarden is voldaan, wordt de aanvraag onvolledig of onontvankelijk verklaard, volgens de procedure, vermeld in artikel 6quater, § 2, 2° en 3°, artikel 35, 1°, b) en c), artikel 36, 1°, b) en c), en artikel 38, § 2, 1°, a) en 2°, a).
Art. 57sexiesdecies. In de gevallen, vermeld in artikel 57decies, kan de verdere kennisgeving van de aanvraag, de melding en de mededeling aan de adviesverlenende overheden en aan de gemeente voor het openbaar onderzoek geldig gebeuren door middel van elektronische middelen.
Art. 57septiesdecies. De gemeenten en provincies die de elektronische gegevensuitwisseling, vermeld in artikel 57decies, willen toelaten, brengen minimaal 30 dagen voor het invoeren van de mogelijkheid tot elektronisch indienen de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen op de hoogte van die beslissing. ".
" Hoofdstuk XIVter. - Gebruik van elektronische middelen voor gegevensuitwisseling
Art. 57decies. § 1. Op het grondgebied van gemeenten en provincies die dit toelaten, kunnen de volgende gegevensuitwisselingen geldig via elektronische middelen worden uitgevoerd :
1° de melding, vermeld in artikel 2, § 1, en artikel 3;
2° het indienen van de milieuvergunningsaanvraag, vermeld in artikel 5, tenzij het een samengevoegde aanvraag is, vermeld in artikel 55bis;
3° het meedelen van de kleine verandering, vermeld in artikel 6bis, § 2;
4° het melden van een overname, vermeld in artikel 42, § 2.
§ 2. De elektronische gegevensuitwisselingen, vermeld in paragraaf 1, worden, op straffe van onontvankelijkheid, ingediend via het elektronische milieuvergunningenloket van de Vlaamse overheid, verder genoemd het " eMIL-milieuvergunningenloket ". Er is toegang tot het eMIL-milieuvergunningenloket via een webpagina van de Vlaamse overheid of via een webpagina van de gemeente of van de provincie;
§ 3. De elektronische gegevensuitwisselingen, vermeld in paragraaf 1, voldoen, op straffe van onontvankelijkheid, aan de volgende voorwaarden :
1° alle bestanden die verzonden worden :
a) zijn virusvrij en kopieerbaar;
b) kunnen worden geopend en gelezen;
2° de minister kan de toegelaten formaten en de vereisten van de tekstdocumenten, bestanden en plannen bepalen.
§ 4. Indien de aanvraag onderdelen zou bevatten die niet voor openbaarheid in aanmerking komen, worden deze door de indiener in aparte bestanden ingediend. In de naamgeving van die bestanden wordt door de indiener de woorden "(niet openbaar)" opgenomen.
§ 5. De elektronische aangifte, op het eMIL-milieuvergunningenloket ter beschikking gesteld, die werd ingevuld en overgezonden overeenkomstig de daarin voorkomende aanduidingen, wordt gelijkgesteld met een gewaarmerkte, gedagtekende en ondertekende papieren aangifte.
§ 6. Als de exploitant opteert voor de elektronische gegevensuitwisselingen, vermeld in paragraaf 1, is hij ontslagen van de verplichting om schriftelijke exemplaren in te dienen, vermeld in artikel 2, artikel 3, artikel 6, § 1 tot en met § 2 en artikel 6ter, § 2 en § 3.
§ 7. Als het gaat om een vergunningsaanvraag die via het in paragraaf 2, 1°, vermelde loket ingediend is, zorgt de burgemeester ervoor dat de aanvraag en de bijlagen onder de vorm van een schriftelijke afdruk van het digitale exemplaar tijdens het openbaar onderzoek ter inzage worden gegeven van het publiek dat daarom verzoekt. Daarnaast mag de aanvraag ook digitaal bij de diensten van de gemeente worden aangeboden.
Art. 57undecies. Als overeenkomstig artikel 57decies de mededeling kleine verandering via elektronische middelen heeft plaatsgevonden, kan de bevoegde overheid of de door haar daartoe gemachtigde ambtenaar voldoen aan de verplichting tot het versturen van een exemplaar van het volledige mededelingsdossier, vermeld in artikel 6quater, § 3, via elektronische weg.
Art. 57duodecies. Als de gegevensuitwisseling via elektronische middelen heeft plaatsgevonden overeenkomstig artikel 57decies, kan de deputatie of de door haar daartoe gemachtigde provinciale ambtenaar voldoen aan de verplichting tot het versturen van exemplaren van het milieuvergunningsaanvraagdossier, vermeld in artikel 35, 3°, a) en b), en artikel 38, § 2, 1°, b), via elektronische weg.
Art. 57terdecies. Als de gegevensuitwisseling via elektronische middelen heeft plaatsgevonden overeenkomstig artikel 57decies, kan de burgemeester of de door haar daartoe gemachtigde ambtenaar voldoen aan de verplichting tot het versturen van exemplaren van het milieuvergunningsaanvraagdossier, vermeld in artikel 36, 3°, a) en b), via elektronische weg.
Art. 57quaterdecies. Als de gegevensuitwisseling via elektronische middelen heeft plaatsgevonden overeenkomstig artikel 57decies, kan de secretaris van de provinciale milieuvergunningscommissie voldoen aan de verplichting tot het versturen van een exemplaar of afschrift, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, via elektronische weg.
Art. 57quinquiesdecies. Het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid van de elektronische gegevensuitwisselingen, vermeld in artikel 57decies, verloopt volgens de procedure, vermeld in artikel 6quater, § 2, 1°, artikel 35, 1°, a), artikel 36, 1°, a), en artikel 38, § 2, 1°, a), en 2°, a), en omvat bovendien de controle op het voldoen van het digitale exemplaar aan de voorwaarden, vermeld in artikel 57decies, § 3. Als vastgesteld wordt dat niet aan al die voorwaarden is voldaan, wordt de aanvraag onvolledig of onontvankelijk verklaard, volgens de procedure, vermeld in artikel 6quater, § 2, 2° en 3°, artikel 35, 1°, b) en c), artikel 36, 1°, b) en c), en artikel 38, § 2, 1°, a) en 2°, a).
Art. 57sexiesdecies. In de gevallen, vermeld in artikel 57decies, kan de verdere kennisgeving van de aanvraag, de melding en de mededeling aan de adviesverlenende overheden en aan de gemeente voor het openbaar onderzoek geldig gebeuren door middel van elektronische middelen.
Art. 57septiesdecies. De gemeenten en provincies die de elektronische gegevensuitwisseling, vermeld in artikel 57decies, willen toelaten, brengen minimaal 30 dagen voor het invoeren van de mogelijkheid tot elektronisch indienen de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen op de hoogte van die beslissing. ".
Art. 19. Dans le même arrêté, il est inséré un chapitre XIVter, rédigé comme suit :
" CHAPITRE XIVter. - Utilisation moyens électroniques d'échange de données
Art. 57decies. § 1er. Sur le territoire des communes et provinces qui l'autorisent, les échanges de données par voie électronique peuvent valablement se faire :
1° la mention visée aux articles 2, § 1er et 3;
2° l'introduction de la demande d'autorisation écologique, visée à l'article 5, sauf s'il s'agit d'une demande composée, visée à l'article 55bis;
3° la communication de la modification mineure, visée à l'article 6bis, § 2;
4° la communication d'une reprise, visée à l'article 42, § 2;
§ 2. Les échanges de données électroniques, visés au paragraphe 1er, sont, sous peine de irrecevabilité, introduits via le guichet électronique des autorisations écologiques de l'Autorité flamande, appelé ci-après l'" eMIL-milieuvergunningenloket ". L'accès au " eMIL-milieuvergunningenloket " se fait par un site web de l'Autorité flamande ou par un site web de la commune ou de la province.
§ 3. Les échanges de données électroniques, visés au paragraphe 1er, répondent, sous peine de irrecevabilité, aux conditions suivantes :
1° tous les fichiers qui sont envoyés :
a) sont exempts de virus et peuvent être copiés;
b) peuvent être ouverts et lus;
2° le Ministre peut fixer les formats autorisés ainsi que les exigences des documents textuels, des fichiers et des plans.
§ 4. Si la demande comprendrait des éléments qui ne sont pas éligibles à la publication, ils sont introduits par le demandeur dans des fichiers séparés. Le bom du fichier donné par le demandeur comprend les mots " non publiques ".
§ 5. La déclaration électronique, rendue disponible au " eMIL-milieuvergunningenloket " qui a été complétée et transmise conformément aux indications y figurant, est assimilée à une déclaration en papier certifiée, datée et signée.
§ 6. Si l'exploitant choisit l'échange de données par voie électronique, visé au paragraphe 1er, il est exempté de l'obligation d'introduire des exemplaires écrits, visés aux articles 2, 3, 6, § 1er au § 2 inclus et 6ter, §§ 2 et 3.
§ 7. S'il s'agit d'une demande introduite au guichet visé au paragraphe 2, 1°, le bourgmestre s'assure que la demande et ses annexes sont consultables pendant l'enquête publique sous forme d'une version imprimée de l'exemplaire digital par le public qui le demande. La demande peut également être offert par voie électronique par les services communaux.
Art. 57undecies. Si conformément à l'article 57decies, la demande a fait l'objet d'une modification mineure par voie électronique, l'autorité compétente ou le fonctionnaire qu'elle a mandaté à cet effet peut répondre à l'obligation d'envoi par voie électronique d'un exemplaire du dossier entier de la communication, visé à l'article 6quater, § 3.
Art. 57duodecies. Si l'échange de données a eu lieu par voie électronique conformément à l'article 57decies, la députation ou le fonctionnaire qu'elle a mandaté à cet effet peut répondre à l'obligation d'envoi par voie électronique d'exemplaires du dossier de demande d'autorisation écologique, visé à l'article 35, 3°, a) en b), et à l'article 38, § 2, 1°, b).
Art. 57terdecies. Si l'échange de données a eu lieu par voie électronique conformément à l'article 57decies, le bourgmestre ou le fonctionnaire qu'il a mandaté à cet effet peut répondre à l'obligation d'envoi par voie électronique d'exemplaires du dossier de demande d'autorisation écologique, visé à l'article 36, 3°, a) et b).
Art. 57quaterdecies. Si l'échange de données a eu lieu par voie électronique conformément à l'article 57decies, le secrétaire de la commission provinciale des autorisations écologiques peut répondre à l'obligation d'envoi par voie électronique d'un exemplaire du dossier de demande d'autorisation écologique, visé à l'article 23, § 1er, alinéa premier.
Art. 57quinquiesdecies. L'examen relatif à la recevabilité et la complétude des échanges électroniques, visés à l'article 57decies, se fait suivant la procédure, visée aux articles 6quater, § 2, 1°, 35, 1°, a), 36, 1°, a), et 38, § 2, 1°, a), en 2°, a), et comprend également le contrôle de la conformité de l'exemplaire digital aux conditions, visée à l'article 57decies, § 3. S'il est constaté qu'il n'a pas été répondu à toutes les conditions, la demande est déclarée incomplète ou irrecevable, suivant la procédure, visée aux articles 6quater, § 2, 2° en 3°, 35, 1°, b) et c), 36, 1°, b) et c), et 38, § 2, 1°, a) et 2°, a).
Art. 57sexiesdecies. Dans les cas, visés à l'article 57decies, la notification ultérieure de la demande, de la déclaration et de la communication aux autorités consultatives et à la commune en vue de l'enquête publique peut valablement se faire par voie électronique.
Art. 57septiesdecies. Les communes et provinces qui veulent autoriser l'échange de données par voie électronique, en informe la division, compétente pour les autorisations écologiques au moins 30 jours avant la mise en oeuvre de la possibilité d'introduction par voie électronique.
" CHAPITRE XIVter. - Utilisation moyens électroniques d'échange de données
Art. 57decies. § 1er. Sur le territoire des communes et provinces qui l'autorisent, les échanges de données par voie électronique peuvent valablement se faire :
1° la mention visée aux articles 2, § 1er et 3;
2° l'introduction de la demande d'autorisation écologique, visée à l'article 5, sauf s'il s'agit d'une demande composée, visée à l'article 55bis;
3° la communication de la modification mineure, visée à l'article 6bis, § 2;
4° la communication d'une reprise, visée à l'article 42, § 2;
§ 2. Les échanges de données électroniques, visés au paragraphe 1er, sont, sous peine de irrecevabilité, introduits via le guichet électronique des autorisations écologiques de l'Autorité flamande, appelé ci-après l'" eMIL-milieuvergunningenloket ". L'accès au " eMIL-milieuvergunningenloket " se fait par un site web de l'Autorité flamande ou par un site web de la commune ou de la province.
§ 3. Les échanges de données électroniques, visés au paragraphe 1er, répondent, sous peine de irrecevabilité, aux conditions suivantes :
1° tous les fichiers qui sont envoyés :
a) sont exempts de virus et peuvent être copiés;
b) peuvent être ouverts et lus;
2° le Ministre peut fixer les formats autorisés ainsi que les exigences des documents textuels, des fichiers et des plans.
§ 4. Si la demande comprendrait des éléments qui ne sont pas éligibles à la publication, ils sont introduits par le demandeur dans des fichiers séparés. Le bom du fichier donné par le demandeur comprend les mots " non publiques ".
§ 5. La déclaration électronique, rendue disponible au " eMIL-milieuvergunningenloket " qui a été complétée et transmise conformément aux indications y figurant, est assimilée à une déclaration en papier certifiée, datée et signée.
§ 6. Si l'exploitant choisit l'échange de données par voie électronique, visé au paragraphe 1er, il est exempté de l'obligation d'introduire des exemplaires écrits, visés aux articles 2, 3, 6, § 1er au § 2 inclus et 6ter, §§ 2 et 3.
§ 7. S'il s'agit d'une demande introduite au guichet visé au paragraphe 2, 1°, le bourgmestre s'assure que la demande et ses annexes sont consultables pendant l'enquête publique sous forme d'une version imprimée de l'exemplaire digital par le public qui le demande. La demande peut également être offert par voie électronique par les services communaux.
Art. 57undecies. Si conformément à l'article 57decies, la demande a fait l'objet d'une modification mineure par voie électronique, l'autorité compétente ou le fonctionnaire qu'elle a mandaté à cet effet peut répondre à l'obligation d'envoi par voie électronique d'un exemplaire du dossier entier de la communication, visé à l'article 6quater, § 3.
Art. 57duodecies. Si l'échange de données a eu lieu par voie électronique conformément à l'article 57decies, la députation ou le fonctionnaire qu'elle a mandaté à cet effet peut répondre à l'obligation d'envoi par voie électronique d'exemplaires du dossier de demande d'autorisation écologique, visé à l'article 35, 3°, a) en b), et à l'article 38, § 2, 1°, b).
Art. 57terdecies. Si l'échange de données a eu lieu par voie électronique conformément à l'article 57decies, le bourgmestre ou le fonctionnaire qu'il a mandaté à cet effet peut répondre à l'obligation d'envoi par voie électronique d'exemplaires du dossier de demande d'autorisation écologique, visé à l'article 36, 3°, a) et b).
Art. 57quaterdecies. Si l'échange de données a eu lieu par voie électronique conformément à l'article 57decies, le secrétaire de la commission provinciale des autorisations écologiques peut répondre à l'obligation d'envoi par voie électronique d'un exemplaire du dossier de demande d'autorisation écologique, visé à l'article 23, § 1er, alinéa premier.
Art. 57quinquiesdecies. L'examen relatif à la recevabilité et la complétude des échanges électroniques, visés à l'article 57decies, se fait suivant la procédure, visée aux articles 6quater, § 2, 1°, 35, 1°, a), 36, 1°, a), et 38, § 2, 1°, a), en 2°, a), et comprend également le contrôle de la conformité de l'exemplaire digital aux conditions, visée à l'article 57decies, § 3. S'il est constaté qu'il n'a pas été répondu à toutes les conditions, la demande est déclarée incomplète ou irrecevable, suivant la procédure, visée aux articles 6quater, § 2, 2° en 3°, 35, 1°, b) et c), 36, 1°, b) et c), et 38, § 2, 1°, a) et 2°, a).
Art. 57sexiesdecies. Dans les cas, visés à l'article 57decies, la notification ultérieure de la demande, de la déclaration et de la communication aux autorités consultatives et à la commune en vue de l'enquête publique peut valablement se faire par voie électronique.
Art. 57septiesdecies. Les communes et provinces qui veulent autoriser l'échange de données par voie électronique, en informe la division, compétente pour les autorisations écologiques au moins 30 jours avant la mise en oeuvre de la possibilité d'introduction par voie électronique.
Art. 20. Artikel 71 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 1999, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 71. Overeenkomstig artikel 44 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, blijven vergunningen voor de exploitatie, de lozing van afvalwaters, de verwerking van afvalstoffen of voor de bescherming van grondwater, verleend vóór de inwerkingtreding van dit besluit, geldig voor de in het vergunningsbesluit bepaalde vergunningstermijn, tenzij deze vergunningstermijn verstrijkt na 1 september 2016. In dat laatste geval en bij onbeperkte vergunningstermijn vervallen deze vergunningen uiterlijk 1 september 2016.
Vergunningen verleend met toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer blijven geldig voor de vastgestelde termijn tot ten hoogste twintig jaar te rekenen vanaf 1 januari 1999. Ongeacht de vergunningstermijn, bepaald in het vergunningsbesluit, is de vergunning voor de verandering van een inrichting, verleend krachtens artikel 16, 27 of 43 van het decreet, geldig voor dezelfde vergunningstermijn als de termijn van de vergunning, vermeld in het eerste lid. In afwijking hiervan behoudt de vergunning voor de verandering van de inrichting haar oorspronkelijke vergunningstermijn indien in het vergunningsbesluit werd bepaald dat die termijn eerder verstrijkt dan de vergunningstermijn die op dat ogenblik gold voor de inrichting waarvoor de verandering toegelaten is.
Deze bepalingen laten het verval van de vergunning, vermeld in artikel 28 van het decreet, onverkort bestaan. ".
" Art. 71. Overeenkomstig artikel 44 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, blijven vergunningen voor de exploitatie, de lozing van afvalwaters, de verwerking van afvalstoffen of voor de bescherming van grondwater, verleend vóór de inwerkingtreding van dit besluit, geldig voor de in het vergunningsbesluit bepaalde vergunningstermijn, tenzij deze vergunningstermijn verstrijkt na 1 september 2016. In dat laatste geval en bij onbeperkte vergunningstermijn vervallen deze vergunningen uiterlijk 1 september 2016.
Vergunningen verleend met toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer blijven geldig voor de vastgestelde termijn tot ten hoogste twintig jaar te rekenen vanaf 1 januari 1999. Ongeacht de vergunningstermijn, bepaald in het vergunningsbesluit, is de vergunning voor de verandering van een inrichting, verleend krachtens artikel 16, 27 of 43 van het decreet, geldig voor dezelfde vergunningstermijn als de termijn van de vergunning, vermeld in het eerste lid. In afwijking hiervan behoudt de vergunning voor de verandering van de inrichting haar oorspronkelijke vergunningstermijn indien in het vergunningsbesluit werd bepaald dat die termijn eerder verstrijkt dan de vergunningstermijn die op dat ogenblik gold voor de inrichting waarvoor de verandering toegelaten is.
Deze bepalingen laten het verval van de vergunning, vermeld in artikel 28 van het decreet, onverkort bestaan. ".
Art. 20. L'article 71 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 janvier 1999, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 71 Conformément à l'article 44 du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation antipollution, les autorisations en vue de l'exploitation, du déversement d'eaux usées, de la transformation de déchets ou en vue de la protection des eaux souterraines, accordées avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, restent valables pendant le délais fixés dans l'arrêté relatif à l'autorisation, sauf si se délai échoit après le 1er septembre 2016. Dans ce dernier cas et en cas d'un délai d'autorisation illimité, ces autorisations échoinet au plus tard le 1er septembre 2016.
Les autorisation accordées en application du décret du 24 janvier 1984 portant des mesures en matière de gestion des eaux souterraines restent valables pendant le délai fixé jusqu'au plus tard vingt ans à compter à partir du 1er janvier 1999. Quel que soit le délai d'autorisation déterminé dans l'arrêté d'autorisation, l'autorisation pour la modification d'un établissement, accordée en vertu des articles 16, 27 ou 43, est applicable pour le même délai d'autorisation que le délai de l'autorisation visé à l'alinéa premier. Par dérogation à cette disposition, l'autorisation de modifier l'établissement maintient son délai d'autorisation initial s'il était déterminé dans l'arrêté d'autorisation que ce délai expire avant le délai d'autorisation alors applicable à l'établissement dont la modification est autorisée.
Ces dispositions ne font pas obstacle à la caducité de l'autorisation, visée à l'article 28 du décret. " .
" Art. 71 Conformément à l'article 44 du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation antipollution, les autorisations en vue de l'exploitation, du déversement d'eaux usées, de la transformation de déchets ou en vue de la protection des eaux souterraines, accordées avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, restent valables pendant le délais fixés dans l'arrêté relatif à l'autorisation, sauf si se délai échoit après le 1er septembre 2016. Dans ce dernier cas et en cas d'un délai d'autorisation illimité, ces autorisations échoinet au plus tard le 1er septembre 2016.
Les autorisation accordées en application du décret du 24 janvier 1984 portant des mesures en matière de gestion des eaux souterraines restent valables pendant le délai fixé jusqu'au plus tard vingt ans à compter à partir du 1er janvier 1999. Quel que soit le délai d'autorisation déterminé dans l'arrêté d'autorisation, l'autorisation pour la modification d'un établissement, accordée en vertu des articles 16, 27 ou 43, est applicable pour le même délai d'autorisation que le délai de l'autorisation visé à l'alinéa premier. Par dérogation à cette disposition, l'autorisation de modifier l'établissement maintient son délai d'autorisation initial s'il était déterminé dans l'arrêté d'autorisation que ce délai expire avant le délai d'autorisation alors applicable à l'établissement dont la modification est autorisée.
Ces dispositions ne font pas obstacle à la caducité de l'autorisation, visée à l'article 28 du décret. " .
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de bijlagen van titel I van het VLAREM
CHAPITRE 2. - Modifications aux annexes du titre Ier du VLAREM
Art. 21. In bijlage 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 januari 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de inleiding wordt de zinsnede " A = inrichting van klasse 2 waarvoor de in artikel 20, § 1 van titel I van het VLAREM bedoelde overheidsorganen " vervangen door de zinsnede " A = inrichting van klasse 2 waarvoor de overheidsorganen, vermeld in artikel 20, § 1, 1° en 2°, van titel I van het VLAREM, ";
2° in rubriek 2.1.3 wordt in de kolom bemerkingen de letter " N " telkens opgeheven;
3° aan rubriek 2.2.2 wordt een punt h) toegevoegd, dat luidt als volgt :
"
1° in de inleiding wordt de zinsnede " A = inrichting van klasse 2 waarvoor de in artikel 20, § 1 van titel I van het VLAREM bedoelde overheidsorganen " vervangen door de zinsnede " A = inrichting van klasse 2 waarvoor de overheidsorganen, vermeld in artikel 20, § 1, 1° en 2°, van titel I van het VLAREM, ";
2° in rubriek 2.1.3 wordt in de kolom bemerkingen de letter " N " telkens opgeheven;
3° aan rubriek 2.2.2 wordt een punt h) toegevoegd, dat luidt als volgt :
"
Art. 21. A l'annexe 1re de l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 février 1991 fixant le règlement flamand relatif à l'autorisation écologique, modifiée en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 janvier 2011, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'introduction, la partie de phrase " A = établissement de la classe 2 pour lequel les organes publics visés à l'article 20, § 1er, du Titre Ier du VLAREM " est remplacée par la partie de phrase " A = établissement de la classe 2 pour lequel les organes publics visés à l'article 20, § 1er, 1° et 2°, du titre Ier du VLAREM. ";
2° dans la rubrique 2.1.3, la lettre " N " est chaque fois supprimée dans la colonne " remarques ";
3° au point 2.2.2, il est ajouté un point h), rédigé comme suit :
"
1° dans l'introduction, la partie de phrase " A = établissement de la classe 2 pour lequel les organes publics visés à l'article 20, § 1er, du Titre Ier du VLAREM " est remplacée par la partie de phrase " A = établissement de la classe 2 pour lequel les organes publics visés à l'article 20, § 1er, 1° et 2°, du titre Ier du VLAREM. ";
2° dans la rubrique 2.1.3, la lettre " N " est chaque fois supprimée dans la colonne " remarques ";
3° au point 2.2.2, il est ajouté un point h), rédigé comme suit :
"
| h) afvalstoffen afkomstig van één specifiek bouw- en sloopwerf of wegenwerk, waarbij minstens 50 % van de stoffen na behandeling nuttig worden aangewend op de plaats van ontstaan, waarbij de inrichting niet langer dan één jaar in exploitatie zal zijn en waarbij de inrichting zich op maximaal 1 000 m van het wegenwerk bevindt of ter plaatse (op het perceel zelf of op een aangrenzend perceel) van de bouw- en sloopwerf | 3 |
";
4° in rubriek 2.2.3, b), 1°, worden in de kolom bemerkingen de letters " O,T " opgeheven;
5° in rubriek 2.2.3 wordt punt c) wordt vervangen door wat volgt :
"
| h) déchets provenant d'un seul chantier spécifique de construction et de démolition ou de travaux routiers, desquels 50 % au moins ont été utilement utilisés après traitement à l'endroit où ils ont été créés, et pour lesquels l'établissement ne sera pas en exploitation pendant plus d'un an et pour lesquels l'établissement se trouve à 1 000 m au maximum des travaux routiers ou à l'endroit-même (sur la parcelle-même ou sur la parcelle adjacente) du chantier de construction et de démolition | 3 |
";
4° dans la rubrique 2.2.3, b), 1°, les lettres " Q, T " est chaque fois supprimée dans la colonne " remarques ";
5° dans la rubrique 2.2.3, le point c) est remplacé par la disposition suivante :
"
| c) compostering van organisch-biologische bedrijfsafvalstoffen | |||||||
| 1° opslag en/of composteerruimte van maximaal 25 m3 uitsluitend bedrijfseigen uitgangsmateriaal | 3 | O,T | |||||
| 2° opslag en/of composteerruimte, andere dan deze bedoeld onder 1°, van maximaal 2 000 m3 | 2 | A,M,O,T | N | O | |||
| 3° opslag en/of composteerruimte van meer dan 2 000 m3 | 1 | G,M,O,T | B | E | J | O |
";
6° in rubriek 2.3.6, met uitzondering van punt c), 4), wordt in de kolom bemerkingen de letter " N " telkens opgeheven;
7° in rubriek 2.3.8, D4 tot en met D6, D8 tot en met D11 en D13 tot en met D16 wordt in de kolom bemerkingen de letter " N " telkens opgeheven;
8° in rubriek 2.3.9 wordt in de kolom bemerkingen de letter " N " telkens opgeheven;
9° in rubriek 2.3.10 wordt in de kolom bemerkingen de letter " N " opgeheven;
10° aan rubriek 2.3 wordt een subrubriek 2.3.12 toegevoegd, die luidt als volgt :
"
| c) compostage de déchets industriels bio-organiques | |||||||
| 1°. espace de stockage et/ou de compostage de 25 m; au maximum pour uniquement propres déchets industriels | 3 | O,T | |||||
| 2°. espace de stockage et/ou de compostage, autre que celui visé sous 1°, de 2 000 m; au maximum. | 2 | A,M,O,T | N | O | |||
| 3° espace de stockage et/ou de compostage de plus de 2 000 m; | 1 | G,M,O,T | B | E | J | O |
";
6° dans la rubrique 2.3.6, à l'exception du point c), 4°, la lettre " N " est chaque fois supprimée dans la colonne " remarques;
7° dans la rubrique 2.3.8, D4 à D6 compris, D8 à D11 compris et D13 à D16 compris, la lettre " N " est chaque fois supprimée dans la colonne " remarques ";
8° dans la rubrique 2.3.9, la lettre " N " est chaque fois supprimée dans la colonne " remarques ";
9° dans la rubrique 2.1.10, la lettre " N " est chaque fois supprimée dans la colonne " remarques ";
10° à la rubrique 2.3, il est ajouté une sous-rubrique 2.3.12, rédigée comme suit :
"
| 2.3.12 | Dierenbegraafplaatsen | 2 | O,W | N |
";
11° in rubriek 3, opmerkingen, 2, b), wordt de zinsnede " voor zover de biologische afbreekbare organische belasting van dit afvalwater niet meer bedraagt dan 20 inwonersequivalenten " vervangen door de zinsnede " voor zover die niet meer bedraagt dan 600 m3/jaar ";
12° in rubriek 3, opmerkingen, 2, wordt punt g) opgeheven;
13° in rubriek 3, opmerkingen, 3, wordt punt c) opgeheven;
14° in rubriek 3.2 wordt de zinsnede " met een biologisch afbreekbare organische belasting van meer dan 20 inwonersequivalenten " vervangen door de zinsnede " met een debiet van meer dan 600 m3/jaar ";
15° in rubriek 3.2 wordt punt 1° opgeheven;
16° in rubriek 3.6, 1, wordt de zinsnede " met een biologisch afbreekbare organische belasting van meer dan 20 inwonersequivalenten " vervangen door de zinsnede " met een debiet van meer dan 600 m3/jaar ";
17° in rubriek 3.6, 4, wordt punt 1° opgeheven;
18° rubriek 5.3 wordt vervangen door wat volgt :
"
| 2.3.12 | Cimetières pour animaux | 2 | O,W | N |
";
11° dans la rubrique 3, remarques, 2, b), la partie de phrase " pour autant que la charge bio-organique dégradable ne s'élève pas à plus de 20 équivalents d'habitants " est remplacée par la partie de phrase " pour autant qu'elle ne s'élève pas à plus à 600 m3/an ";
12° dans la rubrique 3, remarques, 2, le point g) est abrogé;
13° dans la rubrique 3, remarques, 3, le point g) est abrogé;
14° dans la rubrique 3.2, la partie de phrase " avec une charge bio-organique dégradable de plus de 20 équivalents d'habitants " est remplacée par la partie de phrase " avec un débit de plus à 600 m3/an ";
15° dans la rubrique 3.2, le point 1° est abrogé;
16° dans la rubrique 3.6.1, la partie de phrase " avec une charge bio-organique dégradable de plus de 20 équivalents d'habitants " est remplacée par la partie de phrase " avec un débit de plus à 600 m3/an ";
17° dans la rubrique 3.6.4, le point 1° est abrogé;
18° la rubrique 5.3 est remplacée par la disposition suivante :
"
| 5.3. | Opslagplaatsen, met uitzondering van deze bedoeld onder rubrieken 17 en 48, voor biociden van : | ||||||
| 1° a) meer dan 0,5 ton tot en met 1 ton | 3 | ||||||
| b) Meer dan 1 ton tot en met 2 ton | 3 | A | |||||
| 2° meer dan 2 ton | 2 | G,T | A |
";
19° in rubriek 9.2 wordt in de kolom bemerkingen de letter " G " telkens opgeheven;
20° in rubriek 9.2, 2, wordt punt e) vervangen door wat volgt :
"
| 5.3. | Dépôts de biocides, à l'exception de ceux visés aux rubriques 17 et 48 : | ||||||
| 1°. a) de plus de 0,5 tonnes jusqu'à 1 tonne comprises; | 3 | ||||||
| b) de plus de 1 tonne jusqu'à 2 tonnes comprises; | 3 | A | |||||
| 2°. de plus de 2 tonnes | 2 | G,T | A |
";
19° dans la rubrique 9.2, la lettre " G " est chaque fois supprimée dans la colonne " remarques ";
20° dans la rubrique 9.2.2, le point e) est remplacé par la disposition suivante :
"
| e) alle hierna (*) vermelde uitheemse zoogdieren : | |||||||
| 1° vanaf 20 tot en met 100 dieren | 3 | ||||||
| 2° van meer dan 100 dieren | 2 | N | |||||
| (*) * Cynomys ludovicianus (zwartstaartprairiehond) * Tamias sibiricus (Aziatische gestreepte grondeekhoorn) * Tamias striatus (oostelijke wangzakeekhoorn) * Cricetulus barbarensis (Chinese dwerghamster) * Mesocricetus auratus (goudhamster) * Phodopus campbelli (Campbell's dwerghamster) * Phodopus roborovskii (Roborovskidwerghamster) * Phodopus sungorus (Dzjoengaarse dwerghamster) * Gerbillus spec. (echte renmuizen) * Meriones spec. (woestijnmuizen) * Acomys spec. (stekelmuizen) * Mus minutoides (Afrikaanse dwergmuis) * Chinchilla lanigera (chinchilla - kweekvormen) * Cavia porcellus (cavia) * Dolichotis patagonum (mara) * Octodon degus (degoe) |
* Tamias sibiricus (Aziatische gestreepte grondeekhoorn)
* Tamias striatus (oostelijke wangzakeekhoorn)
* Cricetulus barbarensis (Chinese dwerghamster)
* Mesocricetus auratus (goudhamster)
* Phodopus campbelli (Campbell's dwerghamster)
* Phodopus roborovskii (Roborovskidwerghamster)
* Phodopus sungorus (Dzjoengaarse dwerghamster)
* Gerbillus spec. (echte renmuizen)
* Meriones spec. (woestijnmuizen)
* Acomys spec. (stekelmuizen)
* Mus minutoides (Afrikaanse dwergmuis)
* Chinchilla lanigera (chinchilla - kweekvormen)
* Cavia porcellus (cavia)
* Dolichotis patagonum (mara)
* Octodon degus (degoe)
";
21° in rubriek 9.8 en rubriek 9.9 wordt in de kolom bemerkingen de letter " G " telkens opgeheven;
22° in rubriek 12.1 wordt punt 1° vervangen door wat volgt :
"
| e) tous les mammifères exotiques cités ci-après (*) : | |||||||
| 1°. à partir de 20 à 100 animaux | 3 | ||||||
| 2°. de plus de 100 animaux | 2 | N | |||||
| (*) * Cynomys ludovicianus (chien de prairie à queue noire) * Tamias sibiricus (tamia de Sibérie) * Tamias striatus (tamia strié) * Cricetulus barbarensis (hamster nain de Chine) * Mesocricetus auratus (hamster doré) * Phodopus campbelli (hamster nain de Campbell) * Phodopus roborovskii (hamster nain de Roborovski) * Phodopus sungorus (hamster nain de Djoungarie) * Gerbillus spec. (vraies gerbies) * Meriones spec. (mériones) * Acomys spec. (souris épineuses) * Mus minutoides (souris naine d'Afrique)) * Chinchilla lanigera (chinchilla - forme d'élevage) * Cavia porcellus (cobaye) * Dolichotis patagonum (mara) * Octodon degus (dègue du Chili) |
* Tamias sibiricus (tamia de Sibérie)
* Tamias striatus (tamia strié)
* Cricetulus barbarensis (hamster nain de Chine)
* Mesocricetus auratus (hamster doré)
* Phodopus campbelli (hamster nain de Campbell)
* Phodopus roborovskii (hamster nain de Roborovski)
* Phodopus sungorus (hamster nain de Djoungarie)
* Gerbillus spec. (vraies gerbies)
* Meriones spec. (mériones)
* Acomys spec. (souris épineuses)
* Mus minutoides (souris naine d'Afrique))
* Chinchilla lanigera (chinchilla - forme d'élevage)
* Cavia porcellus (cobaye)
* Dolichotis patagonum (mara)
* Octodon degus (dègue du Chili)
";
21° dans les rubriques 9.8 et 9.9, la lettre " G " est chaque fois supprimée dans la colonne " remarques ";
22° dans la rubrique 12.1, le point 1° est remplacé par la disposition suivante :
"
| 1° | a) 100 kW tot en met 300 kW, wanneer de inrichting behoort bij een noodgroep en volledig is gelegen in een industriegebied | 3 | O | ||||
| b) 100 kW tot en met 300 kW voor de andere dan de sub a) bedoelde gevallen | 2 | T | O |
";
23° in rubriek 12.1 wordt punt 2° vervangen door wat volgt :
"
| 1°. | a) de 100 kW jusqu'à 300 kW compris, lorsque l'établissement appartient à un groupe de secours et est entièrement situé dans une zone industrielle; | 3 | O | ||||
| b) de 100 kW à 300 kW compris, dans les cas autres que ceux visés sous a); | 2 | T | O |
";
23° dans la rubrique 12.1, le point 2° est remplacé par la disposition suivante :
"
| 2° | meer dan 300 kW tot en met 10.000 kW | 2 | T | A |
";
24° in rubriek 15.5, 2°, a), wordt de zinsnede " b) voor de definitie van het begrip " inwonersequivalent " verwezen naar het artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM onder de subtitel " Stedelijk Afvalwater ".
c) overeenkomstig het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid onder " oppervlaktewaterlichaam " verstaan : " een onderscheiden oppervlaktewater, zoals een meer, een wachtbekken, een spaarbekken, een stroom, een rivier, een kanaal, een overgangswater, of een deel van een stroom, rivier, kanaal of overgangswater. " opgeheven;
25° in rubriek 15.5, 2°, a), 1), wordt de zinsnede " met een biologisch afbreekbare organische belasting van meer dan 20 inwonersequivalenten : " vervangen door de zinsnede " met een debiet van meer dan 600 m3/jaar, ";
26° in rubriek 15.5, 2°, a), 1), wordt punt a) opgeheven;
27° in rubriek 15.5, 2°, a), 3), i), wordt de zinsnede " met een biologisch afbreekbare organische belasting van meer dan 20 inwonersequivalenten " vervangen door de zinsnede " met een debiet van meer dan 600 m3/jaar ";
28° in rubriek 15.5, 2°, s), worden de woorden " met organische oplosmiddelen " opgeheven;
29° in rubriek 15.5, 2°, s), worden tussen het woord " spoelbaden " en de zinsnede " van 10 liter " de woorden " of van de opvangrecipiënten voor de opvang van de gebruikte chemicaliën als niet gebruikgemaakt wordt van behandelingsbaden en spoelbaden " ingevoegd;
30° in rubriek 16.3.1 wordt tussen de zinsnede " Koelinstallaties voor het bewaren van producten, luchtcompressoren " en de woorden " en airconditioningsinstallaties " de zinsnede " , warmtepompen " ingevoegd;
31° in rubriek 17.2.1 en in rubriek 17.2.2 wordt telkens de zinsnede " (zie ook artikel 7 van titel I van het Vlarem) " opgeheven;
32° rubriek 17.3.4 wordt vervangen door wat volgt :
"
| 2°. | plus de 300 kW à 10 000 kW inclus | 2 | T | A |
";
24° dans la rubrique 15.5, 2°, a), la partie de phrase " b) pour la définition de la notion " équivalent d'habitant " il est référé à l'article 1.1.2 du titre II du VLAREM sous le sous-titre " Eaux usées urbaines ".
c) conformément au décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, il est entendu par " masse d'eau de surface " : " une eau de surface séparée, tel qu'un lac, un bassin d'attente, un bassin de collecte, un fleuve, une rivière, un canal, une eau de transition, ou une partie d'un fleuve, d'une rivière, d'un canal ou d'une eau de transition " est abrogée.
25° dans la rubrique 15.5.2°, a) 1), la partie de phrase " avec une charge bio-organique dégradable de plus de 20 équivalents d'habitants " est remplacée par la partie de phrase " avec un débit de plus à 600 m3/an ";
26° dans la rubrique 15.5, 2°, a), 1), le point a) est abrogé;
27° dans la rubrique 15.5.2°, a) 3), i), la partie de phrase " avec une charge bio-organique dégradable de plus de 20 équivalents d'habitants " est remplacée par la partie de phrase " avec un débit de plus à 600 m3/an ";
28° dans la rubrique 15.5, 2°, s), les mots " avec des solvants organiques " sont supprimés.
29° dans la rubrique 15.5, 2°, s, les mots " ou de récipients de captage de produits chimiques utilisés s'il n'est pas fait usage de bains de traitement et de rinçage " sont insérés entre les mots " bains de rinçage " et les mots et les mots " de 10 litres ";
30° dans la rubrique 16.3.1 la partie de phrase " , pompes à chaleurs " est insérée entre la partie de phrase " Installations de refroidissement pour la conservation de produits, compresseurs à air " et la partie de phrase " et installations d'air conditionné ";
31° dans les rubriques 17.2.1 et 17.2.2, la partie de phrase " (voir aussi article 7 du Titre Ier du VLAREM) " est chaque fois supprimée;
32° la rubrique 17.3.4 est remplacée par la disposition suivante :
"
| 17.3.4 | Opslagplaatsen voor zeer licht ontvlambare en licht ontvlambare vloeistoffen, met uitzondering van deze bedoeld onder rubriek 48, met een totaal inhoudsvermogen van : | ||||||
| 1° a) 50 l tot en met 1 000 l, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | 3 | ||||||
| b) 50 l tot en met 500 l, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied | 3 | ||||||
| 2° a) bij uitsluitend ondergrondse opslag of bij combinatie van ondergrondse of bovengrondse opslag | |||||||
| 1) meer dan 1 000 l tot en met 30 000 l wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | 2 | A | |||||
| 2) meer dan 500 l tot en met 30 000 l, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied | 2 | A | |||||
| 3) meer dan 30 000 l | 1 | B | B | ||||
| b) bij uitsluitend bovengrondse opslag | |||||||
| 1) meer dan 1 000 l tot en met 30 000 l wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | 2 | O | |||||
| 2) meer dan 500 l tot en met 30 000 l, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied | 2 | O | |||||
| 3) | meer dan 30 000 l | 1 | B | A |
";
33° rubriek 17.3.5 wordt vervangen door wat volgt :
"
| 17.3.4 | Dépôts pour substances liquides extrêmement inflammables et très inflammables, à l'exception de ceux visés à la rubrique 48, avec une capacité totale de contenance : | ||||||
| 1°. a) de 50 l jusqu'à 1 000 l compris, lorsque l'établissement est entièrement situé dans une zone industrielle | 3 | ||||||
| b) jusqu'à 500 l compris, lorsque l'établissement est entièrement ou partiellement situé dans une zone autre qu'une zone industrielle | 3 | ||||||
| 2°. a) en cas de stockage souterrain exclusif ou en cas de stockage souterrain ou en surface combiné | |||||||
| 1) de plus de 1 000 l jusqu'à 30 000 l compris, lorsque l'établissement est entièrement situé dans une zone industrielle | 2 | A | |||||
| 2) de plus de 500 l jusqu'à 30 000 l compris, lorsque l'établissement est entièrement ou partiellement situé dans une zone autre qu'une zone industrielle | 2 | A | |||||
| 3) de plus de 30 000 l | 1 | B | B | ||||
| b) en cas de stockage en surface exclusif | |||||||
| 1) de plus de 1 000 l jusqu'à 30 000 l compris, lorsque l'établissement est entièrement situé dans une zone industrielle | 2 | O | |||||
| 2) de plus de 500 l jusqu'à 30 000 l compris, lorsque l'établissement est entièrement ou partiellement situé dans une zone autre qu'une zone industrielle | 2 | O | |||||
| 3) de plus de 30.000 l | 1 | B | A |
";
33° la rubrique 17.3.5 est remplacée par la disposition suivante :
"
| 17.3.5 | Opslagplaatsen voor ontvlambare vloeistoffen, met uitzondering van deze bedoeld onder rubriek 48, met een totaal inhoudsvermogen van : | ||||||
| 1° 100 l tot en met 5 000 l | 3 | ||||||
| 2° a) meer dan 5 000 l tot en met 100 000 l bij uitsluitend ondergrondse opslag of bij combinatie van ondergrondse of bovengrondse opslag | 2 | A | |||||
| b) meer dan 5 000 l tot en met 100 000 l bij uitsluitend bovengrondse opslag | 2 | O | |||||
| 3° a) meer dan 100 000 l bij uitsluitend ondergrondse opslag of bij combinatie van ondergrondse of bovengrondse opslag | 1 | B | B | ||||
| b) meer dan 100 000 l bij uitsluitend bovengrondse opslag | 1 | B | A |
";
34° rubriek 17.3.6, wordt vervangen door wat volgt :
"
| 17.3.5 | Dépôts pour substances liquides inflammables, à l'exception de ceux visés à la rubrique 48, avec une capacité totale de contenance : | ||||||
| 1°. de 100 l à 5 000 l compris; | 3 | ||||||
| 2°. a) de plus de 5 000 l à 100 000 l en cas de stockage souterrain exclusif ou en cas de stockage souterrain ou en surface combiné | 2 | A | |||||
| b) de plus de 5 000 l à 100 000 l en cas de stockage en surface exclusif | 2 | O | |||||
| 3°. a) de plus de 100 000 l en cas de stockage souterrain exclusif ou en cas de stockage souterrain ou en surface combiné | 1 | B | B | ||||
| b) de plus de 100 000 l en cas de stockage en surface exclusif | 1 | B | A |
";
34° la rubrique 17.3.6 est remplacée par la disposition suivante :
"
| 17.3.6 | Opslagplaatsen voor vloeistoffen met een ontvlammingspunt hoger dan 55° C, maar dat 100° C niet overtreft, met uitzondering van deze bedoeld onder rubriek 48, met een totaal inhoudsvermogen van : | ||||||
| 1° a) 5 000 l tot en met 20 000 l indien de inrichting behoort bij de woonfunctie van een onroerend goed dat hoofdzakelijk als woongelegenheid wordt gebruikt | 3 | ||||||
| b) 100 l tot en met 20 000 l voor andere dan sub a) bedoelde inrichtingen | 3 | ||||||
| 2° a) meer dan 20 000 l tot en met 500 000 l bij uitsluitend ondergrondse opslag of bij combinatie van ondergrondse of bovengrondse opslag | 2 | A | |||||
| b) meer dan 20 000 l tot en met 500 000 l bij uitsluitend bovengrondse opslag | 2 | O | |||||
| 3° a) meer dan 500 000 l bij uitsluitend ondergrondse opslag of bij combinatie van ondergrondse of bovengrondse opslag | 1 | B | B | ||||
| b)meer dan 500 000 l bij uitsluitend bovengrondse opslag | 1 | B | A |
";
35° rubriek 17.3.7 wordt vervangen door wat volgt :
"
| 17.3.6 | Dépôts pour substances liquides avec point d'inflammabilité supérieur à 55° C, mais ne dépassant pas 100° C, à l'exception de ceux visés à la rubrique 48, avec une capacité totale de contenance : | ||||||
| 1°. a) de 5 000 l à 20 000 l compris si l'établissement appartient à la fonction de habitation d'un bien immobilier qui principalement utilisé comme habitation | 3 | ||||||
| b) de 100 l à 20 000 l compris pour les établissements autres que ceux visés sous a) | 3 | ||||||
| 2°. a) de plus de 20 000 l à 500 000 l en cas de stockage souterrain exclusif ou en cas de stockage souterrain ou en surface combiné | 2 | A | |||||
| b) de plus de 20 000 l à 500 000 l en cas de stockage en surface exclusif | 2 | O | |||||
| 3°. a) de plus de 500 000 l en cas de stockage souterrain exclusif ou en cas de stockage souterrain ou en surface combiné | 1 | B | B | ||||
| b) de plus de 500 000 l en cas de stockage en surface exclusif | 1 | B | A |
";
35° la rubrique 17.3.7 est remplacée par la disposition suivante :
"
| 17.3.7 | Opslagplaatsen voor vloeistoffen met een ontvlammingspunt hoger dan 100° C, met uitzondering van deze bedoeld onder rubriek 48, met een totaal inhoudsvermogen van : | ||||||
| 1° 200 l tot en met 50 000 l | 3 | ||||||
| 2° a) meer dan 50 000 l tot en met 5 000 000 l bij uitsluitend ondergrondse opslag of bij combinatie van ondergrondse of bovengrondse opslag | 2 | A | |||||
| b) meer dan 50 000 l tot en met 5 000 000 l bij uitsluitend bovengrondse opslag | 2 | O | |||||
| 3° a) meer dan 5 000 000 l bij uitsluitend ondergrondse opslag of bij combinatie van ondergrondse of bovengrondse opslag | 1 | B | B | ||||
| b) meer dan 5 000 000 l bij uitsluitend bovengrondse opslag | 1 | B | A |
";
36° in rubriek 17.3.9, 1°, wordt tussen de zinsnede " in rubriek 17.3.6 " en de woorden " bedoelde vloeistoffen " de zinsnede " of in rubriek 17.3.7 " ingevoegd;
37° in rubriek 17.3.9, 2°, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) de zinsnede " en/of in rubriek 17.3.6 " wordt vervangen door de zinsnede " , in rubriek 17.3.6 of in rubriek 17.3.7 ";
b) in de achtste kolom wordt de letter " A " opgeheven;
38° in rubriek 19 wordt tussen het opschrift van de rubriek " Hout (hout, houtschors, riet, vlas (houtachtig gedeelte), stro of soortgelijke producten) " en de woorden " de in deze rubriek vermelde gebieden betreffen " het volgende lid ingevoegd :
" Uitzondering :
Het verwerken van hout, houtschors, riet, vlas, stro of soortgelijke producten, gekoppeld aan de uitvoering van eigenlijke bouw- of sloopwerken, is niet in deze rubriek ingedeeld. ";
39° in rubriek 19.6 wordt het woord " e.d. " vervangen door de woorden " (hout, houtschors, riet, vlas (houtachtig gedeelte), stro of soortgelijke producten) ";
40° in rubriek 19.8, 2°, a), wordt de zinsnede " voor de definitie van het begrip " inwonersequivalent " verwezen naar het artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM onder de subtitel " Stedelijk Afvalwater ".overeenkomstig het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid onder " oppervlaktewaterlichaam " verstaan : " een onderscheiden oppervlaktewater, zoals een meer, een wachtbekken, een spaarbekken, een stroom, een rivier, een kanaal, een overgangswater, of een deel van een stroom, rivier, kanaal of overgangswater. " opgeheven;
41° in rubriek 19.8, 2°, a), 1), worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) de zinsnede " met een biologisch afbreekbare organische belasting van meer dan 20 inwonersequivalenten : " wordt vervangen door de zinsnede " met een debiet van meer dan 600 m3/jaar, ";
b) de zinsnede " wanneer het lozingspunt is gelegen in een gemeente waarvoor het gemeentelijk zoneringsplan nog niet definitief is vastgelegd " wordt opgeheven;
42° in rubriek 19.8, 2°, a), 3), i), wordt de zinsnede " met een biologisch afbreekbare organische belasting van meer dan 20 inwonersequivalenten " vervangen door de zinsnede " met een debiet van meer dan 600 m3/jaar ";
43° in rubriek 23.4 worden tussen het woord " oppervlaktebehandeling " en de woorden " van kunststoffen " de woorden " met inbegrip van ontvetting " ingevoegd;
44° rubriek 29.5.5 wordt vervangen door wat volgt :
"
| 17.3.7 | Dépôts pour substances liquides avec point d'inflammabilité supérieur à 100° C, à l'exception de ceux visés à la rubrique 48, avec une capacité totale de contenance : | ||||||
| 1°. de 200 l à 50 000 l compris | 3 | ||||||
| 2°. a) de plus de 50 000 l à 5 000 000 l en cas de stockage souterrain exclusif ou en cas de stockage souterrain ou en surface combiné | 2 | A | |||||
| b) de plus de 50 000 l à 5 000 000 l en cas de stockage en surface exclusif | 2 | O | |||||
| 3°. a) de plus de 5 000 000 l en cas de stockage souterrain exclusif ou en cas de stockage souterrain ou en surface combiné | 1 | B | B | ||||
| b) de plus de 5 000 000 l en cas de stockage en surface exclusif | 1 | B | A |
";
36° dans la rubrique 17.3.9.1°, les mots " ou à la rubrique 17.3.7 " sont insérés après les mots " des liquides visés à la rubrique 17.3.6.2° "
37° dans la rubrique 17.3.9.2° sont apportées les modifications suivantes :
a) la partie de phrase " et/ou dans la rubrique 17.3.6 " est remplacée par la partie de phrase " dans la rubrique 17.3.6 ou dans la rubrique 17.3.7 ";
b) la lettre " A " est supprimée dans la colonne 8;
38° dans la rubrique 19, l'alinéa suivant est inséré après l'intitulé " Bois (bois, écorce de bois, roseau, lin (partie contenant du bois), paille ou autres matières similaires) " :
" Exception :
La transformation de bois, écorce de bois, roseau, lin, paille ou autres matières similaires, couplée à l'exécution de travaux de construction ou de démolition proprement dit, n'est pas classée dans cette rubrique. ";
39° dans la rubrique 19.6, les mots " et autres similaires " sont remplacés par les mots " (bois, écorce de bois, roseau, lin (partie contenant du bois), paille ou autres matières similaires) ";
40° dans la rubrique 19.8, 2°, a), la partie de phrase " pour la définition de la notion " équivalent d'habitant " il est référé à l'article 1.1.2 du titre II du VLAREM sous le sous-titre " Eaux usées urbaines " conformément au décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, il est entendu par " masse d'eau en surface " : " une eau de surface séparée, tel qu'un lac, un bassin d'attente, un bassin de collecte, un fleuve, une rivière, un canal, une eau de transition, ou une partie d'un fleuve, d'une rivière, d'un canal ou d'une eau de transition " est abrogée.
41° dans la rubrique 19.8..2°, a), 1), sont apportées les modifications suivantes :
a) la partie de phrase " avec une charge bio-organique dégradable de plus de 20 équivalents d'habitants " est remplacée par la partie de phrase " avec un débit de plus à 600 m3/an ";
b) la partie de phrase " lorsque le point de déversement est situé dans une commune pour la quelle le plan de zoning communal n'a pas encore été fixé définitivement " est supprimée;
42° dans la rubrique 19.8.2°, a) 3), i), la partie de phrase " avec une charge bio-organique dégradable de plus de 20 équivalents d'habitants " est remplacée par la partie de phrase " avec un débit de plus à 600 m3/an ";
43° dans la rubrique 23.4, les mots " y compris le dégraissage " sont insérés entre les mots " e traitement en surface " et les mots " de plastiques ";
44° la rubrique 29.5.5 est remplacée par la disposition suivante :
"
| 29.5.5. | Installaties voor oppervlaktebehandeling, met inbegrip van ontvetting van metalen door middel van een elektrolytisch of chemisch procedé, als de gezamenlijke inhoud van de gebruikte behandelingsbaden en spoelbaden of van de opvangrecipiënten voor de opvang van de gebruikte chemicaliën, als niet gebruikgemaakt wordt van behandelingsbaden en spoelbaden, uit de volgende volumes bestaat : | ||||||
| Opmerkingen : De inrichtingen vallend onder de toepassing van rubriek 15.5 en rubriek 19.8 zijn niet ingedeeld in deze rubriek. De gebieden, vermeld in deze rubriek, betreffen de gebieden zoals bepaald door de stedenbouwkundige voorschriften van een goedgekeurd plan van aanleg, een ruimtelijk uitvoeringsplan of een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkavelingsvergunning. | |||||||
| 1° a) 10 liter tot en met 1 000 liter, als de inrichting volledig in een industriegebied ligt; | 3 | ||||||
| b) 10 liter tot en met 300 liter, als de inrichting volledig of gedeeltelijk in een ander gebied dan een industriegebied ligt; | 3 | ||||||
| 2° a) meer dan 1 000 liter tot en met 5 000 liter als de inrichting volledig in een industriegebied ligt; | 2 | A | |||||
| b) meer dan 300 liter tot en met 5 000 liter, als de inrichting volledig of gedeeltelijk in een ander gebied dan een industriegebied ligt; | 2 | A | |||||
| 3° meer dan 5 000 liter, voor een andere installatie dan die vermeld in punt 4; | 1 | M | B | P | J | B | |
| 4° meer dan 30 000 liter inhoud van alleen de behandelingsbaden (exclusief spoelbaden). | 1 | M,X | B | P | J,R | B |
De gebieden, vermeld in deze rubriek, betreffen de gebieden zoals bepaald door de stedenbouwkundige voorschriften van een goedgekeurd plan van aanleg, een ruimtelijk uitvoeringsplan of een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkavelingsvergunning.1° a) 10 liter tot en met 1 000 liter, als de inrichting volledig in een industriegebied ligt;3b) 10 liter tot en met 300 liter, als de inrichting volledig of gedeeltelijk in een ander gebied dan een industriegebied ligt;32° a) meer dan 1 000 liter tot en met 5 000 liter als de inrichting volledig in een industriegebied ligt;2Ab) meer dan 300 liter tot en met 5 000 liter, als de inrichting volledig of gedeeltelijk in een ander gebied dan een industriegebied ligt;2A3° meer dan 5 000 liter, voor een andere installatie dan die vermeld in punt 4;1MBPJB4° meer dan 30 000 liter inhoud van alleen de behandelingsbaden (exclusief spoelbaden).1M,XBPJ,RB
";
45° in rubriek 29.5.7 wordt in de " Opmerkingen " tussen de zinsnede " rubriek 15.5 " en de zinsnede " , zijn niet ingedeeld " de zinsnede " en rubriek 19.8 " ingevoegd;
46° in rubriek 29.5.7,1°, wordt tussen het woord " spoelbaden " en het woord " van " de zinsnede " of van de opvangrecipiënten voor de opvang van de gebruikte chemicaliën als niet gebruik gemaakt wordt van behandelingsbaden en spoelbaden, " ingevoegd;
47° in rubriek 29.5.7, 2°, wordt tussen het woord " spoelbaden " en het woord " van " de zinsnede " of van de opvangrecipiënten voor de opvang van de gebruikte chemicaliën als niet gebruikgemaakt wordt van behandelingsbaden en spoelbaden, " ingevoegd;
48° aan rubriek 29.5 wordt een subrubriek 29.5.10 toegevoegd, die luidt als volgt :
"
| 29.5.5. | Installations pour le traitement de surface y compris le dégraissage de métaux au moyen d'un procédé électrolytique ou chimique lorsque la contenance commune des bains de traitement et de rinçage utilisés ou des récipients de captage de produits chimiques utilisés, s'il n'est pas fait usage de bains de traitement et de bains de rinçage, consite des volumes suivants : Remarques : Les établissements relevant de l'application des rubriques 15.5 et 19.8, ne sont pas classées dans la présente rubrique. Les zones, mentionnées dans la présente rubrique, sont les zones telles que déterminées par les prescriptions urbanistiques d'un plan d'aménagement approuvé, d'un plan d'exécution spatial ou d'un permis de lotir dûment autorisé et non échu. | ||||||
| 1° a) de 10 l à 1 000 compris, lorsque l'établissement est entièrement situé dans une zone industrielle; | 3 | ||||||
| b) de 10 l jusqu'à 300 l compris, lorsque l'établissement est entièrement ou partiellement situé dans une zone autre qu'une industrielle; | 3 | ||||||
| 2° a) de plus de1 000 l à 5 000 l compris, lorsque l'établissement est entièrement situé dans une zone industrielle; | 2 | A | |||||
| b) de 300 l jusqu'à 5 000 l compris, lorsque l'établissement est entièrement ou partiellement situé dans une zone autre qu'une zone industrielle; | 2 | A | |||||
| 3° de plus de 5 000 l, pour une installation autre que celles visées au point 4; | 1 | M | B | P | J | B | |
| 4° de plus 30 000 l de contenance de seuls les bains de traitement (sans le bains de rinçage) | 1 | M,X | B | P | J,R | B |
Remarques : Les établissements relevant de l'application des rubriques 15.5 et 19.8, ne sont pas classées dans la présente rubrique.
Les zones, mentionnées dans la présente rubrique, sont les zones telles que déterminées par les prescriptions urbanistiques d'un plan d'aménagement approuvé, d'un plan d'exécution spatial ou d'un permis de lotir dûment autorisé et non échu.1° a) de 10 l à 1 000 compris, lorsque l'établissement est entièrement situé dans une zone industrielle;3b) de 10 l jusqu'à 300 l compris, lorsque l'établissement est entièrement ou partiellement situé dans une zone autre qu'une industrielle;32° a) de plus de1 000 l à 5 000 l compris, lorsque l'établissement est entièrement situé dans une zone industrielle;2Ab) de 300 l jusqu'à 5 000 l compris, lorsque l'établissement est entièrement ou partiellement situé dans une zone autre qu'une zone industrielle;2A3° de plus de 5 000 l, pour une installation autre que celles visées au point 4;1MBPJB4° de plus 30 000 l de contenance de seuls les bains de traitement (sans le bains de rinçage)1M,XBPJ,RB
";
45° dans la rubrique 29.5.7, dans les " Remarques ", la partie de phrase " et la rubrique 19.8 " est insérée entre la partie de phrase " rubrique 15.5 " et la partie de phrase " , ne sont pas classifiés "
46° dans la rubrique 29.5, 7,1°, les mots " ou de récipients de captage de produits chimiques utilisés s'il n'est pas fait usage de bains de traitement et de rinçage " sont insérés entre les mots " bains de rinçage " et le mot " de ";
47° dans la rubrique 29.5, 2°, les mots " ou de récipients de captage de produits chimiques utilisés s'il n'est pas fait usage de bains de traitement et de rinçage " sont insérés entre les mots " bains de rinçage " et le mot " de ";
48° à la rubrique 29.5, il est ajouté une sous-rubrique 29/05/2010, rédigée comme suit :
"
| 29.5.10 | Thermisch reinigen van metalen voorwerpen met het oog op onderhoud of reiniging voor gebruik in de oorspronkelijke functie door middel van pyrolyseovens, wervelbed of gelijkaardige installaties voor het verwijderen van bedekkingsmiddelen en voedingsresten, met een totaal thermisch vermogen van : | ||||||
| 1° tot en met 0,2 MW (vermogen zonder naverbrander of ontstoffing), waarbij : - geen verwijdering van halogeenhoudende stoffen, zoals vinyl, chloropreen, pvc, PVDC, gechloreerde polymeren, teflon, PVDF gebeurt, en; - geen rubbers of viscosehoudende producten verwijderd worden; - geen asbestcontaminanten verwijderd worden; | 3 | ||||||
| 2° overige : a) tot en met 0,2 MW, waarbij wel een of meer van de hierboven vermelde verwijderingsactiviteiten plaatsvinden; | 2 | A | |||||
| b) meer dan 0,2 MW. | 1 | M | B | P | J | J |
- geen verwijdering van halogeenhoudende stoffen, zoals vinyl, chloropreen, pvc, PVDC, gechloreerde polymeren, teflon, PVDF gebeurt, en;
- geen rubbers of viscosehoudende producten verwijderd worden;
- geen asbestcontaminanten verwijderd worden;32° overige : a) tot en met 0,2 MW, waarbij wel een of meer van de hierboven vermelde verwijderingsactiviteiten plaatsvinden;
2Ab) meer dan 0,2 MW.1MBPJJ
";
49° in rubriek 31.1 wordt tussen de zinsnede " Vast opgestelde motoren met een totaal nominaal vermogen van : " en het woord " Opmerkingen : " het lid
" Uitzondering :
motoren met inwendige verbranding opgesteld op een bouwplaats voor de uitvoering van eigenlijke bouw, sloop- of wegenwerken zijn niet (in deze rubriek) ingedeeld. " ingevoegd;
50° in rubriek 32.2 wordt in de kolom bemerkingen de letter " G " opgeheven;
51° rubriek 32.4 wordt vervangen door wat volgt :
"
| 29.5.10 | Nettoyage d'objets métalliques en vue de l'entretien ou du pour visant la ré-utilisation dans la fonction d'origine, au moyen de fours de pyrolyse, de lits fluidisés circulants ou d'installations similaires pour l'enlèvement de moyens de revêtements et déchets alimentaires, ayant une capacité thermique totale : | ||||||
| 1° de 0,2 MW compris (puissance sans postcombustion ou dépoussiérage) dans lesquels : - il n'y a pas d'enlèvement de substances contenant des halogènes, tel que le vinyle, le chloroprène, le pvc, les PVDC, les polymères chlorées, le téflon, les PVDF, et : - il n'y a pas d'enlèvement de substances contenant des caoutchoucs ou des viscoses; - il n'y a pas d'enlèvement de contaminants d'amiante; | 3 | ||||||
| 2° autres : a) jusqu'à 0,2 MW compris, dans lesquels ont lieu une des activités d'enlèvement précitées; | 2 | A | |||||
| b) de plus de 0,2 MW. | 1 | M | B | P | J |
- il n'y a pas d'enlèvement de substances contenant des halogènes, tel que le vinyle, le chloroprène, le pvc, les PVDC, les polymères chlorées, le téflon, les PVDF, et :
- il n'y a pas d'enlèvement de substances contenant des caoutchoucs ou des viscoses;
- il n'y a pas d'enlèvement de contaminants d'amiante;32° autres :
a) jusqu'à 0,2 MW compris, dans lesquels ont lieu une des activités d'enlèvement précitées;2Ab) de plus de 0,2 MW.1MBPJ
";
49° Dans la rubrique 31.1 il es t inséré un alinéa entre la partie de phrase " Moteurs stationnaires avec une puissance nominale totale de " et le mot " Remarques " rédigé comme suit :
" Exception :
les moteurs à combustion interne installés sur un chantier pour l'exécution de travaux de construction, démolition et routiers proprement dit ne sont pas classés (dans cette rubrique);
50° dans la rubrique 32.2, la lettre " G " est supprimée dans la colonne " remarques ";
51° la rubrique 32.4 est remplacée par la disposition suivante :
"
| 32.4. | Rijscholen, inrichtingen voor ruiter-, draf-, ren- en mensport, inrichtingen voor verhuur en africhting van paarden en andere zadeldieren Uitzondering : vallen niet onder deze indelingsrubriek : particulier gebruik; activiteiten met een maximale duur van drie opeenvolgende dagen die tweemaal per jaar op hetzelfde perceel of dezelfde percelen georganiseerd worden; activiteiten die georganiseerd worden ter gelegenheid van bijzondere gelegenheden, zoals kermissen, carnavals; hippotherapie met maximaal twee paarden. | 2 | T |
Uitzondering : vallen niet onder deze indelingsrubriek :
particulier gebruik;
activiteiten met een maximale duur van drie opeenvolgende dagen die tweemaal per jaar op hetzelfde perceel of dezelfde percelen georganiseerd worden;
activiteiten die georganiseerd worden ter gelegenheid van bijzondere gelegenheden, zoals kermissen, carnavals;
hippotherapie met maximaal twee paarden.2T
";
52° rubriek 33.4 wordt vervangen door wat volgt :
"
| 32.4. | Ecoles d'équitation, établissements de sport hippique, de courses au trot attelé, de courses de chevaux, de conduite de chevaux, établissements pour la location et le dressage de chevaux et d'autres animaux sellés Exception : ne relèvent pas de la présente rubrique : * l'usage à titre particulier; * les activités organisées deux fois par an sur la ou les mêmes parcelles, d'une durée maximale de trois jours successifs; * les activités organisées pour des occasions particulières telles que les kermesses, les carnavals; * hippothérapie impliquant deux chevaux au maximum. | 2 | T |
Exception : ne relèvent pas de la présente rubrique :
* l'usage à titre particulier;
* les activités organisées deux fois par an sur la ou les mêmes parcelles, d'une durée maximale de trois jours successifs;
* les activités organisées pour des occasions particulières telles que les kermesses, les carnavals;
* hippothérapie impliquant deux chevaux au maximum.2T
";
52° la rubrique 33.4 est remplacée par la disposition suivante :
"
| 33.4. | Opslag van papierdeeg, papier, karton en van waren uit papier en karton, met uitzondering van deze vermeld onder rubriek 48, met een capaciteit van : Uitzondering : bibliotheken en klassementen zijn niet in deze rubriek ingedeeld. De gebieden, vermeld in deze rubriek, betreffen de gebieden zoals bepaald door de stedenbouwkundige voorschriften van een goedgekeurd plan van aanleg, een ruimtelijk uitvoeringsplan of een behoorlijk vergunde, niet- vervallen verkavelingsvergunning. Als de bestemming is vastgelegd in een ruimtelijk uitvoeringsplan, wordt onder " industriegebied " de categorie van gebiedsaanduiding " bedrijvigheid " verstaan, met uitzondering van de volgende gebiedsaanduidingen die onder deze categorie vallen : - specifiek regionaal bedrijventerrein voor kantoren; - specifiek regionaal bedrijventerrein voor kleinhandel; - buffer voor bedrijventerreinen. | ||||||
| 1° a) meer dan 20 ton tot en met 200 ton in een lokaal of meer dan 200 ton tot en met 800 ton in openlucht, als de inrichting volledig in een industriegebied ligt; | 3 | ||||||
| b) meer dan 10 ton tot en met 20 ton in een lokaal of meer dan 100 ton tot en met 200 ton in openlucht, als de inrichting volledig of gedeeltelijk in een ander gebied dan een industriegebied ligt; | 3 | ||||||
| 2° a) meer dan 200 ton in een lokaal of meer dan 800 ton in openlucht, als de inrichting volledig in een industriegebied ligt; | 2 | T | |||||
| b) meer dan 20 ton in een lokaal of meer dan 200 ton in openlucht als de inrichting volledig of gedeeltelijk in een ander gebied dan een industriegebied ligt. | 2 | T |
Uitzondering :
bibliotheken en klassementen zijn niet in deze rubriek ingedeeld.
De gebieden, vermeld in deze rubriek, betreffen de gebieden zoals bepaald door de stedenbouwkundige voorschriften van een goedgekeurd plan van aanleg, een ruimtelijk uitvoeringsplan of een behoorlijk vergunde, niet- vervallen verkavelingsvergunning.
Als de bestemming is vastgelegd in een ruimtelijk uitvoeringsplan, wordt onder " industriegebied " de categorie van gebiedsaanduiding " bedrijvigheid " verstaan, met uitzondering van de volgende gebiedsaanduidingen die onder deze categorie vallen :
- specifiek regionaal bedrijventerrein voor kantoren;
- specifiek regionaal bedrijventerrein voor kleinhandel;
- buffer voor bedrijventerreinen.1° a) meer dan 20 ton tot en met 200 ton in een lokaal of meer dan 200 ton tot en met 800 ton in openlucht, als de inrichting volledig in een industriegebied ligt;3b) meer dan 10 ton tot en met 20 ton in een lokaal of meer dan 100 ton tot en met 200 ton in openlucht, als de inrichting volledig of gedeeltelijk in een ander gebied dan een industriegebied ligt;32° a) meer dan 200 ton in een lokaal of meer dan 800 ton in openlucht, als de inrichting volledig in een industriegebied ligt;2Tb) meer dan 20 ton in een lokaal of meer dan 200 ton in openlucht als de inrichting volledig of gedeeltelijk in een ander gebied dan een industriegebied ligt.2T
";
53° in rubriek 35 wordt in de kolom bemerkingen de letter " G " opgeheven;
54° in rubriek 45.1, d), wordt de zinsnede " er kan overlapping zijn met a) en b) " vervangen door de zinsnede " er kan overlapping zijn met b), c) en e) ";
55° in rubriek 45.1, e), wordt de zinsnede " er kan overlapping zijn met a), b) of c) " vervangen door de zinsnede " er kan overlapping zijn met a), b), c) en d) ";
56° in rubriek 45.2 wordt in de kolom bemerkingen de letter " G " telkens opgeheven;
57° rubriek 48.3 wordt opgeheven;
58° rubriek 53.6 wordt vervangen door wat volgt :
"
| 33.4. | Stockage de pâte à papier, papier, carton et articles en papier et carton, à l'exclusion de ceux visés à la rubrique 48, avec une capacité : Exception : les bibliothèques et classements ne sont pas classés dans cette rubrique. Les zones, mentionnées dans la présente rubrique, sont les zones telles que déterminées par les prescriptions urbanistiques d'un plan d'aménagement approuvé, d'un plan d'exécution spatial ou d'un permis de lotir dûment autorisé et non échu. Si l'affectation a été fixée dans un plan d'exécution spatial, il faut entendre par " zone industrielle " la catégorie portant la dénomination de zone " activités économiques ", à l'exception des dénominations de zone suivantes relavant de cette catégorie : - terrain d'activités économiques régional spécifique pour bureaux; - terrain d'activités économiques régional spécifique pour commerce en détail; - tampon pour terrains d'activités économiques. | ||||||
| 1°. a) de plus de 20 tonnes jusqu'à 200 tonnes compris dans un local ou de plus de 200 tonnes jusqu'à 800 tonnes compris en plein air, si l'établissement est entièrement situé dans une zone industrielle; | 3 | ||||||
| b) de plus de 10 tonnes jusqu'à 20 tonnes compris dans un local ou de plus de 100 tonnes jusqu'à 200 tonnes compris en plein air, si l'établissement est entièrement ou partiellement situé dans une zone autre qu'une zone industrielle; | 3 | ||||||
| 2°. a) de plus de 200 tonnes dans un local ou de plus de 800 tonnes en plein air, si l'établissement est entièrement situé dans une zone industrielle; | 2 | T | |||||
| b) de plus de 20 tonnes dans un local ou de plus de 200 tonnes en plein air, si l'établissement est entièrement ou partiellement situé dans une zone autre qu'une zone industrielle; | 2 | T |
Exception :
les bibliothèques et classements ne sont pas classés dans cette rubrique.
Les zones, mentionnées dans la présente rubrique, sont les zones telles que déterminées par les prescriptions urbanistiques d'un plan d'aménagement approuvé, d'un plan d'exécution spatial ou d'un permis de lotir dûment autorisé et non échu.
Si l'affectation a été fixée dans un plan d'exécution spatial, il faut entendre par " zone industrielle " la catégorie portant la dénomination de zone " activités économiques ", à l'exception des dénominations de zone suivantes relavant de cette catégorie :
- terrain d'activités économiques régional spécifique pour bureaux;
- terrain d'activités économiques régional spécifique pour commerce en détail;
- tampon pour terrains d'activités économiques.1°. a) de plus de 20 tonnes jusqu'à 200 tonnes compris dans un local ou de plus de 200 tonnes jusqu'à 800 tonnes compris en plein air, si l'établissement est entièrement situé dans une zone industrielle;3b) de plus de 10 tonnes jusqu'à 20 tonnes compris dans un local ou de plus de 100 tonnes jusqu'à 200 tonnes compris en plein air, si l'établissement est entièrement ou partiellement situé dans une zone autre qu'une zone industrielle;32°. a) de plus de 200 tonnes dans un local ou de plus de 800 tonnes en plein air, si l'établissement est entièrement situé dans une zone industrielle;2Tb) de plus de 20 tonnes dans un local ou de plus de 200 tonnes en plein air, si l'établissement est entièrement ou partiellement situé dans une zone autre qu'une zone industrielle;2T
";
53° dans la rubrique 35, la lettre " G " est supprimée dans la colonne " remarques ";
54° dans la rubrique 45.1, d), la partie de phrase " il peut exister un chevauchement avec les points a) et b) " est remplacée par la partie de phrase " (il peut exister un chevauchement avec les points b), c) et e) ";
55° dans la rubrique 45.1, e), la partie de phrase " il peut exister un chevauchement avec les points a), b) ou c) " est remplacée par la partie de phrase " (il peut exister un chevauchement avec les points a), b), c) et d) ";
56° dans la rubrique 45.2, la lettre " G " est chaque fois supprimée dans la colonne " remarques ";
57° la rubrique 48.3 est abrogée;
58° la rubrique 53.6 est remplacée par la disposition suivante :
"
| 53.6. | Boren van grondwaterwinningsputten en grondwaterwinningen die gebruikt worden voor thermische energieopslag in watervoerende lagen, met inbegrip van terugpompingen, met een opgepompt debiet van : | ||||||
| 1° minder dan 30 000 m3/jaar | 2 | W | N | ||||
| 2° ten minste 30 000 m3/jaar | 1 | W | N |
";
59° in rubriek 55.1 wordt de zin " Uitzondering : peilputten in het kader van bodem- en grondwateranalyses of ter naleving van de milieuvoorwaarden voor de exploitatie van inrichtingen vallen niet onder deze subrubriek. " vervangen door de zin " Uitzondering : peilputten in het kader van bodem- en grondwateranalyses of ter naleving van de milieuvoorwaarden voor de exploitatie van inrichtingen of boringen ter naleving van wettelijke verplichtingen vallen niet onder deze rubriek. ";
60° in rubriek 59 wordt tussen het opschrift van de rubriek " Activiteiten die gebruik maken van organische oplosmiddelen " en het opschrift van rubriek 59.1 " Drukken " de zin " De in deze rubriek vermelde activiteiten omvatten de reiniging van de procesapparatuur, maar niet de reiniging van de producten tenzij andersluidende vermeldingen zijn opgenomen. " ingevoegd.
| 53.6. | Forage de puits de captage d'eaux souterraines et de captages d'eaux souterraines qui sont utilisées pour le stockage d'énergie thermique dans les nappes aquifères, y compris les systèmes de pompes de retour, avec un débit pompé : | ||||||
| 1°. de moins de 30 000 m3/an | 2 | W | N | ||||
| 2°. d'au moins 30 000 m3/an | 1 | W | N |
";
59° Dans la rubrique 55.1, la phrase " Exception : les puits de sonde destinés à la réalisation d'analyse du sol et d'analyse des eaux souterraines ou à respecter les conditions d'environnement imposées pour l'exploitation des établissements ne tombent pas sous cette rubrique " est remplacée par la phrase " Exception : les puits de sonde dans le cadre d'analyses du sol et des eaux souterraines ou en vue du respect des conditions d'environnement imposées pour l'exploitation des établissements ou pour le forage en vue du respect des obligations légales ne relèvent pas de la présente rubrique. ";
60° Dans la rubrique 59, la phrase " Les activités mentionnées dans la présente rubrique comprennent le nettoyage d'appareils de procédé mais pas le nettoyage des produits sauf si d'autres mentions contraires ont été reprises. " entre l'intitulé " Activités faisant usage de solvant organiques " et l'intitulé 59.1 " Imprimerie ".
Art. 22. In bijlage 3.A van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009, wordt aan deel F een punt F5 toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Rubriek 17.2.2 van de VLAREM-indelingslijst (hogedrempel-Seveso-inrichtingen)
F5 Als de mededeling betrekking heeft op een verandering in een hogedrempel-Seveso-inrichting, ofwel van de hoeveelheid of de fysische vorm van de gevaarlijke stoffen, ofwel van de processen of de installaties waarbij gevaarlijke stoffen worden gebruikt, die het voorwerp heeft uitgemaakt van een veiligheidsnota die door een erkende VR-deskundige, vermeld in artikel 6, 1°, e), van het VLAREL, en door de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportering, is goedgekeurd, voegt u de voormelde veiligheidsnota als bijlage F5 bij dit formulier. ".
• F5
" Rubriek 17.2.2 van de VLAREM-indelingslijst (hogedrempel-Seveso-inrichtingen)
F5 Als de mededeling betrekking heeft op een verandering in een hogedrempel-Seveso-inrichting, ofwel van de hoeveelheid of de fysische vorm van de gevaarlijke stoffen, ofwel van de processen of de installaties waarbij gevaarlijke stoffen worden gebruikt, die het voorwerp heeft uitgemaakt van een veiligheidsnota die door een erkende VR-deskundige, vermeld in artikel 6, 1°, e), van het VLAREL, en door de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportering, is goedgekeurd, voegt u de voormelde veiligheidsnota als bijlage F5 bij dit formulier. ".
• F5
Art. 22. A l'annexe 3A du même arrêté, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 avril 2009, la partie F est complétée par un point F5, rédigé comme suit :
" Rubrique 17.2.2 de la liste de classification VLAREM (établissements Seveso seuil haut)
F5 Si la communication a trait à une modification dans un établissement Seveso seuil haut, soit de la quantité ou de la forme physique de substances dangereuses, soit des procédés ou des installations dans lesquels des substances dangereuses sont utilisées, qui a fait l'objet d'une note de sécurité approuvée par un expert en matière de rapports de sécurité, cité à l'article 6, 1°, e) du VLAREL, et par la division, chargée des rapports de sécurité, vous joignez la note de sécurité précitée en annexe F5 au présent formulaire. ".
• F5
" Rubrique 17.2.2 de la liste de classification VLAREM (établissements Seveso seuil haut)
F5 Si la communication a trait à une modification dans un établissement Seveso seuil haut, soit de la quantité ou de la forme physique de substances dangereuses, soit des procédés ou des installations dans lesquels des substances dangereuses sont utilisées, qui a fait l'objet d'une note de sécurité approuvée par un expert en matière de rapports de sécurité, cité à l'article 6, 1°, e) du VLAREL, et par la division, chargée des rapports de sécurité, vous joignez la note de sécurité précitée en annexe F5 au présent formulaire. ".
• F5
Art. 23. In bijlage 3.C van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009, worden de punten C8 en E2 opgeheven.
Art. 23. Dans l'annexe 3C du même arrêté, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 avril 2009, les points C8 et E2 sont abrogés.
Art. 24. In bijlage 4.A van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het deel A wordt het punt A9 vervangen door wat volgt :
"
1° in het deel A wordt het punt A9 vervangen door wat volgt :
"
Art. 24. Dans l'annexe 4A du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 avril 2009, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans la partie A, le point A9 est remplacé par la disposition suivante :
"
1° dans la partie A, le point A9 est remplacé par la disposition suivante :
"
| A9 | Voeg bij dit formulier als bijlage A9 een kopie van de documenten waaruit ondubbelzinnig blijkt op basis van welke gebruikstitel u als exploitant de beschikking hebt over (onderdelen van) de inrichting en over de percelen waarop de exploitatie plaatsvindt of gepland is en waarvan u geen eigenaar bent. Als deze aanvraag betrekking heeft op een of meer windturbines, voegt u aanvullend bij bijlage A9 de overeenkomst met de eigenaars van de percelen waarboven de wieken van de windturbines kunnen draaien. Als u over een ongeschreven gebruikstitel beschikt, voegt u als bijlage A9 bij dit formulier minstens een verklaring op erewoord, waarin staat dat u beschikt over een gebruiksrecht van de inrichting en de percelen in kwestie. | |
| A9 |
Als u over een ongeschreven gebruikstitel beschikt, voegt u als bijlage A9 bij dit formulier minstens een verklaring op erewoord, waarin staat dat u beschikt over een gebruiksrecht van de inrichting en de percelen in kwestie. A9
";
2° in punt C2 wordt de zin " Ja maar de lopende vergunning loopt uiterlijk op 1 september 2011 af en de aanvraag wordt niet meer dan 48 maanden voor het verstrijken van de lopende vergunning aangevraagd. " vervangen door de zin " Ja, maar het betreft de vroegtijdige indiening van een milieuvergunningsaanvraag, conform artikel 45bis, § 1, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, die tot doel heeft een nieuwe vergunning te verkrijgen voor de exploitatie van een inrichting die geheel of gedeeltelijk wordt geregeld door een vergunning als vermeld in artikel 43 of 44, eerste lid, van het voormelde decreet. ";
3° aan het deel F wordt een punt F14 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"
| A9 | Joignez au présent formulaire, comme annexe A9, une copie des documents dont ressort explicitement sur la base de quel titre d'utilisation vous disposez, en tant qu'exploitant de (parties de) l'établissement et des parcelles sur lesquelles l'exploitation a lieu où est envisagée et dont vous n'êtes pas propriétaire. Si cette demande a trait à une/ou plusieurs éoliennes, vous joignez également à l'annexe A9 le contrat conclu avec les propriétaires des parcelles aux dessus desquelles les pales des éoliennes peuvent tourner. Si vous disposez d'un titre d'utilisation non-écrit, joignez au présent formulaire comme annexe 9 au moins une déclaration sur l'honneur mentionnant que vous disposez d'un droit d'utilisation de l'établissement et des parcelles en question. | |
| A9 |
Si vous disposez d'un titre d'utilisation non-écrit, joignez au présent formulaire comme annexe 9 au moins une déclaration sur l'honneur mentionnant que vous disposez d'un droit d'utilisation de l'établissement et des parcelles en question. A9
";
2° au point C2, la phrase " Oui mais l'autorisation courante échoit au plus tard le 1er septembre 2011 et la demande n'est pas demandée pas plus de 48 mois avant l'échéance de l'autorisation courante. " est remplacée par la phrase " oui, mais il s'agit d'une introduction prématurée de la demande d'autorisation écologique, conformément à l'article 45bis, § 1er, " du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique, ayant pour but d'obtenir une nouvelle autorisation pour l'exploitation d'un établissement qui entièrement ou partiellement réglé par une autorisation telle que visée à l'article 43 ou 44, alinéa premier, du décret précité. ";
3° à la parti F, il est ajouté un point F14, rédigé comme suit :
"
(Tekst niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 21-03-2012, p. 16485)
(Texte non repris pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-03-2012, p. 16614)
";
4° in punt G1 worden de letters " D2 " vervangen door de letters " G2 ";
5° in punt H6 worden onder het aankruisvak " • F13 " een aankruisvak " • F14 " toegevoegd.
4° in punt G1 worden de letters " D2 " vervangen door de letters " G2 ";
5° in punt H6 worden onder het aankruisvak " • F13 " een aankruisvak " • F14 " toegevoegd.
";
4° dans le point G1, les lettres " D2 " sont remplacées par les lettres " G2 ";
5° dans le point H6, une case à cocher " • F13 " est ajoutée en-dessous de la case à cocher " • F14 ".
4° dans le point G1, les lettres " D2 " sont remplacées par les lettres " G2 ";
5° dans le point H6, une case à cocher " • F13 " est ajoutée en-dessous de la case à cocher " • F14 ".
Art. 25. In bijlage 4.B van hetzelfde besluit, ingevoegd bij besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 mei 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt F8 wordt de zinsnede " hoofdstuk I en II van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 inzake energieplanning voor ingedeelde energie-intensieve inrichtingen " telkens vervangen door de zinsnede " artikel 6.5.1 tot en met 6.5.8 van het Energiebesluit ";
2° er wordt een punt F14 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"
F14 WINDTURBINES
In de toelichtingsbijlage wordt verstaan onder :
a) slagschaduw : schaduw die afkomstig is van een bewegende rotor van een windturbine als de intensiteit van het ingestraalde zonlicht hoger is dan 120 W/m2 op een vlak loodrecht op de invalsrichting van de zon;
b) slagschaduwgevoelig object : een binnenruimte waar slagschaduw van windturbines hinder kan veroorzaken;
c) verwachte slagschaduw : het aantal uren slagschaduw dat aan de hand van de hieronder vermelde aannames verwacht mag worden.
1. een slagschaduwstudie, als er zich een slagschaduwgevoelig object bevindt binnen de contour van vier uur verwachte slagschaduw per jaar van een windturbine. De slagschaduwstudie bevat een berekening van de verwachte slagschaduw en minstens de volgende gegevens :
a) de maximale rotordiameter en de maximale tiphoogte van de weerhouden windturbinetypes;
b) de inplanting van de windturbines, weergegeven in lambertcoördinaten;
c) de hoogtelijnen van de site;
d) de representatieve slagschaduwgevoelige objecten, weergegeven in lambertcoördinaten, die binnen de contour van vier uur verwachte slagschaduw per jaar van de windturbine liggen;
e) een weergave van de isocontouren voor verwachte slagschaduw van respectievelijk 4, 8, 16 en 32 uren per jaar op een topografische kaart en op een luchtfoto, conform de hieronder vermelde aannames;
f) een slagschaduwkalender per windturbine op grafiek, waarin de astronomisch maximaal mogelijke slagschaduwduur voor de representatieve slagschaduwgevoelige objecten binnen de contour van vier uur verwachte slagschaduw per jaar wordt weergegeven;
g) een slagschaduwkalender voor de representatieve slagschaduwgevoelige objecten binnen de contour van vier uur verwachte slagschaduw per jaar op grafiek, waarin de astronomisch maximaal mogelijke slagschaduwduur veroorzaakt door elke windturbine wordt weergegeven.
De verwachte slagschaduw wordt berekend met de volgende aannames :
a) slagschaduw wordt berekend vanaf het moment dat de zon hoger staat dan een hoek van 3° ten opzichte van de horizon (het maaiveld);
b) er bevinden zich geen obstakels tussen de turbine en slagschaduwgevoelige objecten;
c) als slagschaduwreceptor wordt een standaardraam op 1 m boven het maaiveld met een breedte van 5 m en een hoogte van 2 m genomen of de reële situatie ter plaatse;
d) een woning wordt beschouwd als een object dat licht ontvangt uit alle richtingen;
e) er wordt gerekend met de klimatologische maandnormalen van het gemiddeld aantal uren zonneschijn, de gemiddelde windsnelheid en de overheersende windrichting.
2. een veiligheidsstudie, waarin de veiligheidsaspecten worden verduidelijkt, conform het door de Vlaamse overheid aanvaard beoordelingskader. Ook wordt een aanvullende veiligheidsstudie, uitgevoerd door een erkende VR-deskundige, vermeld in artikel 6, 1°, e), van het VLAREL, indien één van de volgende situaties zich voordoet :
a) één of meerdere criteria uit bovenvermeld beoordelingskader worden niet gerespecteerd;
b) er bevinden zich Seveso-plichtige inrichtingen of andere inrichtingen met installaties met Seveso-stoffen, die het externe risico significant kunnen verhogen binnen de effectafstand voor bladbreuk bij overtoeren. In dit geval wordt een gemotiveerde beoordeling opgesteld waarin de impact van de windturbine(s) op het externe risico van deze inrichtingen geëvalueerd wordt;
c) er kan een gemiddelde aanwezigheid zijn van meer dan tien personen op 24-uursbasis binnen de effectafstand voor mastbreuk;
d) er vindt wiekoverslag plaats boven een verharde, openbare weg, een spoorweg of een bevaarbare waterloop.
3. een geluidsstudie. Deze bevat een immissieberekening volgens ISO 9613-2 (1996), uitgevoerd door een erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein geluid, vermeld in artikel 6, 1°, c), van het VLAREL.
Het gebruik van internationaal gangbare softwarepakketten is toegestaan, voor zover ze een berekening uitvoeren conform de uitgebreide methode van ISO 9613-2 :1996.
Voor de immissieberekening gelden de volgende randvoorwaarden :
a) windturbines worden gemodelleerd als puntbronnen op masthoogte;
b) het geluid wordt berekend in tertsbanden (of octaafbanden als die gegevens niet beschikbaar zijn) vanaf 50 Hz (of 63 Hz bij octaafbanden);
c) de immissiehoogte van de ontvanger is 4 m, tenzij de specifieke situatie een andere hoogte vereist. In het laatste geval wordt een motivering toegevoegd;
d) gevelreflectie wordt niet berekend, tenzij dat aangewezen is vanwege de lokale situatie;
e) standaardaannames voor atmosferische omstandigheden zijn temperatuur 10° C, luchtvochtigheid 70 %. Voor elk immissiepunt wordt gerekend met de in de ISO ingebouwde lichte meewindvoorwaarden. Het gebruik van windrichtingsafhankelijke correctiefactoren is niet toegestaan;
f) binnen de ISO-9613-2 :1996-norm wordt gekozen voor de frequentieafhankelijke formule voor de bodemterm;
g) het gebruik vaneen meteocorrectieterm (Cmeteo) is niet toegestaan (Cmeteo = 0 volgens de formules);
h) de gehanteerde waarden voor parameters van het ISO 9613-2 (1996)-model worden in het geluidsrapport vermeld;
i) de bodemabsorptiefactor G = 1 geldt bij absolute absorptie, en de bodemabsorptiefactor G = 0 geldt bij absolute reflectie (omvangrijke wateroppervlakken in de buurt van het immissiepunt). In een agrarische omgeving wordt standaard gerekend met een bodemabsorptiefactor G = 0,8. In omgevingen waarin nabij het immissiepunt veel verharde oppervlakken zijn, wordt G = 0,2. De vegetatie (bomen, struiken, gewassen) wordt niet meegenomen in de bepaling van de absorptie omdat ze geen gegarandeerd blijvende en onveranderlijke elementen bevat. Andere waarden voor de grondabsorptie mogen worden aangewend als ze verantwoord worden;
j) indien bij de berekening ter hoogte van een woning een immissieniveau bereikt wordt dat minder dan 3 dB(A) verschilt van de geluidsnorm, worden de detailgegevens expliciet vermeld. De waarden voor de bodemabsorptiefactoren worden expliciet berekend;
k) de invloed van individuele woningen en andere gebouwen wordt niet meegerekend, tenzij er vermoed wordt dat ze een belangrijke invloed hebben. In dat geval wordt gerekend met reflecties van de eerste orde;
l) de invloed van de aanwezigheid van bomen, struiken en andere gewassen wordt niet meegenomen;
m) alleen als de hoogteverschillen relevant zijn ten opzichte van de bronhoogte, wordt dat aspect mee in rekening gebracht. Anders wordt er gerekend zonder diffractie op de hoogtelijnen;
n) de eventuele tonaliteit wordt beschouwd conform dit besluit;
o) In geval meerdere types windturbines worden aangevraagd, gebeurt de berekening minstens voor de worst-case situatie.
Voor de bepaling van het brongeluid van windturbines, gemeten volgens de IEC-61400-11 norm, wordt een verslag van een geaccrediteerd bureau aanvaard. Dat verslag moet voorgelegd worden ten laatste op het moment dat de bouw van de windturbine start.
Het brongeluid wordt bepaald bij 95% van het nominale vermogen van de windturbine. De technische fiche bevat ook de geluidsvermogens bij een lager productievermogen, alsook de gegevens in terts- en octaafbanden.
Bij de opgave van het geluidsvermogen wordt een tolerantieband vermeld. Standaard is de tolerantieband +1 dB(A). Als de constructeur zelf een grotere tolerantieband of onzekerheidsfactor aangeeft, zal die bij het vermelde brongeluid (95% nominaal vermogen) worden bijgeteld, verminderd met de tolerantieband van 1 dB(A).
Indien het specifiek geluid van de windturbine hoger ligt dan de richtwaarde vermeld in bijlage 5.20.6.1, bevat de geluidsstudie tevens een uitgebreide toelichting met betrekking tot de meetcampagne voor de bepaling van het LA95 van het oorspronkelijke omgevingsgeluid. De duurtijd van de meetcampagne kan bepaald worden in overleg met de vergunningverlenende overheid. ".
1° in punt F8 wordt de zinsnede " hoofdstuk I en II van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 inzake energieplanning voor ingedeelde energie-intensieve inrichtingen " telkens vervangen door de zinsnede " artikel 6.5.1 tot en met 6.5.8 van het Energiebesluit ";
2° er wordt een punt F14 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"
F14 WINDTURBINES
In de toelichtingsbijlage wordt verstaan onder :
a) slagschaduw : schaduw die afkomstig is van een bewegende rotor van een windturbine als de intensiteit van het ingestraalde zonlicht hoger is dan 120 W/m2 op een vlak loodrecht op de invalsrichting van de zon;
b) slagschaduwgevoelig object : een binnenruimte waar slagschaduw van windturbines hinder kan veroorzaken;
c) verwachte slagschaduw : het aantal uren slagschaduw dat aan de hand van de hieronder vermelde aannames verwacht mag worden.
1. een slagschaduwstudie, als er zich een slagschaduwgevoelig object bevindt binnen de contour van vier uur verwachte slagschaduw per jaar van een windturbine. De slagschaduwstudie bevat een berekening van de verwachte slagschaduw en minstens de volgende gegevens :
a) de maximale rotordiameter en de maximale tiphoogte van de weerhouden windturbinetypes;
b) de inplanting van de windturbines, weergegeven in lambertcoördinaten;
c) de hoogtelijnen van de site;
d) de representatieve slagschaduwgevoelige objecten, weergegeven in lambertcoördinaten, die binnen de contour van vier uur verwachte slagschaduw per jaar van de windturbine liggen;
e) een weergave van de isocontouren voor verwachte slagschaduw van respectievelijk 4, 8, 16 en 32 uren per jaar op een topografische kaart en op een luchtfoto, conform de hieronder vermelde aannames;
f) een slagschaduwkalender per windturbine op grafiek, waarin de astronomisch maximaal mogelijke slagschaduwduur voor de representatieve slagschaduwgevoelige objecten binnen de contour van vier uur verwachte slagschaduw per jaar wordt weergegeven;
g) een slagschaduwkalender voor de representatieve slagschaduwgevoelige objecten binnen de contour van vier uur verwachte slagschaduw per jaar op grafiek, waarin de astronomisch maximaal mogelijke slagschaduwduur veroorzaakt door elke windturbine wordt weergegeven.
De verwachte slagschaduw wordt berekend met de volgende aannames :
a) slagschaduw wordt berekend vanaf het moment dat de zon hoger staat dan een hoek van 3° ten opzichte van de horizon (het maaiveld);
b) er bevinden zich geen obstakels tussen de turbine en slagschaduwgevoelige objecten;
c) als slagschaduwreceptor wordt een standaardraam op 1 m boven het maaiveld met een breedte van 5 m en een hoogte van 2 m genomen of de reële situatie ter plaatse;
d) een woning wordt beschouwd als een object dat licht ontvangt uit alle richtingen;
e) er wordt gerekend met de klimatologische maandnormalen van het gemiddeld aantal uren zonneschijn, de gemiddelde windsnelheid en de overheersende windrichting.
2. een veiligheidsstudie, waarin de veiligheidsaspecten worden verduidelijkt, conform het door de Vlaamse overheid aanvaard beoordelingskader. Ook wordt een aanvullende veiligheidsstudie, uitgevoerd door een erkende VR-deskundige, vermeld in artikel 6, 1°, e), van het VLAREL, indien één van de volgende situaties zich voordoet :
a) één of meerdere criteria uit bovenvermeld beoordelingskader worden niet gerespecteerd;
b) er bevinden zich Seveso-plichtige inrichtingen of andere inrichtingen met installaties met Seveso-stoffen, die het externe risico significant kunnen verhogen binnen de effectafstand voor bladbreuk bij overtoeren. In dit geval wordt een gemotiveerde beoordeling opgesteld waarin de impact van de windturbine(s) op het externe risico van deze inrichtingen geëvalueerd wordt;
c) er kan een gemiddelde aanwezigheid zijn van meer dan tien personen op 24-uursbasis binnen de effectafstand voor mastbreuk;
d) er vindt wiekoverslag plaats boven een verharde, openbare weg, een spoorweg of een bevaarbare waterloop.
3. een geluidsstudie. Deze bevat een immissieberekening volgens ISO 9613-2 (1996), uitgevoerd door een erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein geluid, vermeld in artikel 6, 1°, c), van het VLAREL.
Het gebruik van internationaal gangbare softwarepakketten is toegestaan, voor zover ze een berekening uitvoeren conform de uitgebreide methode van ISO 9613-2 :1996.
Voor de immissieberekening gelden de volgende randvoorwaarden :
a) windturbines worden gemodelleerd als puntbronnen op masthoogte;
b) het geluid wordt berekend in tertsbanden (of octaafbanden als die gegevens niet beschikbaar zijn) vanaf 50 Hz (of 63 Hz bij octaafbanden);
c) de immissiehoogte van de ontvanger is 4 m, tenzij de specifieke situatie een andere hoogte vereist. In het laatste geval wordt een motivering toegevoegd;
d) gevelreflectie wordt niet berekend, tenzij dat aangewezen is vanwege de lokale situatie;
e) standaardaannames voor atmosferische omstandigheden zijn temperatuur 10° C, luchtvochtigheid 70 %. Voor elk immissiepunt wordt gerekend met de in de ISO ingebouwde lichte meewindvoorwaarden. Het gebruik van windrichtingsafhankelijke correctiefactoren is niet toegestaan;
f) binnen de ISO-9613-2 :1996-norm wordt gekozen voor de frequentieafhankelijke formule voor de bodemterm;
g) het gebruik vaneen meteocorrectieterm (Cmeteo) is niet toegestaan (Cmeteo = 0 volgens de formules);
h) de gehanteerde waarden voor parameters van het ISO 9613-2 (1996)-model worden in het geluidsrapport vermeld;
i) de bodemabsorptiefactor G = 1 geldt bij absolute absorptie, en de bodemabsorptiefactor G = 0 geldt bij absolute reflectie (omvangrijke wateroppervlakken in de buurt van het immissiepunt). In een agrarische omgeving wordt standaard gerekend met een bodemabsorptiefactor G = 0,8. In omgevingen waarin nabij het immissiepunt veel verharde oppervlakken zijn, wordt G = 0,2. De vegetatie (bomen, struiken, gewassen) wordt niet meegenomen in de bepaling van de absorptie omdat ze geen gegarandeerd blijvende en onveranderlijke elementen bevat. Andere waarden voor de grondabsorptie mogen worden aangewend als ze verantwoord worden;
j) indien bij de berekening ter hoogte van een woning een immissieniveau bereikt wordt dat minder dan 3 dB(A) verschilt van de geluidsnorm, worden de detailgegevens expliciet vermeld. De waarden voor de bodemabsorptiefactoren worden expliciet berekend;
k) de invloed van individuele woningen en andere gebouwen wordt niet meegerekend, tenzij er vermoed wordt dat ze een belangrijke invloed hebben. In dat geval wordt gerekend met reflecties van de eerste orde;
l) de invloed van de aanwezigheid van bomen, struiken en andere gewassen wordt niet meegenomen;
m) alleen als de hoogteverschillen relevant zijn ten opzichte van de bronhoogte, wordt dat aspect mee in rekening gebracht. Anders wordt er gerekend zonder diffractie op de hoogtelijnen;
n) de eventuele tonaliteit wordt beschouwd conform dit besluit;
o) In geval meerdere types windturbines worden aangevraagd, gebeurt de berekening minstens voor de worst-case situatie.
Voor de bepaling van het brongeluid van windturbines, gemeten volgens de IEC-61400-11 norm, wordt een verslag van een geaccrediteerd bureau aanvaard. Dat verslag moet voorgelegd worden ten laatste op het moment dat de bouw van de windturbine start.
Het brongeluid wordt bepaald bij 95% van het nominale vermogen van de windturbine. De technische fiche bevat ook de geluidsvermogens bij een lager productievermogen, alsook de gegevens in terts- en octaafbanden.
Bij de opgave van het geluidsvermogen wordt een tolerantieband vermeld. Standaard is de tolerantieband +1 dB(A). Als de constructeur zelf een grotere tolerantieband of onzekerheidsfactor aangeeft, zal die bij het vermelde brongeluid (95% nominaal vermogen) worden bijgeteld, verminderd met de tolerantieband van 1 dB(A).
Indien het specifiek geluid van de windturbine hoger ligt dan de richtwaarde vermeld in bijlage 5.20.6.1, bevat de geluidsstudie tevens een uitgebreide toelichting met betrekking tot de meetcampagne voor de bepaling van het LA95 van het oorspronkelijke omgevingsgeluid. De duurtijd van de meetcampagne kan bepaald worden in overleg met de vergunningverlenende overheid. ".
Art. 25. Dans l'annexe 4B du même arrêté, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 avril 2009 et modifiée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 mai 2010, sont apportées les modifications suivantes :
1° au point F8, la partie de phrase " chapitres Ier et II de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 mai 2004 relatif au planning énergétique pour les établissements énergivores classés " est chaque fois remplacée par la partie de phrase " articles 6.5.1 à 6.5.8 inclus de l'arrêté relatif à l'Energie ";
2° il est ajouté un point F14, rédigé comme suit :
"
F14 EOLIENNES
Dans le présente note explicative, on entend par :
a) ombre portée des pales : ombre provenant du rotor en mouvement d'une éolienne si l'intensité des rayons du soleil est supérieure à 120W/m2 sur un plan perpendiculaire sur la direction d'incidence du soleil;
b) objet sensible à l'ombre portée des pales : un espace intérieur dans lequel l'ombre portée est susceptible de causer des nuisances;
c) ombre portée des pales attendue; le nombre d'heures d'ombre portée pouvant d'être attendues à l'aide des hypothèses suivantes :
1. une étude sur l'ombre portée si un objet sensible à l'ombre portée se trouve dans le périmètre de quatre heures d'ombre portée par an d'une éolienne. L'étude de l'ombre portée comprend un calcul de l'ombre portée et au moins les données suivantes :
a) le diamètre maximal du rotor et la hauteur de pale maximale des types d'éolienne retenus;
b) l'implantation des éoliennes, représentées en coordonnées Lambert;
c) les lignes de hauteur du site :
d) les objets sensibles à l'ombre portée représentatifs, représentés en coordonnées Lambert, qui se trouvent dans le périmètre de quatre heures d'ombre portée par an d'une éolienne;
e) une représentation des isopérimètres de l'ombre portée attendu de respectivement 4, 8, 16 et 32 heures par an sur une carte topographique et sur une photo aérienne, conforme les hypothèses suivantes :
f) un calendrier de l'ombre portée par éolienne sur graphique, dans lequel la durée astronomique maximale possible de l'ombre portée pour les objets sensibles à l'ombre portée qui se trouvent dans le périmètre de quatre heures d'ombre portée par an;
g) un calendrier de l'ombre portée représentatif pour les objets sensibles à l'ombre portée qui se trouvent dans le périmètre de quatre heures d'ombre portée par an sur graphique représentant la durée astronomique maximale possible causée par chaque éolienne.
L'ombre portée attendue est calculée à l'aide des données suivantes :
a) l'ombre portée est calculée à partir du moment que le soleil se situe à un angle de plus de 3° par rapport à l'horizon (niveau du sol);
b) il n'y a pas d'obstacles entre la turbine et les objets sensibles à l'ombre portée;
c) un châssis standard ayant une largeur de 5 m et une longueur de 2 m posé à 1 m au-dessus du niveau du sol est utilisé comme récepteur d'ombre portée ou la situation réelle sur place;
d) une habitation peut être considérée comme un objet captant la lumière provenant de toutes les directions;
e) il est tenu comte des valeurs climatologiques mensuelles normales du nombre moyen d'heures d'ensoleillement, de la vitesse moyenne du vent et de la direction dominante des vents.
2. une étude de sécurité, dans laquelle sont expliqués tous les aspects de sécurité, conformément au cadre d'évaluation accepté par l'autorité flamande. Une étude de sécurité complémentaire est également effectuée par un expert RS visé à l'article 6, 1°, e), du VLAREL, si une des situations suivantes se produit :
a) un ou plusieurs critères du cadre d'évaluation précité n'est pas/ne sont pas respecté(s);
b) il y a des établissements soumis à l'obligation Seveso ou d'autres établissements comportant des installations contenant des substances Seveso, qui peuvent augmenter le risque externe de manière significative dans le périmètre soumis aux effets en cas de rupture des pales suite à un nombre de tours excessif. Dans ce cas, une évaluation motivée est établie dans laquelle l'impact de l'(des) éolienne(s) sur le risque externe de ces établissements est évalué.
c) il peut y avoir une présence moyenne de plus de dix personnes sur base de 24 heures à l'intérieur du périmètre des effets en cas de rupture du mât;
d) la rotation des pales se situe au-dessus d'une voie publique durcie, d'un chemin de fer ou d'un cours d'eau navigable.
3. une étude relative aux bruits. Cette dernière comprend un calcul d'immission suivant ISO 9613-2 (1996) effectué par un expert écologique agréé dans la discipline du bruit et des vibrations, sous-domaine du bruit, visé à à l'article 6, 1°, e), du VLAREL.
L'utilisation de logiciels usuels internationaux est autorisée, pour autant qu'ils effectuent un calcul conforme à la méthode élaborée de la norme ISO 9613-2 :1996.
Les conditions secondaires pour le calcul d'immission s'appliquent :
a) les éoliennes sont modelées comme des sources ponctuelles à hauteur du mât;
b) le son est calculé par bandes de tierce (ou de bandes d'octave que ces données ne sont pas disponibles) à partir de 50 Hz (63 Hz pour les bandes d'octave);
c) la hauteur d'immission du récepteur est 4 m, sauf si la situation spécifique nécessite une autre hauteur. dans ce dernier cas, une motivation est jointe;
d) le reflet des façades n'est pas calculée, sauf si tel est indiqué vu la situation local;
e) les hypothèses standard pour les conditions atmosphériques sont température 10° C, humidité de l'air 70 %. Il est tenu compte des conditions sous le vent incorporées dans les normes ISO pour chaque point d'immission. L'utilisation de facteurs de correction dépendant de la direction du vent n'est pas autorisée;
f) dans les limites de la norme ISO-9613-2 :1996, il est opté pour la formule dépendant de la fréquence pour le terme du sol;
g) météorologique (Cmétéo) n'est pas autorisée (Cmétéo = 0 suivant les formules);
h) les valeurs utilisées pour les paramètres du modèle ISO 9613-2 (1996) sont mentionnées dans le rapport relatif aux bruits;
i) le facteur d'absorption du sol G = 1 s'applique en cas d'absorption absolue et le facteur d'absorption du sol G = 0 s'applique en cas de reflet absolu (surfaces d'eau majeures à proximité du point d'immission). Dans des environs agraires, il est tenu compte d'un facteur d'absorption du sol standard G = 0,8. Dans les environs où se trouvent beaucoup de superficies durcies à proximité du point d'immission, le facteur devient G = 0,2. La végétation (abres, buissons, cultures) n'est pas incluse dans la définition de l'absorption étant donné qu'elle ne comprend pas la garantie d'éléments permanents et constants. D'autres valeurs pour l'absorption du sol peuvent être utilisée si elles sont justifiées.
j) Si lors du calcul au droit d'une habitation un niveau d'immission est atteint qui diffère moins de 3 dB(A) de la norme acoustique, les données détaillées ont explicitement mentionnées Les valeurs des facteurs d'absorption du sol sont explicitement calculées;
k) l'impact des habitations individuelles et d'autres bâtiments n'est pas porté en compte, à moins que l'on soupçonne qu'ils ont un impact important. Dans ce cas, les reflets de premier ordre sont portés en compte;
l) l'impact de la présence d'arbres, buissons et autres cultures n'est pas porté en compte;
m) seulement si les différences de hauteur sont pertinentes par rapport à la hauteur de la source, cet aspect sera porté en compte. Autrement, le calcul sera fait sans diffraction sur les lignes de hauteur.
n) la totalité éventuelle est considérée conformément au présent arrêté;
o) Au cas où plusieurs types d'éoliennes seraient demandés, le calcul se fait au moins pour la situation la moins favorable.
Pour la définition du bruit de source des éoliennes, mesuré suivant la norme IEC-61400-11, un rapport d'un bureau accrédité est accepté. Ce rapport doit être présenté au plus tard au moment où la construction de l'éolienne est entamée.
Le bruit de source est défini à 95% de la puissance nominale de l'éolienne. La fiche technique contient également les puissances acoustiques à une puissance de production inférieure, ainsi que les données exprimées en bande de tierce et d'octave.
Lors de l'indication de la puissance acoustique, une bande de tolérance est mentionnée. La bande de tolérance standard est + 1 dB(A). Si le constructeur indique lui-même une plus grande bande de tolérance ou facteur d'incertitude, il sera ajouté au bruit de source (95% puissance nominale), diminué d'une bande de tolérance de 1 dB(A).
Si le bruit spécifique de l'éolienne dépasse la valeur directrice visée à l'annexe 5.20.6.1, l'étude acoustique comprend également une note explicative détaillée relative à la campagne de mesurage en vue de la définition de LA95 du bruit ambiant original. La durée de la campagne de mesurage peut être définie en concertation avec l'autorité accordant l'autorisation. ".
1° au point F8, la partie de phrase " chapitres Ier et II de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 mai 2004 relatif au planning énergétique pour les établissements énergivores classés " est chaque fois remplacée par la partie de phrase " articles 6.5.1 à 6.5.8 inclus de l'arrêté relatif à l'Energie ";
2° il est ajouté un point F14, rédigé comme suit :
"
F14 EOLIENNES
Dans le présente note explicative, on entend par :
a) ombre portée des pales : ombre provenant du rotor en mouvement d'une éolienne si l'intensité des rayons du soleil est supérieure à 120W/m2 sur un plan perpendiculaire sur la direction d'incidence du soleil;
b) objet sensible à l'ombre portée des pales : un espace intérieur dans lequel l'ombre portée est susceptible de causer des nuisances;
c) ombre portée des pales attendue; le nombre d'heures d'ombre portée pouvant d'être attendues à l'aide des hypothèses suivantes :
1. une étude sur l'ombre portée si un objet sensible à l'ombre portée se trouve dans le périmètre de quatre heures d'ombre portée par an d'une éolienne. L'étude de l'ombre portée comprend un calcul de l'ombre portée et au moins les données suivantes :
a) le diamètre maximal du rotor et la hauteur de pale maximale des types d'éolienne retenus;
b) l'implantation des éoliennes, représentées en coordonnées Lambert;
c) les lignes de hauteur du site :
d) les objets sensibles à l'ombre portée représentatifs, représentés en coordonnées Lambert, qui se trouvent dans le périmètre de quatre heures d'ombre portée par an d'une éolienne;
e) une représentation des isopérimètres de l'ombre portée attendu de respectivement 4, 8, 16 et 32 heures par an sur une carte topographique et sur une photo aérienne, conforme les hypothèses suivantes :
f) un calendrier de l'ombre portée par éolienne sur graphique, dans lequel la durée astronomique maximale possible de l'ombre portée pour les objets sensibles à l'ombre portée qui se trouvent dans le périmètre de quatre heures d'ombre portée par an;
g) un calendrier de l'ombre portée représentatif pour les objets sensibles à l'ombre portée qui se trouvent dans le périmètre de quatre heures d'ombre portée par an sur graphique représentant la durée astronomique maximale possible causée par chaque éolienne.
L'ombre portée attendue est calculée à l'aide des données suivantes :
a) l'ombre portée est calculée à partir du moment que le soleil se situe à un angle de plus de 3° par rapport à l'horizon (niveau du sol);
b) il n'y a pas d'obstacles entre la turbine et les objets sensibles à l'ombre portée;
c) un châssis standard ayant une largeur de 5 m et une longueur de 2 m posé à 1 m au-dessus du niveau du sol est utilisé comme récepteur d'ombre portée ou la situation réelle sur place;
d) une habitation peut être considérée comme un objet captant la lumière provenant de toutes les directions;
e) il est tenu comte des valeurs climatologiques mensuelles normales du nombre moyen d'heures d'ensoleillement, de la vitesse moyenne du vent et de la direction dominante des vents.
2. une étude de sécurité, dans laquelle sont expliqués tous les aspects de sécurité, conformément au cadre d'évaluation accepté par l'autorité flamande. Une étude de sécurité complémentaire est également effectuée par un expert RS visé à l'article 6, 1°, e), du VLAREL, si une des situations suivantes se produit :
a) un ou plusieurs critères du cadre d'évaluation précité n'est pas/ne sont pas respecté(s);
b) il y a des établissements soumis à l'obligation Seveso ou d'autres établissements comportant des installations contenant des substances Seveso, qui peuvent augmenter le risque externe de manière significative dans le périmètre soumis aux effets en cas de rupture des pales suite à un nombre de tours excessif. Dans ce cas, une évaluation motivée est établie dans laquelle l'impact de l'(des) éolienne(s) sur le risque externe de ces établissements est évalué.
c) il peut y avoir une présence moyenne de plus de dix personnes sur base de 24 heures à l'intérieur du périmètre des effets en cas de rupture du mât;
d) la rotation des pales se situe au-dessus d'une voie publique durcie, d'un chemin de fer ou d'un cours d'eau navigable.
3. une étude relative aux bruits. Cette dernière comprend un calcul d'immission suivant ISO 9613-2 (1996) effectué par un expert écologique agréé dans la discipline du bruit et des vibrations, sous-domaine du bruit, visé à à l'article 6, 1°, e), du VLAREL.
L'utilisation de logiciels usuels internationaux est autorisée, pour autant qu'ils effectuent un calcul conforme à la méthode élaborée de la norme ISO 9613-2 :1996.
Les conditions secondaires pour le calcul d'immission s'appliquent :
a) les éoliennes sont modelées comme des sources ponctuelles à hauteur du mât;
b) le son est calculé par bandes de tierce (ou de bandes d'octave que ces données ne sont pas disponibles) à partir de 50 Hz (63 Hz pour les bandes d'octave);
c) la hauteur d'immission du récepteur est 4 m, sauf si la situation spécifique nécessite une autre hauteur. dans ce dernier cas, une motivation est jointe;
d) le reflet des façades n'est pas calculée, sauf si tel est indiqué vu la situation local;
e) les hypothèses standard pour les conditions atmosphériques sont température 10° C, humidité de l'air 70 %. Il est tenu compte des conditions sous le vent incorporées dans les normes ISO pour chaque point d'immission. L'utilisation de facteurs de correction dépendant de la direction du vent n'est pas autorisée;
f) dans les limites de la norme ISO-9613-2 :1996, il est opté pour la formule dépendant de la fréquence pour le terme du sol;
g) météorologique (Cmétéo) n'est pas autorisée (Cmétéo = 0 suivant les formules);
h) les valeurs utilisées pour les paramètres du modèle ISO 9613-2 (1996) sont mentionnées dans le rapport relatif aux bruits;
i) le facteur d'absorption du sol G = 1 s'applique en cas d'absorption absolue et le facteur d'absorption du sol G = 0 s'applique en cas de reflet absolu (surfaces d'eau majeures à proximité du point d'immission). Dans des environs agraires, il est tenu compte d'un facteur d'absorption du sol standard G = 0,8. Dans les environs où se trouvent beaucoup de superficies durcies à proximité du point d'immission, le facteur devient G = 0,2. La végétation (abres, buissons, cultures) n'est pas incluse dans la définition de l'absorption étant donné qu'elle ne comprend pas la garantie d'éléments permanents et constants. D'autres valeurs pour l'absorption du sol peuvent être utilisée si elles sont justifiées.
j) Si lors du calcul au droit d'une habitation un niveau d'immission est atteint qui diffère moins de 3 dB(A) de la norme acoustique, les données détaillées ont explicitement mentionnées Les valeurs des facteurs d'absorption du sol sont explicitement calculées;
k) l'impact des habitations individuelles et d'autres bâtiments n'est pas porté en compte, à moins que l'on soupçonne qu'ils ont un impact important. Dans ce cas, les reflets de premier ordre sont portés en compte;
l) l'impact de la présence d'arbres, buissons et autres cultures n'est pas porté en compte;
m) seulement si les différences de hauteur sont pertinentes par rapport à la hauteur de la source, cet aspect sera porté en compte. Autrement, le calcul sera fait sans diffraction sur les lignes de hauteur.
n) la totalité éventuelle est considérée conformément au présent arrêté;
o) Au cas où plusieurs types d'éoliennes seraient demandés, le calcul se fait au moins pour la situation la moins favorable.
Pour la définition du bruit de source des éoliennes, mesuré suivant la norme IEC-61400-11, un rapport d'un bureau accrédité est accepté. Ce rapport doit être présenté au plus tard au moment où la construction de l'éolienne est entamée.
Le bruit de source est défini à 95% de la puissance nominale de l'éolienne. La fiche technique contient également les puissances acoustiques à une puissance de production inférieure, ainsi que les données exprimées en bande de tierce et d'octave.
Lors de l'indication de la puissance acoustique, une bande de tolérance est mentionnée. La bande de tolérance standard est + 1 dB(A). Si le constructeur indique lui-même une plus grande bande de tolérance ou facteur d'incertitude, il sera ajouté au bruit de source (95% puissance nominale), diminué d'une bande de tolérance de 1 dB(A).
Si le bruit spécifique de l'éolienne dépasse la valeur directrice visée à l'annexe 5.20.6.1, l'étude acoustique comprend également une note explicative détaillée relative à la campagne de mesurage en vue de la définition de LA95 du bruit ambiant original. La durée de la campagne de mesurage peut être définie en concertation avec l'autorité accordant l'autorisation. ".
Art. 26. In bijlage 8, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2010, in bijlage 8bis, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2010, in bijlage 10, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2010, en in bijlage 10bis, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 april 2009 en 5 maart 2010, van hetzelfde besluit worden de woorden " bestendige deputatie van de provincieraad " telkens vervangen door het woord " deputatie ".
Art. 26. Dans l'annexe 8 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement du 3 juin 2005 et modifié par l'arrêté du Gouvernement du 5 mars 2010, dans l'annexe 8bis, insérée par l'arrêté du Gouvernement du 3 juin 2005 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 mars 2010, dans l'annexe 10, remplacé par l'arrêté du Gouvernement du 3 juin 2005 et modifié par l'arrêté du Gouvernement du 5 mars 2010, et dans l'annexe 10bis, insérée par l'arrêté du Gouvernement du 3 juin 2005 et modifiée par les arrêtés du Gouvernement flamand des 24 avril 2009 et 5 mars 2010, du même arrêté, les mots " députation permanente du conseil provincial " sont chaque fois remplacés par les mots " députation ".
Art. 27. Bijlage 11 tot en met 14 van hetzelfde besluit worden opgeheven.
Art. 27. Les annexes 11 à 14 incluse du même arrêté sont abrogées.
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van titel II van het VLAREM
CHAPITRE 3. - Modifications au titre II du Vlarem
Art. 28. In artikel 1.1.2 van titel II van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 januari 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan " Definities gassen " worden de volgende definities toegevoegd :
" Aardgastankstations
a) " aardgastankstations " :
inrichtingen voor de bevoorrading van motorvoertuigen met samengeperst aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas met een maximale capaciteit van 20 m3/u of meer;
b) " aardgasopslag " :
de vaste drukhouders die dienst doen als buffer voor de opslag van aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas, alsook de vaste drukhouders die dienst doen als aflaatreservoirs voor het aardgasof tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas; ";
2° in " Definities ozonafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen " worden in de definitie " ozonafbrekende stoffen ", de definitie " chloorfluorkoolstoffen (CFK's) " en de definitie " halonen " de woorden " Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 " vervangen door de woorden " verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 ";
3° in " Definities geluid " wordt in de definitie " beperkt akoestisch onderzoek " de zinsnede " bedoeld in artikel 62, § 4 van titel I van het VLAREM " vervangen door de zinsnede " vermeld in artikel 37 tot en met 56 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ";
4° in " Definities minerale producten ", " Inrichtingen voor de fabricage van keramische producten " worden de definities " bestaande inrichting ", " nieuwe inrichting " en " primaire grondstof " opgeheven;
5° in " Definities ontspanningsinrichtingen (hoofdstuk 5.32.) ", " Zwembaden (afdeling 5.32.9.) " worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in punt e) wordt het woord " baden " vervangen door het woord " circulatiebaden ";
b) de volgende definitie wordt toegevoegd :
" - " vers water " :
water dat voldoet aan de volgende kwaliteitsvereisten :
1° aan " Definities gassen " worden de volgende definities toegevoegd :
" Aardgastankstations
a) " aardgastankstations " :
inrichtingen voor de bevoorrading van motorvoertuigen met samengeperst aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas met een maximale capaciteit van 20 m3/u of meer;
b) " aardgasopslag " :
de vaste drukhouders die dienst doen als buffer voor de opslag van aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas, alsook de vaste drukhouders die dienst doen als aflaatreservoirs voor het aardgasof tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas; ";
2° in " Definities ozonafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen " worden in de definitie " ozonafbrekende stoffen ", de definitie " chloorfluorkoolstoffen (CFK's) " en de definitie " halonen " de woorden " Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 " vervangen door de woorden " verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 ";
3° in " Definities geluid " wordt in de definitie " beperkt akoestisch onderzoek " de zinsnede " bedoeld in artikel 62, § 4 van titel I van het VLAREM " vervangen door de zinsnede " vermeld in artikel 37 tot en met 56 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ";
4° in " Definities minerale producten ", " Inrichtingen voor de fabricage van keramische producten " worden de definities " bestaande inrichting ", " nieuwe inrichting " en " primaire grondstof " opgeheven;
5° in " Definities ontspanningsinrichtingen (hoofdstuk 5.32.) ", " Zwembaden (afdeling 5.32.9.) " worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in punt e) wordt het woord " baden " vervangen door het woord " circulatiebaden ";
b) de volgende definitie wordt toegevoegd :
" - " vers water " :
water dat voldoet aan de volgende kwaliteitsvereisten :
Art. 28. A l'article 1.1.2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 janvier 2011, sont apportées les modifications suivantes :
1° aux " Définitions gaz " les définitions suivantes sont ajoutées :
" Stations de gaz naturel
a) " stations de gaz naturel "
établissements pour l'approvisionnement de véhicules motorisés en gaz naturel comprimé ou en biogaz mis au niveau de la qualité du gaz naturel ayant une capacité maximale de 20 m3/h ou plus;
b) " stockage de gaz naturel " :
les récipients fixes sous pression faisant fonction de stockage de réserve de gaz naturel ou de bio-gaz mis au niveau de la qualité du gaz naturel, ainsi que les récipients fixes sous pression faisant fonction de réservoirs de décharge de gaz naturelou de biogaz mis au niveau de la qualité du gaz naturel; ";
2° aux " Définitions substances appauvrissant l'ozone et gaz fluorés à effet de serre ", les mots " Règlement (CE) n° 2037/2000 du parlement européen et du Conseil du 29 juin 2009 " dans le définition " substances appauvrissant l'ozone ", dans le définition " chlorofluorocarbones (CFC) " et dans le définition " halones " sont remplacés par les mots " Règlement (CE n° 1005/2009 du parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 ";
3° aux " Définitions bruit ", la partie de phrase " visé à l'article 62, § 4, du titre Ier du VLAREM " dans la définition " examen acoustique limité " est remplacée par la partie de phrase " visé aux articles 37 à 56 inclus de l'arrêté du gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ";
4° aux " Définitions produits minéraux ", " Etablissement pour la fabrication de produits céramiques ", les définitions " établissement existant ", " établissement nouveau " et " matière primaire " sont abrogées;
5° aux " Définitions établissements de relaxation (chapitre 5.32) ", " Piscines (section 5.32.9.) ", les modification suivantes sont apportées :
a) au point e) le mot " bains " est remplacé par les mots " bains de circulation ";
b) la définition suivante est ajoutée :
- " eaux fraîche " :
l'eau qui répond aux exigences de qualité suivantes :
1° aux " Définitions gaz " les définitions suivantes sont ajoutées :
" Stations de gaz naturel
a) " stations de gaz naturel "
établissements pour l'approvisionnement de véhicules motorisés en gaz naturel comprimé ou en biogaz mis au niveau de la qualité du gaz naturel ayant une capacité maximale de 20 m3/h ou plus;
b) " stockage de gaz naturel " :
les récipients fixes sous pression faisant fonction de stockage de réserve de gaz naturel ou de bio-gaz mis au niveau de la qualité du gaz naturel, ainsi que les récipients fixes sous pression faisant fonction de réservoirs de décharge de gaz naturelou de biogaz mis au niveau de la qualité du gaz naturel; ";
2° aux " Définitions substances appauvrissant l'ozone et gaz fluorés à effet de serre ", les mots " Règlement (CE) n° 2037/2000 du parlement européen et du Conseil du 29 juin 2009 " dans le définition " substances appauvrissant l'ozone ", dans le définition " chlorofluorocarbones (CFC) " et dans le définition " halones " sont remplacés par les mots " Règlement (CE n° 1005/2009 du parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 ";
3° aux " Définitions bruit ", la partie de phrase " visé à l'article 62, § 4, du titre Ier du VLAREM " dans la définition " examen acoustique limité " est remplacée par la partie de phrase " visé aux articles 37 à 56 inclus de l'arrêté du gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ";
4° aux " Définitions produits minéraux ", " Etablissement pour la fabrication de produits céramiques ", les définitions " établissement existant ", " établissement nouveau " et " matière primaire " sont abrogées;
5° aux " Définitions établissements de relaxation (chapitre 5.32) ", " Piscines (section 5.32.9.) ", les modification suivantes sont apportées :
a) au point e) le mot " bains " est remplacé par les mots " bains de circulation ";
b) la définition suivante est ajoutée :
- " eaux fraîche " :
l'eau qui répond aux exigences de qualité suivantes :
| parameter | parameterwaarde |
| Escherichia coli | 0/100 ml |
| enterokokken | 0/100 ml |
| Pseudomonas aeruginosa | 0/100 ml |
| totaal kiemgetal bij 22° C | =< 100/ml |
| totaal kiemgetal bij 37° C | =< 20/ml |
| pathogene micro-organismen en parasieten | afwezig |
In de milieuvergunning kunnen op advies van de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid, andere kwaliteitseisen worden opgelegd. ";
6° in " Definities oppervlaktewater- en grondwaterbescherming ", " Integraal Waterbeleid ", " Algemeen ", worden de definitie " specifiek referentievolume ", de definitie " Zuiveringszone A " of " openbaar waterzuiveringssysteem ", de definitie " Zuiveringszone B " en de definitie " Zuiveringszone C " opgeheven.
7° er wordt een subtitel " Definities windturbines " toegevoegd, die luidt als volgt :
" Definities windturbines
(afdeling 5.20.6)
1° " slagschaduw " :
schaduw die afkomstig is van een bewegende rotor van een windturbine als de intensiteit van het ingestraalde zonlicht hoger is dan 120 W/m2 op een vlak loodrecht op de invalsrichting van de zon;
2° " verwachte slagschaduw " :
het aantal uren slagschaduw dat aan de hand van de aannames, vermeld in punt F14 van de toelichtingsbijlage bij de aanvraag van een milieuvergunning, vervat in bijlage 4B van titel I van het VLAREM, verwacht mag worden;
3° " effectieve slagschaduw " :
het aantal uur slagschaduw dat effectief ter hoogte van een relevant slagschaduwgevoelig object opgetreden is, bepaald op basis van metingen of bepaald uit het logboek van de turbines;
4° " slagschaduwgevoelig object " :
een binnenruimte waar slagschaduw van windturbines hinder kan veroorzaken;
5° " slagschaduwkalender " :
een overzicht waarin voor elke dag van een jaar de tijdsspanne met de astronomisch maximaal mogelijke slagschaduwduur weergegeven wordt. ".
| paramètre | valeur paramétrique |
| escherichia coli | 0/100 ml |
| entérocoques | 0/100 ml |
| pseudomonas aeruginosa | 0/100 ml |
| teneur en colonies à 22° C | =< 100/ml |
| teneur en colonies à 37° C | =< 20/ml |
| micro-organismes pathogènes et parasites | néant |
Dans l'autorisation écologique, d'autres exigences de qualité peuvent être imposées sur avis du médecin environnemental ou de l'expert de santé environnementale. ";
6° aux " Définitions eaux de surface et protection des eaux souterraines ", " Politique intégrée de l'Eau ", " Généralités ", la définition " volume de référence spécifique ", la définition " Code d'épuration A ", la définition " Code d'épuration B " et la définition " Code d'épuration C " sont abrogés.
7° il est ajouté un sous-titre " Définition éoliennes ", rédigé comme suit :
" Définitions éoliennes
(section 5.20.6)
1° " ombre portée des pales " :
ombre provenant du rotor en mouvement d'une éolienne si l'intensité des rayons du soleil est supérieure à 120W/m2 sur un plan perpendiculaire sur la direction d'incidence du soleil;
2° " ombre portée des pales attendue "
le nombre d'heures d'ombre portée pouvant d'être attendues à l'aide des hypothèses visées au point F14 de l'annexe explicative jointe à la demande d'une autorisation écologique, contenue dans l'annexe 4B du titre Ier du VLAREM;
3° " ombre portée effective " :
le nombre d'heures d'ombre portée s'étant effectivement produite au droit d'un objet sensible à l'ombre portée pertinent, fixé sur la base de mesurages ou déduit du livre de bord des turbines;
4° " objet sensible à l'ombre portée des pales " :
un espace intérieur dans lequel l'ombre portée est susceptible de causer des nuisances;
5° " calendrier de l'ombre protée " :
un aperçu présentant pour chaque jour d'une année, la période avec la durée astronomique maximale possible de l'ombre portée. ".
Art. 29. Aan artikel 2.3.6.3, § 3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" De Vlaamse minister kan op voorstel van de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid, vermeld in artikel 25 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het Integraal Waterbeleid, een Code van goede praktijk vaststellen voor het ontwerp en de aanleg van de openbare riolering. ".
" De Vlaamse minister kan op voorstel van de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid, vermeld in artikel 25 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het Integraal Waterbeleid, een Code van goede praktijk vaststellen voor het ontwerp en de aanleg van de openbare riolering. ".
Art. 29. A l'article 2.3.6.3, § 3, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, il est ajouté un alinéa deux, rédigé comme suit :
" Sur la proposition de la Commission de Coordination de la Politique intégrée de l'Eau, visée à l'article 25 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la Politique intégrée de l'Eau, établir un Code de bonne pratique en vue de la planification et l'aménagement d'égouts publics. ".
" Sur la proposition de la Commission de Coordination de la Politique intégrée de l'Eau, visée à l'article 25 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la Politique intégrée de l'Eau, établir un Code de bonne pratique en vue de la planification et l'aménagement d'égouts publics. ".
Art. 30. Aan artikel 3.1.1 van hetzelfde besluit, wordt een paragraaf 5 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 5. Tenzij anders vermeld in de milieuvoorwaarden, zijn de inplantingsregels niet van toepassing op een nieuwe inrichting of op de toegelaten verandering eraan als die het recht tot exploitatie, verkregen uit een verleende vergunning of melding, verhinderen, en bij hernieuwing van die vergunning.
De inplantingsregels waarvan de toepassing louter het gevolg is van een wijziging van de lijst van bijlage 1 van titel I van het VLAREM of van de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen, gelden evenmin voor elke nieuwe verandering van de vergunde of gemelde nieuwe inrichting die beperkt is tot maximaal 100 % van de exploitatie die op de datum van de inwerkingtreding van de wijzigende bepalingen was toegelaten. ".
" § 5. Tenzij anders vermeld in de milieuvoorwaarden, zijn de inplantingsregels niet van toepassing op een nieuwe inrichting of op de toegelaten verandering eraan als die het recht tot exploitatie, verkregen uit een verleende vergunning of melding, verhinderen, en bij hernieuwing van die vergunning.
De inplantingsregels waarvan de toepassing louter het gevolg is van een wijziging van de lijst van bijlage 1 van titel I van het VLAREM of van de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen, gelden evenmin voor elke nieuwe verandering van de vergunde of gemelde nieuwe inrichting die beperkt is tot maximaal 100 % van de exploitatie die op de datum van de inwerkingtreding van de wijzigende bepalingen was toegelaten. ".
Art. 30. L'article 3.1.1 du même arrêté est complété par un paragraphe 5, rédigé comme suit :
" § 5. Sauf autrement mentionné dans les conditions écologiques, les règles d'implantation ne s'appliquent pas à un nouvel établissement ou à sa modification autorisée si elles empêchent le droit d'exploitation, obtenu d'une autorisation ou communication accordée, ainsi qu'au renouvellement de cette autorisation.
Les règles d'implantation dont l'application résulte simplement d'une modification de la liste de l'annexe Ire du titre Ier du VLAREM ou des plans d'aménagement ou des plans d'exécution spatiaux, ne s'appliquent également pas à toute nouvelle modification de l'établissement nouveau ou nouvellement communiqué qui est limité à 100 % au maximum de l'exploitation qui était autorisée à la date de l'entrée en vigueur des dispositions modificatives. ".
" § 5. Sauf autrement mentionné dans les conditions écologiques, les règles d'implantation ne s'appliquent pas à un nouvel établissement ou à sa modification autorisée si elles empêchent le droit d'exploitation, obtenu d'une autorisation ou communication accordée, ainsi qu'au renouvellement de cette autorisation.
Les règles d'implantation dont l'application résulte simplement d'une modification de la liste de l'annexe Ire du titre Ier du VLAREM ou des plans d'aménagement ou des plans d'exécution spatiaux, ne s'appliquent également pas à toute nouvelle modification de l'établissement nouveau ou nouvellement communiqué qui est limité à 100 % au maximum de l'exploitation qui était autorisée à la date de l'entrée en vigueur des dispositions modificatives. ".
Art. 31. Artikel 3.2.1.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 3.2.1.1. Tenzij anders vermeld in de milieuvoorwaarden, zijn de inplantingsregels niet van toepassing op een bestaande inrichting of op de toegelaten verandering eraan als die het recht tot exploitatie, verkregen uit een verleende vergunning of melding, verhinderen, en bij hernieuwing van die vergunning. ".
" Art. 3.2.1.1. Tenzij anders vermeld in de milieuvoorwaarden, zijn de inplantingsregels niet van toepassing op een bestaande inrichting of op de toegelaten verandering eraan als die het recht tot exploitatie, verkregen uit een verleende vergunning of melding, verhinderen, en bij hernieuwing van die vergunning. ".
Art. 31. L'article 3.2.1.1 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 3.2.1.1. Sauf autrement mentionné dans les conditions écologiques, les règles d'implantation ne s'appliquent pas à un nouvel établissement ou à sa modification autorisée si elles empêchent le droit d'exploitation, obtenu d'une autorisation ou communication accordée, ainsi qu'au renouvellement de cette autorisation. ".
" Art. 3.2.1.1. Sauf autrement mentionné dans les conditions écologiques, les règles d'implantation ne s'appliquent pas à un nouvel établissement ou à sa modification autorisée si elles empêchent le droit d'exploitation, obtenu d'une autorisation ou communication accordée, ainsi qu'au renouvellement de cette autorisation. ".
Art. 32. Artikel 3.2.2.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en 19 september 2008, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 3.2.2.1. Met behoud van de afwijkende regeling inzake toepassing van de inplantingsregels, vermeld in artikel 3.2.1.1 en 3.2.2.2, gelden de overgangsbepalingen voor bestaande inrichtingen, vermeld in afdeling 3.2.1, niet voor onderdelen van een inrichting die na 1 januari 1993 bij een bestaande inrichting werden of worden gevoegd, ongeacht de grootte ervan. ".
" Art. 3.2.2.1. Met behoud van de afwijkende regeling inzake toepassing van de inplantingsregels, vermeld in artikel 3.2.1.1 en 3.2.2.2, gelden de overgangsbepalingen voor bestaande inrichtingen, vermeld in afdeling 3.2.1, niet voor onderdelen van een inrichting die na 1 januari 1993 bij een bestaande inrichting werden of worden gevoegd, ongeacht de grootte ervan. ".
Art. 32. L'article 3.2.2.1. du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 26 juin 1996 et 19 septembre 2008, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 3.2.2.1. Tout en maintenant le règlement dérogatoire en matière de l'application des règles d'implantation, visées aux articles 3.2.1.1 et 3.2.2.2,, les dispositions transitoires pour les établissements, visés à la section 3.2.1, ne s'appliquent pas aux éléments d'un établissement qui sont ou ont été ajoutés à un établissement existant après le 1er janvier 1993, quelle qu'en soit l'ampleur. ".
" Art. 3.2.2.1. Tout en maintenant le règlement dérogatoire en matière de l'application des règles d'implantation, visées aux articles 3.2.1.1 et 3.2.2.2,, les dispositions transitoires pour les établissements, visés à la section 3.2.1, ne s'appliquent pas aux éléments d'un établissement qui sont ou ont été ajoutés à un établissement existant après le 1er janvier 1993, quelle qu'en soit l'ampleur. ".
Art. 33. Artikel 3.2.2.2 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 3.2.2.2. De inplantingsregels zijn niet van toepassing op de verandering van een bestaande inrichting die beperkt is tot maximaal 100 % van de exploitatie die op 1 januari 1993 was toegelaten.
In afwijking van het eerste lid gelden de inplantingsregels waarvan de toepassing louter het gevolg is van een wijziging van de lijst van bijlage 1 van titel I van het VLAREM of van de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen, evenmin voor de verandering van de bestaande inrichting die beperkt is tot maximaal 100 % van de exploitatie die op de datum van de inwerkingtreding van de wijzigende bepalingen was toegelaten. ".
" Art. 3.2.2.2. De inplantingsregels zijn niet van toepassing op de verandering van een bestaande inrichting die beperkt is tot maximaal 100 % van de exploitatie die op 1 januari 1993 was toegelaten.
In afwijking van het eerste lid gelden de inplantingsregels waarvan de toepassing louter het gevolg is van een wijziging van de lijst van bijlage 1 van titel I van het VLAREM of van de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen, evenmin voor de verandering van de bestaande inrichting die beperkt is tot maximaal 100 % van de exploitatie die op de datum van de inwerkingtreding van de wijzigende bepalingen was toegelaten. ".
Art. 33. L'article 3.2.2.2 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 3.2.2.2. Les règles d'implantation ne s'appliquent également pas la modification d'un établissement existant qui est limité à 100 % au maximum de l'exploitation qui était autorisée au 1er janvier 1993.
En dérogation à l'alinéa premier, les règles d'implantation dont l'application résulte simplement d'une modification de la liste de l'annexe Ire du titre Ier du VLAREM ou des plans d'aménagement ou des plans d'exécution spatiaux, ne s'appliquent également pas à l'établissement existant qui est limité à 100 % au maximum de l'exploitation qui était autorisée à la date de l'entrée en vigueur des dispositions modificatives. ".
" Art. 3.2.2.2. Les règles d'implantation ne s'appliquent également pas la modification d'un établissement existant qui est limité à 100 % au maximum de l'exploitation qui était autorisée au 1er janvier 1993.
En dérogation à l'alinéa premier, les règles d'implantation dont l'application résulte simplement d'une modification de la liste de l'annexe Ire du titre Ier du VLAREM ou des plans d'aménagement ou des plans d'exécution spatiaux, ne s'appliquent également pas à l'établissement existant qui est limité à 100 % au maximum de l'exploitation qui était autorisée à la date de l'entrée en vigueur des dispositions modificatives. ".
Art. 34. In artikel 4.1.9.1.3, § 1, 2°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
" Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, voert de milieucoördinator ten minste eenmaal per trimester van een kalenderjaar zelf de controle, vermeld in het eerste lid, uit. Als de hierna vermelde inrichtingen beschikken over een milieuzorgsysteem en een onlinecontrolesysteem dat dezelfde garanties biedt als de voormelde trimestriële controles, wordt de frequentie herleid tot ten minste één controle per kalenderjaar voor :
1° onbemande installaties voor waterwinning;
2° gasontspanningsstations;
3° windturbines;
4° zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater van agglomeraties met minder dan 2.000 inwonersequivalenten. ".
" Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, voert de milieucoördinator ten minste eenmaal per trimester van een kalenderjaar zelf de controle, vermeld in het eerste lid, uit. Als de hierna vermelde inrichtingen beschikken over een milieuzorgsysteem en een onlinecontrolesysteem dat dezelfde garanties biedt als de voormelde trimestriële controles, wordt de frequentie herleid tot ten minste één controle per kalenderjaar voor :
1° onbemande installaties voor waterwinning;
2° gasontspanningsstations;
3° windturbines;
4° zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater van agglomeraties met minder dan 2.000 inwonersequivalenten. ".
Art. 34. A l'article 4.1.9.1.3, § 1er, 2°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juin 1996 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, le deuxième alinéa est remplacé par ce qui suit :
" Sauf autrement mentionné dans l'autorisation écologique, le coordonnateur environnemental effectue lui-même, au moins une fouis par trimestre d'une année calendaire, le contrôle, visé à l'alinéa premier. Si les établissements suivantes disposent d'un système de soins environnementaux et d'un système de contrôle en ligne qui fournit les mêmes garanties que les contrôles trimestriels précités, la fréquence est réduite à au moins une contrôle par année calendaire pour :
1° les installations automatiques pour le captage d'eau;
2° stations d'expansion de gaz;
3° éoliennes;
4° installations d'épuration d'eaux usées urbaines provenant d'agglomérations de moins de 2.000 équivalents d'habitants. ".
" Sauf autrement mentionné dans l'autorisation écologique, le coordonnateur environnemental effectue lui-même, au moins une fouis par trimestre d'une année calendaire, le contrôle, visé à l'alinéa premier. Si les établissements suivantes disposent d'un système de soins environnementaux et d'un système de contrôle en ligne qui fournit les mêmes garanties que les contrôles trimestriels précités, la fréquence est réduite à au moins une contrôle par année calendaire pour :
1° les installations automatiques pour le captage d'eau;
2° stations d'expansion de gaz;
3° éoliennes;
4° installations d'épuration d'eaux usées urbaines provenant d'agglomérations de moins de 2.000 équivalents d'habitants. ".
Art. 35. Artikel 4.1.9.2.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 4.1.9.2.1. Voor de toepassing in het Vlaamse Gewest van verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van de Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie, en rekening houdend met het samenwerkingsakkoord van 30 maart 1995 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering van de Verordening 1836/93/EEG van 29 juni 1993, inzake de vrijwillige deelneming van bedrijven uit de industriële sector aan een communautair milieubeheer- en Milieu-auditsysteem, wordt voor het Vlaamse Gewest :
1° BELAC, opgericht bij het koninklijk besluit van 31 januari 2006 tot oprichting van het BELAC-accreditatiesysteem van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling, belast met de erkenning en het toezicht op milieuverificateurs;
2° het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie aangewezen als bevoegde instantie die belast is met de registratie van de organisaties, de weigering en de vernieuwing van de registraties, de inschrijving, schorsing of schrapping van de organisaties uit het register, alsook met de toepassing van de voorschriften betreffende het registratieproces, vermeld in artikel 12 van verordening (EG) nr. 1221/2009, en de uitvoering van alle overige opdrachten die ingevolge de verordening van de bevoegde instantie worden verwacht. ".
" Art. 4.1.9.2.1. Voor de toepassing in het Vlaamse Gewest van verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van de Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie, en rekening houdend met het samenwerkingsakkoord van 30 maart 1995 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering van de Verordening 1836/93/EEG van 29 juni 1993, inzake de vrijwillige deelneming van bedrijven uit de industriële sector aan een communautair milieubeheer- en Milieu-auditsysteem, wordt voor het Vlaamse Gewest :
1° BELAC, opgericht bij het koninklijk besluit van 31 januari 2006 tot oprichting van het BELAC-accreditatiesysteem van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling, belast met de erkenning en het toezicht op milieuverificateurs;
2° het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie aangewezen als bevoegde instantie die belast is met de registratie van de organisaties, de weigering en de vernieuwing van de registraties, de inschrijving, schorsing of schrapping van de organisaties uit het register, alsook met de toepassing van de voorschriften betreffende het registratieproces, vermeld in artikel 12 van verordening (EG) nr. 1221/2009, en de uitvoering van alle overige opdrachten die ingevolge de verordening van de bevoegde instantie worden verwacht. ".
Art. 35. L'article 4.1.9.2.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juin 1996 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mars 2008, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 4.1.9.2.1. Pour l'application dans la Région flamande du Règlement (CE) n° 1221/2009 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2009 concernant la participation volontaire des organisations à un système communautaire de management environnemental et d'audit (EMAS), abrogeant le Règlement (CE) n° 761/2001 et les décisions de la Commission 2001/681/CE et 2006/193/CE, et compte tenu des Décisions 2001/681/CE et 2006/193/Ce de la Commission, et compte tenu de l'accord de coopération du 30 mars entre l'Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région Bruxelles Capitale relatif à la mise en oeuvre du Règlement (CEE) n° 1836/93 du Conseil, du 29 juin 1993, permettant la participation volontaire des entreprises du secteur industriel à un système communautaire de management environnemental et d'audit, pour la Région flamande :
1° BELAC, créé par l'arrêté royal du 31 janvier 2006 portant création du système d'accréditation BELAC des organismes d'évaluation de la conformité, est chargé de l'agrément et du contrôle des vérificateurs environnementaux;
2° le Département de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie est désigné comme instance compétente de l'enregistrement d'organisations, du refus et du renouvellement d'enregistrements, de l'inscription, la suspension ou la radiation d'organisations du registre, ainsi que de l'application des prescriptions relatives au processus d'enregistrement, visé à l'article 12 du Règlement (CE) n° 1221/2009 et de l'exécution de toutes les missions qui sont attendues de la part de l'instance compétente en vertu ce règlement. ".
" Art. 4.1.9.2.1. Pour l'application dans la Région flamande du Règlement (CE) n° 1221/2009 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2009 concernant la participation volontaire des organisations à un système communautaire de management environnemental et d'audit (EMAS), abrogeant le Règlement (CE) n° 761/2001 et les décisions de la Commission 2001/681/CE et 2006/193/CE, et compte tenu des Décisions 2001/681/CE et 2006/193/Ce de la Commission, et compte tenu de l'accord de coopération du 30 mars entre l'Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région Bruxelles Capitale relatif à la mise en oeuvre du Règlement (CEE) n° 1836/93 du Conseil, du 29 juin 1993, permettant la participation volontaire des entreprises du secteur industriel à un système communautaire de management environnemental et d'audit, pour la Région flamande :
1° BELAC, créé par l'arrêté royal du 31 janvier 2006 portant création du système d'accréditation BELAC des organismes d'évaluation de la conformité, est chargé de l'agrément et du contrôle des vérificateurs environnementaux;
2° le Département de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie est désigné comme instance compétente de l'enregistrement d'organisations, du refus et du renouvellement d'enregistrements, de l'inscription, la suspension ou la radiation d'organisations du registre, ainsi que de l'application des prescriptions relatives au processus d'enregistrement, visé à l'article 12 du Règlement (CE) n° 1221/2009 et de l'exécution de toutes les missions qui sont attendues de la part de l'instance compétente en vertu ce règlement. ".
Art. 36. Artikel 4.1.9.2.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 4.1.9.2.2. Ter bevordering van de vrijwillige deelneming van organisaties aan het communautaire milieubeheer- en milieuauditsysteem, zoals geregeld door verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van de Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie, wordt geen bijdrage in de registratiekosten van een organisatie vastgesteld. ".
" Art. 4.1.9.2.2. Ter bevordering van de vrijwillige deelneming van organisaties aan het communautaire milieubeheer- en milieuauditsysteem, zoals geregeld door verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van de Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie, wordt geen bijdrage in de registratiekosten van een organisatie vastgesteld. ".
Art. 36. L'article 4.1.9.2.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juin 1996, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 4.1.9.2.2. Aucune contribution aux frais d'enregistrement d'une organisation n'est fixée en vue de l'encouragement de la participation volontaire au système communautaire de management environnemental et d'audit, tel que réglé par le Règlement (CE) n° 1221/2009 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2009 concernant la participation volontaire des organisations à un système communautaire de management environnemental et d'audit (EMAS), abrogeant le Règlement (CE) n° 761/2001 et les Décisions de la Commission 2001/681/CE et 2006/193/CE. ".
" Art. 4.1.9.2.2. Aucune contribution aux frais d'enregistrement d'une organisation n'est fixée en vue de l'encouragement de la participation volontaire au système communautaire de management environnemental et d'audit, tel que réglé par le Règlement (CE) n° 1221/2009 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2009 concernant la participation volontaire des organisations à un système communautaire de management environnemental et d'audit (EMAS), abrogeant le Règlement (CE) n° 761/2001 et les Décisions de la Commission 2001/681/CE et 2006/193/CE. ".
Art. 37. Artikel 4.1.9.2.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en 7 maart 2008, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 4.1.9.2.3. Voor de toepassing in het Vlaamse Gewest van de bepalingen van verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van de Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie wordt gebruikgemaakt van het samenwerkingsakkoord van 30 maart 1995 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering van verordening (EG) nr. 1836/93 van 29 juni 1993 inzake de vrijwillige deelneming van bedrijven uit de industriële sector aan een communautair milieubeheer- en Milieu-auditsysteem. ".
" Art. 4.1.9.2.3. Voor de toepassing in het Vlaamse Gewest van de bepalingen van verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van de Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie wordt gebruikgemaakt van het samenwerkingsakkoord van 30 maart 1995 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering van verordening (EG) nr. 1836/93 van 29 juni 1993 inzake de vrijwillige deelneming van bedrijven uit de industriële sector aan een communautair milieubeheer- en Milieu-auditsysteem. ".
Art. 37. L'article 4.1.9.2.3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juin 1996 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et du 7 mars 2008, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 4.1.9.2.3. Pour l'application dans la Région flamande du Règlement (CE) n° 1221/2009 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2009 concernant la participation volontaire des organisations à un système communautaire de management environnemental et d'audit (EMAS), abrogeant le Règlement (CE) n° 761/2001 et les décisions de la Commission 2001/681/CE et 2006/193/CE, et compte tenu des Décisions 2001/681/CE et 2006/193/Ce de la Commission, il est fait usage de l'accord de coopération du 30 mars entre l'Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région Bruxelles-Capitale relatif à la mise en oeuvre du Règlement (CEE) n° 1836/93 du Conseil,
du 29 juin 1993, permettant la participation volontaire des entreprises du secteur industriel à un système communautaire de management environnemental et d'audit. ".
" Art. 4.1.9.2.3. Pour l'application dans la Région flamande du Règlement (CE) n° 1221/2009 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2009 concernant la participation volontaire des organisations à un système communautaire de management environnemental et d'audit (EMAS), abrogeant le Règlement (CE) n° 761/2001 et les décisions de la Commission 2001/681/CE et 2006/193/CE, et compte tenu des Décisions 2001/681/CE et 2006/193/Ce de la Commission, il est fait usage de l'accord de coopération du 30 mars entre l'Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région Bruxelles-Capitale relatif à la mise en oeuvre du Règlement (CEE) n° 1836/93 du Conseil,
du 29 juin 1993, permettant la participation volontaire des entreprises du secteur industriel à un système communautaire de management environnemental et d'audit. ".
Art. 38. In artikel 4.2.1.1 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid wordt de zinsnede " 3.1., " opgeheven;
2° in het eerste lid wordt de zinsnede " de rubrieken 3.2. en 3.3. " worden vervangen door de zinsnede " de rubriek 3.2. ";
3° in het tweede lid worden de woorden " waarvan de biologische afbreekbare organische belasting maximum 20 inwonersequivalenten bedraagt " vervangen door de woorden " waarvan het debiet maximaal 600 m3/jaar bedraagt ".
1° in het eerste lid wordt de zinsnede " 3.1., " opgeheven;
2° in het eerste lid wordt de zinsnede " de rubrieken 3.2. en 3.3. " worden vervangen door de zinsnede " de rubriek 3.2. ";
3° in het tweede lid worden de woorden " waarvan de biologische afbreekbare organische belasting maximum 20 inwonersequivalenten bedraagt " vervangen door de woorden " waarvan het debiet maximaal 600 m3/jaar bedraagt ".
Art. 38. A l'article 4.2.1.1, du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa premier, la parti de phrase " 3.1., " phrase est abrogée;
2° dans l'alinéa premier, la partie de phrase " les rubriques 3.2. et 3.3. " est remplacée par la partie de phrase " la rubrique 3.2. ";
3° dans l'alinéa deux les mots " dont la charge bio-organique dégradable s'élève à au maximum de 20 équivalents d'habitants " sont remplacés par les mots " dont le débit s'élève à 600 m3/an au maximum ".
1° dans l'alinéa premier, la parti de phrase " 3.1., " phrase est abrogée;
2° dans l'alinéa premier, la partie de phrase " les rubriques 3.2. et 3.3. " est remplacée par la partie de phrase " la rubrique 3.2. ";
3° dans l'alinéa deux les mots " dont la charge bio-organique dégradable s'élève à au maximum de 20 équivalents d'habitants " sont remplacés par les mots " dont le débit s'élève à 600 m3/an au maximum ".
Art. 39. In artikel 4.2.1.2 van hetzelfde besluit wordt het woord " gepondereerd " vervangen door het woord " bepaald ".
Art. 39. Dans l'article 4.2.1.2 du même arrêté, le mot "pondérées" est remplacé par les mot "fixées".
Art. 40. In het opschrift van de subafdeling 4.2.2.1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008, worden de woorden " en/of gelegen in het individueel te optimaliseren buitengebied " opgeheven.
Art. 40. Dans l'intitulé de la sous-section 4.2.2.1 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 mai 2008, les mots " et/ou situés dans la zone extérieure à optimiser individuellement " sont supprimés.
Art. 41. In artikel 4.2.2.1.1, 5°, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt c) worden de woorden " apolaire koolwaterstoffen extraheerbaar met tetrachloorkoolstof " vervangen door de woorden " perchloorethyleenextraheerbare apolaire stoffen ";
2° in punt d) worden de woorden " anionische, kationische en niet-ionische oppervlakte-actieve stoffen " vervangen door de woorden " som van anionische, niet-ionogene en kationische oppervlakteactieve stoffen ".
1° in punt c) worden de woorden " apolaire koolwaterstoffen extraheerbaar met tetrachloorkoolstof " vervangen door de woorden " perchloorethyleenextraheerbare apolaire stoffen ";
2° in punt d) worden de woorden " anionische, kationische en niet-ionische oppervlakte-actieve stoffen " vervangen door de woorden " som van anionische, niet-ionogene en kationische oppervlakteactieve stoffen ".
Art. 41. Dans l'article 4.2.2.1.1, 5°, du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le point c), les mots " hydrocarbures apolaires extractibles au tétrachlorure de carbone " sont remplacés par les mots " substances apolaires extractibles au perchloroéthylène ";
2° dans le point d), les mots " substances anioniques, cationiques et non ioniques tensio-actives " sont remplacés par les mots " sommes des substances anioniques, cationiques et non ioniques tensio-actives ".
1° dans le point c), les mots " hydrocarbures apolaires extractibles au tétrachlorure de carbone " sont remplacés par les mots " substances apolaires extractibles au perchloroéthylène ";
2° dans le point d), les mots " substances anioniques, cationiques et non ioniques tensio-actives " sont remplacés par les mots " sommes des substances anioniques, cationiques et non ioniques tensio-actives ".
Art. 42. In hetzelfde besluit wordt subafdeling 4.2.2.2, die bestaat uit artikel 4.2.2.2.1 en artikel 4.2.2.2.2, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008, opgeheven.
Art. 42. Dans le même arrêté, la sous-section 4.2.2.2, comprenant les articles 4.2.2.2.1 et 4.2.2.2.2, modifiée par l'arrêté du Gouvernement flmand du 9 mai 2008, est abrogée.
Art. 43. Het opschrift van subafdeling 4.2.2.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008, wordt vervangen door wat volgt :
" Subafdeling 4.2.2.3.
Lozing van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat, in de openbare riolering ".
" Subafdeling 4.2.2.3.
Lozing van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat, in de openbare riolering ".
Art. 43. L'intitulé de la sous-section 4.2.2.3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 mai 2008, est remplacé par la disposition suivante :
" Sous-section 4.2.2.3. Déversement d'eaux usées industrielles ne contenant pas de substances dangereuses, dans les égouts publics ".
" Sous-section 4.2.2.3. Déversement d'eaux usées industrielles ne contenant pas de substances dangereuses, dans les égouts publics ".
Art. 44. In artikel 4.2.2.3.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008, wordt de zinsnede " aan de voorwaarden van artikel 4.2.2.2.1. " vervangen door de volgende zinsnede " aan de volgende algemene voorwaarden :
1° de pH van het geloosde bedrijfsafvalwater ligt tussen 6 en 9,5;
2° de temperatuur van het geloosde bedrijfsafvalwater bedraagt maximaal 45° C;
3° de afmetingen van de zwevende stoffen die in het geloosde bedrijfsafvalwater aanwezig zijn, zijn maximaal 1 cm. Die stoffen hinderen de goede werking van de pomp- en zuiveringsstations niet door hun structuur;
4° het geloosde bedrijfsafvalwater bevat geen opgeloste, ontvlambare of ontplofbare gassen, noch producten die de afscheiding van dergelijke gassen kunnen teweegbrengen. Het geloosde bedrijfsafvalwater veroorzaakt geen verspreiding van uitwasemingen waardoor het milieu wordt bedorven;
5° in het geloosde bedrijfsafvalwater worden de volgende gehaltes niet overschreden :
a) 1 g/l zwevende stoffen;
b) 0,5 g/l stoffen, extraheerbaar met petroleumether;
6° het geloosde bedrijfsafvalwater bevat zonder uitdrukkelijke vergunning geenstoffen die :
a) een gevaar betekenen voor het onderhoudspersoneel van de riolering en de zuiveringsinstallaties;
b) de leidingen kunnen beschadigen of verstoppen;
c) een beletsel vormen voor de goede werking van de pomp- en zuiveringsinstallaties;
d) een zware verontreiniging van het ontvangende oppervlaktewater kunnen veroorzaken of die het ontvangende oppervlaktewater waarin het water van de openbare riool wordt geloosd, zwaar kunnen verontreinigen;
7° om de verwerkbaarheid van bedrijfsafvalwater op een rioolwaterzuiveringsinstallatie te beoordelen, gelden als regels de criteria, vermeld in de bijlage van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 oktober 2005 houdende vaststelling van de regels inzake contractuele sanering van bedrijfsafvalwater op een openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie. ".
1° de pH van het geloosde bedrijfsafvalwater ligt tussen 6 en 9,5;
2° de temperatuur van het geloosde bedrijfsafvalwater bedraagt maximaal 45° C;
3° de afmetingen van de zwevende stoffen die in het geloosde bedrijfsafvalwater aanwezig zijn, zijn maximaal 1 cm. Die stoffen hinderen de goede werking van de pomp- en zuiveringsstations niet door hun structuur;
4° het geloosde bedrijfsafvalwater bevat geen opgeloste, ontvlambare of ontplofbare gassen, noch producten die de afscheiding van dergelijke gassen kunnen teweegbrengen. Het geloosde bedrijfsafvalwater veroorzaakt geen verspreiding van uitwasemingen waardoor het milieu wordt bedorven;
5° in het geloosde bedrijfsafvalwater worden de volgende gehaltes niet overschreden :
a) 1 g/l zwevende stoffen;
b) 0,5 g/l stoffen, extraheerbaar met petroleumether;
6° het geloosde bedrijfsafvalwater bevat zonder uitdrukkelijke vergunning geenstoffen die :
a) een gevaar betekenen voor het onderhoudspersoneel van de riolering en de zuiveringsinstallaties;
b) de leidingen kunnen beschadigen of verstoppen;
c) een beletsel vormen voor de goede werking van de pomp- en zuiveringsinstallaties;
d) een zware verontreiniging van het ontvangende oppervlaktewater kunnen veroorzaken of die het ontvangende oppervlaktewater waarin het water van de openbare riool wordt geloosd, zwaar kunnen verontreinigen;
7° om de verwerkbaarheid van bedrijfsafvalwater op een rioolwaterzuiveringsinstallatie te beoordelen, gelden als regels de criteria, vermeld in de bijlage van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 oktober 2005 houdende vaststelling van de regels inzake contractuele sanering van bedrijfsafvalwater op een openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie. ".
Art. 44. Dans l'article 4.2.2.3.1 du même arrêté,inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 mai 2008, la partie de phrase " aux conditions de l'article 4.2.2.2.1 " est remplacée par la partie de phrase suivante " aux conditions générales suivantes :
1° le pH des eaux usées industrielle déversées se situe entre 6 et 9,5;
2° la température des eaux usées industrielles déversées s'élève à 45° C au maximum;
3° les dimensions des substances en suspension dans les eaux usées industrielles déversées, sont 1 cm au maximum. La structure de ces substances ne compromet pas le bon fonctionnement des stations de pompage et d'épuration;
4° les eaux usées industrielles déversées ne contiennent ni des gaz dissous, inflammables ou explosifs, ni des produits pouvant causer la propagation de tels gaz. Les eaux usées industrielles déversées ne causent pas de propagation de vapeurs polluant l'environnement;
5° les teneurs suivantes dans les eaux usées industrielles déversées ne peuvent pas être dépassées :
a) 1 g/l de substances en suspension;
b) 0,5 g/l substances extractibles à l'éther de pétrole;
6° sans autorisation explicite, les eaux usées industrielles déversées ne contiennent pas des substances qui :
a) constituent un danger pour le personnel d'entretien des égouts et des installations d'épuration;
b) peuvent endommager ou boucher les conduites;
c) entraver le bon fonctionnement des installations de pompage et d'épuration;
d) peuvent causer une forte pollution des eaux de surface réceptrices ou qui peuvent fortement polluer les eaux de surface dans lesquelles les eaux des égouts publiques sont déversées;
7 ° afin d'évaluer l'aptitude au traitement des eaux usées industrielles dans une installation d'épuration des eaux d'égouts, s'appliquent comme règles, les critères visés à l'annexe de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 octobre 2005 fixant les modalités en matière d'assainissement contractuel d'eaux usées industrielles par une installation publique d'épuration des eaux d'égout. ".
1° le pH des eaux usées industrielle déversées se situe entre 6 et 9,5;
2° la température des eaux usées industrielles déversées s'élève à 45° C au maximum;
3° les dimensions des substances en suspension dans les eaux usées industrielles déversées, sont 1 cm au maximum. La structure de ces substances ne compromet pas le bon fonctionnement des stations de pompage et d'épuration;
4° les eaux usées industrielles déversées ne contiennent ni des gaz dissous, inflammables ou explosifs, ni des produits pouvant causer la propagation de tels gaz. Les eaux usées industrielles déversées ne causent pas de propagation de vapeurs polluant l'environnement;
5° les teneurs suivantes dans les eaux usées industrielles déversées ne peuvent pas être dépassées :
a) 1 g/l de substances en suspension;
b) 0,5 g/l substances extractibles à l'éther de pétrole;
6° sans autorisation explicite, les eaux usées industrielles déversées ne contiennent pas des substances qui :
a) constituent un danger pour le personnel d'entretien des égouts et des installations d'épuration;
b) peuvent endommager ou boucher les conduites;
c) entraver le bon fonctionnement des installations de pompage et d'épuration;
d) peuvent causer une forte pollution des eaux de surface réceptrices ou qui peuvent fortement polluer les eaux de surface dans lesquelles les eaux des égouts publiques sont déversées;
7 ° afin d'évaluer l'aptitude au traitement des eaux usées industrielles dans une installation d'épuration des eaux d'égouts, s'appliquent comme règles, les critères visés à l'annexe de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 octobre 2005 fixant les modalités en matière d'assainissement contractuel d'eaux usées industrielles par une installation publique d'épuration des eaux d'égout. ".
Art. 45. Aan artikel 4.2.5.1.2 van hetzelfde besluit wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Mits uitdrukkelijke vermelding in de milieuvergunning, kunnen de debietsmetingen voor inrichtingen die een hoeveelheid koelwater groter dan 1.000 m3 per uur lozen, vervangen worden door een berekeningsmethode die gebaseerd is op gemeten inname-gegevens water, goedgekeurd door een erkende MER-deskundige in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater, vermeld in artikel 6, 1°, d), van het VLAREL. ".
" Mits uitdrukkelijke vermelding in de milieuvergunning, kunnen de debietsmetingen voor inrichtingen die een hoeveelheid koelwater groter dan 1.000 m3 per uur lozen, vervangen worden door een berekeningsmethode die gebaseerd is op gemeten inname-gegevens water, goedgekeurd door een erkende MER-deskundige in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater, vermeld in artikel 6, 1°, d), van het VLAREL. ".
Art. 45. L'article 4.2.5.1.2 du même arrêté est complété par un deuxième alinéa, rédigé comme suit :
" Moyennant mention explicite dans l'autorisation écologique, les mesurages de débit des établissements déversant une quantité de eau de refroidissement supérieure à 1 000 m3 par heure de déversement, peuvent être remplacés par une méthode de calcul basée sur les données de prises d'eau, approuvé par un expert RIE agréé dans la discipline de l'eau, sous-domaine des eaux de surface et des eaux usées, visé à l'article 6, 1°, d) du VLAREL. ".
" Moyennant mention explicite dans l'autorisation écologique, les mesurages de débit des établissements déversant une quantité de eau de refroidissement supérieure à 1 000 m3 par heure de déversement, peuvent être remplacés par une méthode de calcul basée sur les données de prises d'eau, approuvé par un expert RIE agréé dans la discipline de l'eau, sous-domaine des eaux de surface et des eaux usées, visé à l'article 6, 1°, d) du VLAREL. ".
Art. 46. In artikel 4.2.5.4.1, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009, worden de woorden " de bepalingen van artikel 62 van titel I van het VLAREM dienen " vervangen door de woorden " artikel 37 tot en met 56 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid worden ".
Art. 46. Dans l'article 4.2.5.4.1, § 1er, alinéa premier, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 novembre 2009, les mots " les dispositions de l'article 62 du titre Ier du VLAREM doivent " sont remplacés par les mots " les articles 37 et 56 inclus de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ".
Art. 47. In artikel 4.2.6.1, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, worden de woorden " zoals bedoeld in artikel 62 van titel I van het VLAREM " vervangen door de woorden " , vermeld in artikel 37 tot en met 56 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ".
Art. 47. Dans l'article 4.2.6.1, § 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, les mots " visé à l'article 62 du titre Ier du VLAREM " sont remplacés par les mots " visé aux articles 37 à 56 inclus de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ".
Art. 48. In hetzelfde besluit wordt afdeling 4.2.7, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 28 november 2003, 9 mei 2008 en 21 mei 2010, die bestaat uit artikel 4.2.7.1.1 tot en met artikel 4.2.7.3.1, opgeheven.
Art. 48. Dans le même arrêté, la section 4.2.7, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 janvier 1999, 28 novembre 2003, 9 mai 2008 et 21 mai 2010, comprenant que les articles 4.2.7.1.1 à 4.2.7.3.1 inclus, est abrogée.
Art. 49. In artikel 4.2.8.1.1, § 1, 5°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009, worden de woorden " in concentraties die hoger zijn dan 10 keer de milieukwaliteitsnormen van toepassing voor de uiteindelijk ontvangende waterloop " vervangen door de woorden " in concentraties die hoger zijn dan tien keer de indelingscriteria, vermeld in de kolom " indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen) " van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van dit besluit ".
Art. 49. A l'article 4.2.8.1.1, § 1er, 5°, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 mai 2008 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 novembre 2009, les mots " en des concentrations supérieures à 10 fois les normes de qualité environnementale qui s'appliquent au cours d'eau récepteur final " sont remplacés par les mots " en des concentrations supérieures à dix fois les critères de classification, visés à la colonne " critère de classification SD (substances dangereuses) " de l'article 3 de l'annexe 2.3.1 du présent arrêté ".
Art. 50. In artikel 4.3.3.1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de inleidende zin worden de woorden " normaal huisafvalwater " vervangen door de woorden " huishoudelijk afvalwater ";
2° in punt 5° wordt de zinsnede " afdeling 4.2.7 en " opgeheven.
1° in de inleidende zin worden de woorden " normaal huisafvalwater " vervangen door de woorden " huishoudelijk afvalwater ";
2° in punt 5° wordt de zinsnede " afdeling 4.2.7 en " opgeheven.
Art. 50. A l'article 4.3.3.1 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 novembre 2009, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans la phrase introductive, les mots " eaux usées domestiques normales "" sont remplacés par les mots " eaux usées domestiques ";
2° dans le point 5°, la partie de phrase " section 4.27. et " est abrogée.
1° dans la phrase introductive, les mots " eaux usées domestiques normales "" sont remplacés par les mots " eaux usées domestiques ";
2° dans le point 5°, la partie de phrase " section 4.27. et " est abrogée.
Art. 51. In artikel 4.5.3.1, § 2, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt de zinsnede " 1°, 4°, 6° of 7° van de bijlage " vervangen door de zinsnede " 1°, 4°, 5° bis, 6° of 7° van de bijlage ".
Art. 51. Dans l'article 4.5.51 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, la partie de phrase " 1°, 4°, 6° ou 7° de l'annexe " est remplacée par la partie de phrase " 1°, 4°, 5° bis, 6° ou 7° de l'annexe ".
Art. 52. In artikel 4.5.5.1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009, wordt paragraaf 5 opgeheven.
Art. 52. Dans l'article 4.5.5.1, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 novembre 2009, le paragraphe 5 est abrogé.
Art. 53. Aan artikel 5.2.1.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en 19 september 2008, wordt een paragraaf 6 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 6. Deze afdeling is niet van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 2.2.2, h), van de indelingslijst. ".
" § 6. Deze afdeling is niet van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 2.2.2, h), van de indelingslijst. ".
Art. 53. A l'article 5.2.1.1 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 26 juin 1996 et 19 septembre 2008, il est ajouté un § 6, rédigé comme suit :
" § 6. la présente section ne s'applique pas aux établissements, visés à la rubrique 2.2.2, h), de la liste de classification. ".
" § 6. la présente section ne s'applique pas aux établissements, visés à la rubrique 2.2.2, h), de la liste de classification. ".
Art. 54. In artikel 5.2.2.3.3 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt de zin " Elke opslag van GFT-afval buiten de eigenlijke composteerruimte is verboden. " opgeheven.
Art. 54. Dans l'article 5.2.2.3.3 du même arrêté remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, la phrase " Tout entreposage de déchets LFJ en dehors de l'espace de compostage proprement dit est interdit. " est abrogée.
Art. 55. Artikel 5.2.2.6.1 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art. 55. L'article 5.2.2.6.1 du même arrêté est abrogé.
Art. 56. Aan artikel 5.2.2.9.3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009, worden een paragraaf 8 en een paragraaf 9 toegevoegd, die luiden als volgt :
" § 8. Bij het reinigen van vaten wordt, zowel bij het spoelen van de vaten met behulp van een organisch oplosmiddel of een zuur, als bij het spoelen van de vaten die vluchtige organische producten, met een dampspanning van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35° C bevat hebben, met behulp van warm of heet water of loog :
1° de lucht afgezogen en behandeld met een gaswasser, een actiefkoolfilter, een naverbrander, een biofilter of een ander gelijkwaardig behandelingssysteem;
2° het zuiveringsslib afgedekt opgeslagen.
§ 9. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in paragraaf 8, vanaf 1 januari 2015. ".
" § 8. Bij het reinigen van vaten wordt, zowel bij het spoelen van de vaten met behulp van een organisch oplosmiddel of een zuur, als bij het spoelen van de vaten die vluchtige organische producten, met een dampspanning van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35° C bevat hebben, met behulp van warm of heet water of loog :
1° de lucht afgezogen en behandeld met een gaswasser, een actiefkoolfilter, een naverbrander, een biofilter of een ander gelijkwaardig behandelingssysteem;
2° het zuiveringsslib afgedekt opgeslagen.
§ 9. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in paragraaf 8, vanaf 1 januari 2015. ".
Art. 56. L'article 5.2.2.9.3 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juin 2009, est complété par un paragraphe 8 et un paragraphe 9, rédigés comme suit :
" § 8. Lors du nettoyage des fûts, tant pendant le rinçage des fûts à l'aide d'un solvant organique ou d'un acide, que pendant le rinçage de fûts ayant contenu des produits organiques volatiles, ayant une pression de vapeur de plus de 13,3 kPa à une température de 35° C, à l'aide d'eau tiède ou chaude ou alcaline :
1 ° l'air est extrait et traité avec un laveur de gaz, un filtre à charbon actif, un dispositif de postcombustion, un bio-filtre ou un autre système de traitement équivalent;
2° les boues provenant de l'épuration sont stockées et couvertes.
§ 9. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées au paragraphe 8, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
" § 8. Lors du nettoyage des fûts, tant pendant le rinçage des fûts à l'aide d'un solvant organique ou d'un acide, que pendant le rinçage de fûts ayant contenu des produits organiques volatiles, ayant une pression de vapeur de plus de 13,3 kPa à une température de 35° C, à l'aide d'eau tiède ou chaude ou alcaline :
1 ° l'air est extrait et traité avec un laveur de gaz, un filtre à charbon actif, un dispositif de postcombustion, un bio-filtre ou un autre système de traitement équivalent;
2° les boues provenant de l'épuration sont stockées et couvertes.
§ 9. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées au paragraphe 8, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
Art. 57. In artikel 5.2.2.10.2 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt paragraaf 3 vervangen door wat volgt :
" § 3. Huiden worden zo spoedig mogelijk na het vrijkomen gekoeld bewaard. ".
" § 3. Huiden worden zo spoedig mogelijk na het vrijkomen gekoeld bewaard. ".
Art. 57. A l'article 5.2.2.10.2 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Les peaux sont conservées dans un espace refroidi dès que possible après leur libération.
" § 3. Les peaux sont conservées dans un espace refroidi dès que possible après leur libération.
Art. 58. In afdeling 5.2.2 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009, wordt een subafdeling 5.2.2.4bis ingevoegd, die bestaat uit artikel 5.2.2.4bis.1 tot en met 5.2.2.4bis.10, die luidt als volgt :
" Subafdeling 5.2.2.4bis.
Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van afvalstoffen, afkomstig van één specifiek bouw- en sloopwerf of wegenwerk, waarbij minstens 50 % van de stoffen na behandeling nuttig worden aangewend op de plaats van ontstaan, waarbij de inrichting niet langer dan één jaar in exploitatie zal zijn en waarbij de inrichting zich op maximaal 1 000 m van het wegenwerk bevindt of ter plaatse (op het perceel zelf of op een aangrenzend perceel) van de bouw- en sloopwerf
Art. 5.2.2.4bis.1. Deze subafdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 2.2.2, h), van de indelingslijst.
Art. 5.2.2.4bis.2. In de inrichting worden alleen afvalstoffen aanvaard, opgeslagen en behandeld, afkomstig van de specifieke bouw- en sloopwerf of het specifieke wegenwerk dat expliciet in het meldingsdossier is vermeld en geïdentificeerd.
De opgeslagen hoeveelheid afvalstoffen en gerecycleerde granulaten is beperkt tot de hoeveelheden, vermeld in het meldingsformulier.
In de inrichting worden alleen de volgende soorten afvalstoffen opgeslagen en behandeld :
1° inerte afvalstoffen die bestaan uit de steenachtige fractie van bouw- en sloopafval, afkomstig van het bouwen en slopen van gebouwen, kunstwerken en constructies en van wegenwerken;
2° niet-teerhoudend asfalt, afkomstig van het bouwen en slopen van gebouwen, kunstwerken en constructies en van wegenwerken.
De volgende afvalstoffen mogen niet verwerkt worden in de inrichting :
1° teerhoudend asfalt;
2° bouw- en sloopafval dat asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is, bevat;
3° bouw- en sloopafval dat vrije asbestvezels of asbeststof bevat;
4° andere gevaarlijke afvalstoffen;
5° andere niet-gevaarlijke afvalstoffen, niet vermeld in het tweede lid van dit artikel.
Art. 5.2.2.4bis.3. De op de inrichting toegelaten handelingen zijn beperkt tot :
1° de opslag;
2° het sorteren en voorbereidende mechanische behandeling, zoals crushen met het oog op het breken;
3° het breken;
4° het zeven.
Art. 5.2.2.4bis.4. De inrichting ligt op een afstand van maximaal 1 000 m van het wegenwerk, gemeten vanaf de perceelsgrenzen of de afgebakende werfzone van het wegenwerk, of ter plaatse (op het perceel zelf of op een aangrenzend perceel) van de bouw- en sloopwerf.
Art. 5.2.2.4bis.5. De opslag van te breken puin en gerecycleerde granulaten is beperkt tot maximaal één jaar na de datum van de melding.
De verwerking van de afvalstoffen is beperkt tot maximaal zestig werkdagen binnen de periode van één jaar, vermeld in het eerste lid.
De termijnen, vermeld in het eerste en tweede lid, kunnen niet verlengd worden.
Art. 5.2.2.4bis.6. De aanvoer en de verwerking van afvalstoffen, alsook de afvoer van gerecycleerde granulaten en restfracties, zijn verboden op weekdagen tussen 19 uur en 7 uur, en op zaterdagen, zondagen en feestdagen.
Art. 5.2.2.4bis.7. De inrichting wordt gedurende de volledige periode van exploitatie voorzien van een vaste of tijdelijke afsluiting die de toegang voor rollend materieel onmogelijk maakt. Ook de toegangsweg wordt voorzien van een afsluitmogelijkheid.
Art. 5.2.2.4bis.8. Aan de toegangsweg wordt op een vanaf de openbare weg goed zichtbare plaats een uithangbord geplaatst waarop duidelijk leesbaar de volgende vermeldingen zijn opgenomen :
1° " toegang verboden voor onbevoegden ";
2° de aard van de inrichting;
3° de naam, het adres en het telefoonnummer van de exploitant;
4° de normale openingsuren;
5° de datum van aanvang en beëindiging van de activiteiten;
6° het adres en het telefoonnummer van de toezichthoudende overheid;
7° bij brand of onheil : het telefoonnummer van de brandweer.
Art. 5.2.2.4bis.9. Voor de inrichtingen bedoeld in deze subafdeling zijn de bepalingen van afdeling 4.5.5 van toepassing. Overdag wordt in afwijking van deze subafdeling het specifieke geluid in openlucht van de inrichting tijdens het mechanisch behandelen op de in artikel 1, § 3 en § 4, van bijlage 4.5.1 bij dit besluit bepaalde meetpunten zodanig beperkt dat de richtwaarde in bijlage 4.5.4 bij dit besluit, verhoogd met 20 dB(A), niet wordt overschreden. Deze bepaling is niet van toepassing ter hoogte van stiltebehoevende instellingen, waarvoor afdeling 4.5.5 blijft gelden.
Art. 5.2.2.4bis.10. § 1. Voor de aanvang van de mechanische behandeling van de afvalstoffen bezorgt de exploitant de volgende gegevens aan de overheid waarbij de melding is ingediend, en aan de bevoegde toezichthoudende overheid :
1° de datum van aanvang en de duur van de periode dat de afvalstoffen mechanisch behandeld zullen worden;
2° de afstand van de inrichting tot de specifieke bouw- en sloopwerf of het specifieke wegenwerk;
3° de identificatiegegevens van de puinbreker, zoals vastgesteld in het kader van het Geografisch Informatiesysteem (GIS);
4° een afschrift van het certificaat van de puinbreker die ingezet zal worden, afgeleverd door een geaccrediteerde keuringsinstelling in het kader van het VLAREA;
5° een beschrijving van de bronsterkte (LW) van de puinbreker in dB(A);
6° de afstand van de puinbreker tot de dichtstbijzijnde woning en stiltebehoevende instelling.
§ 2. Het register dat de exploitant met toepassing van de afvalstoffenregelgeving bijhoudt, bevat daarnaast de volgende gegevens :
1° op elk ogenblik : de geraamde hoeveelheid en de aard van de opgeslagen te behandelen afvalstoffen;
2° op elk ogenblik : de geraamde hoeveelheid en de aard van de opgeslagen gerecycleerde granulaten;
3° de tijdstippen (dagen en uren) waarop er afvalstoffen mechanisch worden behandeld.
§ 3. Inerte afvalstoffen en niet-teerhoudend asfalt worden opgeslagen en behandeld op een vlakke verharde bodem, zonder dat uitrusting met een vloeistofdichte verharding noodzakelijk is. De afvalstoffen en gerecycleerde granulaten worden gestapeld op een veilige manier, zonder risico voor de omgeving.
§ 4. De exploitant treft de nodige maatregelen zodat afvalstoffen die niet nuttig worden aangewend binnen de bouw- en sloopwerf of het wegenwerk waarbij de inrichting hoort, regelmatig worden afgevoerd.
§ 5. De inrichting beschikt over een geijkte weeginstallatie met automatische registratie.
§ 6. Tijdens de periodes van aan- en afvoer en tijdens de mechanische behandeling is altijd een verantwoordelijke persoon aanwezig met voldoende vakbekwaamheid en kennis van de na te leven voorwaarden en de te nemen maatregelen. De exploitant deelt de naam van die persoon schriftelijk mee aan de toezichthoudende overheid.
§ 7. De exploitant treft alle nodige maatregelen om stofhinder te voorkomen en te beperken.
Er wordt zo nodig gebruik gemaakt van een sproei-installatie of sproeiwagen om de opgeslagen en te breken afvalstoffen en gerecycleerde granulaten, alsook de stofgevoelige delen van het terrein, vochtig te houden, zowel tijdens de opslagfase als tijdens het breken.
Bij het transport van bouw- en sloopafval en van afval van wegenwerken naar de inrichting en bij afvoer van gerecycleerde granulaten worden de nodige voorzieningen, zoals afdekken of bevochtigen, getroffen om ladingverlies en stofverspreiding tegen te gaan.
§ 8. De machines worden zo opgesteld dat trillingen naar de omgeving worden voorkomen.
§ 9. De puinbreker is uitgerust met een webgebaseerd informatiesysteem dat gelinkt is aan een gps-systeem. Het informatiesysteem is operationeel telkens als de puinbreker in werking is.
Het webgebaseerde informatiesysteem, vermeld in het eerste lid, laat de certificatie-instelling en de toezichthouder toe om de locatie van de productie-installatie te visualiseren, de operationaliteit te volgen en de productieperiode na te gaan. Die gegevens worden bijgehouden en opgelijst in een centrale databank die online beschikbaar is voor de certificatie-instelling en de toezichthouder.
§ 10. Binnen dertig dagen na het beëindigen van de activiteiten en binnen de periode van één jaar exploitatie, vermeld in artikel 5.2.2.4bis.5, § 1, wordt het terrein volledig schoongemaakt. ".
" Subafdeling 5.2.2.4bis.
Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van afvalstoffen, afkomstig van één specifiek bouw- en sloopwerf of wegenwerk, waarbij minstens 50 % van de stoffen na behandeling nuttig worden aangewend op de plaats van ontstaan, waarbij de inrichting niet langer dan één jaar in exploitatie zal zijn en waarbij de inrichting zich op maximaal 1 000 m van het wegenwerk bevindt of ter plaatse (op het perceel zelf of op een aangrenzend perceel) van de bouw- en sloopwerf
Art. 5.2.2.4bis.1. Deze subafdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 2.2.2, h), van de indelingslijst.
Art. 5.2.2.4bis.2. In de inrichting worden alleen afvalstoffen aanvaard, opgeslagen en behandeld, afkomstig van de specifieke bouw- en sloopwerf of het specifieke wegenwerk dat expliciet in het meldingsdossier is vermeld en geïdentificeerd.
De opgeslagen hoeveelheid afvalstoffen en gerecycleerde granulaten is beperkt tot de hoeveelheden, vermeld in het meldingsformulier.
In de inrichting worden alleen de volgende soorten afvalstoffen opgeslagen en behandeld :
1° inerte afvalstoffen die bestaan uit de steenachtige fractie van bouw- en sloopafval, afkomstig van het bouwen en slopen van gebouwen, kunstwerken en constructies en van wegenwerken;
2° niet-teerhoudend asfalt, afkomstig van het bouwen en slopen van gebouwen, kunstwerken en constructies en van wegenwerken.
De volgende afvalstoffen mogen niet verwerkt worden in de inrichting :
1° teerhoudend asfalt;
2° bouw- en sloopafval dat asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is, bevat;
3° bouw- en sloopafval dat vrije asbestvezels of asbeststof bevat;
4° andere gevaarlijke afvalstoffen;
5° andere niet-gevaarlijke afvalstoffen, niet vermeld in het tweede lid van dit artikel.
Art. 5.2.2.4bis.3. De op de inrichting toegelaten handelingen zijn beperkt tot :
1° de opslag;
2° het sorteren en voorbereidende mechanische behandeling, zoals crushen met het oog op het breken;
3° het breken;
4° het zeven.
Art. 5.2.2.4bis.4. De inrichting ligt op een afstand van maximaal 1 000 m van het wegenwerk, gemeten vanaf de perceelsgrenzen of de afgebakende werfzone van het wegenwerk, of ter plaatse (op het perceel zelf of op een aangrenzend perceel) van de bouw- en sloopwerf.
Art. 5.2.2.4bis.5. De opslag van te breken puin en gerecycleerde granulaten is beperkt tot maximaal één jaar na de datum van de melding.
De verwerking van de afvalstoffen is beperkt tot maximaal zestig werkdagen binnen de periode van één jaar, vermeld in het eerste lid.
De termijnen, vermeld in het eerste en tweede lid, kunnen niet verlengd worden.
Art. 5.2.2.4bis.6. De aanvoer en de verwerking van afvalstoffen, alsook de afvoer van gerecycleerde granulaten en restfracties, zijn verboden op weekdagen tussen 19 uur en 7 uur, en op zaterdagen, zondagen en feestdagen.
Art. 5.2.2.4bis.7. De inrichting wordt gedurende de volledige periode van exploitatie voorzien van een vaste of tijdelijke afsluiting die de toegang voor rollend materieel onmogelijk maakt. Ook de toegangsweg wordt voorzien van een afsluitmogelijkheid.
Art. 5.2.2.4bis.8. Aan de toegangsweg wordt op een vanaf de openbare weg goed zichtbare plaats een uithangbord geplaatst waarop duidelijk leesbaar de volgende vermeldingen zijn opgenomen :
1° " toegang verboden voor onbevoegden ";
2° de aard van de inrichting;
3° de naam, het adres en het telefoonnummer van de exploitant;
4° de normale openingsuren;
5° de datum van aanvang en beëindiging van de activiteiten;
6° het adres en het telefoonnummer van de toezichthoudende overheid;
7° bij brand of onheil : het telefoonnummer van de brandweer.
Art. 5.2.2.4bis.9. Voor de inrichtingen bedoeld in deze subafdeling zijn de bepalingen van afdeling 4.5.5 van toepassing. Overdag wordt in afwijking van deze subafdeling het specifieke geluid in openlucht van de inrichting tijdens het mechanisch behandelen op de in artikel 1, § 3 en § 4, van bijlage 4.5.1 bij dit besluit bepaalde meetpunten zodanig beperkt dat de richtwaarde in bijlage 4.5.4 bij dit besluit, verhoogd met 20 dB(A), niet wordt overschreden. Deze bepaling is niet van toepassing ter hoogte van stiltebehoevende instellingen, waarvoor afdeling 4.5.5 blijft gelden.
Art. 5.2.2.4bis.10. § 1. Voor de aanvang van de mechanische behandeling van de afvalstoffen bezorgt de exploitant de volgende gegevens aan de overheid waarbij de melding is ingediend, en aan de bevoegde toezichthoudende overheid :
1° de datum van aanvang en de duur van de periode dat de afvalstoffen mechanisch behandeld zullen worden;
2° de afstand van de inrichting tot de specifieke bouw- en sloopwerf of het specifieke wegenwerk;
3° de identificatiegegevens van de puinbreker, zoals vastgesteld in het kader van het Geografisch Informatiesysteem (GIS);
4° een afschrift van het certificaat van de puinbreker die ingezet zal worden, afgeleverd door een geaccrediteerde keuringsinstelling in het kader van het VLAREA;
5° een beschrijving van de bronsterkte (LW) van de puinbreker in dB(A);
6° de afstand van de puinbreker tot de dichtstbijzijnde woning en stiltebehoevende instelling.
§ 2. Het register dat de exploitant met toepassing van de afvalstoffenregelgeving bijhoudt, bevat daarnaast de volgende gegevens :
1° op elk ogenblik : de geraamde hoeveelheid en de aard van de opgeslagen te behandelen afvalstoffen;
2° op elk ogenblik : de geraamde hoeveelheid en de aard van de opgeslagen gerecycleerde granulaten;
3° de tijdstippen (dagen en uren) waarop er afvalstoffen mechanisch worden behandeld.
§ 3. Inerte afvalstoffen en niet-teerhoudend asfalt worden opgeslagen en behandeld op een vlakke verharde bodem, zonder dat uitrusting met een vloeistofdichte verharding noodzakelijk is. De afvalstoffen en gerecycleerde granulaten worden gestapeld op een veilige manier, zonder risico voor de omgeving.
§ 4. De exploitant treft de nodige maatregelen zodat afvalstoffen die niet nuttig worden aangewend binnen de bouw- en sloopwerf of het wegenwerk waarbij de inrichting hoort, regelmatig worden afgevoerd.
§ 5. De inrichting beschikt over een geijkte weeginstallatie met automatische registratie.
§ 6. Tijdens de periodes van aan- en afvoer en tijdens de mechanische behandeling is altijd een verantwoordelijke persoon aanwezig met voldoende vakbekwaamheid en kennis van de na te leven voorwaarden en de te nemen maatregelen. De exploitant deelt de naam van die persoon schriftelijk mee aan de toezichthoudende overheid.
§ 7. De exploitant treft alle nodige maatregelen om stofhinder te voorkomen en te beperken.
Er wordt zo nodig gebruik gemaakt van een sproei-installatie of sproeiwagen om de opgeslagen en te breken afvalstoffen en gerecycleerde granulaten, alsook de stofgevoelige delen van het terrein, vochtig te houden, zowel tijdens de opslagfase als tijdens het breken.
Bij het transport van bouw- en sloopafval en van afval van wegenwerken naar de inrichting en bij afvoer van gerecycleerde granulaten worden de nodige voorzieningen, zoals afdekken of bevochtigen, getroffen om ladingverlies en stofverspreiding tegen te gaan.
§ 8. De machines worden zo opgesteld dat trillingen naar de omgeving worden voorkomen.
§ 9. De puinbreker is uitgerust met een webgebaseerd informatiesysteem dat gelinkt is aan een gps-systeem. Het informatiesysteem is operationeel telkens als de puinbreker in werking is.
Het webgebaseerde informatiesysteem, vermeld in het eerste lid, laat de certificatie-instelling en de toezichthouder toe om de locatie van de productie-installatie te visualiseren, de operationaliteit te volgen en de productieperiode na te gaan. Die gegevens worden bijgehouden en opgelijst in een centrale databank die online beschikbaar is voor de certificatie-instelling en de toezichthouder.
§ 10. Binnen dertig dagen na het beëindigen van de activiteiten en binnen de periode van één jaar exploitatie, vermeld in artikel 5.2.2.4bis.5, § 1, wordt het terrein volledig schoongemaakt. ".
Art. 58. Dans la section 5.2.2 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement du 19 juin 2009, il est insérée une sous-section 5.2.2.4bis, comprenant les articles 5.2.2.4bis.1 à 5.2.2.4bis.10, inclus, rédigés comme suit : :
" Sous-section 5.2.2.4bis.
Etablissements pour le traitement de déchets provenant d'un seul chantier spécifique de construction et de démolition ou de travaux routiers, desquels 50 % au moins ont été utilement utilisés après traitement à l'endroit où ils ont été créés, et pour lesquels l'établissement ne sera pas en exploitation pendant plus d'un an et pour lesquels l'établissement se trouve à 1 000 m au maximum des travaux routiers ou à l'endroit-même (sur la parcelle-même ou sur la parcelle adjacente) du chantier de construction et de démolition
" Art. 5.2.2.4bis.1. La présente sous-section ne s'applique pas aux établissements, visés à la rubrique 2.2.2, h), de la liste de classification.
" Art. 5.2.2.4bis.2. Seuls les déchets provenant du chantier spécifique de construction et de démolition ou des travaux routiers spécifiques explicitement mentionnés et identifiés dans le dossier de communication sont acceptés, stockés et traités dans l'établissement.
La quantité stockée de déchets et de granulés recyclés est limitée aux quantités, mentionnées sur le formulaire de communication.
Seuls les déchets suivants sont stockés et traités dans l'établissement :
1° déchets inertes constitués de la fraction de pierreuse de déchets de construction et de démolition, provenant de la construction et de la démolition de bâtiments, ouvrages d'art et constructions et de travaux routiers;
2 ° asphalte ne contenant pas de goudron, provenant de la construction et de la démolition de bâtiments, ouvrages d'art et constructions et de travaux routiers.
Les déchets suivants nepeuvent pas être transforms dans l'établissement :
1° asphalte contenant du goudron;
2° déchets de construction et de démolition ou autres matériaux de construction contenant de l'amiante sous forme liée;
3° déchets de construction et de démolition contenant des fibres libres d'amiante ou de la poussière d'amiante;
4° autres déchets dangereux;
5° autres déchets non dangereux qui ne sont pas mentionnés dans l'alinéa deux du présent article.
" Art. 5.2.2.4bis.3. Les activités autorisés à l'établissement sont limitées :
1° au stockage;
2° au tri et au traitement mécanique préparatoire, comme l'écrasement en vue du broyage;
3° au broyage;
4° au tamisage.
" Art. 5.2.2.4bis.4. L'établissement se situe à une distance maximale de 1000 m des travaux routiers, mesuré à partir des limites de la parcelle ou du chantier délimité, ou sur les lieux-mêmes (sur la parcelle-même ou sur une parcelle adjacente) du chantier de construction ou de démolition.
" Art. 5.2.2.4bis.5. Le stockage de débri à broyer et de granulés recyclés est limité jusqu'à un an après la date de la communication.
La transformation de déchets est limitée à soixante jours au maximum dans la période d'un an, visée à l'alinéa premier.
Les délais visés aux alinéas premier et deux ne peuvent pas être prolongés.
" Art. 5.2.2.4bis.6. L'adduction et la transformation de déchets, ainsi que l'évacuation de granulés recyclés et de fractions résiduelles sont interdites pendant les jours ouvrables entre 19 heures et 7 heures, et les samedis, dimanches et jours fériés.
" Art. 5.2.2.4bis.7. L'établissement est protégé pendant toute la période d'exploitation par une clôture permanente ou temporaire rendant impossible l'accès pour le matériel roulant. La voie d'accès est également protégée par un dispositif de clôture.
" Art. 5.2.2.4bis.8. Un panneau de signalisation clairement lisible de la voie publique est placé à la voie d'accès reprenant les mentions suivante :
1° " accès interdit aux personnes non autorisées " :
2° la nature de l'établissement;
3° le nom, l'adresse et le numéro de téléphone de l'exploitant;
4° les heures d'ouvertures normales;
5° la date de début et de fin des activités;
6° l'adresse et le numéro de téléphone de l'autorité assurant le contrôle;
7° en cas d'incendie ou de calamité : le numéro de téléphone du service incendie.
" Art. 5.2.2.4bis.9. Les dispositions de la section 4.5.5 s'appliquent aux établissements visés dans la présente sous-rubrique. En dérogation à la présente sous-section, le bruit spécifique en plein air pendant la journée de l'établissement au cours du traitement mécanique aux points de mesurage, fixés à l'article 1er, §§ 3 et 4, de l'annexe 4.5.1 au présent arrêté, est limité de sorte que la valeur directrice de l'annexe 4.5. 4 au présent arrêté, augmentée de 20 dB (A), ne soit pas excédée. Cette disposition ne s'applique pas à l'endroit des établissements nécessitant du silence, auxquels la section 4.5.5 s'appliquent en permanence.
" Art. 5.2.2.4bis.10. § 1er. Avant le début du traitement mécanique des déchets, l'exploitant transmet les informations suivantes à l'autorité auprès de laquelle la communication a été introduite, ainsi qu'à l'autorité compétente effectuant le contrôle :
1° la date du début et la durée de la période pendant laquelle les déchets seront mécaniquement traités;
2° la distance entre l'établissement et les chantier spécifique de construction et de démolition ou le chantier routier spécifique;
3° les coordonnées d'identification du broyeur de décombres, telles que fixées dans le cadre du système d'information Géographique (GIS);
4) une copie du certificat du broyeur de décombres qui sera utilisé, délivré par une instance de contrôle accréditée dans le cadre de VLAREA;
5° une description de la puissance de source (LW) du broyeur en dB(A);
6° la distance entre le broyeur et l'habitation et l'institution nécessitant le silence les plus proches.
§ 2. Le registre tenu par l'exploitant en application de la règlementation sur les déchets, contient également les données suivantes :
1° à tout moment : la quantité estimée et la nature des déchets stockes à traiter;
2° à tout moment : la quantité estimée et la nature des granulés recyclés stockés;
3° les moments (jours et heures) auxquels des déchets sont mécaniquement traités.
§ 3. Les déchets inertes et l'asphalte exempt de goudron sont stockés et traités sur un sol plan et durci, sans qu'un revêtement durci étanche aux liquides soit nécessaire. Les déchets et les granulés recyclés sont stockés en toute sécurité, sans risque quelconque pour les environs.
§ 4. L'exploitant prend les mesures nécessaires de sorte que les déchets qui ne sont pas utilisés de façon utile au chantier de construction et de démolition ou de travaux routiers auxquels l'établissement appartient, sont régulièrement évacués.
§ 5. L'établissement dispose d'un dispositif de pesage calibré avec enregistrement automatique.
§ 6. Pendant les périodes d'adduction et d'évacuation, ainsi que pendant le traitement mécanique, une personne responsable ayant suffisamment d'expérience professionnelle et de connaissance des conditions à respecter et des mesures à prendre est toujours présente. l'exploitant communique le nom de cette personne par écrit à l'autorité effectuant le contrôle.
§ 7. L'exploitant prend toutes les mesures nécessaires afin d'éviter et de limiter les nuisances causées par la poussière.
Si nécessaire, il est fait usage d'une installation ou d'un véhicule de pulvérisation afin d'humidifier les déchets et granulés recyclés à broyer et à stocker, ainsi que les parties du terrain sensibles aux poussières, tant pendant la phase de stockage que pendant le broyage.
Lors du transport de déchets de construction et de démolition et de déchets de travaux routiers vers un établissement et lors de l'évacuation de granulés recyclés, les mesures nécessaires, telles que la couverture et l'humidification, sont prises afin d'éviter la perte de chargement et de dispersion de poussières.
" § 8. Les machines sont placés de manière à éviter les vibrations pour les environs.
§ 9. Le broyeur de décombres est équipé d'un système informatisés basé sur le web et relié à un système gps. Le système d'information est opérationnel chaque foi que le broyeur de décombres fonctionne.
Le système informatisés basé sur le web, visé à l'alinéa premier, permet à l'instance de certification et au surveillant de visualiser la position de l'installation de production, de sivre les opérations et de vérifier la période de production. Ces données sont conservées et transmises à une banque de données qui est disponible en ligne à l'instance de certification et au surveillant.
§ 10. Dans les trente jours après la fin des activités et dans une période d'un an d'exploitation, visée à l'article 5.2.2.4bis.5, § 1er, le terrain est entièrement nettoyé. ".
" Sous-section 5.2.2.4bis.
Etablissements pour le traitement de déchets provenant d'un seul chantier spécifique de construction et de démolition ou de travaux routiers, desquels 50 % au moins ont été utilement utilisés après traitement à l'endroit où ils ont été créés, et pour lesquels l'établissement ne sera pas en exploitation pendant plus d'un an et pour lesquels l'établissement se trouve à 1 000 m au maximum des travaux routiers ou à l'endroit-même (sur la parcelle-même ou sur la parcelle adjacente) du chantier de construction et de démolition
" Art. 5.2.2.4bis.1. La présente sous-section ne s'applique pas aux établissements, visés à la rubrique 2.2.2, h), de la liste de classification.
" Art. 5.2.2.4bis.2. Seuls les déchets provenant du chantier spécifique de construction et de démolition ou des travaux routiers spécifiques explicitement mentionnés et identifiés dans le dossier de communication sont acceptés, stockés et traités dans l'établissement.
La quantité stockée de déchets et de granulés recyclés est limitée aux quantités, mentionnées sur le formulaire de communication.
Seuls les déchets suivants sont stockés et traités dans l'établissement :
1° déchets inertes constitués de la fraction de pierreuse de déchets de construction et de démolition, provenant de la construction et de la démolition de bâtiments, ouvrages d'art et constructions et de travaux routiers;
2 ° asphalte ne contenant pas de goudron, provenant de la construction et de la démolition de bâtiments, ouvrages d'art et constructions et de travaux routiers.
Les déchets suivants nepeuvent pas être transforms dans l'établissement :
1° asphalte contenant du goudron;
2° déchets de construction et de démolition ou autres matériaux de construction contenant de l'amiante sous forme liée;
3° déchets de construction et de démolition contenant des fibres libres d'amiante ou de la poussière d'amiante;
4° autres déchets dangereux;
5° autres déchets non dangereux qui ne sont pas mentionnés dans l'alinéa deux du présent article.
" Art. 5.2.2.4bis.3. Les activités autorisés à l'établissement sont limitées :
1° au stockage;
2° au tri et au traitement mécanique préparatoire, comme l'écrasement en vue du broyage;
3° au broyage;
4° au tamisage.
" Art. 5.2.2.4bis.4. L'établissement se situe à une distance maximale de 1000 m des travaux routiers, mesuré à partir des limites de la parcelle ou du chantier délimité, ou sur les lieux-mêmes (sur la parcelle-même ou sur une parcelle adjacente) du chantier de construction ou de démolition.
" Art. 5.2.2.4bis.5. Le stockage de débri à broyer et de granulés recyclés est limité jusqu'à un an après la date de la communication.
La transformation de déchets est limitée à soixante jours au maximum dans la période d'un an, visée à l'alinéa premier.
Les délais visés aux alinéas premier et deux ne peuvent pas être prolongés.
" Art. 5.2.2.4bis.6. L'adduction et la transformation de déchets, ainsi que l'évacuation de granulés recyclés et de fractions résiduelles sont interdites pendant les jours ouvrables entre 19 heures et 7 heures, et les samedis, dimanches et jours fériés.
" Art. 5.2.2.4bis.7. L'établissement est protégé pendant toute la période d'exploitation par une clôture permanente ou temporaire rendant impossible l'accès pour le matériel roulant. La voie d'accès est également protégée par un dispositif de clôture.
" Art. 5.2.2.4bis.8. Un panneau de signalisation clairement lisible de la voie publique est placé à la voie d'accès reprenant les mentions suivante :
1° " accès interdit aux personnes non autorisées " :
2° la nature de l'établissement;
3° le nom, l'adresse et le numéro de téléphone de l'exploitant;
4° les heures d'ouvertures normales;
5° la date de début et de fin des activités;
6° l'adresse et le numéro de téléphone de l'autorité assurant le contrôle;
7° en cas d'incendie ou de calamité : le numéro de téléphone du service incendie.
" Art. 5.2.2.4bis.9. Les dispositions de la section 4.5.5 s'appliquent aux établissements visés dans la présente sous-rubrique. En dérogation à la présente sous-section, le bruit spécifique en plein air pendant la journée de l'établissement au cours du traitement mécanique aux points de mesurage, fixés à l'article 1er, §§ 3 et 4, de l'annexe 4.5.1 au présent arrêté, est limité de sorte que la valeur directrice de l'annexe 4.5. 4 au présent arrêté, augmentée de 20 dB (A), ne soit pas excédée. Cette disposition ne s'applique pas à l'endroit des établissements nécessitant du silence, auxquels la section 4.5.5 s'appliquent en permanence.
" Art. 5.2.2.4bis.10. § 1er. Avant le début du traitement mécanique des déchets, l'exploitant transmet les informations suivantes à l'autorité auprès de laquelle la communication a été introduite, ainsi qu'à l'autorité compétente effectuant le contrôle :
1° la date du début et la durée de la période pendant laquelle les déchets seront mécaniquement traités;
2° la distance entre l'établissement et les chantier spécifique de construction et de démolition ou le chantier routier spécifique;
3° les coordonnées d'identification du broyeur de décombres, telles que fixées dans le cadre du système d'information Géographique (GIS);
4) une copie du certificat du broyeur de décombres qui sera utilisé, délivré par une instance de contrôle accréditée dans le cadre de VLAREA;
5° une description de la puissance de source (LW) du broyeur en dB(A);
6° la distance entre le broyeur et l'habitation et l'institution nécessitant le silence les plus proches.
§ 2. Le registre tenu par l'exploitant en application de la règlementation sur les déchets, contient également les données suivantes :
1° à tout moment : la quantité estimée et la nature des déchets stockes à traiter;
2° à tout moment : la quantité estimée et la nature des granulés recyclés stockés;
3° les moments (jours et heures) auxquels des déchets sont mécaniquement traités.
§ 3. Les déchets inertes et l'asphalte exempt de goudron sont stockés et traités sur un sol plan et durci, sans qu'un revêtement durci étanche aux liquides soit nécessaire. Les déchets et les granulés recyclés sont stockés en toute sécurité, sans risque quelconque pour les environs.
§ 4. L'exploitant prend les mesures nécessaires de sorte que les déchets qui ne sont pas utilisés de façon utile au chantier de construction et de démolition ou de travaux routiers auxquels l'établissement appartient, sont régulièrement évacués.
§ 5. L'établissement dispose d'un dispositif de pesage calibré avec enregistrement automatique.
§ 6. Pendant les périodes d'adduction et d'évacuation, ainsi que pendant le traitement mécanique, une personne responsable ayant suffisamment d'expérience professionnelle et de connaissance des conditions à respecter et des mesures à prendre est toujours présente. l'exploitant communique le nom de cette personne par écrit à l'autorité effectuant le contrôle.
§ 7. L'exploitant prend toutes les mesures nécessaires afin d'éviter et de limiter les nuisances causées par la poussière.
Si nécessaire, il est fait usage d'une installation ou d'un véhicule de pulvérisation afin d'humidifier les déchets et granulés recyclés à broyer et à stocker, ainsi que les parties du terrain sensibles aux poussières, tant pendant la phase de stockage que pendant le broyage.
Lors du transport de déchets de construction et de démolition et de déchets de travaux routiers vers un établissement et lors de l'évacuation de granulés recyclés, les mesures nécessaires, telles que la couverture et l'humidification, sont prises afin d'éviter la perte de chargement et de dispersion de poussières.
" § 8. Les machines sont placés de manière à éviter les vibrations pour les environs.
§ 9. Le broyeur de décombres est équipé d'un système informatisés basé sur le web et relié à un système gps. Le système d'information est opérationnel chaque foi que le broyeur de décombres fonctionne.
Le système informatisés basé sur le web, visé à l'alinéa premier, permet à l'instance de certification et au surveillant de visualiser la position de l'installation de production, de sivre les opérations et de vérifier la période de production. Ces données sont conservées et transmises à une banque de données qui est disponible en ligne à l'instance de certification et au surveillant.
§ 10. Dans les trente jours après la fin des activités et dans une période d'un an d'exploitation, visée à l'article 5.2.2.4bis.5, § 1er, le terrain est entièrement nettoyé. ".
Art. 59. Aan afdeling 5.2.2 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009, wordt een subafdeling 5.2.2.12, die bestaat uit artikel 5.2.2.12.1 en 5.2.2.12.2, toegevoegd, die luidt als volgt :
" Subafdeling 5.2.2.12. - Thermische grondreinigingsinstallaties
Art. 5.2.2.12.1. Deze subafdeling is van toepassing op die installaties, vermeld in rubriek 2.2.5 van de indelingslijst, die bestemd zijn voor het reinigen van uitgegraven bodem door middel van verhittingsprocessen.
Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in deze subafdeling, vanaf 1 januari 2015.
Art. 5.2.2.12.2. In afwijking van de algemene emissiegrenswaarden van hoofdstuk 4.4 geldt voor de parameters in de volgende tabel de aangegeven emissiegrenswaarde :
" Subafdeling 5.2.2.12. - Thermische grondreinigingsinstallaties
Art. 5.2.2.12.1. Deze subafdeling is van toepassing op die installaties, vermeld in rubriek 2.2.5 van de indelingslijst, die bestemd zijn voor het reinigen van uitgegraven bodem door middel van verhittingsprocessen.
Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in deze subafdeling, vanaf 1 januari 2015.
Art. 5.2.2.12.2. In afwijking van de algemene emissiegrenswaarden van hoofdstuk 4.4 geldt voor de parameters in de volgende tabel de aangegeven emissiegrenswaarde :
Art. 59. Dans la section 5.2.2 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement du 19 juin 2009, il est insérée une sous-section 5.2.2.12, comprenant les articles 5.2.2.12.1 et 5.2.2.12.2, rédigés comme suit :
" Sous-section 5.2.2.12. Installations thermiques de nettoyage du sol
Art. 5.2.2.12.1. La présente sous-section s'applique aux installations, visées à la rubrique 2.2.5 de la liste de classification, qui sont destinées au nettoyage de terres excavées à l'aide de procédés de chauffe.
En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées à la présente sous-section, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
Art. 5.2.2.12.2. En dérogation aux valeurs limites générales d'émission du chapitre 4.4, la valeur limite d'émission mentionnée dans le tableau suivant s'applique aux paramètres :
" Sous-section 5.2.2.12. Installations thermiques de nettoyage du sol
Art. 5.2.2.12.1. La présente sous-section s'applique aux installations, visées à la rubrique 2.2.5 de la liste de classification, qui sont destinées au nettoyage de terres excavées à l'aide de procédés de chauffe.
En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées à la présente sous-section, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
Art. 5.2.2.12.2. En dérogation aux valeurs limites générales d'émission du chapitre 4.4, la valeur limite d'émission mentionnée dans le tableau suivant s'applique aux paramètres :
| parameters | emissiegrenswaarden bij een zuurstofgehalte van 11 % | |
| daggemiddelde in mg/Nm3 | halfuurwaarde in mg/Nm3 | |
| CO | 50 | 100 |
| totaal stofdeeltjes | 10 | 30 |
| gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof | 10 | 20 |
| gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt in HCl | 10 | 60 |
| gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt in HF | 1 | 4 |
| zwaveldioxide (SO2) | 50 | 200 |
| stikstofoxiden, uitgedrukt in NO2 | 200 | 400 |
| kwik en kwikverbindingen, uitgedrukt als Hg | 0,03 | 0,05 |
| gemiddelde over minimaal 6 uur en maximaal 8 uur in ng TEQ/Nm3 | ||
| dioxinen en furanen | 0,1 | |
in mg/Nm3halfuurwaarde
in mg/Nm3
CO50100totaal stofdeeltjes1030gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof1020gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt in HCl1060gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt in HF14zwaveldioxide (SO2) 50200stikstofoxiden, uitgedrukt in NO2200400kwik en kwikverbindingen, uitgedrukt als Hg0,030,05gemiddelde over minimaal 6 uur en maximaal 8 uur in ng TEQ/Nm3dioxinen en furanen0,1
Met behoud van de toepassing van de andere bepalingen van hoofdstuk 4.4, wordt de concentratie van de parameters, vermeld in het eerste lid, minstens met de onderstaande frequentie gemeten :
| paramètres | valeurs limites d'émission à une teneur d'oxygène de 11% | |
| moyenne journalière en mg/Nm3 | moyenne par demie heure en mg/Nm3 | |
| CO | 50 | 100 |
| total des particules de poussière | 10 | 30 |
| substances organiques gazeuses et volatiles, exprimées en total de carbone organique | 10 | 20 |
| chlorures inorganiques gazeuses, exprimées en HCl | 10 | 60 |
| fluorures inorganiques gazeuses, exprimées en HF | 1 | 4 |
| dioxyde de soufre (SO2) | 50 | 200 |
| dioxydes d'azote, exprimées en NO2 | 200 | 400 |
| mercure et composés de mercure, exprimés en Hg | 0,03 | 0,05 |
| moyenne sur au moins 6 heures et jusqu'à 8 heures en ng TEQ / Nm3 | ||
| dioxines et furanes | 0,1 | |
CO50100total des particules de poussière1030substances organiques gazeuses et volatiles, exprimées en total de carbone organique1020chlorures inorganiques gazeuses, exprimées en HCl1060fluorures inorganiques gazeuses, exprimées en HF14dioxyde de soufre (SO2) 50200dioxydes d'azote, exprimées en NO2200400mercure et composés de mercure, exprimés en Hg0,030,05moyenne sur au moins 6 heures et jusqu'à 8 heures en ng TEQ / Nm3dioxines et furanes0,1
Avec maintien de l'application des autre dispositions du chapitre 4.4, la concentrations des paramètres, visés à l'alinéa premier, est mesurée au moins à la fréquence sousmentionnée :
| meetfrequentie | |
| CO, zwaveldioxiden, stikstofoxiden | continu |
| dioxinen en furanen | tweemaal per jaar |
| de andere parameters | om de drie maanden |
De metingen, vermeld in het tweede lid, worden uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline lucht, vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL van 19 november 2010, of door de exploitant zelf met apparatuur en volgens een methode die zijn goedgekeurd door een erkend laboratorium in de discipline lucht, vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL. ".
| fréquence de mesurage | |
| CO, dioxyde de soufre, oxydes d'azote | continuellement |
| dioxines et furanes | deux fois par an |
| les autres paramètres | touis les trois mois |
Les mesurages, visés à l'alinéa deux, sont effectués par un laboratoire agréé dans la discipline air, visé à l'article 6, 5°, b), du VLAREL du 19 novembre 2010, soit par l'exploitant-même, à l'aide d'appareils et suivant une procédure qui est approuvée suivant un code de bonne pratique par un laboratoire agréé dans la discipline air, visé à l'article 6, 5°, b), du VLAREL. ".
Art. 60. Aan artikel 5.2.3bis.4.18, § 1, 1°, b), van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003, wordt de volgende zin toegevoegd :
" Voor installaties die in totaal maximum 90 dagen per jaar effectief worden gebruikt, volstaat één jaarlijkse meting. De exploitant registreert de dagen en uren waarop de voormelde installatie effectief wordt ingezet. ".
" Voor installaties die in totaal maximum 90 dagen per jaar effectief worden gebruikt, volstaat één jaarlijkse meting. De exploitant registreert de dagen en uren waarop de voormelde installatie effectief wordt ingezet. ".
Art. 60. A l'article 5.2.3bis.4.18, § 1er, 1°, b), du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2003, est ajoutée la phrase suivante :
" Un seul mesurage annuel suffit pour les installations qui sont effectivement utilisées pendant en total 90 jours au maximum par an. L'exploitant enregistre les jours et heures pendant lesquels l'installation fonctionne effectivement. ".
" Un seul mesurage annuel suffit pour les installations qui sont effectivement utilisées pendant en total 90 jours au maximum par an. L'exploitant enregistre les jours et heures pendant lesquels l'installation fonctionne effectivement. ".
Art. 61. In artikel 5.2.4.1.8, § 7, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan punt 5° wordt een punt c) toegevoegd, dat luidt als volgt :
" c) voor iedere afvalstroom wordt bij de basiskarakterisering een bepaling van het DOC-gehalte opgenomen. De richtwaarde voor het DOC-gehalte bedraagt 800 mg/kg droge stof. Voor stromen die de richtwaarde overschrijden gaan de afvalproducenten in samenwerking met de stortplaatsexploitant na welke stoffen de gemeten DOC-waarden veroorzaken. De resultaten van de DOC-metingen en de bevindingen inzake de oorzaken van de verhoogde DOC-gehaltes worden opgenomen in het jaarrapport, vermeld in artikel 5.2.4.6.5. ";
2° in punt 7° worden aan de tabel vier rijen en een zin toegevoegd, die luiden als volgt :
"
1° aan punt 5° wordt een punt c) toegevoegd, dat luidt als volgt :
" c) voor iedere afvalstroom wordt bij de basiskarakterisering een bepaling van het DOC-gehalte opgenomen. De richtwaarde voor het DOC-gehalte bedraagt 800 mg/kg droge stof. Voor stromen die de richtwaarde overschrijden gaan de afvalproducenten in samenwerking met de stortplaatsexploitant na welke stoffen de gemeten DOC-waarden veroorzaken. De resultaten van de DOC-metingen en de bevindingen inzake de oorzaken van de verhoogde DOC-gehaltes worden opgenomen in het jaarrapport, vermeld in artikel 5.2.4.6.5. ";
2° in punt 7° worden aan de tabel vier rijen en een zin toegevoegd, die luiden als volgt :
"
Art. 61. A l'article 5.2.4.1.8, § 7, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° au point 5°, il est ajouté un point c) ainsi rédigé :
" c) pour chaque flux de déchets, une définitions de la teneur en COD est reprises dans la caractérisation de base. La valeur directrice de la teneur en CO est de 800 mg/kg de substances sèches. Pour les flux qui dépassent la valeur directrice, les producteurs de déchets vérifient en concertation avec l'exploitant de la décharge quelles sont les substances causant les valeurs COD mesurées. Les résultats des mesurages DOC et les conclusions sur les causes des niveaux élevés DOC sont repris dans le rapport annuel, visé à l'article 5.2.4.6.5. ";
2° au point 7°, quatre rangés et une phrase sont ajoutées au tableau, ainsi rédigées :
"
1° au point 5°, il est ajouté un point c) ainsi rédigé :
" c) pour chaque flux de déchets, une définitions de la teneur en COD est reprises dans la caractérisation de base. La valeur directrice de la teneur en CO est de 800 mg/kg de substances sèches. Pour les flux qui dépassent la valeur directrice, les producteurs de déchets vérifient en concertation avec l'exploitant de la décharge quelles sont les substances causant les valeurs COD mesurées. Les résultats des mesurages DOC et les conclusions sur les causes des niveaux élevés DOC sont repris dans le rapport annuel, visé à l'article 5.2.4.6.5. ";
2° au point 7°, quatre rangés et une phrase sont ajoutées au tableau, ainsi rédigées :
"
| barium | < 30 mg/l | * |
| molybdeen | < 3 mg/l | * |
| antimoon | < 0,5 mg/l | * |
| seleen | < 0,7 mg/l | * |
(*) De aanbevolen analysemethode wordt vermeld in artikel 5.2.4.1.1; ".
| baryum | < 30 mg/l | * |
| molybdène | < 3 mg/l | * |
| antimoine | < 0,5 mg/l | * |
| sélénium | < 0,7 mg/l | * |
(*) La méthode d'analyse recommandée est mentionnée à l'article 5.2.4.1.1; ".
Art. 62. In artikel 5.2.4.1.10, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006, wordt de zinsnede " subrubriek 2.6, c) " vervangen door de zinsnede " subrubriek 2.3.6, c) ".
Art. 62. Dans l'article 5.2.4.1.10, § 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2006, la partie de phrase " sous-rubrique 2.6, c) " est remplacée par la partie de phrase " sous-rubrique 2.3.6, c) ".
Art. 63. Aan afdeling 5.2.5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt een subafdeling 5.2.5.7, die bestaat uit artikel 5.2.5.7.1 en 5.2.5.7.2, toegevoegd, die luidt als volgt :
" Subafdeling 5.2.5.7. - Financiële zekerheid
Art. 5.2.5.7.1. § 1. Voor de aanvang van de stortactiviteiten worden door de exploitant van de stortplaats financiële zekerheden gesteld ten voordele van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij. De financiële zekerheden waarborgen de volgende risico's :
1° de kosten voor de afdichtlaag en de eindafdek van de stortplaats;
2° de kosten voor de nazorgactiviteiten.
§ 2. De financiële zekerheden kunnen de volgende vormen aannemen, afzonderlijk of in combinatie :
1° een verzekering;
2° een garantie van een financiële instelling;
3° een andere persoonlijke of zakelijke zekerheid.
§ 3. Het bedrag van de financiële zekerheden, vermeld in paragraaf 1, wordt bepaald per risico, vermeld in paragraaf 1, op basis van een uitbatingsproject dat opgesteld is door een door de toezichthoudende overheid aanvaarde deskundige.
De kosten van de eindafwerking (afdichtlaag en eindafdek) worden berekend, rekening houdend met het volgende bedrag : 34,71 euro per m2 aan te brengen afdichtlaag en eindafdek voor een stortplaats.
De kosten voor de nazorgactiviteiten worden berekend, rekening houdend met subafdeling 5.2.5.6.
De financiële zekerheden worden geleidelijk opgebouwd naargelang de vordering van de stortactiviteiten. Het totale bedrag is op elk moment hoog genoeg om een correcte eindafwerking en vergoeding voor mogelijke schade aan het milieu en derden te garanderen.
Het bedrag van de financiële zekerheden, vermeld in paragraaf 1, 1° en 2°, is gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen, met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van maart 1995, namelijk 119,73. De indexering vindt elk jaar automatisch plaats, dus zonder voorafgaande verwittiging, op 1 april van elk jaar.
§ 4. Het voorstel van financiële zekerheden wordt naar de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij gestuurd of wordt afgegeven op de zetel van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij. De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij onderzoekt de voorgestelde financiële zekerheden.
§ 5. Als de financiële zekerheden beantwoorden aan de vereisten, vermeld in paragraaf 1, kent de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij binnen twee maanden nadat ze het voorstel heeft ontvangen, een conformiteitsattest toe. De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij brengt het conformiteitsattest van financiële zekerheid per aangetekende brief met ontvangstbevestiging ter kennis van :
1° de exploitant;
2° de verstrekker van de financiële zekerheden;
3° de toezichthoudende overheid.
De stortactiviteiten worden pas aangevat nadat de exploitant het conformiteitsattest heeft ontvangen.
§ 6. Als de financiële zekerheden niet beantwoorden aan de vereisten, vermeld in paragraaf 1, deelt de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij dat binnen twee maanden nadat ze het voorstel heeft ontvangen, per aangetekende brief mee aan de exploitant en aan de verstrekker van de financiële zekerheden.
§ 7. Met betrekking tot afgewerkte gedeelten kan het bedrag van de financiële zekerheid die bestemd is voor de eindafwerking (afdichtlaag en eindafdek) worden vrijgegeven op basis van een voortgangsrapport, opgesteld door een door de toezichthoudende overheid aanvaarde deskundige en een proces-verbaal van vaststelling van de toezichthoudende overheid.
Het voortgangsrapport vermeldt onder meer de benuttingsgraad, de resterende kosten voor de afdichtlaag, de eindafdekking en de nazorg van de stortplaats, en een evaluatie van de naleving van de geldende wetgeving.
§ 8. Bij de beëindiging van de definitieve afwerking van de stortplaats en na het voorleggen van een goedgekeurd nazorgplan, beide vastgesteld bij proces-verbaal van de toezichthoudende overheid, wordt, na voorafgaande goedkeuring van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, binnen dertig dagen het overblijvende bedrag van de financiële zekerheid die bestemd is voor de eindafwerking (afdichtlaag en eindafdek), vrijgegeven.
§ 9. Bij de beëindiging van de in de milieuvergunning opgelegde periode van nazorg overeenkomstig de opgelegde uitbatingsvoorwaarden, al dan niet geheel of gedeeltelijk ambtshalve uitgevoerd door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, vastgesteld bij proces-verbaal van de toezichthoudende overheid, wordt, na voorafgaande goedkeuring van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, binnen dertig dagen de financiële zekerheid volledig opgeheven.
§ 10. Het proces-verbaal, vermeld in paragrafen 7, 8 en 9, wordt door de toezichthoudende overheid opgesteld binnen negentig werkdagen nadat ze de vraag van de exploitant ontvangen heeft.
Art. 5.2.5.7.2. De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij kan op de wijze, vermeld in het tweede tot en met het vijfde lid, aanspraak maken op een gestelde financiële zekerheid.
Op gemotiveerd verzoek van de toezichthoudende overheid houdende vaststelling van niet-naleving van de vergunningsvoorwaarden of op basis van eigen vaststellingen stelt de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij per aangetekende brief de exploitant in gebreke. In de ingebrekestelling wordt vermeld welke maatregelen van de exploitant worden verwacht, alsook de termijn voor de uitvoering ervan. Een afschrift van de ingebrekestelling wordt aangetekend bezorgd aan de verstrekker van de financiële zekerheid.
Als de exploitant binnen een termijn van één maand niet schriftelijk het engagement aangaat om de gevraagde maatregelen stipt uit te voeren, of als de exploitant zich niet aan die stipte uitvoering houdt, beslist de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij om de nodige maatregelen ambtshalve uit te voeren.
De beslissing tot ambtshalve uitvoering wordt per aangetekende brief meegedeeld aan de exploitant van de stortplaats, alsook aan de verstrekker van de financiële zekerheid en aan de toezichthoudende overheid.
Voor de aanvang van de uitvoering van de nodige maatregelen bezorgt de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij het goedgekeurde bestek, met inbegrip van de prijsraming, inclusief de planning voor de uitvoering en de financiering van de werken, aan de verstrekker van de financiële zekerheid. De verstrekker van de financiële zekerheid staat in voor de betaling van de door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij voorgelegde facturen en draagt de verantwoordelijkheid voor de betaling ervan. ".
" Subafdeling 5.2.5.7. - Financiële zekerheid
Art. 5.2.5.7.1. § 1. Voor de aanvang van de stortactiviteiten worden door de exploitant van de stortplaats financiële zekerheden gesteld ten voordele van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij. De financiële zekerheden waarborgen de volgende risico's :
1° de kosten voor de afdichtlaag en de eindafdek van de stortplaats;
2° de kosten voor de nazorgactiviteiten.
§ 2. De financiële zekerheden kunnen de volgende vormen aannemen, afzonderlijk of in combinatie :
1° een verzekering;
2° een garantie van een financiële instelling;
3° een andere persoonlijke of zakelijke zekerheid.
§ 3. Het bedrag van de financiële zekerheden, vermeld in paragraaf 1, wordt bepaald per risico, vermeld in paragraaf 1, op basis van een uitbatingsproject dat opgesteld is door een door de toezichthoudende overheid aanvaarde deskundige.
De kosten van de eindafwerking (afdichtlaag en eindafdek) worden berekend, rekening houdend met het volgende bedrag : 34,71 euro per m2 aan te brengen afdichtlaag en eindafdek voor een stortplaats.
De kosten voor de nazorgactiviteiten worden berekend, rekening houdend met subafdeling 5.2.5.6.
De financiële zekerheden worden geleidelijk opgebouwd naargelang de vordering van de stortactiviteiten. Het totale bedrag is op elk moment hoog genoeg om een correcte eindafwerking en vergoeding voor mogelijke schade aan het milieu en derden te garanderen.
Het bedrag van de financiële zekerheden, vermeld in paragraaf 1, 1° en 2°, is gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen, met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van maart 1995, namelijk 119,73. De indexering vindt elk jaar automatisch plaats, dus zonder voorafgaande verwittiging, op 1 april van elk jaar.
§ 4. Het voorstel van financiële zekerheden wordt naar de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij gestuurd of wordt afgegeven op de zetel van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij. De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij onderzoekt de voorgestelde financiële zekerheden.
§ 5. Als de financiële zekerheden beantwoorden aan de vereisten, vermeld in paragraaf 1, kent de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij binnen twee maanden nadat ze het voorstel heeft ontvangen, een conformiteitsattest toe. De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij brengt het conformiteitsattest van financiële zekerheid per aangetekende brief met ontvangstbevestiging ter kennis van :
1° de exploitant;
2° de verstrekker van de financiële zekerheden;
3° de toezichthoudende overheid.
De stortactiviteiten worden pas aangevat nadat de exploitant het conformiteitsattest heeft ontvangen.
§ 6. Als de financiële zekerheden niet beantwoorden aan de vereisten, vermeld in paragraaf 1, deelt de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij dat binnen twee maanden nadat ze het voorstel heeft ontvangen, per aangetekende brief mee aan de exploitant en aan de verstrekker van de financiële zekerheden.
§ 7. Met betrekking tot afgewerkte gedeelten kan het bedrag van de financiële zekerheid die bestemd is voor de eindafwerking (afdichtlaag en eindafdek) worden vrijgegeven op basis van een voortgangsrapport, opgesteld door een door de toezichthoudende overheid aanvaarde deskundige en een proces-verbaal van vaststelling van de toezichthoudende overheid.
Het voortgangsrapport vermeldt onder meer de benuttingsgraad, de resterende kosten voor de afdichtlaag, de eindafdekking en de nazorg van de stortplaats, en een evaluatie van de naleving van de geldende wetgeving.
§ 8. Bij de beëindiging van de definitieve afwerking van de stortplaats en na het voorleggen van een goedgekeurd nazorgplan, beide vastgesteld bij proces-verbaal van de toezichthoudende overheid, wordt, na voorafgaande goedkeuring van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, binnen dertig dagen het overblijvende bedrag van de financiële zekerheid die bestemd is voor de eindafwerking (afdichtlaag en eindafdek), vrijgegeven.
§ 9. Bij de beëindiging van de in de milieuvergunning opgelegde periode van nazorg overeenkomstig de opgelegde uitbatingsvoorwaarden, al dan niet geheel of gedeeltelijk ambtshalve uitgevoerd door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, vastgesteld bij proces-verbaal van de toezichthoudende overheid, wordt, na voorafgaande goedkeuring van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, binnen dertig dagen de financiële zekerheid volledig opgeheven.
§ 10. Het proces-verbaal, vermeld in paragrafen 7, 8 en 9, wordt door de toezichthoudende overheid opgesteld binnen negentig werkdagen nadat ze de vraag van de exploitant ontvangen heeft.
Art. 5.2.5.7.2. De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij kan op de wijze, vermeld in het tweede tot en met het vijfde lid, aanspraak maken op een gestelde financiële zekerheid.
Op gemotiveerd verzoek van de toezichthoudende overheid houdende vaststelling van niet-naleving van de vergunningsvoorwaarden of op basis van eigen vaststellingen stelt de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij per aangetekende brief de exploitant in gebreke. In de ingebrekestelling wordt vermeld welke maatregelen van de exploitant worden verwacht, alsook de termijn voor de uitvoering ervan. Een afschrift van de ingebrekestelling wordt aangetekend bezorgd aan de verstrekker van de financiële zekerheid.
Als de exploitant binnen een termijn van één maand niet schriftelijk het engagement aangaat om de gevraagde maatregelen stipt uit te voeren, of als de exploitant zich niet aan die stipte uitvoering houdt, beslist de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij om de nodige maatregelen ambtshalve uit te voeren.
De beslissing tot ambtshalve uitvoering wordt per aangetekende brief meegedeeld aan de exploitant van de stortplaats, alsook aan de verstrekker van de financiële zekerheid en aan de toezichthoudende overheid.
Voor de aanvang van de uitvoering van de nodige maatregelen bezorgt de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij het goedgekeurde bestek, met inbegrip van de prijsraming, inclusief de planning voor de uitvoering en de financiering van de werken, aan de verstrekker van de financiële zekerheid. De verstrekker van de financiële zekerheid staat in voor de betaling van de door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij voorgelegde facturen en draagt de verantwoordelijkheid voor de betaling ervan. ".
Art. 63. A la section 5.2.5 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juin 1996 et restauré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, il est ajouté un sous-section 5.2.5.7, comprenant les articles 5.2.5.7.1 et 5.2.5.7.2, rédigés comme suit :
" Sous-section 5.2.5.7. - Garantie financière.
Art. 5.2.5.7.1. § 1er. Avant le début des activités de déversement, l'exploitant de la décharge constitue des sûretés financières en faveur de la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij ". Les sûretés financières garantissent les risques suivants :
1° les frais de la couche d'étanchéité et la couverture finale de la décharge;
2° les frais des activités d'entretien ultérieur;
§ 2. Les sûretés financières peuvent prendre les formes suivantes, séparées ou combinées :
1° une assurance;
2° une garantie d'une institution financière;
3° une autre garantie personnelle ou réelle.
§ 3. Le montant des sûretés financières, visées au paragraphe 1er, est établi par risque, visé au paragraphe 1er, sur la base d'un projet d'exploitation élaboré par un expert accepté par l'autorité effectuant le contrôle.
Les frais du parachèvement (couche d'étanchéité et couverture finale) sont calculés, compte tenu du montant suivant : 34,71 euros par m2 de couche d'étanchéité et de couverture finale à aménager à la décharge.
Les frais de l'entretien ultérieur sont calculés compte tenu de la sous-section 5.2.5.6.
Les sûretés financières sont progressivement constituées au fur et à mesure de l'évolution de activités de déversement. Le montant total suffit à tout moment afin de garantir le parachèvement correcte et l'indemnisation de dégâts éventuels à l'environnement et à des tiers.
Le montant des sûretés financières, visées au paragraphe 1er, 1°, et 2°, est lié à l'indice des prix à la consommation,avec comme indice de base l'indice de prix à la consommation de mars 1995, notamment 119,73. L'indexation s'effectue automatiquement chaque année, sans avertissement préalable, au 1er janvier de chaque année.
§ 4. La proposition des sûretés financières est envoyée à la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij " ou délivrée au siège de la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij ". La " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij " examine les sûretés financières proposées.
§ 5. Si les sûretés financières répondent aux exigences, visées au paragraphe 1er, la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij " accorde une attestation de conformité dans les deux mois après qu'elle a reçu la proposition. La " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij " notifie l'attestation de conformité de la certitude financière par lettre recommandée avec accusé de réception :
1° à l'exploitant;
2° le fournisseur des sûretés financières;
3° l'autorité effectuant le contrôle.
Les activités de décharge ne sont entamées qu'après que l'exploitant a reçu l'attestation de conformité.
§ 6. Si les sûretés financières ne répondent pas aux exigences, visées au paragraphe 1er, la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij " le communique par lettre recommandée à l'exploitant et au fournisseur des sûretés financières dans les deux mois après qu'elle a eçu la proposition.
§ 7. En ce qui concerne les parties parachevées, le montant de la sûreté financière qui est destinée au parachèvement (couche d'étanchéité et couverture finale) peut être libéré sur la base d'un rapport d'avancement, établi un expert accepté par l'autorité effectuant le contrôle, et d'un procès-verbal de constatation de l'autorité effectuant le contrôle.
Le rapport d'avancement mentionne entre autres le degré d'utilisation, les frais restants de la couche d'étanchéité, de la couche finale et de l'entretien ultérieur de la décharge, ainsi qu'une évaluation du respect de la législation en vigueur.
" § 8. A la fin du parachèvement définitif de la décharge et après présentation d'un plan d'entretien ultérieur approuvé, tous les deux constatés par procès-verbal de l'autorité effectuant le contrôle, le montant restant de la sûreté financière destiné au parachèvement (couche d'étanchéité et couverture finale) est libéré dans les trente jours après approbation préalable de la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij ".
§ 9. A la fin de la période de maintien ultérieur imposée dans l'autorisation écologique conformément aux conditions d'exploitation imposées, qu'elles soient entièrement ou partiellement exécutées ou non d'office par la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij ", constatées par procès-verbal de l'autorité effectuant le contrôle, la sûreté financière est entièrement libérée dansles trente jours après approbation préalable de la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij ".
§ 10. Le procès-verbal, visé aux paragraphes 7, 8 et 9, est établi par l'autorité effectuant le contrôle dans les nonante jours après qu'elle a reçu la demande de l'exploitant.
Art. 5.2.5.7.2. La " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij " peut prétendre à une sûreté financière constituée de la manière visée aux alinéas deux à cinq inclus.
Sur demande motivée de l'autorité effectuant le contrôle portant constatation de non respect de conditions de l'autorisation ou sur la base de propres constatations, la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij " met l'exploitant en demeure par lettre recommandée Les mesures attendues de la part de l'exploitant sont mentionnées dans la mise en demeure, ainsi que le délai de leur exécution. Une copie de la mise en demeure est transmise par lettre recommandée au fournisseur de la sûreté financière.
Si l'exploitant ne s'engage pas par écrit dans un délai d'un mois d'exécuter ponctuellement les mesures demandées, ou si l'exploitant ne respecte pas cette exécution ponctuelle, la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij " décide d'exécuter les mesures nécessaires d'office.
La décision d'exécution d'office est communique par lettre recommandée à 'exploitant de la décharge, ainsi qu'au fournisseur de la sûreté financière et à l'autorité effectuant le contrôle.
Avant le début de l'exécution des mesures nécessaires, la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij " transmet le cahier des charges approuvé, y compris l'estimation des prix, la planification de l'exécution et du financement des travaux, au fournisseur de la sûreté financière. Le fournisseur de la sûreté financière est responsable du paiement des factures présentées par la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij " et est responsable de leur paiement. ".
" Sous-section 5.2.5.7. - Garantie financière.
Art. 5.2.5.7.1. § 1er. Avant le début des activités de déversement, l'exploitant de la décharge constitue des sûretés financières en faveur de la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij ". Les sûretés financières garantissent les risques suivants :
1° les frais de la couche d'étanchéité et la couverture finale de la décharge;
2° les frais des activités d'entretien ultérieur;
§ 2. Les sûretés financières peuvent prendre les formes suivantes, séparées ou combinées :
1° une assurance;
2° une garantie d'une institution financière;
3° une autre garantie personnelle ou réelle.
§ 3. Le montant des sûretés financières, visées au paragraphe 1er, est établi par risque, visé au paragraphe 1er, sur la base d'un projet d'exploitation élaboré par un expert accepté par l'autorité effectuant le contrôle.
Les frais du parachèvement (couche d'étanchéité et couverture finale) sont calculés, compte tenu du montant suivant : 34,71 euros par m2 de couche d'étanchéité et de couverture finale à aménager à la décharge.
Les frais de l'entretien ultérieur sont calculés compte tenu de la sous-section 5.2.5.6.
Les sûretés financières sont progressivement constituées au fur et à mesure de l'évolution de activités de déversement. Le montant total suffit à tout moment afin de garantir le parachèvement correcte et l'indemnisation de dégâts éventuels à l'environnement et à des tiers.
Le montant des sûretés financières, visées au paragraphe 1er, 1°, et 2°, est lié à l'indice des prix à la consommation,avec comme indice de base l'indice de prix à la consommation de mars 1995, notamment 119,73. L'indexation s'effectue automatiquement chaque année, sans avertissement préalable, au 1er janvier de chaque année.
§ 4. La proposition des sûretés financières est envoyée à la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij " ou délivrée au siège de la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij ". La " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij " examine les sûretés financières proposées.
§ 5. Si les sûretés financières répondent aux exigences, visées au paragraphe 1er, la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij " accorde une attestation de conformité dans les deux mois après qu'elle a reçu la proposition. La " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij " notifie l'attestation de conformité de la certitude financière par lettre recommandée avec accusé de réception :
1° à l'exploitant;
2° le fournisseur des sûretés financières;
3° l'autorité effectuant le contrôle.
Les activités de décharge ne sont entamées qu'après que l'exploitant a reçu l'attestation de conformité.
§ 6. Si les sûretés financières ne répondent pas aux exigences, visées au paragraphe 1er, la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij " le communique par lettre recommandée à l'exploitant et au fournisseur des sûretés financières dans les deux mois après qu'elle a eçu la proposition.
§ 7. En ce qui concerne les parties parachevées, le montant de la sûreté financière qui est destinée au parachèvement (couche d'étanchéité et couverture finale) peut être libéré sur la base d'un rapport d'avancement, établi un expert accepté par l'autorité effectuant le contrôle, et d'un procès-verbal de constatation de l'autorité effectuant le contrôle.
Le rapport d'avancement mentionne entre autres le degré d'utilisation, les frais restants de la couche d'étanchéité, de la couche finale et de l'entretien ultérieur de la décharge, ainsi qu'une évaluation du respect de la législation en vigueur.
" § 8. A la fin du parachèvement définitif de la décharge et après présentation d'un plan d'entretien ultérieur approuvé, tous les deux constatés par procès-verbal de l'autorité effectuant le contrôle, le montant restant de la sûreté financière destiné au parachèvement (couche d'étanchéité et couverture finale) est libéré dans les trente jours après approbation préalable de la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij ".
§ 9. A la fin de la période de maintien ultérieur imposée dans l'autorisation écologique conformément aux conditions d'exploitation imposées, qu'elles soient entièrement ou partiellement exécutées ou non d'office par la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij ", constatées par procès-verbal de l'autorité effectuant le contrôle, la sûreté financière est entièrement libérée dansles trente jours après approbation préalable de la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij ".
§ 10. Le procès-verbal, visé aux paragraphes 7, 8 et 9, est établi par l'autorité effectuant le contrôle dans les nonante jours après qu'elle a reçu la demande de l'exploitant.
Art. 5.2.5.7.2. La " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij " peut prétendre à une sûreté financière constituée de la manière visée aux alinéas deux à cinq inclus.
Sur demande motivée de l'autorité effectuant le contrôle portant constatation de non respect de conditions de l'autorisation ou sur la base de propres constatations, la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij " met l'exploitant en demeure par lettre recommandée Les mesures attendues de la part de l'exploitant sont mentionnées dans la mise en demeure, ainsi que le délai de leur exécution. Une copie de la mise en demeure est transmise par lettre recommandée au fournisseur de la sûreté financière.
Si l'exploitant ne s'engage pas par écrit dans un délai d'un mois d'exécuter ponctuellement les mesures demandées, ou si l'exploitant ne respecte pas cette exécution ponctuelle, la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij " décide d'exécuter les mesures nécessaires d'office.
La décision d'exécution d'office est communique par lettre recommandée à 'exploitant de la décharge, ainsi qu'au fournisseur de la sûreté financière et à l'autorité effectuant le contrôle.
Avant le début de l'exécution des mesures nécessaires, la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij " transmet le cahier des charges approuvé, y compris l'estimation des prix, la planification de l'exécution et du financement des travaux, au fournisseur de la sûreté financière. Le fournisseur de la sûreté financière est responsable du paiement des factures présentées par la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij " et est responsable de leur paiement. ".
Art. 64. Aan hoofdstuk 5.2 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 september 2009, wordt een afdeling 5.2.7, die bestaat uit artikelen 5.2.7.1 tot en met 5.2.7.3, toegevoegd, die luidt als volgt :
" Afdeling 5.2.7. - Dierenbegraafplaatsen
Art. 5.2.7.1. Met behoud van de toepassing van Verordening Dierlijke Bijproducten (EG) nr. 1069/2009 en haar uitvoerende Verordening (EG) nr. 142/2011, is dit hoofdstuk van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 2.3.12 van de indelingslijst.
Art. 5.2.7.2. Het bodemmateriaal mag het proces van de krengvertering niet in ongunstige zin beïnvloeden. Kleigronden en zware kleigronden, zeer droge gronden, uiterst natte gronden en zuurstofarme gronden zijn niet geschikt voor dierenbegraafplaatsen.
Een kreng van een gezelschapsdier wordt ten minste zestig centimeter boven het niveau van de gemiddeld hoogste grondwaterstand begraven.
Een dierenbegraafplaats wordt niet gevestigd in een beschermingszone van een grondwaterwinningsgebied.
In afwijking van de algemeen geldende voorwaarden voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen, is geen weegbrug vereist. Ook artikel 5.2.1.5, § 1 en § 2, zijn niet van toepassing op dierenbegraafplaatsen.
Art. 5.2.7.3. Krengen die een implantaat dragen dat werkt op een batterij, worden niet begraven voor de batterij verwijderd is.
Krengen die gebalsemd zijn of het voorwerp hebben uitgemaakt van thanatopraxie, worden niet begraven.
Als krengen worden begraven in een krengomhulsel, voldoet dat krengomhulsel aan de voorwaarden, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 21 oktober 2005 tot bepaling van de voorwaarden waaraan een doodskist of een ander lijkomhulsel moet beantwoorden.
Bij het begraven van krengen worden geen toxische of niet biologisch afbreekbare stoffen mee begraven.
Krengen worden niet dichter dan op 60 cm afstand naast elkaar begraven.
Er worden ten hoogste drie krengen boven elkaar begraven op voorwaarde dat boven ieder kreng minstens een laag grond van ten minste 30 cm dikte wordt aangebracht. Boven het bovenste kreng bevindt zich een laag grond van ten minste 65 cm.
Een kreng wordt begraven voor minstens tien jaar. De exploitant is verantwoordelijk voor de verwijdering of verwerking van de opgegraven en onverteerde resten.
Dierenbegraafplaatsen waar niet langer dieren begraven worden, worden in de staat gelaten waarin ze zich bevinden, gedurende ten minste tien jaar na de laatste begraving.
De stopzetting van de activiteit wordt door de exploitant meegedeeld aan de vergunningverlenende overheid. ".
" Afdeling 5.2.7. - Dierenbegraafplaatsen
Art. 5.2.7.1. Met behoud van de toepassing van Verordening Dierlijke Bijproducten (EG) nr. 1069/2009 en haar uitvoerende Verordening (EG) nr. 142/2011, is dit hoofdstuk van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 2.3.12 van de indelingslijst.
Art. 5.2.7.2. Het bodemmateriaal mag het proces van de krengvertering niet in ongunstige zin beïnvloeden. Kleigronden en zware kleigronden, zeer droge gronden, uiterst natte gronden en zuurstofarme gronden zijn niet geschikt voor dierenbegraafplaatsen.
Een kreng van een gezelschapsdier wordt ten minste zestig centimeter boven het niveau van de gemiddeld hoogste grondwaterstand begraven.
Een dierenbegraafplaats wordt niet gevestigd in een beschermingszone van een grondwaterwinningsgebied.
In afwijking van de algemeen geldende voorwaarden voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen, is geen weegbrug vereist. Ook artikel 5.2.1.5, § 1 en § 2, zijn niet van toepassing op dierenbegraafplaatsen.
Art. 5.2.7.3. Krengen die een implantaat dragen dat werkt op een batterij, worden niet begraven voor de batterij verwijderd is.
Krengen die gebalsemd zijn of het voorwerp hebben uitgemaakt van thanatopraxie, worden niet begraven.
Als krengen worden begraven in een krengomhulsel, voldoet dat krengomhulsel aan de voorwaarden, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 21 oktober 2005 tot bepaling van de voorwaarden waaraan een doodskist of een ander lijkomhulsel moet beantwoorden.
Bij het begraven van krengen worden geen toxische of niet biologisch afbreekbare stoffen mee begraven.
Krengen worden niet dichter dan op 60 cm afstand naast elkaar begraven.
Er worden ten hoogste drie krengen boven elkaar begraven op voorwaarde dat boven ieder kreng minstens een laag grond van ten minste 30 cm dikte wordt aangebracht. Boven het bovenste kreng bevindt zich een laag grond van ten minste 65 cm.
Een kreng wordt begraven voor minstens tien jaar. De exploitant is verantwoordelijk voor de verwijdering of verwerking van de opgegraven en onverteerde resten.
Dierenbegraafplaatsen waar niet langer dieren begraven worden, worden in de staat gelaten waarin ze zich bevinden, gedurende ten minste tien jaar na de laatste begraving.
De stopzetting van de activiteit wordt door de exploitant meegedeeld aan de vergunningverlenende overheid. ".
Art. 64. Au chapitre 5.2 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 septembre 2009, il est ajouté une section 5.2.7, comprenant les articles 5.2.7.1 à 5.2.7.3 inclus, rédigés comme suit :
" Section 5.2.7. - Cimetières pour animaux
Art. 5.2.7.1. Avec maintien de l'application du Règlement relatif aux sous-produits animaux (CE) n° 1069/2009 et son Règlement d'exécution (CE) N) 142/2011, le présent chapitre s'applique aux établissements, visés à la rubrique 2.3.12 de la liste de classification.
Art. 5.2.7.2. La nature du sol ne peut pas influencer défavorablement le processus de la putréfaction cadavérique. Les sols argileux et les sols argileux lourds, les sols très secs, les sols extrêmement humides et pauvres en oxygène ne sont pas adaptés pour les cimetières d'animaux.
Un cadavre d'un animal de compagnie est enseveli à au moins soixante centimètres au-dessus du plus haut niveau moyen des eaux souterraines.
Un cimetière pour animaux de compagnie n'est pas situé dans une zone de protection d'une zone de captage d'eau.
Par dérogation aux conditions générales s'appliquant aux établissements de transformation de déchets, aucun dispositif de pesage n'est requis. Les articles 5.2.1.5, §§ 1er et 2, ne s'appliquent également pas aux cimetières pour animaux.
Art. 5.2.7.3. Les cadavres qui portent un implant qui fonctionne sur batterie, ne sont pas ensevelis avant que la batterie ne soit retirée.
Les cadavres embaumés qui sont ou ont été soumis à la thanatopraxie, ne sont pas ensevelis.
Si les cadavres sont ensevelis dans une gaine d'ensevelissement, cette dernière remplit les conditions spécifiées, visées à l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 octobre 2005 fixant les conditions auxquelles un cercueil ou autres gaines d'ensevelissement doivent répondre.
Lors de l'ensevelissement, aucune substance toxique ou non bio-dégradable n'est enseveli avec le cadavre.
Les cadavres ne sont pas ensevelis à moins de 60 cm l'un de l'autre.
Au maximum trois cadavres sont ensevelis l'un au-dessus de l'autre à condition qu'une couche de terre d'au moins 30 cm d'épaisseur est posée au-dessus de chaque cadavre. Une couche de terre d'au moins 65 cm se trouve au-dessus du cadavre supérieure.
Un cadavre est enseveli pendant au moins dix ans. l'exploitant est responsable de l'enlèvement ou la transformation des restants déterrés et non putréfiés.
Les cimetières pour animaux où aucun animal n'est plu enseveli sont laissés dans l'état dans lequel ils se trouvent, pendant au moins dix ans après le dernier ensevelissement.
L'arrêt de l'activité est communiqué par l'exploitant à l'autorité accordant l'autorisation. ".
" Section 5.2.7. - Cimetières pour animaux
Art. 5.2.7.1. Avec maintien de l'application du Règlement relatif aux sous-produits animaux (CE) n° 1069/2009 et son Règlement d'exécution (CE) N) 142/2011, le présent chapitre s'applique aux établissements, visés à la rubrique 2.3.12 de la liste de classification.
Art. 5.2.7.2. La nature du sol ne peut pas influencer défavorablement le processus de la putréfaction cadavérique. Les sols argileux et les sols argileux lourds, les sols très secs, les sols extrêmement humides et pauvres en oxygène ne sont pas adaptés pour les cimetières d'animaux.
Un cadavre d'un animal de compagnie est enseveli à au moins soixante centimètres au-dessus du plus haut niveau moyen des eaux souterraines.
Un cimetière pour animaux de compagnie n'est pas situé dans une zone de protection d'une zone de captage d'eau.
Par dérogation aux conditions générales s'appliquant aux établissements de transformation de déchets, aucun dispositif de pesage n'est requis. Les articles 5.2.1.5, §§ 1er et 2, ne s'appliquent également pas aux cimetières pour animaux.
Art. 5.2.7.3. Les cadavres qui portent un implant qui fonctionne sur batterie, ne sont pas ensevelis avant que la batterie ne soit retirée.
Les cadavres embaumés qui sont ou ont été soumis à la thanatopraxie, ne sont pas ensevelis.
Si les cadavres sont ensevelis dans une gaine d'ensevelissement, cette dernière remplit les conditions spécifiées, visées à l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 octobre 2005 fixant les conditions auxquelles un cercueil ou autres gaines d'ensevelissement doivent répondre.
Lors de l'ensevelissement, aucune substance toxique ou non bio-dégradable n'est enseveli avec le cadavre.
Les cadavres ne sont pas ensevelis à moins de 60 cm l'un de l'autre.
Au maximum trois cadavres sont ensevelis l'un au-dessus de l'autre à condition qu'une couche de terre d'au moins 30 cm d'épaisseur est posée au-dessus de chaque cadavre. Une couche de terre d'au moins 65 cm se trouve au-dessus du cadavre supérieure.
Un cadavre est enseveli pendant au moins dix ans. l'exploitant est responsable de l'enlèvement ou la transformation des restants déterrés et non putréfiés.
Les cimetières pour animaux où aucun animal n'est plu enseveli sont laissés dans l'état dans lequel ils se trouvent, pendant au moins dix ans après le dernier ensevelissement.
L'arrêt de l'activité est communiqué par l'exploitant à l'autorité accordant l'autorisation. ".
Art. 65. In artikel 5.3.2.4 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, 1°, wordt de zinsnede " gelegen in een zuiveringszone A of B van een gemeente waarvoor nog geen definitief gemeentelijk zoneringsplan is vastgesteld, respectievelijk " opgeheven;
2° in paragraaf 1, 2°, wordt de zinsnede " en/of in openbare riolering gelegen in een zuiveringszone C van een gemeente waarvoor nog geen definitief gemeentelijk zoneringsplan is vastgesteld " opgeheven;
3° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. De vergunningverlenende overheid kan op basis van vergaande waterbesparende maatregelen in de milieuvergunning voor bepaalde parameters hogere emissiegrenswaarden toestaan dan de emissiegrenswaarden, vermeld in paragraaf 1, als aan al de volgende voorwaarden is voldaan :
1° het betreffen parameters die aanleiding geven tot concentratieverhoging;
2° de exploitant stelt lozingsvoorwaarden voor, rekening houdend met het overeenstemmende debiet (waterbesparing);
3° de exploitant toont aan dat :
a) de BBT inzake preventie en waterzuivering wordt toegepast om de lozing van de parameters in kwestie te beperken;
b) technieken worden toegepast die op een intensieve wijze het waterverbruik beperken;
c) de milieukwaliteitsdoelstellingen van het ontvangende oppervlaktewater daardoor niet in het gedrang komen door de toepassing van de hogere emissiegrenswaarden;
d) er geen acute toxiciteit wordt veroorzaakt in het oppervlaktewater door de toepassing van hogere emissiegrenswaarden;
4° de exploitant maakt een waterbalans op. ";
4° paragraaf 6 wordt opgeheven.
1° in paragraaf 1, 1°, wordt de zinsnede " gelegen in een zuiveringszone A of B van een gemeente waarvoor nog geen definitief gemeentelijk zoneringsplan is vastgesteld, respectievelijk " opgeheven;
2° in paragraaf 1, 2°, wordt de zinsnede " en/of in openbare riolering gelegen in een zuiveringszone C van een gemeente waarvoor nog geen definitief gemeentelijk zoneringsplan is vastgesteld " opgeheven;
3° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. De vergunningverlenende overheid kan op basis van vergaande waterbesparende maatregelen in de milieuvergunning voor bepaalde parameters hogere emissiegrenswaarden toestaan dan de emissiegrenswaarden, vermeld in paragraaf 1, als aan al de volgende voorwaarden is voldaan :
1° het betreffen parameters die aanleiding geven tot concentratieverhoging;
2° de exploitant stelt lozingsvoorwaarden voor, rekening houdend met het overeenstemmende debiet (waterbesparing);
3° de exploitant toont aan dat :
a) de BBT inzake preventie en waterzuivering wordt toegepast om de lozing van de parameters in kwestie te beperken;
b) technieken worden toegepast die op een intensieve wijze het waterverbruik beperken;
c) de milieukwaliteitsdoelstellingen van het ontvangende oppervlaktewater daardoor niet in het gedrang komen door de toepassing van de hogere emissiegrenswaarden;
d) er geen acute toxiciteit wordt veroorzaakt in het oppervlaktewater door de toepassing van hogere emissiegrenswaarden;
4° de exploitant maakt een waterbalans op. ";
4° paragraaf 6 wordt opgeheven.
Art. 65. A l'article 5.3.2.4 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 mai 2008, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le paragraphe 1er, 1°, la partie de phrase " situés dans une zone d'épuration A ou B d'une commune pour laquelle le plan de zonage n'a pas encore été définitivement fixé, respectivement " est abrogée;
2° dans le paragraphe 1er, 2°, la partie de phrase " situés dans une zone d'épuration C d'une commune pour laquelle le plan de zonage n'a pas encore été définitivement fixé, respectivement " est abrogée;
3° le paragraphe 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. L'autorité accordant l'autorisation peut sur la base de mesures extrêmes économisant l'eau peut accorder des valeurs limites d'émission plus élevées pour certains paramètres dans l'autorisation écologique que les valeurs limites d'émission, visées au paragraphe 1er, lorsqu'il a été répondu aux conditions suivantes :
1° il s'agit de paramètres menant à une augmentation des concentrations;
2° l'exploitant propose des conditions de déversement, compte tenu du débit correspondant (économie d'eau);
3° l'exploitant démontre :
a) que les MTD en matière de prévention et d'épuration d'eau sont appliquées afin de limiter le déversement des paramètres en question;
b) que des techniques sont appliquées qui économisent l'eau de façon intensive;
c) que les objectifs de qualité environnementale des eaux de surface réceptrices n'est pas compromise par l'application des valeurs limites d'émission plus élevés;
d) qu'aucune toxicité aiguë n'est causée dans les eaux de surface par l'application des valeurs limites d'émission plus élevés;
4° le promoteur établit un bilan des eaux. ".
4° le § 6 est abrogé.
1° dans le paragraphe 1er, 1°, la partie de phrase " situés dans une zone d'épuration A ou B d'une commune pour laquelle le plan de zonage n'a pas encore été définitivement fixé, respectivement " est abrogée;
2° dans le paragraphe 1er, 2°, la partie de phrase " situés dans une zone d'épuration C d'une commune pour laquelle le plan de zonage n'a pas encore été définitivement fixé, respectivement " est abrogée;
3° le paragraphe 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. L'autorité accordant l'autorisation peut sur la base de mesures extrêmes économisant l'eau peut accorder des valeurs limites d'émission plus élevées pour certains paramètres dans l'autorisation écologique que les valeurs limites d'émission, visées au paragraphe 1er, lorsqu'il a été répondu aux conditions suivantes :
1° il s'agit de paramètres menant à une augmentation des concentrations;
2° l'exploitant propose des conditions de déversement, compte tenu du débit correspondant (économie d'eau);
3° l'exploitant démontre :
a) que les MTD en matière de prévention et d'épuration d'eau sont appliquées afin de limiter le déversement des paramètres en question;
b) que des techniques sont appliquées qui économisent l'eau de façon intensive;
c) que les objectifs de qualité environnementale des eaux de surface réceptrices n'est pas compromise par l'application des valeurs limites d'émission plus élevés;
d) qu'aucune toxicité aiguë n'est causée dans les eaux de surface par l'application des valeurs limites d'émission plus élevés;
4° le promoteur établit un bilan des eaux. ".
4° le § 6 est abrogé.
Art. 66. Aan artikel 5.4.1.2 van hetzelfde besluit wordt een paragraaf 5 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 5. De verbodsbepalingen, vermeld in paragraaf 1 en 2, gelden niet voor de inrichtingen, vermeld in rubriek 4.4 van de indelingslijst, die uitsluitend bestemd zijn voor didactische en recreatieve doeleinden. ".
" § 5. De verbodsbepalingen, vermeld in paragraaf 1 en 2, gelden niet voor de inrichtingen, vermeld in rubriek 4.4 van de indelingslijst, die uitsluitend bestemd zijn voor didactische en recreatieve doeleinden. ".
Art. 66. L'article 5.4.1.2 du même arrêté est complété par un paragraphe 5, rédigé comme suit :
" § 5. Les dispositions d'interdiction, visées aux paragraphes 1er et 2, ne s'appliquent pas aux établissements classés dans la rubrique 4.4 de la liste de classification, qui sont destinés uniquement à des fins éducatives et récréatives. ".
" § 5. Les dispositions d'interdiction, visées aux paragraphes 1er et 2, ne s'appliquent pas aux établissements classés dans la rubrique 4.4 de la liste de classification, qui sont destinés uniquement à des fins éducatives et récréatives. ".
Art. 67. In artikel 5.4.2.3 van hetzelfde besluit wordt een paragraaf 1bis ingevoegd, die luidt als volgt :
" § 1bis. Als een tank manueel gevuld wordt met vaste stoffen via een vulopening of een mangat, is de tank uitgerust met een extern lokaal afzuigsysteem.
Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in deze paragraaf, vanaf 1 januari 2015. ".
" § 1bis. Als een tank manueel gevuld wordt met vaste stoffen via een vulopening of een mangat, is de tank uitgerust met een extern lokaal afzuigsysteem.
Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in deze paragraaf, vanaf 1 januari 2015. ".
Art. 67. Dans l'article 5.4.2.3 du même arrêté, il est inséré un § 1er bis, rédigé comme suit :
" § 1erbis. Lorsqu'un réservoir est manuellement rempli avec des substances solides par une bouche de remplissage ou par un trou d'homme, le réservoir est équipé d'une ventilation par aspiration externe.
En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées au présent paragraphe, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
" § 1erbis. Lorsqu'un réservoir est manuellement rempli avec des substances solides par une bouche de remplissage ou par un trou d'homme, le réservoir est équipé d'une ventilation par aspiration externe.
En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées au présent paragraphe, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
Art. 68. Aan artikel 5.4.3.1.3, § 2, tweede lid, van hetzelfde besluit worden de woorden " te zijn " toegevoegd.
Art. 68. A l'article 5.4.3.1.3, § 2, alinéa deux du même arrêté, dans la version néerlandaise les mots " te zijn " sont ajoutées.
Art. 69. In artikel 5.4.3.1.4, § 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 23 april 2004 en 7 maart 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 1° wordt vervangen door wat volgt :
" 1° emissies van ventilatielucht :
1° punt 1° wordt vervangen door wat volgt :
" 1° emissies van ventilatielucht :
Art. 69. A l'article 5.4.3.1.4, § 2, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 janvier 1999, 23 avril 2004 et 7 mars 2008, sont apportées les modifications suivantes :
1° le point 1° est remplacé par la disposition suivante :
" 1° émissions de l'air de ventilation :
1° le point 1° est remplacé par la disposition suivante :
" 1° émissions de l'air de ventilation :
| parameter | emissiegrenswaarde |
| organische stoffen (totaal C) voor andere installaties dan de installaties, vermeld in punt 4° en 5° | 75,0 mg/Nm3 |
";
2° punt 3° wordt vervangen door wat volgt :
" 3° emissies van dampen en nevels uit de spuitzone of uit het spuitlokaal :
| paramètre | valeur limite d'émission |
| substances organiques (total C) pour les installations autres que les installations, visées aux points 4° et 5° | 75,0 mg/Nm3 |
";
2° le point 3° est remplacé par la disposition suivante :
" 3° émissions de vapeurs et de brumes provenant de la zone de pistolage ou du local de pistolage :
| parameter | emissiegrenswaarde |
| stofdeeltjes totaal bij een massastroom van : | |
| -=< 500 g/h -> 500g/h | 150 mg/Nm3 50 mg/Nm3 |
| organische stoffen (totaal C) voor andere installaties dan de installaties, vermeld in punt 4° en 5° | 75,0 mg/Nm3 |
-> 500g/h150 mg/Nm3
50 mg/Nm3organische stoffen (totaal C) voor andere installaties dan de installaties, vermeld in punt 4° en 5° 75,0 mg/Nm3
".
| paramètre | valeur limite d'émission |
| total des particules de poussières pour un flux en masse de : | |
| - =< 500 g/h - > 500 g/h | 150 mg/Nm3 50 mg/Nm3 |
| substances organiques (total C) pour les installations autres que les installations, visées aux points 4° et 5° | 75,0 mg/Nm3 |
- > 500 g/h150 mg/Nm3
50 mg/Nm3substances organiques (total C) pour les installations autres que les installations, visées aux points 4° et 5° 75,0 mg/Nm3
";
Art. 70. Aan artikel 5.4.3.2.3, § 7, derde zin, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2004, wordt de zinsnede " , tenzij anders vermeld in de milieuvergunning " toegevoegd.
Art. 70. A l'article 5.4.3.2.3, § 7, troisième phrase, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 avril 2004, il est ajouté la partie de phrase " sauf stipulé autrement dans l'autorisation écologique ".
Art. 71. In artikel 5.5.0.5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt paragraaf 3 opgeheven.
Art. 71. A l'article 5.5.0.5 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, le paragraphe 3 est abrogé.
Art. 72. In artikel 5.5.0.7, § 4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° tussen het woord " voorzieningen " en de woorden " te zijn " wordt het woord " aanwezig " ingevoegd;
2° tussen het woord " om " en de woorden " het wegvloeien " worden de woorden " in geval van brand " ingevoegd.
1° tussen het woord " voorzieningen " en de woorden " te zijn " wordt het woord " aanwezig " ingevoegd;
2° tussen het woord " om " en de woorden " het wegvloeien " worden de woorden " in geval van brand " ingevoegd.
Art. 72. A l'article 5.5.0.7, § 4, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, sont apportées les modifications suivantes :
1° le mot " présents " est inséré après le mot " être ";
2° les mots " en cas d'incendie " sont insérés après les mots " l'écoulement ".
1° le mot " présents " est inséré après le mot " être ";
2° les mots " en cas d'incendie " sont insérés après les mots " l'écoulement ".
Art. 73. In artikel 5.7.1.2, § 2, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de inleidende zin wordt de zinsnede " EU-Verordening nr. 2037/2000 van 29 juni 2000 " vervangen door de zinsnede " Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen ";
2 ° punt 1) wordt vervangen door wat volgt :
" 1) chloorfluorkoolstoffen; ";
3° punt 6) wordt vervangen door wat volgt :
" 6) broomfluorkoolwaterstoffen; ".
1° in de inleidende zin wordt de zinsnede " EU-Verordening nr. 2037/2000 van 29 juni 2000 " vervangen door de zinsnede " Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen ";
2 ° punt 1) wordt vervangen door wat volgt :
" 1) chloorfluorkoolstoffen; ";
3° punt 6) wordt vervangen door wat volgt :
" 6) broomfluorkoolwaterstoffen; ".
Art. 73. A l'article 5.7.1.2, § 2, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans la phrase introductive, la partie de phrase " Règlement UE n° 2037/2000 du 29 juin 2000 " est remplacée par la partie de phrase " Règlement (CE) n° 1005/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 relatif à des substances qui appauvrissent la couche d'ozone ";
2 ° le point 1) est remplacé par la disposition suivante :
" 1) chlorofluorocarbures; ";
3° le point 6) est remplacé par la disposition suivante :
" 6° hydrobromofluorocarbures; ";
1° dans la phrase introductive, la partie de phrase " Règlement UE n° 2037/2000 du 29 juin 2000 " est remplacée par la partie de phrase " Règlement (CE) n° 1005/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 relatif à des substances qui appauvrissent la couche d'ozone ";
2 ° le point 1) est remplacé par la disposition suivante :
" 1) chlorofluorocarbures; ";
3° le point 6) est remplacé par la disposition suivante :
" 6° hydrobromofluorocarbures; ";
Art. 74. In artikel 5.9.7.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, worden de woorden " de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen " telkens vervangen door de woorden " de toezichthoudende overheid ".
Art. 74. A l'article 5.9.7.1 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mars 2008, les mots " la division, compétente pour les autorisations écologiques " sont chaque fois remplacés par les mots " l'autorité effectuant le contrôle ".
Art. 75. In artikel 5.9.8.4 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt :
" § 1. De inrichting, de dieren en de naaste, eigen omgeving worden in een goede hygiënisch verantwoorde toestand gehouden. Bij reinigingsactiviteiten worden tenminste de volgende of gelijkwaardige maatregelen getroffen :
1° grof vuil droog verwijderen;
2° hogedrukreinigers na elke productiecyclus gebruiken;
3° maatregelen ter voorkoming van vloerbevuiling toepassen;
4° leidingen en ventilatoren in mechanisch geventileerde stallen regelmatig reinigen;
5° in een degelijke watertoevoer voorzien. ";
2° in paragraaf 4, tweede lid, wordt de zinsnede " subrubriek 2.11 " telkens vervangen door de zinsnede " rubriek 2.2.4 ".
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt :
" § 1. De inrichting, de dieren en de naaste, eigen omgeving worden in een goede hygiënisch verantwoorde toestand gehouden. Bij reinigingsactiviteiten worden tenminste de volgende of gelijkwaardige maatregelen getroffen :
1° grof vuil droog verwijderen;
2° hogedrukreinigers na elke productiecyclus gebruiken;
3° maatregelen ter voorkoming van vloerbevuiling toepassen;
4° leidingen en ventilatoren in mechanisch geventileerde stallen regelmatig reinigen;
5° in een degelijke watertoevoer voorzien. ";
2° in paragraaf 4, tweede lid, wordt de zinsnede " subrubriek 2.11 " telkens vervangen door de zinsnede " rubriek 2.2.4 ".
Art. 75. A l'article 5.9.8.4, du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° le paragraphe 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. L'établissement, les animaux et les propres environs directes sont tenus dans un bon état hygiénique justifié. En cas d'activités de nettoyage, les mesures suivantes, ou mesures au moins équivalents, sont prises :
1° enlèvement de grosses saletés sèches;
2° utilisation de nettoyeurs à haute pression après chaque cycle de production;
3° mesures préventives évitant l'encrassement du sol;
4° nettoyage régulier des conduites et ventilateurs dans les étables mécaniquement ventilées;
5° assurer une bonne adduction d'eau. ";
2° dans le paragraphe 4, alinéa deux, la partie de phrase " sous-rubrique 2.11 " est remplacée par la partie de phrase " rubrique 2.2.4 ";
1° le paragraphe 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. L'établissement, les animaux et les propres environs directes sont tenus dans un bon état hygiénique justifié. En cas d'activités de nettoyage, les mesures suivantes, ou mesures au moins équivalents, sont prises :
1° enlèvement de grosses saletés sèches;
2° utilisation de nettoyeurs à haute pression après chaque cycle de production;
3° mesures préventives évitant l'encrassement du sol;
4° nettoyage régulier des conduites et ventilateurs dans les étables mécaniquement ventilées;
5° assurer une bonne adduction d'eau. ";
2° dans le paragraphe 4, alinéa deux, la partie de phrase " sous-rubrique 2.11 " est remplacée par la partie de phrase " rubrique 2.2.4 ";
Art. 76. Aan artikel 5.9.8.5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2003, worden een paragraaf 4 en een paragraaf 5 toegevoegd, die luiden als volgt :
" § 4. In de rundveehouderij worden doeltreffende maatregelen genomen om de vervuiling te beperken van het hemelwater dat afvloeit van de kuilplaat.
§ 5. In de rundveehouderij worden de sappen van de kuilplaat opgevangen en uitgereden op het land of verwijderd op een gelijkwaardige wijze. ".
" § 4. In de rundveehouderij worden doeltreffende maatregelen genomen om de vervuiling te beperken van het hemelwater dat afvloeit van de kuilplaat.
§ 5. In de rundveehouderij worden de sappen van de kuilplaat opgevangen en uitgereden op het land of verwijderd op een gelijkwaardige wijze. ".
Art. 76. L'article 5.9.8.5 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2003, est complété par un paragraphe 4 et un paragraphe 5, rédigés comme suit :
" § 4. Dans l'élevage de bovins, des mesures efficaces sont prises pour réduire la pollution de l'eau de pluie qui s'écoule des couvercles de fosse.
§ 5. Dans l'élevage de bovins, des démarches sont faites pour capter les effluents des couvercles de fosse et en vue de les épandre sur les terres ou de les enlever d'une manière équivalente. ".
" § 4. Dans l'élevage de bovins, des mesures efficaces sont prises pour réduire la pollution de l'eau de pluie qui s'écoule des couvercles de fosse.
§ 5. Dans l'élevage de bovins, des démarches sont faites pour capter les effluents des couvercles de fosse et en vue de les épandre sur les terres ou de les enlever d'une manière équivalente. ".
Art. 77. Artikel 5.15.0.3 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 5.15.0.3. De garages en herstellingswerkplaatsen worden doeltreffend verlucht zodat de atmosfeer er nooit giftig of ontplofbaar kan worden. De nodige maatregelen worden getroffen als er brandstofdampen kunnen vrijkomen. ".
" Art. 5.15.0.3. De garages en herstellingswerkplaatsen worden doeltreffend verlucht zodat de atmosfeer er nooit giftig of ontplofbaar kan worden. De nodige maatregelen worden getroffen als er brandstofdampen kunnen vrijkomen. ".
Art. 77. L'article 5.15.0.3 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 5.15.0.3. Les garages et ateliers de réparation sont effectivement ventilés de sorte que l'atmosphère ne puisse jamais y être toxique ou explosive. Les mesures nécessaires sont prises si des vapeurs de carburants pourraient se libérer. ".
" Art. 5.15.0.3. Les garages et ateliers de réparation sont effectivement ventilés de sorte que l'atmosphère ne puisse jamais y être toxique ou explosive. Les mesures nécessaires sont prises si des vapeurs de carburants pourraient se libérer. ".
Art. 78. Aan hoofdstuk 5.15 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 28 november 2003, 19 juni 2009 en 4 september 2009, worden een artikel 5.15.0.9 tot en met 5.15.0.11 toegevoegd, die luiden als volgt :
" Art. 5.15.0.9. Waterverbruik :
1° voor een automatische bus- of truckwash :
de wasinstallatie is voorzien van een zuiverings- of recyclage unit die toelaat minstens 70% van het totale debiet was- en spoelwater te hergebruiken in de wasinstallatie;
2° voor een automatische wasstraat of carwashinstallatie :
de wasinstallatie is voorzien van een zuiverings- of recyclage unit die toelaat de toevoer van vers water te beperken tot maximaal 80 liter per voertuig dat gewassen wordt.
Art. 5.15.0.10. Afvalwater van inrichtingen, vermeld in rubriek 15.4 van de indelingslijst.
Alle verontreinigde afvalwaters worden, voor ze geloosd worden, verzameld en afgevoerd naar een bezink- en koolwaterstofverwijderingsinstallatie. Wanneer wordt geloosd in oppervlaktewater wordt deze bijkomend uitgerust met een coalescentiefilter. De koolwaterstofafscheiders worden zo dikwijls geledigd en gereinigd als nodig is om de goede werking ervan te waarborgen. De afvalstoffen die daarbij vrijkomen, worden opgehaald door een daartoe erkende overbrenger. De exploitant inspecteert daarvoor om de drie maanden de afscheider en houdt van die inspecties een logboek bij.
Art. 5.15.0.11. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in artikel 5.15.0.9 en 5.15.0.10, vanaf 1 januari 2015. ".
" Art. 5.15.0.9. Waterverbruik :
1° voor een automatische bus- of truckwash :
de wasinstallatie is voorzien van een zuiverings- of recyclage unit die toelaat minstens 70% van het totale debiet was- en spoelwater te hergebruiken in de wasinstallatie;
2° voor een automatische wasstraat of carwashinstallatie :
de wasinstallatie is voorzien van een zuiverings- of recyclage unit die toelaat de toevoer van vers water te beperken tot maximaal 80 liter per voertuig dat gewassen wordt.
Art. 5.15.0.10. Afvalwater van inrichtingen, vermeld in rubriek 15.4 van de indelingslijst.
Alle verontreinigde afvalwaters worden, voor ze geloosd worden, verzameld en afgevoerd naar een bezink- en koolwaterstofverwijderingsinstallatie. Wanneer wordt geloosd in oppervlaktewater wordt deze bijkomend uitgerust met een coalescentiefilter. De koolwaterstofafscheiders worden zo dikwijls geledigd en gereinigd als nodig is om de goede werking ervan te waarborgen. De afvalstoffen die daarbij vrijkomen, worden opgehaald door een daartoe erkende overbrenger. De exploitant inspecteert daarvoor om de drie maanden de afscheider en houdt van die inspecties een logboek bij.
Art. 5.15.0.11. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in artikel 5.15.0.9 en 5.15.0.10, vanaf 1 januari 2015. ".
Art. 78. Au chapitre 5.15 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 janvier 1999, 28 novembre 2003, 19 juin 2009 et 4 septembre 2009, il est ajouté un article 5.15.0.9 à 5.15.0.11 inclus, rédigés comme suit :
" Art. 5.15.0.9. Consommation d'eau :
1° installations de lavage d'autobus et de camions automatiques :
l'installation de lavage est équipée d'une unité d'épuration ou de recyclage, permettant de réutiliser au moins 70 % du débit total de l'eau de lavage et de rinçage dans l'installation de lavage;
2° installations de lavage d'autos automatiques :
l'installation de lavage est équipée d'une unité d'épuration ou de recyclage, permettant de limiter l'adduction d'eau fraîche à 80 l au maximum par véhicule lavé.
Art. 5.15.0.10. Eaux usées provenant d'établissements, visés à la rubrique 15.4 de la liste de classification.
Toutes les eaux usées polluées sont, avant leur déversement, collectées et évacuées vers une installation de sédimentation et d'élimination d'hydrocarbures. Lorsque le déversement se fait dans une eau de surface, cette installation est également équipé d'un filtre de coalescence. Les séparateurs d'hydrocarbures sont vidés et nettoyés aussi souvent que nécessaire afin d'assurer leur bon fonctionnement. Les déchets qui sont ainsi libérés, sont récupérés par un transporteur agréé à cet effet. A cet effet, l'exploitant inspecte le séparateur tous les trois mois et tient un journal de ces inspections.
Art. 5.15.0.11. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées aux articles 5.15.0.9 et 5.15.0.10, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
" Art. 5.15.0.9. Consommation d'eau :
1° installations de lavage d'autobus et de camions automatiques :
l'installation de lavage est équipée d'une unité d'épuration ou de recyclage, permettant de réutiliser au moins 70 % du débit total de l'eau de lavage et de rinçage dans l'installation de lavage;
2° installations de lavage d'autos automatiques :
l'installation de lavage est équipée d'une unité d'épuration ou de recyclage, permettant de limiter l'adduction d'eau fraîche à 80 l au maximum par véhicule lavé.
Art. 5.15.0.10. Eaux usées provenant d'établissements, visés à la rubrique 15.4 de la liste de classification.
Toutes les eaux usées polluées sont, avant leur déversement, collectées et évacuées vers une installation de sédimentation et d'élimination d'hydrocarbures. Lorsque le déversement se fait dans une eau de surface, cette installation est également équipé d'un filtre de coalescence. Les séparateurs d'hydrocarbures sont vidés et nettoyés aussi souvent que nécessaire afin d'assurer leur bon fonctionnement. Les déchets qui sont ainsi libérés, sont récupérés par un transporteur agréé à cet effet. A cet effet, l'exploitant inspecte le séparateur tous les trois mois et tient un journal de ces inspections.
Art. 5.15.0.11. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées aux articles 5.15.0.9 et 5.15.0.10, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
Art. 79. Aan artikel 5.16.1.1, § 2, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt een punt 2° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 2° de verplaatsbare recipiënten in de inrichtingen voor het niet-huishoudelijk vullen van verplaatsbare recipiënten, ingedeeld in rubriek 16.4 van de indelingslijst. ".
" 2° de verplaatsbare recipiënten in de inrichtingen voor het niet-huishoudelijk vullen van verplaatsbare recipiënten, ingedeeld in rubriek 16.4 van de indelingslijst. ".
Art. 79. A l'article 5.16.1.1, § 2 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, il est ajouté un point 2°, rédigé comme suit :
" 2° les récipients mobiles dans les établissements de remplissage non-domestiques de récipients mobiles, classée dans la section 16.4 de la liste de classification. ".
" 2° les récipients mobiles dans les établissements de remplissage non-domestiques de récipients mobiles, classée dans la section 16.4 de la liste de classification. ".
Art. 80. In artikel 5.16.2.1, § 2, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009, wordt de zinsnede " EU-verordening nr. 2037/2000 van 29 juni 2000 " vervangen door de zinsnede " verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 ".
Art. 80. Dans l'article 5.16.2.1, § 2, du même arrêté,remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 novembre 2009, la partie de phrase " Règlement UE N° 2037/2000 du 29 juin 2000 " est remplacée par la partie de phrase " Règlement (CE) n° 1005/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 ".
Art. 81. Artikel 5.16.4.1.2 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 5.16.4.1.2. Artikel 5.16.4.1.3 is niet van toepassing op inrichtingen voor de bevoorrading van motorvoertuigen. ".
" Art. 5.16.4.1.2. Artikel 5.16.4.1.3 is niet van toepassing op inrichtingen voor de bevoorrading van motorvoertuigen. ".
Art. 81. L'article 5.16.4.1.2 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 5.16.4.1.2. L'article 5.16.4.1.2. ne s'applique pas aux établissements d'approvisionnement de véhicules motorisés. ".
" Art. 5.16.4.1.2. L'article 5.16.4.1.2. ne s'applique pas aux établissements d'approvisionnement de véhicules motorisés. ".
Art. 82. In artikel 5.16.4.1.3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, 2°, wordt de zin " Deze voorwaarde is niet van toepassing op LPG stations " opgeheven;
2° in paragraaf 2 wordt punt 1° vervangen door wat volgt :
" 1° de capaciteit is zodanig dat, in geval van brand in de nabijheid van het vulcentrum, de temperatuur van de opgeslagen vloeibaar gemaakte gassen niet boven 50° C kan stijgen. Het minimumdebiet bedraagt 10 liter/min/m2, waarbij m2 als volgt wordt bepaald :
a) voor cilindrische opslagtanks : lengte x diameter;
b) voor bolvormige opslagtanks : 1/4 x pi x diameter x diameter;
c) voor de andere inrichtingen : de oppervlakte en zone, vermeld in paragraaf 1, 2° ; ";
3° aan paragraaf 2 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, 1°, vanaf 1 januari 2015; ";
4° in paragraaf 3 wordt het woord " installatie " telkens vervangen door het woord " sproei-installatie ";
5° in paragraaf 3, 3°, worden de woorden " De inrichting " vervangen door de woorden " Het vulcentrum ".
1° in paragraaf 1, 2°, wordt de zin " Deze voorwaarde is niet van toepassing op LPG stations " opgeheven;
2° in paragraaf 2 wordt punt 1° vervangen door wat volgt :
" 1° de capaciteit is zodanig dat, in geval van brand in de nabijheid van het vulcentrum, de temperatuur van de opgeslagen vloeibaar gemaakte gassen niet boven 50° C kan stijgen. Het minimumdebiet bedraagt 10 liter/min/m2, waarbij m2 als volgt wordt bepaald :
a) voor cilindrische opslagtanks : lengte x diameter;
b) voor bolvormige opslagtanks : 1/4 x pi x diameter x diameter;
c) voor de andere inrichtingen : de oppervlakte en zone, vermeld in paragraaf 1, 2° ; ";
3° aan paragraaf 2 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, 1°, vanaf 1 januari 2015; ";
4° in paragraaf 3 wordt het woord " installatie " telkens vervangen door het woord " sproei-installatie ";
5° in paragraaf 3, 3°, worden de woorden " De inrichting " vervangen door de woorden " Het vulcentrum ".
Art. 82. A l'article 5.16.4.1.3 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le paragraphe 1er, 2°, la phrase " Cette condition ne s'applique pas aux stations GPL " est abrogée.
2° au paragraphe 2, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1 ° la capacité est tel que la température du gaz liquéfié stocké ne peut pas dépasser 50° C en cas d'incendie à proximité du centre de remplissage. Le débit minimal est de 10 litres/min/m2, ou les m2 sont définis comme suit :
a) pour les réservoirs cylindriques : longueur x diamètre;
b) pour les réservoirs sphériques : 1/4 x pi x diamètre x diametre;
c) pour les autres établissements : la siperficie et la zone, visées au paragraphe 1er, 2° ; ";
3° le paragraphe 2 est complété par un alinéa deux, rédigé comme suit :
" En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées au paragraphe 1er, 2°, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
4° dans le § 3, le mot " installation " est chaque fois remplacé par les mots " installation de pulvérisation ";
5° au paragraphe 3, 3°, les mots " l'établissement " sont remplacés par les mots " le centre de remplissage ".
1° dans le paragraphe 1er, 2°, la phrase " Cette condition ne s'applique pas aux stations GPL " est abrogée.
2° au paragraphe 2, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1 ° la capacité est tel que la température du gaz liquéfié stocké ne peut pas dépasser 50° C en cas d'incendie à proximité du centre de remplissage. Le débit minimal est de 10 litres/min/m2, ou les m2 sont définis comme suit :
a) pour les réservoirs cylindriques : longueur x diamètre;
b) pour les réservoirs sphériques : 1/4 x pi x diamètre x diametre;
c) pour les autres établissements : la siperficie et la zone, visées au paragraphe 1er, 2° ; ";
3° le paragraphe 2 est complété par un alinéa deux, rédigé comme suit :
" En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées au paragraphe 1er, 2°, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
4° dans le § 3, le mot " installation " est chaque fois remplacé par les mots " installation de pulvérisation ";
5° au paragraphe 3, 3°, les mots " l'établissement " sont remplacés par les mots " le centre de remplissage ".
Art. 83. Het opschrift van subafdeling 5.16.4.3 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
" Subafdeling 5.16.4.3. - Vulcentra voor verplaatsbare recipiënten die vloeibaar gemaakte petroleumgassen bevatten ".
" Subafdeling 5.16.4.3. - Vulcentra voor verplaatsbare recipiënten die vloeibaar gemaakte petroleumgassen bevatten ".
Art. 83. 2. L'intitulé de la sous-division 5.16.4.3 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Sous-section 5.16.4.3. Centres de remplissage pour récipients mobiles contenant des gaz de pétrole liquéfiés ".
" Sous-section 5.16.4.3. Centres de remplissage pour récipients mobiles contenant des gaz de pétrole liquéfiés ".
Art. 84. In artikel 5.16.5.3, § 1, eerste lid, artikel 5.16.5.3, § 2, artikel 5.16.5.4, § 1, en artikel 5.16.5.5, § 1, van hetzelfde besluit, wordt de zinsnede " artikel 5.16.5.1., § 2 " telkens vervangen door de zinsnede " artikel 5.16.1.1, § 4 ".
Art. 84. Dans l'article 5.16.5.3, § 1er, alinéa premier, dans l'article 5.16.5.3, § 2, dans l'article 5.16.5.4, § 1er, et dans l'article 5.16.5.5, § 1er, du même arrêté, la partie de phrase " article 5.16.5.1., § 2 " est chaque fois remplacée par la partie de phrase " article 5.16.1.1, § 4 ".
Art. 85. In artikel 5.16.6.2, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, en artikel 5.16.6.3, § 1, van hetzelfde besluit, wordt de zinsnede " artikel 5.16.6.1., § 3 " telkens vervangen door de zinsnede " artikel 5.16.1.1, § 4 ".
Art. 85. Dans l'article 5.16.6.2, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, et dans l'article 5.16.6.3, § 1er, du même arrêté, la partie de phrase " article 5.16.6.1., § 3 " est chaque fois remplacée par la partie de phrase " article 5.16.1.1, § 4 ".
Art. 86. In artikel 5.16.6.8 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2 worden de woorden " uiterlijk op " opgeheven;
2° in paragraaf 3 worden de woorden " bevoegd deskundige " vervangen door de woorden " de exploitant of zijn aangestelde ".
1° in paragraaf 2 worden de woorden " uiterlijk op " opgeheven;
2° in paragraaf 3 worden de woorden " bevoegd deskundige " vervangen door de woorden " de exploitant of zijn aangestelde ".
Art. 86. A l'article 5.16.6.8 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le paragraphe 2, les mots " au plus tard le " sont abrogés;
2° dans le § 3, les mots " expert compétent " sont remplacés par les mots " l'exploitant ou son représentant désigné ";
1° dans le paragraphe 2, les mots " au plus tard le " sont abrogés;
2° dans le § 3, les mots " expert compétent " sont remplacés par les mots " l'exploitant ou son représentant désigné ";
Art. 87. Aan hoofdstuk 5.16 van dit besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en 20 november 2009, wordt een afdeling 5.16.8, die bestaat uit artikelen 5.16.8.1 tot en met 5.16.8.9, toegevoegd, die luidt als volgt :
" Afdeling 5.16.8. - Inrichtingen voor de bevoorrading van motorvoertuigen met aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas, andere dan deze vermeld in afdeling 5.16.7
Art. 5.16.8.1. Deze afdeling is van toepassing op inrichtingen, ingedeeld in rubriek 16.9.d van de indelingslijst.
Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, geldt deze afdeling ook voor de aardgastankstations die niet voor publiek toegankelijk zijn.
Art. 5.16.8.2. § 1. Het aardgastankstation wordt geconstrueerd overeenkomstig een code van goede praktijk, in overleg met een erkende milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, vermeld in artikel 6, 1°, a), van het VLAREL. Voor de constructie van het aardgastankstation mag alleen gebruikgemaakt worden van producten en onderdelen die voldoen aan de toepasselijke codes van goede praktijk.
§ 2. Het aardgastankstation wordt alleen bevoorraad vanuit het openbaar aardgasleidingnet of een leidingnet voor tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas.
§ 3. De exploitant treft de nodige maatregelen om schade aan de compressor en de aardgasopslag door aanrijding of vandalisme te voorkomen. De compressor en de aardgasopslag zijn ontoegankelijk voor onbevoegden.
§ 4. De in openlucht opgestelde installatieonderdelen zijn op doelmatige wijze beschermd tegen de schadelijke gevolgen van weersinvloeden.
§ 5. Als de compressor of aardgasopslag geplaatst is in een gesloten lokaal, is :
1° het lokaal uitsluitend voor dat doel bestemd;
2° het lokaal zo ingericht dat er geen ophoping van gas kan ontstaan;
3° het lokaal doeltreffend en voldoende geventileerd;
4° het lokaal uitgerust met een doeltreffende installatie die zowel bij gasdetectie als bij branddetectie in het lokaal het aardgasstation stillegt;
5° het lokaal volledig opgebouwd uit daartoe geschikte materialen inzake brandveiligheid en scherfwerking;
6° tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, het lokaal voorzien van doelmatige explosieluiken of is de bovenzijde of zijwand van het lokaal uitgevoerd als zwakke wand, waarbij deze gericht zijn in een richting waar er geen personen te verwachten zijn, zodat de gevolgen van een interne explosie worden beperkt.
§ 6. De elektromagnetische afsluiters van het aardgastankstation zijn zo uitgevoerd dat ze bij het wegvallen van de elektrische voeding automatisch de veilige positie innemen.
§ 7. De exploitant stelt een zoneringsplan op. De elektrische installatie wordt uitgevoerd volgens de bepalingen van het AREI en het zoneringsplan.
Binnen een gezoneerd gebied is :
1° het verboden te roken;
2° de aanwezigheid van open vuur verboden;
3° de aanwezigheid van voorwerpen met een oppervlaktetemperatuur van meer dan 300° C (573 K) verboden;
4° de aanwezigheid van verbrandingsmotoren, machines en andere toestellen verboden, tenzij de uitvoering van deze apparaten voldoet aan de Europese wetgeving voor toepassing in explosieve gebieden en geschikt is voor de desbetreffende zone.
Tijdelijk werken met deze apparaten is toegestaan als de gebruiker specifieke regels volgt volgens ATEX 137.
De verboden worden door middel van genormeerde veiligheidssignalering aangegeven.
De exploitant voorziet één of meer schakelaars in het niet-gevaarlijke gebied, die de elektrische installatie binnen het explosiegevaarlijke gebied in alle polen en fasen tegelijkertijd kan uitschakelen.
Art. 5.16.8.3. De vulplaats
De vulplaats, dat is de plaats om het voertuig te stationeren tijdens de bevoorrading, bevindt zich volledig op het terrein van de inrichting.
De vulplaats bevindt zich in openlucht. De eventuele overkapping ervan is zo uitgevoerd dat ophoping van het afgeleverde gas niet mogelijk is.
De vulplaats is voldoende verlicht.
Art. 5.16.8.4. De tankzuil
§ 1. De tankzuil wordt :
1° voldoende stevig verankerd, zodat de losbreekkoppeling van de verdeelslang kan werken;
2° voldoende beschermd tegen aanrijding;
3° doeltreffend geventileerd;
4° voorzien van een debietbegrenzer die de aardgasstroom automatisch onderbreekt in geval van breuk van de verdeelslang;
5° voorzien van een beveiliging die de gastoevoer onderbreekt, mocht de tankzuil uit positie gebracht worden door externe invloeden.
§ 2. De tankzuil is uitgerust met :
1° een drukknop of een gelijkwaardig systeem, die zodanig is ingericht dat de aflevering van het gas alleen kan plaatsvinden door het met de hand indrukken van deze knop. Bij het wegvallen van de druk op de knop stopt de aflevering van het gas automatisch en onmiddellijk, of
2° met een start- en stopknop. De startknop start de vulcyclus; de stopknop beëindigt onmiddellijk de vulcyclus.
§ 3. De tankzuil is uitgerust met een totaal afleversysteem, dat op basis van een continue massameting, continue druk- en temperatuurmeting tijdens het tanken de afleverhoeveelheid voor de ontvangende voertuigtanks automatisch berekent en regelt. Bij het bereiken van de door de maximale vulhoeveelheid regeling berekende tankhoeveelheid, wordt de vulcyclus beëindigd. De volgende beveiligingen worden door de regeling geactiveerd :
1° noodstop afschakeling bij slangbreuk (te hoge flow);
2° noodstop afschakeling bij te hoge drukval;
3° noodstop afschakeling bij te hoge flow naar voertuig (instelbaar);
4° overschrijden van de tanktijd (instelbaar);
5° noodstop afschakeling op grond van een signaal van de drukmeting.
Op de tankzuil is daarenboven een onafhankelijk werkende overdrukbeveiliging aangebracht, die zodanig is afgesteld dat de verdeeldruk aan het motorvoertuig niet meer bedraagt dan :
1° 250 bar voor installaties met temperatuurcompensatie;
2° 210 bar voor installaties zonder temperatuurcompensatie.
§ 4. De tankzuil van een onbemand aardgastankstation is uitgerust met een temperatuurgevoelig element, dat bij stijging van de temperatuur boven de 343K (70° C) binnenin de tankzuil, alle spanningsvoerende delen van de tankzuil definitief buiten werking stelt en de gastoevoer afsluit.
§ 5. De tankzuil is zodanig opgevat dat de verdeelslang niet kan afslijten of geen knikken kan vertonen. Er wordt ook voorkomen dat de verdeelslang op de grond ligt.
§ 6. De tankzuil is uitgerust met een verdeelslang die :
1° een losbreekkoppeling heeft;
2° niet langer is dan 5 m en waarvan het buigzame deel bestaat uit één stuk;
3° een barstdruk heeft van minimaal 800 bar;
4° indien noodzakelijk voorzien is van een corrosiebestendige bewapening;
5° uitgerust is met een vulpistool dat :
a) pas na het aankoppelen aan de vulaansluiting van het motorvoertuig geopend kan worden;
b) bij het loskoppelen onmiddellijk en automatisch sluit;
c) alleen ontkoppeld kan worden als de overdruk in de koppeling volledig gereduceerd is. Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, wordt het gas daarvoor automatisch afgelaten naar een aflaatreservoir om het bij een volgende tankbeurt te recupereren. Het aflaatreservoir wordt op onderdruk gebracht voor het tanken start. Als de elektrische voeding uitvalt, wordt het gas automatisch afgelaten naar het aflaatreservoir, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning.
Art. 5.16.8.5. Afstandsregels
§ 1. Tussen enerzijds de compressor en de tankzuil en anderzijds de openbare weg en de naburige eigendommen, geldt een minimale afstand, gemeten in horizontale projectie, van ten minste 3 m.
§ 2. De compressor en de tankzuil liggen op minimaal 3 m van alle vensters, deuren, en alle andere openingen van lokalen die bestemd zijn als werkhuis, kantoor, magazijn of woning, alsook van iedere plaats die niet onderworpen is aan het openvuurverbod.
§ 3. De minimale afstand tussen de tankzuil enerzijds en de compressor en aardgasopslag anderzijds bedraagt 1,5 m, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning.
§ 4. Tussen de compressor en aardgasopslag enerzijds, en de vulpunten, de mondingen van de ontluchtingsleidingen, de tankzuilen, de bovengrondse houders voor vloeibare motorbrandstoffen en lpg en de vulplaatsen voor lpg anderzijds, geldt onverminderd de bepalingen van artikel 5.16.6.3 een minimale afstand van 5 m.
§ 5. De in paragraaf 1 tot en met 4 vermelde minimale veiligheidsafstanden mogen verminderd worden tot minimaal 1 m door de constructie van een voorziening met een brandwerendheid van ten minste 60 minuten bepaald in overeenstemming met NBN-EN 13501 op voorwaarde dat de horizontaal omheen de voorziening gemeten afstand tussen de beschouwde installaties en de aangegeven elementen gelijk is aan of meer bedraagt dan de in deze paragrafen voorgeschreven minimale veiligheidsafstanden. De voorziening, die bestaat uit een muur, wand, scherm of behuizing, moet in ieder geval de hoogte van de beschouwde installaties hebben met een minimum hoogte van 2 m en moet minstens langs de hele lengte van deze installaties gelegen zijn.
De gevaarlijke zone volgens het zoneringsplan mag niet voorbij de bedoelde voorziening reiken.
§ 6. Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, gelden voor aardgastankstations de strengste van de volgende afstandsregels tussen enerzijds :
1° de meest nabijgelegen bestaande of potentiële woning, die niet behoort tot de te vergunnen inrichting;
2° andere gebouwen dan woningen die niet behoren tot de te vergunnen inrichting, met regelmatige bezetting door mensen;
3° kwetsbare locaties,
en anderzijds :
1° de compressor : 10 m;
2° de aardgasopslag met een waterinhoudsvermogen van :
a) minder dan 3 000 l : 10 m;
b) 3 000 l tot en met 5 000 l : 15 m;
c) 5 000 l tot en met 10 000 l : 20 m;
3° de tankzuil : 15 m.
§ 7. Voor aardgastankstations met een aardgasopslag met een waterinhoudsvermogen van meer dan 10.000 l gelden voor de bij de milieuvergunningsaanvraag gevoegde individuele veiligheidsstudie, uitgevoerd door een erkende VR-deskundige, vermeld in artikel 6, 1°, e), van het VLAREL, de volgende risicocriteria :
1° de plaatsgebonden risicocontour van 10-5 overschrijdt de grenzen van de inrichting niet;
2° de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 overschrijdt geen bestaande of potentiële woning, niet behorend tot de te vergunnen inrichting of geen gebouwen andere dan woningen, niet behorend tot de te vergunnen inrichting, met regelmatige bezetting door mensen;
3° de plaatsgebonden risicocontour van 10-7 overschrijdt geen kwetsbare locaties;
4° het groepsrisico is aanvaardbaar.
Art. 5.16.8.6. Veiligheidsvoorzieningen
§ 1. In de gastoevoerleiding naar de compressor is op een afstand van minimaal 10 m van de compressor een handbediende afsluiter aangebracht. De plaats van de afsluiter wordt duidelijk aangegeven. De afsluiter is goed bereikbaar en wordt doeltreffend beschermd tegen gevaar van beschadiging door het verkeer.
§ 2. De installatie wordt zo uitgevoerd dat het binnendringen van lucht in gasvoerende delen niet mogelijk is. Aan de compressor is een voorziening aangebracht die de compressor uitschakelt zodra de druk aan de zuigzijde daalt beneden 50% van de door de fabrikant voorgeschreven druk.
Deze bepaling is van toepassing voor de bevoorrading van de compressorinstallatie vanuit een aardgas- of tot aardgas opgewaardeerd biogasnetwerk met zeer lage druk (<100 mbar).
§ 3. Het aardgastankstation wordt uitgerust met overdrukbeveiligingen op de installatieonderdelen waarin een gasdruk kan ontstaan die hoger is dan de maximale bedrijfsdruk. Daarvoor wordt gebruikgemaakt van een afblaasveiligheid met een gecontroleerde en veilige afvoer van het gecomprimeerde gas. De gecontroleerde afvoer is met behoud van de toepassing van artikel 5.16.1.4 verticaal naar omhoog gericht.
De compressor is uitgerust met een pressostaat die het volledig aardgastankstation stillegt en de overdruk afvoert.
§ 4. Indien de compressor niet is uitgerust met een terugstroombeveiliging, is de toevoerleiding van het gas naar het tankstation voorzien van een elektromagnetische afsluiter die alleen geopend is als de compressor in werking is.
§ 5. Indien in het aardgastankstation condensatie van het gas zich kan voordoen, is het aardgastankstation uitgerust met drooginstallaties voor het gas zodat het dauwpunt van het water in het gas voldoende laag is om condensatie te vermijden.
§ 6. Het aardgastankstation is uitgerust met minimaal twee noodstopknoppen in de nabijheid van de tankzuil in de twee voor de hand liggende vluchtrichtingen. De noodstopknoppen zijn voldoende zichtbaar en zodanig opgesteld dat ze altijd goed bereikbaar zijn.
De noodstop zorgt ervoor dat het aardgastankstation op een veilige wijze tot stilstand komt, waarbij de gastoevoer automatisch wordt afgesloten. Als er in de inrichting ook andere brandstofverdeelinstallaties aanwezig zijn, legt de noodstop ook die brandstofverdeelinstallaties stil.
§ 7. Als de elektrische voedingsspanning wegvalt, komt de installatie automatisch in een veilige toestand waarbij de elektromagnetische afsluiters op de gastoevoer automatisch worden gesloten. In voorkomend geval stopt de tankbeurt die aan de gang is en wordt, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, het gas in de verdeelslang afgelaten naar het aflaatreservoir. Als de spanning weer opkomt, blijft het station in de veilige positie en wordt het niet automatisch opnieuw opgestart.
§ 8. De exploitant of zijn aangestelde wordt bij gebruik van een noodstop, technische alarmen in de installatie of het automatisch stilleggen van de installatie door een beveiligingssysteem onmiddellijk en automatisch op de hoogte gebracht.
§ 9. Als het aardgastankstation via een noodstop of beveiliging in een veilige toestand komt, verloopt de opstart overeenkomstig een procedure, die voor de in dienst name van het aardgastankstation of bij grote veranderingen aan het aardgastankstation is goedgekeurd is door een erkende milieudeskundige, in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, vermeld in artikel 6, 1°, a), van het VLAREL.
§ 10. Met behoud van de toepassing van artikelen 4.1.3.2 en 5.16.1.2 wordt in overleg met de plaatselijke brandweer voorzien in brandblusmiddelen die aangepast zijn aan de lokale risico's.
Art. 5.16.8.7. Exploitatie van het aardgastankstation
Uitsluitend recipiënten die conform de vigerende wetgeving dienstig zijn als brandstoftank voor de aandrijfmotor van motorvoertuigen op aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas, mogen worden gevuld in het aardgastankstation.
In het aardgastankstation worden duidelijke instructies met pictogrammen, inbegrepen de aanduiding dat de tankzuil alleen bestemd is voor de bevoorrading van geschikte voertuigen op aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas, goed zichtbaar opgehangen voor de verbruiker.
Een voertuig wordt pas bevoorraad als zijn motor stilgelegd is. De bepalingen van deze paragraaf worden duidelijk zichtbaar opgehangen.
De exploitant voorziet in een noodplan dat wordt afgestemd met de gemeentelijke veiligheidscel. Op het aardgasstation worden duidelijk de instructies van het noodplan voor de gebruiker opgehangen.
Art. 5.16.8.8. Controles
Het aardgastankstation mag niet in dienst genomen worden voor de exploitant in het bezit is van een attest dat afgeleverd is door een erkende milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, vermeld in artikel 6, 1°, a), van het VLAREL, waaruit op ondubbelzinnige wijze blijkt dat het aardgastankstation voldoet aan de voorschriften van dit hoofdstuk. De erkende milieudeskundige stelt het attest op aan de hand van onderzoeken die hij zelf uitvoert, of op basis van attesten die door andere erkende milieudeskundigen opgesteld zijn en die de exploitant kan voorleggen.
Het aardgastankstation wordt overeenkomstig artikel 5.16.1.8, § 2, periodiek onderzocht door een erkende milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, vermeld in artikel 6, 1°, a), van het VLAREL.
In geval van een onbemand station wordt minstens wekelijks een visuele inspectie uitgevoerd door de exploitant of zijn aangestelde.
Om de twaalf maanden worden de verdeelslangen onderworpen aan een druktest bij een druk van minimaal 375 bar door een milieudeskundige erkend in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen. De verdeelslangen worden daarvoor van de verdeelzuil verwijderd en mogen alleen opnieuw in dienst genomen worden als bij die beproeving geen gebreken optreden.
Onverminderd de overige bepalingen aangaande de periodieke onderzoeken opgenomen in hoofdstuk 5.16, wordt het aardgastankstation onderworpen aan het keuringsschema zoals opgenomen in bijlage 5.16.7. De drooginstallaties worden jaarlijks aan een controle onderworpen door de exploitant of zijn aangestelde.
Van de controles en keuringen, vermeld in het eerste tot en met zesde lid, wordt door de vermelde uitvoerder van de keuring een attest opgesteld. De exploitant houdt die attesten ter beschikking van de toezichthoudende overheid.
Art. 5.16.8.9. Overgangsbepalingen
Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen van deze afdeling vanaf 1 januari 2015. ".
" Afdeling 5.16.8. - Inrichtingen voor de bevoorrading van motorvoertuigen met aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas, andere dan deze vermeld in afdeling 5.16.7
Art. 5.16.8.1. Deze afdeling is van toepassing op inrichtingen, ingedeeld in rubriek 16.9.d van de indelingslijst.
Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, geldt deze afdeling ook voor de aardgastankstations die niet voor publiek toegankelijk zijn.
Art. 5.16.8.2. § 1. Het aardgastankstation wordt geconstrueerd overeenkomstig een code van goede praktijk, in overleg met een erkende milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, vermeld in artikel 6, 1°, a), van het VLAREL. Voor de constructie van het aardgastankstation mag alleen gebruikgemaakt worden van producten en onderdelen die voldoen aan de toepasselijke codes van goede praktijk.
§ 2. Het aardgastankstation wordt alleen bevoorraad vanuit het openbaar aardgasleidingnet of een leidingnet voor tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas.
§ 3. De exploitant treft de nodige maatregelen om schade aan de compressor en de aardgasopslag door aanrijding of vandalisme te voorkomen. De compressor en de aardgasopslag zijn ontoegankelijk voor onbevoegden.
§ 4. De in openlucht opgestelde installatieonderdelen zijn op doelmatige wijze beschermd tegen de schadelijke gevolgen van weersinvloeden.
§ 5. Als de compressor of aardgasopslag geplaatst is in een gesloten lokaal, is :
1° het lokaal uitsluitend voor dat doel bestemd;
2° het lokaal zo ingericht dat er geen ophoping van gas kan ontstaan;
3° het lokaal doeltreffend en voldoende geventileerd;
4° het lokaal uitgerust met een doeltreffende installatie die zowel bij gasdetectie als bij branddetectie in het lokaal het aardgasstation stillegt;
5° het lokaal volledig opgebouwd uit daartoe geschikte materialen inzake brandveiligheid en scherfwerking;
6° tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, het lokaal voorzien van doelmatige explosieluiken of is de bovenzijde of zijwand van het lokaal uitgevoerd als zwakke wand, waarbij deze gericht zijn in een richting waar er geen personen te verwachten zijn, zodat de gevolgen van een interne explosie worden beperkt.
§ 6. De elektromagnetische afsluiters van het aardgastankstation zijn zo uitgevoerd dat ze bij het wegvallen van de elektrische voeding automatisch de veilige positie innemen.
§ 7. De exploitant stelt een zoneringsplan op. De elektrische installatie wordt uitgevoerd volgens de bepalingen van het AREI en het zoneringsplan.
Binnen een gezoneerd gebied is :
1° het verboden te roken;
2° de aanwezigheid van open vuur verboden;
3° de aanwezigheid van voorwerpen met een oppervlaktetemperatuur van meer dan 300° C (573 K) verboden;
4° de aanwezigheid van verbrandingsmotoren, machines en andere toestellen verboden, tenzij de uitvoering van deze apparaten voldoet aan de Europese wetgeving voor toepassing in explosieve gebieden en geschikt is voor de desbetreffende zone.
Tijdelijk werken met deze apparaten is toegestaan als de gebruiker specifieke regels volgt volgens ATEX 137.
De verboden worden door middel van genormeerde veiligheidssignalering aangegeven.
De exploitant voorziet één of meer schakelaars in het niet-gevaarlijke gebied, die de elektrische installatie binnen het explosiegevaarlijke gebied in alle polen en fasen tegelijkertijd kan uitschakelen.
Art. 5.16.8.3. De vulplaats
De vulplaats, dat is de plaats om het voertuig te stationeren tijdens de bevoorrading, bevindt zich volledig op het terrein van de inrichting.
De vulplaats bevindt zich in openlucht. De eventuele overkapping ervan is zo uitgevoerd dat ophoping van het afgeleverde gas niet mogelijk is.
De vulplaats is voldoende verlicht.
Art. 5.16.8.4. De tankzuil
§ 1. De tankzuil wordt :
1° voldoende stevig verankerd, zodat de losbreekkoppeling van de verdeelslang kan werken;
2° voldoende beschermd tegen aanrijding;
3° doeltreffend geventileerd;
4° voorzien van een debietbegrenzer die de aardgasstroom automatisch onderbreekt in geval van breuk van de verdeelslang;
5° voorzien van een beveiliging die de gastoevoer onderbreekt, mocht de tankzuil uit positie gebracht worden door externe invloeden.
§ 2. De tankzuil is uitgerust met :
1° een drukknop of een gelijkwaardig systeem, die zodanig is ingericht dat de aflevering van het gas alleen kan plaatsvinden door het met de hand indrukken van deze knop. Bij het wegvallen van de druk op de knop stopt de aflevering van het gas automatisch en onmiddellijk, of
2° met een start- en stopknop. De startknop start de vulcyclus; de stopknop beëindigt onmiddellijk de vulcyclus.
§ 3. De tankzuil is uitgerust met een totaal afleversysteem, dat op basis van een continue massameting, continue druk- en temperatuurmeting tijdens het tanken de afleverhoeveelheid voor de ontvangende voertuigtanks automatisch berekent en regelt. Bij het bereiken van de door de maximale vulhoeveelheid regeling berekende tankhoeveelheid, wordt de vulcyclus beëindigd. De volgende beveiligingen worden door de regeling geactiveerd :
1° noodstop afschakeling bij slangbreuk (te hoge flow);
2° noodstop afschakeling bij te hoge drukval;
3° noodstop afschakeling bij te hoge flow naar voertuig (instelbaar);
4° overschrijden van de tanktijd (instelbaar);
5° noodstop afschakeling op grond van een signaal van de drukmeting.
Op de tankzuil is daarenboven een onafhankelijk werkende overdrukbeveiliging aangebracht, die zodanig is afgesteld dat de verdeeldruk aan het motorvoertuig niet meer bedraagt dan :
1° 250 bar voor installaties met temperatuurcompensatie;
2° 210 bar voor installaties zonder temperatuurcompensatie.
§ 4. De tankzuil van een onbemand aardgastankstation is uitgerust met een temperatuurgevoelig element, dat bij stijging van de temperatuur boven de 343K (70° C) binnenin de tankzuil, alle spanningsvoerende delen van de tankzuil definitief buiten werking stelt en de gastoevoer afsluit.
§ 5. De tankzuil is zodanig opgevat dat de verdeelslang niet kan afslijten of geen knikken kan vertonen. Er wordt ook voorkomen dat de verdeelslang op de grond ligt.
§ 6. De tankzuil is uitgerust met een verdeelslang die :
1° een losbreekkoppeling heeft;
2° niet langer is dan 5 m en waarvan het buigzame deel bestaat uit één stuk;
3° een barstdruk heeft van minimaal 800 bar;
4° indien noodzakelijk voorzien is van een corrosiebestendige bewapening;
5° uitgerust is met een vulpistool dat :
a) pas na het aankoppelen aan de vulaansluiting van het motorvoertuig geopend kan worden;
b) bij het loskoppelen onmiddellijk en automatisch sluit;
c) alleen ontkoppeld kan worden als de overdruk in de koppeling volledig gereduceerd is. Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, wordt het gas daarvoor automatisch afgelaten naar een aflaatreservoir om het bij een volgende tankbeurt te recupereren. Het aflaatreservoir wordt op onderdruk gebracht voor het tanken start. Als de elektrische voeding uitvalt, wordt het gas automatisch afgelaten naar het aflaatreservoir, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning.
Art. 5.16.8.5. Afstandsregels
§ 1. Tussen enerzijds de compressor en de tankzuil en anderzijds de openbare weg en de naburige eigendommen, geldt een minimale afstand, gemeten in horizontale projectie, van ten minste 3 m.
§ 2. De compressor en de tankzuil liggen op minimaal 3 m van alle vensters, deuren, en alle andere openingen van lokalen die bestemd zijn als werkhuis, kantoor, magazijn of woning, alsook van iedere plaats die niet onderworpen is aan het openvuurverbod.
§ 3. De minimale afstand tussen de tankzuil enerzijds en de compressor en aardgasopslag anderzijds bedraagt 1,5 m, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning.
§ 4. Tussen de compressor en aardgasopslag enerzijds, en de vulpunten, de mondingen van de ontluchtingsleidingen, de tankzuilen, de bovengrondse houders voor vloeibare motorbrandstoffen en lpg en de vulplaatsen voor lpg anderzijds, geldt onverminderd de bepalingen van artikel 5.16.6.3 een minimale afstand van 5 m.
§ 5. De in paragraaf 1 tot en met 4 vermelde minimale veiligheidsafstanden mogen verminderd worden tot minimaal 1 m door de constructie van een voorziening met een brandwerendheid van ten minste 60 minuten bepaald in overeenstemming met NBN-EN 13501 op voorwaarde dat de horizontaal omheen de voorziening gemeten afstand tussen de beschouwde installaties en de aangegeven elementen gelijk is aan of meer bedraagt dan de in deze paragrafen voorgeschreven minimale veiligheidsafstanden. De voorziening, die bestaat uit een muur, wand, scherm of behuizing, moet in ieder geval de hoogte van de beschouwde installaties hebben met een minimum hoogte van 2 m en moet minstens langs de hele lengte van deze installaties gelegen zijn.
De gevaarlijke zone volgens het zoneringsplan mag niet voorbij de bedoelde voorziening reiken.
§ 6. Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, gelden voor aardgastankstations de strengste van de volgende afstandsregels tussen enerzijds :
1° de meest nabijgelegen bestaande of potentiële woning, die niet behoort tot de te vergunnen inrichting;
2° andere gebouwen dan woningen die niet behoren tot de te vergunnen inrichting, met regelmatige bezetting door mensen;
3° kwetsbare locaties,
en anderzijds :
1° de compressor : 10 m;
2° de aardgasopslag met een waterinhoudsvermogen van :
a) minder dan 3 000 l : 10 m;
b) 3 000 l tot en met 5 000 l : 15 m;
c) 5 000 l tot en met 10 000 l : 20 m;
3° de tankzuil : 15 m.
§ 7. Voor aardgastankstations met een aardgasopslag met een waterinhoudsvermogen van meer dan 10.000 l gelden voor de bij de milieuvergunningsaanvraag gevoegde individuele veiligheidsstudie, uitgevoerd door een erkende VR-deskundige, vermeld in artikel 6, 1°, e), van het VLAREL, de volgende risicocriteria :
1° de plaatsgebonden risicocontour van 10-5 overschrijdt de grenzen van de inrichting niet;
2° de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 overschrijdt geen bestaande of potentiële woning, niet behorend tot de te vergunnen inrichting of geen gebouwen andere dan woningen, niet behorend tot de te vergunnen inrichting, met regelmatige bezetting door mensen;
3° de plaatsgebonden risicocontour van 10-7 overschrijdt geen kwetsbare locaties;
4° het groepsrisico is aanvaardbaar.
Art. 5.16.8.6. Veiligheidsvoorzieningen
§ 1. In de gastoevoerleiding naar de compressor is op een afstand van minimaal 10 m van de compressor een handbediende afsluiter aangebracht. De plaats van de afsluiter wordt duidelijk aangegeven. De afsluiter is goed bereikbaar en wordt doeltreffend beschermd tegen gevaar van beschadiging door het verkeer.
§ 2. De installatie wordt zo uitgevoerd dat het binnendringen van lucht in gasvoerende delen niet mogelijk is. Aan de compressor is een voorziening aangebracht die de compressor uitschakelt zodra de druk aan de zuigzijde daalt beneden 50% van de door de fabrikant voorgeschreven druk.
Deze bepaling is van toepassing voor de bevoorrading van de compressorinstallatie vanuit een aardgas- of tot aardgas opgewaardeerd biogasnetwerk met zeer lage druk (<100 mbar).
§ 3. Het aardgastankstation wordt uitgerust met overdrukbeveiligingen op de installatieonderdelen waarin een gasdruk kan ontstaan die hoger is dan de maximale bedrijfsdruk. Daarvoor wordt gebruikgemaakt van een afblaasveiligheid met een gecontroleerde en veilige afvoer van het gecomprimeerde gas. De gecontroleerde afvoer is met behoud van de toepassing van artikel 5.16.1.4 verticaal naar omhoog gericht.
De compressor is uitgerust met een pressostaat die het volledig aardgastankstation stillegt en de overdruk afvoert.
§ 4. Indien de compressor niet is uitgerust met een terugstroombeveiliging, is de toevoerleiding van het gas naar het tankstation voorzien van een elektromagnetische afsluiter die alleen geopend is als de compressor in werking is.
§ 5. Indien in het aardgastankstation condensatie van het gas zich kan voordoen, is het aardgastankstation uitgerust met drooginstallaties voor het gas zodat het dauwpunt van het water in het gas voldoende laag is om condensatie te vermijden.
§ 6. Het aardgastankstation is uitgerust met minimaal twee noodstopknoppen in de nabijheid van de tankzuil in de twee voor de hand liggende vluchtrichtingen. De noodstopknoppen zijn voldoende zichtbaar en zodanig opgesteld dat ze altijd goed bereikbaar zijn.
De noodstop zorgt ervoor dat het aardgastankstation op een veilige wijze tot stilstand komt, waarbij de gastoevoer automatisch wordt afgesloten. Als er in de inrichting ook andere brandstofverdeelinstallaties aanwezig zijn, legt de noodstop ook die brandstofverdeelinstallaties stil.
§ 7. Als de elektrische voedingsspanning wegvalt, komt de installatie automatisch in een veilige toestand waarbij de elektromagnetische afsluiters op de gastoevoer automatisch worden gesloten. In voorkomend geval stopt de tankbeurt die aan de gang is en wordt, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, het gas in de verdeelslang afgelaten naar het aflaatreservoir. Als de spanning weer opkomt, blijft het station in de veilige positie en wordt het niet automatisch opnieuw opgestart.
§ 8. De exploitant of zijn aangestelde wordt bij gebruik van een noodstop, technische alarmen in de installatie of het automatisch stilleggen van de installatie door een beveiligingssysteem onmiddellijk en automatisch op de hoogte gebracht.
§ 9. Als het aardgastankstation via een noodstop of beveiliging in een veilige toestand komt, verloopt de opstart overeenkomstig een procedure, die voor de in dienst name van het aardgastankstation of bij grote veranderingen aan het aardgastankstation is goedgekeurd is door een erkende milieudeskundige, in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, vermeld in artikel 6, 1°, a), van het VLAREL.
§ 10. Met behoud van de toepassing van artikelen 4.1.3.2 en 5.16.1.2 wordt in overleg met de plaatselijke brandweer voorzien in brandblusmiddelen die aangepast zijn aan de lokale risico's.
Art. 5.16.8.7. Exploitatie van het aardgastankstation
Uitsluitend recipiënten die conform de vigerende wetgeving dienstig zijn als brandstoftank voor de aandrijfmotor van motorvoertuigen op aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas, mogen worden gevuld in het aardgastankstation.
In het aardgastankstation worden duidelijke instructies met pictogrammen, inbegrepen de aanduiding dat de tankzuil alleen bestemd is voor de bevoorrading van geschikte voertuigen op aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas, goed zichtbaar opgehangen voor de verbruiker.
Een voertuig wordt pas bevoorraad als zijn motor stilgelegd is. De bepalingen van deze paragraaf worden duidelijk zichtbaar opgehangen.
De exploitant voorziet in een noodplan dat wordt afgestemd met de gemeentelijke veiligheidscel. Op het aardgasstation worden duidelijk de instructies van het noodplan voor de gebruiker opgehangen.
Art. 5.16.8.8. Controles
Het aardgastankstation mag niet in dienst genomen worden voor de exploitant in het bezit is van een attest dat afgeleverd is door een erkende milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, vermeld in artikel 6, 1°, a), van het VLAREL, waaruit op ondubbelzinnige wijze blijkt dat het aardgastankstation voldoet aan de voorschriften van dit hoofdstuk. De erkende milieudeskundige stelt het attest op aan de hand van onderzoeken die hij zelf uitvoert, of op basis van attesten die door andere erkende milieudeskundigen opgesteld zijn en die de exploitant kan voorleggen.
Het aardgastankstation wordt overeenkomstig artikel 5.16.1.8, § 2, periodiek onderzocht door een erkende milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, vermeld in artikel 6, 1°, a), van het VLAREL.
In geval van een onbemand station wordt minstens wekelijks een visuele inspectie uitgevoerd door de exploitant of zijn aangestelde.
Om de twaalf maanden worden de verdeelslangen onderworpen aan een druktest bij een druk van minimaal 375 bar door een milieudeskundige erkend in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen. De verdeelslangen worden daarvoor van de verdeelzuil verwijderd en mogen alleen opnieuw in dienst genomen worden als bij die beproeving geen gebreken optreden.
Onverminderd de overige bepalingen aangaande de periodieke onderzoeken opgenomen in hoofdstuk 5.16, wordt het aardgastankstation onderworpen aan het keuringsschema zoals opgenomen in bijlage 5.16.7. De drooginstallaties worden jaarlijks aan een controle onderworpen door de exploitant of zijn aangestelde.
Van de controles en keuringen, vermeld in het eerste tot en met zesde lid, wordt door de vermelde uitvoerder van de keuring een attest opgesteld. De exploitant houdt die attesten ter beschikking van de toezichthoudende overheid.
Art. 5.16.8.9. Overgangsbepalingen
Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen van deze afdeling vanaf 1 januari 2015. ".
Art. 87. Le chapitre 5.16 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 septembre 2008 et 20 novembre 2009, est complété par une section 5.16.8 comprenant les articles 5.16.8.1 à 5.16.8.9 inclus, rédigée comme suit :
" Section 5.16.8. Etablissements pour l'approvisionnement de véhicules motorisés en gaz naturel ou en bio-gaz mis au niveau de la qualité du gaz naturel, autres que ceux visés à la section 5.16.7
Art. 5.16.8.1. La présente sous-section s'applique aux établissements, visés à la rubrique 16.9. d de la liste de classification.
Sauf autrement mentionné dans l'autorisation écologique, la présente section s'applique également aux stations de gaz naturel qui ne sont pas accessibles au public.
Art. 5.16.8.2. § 1er. La station de gaz est construite conformément à un code de bonnes pratiques, en concertation avec un expert environnemental agréé dans la discipline des récipients de gaz ou de substances dangereuses, mentionnées à l'article 6, 1 ° a) du VLAREL. Pour la construction de la station de gaz naturel, seuls les produits et composants qui répondent aux codes de bonnes pratiques applicables peuvent être utilisés.
§ 2. La station de gaz naturel n'est approvisionnée qu'à partir du réseau public de gaz naturel ou à partir d'un réseau de bio-gaz mis au niveau de la qualité du gaz naturel.
§ 3. L'exploitant prend les mesures nécessaires afin d'éviter les dommages au compresseur et au stockage du gaz naturel causés par une collision ou du vandalisme. le compresseur et le stockage de gaz naturel sont inaccessibles aux personnes non-autorisées.
§ 4. Les parties de l'installation disposées en plein air sont efficacement protégés contre les effets néfastes des conditions atmosphériques.
§ 5. Si le compresseur ou le stockage du gaz naturel se situe dans un local clos :
1° ce local est uniquement affecté à cet effet;
2° ce local est aménagé de sorte qu'aucune concentration de gaz ne puisse se produire;
3° ce local est efficacement et suffisamment ventilé;
4° ce local est équipé d'une installation efficace qui arrête le fonctionnement de la station de gaz naturel tant en cas de détection de gaz que de détection d'incendie;
5° ce local est entièrement construit à l'aide matériaux adaptés à cet effet, notamment en matière de sécurité incendie et de projection d'éclats;
6° sauf si autrement mentionné dans l'autorisation écologique, ce local est équipé de volets anti-explosion efficace ou le dessus ou les parois de ce local sont construits comme paroi faible, lesquelles sont orientées vers une direction ou la présence de personnes n'est pas envisagée, de sorte que les conséquences d'une explosion interne puissent être limitées.
§ 6. Les obturateurs électromagnétiques de la station de gaz naturel sont construits de sorte qu'en cas de panne d'électricité, ils se mettent automatiquement en position de sécurité.
§ 7. L'exploitant établit un plan de zoning. l'installation électrique est exécutée suivant les dispositions du RGIE et du plan de zoning.
A l'intérieur d'un zoning :
1° il est interdit de fumer;
2° la présence d'un feu ouvert est interdite;
3° la présence d'objets ayant une température de surface de plus de 300° C (573 K) est interdite;
4° la présence de moteurs à combustion, de machines et d'autres appareils est interdite, sauf si la construction de ces appareils répondent à la législation européenne pour l'application dans des zones explosives sont adaptés à la zone concernée.
Le travail temporaire avec ces appareils est autorisé si l'utilisateur respecte les règles spécifiques suivant ATEX 137.
Les interdictions sont signalées à l'aide d'une signalisation de sécurité normée.
L'exploitant prévoit un oui plusieurs interrupteurs dans la zone non dangereuse, permettant de couper l'installation électrique simultanément à toutes les polarités et phases dans la zone à risque d'explosion.
Art. 5.16.8.3. L'aire de remplissage
L'air de remplissage est l'aire où le véhicule doit être stationné pendant le remplissage et se trouve entièrement sur le terrain de l'établissement.
L'air de remplissage se trouve en plein air. Une toiture éventuelle est conçue de sorte qu'une concentration du gaz délivré ne puisse pas se produire.
L'aire est suffisamment éclairée.
Art. 5.16.8.4. Le distributeur de gaz
§ 1er. Le distributeur de gaz :
1° est suffisamment ancré de sorte que le raccordement de rupture du tuyau de distribution reste fonctionnel;
2° est suffisamment protégé contre les collisions avec des véhicules;
3° est efficacement ventilé;
4° est équipé d'un limiteur de débit qui interrompt automatiquement le flux de gaz naturel en cas de rupture du tuyau de distribution;
5° est équipé d'une sécurité interrompant l'adduction du gaz au cas où le distributeur serait porté hors position à cause d'effets externes.
§ 2. Le distributeur de gaz est équipé :
1° d'un bouton de pression ou un système équivalent qui est installé de sorte que la fourniture du gaz ne puisse avoir lieu qu'en poussant manuellement ce bouton. Lorsque la pression sur le bouton est éliminée, la fourniture du gaz s'arrête automatiquement et immédiatement, ou
2° d'un bouton marche/arrêt. Le bouton de marche démarre le cycle de remplissage; le bouton d'arrêt termine immédiatement le cycle de remplissage.
§ 3. Le distributeur est équipé d'un système de fourniture total qui calcule et règle automatiquement la quantité délivrée au réservoirs récepteurs des véhicules sur la base d'un mesurage continu de la masse, de la pression et de la température pendant le remplissage. Lorsque la quantité de remplissage maximale calculée par le dispositif de réglage est atteinte, le cycle de remplissage est terminé. Les sécurités suivantes sont activées par le dispositif de réglage :
1° arrêt d'urgence en cas de rupture du tuyau (flux excessif);
2° arrêt d'urgence en cas d'importante perte de pression;
3° arrêt d'urgence en cas de flux de gaz excessif vers le véhicule (réglable);
4° dépassement de la durée de remplissage du réservoir (réglable);
5° arrêt d'urgence sur la base d'un signal du manomètre.
Une sécurité de surpression fonctionnant indépendamment est en outre installée sur le distributeur qui est réglée de sorte que la pression de distribution au véhicule motorisé n'est pas supérieure à :
1° 250 bar pour les installations avec compensation de la température;
2° 210 bar pour les installations asans compensation de la température;
§ 4. Le distributeur d'une station de gaz naturel automatique est équipé d'un élément sensible à la température qui, en cas de hausse de la température au-dessus 343K (70° C) à l'intérieur du distributeur, débranche définitivement tous les éléments sous tension électrique et coupe l'adduction du gaz.
§ 5. Le distributeur est conçu de sorte que le tuyau de distribution ne puisse pas s'user ou former des plis. Il faut également éviter que le tuyau de distribution se retrouve par terre.
§ 6. Le distributeur est équipé d'un tuyau de distribution qui :
1° à un raccordement de rupture;
2° n'est pas plus long que 5 m et dont la partie flexible forme une seule pièce;
3° à une résistance à la fissure de 800 bar;
4° si nécessaire, est équipé d'une armature résistant à la corrosion;
5° est équipé d'un pistolet de remplissage qui :
a) ne peut être ouvert qu'après raccordement à la bouche de remplissage du véhicule motorisé;
b) se ferme automatiquement au moment du découplage;
c) ne peut être découplé que si la surpression dans le raccordement est entièrement réduite. Sauf dispositions contraries dans l'autorisation écologique, le gaz est auparavant automatiquement évacué vers un réservoir de purge afin de le récupérer pendant le prochain cycle de remplissage. Le réservoir de purge est mis sous pression avant le début du cycle de remplissage. Si l'alimentation électrique cesse, le gaz est automatiquement dévié vers le réservoir de purge, sauf dispositions contraries dans l'autorisation écologique.
Art. 5.16.8.5. Règles de distance
§ 1er. Entre d'une part le compresseur et le distributeur de gaz et, d'autre part, la voie publique et les propriété avoisinantes, une distance minimale d'au moins 3 m, mesurée en projection horizontale, est appliquée.
§ 2. Le compresseur et le distributeur de gaz se situent à au moins 3 m de toutes les fenêtres, portes et de toute autre ouverture de locaux qui sont des ateliers, bureaux, magasins ou habitations, ainsi de toute autre lieu qui n'est pas soumis à l'obligation de l'interdiction de feu ouvert.
§ 3. La distance minimale entre le distributeur d'une part et le compresseur et le stockage d'autre par, est d'1,5 m, sauf dispositions contraries dans l'autorisation écologique.
§ 4. Entre le compresseur et le stockage de gaz naturel d'une part, et les points de remplissage, bouches des conduites de ventilation, distributeurs, récipients en surface pour carburants liquides pour moteurs et GPL et les aires de remplissage de GPL d'autre part, un distance minimale de 5m s'applique sans préjudice des dispositions de l'article 5.16.6.3.
§ 5. Les distances de sécurité minimales mentionnées dans les paragraphes 1er à 4 inclus, peuvent être réduites à 1 m au minimum par la construction d'un dispositif ayant une résistance au feu d'au moins 60 minutes conformément aux NBN-EN 13501, à condition que la distance, mesurée horizontalement autour de ce dispositif, entre les installations considérées et les éléments indiqués est égale ou supérieure aux distances de sécurité prescrites dans les présents paragraphes. Le dispositif qui consiste d'un mur, d'une paroi, d'un écran ou d'une enveloppe, doit au moins avoir la même hauteur que les installations considérées avec une hauteur minimale de 2 m et doit au moins être situé le long de toute la longueur de ces installations.
La zone dangereuse suivant le plan de zoning ne peut pas dépasser le dispositif précité.
§ 6. Sauf dispositions contraires dans l'autorisation écologique, les stations de gaz naturels sont régies par les plus strictes règles de distance entre d'une part :
1° l'habitation existante ou potentielle la plus proche qui n'appartient à l'établissement à autoriser;
2° des bâtiments autres que les habitations, qui n'appartiennent à l'établissement à autoriser et qui sont régulièrement occupées par des personnes;
3° sites vulnérables,
et d'autre part :
1° le compresseur : 10 m3;
2° le stockage de gaz naturel avec une contenance d'eau de :
a) moins de 3 000 l : 10 m3;
b) 3 000 l à 5 000 l compris; 15 m3;
c) 5 000 l à 10 000 l compris; 20 m3;
3° le distributeur de gaz : 15 m.
§ 7. Les stations de gaz naturels avec une capacité de stockage de gaz naturel de plus de 10 000 l, sont régies, en ce qui concerne l'étude de sécurité individuelle jointe à la demande d'autorisation écologique, effectuée par un expert VR, visé à l'article 6, 1°, e), du VLAREL, les critères de risque suivants :
1° le périmètre de risque lié au site de 10-5 ne dépasse pas les limites de l'établissement;
2° le périmètre de risque lié au site de 10-6 ne dépasse pas l'habitation existante ou potentielle qui n'appartient pas à l'établissement à autoriser, ou des bâtiments autres que les habitations qui n'appartiennent pas à l'établissement à autoriser, et qui sont régulièrement occupées par des personnes;
3° le périmètre de risque lié au site de 10-7 ne dépasse pas les sites vulnérables;
4° le groupe à risque est acceptable.
Art. 5.16.8.6. Equipements de sécurité
§ 1er. Un obturateur à commande manuelle est installé dans la conduite d'adduction de gaz vers le compresseur à une distance d'au moins 10 m. L'emplacement de l'obturateur est clairement indiqué. L'obturateur est facilement atteignable et est efficacement protégé contre les dégâts causés par la circulation.
§ 2. L'installation est aménagée de sorte à ce que la la pénétration d'air dans les parties contenant du gaz est impossible. Le compresseur est équipé d'un dispositif qui coupe le compresseur dès que la pression côté aspiration descend en-dessus de 50 % de la pression prescrite par le fabricant.
Cette disposition s'applique à l'approvisionnement de l'installation du compresseur à partir d'un réseau de gaz naturel ou de bio-gaz mis au niveau du gaz naturel à très basse pression (< 100 mbar).
§ 3. La station de gaz naturel est équipée de sécurités de surpression sur les éléments de l'installation dans lesquels peut se produire une pression de gaz qui est supérieure à la pression normale de fonctionnement. A cet effet, il est fait usage d'une sécurité de purge assurant une évacuation contrôlée et sûre du gaz comprimé. Avec maintien de l'application de l'article 5.16.1.4, l'évacuation contrôlée est verticalement dirigée vers le haut.
Le compresseur est équipé d'un pressiostat arrêtant l'entière station de gaz naturel et évacuant la surpression.
§ 4. Si le compresseur n'est pas équipé d'une sécurité de retour, la conduite d'adduction du gaz vers la station de gaz est équipée d'un obturateur électromagnétique qui est uniquement ouvert si le compresseur fonctionne.
§ 5. Si une condensation du gaz peut se produire dans la station de gaz, cette dernière est équipée d'installations d'assèchement du gaz de sorte que le point de rosée de l'eau présente dans le gaz soit suffisamment bas pour éviter la condensation.
§ 6. La station de gaz est équipée d'au moins deux boutons d'arrêt d'urgence à proximité du distributeur dans les deux directions de fuite évidentes. Les boutons d'arrêt d'urgence sont suffisamment visibles et disposés de sorte qu'ils soit à tout moment bien accessibles.
Le bouton d'arrêt d'urgence garantit que la station de gaz est mise hors service en toute sécurité, tout en automatiquement coupant l'adduction du gaz. S'il y a d'autres installations de distribution de carburant dans l'établissement, ces dernières sont également arrêtées par le bouton d'arrêt d'urgence.
§ 7. Si la tension électrique d'alimentation est coupée, l'installation se met automatiquement en un état sûr tout en fermant les obturateurs électromagnétiques et l'adduction du gaz. Le cas échéant, un cycle de remplissage en cours est arrêté et, Sauf dispositions contraires dans l'autorisation écologique, le gaz se trouvant dans le tuyau de distribution est évacué vers le réservoir de purge. Si la tension est à nouveau présente, la station de gaz reste en état sécurisé et n'est pas automatiquement remise en marche.
" § 8. L'exploitant ou son préposé sont automatiquement et immédiatement informés de l'utilisation d'un arrêt d'urgence, d'alarmes techniques dans l'installation ou de l'arrêt automatique de l'installation par un système de sécurité.
§ 9. Si la station est mise dans un état sécurisé par un arrêt d'urgence ou par un dispositif de sécurité, la mise en marche se déroule conformément à une procédure qui est approuvée pour la mise en service de la station de gaz naturel ou en cas de majeures modifications à la station de gaz naturel par un expert environnemental agréé dans la discipline récipients pour gaz ou substances dangereuses, visés à l'article 6, 1°, a), du VLAREL.
§ 10. Avec maintien de l'application des articles 4.1.3.2 et 5.16.1.2, des moyens d'extinction adaptés aux risques locaux sont prévus en concertation avec le service d'incendie local.
Art. 5.16.8.7. Exploitation de la station de gaz naturel
Seuls les récipients utilisés conformément à la législation en vigueur comme réservoirs de carburant pour le moteur de traction de véhicules motorisés fonctionnant au gaz naturel ou au bio-gaz mis au niveau du gaz naturel, peuvent être remplis dans la station de gaz.
Des instructions claires comprenant des pictogrammes, y compris ceux qui indiquent que le distributeur est uniquement destiné à approvisionner des véhicules adaptés au gaz naturel ou au bio-gaz mis au niveau du gaz nature, sont affichées de façon bien visible pour l'utilisateur.
Un véhicule n'est approvisionné que si son moteur est arrêté. Les dispositions du présent paragraphe sont visiblement affichées.
L'exploitant prévoit un plan de secours en concertation avec la cellule de sécurité communale. Les instruction de plan de secours pour l'utilisateur sont clairement affichées à la station de gaz naturel.
Art. 5.16.8.8. Contrôles
La station de gaz naturel ne peut pas être mise en service avant que l'exploitant n'est en possession d'une attestation qui est délivrée par un expert environnemental agréé dans la discipline récipients pour gaz ou substances dangereuses, visés à l'article 6, 1°, a), du VLAREL, dont il ressort sans équivoque que la station de gaz répond aux prescriptions du présent chapitre. L'expert environnemental agréé établit l'attestation à l'aide de contrôles qu'il effectue lui-même, ou sur la base d'attestations établies par d'autres experts environnementaux agréés et qui peuvent présentées par l'exploitant.
La station de gaz est périodiquement contrôlée conformément à l'article 5.16.1.8., § 2, par un expert environnemental agréé dans la discipline des récipients de gaz ou de substances dangereuses, mentionnées à l'article 6, 1 ° a) du VLAREL.
Dans le cas d'une station automatisée, une inspection visuelle est effectuée au moins une fois par semaine par l'exploitant ou son préposé.
Tous les douze mois, les tuyaux de distribution sont soumis à un essai de pression à une pression d'au moins 375 bar par un expert environnemental agréé dans la discipline des récipients de gaz ou de substances dangereuses.. A cet effet les tuyaux de distribution sont séparés des distributeurs et ne peuvent être remis en service que si lors de cet essai aucun défaut ne s'est produit
Sans préjudice des autres dispositions relatives au contrôles périodiques repris au chapitre 5.16, la station de gaz naturel est soumise à un schéma de contrôle tel que repris dans l'annexe 5.16.7. Les installations d'assèchement sont annuellement soumises à un contrôle par l'exploitant ou son préposé.
La personne effectuant les contrôles établit une attestation des contrôles et vérifications, mentionnés aux alinéa premier à six inclus. L'exploitant tient ces attestation à la disposition de l'autorité de tutelle.
Art. 5.16.8.9. Dispositions transitoires
En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations de la présente section, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
" Section 5.16.8. Etablissements pour l'approvisionnement de véhicules motorisés en gaz naturel ou en bio-gaz mis au niveau de la qualité du gaz naturel, autres que ceux visés à la section 5.16.7
Art. 5.16.8.1. La présente sous-section s'applique aux établissements, visés à la rubrique 16.9. d de la liste de classification.
Sauf autrement mentionné dans l'autorisation écologique, la présente section s'applique également aux stations de gaz naturel qui ne sont pas accessibles au public.
Art. 5.16.8.2. § 1er. La station de gaz est construite conformément à un code de bonnes pratiques, en concertation avec un expert environnemental agréé dans la discipline des récipients de gaz ou de substances dangereuses, mentionnées à l'article 6, 1 ° a) du VLAREL. Pour la construction de la station de gaz naturel, seuls les produits et composants qui répondent aux codes de bonnes pratiques applicables peuvent être utilisés.
§ 2. La station de gaz naturel n'est approvisionnée qu'à partir du réseau public de gaz naturel ou à partir d'un réseau de bio-gaz mis au niveau de la qualité du gaz naturel.
§ 3. L'exploitant prend les mesures nécessaires afin d'éviter les dommages au compresseur et au stockage du gaz naturel causés par une collision ou du vandalisme. le compresseur et le stockage de gaz naturel sont inaccessibles aux personnes non-autorisées.
§ 4. Les parties de l'installation disposées en plein air sont efficacement protégés contre les effets néfastes des conditions atmosphériques.
§ 5. Si le compresseur ou le stockage du gaz naturel se situe dans un local clos :
1° ce local est uniquement affecté à cet effet;
2° ce local est aménagé de sorte qu'aucune concentration de gaz ne puisse se produire;
3° ce local est efficacement et suffisamment ventilé;
4° ce local est équipé d'une installation efficace qui arrête le fonctionnement de la station de gaz naturel tant en cas de détection de gaz que de détection d'incendie;
5° ce local est entièrement construit à l'aide matériaux adaptés à cet effet, notamment en matière de sécurité incendie et de projection d'éclats;
6° sauf si autrement mentionné dans l'autorisation écologique, ce local est équipé de volets anti-explosion efficace ou le dessus ou les parois de ce local sont construits comme paroi faible, lesquelles sont orientées vers une direction ou la présence de personnes n'est pas envisagée, de sorte que les conséquences d'une explosion interne puissent être limitées.
§ 6. Les obturateurs électromagnétiques de la station de gaz naturel sont construits de sorte qu'en cas de panne d'électricité, ils se mettent automatiquement en position de sécurité.
§ 7. L'exploitant établit un plan de zoning. l'installation électrique est exécutée suivant les dispositions du RGIE et du plan de zoning.
A l'intérieur d'un zoning :
1° il est interdit de fumer;
2° la présence d'un feu ouvert est interdite;
3° la présence d'objets ayant une température de surface de plus de 300° C (573 K) est interdite;
4° la présence de moteurs à combustion, de machines et d'autres appareils est interdite, sauf si la construction de ces appareils répondent à la législation européenne pour l'application dans des zones explosives sont adaptés à la zone concernée.
Le travail temporaire avec ces appareils est autorisé si l'utilisateur respecte les règles spécifiques suivant ATEX 137.
Les interdictions sont signalées à l'aide d'une signalisation de sécurité normée.
L'exploitant prévoit un oui plusieurs interrupteurs dans la zone non dangereuse, permettant de couper l'installation électrique simultanément à toutes les polarités et phases dans la zone à risque d'explosion.
Art. 5.16.8.3. L'aire de remplissage
L'air de remplissage est l'aire où le véhicule doit être stationné pendant le remplissage et se trouve entièrement sur le terrain de l'établissement.
L'air de remplissage se trouve en plein air. Une toiture éventuelle est conçue de sorte qu'une concentration du gaz délivré ne puisse pas se produire.
L'aire est suffisamment éclairée.
Art. 5.16.8.4. Le distributeur de gaz
§ 1er. Le distributeur de gaz :
1° est suffisamment ancré de sorte que le raccordement de rupture du tuyau de distribution reste fonctionnel;
2° est suffisamment protégé contre les collisions avec des véhicules;
3° est efficacement ventilé;
4° est équipé d'un limiteur de débit qui interrompt automatiquement le flux de gaz naturel en cas de rupture du tuyau de distribution;
5° est équipé d'une sécurité interrompant l'adduction du gaz au cas où le distributeur serait porté hors position à cause d'effets externes.
§ 2. Le distributeur de gaz est équipé :
1° d'un bouton de pression ou un système équivalent qui est installé de sorte que la fourniture du gaz ne puisse avoir lieu qu'en poussant manuellement ce bouton. Lorsque la pression sur le bouton est éliminée, la fourniture du gaz s'arrête automatiquement et immédiatement, ou
2° d'un bouton marche/arrêt. Le bouton de marche démarre le cycle de remplissage; le bouton d'arrêt termine immédiatement le cycle de remplissage.
§ 3. Le distributeur est équipé d'un système de fourniture total qui calcule et règle automatiquement la quantité délivrée au réservoirs récepteurs des véhicules sur la base d'un mesurage continu de la masse, de la pression et de la température pendant le remplissage. Lorsque la quantité de remplissage maximale calculée par le dispositif de réglage est atteinte, le cycle de remplissage est terminé. Les sécurités suivantes sont activées par le dispositif de réglage :
1° arrêt d'urgence en cas de rupture du tuyau (flux excessif);
2° arrêt d'urgence en cas d'importante perte de pression;
3° arrêt d'urgence en cas de flux de gaz excessif vers le véhicule (réglable);
4° dépassement de la durée de remplissage du réservoir (réglable);
5° arrêt d'urgence sur la base d'un signal du manomètre.
Une sécurité de surpression fonctionnant indépendamment est en outre installée sur le distributeur qui est réglée de sorte que la pression de distribution au véhicule motorisé n'est pas supérieure à :
1° 250 bar pour les installations avec compensation de la température;
2° 210 bar pour les installations asans compensation de la température;
§ 4. Le distributeur d'une station de gaz naturel automatique est équipé d'un élément sensible à la température qui, en cas de hausse de la température au-dessus 343K (70° C) à l'intérieur du distributeur, débranche définitivement tous les éléments sous tension électrique et coupe l'adduction du gaz.
§ 5. Le distributeur est conçu de sorte que le tuyau de distribution ne puisse pas s'user ou former des plis. Il faut également éviter que le tuyau de distribution se retrouve par terre.
§ 6. Le distributeur est équipé d'un tuyau de distribution qui :
1° à un raccordement de rupture;
2° n'est pas plus long que 5 m et dont la partie flexible forme une seule pièce;
3° à une résistance à la fissure de 800 bar;
4° si nécessaire, est équipé d'une armature résistant à la corrosion;
5° est équipé d'un pistolet de remplissage qui :
a) ne peut être ouvert qu'après raccordement à la bouche de remplissage du véhicule motorisé;
b) se ferme automatiquement au moment du découplage;
c) ne peut être découplé que si la surpression dans le raccordement est entièrement réduite. Sauf dispositions contraries dans l'autorisation écologique, le gaz est auparavant automatiquement évacué vers un réservoir de purge afin de le récupérer pendant le prochain cycle de remplissage. Le réservoir de purge est mis sous pression avant le début du cycle de remplissage. Si l'alimentation électrique cesse, le gaz est automatiquement dévié vers le réservoir de purge, sauf dispositions contraries dans l'autorisation écologique.
Art. 5.16.8.5. Règles de distance
§ 1er. Entre d'une part le compresseur et le distributeur de gaz et, d'autre part, la voie publique et les propriété avoisinantes, une distance minimale d'au moins 3 m, mesurée en projection horizontale, est appliquée.
§ 2. Le compresseur et le distributeur de gaz se situent à au moins 3 m de toutes les fenêtres, portes et de toute autre ouverture de locaux qui sont des ateliers, bureaux, magasins ou habitations, ainsi de toute autre lieu qui n'est pas soumis à l'obligation de l'interdiction de feu ouvert.
§ 3. La distance minimale entre le distributeur d'une part et le compresseur et le stockage d'autre par, est d'1,5 m, sauf dispositions contraries dans l'autorisation écologique.
§ 4. Entre le compresseur et le stockage de gaz naturel d'une part, et les points de remplissage, bouches des conduites de ventilation, distributeurs, récipients en surface pour carburants liquides pour moteurs et GPL et les aires de remplissage de GPL d'autre part, un distance minimale de 5m s'applique sans préjudice des dispositions de l'article 5.16.6.3.
§ 5. Les distances de sécurité minimales mentionnées dans les paragraphes 1er à 4 inclus, peuvent être réduites à 1 m au minimum par la construction d'un dispositif ayant une résistance au feu d'au moins 60 minutes conformément aux NBN-EN 13501, à condition que la distance, mesurée horizontalement autour de ce dispositif, entre les installations considérées et les éléments indiqués est égale ou supérieure aux distances de sécurité prescrites dans les présents paragraphes. Le dispositif qui consiste d'un mur, d'une paroi, d'un écran ou d'une enveloppe, doit au moins avoir la même hauteur que les installations considérées avec une hauteur minimale de 2 m et doit au moins être situé le long de toute la longueur de ces installations.
La zone dangereuse suivant le plan de zoning ne peut pas dépasser le dispositif précité.
§ 6. Sauf dispositions contraires dans l'autorisation écologique, les stations de gaz naturels sont régies par les plus strictes règles de distance entre d'une part :
1° l'habitation existante ou potentielle la plus proche qui n'appartient à l'établissement à autoriser;
2° des bâtiments autres que les habitations, qui n'appartiennent à l'établissement à autoriser et qui sont régulièrement occupées par des personnes;
3° sites vulnérables,
et d'autre part :
1° le compresseur : 10 m3;
2° le stockage de gaz naturel avec une contenance d'eau de :
a) moins de 3 000 l : 10 m3;
b) 3 000 l à 5 000 l compris; 15 m3;
c) 5 000 l à 10 000 l compris; 20 m3;
3° le distributeur de gaz : 15 m.
§ 7. Les stations de gaz naturels avec une capacité de stockage de gaz naturel de plus de 10 000 l, sont régies, en ce qui concerne l'étude de sécurité individuelle jointe à la demande d'autorisation écologique, effectuée par un expert VR, visé à l'article 6, 1°, e), du VLAREL, les critères de risque suivants :
1° le périmètre de risque lié au site de 10-5 ne dépasse pas les limites de l'établissement;
2° le périmètre de risque lié au site de 10-6 ne dépasse pas l'habitation existante ou potentielle qui n'appartient pas à l'établissement à autoriser, ou des bâtiments autres que les habitations qui n'appartiennent pas à l'établissement à autoriser, et qui sont régulièrement occupées par des personnes;
3° le périmètre de risque lié au site de 10-7 ne dépasse pas les sites vulnérables;
4° le groupe à risque est acceptable.
Art. 5.16.8.6. Equipements de sécurité
§ 1er. Un obturateur à commande manuelle est installé dans la conduite d'adduction de gaz vers le compresseur à une distance d'au moins 10 m. L'emplacement de l'obturateur est clairement indiqué. L'obturateur est facilement atteignable et est efficacement protégé contre les dégâts causés par la circulation.
§ 2. L'installation est aménagée de sorte à ce que la la pénétration d'air dans les parties contenant du gaz est impossible. Le compresseur est équipé d'un dispositif qui coupe le compresseur dès que la pression côté aspiration descend en-dessus de 50 % de la pression prescrite par le fabricant.
Cette disposition s'applique à l'approvisionnement de l'installation du compresseur à partir d'un réseau de gaz naturel ou de bio-gaz mis au niveau du gaz naturel à très basse pression (< 100 mbar).
§ 3. La station de gaz naturel est équipée de sécurités de surpression sur les éléments de l'installation dans lesquels peut se produire une pression de gaz qui est supérieure à la pression normale de fonctionnement. A cet effet, il est fait usage d'une sécurité de purge assurant une évacuation contrôlée et sûre du gaz comprimé. Avec maintien de l'application de l'article 5.16.1.4, l'évacuation contrôlée est verticalement dirigée vers le haut.
Le compresseur est équipé d'un pressiostat arrêtant l'entière station de gaz naturel et évacuant la surpression.
§ 4. Si le compresseur n'est pas équipé d'une sécurité de retour, la conduite d'adduction du gaz vers la station de gaz est équipée d'un obturateur électromagnétique qui est uniquement ouvert si le compresseur fonctionne.
§ 5. Si une condensation du gaz peut se produire dans la station de gaz, cette dernière est équipée d'installations d'assèchement du gaz de sorte que le point de rosée de l'eau présente dans le gaz soit suffisamment bas pour éviter la condensation.
§ 6. La station de gaz est équipée d'au moins deux boutons d'arrêt d'urgence à proximité du distributeur dans les deux directions de fuite évidentes. Les boutons d'arrêt d'urgence sont suffisamment visibles et disposés de sorte qu'ils soit à tout moment bien accessibles.
Le bouton d'arrêt d'urgence garantit que la station de gaz est mise hors service en toute sécurité, tout en automatiquement coupant l'adduction du gaz. S'il y a d'autres installations de distribution de carburant dans l'établissement, ces dernières sont également arrêtées par le bouton d'arrêt d'urgence.
§ 7. Si la tension électrique d'alimentation est coupée, l'installation se met automatiquement en un état sûr tout en fermant les obturateurs électromagnétiques et l'adduction du gaz. Le cas échéant, un cycle de remplissage en cours est arrêté et, Sauf dispositions contraires dans l'autorisation écologique, le gaz se trouvant dans le tuyau de distribution est évacué vers le réservoir de purge. Si la tension est à nouveau présente, la station de gaz reste en état sécurisé et n'est pas automatiquement remise en marche.
" § 8. L'exploitant ou son préposé sont automatiquement et immédiatement informés de l'utilisation d'un arrêt d'urgence, d'alarmes techniques dans l'installation ou de l'arrêt automatique de l'installation par un système de sécurité.
§ 9. Si la station est mise dans un état sécurisé par un arrêt d'urgence ou par un dispositif de sécurité, la mise en marche se déroule conformément à une procédure qui est approuvée pour la mise en service de la station de gaz naturel ou en cas de majeures modifications à la station de gaz naturel par un expert environnemental agréé dans la discipline récipients pour gaz ou substances dangereuses, visés à l'article 6, 1°, a), du VLAREL.
§ 10. Avec maintien de l'application des articles 4.1.3.2 et 5.16.1.2, des moyens d'extinction adaptés aux risques locaux sont prévus en concertation avec le service d'incendie local.
Art. 5.16.8.7. Exploitation de la station de gaz naturel
Seuls les récipients utilisés conformément à la législation en vigueur comme réservoirs de carburant pour le moteur de traction de véhicules motorisés fonctionnant au gaz naturel ou au bio-gaz mis au niveau du gaz naturel, peuvent être remplis dans la station de gaz.
Des instructions claires comprenant des pictogrammes, y compris ceux qui indiquent que le distributeur est uniquement destiné à approvisionner des véhicules adaptés au gaz naturel ou au bio-gaz mis au niveau du gaz nature, sont affichées de façon bien visible pour l'utilisateur.
Un véhicule n'est approvisionné que si son moteur est arrêté. Les dispositions du présent paragraphe sont visiblement affichées.
L'exploitant prévoit un plan de secours en concertation avec la cellule de sécurité communale. Les instruction de plan de secours pour l'utilisateur sont clairement affichées à la station de gaz naturel.
Art. 5.16.8.8. Contrôles
La station de gaz naturel ne peut pas être mise en service avant que l'exploitant n'est en possession d'une attestation qui est délivrée par un expert environnemental agréé dans la discipline récipients pour gaz ou substances dangereuses, visés à l'article 6, 1°, a), du VLAREL, dont il ressort sans équivoque que la station de gaz répond aux prescriptions du présent chapitre. L'expert environnemental agréé établit l'attestation à l'aide de contrôles qu'il effectue lui-même, ou sur la base d'attestations établies par d'autres experts environnementaux agréés et qui peuvent présentées par l'exploitant.
La station de gaz est périodiquement contrôlée conformément à l'article 5.16.1.8., § 2, par un expert environnemental agréé dans la discipline des récipients de gaz ou de substances dangereuses, mentionnées à l'article 6, 1 ° a) du VLAREL.
Dans le cas d'une station automatisée, une inspection visuelle est effectuée au moins une fois par semaine par l'exploitant ou son préposé.
Tous les douze mois, les tuyaux de distribution sont soumis à un essai de pression à une pression d'au moins 375 bar par un expert environnemental agréé dans la discipline des récipients de gaz ou de substances dangereuses.. A cet effet les tuyaux de distribution sont séparés des distributeurs et ne peuvent être remis en service que si lors de cet essai aucun défaut ne s'est produit
Sans préjudice des autres dispositions relatives au contrôles périodiques repris au chapitre 5.16, la station de gaz naturel est soumise à un schéma de contrôle tel que repris dans l'annexe 5.16.7. Les installations d'assèchement sont annuellement soumises à un contrôle par l'exploitant ou son préposé.
La personne effectuant les contrôles établit une attestation des contrôles et vérifications, mentionnés aux alinéa premier à six inclus. L'exploitant tient ces attestation à la disposition de l'autorité de tutelle.
Art. 5.16.8.9. Dispositions transitoires
En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations de la présente section, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
Art. 88. In artikel 5.17.1.3 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede " van in klasse 1 ingedeelde inrichtingen waarop artikel 7 van titel I van het VLAREM van toepassing is " vervangen door de zinsnede " van een inrichting, vermeld in rubriek 17.2 van de indelingslijst ";
2° in paragraaf 1 wordt punt 1° vervangen door wat volgt :
" 1° " VR-PLICHTIGE INRICHTING " als het een inrichting betreft, vermeld in rubriek 17.2.2 van de indelingslijst, dan wel " GEVAARLIJKE PRODUCTEN " als het een inrichting betreft, vermeld in rubriek 17.2.1 van de indelingslijst; ";
3° in paragraaf 2 wordt de zinsnede " de inrichting waarop artikel 7 van titel I van het VLAREM van toepassing is " vervangen door de zinsnede " een inrichting, vermeld in rubriek 17.2 van de indelingslijst ".
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede " van in klasse 1 ingedeelde inrichtingen waarop artikel 7 van titel I van het VLAREM van toepassing is " vervangen door de zinsnede " van een inrichting, vermeld in rubriek 17.2 van de indelingslijst ";
2° in paragraaf 1 wordt punt 1° vervangen door wat volgt :
" 1° " VR-PLICHTIGE INRICHTING " als het een inrichting betreft, vermeld in rubriek 17.2.2 van de indelingslijst, dan wel " GEVAARLIJKE PRODUCTEN " als het een inrichting betreft, vermeld in rubriek 17.2.1 van de indelingslijst; ";
3° in paragraaf 2 wordt de zinsnede " de inrichting waarop artikel 7 van titel I van het VLAREM van toepassing is " vervangen door de zinsnede " een inrichting, vermeld in rubriek 17.2 van de indelingslijst ".
Art. 88. A l'article 5.17.1.3, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mars 2008, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le paragraphe 1er, la partie de phrase " des établissements classés dans la classe 1re auxquelles s'applique le titre Ier du VLAREM " est remplacée par la partie de phrase " d'un établissement, visé à la rubrique 17.2 de la liste de classification ";
2° au paragraphe 1er, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° " ETABLISSEMENT SOUMIS A L'OBLIGATION VR " s'il s'agit d'un établissement, visé à la rubrique 17.2.2 de la liste de classification, ou " PRODUITS DANGEREUX " s'il s'agit d'un établissement, visé à la rubrique 17.2.1 de la liste de classification; ";
3° dans le paragraphe 2, la partie de phrase " l'établissement auxquelles s'applique l'article 7 du titre Ier du VLAREM " est remplacée par la partie de phrase " un établissement, visé à la rubrique 17.2 de la liste de classification ".
1° dans le paragraphe 1er, la partie de phrase " des établissements classés dans la classe 1re auxquelles s'applique le titre Ier du VLAREM " est remplacée par la partie de phrase " d'un établissement, visé à la rubrique 17.2 de la liste de classification ";
2° au paragraphe 1er, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° " ETABLISSEMENT SOUMIS A L'OBLIGATION VR " s'il s'agit d'un établissement, visé à la rubrique 17.2.2 de la liste de classification, ou " PRODUITS DANGEREUX " s'il s'agit d'un établissement, visé à la rubrique 17.2.1 de la liste de classification; ";
3° dans le paragraphe 2, la partie de phrase " l'établissement auxquelles s'applique l'article 7 du titre Ier du VLAREM " est remplacée par la partie de phrase " un établissement, visé à la rubrique 17.2 de la liste de classification ".
Art. 89. In artikel 5.17.1.11, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt de zinsnede " Onverminderd de verplichtingen uit artikel 7 van Titel I van het VLAREM dient de exploitant van een in klasse 1 ingedeelde inrichting, een register of een alternatieve informatiedrager bij te houden " vervangen door de zinsnede " De exploitant van een in klasse 1 ingedeelde inrichting houdt een register of een alternatieve informatiedrager bij ".
Art. 89. Dans l'article 5.17.1.11, § 1er, alinéa premier, du même arrêté, remplacé pa l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, la partie de phrase " Sans préjudice des obligations de l'article 7 du Titre Ier du VLAREM, l'exploitant d'un établissement classé dans la classe Ire, doit tenir un registre ou un porteur d'informations alternatif " est remplacée par la partie de phrase " l'exploitant d'un établissement classé dans la classe Ire, tient un registre ou un porteur d'informations alternatif ".
Art. 90. In artikel 5.17.2.3, § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt het woord " toestel " vervangen door het woord " systeem ".
Art. 90. Dans l'article 5.17.2.3, § 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, le mot " appareil " est remplacé par le mot " système ".
Art. 91. In artikel 5.17.3.5, § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het woord " dient " wordt vervangen door het woord " wordt ";
2° het woord " hoofdeigenschap " wordt vervangen door de woorden " gevaarsymbolen of gevarenpictogrammen volgens de van toepassing zijnde regelgeving inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke mengsels met het oog op het op de markt brengen of gebruik ervan ".
1° het woord " dient " wordt vervangen door het woord " wordt ";
2° het woord " hoofdeigenschap " wordt vervangen door de woorden " gevaarsymbolen of gevarenpictogrammen volgens de van toepassing zijnde regelgeving inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke mengsels met het oog op het op de markt brengen of gebruik ervan ".
Art. 91. A l'article 5.17.3.5, § 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le texte néerlandais le mot " dient " est remplacé par le mot " wordt ";
2° le mot " caractéristique principale " est remplacé par les mots " symboles de danger ou pictogrammes de danger suivant la règlementation en vigueur en matière de la classification, de l'emballage et des caractéristiques de mélanges dangereux en vue de leur commecialisation ou leur utilisation ".
1° dans le texte néerlandais le mot " dient " est remplacé par le mot " wordt ";
2° le mot " caractéristique principale " est remplacé par les mots " symboles de danger ou pictogrammes de danger suivant la règlementation en vigueur en matière de la classification, de l'emballage et des caractéristiques de mélanges dangereux en vue de leur commecialisation ou leur utilisation ".
Art. 92. In artikel 5.17.4.3.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt de zinsnede " , vermeld in de subrubrieken 17.3.4 en 17.3.5 van de indelingslijst " vervangen door de zinsnede " voor P1- en P2-producten ".
Art. 92. Dans l'article 5.17.4.3.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, la partie de phrase " mentionnés dans les sous-rubriques 17.3.4 et 17.3.5 de la liste de classification " est remplacée par la partie de phrase " pour produits P1 et P2 ".
Art. 93. In artikel 5.19.1.1 van hetzelfde besluit wordt paragraaf 2 opgeheven.
Art. 93. Dans l'article 5.19.1.1 du même arrêté, le paragraphe 2 est abrogé.
Art. 94. In artikel 5.19.2.1.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan paragraaf 3, 3°, worden de volgende zinnen toegevoegd :
" Dompel- en drenkinstallaties zijn uitgerust met een overloopbeveiliging.
Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, geldt de verplichting om dompel- en drenkinstallaties uit te rusten met een overloopbeveiliging vanaf 1 januari 2015. ";
2° er worden een paragraaf 12 tot en met 14 toegevoegd, die luiden als volgt :
" § 12. Impregneren met solventgedragen systemen of creosoot gebeurt met een installatie die voorzien is van een afzuiginstallatie met een zuiveringstrap, tenzij een dubbelvacuüm toegepast wordt.
§ 13. Bij drenken of dompelen met solventgedragen systemen heeft de drenkbak een deksel met een afzuiging. Voor inrichtingen met een solventgebruik van meer dan 25 ton solvent/jaar wordt aansluitend op de afzuiging een installatie voor de zuivering van de afgassen geplaatst.
§ 14. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in paragraaf 12 en 13, vanaf 1 januari 2015. ".
1° aan paragraaf 3, 3°, worden de volgende zinnen toegevoegd :
" Dompel- en drenkinstallaties zijn uitgerust met een overloopbeveiliging.
Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, geldt de verplichting om dompel- en drenkinstallaties uit te rusten met een overloopbeveiliging vanaf 1 januari 2015. ";
2° er worden een paragraaf 12 tot en met 14 toegevoegd, die luiden als volgt :
" § 12. Impregneren met solventgedragen systemen of creosoot gebeurt met een installatie die voorzien is van een afzuiginstallatie met een zuiveringstrap, tenzij een dubbelvacuüm toegepast wordt.
§ 13. Bij drenken of dompelen met solventgedragen systemen heeft de drenkbak een deksel met een afzuiging. Voor inrichtingen met een solventgebruik van meer dan 25 ton solvent/jaar wordt aansluitend op de afzuiging een installatie voor de zuivering van de afgassen geplaatst.
§ 14. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in paragraaf 12 en 13, vanaf 1 januari 2015. ".
Art. 94. Dans l'article 5.19.2.1.1 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juin 2009, sont apportées les modifications suivantes :
1° au paragraphe 3, 3°, sont ajoutés les phrases suivantes :
" Les installations d'immersion et d'imprégnation sont équipées d'une sécurité de débordement.
En ce qui concerne les établissements qui sont autorisés avant le 1er janvier 2012, l'obligation d'équiper les installations d'immersion et d'imprégnation d'une sécurité de débordement vaut à partir du 1er janvier 2015. ";
2° il est ajouté des paragraphes 12 à 14 inclus, rédigés comme suit :
" § 12. L'imprégnation à l'aide de systèmes utilisant des solvants ou du créosote se fait avec une installation qui est muni d'un système d'épuration, sauf si un double vide est appliqué.
§ 13. En cas d'immersion ou d'imprégnation à l'aide de systèmes utilisant des solvants, le bain d'imprégnation est muni d'un couvercle avec dispositif d'aspiration. En ce qui concerne les établissements ayant une utilisation de solvants de plus de 25 tonnes de solvants/an, l'installation est en outre muni d'un dispositif d'aspiration pour l'épuration des émanations gazeuses
§ 14. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées au paragraphes 12 et 13, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
1° au paragraphe 3, 3°, sont ajoutés les phrases suivantes :
" Les installations d'immersion et d'imprégnation sont équipées d'une sécurité de débordement.
En ce qui concerne les établissements qui sont autorisés avant le 1er janvier 2012, l'obligation d'équiper les installations d'immersion et d'imprégnation d'une sécurité de débordement vaut à partir du 1er janvier 2015. ";
2° il est ajouté des paragraphes 12 à 14 inclus, rédigés comme suit :
" § 12. L'imprégnation à l'aide de systèmes utilisant des solvants ou du créosote se fait avec une installation qui est muni d'un système d'épuration, sauf si un double vide est appliqué.
§ 13. En cas d'immersion ou d'imprégnation à l'aide de systèmes utilisant des solvants, le bain d'imprégnation est muni d'un couvercle avec dispositif d'aspiration. En ce qui concerne les établissements ayant une utilisation de solvants de plus de 25 tonnes de solvants/an, l'installation est en outre muni d'un dispositif d'aspiration pour l'épuration des émanations gazeuses
§ 14. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées au paragraphes 12 et 13, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
Art. 95. Aan subafdeling 5.19.2.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009, wordt een artikel 5.19.2.1.2 toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 5.19.2.1.2. Bij het gebruik van creosootolie als houtverduurzamingsproduct worden de nodige preventieve maatregelen getroffen waardoor de emissies beperkt worden tot een niveau dat niet hoger is dan bij het gebruik van WEI type C als houtverduurzamingsproduct. De exploitant staaft dit via een verslag opgesteld door een erkende MER-deskundige in de discipline lucht, vermeld in artikel 6, 1°, d), van het VLAREL. Dit verslag wordt ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid. Creosootolie van WEI type C voldoet aan de volgende specificaties :
" Art. 5.19.2.1.2. Bij het gebruik van creosootolie als houtverduurzamingsproduct worden de nodige preventieve maatregelen getroffen waardoor de emissies beperkt worden tot een niveau dat niet hoger is dan bij het gebruik van WEI type C als houtverduurzamingsproduct. De exploitant staaft dit via een verslag opgesteld door een erkende MER-deskundige in de discipline lucht, vermeld in artikel 6, 1°, d), van het VLAREL. Dit verslag wordt ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid. Creosootolie van WEI type C voldoet aan de volgende specificaties :
Art. 95. A la sous-section 5.19.2.1 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juin 2009, il est ajouté un article 5.19.2.1.2, rédigé comme suit :
" Art. 5.19.2.1.2. En cas d'utilisation d'huile de créosote comme produit de conservation du bois, les mesures préventives nécessaires sont prises afin de limiter les émissions à un niveau qui n'est pas supérieur à celui atteint lors de l'utilisation de WEI du type C comme produit de conservation de bois. L'exploitant le prouve à l'aide d'un rapport établi par un expert environnemental agréé dans la discipline air, visé à l'article 6, 1°, d), du VLAREL. Ce rapport peut être consultée par l'autorité de tutelle. Huile de créosote WEI du type C répond aux spécifications suivantes :
" Art. 5.19.2.1.2. En cas d'utilisation d'huile de créosote comme produit de conservation du bois, les mesures préventives nécessaires sont prises afin de limiter les émissions à un niveau qui n'est pas supérieur à celui atteint lors de l'utilisation de WEI du type C comme produit de conservation de bois. L'exploitant le prouve à l'aide d'un rapport établi par un expert environnemental agréé dans la discipline air, visé à l'article 6, 1°, d), du VLAREL. Ce rapport peut être consultée par l'autorité de tutelle. Huile de créosote WEI du type C répond aux spécifications suivantes :
| eigenschap | WEI type C |
| dichtheid 20/4° C (g/ml) | 1,03 - 1,17 |
| watergehalte (vol %) | |
| - origineel creosoot | max. 1 |
| - gebruikt creosoot | max. 3 |
| kristallisatietemperatuur (° C) | max. 50 |
| waterextraheerbare fenolen (m/m %) | max. 3 |
| onoplosbare materie | |
| - origineel creosoot | max. 0,4 |
| - gebruikt creosoot | max. 0,6 |
| kookpuntgebied (vol %) | |
| - destillaat tot 235° C | - |
| - destillaat tot 300° C | max. 10 |
| - destillaat tot 355° C | 65 - 95 |
| benzo[a]pyreengehalte (mg/kg) | max. 50 |
| vlampunt (° C) | min. 61 |
| dampdruk bij 25° C (hPa) | < 1 |
".
| caractéristique | WEI type C |
| densité 20/4° C (g/ml) | 1,03 - N° 1,17 |
| teneur en eau (vol%) | |
| - créosote original | max. 1 |
| - créosote utilisé | max. 3 |
| température de cristallisation (° c) | max. 50 |
| phénoles extractibles à l'eau (m/m %) | max. 3 |
| matière soluble | |
| - créosote original | max. 0,4 |
| - créosote utilisé | max. 0,6 |
| zone d'ébullition ( %) | |
| distillat jusqu'à 235° C | - |
| distillat jusqu'à 300° C | max. 10 |
| distillat jusqu'à 355° C | 65 - N° 95 |
| teneur en benzo [a] pyrène (mg/kg) | max. 50 |
| point d'ignition (° C) | min. 61 |
| pression de vapeur à 25° C (hPa) | < 1 |
";
Art. 96. Aan artikel 5.20.1.1 van hetzelfde besluit wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 3. Overeenkomstig het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 tot beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (asbest) is het gebruik en de productie van asbesthoudende materialen verboden. ".
" § 3. Overeenkomstig het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 tot beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (asbest) is het gebruik en de productie van asbesthoudende materialen verboden. ".
Art. 96. L'article 5.20.1.1 du même arrêté est complété par un paragraphe 3, rédigé comme suit :
" § 3. Conformément à l'arrêté royal du 23 octobre 2001 limitant la mise sur le marché et l'emploi de certaines substances et préparations dangereuses (amiante), l'utilisation et la production de matériaux contenant de l'amiante sont interdites. ".
" § 3. Conformément à l'arrêté royal du 23 octobre 2001 limitant la mise sur le marché et l'emploi de certaines substances et préparations dangereuses (amiante), l'utilisation et la production de matériaux contenant de l'amiante sont interdites. ".
Art. 97. In het opschrift van afdeling 5.20.5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, worden de woorden " alsook installaties voor de winning van windenergie voor de energieproductie " opgeheven.
Art. 97. Dans l'intitulé de la section 5.20.5 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, les mots " ainsi que les installations de captage d'énergie éolienne en vue de la production d'énergie " sont supprimés.
Art. 98. In artikel 5.20.5.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt :
" § 1. Deze afdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 20.1.5 van de indelingslijst. ".
" § 1. Deze afdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 20.1.5 van de indelingslijst. ".
Art. 98. Dans l'article 5.20.5.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, le paragraphe 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. La présente sous-section s'applique aux établissements, visés à la rubrique 20.1.5, de la liste de classification. ".
" § 1er. La présente sous-section s'applique aux établissements, visés à la rubrique 20.1.5, de la liste de classification. ".
Art. 99. Aan hoofdstuk 5.20 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009, wordt een afdeling 5.20.6, die bestaat uit artikel 5.20.6.1.1 tot en met artikel 5.20.6.4.2, toegevoegd, die luidt als volgt :
" Afdeling 5.20.6. - Installaties voor het opwekken van elektriciteit door middel van windenergie
Subafdeling 5.20.6.1. - Toepassingsgebied
Art. 5.20.6.1.1. Deze afdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 20.1.6 van de indelingslijst.
De bepalingen uit hoofdstuk 4.5 en de bijlage 4.5.1 van titel II van het VLAREM zijn niet van toepassing met uitzondering van afdeling 4.5.1 en 4.5.6, tenzij expliciet vermeld in de hiernavolgende artikelen.
Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in deze afdeling, vanaf 1 januari 2015 en vanaf 1 januari 2020 voor inrichtingen die niet uitgerust zijn met een automatisch regelsysteem dat toelaat de slagschaduw en het geluid in voldoende mate te verminderen.
Subafdeling 5.20.6.2. - Slagschaduw
Art. 5.20.6.2.1. Als een slagschaduwgevoelig object zich bevindt binnen de contour van vier uur verwachte slagschaduw per jaar van de windturbine, wordt de windturbine uitgerust met een automatische stilstand module.
Art. 5.20.6.2.2. De exploitant houdt een logboek bij per windturbine. Dat logboek vermeldt de nodige gegevens om de effectieve slagschaduw voor elk relevant slagschaduwgevoelig object binnen de contour van vier uur verwachte slagschaduw per jaar te bepalen.
De exploitant houdt voor de toezichthoudende ambtenaren in het logboek ook de volgende gegevens voor elk relevant slagschaduwgevoelig object binnen de contour van vier uur verwachte slagschaduw per kalenderjaar bij :
1° de lijst van alle relevante slagschaduwgevoelige objecten met hun respectievelijke Lambertcoördinaten;
2° een slagschaduwkalender voor elk relevant slagschaduwgevoelig object in tabelvorm waarin de astronomisch maximaal mogelijke slagschaduwduur voor elke windturbine wordt weergegeven.
De exploitant stelt minstens de eerste twee exploitatiejaren een controlerapport op basis van de gegevens, vermeld in lid 1 en 2, op. Dat rapport vermeldt ten minste hoeveel effectieve slagschaduw elk relevant slagschaduwgevoelig object binnen de contour van vier uur verwachte slagschaduw per jaar heeft getroffen en welke remediërende maatregelen eventueel zijn genomen.
Art. 5.20.6.2.3. Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, geldt een maximum van acht uur effectieve slagschaduw per jaar, met een maximum van dertig minuten effectieve slagschaduw per dag voor elk relevant slagschaduwgevoelig object.
Subafdeling 5.20.6.3. - Veiligheid
Art. 5.20.6.3.1. Alle windturbines worden geconstrueerd volgens de veiligheidsaspecten van de norm IEC61400 of gelijkwaardig en worden voorzien van de nodige certificaten, tenzij het een erkende testlocatie betreft. De certificaten worden afgeleverd door een geaccrediteerd keuringsorgaan en tonen aan dat voldaan wordt aan de gangbare normen en veiligheidseisen. De turbine is gecertificeerd bij aanvang van de bouw van de turbine.
Art. 5.20.6.3.2. Alle windturbines zijn voorzien van :
1° een ijsdetectiesysteem dat de turbine automatisch stillegt bij ijsvorming;
2° een bliksembeveiligingssysteem;
3° een redundant remsysteem;
4° een onlinecontrolesysteem, waarbij onregelmatigheden onmiddellijk worden gedetecteerd en doorgegeven aan een turbine eigen controle-eenheid.
Nadat de windturbine is stilgelegd, ten gevolge van het ijsdetectiesysteem wordt een visuele of gelijkwaardige controle uitgevoerd op de wieken. De windturbine wordt niet opnieuw opgestart zonder dat alle ijs van de wieken is verwijderd.
Subafdeling 5.20.6.4. - Geluid
Art. 5.20.6.4.1. Geluidsmetingen worden uitgevoerd door een erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein geluid, vermeld in artikel 6, 1°, c), van het VLAREL. De erkende deskundige richt zich naar de meetvoorschriften van de minister bevoegd voor leefmilieu.
Art. 5.20.6.4.2. Het specifieke geluid in openlucht wordt, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, in de nabijheid van de dichtstbijzijnde vreemde woning of het dichtstbijzijnde woongebied, per beoordelingsperiode beperkt tot de richtwaarde vermeld in bijlage 5.20.6.1 of tot het achtergrondgeluid, vermeld in bijlage 4B, punt F14, 3, van titel I van dit besluit : Lsp <= MAX (richtwaarde, LA95).
In het geval het achtergrondgeluid maatgevend is als norm, geldt dat de afstand van de windturbines tot de woningen, meer dan drie maal de rotordiameter moet bedragen. ".
" Afdeling 5.20.6. - Installaties voor het opwekken van elektriciteit door middel van windenergie
Subafdeling 5.20.6.1. - Toepassingsgebied
Art. 5.20.6.1.1. Deze afdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 20.1.6 van de indelingslijst.
De bepalingen uit hoofdstuk 4.5 en de bijlage 4.5.1 van titel II van het VLAREM zijn niet van toepassing met uitzondering van afdeling 4.5.1 en 4.5.6, tenzij expliciet vermeld in de hiernavolgende artikelen.
Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in deze afdeling, vanaf 1 januari 2015 en vanaf 1 januari 2020 voor inrichtingen die niet uitgerust zijn met een automatisch regelsysteem dat toelaat de slagschaduw en het geluid in voldoende mate te verminderen.
Subafdeling 5.20.6.2. - Slagschaduw
Art. 5.20.6.2.1. Als een slagschaduwgevoelig object zich bevindt binnen de contour van vier uur verwachte slagschaduw per jaar van de windturbine, wordt de windturbine uitgerust met een automatische stilstand module.
Art. 5.20.6.2.2. De exploitant houdt een logboek bij per windturbine. Dat logboek vermeldt de nodige gegevens om de effectieve slagschaduw voor elk relevant slagschaduwgevoelig object binnen de contour van vier uur verwachte slagschaduw per jaar te bepalen.
De exploitant houdt voor de toezichthoudende ambtenaren in het logboek ook de volgende gegevens voor elk relevant slagschaduwgevoelig object binnen de contour van vier uur verwachte slagschaduw per kalenderjaar bij :
1° de lijst van alle relevante slagschaduwgevoelige objecten met hun respectievelijke Lambertcoördinaten;
2° een slagschaduwkalender voor elk relevant slagschaduwgevoelig object in tabelvorm waarin de astronomisch maximaal mogelijke slagschaduwduur voor elke windturbine wordt weergegeven.
De exploitant stelt minstens de eerste twee exploitatiejaren een controlerapport op basis van de gegevens, vermeld in lid 1 en 2, op. Dat rapport vermeldt ten minste hoeveel effectieve slagschaduw elk relevant slagschaduwgevoelig object binnen de contour van vier uur verwachte slagschaduw per jaar heeft getroffen en welke remediërende maatregelen eventueel zijn genomen.
Art. 5.20.6.2.3. Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, geldt een maximum van acht uur effectieve slagschaduw per jaar, met een maximum van dertig minuten effectieve slagschaduw per dag voor elk relevant slagschaduwgevoelig object.
Subafdeling 5.20.6.3. - Veiligheid
Art. 5.20.6.3.1. Alle windturbines worden geconstrueerd volgens de veiligheidsaspecten van de norm IEC61400 of gelijkwaardig en worden voorzien van de nodige certificaten, tenzij het een erkende testlocatie betreft. De certificaten worden afgeleverd door een geaccrediteerd keuringsorgaan en tonen aan dat voldaan wordt aan de gangbare normen en veiligheidseisen. De turbine is gecertificeerd bij aanvang van de bouw van de turbine.
Art. 5.20.6.3.2. Alle windturbines zijn voorzien van :
1° een ijsdetectiesysteem dat de turbine automatisch stillegt bij ijsvorming;
2° een bliksembeveiligingssysteem;
3° een redundant remsysteem;
4° een onlinecontrolesysteem, waarbij onregelmatigheden onmiddellijk worden gedetecteerd en doorgegeven aan een turbine eigen controle-eenheid.
Nadat de windturbine is stilgelegd, ten gevolge van het ijsdetectiesysteem wordt een visuele of gelijkwaardige controle uitgevoerd op de wieken. De windturbine wordt niet opnieuw opgestart zonder dat alle ijs van de wieken is verwijderd.
Subafdeling 5.20.6.4. - Geluid
Art. 5.20.6.4.1. Geluidsmetingen worden uitgevoerd door een erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein geluid, vermeld in artikel 6, 1°, c), van het VLAREL. De erkende deskundige richt zich naar de meetvoorschriften van de minister bevoegd voor leefmilieu.
Art. 5.20.6.4.2. Het specifieke geluid in openlucht wordt, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, in de nabijheid van de dichtstbijzijnde vreemde woning of het dichtstbijzijnde woongebied, per beoordelingsperiode beperkt tot de richtwaarde vermeld in bijlage 5.20.6.1 of tot het achtergrondgeluid, vermeld in bijlage 4B, punt F14, 3, van titel I van dit besluit : Lsp <= MAX (richtwaarde, LA95).
In het geval het achtergrondgeluid maatgevend is als norm, geldt dat de afstand van de windturbines tot de woningen, meer dan drie maal de rotordiameter moet bedragen. ".
Art. 99. Au chapitre 5.20 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juin 2009, il est ajouté une section 5.20.6, comprenant les articles 5.20.6.1.1 à 5.20.6.4.2 inclus, rédigés comme suit :
" Section 5.20.6. - Installations pour la production d'électricité à l'aide de l'énergie éolienne
Sous-section 5.20.6.1. - Champ d'application
Art. 5.20.6.1.1. La présente section s'applique aux établissements, visés à la rubrique 20.1.6, de la liste de classification.
Les dispositions du chapitre 4.5 et de l'annexe 4.5.1 du titre II du VLAREM ne s'appliquent pas à l'exception des sections 4.5.1 et 4.5.6, sauf explicitement mentionné dans les articles suivant ci-après.
Les établissements autorisés avant le 1er janvier 2012, sont régies par les obligations, visées à la présente section, à partir du 1er janvier 2015 et à partir du 1er janvier 2020 pour les établissement qui ne sont pas équipés d'un système de réglage automatique permettant de réduire l'ombre portée des pales et le bruit en mesure suffisante.
Sous-section 5.20.6.2. - Ombre portée des pales
Art. 5.20.6.2.1. Si un l'ombre portée se trouve dans le périmètre de quatre heures d'ombre portée attendue par an de l'éolienne, cette dernière est équipée d'un module d'arrêt automatique.
Art. 5.20.6.2.2. L'exploitant tient un journal par éolienne. Ce journal mentionne les données nécessaires permettant de déterminer l'ombre portée pour chaque l'ombre portée pertinent ans le périmètre de quatre heures d'ombre portée attendue par an.
L'exploitant tient également compte dans le journal des données suivantes pour chaque objet représentatif sensible à l'ombre portée se trouvant dans le périmètre de quatre heures d'ombre portée attendue par année calendaire :
1° de la liste de tous les objets représentatifs sensibles à l'ombre portée avec leurs coordonnées Lambert respectives;
2° un calendrier de l'ombre portée représentatif pour chaque objet sensibles à l'ombre portée représentant la durée astronomique maximale possible causée par chaque éolienne.
Pendant au moins les deux premières années d'exploitation, l'exploitant rédige un rapport de contrôle sur la base des données, visées aux alinéas 1er et 2. Ce rapport mentionne au moins la quantité d'ombre portée que chaque objet représentatif sensible à l'ombre portée a été atteint dans le périmètre de quatre heures d'ombre portée attendue par année ainsi que les mesures rémédiantes ont éventuellement été prises.
Art. 5.20.6.2.3. Sauf dispositions contraires mentionnées dans l'autorisation écologique, un maximum de huit heures d'ombre portée effective par an, avec un maximum de trente minutes d'ombre portée effective par jour, vaut pour chaque objet représentatif sensible à l'ombre portée.
Sous-section 5.20.6.3. - Sécurité
Art. 5.20.6.3.1. Toutes les éoliennes sont construites conformément aux aspects de sécurité de la norme IEC61400 ou équivalente et sont accompagnées des certificats requis, sauf s'il s'agit d'un site d'essai agréé. Les certificats sont délivrés par un organe de contrôle certifié et fournissent la preuve qu'il a été répondu aux normes et exigences de sécurité courantes. L'éolienne est certifiée au début de sa construction.
Art. 5.20.6.3.2. Toutes les éoliennes sont équipées :
1° un système de détection de givrage arrêtant automatiquement l'éolienne en cas de givrage;
2° un système de protection contre la foudre;
3° un système auxiliaire de freinage;
4° un système de contrôle en ligne détectant immédiatement les anomalies tout en les transmettant à l'unité de contrôle propre à l'éolienne
Dès que l'éolienne est arrêtée, suite au système de détection de givrage, un contrôle visuel ou équivalent des pales est effectuée. L'éolienne n'est pas remise en service avant que toute forme de glace ne soit enlevée des pales.
Sous-section 5.20.6.4. - Bruit
Art. 5.20.6.4.1. Les mesurages acoustiques sont effectués par un expert écologique agréé dans la discipline du bruit et des vibrations, sous-domaine du bruit, visé à à l'article 6, 1°, c), du VLAREL. L'expert agrée se conforme aux prescriptions de mesurage de la Ministre chargée de l'environnement.
Art. 5.20.6.4.2. Le bruit spécifique de l'éolienne en plein air est, sauf dispositions contraires dans l'autorisation écologique, limité par période d'évaluation et à proximité de l'autre habitation ou zone résidentielle la plus proche, à la valeur directrice visée à l'annexe 5.20.6.1, ou au bruit de fond, visé à l'annexe 4B, point F14, 3, du titre Ier du présent arrêté. Lsp <= MAX(valeur directrice, LA95).
Dans le cas où le bruit de fond définit la norme, la distance entre les éoliennes et les habitations doit être supérieure à trois fois le diamètre du rotor. ".
" Section 5.20.6. - Installations pour la production d'électricité à l'aide de l'énergie éolienne
Sous-section 5.20.6.1. - Champ d'application
Art. 5.20.6.1.1. La présente section s'applique aux établissements, visés à la rubrique 20.1.6, de la liste de classification.
Les dispositions du chapitre 4.5 et de l'annexe 4.5.1 du titre II du VLAREM ne s'appliquent pas à l'exception des sections 4.5.1 et 4.5.6, sauf explicitement mentionné dans les articles suivant ci-après.
Les établissements autorisés avant le 1er janvier 2012, sont régies par les obligations, visées à la présente section, à partir du 1er janvier 2015 et à partir du 1er janvier 2020 pour les établissement qui ne sont pas équipés d'un système de réglage automatique permettant de réduire l'ombre portée des pales et le bruit en mesure suffisante.
Sous-section 5.20.6.2. - Ombre portée des pales
Art. 5.20.6.2.1. Si un l'ombre portée se trouve dans le périmètre de quatre heures d'ombre portée attendue par an de l'éolienne, cette dernière est équipée d'un module d'arrêt automatique.
Art. 5.20.6.2.2. L'exploitant tient un journal par éolienne. Ce journal mentionne les données nécessaires permettant de déterminer l'ombre portée pour chaque l'ombre portée pertinent ans le périmètre de quatre heures d'ombre portée attendue par an.
L'exploitant tient également compte dans le journal des données suivantes pour chaque objet représentatif sensible à l'ombre portée se trouvant dans le périmètre de quatre heures d'ombre portée attendue par année calendaire :
1° de la liste de tous les objets représentatifs sensibles à l'ombre portée avec leurs coordonnées Lambert respectives;
2° un calendrier de l'ombre portée représentatif pour chaque objet sensibles à l'ombre portée représentant la durée astronomique maximale possible causée par chaque éolienne.
Pendant au moins les deux premières années d'exploitation, l'exploitant rédige un rapport de contrôle sur la base des données, visées aux alinéas 1er et 2. Ce rapport mentionne au moins la quantité d'ombre portée que chaque objet représentatif sensible à l'ombre portée a été atteint dans le périmètre de quatre heures d'ombre portée attendue par année ainsi que les mesures rémédiantes ont éventuellement été prises.
Art. 5.20.6.2.3. Sauf dispositions contraires mentionnées dans l'autorisation écologique, un maximum de huit heures d'ombre portée effective par an, avec un maximum de trente minutes d'ombre portée effective par jour, vaut pour chaque objet représentatif sensible à l'ombre portée.
Sous-section 5.20.6.3. - Sécurité
Art. 5.20.6.3.1. Toutes les éoliennes sont construites conformément aux aspects de sécurité de la norme IEC61400 ou équivalente et sont accompagnées des certificats requis, sauf s'il s'agit d'un site d'essai agréé. Les certificats sont délivrés par un organe de contrôle certifié et fournissent la preuve qu'il a été répondu aux normes et exigences de sécurité courantes. L'éolienne est certifiée au début de sa construction.
Art. 5.20.6.3.2. Toutes les éoliennes sont équipées :
1° un système de détection de givrage arrêtant automatiquement l'éolienne en cas de givrage;
2° un système de protection contre la foudre;
3° un système auxiliaire de freinage;
4° un système de contrôle en ligne détectant immédiatement les anomalies tout en les transmettant à l'unité de contrôle propre à l'éolienne
Dès que l'éolienne est arrêtée, suite au système de détection de givrage, un contrôle visuel ou équivalent des pales est effectuée. L'éolienne n'est pas remise en service avant que toute forme de glace ne soit enlevée des pales.
Sous-section 5.20.6.4. - Bruit
Art. 5.20.6.4.1. Les mesurages acoustiques sont effectués par un expert écologique agréé dans la discipline du bruit et des vibrations, sous-domaine du bruit, visé à à l'article 6, 1°, c), du VLAREL. L'expert agrée se conforme aux prescriptions de mesurage de la Ministre chargée de l'environnement.
Art. 5.20.6.4.2. Le bruit spécifique de l'éolienne en plein air est, sauf dispositions contraires dans l'autorisation écologique, limité par période d'évaluation et à proximité de l'autre habitation ou zone résidentielle la plus proche, à la valeur directrice visée à l'annexe 5.20.6.1, ou au bruit de fond, visé à l'annexe 4B, point F14, 3, du titre Ier du présent arrêté. Lsp <= MAX(valeur directrice, LA95).
Dans le cas où le bruit de fond définit la norme, la distance entre les éoliennes et les habitations doit être supérieure à trois fois le diamètre du rotor. ".
Art. 100. In artikel 5.28.3.2.2, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2003, wordt de zin " Elke vracht dient minstens visueel geïnspecteerd te worden. " vervangen door de zin " Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, wordt elke vracht minstens visueel geïnspecteerd. ".
Art. 100. Dans l'article 5.28.3.2.2, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2003, les phrase " Chaque chargement doit au moins être inspecté visuellement " est remplacée par la phrase " Sauf dispositions contraires dans l'autorisation écologique, chaque chargement est au moins inspecté visuellement ".
Art. 101. In artikel 5.28.3.2.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2003 en 19 september 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt de zin " Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning noteert de exploitant in dit register ten minste : " vervangen door de zin " De exploitant noteert in dit register tenminste : ";
2° in paragraaf 1 worden de woorden " met vermelding van de referenties van de eventuele weegbon " telkens opgeheven;
3° er wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 4. Van de verplichting tot het bijhouden van de registergegevens, vermeld in paragraaf 1, kan worden afgeweken als het niet gaat om transporten van meststoffen die geweigerd zijn, als vermeld in paragraaf 1, 4°, als er geen opmerkingen over de dierlijke mest en de aan- en afvoer zijn, en als bovendien aan de volgende voorwaarden voldaan wordt :
1° het transport wordt uitgevoerd door een erkende mestvoerder die daarvoor gebruikmaakt van het AGR-GPS-systeem, vermeld in artikel 18, § 4, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot het bepalen van de nadere regels voor het vervoer van meststoffen en houdende uitvoering van artikel 8, § 5, 3°, van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen;
2° op de inrichting is een door de Vlaamse Landmaatschappij ter beschikking gestelde internetapplicatie ter inzage van de toezichthouders beschikbaar, waarin elk transport, vermeld in punt 1°, is opgenomen, en waarvan op verzoek van de toezichthouders onmiddellijk een uittreksel afgedrukt kan worden en ter beschikking kan worden gesteld. ".
1° in paragraaf 1 wordt de zin " Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning noteert de exploitant in dit register ten minste : " vervangen door de zin " De exploitant noteert in dit register tenminste : ";
2° in paragraaf 1 worden de woorden " met vermelding van de referenties van de eventuele weegbon " telkens opgeheven;
3° er wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 4. Van de verplichting tot het bijhouden van de registergegevens, vermeld in paragraaf 1, kan worden afgeweken als het niet gaat om transporten van meststoffen die geweigerd zijn, als vermeld in paragraaf 1, 4°, als er geen opmerkingen over de dierlijke mest en de aan- en afvoer zijn, en als bovendien aan de volgende voorwaarden voldaan wordt :
1° het transport wordt uitgevoerd door een erkende mestvoerder die daarvoor gebruikmaakt van het AGR-GPS-systeem, vermeld in artikel 18, § 4, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot het bepalen van de nadere regels voor het vervoer van meststoffen en houdende uitvoering van artikel 8, § 5, 3°, van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen;
2° op de inrichting is een door de Vlaamse Landmaatschappij ter beschikking gestelde internetapplicatie ter inzage van de toezichthouders beschikbaar, waarin elk transport, vermeld in punt 1°, is opgenomen, en waarvan op verzoek van de toezichthouders onmiddellijk een uittreksel afgedrukt kan worden en ter beschikking kan worden gesteld. ".
Art. 101. Dans l'article 5.28.3.2.3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 septembre 2003 et 19 septembre 2008, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le paragraphe 1er la phrase "Sauf dispositions contraires dans l'autorisation écologique, l'exploitant note au moins dans ce registre : " est remplacée par la phrase " L'exploitant note au moins dans ce registre : ";
2° dans le paragraphe 1er les mots " avec indication des références du certificat de pesée éventuellement délivré " sont chaque fois supprimés;
3° il est ajouté un paragraphe 4, rédigé comme suit :
" § 4. Il peut être dérogé à l'obligation de la tenue de données de registre, visées au paragraphe 1er, s'il ne s'agit pas de transports refusés d'engrais, tels que mentionnés au paragraphe 1er, 4°, s'il n'existe aucune remarque en matière d'engrais animal et de l'acheminement et de l'évacuation, et s'il est en outre répondu aux conditions suivantes :
1° le transport est effectué par un transporteur d'engrais agréé utilisant à cet effet le système AGR-GPS, visé à l'article 18, § 4, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2007 établissant les modalités du transport d'engrais et portant exécution de l'article 8, § 5, 3°, du décret du 22 décembre 2006 concernant la protection des eaux contre la pollution par les nitrates à partir de sources agricoles;
2° une application internet rendue disponible par la Société flamande terrienne peut être consultée par les contrôleurs à l'établissement, laquelle reprend chaque transport, visé au point 1°, et de laquelle un extrait peut être imprimé et rendu disponible sur demande des contrôleurs. ".
1° dans le paragraphe 1er la phrase "Sauf dispositions contraires dans l'autorisation écologique, l'exploitant note au moins dans ce registre : " est remplacée par la phrase " L'exploitant note au moins dans ce registre : ";
2° dans le paragraphe 1er les mots " avec indication des références du certificat de pesée éventuellement délivré " sont chaque fois supprimés;
3° il est ajouté un paragraphe 4, rédigé comme suit :
" § 4. Il peut être dérogé à l'obligation de la tenue de données de registre, visées au paragraphe 1er, s'il ne s'agit pas de transports refusés d'engrais, tels que mentionnés au paragraphe 1er, 4°, s'il n'existe aucune remarque en matière d'engrais animal et de l'acheminement et de l'évacuation, et s'il est en outre répondu aux conditions suivantes :
1° le transport est effectué par un transporteur d'engrais agréé utilisant à cet effet le système AGR-GPS, visé à l'article 18, § 4, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2007 établissant les modalités du transport d'engrais et portant exécution de l'article 8, § 5, 3°, du décret du 22 décembre 2006 concernant la protection des eaux contre la pollution par les nitrates à partir de sources agricoles;
2° une application internet rendue disponible par la Société flamande terrienne peut être consultée par les contrôleurs à l'établissement, laquelle reprend chaque transport, visé au point 1°, et de laquelle un extrait peut être imprimé et rendu disponible sur demande des contrôleurs. ".
Art. 102. In artikel 5.28.3.4.1, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2003, wordt punt 3° vervangen door wat volgt :
" 3° de mestbewerkingsoperaties en de mestverwerkingsoperaties zijn maximaal overkapt en ingeperkt om tot een efficiënte afzuiging en behandeling van luchtemissies te komen. Daarvan kan in de milieuvergunning afgeweken worden voor de nabezinker, de slibopslag, de nitrificatie- en denitrificatiebekkens en de effluentlagune. De exploitant zorgt ervoor dat het open bekken maximaal gevuld wordt tot het niveau waarbij er geen gevaar is dat het bekken overloopt of dat lozing mogelijk is; ".
" 3° de mestbewerkingsoperaties en de mestverwerkingsoperaties zijn maximaal overkapt en ingeperkt om tot een efficiënte afzuiging en behandeling van luchtemissies te komen. Daarvan kan in de milieuvergunning afgeweken worden voor de nabezinker, de slibopslag, de nitrificatie- en denitrificatiebekkens en de effluentlagune. De exploitant zorgt ervoor dat het open bekken maximaal gevuld wordt tot het niveau waarbij er geen gevaar is dat het bekken overloopt of dat lozing mogelijk is; ".
Art. 102. Dans l'article 5.28.3.4.1, § 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2003, le point 3° est remplacé par la disposition suivante :
" 3° les opérations de traitement d'engrais et les opérations de transformation d'engrais se font au maximum sous site couvert et délimité afin de réaliser une aspiration et un traitement efficace des émissions dans l'air. Il peut être dérogé à ce principe dans l'autorisation écologique en ce qui concerne l'installation de post-sédimentation, le stockage de boues, les bassins de nitrification et de dénitrification et la lagune d'effluents. L'exploitant prend soin de remplir le bassin au maximum jusqu'au niveau auquel il n'y a aucun danger de débordement ou de déversement éventuel; " ".
" 3° les opérations de traitement d'engrais et les opérations de transformation d'engrais se font au maximum sous site couvert et délimité afin de réaliser une aspiration et un traitement efficace des émissions dans l'air. Il peut être dérogé à ce principe dans l'autorisation écologique en ce qui concerne l'installation de post-sédimentation, le stockage de boues, les bassins de nitrification et de dénitrification et la lagune d'effluents. L'exploitant prend soin de remplir le bassin au maximum jusqu'au niveau auquel il n'y a aucun danger de débordement ou de déversement éventuel; " ".
Art. 103. In artikel 5.28.3.4.2, 4°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt c) wordt de zinsnede " , zure stoffen of absorptiemiddelen, zoals bentoniet en zeoliet, toe te voegen " opgeheven;
2° aan punt d) wordt de volgende zin toegevoegd :
" Elke alternatieve methode met een gelijkwaardig of beter rendement om ammoniakemissie en hinder te voorkomen kan in de milieuvergunning worden toegelaten. ".
1° in punt c) wordt de zinsnede " , zure stoffen of absorptiemiddelen, zoals bentoniet en zeoliet, toe te voegen " opgeheven;
2° aan punt d) wordt de volgende zin toegevoegd :
" Elke alternatieve methode met een gelijkwaardig of beter rendement om ammoniakemissie en hinder te voorkomen kan in de milieuvergunning worden toegelaten. ".
Art. 103. A l'article 5.28.3.4.2, 4°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le point c), la partie de phrase " , substances acide ou agents d'absorption, tels que le bentonite et le zéolite " est abrogée;
2° le point d) est complété par la phrase suivante :
" Toute autre méthode alternative offrant un rendement équivalent, voire supérieur, sur le plan de la prévention d'émissions ammoniacales et de nuisances peut être autorisée. ".
1° dans le point c), la partie de phrase " , substances acide ou agents d'absorption, tels que le bentonite et le zéolite " est abrogée;
2° le point d) est complété par la phrase suivante :
" Toute autre méthode alternative offrant un rendement équivalent, voire supérieur, sur le plan de la prévention d'émissions ammoniacales et de nuisances peut être autorisée. ".
Art. 104. Aan artikel 5.28.3.4.2, 5°, e), van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2003, wordt de zinsnede " , tenzij anders vermeld in de milieuvergunning " toegevoegd.
Art. 104. Dans l'article 5.28.3.4.2, 5°, e), du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2003, la partie de phrase " sauf dispositions contraires dans l'autorisation écologique " est ajoutée.
Art. 105. In artikel 5.29.0.6 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 28 november 2003 en 19 september 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, 3°, a), wordt de zinsnede " - emissierichtwaarde : 0,1 ng TEQ/Nm3 op alle in een bemonsteringstijd van minimum 6 en maximum 8 uur gemeten gemiddelde waarden; " opgeheven;
2° in paragraaf 1, 3°, a), wordt de zinsnede " 0,5 ng TEQ/Nm3 " vervangen door de zinsnede " 0,1 ng TEQ/Nm3 ";
3° in paragraaf 1, 3°, b), wordt de zinsnede " 0,4 ng TEQ/Nm3 " vervangen door de zinsnede " 0,1 ng TEQ/Nm3 ";
4° in paragraaf 1, 3°, b), wordt de zinsnede " vanaf 1 januari 2003 1 ng TEQ/Nm3 " vervangen door de zinsnede " 0,5 ng TEQ/Nm3 ";
5° in paragraaf 1 tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, vanaf 1 januari 2015. Tot zolang gelden de volgende emissiegrenswaarden voor PCDD's en PCDF's, uitgedrukt als nanogram dioxine toxisch equivalent per Nm3 (ng TEQ/Nm3) :
a) nieuwe inrichtingen :
- emissiegrenswaarde : 0,5 ng TEQ/Nm3 op alle in een bemonsteringstijd van minimum 6 en maximum 8 uur gemeten gemiddelde waarden;
b) bestaande inrichtingen :
- emissierichtwaarde : 0,4 ng/TEQ/Nm3 op alle in een bemonsteringstijd van minimum 6 en maximum 8 uur gemeten gemiddelde waarden;
- emissiegrenswaarde : 1 ng/TEQ/Nm3 op alle in een bemonsteringstijd van minimum 6 en maximum 8 uur gemeten gemiddelde waarden; ";
6° in paragraaf 1, elfde lid, b), wordt de zinsnede " vanaf 1 januari 2002 " opgeheven;
7° er wordt een paragraaf 1bis ingevoegd, die luidt als volgt :
" § 1bis. Voor inrichtingen, vermeld in rubriek 29.5.1 tot en met 29.5.9 van de indelingslijst, gelden de volgende emissiegrenswaarden voor de parameter stof :
1° 50 mg/m3 voor afgassen met natte of kleverig stof of voor afgassen met een temperatuur > 250° C of als de massastroom < 200 g/uur;
2° 10 mg/m3 voor andere afgassen.
Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in paragraaf 1bis, vanaf 1 januari 2015. ";
8° in paragraaf 2 wordt tussen de woorden " Tenzij anders " en de woorden " in de milieuvergunning " het woord " vermeld " ingevoegd;
9° in paragraaf 2, 3°, a), wordt de zin " stofhoudende afgewerkte gassen moeten worden opgevangen en naar een ontstoffingsinrichting geleid.
- loodsmelterijen : 10 mg/Nm3
- andere installaties voor het winnen van non-ferro ruwmetalen : 20 mg/Nm3 "
vervangen door de zinnen " stofhoudende afgewerkte gassen moeten worden opgevangen en naar een ontstoffingsinrichting geleid : 10 mg/Nm3. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, geldt de stofnorm van 10 mg/Nm3 vanaf 1 januari 2015. Tot zolang geldt de stofnorm van 10 mg/Nm3 voor loodsmelterijen en de stofnorm van 20 mg/Nm3 voor andere installaties voor het winnen van non-ferro ruwmetalen; ";
10° in paragraaf 2, 3°, b), wordt de zinsnede " 800 mg/Nm3 " vervangen door de zinsnede en de zin " 500 mg/Nm3. Voor batchgewijze operaties geldt de norm van 500 mg/Nm3 als gemiddelde over een batch. Tijdens het deeltraject van de batchoperatie met de hoogste SO2-emissie bedraagt de emissiegrenswaarde 800 mg/Nm3; ";
11° in paragraaf 2, 4°, wordt de zinsnede " 20 mg/Nm3 " vervangen door de zinsnede en de zinnen " 10 mg/Nm3. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, geldt de stofnorm van 10 mg/Nm3 vanaf 1 januari 2015. Tot zolang geldt de stofnorm van 20 mg/Nm3; ";
12° in paragraaf 2, 5°, wordt punt a) vervangen door wat volgt :
" a) stof : de stofhoudende afgassen worden zoveel mogelijk opgevangen en naar een ontstoffingsinrichting geleid : 20 mg/Nm3. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, geldt de stofnorm van 20 mg/Nm3 vanaf 1 januari 2015. Tot zolang geldt de stofnorm van 20 mg/Nm3 voor elektrovlamboogovens, inductieovens of koepelovens met een bovenmondafzuiging en een stofnorm van 50 mg/Nm3 voor koepelovens met een ondermondafzuiging; ";
13° in paragraaf 2, 7°, a), wordt de zinsnede " 20 mg/Nm3 " vervangen door de zinsnede en de zin " 10 mg/Nm3. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, geldt de stofnorm van 10 mg/Nm3 vanaf 1 januari 2015; ";
14° in paragraaf 2, 8°, a), wordt de zin " stofhoudende afvalgassen moeten worden opgevangen en naar een ontstoffingsinrichting geleid;
- smelt- of raffinage-installaties voor lood of legeringen ervan bij een massastroom van 0,2 kg/h : 10 mg/Nm3
- andere smelt- of raffinage-installaties bij een massastroom van 0,2 kg/h : 20 mg/Nm3 " vervangen door de zinnen " stofhoudende afgassen moeten worden opgevangen en naar een ontstoffingsinrichting geleid : 10 mg/Nm3. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, geldt de stofnorm van 10 mg/Nm3 vanaf 1 januari 2015. Tot zolang geldt de stofnorm van 10 mg/Nm3 voor smelt- of raffinage-installaties voor lood of legeringen ervan bij een massastroom van 0,2 kg/h en een stofnorm van 20 mg/Nm3 voor andere smelt- of raffinage-installaties bij een massastroom van 0,2 kg/h; ";
15° in paragraaf 2, 11°, wordt het woord " vuurverzinken " telkens vervangen door de woorden " discontinu thermisch verzinken " en wordt de zinsnede " 10 mg/Nm3 " vervangen door de zinsnede en de zin " 5 mg/Nm3. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, geldt de stofnorm van 5 mg/Nm3 vanaf 1 januari 2015. Tot zolang geldt de stofnorm van 10 mg/Nm3; ".
1° in paragraaf 1, 3°, a), wordt de zinsnede " - emissierichtwaarde : 0,1 ng TEQ/Nm3 op alle in een bemonsteringstijd van minimum 6 en maximum 8 uur gemeten gemiddelde waarden; " opgeheven;
2° in paragraaf 1, 3°, a), wordt de zinsnede " 0,5 ng TEQ/Nm3 " vervangen door de zinsnede " 0,1 ng TEQ/Nm3 ";
3° in paragraaf 1, 3°, b), wordt de zinsnede " 0,4 ng TEQ/Nm3 " vervangen door de zinsnede " 0,1 ng TEQ/Nm3 ";
4° in paragraaf 1, 3°, b), wordt de zinsnede " vanaf 1 januari 2003 1 ng TEQ/Nm3 " vervangen door de zinsnede " 0,5 ng TEQ/Nm3 ";
5° in paragraaf 1 tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, vanaf 1 januari 2015. Tot zolang gelden de volgende emissiegrenswaarden voor PCDD's en PCDF's, uitgedrukt als nanogram dioxine toxisch equivalent per Nm3 (ng TEQ/Nm3) :
a) nieuwe inrichtingen :
- emissiegrenswaarde : 0,5 ng TEQ/Nm3 op alle in een bemonsteringstijd van minimum 6 en maximum 8 uur gemeten gemiddelde waarden;
b) bestaande inrichtingen :
- emissierichtwaarde : 0,4 ng/TEQ/Nm3 op alle in een bemonsteringstijd van minimum 6 en maximum 8 uur gemeten gemiddelde waarden;
- emissiegrenswaarde : 1 ng/TEQ/Nm3 op alle in een bemonsteringstijd van minimum 6 en maximum 8 uur gemeten gemiddelde waarden; ";
6° in paragraaf 1, elfde lid, b), wordt de zinsnede " vanaf 1 januari 2002 " opgeheven;
7° er wordt een paragraaf 1bis ingevoegd, die luidt als volgt :
" § 1bis. Voor inrichtingen, vermeld in rubriek 29.5.1 tot en met 29.5.9 van de indelingslijst, gelden de volgende emissiegrenswaarden voor de parameter stof :
1° 50 mg/m3 voor afgassen met natte of kleverig stof of voor afgassen met een temperatuur > 250° C of als de massastroom < 200 g/uur;
2° 10 mg/m3 voor andere afgassen.
Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in paragraaf 1bis, vanaf 1 januari 2015. ";
8° in paragraaf 2 wordt tussen de woorden " Tenzij anders " en de woorden " in de milieuvergunning " het woord " vermeld " ingevoegd;
9° in paragraaf 2, 3°, a), wordt de zin " stofhoudende afgewerkte gassen moeten worden opgevangen en naar een ontstoffingsinrichting geleid.
- loodsmelterijen : 10 mg/Nm3
- andere installaties voor het winnen van non-ferro ruwmetalen : 20 mg/Nm3 "
vervangen door de zinnen " stofhoudende afgewerkte gassen moeten worden opgevangen en naar een ontstoffingsinrichting geleid : 10 mg/Nm3. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, geldt de stofnorm van 10 mg/Nm3 vanaf 1 januari 2015. Tot zolang geldt de stofnorm van 10 mg/Nm3 voor loodsmelterijen en de stofnorm van 20 mg/Nm3 voor andere installaties voor het winnen van non-ferro ruwmetalen; ";
10° in paragraaf 2, 3°, b), wordt de zinsnede " 800 mg/Nm3 " vervangen door de zinsnede en de zin " 500 mg/Nm3. Voor batchgewijze operaties geldt de norm van 500 mg/Nm3 als gemiddelde over een batch. Tijdens het deeltraject van de batchoperatie met de hoogste SO2-emissie bedraagt de emissiegrenswaarde 800 mg/Nm3; ";
11° in paragraaf 2, 4°, wordt de zinsnede " 20 mg/Nm3 " vervangen door de zinsnede en de zinnen " 10 mg/Nm3. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, geldt de stofnorm van 10 mg/Nm3 vanaf 1 januari 2015. Tot zolang geldt de stofnorm van 20 mg/Nm3; ";
12° in paragraaf 2, 5°, wordt punt a) vervangen door wat volgt :
" a) stof : de stofhoudende afgassen worden zoveel mogelijk opgevangen en naar een ontstoffingsinrichting geleid : 20 mg/Nm3. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, geldt de stofnorm van 20 mg/Nm3 vanaf 1 januari 2015. Tot zolang geldt de stofnorm van 20 mg/Nm3 voor elektrovlamboogovens, inductieovens of koepelovens met een bovenmondafzuiging en een stofnorm van 50 mg/Nm3 voor koepelovens met een ondermondafzuiging; ";
13° in paragraaf 2, 7°, a), wordt de zinsnede " 20 mg/Nm3 " vervangen door de zinsnede en de zin " 10 mg/Nm3. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, geldt de stofnorm van 10 mg/Nm3 vanaf 1 januari 2015; ";
14° in paragraaf 2, 8°, a), wordt de zin " stofhoudende afvalgassen moeten worden opgevangen en naar een ontstoffingsinrichting geleid;
- smelt- of raffinage-installaties voor lood of legeringen ervan bij een massastroom van 0,2 kg/h : 10 mg/Nm3
- andere smelt- of raffinage-installaties bij een massastroom van 0,2 kg/h : 20 mg/Nm3 " vervangen door de zinnen " stofhoudende afgassen moeten worden opgevangen en naar een ontstoffingsinrichting geleid : 10 mg/Nm3. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, geldt de stofnorm van 10 mg/Nm3 vanaf 1 januari 2015. Tot zolang geldt de stofnorm van 10 mg/Nm3 voor smelt- of raffinage-installaties voor lood of legeringen ervan bij een massastroom van 0,2 kg/h en een stofnorm van 20 mg/Nm3 voor andere smelt- of raffinage-installaties bij een massastroom van 0,2 kg/h; ";
15° in paragraaf 2, 11°, wordt het woord " vuurverzinken " telkens vervangen door de woorden " discontinu thermisch verzinken " en wordt de zinsnede " 10 mg/Nm3 " vervangen door de zinsnede en de zin " 5 mg/Nm3. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, geldt de stofnorm van 5 mg/Nm3 vanaf 1 januari 2015. Tot zolang geldt de stofnorm van 10 mg/Nm3; ".
Art. 105. A l'article 5.29.0.6 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 janvier 1999, 28 novembre 2003 et 19 septembre 2008, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le paragraphe 1er, 3°, a), la partie de phrase " - valeur d'émission directrice : 0,1 ng TEQ/Nm3 sur toutes les valeurs moyennes mesurées dans une période d'échantillonnage de 6 heures au minimum et de 8 heures au maximum3 " est abrogée;
2° dans le paragraphe 1er, 3°, a), la partie de phrase " 0,5 ng TEQ/Nm3 " est remplacée par la partie de phrase " 0,1 ng TEQ/Nm3 ";
3° dans le paragraphe 1er, 3°, b), la partie de phrase " 0,4 ng TEQ/Nm3 " est remplacée par la partie de phrase " 0,1 ng TEQ/Nm3 ";
4° dans le paragraphe 1er, 3°, b), la partie de phrase " à partir du 1er janvier 2003, 1 ng TEQ/Nm3 " est remplacée par la partie de phrase " 0,5 ng TEQ/Nm3 ";
5° au § 1er, il est inséré un nouvel alinéa entre les alinéas premier et deux, rédigé comme suit :
" En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées au paragraphe 1er, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ". Jusqu'à cette date, les valeurs limites d'émission suivantes s'appliquent aux PCDD et aux PCDF, exprimées en nanogrammes d'équivalents de dioxine toxique par Nm3 (ng TEQ / Nm3) :
a) nouveaux établissements :
- valeur limite d'émission : 0,5 ng TEQ/Nm3 sur toutes les valeurs moyennes mesurées dans une période d'échantillonnage de 6 heures au minimum et de 8 heures au maximum3
b) pour les établissements existants :
- valeur directrice d'émission : 0,4 ng TEQ/Nm3 sur toutes les valeurs moyennes mesurées dans une période d'échantillonnage de 6 heures au minimum et de 8 heures au maximum3
- valeur limite d'émission : 1 ng TEQ/Nm3 sur toutes les valeurs moyennes mesurées dans une période d'échantillonnage de 6 heures au minimum et de 8 heures au maximum3 ";
6° au paragraphe 1er, alinéa onze b), la partie de phrase " à partir du 1er janvier 2002 " est abrogée;
7° il est inséré un § 1bis, rédigé comme suit :
" § 1erbis. En ce qui concerne les établissements, mentionnés dans les rubriques 29.5.1 à 29.5.9 de la liste de classification, les valeurs limites d'émission suivantes pour le paramètre poussières s'appliquent :
1° 50 mg/m3 pour les gaz de combustion contenant des substances humides ou gluantes ou pour les gaz de combustion ayant une température > 250° C ou si le flux en masse est < 200 g/heure;
2° 10 mg/m3 pour les autres gaz de combustion.
En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées au paragraphe 1erbis, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ";
8° dans le paragraphe 2 du texte néerlandais, le mot " vermeld " est inséré entre les mots " Tenzij anders " et les mots " i n de milieuvergunning ";
9° dans le paragraphe 2, 3°, a), la phrase " les gaz finaux contenant des poussières doivent être captés et conduits vers une installation de dépoussiérage.
- fonderies de plomb : 10 mg/Nm3
- autres installations d'extraction de métaux brutes non ferreux : 20 mg/Nm3 "
est remplacée par les phrases " les gaz finaux contenant des poussières doivent être captés et conduits vers une installation de dépoussiérage : 10 mg/Nm3. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, la norme relative aux poussières de 10 mg/Nm3 s'applique à partir du 1er janvier 2015. Jusqu'à cette date la norme relative aux poussières de 10 mg/Nm3 s'applique aux fonderies de plomb et la norme relative aux poussières de 20 mg/Nm3 s'applique aux autres installations d'extraction de métaux brutes non ferreux; ";
10° dans le paragraphe 2, 3°, b), la partie de phrase " 800 mg/Nm3 " est remplacée par la partie de phrase " 500 mg/Nm3 ". La norme de 500 mg/Nm3 comme moyenne par lot s'applique aux opérations s'effectuant en lots. Au cours du trajet partiel de l'opération s'effectuant en lots ayant la plus haute émission SO2, la valeur limite d'émission s'élève à 800 mg/Nm3; ";
11° dans le paragraphe 2, 4°, la partie de phrase " 20 mg/Nm3 " est remplacée par la partie de phrase " 10 mg/Nm3 ". En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, la norme relative aux poussières de 10 mg/Nm3 s'applique à partir du 1er janvier 2015. Jusqu'à cette date, la norme relative aux poussières de 20 mg/Nm3 s'applique; ";
12° au paragraphe 2, 5°, le point a) est remplacé par la disposition suivante :
" a) poussières : les gaz de combustion contenant des poussières sont captés dans la mesure du possible et conduits vers une installation de dépoussiérage : 20 mg/Nm3. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, la norme relative aux poussières de 20 mg/Nm3 s'applique à partir du 1er janvier 2015. Jusqu'à cette date la norme relative aux poussières de 20 mg/Nm3 s'applique aux fours électriques à arc, fours à induction ou fours à coupoles et une norme relative aux poussières de 50 mg/Nm3 aux fours à coupole munis d'une extraction des gaz en bas du four; ";
13° dans le paragraphe 2, 7°, a), la partie de phrase " 20 mg/Nm3 " est remplacée par la partie de phrase " 10 mg/Nm3 ". En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, la norme relative aux poussières de 10 mg/Nm3 s'applique à partir du 1er janvier 2015; ";
14° dans le paragraphe 2, 8°, a), la phrase " les gaz finaux contenant des poussières doivent être captés et conduits vers une installation de dépoussiérage.
- installations de fusion ou de raffinage pour plomb et ses alliages pour un flux en masse de 0,2 kg/h : 10 mg/Nm3
- installations de fusion ou de raffinage pour plomb et ses alliages pour un flux en masse de 0,2 kg/h : est remplacée par les phrases " les gaz finaux contenant des poussières doivent être captés et conduits vers une installation de dépoussiérage : 10 mg/Nm3. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, la norme relative aux poussières de 10 mg/Nm3 s'applique à partir du 1er janvier 2015. Jusqu'à cette date la norme relative aux poussières de 10 mg/Nm3 s'applique aux installations de fusion ou de raffinage pour plomb et ses alliages pour un flux en masse de 0,2 kg/h et une norme relative aux poussières de 20 mg/Nm3 s'applique aux autres installations de fusion ou de raffinage pour un flux en masse de 0,2 kg/h; ";
15° dans le paragraphe 2, 11°, les mots " galvanisation au feu " sont remplacés par les mots " galvanisation thermique discontinue " et la partie de phrase " 10 mg/Nm3 " est remplacée par la partie de phrase " 5 mg/Nm3 ". En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, la norme relative aux poussières de 5 mg/Nm3 s'applique à partir du 1er janvier 2015. Jusqu'à cette date, la norme relative aux poussières de 10 mg/Nm3 s'applique.
1° dans le paragraphe 1er, 3°, a), la partie de phrase " - valeur d'émission directrice : 0,1 ng TEQ/Nm3 sur toutes les valeurs moyennes mesurées dans une période d'échantillonnage de 6 heures au minimum et de 8 heures au maximum3 " est abrogée;
2° dans le paragraphe 1er, 3°, a), la partie de phrase " 0,5 ng TEQ/Nm3 " est remplacée par la partie de phrase " 0,1 ng TEQ/Nm3 ";
3° dans le paragraphe 1er, 3°, b), la partie de phrase " 0,4 ng TEQ/Nm3 " est remplacée par la partie de phrase " 0,1 ng TEQ/Nm3 ";
4° dans le paragraphe 1er, 3°, b), la partie de phrase " à partir du 1er janvier 2003, 1 ng TEQ/Nm3 " est remplacée par la partie de phrase " 0,5 ng TEQ/Nm3 ";
5° au § 1er, il est inséré un nouvel alinéa entre les alinéas premier et deux, rédigé comme suit :
" En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées au paragraphe 1er, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ". Jusqu'à cette date, les valeurs limites d'émission suivantes s'appliquent aux PCDD et aux PCDF, exprimées en nanogrammes d'équivalents de dioxine toxique par Nm3 (ng TEQ / Nm3) :
a) nouveaux établissements :
- valeur limite d'émission : 0,5 ng TEQ/Nm3 sur toutes les valeurs moyennes mesurées dans une période d'échantillonnage de 6 heures au minimum et de 8 heures au maximum3
b) pour les établissements existants :
- valeur directrice d'émission : 0,4 ng TEQ/Nm3 sur toutes les valeurs moyennes mesurées dans une période d'échantillonnage de 6 heures au minimum et de 8 heures au maximum3
- valeur limite d'émission : 1 ng TEQ/Nm3 sur toutes les valeurs moyennes mesurées dans une période d'échantillonnage de 6 heures au minimum et de 8 heures au maximum3 ";
6° au paragraphe 1er, alinéa onze b), la partie de phrase " à partir du 1er janvier 2002 " est abrogée;
7° il est inséré un § 1bis, rédigé comme suit :
" § 1erbis. En ce qui concerne les établissements, mentionnés dans les rubriques 29.5.1 à 29.5.9 de la liste de classification, les valeurs limites d'émission suivantes pour le paramètre poussières s'appliquent :
1° 50 mg/m3 pour les gaz de combustion contenant des substances humides ou gluantes ou pour les gaz de combustion ayant une température > 250° C ou si le flux en masse est < 200 g/heure;
2° 10 mg/m3 pour les autres gaz de combustion.
En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées au paragraphe 1erbis, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ";
8° dans le paragraphe 2 du texte néerlandais, le mot " vermeld " est inséré entre les mots " Tenzij anders " et les mots " i n de milieuvergunning ";
9° dans le paragraphe 2, 3°, a), la phrase " les gaz finaux contenant des poussières doivent être captés et conduits vers une installation de dépoussiérage.
- fonderies de plomb : 10 mg/Nm3
- autres installations d'extraction de métaux brutes non ferreux : 20 mg/Nm3 "
est remplacée par les phrases " les gaz finaux contenant des poussières doivent être captés et conduits vers une installation de dépoussiérage : 10 mg/Nm3. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, la norme relative aux poussières de 10 mg/Nm3 s'applique à partir du 1er janvier 2015. Jusqu'à cette date la norme relative aux poussières de 10 mg/Nm3 s'applique aux fonderies de plomb et la norme relative aux poussières de 20 mg/Nm3 s'applique aux autres installations d'extraction de métaux brutes non ferreux; ";
10° dans le paragraphe 2, 3°, b), la partie de phrase " 800 mg/Nm3 " est remplacée par la partie de phrase " 500 mg/Nm3 ". La norme de 500 mg/Nm3 comme moyenne par lot s'applique aux opérations s'effectuant en lots. Au cours du trajet partiel de l'opération s'effectuant en lots ayant la plus haute émission SO2, la valeur limite d'émission s'élève à 800 mg/Nm3; ";
11° dans le paragraphe 2, 4°, la partie de phrase " 20 mg/Nm3 " est remplacée par la partie de phrase " 10 mg/Nm3 ". En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, la norme relative aux poussières de 10 mg/Nm3 s'applique à partir du 1er janvier 2015. Jusqu'à cette date, la norme relative aux poussières de 20 mg/Nm3 s'applique; ";
12° au paragraphe 2, 5°, le point a) est remplacé par la disposition suivante :
" a) poussières : les gaz de combustion contenant des poussières sont captés dans la mesure du possible et conduits vers une installation de dépoussiérage : 20 mg/Nm3. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, la norme relative aux poussières de 20 mg/Nm3 s'applique à partir du 1er janvier 2015. Jusqu'à cette date la norme relative aux poussières de 20 mg/Nm3 s'applique aux fours électriques à arc, fours à induction ou fours à coupoles et une norme relative aux poussières de 50 mg/Nm3 aux fours à coupole munis d'une extraction des gaz en bas du four; ";
13° dans le paragraphe 2, 7°, a), la partie de phrase " 20 mg/Nm3 " est remplacée par la partie de phrase " 10 mg/Nm3 ". En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, la norme relative aux poussières de 10 mg/Nm3 s'applique à partir du 1er janvier 2015; ";
14° dans le paragraphe 2, 8°, a), la phrase " les gaz finaux contenant des poussières doivent être captés et conduits vers une installation de dépoussiérage.
- installations de fusion ou de raffinage pour plomb et ses alliages pour un flux en masse de 0,2 kg/h : 10 mg/Nm3
- installations de fusion ou de raffinage pour plomb et ses alliages pour un flux en masse de 0,2 kg/h : est remplacée par les phrases " les gaz finaux contenant des poussières doivent être captés et conduits vers une installation de dépoussiérage : 10 mg/Nm3. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, la norme relative aux poussières de 10 mg/Nm3 s'applique à partir du 1er janvier 2015. Jusqu'à cette date la norme relative aux poussières de 10 mg/Nm3 s'applique aux installations de fusion ou de raffinage pour plomb et ses alliages pour un flux en masse de 0,2 kg/h et une norme relative aux poussières de 20 mg/Nm3 s'applique aux autres installations de fusion ou de raffinage pour un flux en masse de 0,2 kg/h; ";
15° dans le paragraphe 2, 11°, les mots " galvanisation au feu " sont remplacés par les mots " galvanisation thermique discontinue " et la partie de phrase " 10 mg/Nm3 " est remplacée par la partie de phrase " 5 mg/Nm3 ". En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, la norme relative aux poussières de 5 mg/Nm3 s'applique à partir du 1er janvier 2015. Jusqu'à cette date, la norme relative aux poussières de 10 mg/Nm3 s'applique.
Art. 106. In artikel 5.29.0.9 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en 7 maart 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 1° wordt vervangen door wat volgt :
" 1° bij gebruik van baden met ontvlambare inhoud is het verboden binnen een zone van 3 m, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, rond de baden :
a) te roken;
b) open gloei-elementen te gebruiken, open vuur te maken en vonken te verwekken, tenzij maatregelen zijn genomen om het brandgevaar tegen te gaan en om, in voorkomend geval, elk begin van brand onmiddellijk te bestrijden;
c) gemakkelijk brandbare stoffen te stapelen.
In de onmiddellijke omgeving van de baden worden de toepasselijke reglementaire pictogrammen aangebracht; ";
2° in punt 2° wordt het woord " kuipen " vervangen door de woorden " baden of opvangrecipiënten ";
3° in punt 3° wordt het woord " kuipen " telkens vervangen door de woorden " baden of opvangrecipiënten ";
4° in punt 3°, c), wordt punt iii) vervangen door wat volgt :
" iii) de nuttige inhoud is ten minste gelijk aan de inhoud van het grootste erin geplaatste bad of de grootste erin geplaatste opvangrecipiënt; ";
5° in punt 4°, h), wordt het woord " behandelingskuipen " vervangen door het woord " behandelingsbaden ";
6° in punt 5° wordt het woord " kuipen " vervangen door het woord " oppervlaktebehandelingsinstallaties ";
7° in punt 7° wordt het woord " tank " vervangen door het woord " bad ";
8° in punt 9° wordt het woord " kuipen " vervangen door de woorden " baden of opvangrecipiënten ".
1° punt 1° wordt vervangen door wat volgt :
" 1° bij gebruik van baden met ontvlambare inhoud is het verboden binnen een zone van 3 m, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, rond de baden :
a) te roken;
b) open gloei-elementen te gebruiken, open vuur te maken en vonken te verwekken, tenzij maatregelen zijn genomen om het brandgevaar tegen te gaan en om, in voorkomend geval, elk begin van brand onmiddellijk te bestrijden;
c) gemakkelijk brandbare stoffen te stapelen.
In de onmiddellijke omgeving van de baden worden de toepasselijke reglementaire pictogrammen aangebracht; ";
2° in punt 2° wordt het woord " kuipen " vervangen door de woorden " baden of opvangrecipiënten ";
3° in punt 3° wordt het woord " kuipen " telkens vervangen door de woorden " baden of opvangrecipiënten ";
4° in punt 3°, c), wordt punt iii) vervangen door wat volgt :
" iii) de nuttige inhoud is ten minste gelijk aan de inhoud van het grootste erin geplaatste bad of de grootste erin geplaatste opvangrecipiënt; ";
5° in punt 4°, h), wordt het woord " behandelingskuipen " vervangen door het woord " behandelingsbaden ";
6° in punt 5° wordt het woord " kuipen " vervangen door het woord " oppervlaktebehandelingsinstallaties ";
7° in punt 7° wordt het woord " tank " vervangen door het woord " bad ";
8° in punt 9° wordt het woord " kuipen " vervangen door de woorden " baden of opvangrecipiënten ".
Art. 106. A l'article 5.29.0.9 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 janvier 1999 et 7 mars 2008, sont apportées les modifications suivantes :
1° le point 1° est remplacé par la disposition suivante :
" 1° en cas d'utilisation de bains à contenu inflammable, il est interdit autour des bains, dans une zone de 3 m, sauf dispositions contraires dans l'autorisation écologique, :
a) de fumer;
b) d'utiliser des éléments à incandescence libre, de faire brûler un feu ouvert et de provoquer des étincelles, sauf si des mesures de prévention d'incendie ont été prises et, le cas échéant, de luter immédiatement contre tout début d'incendie;
c) d'entreposer des substances facilement inflammables.
Les pictogrammes réglementaires adéquats sont apposés dans les environs immédiats des bains; ";
2° dans le point 2°, le mot " cuves " est remplacé par les mots " bains ou récipients de captage ";
3° dans le point 3°, le mot " cuves " est chaque fois remplacé par les mots " bains ou récipients de captage ";
4° dans le point 3°, c), le point iii) est remplacé par la disposition suivante :
" iii) le contenu utile est au moins égal au contenu du plus grand bain ou du plus grand récipient de captage y déposé; ";
5° dans le point 4°, h), les mots " cuves de traitement " sont remplacés par les mots " bains de traitement ";
6° dans le point 5°, le mot " cuves " est remplacé par les mots " installations de traitement en surface ";
7° dans le point 7°, le mot " réservoir " est remplacé par le mot " bain ";
8° dans le point 9°, le mot " cuves " est remplacé par les mots " bains ou récipients de captage ".
1° le point 1° est remplacé par la disposition suivante :
" 1° en cas d'utilisation de bains à contenu inflammable, il est interdit autour des bains, dans une zone de 3 m, sauf dispositions contraires dans l'autorisation écologique, :
a) de fumer;
b) d'utiliser des éléments à incandescence libre, de faire brûler un feu ouvert et de provoquer des étincelles, sauf si des mesures de prévention d'incendie ont été prises et, le cas échéant, de luter immédiatement contre tout début d'incendie;
c) d'entreposer des substances facilement inflammables.
Les pictogrammes réglementaires adéquats sont apposés dans les environs immédiats des bains; ";
2° dans le point 2°, le mot " cuves " est remplacé par les mots " bains ou récipients de captage ";
3° dans le point 3°, le mot " cuves " est chaque fois remplacé par les mots " bains ou récipients de captage ";
4° dans le point 3°, c), le point iii) est remplacé par la disposition suivante :
" iii) le contenu utile est au moins égal au contenu du plus grand bain ou du plus grand récipient de captage y déposé; ";
5° dans le point 4°, h), les mots " cuves de traitement " sont remplacés par les mots " bains de traitement ";
6° dans le point 5°, le mot " cuves " est remplacé par les mots " installations de traitement en surface ";
7° dans le point 7°, le mot " réservoir " est remplacé par le mot " bain ";
8° dans le point 9°, le mot " cuves " est remplacé par les mots " bains ou récipients de captage ".
Art. 107. In hoofdstuk 5.29 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt een artikel 5.29.0.9bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 5.29.0.9bis. Met betrekking tot het thermisch reinigen van metalen voorwerpen als vermeld in rubriek 29.5.10 van de indelingslijst, worden de volgende voorschriften in acht genomen :
1° inrichtingen die ingedeeld zijn in de derde klasse, geven bij de melding of op verzoek van de toezichthoudende overheid voldoende informatie, zoals de technische fiche van de installatie, het garantiebewijs van de leverancier van de installaties, de MSDS-fiches van de te verwijderen stoffen, de eigenschappen van het basismateriaal, de temperatuursopvolging van de naverbrander, zodat aangetoond kan worden dat voor die installatie geen emissiegrenswaarden hoeven opgelegd te worden.
2° voor inrichtingen die chloor- of fluorhoudende stoffen of rubbers of viscose houdende stoffen, afkomstig van werkstukken die gebruikt worden bij de productie van viscose, verwijderen en waarbij het zwavelgehalte van de verontreiniging van die aard kan zijn dat opvolging van het SO2-gehalte in het afgas aangewezen is, gelden de volgende luchtemissiegrenswaarden, uitgedrukt in mg/Nm3, die betrekking hebben op de volgende omstandigheden :
a) een temperatuur van 0° C;
b) een druk van 101,3 kPa;
c) droog gas. Bij thermische reiniging waar stoom het dragergas is, kunnen de emissiegrenswaarden, met inbegrip van het watergehalte, worden toegepast, vermeld in artikel 4.4.3.1, § 1, 2° ;
d) een zuurstofgehalte van 11 % :
" Art. 5.29.0.9bis. Met betrekking tot het thermisch reinigen van metalen voorwerpen als vermeld in rubriek 29.5.10 van de indelingslijst, worden de volgende voorschriften in acht genomen :
1° inrichtingen die ingedeeld zijn in de derde klasse, geven bij de melding of op verzoek van de toezichthoudende overheid voldoende informatie, zoals de technische fiche van de installatie, het garantiebewijs van de leverancier van de installaties, de MSDS-fiches van de te verwijderen stoffen, de eigenschappen van het basismateriaal, de temperatuursopvolging van de naverbrander, zodat aangetoond kan worden dat voor die installatie geen emissiegrenswaarden hoeven opgelegd te worden.
2° voor inrichtingen die chloor- of fluorhoudende stoffen of rubbers of viscose houdende stoffen, afkomstig van werkstukken die gebruikt worden bij de productie van viscose, verwijderen en waarbij het zwavelgehalte van de verontreiniging van die aard kan zijn dat opvolging van het SO2-gehalte in het afgas aangewezen is, gelden de volgende luchtemissiegrenswaarden, uitgedrukt in mg/Nm3, die betrekking hebben op de volgende omstandigheden :
a) een temperatuur van 0° C;
b) een druk van 101,3 kPa;
c) droog gas. Bij thermische reiniging waar stoom het dragergas is, kunnen de emissiegrenswaarden, met inbegrip van het watergehalte, worden toegepast, vermeld in artikel 4.4.3.1, § 1, 2° ;
d) een zuurstofgehalte van 11 % :
Art. 107. Dans le chapitre 5.29 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, il est inséré un article 5.29.0.9bis, rédigé comme suit : :
" Art. 5.29.0.9bis. Le nettoyage thermique d'objets métalliques telq que visés à la rubrique 29.5.10 de la liste de classification est régi par les prescriptions suivantes :
1° les établissements classés dans la troisième classe fournissent, lors de la communication ou sur demande de l'autorité de tutelle, suffisamment d'informations, telles que la fiche technique de l'installation, l'attestation de garantie du fournisseur des installations, les fiches MSDS des substances à évacuer, les caractéristiques du matériel de base, le suivi de la température du dispositif de postcombustion, de sorte qu'il puisse être démontré qu'aucune valeur limité d'émission ne doit être imposée à cette installation.
2° en ce qui concerne les établissements qui enlèvent des substances contenant du chlore ou du fluor ou des caoutchoucs ou des substances contenant des viscoses, provenant de pièces de travail qui sont utilisées lors de la production de viscoses et pour lesquelles la teneur en souffre de la pollution peut être de telle nature que le suivi de la teneur en SO2 dans les gaz de combustion est indiqué, les valeurs limites d'émission, exprimées en mg-Nm3, qui ont trait aux suivantes circonstances, s'appliquent :
a) une température van 0° C;
b) une pression de 101,3 kPa;
c) gaz sec. En cas de nettoyage thermique pendant lequel la vapeur est le gaz porteur, les valeurs limites d'émission visées à l'article 4.4.3.1, § 1er, 2°, y compris la teneur en eau, peuvent être appliquées;
d) teneur en oxygène de 11 %;
" Art. 5.29.0.9bis. Le nettoyage thermique d'objets métalliques telq que visés à la rubrique 29.5.10 de la liste de classification est régi par les prescriptions suivantes :
1° les établissements classés dans la troisième classe fournissent, lors de la communication ou sur demande de l'autorité de tutelle, suffisamment d'informations, telles que la fiche technique de l'installation, l'attestation de garantie du fournisseur des installations, les fiches MSDS des substances à évacuer, les caractéristiques du matériel de base, le suivi de la température du dispositif de postcombustion, de sorte qu'il puisse être démontré qu'aucune valeur limité d'émission ne doit être imposée à cette installation.
2° en ce qui concerne les établissements qui enlèvent des substances contenant du chlore ou du fluor ou des caoutchoucs ou des substances contenant des viscoses, provenant de pièces de travail qui sont utilisées lors de la production de viscoses et pour lesquelles la teneur en souffre de la pollution peut être de telle nature que le suivi de la teneur en SO2 dans les gaz de combustion est indiqué, les valeurs limites d'émission, exprimées en mg-Nm3, qui ont trait aux suivantes circonstances, s'appliquent :
a) une température van 0° C;
b) une pression de 101,3 kPa;
c) gaz sec. En cas de nettoyage thermique pendant lequel la vapeur est le gaz porteur, les valeurs limites d'émission visées à l'article 4.4.3.1, § 1er, 2°, y compris la teneur en eau, peuvent être appliquées;
d) teneur en oxygène de 11 %;
| parameter | emissiegrenswaarde (mg/Nm3) |
| gasvormige anorganische chloriden (HCl) | 20 |
| gasvormige anorganische fluoriden (HF) | 3 |
| SO2 | 50 |
3° voor installaties met een thermisch vermogen van meer dan 0,2 MW gelden de volgende voorwaarden :
a) de aanwezigheid van een naverbrander en een ontstoffing;
b) de volgende emissiegrenswaarden, uitgedrukt in mg/Nm3, die betrekking hebben op de volgende omstandigheden :
1) een temperatuur van 0° C;
2) een druk van 101,3 kPa;
3) droog gas. Bij thermische reiniging waar stoom het dragergas is, kunnen de emissiegrenswaarden, met inbegrip van het watergehalte, worden toegepast, vermeld in artikel 4.4.3.1, § 1, 2° ;
4) een gemeten zuurstofconcentratie voor stof;
5) een zuurstofgehalte van 11% voor andere parameters :
| paramètre | valeur limite d'émission (mg/Nm3) |
| chlorures inorganiques gazeuses (HCl) | 20 |
| fluorures inorganiques gazeuses (HF) | 3 |
| SO2 | 50 |
3° en ce qui concerne les installations thermiques ayant une puissance thermique de plus de 0,2 MW, les conditions suivantes s'appliquent :
a) la présence d'un dispositif de postcombustion et de dépoussiérage;
b) les valeurs limites d'émission, exprimées en mg-Nm3, qui ont trait aux suivantes circonstances :
1) une température van 0° C;
2) une pression de 101,3 kPa;
3) gaz sec. En cas de nettoyage thermique pendant lequel la vapeur est le gaz porteur, les valeurs limites d'émission visées à l'article 4.4.3.1, § 1er, 2°, y compris la teneur en eau, peuvent être appliquées;
4) concentration d'oxygène mesurée pour les poussières;
5) teneur en oxygène de 11 % pour les autres paramètres :
| parameter | emissiegrenswaarde (mg/Nm3) |
| stofdeeltjes (totaal) | 20(1) |
| CO | 100 |
| organische stoffen (als totaal C) | 20 |
| Nox (stikstofdioxide) : richtwaarde | 300 |
(1) Als kan worden aangetoond in de milieuvergunningsaanvraag dat het gebruik van doekfilters technisch niet mogelijk is, kan er worden afgeweken van deze emissiegrenswaarde tot 50 mg/Nm3.
c) voor inrichtingen die chloor- of fluorhoudende stoffen of rubbers of viscosehoudende stoffen verwijderen, gelden bijkomend de emissiegrenswaarden van punt 2° ;
4° voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen van dit artikel vanaf 1 januari 2015. ".
| paramètre | valeur limite d'émission (mg/Nm3) |
| particules poussiéreux (total) | 20(1) |
| CO | 100 |
| substances organiques (comme total C) | 20 |
| NOx (dioxyde d'azote) : valeur directrice | 300 |
(1) S'il peut être démontré dans l'autorisation écologique que l'utilisation de filtres à tissus est techniquement impossible, il peut être dérogé à cette valeur limite d'émission jusqu'à 50 mg/Nm3.
c) en ce qui concerne les établissements qui enlèvent des substances contenant du chlore ou du fluor ou des caoutchoucs ou des substances contenant des viscoses, les valeurs limites d'émission du point s'applique de surcroît;
4° En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations du présent article, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
Art. 108. In artikel 5.29.0.10 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 maart 1998 en 14 maart 2003, wordt de laatste zin opgeheven.
Art. 108. A l'article 5.29.0.10 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 24 mars 1998 et 14 mars 2003, la dernière phrase est abrogée.
Art. 109. Aan hoofdstuk 5.29 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt een artikel 5.29.0.11 toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 5.29.0.11. Het gebruik van de complexvormers EDTA (ethyleendiaminetetra-azijnzuur) en NTA (nitrilotriazijnzuur) bij het reinigen, ontvetten, beitsen in galvanobehandelingen en in stroomloze koper- en nikkelbaden is verboden, tenzij het uitdrukkelijk in de milieuvergunning wordt toegelaten. ".
" Art. 5.29.0.11. Het gebruik van de complexvormers EDTA (ethyleendiaminetetra-azijnzuur) en NTA (nitrilotriazijnzuur) bij het reinigen, ontvetten, beitsen in galvanobehandelingen en in stroomloze koper- en nikkelbaden is verboden, tenzij het uitdrukkelijk in de milieuvergunning wordt toegelaten. ".
Art. 109. Dans le chapitre 5.29 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, il est ajouté un article 5.29.0.11, rédigé comme suit :
" Art. 5.29.0.11. L'utilisation d'agents formant des complexes EDTA (acide éthylènediaminetétraacétique) et le NTA (acide nitrilotriacétique) pour le nettoyage, dégraissage, décapage lors de traitements galvaniques et dans des bains de cuivre et de nickel exempts de courants, est interdite, sauf autorisation explicite dans l'autorisation écologique. ".
" Art. 5.29.0.11. L'utilisation d'agents formant des complexes EDTA (acide éthylènediaminetétraacétique) et le NTA (acide nitrilotriacétique) pour le nettoyage, dégraissage, décapage lors de traitements galvaniques et dans des bains de cuivre et de nickel exempts de courants, est interdite, sauf autorisation explicite dans l'autorisation écologique. ".
Art. 110. Aan afdeling 5.30.0 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt een artikel 5.30.0.8 toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 5.30.0.8. Overeenkomstig het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 tot beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (asbest) is het gebruik en de productie van asbesthoudende materialen verboden. ".
" Art. 5.30.0.8. Overeenkomstig het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 tot beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (asbest) is het gebruik en de productie van asbesthoudende materialen verboden. ".
Art. 110. A la section 5.30.0 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, il est ajouté un article 5.30.0.8., rédigé comme suit :
" Art. 5.30.0.8. Conformément à l'arrêté royal du 23 octobre 2001 limitant la mise sur le marché et l'emploi de certaines substances et préparations dangereuses (amiante), l'utilisation et la production de matériaux contenant de l'amiante sont interdites. ".
" Art. 5.30.0.8. Conformément à l'arrêté royal du 23 octobre 2001 limitant la mise sur le marché et l'emploi de certaines substances et préparations dangereuses (amiante), l'utilisation et la production de matériaux contenant de l'amiante sont interdites. ".
Art. 111. In artikel 5.30.1.3, 2°, b), van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 maart 2003 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt de tabel vervangen door wat volgt :
"
"
Art. 111. Dans l'article 5.30.1.3, 2°, b), du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 mars 2003 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, le tableau est remplacé par le tableau suivant :
"
"
| parameter | rookgasemissiegrenswaarden | |
| SOx | draaitrommelovens, voor de productie van geëxpandeerde kleikorrels | tot 31/12/2020 : 1 000 mg/Nm3 vanaf 01/01/2021 : 500 mg/Nm3 |
| andere ovens | 500 mg/Nm3 | |
| HF | 5 mg/Nm3 | |
| HCl | 30 mg/Nm3 | |
| Stof | ovens met een droge rookgasreiniging met doekenfilter | tot 31/12/2014 : 50 mg/Nm3 vanaf 01/01/2015 : 20 mg/Nm3 |
| andere ovens | 50 mg/Nm3 | |
| VOS | voor ovens met naverbranding | 50 mg/Nm3 |
| voor ovens zonder naverbranding | 150 mg/Nm3 | |
| CO | voor ovens met naverbranding | 100 mg/Nm3 |
| voor ovens zonder naverbranding | 800 mg/Nm3 | |
| uitzondering : snelbouwovens | 1.500 mg/Nm3 | |
| uitzondering : ring- en veldbrandovens | 1.500 mg/Nm3, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning | |
| dioxinen en furanen | 0,1 ng TEQ/Nm3 |
vanaf 01/01/2021 : 500 mg/Nm3andere ovens500 mg/Nm3
HF5 mg/Nm3HCl30 mg/Nm3Stofovens met een droge rookgasreiniging met doekenfiltertot 31/12/2014 : 50 mg/Nm3
vanaf 01/01/2015 : 20 mg/Nm3andere ovens50 mg/Nm3VOSvoor ovens met naverbranding50 mg/Nm3voor ovens zonder naverbranding150 mg/Nm3COvoor ovens met naverbranding100 mg/Nm3voor ovens zonder naverbranding800 mg/Nm3
uitzondering : snelbouwovens1.500 mg/Nm3
uitzondering : ring- en veldbrandovens1.500 mg/Nm3, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning
dioxinen en furanen0,1 ng TEQ/Nm3
".
| paramètre | valeurs limites d'émission des gaz de combustion | |
| Sox | fours à tambours rotatifs, pour la production de granules d'argile expansés | jusqu'au 31/12/2020 : 1 000 mg/Nm3 à partir du 01/01/2021 : 500 mg/Nm3 |
| autres fours | 500 mg/Nm3 | |
| HF | 5 mg/Nm3 | |
| HCl | 30 mg/Nm3 | |
| Poussières | fours à nettoyage des gaz de combustion à sec avec filtre de tissu | jusqu'au 31/12/2014 : 50 mg/Nm3 à partir du 01/01/2015 : 20 mg/Nm3 |
| autres fours | 50 mg/Nm3 | |
| VOS | pour fours à postcombustion | 50 mg/Nm3 |
| pour fours sans postcombustion | 150 mg/Nm3 | |
| CO | pour fours à postcombustion | 100 mg/Nm3 |
| pour fours sans postcombustion | 800 mg/Nm3 | |
| exception : fours pour blocs treillis | 1 500 mg/Nm3 | |
| exception : fours ronds et fours de campagne | 1.500 mg/Nm3, sauf dispositions contraires dans l'autorisation écologique | |
| dioxines et furanes | 0,1 ng TEQ/Nm3 |
HF5 mg/Nm3HCl30 mg/Nm3Poussièresfours à nettoyage des gaz de combustion à sec avec filtre de tissujusqu'au 31/12/2014 : 50 mg/Nm3 à partir du 01/01/2015 : 20 mg/Nm3autres fours50 mg/Nm3VOSpour fours à postcombustion50 mg/Nm3pour fours sans postcombustion150 mg/Nm3COpour fours à postcombustion100 mg/Nm3pour fours sans postcombustion800 mg/Nm3
exception : fours pour blocs treillis1 500 mg/Nm3
exception : fours ronds et fours de campagne1.500 mg/Nm3, sauf dispositions contraires dans l'autorisation écologique
dioxines et furanes0,1 ng TEQ/Nm3
";
Art. 112. Artikel 5.30.1.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 maart 2003 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt opgeheven.
Art. 112. L'article 5.30.1.4 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 mars 2003 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, est abrogé.
Art. 113. Aan hoofdstuk 5.30 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 21 maart 2003 en 19 september 2008, worden een afdeling 5.30.3, die bestaat uit artikelen 5.30.3.1 tot en met 5.30.3.3 en een afdeling 5.30.4, die bestaat uit artikelen 5.30.4.1 en 5.30.4.2, toegevoegd, die luiden als volgt :
" Afdeling 5.30.3. - Natuursteenverwerkende bedrijven
Art. 5.30.3.1. Deze afdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 30.7 van de indelingslijst, maar geldt niet voor de productie van kunststeen.
Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen van deze afdeling vanaf 1 januari 2017.
Art. 5.30.3.2. Het gebruik van open bezinkingsbekkens is verboden.
Art. 5.30.3.3. Het is verboden om afvalwater, afkomstig van het productieproces, te lozen.
Afdeling 5.30.4. - Betoncentrales en betonproductenindustrie
Art. 5.30.4.1. Deze afdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubrieken 30.2.1°, c), en 30.3, c), van de indelingslijst.
Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen van deze afdeling vanaf 1 januari 2015.
Art. 5.30.4.2. Het is verboden om afvalwater, afkomstig van het productieproces, te lozen, tenzij dit voor tijdelijke inrichtingen uitdrukkelijk wordt vermeld in de milieuvergunning. ".
" Afdeling 5.30.3. - Natuursteenverwerkende bedrijven
Art. 5.30.3.1. Deze afdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 30.7 van de indelingslijst, maar geldt niet voor de productie van kunststeen.
Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen van deze afdeling vanaf 1 januari 2017.
Art. 5.30.3.2. Het gebruik van open bezinkingsbekkens is verboden.
Art. 5.30.3.3. Het is verboden om afvalwater, afkomstig van het productieproces, te lozen.
Afdeling 5.30.4. - Betoncentrales en betonproductenindustrie
Art. 5.30.4.1. Deze afdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubrieken 30.2.1°, c), en 30.3, c), van de indelingslijst.
Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen van deze afdeling vanaf 1 januari 2015.
Art. 5.30.4.2. Het is verboden om afvalwater, afkomstig van het productieproces, te lozen, tenzij dit voor tijdelijke inrichtingen uitdrukkelijk wordt vermeld in de milieuvergunning. ".
Art. 113. Le chapitre 05.30 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 janvier 1999, 21 mars 2003 et 19 septembre 2008, est complété par une section 5.30.4 comprenant les articles 5.30.3.1 à 5.30.3.3 inclus et une section 5.30.4 comprenant les articles 5.30.4.1 en 5.30.4.2, rédigées comme suit :
" Section 5.30.3. - Entreprises transformant les pierres naturelles
Art. 5.30.3.1. La présente section s'applique aux établissements, visés à la rubrique 30.7 de la liste de classification, mais ne s'applique pas à la production de pierres artificielles.
En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations de la présente section s'appliquent à partir du 1er janvier 2017.
Art. 5.30.3.2. L'utilisation de bassins de sédimentation ouverts est interdite.
Art. 5.30.3.3. Il est interdit de déverser des eaux usées provenant du processus de production.
Section 5.30.4.} - Centrales de béton et industrie de production de béton
Art. 5.30.4.1. La présente section s'applique aux établissements, visés à la rubrique 30.2.1°, c), et 30.3, c); de la liste de classification.
En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations de la présente section s'appliquent à partir du 1er janvier 2015.
Art. 5.30.4.2. Il est interdit de déverser des eaux usées provenant du processus de production, sauf si tel est explicitement mentionné dans l'autorisation écologique pour certains établissements temporaires. ".
" Section 5.30.3. - Entreprises transformant les pierres naturelles
Art. 5.30.3.1. La présente section s'applique aux établissements, visés à la rubrique 30.7 de la liste de classification, mais ne s'applique pas à la production de pierres artificielles.
En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations de la présente section s'appliquent à partir du 1er janvier 2017.
Art. 5.30.3.2. L'utilisation de bassins de sédimentation ouverts est interdite.
Art. 5.30.3.3. Il est interdit de déverser des eaux usées provenant du processus de production.
Section 5.30.4.} - Centrales de béton et industrie de production de béton
Art. 5.30.4.1. La présente section s'applique aux établissements, visés à la rubrique 30.2.1°, c), et 30.3, c); de la liste de classification.
En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations de la présente section s'appliquent à partir du 1er janvier 2015.
Art. 5.30.4.2. Il est interdit de déverser des eaux usées provenant du processus de production, sauf si tel est explicitement mentionné dans l'autorisation écologique pour certains établissements temporaires. ".
Art. 114. Artikel 5.31.0.1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt opgeheven.
Art. 114. L'article 5.31.0.1 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, est abrogé.
Art. 115. In artikel 5.32.4.2, § 3, tweede lid, van hetzelfde besluit, worden de woorden " Elke dier " vervangen door de woorden " Elk van die ".
Art. 115. Dans le texte néerlandais, à l'article 5.32.4.2, § 3, alinéa deux, du même arrêté, les mots " Elke dier " sont remplacés par les mots " Elk van die ".
Art. 116. In artikel 5.32.7.1.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 2, 2°, wordt de zinsnede " het Koninklijk Besluit van 15 oktober 1991 tot regeling van de schietstanden voor de opleiding en training in vuurwapens " vervangen door de zinsnede " het koninklijk besluit van 13 juli 2000 tot bepaling van de erkenningsvoorwaarden van schietstanden ";
2° in paragraaf 3 wordt de zinsnede " subrubriek 32.7.2 " telkens vervangen door de zinsnede " rubriek 32.7.3° ".
1° paragraaf 2, 2°, wordt de zinsnede " het Koninklijk Besluit van 15 oktober 1991 tot regeling van de schietstanden voor de opleiding en training in vuurwapens " vervangen door de zinsnede " het koninklijk besluit van 13 juli 2000 tot bepaling van de erkenningsvoorwaarden van schietstanden ";
2° in paragraaf 3 wordt de zinsnede " subrubriek 32.7.2 " telkens vervangen door de zinsnede " rubriek 32.7.3° ".
Art. 116. A l'article 5.32.7.1.1 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le paragraphe 2, 2°, la partie de phrase " l'arrêté royal du 15 octobre 1991 portant réglementation des stands de tir utilisés pour la formation et l'entraînement au tir avec des armes à feu " est remplacée par la partie de phrase " Arrêté royal du 13 juillet 2000 déterminant les conditions d'agrément des stands de tir ";
2° dans le paragraphe 3, la partie de phrase " sous-rubrique 32.7.2 " est chaque fois remplacée par la partie de phrase " rubrique 32.7.3 ";
1° dans le paragraphe 2, 2°, la partie de phrase " l'arrêté royal du 15 octobre 1991 portant réglementation des stands de tir utilisés pour la formation et l'entraînement au tir avec des armes à feu " est remplacée par la partie de phrase " Arrêté royal du 13 juillet 2000 déterminant les conditions d'agrément des stands de tir ";
2° dans le paragraphe 3, la partie de phrase " sous-rubrique 32.7.2 " est chaque fois remplacée par la partie de phrase " rubrique 32.7.3 ";
Art. 117. In artikel 5.32.9.1.4, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, in artikel 5.32.9.2.1, § 8, 3°, in artikel 5.32.9.2.1, § 8, 7°, in artikel 5.32.9.2.2, § 3, 12°, in artikel 5.32.9.2.2, § 4, 1°, c), gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, in artikel 5.32.9.2.2, § 4, 2°, b), gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, in artikel 5.32.9.2.2, § 4, 3°, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, in artikel 5.32.9.2.2, § 4, 6°, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, in artikel 5.32.9.3.1, § 7, 3°, in artikel 5.32.9.3.1, § 7, 7°, in artikel 5.32.9.3.2, § 3, 12°, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, in artikel 5.32.9.3.2, § 4, 1°, c), in artikel 5.32.9.3.2, § 4, 2°, c), in artikel 5.32.9.3.2, § 4, 3°, in artikel 5.32.9.3.2, § 4, 6°, in artikel 5.32.9.4.1, § 1, in artikel 5.32.9.4.2, § 1, c), gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, in artikel 5.32.9.4.2, § 2, 2°, in artikel 5.32.9.4.2, § 3, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en 19 september 2008, in artikel 5.32.9.4.2, § 8, in artikel 5.32.9.5.1, § 1, c), in artikel 5.32.9.5.1, § 2, 2°, in artikel 5.32.9.5.1, § 3, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, in artikel 5.32.9.6.1, § 1, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, in artikel 5.32.9.7.1, § 8, 3°, in artikel 5.32.9.7.1, § 8, 7°, in artikel 5.32.9.7.2, § 3, 8°, in artikel 5.32.9.7.2, § 4, 1°, c), in artikel 5.32.9.7.2, § 4, 2°, b), in artikel 5.32.9.7.2, § 4, 3°, in artikel 5.32.9.7.2, § 5, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, van hetzelfde besluit wordt het woord " gezondheidsinspecteur " telkens vervangen door de woorden " milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid ".
Art. 117. Dans l'article 5.32.9.1.4, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mars 2008, dans l'article 5.32.9.2.1, § 8, 3°, dans l'article 5.32.9.2.1, § 8, 7°, dans l'article 5.32.9.2.2, § 3, 12°, dans l'article 5.32.9.2.2, § 4, 1°, c), modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, dans l'article 5.32.9.2.2, § 4, 2°, b), modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, dans l'article 5.32.9.2.2, § 4, 3°, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, dans l'article 5.32.9.2.2, § 4, 6°, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, dans l'article 5.32.9.3.1, § 7, 3°, dans l'article 5.32.9.3.1, § 7, 7°, dans l'article 5.32.9.3.2, § 3, 12°, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, dans l'article 5.32.9.3.2, § 4, 1°, c), dans l'article 5.32.9.3.2, § 4, 2°, c), dans l'article 5.32.9.3.2, § 4, 3°, dans l'article 5.32.9.3.2, § 4, 6°, dans l'article 5.32.9.4.1, § 1er, dans l'article 5.32.9.4.2, § 1er, c), modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, dans l'article 5.32.9.4.2, § 2, 2°, dans l'article 5.32.9.4.2, § 3, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 janvier 1999 et 19 septembre 2008, dans l'article 5.32.9.4.2, § 8, dans l'article 5.32.9.5.1, § 1er, c), dans l'article 5.32.9.5.1, § 2, 2°, dans l'article 5.32.9.5.1, § 3, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, dans l'article 5.32.9.6.1, § 1er, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, dans l'article 5.32.9.7.1, § 8, 3°, dans l'article 5.32.9.7.1, § 8, 7°, dans l'article 5.32.9.7.2, § 3, 8°, dans l'article 5.32.9.7.2, § 4, 1°, c), dans l'article 5.32.9.7.2, § 4, 2°, b), dans l'article 5.32.9.7.2, § 4, 3°, dans l'article 5.32.9.7.2, § 5, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, du même arrêté le mot " inspecteur de santé " est chaque fois remplacé par les mots " médecin environnemental ou expert de santé environnemental de la division, chargée du contrôle sur la santé publique ".
Art. 118. In artikel 5.32.9.2.2, § 5, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
" Het zwembad wordt gevuld of bijgevuld met vers water. Als het vul- en suppletiewater geen leidingwater is, wordt het water ten minste halfjaarlijks bemonsterd en geanalyseerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein drinkwater, vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Ter controle van de effectief toegevoegde hoeveelheid water wordt voorzien in een debietmeter op het suppletiewater.
Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, vanaf 1 januari 2015. ".
" Het zwembad wordt gevuld of bijgevuld met vers water. Als het vul- en suppletiewater geen leidingwater is, wordt het water ten minste halfjaarlijks bemonsterd en geanalyseerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein drinkwater, vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Ter controle van de effectief toegevoegde hoeveelheid water wordt voorzien in een debietmeter op het suppletiewater.
Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, vanaf 1 januari 2015. ".
Art. 118. Dans l'article 5.32.9.2.2, § 5, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, l'alinéa premier est remplacé par la disposition suivante :
" La piscine est remplie avec de l'eau fraîche ou de l'eau fraîche est ajoutée. Si l'eau de remplissage ou de supplément n'est pas de l'eau du réseau publique de distribution d'eau, l'eau est échantillonnée et analysée au moins tous les six mois par un laboratoire agréé dans la discipline de l'eau, sous-domaine eau potable, visée à l'article 6, 5°, a) du VLAREL. Un débitmètre mesurant l'eau de supplément est prévu en vue du contrôle de la quantité d'eau effectivement ajoutée.
" En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées au paragraphe 1er, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
" La piscine est remplie avec de l'eau fraîche ou de l'eau fraîche est ajoutée. Si l'eau de remplissage ou de supplément n'est pas de l'eau du réseau publique de distribution d'eau, l'eau est échantillonnée et analysée au moins tous les six mois par un laboratoire agréé dans la discipline de l'eau, sous-domaine eau potable, visée à l'article 6, 5°, a) du VLAREL. Un débitmètre mesurant l'eau de supplément est prévu en vue du contrôle de la quantité d'eau effectivement ajoutée.
" En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées au paragraphe 1er, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
Art. 119. In artikel 5.32.9.3.2, § 5, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
" Het zwembad wordt gevuld of bijgevuld met vers water. Als het vul- en suppletiewater geen leidingwater is, wordt het water ten minste halfjaarlijks bemonsterd en geanalyseerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein drinkwater, vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Ter controle van de effectief toegevoegde hoeveelheid water wordt voorzien in een debietmeter op het suppletiewater.
Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, vanaf 1 januari 2015. ".
" Het zwembad wordt gevuld of bijgevuld met vers water. Als het vul- en suppletiewater geen leidingwater is, wordt het water ten minste halfjaarlijks bemonsterd en geanalyseerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein drinkwater, vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Ter controle van de effectief toegevoegde hoeveelheid water wordt voorzien in een debietmeter op het suppletiewater.
Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, vanaf 1 januari 2015. ".
Art. 119. Dans l'article 5.32.9.3.2, § 5, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, l'alinéa premier est remplacé par la disposition suivante :
" La piscine est remplie avec de l'eau fraîche ou de l'eau fraîche est ajoutée. Si l'eau de remplissage ou de supplément n'est pas de l'eau du réseau publique de distribution d'eau, l'eau est échantillonnée et analysée au moins tous les six mois par un laboratoire agréé dans la discipline de l'eau, sous-domaine eau potable, visée à l'article 6, 5°, a) du VLAREL. Un débitmètre mesurant l'eau de supplément est prévu en vue du contrôle de la quantité d'eau effectivement ajoutée.
" En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées au paragraphe 1er, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
" La piscine est remplie avec de l'eau fraîche ou de l'eau fraîche est ajoutée. Si l'eau de remplissage ou de supplément n'est pas de l'eau du réseau publique de distribution d'eau, l'eau est échantillonnée et analysée au moins tous les six mois par un laboratoire agréé dans la discipline de l'eau, sous-domaine eau potable, visée à l'article 6, 5°, a) du VLAREL. Un débitmètre mesurant l'eau de supplément est prévu en vue du contrôle de la quantité d'eau effectivement ajoutée.
" En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées au paragraphe 1er, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
Art. 120. In artikel 5.32.9.4.1, § 5, van hetzelfde besluit wordt het derde lid opgeheven.
Art. 120. A l'article 5.32.9.4.1, § 5, du même arrêté, l'alinéa trois est abrogé.
Art. 121. In artikel 5.32.9.4.2, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt punt c) vervangen door wat volgt :
"
"
Art. 121. A l'article 5.32.9.4.2, § 1er, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, le point c) est remplacé par ce qui suit :
"
"
| c) fysische parameters | ||
| temperatuur | ° C | < 38; behoudens afwijking, toegestaan door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid |
| helderheid | doorzichtig tot op de bodem van het bad | |
| zichtbare verontreiniging | afwezig | |
| geur | afwezig | |
| schuim | afwezig | |
| kleur | kleurloos | |
| volume circulerend water per bader (gemiddelde waarde over de openingsuren van één dag) | m3 | > 2 |
behoudens afwijking, toegestaan door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheidhelderheiddoorzichtig tot op de bodem van het badzichtbare verontreinigingafweziggeurafwezigschuimafwezigkleurkleurloosvolume circulerend water per bader (gemiddelde waarde over de openingsuren van één dag)m3> 2
".
| c) paramètres physiques | ||
| température | ° C | < 38; sauf dérogation accordée par le médecin environnemental ou par l'expert de santé environnemental de la division chargée du contrôle sur la santé publique |
| clarté | transparent jusqu'au fond du bassin | |
| pollution visible | néant | |
| odeur | néant | |
| écume | néant | |
| couleur | incolore | |
| volume d'eau circulant par baigneur (valeur moyenen sur les ouverture d'un jour) | m3 | > 2 |
sauf dérogation accordée par le médecin environnemental ou par l'expert de santé environnemental de la division chargée du contrôle sur la santé publiqueclartétransparent jusqu'au fond du bassinpollution visiblenéantodeurnéantécumenéantcouleurincolorevolume d'eau circulant par baigneur (valeur moyenen sur les ouverture d'un jour)m3> 2
-
";
Art. 122. In artikel 5.32.9.5.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, worden voor paragraaf 1, die paragraaf 1quater wordt, een nieuwe paragrafen 1 tot en met 1ter ingevoegd, die luiden als volgt :
" § 1. De aanvoer van het water is voorzien van een chloreringssysteem. Als het water op een andere manier ontsmet wordt, is de goedkeuring van de milieuarts of de milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd op het toezicht van de volksgezondheid vereist. Aan die goedkeuring kunnen voorwaarden gekoppeld worden.
§ 1bis. Het verse water wordt ingevoerd via bodeminjectie. Het water wordt voor 100 % afgevoerd langs de bovenzijde. Het overlopende water mag gebruikt worden als suppletiewater voor circulatiebaden op voorwaarde dat het voor de filter wordt toegevoegd. De verversingsgraad bedraagt minimaal 1 m3/uur, de minimale turnover <= 2 uur.
§ 1ter. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in paragrafen 1 en 1bis, vanaf 1 januari 2015. ".
" § 1. De aanvoer van het water is voorzien van een chloreringssysteem. Als het water op een andere manier ontsmet wordt, is de goedkeuring van de milieuarts of de milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd op het toezicht van de volksgezondheid vereist. Aan die goedkeuring kunnen voorwaarden gekoppeld worden.
§ 1bis. Het verse water wordt ingevoerd via bodeminjectie. Het water wordt voor 100 % afgevoerd langs de bovenzijde. Het overlopende water mag gebruikt worden als suppletiewater voor circulatiebaden op voorwaarde dat het voor de filter wordt toegevoegd. De verversingsgraad bedraagt minimaal 1 m3/uur, de minimale turnover <= 2 uur.
§ 1ter. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in paragrafen 1 en 1bis, vanaf 1 januari 2015. ".
Art. 122. Dans l'article 5.32.9.5.1 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, les nouveaux paragraphes 1er à 1erter inclus sont inséréser devant le paragraphe 1er, qui devient le paragraphe 1erquater, rédigés comme suit :
" § 1er. L'adduction d'eau est équipée d'un système de chloration. Si l'eau est désinfectée d'une autre façon, l'approbation du médecin environnemental ou de l'expert de santé environnemental de la division chargée du contrôle sur la santé publique est exigée. Cette approbation peut être liée à certaines conditions.
§ 1erbis. L'eau fraîche est injectée par le fond de la piscine. L'eau est évacuée pour 100 % par le dessus. L'eau débordante peut être utilisée comme eau de supplément pour les piscines de circulation à condition qu'elle est ajoutée devant le filtre. Le degré de rafraîchissement comprend au moins 1 m3/heure, la rotation minimale étant <= 2 heures.
§ 1erter. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées aux paragraphe 1er et 1erbis, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
" § 1er. L'adduction d'eau est équipée d'un système de chloration. Si l'eau est désinfectée d'une autre façon, l'approbation du médecin environnemental ou de l'expert de santé environnemental de la division chargée du contrôle sur la santé publique est exigée. Cette approbation peut être liée à certaines conditions.
§ 1erbis. L'eau fraîche est injectée par le fond de la piscine. L'eau est évacuée pour 100 % par le dessus. L'eau débordante peut être utilisée comme eau de supplément pour les piscines de circulation à condition qu'elle est ajoutée devant le filtre. Le degré de rafraîchissement comprend au moins 1 m3/heure, la rotation minimale étant <= 2 heures.
§ 1erter. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées aux paragraphe 1er et 1erbis, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
Art. 123. In artikel 5.32.9.5.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt paragraaf 3 opgeheven.
Art. 123. Dans l'article 5.32.9.5.2 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, le paragraphe 3 est abrogé.
Art. 124. Artikel 5.32.9.6.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 5.32.9.6.1. De aanvoer van het water is voorzien van een chloreringssysteem. Als het water op een andere manier ontsmet wordt, is de goedkeuring van de milieuarts of de milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid vereist. Aan die goedkeuring kunnen voorwaarden gekoppeld worden.
Het bad wordt continu doorstroomd met vers suppletiewater. De verversingsgraad is zo bepaald dat een turnover van 1 uur wordt bereikt.
Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het eerste en tweede lid, vanaf 1 januari 2015. ".
" Art. 5.32.9.6.1. De aanvoer van het water is voorzien van een chloreringssysteem. Als het water op een andere manier ontsmet wordt, is de goedkeuring van de milieuarts of de milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid vereist. Aan die goedkeuring kunnen voorwaarden gekoppeld worden.
Het bad wordt continu doorstroomd met vers suppletiewater. De verversingsgraad is zo bepaald dat een turnover van 1 uur wordt bereikt.
Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het eerste en tweede lid, vanaf 1 januari 2015. ".
Art. 124. L'article 5.32.9.6.1 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 5.32.9.6.1. L'adduction d'eau est équipée d'un système de chloration. Si l'eau est désinfectée d'une autre façon, l'approbation du médecin environnemental ou de l'expert de santé environnemental de la division chargée du contrôle sur la santé publique. Cette approbation peut être liée à certaines conditions.
Le bain est continuellement rincée avec de l'eau fraîche de supplément. Le degré de rafraîchissement est défini de sorte qu'une rotation d'une heure est atteinte.
En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées aux paragraphes premier et deux, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
" Art. 5.32.9.6.1. L'adduction d'eau est équipée d'un système de chloration. Si l'eau est désinfectée d'une autre façon, l'approbation du médecin environnemental ou de l'expert de santé environnemental de la division chargée du contrôle sur la santé publique. Cette approbation peut être liée à certaines conditions.
Le bain est continuellement rincée avec de l'eau fraîche de supplément. Le degré de rafraîchissement est défini de sorte qu'une rotation d'une heure est atteinte.
En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées aux paragraphes premier et deux, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
Art. 125. Aan subafdeling 5.32.9.6 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt een artikel 5.32.9.6.2 toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 5.32.9.6.2. De voorwaarden, vermeld in artikel 5.32.9.3.2, § 4, 1° tot en met 5°, zijn van toepassing, behalve voor de pH, waarvoor het volgende geldt :
1° ondergrens : 6,8;
2° bovengrens : 8. ".
" Art. 5.32.9.6.2. De voorwaarden, vermeld in artikel 5.32.9.3.2, § 4, 1° tot en met 5°, zijn van toepassing, behalve voor de pH, waarvoor het volgende geldt :
1° ondergrens : 6,8;
2° bovengrens : 8. ".
Art. 125. A la sous-section 5.32.9.6 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, il est ajouté un article 5.32.9.6.2, rédigé comme suit :
" Art. 5. 32.9.6.1. Les conditions, visées à l'article 5.32.9.3.2, § 4, 1° à 5° inclus, s'appliquent, sauf pour le pH, auquel s'applique les dispositions suivantes :
1° limite inférieure : 6,8;
2° limite supérieure : 8; ".
" Art. 5. 32.9.6.1. Les conditions, visées à l'article 5.32.9.3.2, § 4, 1° à 5° inclus, s'appliquent, sauf pour le pH, auquel s'applique les dispositions suivantes :
1° limite inférieure : 6,8;
2° limite supérieure : 8; ".
Art. 126. In artikel 5.32.9.7.3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt :
" § 2. Het zwembad wordt gevuld of bijgevuld met vers water. Als het vul- en suppletiewater geen leidingwater is, wordt het water ten minste halfjaarlijks bemonsterd en geanalyseerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein drinkwater, vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Ter controle van de effectief toegevoegde hoeveelheid water wordt in een debietmeter op het suppletiewater voorzien.
Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, vanaf 1 januari 2015. ".
" § 2. Het zwembad wordt gevuld of bijgevuld met vers water. Als het vul- en suppletiewater geen leidingwater is, wordt het water ten minste halfjaarlijks bemonsterd en geanalyseerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein drinkwater, vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Ter controle van de effectief toegevoegde hoeveelheid water wordt in een debietmeter op het suppletiewater voorzien.
Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, vanaf 1 januari 2015. ".
Art. 126. A l'article 5.32.9.7.3 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. La piscine est remplie avec de l'eau fraîche ou de l'eau fraîche est ajoutée. Si l'eau de remplissage ou de supplément n'est pas de l'eau du réseau publique de distribution d'eau, l'eau est échantillonnée et analysée au moins tous les six mois par un laboratoire agréé dans la discipline de l'eau, sous-domaine eau potable, visée à l'article 6, 5°, a) du VLAREL. Un débitmètre mesurant l'eau de supplément est prévu en vue du contrôle de la quantité d'eau effectivement ajoutée.
" En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées au paragraphe 1er, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
" § 2. La piscine est remplie avec de l'eau fraîche ou de l'eau fraîche est ajoutée. Si l'eau de remplissage ou de supplément n'est pas de l'eau du réseau publique de distribution d'eau, l'eau est échantillonnée et analysée au moins tous les six mois par un laboratoire agréé dans la discipline de l'eau, sous-domaine eau potable, visée à l'article 6, 5°, a) du VLAREL. Un débitmètre mesurant l'eau de supplément est prévu en vue du contrôle de la quantité d'eau effectivement ajoutée.
" En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées au paragraphe 1er, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
Art. 127. In artikel 5.32.9.8.5, § 6bis, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt de zinsnede " van § 3 " vervangen door de zinsnede " van paragraaf 6 ".
Art. 127. Dans l'article 5.32.9.8.5, § 6bis, alinéa premier, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, la partie de phrase " du § 3 " est remplacée par la partie de phrase " du paragraphe 6 ".
Art. 128. In artikel 5.33.0.2, § 1, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede " meer dan 10 ton papier wordt opgeslagen " vervangen door de zinsnede " meer dan 10 ton papier wordt opgeslagen wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk in een ander gebied dan een industriegebied ligt of meer dan 20 ton papier wordt opgeslagen wanneer de inrichting volledig in een industriegebied ligt, ".
Art. 128. Dans l'article 5.33.0.2, § 1er, du même arrêté, la partie de phrase " plus de 10 tonnes de papier sont stockées " est remplacée par la partie de phrase " plus de 10 tonnes de papier sont stockées lorsque l'établissement est entièrement ou partiellement situé dans une zone autre qu'une zone industrielle ou plus de 20 tonnes de papier sont stockées lorsque l'établissement est entièrement situé dans une zone industrielle, ".
Art. 129. Aan artikel 5.33.0.3, § 2, van hetzelfde besluit wordt de volgende zinsnede toegevoegd :
" tenzij de volgende preventieve maatregelen zijn genomen :
1° het lokaal is voorzien van een blussysteem dat automatisch in werking treedt bij een brand, of het lokaal is voorzien van een brandalarm dat verbonden is met een permanent bewaakte controlekamer;
2° de leiding met brandbare gassen of ontvlambare vloeistoffen is voorzien van een afsluiter die de toevoer naar de leiding automatisch afsluit bij een brandalarm. De afsluiter bevindt zich buiten het opslaglokaal;
3° de leiding is zodanig bevestigd of beveiligd dat ze niet beschadigd kan worden bij het laden of lossen van voorwerpen in het lokaal. ".
" tenzij de volgende preventieve maatregelen zijn genomen :
1° het lokaal is voorzien van een blussysteem dat automatisch in werking treedt bij een brand, of het lokaal is voorzien van een brandalarm dat verbonden is met een permanent bewaakte controlekamer;
2° de leiding met brandbare gassen of ontvlambare vloeistoffen is voorzien van een afsluiter die de toevoer naar de leiding automatisch afsluit bij een brandalarm. De afsluiter bevindt zich buiten het opslaglokaal;
3° de leiding is zodanig bevestigd of beveiligd dat ze niet beschadigd kan worden bij het laden of lossen van voorwerpen in het lokaal. ".
Art. 129. A l'article 5.33.0.3, § 2, du même arrêté, la partie de phrase suivante est ajoutée :
" sauf si suffisamment de mesures préventives ont été prises :
1° le local est équipé d'un système d'extinction qui se met automatiquement en marche en cas d'incendie, ou le local est équipé d'une alarme incendie raccordée à un local de contrôle gardé en permanence;
2° la conduite contenant les gaz ou liquides inflammables est muni d'un obturateur coupant automatiquement l'adduction vers la conduite en cas d'alarme incendie. L'obturateur se situe en dehors du local de stockage.
3° la conduite est fixée ou protégée de sorte qu'elle ne puisse pas être endommagée pendant le chargment ou déchargement d'objets dans le local.
" sauf si suffisamment de mesures préventives ont été prises :
1° le local est équipé d'un système d'extinction qui se met automatiquement en marche en cas d'incendie, ou le local est équipé d'une alarme incendie raccordée à un local de contrôle gardé en permanence;
2° la conduite contenant les gaz ou liquides inflammables est muni d'un obturateur coupant automatiquement l'adduction vers la conduite en cas d'alarme incendie. L'obturateur se situe en dehors du local de stockage.
3° la conduite est fixée ou protégée de sorte qu'elle ne puisse pas être endommagée pendant le chargment ou déchargement d'objets dans le local.
Art. 130. Aan artikel 5.45.2.3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 17 december 1997 en 19 september 2008, wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 4. Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, vindt het aanvoeren en het lossen van de dieren in een afgesloten ruimte plaats of direct aansluitend op een afgesloten ruimte. De aanvoer wordt afgestemd op de stalcapaciteit.
Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, vanaf 1 januari 2015. ".
" § 4. Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, vindt het aanvoeren en het lossen van de dieren in een afgesloten ruimte plaats of direct aansluitend op een afgesloten ruimte. De aanvoer wordt afgestemd op de stalcapaciteit.
Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, vanaf 1 januari 2015. ".
Art. 130. A l'article 5.45.2.3 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 17 décembre 1997 et 19 septembre 2008, il est ajouté un § 4, rédigé comme suit :
" § 4. Sauf dispositions contraires dans l'autorisation écologique, l'acheminement et le déchargement d'animaux a lieu dans un espace clos ou directement adjacent à un espace clos. L'acheminement est proportionnel à la capacité de l'étable.
" En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées au paragraphe 1er, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
" § 4. Sauf dispositions contraires dans l'autorisation écologique, l'acheminement et le déchargement d'animaux a lieu dans un espace clos ou directement adjacent à un espace clos. L'acheminement est proportionnel à la capacité de l'étable.
" En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées au paragraphe 1er, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
Art. 131. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 januari 2011, wordt het opschrift van hoofdstuk 5.49 vervangen door wat volgt :
" Hoofdstuk 5.49. - Verzorgingsinstellingen ".
" Hoofdstuk 5.49. - Verzorgingsinstellingen ".
Art. 131. Au titre III du même arrêté, modifiée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 janvier 2011, l'intitulé du chapitre 5.49 est remplacé par ce qui suit :
" Chapitre 05 : 49. - Structures de soins ".
" Chapitre 05 : 49. - Structures de soins ".
Art. 132. Aan hoofdstuk 5.49 van hetzelfde besluit wordt een artikel 5.49.0.4 toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 5.49.0.4. § 1. De lozing van deelafvalwaterstromen van het laboratorium, de tandartspraktijk, de wasserij en de medische beeldvorming is een lozing van bedrijfsafvalwater en wordt in beginsel gescheiden geloosd of is afzonderlijk controleerbaar van het huishoudelijk afvalwater, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning.
Als die gescheiden lozing of controle om technische of economische redenen niet kan of niet verantwoord is, wordt de totale lozing beschouwd als lozing van bedrijfsafvalwater en voldoet ze aan de sectorale lozingsnormen van bijlage 5.3.2, punt 60.
De controle van deelafvalwaterstromen is minimaal mogelijk via schepstaal.
§ 2. De volgende preventieve maatregelen worden minstens genomen als ze relevant zijn voor het type verzorgingsinstelling :
1° de volgende afvalwaterstromen worden opgevangen en afgevoerd als afval om de lozing van schadelijke stoffen te beperken :
a) voor de laboratoria :
1) geconcentreerde afvalstromen en restvloeistoffen;
2) spoel- of restvloeistoffen van een aantal analyses ter beperking van lozing van zware metalen en kleurstoffen;
b) voor de patiëntenzorg :
1) overschotten en restanten van de voorbereiding en de toediening van geneesmiddelen, vooral antibiotica en cytostatica, en contrastmiddelen;
2) excreties en urine van ambulante en niet-ambulante patiënten die behandeld zijn met langlevende isotopen;
c) voor de keuken :
1) voedingsresten van patiënten met besmettelijke ziekten;
2) afvalwater van voedselverbrijzelaars, als blijkt dat een aanzienlijk deel van het getransporteerde keukenafval, bijvoorbeeld meer dan 25 % van de CZV, niet uit het water gehaald wordt en niet opgevangen wordt;
d) voor de apotheek : vervallen of niet-gebruikte geneesmiddelen, niet-gebruikte bereidingen;
e) voor de radiologie : onbehandeld fixeer en ontwikkelaar van natte procedés in de medische beeldvorming;
f) voor de tandheelkunde : onbehandeld afvalwater;
g) voor de radiotherapie : lozingen die niet voldoen aan de lozingsnormen volgens het koninklijk besluit van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen (ARBIS);
2° de volgende lokale zuiveringsinstallaties worden voorzien van :
a) een bezinkingsbekken voor gipsafval;
b) een amalgaamafscheider bij tandheelkunde;
c) een olie- en vetvang, roosters en eventueel bezinktanks op het afvalwater van de keuken;
d) bij medische beeldvorming : overschakeling op droge afdrukprocedés, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning. Als de overschakeling naar droge afdrukprocedés om technische of economische redenen niet mogelijk is, wordt minstens in regeneratie van fixeerbaden en zilverterugwinning voorzien bij installaties met een verbruik van meer dan 700 liter per jaar machineklaar fixeer;
e) roosters of zeven op het afvalwater van de wasserij, eventueel aangevuld met een bezinktank;
3° gebruikmaken van milieuvriendelijke stoffen en goed huismeesterschap :
a) beperkt en gestructureerd gebruik van ontsmettingsmiddelen en schoonmaakproducten, bij voorkeur op basis van geschreven procedures;
b) goed huismeesterschap voor maximale reductie van zilverlozing in de radiografie;
c) verantwoord gebruik van sterk milieubelastende medicijnen en chemicaliën en indien mogelijk gebruik van alternatieven;
d) regelmatig onderhoud van afvalwaterzuiveringsinstallaties, bijvoorbeeld in de keuken;
e) productkeuze van desinfectantia met voldoende ontsmettingskracht met het laagste milieueffect in de wasserij.
De volgende deelstromen kunnen samen met het huishoudelijk afvalwater geloosd worden zonder voorzuivering, als het de normale verhoudingen niet overtreft en niet belastend is voor de werking van een rioolwaterzuiveringsinstallatie :
1° spoelwaters van de dialyse;
2° reiniging van endoscopen;
3° spoelwaters van kleinere installaties voor natte procedés in de medische beeldvorming;
4° spoelwaters van anatome pathologie;
5° waterverzachters;
6° therapiebaden;
7° urine en excreties van ambulante en niet-ambulante patiënten die behandeld zijn met farmaceutica, cytostatica, radio-isotopen met korte levensduur of contrastmiddelen.
§ 3. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in dit artikel, vanaf 1 januari 2015. ".
" Art. 5.49.0.4. § 1. De lozing van deelafvalwaterstromen van het laboratorium, de tandartspraktijk, de wasserij en de medische beeldvorming is een lozing van bedrijfsafvalwater en wordt in beginsel gescheiden geloosd of is afzonderlijk controleerbaar van het huishoudelijk afvalwater, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning.
Als die gescheiden lozing of controle om technische of economische redenen niet kan of niet verantwoord is, wordt de totale lozing beschouwd als lozing van bedrijfsafvalwater en voldoet ze aan de sectorale lozingsnormen van bijlage 5.3.2, punt 60.
De controle van deelafvalwaterstromen is minimaal mogelijk via schepstaal.
§ 2. De volgende preventieve maatregelen worden minstens genomen als ze relevant zijn voor het type verzorgingsinstelling :
1° de volgende afvalwaterstromen worden opgevangen en afgevoerd als afval om de lozing van schadelijke stoffen te beperken :
a) voor de laboratoria :
1) geconcentreerde afvalstromen en restvloeistoffen;
2) spoel- of restvloeistoffen van een aantal analyses ter beperking van lozing van zware metalen en kleurstoffen;
b) voor de patiëntenzorg :
1) overschotten en restanten van de voorbereiding en de toediening van geneesmiddelen, vooral antibiotica en cytostatica, en contrastmiddelen;
2) excreties en urine van ambulante en niet-ambulante patiënten die behandeld zijn met langlevende isotopen;
c) voor de keuken :
1) voedingsresten van patiënten met besmettelijke ziekten;
2) afvalwater van voedselverbrijzelaars, als blijkt dat een aanzienlijk deel van het getransporteerde keukenafval, bijvoorbeeld meer dan 25 % van de CZV, niet uit het water gehaald wordt en niet opgevangen wordt;
d) voor de apotheek : vervallen of niet-gebruikte geneesmiddelen, niet-gebruikte bereidingen;
e) voor de radiologie : onbehandeld fixeer en ontwikkelaar van natte procedés in de medische beeldvorming;
f) voor de tandheelkunde : onbehandeld afvalwater;
g) voor de radiotherapie : lozingen die niet voldoen aan de lozingsnormen volgens het koninklijk besluit van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen (ARBIS);
2° de volgende lokale zuiveringsinstallaties worden voorzien van :
a) een bezinkingsbekken voor gipsafval;
b) een amalgaamafscheider bij tandheelkunde;
c) een olie- en vetvang, roosters en eventueel bezinktanks op het afvalwater van de keuken;
d) bij medische beeldvorming : overschakeling op droge afdrukprocedés, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning. Als de overschakeling naar droge afdrukprocedés om technische of economische redenen niet mogelijk is, wordt minstens in regeneratie van fixeerbaden en zilverterugwinning voorzien bij installaties met een verbruik van meer dan 700 liter per jaar machineklaar fixeer;
e) roosters of zeven op het afvalwater van de wasserij, eventueel aangevuld met een bezinktank;
3° gebruikmaken van milieuvriendelijke stoffen en goed huismeesterschap :
a) beperkt en gestructureerd gebruik van ontsmettingsmiddelen en schoonmaakproducten, bij voorkeur op basis van geschreven procedures;
b) goed huismeesterschap voor maximale reductie van zilverlozing in de radiografie;
c) verantwoord gebruik van sterk milieubelastende medicijnen en chemicaliën en indien mogelijk gebruik van alternatieven;
d) regelmatig onderhoud van afvalwaterzuiveringsinstallaties, bijvoorbeeld in de keuken;
e) productkeuze van desinfectantia met voldoende ontsmettingskracht met het laagste milieueffect in de wasserij.
De volgende deelstromen kunnen samen met het huishoudelijk afvalwater geloosd worden zonder voorzuivering, als het de normale verhoudingen niet overtreft en niet belastend is voor de werking van een rioolwaterzuiveringsinstallatie :
1° spoelwaters van de dialyse;
2° reiniging van endoscopen;
3° spoelwaters van kleinere installaties voor natte procedés in de medische beeldvorming;
4° spoelwaters van anatome pathologie;
5° waterverzachters;
6° therapiebaden;
7° urine en excreties van ambulante en niet-ambulante patiënten die behandeld zijn met farmaceutica, cytostatica, radio-isotopen met korte levensduur of contrastmiddelen.
§ 3. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in dit artikel, vanaf 1 januari 2015. ".
Art. 132. Au chapitre 5.49 du même arrêté, il est ajouté un article 5.49.0.4, rédigé comme suit :
" Art. 5.49.0.4. § 1er. Le déversement de flux partiels d'eaux usées provenant du laboratoire, du cabinet du dentiste, de la buanderie et de l'imagerie médicale est un déversement d'eaux usées industrielles qui sont en principe déversées séparément ou est contrôlable séparément des eaux usées domestiques, sauf dispositions contraires dans l'autorisation écologique.
Si le déversement séparé ou le contrôle séparé sont impossibles pour des raisons techniques ou économiques ou ne sont pas justifiés, le déversement total est considéré comme un déversement d'eaux usées industrielles et il répond aux normes de déversement sectorielles de l'annexe 5.3.2., point 60.
Le contrôle des flux partiaux d'eaux usées est au moins possible par un prélèvement d'échantillon.
§ 2. Les mesures préventives suivantes sont au moins prises si elles sont pertinentes pour le type de structure de soins :
1° les flux d'eaux usées suivants sont collectés et évacuées comme déchet afin d'éviter le déversement de substances nocives :
a) pour les laboratoires :
1) flux de déchets concentrés et liquides résiduels;
2) liquides rinçage et résiduels provenant d'un nombre d'analyses en vue de limiter le déversement de métaux lourds et de colorants;
b) pour les soins des patients :
1) excédents et restants de la préparation et l'administration de médicaments, notamment les antibiotiques et cytostatiques, et moyens de contraste;
2) excrétions et urines de patients non-ambulant traités avec isotopes à vie longue;
c) pour la cuisine :
1) restants alimentaires de patients atteints de maladies contagieuses;
2) eaux usées provenant de broyeurs d'aliments, s'il s'avère qu'une partie substantielle des déchets de cuisine transportés, par exemple plus de 25 % du CZV, n'est pas retirée de l'eau et ne doit pas être collectée;
d) pour la pharmacie : médicaments périmés ou non utilisés, préparations non utilisées;
e) pour la radiologie : agents fixateur non traités et de développement de procédés humides dans l'imagerie médicale;
f) pour la dentisterie : eaux usées non traitées;
g) pour la radiothérapie : les déversements qui ne répondent pas aux normes de déversement, conformément à l'arrêté royal du 20 juillet 2001 portant règlement général de la protection de la population, des travailleurs et de l'environnement contre le danger des rayonnements f ionisants (RGPRI);
2° les installation locales d'épuration suivantes sont munies :
a) d'un bassin de sédimentation pour déchets de plâtre;
b) séparateur d'amalgames pour la dentisterie;
c) collecteur d'huiles et graisses, grilles et éventuellement réservoirs de sédimentation pour les eaux usées provenant de la cuisine;
d) pour l'imagerie médicale : conversion à des procédés secs d'imprimerie, dispositions contraires dans l'autorisation écologique. Si la conversion à des procédés secs d'imprimerie n'est pas possible pour des raisons techniques ou économiques, la régénération des bains de fixation et le recouvrement d'argent est au moins prévue pour les installations avec une consommation de plus de 700 litres par an de fixateur prêt à être utilisé dans la machine;
e) grilles ou tamis dans les eaux usées de la blanchisserie, éventuellement complétés par un réservoir de sédimentation;
3° utilisation de substances respectueuses de l'environnement et bonne gestion domestique :
a) utilisation limitée et structurée de désinfectants et de produits de nettoyage, de préférence sur la base de procédés écrits;
b) bonne gestion domestique en vue de la réduction maximale du déversement d'argent dans la radiographie;
c) utilisation responsable de médicaments et produits chimiques compromettant à grand impact écologique et si possible, utilisation d'alternatives;
d) entretien régulier des installations d'épuration des eaux usées, par exemple dans la cuisine;
e) choix des produits de désinfectants à capacité désinfectante suffisante à impact écologique minimal dans la blanchisserie.
Les flux partiels suivants peuvent être conjointement déversés ave les usées domestiques sans pré-épuration, s'ils n'excèdent pas les rapports normaux et s'il ne compromettent pas le fonctionnement d'une installation d'épuration des eaux d'égouts :
1° eaux de rinçage de dialyses; :
2° nettoyage d'endoscopes;
3° eaux de rinçage d'installations plus petites pour les procédés huides dans l'imagerie médicale;
4° eaux de rinçage de la pathologie anatome;
5° adoucisseurs d'eau;
6° bains thérapeutiques;
7° urines et excrétions de patients ambulants et non ambulants qui ont été traités avec des produits pharmaceutiques, cytostatique, radio-isotopes à la vie courte ou agents de contraste.
§ 3. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées au présent article, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
" Art. 5.49.0.4. § 1er. Le déversement de flux partiels d'eaux usées provenant du laboratoire, du cabinet du dentiste, de la buanderie et de l'imagerie médicale est un déversement d'eaux usées industrielles qui sont en principe déversées séparément ou est contrôlable séparément des eaux usées domestiques, sauf dispositions contraires dans l'autorisation écologique.
Si le déversement séparé ou le contrôle séparé sont impossibles pour des raisons techniques ou économiques ou ne sont pas justifiés, le déversement total est considéré comme un déversement d'eaux usées industrielles et il répond aux normes de déversement sectorielles de l'annexe 5.3.2., point 60.
Le contrôle des flux partiaux d'eaux usées est au moins possible par un prélèvement d'échantillon.
§ 2. Les mesures préventives suivantes sont au moins prises si elles sont pertinentes pour le type de structure de soins :
1° les flux d'eaux usées suivants sont collectés et évacuées comme déchet afin d'éviter le déversement de substances nocives :
a) pour les laboratoires :
1) flux de déchets concentrés et liquides résiduels;
2) liquides rinçage et résiduels provenant d'un nombre d'analyses en vue de limiter le déversement de métaux lourds et de colorants;
b) pour les soins des patients :
1) excédents et restants de la préparation et l'administration de médicaments, notamment les antibiotiques et cytostatiques, et moyens de contraste;
2) excrétions et urines de patients non-ambulant traités avec isotopes à vie longue;
c) pour la cuisine :
1) restants alimentaires de patients atteints de maladies contagieuses;
2) eaux usées provenant de broyeurs d'aliments, s'il s'avère qu'une partie substantielle des déchets de cuisine transportés, par exemple plus de 25 % du CZV, n'est pas retirée de l'eau et ne doit pas être collectée;
d) pour la pharmacie : médicaments périmés ou non utilisés, préparations non utilisées;
e) pour la radiologie : agents fixateur non traités et de développement de procédés humides dans l'imagerie médicale;
f) pour la dentisterie : eaux usées non traitées;
g) pour la radiothérapie : les déversements qui ne répondent pas aux normes de déversement, conformément à l'arrêté royal du 20 juillet 2001 portant règlement général de la protection de la population, des travailleurs et de l'environnement contre le danger des rayonnements f ionisants (RGPRI);
2° les installation locales d'épuration suivantes sont munies :
a) d'un bassin de sédimentation pour déchets de plâtre;
b) séparateur d'amalgames pour la dentisterie;
c) collecteur d'huiles et graisses, grilles et éventuellement réservoirs de sédimentation pour les eaux usées provenant de la cuisine;
d) pour l'imagerie médicale : conversion à des procédés secs d'imprimerie, dispositions contraires dans l'autorisation écologique. Si la conversion à des procédés secs d'imprimerie n'est pas possible pour des raisons techniques ou économiques, la régénération des bains de fixation et le recouvrement d'argent est au moins prévue pour les installations avec une consommation de plus de 700 litres par an de fixateur prêt à être utilisé dans la machine;
e) grilles ou tamis dans les eaux usées de la blanchisserie, éventuellement complétés par un réservoir de sédimentation;
3° utilisation de substances respectueuses de l'environnement et bonne gestion domestique :
a) utilisation limitée et structurée de désinfectants et de produits de nettoyage, de préférence sur la base de procédés écrits;
b) bonne gestion domestique en vue de la réduction maximale du déversement d'argent dans la radiographie;
c) utilisation responsable de médicaments et produits chimiques compromettant à grand impact écologique et si possible, utilisation d'alternatives;
d) entretien régulier des installations d'épuration des eaux usées, par exemple dans la cuisine;
e) choix des produits de désinfectants à capacité désinfectante suffisante à impact écologique minimal dans la blanchisserie.
Les flux partiels suivants peuvent être conjointement déversés ave les usées domestiques sans pré-épuration, s'ils n'excèdent pas les rapports normaux et s'il ne compromettent pas le fonctionnement d'une installation d'épuration des eaux d'égouts :
1° eaux de rinçage de dialyses; :
2° nettoyage d'endoscopes;
3° eaux de rinçage d'installations plus petites pour les procédés huides dans l'imagerie médicale;
4° eaux de rinçage de la pathologie anatome;
5° adoucisseurs d'eau;
6° bains thérapeutiques;
7° urines et excrétions de patients ambulants et non ambulants qui ont été traités avec des produits pharmaceutiques, cytostatique, radio-isotopes à la vie courte ou agents de contraste.
§ 3. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées au présent article, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
Art. 133. Aan afdeling 5.53.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt een artikel 5.53.1.4. toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 5.53.1.4. Het is verboden de inrichtingen, vermeld in rubriek 53 van de indelingslijst, aan te leggen of te exploiteren als ze zich dieper dan 2,5 m onder het maaiveld bevinden en geheel of gedeeltelijk liggen in een beschermingszone van het type I of II van grondwaterwinningen, bestemd voor de openbare watervoorziening, zoals afgebakend in uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende nadere regelen voor de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones, tenzij ze noodzakelijk zijn voor de productie van drinkwater. ".
" Art. 5.53.1.4. Het is verboden de inrichtingen, vermeld in rubriek 53 van de indelingslijst, aan te leggen of te exploiteren als ze zich dieper dan 2,5 m onder het maaiveld bevinden en geheel of gedeeltelijk liggen in een beschermingszone van het type I of II van grondwaterwinningen, bestemd voor de openbare watervoorziening, zoals afgebakend in uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende nadere regelen voor de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones, tenzij ze noodzakelijk zijn voor de productie van drinkwater. ".
Art. 133. A la section 5.53.1 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, il est ajouté un article 5.53.1.4., rédigé comme suit :
" Art. 5.53.1.4. Il est interdit d'aménager ou d'exploiter les établissements, visée à la rubrique 53 de la liste de classification, s'il se situent à une profondeur de plus de 2,5 en-dessous du niveau du sol et entièrement ou partiellement dans une zone de protection du type I ou II destinée à l'approvisionnement du réseau d'eau public, telle que délimitée en exécution de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 mars 1985 réglant la délimitation des zones de captage d'eau et des zones de protection, sauf s'ils sont nécessaires pour la production d'eau potable.
" Art. 5.53.1.4. Il est interdit d'aménager ou d'exploiter les établissements, visée à la rubrique 53 de la liste de classification, s'il se situent à une profondeur de plus de 2,5 en-dessous du niveau du sol et entièrement ou partiellement dans une zone de protection du type I ou II destinée à l'approvisionnement du réseau d'eau public, telle que délimitée en exécution de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 mars 1985 réglant la délimitation des zones de captage d'eau et des zones de protection, sauf s'ils sont nécessaires pour la production d'eau potable.
Art. 134. In artikel 5.53.3.3, § 5, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2006, wordt het woord " koudwatermeter " vervangen door het woord " meter ".
Art. 134. A l'article 5.53.3.3, § 5, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 janvier 2006, les mots " compteur d'eau froide " est remplacé par le mot " compteur ".
Art. 135. In afdeling 5.53.5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008 en 19 september 2008, wordt een nieuw artikel 5.53.5.2. toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Artikel 5.53.5.2. De toezichthoudende overheid wordt minimaal twee dagen vooraf op de hoogte gebracht van het aanleggen of opvullen van een vergunningsplichtige grondwaterwinning, zodat haar toezichthouders mogelijk aanwezig kunnen zijn. ".
" Artikel 5.53.5.2. De toezichthoudende overheid wordt minimaal twee dagen vooraf op de hoogte gebracht van het aanleggen of opvullen van een vergunningsplichtige grondwaterwinning, zodat haar toezichthouders mogelijk aanwezig kunnen zijn. ".
Art. 135. A la section 5.53.5 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, il est ajouté un article 5.53.5.2., rédigé comme suit :
" Article 5.53.5.2. L'autorité de tutelle est informée au moins deux jours auparavant de l'aménagement ou du remblai d'un captage d'eau souterraine autorisé, de sorte que ses contrôleurs puissent éventuellement être sur place. ".
" Article 5.53.5.2. L'autorité de tutelle est informée au moins deux jours auparavant de l'aménagement ou du remblai d'un captage d'eau souterraine autorisé, de sorte que ses contrôleurs puissent éventuellement être sur place. ".
Art. 136. In artikel 5.53.6.1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt paragraaf 1 opgeheven.
Art. 136. Dans l'article 5.53.6.1.1 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, le paragraphe 1er est abrogé.
Art. 137. In hetzelfde besluit wordt onderafdeling 5.53.6.2, die bestaat uit artikel 5.53.6.2.1, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, vervangen door wat volgt :
" Onderafdeling 5.53.6.2.
Grondwaterwinningen voor thermische energieopslag in watervoerende lagen met inbegrip van terugpompingen
Art. 5.53.6.2.1. Elke grondwaterwinning wordt gedimensioneerd, ontworpen en onderhouden volgens een code van goede praktijk.
De inrichtingen, vermeld in rubriek 53.6, 1°, van de indelingslijst en gelegen buiten een beschermingszone van het type I of II van grondwaterwinningen, bestemd voor de openbare watervoorziening, zoals afgebakend in uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende nadere regelen voor de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones worden minimaal vijfjaarlijks nagekeken en onderhouden door een deskundige ter zake. De overige inrichtingen, vermeld in rubriek 53.6 van de indelingslijst, worden minimaal tweejaarlijks nagekeken en onderhouden door een deskundige ter zake. Hierbij worden het systeem, de putten en de beveiliging op hun correcte werking nagekeken, alsook de registers van de debieten en indien van toepassing ook de peilen en grondwateranalyses. Eveneens worden alle uitgevoerde of nog uit te voeren werkzaamheden beschreven.
De exploitant houdt hiervan een verslag ter inzage van de toezichthouders.
Art. 5.53.6.2.2. Het grondwater wordt opnieuw geïnjecteerd in dezelfde watervoerende laag als waaruit het onttrokken is.
Art. 5.53.6.2.3. Het grondwater wordt in een leidingsysteem rondgepompt dat fysiek afgesloten is van het water in het gebouwsysteem.
Het leidingsysteem met grondwater wordt altijd onder voldoende overdruk gehouden tot op het punt van injectie onder het waterpeil om ontgassing en luchtintreding te voorkomen. Het leidingsysteem met grondwater bevindt zich continu in overdruk ten opzichte van het gebouwsysteem, tenzij er wordt gebruikgemaakt van een dubbele warmtewisselaar.
Het leidingsysteem met grondwater is voorzien van een automatische monitoring van de druk. Een beveiliging legt het systeem stil bij een te hoge of te lage druk. Voor inrichtingen, vermeld onder rubriek 53.6, 2°, van de indelingslijst, worden de drukmetingen en de inwerkingtreding van de beveiliging bijgehouden in een register dat ter plaatse of in een gecentraliseerde databank ter inzage wordt gehouden van de toezichthouders.
Art. 5.53.6.2.4. Indien de inrichting toelaat het grondwater in meerdere richtingen rond te pompen, wordt er, in afwijking van artikel 5.53.3.1, één of meerdere meetinrichtingen voorzien, zodat het opgepompte volume grondwater per pomprichting en per watervoerende laag getotaliseerd kan worden. Daarnaast wordt er op elke spuileiding een meetinrichting voor het gespuide grondwater aangebracht.
Art. 5.53.6.2.5. Voor grondwaterwinningen, vermeld in rubriek 53.6, 2°, van de indelingslijst, wordt in afwijking van artikel 5.53.4.5, § 2, het grondwater uit zowel een onttrekkings- als injectiefilter in het voorjaar en in het najaar geanalyseerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein grondwater, vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Als er verschillende bronparen zijn, wordt altijd hetzelfde bronpaar gevolgd en bij voorkeur het paar met het grootste debiet.
Art. 5.53.6.2.6. Voor grondwaterwinningen, vermeld in rubriek 53.6, 2°, van de indelingslijst, worden in afwijking van artikel 5.53.4.6 de maandelijkse peilmetingen van het grondwater in de meest centraal gelegen productieput en injectieput en in de peilputten uitgevoerd.
Art. 5.53.6.2.7. De putten worden geregenereerd op mechanische wijze. Als een chemische reiniging noodzakelijk is, legt de exploitant voorafgaandelijk een plan van aanpak ter goedkeuring voor aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater.
Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, blijft de spui bij de regeneratie van de putten beperkt tot maximaal 500 m3 per put per jaar.
Art. 5.53.6.2.8. Als de herinjectie van het opgepompte grondwater, al dan niet tijdelijk, niet mogelijk is, wordt het oppompen van het grondwater stopgezet.
Art. 5.53.6.2.9. De temperatuur van grondwater dat opnieuw wordt geïnjecteerd, bedraagt maximaal 25° C. Voor inrichtingen, vermeld in rubriek 53.6, 2°, van de indelingslijst, wordt de temperatuur van het geïnjecteerde grondwater via automatische registratie gevolgd.
Art. 5.53.6.2.10. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in deze onderafdeling, vanaf 1 januari 2015. ".
" Onderafdeling 5.53.6.2.
Grondwaterwinningen voor thermische energieopslag in watervoerende lagen met inbegrip van terugpompingen
Art. 5.53.6.2.1. Elke grondwaterwinning wordt gedimensioneerd, ontworpen en onderhouden volgens een code van goede praktijk.
De inrichtingen, vermeld in rubriek 53.6, 1°, van de indelingslijst en gelegen buiten een beschermingszone van het type I of II van grondwaterwinningen, bestemd voor de openbare watervoorziening, zoals afgebakend in uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende nadere regelen voor de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones worden minimaal vijfjaarlijks nagekeken en onderhouden door een deskundige ter zake. De overige inrichtingen, vermeld in rubriek 53.6 van de indelingslijst, worden minimaal tweejaarlijks nagekeken en onderhouden door een deskundige ter zake. Hierbij worden het systeem, de putten en de beveiliging op hun correcte werking nagekeken, alsook de registers van de debieten en indien van toepassing ook de peilen en grondwateranalyses. Eveneens worden alle uitgevoerde of nog uit te voeren werkzaamheden beschreven.
De exploitant houdt hiervan een verslag ter inzage van de toezichthouders.
Art. 5.53.6.2.2. Het grondwater wordt opnieuw geïnjecteerd in dezelfde watervoerende laag als waaruit het onttrokken is.
Art. 5.53.6.2.3. Het grondwater wordt in een leidingsysteem rondgepompt dat fysiek afgesloten is van het water in het gebouwsysteem.
Het leidingsysteem met grondwater wordt altijd onder voldoende overdruk gehouden tot op het punt van injectie onder het waterpeil om ontgassing en luchtintreding te voorkomen. Het leidingsysteem met grondwater bevindt zich continu in overdruk ten opzichte van het gebouwsysteem, tenzij er wordt gebruikgemaakt van een dubbele warmtewisselaar.
Het leidingsysteem met grondwater is voorzien van een automatische monitoring van de druk. Een beveiliging legt het systeem stil bij een te hoge of te lage druk. Voor inrichtingen, vermeld onder rubriek 53.6, 2°, van de indelingslijst, worden de drukmetingen en de inwerkingtreding van de beveiliging bijgehouden in een register dat ter plaatse of in een gecentraliseerde databank ter inzage wordt gehouden van de toezichthouders.
Art. 5.53.6.2.4. Indien de inrichting toelaat het grondwater in meerdere richtingen rond te pompen, wordt er, in afwijking van artikel 5.53.3.1, één of meerdere meetinrichtingen voorzien, zodat het opgepompte volume grondwater per pomprichting en per watervoerende laag getotaliseerd kan worden. Daarnaast wordt er op elke spuileiding een meetinrichting voor het gespuide grondwater aangebracht.
Art. 5.53.6.2.5. Voor grondwaterwinningen, vermeld in rubriek 53.6, 2°, van de indelingslijst, wordt in afwijking van artikel 5.53.4.5, § 2, het grondwater uit zowel een onttrekkings- als injectiefilter in het voorjaar en in het najaar geanalyseerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein grondwater, vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Als er verschillende bronparen zijn, wordt altijd hetzelfde bronpaar gevolgd en bij voorkeur het paar met het grootste debiet.
Art. 5.53.6.2.6. Voor grondwaterwinningen, vermeld in rubriek 53.6, 2°, van de indelingslijst, worden in afwijking van artikel 5.53.4.6 de maandelijkse peilmetingen van het grondwater in de meest centraal gelegen productieput en injectieput en in de peilputten uitgevoerd.
Art. 5.53.6.2.7. De putten worden geregenereerd op mechanische wijze. Als een chemische reiniging noodzakelijk is, legt de exploitant voorafgaandelijk een plan van aanpak ter goedkeuring voor aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater.
Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, blijft de spui bij de regeneratie van de putten beperkt tot maximaal 500 m3 per put per jaar.
Art. 5.53.6.2.8. Als de herinjectie van het opgepompte grondwater, al dan niet tijdelijk, niet mogelijk is, wordt het oppompen van het grondwater stopgezet.
Art. 5.53.6.2.9. De temperatuur van grondwater dat opnieuw wordt geïnjecteerd, bedraagt maximaal 25° C. Voor inrichtingen, vermeld in rubriek 53.6, 2°, van de indelingslijst, wordt de temperatuur van het geïnjecteerde grondwater via automatische registratie gevolgd.
Art. 5.53.6.2.10. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in deze onderafdeling, vanaf 1 januari 2015. ".
Art. 137. Dans le même arrêté, la sous-section 5.53.6.2, comprenant l'article 5.53.6.2.1, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, est remplacée par la disposition suivante :
" Sous-section 5.53.6.2. - Captage d'eaux souterraines pour le stockage d'énergie thermique dans les nappes aquifères y compris les pompages de retour
Art. 5.53.6.2.1. Chaque captage d'eaux souterraines est dimensionné, conçu et entretenu suivant un code de bonne pratique.
Les établissements, visés à la rubrique 53.6, 1° de la liste de classification et situés en dehors d'une zone de protection du type I ou II de captages d'eaux souterraines destinée à l'approvisionnement du réseau d'eau public, telle que délimitée en exécution de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 mars 1985 réglant la délimitation des zones de captage d'eau et des zones de protection, sont contrôlés au moins tous les cinq ans et entrenus par un expert en la matière. Les autres établissements, visés à la rubrique 53.6, de la liste de classification, sont contrôlés au moins tous les deux ans et entrenus par un expert en la matière. A cet occasion, le système, les puits et la protection de leur fonctionnement correct sont contrôlés, ainsi que les registres des débits et, si d'application, également les sondages et analyses des eaux souterraines. Toutes les activités exécutées ou encore à exécuter sont également décrites.
A ce sujet, l'exploitant tient un rapport pouvant être consulté par les contrôleurs.
Art. 5.53.6.2.2. Les eaux souterraines sont à nouveau injectées dans la même nappe aquifère à partir de laquelle elles ont été captées.
Art. 5.53.6.2.3. Les eaux souterraines sont pompées dans un réseau de conduites qui est physiquement séparé des eaux dans le système de bâtiments.
Le réseau de conduites est constamment tenu sous une surpression jusqu'au point d'injection sous le niveau d'eau afin d'éviter les fuites de gaz et l'entrée d'air. Le réseau de conduites des eaux souterraines se trouve constamment en surpression par rapport aux système de bâtiments, sauf si un double échangeur de chaleur est utilisé.
Le réseau de conduites des eaux souterraines est équipé d'un monitoring automatique de la pression. Une sécurité arrête le système en cas de pression trop haute ou trop basse. En ce qui concerne les établissements visés à la rubrique 53.6, 2°, de la liste de classification, les mesurages de la pression et la mise en marche du dispositif de sécurité sont tenus dans un registre pouvant être consulté sur place ou dans une banque de données centralisée par les contrôleurs.
Art. 5.53.6.2.4. Si l'établissement autorise le pompage des eaux souterraines dans plusieurs directions, un ou plusieurs dispositifs de mesurage sont prévus, en dérogation de l'article 5.53.3.1, de sorte que le volume d'eau souterraine pompé peut être totalisé par installation de pompage et par nappe aquifère. Un dispositif de mesurage des eaux souterraines vidangées est en outre installé sur chaque conduite de vidange.
Art. 5.53.6.2.5. En ce qui concerne les captages d'eaux souterraines visés à la rubrique 53.6, 2°, de la liste de classification, et en dérogation à l'article 5.53.4.5, § 2, les eaux souterraines tant des filtres d'extraction que des filtres d'injection, sont contrôlées au printemps et en automne par un laboratoire agréé dans la discipline eau, sous-domaine eaux souterraines, visée à l'article 6, 5°, a), du VLAREL. S'il y a différentes paires de sources, la même paire de sources sera suivie et de préférence, la paire ayant le plus grand débit.
Art. 5.53.6.2.6. En ce qui concerne les captages d'eaux souterraines, visés à la rubrique 53.6, 2°, de la liste de classification, et en dérogation à l'article 5.53.4.6, les mesurages de sondages mensuels des eaux souterraines sont effectués dans le puits de production et dans le puits d'injection, ainsi que dans les puits de sondage les plus centraux.
Art. 5.53.6.2.7. Les puits sont régénérés de manière mécanique. Si un nettoyage chimique est nécessaire, l'exploitant présente préalablement un plan d'approche pour approbation à la division de la " Vlaamse Milieumaatschappij ", chargée des eaux souterraines.
Sauf dispositions contraires dans l'autorisation écologique, la vidange lors de la régénération des puits reste limitée à au maximum 500 m3 par puits par an.
Art. 5.53.6.2.8. Si la ré-injection de l'eau souterraine pompée, temporaire ou non, n'est pas possible, le pompage de l'eau souterraine est arrêté.
Art. 5.53.6.2.9. La température des eaux souterraines ré-injectées, s'élève à 25° C au maximum. En ce qui concerne les établissements, visés à la rubrique 53.6, 2°, de la liste de classification, la température des eaux souterraines ré-injectées est contrôlée en permanence par enregistrement automatique.
Art. 5.53.6.2.10. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées à la présente sous-section, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
" Sous-section 5.53.6.2. - Captage d'eaux souterraines pour le stockage d'énergie thermique dans les nappes aquifères y compris les pompages de retour
Art. 5.53.6.2.1. Chaque captage d'eaux souterraines est dimensionné, conçu et entretenu suivant un code de bonne pratique.
Les établissements, visés à la rubrique 53.6, 1° de la liste de classification et situés en dehors d'une zone de protection du type I ou II de captages d'eaux souterraines destinée à l'approvisionnement du réseau d'eau public, telle que délimitée en exécution de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 mars 1985 réglant la délimitation des zones de captage d'eau et des zones de protection, sont contrôlés au moins tous les cinq ans et entrenus par un expert en la matière. Les autres établissements, visés à la rubrique 53.6, de la liste de classification, sont contrôlés au moins tous les deux ans et entrenus par un expert en la matière. A cet occasion, le système, les puits et la protection de leur fonctionnement correct sont contrôlés, ainsi que les registres des débits et, si d'application, également les sondages et analyses des eaux souterraines. Toutes les activités exécutées ou encore à exécuter sont également décrites.
A ce sujet, l'exploitant tient un rapport pouvant être consulté par les contrôleurs.
Art. 5.53.6.2.2. Les eaux souterraines sont à nouveau injectées dans la même nappe aquifère à partir de laquelle elles ont été captées.
Art. 5.53.6.2.3. Les eaux souterraines sont pompées dans un réseau de conduites qui est physiquement séparé des eaux dans le système de bâtiments.
Le réseau de conduites est constamment tenu sous une surpression jusqu'au point d'injection sous le niveau d'eau afin d'éviter les fuites de gaz et l'entrée d'air. Le réseau de conduites des eaux souterraines se trouve constamment en surpression par rapport aux système de bâtiments, sauf si un double échangeur de chaleur est utilisé.
Le réseau de conduites des eaux souterraines est équipé d'un monitoring automatique de la pression. Une sécurité arrête le système en cas de pression trop haute ou trop basse. En ce qui concerne les établissements visés à la rubrique 53.6, 2°, de la liste de classification, les mesurages de la pression et la mise en marche du dispositif de sécurité sont tenus dans un registre pouvant être consulté sur place ou dans une banque de données centralisée par les contrôleurs.
Art. 5.53.6.2.4. Si l'établissement autorise le pompage des eaux souterraines dans plusieurs directions, un ou plusieurs dispositifs de mesurage sont prévus, en dérogation de l'article 5.53.3.1, de sorte que le volume d'eau souterraine pompé peut être totalisé par installation de pompage et par nappe aquifère. Un dispositif de mesurage des eaux souterraines vidangées est en outre installé sur chaque conduite de vidange.
Art. 5.53.6.2.5. En ce qui concerne les captages d'eaux souterraines visés à la rubrique 53.6, 2°, de la liste de classification, et en dérogation à l'article 5.53.4.5, § 2, les eaux souterraines tant des filtres d'extraction que des filtres d'injection, sont contrôlées au printemps et en automne par un laboratoire agréé dans la discipline eau, sous-domaine eaux souterraines, visée à l'article 6, 5°, a), du VLAREL. S'il y a différentes paires de sources, la même paire de sources sera suivie et de préférence, la paire ayant le plus grand débit.
Art. 5.53.6.2.6. En ce qui concerne les captages d'eaux souterraines, visés à la rubrique 53.6, 2°, de la liste de classification, et en dérogation à l'article 5.53.4.6, les mesurages de sondages mensuels des eaux souterraines sont effectués dans le puits de production et dans le puits d'injection, ainsi que dans les puits de sondage les plus centraux.
Art. 5.53.6.2.7. Les puits sont régénérés de manière mécanique. Si un nettoyage chimique est nécessaire, l'exploitant présente préalablement un plan d'approche pour approbation à la division de la " Vlaamse Milieumaatschappij ", chargée des eaux souterraines.
Sauf dispositions contraires dans l'autorisation écologique, la vidange lors de la régénération des puits reste limitée à au maximum 500 m3 par puits par an.
Art. 5.53.6.2.8. Si la ré-injection de l'eau souterraine pompée, temporaire ou non, n'est pas possible, le pompage de l'eau souterraine est arrêté.
Art. 5.53.6.2.9. La température des eaux souterraines ré-injectées, s'élève à 25° C au maximum. En ce qui concerne les établissements, visés à la rubrique 53.6, 2°, de la liste de classification, la température des eaux souterraines ré-injectées est contrôlée en permanence par enregistrement automatique.
Art. 5.53.6.2.10. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées à la présente sous-section, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
Art. 138. In hetzelfde besluit wordt hoofdstuk 5.55, dat bestaat uit artikel 5.55.1 tot en met 5.55.3, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, 19 september 2008 en 24 april 2009, vervangen door wat volgt :
" Hoofdstuk 5.55. - Boringen
Afdeling 5.55.1. - Algemene bepalingen
Art. 5.55.1.1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 55 van de indelingslijst.
Het is verboden die inrichtingen aan te leggen of te exploiteren als ze zich dieper dan 2,5 m onder het maaiveld bevinden en geheel of gedeeltelijk liggen in een beschermingszone van het type I of II van grondwaterwinningen, bestemd voor de openbare watervoorziening, zoals afgebakend ter uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende nadere regelen voor de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones.
Art. 5.55.1.2. De boring wordt uitgevoerd volgens de regels van goed vakmanschap, zoals opgenomen in de code van goede praktijk voor boren, exploiteren en afsluiten van boorputten voor grondwaterwinning, vastgesteld in bijlage 5.53.1 bij dit besluit. Elke verontreiniging van het grondwater wordt vermeden, zowel tijdens de aanleg als tijdens de exploitatie.
Het boorgat wordt bovenaan afgedicht om verontreiniging van de grondwaterlagen te voorkomen.
Het is verboden verschillende watervoerende lagen met elkaar in verbinding te brengen. Inzonderheid worden er ter hoogte van de scheidende lagen kleistoppen geplaatst of wordt de ruimte ter hoogte van scheidende lagen gecementeerd.
Als het gaat om een vergunningsplichtige boring, bezorgt de exploitant, uiterlijk negentig dagen na het boren, de volgende gegevens aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater :
1° het doel van de boring;
2° het boorverslag met een beschrijving van de aard van de aangeboorde lagen;
3° de geologische beschrijving van de lagen, als die bekend is;
4° de technische beschrijving van de uitrusting van het boorgat;
5° de diepte van het grondwater in rust na de putontwikkeling ten opzichte van het maaiveld, indien de boring wordt afgewerkt tot een meetbare boorput;
6° de maatregelen die getroffen zijn ter voorkoming van de verontreiniging van het leefmilieu in het algemeen en van het grondwater in het bijzonder;
7° de ligging op een kaart op schaal 1/250, met aanduiding van op het terrein waarneembare referenties.
Art. 5.55.1.3. § 1. Als de exploitant een boorgat of de erin aangebrachte installatie of een onderdeel ervan, buiten dienst stelt, dekt hij de ontsluiting van de watervoerende laag af met een ondoorlatend materiaal (zwelklei, cement) om verontreiniging of waterverlies te voorkomen.
Als het gaat om een vergunningsplichtige boring, deelt de exploitant die buitendienststelling mee aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater.
§ 2. De exploitant is verplicht een buiten dienst gesteld boorgat of een onderdeel daarvan op te vullen als het een potentieel gevaar betekent voor de kwaliteit van het grondwater. Het boorgat of het onderdeel ervan wordt opgevuld overeenkomstig de code van goede praktijk voor boren, exploiteren en afsluiten van boorputten voor grondwaterwinning, vastgesteld in bijlage 5.53.1 bij dit besluit.
§ 3. De toezichthoudende overheid wordt minimaal twee dagen vooraf op de hoogte gebracht van het aanleggen of opvullen van een vergunningsplichtige boring, zodat haar toezichthouders mogelijk aanwezig kunnen zijn.
Afdeling 5.55.2. - Boringen in het kader van thermische energieopslag in boorgaten
Art. 5.55.2.1. Deze afdeling is van toepassing op boringen in het kader van thermische energieopslag in boorgaten, die ressorteren onder rubriek 55.1 van de indelingslijst.
Art. 5.55.2.2. § 1. De boringen worden gedimensioneerd, ontworpen en onderhouden volgens een code van goede praktijk.
De meldingsplichtige inrichtingen, die worden ingedeeld in rubriek 55 van de indelingslijst, worden minimaal vijfjaarlijks nagekeken en onderhouden door een deskundige ter zake. De vergunningsplichtige inrichtingen, die worden ingedeeld in rubriek 55 van de indelingslijst, worden minimaal tweejaarlijks nagekeken en onderhouden door een deskundige ter zake. Daarbij wordt nagekeken of het systeem en de beveiliging correct werken. Ook worden alle uitgevoerde of nog uit te voeren werkzaamheden beschreven. De exploitant houdt een verslag daarvan ter inzage van de toezichthouders.
§ 2. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in dit artikel, vanaf 1 januari 2015.
Art. 5.55.2.3. § 1. De leidingen die worden ingebouwd, bestaan uit materialen die niet reageren met de ondergrond en het grondwater waarin ze worden ingebracht en die een voldoende levensduur hebben in het geïnstalleerde milieu.
§ 2. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in dit artikel, niet.
Art. 5.55.2.4. § 1. Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, worden de leidingen neergelaten in het boorgat met behulp van een haspel of een geleidingswiel.
§ 2. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in dit artikel, niet.
Art. 5.55.2.5. § 1. Als het derde lid van artikel 5.55.1.2 om technische redenen niet kan worden uitgevoerd, wordt na het inbouwen van de leidingen de boring opgevuld van onder naar boven en onder continue overdruk met een afdichtende grout met een doorlatendheid van maximaal 10-8 m/s.
De wijze van opvulling wordt aangegeven op het boorverslag dat conform de code van goede praktijk, vastgesteld in bijlage 5.53.1, wordt opgemaakt. Als er gebruikgemaakt wordt van een grout, voegt de exploitant ook een attest van die grout en zijn aangetoonde doorlatendheid bij het boorverslag. Het boorverslag wordt ter inzage van de toezichthouders gehouden.
De opvulling is voldoende uitgehard voor de inrichting in gebruik genomen wordt.
§ 2. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in dit artikel, niet.
Art. 5.55.2.6. § 1. Er worden minimaal drie druktesten uitgevoerd : één voor het inbrengen van de leidingen in het boorgat, één na het opvullen van het boorgat en één na de volledige koppeling van de leidingen aan het gebouwsysteem. De druktesten worden uitgevoerd met water dat voldoet aan de milieukwaliteitsnormen voor grondwater.
§ 2. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in dit artikel, niet.
Art. 5.55.2.7. § 1. Alleen als alle testen, vermeld in artikel 5.55.2.6, het bestaan van lekken uitsluiten, kan er aan het water een antivriesmiddel worden toegevoegd.
§ 2. Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, wordt er als antivriesmiddel monopropyleenglycol of bietenderivaat gebruikt.
De samenstelling van het antivriesmiddel en de mengverhouding met het water wordt ter inzage gehouden van de toezichthouders.
§ 3. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in paragraaf 1 van dit artikel niet en gelden de verplichtingen, vermeld in paragraaf 2 van dit artikel, vanaf 1 januari 2015.
Art. 5.55.2.8. § 1. De druk in de leidingen wordt automatisch gemonitord. Bij drukverlies moet het systeem automatisch uitvallen. Als het drukverlies het gevolg is van een lek in een lus, wordt de lus in kwestie buiten dienst gesteld.
§ 2. Voor inrichtingen die vóór 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in dit artikel, vanaf 1 januari 2015.
Art. 5.55.2.9. Als een of meer leidingen van de inrichting buiten dienst worden gesteld, wordt de vloeistof die erin aanwezig is, met antivriesmiddel afgepompt en vervangen door water dat voldoet aan de milieukwaliteitsnormen voor grondwater. Vervolgens wordt de leiding definitief afgesloten en wordt de put buitengebruik gesteld conform de voorwaarden, vermeld in artikel 5.55.1.3. ".
" Hoofdstuk 5.55. - Boringen
Afdeling 5.55.1. - Algemene bepalingen
Art. 5.55.1.1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 55 van de indelingslijst.
Het is verboden die inrichtingen aan te leggen of te exploiteren als ze zich dieper dan 2,5 m onder het maaiveld bevinden en geheel of gedeeltelijk liggen in een beschermingszone van het type I of II van grondwaterwinningen, bestemd voor de openbare watervoorziening, zoals afgebakend ter uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende nadere regelen voor de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones.
Art. 5.55.1.2. De boring wordt uitgevoerd volgens de regels van goed vakmanschap, zoals opgenomen in de code van goede praktijk voor boren, exploiteren en afsluiten van boorputten voor grondwaterwinning, vastgesteld in bijlage 5.53.1 bij dit besluit. Elke verontreiniging van het grondwater wordt vermeden, zowel tijdens de aanleg als tijdens de exploitatie.
Het boorgat wordt bovenaan afgedicht om verontreiniging van de grondwaterlagen te voorkomen.
Het is verboden verschillende watervoerende lagen met elkaar in verbinding te brengen. Inzonderheid worden er ter hoogte van de scheidende lagen kleistoppen geplaatst of wordt de ruimte ter hoogte van scheidende lagen gecementeerd.
Als het gaat om een vergunningsplichtige boring, bezorgt de exploitant, uiterlijk negentig dagen na het boren, de volgende gegevens aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater :
1° het doel van de boring;
2° het boorverslag met een beschrijving van de aard van de aangeboorde lagen;
3° de geologische beschrijving van de lagen, als die bekend is;
4° de technische beschrijving van de uitrusting van het boorgat;
5° de diepte van het grondwater in rust na de putontwikkeling ten opzichte van het maaiveld, indien de boring wordt afgewerkt tot een meetbare boorput;
6° de maatregelen die getroffen zijn ter voorkoming van de verontreiniging van het leefmilieu in het algemeen en van het grondwater in het bijzonder;
7° de ligging op een kaart op schaal 1/250, met aanduiding van op het terrein waarneembare referenties.
Art. 5.55.1.3. § 1. Als de exploitant een boorgat of de erin aangebrachte installatie of een onderdeel ervan, buiten dienst stelt, dekt hij de ontsluiting van de watervoerende laag af met een ondoorlatend materiaal (zwelklei, cement) om verontreiniging of waterverlies te voorkomen.
Als het gaat om een vergunningsplichtige boring, deelt de exploitant die buitendienststelling mee aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater.
§ 2. De exploitant is verplicht een buiten dienst gesteld boorgat of een onderdeel daarvan op te vullen als het een potentieel gevaar betekent voor de kwaliteit van het grondwater. Het boorgat of het onderdeel ervan wordt opgevuld overeenkomstig de code van goede praktijk voor boren, exploiteren en afsluiten van boorputten voor grondwaterwinning, vastgesteld in bijlage 5.53.1 bij dit besluit.
§ 3. De toezichthoudende overheid wordt minimaal twee dagen vooraf op de hoogte gebracht van het aanleggen of opvullen van een vergunningsplichtige boring, zodat haar toezichthouders mogelijk aanwezig kunnen zijn.
Afdeling 5.55.2. - Boringen in het kader van thermische energieopslag in boorgaten
Art. 5.55.2.1. Deze afdeling is van toepassing op boringen in het kader van thermische energieopslag in boorgaten, die ressorteren onder rubriek 55.1 van de indelingslijst.
Art. 5.55.2.2. § 1. De boringen worden gedimensioneerd, ontworpen en onderhouden volgens een code van goede praktijk.
De meldingsplichtige inrichtingen, die worden ingedeeld in rubriek 55 van de indelingslijst, worden minimaal vijfjaarlijks nagekeken en onderhouden door een deskundige ter zake. De vergunningsplichtige inrichtingen, die worden ingedeeld in rubriek 55 van de indelingslijst, worden minimaal tweejaarlijks nagekeken en onderhouden door een deskundige ter zake. Daarbij wordt nagekeken of het systeem en de beveiliging correct werken. Ook worden alle uitgevoerde of nog uit te voeren werkzaamheden beschreven. De exploitant houdt een verslag daarvan ter inzage van de toezichthouders.
§ 2. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in dit artikel, vanaf 1 januari 2015.
Art. 5.55.2.3. § 1. De leidingen die worden ingebouwd, bestaan uit materialen die niet reageren met de ondergrond en het grondwater waarin ze worden ingebracht en die een voldoende levensduur hebben in het geïnstalleerde milieu.
§ 2. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in dit artikel, niet.
Art. 5.55.2.4. § 1. Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, worden de leidingen neergelaten in het boorgat met behulp van een haspel of een geleidingswiel.
§ 2. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in dit artikel, niet.
Art. 5.55.2.5. § 1. Als het derde lid van artikel 5.55.1.2 om technische redenen niet kan worden uitgevoerd, wordt na het inbouwen van de leidingen de boring opgevuld van onder naar boven en onder continue overdruk met een afdichtende grout met een doorlatendheid van maximaal 10-8 m/s.
De wijze van opvulling wordt aangegeven op het boorverslag dat conform de code van goede praktijk, vastgesteld in bijlage 5.53.1, wordt opgemaakt. Als er gebruikgemaakt wordt van een grout, voegt de exploitant ook een attest van die grout en zijn aangetoonde doorlatendheid bij het boorverslag. Het boorverslag wordt ter inzage van de toezichthouders gehouden.
De opvulling is voldoende uitgehard voor de inrichting in gebruik genomen wordt.
§ 2. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in dit artikel, niet.
Art. 5.55.2.6. § 1. Er worden minimaal drie druktesten uitgevoerd : één voor het inbrengen van de leidingen in het boorgat, één na het opvullen van het boorgat en één na de volledige koppeling van de leidingen aan het gebouwsysteem. De druktesten worden uitgevoerd met water dat voldoet aan de milieukwaliteitsnormen voor grondwater.
§ 2. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in dit artikel, niet.
Art. 5.55.2.7. § 1. Alleen als alle testen, vermeld in artikel 5.55.2.6, het bestaan van lekken uitsluiten, kan er aan het water een antivriesmiddel worden toegevoegd.
§ 2. Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, wordt er als antivriesmiddel monopropyleenglycol of bietenderivaat gebruikt.
De samenstelling van het antivriesmiddel en de mengverhouding met het water wordt ter inzage gehouden van de toezichthouders.
§ 3. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in paragraaf 1 van dit artikel niet en gelden de verplichtingen, vermeld in paragraaf 2 van dit artikel, vanaf 1 januari 2015.
Art. 5.55.2.8. § 1. De druk in de leidingen wordt automatisch gemonitord. Bij drukverlies moet het systeem automatisch uitvallen. Als het drukverlies het gevolg is van een lek in een lus, wordt de lus in kwestie buiten dienst gesteld.
§ 2. Voor inrichtingen die vóór 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in dit artikel, vanaf 1 januari 2015.
Art. 5.55.2.9. Als een of meer leidingen van de inrichting buiten dienst worden gesteld, wordt de vloeistof die erin aanwezig is, met antivriesmiddel afgepompt en vervangen door water dat voldoet aan de milieukwaliteitsnormen voor grondwater. Vervolgens wordt de leiding definitief afgesloten en wordt de put buitengebruik gesteld conform de voorwaarden, vermeld in artikel 5.55.1.3. ".
Art. 138. Dans le même arrêté, le chapitre 5.55, comprenant les articles 5.55.1 à 5.55.3 inclus, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 mars 2008, 19 septembre 2008 et 24 avril 2009, est remplacé par les dispositions suivantes :
" Chapitre 05.55. - Forages
Sous-section 5.55.1. - Dispositions générales
Art. 5.55.1.1. La présent chapitre s'applique aux établissements, visés à la rubrique 55, de la liste de classification.
Il est interdit d'aménager ou d'exploiter les établissements, visée à la rubrique 53 de la liste de classification, s'il se situent à une profondeur de plus de 2,5 en-dessous du niveau du sol et entièrement ou partiellement dans une zone de protection du type I ou II destinée à l'approvisionnement du réseau d'eau public, telle que délimitée en exécution de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 mars 1985 réglant la délimitation des zones de captage d'eau et des zones de protection.
Art. 5.55.1.2. Le forage est exécuté suivant les règles du bon artisanat, tel que repris dans le code de bonne pratique pour le forage, l'exploitation et l'obturation de puits de forage pour le captage d'eau, fixées dans l'annexe 5.53.1 au présent arrêté. Chaque pollution des eau souterraines doit être évitée, tant pendant l'aménagement que pendant l'exploitation.
Le puits de forage est obturé au-dessus afin d'éviter la pollution des nappes aquifères.
Il est interdit d'interconnecter différentes nappes aquifères. Des bouchons d'argile sont notamment placés à l'endroit des nappes séparées ou l'espace à l'endroit des couches séparées est cimenté.
Lorsqu'il s'agit d'un forage soumis à l'obligation d'autorisation, l'exploitant transmet, au plus tard nonante jours après le forage, les données suivantes à la division compétente pour les eaux souterraines :
1° l'objectif du forage;
2° le rapport de forage avec une description de la nature des couches dans lesquelles il a été foré;
3° la description géologique de ces couches, si elle est connue;
4° la description technique de l'équipement du puits de forage;
5° la profondeur de l'eau souterraine en repos après du développement du puits par rapport au niveau du sol, si le forage a été parachevé comme puits de forage mesurable;
6° les mesures prises afin d'éviter la pollution de l'environnement en général et de l'eau souterraine en particulier;
7° la situation sur une carte à l'échelle 1/250e, avec indication de références observables sur le terrain.
Art. 5.55.1.3. § 1er. Si l'exploitant met un puits de forage ou un dispositif y installé ou une partie de ce dernier, hors service, il couvre le puits dans la nappe aquifère à l'aide d'un matériau imperméable (argile gonflante, ciment) afin d'éviter la perte d'eau et la pollution.
Lorsqu'il s'agit d'un forage soumis à l'obligation d'autorisation, l'exploitant communique la mise hors service à la division de la " Vlaamse Milieumaatschappij ", chargée des eaux souterraines.
§ 2. L'exploitant est obligé de combler un puits de forage ou une partie de ce dernier mis hors service s'il présente un danger potentiel pour la qualité de l'eau souterraine. Le puits de forage ou une partie de ce dernier est comblé conformément au code de bonne pratique pour le forage, l'exploitation et l'obturation de puits de forage pour le captage d'eau, fixées dans l'annexe 5.53.1 au présent arrêté.
§ 3. L'autorité de tutelle est informée au moins deux jours auparavant de l'aménagement ou du remblai d'un captage d'eau souterraine autorisé, de sorte que ses contrôleurs puissent éventuellement être sur place.
Sous-section 5.55.1. - Forages dans le cadre du stockage d'énergie thermique dans les puits de forage
Art. 5.55.2.1. La présente section s'applique aux forages dans le cadre du stockage d'énergie thermique dans les puits de forage relevant dela rubrique 55.1 de lla liste de classification.
Art. 5.55.2.2. § 1er. Les forages sont dimensionnés, conçus et entretenus suivant un code de bonne pratique.
Les établissements soumis à l'obligation de communication, classés dans la rubrique 55 de la liste de classification, sont contrôlés au moins tous les cinq ans et entretenus par un expert en la matière. Les établissements soumis à l'obligation d'autorisation, classés dans la rubrique 55 de la liste de classification, sont contrôlés au moins tous les deux ans et entretenus par un expert en la matière. A cette occasion, il est vérifié si le système et le dispositif de sécurité fonctionnent correctement. Toutes les activités exécutées ou encore à exécuter sont également décrites. A ce sujet, l'exploitant tient un rapport pouvant être consulté par les contrôleurs.
§ 2. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations visées au présent article s'appliquent à partir du 1er janvier 2015.
Art. 5.55.2.3. § 1er. Les conduites qui sont incorporées, consistent de matériaux qui ne réagissent pas avec le sol et l'eau souterraine dans lesquels elles sont incorporées et ont une durée de vie suffisante.
§ 2. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations visées au présent article ne s'appliquent pas.
Art. 5.55.2.4. § 1er. Sauf dispositions contraires dans l'autorisation écologique, les conduites sont descendues dans le puits de forage à l'aide d'un dévidoir ou d'une roue-guide.
§ 2. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations visées au présent article ne s'appliquent pas.
Art. 5.55.2.5. § 1er. Si l'alinéa trois de l'article 5.55.1.2 ne peut pas être exécuté pour des raisons techniques, le forage est comblé du bas vers le haut après installation des conduites sous une surpression continue avec un mélange de ciment, d'eau et d'additifs ayant une perméabilité de 10-8 m/s.
Le mode remblai est indiqué sur le rapport de forage qui est établi conformément au code de bonne pratique, fixé à l'annexe 5.53.1. Si le mélange de ciment, d'eau et d'additifs est utilisé, l'exploitant en joint une attestation ainsi que de sa perméabilité prouvée au rapport de forage. Le rapport de forage est tenu à la disponibilité des contrôleur en vue de sa consultation.
Le remblai est suffisamment durci avant l'établissement est mis en service
§ 2. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations visées au présent article ne s'appliquent pas.
Art. 5.55.2.6. § 1er. Au moins trois essais de pression sont exécutés : un avant l'installation des conduites dans le puits de forage, un après le remblai du puits de forage et un après le raccordement des conduites au système de bâtiments; Les essais de pression sont exécutés à l'aide d'eau qui répond aux normes de qualité environnementales pour les eaux souterraines.
§ 2. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations visées au présent article ne s'appliquent pas.
Art. 5.55.2.7. § 1er. Uniquement si touts les essais, visés à l'article 5.55.2.6, excluent l'existence de fuites, un agent antigel peut être ajouté à l'eau.
§ 2. Sauf dispositions contraires dans l'autorisation écologique, le monopropylèneglycole ou un dérivé de betteraves est utilisé comme agent antigel.
La composition du moyen antigel et la proportion du mélange et de l'eau sont tenues à la disposition des contrôleur pour être consultées.
§ 3. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations visées au paragraphe 1er du présent article ne s'appliquent pas et les obligations visées au paragraphe 2 du présent article s'appliquent à partir du 1er janvier 2015.
Art. 5.55.2.8. § 1er. La pression des conduites est automatiquement contrôlée. Le système doit s'arrêter en cas de perte de pression. Si la perte de pression est la conséquence d'une fuite dans la boucle, la boucle en question est mise hors service.
§ 2. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations visées au présent article s'appliquent à partir du 1er janvier 2015.
Art. 5.55.2.9. Si une ou plusieurs conduites de l'établissement sont mises hors service, le liquide, conjointement avec l'agent antigel, est vidangé et remplacé par de l'eau qui répond aux normes de qualité environnementales pour l'eau souterraine. Ensuite,la conduite est définitivement obturée et le puits est mis hors service conformément aux conditions,visées à l'article 5.55.1.3. ".
" Chapitre 05.55. - Forages
Sous-section 5.55.1. - Dispositions générales
Art. 5.55.1.1. La présent chapitre s'applique aux établissements, visés à la rubrique 55, de la liste de classification.
Il est interdit d'aménager ou d'exploiter les établissements, visée à la rubrique 53 de la liste de classification, s'il se situent à une profondeur de plus de 2,5 en-dessous du niveau du sol et entièrement ou partiellement dans une zone de protection du type I ou II destinée à l'approvisionnement du réseau d'eau public, telle que délimitée en exécution de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 mars 1985 réglant la délimitation des zones de captage d'eau et des zones de protection.
Art. 5.55.1.2. Le forage est exécuté suivant les règles du bon artisanat, tel que repris dans le code de bonne pratique pour le forage, l'exploitation et l'obturation de puits de forage pour le captage d'eau, fixées dans l'annexe 5.53.1 au présent arrêté. Chaque pollution des eau souterraines doit être évitée, tant pendant l'aménagement que pendant l'exploitation.
Le puits de forage est obturé au-dessus afin d'éviter la pollution des nappes aquifères.
Il est interdit d'interconnecter différentes nappes aquifères. Des bouchons d'argile sont notamment placés à l'endroit des nappes séparées ou l'espace à l'endroit des couches séparées est cimenté.
Lorsqu'il s'agit d'un forage soumis à l'obligation d'autorisation, l'exploitant transmet, au plus tard nonante jours après le forage, les données suivantes à la division compétente pour les eaux souterraines :
1° l'objectif du forage;
2° le rapport de forage avec une description de la nature des couches dans lesquelles il a été foré;
3° la description géologique de ces couches, si elle est connue;
4° la description technique de l'équipement du puits de forage;
5° la profondeur de l'eau souterraine en repos après du développement du puits par rapport au niveau du sol, si le forage a été parachevé comme puits de forage mesurable;
6° les mesures prises afin d'éviter la pollution de l'environnement en général et de l'eau souterraine en particulier;
7° la situation sur une carte à l'échelle 1/250e, avec indication de références observables sur le terrain.
Art. 5.55.1.3. § 1er. Si l'exploitant met un puits de forage ou un dispositif y installé ou une partie de ce dernier, hors service, il couvre le puits dans la nappe aquifère à l'aide d'un matériau imperméable (argile gonflante, ciment) afin d'éviter la perte d'eau et la pollution.
Lorsqu'il s'agit d'un forage soumis à l'obligation d'autorisation, l'exploitant communique la mise hors service à la division de la " Vlaamse Milieumaatschappij ", chargée des eaux souterraines.
§ 2. L'exploitant est obligé de combler un puits de forage ou une partie de ce dernier mis hors service s'il présente un danger potentiel pour la qualité de l'eau souterraine. Le puits de forage ou une partie de ce dernier est comblé conformément au code de bonne pratique pour le forage, l'exploitation et l'obturation de puits de forage pour le captage d'eau, fixées dans l'annexe 5.53.1 au présent arrêté.
§ 3. L'autorité de tutelle est informée au moins deux jours auparavant de l'aménagement ou du remblai d'un captage d'eau souterraine autorisé, de sorte que ses contrôleurs puissent éventuellement être sur place.
Sous-section 5.55.1. - Forages dans le cadre du stockage d'énergie thermique dans les puits de forage
Art. 5.55.2.1. La présente section s'applique aux forages dans le cadre du stockage d'énergie thermique dans les puits de forage relevant dela rubrique 55.1 de lla liste de classification.
Art. 5.55.2.2. § 1er. Les forages sont dimensionnés, conçus et entretenus suivant un code de bonne pratique.
Les établissements soumis à l'obligation de communication, classés dans la rubrique 55 de la liste de classification, sont contrôlés au moins tous les cinq ans et entretenus par un expert en la matière. Les établissements soumis à l'obligation d'autorisation, classés dans la rubrique 55 de la liste de classification, sont contrôlés au moins tous les deux ans et entretenus par un expert en la matière. A cette occasion, il est vérifié si le système et le dispositif de sécurité fonctionnent correctement. Toutes les activités exécutées ou encore à exécuter sont également décrites. A ce sujet, l'exploitant tient un rapport pouvant être consulté par les contrôleurs.
§ 2. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations visées au présent article s'appliquent à partir du 1er janvier 2015.
Art. 5.55.2.3. § 1er. Les conduites qui sont incorporées, consistent de matériaux qui ne réagissent pas avec le sol et l'eau souterraine dans lesquels elles sont incorporées et ont une durée de vie suffisante.
§ 2. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations visées au présent article ne s'appliquent pas.
Art. 5.55.2.4. § 1er. Sauf dispositions contraires dans l'autorisation écologique, les conduites sont descendues dans le puits de forage à l'aide d'un dévidoir ou d'une roue-guide.
§ 2. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations visées au présent article ne s'appliquent pas.
Art. 5.55.2.5. § 1er. Si l'alinéa trois de l'article 5.55.1.2 ne peut pas être exécuté pour des raisons techniques, le forage est comblé du bas vers le haut après installation des conduites sous une surpression continue avec un mélange de ciment, d'eau et d'additifs ayant une perméabilité de 10-8 m/s.
Le mode remblai est indiqué sur le rapport de forage qui est établi conformément au code de bonne pratique, fixé à l'annexe 5.53.1. Si le mélange de ciment, d'eau et d'additifs est utilisé, l'exploitant en joint une attestation ainsi que de sa perméabilité prouvée au rapport de forage. Le rapport de forage est tenu à la disponibilité des contrôleur en vue de sa consultation.
Le remblai est suffisamment durci avant l'établissement est mis en service
§ 2. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations visées au présent article ne s'appliquent pas.
Art. 5.55.2.6. § 1er. Au moins trois essais de pression sont exécutés : un avant l'installation des conduites dans le puits de forage, un après le remblai du puits de forage et un après le raccordement des conduites au système de bâtiments; Les essais de pression sont exécutés à l'aide d'eau qui répond aux normes de qualité environnementales pour les eaux souterraines.
§ 2. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations visées au présent article ne s'appliquent pas.
Art. 5.55.2.7. § 1er. Uniquement si touts les essais, visés à l'article 5.55.2.6, excluent l'existence de fuites, un agent antigel peut être ajouté à l'eau.
§ 2. Sauf dispositions contraires dans l'autorisation écologique, le monopropylèneglycole ou un dérivé de betteraves est utilisé comme agent antigel.
La composition du moyen antigel et la proportion du mélange et de l'eau sont tenues à la disposition des contrôleur pour être consultées.
§ 3. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations visées au paragraphe 1er du présent article ne s'appliquent pas et les obligations visées au paragraphe 2 du présent article s'appliquent à partir du 1er janvier 2015.
Art. 5.55.2.8. § 1er. La pression des conduites est automatiquement contrôlée. Le système doit s'arrêter en cas de perte de pression. Si la perte de pression est la conséquence d'une fuite dans la boucle, la boucle en question est mise hors service.
§ 2. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations visées au présent article s'appliquent à partir du 1er janvier 2015.
Art. 5.55.2.9. Si une ou plusieurs conduites de l'établissement sont mises hors service, le liquide, conjointement avec l'agent antigel, est vidangé et remplacé par de l'eau qui répond aux normes de qualité environnementales pour l'eau souterraine. Ensuite,la conduite est définitivement obturée et le puits est mis hors service conformément aux conditions,visées à l'article 5.55.1.3. ".
Art. 139. Aan hoofdstuk 5BIS.0 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt een artikel 5bis.0.4 toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 5bis.0.4. Vervaardiging en gebruik van gevaarlijke stoffen (Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nummer 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie)
1° Overeenkomstig artikel 67 van voormelde Verordening (EG) nr. 1907/2006 mag een stof als zodanig of in een preparaat of voorwerp waarvoor in bijlage XVII van voormelde Verordening (EG) nr. 1907/2006 een beperking is opgenomen, niet worden vervaardigd of worden gebruikt, tenzij aan de voorwaarden van die beperking wordt voldaan. Dat geldt niet voor de vervaardiging en het gebruik van een stof bij wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke ontwikkeling. In bijlage XVII wordt vermeld wanneer de beperking niet van toepassing is op onderzoek en ontwikkeling, gericht op producten en procedés, en wordt de vrijgestelde maximumhoeveelheid gespecificeerd.
2° Overeenkomstig artikel 56 van voormelde Verordening (EG) nr. 1907/2006 mag een fabrikant, importeur of downstream gebruiker een stof, vermeld in bijlage XIV van voormelde Verordening (EG) nr. 1907/2006, niet voor een bepaald gebruik gebruiken, tenzij voldaan is aan artikel 56 van de verordening. ".
" Art. 5bis.0.4. Vervaardiging en gebruik van gevaarlijke stoffen (Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nummer 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie)
1° Overeenkomstig artikel 67 van voormelde Verordening (EG) nr. 1907/2006 mag een stof als zodanig of in een preparaat of voorwerp waarvoor in bijlage XVII van voormelde Verordening (EG) nr. 1907/2006 een beperking is opgenomen, niet worden vervaardigd of worden gebruikt, tenzij aan de voorwaarden van die beperking wordt voldaan. Dat geldt niet voor de vervaardiging en het gebruik van een stof bij wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke ontwikkeling. In bijlage XVII wordt vermeld wanneer de beperking niet van toepassing is op onderzoek en ontwikkeling, gericht op producten en procedés, en wordt de vrijgestelde maximumhoeveelheid gespecificeerd.
2° Overeenkomstig artikel 56 van voormelde Verordening (EG) nr. 1907/2006 mag een fabrikant, importeur of downstream gebruiker een stof, vermeld in bijlage XIV van voormelde Verordening (EG) nr. 1907/2006, niet voor een bepaald gebruik gebruiken, tenzij voldaan is aan artikel 56 van de verordening. ".
Art. 139. Le chapitre 5bis.0 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, est complété par un article 5bis.0.4, rédigé comme suit :
" Art. 5bis.0.4. Fabrication et utilisation de substances dangereuses (Règlement (CE) n° 1907/2006 du Parlement européen et du Conseil du 18 décembre 2006 concernant l'enregistrement, l'évaluation et l'autorisation des substances chimiques, ainsi que les restrictions applicables à ces substances (REACH), instituant une agence européenne des produits chimiques, modifiant la Directive 1999/45/CE et abrogeant le Règlement (CEE) n° 793/93 du Conseil et le Règlement (CE) n° 1488/94 de la Commission ainsi que la Directive 76/769/CEE du Conseil et les Directives 91/155/CEE, 93/67/CEE, 93/105/CE et 2000/21/CE de la Commission)
1° Conformément à l'article 67 du Règlement précité (CE) n° 1907/2006, une substance en tant que telle ou dans une préparation ou dans un objet, pour laquelle une restriction est reprise dans l'annexe XVII du Règlement précité (CE) n° 1907/2006, ne peut être fabriquée ou utilisée, sauf s'il a été répondu aux conditions de cette restriction. Cela ne s'applique pas à la fabrication et à l'utilisation d'une substance lors d'une recherche ou d'un développement scientifique. L'annexe XVII mentionne dans quels cas la restriction ne s'applique pas à la recherche et au développement axés sur des produits et des procédés, et spécifie la quantité maximale exemptée.
Conformément à l'article 56 du Règlement (CE) n° 1907/2006, un fabricant, un importateur ou un utilisateur en aval, ne peut pas utiliser une substance, mentionnée à l'annexe XIV du Règlement précité (CE) n° 1907/2006, pour un usage spécifique, sauf s'il a été répondu à l'article 56 du règlement. ".
" Art. 5bis.0.4. Fabrication et utilisation de substances dangereuses (Règlement (CE) n° 1907/2006 du Parlement européen et du Conseil du 18 décembre 2006 concernant l'enregistrement, l'évaluation et l'autorisation des substances chimiques, ainsi que les restrictions applicables à ces substances (REACH), instituant une agence européenne des produits chimiques, modifiant la Directive 1999/45/CE et abrogeant le Règlement (CEE) n° 793/93 du Conseil et le Règlement (CE) n° 1488/94 de la Commission ainsi que la Directive 76/769/CEE du Conseil et les Directives 91/155/CEE, 93/67/CEE, 93/105/CE et 2000/21/CE de la Commission)
1° Conformément à l'article 67 du Règlement précité (CE) n° 1907/2006, une substance en tant que telle ou dans une préparation ou dans un objet, pour laquelle une restriction est reprise dans l'annexe XVII du Règlement précité (CE) n° 1907/2006, ne peut être fabriquée ou utilisée, sauf s'il a été répondu aux conditions de cette restriction. Cela ne s'applique pas à la fabrication et à l'utilisation d'une substance lors d'une recherche ou d'un développement scientifique. L'annexe XVII mentionne dans quels cas la restriction ne s'applique pas à la recherche et au développement axés sur des produits et des procédés, et spécifie la quantité maximale exemptée.
Conformément à l'article 56 du Règlement (CE) n° 1907/2006, un fabricant, un importateur ou un utilisateur en aval, ne peut pas utiliser une substance, mentionnée à l'annexe XIV du Règlement précité (CE) n° 1907/2006, pour un usage spécifique, sauf s'il a été répondu à l'article 56 du règlement. ".
Art. 140. In artikel 5bis.15.5.2.1, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, worden tussen de woorden " in dit besluit " en de woorden " wordt geacht " de woorden " en de bijzondere milieuvoorwaarden " ingevoegd.
Art. 140. Dans l'article 5bis.15.5.2.1, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, les mots " et dans les conditions environnementales spécifiques " sont ajoutés après les mots " dans le présent arrêté ".
Art. 141. In artikel 5bis.15.5.2.9, derde zin, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt tussen de zinsnede " overeenkomstig artikel 5BIS.15.5.2.10 " en de woorden " Het afvoeren " de volgende zinsnede ingevoegd : " , tenzij anders vermeld in de bijzondere milieuvoorwaarden ".
Art. 141. Dans l'article 5bis.15.5.2.9, troisième phrase, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, les mots " sauf dispositions contraires dans l'autorisation écologique " sont insérés après les mots " conformément à l'article 5bis.15.5.2.10 ".
Art. 142. In artikel 5bis.15.5.2.10, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, worden tussen de woorden " wettelijke bepalingen " en de zinsnede " , moet voor de verwerking " de woorden " en bijzondere milieuvoorwaarden " ingevoegd.
Art. 142. Dans l'article 5bis.15.5.2.10, § 1er, alinéa premier, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, les mots " et conditions environnementales particulières " sont ajoutés après les mots " dispositions légales ".
Art. 143. In artikel 5bis.15.5.2.11 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, worden tussen de woorden " wettelijke bepalingen " en de zinsnede " , moeten de definitief " de woorden " en bijzondere milieuvoorwaarden " ingevoegd.
Art. 143. Dans l'article 5bis.15.5.2.11, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, les mots " et conditions environnementales particulières " sont ajoutés après les mots " dispositions légales ".
Art. 144. Aan artikel 5bis.15.5.2.12 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt de volgende zinsnede toegevoegd : " , tenzij anders vermeld in de bijzondere milieuvoorwaarden ".
Art. 144. A l'article 5bis.15.5.2.12 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, est ajoutée la partie de phrase suivante : " sauf autrement mentionné dans les conditions environnementales particulières ".
Art. 145. Aan artikel 5bis.15.5.2.13, § 1, inleidende zin, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt de volgende zinsnede toegevoegd : " , tenzij anders vermeld in de bijzondere milieuvoorwaarden ".
Art. 145. Dans l'article 5bis.15.5.2.13, § 1er, phrase introductive, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, est ajoutée la partie de phrase suivante : " , sauf autrement mentionné dans les conditions environnementales particulières ".
Art. 146. In artikel 5bis.15.5.2.16 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 5 wordt opgeheven;
2° in paragraaf 7 worden de woorden " deze afdeling " vervangen door de woorden " dit artikel ".
1° paragraaf 5 wordt opgeheven;
2° in paragraaf 7 worden de woorden " deze afdeling " vervangen door de woorden " dit artikel ".
Art. 146. Dans l'article 5bis.15.5.2.16 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 5 est abrogé;
2° dans le paragraphe 7, les mots " la présente section " sont remplacés par les mots " le présent article ".
1° le paragraphe 5 est abrogé;
2° dans le paragraphe 7, les mots " la présente section " sont remplacés par les mots " le présent article ".
Art. 147. In artikel 5bis.15.5.3.1, § 4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de zinsnede " (cf. norm DIN 1999 of EN 858 of een gelijkwaardige norm) " wordt vervangen door de zinsnede " (conform de code van goede praktijk) ";
2° de zinsnede " Algemeen onderzoek : 20 jaarlijks (artikel 5.17.3.16, § 2) " wordt opgeheven.
1° de zinsnede " (cf. norm DIN 1999 of EN 858 of een gelijkwaardige norm) " wordt vervangen door de zinsnede " (conform de code van goede praktijk) ";
2° de zinsnede " Algemeen onderzoek : 20 jaarlijks (artikel 5.17.3.16, § 2) " wordt opgeheven.
Art. 147. Dans l'article 5bis.15.5.3.1, § 4, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° la partie de phrase " (cf. norme DIN 1999 ou EN 858 ou une norme équivalente) " est remplacée par la partie de phrase " (conforme le code de bonne pratique) ";
2° la partie de phrase " Enquête générale : 20 annuellement (article 5.17.3.16, § 2) " est abrogée.
1° la partie de phrase " (cf. norme DIN 1999 ou EN 858 ou une norme équivalente) " est remplacée par la partie de phrase " (conforme le code de bonne pratique) ";
2° la partie de phrase " Enquête générale : 20 annuellement (article 5.17.3.16, § 2) " est abrogée.
Art. 148. In artikel 5bis.15.5.3.5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009, wordt paragraaf 4 vervangen door wat volgt :
" § 4. Voertuigen die mogelijk zullen worden afgedankt, worden op een vloeistofdichte vloer opgeslagen. Tenzij anders vermeld in de bijzondere milieuvoorwaarden, is de vloeistofdichte vloer aangesloten op een lekdicht afwateringssysteem dat voorzien is van een koolwaterstofafscheider en een slibvangput, zodat gelekte vloeistoffen noch de bodem, noch het grondwater, noch het oppervlaktewater kunnen verontreinigen. Alle afgedankte voertuigen worden ingeleverd bij een daarvoor erkende inrichting.
De goede werking van de koolwaterstofafscheider wordt altijd verzekerd. De koolwaterstofafscheider wordt zo dikwijls geledigd en gereinigd als nodig is om de goede werking ervan te waarborgen. De exploitant inspecteert daarvoor om de drie maanden de afscheider. Van de inspecties wordt een logboek bijgehouden. ".
" § 4. Voertuigen die mogelijk zullen worden afgedankt, worden op een vloeistofdichte vloer opgeslagen. Tenzij anders vermeld in de bijzondere milieuvoorwaarden, is de vloeistofdichte vloer aangesloten op een lekdicht afwateringssysteem dat voorzien is van een koolwaterstofafscheider en een slibvangput, zodat gelekte vloeistoffen noch de bodem, noch het grondwater, noch het oppervlaktewater kunnen verontreinigen. Alle afgedankte voertuigen worden ingeleverd bij een daarvoor erkende inrichting.
De goede werking van de koolwaterstofafscheider wordt altijd verzekerd. De koolwaterstofafscheider wordt zo dikwijls geledigd en gereinigd als nodig is om de goede werking ervan te waarborgen. De exploitant inspecteert daarvoor om de drie maanden de afscheider. Van de inspecties wordt een logboek bijgehouden. ".
Art. 148. A l'article 5bis.15.5.3.5 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juin 2009, le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Les véhicules qui seront éventuellement mises au rebut, sont entreposées sur un sol imperméable. Sauf autrement mentionné dans les conditions environnementales particulières, le sol imperméable est raccordé à un système d'évacuation des eaux étanche muni d'un séparateur d'hydrocarbures et un de captage de boues, de sorte que les liquides écoulés puissent ni polluer le sol, ni les eaux souterraines, ni les eaux de surface. Tous les véhicules mises au rebut sont délivrées auprès d'un établissement agréé à cet effet.
Le bon fonctionnement du séparateur d'hydrocarbures est garanti en tout temps. Le séparateur d'hydrocarbures est vidé et nettoyé aussi souvent que nécessaire afin d'assurer son bon fonctionnement. A cet effet, l'exploitant inspecte le séparateur tous les trois mois. Il est tenu un journal de ces inspections. ".
" § 4. Les véhicules qui seront éventuellement mises au rebut, sont entreposées sur un sol imperméable. Sauf autrement mentionné dans les conditions environnementales particulières, le sol imperméable est raccordé à un système d'évacuation des eaux étanche muni d'un séparateur d'hydrocarbures et un de captage de boues, de sorte que les liquides écoulés puissent ni polluer le sol, ni les eaux souterraines, ni les eaux de surface. Tous les véhicules mises au rebut sont délivrées auprès d'un établissement agréé à cet effet.
Le bon fonctionnement du séparateur d'hydrocarbures est garanti en tout temps. Le séparateur d'hydrocarbures est vidé et nettoyé aussi souvent que nécessaire afin d'assurer son bon fonctionnement. A cet effet, l'exploitant inspecte le séparateur tous les trois mois. Il est tenu un journal de ces inspections. ".
Art. 149. Artikel 5bis.15.5.4.1.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 5bis.15.5.4.1.3. De garages en herstellingswerkplaatsen worden doeltreffend verlucht zodat de atmosfeer er nooit giftig of ontplofbaar kan worden. De nodige maatregelen worden getroffen als er brandstofdampen kunnen vrijkomen. ".
" Art. 5bis.15.5.4.1.3. De garages en herstellingswerkplaatsen worden doeltreffend verlucht zodat de atmosfeer er nooit giftig of ontplofbaar kan worden. De nodige maatregelen worden getroffen als er brandstofdampen kunnen vrijkomen. ".
Art. 149. L'article 5bis.15.5.4.1.3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 5bis.15.5.4.1.3. Les garages et ateliers de réparation sont effectivement ventilés de sorte que l'atmosphère ne puisse jamais y être toxique ou explosive. Les mesures nécessaires sont prises si des vapeurs de carburants pourraient se libérer. ".
" Art. 5bis.15.5.4.1.3. Les garages et ateliers de réparation sont effectivement ventilés de sorte que l'atmosphère ne puisse jamais y être toxique ou explosive. Les mesures nécessaires sont prises si des vapeurs de carburants pourraient se libérer. ".
Art. 150. In artikel 5bis.15.5.4.1.6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt voor de eerste twee leden, die paragraaf 2 worden, een paragraaf 1 ingevoegd, die luidt als volgt :
" § 1. Rustverstorende werkzaamheden zijn verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur, alsook op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de bijzondere milieuvoorwaarden. ".
" § 1. Rustverstorende werkzaamheden zijn verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur, alsook op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de bijzondere milieuvoorwaarden. ".
Art. 150. Dans l'article 5bis.15.5.4.1.6 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, il est inséré un paragraphe 1er devant les deux premiers alinés, qui deviennent le paragraphe 2, rédigé comme suit :
" § 1er. Les activités perturbant le calme sont interdites les jours ouvrables entre 19 heures et 7 heures, ainsi que les dimanches et les jours fériés, sauf autrement mentionné dans les conditions environnementales particulières. ".
" § 1er. Les activités perturbant le calme sont interdites les jours ouvrables entre 19 heures et 7 heures, ainsi que les dimanches et les jours fériés, sauf autrement mentionné dans les conditions environnementales particulières. ".
Art. 151. Artikel 5bis.15.5.4.1.7 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 5bis.15.5.4.1.7. De plaatsen waar geaccidenteerde voertuigen worden gestald, zijn uitgerust met een vloeistofdichte vloer. Tenzij anders vermeld in de bijzondere milieuvoorwaarden, is de vloeistofdichte vloer aangesloten op een lekdicht afwateringssysteem dat voorzien is van een koolwaterstofafscheider en een slibvangput, zodat gelekte vloeistoffen noch de bodem, noch het grondwater, noch het oppervlaktewater kunnen verontreinigen.
De goede werking van de koolwaterstofafscheider wordt altijd verzekerd. De koolwaterstofafscheider wordt zo dikwijls geledigd en gereinigd als nodig is om de goede werking ervan te waarborgen. De exploitant inspecteert daarvoor om de drie maanden de afscheider. Van de inspecties wordt een logboek bijgehouden. ".
" Art. 5bis.15.5.4.1.7. De plaatsen waar geaccidenteerde voertuigen worden gestald, zijn uitgerust met een vloeistofdichte vloer. Tenzij anders vermeld in de bijzondere milieuvoorwaarden, is de vloeistofdichte vloer aangesloten op een lekdicht afwateringssysteem dat voorzien is van een koolwaterstofafscheider en een slibvangput, zodat gelekte vloeistoffen noch de bodem, noch het grondwater, noch het oppervlaktewater kunnen verontreinigen.
De goede werking van de koolwaterstofafscheider wordt altijd verzekerd. De koolwaterstofafscheider wordt zo dikwijls geledigd en gereinigd als nodig is om de goede werking ervan te waarborgen. De exploitant inspecteert daarvoor om de drie maanden de afscheider. Van de inspecties wordt een logboek bijgehouden. ".
Art. 151. L'article 5bis.15.5.4.1.7 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juin 2009, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 5bis.15.5.4.1.7 Les sites où les véhicules accidentés sont garés, sont équipés d'un sol imperméable aux liquides. Sauf autrement mentionné dans les conditions environnementales particulières, le sol imperméable est raccordé à un système d'évacuation des eaux étanche muni d'un séparateur d'hydrocarbures et un de captage de boues, de sorte que les liquides écoulés puissent ni polluer le sol, ni les eaux souterraines, ni les eaux de surface.
Le bon fonctionnement du séparateur d'hydrocarbures est garanti en tout temps. Le séparateur d'hydrocarbures est vidé et nettoyé aussi souvent que nécessaire afin d'assurer son bon fonctionnement. A cet effet, l'exploitant inspecte le séparateur tous les trois mois. Il est tenu un journal de ces inspections. ".
" Art. 5bis.15.5.4.1.7 Les sites où les véhicules accidentés sont garés, sont équipés d'un sol imperméable aux liquides. Sauf autrement mentionné dans les conditions environnementales particulières, le sol imperméable est raccordé à un système d'évacuation des eaux étanche muni d'un séparateur d'hydrocarbures et un de captage de boues, de sorte que les liquides écoulés puissent ni polluer le sol, ni les eaux souterraines, ni les eaux de surface.
Le bon fonctionnement du séparateur d'hydrocarbures est garanti en tout temps. Le séparateur d'hydrocarbures est vidé et nettoyé aussi souvent que nécessaire afin d'assurer son bon fonctionnement. A cet effet, l'exploitant inspecte le séparateur tous les trois mois. Il est tenu un journal de ces inspections. ".
Art. 152. In artikel 5bis.15.5.4.2.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan paragraaf 4 wordt de zinsnede " , tenzij anders bepaald in de bijzondere milieuvoorwaarden " toegevoegd;
2° in paragraaf 5, eerste lid, worden de woorden " hoog volume/lage druk " opgeheven.
1° aan paragraaf 4 wordt de zinsnede " , tenzij anders bepaald in de bijzondere milieuvoorwaarden " toegevoegd;
2° in paragraaf 5, eerste lid, worden de woorden " hoog volume/lage druk " opgeheven.
Art. 152. A l'article 5bis.15.5.4.2.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juin 2009, sont apportées les modifications suivantes :
1° A la partie de phrase " , sauf autrement mentionné dans les conditions environnementales particulières " est ajoutée au § 4;
2° au paragraphe 5, alinéa premier, les mots " haut volume/basse pression " sont abrogés;
1° A la partie de phrase " , sauf autrement mentionné dans les conditions environnementales particulières " est ajoutée au § 4;
2° au paragraphe 5, alinéa premier, les mots " haut volume/basse pression " sont abrogés;
Art. 153. In artikel 5bis.15.5.4.2.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan paragraaf 1, eerste lid, wordt de volgende zinsnede toegevoegd : " , tenzij anders vermeld in de bijzondere milieuvoorwaarden ";
2° aan paragraaf 1, tweede lid, wordt de volgende zin toegevoegd : " De vloer, de opvanggoot en de opvangputten zijn uitgevoerd in chemisch inert materiaal dat ondoorlatend is voor de stoffen die erop terechtkomen. ";
3° aan paragraaf 2, 4°, wordt de volgende zin toegevoegd :
" Van deze beperking mag om procestechnische redenen in de bijzondere milieuvoorwaarden worden afgeweken; ".
1° aan paragraaf 1, eerste lid, wordt de volgende zinsnede toegevoegd : " , tenzij anders vermeld in de bijzondere milieuvoorwaarden ";
2° aan paragraaf 1, tweede lid, wordt de volgende zin toegevoegd : " De vloer, de opvanggoot en de opvangputten zijn uitgevoerd in chemisch inert materiaal dat ondoorlatend is voor de stoffen die erop terechtkomen. ";
3° aan paragraaf 2, 4°, wordt de volgende zin toegevoegd :
" Van deze beperking mag om procestechnische redenen in de bijzondere milieuvoorwaarden worden afgeweken; ".
Art. 153. A l'article 5bis.15.5.4.2.4 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° le paragraphe 1er, alinéa premier, est complété par la partie de phrase suivante : " sauf autrement mentionné dans les conditions environnementales particulières ";
2° le paragraphe 1er, alinéa deux, est complété par la phrase suivante : " Le sol, le canal collecteur et les puits de collecte sont réalisées en un matériau chimiquement inerte qui est imperméable aux substances qui y sont déversées. ";
3° le paragraphe 2, 4°, est complété par la phrase suivante :
" Il peut être dérogé à cette restriction pour des raisons de procédés techniques dans les conditions environnementales particulières; ".
1° le paragraphe 1er, alinéa premier, est complété par la partie de phrase suivante : " sauf autrement mentionné dans les conditions environnementales particulières ";
2° le paragraphe 1er, alinéa deux, est complété par la phrase suivante : " Le sol, le canal collecteur et les puits de collecte sont réalisées en un matériau chimiquement inerte qui est imperméable aux substances qui y sont déversées. ";
3° le paragraphe 2, 4°, est complété par la phrase suivante :
" Il peut être dérogé à cette restriction pour des raisons de procédés techniques dans les conditions environnementales particulières; ".
Art. 154. Aan artikel 5bis.15.5.4.2.5, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt de volgende zin toegevoegd :
" De exploitant voorziet in de schoorstenen of lozingskanalen de nodige openingen met het oog op de uitvoering van controlemetingen in alle veiligheid. ".
" De exploitant voorziet in de schoorstenen of lozingskanalen de nodige openingen met het oog op de uitvoering van controlemetingen in alle veiligheid. ".
Art. 154. A l'article 5bis.15.5.4.2.5, § 2, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, est ajoutée la phrase suivante :
" L'exploitant prévoit les ouvertures nécessaires dans les cheminées et canaux de déversement en vue de l'exécution de mesurage de contrôle en toute sécurité. ".
" L'exploitant prévoit les ouvertures nécessaires dans les cheminées et canaux de déversement en vue de l'exécution de mesurage de contrôle en toute sécurité. ".
Art. 155. In artikel 5bis.15.5.4.3.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 mei 2010, wordt de zinsnede " die behoren tot de families en groepen van stoffen vermeld in de lijsten I en II van bijlage 2C van titel I van het VLAREM " vervangen door de zinsnede " die conform bijlage 2C bij titel I van het VLAREM als gevaarlijke stof zijn te beschouwen, of die behoren tot de families en de groepen van stoffen, vermeld in bijlage 2C ".
Art. 155. Dans l'article 5bis.15.5.4.3.3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 mai 2010, la partie de phrase " qui appartiennent aux familles et groupes de substances mentionnés dans les listes Ire et II de l'annexe 2C du titre Ier du VLAREM " sont remplacés par la partie de phrase " qui sont à considérer comme des substances dangereuses conformément à l'annexe 2C du titre Ier du VLAREM ou qui appartiennent aux familles et groupes de substances mentionnés dans l'annexe 2C ".
Art. 156. In artikel 5bis.15.5.4.3.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt 4° wordt het woord " vergunning " vervangen door de woorden " bijzondere milieuvoorwaarden ";
2° in punt 5°, c), wordt de zinsnede " apolaire koolwaterstoffen extraheerbaar met tetrachloorkoolstof " vervangen door de zinsnede " perchloorethyleenextraheerbare apolaire stoffen ";
3° in punt 5°, d), wordt de zinsnede " anionische, kationische en niet-ionische oppervlakte-actieve stoffen " vervangen door de zinsnede " som van anionische, niet-ionogene en kationische oppervlakteactieve stoffen ".
1° in punt 4° wordt het woord " vergunning " vervangen door de woorden " bijzondere milieuvoorwaarden ";
2° in punt 5°, c), wordt de zinsnede " apolaire koolwaterstoffen extraheerbaar met tetrachloorkoolstof " vervangen door de zinsnede " perchloorethyleenextraheerbare apolaire stoffen ";
3° in punt 5°, d), wordt de zinsnede " anionische, kationische en niet-ionische oppervlakte-actieve stoffen " vervangen door de zinsnede " som van anionische, niet-ionogene en kationische oppervlakteactieve stoffen ".
Art. 156. A l'article 5bis.15.5.4.3.4 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° au point 4° le mot " autorisation " est remplacé par les mots " conditions environnementales particulières ";
2° dans le point 5°, c), la partie de phrase " hydrocarbures apolaires extractibles au tétrachlorure de carbone " est remplacée par la partie de phrase " substances apolaires extractibles au perchloroéthylène ";
3° dans le point 5°, d), la partie de phrase " substances anioniques, cationiques et non ioniques tensio-actives " est remplacé par la partie de phrase " sommes des substances anioniques, cationiques et non ioniques tensio-actives ".
1° au point 4° le mot " autorisation " est remplacé par les mots " conditions environnementales particulières ";
2° dans le point 5°, c), la partie de phrase " hydrocarbures apolaires extractibles au tétrachlorure de carbone " est remplacée par la partie de phrase " substances apolaires extractibles au perchloroéthylène ";
3° dans le point 5°, d), la partie de phrase " substances anioniques, cationiques et non ioniques tensio-actives " est remplacé par la partie de phrase " sommes des substances anioniques, cationiques et non ioniques tensio-actives ".
Art. 157. In artikel 5bis.15.5.4.3.5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede " gelegen in een zuiveringszone A of B van een gemeente waarvoor nog geen definitief gemeentelijk zoneringsplan is vastgesteld, respectievelijk " opgeheven;
2° in paragraaf 1 worden de woorden " of een collectief geoptimaliseerde buitengebied " vervangen door de woorden " of een collectief geoptimaliseerd buitengebied of een collectief te optimaliseren buitengebied ";
3° paragraaf 2 wordt opgeheven.
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede " gelegen in een zuiveringszone A of B van een gemeente waarvoor nog geen definitief gemeentelijk zoneringsplan is vastgesteld, respectievelijk " opgeheven;
2° in paragraaf 1 worden de woorden " of een collectief geoptimaliseerde buitengebied " vervangen door de woorden " of een collectief geoptimaliseerd buitengebied of een collectief te optimaliseren buitengebied ";
3° paragraaf 2 wordt opgeheven.
Art. 157. A l'article 5bis.15.5.4.3.5 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 mai 2008, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le paragraphe 1er, la partie de phrase " situés dans une zone d'épuration A ou B d'une commune pour laquelle le plan de zonage n'a pas encore été définitivement fixé, respectivement " est abrogée;
2° au paragraphe 1er, les mots " une zone extérieure collectivement optimalisée " sont remplacés par les mots " une zone extérieure optimalisée collectivement ou une zone extérieure à optimaliser collectivement ";
3° le paragraphe 2 est abrogé.
1° dans le paragraphe 1er, la partie de phrase " situés dans une zone d'épuration A ou B d'une commune pour laquelle le plan de zonage n'a pas encore été définitivement fixé, respectivement " est abrogée;
2° au paragraphe 1er, les mots " une zone extérieure collectivement optimalisée " sont remplacés par les mots " une zone extérieure optimalisée collectivement ou une zone extérieure à optimaliser collectivement ";
3° le paragraphe 2 est abrogé.
Art. 158. In artikel 5bis.15.5.4.3.6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het opschrift worden de woorden " in oppervlaktewater en/of " opgeheven;
2° in paragraaf 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) de woorden " in de gewone oppervlaktewateren van een gemeente waarvoor het definitief zoneringsplan nog niet is vastgesteld en/of " worden opgeheven;
b) de woorden " in concentraties die hoger zijn dan 10 keer de milieukwaliteitsnormen van toepassing voor de uiteindelijk ontvangende waterloop " worden vervangen door de woorden " in concentraties die hoger zijn dan tien keer de indelingscriteria, vermeld in de kolom " indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen) " van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van dit besluit ";
3° paragraaf 2 wordt opgeheven.
1° in het opschrift worden de woorden " in oppervlaktewater en/of " opgeheven;
2° in paragraaf 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) de woorden " in de gewone oppervlaktewateren van een gemeente waarvoor het definitief zoneringsplan nog niet is vastgesteld en/of " worden opgeheven;
b) de woorden " in concentraties die hoger zijn dan 10 keer de milieukwaliteitsnormen van toepassing voor de uiteindelijk ontvangende waterloop " worden vervangen door de woorden " in concentraties die hoger zijn dan tien keer de indelingscriteria, vermeld in de kolom " indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen) " van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van dit besluit ";
3° paragraaf 2 wordt opgeheven.
Art. 158. A l'article 5bis.15.5.4.3.6 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 novembre 2009, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'intitulé, les mots " dans les eaux de surface et/ou " sont supprimés;
2° au § 2 sont apportées les modifications suivantes :
a) les mots " dans les eaux de surface normales d'une commune pour laquelle le plan de zonage définitif n'a pas encore été fixé et/ou " sont suppriés;
b) les mots " en des concentrations supérieures à 10 fois les normes de qualité environnementale qui s'appliquent au cours d'eau récepteur final " sont remplacés par les mots " en des concentrations supérieures à dix fois les critères de classification, visés à la colonne " critère de classification SD (substances dangereuses) " de l'article 3 de l'annexe 2.3.1 au présent arrêté ";
3° le paragraphe 2 est abrogé.
1° dans l'intitulé, les mots " dans les eaux de surface et/ou " sont supprimés;
2° au § 2 sont apportées les modifications suivantes :
a) les mots " dans les eaux de surface normales d'une commune pour laquelle le plan de zonage définitif n'a pas encore été fixé et/ou " sont suppriés;
b) les mots " en des concentrations supérieures à 10 fois les normes de qualité environnementale qui s'appliquent au cours d'eau récepteur final " sont remplacés par les mots " en des concentrations supérieures à dix fois les critères de classification, visés à la colonne " critère de classification SD (substances dangereuses) " de l'article 3 de l'annexe 2.3.1 au présent arrêté ";
3° le paragraphe 2 est abrogé.
Art. 159. In artikel 5bis.15.5.4.3.8 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het opschrift worden de woorden " in openbare riolering en/of " opgeheven;
2° in paragraaf 1 wordt de zinsnede " in de openbare riolering, gelegen in een zuiveringszone A of B van een gemeente waarvoor nog geen definitief zoneringsplan is vastgesteld, respectievelijk " opgeheven;
3° in paragraaf 2 wordt de zinsnede " in een zuiveringszone A of B van een gemeente waarvoor nog geen definitief zoneringsplan is vastgesteld, respectievelijk " opgeheven;
4° paragraaf 3 en 4 worden opgeheven.
1° in het opschrift worden de woorden " in openbare riolering en/of " opgeheven;
2° in paragraaf 1 wordt de zinsnede " in de openbare riolering, gelegen in een zuiveringszone A of B van een gemeente waarvoor nog geen definitief zoneringsplan is vastgesteld, respectievelijk " opgeheven;
3° in paragraaf 2 wordt de zinsnede " in een zuiveringszone A of B van een gemeente waarvoor nog geen definitief zoneringsplan is vastgesteld, respectievelijk " opgeheven;
4° paragraaf 3 en 4 worden opgeheven.
Art. 159. A l'article 5bis.15.5.4.3.8 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 novembre 2009, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'intitulé,les mots " dans les égouts publics et/ou " sont supprimés;
2° dans le paragraphe 1er, la partie de phrase " dans les égouts publics situés dans une zone d'épuration A ou B d'une commune pour laquelle le plan de zonage n'a pas encore été définitivement fixé, respectivement " est abrogée;
3° dans le paragraphe 2, la partie de phrase " dans une zone d'épuration située dans une zone d'épuration A ou B d'une commune pour laquelle le plan de zonage n'a pas encore été définitivement fixé, respectivement " est abrogée;
4° les paragraphes 3 et 4 sont abrogés.
1° dans l'intitulé,les mots " dans les égouts publics et/ou " sont supprimés;
2° dans le paragraphe 1er, la partie de phrase " dans les égouts publics situés dans une zone d'épuration A ou B d'une commune pour laquelle le plan de zonage n'a pas encore été définitivement fixé, respectivement " est abrogée;
3° dans le paragraphe 2, la partie de phrase " dans une zone d'épuration située dans une zone d'épuration A ou B d'une commune pour laquelle le plan de zonage n'a pas encore été définitivement fixé, respectivement " est abrogée;
4° les paragraphes 3 et 4 sont abrogés.
Art. 160. In artikel 5bis.15.5.4.3.10 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt de zin " Het afvalwater afkomstig van garages andere dan koetswerkbedrijven, verdeelpompen, werkplaats voor herstellen van voertuigen en gelijkaardige afvalwaterstromen die koolwaterstoffen of bezinkbare stoffen kunnen bevatten, moeten afzonderlijk van de andere afvalwaterstromen worden verzameld en minstens behandeld in een koolwaterstofafscheider met automatische afsluiter en slibvangput. " vervangen door de zin " Het afvalwater, afkomstig van verdeelpompen, de werkplaats voor het herstellen van voertuigen, andere garages dan koetswerkbedrijven, en gelijkaardige afvalwaterstromen die koolwaterstoffen of bezinkbare stoffen kunnen bevatten, worden afzonderlijk van de andere afvalwaterstromen verzameld en minstens behandeld in een koolwaterstofafscheider met automatische afsluiter en slibvangput. ";
2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt :
" § 2. De goede werking van de koolwaterstofafscheider wordt altijd verzekerd. De koolwaterstofafscheider wordt zo dikwijls geledigd en gereinigd als nodig is om de goede werking ervan te waarborgen. De exploitant inspecteert daarvoor om de drie maanden de afscheider. Van de inspecties wordt een logboek bijgehouden. ".
1° in paragraaf 1 wordt de zin " Het afvalwater afkomstig van garages andere dan koetswerkbedrijven, verdeelpompen, werkplaats voor herstellen van voertuigen en gelijkaardige afvalwaterstromen die koolwaterstoffen of bezinkbare stoffen kunnen bevatten, moeten afzonderlijk van de andere afvalwaterstromen worden verzameld en minstens behandeld in een koolwaterstofafscheider met automatische afsluiter en slibvangput. " vervangen door de zin " Het afvalwater, afkomstig van verdeelpompen, de werkplaats voor het herstellen van voertuigen, andere garages dan koetswerkbedrijven, en gelijkaardige afvalwaterstromen die koolwaterstoffen of bezinkbare stoffen kunnen bevatten, worden afzonderlijk van de andere afvalwaterstromen verzameld en minstens behandeld in een koolwaterstofafscheider met automatische afsluiter en slibvangput. ";
2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt :
" § 2. De goede werking van de koolwaterstofafscheider wordt altijd verzekerd. De koolwaterstofafscheider wordt zo dikwijls geledigd en gereinigd als nodig is om de goede werking ervan te waarborgen. De exploitant inspecteert daarvoor om de drie maanden de afscheider. Van de inspecties wordt een logboek bijgehouden. ".
Art. 160. Dans l'article 5bis.15.5.4.3.10 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le paragraphe 1er, la phrase " Les eaux usées provenant de garages autres que les entreprises de carrosserie, pompes de distribution, les ateliers pour la réparation de véhicules et déversements d'eaux usées similaires pouvant contenir des hydrocarbures ou des matières sédimentaires, doivent être séparément collectés des autres eaux usées et au moins traitées dans un séparateur d'hydrocarbures avec obturateur automatique et puits de collecte des boues. " est remplacée par la phrase " Les eaux usées provenant des pompes de distribution, de l'atelier pour la réparation de véhicules, de garages autres que les entreprises de carrosserie, et déversements d'eaux usées similaires pouvant contenir des hydrocarbures ou des matières sédimentaires, doivent être séparément collectés des autres eaux usées et au moins traitées dans un séparateur d'hydrocarbures avec obturateur automatique et puits de collecte des boues. ";
2° le paragraphe 2 est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Le bon fonctionnement du séparateur d'hydrocarbures est garanti en tout temps. Le séparateur d'hydrocarbures est vidé et nettoyé aussi souvent que nécessaire afin d'assurer son bon fonctionnement. A cet effet, l'exploitant inspecte le séparateur tous les trois mois. Il est tenu un journal de ces inspections. ".
1° dans le paragraphe 1er, la phrase " Les eaux usées provenant de garages autres que les entreprises de carrosserie, pompes de distribution, les ateliers pour la réparation de véhicules et déversements d'eaux usées similaires pouvant contenir des hydrocarbures ou des matières sédimentaires, doivent être séparément collectés des autres eaux usées et au moins traitées dans un séparateur d'hydrocarbures avec obturateur automatique et puits de collecte des boues. " est remplacée par la phrase " Les eaux usées provenant des pompes de distribution, de l'atelier pour la réparation de véhicules, de garages autres que les entreprises de carrosserie, et déversements d'eaux usées similaires pouvant contenir des hydrocarbures ou des matières sédimentaires, doivent être séparément collectés des autres eaux usées et au moins traitées dans un séparateur d'hydrocarbures avec obturateur automatique et puits de collecte des boues. ";
2° le paragraphe 2 est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Le bon fonctionnement du séparateur d'hydrocarbures est garanti en tout temps. Le séparateur d'hydrocarbures est vidé et nettoyé aussi souvent que nécessaire afin d'assurer son bon fonctionnement. A cet effet, l'exploitant inspecte le séparateur tous les trois mois. Il est tenu un journal de ces inspections. ".
Art. 161. In artikel 5bis.15.5.4.4.2, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, worden de woorden " of andere niet-rijklare motorvoertuigen " vervangen door het woord " voertuigen ".
Art. 161. Dans l'article 5bis.15.5.4.4.2, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, les mots " ou autres véhicules immobilisés " sont remplacés par les mots " véhicules ".
Art. 162. In artikel 5bis.15.5.4.6.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt de zinsnede " het onderdeel 2°, i) " vervangen door de zinsnede " de onderdelen 2°, i) en v) ".
Art. 162. Dans l'article 5bis.15.5.4.6.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, la partie de phrase " la partie 2°, i) " est remplacée par la partie de phrase " les parties 2°, i et v) ".
Art. 163. In artikel 5bis.15.5.4.6.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, worden paragraaf 3 en 4 vervangen door wat volgt :
" § 3. De opslagplaatsen worden overeenkomstig artikel 5.16.1.8, § 2, periodiek onderzocht door erkende milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, vermeld in artikel 6, 1°, a), van het VLAREL.
Het onderzoek omvat ook buiten de punten, vermeld in artikel 5.16.1.8, § 1, een herafstelling van de veiligheidskleppen, ten minste om de tien jaar. Alle kleppen zijn uitwendig en zijn voorzien van een adapter.
§ 4. Voor vacuümgeïsoleerde houders wordt de opslagplaats om de twee jaar door de exploitant of zijn aangestelde gecontroleerd. ".
" § 3. De opslagplaatsen worden overeenkomstig artikel 5.16.1.8, § 2, periodiek onderzocht door erkende milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, vermeld in artikel 6, 1°, a), van het VLAREL.
Het onderzoek omvat ook buiten de punten, vermeld in artikel 5.16.1.8, § 1, een herafstelling van de veiligheidskleppen, ten minste om de tien jaar. Alle kleppen zijn uitwendig en zijn voorzien van een adapter.
§ 4. Voor vacuümgeïsoleerde houders wordt de opslagplaats om de twee jaar door de exploitant of zijn aangestelde gecontroleerd. ".
Art. 163. Dans l'article 5bis.15.5.4.6.3 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, les §§ 1er et 4 sont remplacés par la disposition suivante :
" § 3. Les lieux de stockage sont périodiquement contrôlés conformément à l'article 5.16.1.8., § 2, par un expert environnemental agréé dans la discipline des récipients de gaz ou de substances dangereuses, mentionnées à l'article 6, 1 ° a) du VLAREL.
Le contrôle comprend également, outre les points visés à l'article 5.16.1.8, § 1er, un nouveau réglage des vannes de sécurité, au moins tous les dix ans. Toutes les vannes sont munies d'un adaptateur extérieur.
§ 4. En ce qui concerne les récipients isolés à vide, le lieu de stockage est contrôlé tous les deux ans par l'exploitant ou par son préposé. ".
" § 3. Les lieux de stockage sont périodiquement contrôlés conformément à l'article 5.16.1.8., § 2, par un expert environnemental agréé dans la discipline des récipients de gaz ou de substances dangereuses, mentionnées à l'article 6, 1 ° a) du VLAREL.
Le contrôle comprend également, outre les points visés à l'article 5.16.1.8, § 1er, un nouveau réglage des vannes de sécurité, au moins tous les dix ans. Toutes les vannes sont munies d'un adaptateur extérieur.
§ 4. En ce qui concerne les récipients isolés à vide, le lieu de stockage est contrôlé tous les deux ans par l'exploitant ou par son préposé. ".
Art. 164. In artikel 5bis.15.5.4.7.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt de zinsnede " 2°, j) tot en met l) " vervangen door de zinsnede " 2°, j) tot en met o) ".
Art. 164. Dans l'article 5bis.15.5.4.7.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, la partie de phrase " la partie 2°, j) à l) inclus " est remplacée par la partie de phrase " 2°, j) à o) inclus ".
Art. 165. In artikel 5bis.15.5.4.8.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt de zinsnede " 2°, m) tot en met o) " vervangen door de zinsnede " 2°, j), en 2°, m tot en met o) ".
Art. 165. Dans l'article 5bis.15.5.4.8.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, la partie de phrase " la partie 2°, m) à o) inclus " est remplacée par la partie de phrase " 2°, j), et 2°, m) à o) inclus ".
Art. 166. In artikel 5bis.15.5.4.9.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden " voormelde standplaats " worden vervangen door het woord " bevoorradingsstandplaats ";
2° tussen de woorden " nodige hellingen " en de zinsnede " , zodat alle " worden de woorden " en eventueel opstaande randen " ingevoegd.
1° de woorden " voormelde standplaats " worden vervangen door het woord " bevoorradingsstandplaats ";
2° tussen de woorden " nodige hellingen " en de zinsnede " , zodat alle " worden de woorden " en eventueel opstaande randen " ingevoegd.
Art. 166. Dans l'article 5bis.15.5.4.9.3 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots " plancher de l'emplacement précité " sont remplacés par les mots " plancher de l'emplacement d'approvisionnement ".
2° les mots " et rebords éventuels " sont insérés entre les mots " des inclinaisons nécessaires " et les mots " , de sorte que ".
1° les mots " plancher de l'emplacement précité " sont remplacés par les mots " plancher de l'emplacement d'approvisionnement ".
2° les mots " et rebords éventuels " sont insérés entre les mots " des inclinaisons nécessaires " et les mots " , de sorte que ".
Art. 167. In artikel 5bis.15.5.4.10.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt de zinsnede " t) " vervangen door de zinsnede " u) ".
Art. 167. Dans l'article 5bis.15.5.4.10.1 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, la partie de phrase " t) " est remplacée par la partie de phrase " u) ".
Art. 168. In artikel 5bis.15.5.4.10.3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt telkens tussen de woorden " waarvoor de eerste " en de woorden " vergunning tot exploitatie " de zinsnede " melding/ " ingevoegd.
Art. 168. Dans l'article 5bis.15.5.4.10.3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, le mot " communication/ " est chaque fois inséré entre les mots " auxquels le premier " et les mots " permis d'exploitation ".
Art. 169. In artikel 5bis.15.5.4.10.5, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt de zinsnede " SO2, als het gaat om in hoofdzaak met aardgas of met andere zeer zwavelarme brandstoffen gevoede stookinstallaties; voor " opgeheven.
Art. 169. A l'article 5bis.15.5.4.10.5, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, la partie de phrase " le SO2, lorsqu'il s'agit principalement d'installations de chauffage alimentées au gaz naturel ou avec d'autres carburants pauvres en soufre " est abrogée.
Art. 170. In artikel 5bis.15.5.4.11.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt tussen de zinsnede " 2°, b) " en de zinsnede " van rubriek 15.5 " de zinsnede " en t) " ingevoegd.
Art. 170. Dans l'article 5bis.15.5.4.11.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, la partie phrase " et t) " est insérée entre la partie de phrase " 2°, b) " et la partie de phrase " de la rubrique 15.5 ". "
Art. 171. Aan artikel 5bis.19.8.2.9 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt de zinsnede " , tenzij anders vermeld in de bijzondere milieuvoorwaarden " toegevoegd.
Art. 171. A l'article 5bis.19.8.2.9, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, il est ajouté la partie de phrase " , sauf autrement mentionné dans les conditions environnementales particulières ".
Art. 172. In artikel 5bis.19.8.2.10, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, worden tussen de woorden " wettelijke bepalingen " en de zinsnede " , moet voor de verwerking " de woorden " en bijzondere milieuvoorwaarden " ingevoegd.
Art. 172. Dans l'article 5bis.19.8.2.10, § 1er du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, les mots " et conditions environnementales particulières " sont ajoutés après les mots " dispositions légales ".
Art. 173. In artikel 5bis.19.8.2.11 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, worden tussen de woorden " wettelijke bepalingen " en de zinsnede " , moeten de definitief " de woorden " en bijzondere milieuvoorwaarden " ingevoegd.
Art. 173. Dans l'article 5bis.19.8.2.11, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, les mots " et conditions environnementales particulières " sont ajoutés après les mots " dispositions légales ".
Art. 174. Aan artikel 5bis.19.8.2.12 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt de zinsnede " , tenzij anders vermeld in de bijzondere milieuvoorwaarden " toegevoegd.
Art. 174. Dans l'article 5bis.19.8.2.12, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, il est ajouté la partie de phrase " sauf autrement mentionné dans les conditions environnementales particulières ".
Art. 175. In artikel 5bis.19.8.2.13, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, worden de woorden " de hierna vermelde voorwaarden " vervangen door de zinsnede " de hierna vermelde voorwaarden, tenzij anders vermeld in de bijzondere milieuvoorwaarden ".
Art. 175. Dans l'article 5bis.19.8.2.13, § 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, les mots " aux conditions suivantes " sont remplacés par la partie de phrase " aux conditions suivantes, sauf autrement mentionné dans les conditions environnementales particulières "
Art. 176. In artikel 5bis.19.8.2.16 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 5 wordt opgeheven;
2° in paragraaf 7 worden de woorden " deze afdeling " vervangen door de woorden " dit artikel ".
1° paragraaf 5 wordt opgeheven;
2° in paragraaf 7 worden de woorden " deze afdeling " vervangen door de woorden " dit artikel ".
Art. 176. Dans l'article 5bis.19.8.2.16 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 5 est abrogé;
2° dans le paragraphe 7, les mots " la présente section " sont remplacés par les mots " le présent article ".
1° le paragraphe 5 est abrogé;
2° dans le paragraphe 7, les mots " la présente section " sont remplacés par les mots " le présent article ".
Art. 177. In artikel 5bis.19.8.3.1, § 4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de zinsnede " (cf. norm DIN 1999 of EN 858 of een gelijkwaardige norm) " wordt vervangen door de zinsnede " (conform de code van goede praktijk) ";
2° de zinsnede " Algemeen onderzoek : 20 jaarlijks (artikel 5.17.3.16, § 2) " wordt opgeheven.
1° de zinsnede " (cf. norm DIN 1999 of EN 858 of een gelijkwaardige norm) " wordt vervangen door de zinsnede " (conform de code van goede praktijk) ";
2° de zinsnede " Algemeen onderzoek : 20 jaarlijks (artikel 5.17.3.16, § 2) " wordt opgeheven.
Art. 177. Dans l'article 5bis.19.8.3.1, § 4, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° la partie de phrase " (cf. norme DIN 1999 ou EN 858 ou une norme équivalente) " est remplacée par la partie de phrase " (conforme au code de bonne pratique) ";
2° la partie de phrase " Enquête générale : 20 annuellement (article 5.17.3.16, § 2) " est abrogée.
1° la partie de phrase " (cf. norme DIN 1999 ou EN 858 ou une norme équivalente) " est remplacée par la partie de phrase " (conforme au code de bonne pratique) ";
2° la partie de phrase " Enquête générale : 20 annuellement (article 5.17.3.16, § 2) " est abrogée.
Art. 178. In artikel 5bis.19.8.4.1.2, § 2, tabel, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het getal " 1° " wordt opgeheven;
2° het symbool " < " wordt vervangen door het symbool " <= ".
1° het getal " 1° " wordt opgeheven;
2° het symbool " < " wordt vervangen door het symbool " <= ".
Art. 178. A l'article 5bis.19.8.4.1.2, § 2, tableau, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° le nombre " 1 " est abrogé;
2° le symbole " < " est remplacé par le symbole " =< ".
1° le nombre " 1 " est abrogé;
2° le symbole " < " est remplacé par le symbole " =< ".
Art. 179. In artikel 5bis.19.8.4.2.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. Bij het gebruik van creosootolie als houtverduurzamingsproduct worden de nodige preventieve maatregelen getroffen waardoor de emissies beperkt worden tot een niveau dat niet hoger is dan bij het gebruik van WEI type C als houtverduurzamingsproduct. De exploitant staaft dit via een verslag opgesteld door een erkende MER-deskundige in de discipline lucht, vermeld in artikel 6, 1°, d), van het VLAREL. Dit verslag wordt ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid. Creosootolie van WEI type C voldoet aan de volgende specificaties :
1° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. Bij het gebruik van creosootolie als houtverduurzamingsproduct worden de nodige preventieve maatregelen getroffen waardoor de emissies beperkt worden tot een niveau dat niet hoger is dan bij het gebruik van WEI type C als houtverduurzamingsproduct. De exploitant staaft dit via een verslag opgesteld door een erkende MER-deskundige in de discipline lucht, vermeld in artikel 6, 1°, d), van het VLAREL. Dit verslag wordt ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid. Creosootolie van WEI type C voldoet aan de volgende specificaties :
Art. 179. A l'article 5bis.19.8.4.2.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, sont apportées les modifications suivantes :
1° le paragraphe 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. En cas d'utilisation d'huile de créosote comme produit de conservation du bois, les mesures préventives nécessaires sont prises afin de limiter les émissions à un niveau qui n'est pas supérieur à celui atteint lors de l'utilisation de WEI du type C comme produit de conservation de bois. L'exploitant le prouve à l'aide d'un rapport établi par un expert environnemental agréé dans la discipline air, visé à l'article 6, 1°, d), du VLAREL. Ce rapport peut être consultée par l'autorité de tutelle. Huile de créosote WEI du type C répond aux spécifications suivantes :
1° le paragraphe 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. En cas d'utilisation d'huile de créosote comme produit de conservation du bois, les mesures préventives nécessaires sont prises afin de limiter les émissions à un niveau qui n'est pas supérieur à celui atteint lors de l'utilisation de WEI du type C comme produit de conservation de bois. L'exploitant le prouve à l'aide d'un rapport établi par un expert environnemental agréé dans la discipline air, visé à l'article 6, 1°, d), du VLAREL. Ce rapport peut être consultée par l'autorité de tutelle. Huile de créosote WEI du type C répond aux spécifications suivantes :
| eigenschap | WEI type C |
| dichtheid 20/4° C (g/ml) | 1,03 - 1,17 |
| watergehalte (vol %) | |
| - origineel creosoot | max. 1 |
| - gebruikt creosoot | max. 3 |
| kristallisatietemperatuur (° C) | max. 50 |
| waterextraheerbare fenolen (m/m %) | max. 3 |
| onoplosbare materie | |
| - origineel creosoot | max. 0,4 |
| - gebruikt creosoot | max. 0,6 |
| kookpuntgebied (vol %) | |
| - destillaat tot 235° C | - |
| - destillaat tot 300° C | max. 10 |
| - destillaat tot 355° C | 65 - 95 |
| benzo[a]pyreengehalte (mg/kg) | max. 50 |
| flashpunt (° C) | min. 61 |
| dampdruk bij 25° C (hPa) | < 1 |
";
2° paragraaf 4 wordt opgeheven.
| caractéristique | WEI type C |
| densité 20/4° C (g/ml) | 1,03 - 1,17 |
| teneur en eau (vol %) | |
| - créosote original | max. 1 |
| - créosote utilisé | max. 3 |
| température de cristallisation (° C) | max. 50 |
| phénoles extractibles à l'eau (m/m %) | max. 3 |
| matière soluble | |
| - créosote original | max. 0,4 |
| - créosote utilisé | max. 0,6 |
| zone d'ébullition (%) | |
| distillat jusqu'à 235° C | - |
| distillat jusqu'à 300° C | max. 10 |
| distillat jusqu'à 355° C | 65 - 95 |
| teneur en benzo[a]pyrène (mg/kg) | max. 50 |
| point d'éclair (° C) | min. 61 |
| pression de vapeur à 25° C (hPa) | < 1 |
";
2° le paragraphe 4 est abrogé.
Art. 180. Aan artikel 5bis.19.8.4.2.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan paragraaf 3, 3°, worden de volgende zinnen toegevoegd :
" Dompel- en drenkinstallaties zijn uitgerust met een overloopbeveiliging.
Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, geldt de verplichting om dompel- en drenkinstallaties uit te rusten met een overloopbeveiliging vanaf 1 januari 2015. ";
2° er worden een paragraaf 12 tot en met 14 toegevoegd, die luiden als volgt :
" § 12. Impregneren met solventgedragen systemen of creosoot gebeurt met een installatie die voorzien is van een afzuiginstallatie met een zuiveringstrap, tenzij een dubbelvacuüm toegepast wordt.
§ 13. Bij drenken of dompelen met solventgedragen systemen heeft de drenkbak een deksel met een afzuiging. Voor inrichtingen met een solventgebruik van meer dan 25 ton solvent per jaar wordt aansluitend op de afzuiging een zuiveringsinstallatie van de afgassen geplaatst.
§ 14. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in paragrafen 12 en 13, vanaf 1 januari 2015. ".
1° aan paragraaf 3, 3°, worden de volgende zinnen toegevoegd :
" Dompel- en drenkinstallaties zijn uitgerust met een overloopbeveiliging.
Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, geldt de verplichting om dompel- en drenkinstallaties uit te rusten met een overloopbeveiliging vanaf 1 januari 2015. ";
2° er worden een paragraaf 12 tot en met 14 toegevoegd, die luiden als volgt :
" § 12. Impregneren met solventgedragen systemen of creosoot gebeurt met een installatie die voorzien is van een afzuiginstallatie met een zuiveringstrap, tenzij een dubbelvacuüm toegepast wordt.
§ 13. Bij drenken of dompelen met solventgedragen systemen heeft de drenkbak een deksel met een afzuiging. Voor inrichtingen met een solventgebruik van meer dan 25 ton solvent per jaar wordt aansluitend op de afzuiging een zuiveringsinstallatie van de afgassen geplaatst.
§ 14. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in paragrafen 12 en 13, vanaf 1 januari 2015. ".
Art. 180. A l'article 5bis.19.8.4.2.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juin 2009, sont apportées les modifications suivantes :
1° au paragraphe 3, 3°, sont ajoutés les phrases suivantes :
" Les installations d'immersion et d'imprégnation sont équipées d'une sécurité de débordement.
En ce qui concerne les établissements qui sont autorisés avant le 1er janvier 2012, l'obligation d'équiper les installations d'immersion et d'imprégnation d'une sécurité de débordement vaut à partir du 1er janvier 2015. ";
2° il est ajouté des paragraphes 12 à 14 inclus, rédigés comme suit :
" § 12. L'imprégnation à l'aide de systèmes utilisant des solvants ou du créosote se fait avec une installation qui est muni d'un système d'épuration, sauf si un double vide est appliqué.
§ 13. En cas d'immersion ou d'imprégnation à l'aide de systèmes utilisant des solvants, le bain d'imprégnation est muni d'un couvercle avec dispositif d'aspiration. En ce qui concerne les établissements ayant une utilisation de solvants de plus de 25 tonnes de solvants/an, l'installation est en outre muni d'un dispositif d'aspiration pour l'épuration des émanations gazeuses.
§ 14. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées au paragraphes 12 et 13, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
1° au paragraphe 3, 3°, sont ajoutés les phrases suivantes :
" Les installations d'immersion et d'imprégnation sont équipées d'une sécurité de débordement.
En ce qui concerne les établissements qui sont autorisés avant le 1er janvier 2012, l'obligation d'équiper les installations d'immersion et d'imprégnation d'une sécurité de débordement vaut à partir du 1er janvier 2015. ";
2° il est ajouté des paragraphes 12 à 14 inclus, rédigés comme suit :
" § 12. L'imprégnation à l'aide de systèmes utilisant des solvants ou du créosote se fait avec une installation qui est muni d'un système d'épuration, sauf si un double vide est appliqué.
§ 13. En cas d'immersion ou d'imprégnation à l'aide de systèmes utilisant des solvants, le bain d'imprégnation est muni d'un couvercle avec dispositif d'aspiration. En ce qui concerne les établissements ayant une utilisation de solvants de plus de 25 tonnes de solvants/an, l'installation est en outre muni d'un dispositif d'aspiration pour l'épuration des émanations gazeuses.
§ 14. En ce qui concerne les établissements autorisées avant le 1er janvier 2012, les obligations, visées au paragraphes 12 et 13, s'appliquent à partir du 1er janvier 2015. ".
Art. 181. In artikel 5bis.19.8.4.5.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 mei 2010, wordt de zinsnede " die behoren tot de families en groepen van stoffen vermeld in de lijsten I en II van bijlage 2C van titel I van het VLAREM " vervangen door de zinsnede " die conform bijlage 2C bij titel I van het VLAREM als gevaarlijke stof zijn te beschouwen of die behoren tot de families en de groepen van stoffen, vermeld in de bijlage 2C ".
Art. 181. Dans l'article 5bis.19.8.4.5.3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 mai 2010, la partie de phrase " qui appartiennent aux familles et groupes de substances mentionnés dans les listes Ire et II de l'annexe 2C du titre Ier du VLAREM " sont remplacés par la partie de phrase " qui sont à considérer comme des substances dangereuses conformément à l'annexe 2C du titre Ier du VLAREM ou qui appartiennent aux familles et groupes de substances mentionnés dans l'annexe 2C ".
Art. 182. In artikel 5bis.19.8.4.5.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt 4° wordt het woord " vergunning " vervangen door de woorden " bijzondere milieuvoorwaarden ";
2° in punt 5°, c), worden de woorden " apolaire koolwaterstoffen extraheerbaar met tetrachloorkoolstof " vervangen door de woorden " perchloorethyleenextraheerbare apolaire stoffen ";
3° in punt 5°, d), worden de woorden " anionische, kationische en niet-ionische oppervlakte-actieve stoffen " vervangen door de woorden " som van anionische, niet-ionogene en kationische oppervlakteactieve stoffen ".
1° in punt 4° wordt het woord " vergunning " vervangen door de woorden " bijzondere milieuvoorwaarden ";
2° in punt 5°, c), worden de woorden " apolaire koolwaterstoffen extraheerbaar met tetrachloorkoolstof " vervangen door de woorden " perchloorethyleenextraheerbare apolaire stoffen ";
3° in punt 5°, d), worden de woorden " anionische, kationische en niet-ionische oppervlakte-actieve stoffen " vervangen door de woorden " som van anionische, niet-ionogene en kationische oppervlakteactieve stoffen ".
Art. 182. A l'article 5bis.19.8.4.5.4 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° au point 4° le mot " autorisation " est remplacé par les mots " conditions environnementales particulières ";
2° dans le point 5°, c), les mots " hydrocarbures apolaires extractibles au tétrachlorure de carbone " sont remplacés par les mots " substances apolaires extractibles au perchloroéthylène ";
3° dans le point 5°, d), les mots " substances anioniques, cationiques et non ioniques tensio-actives " sont remplacés par les mots " sommes des substances anioniques, cationiques et non ioniques tensio-actives ".
1° au point 4° le mot " autorisation " est remplacé par les mots " conditions environnementales particulières ";
2° dans le point 5°, c), les mots " hydrocarbures apolaires extractibles au tétrachlorure de carbone " sont remplacés par les mots " substances apolaires extractibles au perchloroéthylène ";
3° dans le point 5°, d), les mots " substances anioniques, cationiques et non ioniques tensio-actives " sont remplacés par les mots " sommes des substances anioniques, cationiques et non ioniques tensio-actives ".
Art. 183. In artikel 5bis.19.8.4.5.5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 en 20 november 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 worden de woorden " gelegen in een zuiveringszone A of B van een gemeente waarvoor nog geen definitief gemeentelijk zoneringsplan is vastgesteld, respectievelijk " opgeheven;
2° in paragraaf 1 worden de woorden " of een collectief geoptimaliseerde buitengebied " vervangen door de woorden " of een collectief geoptimaliseerd buitengebied of een collectief te optimaliseren buitengebied ";
3° paragraaf 2 wordt opgeheven.
1° in paragraaf 1 worden de woorden " gelegen in een zuiveringszone A of B van een gemeente waarvoor nog geen definitief gemeentelijk zoneringsplan is vastgesteld, respectievelijk " opgeheven;
2° in paragraaf 1 worden de woorden " of een collectief geoptimaliseerde buitengebied " vervangen door de woorden " of een collectief geoptimaliseerd buitengebied of een collectief te optimaliseren buitengebied ";
3° paragraaf 2 wordt opgeheven.
Art. 183. Dans l'article 5bis.19.8.4.5.5 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 9 mai 2008 et 20 novembre 2009, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le paragraphe 1er, la partie de phrase " situés dans une zone d'épuration A ou B d'une commune pour laquelle le plan de zonage n'a pas encore été définitivement fixé, respectivement " est abrogée;
2° au paragraphe 1er, les mots " ou une zone extérieure collectivement optimalisée " sont remplacés par les mots " une zone extérieure optimalisée collectivement ou une zone extérieure à optimaliser collectivement ";
3° le paragraphe 2 est abrogé.
1° dans le paragraphe 1er, la partie de phrase " situés dans une zone d'épuration A ou B d'une commune pour laquelle le plan de zonage n'a pas encore été définitivement fixé, respectivement " est abrogée;
2° au paragraphe 1er, les mots " ou une zone extérieure collectivement optimalisée " sont remplacés par les mots " une zone extérieure optimalisée collectivement ou une zone extérieure à optimaliser collectivement ";
3° le paragraphe 2 est abrogé.
Art. 184. In artikel 5bis.19.8.4.5.6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het opschrift worden de woorden " in oppervlaktewater en/of " opgeheven;
2° in paragraaf 1 worden de woorden " in de gewone oppervlaktewateren van een gemeente waarvoor het definitief zoneringsplan nog niet is vastgesteld en/of " opgeheven;
3° in paragraaf 1 worden de woorden "in concentraties die hoger zijn dan 10 keer de milieukwaliteitsnormen van toepassing voor de uiteindelijk ontvangende waterloop" vervangen door de woorden "in concentraties die hoger zijn dan tien keer de indelingscriteria, vermeld in de kolom "indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)" van artikel 3 van bijlage 2.3.1 ";
4° paragraaf 2 wordt opgeheven.
1° in het opschrift worden de woorden " in oppervlaktewater en/of " opgeheven;
2° in paragraaf 1 worden de woorden " in de gewone oppervlaktewateren van een gemeente waarvoor het definitief zoneringsplan nog niet is vastgesteld en/of " opgeheven;
3° in paragraaf 1 worden de woorden "in concentraties die hoger zijn dan 10 keer de milieukwaliteitsnormen van toepassing voor de uiteindelijk ontvangende waterloop" vervangen door de woorden "in concentraties die hoger zijn dan tien keer de indelingscriteria, vermeld in de kolom "indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)" van artikel 3 van bijlage 2.3.1 ";
4° paragraaf 2 wordt opgeheven.
Art. 184. A l'article 5bis.19.8.4.5.6 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 novembre 2009, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'intitulé, les mots " dans les eaux de surface et/ou " sont supprimés;
2° dans le paragraphe 1er, les mots " dans les eaux de surface normales d'une commune pour laquelle le plan de zonage définitif n'a pas encore été fixé et/ou " sont supprimés;
3° dans le paragraphe 1er, les mots " en des concentrations supérieures à 10 fois les normes de qualité environnementale qui s'appliquent au cours d'eau récepteur final " sont remplacés par les mots " en des concentrations supérieures à dix fois les critères de classification, visés à la colonne " critère de classification SD (substances dangereuses) " de l'article 3 de l'annexe 2.3.1 ";
4° le paragraphe 2 est abrogé.
1° dans l'intitulé, les mots " dans les eaux de surface et/ou " sont supprimés;
2° dans le paragraphe 1er, les mots " dans les eaux de surface normales d'une commune pour laquelle le plan de zonage définitif n'a pas encore été fixé et/ou " sont supprimés;
3° dans le paragraphe 1er, les mots " en des concentrations supérieures à 10 fois les normes de qualité environnementale qui s'appliquent au cours d'eau récepteur final " sont remplacés par les mots " en des concentrations supérieures à dix fois les critères de classification, visés à la colonne " critère de classification SD (substances dangereuses) " de l'article 3 de l'annexe 2.3.1 ";
4° le paragraphe 2 est abrogé.
Art. 185. In artikel 5bis.19.8.4.5.8 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het opschrift worden de woorden " in openbare riolering en/of " opgeheven;
2° in paragraaf 1 wordt de zinsnede " in de openbare riolering, gelegen in een zuiveringszone A of B van een gemeente waarvoor nog geen definitief zoneringsplan is vastgesteld, respectievelijk " opgeheven;
3° in paragraaf 2 wordt de zinsnede " in een zuiveringszone A of B van een gemeente waarvoor nog geen definitief zoneringsplan is vastgesteld, respectievelijk " opgeheven;
4° paragraaf 3 en 4 worden opgeheven.
1° in het opschrift worden de woorden " in openbare riolering en/of " opgeheven;
2° in paragraaf 1 wordt de zinsnede " in de openbare riolering, gelegen in een zuiveringszone A of B van een gemeente waarvoor nog geen definitief zoneringsplan is vastgesteld, respectievelijk " opgeheven;
3° in paragraaf 2 wordt de zinsnede " in een zuiveringszone A of B van een gemeente waarvoor nog geen definitief zoneringsplan is vastgesteld, respectievelijk " opgeheven;
4° paragraaf 3 en 4 worden opgeheven.
Art. 185. A l'article 5bis.19.8.4.5.8 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 novembre 2009, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'intitulé, les mots " dans les égouts publics et/ou " sont supprimés;
2° dans le paragraphe 1er, la partie de phrase " dans les égouts publics situés dans une zone d'épuration A ou B d'une commune pour laquelle le plan de zonage n'a pas encore été définitivement fixé, respectivement " est abrogée;
3° dans le paragraphe 2, la partie de phrase " dans une zone d'épuration située dans une zone d'épuration A ou B d'une commune pour laquelle le plan de zonage n'a pas encore été définitivement fixé, respectivement " est abrogée;
4° les paragraphes 3 et 4 sont abrogés.
1° dans l'intitulé, les mots " dans les égouts publics et/ou " sont supprimés;
2° dans le paragraphe 1er, la partie de phrase " dans les égouts publics situés dans une zone d'épuration A ou B d'une commune pour laquelle le plan de zonage n'a pas encore été définitivement fixé, respectivement " est abrogée;
3° dans le paragraphe 2, la partie de phrase " dans une zone d'épuration située dans une zone d'épuration A ou B d'une commune pour laquelle le plan de zonage n'a pas encore été définitivement fixé, respectivement " est abrogée;
4° les paragraphes 3 et 4 sont abrogés.
Art. 186. In subafdeling 5bis.19.8.4.6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt artikel 5bis.15.5.4.6.2 opgeheven.
Art. 186. Dans la sous-section 5bis.19.8.4.6 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, l'article 5bis.15.5.4.6.2 est abrogé.
Art. 187. In subafdeling 5bis.19.8.4.6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt een artikel 5bis.19.8.4.6.2 ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 5bis.19.8.4.6.2. Er is ook voldoende parkeerruimte voor de bezoekers. De breedte, de stabiliteit en het onderhoud van de wegen zijn is zodanig dat een veilig verkeer wordt gewaarborgd bij alle weersomstandigheden. De hele inrichting, inclusief de in- en uitrit, de parkeerruimte en de wegen worden regelmatig grondig gereinigd. De in- en uitrit voor voertuigen is voldoende breed om gevaarlijke verkeerssituaties te vermijden. ".
" Art. 5bis.19.8.4.6.2. Er is ook voldoende parkeerruimte voor de bezoekers. De breedte, de stabiliteit en het onderhoud van de wegen zijn is zodanig dat een veilig verkeer wordt gewaarborgd bij alle weersomstandigheden. De hele inrichting, inclusief de in- en uitrit, de parkeerruimte en de wegen worden regelmatig grondig gereinigd. De in- en uitrit voor voertuigen is voldoende breed om gevaarlijke verkeerssituaties te vermijden. ".
Art. 187. Dans la sous-section 5bis.19.8.4.6 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, il est inséré un article 5bis.19.8.4.6.2, rédigé comme suit :
" Art. 5bis.19.8.4.6.2. Il y a suffisamment de places de stationnement pour les visiteurs. La largeur,la stabilité et l'entretien des routes sont tels qu'une circulation en toute sécurité est garantie en toute circonstance atmosphérique. L'installation entière, y compris l'entrée et de sortie, l'aire de stationnement et les routes sont régulièrement et soigneusement nettoyées. L'entrée et la sortie pour les véhicules sont suffisamment larges pour éviter les situations de circulation dangereuses. ".
" Art. 5bis.19.8.4.6.2. Il y a suffisamment de places de stationnement pour les visiteurs. La largeur,la stabilité et l'entretien des routes sont tels qu'une circulation en toute sécurité est garantie en toute circonstance atmosphérique. L'installation entière, y compris l'entrée et de sortie, l'aire de stationnement et les routes sont régulièrement et soigneusement nettoyées. L'entrée et la sortie pour les véhicules sont suffisamment larges pour éviter les situations de circulation dangereuses. ".
Art. 188. In artikel 5bis.19.8.4.7.3, § 1, 1°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt tussen het woord " pigmenten " en het woord " bevatten " de zinsnede " die in de droge stof meer dan 2 %, in gewicht berekend in metaaltoestand bevatten " ingevoegd.
Art. 188. Dans l'article 5bis.19.8.4.7.3, § 1er, 1°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, la partie de phrase " qui contiennent dans la substance sèche plus de 2 % calculé en poids dans l'état métallique " est ajoutée après la mot " pigments ".
Art. 189. In artikel 5bis.19.8.4.7.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan paragraaf 1 en 2 wordt de zinsnede " , tenzij anders bepaald in de bijzondere milieuvoorwaarden " toegevoegd;
2° aan paragraaf 2 wordt de volgende zin toegevoegd :
" Van deze beperking mag om procestechnische redenen in de bijzondere milieuvoorwaarden worden afgeweken. ";
3° aan paragraaf 4, eerste lid, wordt de volgende zin toegevoegd " De vloer, de opvanggoot en de opvangputten zijn uitgevoerd in chemisch inert materiaal dat ondoorlatend is voor de stoffen die erop terechtkomen. ".
1° aan paragraaf 1 en 2 wordt de zinsnede " , tenzij anders bepaald in de bijzondere milieuvoorwaarden " toegevoegd;
2° aan paragraaf 2 wordt de volgende zin toegevoegd :
" Van deze beperking mag om procestechnische redenen in de bijzondere milieuvoorwaarden worden afgeweken. ";
3° aan paragraaf 4, eerste lid, wordt de volgende zin toegevoegd " De vloer, de opvanggoot en de opvangputten zijn uitgevoerd in chemisch inert materiaal dat ondoorlatend is voor de stoffen die erop terechtkomen. ".
Art. 189. A l'article 5bis.19.8.4.7.4 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, sont apportées les modifications suivantes :
1° A la partie de phrase " , sauf autrement mentionné dans les conditions environnementales particulières " est ajoutée aux paragraphes 1er et 2;
2° le paragraphe 2 est complété par la phrase suivante :
" Il peut être dérogé à cette restriction pour des raisons de procédés techniques dans les conditions environnementales particulières; ".
3° la phrase suivante est ajoutée au paragraphe 4, alinéa premier " Le sol, le canal collecteur et les puits de collecte sont réalisées en un matériau chimiquement inerte qui est imperméable aux substances qui y sont déversées. ".
1° A la partie de phrase " , sauf autrement mentionné dans les conditions environnementales particulières " est ajoutée aux paragraphes 1er et 2;
2° le paragraphe 2 est complété par la phrase suivante :
" Il peut être dérogé à cette restriction pour des raisons de procédés techniques dans les conditions environnementales particulières; ".
3° la phrase suivante est ajoutée au paragraphe 4, alinéa premier " Le sol, le canal collecteur et les puits de collecte sont réalisées en un matériau chimiquement inerte qui est imperméable aux substances qui y sont déversées. ".
Art. 190. In artikel 5bis.19.8.4.7.6, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° tussen het woord " afvalgassen " en het woord " Wanneer " wordt de zinsnede " , tenzij anders vermeld in de bijzondere milieuvoorwaarden " ingevoegd;
2° punt 1° wordt vervangen door wat volgt :
" 1° emissies van ventilatielucht :
1° tussen het woord " afvalgassen " en het woord " Wanneer " wordt de zinsnede " , tenzij anders vermeld in de bijzondere milieuvoorwaarden " ingevoegd;
2° punt 1° wordt vervangen door wat volgt :
" 1° emissies van ventilatielucht :
Art. 190. A l'article 5bis.19.8.4.7.6, § 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° entre les mots " gaz usés évacués. " et le mot " Lorsque ", la partie de phrase " , sauf autrement mentionné dans les conditions environnementales particulières " est insérée;
2° le point 1° est remplacé par la disposition suivante :
" 1° émissions de l'air de ventilation :
1° entre les mots " gaz usés évacués. " et le mot " Lorsque ", la partie de phrase " , sauf autrement mentionné dans les conditions environnementales particulières " est insérée;
2° le point 1° est remplacé par la disposition suivante :
" 1° émissions de l'air de ventilation :
| parameter | Emissiegrenswaarde |
| organische stoffen (totaal C) voor andere installaties dan de installaties, vermeld in punten 4° en 5° | 75,0 mg/Nm3 |
";
3° punt 3° wordt vervangen door wat volgt :
" 3° emissies van dampen en nevels uit de spuitzone of uit het spuitlokaal :
| paramètre | valeur limite d'émission |
| substances organiques (total C) pour les installations autres que les installations, visées aux points 4° et 5° | 75,0 mg/Nm3 |
";
3° le point 3° est remplacé par la disposition suivante :
" 3° émissions de vapeurs et de brumes provenant de la zone de pistolage ou du local de pistolage :
| parameter | emissiegrenswaarde |
| stofdeeltjes totaal bij een massastroom van : | |
| - =< 500 g/h - > 500 g/h | 150 mg/Nm3 50 mg/Nm3 |
| organische stoffen (totaal C) voor andere installaties dan de installaties, vermeld in punten 4° en 5° | 75,0 mg/Nm3 |
- > 500 g/h150 mg/Nm3
50 mg/Nm3organische stoffen (totaal C) voor andere installaties dan de installaties, vermeld in punten 4° en 5° 75,0 mg/Nm3
";
4° in de tabellen wordt het symbool " < " telkens vervangen door het symbool " <= ".
| paramètre | valeur limite d'émission |
| total des particules de poussières pour un flux en masse de : | |
| - =< 500 g/h - > 500 g/h | 150 mg/Nm3 50 mg/Nm3 |
| substances organiques (total C) pour les installations autres que les installations, visées aux points 4° et 5° | 75,0 mg/Nm3 |
- > 500 g/h150 mg/Nm3
50 mg/Nm3substances organiques (total C) pour les installations autres que les installations, visées aux points 4° et 5° 75,0 mg/Nm3
";
4° dans les tableaux, le symbole " < " est chaque fois remplacé par le symbole " <= ".
Art. 191. In artikel 5bis.19.8.4.9.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, worden paragraaf 3 en 4 vervangen door wat volgt :
" § 3. De opslagplaatsen worden overeenkomstig artikel 5.16.1.8, § 2, periodiek onderzocht door een erkende milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, vermeld in artikel 6, 1°, a), van het VLAREL.
Het onderzoek omvat ook, buiten de punten, vermeld in artikel 5.16.1.8, § 1, een herafstelling van de veiligheidskleppen, ten minste om de tien jaar. Alle kleppen zijn uitwendig en zijn voorzien van een adapter.
§ 4. Voor vacuümgeïsoleerde houders wordt de opslagplaats om de twee jaar door de exploitant of zijn aangestelde gecontroleerd. ".
" § 3. De opslagplaatsen worden overeenkomstig artikel 5.16.1.8, § 2, periodiek onderzocht door een erkende milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, vermeld in artikel 6, 1°, a), van het VLAREL.
Het onderzoek omvat ook, buiten de punten, vermeld in artikel 5.16.1.8, § 1, een herafstelling van de veiligheidskleppen, ten minste om de tien jaar. Alle kleppen zijn uitwendig en zijn voorzien van een adapter.
§ 4. Voor vacuümgeïsoleerde houders wordt de opslagplaats om de twee jaar door de exploitant of zijn aangestelde gecontroleerd. ".
Art. 191. Dans l'article 5bis.19.8.4.9.3 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, les paragraphes 3 et 4 sont remplacés par la disposition suivante :
" § 3. Les lieux de stockage sont périodiquement contrôlés conformément à l'article 5.16.1.8., § 2, par un expert environnemental agréé dans la discipline des récipients de gaz ou de substances dangereuses, mentionnées à l'article 6, 1 ° a) du VLAREL.
Le contrôle comprend également, outre les points visés à l'article 5.16.1.8, § 1er, un nouveau réglage des vannes de sécurité, au moins tous les dix ans. Toutes les vannes sont munies d'un adaptateur extérieur.
§ 4. En ce qui concerne les récipients isolés à vide, le lieu de stockage est contrôlé tous les deux ans par l'exploitant ou par son préposé. ".
" § 3. Les lieux de stockage sont périodiquement contrôlés conformément à l'article 5.16.1.8., § 2, par un expert environnemental agréé dans la discipline des récipients de gaz ou de substances dangereuses, mentionnées à l'article 6, 1 ° a) du VLAREL.
Le contrôle comprend également, outre les points visés à l'article 5.16.1.8, § 1er, un nouveau réglage des vannes de sécurité, au moins tous les dix ans. Toutes les vannes sont munies d'un adaptateur extérieur.
§ 4. En ce qui concerne les récipients isolés à vide, le lieu de stockage est contrôlé tous les deux ans par l'exploitant ou par son préposé. ".
Art. 192. In artikel 5bis.19.8.4.10.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt de zinsnede " 2°, j) tot en met l) " vervangen door de zinsnede " 2°, j) tot en met o) ".
Art. 192. Dans l'article 5bis.19.8.4.10.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, la partie de phrase " la partie 2°, j) à l) inclus " est remplacée par la partie de phrase " 2°, j) à o) inclus ".
Art. 193. In artikel 5bis.19.8.4.11.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt de zinsnede " 2°, m) tot en met o) " vervangen door de zinsnede " 2°, j), en 2°, m tot en met o) ".
Art. 193. Dans l'article 5bis.19.8.4.11.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, la partie de phrase " la partie 2°, m) à o) inclus " est remplacée par la partie de phrase " 2°, j), et 2°, m) à o) inclus ".
Art. 194. In artikel 5bis.19.8.4.11.3, § 3, 3°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt de zinsnede " 19.8.2°, p) " vervangen door de zinsnede " 19.8.2°, q) ".
Art. 194. Dans l'article 5bis.19.8.4.11.3, § 3, 3°, , du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, la partie de phrase " 19.8.2°, p) " est remplacée par la partie de phrase " sous-rubrique 19.8.2°, q) ".
Art. 195. In artikel 5bis.19.8.4.13.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt tussen de woorden " waarvoor de eerste " en de woorden " vergunning tot exploitatie " de zinsnede " melding/ " ingevoegd.
Art. 195. Dans l'article 5bis.19.8.4.13.3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, le mot " communication/ " est inséré entre les mots " le premier " et les mots " permis d'exploitation ".
Art. 196. Artikel 5bis.19.8.4.13.5, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt :
" § 2. Die metingen zijn niet vereist voor stof als het gaat om in hoofdzaak met gasvormige brandstoffen gevoede stookinstallaties. "
" § 2. Die metingen zijn niet vereist voor stof als het gaat om in hoofdzaak met gasvormige brandstoffen gevoede stookinstallaties. "
Art. 196. Dans l'article 5bis.19.8.4.13.5, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2006, le paragraphe 2 est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Ces mesurages ne sont pas requis s'il s'agit principalement d'installations de chauffe alimentées en carburants gazeux. "
" § 2. Ces mesurages ne sont pas requis s'il s'agit principalement d'installations de chauffe alimentées en carburants gazeux. "
Art. 197. In hetzelfde besluit wordt afdeling 6.2.1, die bestaat uit artikel 6.2.1.1 tot en met artikel 6.2.1.4, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 9 mei 2008 en 19 september 2008, opgeheven.
Art. 197. Dans le même arrêté, la section 6.2.1, comprenant les articles 6.2.1.1 à 6.2.1.4 inclus, modifiée par les arrêtés du Gouvernement flamand des 9 janvier 1999, 9 mai 2008 et 19 septembre 2008 est abrogée.
Art. 198. In het opschrift van afdeling 6.2.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008, wordt de zinsnede " met een biologisch afbreekbare organische belasting van maximum 20 inwonersequivalenten " vervangen door de zinsnede " met een debiet van maximaal 600 m3/jaar ".
Art. 198. Dans l'intitulé de la section 6.2.2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 mai 2008, la partie de phrase " avec une charge organique bio-dégradable d'au maximum 20 équivalents d'habitants " est remplacée par la partie de phrase " avec un débit d'au maximum 600 m3/an ".
Art. 199. In artikel 6.2.2.1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, 2°, wordt de zinsnede " waarvan de biologische afbreekbare organische belasting maximum 20 inwonersequivalenten bedraagt " vervangen door de zinsnede " waarvan het debiet maximaal 600 m3/jaar bedraagt ";
2° in paragraaf 3 wordt de zinsnede " met een biologische afbreekbare organische belasting van meer dan 20 inwonersequivalenten " vervangen door de zinsnede " met een debiet van meer dan 600 m3/jaar ".
1° in paragraaf 1, 2°, wordt de zinsnede " waarvan de biologische afbreekbare organische belasting maximum 20 inwonersequivalenten bedraagt " vervangen door de zinsnede " waarvan het debiet maximaal 600 m3/jaar bedraagt ";
2° in paragraaf 3 wordt de zinsnede " met een biologische afbreekbare organische belasting van meer dan 20 inwonersequivalenten " vervangen door de zinsnede " met een debiet van meer dan 600 m3/jaar ".
Art. 199. A l'article 1.3.4.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 mai 2008, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, 2°, " dont la charge bio-organique dégradable s'élève à au maximum de 20 équivalents d'habitants " est remplacée par la partie de phrase " dont le débit s'élève à 600 m3/an au maximum ".
2° dans la rubrique 3, la partie de phrase " avec une charge bio-organique dégradable de plus de 20 équivalents d'habitants " est remplacée par la partie de phrase " avec un débit de plus à 600 m3/an ".
1° dans le paragraphe 1er, 2°, " dont la charge bio-organique dégradable s'élève à au maximum de 20 équivalents d'habitants " est remplacée par la partie de phrase " dont le débit s'élève à 600 m3/an au maximum ".
2° dans la rubrique 3, la partie de phrase " avec une charge bio-organique dégradable de plus de 20 équivalents d'habitants " est remplacée par la partie de phrase " avec un débit de plus à 600 m3/an ".
Art. 200. In artikel 6.2.2.3.1, § 1, 5°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt de zinsnede " in concentraties die hoger zijn dan 10 keer de milieukwaliteitsnormen van toepassing voor de uiteindelijk ontvangende waterloop " vervangen door de zinsnede " in concentraties die hoger zijn dan tien keer de indelingscriteria, vermeld in de kolom " indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen) " van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van dit besluit ".
Art. 200. Dans l'article 6.2.2.3.1, § 1er, 5°, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 mai 2008 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, les mots " en des concentrations supérieures à 10 fois les normes de qualité environnementale qui s'appliquent au cours d'eau récepteur final " sont remplacés par les mots " en des concentrations supérieures à dix fois les critères de classification, visés à la colonne " critère de classification SD (substances dangereuses) " de l'article 3 de l'annexe 2.3.1 du présent arrêté ".
Art. 201. In artikel 6.2.2.4.1, § 1, 5°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt de zinsnede " in concentraties die hoger zijn dan 10 keer de milieukwaliteitsnormen van toepassing voor de uiteindelijk ontvangende waterloop " vervangen door de zinsnede " in concentraties die hoger zijn dan tien keer de indelingscriteria, vermeld in de kolom " indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen) " van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van dit besluit ".
Art. 201. Dans l'article 6.2.2.4.1, § 1er, 5°, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 mai 2008 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, les mots " en des concentrations supérieures à 10 fois les normes de qualité environnementale qui s'appliquent au cours d'eau récepteur final " sont remplacés par les mots " en des concentrations supérieures à dix fois les critères de classification, visés à la colonne " critère de classification SD (substances dangereuses) " de l'article 3 de l'annexe 2.3.1 du présent arrêté ".
Art. 202. In artikel 6.9.2.2, 5°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009, wordt de zinsnede " volgens de algemene voorwaarden, vermeld in artikel 6.2.1.3, in een gemeente waarvoor het gemeentelijke zoneringsplan nog niet definitief is vastgesteld, of " opgeheven.
Art. 202. Dans l'article 6.9.2.2, 5°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 novembre 2009, la partie de phrase " suivant les conditions générales, visées à l'article 6.2.13, dans une commune pour laquelle le plan d zoning régional n'a pas encore été définitivement fixé, ou " est abrogée.
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van de bijlagen van titel II van het VLAREM
CHAPITRE 4. - Modifications aux annexes du titre II du VLAREM
Art. 203. In bijlage 2.3.1 van titel II van het VLAREM, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 mei 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de tabel van artikel 2, 6°, wordt bij de parameter 'zwevende stoffen' de eenheid " Mg/l " vervangen door de eenheid " mg/l ";
2° in de tabel van artikel 3 worden de kolommen
"
1° in de tabel van artikel 2, 6°, wordt bij de parameter 'zwevende stoffen' de eenheid " Mg/l " vervangen door de eenheid " mg/l ";
2° in de tabel van artikel 3 worden de kolommen
"
Art. 203. Dans l'annexe 2.3.1 du titre II du VLAREM, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 mai 2010, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le tableau de l'article 2, 6°, l'unité " Mg/l " près du paramètre " substances en suspension " est remplacée par l'unité " mg/l ";
2° dans le tableau de l'article 3, les colonnes
"
1° dans le tableau de l'article 2, 6°, l'unité " Mg/l " près du paramètre " substances en suspension " est remplacée par l'unité " mg/l ";
2° dans le tableau de l'article 3, les colonnes
"
| ammoniak | µg/l | 30 | 100 | 30 | 100 | 30 | |
| nitriet | µg N/l | 200 | 600 | 200 | 600 | 200 |
"
vervangen door de kolommen
"
| ammoniac | µg/l | 30 | 100 | 30 | 100 | 30 | |
| nitrite | µg N/l | 200 | 600 | 200 | 600 | 200 |
" sont remplacés par les colonnes
"
| ammoniak | µg/l | 30 | 100 | 30 | 100 | 30(5) | |
| nitriet | µg N/l | 200 | 600 | 200 | 600 | 200(5) |
";
3° aan artikel 3 wordt een voetnoot (5) toegevoegd, die luidt als volgt :
" (5) Dit indelingscriterium geldt enkel voor oppervlaktewaterlozers. ".
| ammoniac | µg/l | 30 | 100 | 30 | 100 | 30(5) | |
| nitrites | µg N/l | 200 | 600 | 200 | 600 | 200(5) |
3° à la rubrique 3, il est ajouté une note en bas de page (5), rédigée comme suit :
" (5) Ce critère de classification ne s'applique qu'aux déversements dans les eaux de surface. ".
Art. 204. In bijlage 2.5.3.11 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 januari 2011, worden in de tabel onder " B. GRENSWAARDEN " onder de parameter benzeen de woorden " 50 µg/m " vervangen door de woorden " 50 µg/m3 ".
Art. 204. Dans l'annexe 2.5.3.11, du même arrêté, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 janvier 2011, les mots " 50 µg/m " sont remplacés par le mots " 50 µg/m3 " dans le tableau sous " B VALEURS LIMITES " sous le paramètre benzène.
Art. 205. Bijlagen 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.3 en 4.1.9.2.3.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996, worden opgeheven.
Art. 205. Les annexes 4.1.9.2.3.1, 4.1.9.2.3.2, 4.1.9.2.3.3 et 4.1.9.2.3.4, insérés par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juin 1996, sont abrogées.
Art. 206. In bijlage 4.2.5.1, C), 2°, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede " In de nabijheid van de in sub 1° bedoelde meetgoot dient een goed geventileerde, gesloten en gemakkelijk betreedbare meetkamer voorzien " vervangen door de zinsnede " Er is in een goed geventileerde, gesloten en gemakkelijk betreedbare meetkamer voorzien ".
Art. 206. Dans l'annexe 4.2.5.1, C), 2°, du même arrêté, la partie de phrase " A proximité du canal de mesurage visé sous 1° ", il y lieu de prévoir un local de mesurage bien ventilé, clos et facilement accessible " est remplacée par la partie de phrase " Un local de mesurage bien ventilé, clos et facilement accessible est prévu ".
Art. 207. In artikel 4, § 1, van bijlage 4.2.5.2 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009, worden in de tabel de rijen "
Art. 207. Dans l'article 4, § 1er, de l'annexe 4.2.5.2 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 novembre 2009, les rangées dans le tableau "
| Extraheerbare organische halogeenverbindingen (EOX) | 5 g Cl/l | 25 % | 25 % | WAC/IV/B/010 |
| Adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX) | 20 g/l | 25 % | 25 % | WAC/IV/B/011 |
| Purgeerbare organische halogeenverbindingen (POX) | 10 g/l | 25 % | 25 % | WAC/IV/B/012 |
| Minerale olie met gaschromatografie | 100 g/l | 25 % | 25 % | WAC/IV/B/025 |
"
vervangen door de rijen
"
| Composés halogènes organiques extractibles (EOX) | 5 g Cl/l | 25 % | 25 % | WAC/IV/B/010 |
| Composés halogènes organiques adsorbables (AOX) | 20 g/l | 25 % | 25 % | WAC/IV/B/011 |
| Composés halogènes organiques purgeables (POX) | 10 g/l | 25 % | 25 % | WAC/IV/B/012 |
| Huiles minérales à chromatographie gazeuse | 100 g/l | 25 % | 25 % | WAC/IV/B/025 |
" sont remplacés par les rangées
"
| Extraheerbare organische halogeenverbindingen (EOX) | 5 µg Cl/l | 25 % | 25 % | WAC/IV/B/010 |
| Adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX) | 20 µg/l | 25 % | 25 % | WAC/IV/B/011 |
| Purgeerbare organische halogeenverbindingen (POX) | 10 µg/l | 25 % | 25 % | WAC/IV/B/012 |
| Minerale olie met gaschromatografie | 100 µg/l | 25 % | 25 % | WAC/IV/B/025 |
".
| Composés halogènes organiques extractibles (EOX) | 5 µg Cl/l | 25 % | 25 % | WAC/IV/B/010 |
| Composés halogènes organiques adsorbables (AOX) | 20 µg/l | 25 % | 25 % | WAC/IV/B/011 |
| Composés halogènes organiques purgeables (POX) | 10 µg/l | 25 % | 25 % | WAC/IV/B/012 |
| Huiles minérales à chromatographie gazeuse | 100 µg/l | 25 % | 25 % | WAC/IV/B/025 |
".
Art. 208. In artikel 1 van bijlage 4.5.1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden " de afdeling Milieuvergunningen en " opgeheven;
2° in paragraaf 2, derde lid, wordt het woord " overheidsdiensten " vervangen door het woord " overheidsdienst ";
3° paragraaf 6 wordt vervangen door wat volgt :
" § 6. Overleg met de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, en/of met de bevoegde gemeentelijke milieu-ambtenaar
Voor inrichtingen van de eerste klasse doet de erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), van het VLAREL, vooraf een gemotiveerd voorstel betreffende de meetperiode, de meetduur en de keuze van de meetplaatsen aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving.
Voor inrichtingen van de tweede en de derde klasse doet de erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein geluid, vermeld in artikel 6, 1°, c), van het VLAREL, vooraf een gemotiveerd voorstel betreffende de meetperiode, de meetduur en de keuze van de meetplaatsen aan de gemeentelijke milieuambtenaar en aan voormelde afdeling.
Indien de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, of de gemeentelijke milieuambtenaar niet antwoordt op het voorstel binnen een termijn van 14 kalenderdagen wordt dit voorstel geacht te zijn goedgekeurd. ".
1° in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden " de afdeling Milieuvergunningen en " opgeheven;
2° in paragraaf 2, derde lid, wordt het woord " overheidsdiensten " vervangen door het woord " overheidsdienst ";
3° paragraaf 6 wordt vervangen door wat volgt :
" § 6. Overleg met de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, en/of met de bevoegde gemeentelijke milieu-ambtenaar
Voor inrichtingen van de eerste klasse doet de erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), van het VLAREL, vooraf een gemotiveerd voorstel betreffende de meetperiode, de meetduur en de keuze van de meetplaatsen aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving.
Voor inrichtingen van de tweede en de derde klasse doet de erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein geluid, vermeld in artikel 6, 1°, c), van het VLAREL, vooraf een gemotiveerd voorstel betreffende de meetperiode, de meetduur en de keuze van de meetplaatsen aan de gemeentelijke milieuambtenaar en aan voormelde afdeling.
Indien de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, of de gemeentelijke milieuambtenaar niet antwoordt op het voorstel binnen een termijn van 14 kalenderdagen wordt dit voorstel geacht te zijn goedgekeurd. ".
Art. 208. Dans l'article 1er, de l'annexe 4.5.1, du même arrêté, rremplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, sont apportées les modifications suivantes :
1° au paragraphe 2, alinéa trois, les mots " la division des Autorisations écologiques et " sont supprimés;
2° dans le paragraphe 2, alinéa trois, les mots " services publics " sont remplacés par les mots " service publics ";
3° le paragraphe 6 est remplacé par la disposition suivante :
" § 6. Concertation avec la division chargé du maintien écologique, et/ou avec le fonctionnaire communal environnemental compétent
En ce qui concerne les établissements de la première classe, l'expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, visée à l'article 6, 1°, c), du VLAREL, fait une proposition motivée préalable relative à la période de mesurage, la durée du mesurage et le choix des sites de mesurage à la division, compétente pour le maintien écologique.
En ce qui concerne les établissements de la deuxième et troisième classe, l'expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, sous-domaine du bruit, visée à l'article 6, 1°, c), du VLAREL, fait une proposition motivée préalable relative à la période de mesurage, la durée du mesurage et le choix des sites de mesurage à la division, compétente pour le maintien écologique.
Si la division, compétente pour le maintien écologique, ou le fonctionnaire communal ne répond pas à la proposition dans un délai de 14 jours calendaires, cette proposition est réputée être approuvée. ".
1° au paragraphe 2, alinéa trois, les mots " la division des Autorisations écologiques et " sont supprimés;
2° dans le paragraphe 2, alinéa trois, les mots " services publics " sont remplacés par les mots " service publics ";
3° le paragraphe 6 est remplacé par la disposition suivante :
" § 6. Concertation avec la division chargé du maintien écologique, et/ou avec le fonctionnaire communal environnemental compétent
En ce qui concerne les établissements de la première classe, l'expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, visée à l'article 6, 1°, c), du VLAREL, fait une proposition motivée préalable relative à la période de mesurage, la durée du mesurage et le choix des sites de mesurage à la division, compétente pour le maintien écologique.
En ce qui concerne les établissements de la deuxième et troisième classe, l'expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, sous-domaine du bruit, visée à l'article 6, 1°, c), du VLAREL, fait une proposition motivée préalable relative à la période de mesurage, la durée du mesurage et le choix des sites de mesurage à la division, compétente pour le maintien écologique.
Si la division, compétente pour le maintien écologique, ou le fonctionnaire communal ne répond pas à la proposition dans un délai de 14 jours calendaires, cette proposition est réputée être approuvée. ".
Art. 209. Bijlage 5.3.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 maart 1998, 19 januari 1999, 12 mei 2006 en 19 september 2008, wordt vervangen door bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 209. L'annexe 5.3.2 du même arrêté, modifiée par les arrêtés du Gouvernement flamand des 24 mars 1998, 19 janvier 1999, 12 mai 2006 et 19 septembre 2008, est remplacée par l'annexe 1re, jointe au présent arrêté.
Art. 210. In bijlage 5.9, hoofdstuk VII, § 1, 3), van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en 19 september 2008, wordt het punt " b) Vleeskalveren : 2 m3 /dierplaats " vervangen door het punt " b) Vleeskalveren : 1,4 m3 /dierplaats ".
Art. 210. Dans l'annexe 5.9, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 janvier 1999 et 19 septembre 2008, le point " b) Veaux : 2 m3/place animal " est remplacé par le point " b) Veaux : 1,4 m3/ place animal ".
Art. 211. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 januari 2011, wordt een bijlage 5.16.7 ingevoegd, die als bijlage 2 bij dit besluit is gevoegd.
Art. 211. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 janvier 2011, il est inséré une annexe 5.16.7 qui est jointe en annexe 2 au présent arrêté.
Art. 212. In bijlage 5.17.7, 4, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt de zinsnede " tevens bevestigd de constructeur in het attest dat het lekdetectiesysteem gebouwd en gecontroleerd werd overeenkomstig de bepalingen van het VLAREM titel II " vervangen door de zinsnede " de constructeur bevestigt in het attest ook dat de overvulbeveiliging gebouwd en gecontroleerd is overeenkomstig titel II van het VLAREM ".
Art. 212. Dans l'annexe 5.17.7.4, du même arrêté, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, la partie de phrase " le constructeur affirme également dans l'attestation que le système de détection de fuites a été construit et contrôlé conformément aux dispositions du titre II du VLAREM " est remplacée par la partie de phrase " e constructeur affirme également dans l'attestation que le dispositif de sécurité du trop-plein a été construit et contrôlé conformément aux dispositions du titre II du VLAREM ".
Art. 213. Bijlage 5.17.8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en 7 maart 2008, wordt vervangen door bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 213. L'annexe 5.17.8 du même arrêté, modifiée par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 janvier 1999 et 7 mars 2008, est remplacée par l'annexe 3, jointe au présent arrêté.
Art. 214. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 januari 2011, wordt een bijlage 5.20.6.1 ingevoegd, die als bijlage 4 bij dit besluit is gevoegd.
Art. 214. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 janvier 2011, il est inséré une annexe 5.20.6.1, qui est jointe en annexe Ire au présent arrêté.
Art. 215. Bijlage 5.30.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 maart 2003 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008 en 19 september 2008, wordt vervangen door bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 215. L'annexe 5.30.1 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 mars 2003 et modifiée par les arrêtés du Gouvernement flamand du 7 mars 2008 et 19 septembre 2008, est remplacée par l'annexe 5 qui est jointe en annexe au présent arrêté.
Art. 215bis. In afdeling 6.10.2. van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, ingevoegd bij het besluit van 19 november 2010 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 2011, wordt een artikel 6.10.2.2 bis ingevoegd, dat als volgt luidt :
" § 1. Voor vast opgestelde zendantennes als vermeld in artikel 6.10.2.1, is in afwijking van artikel 6.10.2.2, § 1, geen conformiteitsattest vereist voor de exploitatie, op voorwaarde dat de zendtijd per vast opgestelde zendantenne beperkt is tot 175 uur per jaar, dit ongeacht de toepassingen waarvoor ze gebruikt wordt en de geografische zone die wordt bestreken.
§ 2. Voor de vast opgestelde zendantennes, vermeld in paragraaf 1, wordt voorafgaand aan de exploitatie een kennisgeving ingediend via de website van de afdeling, bevoegd voor milieuhinder van elektromagnetische golven.
Deze kennisgeving bevat minstens volgende elementen :
1° de gegevens van de exploitant : naam van de exploitant, namelijk een rechtspersoon of een natuurlijke persoon, telefoonnummer, e-mailadres, volledig adres;
2° de gebruikte frequentie (MHz);
3° vermogen, geleverd aan de antenne (dBm);
4° hoogte (centerlijn) ten opzichte van de begane grond (m);
5° de winst (dBi);
6° azimut (° ), het noorden is nul, het oosten 90 enzovoort (stralingsrichting);
7° antennetype : fabrikant en referentie (indien van toepassing);
8° de coördinaten van de antennesite : de coördinaten moeten zowel in WGS84 als in lambert worden opgegeven;
9° CRAB-code.
§ 3. De exploitant van de vast opgestelde zendantenne, vermeld in paragraaf 1, legt een logboek aan waarin de zendtijd (per tijdseenheid) wordt bijgehouden.
Een journaal als vermeld in artikel 10 van het ministerieel besluit van 9 januari 2001 betreffende het aanleggen en het doen werken van radiostations door radioamateurs, kan als logboek als vermeld in het eerste lid, gelden.
§ 4. De minister kan verdere voorwaarden voor de kennisgeving, vermeld in paragraaf 2, en voor het logboek, vermeld in paragraaf 3, bepalen.
" § 1. Voor vast opgestelde zendantennes als vermeld in artikel 6.10.2.1, is in afwijking van artikel 6.10.2.2, § 1, geen conformiteitsattest vereist voor de exploitatie, op voorwaarde dat de zendtijd per vast opgestelde zendantenne beperkt is tot 175 uur per jaar, dit ongeacht de toepassingen waarvoor ze gebruikt wordt en de geografische zone die wordt bestreken.
§ 2. Voor de vast opgestelde zendantennes, vermeld in paragraaf 1, wordt voorafgaand aan de exploitatie een kennisgeving ingediend via de website van de afdeling, bevoegd voor milieuhinder van elektromagnetische golven.
Deze kennisgeving bevat minstens volgende elementen :
1° de gegevens van de exploitant : naam van de exploitant, namelijk een rechtspersoon of een natuurlijke persoon, telefoonnummer, e-mailadres, volledig adres;
2° de gebruikte frequentie (MHz);
3° vermogen, geleverd aan de antenne (dBm);
4° hoogte (centerlijn) ten opzichte van de begane grond (m);
5° de winst (dBi);
6° azimut (° ), het noorden is nul, het oosten 90 enzovoort (stralingsrichting);
7° antennetype : fabrikant en referentie (indien van toepassing);
8° de coördinaten van de antennesite : de coördinaten moeten zowel in WGS84 als in lambert worden opgegeven;
9° CRAB-code.
§ 3. De exploitant van de vast opgestelde zendantenne, vermeld in paragraaf 1, legt een logboek aan waarin de zendtijd (per tijdseenheid) wordt bijgehouden.
Een journaal als vermeld in artikel 10 van het ministerieel besluit van 9 januari 2001 betreffende het aanleggen en het doen werken van radiostations door radioamateurs, kan als logboek als vermeld in het eerste lid, gelden.
§ 4. De minister kan verdere voorwaarden voor de kennisgeving, vermeld in paragraaf 2, en voor het logboek, vermeld in paragraaf 3, bepalen.
Art. 215bis. Dans la section 6.10.2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière de l'hygiène de l'environnement, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 décembre 2011, il est inséré un article 6.10.2.2, rédigé comme suit :
" § 1er. En ce qui concerne les antennes fixes d'émission telles que mentionnées dans l'article 6.10.2.1, aucune attestation de conformité n'est requise, en dérogation à l'article 6.10.2.2., § 1er, pour l'exploitation, à condition que le temps d'émission par antenne fixe d'émission est limité à 175 heures par an, quelles que soient les application pour lesquelles elle sont utilisées et la zone géographique qui est desservie.
§ 2. En ce qui concerne les antennes fixes d'émission, visées au paragraphe 1er, une notification est introduite préalablement à l'exploitation par le site web de la division, compétente pour les nuisances écologiques des ondes électromagnétiques :
Cette notification comprend au moins les éléments suivants :
1° les coordonnées de l'exploitant : nom de 'exploitant, notamment une personne morale ou une personne physique, numéro de téléphone, adresse e-mail, adresse complète;
2° la fréquence utilisée (MHz);
3° la puissance, transmise à l'antenne (dBm);
4° la hauteur (ligne centrale) à partir du niveau du sol (m);
5° le gain (dBi);
6° l'azimut (° ), le nord correspond à 0, l'est correspond à 90 etc. (direction de rayonnement );
7° type d'antenne : le fabricant et la référence (si applicable);
8° les coordonnées du site de l'antenne : les coordonnées doivent être mentionnées tant en WGS84 qu'en Lambert;
9° code CRAB.
§ 3. L'exploitant de l'antenne fixe d'émission, visée au paragraphe 1er, tient un journal dans lequel il tient le temps d'émission (par unité de temps).
Un journal tel que visé à l'article 10 de l'arrêté ministériel du 9 janvier 2001 concernant l'installation et la manipulation de stations radios par des radioamateurs, peut valoir comme journal, tel que visé à l'alinéa premier.
§ 4. Le Ministre peut arrêter les modalités de la notification, visée au paragraphe 2, et du journal, visé au paragraphe 3.
" § 1er. En ce qui concerne les antennes fixes d'émission telles que mentionnées dans l'article 6.10.2.1, aucune attestation de conformité n'est requise, en dérogation à l'article 6.10.2.2., § 1er, pour l'exploitation, à condition que le temps d'émission par antenne fixe d'émission est limité à 175 heures par an, quelles que soient les application pour lesquelles elle sont utilisées et la zone géographique qui est desservie.
§ 2. En ce qui concerne les antennes fixes d'émission, visées au paragraphe 1er, une notification est introduite préalablement à l'exploitation par le site web de la division, compétente pour les nuisances écologiques des ondes électromagnétiques :
Cette notification comprend au moins les éléments suivants :
1° les coordonnées de l'exploitant : nom de 'exploitant, notamment une personne morale ou une personne physique, numéro de téléphone, adresse e-mail, adresse complète;
2° la fréquence utilisée (MHz);
3° la puissance, transmise à l'antenne (dBm);
4° la hauteur (ligne centrale) à partir du niveau du sol (m);
5° le gain (dBi);
6° l'azimut (° ), le nord correspond à 0, l'est correspond à 90 etc. (direction de rayonnement );
7° type d'antenne : le fabricant et la référence (si applicable);
8° les coordonnées du site de l'antenne : les coordonnées doivent être mentionnées tant en WGS84 qu'en Lambert;
9° code CRAB.
§ 3. L'exploitant de l'antenne fixe d'émission, visée au paragraphe 1er, tient un journal dans lequel il tient le temps d'émission (par unité de temps).
Un journal tel que visé à l'article 10 de l'arrêté ministériel du 9 janvier 2001 concernant l'installation et la manipulation de stations radios par des radioamateurs, peut valoir comme journal, tel que visé à l'alinéa premier.
§ 4. Le Ministre peut arrêter les modalités de la notification, visée au paragraphe 2, et du journal, visé au paragraphe 3.
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
CHAPITRE 5. - Modification à l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
Art. 216. In bijlage VII van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 en 19 november 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in artikel 1, tabel, worden de regels met de volgende woorden :
"
1° in artikel 1, tabel, worden de regels met de volgende woorden :
"
Art. 216. Dans l'annexe VII de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 avril 2009, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'article 1er, tableau, les lignes avec les mots suivants :
"
1° dans l'article 1er, tableau, les lignes avec les mots suivants :
"
| 5.17.1.11, § 1 | Onverminderd de verplichtingen uit artikel 7 van Titel I van het VLAREM dient de exploitant van een in klasse 1 ingedeelde inrichting, een register of een alternatieve informatiedrager bij te houden waarin, per hoofdeigenschap, ten minste de aard en hoeveelheden van de opgeslagen gevaarlijke producten worden vermeld. Deze gegevens dienen zo opgeslagen te worden dat het mogelijk is om op elk ogenblik de in het bedrijf aanwezige hoeveelheden gevaarlijke producten te bepalen. |
| 5.28.3.2.3, § 1 | De exploitant houdt een register bij. Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning noteert de exploitant in dit register tenminste : 1° gegevens over de aangevoerde dierlijke mest : a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de dierlijke mest; b) de aard van de dierlijke mest (diersoort, type (droge mest, stalmest, mengmest...), drogestofgehalte); c) de herkomst (producent) van de dierlijke mest; d) de vervoerder van de dierlijke mest en de wijze van vervoer met vermelding van het documentnummer van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument dat het transport vergezelt; e) de hoeveelheid (massa en volume) van de dierlijke mest met vermelding van de referenties van de eventuele weegbon; f) de gehalten aan stikstof en P2O5; g) in voorkomend geval de opmerkingen over de dierlijke mest en de aanvoer. 2° gegevens over de eventueel afgevoerde onbewerkte of onverwerkte dierlijke mest : a) het volgnummer, de datum en het uur van de afvoer van de dierlijke mest; b) de aard van de onverwerkte dierlijke mest (diersoort, type (droge mest, stalmest, mengmest...), drogestofgehalte,); c) de bestemming van de dierlijke mest; d) de vervoerder van de dierlijke mest en de wijze van vervoer met vermelding van het documentnummer van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument dat het transport vergezelt; e) de hoeveelheid (massa en volume) van de dierlijke mest met vermelding van de referenties van de eventuele weegbon; f) de gehalten aan stikstof en P2O5; g) in voorkomend geval de opmerkingen over de dierlijke mest en de afvoer. 3° gegevens over de afvoer van de afgewerkte producten (al of niet voor nuttige toepassing) : a) het volgnummer, de datum en het uur van de afvoer van afgewerkte producten; b) de aard van de afgewerkte producten; c) de bestemming van de afgewerkte producten; d) de vervoerder van de afgewerkte producten en de wijze van vervoer met vermelding van de referenties van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument; e) de hoeveelheid (massa en volume) van de afgewerkte producten met vermelding van de referenties van de eventuele weegbon; f) de gehalten aan stikstof en P2O5; 4° gegevens over de aangevoerde doch geweigerde dierlijke mest : a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de dierlijke mest; b) de aard van de dierlijke mest (diersoort, type (droge mest, stalmest, mengmest...), drogestofgehalte); c) de herkomst (producent) van de dierlijke mest; d) de vervoerder van de dierlijke mest en de wijze van vervoer met vermelding van het documentnummer van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument dat het transport vergezelt; e) de hoeveelheid (massa en volume) van de dierlijke mest met vermelding van de referenties van de eventuele weegbon; f) de gehalten aan stikstof en P2O5; g) de reden van de weigering en opmerkingen over de dierlijke mest en de aanvoer; 5° de ondervonden moeilijkheden en storingen, waarnemingen, metingen en andere inlichtingen betreffende de uitbating van de inrichting. 6° gegevens over de aanvoer van andere (grond)stoffen : a. het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de andere (grond)stoffen; b) de aard van de andere (grond)stoffen; c) de herkomst van de andere (grond)stoffen; d) de hoeveelheid (massa en volume) van andere (grond)stoffen met vermelding van de referenties van de eventuele weegbon; e) de gehalten aan P2O5 en stikstof; |
| 5.55.2, § 4 | Wanneer het gaat om een boring met een diepte van meer dan 50 m ten opzichte van het maaiveld, bezorgt de exploitant, uiterlijk negentig dagen na het boren, de volgende gegevens aan de afdeling, bevoegd voor grondwater : 1° het doel van de boring; 2° het boorverslag met een beschrijving van de aard van de aangeboorde lagen; 3° de geologische beschrijving van de lagen, voorzover deze bekend zijn; 4° de technische beschrijving van de uitrusting van het boorgat; 5° de diepte van het grondwater in rust na de putontwikkeling ten opzichte van het maaiveld; 6° de maatregelen die werden getroffen ter voorkoming van verontreiniging van het leefmilieu in het algemeen en van het grondwater in het bijzonder; 7° de ligging op een kaart op schaal 1/250 met aanduiding van op het terreinwaarneembare referenties. |
| 5.55.3, § 1, tweede lid | Wanneer het gaat om een boring met een diepte van meer dan 50 m ten opzichte van het maaiveld, deelt de exploitant deze buiten dienststelling mee aan de afdeling, bevoegd voor grondwater. |
1° gegevens over de aangevoerde dierlijke mest :
a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de dierlijke mest;
b) de aard van de dierlijke mest (diersoort, type (droge mest, stalmest, mengmest...), drogestofgehalte);
c) de herkomst (producent) van de dierlijke mest;
d) de vervoerder van de dierlijke mest en de wijze van vervoer met vermelding van het documentnummer van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument dat het transport vergezelt;
e) de hoeveelheid (massa en volume) van de dierlijke mest met vermelding van de referenties van de eventuele weegbon;
f) de gehalten aan stikstof en P2O5;
g) in voorkomend geval de opmerkingen over de dierlijke mest en de aanvoer.
2° gegevens over de eventueel afgevoerde onbewerkte of onverwerkte dierlijke mest :
a) het volgnummer, de datum en het uur van de afvoer van de dierlijke mest;
b) de aard van de onverwerkte dierlijke mest (diersoort, type (droge mest, stalmest, mengmest...), drogestofgehalte,);
c) de bestemming van de dierlijke mest; d) de vervoerder van de dierlijke mest en de wijze van vervoer met vermelding van het documentnummer van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument dat het transport vergezelt;
e) de hoeveelheid (massa en volume) van de dierlijke mest met vermelding van de referenties van de eventuele weegbon;
f) de gehalten aan stikstof en P2O5;
g) in voorkomend geval de opmerkingen over de dierlijke mest en de afvoer.
3° gegevens over de afvoer van de afgewerkte producten (al of niet voor nuttige toepassing) :
a) het volgnummer, de datum en het uur van de afvoer van afgewerkte producten;
b) de aard van de afgewerkte producten;
c) de bestemming van de afgewerkte producten;
d) de vervoerder van de afgewerkte producten en de wijze van vervoer met vermelding van de referenties van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument;
e) de hoeveelheid (massa en volume) van de afgewerkte producten met vermelding van de referenties van de eventuele weegbon;
f) de gehalten aan stikstof en P2O5;
4° gegevens over de aangevoerde doch geweigerde dierlijke mest :
a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de dierlijke mest;
b) de aard van de dierlijke mest (diersoort, type (droge mest, stalmest, mengmest...), drogestofgehalte);
c) de herkomst (producent) van de dierlijke mest;
d) de vervoerder van de dierlijke mest en de wijze van vervoer met vermelding van het documentnummer van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument dat het transport vergezelt;
e) de hoeveelheid (massa en volume) van de dierlijke mest met vermelding van de referenties van de eventuele weegbon;
f) de gehalten aan stikstof en P2O5;
g) de reden van de weigering en opmerkingen over de dierlijke mest en de aanvoer;
5° de ondervonden moeilijkheden en storingen, waarnemingen, metingen en andere inlichtingen betreffende de uitbating van de inrichting.
6° gegevens over de aanvoer van andere (grond)stoffen :
a. het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de andere (grond)stoffen;
b) de aard van de andere (grond)stoffen;
c) de herkomst van de andere (grond)stoffen;
d) de hoeveelheid (massa en volume) van andere (grond)stoffen met vermelding van de referenties van de eventuele weegbon;
e) de gehalten aan P2O5 en stikstof;5.55.2, § 4Wanneer het gaat om een boring met een diepte van meer dan 50 m ten opzichte van het maaiveld, bezorgt de exploitant, uiterlijk negentig dagen na het boren, de volgende gegevens aan de afdeling, bevoegd voor grondwater :
1° het doel van de boring;
2° het boorverslag met een beschrijving van de aard van de aangeboorde lagen;
3° de geologische beschrijving van de lagen, voorzover deze bekend zijn;
4° de technische beschrijving van de uitrusting van het boorgat;
5° de diepte van het grondwater in rust na de putontwikkeling ten opzichte van het maaiveld;
6° de maatregelen die werden getroffen ter voorkoming van verontreiniging van het leefmilieu in het algemeen en van het grondwater in het bijzonder;
7° de ligging op een kaart op schaal 1/250 met aanduiding van op het terreinwaarneembare referenties.5.55.3, § 1, tweede lidWanneer het gaat om een boring met een diepte van meer dan 50 m ten opzichte van het maaiveld, deelt de exploitant deze buiten dienststelling mee aan de afdeling, bevoegd voor grondwater.
"
vervangen door de regels met de volgende woorden :
"
| 5.17.1.11, § 1er | Sans préjudice des obligations de l'article 7 du Titre Ier du VLAREM, l'exploitant d'un établissement classé dans la classe 1re, tenir un registre ou un porteur d'informations alternatif dans lequel, par caractéristique principale, sont au moins mentionnées la nature et la quantité des produits dangereux stockés. Ces données doivent conservées de sorte qu'il soit possible de déterminer à tout moment les quantités de produits dangereux présentes dans l'établissement. |
| 5.28.3.2.3, § 1er | L'exploitant tient un registre. Sauf dispositions contraires dans l'autorisation écologique, l'exploitant note dans ce registre au moins : 1° les données relative aux engrais animaux acheminés : a) le numéro d'ordre, la date et l'heure de l'acheminement de l'engrais animal; b) la nature de l'engrais animal (espèce d'animal, type (engrais sec, engrais d'étable, engrais mixte...), teneur en substances sèches); c) l'origine (producteur) de l'engrais animal; d) le transporteur de l'engrais animal et le mode de transport avec mention du numéro de document et du document de débit d'engrais ou le document de transfert accompagnant le transport; e) la quantité (masse et volume) de l'engrais animal avec mention des références d'un bon de pesage éventuel; f) les teneurs en azote et P2O5 g) les cas échéant, les remarques sur l'engrais animal et sur l'acheminement. 2° les données sur l'engrais animal non traité ou non transformé transporté : a) le numéro d'ordre, la date et l'heure de l'évacuation de l'engrais animal; b) la nature de l'engrais animal (espèce d'animal, type (engrais sec, engrais mixte...), teneur en substances sèches); c) la destination de l'engrais animal; d) le transporteur de l'engrais animal et le mode de transport avec mention du numéro de document et du document de débit d'engrais ou le document de transfert accompagnant le transport; e) la quantité (masse et volume) de l'engrais animal avec mention des références d'un bon de pesage éventuel; f) les teneurs en azote et P2O5 g) les cas échéant, les remarques sur l'engrais animal et sur l'évacuation. 3° les données sur 'évacuation des produits finis (pour application utile ou non) : a) le numéro d'ordre, la date et l'heure de l'évacuation des produits finis; b) la nature des produits finis; c) la destination des produits finis; d) le transporteur des produits finis et le mode de transport avec mention des références du document de débit des engrais ou document de transport; e) la quantité (masse et volume) des produits finis avec mention des références du document de débit du bon de pesage éventuel; f) les teneurs en azote et P2O5 4° les données relatives aux engrais animaux acheminés mais refusés : a) le numéro d'ordre, la date et l'heure de l'acheminement de l'engrais animal; b) la nature de l'engrais animal (espèce d'animal, type (engrais sec, engrais d'étable, engrais mixte...), teneur en substances sèches); c) l'origine (producteur) de l'engrais animal; d) le transporteur de l'engrais animal et le mode de transport avec mention du numéro de document et du document de débit d'engrais ou le document de transfert accompagnant le transport; e) la quantité (masse et volume) de l'engrais animal avec mention des références d'un bon de pesage éventuel; f) les teneurs en azote et P2O5 g) les raisons du refus et les remarques sur l'engrais animal et sur l'acheminement; 5° les difficultés et perturbations subies, observations, mesurages et autres informations relatives à l'exploitation de l'établissement. 6° données sur l'acheminement d'autres matières (premières) : a) le numéro d'ordre, la date et l'heure de l'acheminement d'autres; matières (premières); b) la nature des autres matières (premières); c) l'origine des autres matières (premières); d) la quantité (masse et volume) d'autres matières (premières) avec mention des références du document de débit du bon de pesage éventuel; e) les teneurs en azote et P2O5 |
| 5.55.2, § 4, | Lorsqu'il s'agit d'un forage à une profondeur de plus de 50 m par rapport au niveau du sol, l'exploitant transmet, au plus tard nonante jours après le forage, les données suivantes à la division compétente pour les eaux souterraines : 1° l'objectif du forage; 2° le rapport de forage avec une description de la nature des couches dans lesquelles il a été foré; 3° la description géologique de ces couches, si elle est connue; 4° la description technique de l'équipement du puits de forage; 5° la profondeur des eaux souterraines en repos après le développement du puits par rapport au niveau du sol; 6° les mesures qui ont été prises afin d'éviter la pollution de l'environnement en général et des eaux souterraines en particulier; 7° la situation sur une carte à l'échelle 1/250e, avec indication de références observables sur le terrain. |
| 5.55.3, § 1er, alinéa deux | Lorsqu'il s'agit d'un forage à une profondeur de plus de 50 m par rapport au niveau du sol, l'exploitant communique cette mise hors service à la division compétente pour les eaux souterraines : |
1° les données relative aux engrais animaux acheminés :
a) le numéro d'ordre, la date et l'heure de l'acheminement de l'engrais animal;
b) la nature de l'engrais animal (espèce d'animal, type (engrais sec, engrais d'étable,
engrais mixte...), teneur en substances sèches);
c) l'origine (producteur) de l'engrais animal;
d) le transporteur de l'engrais animal et le mode de transport avec mention du numéro de document et du document de débit d'engrais ou le document de transfert accompagnant le transport;
e) la quantité (masse et volume) de l'engrais animal avec mention des références d'un bon de pesage éventuel;
f) les teneurs en azote et P2O5
g) les cas échéant, les remarques sur l'engrais animal et sur l'acheminement.
2° les données sur l'engrais animal non traité ou non transformé transporté :
a) le numéro d'ordre, la date et l'heure de l'évacuation de l'engrais animal;
b) la nature de l'engrais animal (espèce d'animal, type (engrais sec, engrais mixte...), teneur en substances sèches);
c) la destination de l'engrais animal;
d) le transporteur de l'engrais animal et le mode de transport avec mention du numéro de document et du document de débit d'engrais ou le document de transfert accompagnant le transport;
e) la quantité (masse et volume) de l'engrais animal avec mention des références d'un bon de pesage éventuel;
f) les teneurs en azote et P2O5
g) les cas échéant, les remarques sur l'engrais animal et sur l'évacuation.
3° les données sur 'évacuation des produits finis (pour application utile ou non) :
a) le numéro d'ordre, la date et l'heure de l'évacuation des produits finis;
b) la nature des produits finis;
c) la destination des produits finis;
d) le transporteur des produits finis et le mode de transport avec mention des références du document de débit des engrais ou document de transport;
e) la quantité (masse et volume) des produits finis avec mention des références du document de débit du bon de pesage éventuel;
f) les teneurs en azote et P2O5
4° les données relatives aux engrais animaux acheminés mais refusés :
a) le numéro d'ordre, la date et l'heure de l'acheminement de l'engrais animal;
b) la nature de l'engrais animal (espèce d'animal, type (engrais sec, engrais d'étable, engrais mixte...), teneur en substances sèches);
c) l'origine (producteur) de l'engrais animal;
d) le transporteur de l'engrais animal et le mode de transport avec mention du numéro de document et du document de débit d'engrais ou le document de transfert accompagnant le transport;
e) la quantité (masse et volume) de l'engrais animal avec mention des références d'un bon de pesage éventuel;
f) les teneurs en azote et P2O5
g) les raisons du refus et les remarques sur l'engrais animal et sur l'acheminement;
5° les difficultés et perturbations subies, observations, mesurages et autres informations relatives à l'exploitation de l'établissement.
6° données sur l'acheminement d'autres matières (premières) :
a) le numéro d'ordre, la date et l'heure de l'acheminement d'autres;
matières (premières);
b) la nature des autres matières (premières);
c) l'origine des autres matières (premières);
d) la quantité (masse et volume) d'autres matières (premières) avec mention des références du document de débit du bon de pesage éventuel;
e) les teneurs en azote et P2O55.55.2, § 4,Lorsqu'il s'agit d'un forage à une profondeur de plus de 50 m par rapport au niveau du sol, l'exploitant transmet, au plus tard nonante jours après le forage, les données suivantes à la division compétente pour les eaux souterraines :
1° l'objectif du forage;
2° le rapport de forage avec une description de la nature des couches dans lesquelles il a été foré;
3° la description géologique de ces couches, si elle est connue;
4° la description technique de l'équipement du puits de forage;
5° la profondeur des eaux souterraines en repos après le développement du puits par rapport au niveau du sol;
6° les mesures qui ont été prises afin d'éviter la pollution de l'environnement en général et des eaux souterraines en particulier;
7° la situation sur une carte à l'échelle 1/250e, avec indication de références
observables sur le terrain.5.55.3, § 1er, alinéa deuxLorsqu'il s'agit d'un forage à une profondeur de plus de 50 m par rapport au niveau du sol, l'exploitant communique cette mise hors service à la division compétente pour les eaux souterraines :
"
sont remplacées par les lignes avec les mots suivants :
| 5.17.1.11, § 1 | De exploitant van een in klasse 1 ingedeelde inrichting, houdt een register of een alternatieve informatiedrager bij waarin, per hoofdeigenschap, ten minste de aard en hoeveelheden van de opgeslagen gevaarlijke producten worden vermeld. Deze gegevens dienen zo opgeslagen te worden dat het mogelijk is om op elk ogenblik de in het bedrijf aanwezige hoeveelheden gevaarlijke producten te bepalen. |
| 5.28.3.2.3, § 1 | De exploitant houdt een register bij. De exploitant noteert in dit register tenminste : 1° gegevens over de aangevoerde dierlijke mest : a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de dierlijke mest; b) de aard van de dierlijke mest (diersoort, type (droge mest, stalmest, mengmest...), drogestofgehalte); c) de herkomst (producent) van de dierlijke mest; d) de vervoerder van de dierlijke mest en de wijze van vervoer met vermelding van het documentnummer van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument dat het transport vergezelt; e) de hoeveelheid (massa en volume) van de dierlijke mest; f) de gehalten aan stikstof en P2O5; g) in voorkomend geval de opmerkingen over de dierlijke mest en de aanvoer. 2° gegevens over de eventueel afgevoerde onbewerkte of onverwerkte dierlijke mest : a) het volgnummer, de datum en het uur van de afvoer van de dierlijke mest; b) de aard van de onverwerkte dierlijke mest (diersoort, type (droge mest, stalmest, mengmest...), droog stofgehalte); c) de bestemming van de dierlijke mest; d) de vervoerder van de dierlijke mest en de wijze van vervoer met vermelding van het documentnummer van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument dat het transport vergezelt; e) de hoeveelheid (massa en volume) van de dierlijke mest; f) de gehalten aan stikstof en P2O5; g) in voorkomend geval de opmerkingen over de dierlijke mest en de afvoer. 3° gegevens over de afvoer van de afgewerkte producten (al of niet voor nuttige toepassing) : a) het volgnummer, de datum en het uur van de afvoer van afgewerkte producten; b) de aard van de afgewerkte producten; c) de bestemming van de afgewerkte producten; d) de vervoerder van de afgewerkte producten en de wijze van vervoer met vermelding van de referenties van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument; e) de hoeveelheid (massa en volume) van de afgewerkte producten; f) de gehalten aan stikstof en P2O5; 4° gegevens over de aangevoerde doch geweigerde dierlijke mest : a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de dierlijke mest; b) de aard van de dierlijke mest (diersoort, type (droge mest, stalmest, mengmest...), drogestofgehalte); c) de herkomst (producent) van de dierlijke mest; d) de vervoerder van de dierlijke mest en de wijze van vervoer met vermelding van het documentnummer van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument dat het transport vergezelt; e) de hoeveelheid (massa en volume) van de dierlijke mest; f) de gehalten aan stikstof en P2O5; g) de reden van de weigering en opmerkingen over de dierlijke mest en de aanvoer; 5° de ondervonden moeilijkheden en storingen, waarnemingen, metingen en andere inlichtingen betreffende de uitbating van de inrichting. 6° gegevens over de aanvoer van andere (grond)stoffen : a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de andere (grond)stoffen; b) de aard van de andere (grond)stoffen; c) de herkomst van de andere (grond)stoffen; d) de hoeveelheid (massa en volume) van andere (grond)stoffen; e) de gehalten aan P2O5 en stikstof; |
| 5.55.1.2, vierde lid | Wanneer het gaat om een vergunningsplichtige boring, bezorgt de exploitant, uiterlijk negentig dagen na het boren, de volgende gegevens aan de afdeling, bevoegd voor grondwater : 1° het doel van de boring; 2° het boorverslag met een beschrijving van de aard van de aangeboorde lagen; 3° de geologische beschrijving van de lagen, als die bekend is; 4° de technische beschrijving van de uitrusting van het boorgat; 5° de diepte van het grondwater in rust na de putontwikkeling ten opzichte van het maaiveld, indien de boring wordt afgewerkt tot een meetbare boorput; 6° de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming van verontreiniging van het leefmilieu in het algemeen en van het grondwater in het bijzonder; 7° de ligging op een kaart op schaal 1/250, met aanduiding van op het terreinwaarneembare referenties. |
| 5.55.1.3, § 1, tweede lid | Wanneer het gaat om een vergunningsplichtige boring, deelt de exploitant deze buiten dienststelling mee aan de afdeling, bevoegd voor grondwater. |
1° gegevens over de aangevoerde dierlijke mest :
a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de dierlijke mest;
b) de aard van de dierlijke mest (diersoort, type (droge mest, stalmest, mengmest...), drogestofgehalte);
c) de herkomst (producent) van de dierlijke mest;
d) de vervoerder van de dierlijke mest en de wijze van vervoer met vermelding van het documentnummer van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument dat het transport vergezelt;
e) de hoeveelheid (massa en volume) van de dierlijke mest;
f) de gehalten aan stikstof en P2O5;
g) in voorkomend geval de opmerkingen over de dierlijke mest en de aanvoer.
2° gegevens over de eventueel afgevoerde onbewerkte of onverwerkte dierlijke mest :
a) het volgnummer, de datum en het uur van de afvoer van de dierlijke mest;
b) de aard van de onverwerkte dierlijke mest (diersoort, type (droge mest, stalmest, mengmest...), droog stofgehalte);
c) de bestemming van de dierlijke mest;
d) de vervoerder van de dierlijke mest en de wijze van vervoer met vermelding van het documentnummer van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument dat het transport vergezelt;
e) de hoeveelheid (massa en volume) van de dierlijke mest;
f) de gehalten aan stikstof en P2O5;
g) in voorkomend geval de opmerkingen over de dierlijke mest en de afvoer.
3° gegevens over de afvoer van de afgewerkte producten (al of niet voor nuttige toepassing) :
a) het volgnummer, de datum en het uur van de afvoer van afgewerkte producten;
b) de aard van de afgewerkte producten;
c) de bestemming van de afgewerkte producten;
d) de vervoerder van de afgewerkte producten en de wijze van vervoer met vermelding van de referenties van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument;
e) de hoeveelheid (massa en volume) van de afgewerkte producten;
f) de gehalten aan stikstof en P2O5;
4° gegevens over de aangevoerde doch geweigerde dierlijke mest :
a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de dierlijke mest;
b) de aard van de dierlijke mest (diersoort, type (droge mest, stalmest, mengmest...), drogestofgehalte);
c) de herkomst (producent) van de dierlijke mest;
d) de vervoerder van de dierlijke mest en de wijze van vervoer met vermelding van het documentnummer van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument dat het transport vergezelt;
e) de hoeveelheid (massa en volume) van de dierlijke mest;
f) de gehalten aan stikstof en P2O5;
g) de reden van de weigering en opmerkingen over de dierlijke mest en de aanvoer;
5° de ondervonden moeilijkheden en storingen, waarnemingen, metingen en andere inlichtingen betreffende de uitbating van de inrichting.
6° gegevens over de aanvoer van andere (grond)stoffen :
a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de andere (grond)stoffen;
b) de aard van de andere (grond)stoffen;
c) de herkomst van de andere (grond)stoffen;
d) de hoeveelheid (massa en volume) van andere (grond)stoffen;
e) de gehalten aan P2O5 en stikstof;5.55.1.2, vierde lidWanneer het gaat om een vergunningsplichtige boring, bezorgt de exploitant, uiterlijk negentig dagen na het boren, de volgende gegevens aan de afdeling, bevoegd voor grondwater :
1° het doel van de boring;
2° het boorverslag met een beschrijving van de aard van de aangeboorde lagen;
3° de geologische beschrijving van de lagen, als die bekend is;
4° de technische beschrijving van de uitrusting van het boorgat;
5° de diepte van het grondwater in rust na de putontwikkeling ten opzichte van het maaiveld, indien de boring wordt afgewerkt tot een meetbare boorput;
6° de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming van verontreiniging van het leefmilieu in het algemeen en van het grondwater in het bijzonder;
7° de ligging op een kaart op schaal 1/250, met aanduiding van op het terreinwaarneembare referenties.5.55.1.3, § 1, tweede lidWanneer het gaat om een vergunningsplichtige boring, deelt de exploitant deze buiten dienststelling mee aan de afdeling, bevoegd voor grondwater.
";
2° in artikel 2, tabel, worden de regels met de volgende woorden :
"
| 5.17.1.11, § 1er | L`exploitant d`un établissement classé dans la classe 1re, tenir un registre ou un porteur d`informations alternatif, par caractéristique principale, dans lequel sont au moins mentionnées la nature et la quantité des produits dangereux stockés. Ces données doivent conservées de sorte qu`il soit possible de déterminer à tout moment les quantités de produits dangereux présentes dans l`établissement. |
| 5.28.3.2.3, § 1er | L`exploitant tient un registre. Dans ce registre, l`exploitant note au moins : 1° les données relative aux engrais animaux acheminés : a) le numéro d`ordre, la date et l`heure de l`acheminement de l`engrais animal; b) la nature de l`engrais animal (espèce d`animal, type (engrais sec, engrais d`étable, engrais mixte...), teneur en substances sèches); c) l`origine (producteur) de l`engrais animal; d) le transporteur de l`engrais animal et le mode de transport avec mention du numéro de document et du document de débit d`engrais ou le document de transfert accompagnant le transport; e) la quantité (masse et volume) de l`engrais animal; f) les teneurs en azote et en P2O5; g) les cas échéant, les remarques sur l`engrais animal et sur l`acheminement. 2° les données sur l`engrais animal non traité ou non transformé transporté : a) le numéro d`ordre, la date et l`heure de l`évacuation de l`engrais animal; b) la nature de l`engrais animal (espèce d`animal, type (engrais sec, engrais d`étable, engrais mixte...), teneur en substances sèches); c) la destination de l`engrais animal; d) le transporteur de l`engrais animal et le mode de transport avec mention du numéro de document et du document de débit d`engrais ou le document de transfert accompagnant le transport; e) la quantité (masse et volume) de l`engrais animal; f) les teneurs en azote et en P2O5; g) les cas échéant, les remarques sur l`engrais animal et sur l`évacuation. 3° les données sur `évacuation des produits finis (pour application utile ou non) : a) le numéro d`ordre, la date et l`heure de l`évacuation des produits finis; b) la nature des produits finis; c) la destination des produits finis; d) le transporteur des produits finis et le mode de transport avecmention des références du document de débit des engrais oudocument de transport; e) la quantité (masse et volume) des produits finis; f) les teneurs en azote et en P2O5; 4° les données relatives aux engrais animaux acheminés mais refusés : a) le numéro d`ordre, la date et l`heure de l`acheminement de l`engrais animal; b) la nature de l`engrais animal (espèce d`animal, type (engrais sec, engrais d`étable, engrais mixte...), teneur en substances sèches); c) l`origine (producteur) de l`engrais animal; d) le transporteur de l`engrais animal et le mode de transport avec mention du numéro de document et du document de débit d`engrais ou le document de transfert accompagnant le transport; e) la quantité (masse et volume) de l`engrais animal; f) les teneurs en azote et en P2O5; g) les raisons du refus et les remarques sur l`engrais animal et sur l`acheminement; 5° les difficultés et perturbations subies, observations, mesurages et autres informations relatives à l`exploitation de l`établissement. 6° données sur l`acheminement d`autres matières (premières) : a) le numéro d`ordre, la date et l`heure de l`acheminement d`autres matières (premières); b) la nature des autres matières (premières); c) l`origine des autres matières (premières); e) la quantité (masse et volume) d`autres matières (premières); e) les teneurs en P2O5 et en azote; |
| 5.55.1.2, alinéa quatre | Lorsqu`il s`agit d`un forage soumis à l`obligation d`autorisation, l`exploitant transmet, au plus tard nonante jours après le forage, les données suivantes à la division compétente pour les eaux souterraines : 1° l`objectif du forage; 2° le rapport de forage avec une description de la nature des couches dans lesquelles il a été foré; 3° la description géologique de ces couches, si elle est connue;, 4° la description technique de l`équipement du puits de forage; 5° la profondeur de l`eau souterraine en repos après du développement du puits par rapport au niveau du sol, si le forage a été parachevé comme puits de forage mesurable; 6° les mesures prises afin d`éviter la pollution de l`environnement en général et de l`eau souterraine en particulier; 7° la situation sur une carte à l`échelle 1/250e, avec indication de références observables sur le terrain. |
| 5.55.1.3, § 1er alinéa deux | Lorsqu`il s`agit d`un forage soumis à l`obligation d`autorisation, l`exploitant communique la mise hors service à la division compétente pour les eaux souterraines. |
dans lequel sont au moins mentionnées la nature et la quantité des produits dangereux stockés. Ces données doivent conservées de sorte qu`il soit possible de déterminer à tout moment les quantités de produits dangereux présentes dans l`établissement.5.28.3.2.3, § 1er
L`exploitant tient un registre. Dans ce registre, l`exploitant note au moins :
1° les données relative aux engrais animaux acheminés :
a) le numéro d`ordre, la date et l`heure de l`acheminement de l`engrais animal;
b) la nature de l`engrais animal (espèce d`animal, type (engrais sec, engrais d`étable,
engrais mixte...), teneur en substances sèches);
c) l`origine (producteur) de l`engrais animal;
d) le transporteur de l`engrais animal et le mode de transport avec mention du numéro de document et du document de débit d`engrais ou le document de transfert accompagnant le transport;
e) la quantité (masse et volume) de l`engrais animal;
f) les teneurs en azote et en P2O5;
g) les cas échéant, les remarques sur l`engrais animal et sur l`acheminement.
2° les données sur l`engrais animal non traité ou non transformé transporté :
a) le numéro d`ordre, la date et l`heure de l`évacuation de l`engrais animal;
b) la nature de l`engrais animal (espèce d`animal, type (engrais sec, engrais d`étable, engrais mixte...), teneur en substances sèches);
c) la destination de l`engrais animal;
d) le transporteur de l`engrais animal et le mode de transport avec mention du numéro de document et du document de débit d`engrais ou le document de transfert accompagnant le transport;
e) la quantité (masse et volume) de l`engrais animal;
f) les teneurs en azote et en P2O5;
g) les cas échéant, les remarques sur l`engrais animal et sur l`évacuation.
3° les données sur `évacuation des produits finis (pour application utile ou non) :
a) le numéro d`ordre, la date et l`heure de l`évacuation des produits finis;
b) la nature des produits finis;
c) la destination des produits finis;
d) le transporteur des produits finis et le mode de transport avecmention des références du document de débit des engrais oudocument de transport;
e) la quantité (masse et volume) des produits finis;
f) les teneurs en azote et en P2O5;
4° les données relatives aux engrais animaux acheminés mais refusés :
a) le numéro d`ordre, la date et l`heure de l`acheminement de l`engrais animal;
b) la nature de l`engrais animal (espèce d`animal, type (engrais sec, engrais d`étable,
engrais mixte...), teneur en substances sèches);
c) l`origine (producteur) de l`engrais animal;
d) le transporteur de l`engrais animal et le mode de transport avec mention du numéro de document et du document de débit d`engrais ou le document de transfert accompagnant le transport;
e) la quantité (masse et volume) de l`engrais animal;
f) les teneurs en azote et en P2O5;
g) les raisons du refus et les remarques sur l`engrais animal et sur l`acheminement;
5° les difficultés et perturbations subies, observations, mesurages et autres informations relatives à l`exploitation de l`établissement.
6° données sur l`acheminement d`autres matières (premières) :
a) le numéro d`ordre, la date et l`heure de l`acheminement d`autres matières (premières);
b) la nature des autres matières (premières);
c) l`origine des autres matières (premières);
e) la quantité (masse et volume) d`autres matières (premières);
e) les teneurs en P2O5 et en azote;5.55.1.2, alinéa quatreLorsqu`il s`agit d`un forage soumis à l`obligation d`autorisation, l`exploitant transmet, au plus tard nonante jours après le forage, les données suivantes à la division compétente pour les eaux souterraines :
1° l`objectif du forage;
2° le rapport de forage avec une description de la nature des couches dans lesquelles il a été foré;
3° la description géologique de ces couches, si elle est connue;,
4° la description technique de l`équipement du puits de forage;
5° la profondeur de l`eau souterraine en repos après du développement du puits par rapport au niveau du sol, si le forage a été parachevé comme puits de forage mesurable;
6° les mesures prises afin d`éviter la pollution de l`environnement en général et de l`eau souterraine en particulier;
7° la situation sur une carte à l`échelle 1/250e, avec indication de références observables sur le terrain.5.55.1.3, § 1er alinéa deuxLorsqu`il s`agit d`un forage soumis à l`obligation d`autorisation, l`exploitant communique la mise hors service à la division compétente pour les eaux souterraines.
2° dans l'article 2, tableau, les lignes avec les mots suivants : "
"
| 5.30.1, 1. Hoofdgrondstof, 1.1. Monsterneming, § 3 | De opgave van alle klei- en of leemsoorten die deel uitmaken van de hoofdgrondstof, evenals de motivatie hiervoor, moet worden meegedeeld aan de toezichthoudende ambtenaren van de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving en de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen. Dit gebeurt een eerste maal voorafgaand aan de vanaf 1 januari 2003 voor nieuwe inrichtingen en de vanaf 1 januari 2004 voor bestaande inrichtingen verplichte emissiemetingen en nadien bij elke wijziging van de situatie. |
| 5.30.1, 1. Hoofdgrondstof, 1.2. Analyse, § 2 | De resultaten van voormelde analyse van de hoofdgrondstof dienen ter inzage gehouden van de met het toezicht gelaste ambtenaar. |
| 5.30.1, 2. Rookgassen, § 5 | De afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving wordt vooraf schriftelijk op de hoogte gebracht van de datum en uitvoerder van de emissiemetingen. De resultaten van de emissiemetingen worden ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid |
"
vervangen door de regel met de volgende woorden :
"
| 5.30.1, 1. Matière première principale, 1.1. Echantillonnage, § 3 | La mention de toutes les sortes d'argile ou de terre glaise faisant partie de la matière première principale, ainsi que la motivation ce concernant, doivent être communiquées aux fonctionnaires de contrôle de la division du maintien environnemental et de la division dcompétente pour les ressources naturelles. Cela se fait une première fois avant les mesurages obligatoires des émissions avant le 1er janvier 2003 pour les nouveaux établissements et à partir du 1er janvier 2004 pour les établissements existants et ultérieurement après chaque modifciation de la situation. |
| 5.30.1, 1. Matière première principale, 1.2. Analyse, § 2 | Les résultats des analyses précitées de la matière première principale doivent être tenus à la disposition du fonctionnaire chargé du contrôle. |
| 5.30.1, 2. Fumées de combustion § 5. | La division chargée du maintien environnemental, est informée au préalable par écrit de la date et de le personne effectuant les mesurages d'émission. Les résultats des mesurages d'émissions sont tenus à la disposition de l'autorité effectuant les contrôle. |
" sont remplacées par les lignes avec les mots suivants :
"
| 5.30.1, § 5 | De resultaten van de emissiemetingen worden ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid. |
".
| 5.30.1, § 5 | Les résultats des mesurages d'émissions sont tenus à la disposition de l'autorité effectuant les contrôle. |
"
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2006 betreffende de ophaling en de verwerking van dierlijk afval
CHAPITRE 6. - Modifications à l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 2006 relatif à la collecte et à la transformation des déchets animaux.
Art. 217. In artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2006 betreffende de ophaling en de verwerking van dierlijk afval, wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Toestemming is niet vereist voor het begraven van dode gezelschapsdieren op een vergunde dierenbegraafplaats die is ingericht conform de daarvoor geldende milieureglementering of voorschriften. ".
" Toestemming is niet vereist voor het begraven van dode gezelschapsdieren op een vergunde dierenbegraafplaats die is ingericht conform de daarvoor geldende milieureglementering of voorschriften. ".
Art. 217. Dans l'article 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 2006 relatif à la collecte et à la transformation des déchets animaux, un nouvel alinéa est inséré entre le premier et le second alinéa, rédigé comme suit :
" Aucune autorisation n'est requise pour l'ensevelissement d'animaux de compagnie décédés dans un cimetière pour animaux qui est aménagé conformément à la règlementation ou aux prescriptions en vigueur en cette matière. ".
" Aucune autorisation n'est requise pour l'ensevelissement d'animaux de compagnie décédés dans un cimetière pour animaux qui est aménagé conformément à la règlementation ou aux prescriptions en vigueur en cette matière. ".
HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen
CHAPITRE 7. - Dispositions finales
Art. 218. Artikel 19 treedt in werking op een door de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, vast te stellen datum.
Art. 218. L'article 19 entre en vigueur à une date à fixer par la Ministre flamande chargée de l'environnement et de la politique des eaux.
Art. 219. Artikel 22, 23, 24 en 25 treden in werking op de eerste dag van de derde maand die volgt op de maand waarin dit besluit in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
Art. 219. Les articles 22, 23, 24 et 25 entrent en vigueur le premier jour du troisième mois suivant le mois de sa publication au Moniteur belge.
Art. 220. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 220. La Ministre flamande ayant l'environnement et de la politique des eaux dans ses attributions, est chargée de l'exécution du présent arrêté.
Brussel, 23 december 2011.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur,
J. SCHAUVLIEGE
De minister-president van de Vlaamse Regering,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur,
J. SCHAUVLIEGE
Bruxelles, le 23 décembre 2011.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
K. PEETERS
La Ministre flamande de l'Environnement, de la Nature et de la Culture,
Mme J. SCHAUVLIEGE
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
K. PEETERS
La Ministre flamande de l'Environnement, de la Nature et de la Culture,
Mme J. SCHAUVLIEGE
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 5.3.2. Sectorale lozingsvoorwaarden voor bedrijfsafvalwater
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. van 21-03-2012, p. 16523-16593)
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. van 21-03-2012, p. 16523-16593)
Art. N1. Annexe 5.3.2. Conditions de déversement sectorielles pour les eaux usées industrielles
(Annexe non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-03-2012, p. 16651-16722)
(Annexe non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-03-2012, p. 16651-16722)
Art. N2. Bijlage 5.16.7. Keuringsschema aardgastankstations
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. van 21-03-2012, p. 16594-16596)
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. van 21-03-2012, p. 16594-16596)
Art. N2. Annexe 5.16.7. Schéma de contrôle des stations de gaz naturel
(Annexe non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-03-2012, p. 16723-16725)
(Annexe non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-03-2012, p. 16723-16725)
Art. N3. Aanvraag tot aanvaarding als bevoegde deskundige inzake opslag van gevaarlijke vloeistoffen.
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. van 21-03-2012, p. 16597-16600)
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. van 21-03-2012, p. 16597-16600)
Art. N3. Demande d'acceptation comme expert compétent en matière de stockage de liquides dangereux
(Formulaire non repris pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-03-2012, p. 16726-16729)
(Formulaire non repris pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-03-2012, p. 16726-16729)
Art. N4. Bijlage 5.20.6.1. Richtwaarden voor windturbinegeluid
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. van 21-03-2012, p. 16601)
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. van 21-03-2012, p. 16601)
Art. N4. Annexe 5.20.6.1. Valeurs directrices relatives aux bruits émis par éoliennes
(Annexe non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-03-2012, p. 16730)
(Annexe non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-03-2012, p. 16730)
Art. N5. Bijlage 5.30.1. Inrichtingen voor de fabricage van keramische producten. Meetmethode voor de analyse van de rookgassen, afkomstig van de verhittingsinstallaties
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. van 21-03-2012, p. 16602)
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. van 21-03-2012, p. 16602)
Art. N5. Annexe 5.30.1. Etablissements pour la fabrication de produits céramiques. Méthode de mesurage pour l'analyse de gaz de combustion provenant des installations d'échauffement
(Annexe non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-03-2012, p. 16731-16732)
(Annexe non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 21-03-2012, p. 16731-16732)