Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
1 MAART 2012. - Ordonnantie betreffende het natuurbehoud(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 16-03-2012 en tekstbijwerking tot 11-03-2022)
Titre
1 MARS 2012. - Ordonnance relative à la conservation de la nature(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 16-03-2012 et mise à jour au 11-03-2022)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
TITEL I. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK 1. - Doelstellingen HOOFDSTUK 2. - Definities HOOFDSTUK 3. - Sensibilisering en wetenschappel... HOOFDSTUK 4. - Planning Afdeling 1. - Algemene bepalingen Afdeling 2. - Het rapport over de staat van de ... Afdeling 3. - Het gewestelijk natuurplan Afdeling 4. - De actieplannen Afdeling 5. - Toezicht op de natuur HOOFDSTUK 5. - Verwerving HOOFDSTUK 6. - Behoudsmaatregelen en relaties m... TITEL II. - Bescherming van het natuurlijk milieu HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK 2. - Natuurreservaten Afdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen voo... Afdeling 2. - Gewestelijke natuurreservaten Afdeling 3. - Erkende natuurreservaten HOOFDSTUK 3. - Bosreservaten HOOFDSTUK 4. - Natura 2000-gebieden Afdeling 1. - Identificatie en aanwijzing van d... Onderafdeling 1. - Identificatie van gebieden Onderafdeling 2. - Aanwijzing van de Natura 200... Onderafdeling 3. - Wijziging en declassering Afdeling 2. - Instandhoudingsmaatregelen Onderafdeling 1. - Preventieve maatregelen Onderafdeling 2. - Beheersmaatregelen HOOFDSTUK 5. - Passende beoordeling van de effe... Afdeling 1. - Passende beoordeling van de effecten Onderafdeling 1. - Algemene bepaling Onderafdeling 2. - Passende beoordeling van de ... Onderafdeling 3. - Passende beoordeling van de ... Onderafdeling 4. - Passende beoordeling van de ... Onderafdeling 5. - Passende beoordeling van de ... Onderafdeling 6. - Passende beoordeling Onderafdeling 7. - Betekening Onderafdeling 8. - Beslissing en afwijking Afdeling 2. - Passende beoordeling van de effecten HOOFDSTUK 6. - Stadsbiotopen en landschapseleme... TITEL III. - Bescherming van de soorten HOOFDSTUK 1. - Bescherming van de diersoorten HOOFDSTUK 2. - Bescherming van de plantensoorten HOOFDSTUK 3. - Gemeenschappelijke bepalingen Afdeling 1. - Lijsten Afdeling 2. - Actieve beschermingsmaatregelen Afdeling 3. - Sanitair toezicht Afdeling 4. - Herintroductie en bewuste introdu... Afdeling 5. - Invasieve soorten TITEL IV. - Duurzaam gebruik van het milieu en ... HOOFDSTUK 1. - Visvangst HOOFDSTUK 2. - Onttrekking en exploitatie van s... TITEL V. - Gemeenschappelijke bepalingen HOOFDSTUK 1. - Afwijkingen HOOFDSTUK 2. - Beroep TITEL VI. - De Brusselse Hoge Raad voor Natuurb... TITEL VII. - Strafbepalingen TITEL VIII. - Overgangs-, opheffings- en slotbe... BIJLAGEN.    (NOTA : De bij...
Inhoud
TITRE Ier. - Dispositions générales CHAPITRE 1er. - Objectifs CHAPITRE 2. - Définitions CHAPITRE 3. - Sensibilisation et recherche scie... CHAPITRE 4. - Planification Section 1re. - Dispositions générales Section 2. - Du rapport sur l'état de la nature Section 3. - Du plan régional nature Section 4. - Des plans d'action Section 5. - De la surveillance de la nature CHAPITRE 5. - Acquisition CHAPITRE 6. - Clause de sauvegarde et relations... TITRE II. - Protection du milieu naturel CHAPITRE 1er. - Dispositions générales CHAPITRE 2. - Des réserves naturelles Section 1re. - Dispositions communes aux réserv... Section 2. - Les réserves naturelles régionales Section 3. - Les réserves naturelles agréées CHAPITRE 3. - Des réserves forestières CHAPITRE 4. - Des sites Natura 2000 Section 1re. - Identification et désignation de... Sous-section 1re. - Identification Sous-Section 2. - Désignation des sites Natura ... Sous-Section 3. - Modification et déclassement Section 2. - Mesures de conservation Sous-section 1re. - Mesures préventives Sous-section 2. - Mesures de gestion CHAPITRE 5. - Evaluation appropriée des incidences Section 1re. - De l'évaluation appropriée Sous-section 1re. - Disposition générale Sous-section 2. - Evaluation appropriée des inc... Sous-section 3. - Evaluation appropriée des inc... Sous-section 4. - Evaluation appropriée des inc... Sous-section 5. - Evaluation appropriée des inc... Sous-section 6. - Evaluation appropriée Sous-section 7. - Notification Sous-section 8. - Décision et dérogation Section 2. - De l'évaluation appropriée des inc... CHAPITRE 6. - Des biotopes urbains et des éléme... TITRE III. - Protection des espèces CHAPITRE 1er. - Protection des espèces animales CHAPITRE 2. - Protection des espèces végétales CHAPITRE 3. - Dispositions communes Section 1re. - Listes Section 2. - Mesures de protection active Section 3. - Police sanitaire Section 4. - Réintroduction et introduction int... Section 5. - Espèces invasives TITRE IV. - Utilisation durable du milieu et de... CHAPITRE 1er. - De la pêche CHAPITRE 2. - Du prélèvement et de l'exploitati... TITRE V. - Dispositions communes CHAPITRE 1er. - Dérogations CHAPITRE 2. - Recours TITRE VI. - Le Conseil supérieur bruxellois de ... TITRE VII. - Dispositions pénales TITRE VIII. - Dispositions transitoires, abroga... ANNEXES.    (NOTE : Les ann...
Tekst (177)
Texte (177)
TITEL I. - Algemene bepalingen
TITRE Ier. - Dispositions générales
HOOFDSTUK 1. - Doelstellingen
CHAPITRE 1er. - Objectifs
Artikel 1. Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.
Article 1er. La présente ordonnance règle une matière visée à l'article 39 de la Constitution.
Art.2. § 1. Deze ordonnantie heeft tot doel bij te dragen aan het verzekeren van de instandhouding en het duurzame gebruik van de elementen die deel uitmaken van de biologische diversiteit en dat door maatregelen voor de bescherming, het beheer, de verbetering en het herstel van de soortenpopulaties van de wilde fauna en flora, evenals hun habitats, natuurlijke habitats en terrestrische en aquatische ecosystemen, en door de daartoe vereiste behouds- of herstelmaatregelen voor de milieukwaliteit.
  Ze beoogt met name de omzetting van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en van de wilde fauna en flora, Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand en het Verdrag van 19 september 1979 inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk milieu in Europa.
  Zij beoogt de doelstellingen van de Europese Conventie met betrekking tot het Landschap van 20 oktober 2000 te bereiken.
  Ze regelt bovendien de beoefening van de visvangst om het duurzame karakter ervan te verzekeren.
  Ze streeft ernaar de sensibilisering van het publiek en de gewestelijke besturen, de instellingen van openbaar nut, de privé-personen belast met een opdracht van openbare dienst en - in aangelegenheden van gewestelijk belang - de gemeentes te bevorderen, evenals de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis in verband met de instandhouding en het duurzame gebruik van de biologische diversiteit in een stedelijk milieu.
  § 2. De maatregelen getroffen krachtens deze ordonnantie streven er meer bepaald naar :
  1° het behoud of het herstel in een gunstige staat van instandhouding van de natuurlijke habitats en fauna- en florasoorten van communautair en gewestelijk belang te verzekeren;
  2° bij te dragen tot de invoering van een Brussels ecologisch netwerk;
  3° bij te dragen tot de integratie van de biologische diversiteit in haar stedelijke context.
  § 3. De maatregelen genomen krachtens deze ordonnantie houden rekening met de economische, sociale en culturele vereisten, net als met de gewestelijke en lokale bijzonderheden.
Art.2. § 1er. La présente ordonnance a pour objet de contribuer à assurer la conservation et l'utilisation durable des éléments constitutifs de la diversité biologique par des mesures de protection, de gestion, d'amélioration et de restauration de populations d'espèces de la flore et de la faune sauvages ainsi que de leurs habitats, des habitats naturels et des écosystèmes terrestres et aquatiques, ainsi que par des mesures de maintien ou de restauration de la qualité de l'environnement requises à cet effet.
  Elle vise notamment à transposer la Directive 92/43/CEE du Conseil du 21 mai 1992 concernant la conservation des habitats naturels ainsi que de la faune et de la flore sauvages, la Directive 2009/147/CE du Parlement européen et du Conseil du 30 novembre 2009 concernant la conservation des oiseaux sauvages, et la Convention du 19 septembre 1979 relative à la conservation de la vie sauvage et du milieu naturel de l'Europe.
  Elle vise à atteindre les objectifs de la Convention européenne du paysage du 20 octobre 2000.
  Elle règle également l'exercice de la pêche en vue de lui garantir un caractère durable.
  Elle vise à promouvoir la sensibilisation du public et des autorités administratives régionales, des organismes d'intérêt public, des personnes privées chargées d'une mission de service public et, dans les matières d'intérêt régional, des communes ainsi que le développement des connaissances scientifiques en relation avec la conservation et l'utilisation durable de la diversité biologique en milieu urbain.
  § 2. Les mesures prises en vertu de la présente ordonnance visent en particulier à :
  1° assurer le maintien ou le rétablissement, dans un état de conservation favorable, des habitats naturels et des espèces de faune et de flore d'intérêt communautaire et d'intérêt régional;
  2° contribuer à la mise en place d'un réseau écologique bruxellois;
  3° contribuer à l'intégration de la diversité biologique dans son contexte urbain.
  § 3. Les mesures prises en vertu de la présente ordonnance tiennent compte des exigences économiques, sociales et culturelles, ainsi que des particularités régionales et locales.
HOOFDSTUK 2. - Definities
CHAPITRE 2. - Définitions
Art.3. In deze ordonnantie wordt verstaan onder :
  1° instandhouding : een geheel van maatregelen die nodig zijn voor het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding in de zin van punten 8° en 15° ;
  2° biologische diversiteit : de variabiliteit van levende organismen van allerlei herkomst met inbegrip van, onder meer, de terrestrische, mariene en andere aquatische ecosystemen en de ecologische complexen waarvan zij deel uitmaken, dit omvat mede de diversiteit binnen soorten, tussen soorten en van ecosystemen;
  3° duurzaam gebruik : het gebruik van de elementen die deel uitmaken van de biologische diversiteit op een dusdanige manier en ritme dat dit op lange termijn geen verarming met zich brengt en aldus hun potentieel vrijwaart om te voldoen aan de behoeften en betrachtingen van huidige en toekomstige generaties;
  4° natuurlijke habitats : terrestrische of aquatische zones met bijzondere geografische, abiotische en biotische kenmerken en die zowel geheel natuurlijk als halfnatuurlijk kunnen zijn;
  5° types natuurlijke habitats van communautair belang : types natuurlijke habitats die op het Europese grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie :
  a. ofwel het gevaar lopen in hun natuurlijke verspreidingsgebied te verdwijnen;
  b. ofwel een beperkt natuurlijk verspreidingsgebied hebben ten gevolge van hun achteruitgang of wegens hun intrinsiek beperkte areaal;
  c. ofwel opmerkelijke voorbeelden zijn van kenmerken die typisch zijn voor één of meer van de volgende negen biogeografische regio's : Alpien gebied, Atlantische zone, Zwarte-Zeegebied, boreale zone, continentale zone, Macronesië, Middellandse-Zeegebied, Pannonisch gebied en steppengebied;
  De types natuurlijke habitats van communautair belang aanwezig op het gewestelijke grondgebied zijn opgenomen in bijlage I.1.;
  6° prioritaire types natuurlijke habitats : op het Europese grondgebied voorkomende types natuurlijke habitats die het gevaar lopen te verdwijnen en voor de instandhouding waarvan de Europese Unie een bijzondere verantwoordelijkheid draagt omdat een belangrijk deel van hun natuurlijke verspreidingsgebied op haar grondgebied ligt;
  De prioritaire types natuurlijke habitats aanwezig op het gewestelijke grondgebied worden met een sterretje (*) aangeduid in bijlage I.1.;
  7° staat van instandhouding van een natuurlijke habitat : het effect van de som van de invloeden die op de betrokken natuurlijke habitat en de daar voorkomende typische soorten inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de natuurlijke verspreiding, de structuur en de functies van die habitat of die van invloed kunnen zijn op het voortbestaan op lange termijn van de betrokken typische soorten op het Europese grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie;
  8° gunstige staat van instandhouding van een natuurlijke habitat : een toestand die is verworven wanneer aan al deze voorwaarden is voldaan :
  a. het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied zijn stabiel of nemen toe;
  b. de voor het behoud op lange termijn nodige specifieke structuur en functies bestaan en zullen binnen afzienbare tijd vermoedelijk blijven bestaan;
  c. de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten is gunstig in de zin van punt 15° ;
  9° habitat van een soort : een door specifieke abiotische en biotische factoren bepaald milieu waarin de soort tijdens één van zijn fasen van zijn biologische cyclus leeft;
  10° natuurlijke habitats van gewestelijk belang : natuurlijke habitats op het gewestelijk grondgebied voor de instandhouding waarvan het Gewest een bijzondere verantwoordelijkheid draagt vanwege hun belang voor het gewestelijk natuurerfgoed en/of vanwege hun ongunstige staat van instandhouding;
  Deze habitats zijn opgenomen in bijlage I.2.;
  11° soorten van communautair belang : soorten die op het Europese grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie :
  a. bedreigd zijn, uitgezonderd de soorten waarvan het natuurlijk verspreidingsgebied slechts een marginaal gedeelte van dat grondgebied beslaat en die in het west-palearctische gebied niet bedreigd of kwetsbaar zijn;
  b. kwetsbaar zijn, dat wil zeggen waarvan het waarschijnlijk wordt geacht dat zij in de nabije toekomst bij het voortbestaan van de bedreigende factoren zullen overgaan naar de categorie van de bedreigde soorten;
  c. zeldzaam zijn, dat wil zeggen waarvan de populaties van kleine omvang zijn en die, hoewel zij momenteel noch bedreigd noch kwetsbaar zijn, in die situatie dreigen te komen; deze soorten leven in geografische gebieden die van beperkte omvang zijn, of zijn over een grotere oppervlakte versnipperd;
  d. endemisch zijn en bijzondere aandacht vereisen wegens het specifieke karakter van hun habitat en/of de potentiële gevolgen van hun exploitatie voor hun staat van instandhouding;
  De soorten van communautair belang aanwezig op het gewestelijk grondgebied zijn opgenomen in bijlagen II.1., II.2., II.3. en II.5.;
  12° prioritaire soorten : de onder punt 11°, a., bedoelde soorten voor de instandhouding waarvan de Europese Unie een bijzondere verantwoordelijkheid draagt omdat een belangrijk deel van hun natuurlijk verspreidingsgebied op haar grondgebied ligt;
  De prioritaire soorten aanwezig op het gewestelijke grondgebied worden met een sterretje (*) aangeduid in bijlagen II.1.1° en II.1.3° ;
  13° soorten van gewestelijk belang : inheemse soorten voor de instandhouding waarvan het Gewest een bijzondere verantwoordelijkheid draagt vanwege hun belang voor het gewestelijk natuurerfgoed en/of vanwege hun ongunstige staat van instandhouding;
  Deze soorten zijn opgenomen in bijlage II.4.;
  14° staat van instandhouding van een soort : het effect van de som van de invloeden die op de betrokken soort inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de verspreiding en de grootte van de populaties van die soort op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie;
  15° gunstige staat van instandhouding van een soort : een toestand die is verworven wanneer aan al deze voorwaarden is voldaan :
  a. uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en zal dat vermoedelijk op lange termijn blijven;
  b. het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort wordt niet kleiner of lijkt binnen afzienbare tijd niet kleiner te zullen worden;
  c. er bestaat een voldoende grote habitat en deze zal waarschijnlijk blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden omdat deze habitat in een gunstige staat van instandhouding is behouden of hersteld;
  16° specimen : elk dier of elke plant, levend (ongeacht het levensstadium of de biologische cyclus) of dood, elk deel of elk daaruit verkregen product, alsmede alle andere goederen, voor zover uit een begeleidend document, de verpakking, een merk of etiket, of uit andere omstandigheden blijkt dat het gaat om delen van dieren of planten van deze soorten of van daaruit verkregen producten;
  17° gebied : een geografisch bepaalde zone, waarvan de oppervlakte duidelijk is afgebakend;
  18° gebied van communautair belang : een gebied opgenomen in de lijst van gebieden van communautair belang en dat er in de biogeografische regio of regio's waartoe het behoort, significant toe bijdraagt een natuurlijk habitattype van bijlage I.1 of een populatie van een soort van bijlagen II.1.1° en II.1.3° in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen en ook significant kan bijdragen tot de coherentie van het Natura 2000-netwerk, en/of significant bijdraagt tot de instandhouding van de biologische diversiteit in de betrokken biogeografische regio of regio's;
  Voor de diersoorten met een zeer groot territorium komen de gebieden van communautair belang overeen met de plaatsen, binnen het natuurlijke verspreidingsgebied van die soorten, die de fysische en biologische elementen vertonen welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn;
  19° lijst van de gebieden van communautair belang : lijst vastgesteld door de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 4.2, lid 3 van Richtlijn 92/43/EEG;
  20° speciale beschermingszone (SBZ-H) : gebied van communautair belang waarin instandhoudingsmaatregelen worden toegepast die nodig zijn om de natuurlijke habitats en/of populaties van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest komen de speciale beschermingszones overeen met de Natura 2000-gebieden die werden aangewezen volgens de criteria voorzien in artikel 40, § 1, lid 2, 2° ;
  21° speciale beschermingszone (SBZ-V) : gebied dat bijdraagt tot het behoud van vogelsoorten en geregeld voorkomende trekvogelsoorten op het gewestelijk grondgebied genoemd in bijlage II.1.2°, wiens voortplantings-, rui- en overwinteringsarealen in stand gehouden dienen te worden, net als de rustzones in hun trekarealen. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest komen de speciale beschermingszones overeen met de Natura 2000-gebieden die werden aangewezen volgens de criteria voorzien in artikel 40, § 1, lid 2, 1° ;
  22° Natura 2000-netwerk : coherent Europees ecologisch netwerk samengesteld uit alle speciale beschermingszones (SBZ-H en SBZ-V) aangewezen door de lidstaten van de Europese Unie;
  23° Brussels ecologisch netwerk : coherent geheel van gebieden die natuurlijke, halfnatuurlijke en kunstmatige elementen van het gewestelijk grondgebied vertegenwoordigen en die in stand gehouden, beheerd en/of hersteld moeten worden om bij te dragen in het verzekeren van het behoud of het herstel in een gunstige staat van instandhouding van de soorten en natuurlijke habitats van communautair en gewestelijk belang; het Brusselse ecologische netwerk is samengesteld uit centrale gebieden, ontwikkelings- en verbindingsgebieden; het omvat met name de natuurreservaten, de bosreservaten en het deel van het Natura 2000-net dat op het gewestelijk grondgebied is gelegen; bovendien omvat dit netwerk de gebieden van hoogbiologische waarde in de zin van het GBP, evenals de plaatselijke en lineaire elementen van het stedelijk of landelijk landschap die niet voldoende groot zijn om een centraal gebied, ontwikkelings- of verbindingsgebied te vormen, maar kunnen bijdragen in het bevorderen van de instandhouding, de verspreiding of de migratie van de soorten, met name tussen de centrale gebieden; elk terrein dat waardevol zou kunnen zijn voor het netwerk wordt in aanmerking genomen in het ecologisch netwerk, los van het statuut ervan in het GBP, met name braakland, spoorwegbermen, middenbermen van hoofdverkeerswegen, parkgebieden, bepaalde binnenterreinen van huizenblokken, bepaalde beschermde landschappen en feitelijke groene zones; het " groene en blauwe netwerk " in de zin van het GewOP draagt bij tot de uitvoering van het Brusselse ecologische netwerk. Dit netwerk voorziet een verbinding met de centrale ontwikkelings- en verbindingsgebieden van de naburige gewesten teneinde een coherent geheel te vormen;
  24° centraal gebied : gebied met een grote biologische waarde of een potentiële grote biologische waarde die in belangrijke mate bijdraagt tot het verzekeren van het behoud of het herstel in een gunstige staat van instandhouding van de soorten en natuurlijke habitats van communautair en gewestelijk belang;
  25° ontwikkelingsgebied : gebied met een gemiddelde biologische waarde of een potentiële grote biologische waarde die bijdraagt of kan bijdragen tot het verzekeren van het behoud of het herstel in een gunstige staat van instandhouding van de soorten en natuurlijke habitats van communautair en gewestelijk belang;
  26° verbindingsgebied : gebied dat door zijn ecologische kenmerken de verspreiding of de migratie van soorten, met name tussen de centrale gebieden, bevordert of kan bevorderen;
  27° Natura 2000-gebied : een gebied dat door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest werd aangewezen volgens de procedure en de criteria voorzien in artikel 40 tot 46 en dat alle samenstellende Natura 2000-deelgebieden omvat;
  28° Natura 2000-deelgebied : gebied dat een beheersentiteit vormt binnen een Natura 2000-gebied;
  29° betrokken gemeente : gemeente op het grondgebied waarvan een natuurreservaat, een bosreservaat of Natura 2000-gebied volledig of gedeeltelijk is gelegen;
  30° betrokken eigenaar : iedere houder van een eigendomsrecht op een onroerend goed aanwezig in een natuurreservaat, een bosreservaat of een Natura 2000-gebied;
  31° betrokken gebruiker : elke houder van een vruchtgebruiks-, erfpacht-, oppervlakte-, gebruiks-, wonings- of concessierecht, van een huurovereenkomst met vaste dagtekening of van een pacht betreffende een onroerend goed gelegen in een natuurreservaat, een bosreservaat of een Natura 2000-gebied;
  32° Natura 2000-deskundige : een rechtspersoon of natuurlijke persoon die is erkend voor het uitvoeren van een passende beoordeling van de effecten van een plan of project of voor het uitvoeren van een effectenstudie van projecten;
  33° project : de realisatie van bouwwerkzaamheden of andere inrichtingen of werkstukken, net als andere ingrepen in het natuurlijk milieu of het landschap, met inbegrip van deze bedoeld om de natuurlijke hulpbronnen in de bodem te exploiteren;
  34° ecologische kwaliteitsnorm : norm tot vaststelling van de fysische, scheikundige of biologische processen of kenmerken die in een milieu behouden of hersteld moeten worden om de instandhouding van een soort, een groep van soorten, een natuurlijke habitat of een bepaald ecosysteem te verzekeren;
  35° nesten : bewoonde nesten of in aanbouw, net als verlaten nesten;
  36° eieren : volledige of lege eieren, net als eierschalen;
  37° landbouwhuisdieren : dieren die gewoonlijk gehouden worden als opbrengstdieren voor de productie van vlees, eieren, melk, pluimen of huiden;
  38° gezelschapshuisdieren : in gevangenschap geboren en gekweekte dieren onder de hoede van de mens, waarvan de lijst is opgesteld in of krachtens de federale wetgeving betreffende de bescherming en het welzijn van dieren, evenals opnieuw verwilderde huisdieren en hun afstammelingen;
  39° geboren en gekweekt in gevangenschap : geboren in een kwekerij, waarbij het uitgesloten is dat het specimen in de natuur werd gevangen;
  40° wildsoort : een soort die in bijlage III is opgenomen;
  41° soort : een soort, ondersoort of lager taxon; met inbegrip van de delen, kiemcellen of voortplantingsknoppen van genoemde soort die kunnen overleven en zich achteraf kunnen voortplanten;
  42° inheemse soort : soort waarvan het huidige of vroegere natuurlijke verspreidingsgebied het gehele of gedeeltelijke gewestelijke grondgebied omvat;
  43° Europese soort : soort waarvan het huidige of vroegere natuurlijke verspreidingsgebied het gehele of gedeeltelijke Europese grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie omvat;
  44° natuurlijk verspreidingsgebied : een van nature ingenomen gebied zonder directe noch indirecte invoering, noch ingreep door de mens;
  45° invasieve soort : een exotische soort, geneigd om zich in groten getale te verspreiden of te vermeerderen op een excessieve manier of een manier die het behoud van de biodiversiteit bedreigt. De lijst van de invasieve soorten is opgenomen in bijlage IV;
  46° bewuste introductie in de natuur : het door de mens bewust invoeren, transfereren of verplaatsen van een soort buiten zijn natuurlijke verspreidingsgebied op elke plaats waar de soort zich vrij kan verspreiden in de omgeving;
  47° herintroductie in de natuur : poging om een soort te vestigen in een gebied dat deel uitmaakte van zijn historische natuurlijke verspreidingsgebied, maar waar deze soort verdween of verwijderd werd, op elke plaats waar de soort zich vrij kan verspreiden in de omgeving;
  48° water open voor de visvangst : water waar gevist mag worden conform de modaliteiten opgelegd door of krachtens deze ordonnantie;
  49° Richtlijn 92/43/EEG : Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en van de wilde fauna en flora;
  50° Richtlijn 2009/147/EG : Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand;
  51° verdrag van Bern : verdrag van 19 september 1979 inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk milieu in Europa;
  52° GewOP : Gewestelijk ontwikkelingsplan;
  53° GBP : Gewestelijk Bestemmingsplan;
  54° BWRO : Brussels Wetboek van de Ruimtelijke Ordening;
  55° Minister : de Minister bevoegd voor Leefmilieu, waaronder ook het Natuurbehoud ressorteert;
  56° Milieucollege : het college bedoeld in artikel 79 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
  57° Instituut : Brussels Instituut voor Milieubeheer;
  58° BROH : Bestuur Ruimtelijke Ordening en Huisvesting van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
  59° KCML : De Koninklijke Commissie van Monumenten en Landschappen bedoeld in artikel 11 van het BWRO.
Art.3. Au sens de la présente ordonnance, on entend par :
  1° conservation : ensemble de mesures requises pour maintenir ou rétablir les habitats naturels et les populations d'espèces de faune et de flore sauvages dans un état favorable au sens des points 8° et 15° ;
  2° diversité biologique : la variabilité des organismes vivants de toute origine y compris, entre autres, les écosystèmes terrestres, marins et autres écosystèmes aquatiques et les complexes écologiques dont ils font partie; cela comprend la diversité au sein des espèces et entre espèces ainsi que celle des écosystèmes;
  3° utilisation durable : l'utilisation des éléments constitutifs de la diversité biologique d'une manière et à un rythme qui n'entraînent pas leur appauvrissement à long terme, et sauvegardent ainsi leur potentiel pour satisfaire les besoins et les aspirations des générations présentes et futures;
  4° habitats naturels : zones terrestres ou aquatiques se distinguant par leurs caractéristiques géographiques, abiotiques et biotiques, qu'elles soient entièrement naturelles ou semi-naturelles;
  5° types d'habitats naturels d'intérêt communautaire : types d'habitats naturels qui, sur le territoire européen des Etats membres de l'Union européenne :
  a. soit sont en danger de disparition dans leur aire de répartition naturelle;
  b. soit ont une aire de répartition naturelle réduite par suite de leur régression ou en raison de leur aire intrinsèquement restreinte;
  c. soit constituent des exemples remarquables de caractéristiques propres à l'une ou à plusieurs des neuf régions biogéographiques suivantes : alpine, atlantique, de la Mer Noire, boréale, continentale, macaronésienne, méditerranéenne, pannonique et steppique;
  Les types d'habitats naturels d'intérêt communautaire présents sur le territoire régional figurent à l'annexe I.1.;
  6° types d'habitats naturels prioritaires : types d'habitats naturels en danger de disparition, présents sur le territoire européen des Etats membres de l'Union européenne et pour la conservation desquels l'Union européenne porte une responsabilité particulière compte tenu de l'importance de la part de leur aire de répartition naturelle comprise sur son territoire;
  Les types d'habitats naturels prioritaires présents sur le territoire régional sont indiqués par un astérisque (*) à l'annexe I.1.;
  7° état de conservation d'un habitat naturel : l'effet de l'ensemble des influences agissant sur un habitat naturel ainsi que sur les populations des espèces typiques qu'il abrite, qui peuvent affecter à long terme sa répartition naturelle, sa structure et ses fonctions ainsi que la survie à long terme des populations de ses espèces typiques sur le territoire européen des Etats membres de l'Union européenne;
  8° état de conservation favorable d'un habitat naturel : état acquis lorsque l'ensemble des conditions suivantes sont réunies :
  a. l'aire de répartition naturelle de l'habitat ainsi que les superficies qu'il couvre au sein de cette aire sont stables ou en extension;
  b. la structure et les fonctions spécifiques nécessaires au maintien de l'habitat naturel à long terme existent et sont susceptibles de perdurer dans un avenir prévisible;
  c. l'état de conservation des espèces qui sont typiques à l'habitat naturel est favorable au sens du point 15° ;
  9° habitat d'une espèce : le milieu défini par des facteurs abiotiques et biotiques spécifiques où vit l'espèce à l'un des stades de son cycle biologique;
  10° habitats naturels d'intérêt régional : habitats naturels présents sur le territoire régional, pour la conservation desquels la Région a une responsabilité particulière en raison de leur importance pour le patrimoine naturel régional et/ou de leur état de conservation défavorable;
  Ces habitats figurent à l'annexe I.2.;
  11° espèces d'intérêt communautaire : espèces qui, sur le territoire européen des Etats membres de l'Union européenne, sont :
  a. soit en danger, excepté celles dont l'aire de répartition naturelle s'étend de manière marginale sur ce territoire et qui ne sont ni en danger ni vulnérables dans l'aire du paléarctique occidental;
  b. soit vulnérables, c'est-à-dire dont le passage dans la catégorie des espèces en danger est jugé probable dans un avenir proche en cas de persistance des facteurs qui sont cause de la menace;
  c. soit rares, c'est-à-dire dont les populations sont de petite taille et qui, bien qu'elles ne soient pas actuellement en danger ou vulnérables, risquent de le devenir; des espèces sont localisées dans des aires géographiques restreintes ou éparpillées sur une plus vaste superficie;
  d. soit endémiques et requièrent une attention particulière en raison de la spécificité de leur habitat et/ou des incidences potentielles de leur exploitation sur leur état de conservation;
  Les espèces d'intérêt communautaire présentes sur le territoire régional figurent aux annexes II.1., II.2., II.3. et II.5.;
  12° espèces prioritaires : les espèces visées au point 11°, a., pour la conservation desquelles l'Union européenne porte une responsabilité particulière compte tenu de l'importance de la part de leur aire de répartition naturelle sur son territoire;
  Les espèces prioritaires présentes sur le territoire régional sont indiquées par un astérisque (*) aux annexes II.1.1° et II.1.3° ;
  13° espèces d'intérêt régional : les espèces indigènes pour la conservation desquelles la Région a une responsabilité particulière en raison de leur importance pour le patrimoine naturel régional et/ou de leur état de conservation défavorable;
  Ces espèces figurent à l'annexe II.4.;
  14° état de conservation d'une espèce : l'effet de l'ensemble des influences qui, agissant sur une espèce, peuvent affecter à long terme la répartition et l'importance de ses populations sur le territoire européen des Etats membres de l'Union européenne;
  15° état de conservation favorable d'une espèce : état acquis lorsque l'ensemble des conditions suivantes sont réunies :
  a. les données relatives à la dynamique des populations de l'espèce en question indiquent que cette espèce continue et est susceptible de continuer à long terme à constituer un élément viable des habitats naturels auxquels elle appartient;
  b. l'aire de répartition naturelle de l'espèce ne diminue pas ni ne risque de diminuer dans un avenir prévisible;
  c. il existe et il continuera probablement d'exister un habitat naturel suffisamment étendu pour que les populations qu'il abrite s'y maintiennent à long terme, cet habitat étant maintenu ou rétabli dans un état de conservation favorable;
  16° spécimen : tout animal ou plante, vivant (quel que soit son stade de vie ou de cycle biologique) ou mort, toute partie ou tout produit obtenu à partir de ceux-ci ainsi que toute autre marchandise dans le cas où il ressort du document justificatif, de l'emballage ou d'une étiquette ou de toutes autres circonstances qu'il s'agit de parties ou de produits d'animaux ou de plantes;
  17° site : aire géographiquement définie dont la surface est clairement délimitée;
  18° site d'importance communautaire : site qui figure sur la liste des sites d'importance communautaire et qui, dans la ou les régions biogéographiques auxquelles il appartient, contribue de manière significative à maintenir ou à rétablir un type d'habitat naturel de l'annexe I.1 ou une population d'une espèce des annexes II.1.1° et II.1.3° dans un état de conservation favorable et peut aussi contribuer de manière significative à la cohérence du réseau Natura 2000, et/ou contribue de manière significative au maintien de la diversité biologique dans la ou les régions biogéographiques concernées;
  Pour les espèces animales qui occupent de vastes territoires, les sites d'importance communautaire correspondent aux lieux, au sein de l'aire de répartition naturelle de ces espèces, qui présentent les éléments physiques ou biologiques essentiels à leur vie ou reproduction;
  19° liste des sites d'importance communautaire : liste arrêtée par la Commission des Communautés européennes en vertu de l'article 4.2, alinéa 3 de la Directive 92/43/CEE;
  20° zone spéciale de conservation : site d'importance communautaire où sont appliquées les mesures de conservation nécessaires au maintien ou au rétablissement, dans un état de conservation favorable, des habitats naturels et/ou des populations des espèces pour lesquels le site est désigné. En Région de Bruxelles-Capitale, les zones spéciale de conservation correspondent aux sites Natura 2000 désignés en fonction des critères prévus à l'article 40, § 1er, alinéa 2, 2° ;
  21° zone de protection spéciale : site qui contribue à la conservation des espèces d'oiseaux et des espèces migratrices visées à l'annexe II.1.2° dont la venue est régulière sur le territoire régional, compte tenu des besoins de conservation en ce qui concerne leurs aires de reproduction, de mue et d'hivernage ainsi que les zones relais dans leurs aires de migration. En Région de Bruxelles-Capitale, les zones de protection spéciale correspondent aux sites Natura 2000 désignés en fonction des critères prévus à l'article 40, § 1er, alinéa 2, 1° ;
  22° réseau Natura 2000 : réseau écologique européen cohérent composé de l'ensemble des zones spéciales de conservation et des zones de protection spéciale désignées par les Etats membres de l'Union européenne;
  23° réseau écologique bruxellois : ensemble cohérent de zones représentant les éléments naturels, semi-naturels et artificiels du territoire régional qu'il est nécessaire de conserver, de gérer et/ou de restaurer afin de contribuer à assurer le maintien ou le rétablissement dans un état de conservation favorable des espèces et habitats naturels d'intérêt communautaire et régional; le réseau écologique bruxellois est composé de zones centrales, de développement et de liaison; il intègre notamment les réserves naturelles, les réserves forestières et la partie du réseau Natura 2000 située sur le territoire régional; il inclut en outre les sites de haute valeur biologique au sens du PRAS, ainsi que les éléments ponctuels et linéaires du paysage urbain ou rural de taille insuffisante pour constituer une zone centrale, de développement ou de liaison mais susceptibles de contribuer à favoriser la conservation, la dispersion ou la migration des espèces, notamment entre les zones centrales; indépendamment de son statut dans le PRAS, tout site susceptible de présenter une haute valeur pour le réseau est intégré dans le réseau écologique, notamment les terrains en friche, les talus du chemin de fer, les bermes centrales des grands axes, les parcs, certains intérieurs d'îlots, certains sites classés et les zones vertes de fait; le " maillage vert et bleu " au sens du PRD contribue à la mise en oeuvre du réseau écologique bruxellois. Ce réseau prévoit sa connexion avec des zones centrales de développement et de liaison existant dans les régions avoisinantes de manière à former un ensemble cohérent;
  24° zone centrale : site de haute valeur biologique ou de haute valeur biologique potentielle qui contribue de façon importante à assurer le maintien ou le rétablissement dans un état de conservation favorable des espèces et habitats naturels d'intérêt communautaire et régional;
  25° zone de développement : site de moyenne valeur biologique ou de haute valeur biologique potentielle qui contribue ou est susceptible de contribuer à assurer le maintien ou le rétablissement dans un état de conservation favorable des espèces et habitats naturels d'intérêt communautaire et régional;
  26° zone de liaison : site qui, par ses caractéristiques écologiques, favorise ou est susceptible de favoriser la dispersion ou la migration des espèces, notamment entre les zones centrales;
  27° site Natura 2000 : site désigné par la Région de Bruxelles-Capitale conformément à la procédure et aux critères prévus aux articles 40 à 46 et reprenant l'ensemble des stations Natura 2000 qui le composent;
  28° station Natura 2000 : site constituant une unité de gestion au sein d'un site Natura 2000;
  29° commune concernée : commune sur le territoire de laquelle s'étend tout ou partie d'une réserve naturelle, d'une réserve forestière ou d'un site Natura 2000;
  30° propriétaire concerné : tout titulaire d'un droit de propriété sur un bien immobilier présent dans une réserve naturelle, une réserve forestière ou un site Natura 2000;
  31° occupant concerné : tout titulaire d'un droit d'usufruit, d'emphytéose, de superficie, d'usage, d'habitation, de concession, d'un bail à date certaine ou d'un bail à ferme relatif à un bien immobilier présent dans une réserve naturelle, une réserve forestière ou un site Natura 2000;
  32° expert Natura 2000 : une personne physique ou morale agréée pour la réalisation d'une évaluation appropriée des incidences d'un plan ou projet ou pour la réalisation d'une étude d'incidences de projets;
  33° projet : la réalisation d'actes ou de travaux de construction, l'exploitation d'installations ainsi que d'autres interventions dans le milieu naturel ou le paysage, y compris celles destinées à l'exploitation des ressources du sol;
  34° norme de qualité écologique : norme fixant les caractéristiques et processus physiques, chimiques ou biologiques à maintenir ou rétablir dans un milieu pour assurer la conservation d'une espèce, d'un groupe d'espèces, d'un habitat naturel ou d'un écosystème donné;
  35° nids : les nids habités ou en construction, de même que les nids abandonnés;
  36° oeufs : les oeufs complets ou évidés ainsi que les coquilles d'oeufs;
  37° animaux domestiques agricoles : animaux détenus habituellement comme animal de rente ou de rapport pour la production de viande, d'oeufs, de lait, de plumes ou de peaux;
  38° animaux domestiques de compagnie : animaux nés et élevés en captivité, se trouvant sous la garde de l'homme, dont la liste est établie par ou en vertu de la législation fédérale relative à la protection et au bien-être des animaux, ainsi que les animaux domestiques de compagnie retournés à l'état sauvage et leurs descendants;
  39° né et élevé en captivité : né dans le cadre d'un élevage, qui exclut tout prélèvement dans la nature;
  40° espèce de gibier : espèce qui figure à l'annexe III;
  41° espèce : une espèce, une sous-espèce ou un taxon inférieur; y compris les parties, gamètes ou propagules de ladite espèce pouvant survivre et ultérieurement se reproduire;
  42° espèce indigène : espèce dont l'aire de répartition naturelle, passée ou présente, inclut en tout ou partie le territoire régional;
  43° espèce européenne : espèce dont l'aire de répartition naturelle, passée ou présente, inclut en tout ou partie le territoire européen des Etats membres de l'Union européenne;
  44° aire de répartition naturelle : aire occupée naturellement sans introduction directe ou indirecte ou intervention de l'homme;
  45° espèce invasive : espèce exotique qui a tendance à se propager ou à se répandre en grand nombre, de manière excessive ou menaçante pour la préservation de la diversité biologique. La liste des espèces invasives figure à l'annexe IV;
  46° introduction intentionnelle dans la nature : désigne l'apport, le transfert ou le déplacement volontaire, par l'homme, d'une espèce hors de son aire de répartition naturelle, en tout lieu d'où l'espèce peut se disperser librement dans l'environnement;
  47° réintroduction dans la nature : tentative d'implantation d'une espèce dans une zone qui faisait partie de son aire de répartition naturelle historique mais d'où elle a été éliminée ou a disparu, en tout lieu d'où l'espèce peut se disperser librement dans l'environnement;
  48° eaux ouvertes à la pêche : eaux où la pêche peut s'exercer conformément aux modalités fixées par ou en vertu de la présente ordonnance;
  49° Directive 92/43/CEE : Directive 92/43/CEE du Conseil du 21 mai 1992 concernant la conservation des habitats naturels ainsi que de la faune et de la flore sauvages;
  50° Directive 2009/147/CE : Directive 2009/147/CE du Parlement européen et du Conseil du 30 novembre 2009 concernant la conservation des oiseaux sauvages;
  51° convention de Berne : convention du 19 septembre 1979 relative à la conservation de la vie sauvage et du milieu naturel de l'Europe;
  52° PRD : Plan régional de développement;
  53° PRAS : Plan régional d'affectation du sol;
  54° CoBAT : Code bruxellois de l'aménagement du territoire;
  55° Ministre : le Ministre qui a l'Environnement, dont la protection de la Nature, dans ses attributions;
  56° Collège d'environnement : le collège visé à l'article 79 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement;
  57° Institut : Institut bruxellois pour la gestion de l'environnement;
  58° AATL : Administration de l'aménagement du territoire et du logement de la Région de Bruxelles-Capitale;
  59° CRMS : la Commission royale des monuments et sites visée à l'article 11 du CoBAT.
HOOFDSTUK 3. - Sensibilisering en wetenschappelijk onderzoek
CHAPITRE 3. - Sensibilisation et recherche scientifique
Art.4. De Regering bevordert de sensibilisering van het publiek en de de gewestelijke besturen, de instellingen van openbaar nut, de privé-personen belast met een opdracht van openbare dienst en - in aangelegenheden van gewestelijk belang - de gemeentes voor de elementen die de gewestelijke en wereldwijde biologische diversiteit uitmaken en voor de noodzaak om ze te behouden en ze duurzaam te gebruiken, met name wat betreft de populaties van inheemse fauna- en florasoorten, hun habitats en de natuurlijke habitats. Ze draagt bij tot de verspreiding van de daartoe noodzakelijke informatie en tot de voorlichting van de burger.
  Onder de voorwaarden die ze bepaalt, kan de Regering subsidies toekennen aan privaat- of publiekrechtelijke rechtspersonen met het oog op het bevorderen van de sensibilisering en het geven van opleidingen daartoe. Zij bepaalt hiervoor de aanvraag- en toekenningsprocedure.
Art.4. Le Gouvernement promeut la sensibilisation du public et des autorités administratives régionales, des organismes d'intérêt public, des personnes privées chargées d'une mission de service public et, dans les matières d'intérêt régional, des communes aux éléments constitutifs de la diversité biologique, régionale et globale, et à la nécessité de les conserver et de les utiliser durablement, notamment en ce qui concerne les populations d'espèces de faune et de flore indigènes et leurs habitats et les habitats naturels. Il contribue à la diffusion de l'information nécessaire à cette fin et à la formation citoyenne.
  Le Gouvernement peut, aux conditions qu'il détermine, allouer des subventions aux personnes de droit privé ou public en vue de favoriser la sensibilisation et de dispenser des formations dans ce but. Il détermine, à cette fin, la procédure de demande et d'octroi des subventions.
Art.5. Met inbegrip van subsidies, moedigt de Regering het wetenschappelijke werk en onderzoek aan die noodzakelijk zijn gelet op de doelstellingen bedoeld in artikel 2 en het toezicht bedoeld in artikel 15. Zij bepaalt de aanvraag- en toekenningsprocedure voor de subsidies.
Art.5. Le Gouvernement encourage, y compris par des subventions, les recherches et les travaux scientifiques nécessaires eu égard aux objectifs visés à l'article 2 et à la surveillance visée à l'article 15. Il détermine, à cette fin, la procédure de demande et d'octroi des subventions.
HOOFDSTUK 4. - Planning
CHAPITRE 4. - Planification
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art.6. § 1. De planning inzake natuurbehoud beoogt het sturen en coördineren van de voorbereiding, opstelling en uitvoering van beslissingen op het vlak van natuurbehoud en in beleidslijnen van gewestelijke bevoegdheid die daarop van invloed kunnen zijn.
  § 2. De planning inzake natuurbehoud op gewestelijk niveau omvat :
  - de redactie van een rapport over de staat van de natuur;
  - de redactie van een gewestelijk natuurplan;
  - desgevallend, de opstelling van actieplannen;
  - de opstelling van inventarissen en het toezicht op de soorten en natuurlijke habitats.
Art.6. § 1er. La planification en matière de conservation de la nature vise à orienter et à coordonner la préparation, l'élaboration et l'exécution des décisions dans le domaine de la conservation de la nature et dans les politiques de compétence régionale susceptibles d'affecter celle-ci.
  § 2. La planification en matière de conservation de la nature au niveau régional comporte :
  - l'élaboration d'un rapport sur l'état de la nature;
  - l'élaboration d'un plan régional nature;
  - le cas échéant, l'élaboration de plans d'action;
  - l'établissement d'inventaires et la surveillance des espèces et des habitats naturels.
Afdeling 2. - Het rapport over de staat van de natuur
Section 2. - Du rapport sur l'état de la nature
Art.7. Tegelijkertijd met het rapport over de staat van het leefmilieu bedoeld in artikel 17 van de ordonnantie van 18 maart 2004 inzake toegang tot milieu-informatie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, stelt het Instituut een rapport op over de staat van de natuur in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  Het luik betreffende de instandhouding van de natuur en de biologische diversiteit in het rapport over de staat van het milieu is gebaseerd op de gegevens van dat rapport.
  Het rapport over de staat van de natuur bevat minimaal :
  1° de synthese van de gegevens ingezameld in het kader van het toezicht bedoeld in artikel 15 voor de voorbije periode;
  2° een beoordeling van de voornaamste bedreigingen die boven de inheemse natuurlijke habitats en soorten hangen en een analyse van de processen en activiteitscategorieën die daarvan de oorzaak zijn;
  3° een beoordeling van de uitvoering van het gewestelijk natuurplan en de actieplannen;
  4° aanbevelingen om de in punt 2° bedoelde bedreigingen te bestrijden, met name de wenselijkheid van de herintroductie van inheemse soorten indien, op basis van de opgedane ervaring, blijkt dat een dergelijke herintroductie op efficiënte wijze bijdraagt tot het herstel van de goede staat van instandhouding van de populaties van deze soorten;
  5° een voorstel van aanpassingen die desgevallend worden aangebracht in het gewestelijk natuurplan bedoeld in artikel 8, de actieplannen bedoeld in artikel 12 en het toezichtsschema bedoeld in artikel 15, net als in verordenende bepalingen, plannen of programma's die een rem of hindernis kunnen zijn voor de verwezenlijking van het natuurbehoudbeleid, met name gelet op de bedreigingen bedoeld in punt 2;
  6° desgevallend de beoordeling van het beheer van de gewestelijke natuurreservaten uitgevoerd in toepassing van artikel 30, § 3.
  Het rapport over de staat van de natuur wordt voor advies voorgelegd aan de Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud.
  Dat rapport wordt samen met het rapport over de staat van het milieu neergelegd en verspreid volgens de modaliteiten bedoeld in artikel 17, § 3 van de ordonnantie van 18 maart 2004 inzake toegang tot milieu-informatie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  De Regering kan de modaliteiten voor de vorm vastleggen en de inhoud van dat rapport aanvullen.
Art.7. En même temps qu'il élabore le rapport sur l'état de l'environnement visé à l'article 17 de l'ordonnance du 18 mars 2004 sur l'accès à l'information relative à l'environnement dans la Région de Bruxelles-Capitale, l'Institut élabore un rapport sur l'état de la nature en Région de Bruxelles-Capitale.
  Le volet relatif à la conservation de la nature et à la diversité biologique du rapport sur l'état de l'environnement se fonde sur les données de ce rapport.
  Le rapport sur l'état de la nature comporte au minimum :
  1° la synthèse des données récoltées dans le cadre de la surveillance visée à l'article 15 pour la période écoulée;
  2° une évaluation des principales menaces qui pèsent sur les espèces et les habitats naturels indigènes et une analyse des processus et catégories d'activité qui en sont la cause;
  3° une évaluation de la mise en oeuvre du plan régional nature et des plans d'action;
  4° des recommandations pour lutter contre les menaces visées au point 2°, et notamment l'opportunité de la réintroduction d'espèces indigènes lorsque, sur la base de l'expérience acquise, une telle réintroduction contribue de manière efficace à rétablir les populations de ces espèces dans un état de conservation favorable;
  5° une proposition d'adaptations à apporter, le cas échéant, au plan régional nature visé à l'article 8, aux plans d'action visés à l'article 12 et au schéma de surveillance visé à l'article 15 ainsi qu'à toute disposition normative, plan ou programme susceptible de ralentir ou faire obstacle à la réalisation de la politique de conservation de la nature, notamment au regard des menaces visées au point 2° ;
  6° le cas échéant, l'évaluation de la gestion des réserves naturelles régionales effectuée en application de l'article 30, § 3.
  Le rapport sur l'état de la nature est soumis à l'avis du Conseil supérieur bruxellois de la conservation de la nature.
  Il est déposé et diffusé en même temps que le rapport sur l'état de l'environnement selon les modalités visées à l'article 17, § 3, de l'ordonnance du 18 mars 2004 sur l'accès à l'information relative à l'environnement dans la Région de Bruxelles-Capitale.
  Le Gouvernement peut arrêter les modalités de forme et compléter le contenu de ce rapport.
Afdeling 3. - Het gewestelijk natuurplan
Section 3. - Du plan régional nature
Art.8. § 1. De Regering stelt een gewestelijk natuurplan op voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  Het gewestelijk natuurplan is een oriëntatie-, programmatie- en integratiedocument voor het natuurbehoudbeleid in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het plan legt de richtlijnen vast die op korte, middellange en lange termijn gevolgd moeten worden bij de besluitvorming door de Regering, het gewestelijk bestuur, de instellingen van openbaar nut, de privépersonen belast met een missie van openbare dienst en - in aangelegenheden van gewestelijk belang - de gemeentes.
  Het plan wordt om de vijf jaar opgesteld. Het blijft van toepassing zolang het niet werd gewijzigd, vervangen of opgeheven. Het eerste plan wordt aangenomen uiterlijk binnen twee jaar nadat de deze ordonnantie van kracht wordt.
  § 2. De Regering bepaalt de bepalingen van het plan die dwingend zijn voor de autoriteiten bedoeld in § 1. Daarvan mag alleen bij uitzondering worden afgeweken, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen en voor zover de beslissing gerechtvaardigd wordt en in het bijzonder gemotiveerd wordt door dwingende redenen van algemeen belang. De Regering kan de modaliteiten voor de afwijkingsprocedure vastleggen.
  Voor het overige heeft het gewestelijk natuurplan een indicatieve waarde. Elke afwijking van de niet-dwingende voorschriften van het plan moet met redenen omkleed worden.
  § 3. Onverminderd de vereisten opgelegd in artikel 40, worden de vigerende aanwijzingsbesluiten van natuur- of bosreservaten, de aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden en andere plannen en programma's dan het gewestelijk natuurplan, genomen krachtens deze ordonnantie en in het gewestelijk natuurplan aangeduid als niet verenigbaar, aan een herziening onderworpen binnen twaalf maanden na de publicatie van het gewestelijk natuurplan onder de voorwaarden en volgens de proceduremodaliteiten voorzien in deze ordonnantie om aldus de verenigbaarheid van de bepalingen daarvan en die in het bedoelde plan te verzekeren.
Art.8. § 1er. Le Gouvernement établit un plan régional nature pour la Région de Bruxelles-Capitale.
  Le plan régional nature est un document d'orientation, de programmation et d'intégration de la politique de conservation de la nature en Région de Bruxelles-Capitale. Il détermine les lignes directrices à suivre à court, moyen et long termes, lors de la prise de décision par le Gouvernement, l'administration régionale, les organismes d'intérêt public, les personnes privées chargées d'une mission de service public et, dans les matières d'intérêt régional, les communes.
  Le plan est établi tous les cinq ans. Il reste d'application tant qu'il n'a pas été modifié, remplacé ou abrogé. Le premier plan est adopté au plus tard dans les deux ans suivant l'entrée en vigueur de la présente ordonnance.
  § 2. Le Gouvernement détermine les dispositions du plan qui sont contraignantes pour les autorités visées au § 1er. Il ne peut y être dérogé qu'à titre exceptionnel, à défaut de solutions alternatives et pour autant que la décision soit justifiée et spécialement motivée par des motifs impérieux d'intérêt général. Le Gouvernement peut déterminer les modalités de la procédure de dérogation.
  Le plan régional nature a valeur indicative pour le surplus. Tout écart par rapport aux prescriptions non contraignantes du plan est motivé.
  § 3. Sans préjudice des exigences fixées à l'article 40, les arrêtés de désignation de réserves naturelles et forestières, les arrêtés de désignation des sites Natura 2000 et les plans et programmes autres que le plan régional nature, en vigueur, pris en vertu de la présente ordonnance et identifiés comme incompatibles dans le plan régional nature, sont mis en révision dans les douze mois qui suivent la publication du plan régional nature aux conditions et selon les modalités de procédure prévues par la présente ordonnance de manière à garantir la compatibilité de leurs dispositions avec celles du même plan.
Art.9. § 1. Bij de opstelling van het plan worden volgende elementen in aanmerking genomen :
  1° de doelstellingen en vereisten bedoeld in artikel 2;
  2° het rapport over de staat van de natuur bedoeld in artikel 7, de resultaten van het toezicht uitgeoefend conform artikel 15, net als de biologische waarderingskaart en de inventaris bedoeld in artikel 20, § 1;
  3° de vigerende beschermingsmaatregelen genomen in of krachtens deze ordonnantie, met inbegrip van de aanwijzingsbesluiten en de beheerplannen van de natuurreservaten, de bosreservaten en de Natura 2000-gebieden;
  4° de relevante voorschriften van de strategieën, plannen en programma's die het natuurbehoudbeleid kunnen omkaderen, oriënteren, beïnvloeden of verstoren en die zijn opgesteld op internationaal en communautair niveau, en desgevallend op nationaal en gewestelijk niveau, met inbegrip van de andere twee gewesten;
  5° de voorschriften van het GewOP;
  6° de beste beschikbare wetenschappelijke informatie.
  § 2. Het plan bevat minimaal :
  1° de doelstellingen van het natuurbehoudbeleid in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zowel op het kwalitatieve als het kwantitatieve vlak, met inbegrip van wat betreft de oprichting van een Brussels ecologisch netwerk;
  2° de cartografische weergave van de doelstellingen bedoeld in punt 1° op een kaart getekend op ten minste 1/25 000ste, met inbegrip van een afbeelding van het Brusselse ecologische netwerk;
  3° de uit te voeren maatregelen, net als de krachtlijnen die de autoriteiten bedoeld in artikel 8, § 1 dienen na te leven in de uitoefening van hun bevoegdheden om de in punt 1° bedoelde doelstellingen te bereiken;
  4° de programmering in tijd en ruimte voor de uitvoering van de maatregelen bedoeld in punt 3° ;
  5° desgevallend een lijst van de vigerende verordenende bepalingen, plannen en programma's, evenals de beschermingsmaatregelen die worden beschouwd als onverenigbaar met de verwezenlijking van de doelstellingen bedoeld in punt 1° en 2° ;
  6° een raming van het totale budget vereist voor de uitvoering van de maatregelen bedoeld in punt 3°.
  De Regering kan de inhoud van het plan nader bepalen.
Art.9. § 1er. Le plan est établi en tenant compte notamment :
  1° des objectifs et exigences visés à l'article 2;
  2° du rapport sur l'état de la nature visé à l'article 7, des résultats de la surveillance menée conformément à l'article 15 ainsi que de la carte d'évaluation biologique et de l'inventaire visés à l'article 20, § 1er;
  3° des mesures de protection en vigueur prises par ou en vertu de la présente ordonnance, y compris les arrêtés de désignation et les plans de gestion des réserves naturelles, des réserves forestières et des sites Natura 2000;
  4° des prescriptions pertinentes des stratégies, plans et programmes susceptibles d'encadrer, d'orienter, d'influencer ou d'interférer avec la politique de conservation de la nature et établis au niveau international et communautaire ainsi que, le cas échéant, aux niveaux national et régional, y compris dans les deux autres régions;
  5° des prescriptions du PRD;
  6° des meilleures informations scientifiques disponibles.
  § 2. Le plan comporte au minimum :
  1° les objectifs de la politique de la conservation de la nature en Région de Bruxelles-Capitale, tant sur le plan quantitatif que qualitatif, y compris en ce qui concerne l'établissement d'un réseau écologique bruxellois;
  2° l'expression cartographique des objectifs visés au point 1° sur une carte établie au moins au 1/25 000e, y compris une représentation du réseau écologique bruxellois;
  3° les mesures à mettre en oeuvre ainsi que les lignes de conduite à respecter par les autorités visées à l'article 8, § 1er dans l'exercice de leurs compétences pour atteindre les objectifs visés au point 1° ;
  4° la programmation dans le temps et dans l'espace de la mise en oeuvre des mesures visées au point 3° ;
  5° le cas échéant, une liste des dispositions normatives, des plans et programmes ainsi que des mesures de protection en vigueur considéréescomme incompatibles avec la réalisation des objectifs visés aux points 1° et 2° ;
  6° une estimation du budget global nécessaire à la mise en oeuvre des mesures visées au point 3°.
  Le Gouvernement peut préciser le contenu du plan.
Art.10. § 1. De Regering stelt een ontwerp van gewestelijk natuurplan op en stelt een milieueffectrapport op conform de bepalingen van de ordonnantie van 18 maart 2004 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde plannen en programma's.
  De Regering onderwerpt het ontwerp van plan, samen met het milieueffectrapport, aan een openbaar onderzoek en aan de adviezen vereist conform de bepalingen van die ordonnantie.
  § 2. Binnen negen maanden na de aanneming van het ontwerp van plan, keurt de Regering het plan definitief goed. Wanneer de Regering afwijkt van ofwel de mening van een autoriteit geraadpleegd conform § 1, lid 2, ofwel het GewOP, dient ze haar beslissing met redenen te omkleden.
  Het besluit tot aanneming van het plan wordt in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd, onverminderd de modaliteiten voor de bekendmaking aan het publiek voorzien in artikel 15 van de ordonnantie van 18 maart 2004 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde plannen en programma's. Het plan wordt ook voor het publiek beschikbaar gesteld op de website van het Instituut en wordt verstuurd naar het BROH en naar het college van burgemeester en schepenen van elke gemeente.
Art.10. § 1er. Le Gouvernement élabore un projet de plan régional nature et réalise un rapport sur les incidences environnementales conformément aux dispositions de l'ordonnance du 18 mars 2004 relative à l'évaluation des incidences de certains plans et programmes sur l'environnement.
  Le Gouvernement soumet le projet de plan, accompagné du rapport sur les incidences environnementales, à l'enquête publique et aux avis requis conformément aux dispositions de cette ordonnance.
  § 2. Dans les neuf mois qui suivent l'adoption du projet de plan, le Gouvernement arrête définitivement le plan. Lorsque le Gouvernement s'écarte soit de l'avis d'une instance consultée conformément au § 1er, alinéa 2, soit du PRD, sa décision est motivée.
  L'arrêté adoptant le plan est publié au Moniteur belge, sans préjudice des modalités d'information du public prévues par l'article 15 de l'ordonnance du 18 mars 2004 relative à l'évaluation des incidences de certains plans et programmes sur l'environnement. Le plan est également rendu accessible au public sur le site Internet de l'Institut et est notifié à l'AATL et au collège des bourgmestre et échevins de chaque commune.
Art.11. De bepalingen tot regeling van de aanneming en bekendmaking van het gewestelijk natuurplan zijn eveneens van toepassing op de herziening ervan.
  Indien het echter een kleine wijziging betreft, beslist de Regering of die wijziging een significant milieueffect kan hebben conform artikel 5 van de ordonnantie van 18 maart 2004 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde plannen en programma's.
  In voorkomend geval stelt de Regering een milieueffectrapport op conform de bepalingen van die ordonnantie. De Regering neemt het ontwerp van wijziging van het gewestelijk natuurplan aan en onderwerpt het, samen met het milieueffectrapport, aan een openbaar onderzoek en aan de adviezen vereist conform de bepalingen van die ordonnantie.
  In de andere gevallen kan de Regering beslissen dat de kleine wijziging niet aan een openbaar onderzoek onderhevig is.
Art.11. Les dispositions réglant l'adoption et la publication du plan régional nature sont applicables à sa révision.
  Toutefois, lorsque la modification est mineure, le Gouvernement décide si celle-ci est susceptible d'avoir des incidences notables sur l'environnement, conformément à l'article 5 de l'ordonnance du 18 mars 2004 relative à l'évaluation des incidences de certains plans et programmes sur l'environnement.
  Dans cette hypothèse, le Gouvernement réalise un rapport sur les incidences environnementales conformément aux dispositions de cette ordonnance. Le Gouvernement adopte le projet de modification du plan régional nature et le soumet, accompagné du rapport sur les incidences environnementales, à l'enquête publique et aux avis requis conformément aux dispositions de cette ordonnance.
  Dans les autres cas, le Gouvernement peut décider que la modification mineure n'est pas soumise à enquête publique.
Afdeling 4. - De actieplannen
Section 4. - Des plans d'action
Art.12. § 1. De Regering kan actieplannen aannemen :
  1° om de instandhouding van de natuurlijke habitats en soorten te verbeteren, in het bijzonder natuurlijke habitats en soorten van communautair of gewestelijk belang;
  2° om de processen die de biologische diversiteit aantasten te bestrijden, met inbegrip van invasieve exoten;
  3° om het duurzame gebruik van elementen van de biologische diversiteit aan te moedigen.
  De actieplannen zijn oriëntatie-, programmatie- en beheersdocumenten voor een specifieke actie van de gewestelijke besturen, de instellingen van openbaar nut, de privépersonen belast met een opdracht van openbare dienst en - in aangelegenheden van gewestelijk belang - de gemeentes inzake natuurbehoud. Daarin worden richtlijnen vastgelegd bestemd voor alle of bepaalde autoriteiten. Ze vormen een verduidelijking van of aanvulling op het gewestelijk natuurplan.
  In de actieplannen kunnen ook aanbevelingen en codes van goede praktijk voor particulieren worden vastgelegd.
  Desgevallend vermelden ze een lijst van de vigerende verordenende bepalingen, plannen en programma's, evenals de beschermingsmaatregelen die worden beschouwd als onverenigbaar met de verwezenlijking van de doelstellingen die ze nastreven.
  De Regering kan de inhoud van de actieplannen nader bepalen.
  De actieplannen blijven van kracht tot ze worden gewijzigd, opgeheven of vervangen.
  § 2. De Regering beslist welke delen van het actieplan dwingend zijn voor de autoriteiten bedoeld in artikel 8, § 1. De bepalingen van artikel 8, § 2 zijn op haar van toepassing.
  § 3. Onverminderd de vereisten opgelegd in artikel 40, worden de vigerende aanwijzingsbesluiten van natuur- of bosreservaten, de aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden en andere plannen en programma's dan het gewestelijk natuurplan, genomen krachtens deze ordonnantie en in een actieplan aangeduid als niet verenigbaar, aan een herziening onderworpen binnen twaalf maanden na de publicatie van het actieplan onder de voorwaarden en volgens de proceduremodaliteiten voorzien in deze ordonnantie om aldus de verenigbaarheid van de bepalingen daarvan en die in het bedoelde plan te verzekeren.
Art.12. § 1er. Le Gouvernement peut adopter des plans d'action :
  1° pour améliorer la conservation des habitats naturels et des espèces, en particuliers des habitats naturels et des espèces d'intérêt communautaire ou régional;
  2° pour lutter contre les processus de dégradation de la diversité biologique, y compris les espèces exotiques invasives;
  3° pour encourager l'utilisation durable d'éléments de la diversité biologique.
  Les plans d'action sont des documents d'orientation, de programmation et de gestion d'une action spécifique des autorités administratives régionales, des organismes d'intérêt public, des personnes privées chargées d'une mission de service public et, dans les matières d'intérêt régional, des communes en matière de conservation de la nature. Ils fixent des lignes directrices à l'attention de toutes ou certaines de ces autorités. Ils précisent ou complètent le plan régional nature.
  Les plans d'action peuvent aussi fixer des recommandations et des codes de bonne pratique à l'attention des particuliers.
  Ils indiquent, le cas échéant, une liste des dispositions normatives, des plans et programmes ainsi que des mesures de protection en vigueur considérées comme incompatibles avec la réalisation des objectifs qu'ils poursuivent.
  Le Gouvernement peut préciser le contenu des plans d'action.
  Les plans d'action restent en vigueur jusqu'au moment où ils sont modifiés, abrogés ou remplacés.
  § 2. Le Gouvernement détermine les parties du plan d'action qui sont contraignantes pour les autorités visées à l'article 8, § 1er. Les dispositions de l'article 8, § 2, lui sont applicables.
  § 3. Sans préjudice des exigences fixées à l'article 40, les arrêtés de désignation de réserves naturelles et forestières, les arrêtés de désignation des sites Natura 2000 et les plans et programmes autres que le plan régional nature, en vigueur, pris en vertu de la présente ordonnance et identifiés comme incompatibles dans un plan d'action sont mis en révision dans les douze mois qui suivent la publication du plan d'action aux conditions et selon les modalités de procédure prévues par la présente ordonnance de manière à garantir la compatibilité de leurs dispositions avec celles du même plan.
Art.13. § 1. De Regering stelt een ontwerp van actieplan op, rekening houdend met de elementen bedoeld in artikel 9 en bepaalt of dat voorontwerp significante milieueffecten kan hebben conform artikel 5 van de ordonnantie van 18 maart 2004 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde plannen en programma's.
  In voorkomend geval stelt de Regering een milieueffectrapport op conform de bepalingen van die ordonnantie. De Regering onderwerpt het ontwerp van actieplan, samen met het milieueffectrapport, aan een openbaar onderzoek en aan de adviezen vereist conform de bepalingen van die ordonnantie. De Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud wordt in het kader van die procedure geraadpleegd.
  In de andere gevallen onderwerpt de Regering het ontwerp van actieplan gedurende vijfenveertig dagen aan een openbaar onderzoek dat wordt aangekondigd via :
  1° de aanplakking van een bericht op de gemeentelijke aankondigingsborden van de betrokken gemeentes en, desgevallend, bij het gebied of de gebieden die rechtstreeks worden bedoeld op die wijze dat ze gemakkelijk gelezen kunnen worden;
  2° de verspreiding van een bericht op de website van het Instituut.
  Het bericht van onderzoek vermeldt :
  1° de gemeentes op wie het ontwerp van actieplan geheel of gedeeltelijk van toepassing is;
  2° de plaats(en) waar het ontwerp van actieplan ter beschikking ligt van het publiek, namelijk op het gemeentehuis van elke betrokken gemeente en bij het Instituut;
  3° de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;
  4° het adres van het Instituut waar eventuele opmerkingen en klachten naartoe gestuurd kunnen worden.
  Klachten en opmerkingen worden uiterlijk op de laatste dag van de termijn van het openbaar onderzoek per briefwisseling, e-mail of door afgifte tegen ontvangstbewijs aan het Instituut gericht.
  Zodra het openbaar onderzoek wordt geopend, vraagt de Regering het advies van de Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud. De raad verstuurt zijn advies binnen 45 dagen na de aanvraag. Bij ontstentenis van verzending binnen die termijn, wordt voorbijgaan aan het advies en wordt de procedure voortgezet.
  Het Instituut bezorgt de Regering een samenvatting van de opmerkingen en klachten samen met een met redenen omkleed advies binnen zestig dagen nadat het openbaar onderzoek is beëindigd.
  De Regering kan de vormelijke en inhoudelijke modaliteiten verduidelijken van de raadpleging en van het openbaar onderzoek die in deze paragraaf beoogd worden.
  § 2. Binnen zes maanden na de aanneming van het ontwerp van plan, keurt de Regering het plan definitief goed. Wanneer de Regering afwijkt van ofwel de mening van een autoriteit geraadpleegd conform § 1, ofwel het GewOP, dient ze haar beslissing met redenen te omkleden.
  Het besluit tot aanneming van het actieplan wordt in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd, onverminderd de modaliteiten voor de bekendmaking aan het publiek voorzien in artikel 15 van de ordonnantie van 18 maart 2004 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde plannen en programma's. Het plan wordt ook voor het publiek beschikbaar gesteld op de website van het Instituut en wordt verstuurd naar het BROH en naar het college van burgemeester en schepenen van elke gemeente.
Art.13. § 1er. Le Gouvernement élabore un projet de plan d'action, en tenant compte notamment des éléments visés à l'article 9, et décide s'il est susceptible d'avoir des incidences notables sur l'environnement, conformément à l'article 5 de l'ordonnance du 18 mars 2004 relative à l'évaluation des incidences de certains plans et programmes sur l'environnement.
  Dans cette hypothèse, le Gouvernement réalise un rapport sur les incidences environnementales conformément aux dispositions de cette ordonnance. Le Gouvernement soumet le projet de plan d'action accompagné du rapport sur les incidences environnementales à l'enquête publique et aux avis requis conformément aux dispositions de cette ordonnance. Le Conseil supérieur bruxellois de la conservation de la nature est consulté dans le cadre de cette procédure.
  Dans les autres cas, le Gouvernement soumet le projet de plan d'action à une enquête publique de quarante-cinq jours annoncée par :
  1° l'affichage d'un avis aux valves communales des communes concernées et, le cas échéant, au niveau du ou des sites directement concernés, de telle manière qu'il puisse être lu aisément;
  2° la diffusion d'un avis sur le site Internet de l'Institut.
  L'avis d'enquête mentionne :
  1° les communes concernées en tout ou en partie par le projet de plan d'action;
  2° le ou les endroits où le projet de plan d'action est mis à la disposition du public, à savoir à la maison communale de chaque commune concernée et à l'Institut;
  3° la date de début et de fin de l'enquête publique;
  4° l'adresse de l'Institut auprès duquel les remarques et réclamations peuvent être adressées.
  Les réclamations et remarques sont adressées à l'Institut au plus tard le dernier jour du délai de l'enquête publique par courrier postal, courriel ou dépôt contre récépissé.
  Dès l'ouverture de l'enquête publique, le Gouvernement sollicite l'avis du Conseil supérieur bruxellois de la conservation de la nature qui lui envoie son avis dans les 45 jours de la demande. A défaut d'envoi dans ce délai, il est passé outre cet avis et la procédure est poursuivie.
  L'Institut transmet la synthèse des remarques et réclamations ainsi que son avis motivé au Gouvernement dans les soixante jours de la clôture de l'enquête publique.
  Le Gouvernement peut préciser les modalités d'organisation et de contenu de la consultation et de l'enquête publique visées au présent paragraphe.
  § 2. Dans les six mois qui suivent l'adoption du projet de plan, le Gouvernement arrête définitivement le plan. Lorsque le Gouvernement s'écarte soit de l'avis d'une instance consultée conformément au § 1er, soit du PRD, sa décision est motivée.
  L'arrêté adoptant le plan d'action est publié au Moniteur belge, sans préjudice des modalités d'information du public prévues par l'article 15 de l'ordonnance du 18 mars 2004 relative à l'évaluation des incidences de certains plans et programmes sur l'environnement. Il est également rendu accessible au public sur le site Internet de l'Institut et est notifié à l'AATL et au collège des bourgmestre et échevins de chaque commune concernée.
Art.14. De bepalingen tot regeling van de aanneming en bekendmaking van het actieplan zijn eveneens van toepassing op de herziening ervan.
  Voor kleine wijzigingen waarvan de Regering beslist om ze niet aan een milieueffectbeoordeling te onderwerpen, kan ze beslissen dat ze niet aan een openbaar onderzoek onderhevig zijn.
Art.14. Les dispositions réglant l'adoption et la publication du plan d'action sont applicables à sa révision.
  Toutefois, le Gouvernement peut décider que les modifications mineures qu'il décide de ne pas soumettre à évaluation environnementale ne sont pas soumises à enquête publique.
Afdeling 5. - Toezicht op de natuur
Section 5. - De la surveillance de la nature
Art.15. § 1. Het Instituut houdt toezicht op de staat van instandhouding van soorten en natuurlijke habitats aanwezig in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, daarbij inzonderheid rekening houdend met prioritaire natuurlijke habitats en soorten, natuurlijke habitats van communautair en gewestelijk belang, net als met de soorten bedoeld in bijlage II.5, conform een vijfjaarlijks toezichtsschema aangenomen door de Regering.
  Het toezichtsschema voorziet dat de volgende taken worden uitgevoerd :
  1° de identificatie van de soorten en habitats die continu of periodiek worden gevolgd, niettegenstaande elke aanpassing tijdens de uitvoering, ingegeven door de actualiteit, mogelijk is;
  2° de realisatie - op basis van wetenschappelijke inventarissen - van periodieke kwalitatieve en kwantitatieve balansen van de staat van instandhouding op gewestelijke schaal van de natuurlijke habitats en soorten;
  3° het bijhouden van een register van diersoorten van communautair belang en gewestelijk belang die werden gevangengenomen of door een ongeval zijn omgekomen;
  4° de identificatie, de analyse van en het toezicht op de bedreigingen waarmee de habitats en de soorten eventueel geconfronteerd worden en van/op de processen en activiteitscategorieën die daarvan de oorzaak zijn;
  5° het toezicht op en de beoordeling van het beheer van de gebieden beschermd in toepassing van deze ordonnantie en de groene ruimtes beheerd door het Gewest, desgevallend op basis van onafhankelijke wetenschappelijke studies;
  6° de opvolging van de compenserende maatregelen die eventueel zijn aangenomen in het kader van de afwijkingen gevestigd in het kader van deze ordonnantie;
  7° de redactie en verzending naar de Europese Commissie, om de zes jaar, van een rapport over de toepassing van de bepalingen genomen in het kader van Richtlijn 92/43/EEG en van Richtlijn 2009/147/EG, waarvan de structuur en bekendmakingsmodaliteiten door de Regering worden vastgelegd.
  Rekening houdend met de best beschikbare wetenschappelijke kennis, kan de Regering de modaliteiten bepalen voor de beoordeling van de staat van instandhouding van de soorten en natuurlijke habitats, met inbegrip van wat betreft het vastleggen van referentiewaarden en indicatoren voor de staat van instandhouding op relevante geografische schaal.
  § 2. De bevoegde overheden of diensten van het Gewest en de gemeentes bezorgen het Instituut alle informatie waarover ze beschikken en die mogelijk kan bijdragen tot het toezicht op de staat van instandhouding van de soorten en natuurlijke habitats. Ze brengen het Instituut ook op de hoogte over alle wijzigingen in die gegevens.
  De Regering bepaalt de relevante overheden en diensten en neemt de toepassingsmodaliteiten van deze paragraaf aan.
  § 3. De door de Regering aangestelde ambtenaren en medewerkers zijn gemachtigd om eigendommen van zowel private als openbare eigenaars te betreden en daar het nodige te doen om biologische gegevens te verzamelen nodig voor de uitvoering van de in deze ordonnantie opgelegde verplichtingen, en dit tussen twee uur vóór zonsopgang tot drie uur na zonsondergang, mits een voorafgaande melding aan de eigenaars.
  In afwijking van het eerste lid is de toegang tot de woonplaats of de lokalen voor beroeps- of handelsgebruik enkel mogelijk met de uitdrukkelijke toestemming van de eigenaars of de gebruikers. Bij gebrek aan dergelijke toestemming wordt de toegang onderworpen aan de machtiging van de rechter van de rechtbank van eerste aanleg.
  De ingezamelde biologische gegevens mogen alleen gebruikt worden voor doeleinden in toepassing van deze ordonnantie.
Art.15. § 1er. L'Institut surveille l'état de conservation des espèces et habitats naturels présents en Région de Bruxelles-Capitale, en tenant particulièrement compte des habitats naturels et des espèces prioritaires, d'intérêt communautaire et d'intérêt régional, ainsi que des espèces visées à l'annexe II.5, conformément à un schéma de surveillance quinquennal adopté par le Gouvernement.
  Le schéma de surveillance comporte notamment l'accomplissement des tâches suivantes :
  1° l'identification des espèces et habitats qui feront l'objet de relevés permanents ou périodiques, nonobstant toute adaptation réalisée en cours de mise en oeuvre, motivée par des raisons d'actualité;
  2° la réalisation, sur la base de relevés scientifiques, de bilans périodiques, qualitatifs et quantitatifs, de l'état de conservation, à l'échelle de la Région, des habitats naturels et des espèces;
  3° la tenue à jour d'un registre des captures et des mises à mort accidentelles des espèces animales d'intérêt communautaire et d'intérêt régional;
  4° l'identification, l'analyse et la surveillance des menaces auxquelles les habitats et les espèces sont éventuellement confrontés et des processus et catégories d'activité qui en sont la cause;
  5° la surveillance et l'évaluation de la gestion des sites protégés en application de la présente ordonnance et des espaces verts gérés par la Région, le cas échéant sur la base d'études scientifiques indépendantes;
  6° le suivi des mesures compensatoires éventuellement adoptées dans le cadre des régimes dérogatoires établis en vertu de la présente ordonnance;
  7° l'établissement et l'envoi à la Commission européenne, tous les six ans, d'un rapport sur l'application des dispositions prises dans le cadre de la Directive 92/43/CEE et de la Directive 2009/147/CE, dont la structure et les modalités de publicité sont fixées par le Gouvernement.
  Le Gouvernement peut définir, compte tenu des meilleures connaissances scientifiques disponibles, les modalités de l'évaluation de l'état de conservation des espèces et des habitats naturels, y compris en ce qui concerne la fixation de valeurs de référence et l'établissement d'indicateurs de l'état de conservation aux échelles géographiques pertinentes.
  § 2. Les autorités ou services ressortissant de la Région et les communes transmettent à l'Institut les informations en leur possession susceptibles de contribuer à la surveillance de l'état de conservation des espèces et des habitats naturels. Ils informent également l'Institut de toutes modifications de ces données.
  Le Gouvernement détermine les autorités et services concernés et arrête les modalités d'application du présent paragraphe.
  § 3. Les fonctionnaires et agents désignés par le Gouvernement sont autorisés à pénétrer dans les propriétés tant publiques que privées, pour y procéder aux opérations indispensables à la collecte des données biologiques nécessaires à la réalisation des obligations prescrites par la présente ordonnance, entre deux heures avant le lever du soleil et trois heures après le coucher du soleil et moyennant information préalable des propriétaires.
  Par dérogation à l'alinéa premier, l'accès aux domiciles ou aux locaux professionnels et commerciaux ne peut se faire que moyennant le consentement exprès des propriétaires ou des occupants. A défaut d'un tel accord, l'accès est subordonné à une autorisation du juge du tribunal de première instance.
  Les données biologiques récoltées ne peuvent être utilisées à d'autres fins qu'à l'application de la présente ordonnance.
HOOFDSTUK 5. - Verwerving
CHAPITRE 5. - Acquisition
Art.16. Om redenen van natuurbehoud mag de Regering beslissen om onroerende goederen te onteigenen voor het algemeen belang.
  Op verzoek van het college van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeente, mag de Regering die gemeente toestaan om dergelijk goed voor het algemeen belang te onteigenen onder dezelfde voorwaarden.
Art.16. Pour des raisons de conservation de la nature, le Gouvernement peut décider l'expropriation pour cause d'utilité publique de biens immobiliers.
  A la demande du collège des bourgmestre et échevins de la commune concernée, le Gouvernement peut autoriser cette commune à exproprier pour cause d'utilité publique un tel bien et dans les mêmes conditions.
Art.17. Om redenen van natuurbehoud mag het Gewest zijn eigendoms-, huur- of gebruiksrecht op een onroerend goed dat het Gewest bezit of waarover het beschikt, ruilen voor het eigendoms-, huur- of gebruiksrecht van een ander onroerend goed met de toelating van de houder van het betreffende recht.
  De kosten voor de ruilakte en de hypotheekformaliteiten zijn voor rekening van het Gewest.
Art.17. Pour des raisons de conservation de la nature, la Région peut échanger le droit de propriété, la location ou le droit d'usage d'un bien immobilier qu'elle détient en propriété ou dont elle dispose contre le droit de propriété, la location ou le droit d'usage d'un autre bien immobilier avec l'accord du titulaire du droit concerné.
  Les frais de l'acte d'échange et des formalités hypothécaires sont à charge de la Région.
HOOFDSTUK 6. - Behoudsmaatregelen en relaties met andere wetgevingen
CHAPITRE 6. - Clause de sauvegarde et relations avec d'autres législations
Art.18. § 1. De behoudsmaatregelen voorzien in of krachtens deze ordonnantie doen in hun toepassing geen afbreuk aan de preventie- en herstelmaatregelen voor de schade berokkend aan de soorten en natuurlijke habitats die worden geregeld door de ordonnantie van 13 november 2008 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade.
  § 2. Indien de goedgekeurde behouds- en beschermingsmaatregelen voorzien in of krachtens deze ordonnantie en een andere wetgevende tekst simultaan van toepassing zijn op hetzelfde gebied of dezelfde soort, dan zijn hun gevolgen en verplichtingen cumulatief van toepassing.
  Ingeval de behoudsmaatregelen voor een beschermde soort of beschermd gebied voorzien in of krachtens deze ordonnantie niet verenigbaar zijn met andere beschermingsbepalingen voor het betrokken gebied of de betrokken soort voorzien in of krachtens een andere wetgevende tekst, geniet het betrokken gebied of de betrokken soort de bepalingen die het meest geschikt zijn voor het behoud of herstel ervan in een gunstige staat van instandhouding.
Art.18. § 1er. Les mesures de conservation prévues par ou en vertu de la présente ordonnance s'appliquent sans préjudice des mesures de prévention et de restauration du dommage causé aux espèces et aux habitats naturels qui sont régies par l'ordonnance du 13 novembre 2008 relative à la responsabilité environnementale en ce qui concerne la prévention et la réparation des dommages environnementaux.
  § 2. Lorsque des mesures de conservation ou de protection prévues par ou en vertu de la présente ordonnance et un autre texte législatif s'appliquent simultanément à un même site ou une même espèce, leurs effets et obligations sont d'application cumulative.
  En cas d'incompatibilité entre des mesures de conservation d'un site ou d'une espèce protégée prévues par ou en vertu de la présente ordonnance et d'autres régimes de protection du site ou de l'espèce concerné prévus par ou en vertu d'un autre texte législatif, le site ou l'espèce concerné bénéficie du régime le plus approprié pour son maintien ou son rétablissement dans un état de conservation favorable.
Art.19. § 1. In geval van onverenigbaarheid tussen enerzijds ofwel :
  1° behoudsmaatregelen van een beschermd gebied of een beschermde soort voorzien in of krachtens deze ordonnantie;
  2° ofwel een of meer voorschriften van het gewestelijk natuurplan of een actieplan voorzien in deze ordonnantie of een ontwerp van dergelijk plan;
  en anderzijds ofwel :
  1° een of meer voorschriften van een vigerend gewestelijk of gemeentelijk plan of programma;
  2° ofwel de exploitatie van een geldig vergunde of aangegeven inrichting krachtens de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
  3° ofwel andere beschermingsbepalingen voor het betrokken gebied of de betrokken soort voorzien in of krachtens een andere wetgevende tekst,
  organiseert de Regering een overleg tussen het Instituut en, naargelang het geval, de betrokken diensten van het gewestelijk bestuur, de betrokken adviesorganen, de betrokken gemeentelijke autoriteit en/of de betrokken exploitant binnen dertig dagen nadat de onverenigbaarheid is vastgesteld.
  De Regering mag de modaliteiten voor de overlegprocedure bepalen.
  § 2. Een onverenigbaarheid bedoeld in § 1 kan worden vastgesteld in het gewestelijk natuurplan of in een actieplan of, bij ontstentenis, bij een met redenen omklede beslissing van het Instituut, met name wanneer :
  1° het plan of programma, de inrichting of de beschermingsbepalingen in kwestie afbreuk kunnen doen aan de instandhouding van het gebied of de betrokken beschermde soort, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, programma's of projecten;
  2° het plan of programma, de inrichting of de beschermingsbepalingen in kwestie afbreuk doet aan de verwezenlijking van een of meer doelstellingen van het gewestelijk natuurplan of het betrokken actieplan.
  § 3. Na het overleg komen de partijen overeen welke corrigerende maatregelen getroffen moeten worden om de plannen of de programma's, de inrichtingen of de beschermingsbepalingen in kwestie in overeenstemming te brengen.
  Die maatregelen worden vastgelegd onverminderd de bepalingen van toepassing op de correctie van het plan of programma, de installatie of de beschermingsbepalingen in kwestie krachtens de wetgeving op grond waarvan het onverenigbare plan of programma, de onverenigbare installatie of beschermingsbepalingen respectievelijk werden aangenomen, toegestaan, aangegeven of ingesteld.
  Ingeval de partijen het niet eens raken, beslist de Regering, na raadpleging van de Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud en de overige aangewezen instanties, welke corrigerende maatregelen getroffen moeten worden om de in het eerste lid bedoelde verenigbaarheid te garanderen, onverminderd de toepassing van § 4.
  § 4. In het geval bedoeld in § 2, 1° echter, kan het onverenigbare plan of programma, de onverenigbare installatie of beschermingsbepalingen als dusdanig behouden worden indien een afwijking op het behoudsregime van het gebied of de betrokken soort wordt aangevraagd door respectievelijk een autoriteit bevoegd om het plan of het programma aan te nemen, door de betrokken exploitant of door de bevoegde autoriteit belast met de invoering van de beschermingsbepalingen en verleend conform de voorwaarden en de procedure voorzien in deze ordonnantie.
  De Regering kan de toepassingsmodaliteiten van dit artikel bepalen.
Art.19. § 1er. En cas d'incompatibilité entre, d'une part, soit :
  1° des mesures de conservation d'un site ou d'une espèce protégée prévues par ou en vertu de la présente ordonnance;
  2° une ou plusieurs prescriptions du plan régional nature ou d'un plan d'action prévu par la présente ordonnance ou d'un projet de ces plans,
  et, d'autre part, soit :
  1° une ou plusieurs prescriptions d'un plan ou programme régional ou communal en vigueur;
  2° l'exploitation d'une installation valablement autorisée ou déclarée en vertu de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement;
  3° d'autres régimes de protection du site ou de l'espèce concerné prévus par ou en vertu d'un autre texte législatif,
  une concertation est organisée par le Gouvernement entre l'Institut et, selon les cas, les services de l'administration régionale concernés, les organes d'avis concernés, l'autorité communale concernée et/ou l'exploitant concerné, dans les trente jours de la constatation de l'incompatibilité.
  Le Gouvernement peut fixer les modalités de la procédure de concertation.
  § 2. Une incompatibilité visée au § 1er peut être constatée dans le plan régional nature ou dans un plan d'action ou, à défaut, par décision motivée de l'Institut, notamment lorsque :
  1° le plan ou programme, l'installation ou le régime de protection concerné est susceptible de compromettre la conservation du site ou de l'espèce protégée concerné, individuellement ou en conjugaison avec d'autres plans, programmes ou projets;
  2° le plan ou programme, l'installation ou le régime de protection concerné compromet la réalisation d'un ou plusieurs objectifs du plan régional nature ou du plan d'action concerné.
  § 3. Au terme de la concertation, les parties s'accordent sur les mesures correctrices à prendre pour rendre compatibles les plans ou les programmes, les installations ou les régimes de protection concernés.
  Les mesures sont fixées sans préjudice des dispositions applicables à la correction du plan ou du programme, de l'installation ou du régime de protection concerné en vertu de la législation sur le fondement de laquelle le plan ou le programme, l'installation ou le régime de protection incompatible a été respectivement adopté, autorisé, déclaré ou mis en place.
  En cas de désaccord persistant entre les parties, le Gouvernement décide, après consultation du Conseil supérieur bruxellois de la conservation de la nature et des autres instances qu'il désigne, des mesures correctrices à prendre de manière à garantir la compatibilité visée à l'alinéa premier, sans préjudice de l'application du § 4.
  § 4. Toutefois, dans l'hypothèse visée au § 2, 1°, le plan ou le programme, l'installation ou le régime de protection incompatible peut être maintenu en l'état si une dérogation au régime de conservation du site ou de l'espèce concerné est sollicitée respectivement par l'autorité compétente pour adopter le plan ou le programme, par l'exploitant concerné ou par l'autorité compétente chargée de la mise en place du régime de protection et octroyée conformément aux conditions et à la procédure prévues par la présente ordonnance.
  Le Gouvernement peut préciser les modalités d'application du présent article.
TITEL II. - Bescherming van het natuurlijk milieu
TITRE II. - Protection du milieu naturel
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Art.20. § 1. Het Instituut maakt en actualiseert een biologische waarderingskaart van het grondgebied van het Gewest, met inbegrip van een inventaris van gebieden van hoge biologische waarde die bescherming verdienen.
  Die kaart wordt openbaar gemaakt volgens de modaliteiten bepaald door de Regering.
  De Regering kan de periodiciteit van de update en modaliteiten voor de vorm en inhoud van die kaart vastleggen.
  § 2. Gebieden die het beschermen waard zijn, met name de gebieden bedoeld in § 1 eventueel uitgebreid met een buffer, kunnen door de Regering worden aangewezen als natuurreservaat of bosreservaat.
Art.20. § 1er. L'Institut dresse et actualise une carte d'évaluation biologique du territoire de la Région, incluant un inventaire des sites de haute valeur biologique et dignes de protection.
  Cette carte est rendue publique selon les modalités arrêtées par le Gouvernement.
  Le Gouvernement peut arrêter la périodicité d'actualisation et les modalités de forme et de contenu de cette carte.
  § 2. Le Gouvernement peut désigner comme réserve naturelle ou comme réserve forestière les sites dignes de protection, notamment les sites visés au § 1er éventuellement élargis de manière à incorporer un périmètre de protection.
Art.21. § 1. Om bij te dragen aan de instandhouding en de coherentie van het Natura 2000-netwerk, worden de gebieden in het Gewest die van belang zijn voor de biodiversiteit in de Europese Unie ingesteld als Natura 2000-gebieden.
  De Natura 2000-gebieden worden aangewezen bij Regeringsbesluit volgens de criteria en de procedure beschreven in hoofdstuk 4 van titel II.
  § 2. Een natuur- of bosreservaat dat als Natura 2000-gebied is aangewezen, geniet het beheersstelsel zoals voorzien in of krachtens hoofdstuk 4 van titel II voor het gedeelte dat als Natura 2000-gebied is opgenomen.
  § 3. Een Natura 2000-gebied dat volledig of gedeeltelijk onder het statuut van natuur- of bosreservaat valt, blijft het beheersstelsel genieten zoals voorzien in of krachtens hoofdstuk 4.
  Het beheerplan van het Natura 2000-gebied dat is goedgekeurd in toepassing van artikel 50 geldt - in overeenstemming met artikel 51 - als beheerplan voor het natuurreservaat of bosreservaat bedoeld in artikel 29, 32 en 37.
Art.21. § 1er. Dans le but de contribuer à la sauvegarde et à la cohérence du réseau Natura 2000, les territoires de la Région présentant un intérêt pour la diversité biologique de l'Union européenne sont érigés en sites Natura 2000.
  Les sites Natura 2000 sont désignés par arrêté du Gouvernement selon les critères et la procédure décrits au chapitre 4 du titre II.
  § 2. Une réserve naturelle ou forestière désignée comme site Natura 2000 bénéficie du régime de gestion tel que prévu par ou en vertu du chapitre 4 du Titre II pour la partie désignée comme site Natura 2000.
  § 3. Un site Natura 2000 dont tout ou partie est mis sous statut de réserve naturelle ou forestière continue à bénéficier du régime de gestion tel que prévu par ou en vertu du chapitre 4.
  Conformément à l'article 51, le plan de gestion du site Natura 2000 adopté en application de l'article 50 vaut plan de gestion de la réserve naturelle ou de la réserve forestière visé aux articles 29, 32 et 37.
Art.22. De instandhoudingdoelstellingen van een gebied dat het voorwerp uitmaakt van een van de beschermingsmaatregelen bepaald in deze ordonnantie omvatten, op het niveau van dat gebied, het behoud en/of herstel in een gunstige staat van instandhouding van de natuurlijke habitats van gewestelijk belang opgenomen in bijlage I.2 en de populaties van de soorten van gewestelijk belang opgenomen in bijlage II.4, die werden geïnventariseerd in het gebied conform artikel 20, § 1, voor zover dit in Natura 2000-gebieden de verwezenlijking van de in artikel 40, § 2 bedoelde instandhoudingdoelstellingen van het gebied niet in het gedrang brengen.
Art.22. Les objectifs de conservation d'un site faisant l'objet d'une des mesures de protection définies par la présente ordonnance incluent, à l'échelle du site, le maintien et/ou le rétablissement dans un état de conservation favorable des habitats naturels d'intérêt régional de l'annexe Ire.2. et des populations des espèces d'intérêt régional de l'annexe II.4, inventoriés dans le site conformément à l'article 20, § 1er, pour autant que, dans les sites Natura 2000, cela ne compromette pas la réalisation des objectifs de conservation du site visés à l'article 40, § 2.
Art.23. In overeenstemming met artikel 7, § 4, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, geldt het beheerplan, goedgekeurd door de Regering in overeenstemming met artikel 29, 32, 37 of 50, als milieuvergunning of aangifte voor de inrichtingen, bepaald in het plan, die nodig zijn voor de handelingen bedoeld in artikel 29, § 1, lid 5, 3° of 49, lid 2, 9°.
Art.23. Conformément à l'article 7, § 4, de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, le plan de gestion adopté par le Gouvernement conformément aux articles 29, 32, 37 ou 50 vaut permis d'environnement ou déclaration pour les installations que le plan identifie nécessaires aux actes visés aux articles 29, § 1er, alinéa 5, 3° ou 49, alinéa 2, 9°.
Art.24. De kwaliteitsnormen aangenomen krachtens andere wetgevingen moeten bijdragen aan de verwezenlijking van de instandhoudingdoelstellingen die krachtens deze ordonnantie van toepassing zijn in de natuurreservaten, de bosreservaten en de Natura 2000-gebieden. Desgevallend zullen het gewestelijk natuurplan en de actieplannen bedoeld in hoofdstuk 4 van Titel I aangeven welke wijzigingen aangebracht moeten worden aan de vigerende normen en nieuwe daartoe aan te nemen normen.
  De instandhoudingdoelstellingen en/of ecologische kwaliteitsnormen die krachtens deze ordonnantie van toepassing zijn in de natuurreservaten, de bosreservaten en de Natura 2000-gebieden tot bepaling van de kwaliteit en kwantiteit van het oppervlaktewater en ondergronds water te realiseren in het gebied worden beschouwd als milieudoelstellingen van toepassing op de gebieden beschermd in de zin van artikel 13 en 32 van de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot opstelling van een kader voor het waterbeleid. Deze bepaling doet evenwel geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de Regering om striktere milieudoelstellingen voor deze gebieden aan te nemen krachtens deze ordonnantie.
  Wanneer soortgelijke kwaliteitsnormen, aangenomen krachtens deze ordonnantie en andere wetgevingen, van toepassing zijn op het gehele of gedeeltelijke natuur- of bosreservaat en Natura 2000-gebied, zal de autoriteit de meest strikte kwaliteitsnorm in acht nemen.
Art.24. Les normes de qualité adoptées en vertu d'autres législations doivent contribuer à la réalisation des objectifs de conservation applicables, en vertu de la présente ordonnance, dans les réserves naturelles, les réserves forestières et dans les sites Natura 2000. Le cas échéant, le plan régional nature et les plans d'action visés au chapitre 4 du Titre Ier indiquent les modifications à apporter aux normes en vigueur et les normes nouvelles à adopter à cet effet.
  Les objectifs de conservation et/ou les normes de qualité écologique applicables, en vertu de la présente ordonnance, dans les réserves naturelles, les réserves forestières et dans les sites Natura 2000 qui fixent la qualité et la quantité des eaux de surface et souterraines à atteindre sur le site sont réputés constituer des objectifs environnementaux applicables aux zones protégées au sens des articles 13 et 32 de l'ordonnance du 20 octobre 2006 établissant un cadre pour la politique de l'eau. Cette disposition ne porte toutefois pas préjudice à la possibilité pour le Gouvernement d'adopter des objectifs environnementaux plus stricts pour ces sites en vertu de cette ordonnance.
  Lorsque des normes de qualité de même nature, adoptées en vertu de la présente ordonnance et en vertu d'autres législations, sont applicables dans tout ou partie des réserves naturelles et forestières et des sites Natura 2000, l'autorité respecte la norme de qualité la plus stricte.
HOOFDSTUK 2. - Natuurreservaten
CHAPITRE 2. - Des réserves naturelles
Afdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen voor natuurreservaten
Section 1re. - Dispositions communes aux réserves naturelles
Art.25. Het integrale natuurreservaat vormt een beschermd gebied opgericht om er de natuurfenomenen volgens hun eigen dynamiek te laten ontwikkelen.
  Het gerichte natuurreservaat vormt een beschermd gebied waarin een geschikt beheer de natuurlijke habitats en soorten waarvoor het gebied als reservaat is aangeduid in een gunstige staat van instandhouding beoogt te behouden of te herstellen. Daartoe kunnen maatregelen worden getroffen om planten- en diersoorten in stand te houden, te controleren of opnieuw in te voeren, om bepaalde facies van het plantendek te behouden of verstoorde natuurlijke habitats weer te herstellen.
Art.25. La réserve naturelle intégrale constitue un site protégé créé dans le but d'y laisser les phénomènes naturels évoluer selon leur dynamique propre.
  La réserve naturelle dirigée constitue un site protégé dans lequel une gestion appropriée tend à maintenir ou à rétablir dans un état de conservation favorable les espèces et habitats naturels pour lesquels le site est désigné comme réserve. A cette fin, des mesures peuvent être prises en vue de conserver, de contrôler ou de réintroduire des espèces végétales ou animales, de maintenir certains faciès du tapis végétal ou de restaurer des habitats naturels altérés.
Art.26. Een gewestelijk natuurreservaat is een natuurreservaat opgericht op gronden die eigendom zijn van het Gewest, door het Gewest gehuurd worden of daartoe tot zijn beschikking gesteld worden.
  Een erkend natuurreservaat is een natuurreservaat dat op andere gronden dan deze bedoeld in de eerste alinea wordt ingesteld op verzoek van de eigenaar van de gronden en met de toelating van de gebruikers. Het reservaat wordt door een natuurlijk persoon of rechtspersoon anders dan het Gewest beheerd.
Art.26. La réserve naturelle régionale est une réserve naturelle érigée sur des terrains appartenant à la Région, pris en location par elle ou mis à sa disposition à cette fin.
  La réserve naturelle agréée est une réserve naturelle érigée sur d'autres terrains que ceux visés au premier alinéa, à la demande du propriétaire des terrains et avec l'accord de leurs occupants, et qui est gérée par une personne physique ou morale autre que la Région.
Art.27. § 1. In de natuurreservaten is het verboden om, behalve indien een ontheffing voorzien is in het beheerplan aangenomen in toepassing van artikel 29, 32, 37 of 50, of een afwijking toegestaan is in toepassing van artikel 83, § 3 :
  1° te plukken, te verwijderen, te verzamelen, te kappen, te ontwortelen, uit te graven, te beschadigen of te vernietigen inheemse plantensoorten, evenals bryophyten, macro-fungi en lichenen, het plantendek te vernietigen, wijzigen of te beschadigen;
  2° liggend en staand dood hout, stronken van niet-invasieve inheemse boomsoorten, bladerafval of natuurlijke humus te evacueren, behalve op de wegen, in de dreven en op de paden;
  3° elementen van het landschap te vernietigen, zoals hagen, bomenrijen, vijvers en vochtige zones;
  4° te snoeien met gemotoriseerd gereedschap of om bomen te kappen tussen 1 maart en 15 augustus;
  5° niet-inheemse planten, struiken of bomen te planten;
  6° de weilanden in te zaaien met uiterst productieve soorten zoals Engels raaigras (Lolium perenne), ruw beemdgras (Poa trivialis) en gestreepte witbol (Holcus lanatus);
  7° de wilde diersoorten opzettelijk te verstoren, met name tijdens de voortplantingsperiode, periode van afhankelijkheid van de jongen, de overwinterings- en trekperiode, om ze te vangen en te doden, om de eieren weg te nemen of te vernietigen, om hun nesten, voortplantings-, rust- en schuilplaatsen te vernietigen of te verstoren;
  8° in het wild levende dieren te voederen en om vissen uit te zetten in het oppervlaktewater;
  9° de rust van het gebied te verstoren;
  10° af te wijken van de wegen en paden geopend voor het publiek;
  11° de hond niet aan de leiband te houden;
  12° opgravingen, boringen of grondwerken uit te voeren, grondstoffen te exploiteren, om het even welk werk uit te voeren dat de kenmerken en het reliëf van de bodem, het uitzicht van het terrein, de bronnen of het hydrografisch systeem zou kunnen wijzigen, om bovengrondse of ondergrondse leidingen te leggen;
  13° voor wegen en paden materialen te gebruiken die de zuurtegraad of scheikundige samenstelling van de bodem kunnen wijzigen, zoals dolomiet;
  14° kunstmatige oevers aan te leggen in vijvers en waterlopen, tenzij dat noodzakelijk is om excessieve erosie te bestrijden;
  15° het peil van het oppervlakte- of grondwater direct of indirect te wijzigen, inclusief drainagewerkzaamheden, alsook de structurele fysieke kenmerken van het oppervlaktewater of het watersysteem van het gebied te wijzigen;
  16° water, scheikundige producten, organische afvalstoffen of overlopen van septische putten op kunstmatige wijze te lozen in bovengronds of ondergronds water;
  17° gebouwen, schuilplaatsen of andere constructies op te trekken, zelfs niet tijdelijk;
  18° panelen en reclame-affiches te plaatsen, noch reclame te maken op welke manier dan ook;
  19° pesticiden te gebruiken en op te slaan;
  20° meststoffen uit te strooien en op te slaan;
  21° minerale of synthetische oliën, ontvlambare vloeistoffen, farmaceutische producten of gevaarlijke producten te gebruiken en te bewaren;
  22° strooizout te gebruiken en te bewaren;
  23° afval te deponeren, zelfs geen groen afval;
  24° meer dan twee grootvee eenheden per hectare te laten grazen;
  25° aan waterrecreatie te doen en gemotoriseerde sporten te beoefenen, om telegeleide voertuigen met verbrandingsmotor te gebruiken;
  26° het terrein op lage hoogte te overvliegen, daarop te landen of op te stijgen met vliegtuigen, helikopters, heteluchtballonen of enige ander luchtvaartuig en er kerosine te lossen, behalve in noodgevallen;
  27° te schieten met perslucht-, veerdruk-, paintball- of softluchtwapens;
  28° vuur te stoken;
  29° vuurwerk af te steken.
  § 2. De Regering kan beslissen om de verbodsbepalingen bedoeld in § 1 verder te preciseren en, om redenen van natuurbehoud, bijkomende algemene maatregelen te treffen ten gunste van de natuurreservaten, toepasselijk in of buiten de perimeter van het reservaat, met inbegrip van het aannemen van ecologische kwaliteitsnormen.
  § 3. De verbodsbepalingen bedoeld in § 1 zijn tijdelijk van toepassing op de gebieden waarvoor de Regering instemde met een ontwerp van aanwijzingsbesluit als gewestelijk of erkend natuurreservaat en publiceerde door gewone vermelding in het Belgisch Staatsblad.
  Die tijdelijke periode vangt aan op de datum van de gewone vermelding gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en eindigt op de dag dat de Regering een beslissing neemt.
Art.27. § 1er. Dans les réserves naturelles, il est interdit, sauf dispense stipulée dans le plan de gestion adopté en application des articles 29, 32, 37, ou 50 ou dérogation accordée en application de l'article 83, § 3 :
  1° de cueillir, d'enlever, de ramasser, de couper, de déraciner, de déplanter, d'endommager ou de détruire les espèces végétales indigènes, ainsi que les bryophytes, macro-funghi et lichens, et de détruire, d'endommager ou de modifier le tapis végétal;
  2° d'évacuer le bois mort sur pied et couché, les souches d'arbre d'espèces indigènes non invasives, la litière ou l'humus naturel, excepté sur les routes, drèves et chemins;
  3° de détruire les éléments du paysage tels que les haies, les rangées d'arbres, les étangs et les zones humides;
  4° de procéder à des travaux d'élagage avec des outils motorisés et d'abattage d'arbres entre le 1er mars et le 15 août;
  5° de planter des plantes, arbustes ou arbres non indigènes;
  6° d'ensemencer les prairies de fauche avec des espèces hautement productives telles que le Ray-grass anglais (Lolium perenne), le Paturin commun (Poa trivialis) et la Houlque laineuse (Holcus lanatus);
  7° de perturber intentionnellement des espèces animales sauvages, notamment durant la période de reproduction, de dépendance, d'hibernation et de migration; de les capturer et de les tuer; de ramasser ou de détruire leurs oeufs, de détruire ou de détériorer leurs nids, leurs sites de reproduction, leurs aires de repos et leurs refuges;
  8° de nourrir les animaux vivant à l'état sauvage et d'empoissonner les eaux de surface;
  9° de perturber la tranquillité du site;
  10° de quitter les routes et chemins ouverts à la circulation du public;
  11° de ne pas tenir les chiens en laisse;
  12° de procéder à des fouilles, sondages, terrassements, exploitations de matériaux, d'effectuer tous travaux susceptibles de modifier les caractéristiques et le relief du sol, l'aspect du terrain, les sources et le système hydrographique, d'établir des conduites aériennes ou souterraines;
  13° d'utiliser pour les routes et chemins des matériaux pouvant occasionner un changement d'acidité ou de composition chimique du sol, tel que la dolomie;
  14° de placer des berges artificielles aux étangs et cours d'eau, sauf lorsque cela est nécessaire pour combattre une érosion excessive;
  15° de modifier directement ou indirectement le niveau des eaux de surface ou des eaux souterraines, y compris les opérations de drainage, et de modifier les caractéristiques physiques structurelles des eaux de surface ou le régime hydrique du site;
  16° de procéder à des rejets artificiels d'eau, de produits chimiques, de déchets organiques ou de trop-plein de fosses septiques dans les eaux de surfaces ou les eaux souterraines;
  17° d'ériger, même temporairement, des bâtiments, des abris ou autres constructions;
  18° de placer des panneaux et des affiches publicitaires ou de faire de la publicité de quelque manière que ce soit;
  19° d'utiliser et d'entreposer des pesticides;
  20° d'épandre et d'entreposer des engrais;
  21° d'utiliser et d'entreposer des huiles, minérales ou synthétiques, des liquides inflammables, des produits pharmaceutiques ou des produits dangereux;
  22° d'utiliser et d'entreposer des sels de déneigement;
  23° de déposer des déchets, y compris des déchets verts;
  24° de réaliser un pâturage avec plus de deux équivalents de gros bétail par hectare;
  25° de procéder à des activités récréatives aquatiques et de pratiquer des sports motorisés, y compris l'usage de véhicules téléguidés avec moteur à combustion;
  26° de survoler le terrain à basse altitude, d'y décoller ou d'y atterrir avec des avions, hélicoptères, ballons et autres aéronefs de quelque nature que ce soit et d'y lâcher du kérosène, sauf en cas de détresse;
  27° de procéder à des tirs avec des armes à air comprimé, ressort, paint-ball ou air soft;
  28° d'allumer des feux;
  29° de tirer des feux d'artifice.
  § 2. Le Gouvernement peut préciser les interdictions visées au § 1er et prendre, pour des raisons de conservation de la nature, des mesures générales supplémentaires en faveur des réserves naturelles, applicables dans ou en dehors du périmètre de la réserve, y compris l'adoption de normes de qualité écologique.
  § 3. Les interdictions visées au § 1er s'appliquent provisoirement aux sites pour lesquels le Gouvernement a adopté un projet d'arrêté de désignation comme réserve naturelle, régionale ou agréée, et l'a publié par mention au Moniteur belge.
  La période provisoire prend cours à la date de la mention publiée au Moniteur belge et se termine au jour de la décision du Gouvernement.
Art.28. § 1. De Regering stelt de toezichts- en politiereglementen op voor de natuurreservaten.
  § 2. De Regering garandeert dat de natuurreservaten voor het publiek toegankelijk zijn en bepaalt daartoe de voorwaarden.
Art.28. § 1er. Le Gouvernement établit les règlements de surveillance et de police des réserves naturelles.
  § 2. Le Gouvernement garantit l'ouverture des réserves naturelles au public, selon les modalités qu'il fixe.
Afdeling 2. - Gewestelijke natuurreservaten
Section 2. - Les réserves naturelles régionales
Art.29. § 1. Elk gewestelijk natuurreservaat wordt aangewezen door de Regering en maakt het voorwerp uit van een beheerplan dat gelijktijdig met het aanwijzingsbesluit wordt aangenomen.
  Uitzonderlijk kan het beheerplan pas na het aanwijzingsbesluit worden aangenomen, mits de naleving van de proceduremodaliteiten bedoeld in §§ 2 en 3.
  Het aanwijzingsbesluit bestaat minstens uit :
  1° de gekozen naam voor het reservaat;
  2° de exacte geografische locatie van het reservaat, met de kadastrale perceelnummers, desgevallend met vermelding van het percentage van de betrokken percelen, overgenomen op een kaart van ten minste 1/10 000ste;
  3° de oppervlakte van het reservaat;
  4° de instandhoudingdoelstellingen van het reservaat, gebaseerd op de bepalingen van artikel 22, 25 en 36, overgenomen op een kaart van ten minste 1/10 000ste;
  5° het geplande beheer, zoals bedoeld in artikel 25 en 36;
  6° het plan van de wegen en paden;
  7° de betrokken gemeente(s);
  8° de eventuele andere beschermingsstatussen van het reservaat.
  De voorschriften bedoeld in punten 2° en 4° hebben een verordenende waarde.
  Het beheerplan bevat ten minste :
  1° de inventaris van de wetenschappelijke en ecologische gegevens, net als een beschrijving van de botanische en faunistische staat van het gebied en van de pedagogische waarde ervan in de Brusselse stadsomgeving;
  2° desgevallend de details van de instandhoudingdoelstellingen voor het reservaat zoals bedoeld in punt 4 van het voorgaande lid, overgenomen op een kaart van ten minste 1/10 000ste, met inzonderheid de aanduiding van de voornaamste verwachte evoluties van de aanwezige begroeiing en habitats;
  3° de maatregelen nodig om de in punt 4° van het voorgaande lid bedoelde instandhoudingdoelstellingen waar te maken, inclusief een beschrijving van de aard, de locatie en de periode van de beheerswerkzaamheden, met een onderscheid tussen de restauratie- en verbeteringswerkzaamheden enerzijds en de onderhoudswerkzaamheden anderzijds;
  4° desgevallend, de lijst van indicatoren die gebruikt zullen worden voor de beoordeling van de verwezenlijking van de in punt 4° van het voorgaande lid bedoelde instandhoudingdoelstellingen;
  5° de vrijstellingen op de verbodsbepalingen van artikel 27 die noodzakelijk zijn om de maatregelen bedoeld in punt 3° toe te passen.
  § 2. Het Instituut maakt voor elk gebied dat als gewestelijk natuurreservaat kan worden aangewezen, een ontwerp van aanwijzingsbesluit en een ontwerp van beheerplan en legt deze voor aan de Regering.
  De Regering neemt het ontwerp van aanwijzingsbesluit en het ontwerp van beheerplan aan en onderwerpt ze gedurende dertig dagen aan een openbaar onderzoek dat wordt aangekondigd via :
  1° de aanplakking van een bericht op de gemeentelijke aankondigingborden van de betrokken gemeentes en bij het bedoelde gebied op die wijze dat ze gemakkelijk gelezen kunnen worden;
  2° de verspreiding van een bericht op de website van het Instituut.
  Het bericht van onderzoek vermeldt :
  1° de gemeentes op wie het ontwerp van aanwijzingsbesluit en het ontwerp van beheerplan van specifiek beheerplan geheel of gedeeltelijk van toepassing zijn;
  2° de plaats(en) waar het ontwerp van aanwijzingsbesluit en het ontwerp van beheerplan ter beschikking liggen van het publiek, namelijk op het gemeentehuis van elke betrokken gemeente en bij het Instituut;
  3° de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;
  4° het adres van het Instituut waar eventuele opmerkingen en klachten naartoe gestuurd kunnen worden.
  Klachten en opmerkingen worden uiterlijk op de laatste dag van de termijn van het openbaar onderzoek per briefwisseling, e-mail of door afgifte tegen ontvangstbewijs aan het Instituut gericht.
  Zodra het openbaar onderzoek wordt geopend, vraagt de Regering het advies van de Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud, de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie, het BROH, de Raad voor het Leefmilieu, het college van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeentes, de houders van zakelijke rechten op de site en, wanneer het ontwerp van het beheerplan betrekking heeft op een beschermde site, de KCML. In zijn advies verduidelijkt het BROH onder meer de handelingen en de werken voorzien in het ontwerp van beheerplan die aan een stedenbouwkundige vergunning onderworpen zullen worden, en, in het geval van een beschermde site, de documenten, inlichtingen of voorafgaande studies die nodig zijn voor de indiening van een plan voor erfgoedbeheer of van een stedenbouwkundige vergunning in toepassing [1 van hoofdstuk VIbis van titel V van het BWRO of van artikel 175, 4°, van dit Wetboek]1. Voorafgaand aan zijn advies kan het BROH bijkomende inlichtingen vragen aan het Instituut, dat deze inlichtingen verstuurt of de niet-versturing ervan rechtvaardigt. Bij ontstentenis van versturing van het advies van de geraadpleegde instanties binnen de vijfenveertig dagen te tellen na de ontvangst van de adviesaanvraag, wordt voorbijgegaan aan het advies en wordt de procedure voortgezet.
  Het Instituut bezorgt de Regering een samenvatting van de opmerkingen en klachten samen met een met redenen omkleed advies binnen dertig dagen nadat het openbaar onderzoek is beëindigd.
  De Regering kan de vormelijke en inhoudelijke modaliteiten verduidelijken van de raadpleging en van het openbaar onderzoek, die in deze paragraaf bedoeld worden.
  § 3. De Regering wijst al dan niet het natuurreservaat aan en neemt, in voorkomend geval, het beheerplan aan, rekening houdend met de raadpleging van de instanties en het openbaar onderzoek.
  Het aanwijzingsbesluit wordt in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd binnen dertig dagen nadat het is aangenomen.
  Het beheerplan wordt gelijktijdig bekendgemaakt door gewone vermelding in het Belgisch Staatsblad. Het plan wordt ook voor het publiek beschikbaar gesteld op de website van het Instituut en wordt verstuurd naar het BROH en naar het college van burgemeester en schepenen van elke gemeente.
  
Art.29. § 1er. Chaque réserve naturelle régionale est désignée par le Gouvernement et fait l'objet d'un plan de gestion adopté en même temps que l'arrêté de désignation.
  Exceptionnellement, le plan de gestion peut être adopté postérieurement à l'arrêté de désignation, moyennant le respect des modalités de procédure visées aux §§ 2 et 3.
  L'arrêté de désignation comporte à tout le moins :
  1° la dénomination retenue pour la réserve;
  2° la localisation géographique exacte de la réserve, avec les numéros de parcelles cadastrales, en mentionnant, le cas échéant, le pourcentage des parcelles concernées, reportée sur une carte d'au minimum 1/10 000e;
  3° la superficie de la réserve;
  4° les objectifs de conservation de la réserve, fondés sur les dispositions des articles 22, 25 et 36, reportés sur une carte d'au minimum 1/10 000e;
  5° le type de gestion envisagée, tel que visé aux articles 25 et 36;
  6° le plan des routes et chemins;
  7° la ou les commune(s) concernée(s);
  8° les éventuels autres statuts de protection de la réserve.
  Les prescriptions visées aux points 2° et 4° ont valeur réglementaire.
  Le plan de gestion comporte à tout le moins :
  1° l'inventaire des données scientifiques et écologiques ainsi qu'une description de l'état botanique et faunistique du site et de sa valeur pédagogique dans le milieu urbain bruxellois;
  2° le cas échéant, le détail des objectifs de conservation de la réserve visés au point 4° de l'alinéa précédent, reportés sur une carte d'au minimum 1/10 000e indiquant notamment les principales évolutions attendues de la végétation et des habitats présents;
  3° les mesures à prendre en vue d'assurer la réalisation des objectifs de conservation visés au point 4° de l'alinéa précédent, y compris la description de la nature, la localisation et la période des travaux de gestion, en distinguant les travaux de restauration et d'amélioration et les travaux d'entretien;
  4° le cas échéant, la liste des indicateurs qui seront utilisés pour évaluer la réalisation des objectifs de conservation visés au point 4° de l'alinéa précédent;
  5° les dispenses aux interdictions de l'article 27 nécessaires à la mise en oeuvre des mesures visées au point 3°.
  § 2. L'Institut élabore, pour chaque site susceptible d'être désigné comme réserve naturelle régionale, un projet d'arrêté de désignation et un projet de plan de gestion qu'il transmet au Gouvernement.
  Le Gouvernement adopte le projet d'arrêté de désignation et le projet de plan de gestion et les soumet à une enquête publique de trente jours annoncée par :
  1° l'affichage d'un avis aux valves communales des communes concernées et au niveau du site concerné, de telle manière qu'il puisse être lu aisément;
  2° la diffusion d'un avis sur le site Internet de l'Institut.
  L'avis d'enquête mentionne :
  1° les communes concernées en tout ou en partie par le projet d'arrêté de désignation et le projet de plan de gestion;
  2° le ou les endroits où le projet d'arrêté de désignation et le projet de plan de gestion sont mis à la disposition du public, à savoir à la maison communale de chaque commune concernée et à l'Institut;
  3° la date de début et de fin de l'enquête publique;
  4° l'adresse de l'Institut auprès duquel les remarques et réclamations peuvent être adressées.
  Les réclamations et remarques sont adressées à l'Institut au plus tard le dernier jour du délai de l'enquête publique par courrier postal, courriel ou dépôt contre récépissé.
  Dès l'ouverture de l'enquête publique, le Gouvernement sollicite l'avis du Conseil supérieur bruxellois de la conservation de la nature, de la Commission régionale de développement, de l'AATL, du Conseil de l'Environnement, du collège des bourgmestre et échevins des communes concernées, des titulaires de droits réels sur le site, ainsi que de la CRMS lorsque le projet de plan de gestion concerne un site classé. Dans son avis, l'AATL précise notamment les actes et travaux prévus par le projet de plan de gestion qui seront soumis à permis d'urbanisme et, en présence d'un site classé, les documents, renseignements ou études préalables qui seraient nécessaires pour le dépôt d'un plan de gestion patrimoniale ou d'un permis d'urbanisme en application [1 du chapitre VIbis du titre V du CoBAT ou de l'article 175, 4°, de ce Code]1. Préalablement à son avis, l'AATL peut solliciter des renseignements complémentaires à l'Institut qui transmet ces renseignements ou justifie leur non-transmission. A défaut d'envoi de l'avis des instances consultées dans les quarante-cinq jours de la réception de la demande d'avis, il est passé outre et la procédure est poursuivie.
  L'Institut transmet la synthèse des remarques et réclamations de même que son avis motivé au Gouvernement dans les trente jours de la clôture de l'enquête publique.
  Le Gouvernement peut préciser les modalités d'organisation et de contenu de la consultation et de l'enquête publique visées au présent paragraphe.
  § 3. Le Gouvernement désigne ou non la réserve naturelle régionale et, le cas échéant, adopte le plan de gestion au regard de la consultation des instances et de l'enquête publique.
  L'arrêté de désignation est publié au Moniteur belge dans les trente jours de son adoption.
  Le plan de gestion est publié simultanément par mention au Moniteur belge. Il est rendu accessible au public sur le site Internet de l'Institut et est notifié à l'AATL et au collège des bourgmestre et échevins de chaque commune concernée.
  
Art.30. § 1. Het Instituut is belast met het beheer van de gewestelijke natuurreservaten.
  § 2. Het Instituut kan noodmaatregelen treffen die afwijken van de bepalingen in dit hoofdstuk en de maatregelen genomen in uitvoering daarvan. In voorkomend geval moet het Instituut de Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud onmiddellijk op de hoogte brengen en verslag uitbrengen aan de Regering.
  § 3. Conform de bepalingen van Hoofdstuk 4 van Titel 1, stelt het Instituut periodiek een beoordeling op over het beheer van de gewestelijke natuurreservaten in verhouding tot de instandhoudingdoelstellingen, desgevallend opgenomen in het rapport over de staat van de natuur bedoeld in artikel 7.
Art.30. § 1er. L'Institut est chargé de la gestion des réserves naturelles régionales.
  § 2. L'Institut peut prendre des mesures d'urgence qui dérogent aux dispositions du présent chapitre et aux mesures prises pour son exécution. Dans ce cas, il en informe sans délai le Conseil supérieur bruxellois de la conservation de la nature et fait rapport au Gouvernement.
  § 3. Conformément aux dispositions du chapitre 4 du Titre 1er, l'Institut élabore périodiquement une évaluation de la gestion des réserves naturelles régionales eu égard à leurs objectifs de conservation, le cas échéant intégrée au rapport de l'état de la nature visé à l'article 7.
Art.31. § 1. De Regering kan op elk moment de voorschriften van het aanwijzingsbesluit en/of de modaliteiten van het beheerplan volledig of gedeeltelijk herzien volgens de evolutie van de wetenschappelijke kennis, de beheerstechnieken of de staat van instandhouding van de natuurlijke habitats en soorten aanwezig in het gebied.
  § 2. De procedures voor de aanneming en bekendmaking van het aanwijzingsbesluit en het beheerplan zijn eveneens van toepassing op de herziening ervan.
  Voor kleine wijzigingen kan de Regering evenwel beslissen dat ze niet aan een openbaar onderzoek onderhevig zijn.
  § 3. De herziening van het beheerplan heeft van ambtswege plaats indien de voorschriften van het aanwijzingsbesluit bedoeld in artikel 29, § 1, lid 3, 4° gewijzigd worden in uitvoering van het onderhave artikel, tenzij de Regering die wijzigingen als kleine wijzigingen beschouwd conform § 2.
Art.31. § 1er. Le Gouvernement peut à tout moment revoir tout ou partie des prescriptions de l'arrêté de désignation et/ou des modalités du plan de gestion en fonction de l'évolution des connaissances scientifiques, des techniques de gestion ou de l'état de conservation des habitats naturels et des espèces présents dans le site.
  § 2. Les procédures d'adoption et de publicité de l'arrêté de désignation et du plan de gestion sont applicables à leur révision.
  Toutefois, le Gouvernement peut décider que les modifications mineures ne sont pas soumises à enquête publique.
  § 3. La révision du plan de gestion a lieu d'office si les prescriptions de l'arrêté de désignation visées à l'article 29, § 1er, alinéa 3, 4°, sont modifiées en exécution du présent article, sauf si ces modifications sont considérées comme mineures par le Gouvernement conformément au § 2.
Afdeling 3. - Erkende natuurreservaten
Section 3. - Les réserves naturelles agréées
Art.32. § 1. Elk erkend natuurreservaat wordt aangewezen door de Regering en maakt het voorwerp uit van een beheerplan dat gelijktijdig met het aanwijzingsbesluit wordt aangenomen.
  Het aanwijzingsbesluit en het beheerplan bevatten de elementen bedoeld in respectievelijk artikel 29, § 1, leden 3 en 5. De voorschriften van het aanwijzingsbesluit van het erkend natuurreservaat bedoeld in artikel 29, § 1, lid 3, 2° en 4° hebben een verordenende waarde.
  § 2. De betrokken eigenaar dient een aanvraag om erkenning voor een natuurreservaat in bij het Instituut.
  De aanvraag bevat :
  1° de gegevens opgesomd in artikel 29, § 1, lid 3 en een voorontwerp van beheerplan met alle gegevens bedoeld in artikel 29, § 1, lid 5;
  2° een kopie van de eigendomsakte;
  3° een kopie van de titels die het gebruik van het in de aanvraag bedoelde gebied staven en een verklaring waarin de betrokken gebruikers akkoord gaan met de toekenning van het statuut als natuurreservaat;
  4° de gegevens van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die zal instaan voor het beheer van het natuurreservaat en een kopie van de overeenkomst waarin die opdracht wordt vastgelegd en dat ten minste voor de duur van de aangevraagde erkenning.
  § 3. Tijdens het onderzoek van de aanvraag kan het Instituut op elk moment bijkomende inlichtingen vragen aan de eigenaar, de gebruiker of de beheerder van het gebied.
  Het Instituut vraagt het advies van de Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud, het BROH, de houders van zakelijke rechten op de site en, wanneer het ontwerp van het beheerplan betrekking heeft op een beschermde site, de KCML. In zijn advies verduidelijkt het BROH onder meer de handelingen en de werken voorzien in het ontwerp van beheerplan die aan een stedenbouwkundige vergunning onderworpen zullen worden, en, in het geval van een beschermde site, de documenten, inlichtingen of voorafgaande studies die nodig zijn voor de indiening van een plan voor erfgoedbeheer of van een stedenbouwkundige vergunning in toepassing [1 van hoofdstuk VIbis van titel V van het BWRO of van artikel 175, 4° van dit Wetboek]1. Voorafgaand aan zijn advies kan het BROH bijkomende inlichtingen vragen aan het Instituut, dat deze inlichtingen verstuurt of de niet-versturing ervan rechtvaardigt. Bij ontstentenis van versturing van het advies van de geraadpleegde instanties binnen de vijfenveertig dagen te tellen na de ontvangst van de adviesaanvraag, wordt voorbijgaan aan het advies en wordt de procedure voortgezet.
  Het Instituut stuurt de betrokken eigenaar een advies over de aanvraag dat voorstellen voor wijziging van de gegevens bedoeld in § 2, lid 2, 1° kan bevatten.
  Binnen 30 dagen na die betekening deelt de betrokken eigenaar het Instituut zijn eventuele opmerkingen mee. Bij ontstentenis wordt de betrokken eigenaar verondersteld zich te schikken naar het advies van het Instituut en in voorkomend geval akkoord te gaan met de voorgestelde wijzigingen.
  Na de analyse stuurt het Instituut de Regering een omstandig rapport met betrekking tot de aanvraag, in voorkomend geval vergezeld van een ontwerp van aanwijzingsbesluit en van een eventueel gewijzigd ontwerp van beheerplan.
  § 4. De Regering neemt al dan niet het aanwijzingsbesluit als erkend natuurreservaat en, in voorkomend geval, legt het beheerplan vast, rekening houdend met het rapport van het Instituut, de raadpleging van de instanties en de houders van zakelijke rechten bedoeld in paragraaf 3.
  De erkenning van een natuurreservaat wordt toegekend voor een periode van 20 jaar. Bij elke vervaldatum kan de erkenning verlengd worden voor een periode van 20 jaar.
  Het aanwijzingsbesluit wordt in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd binnen 30 dagen nadat het is goedgekeurd.
  Het beheerplan wordt gelijktijdig bekendgemaakt door gewone vermelding in het Belgisch Staatsblad. Het plan wordt voor het publiek beschikbaar gesteld op de website van het Instituut en wordt verstuurd naar het college van burgemeester en schepenen van elke betrokken gemeente, net als naar de betrokken eigenaar.
  § 5. - Op verzoek van de aanvrager van de erkenning of het Instituut, mits de toelating van respectievelijk het Instituut of de aanvrager, kunnen de voorschriften van het aanwijzingsbesluit en/of de modaliteiten van het beheerplan herzien worden volgens de modaliteiten opgelegd in artikel 31.
  
Art.32. § 1er. Chaque réserve naturelle agréée est désignée par le Gouvernement et fait l'objet d'un plan de gestion adopté en même temps que l'arrêté de désignation.
  L'arrêté de désignation et le plan de gestion comportent les éléments visés respectivement à l'article 29, § 1er, alinéas 3 et 5. Les prescriptions de l'arrêté de désignation de la réserve naturelle agréée visées à l'article 29, § 1er, alinéa 3, 2° et 4° ont valeur réglementaire.
  § 2. La demande d'agrément d'une réserve naturelle est adressée par le propriétaire concerné à l'Institut.
  La demande comprend :
  1° les informations visées à l'article 29, § 1er, alinéa 3, et un avant-projet de plan de gestion comportant les informations visés à l'article 29, § 1er, alinéa 5;
  2° une copie de l'acte de propriété;
  3° une copie des titres justifiant l'occupation du site visé par la demande et une déclaration d'accord des occupants concernés à l'octroi du statut de réserve naturelle;
  4° les coordonnées de la personne physique ou morale qui sera chargée de la gestion de la réserve naturelle et une copie de la convention organisant cette mission, couvrant au minimum la durée de l'agrément sollicité.
  § 3. Lors de l'analyse de la demande, l'Institut peut à tout moment demander des renseignements complémentaires au propriétaire, à l'occupant ou au gestionnaire du site.
  L'Institut sollicite l'avis du Conseil supérieur bruxellois de la conservation de la nature, de l'AATL, des titulaires de droits réels sur le site ainsi que de la CRMS lorsque le projet de plan de gestion concerne un site classé. Dans son avis, l'AATL précise notamment les actes et travaux prévus par le projet de plan de gestion qui seront soumis à permis d'urbanisme et, en présence d'un site classé, les documents, renseignements ou études préalables qui seraient nécessaires pour le dépôt d'un plan de gestion patrimoniale ou d'un permis d'urbanisme en application [1 du chapitre VIbis du titre V du CoBAT ou de l'article 175, 4°, de ce Code]1. Préalablement à son avis, l'AATL peut solliciter des renseignements complémentaires à l'Institut qui transmet ces renseignements ou justifie leur non-transmission. A défaut d'envoi de l'avis des instances consultées dans les quarante-cinq jours de la réception de la demande d'avis, il est passé outre et la procédure est poursuivie.
  L'Institut notifie au propriétaire concerné un avis sur la demande qui peut comporter des propositions de modifications des informations visées au § 2, alinéa 2, 1°.
  Dans les 30 jours de cette notification, le propriétaire concerné communique à l'Institut ses éventuelles remarques. A défaut, le propriétaire concerné est censé se conformer à l'avis de l'Institut et, le cas échéant, accepter les modifications proposées.
  Au terme de l'analyse, l'Institut notifie au Gouvernement un rapport circonstancié relatif à la demande, accompagné, le cas échéant, d'un projet d'arrêté de désignation et d'un projet de plan de gestion, éventuellement modifié.
  § 4. Le Gouvernement adopte ou non un arrêté de désignation comme réserve naturelle agréée et, le cas échéant, détermine son plan de gestion au regard du rapport de l'Institut, de la consultation des instances et des titulaires de droits réels visés au paragraphe 3.
  L'agrément d'une réserve naturelle est donné pour une durée de 20 ans. Il est renouvelable à chaque échéance pour une durée de 20 ans.
  L'arrêté de désignation est publié au Moniteur belge dans les 30 jours de son adoption.
  Le plan de gestion est publié simultanément par mention au Moniteur belge. Il est rendu accessible au public sur le site Internet de l'Institut et est notifié au collège des bourgmestre et échevins de chaque commune concernée ainsi qu'au propriétaire concerné.
  § 5. A l'initiative du demandeur d'agrément ou de l'Institut, avec respectivement l'accord de l'Institut ou du demandeur, les prescriptions de l'arrêté de désignation et/ou les modalités du plan de gestion peuvent être revues conformément aux modalités prescrites à l'article 31.
  
Art.33. § 1. De Regering bepaalt de beheersvoorwaarden voor de erkende natuurreservaten.
  Een van die voorwaarden is met name dat de beheerder van het erkende natuurreservaat het Instituut een jaarverslag toestuurt met :
  1° een overzicht van de beheerswerkzaamheden uitgevoerd in het voorbije jaar, inclusief een kaart waarop de plaatsen en data van voormelde werkzaamheden zijn aangeduid;
  2° een overzicht van de geplande beheerswerkzaamheden voor het volgende jaar, inclusief een kaart waarop de plaatsen en data van voormelde werkzaamheden zijn aangeduid, net als een schatting van de kostprijs ervan;
  3° een verslag over de evolutie van de fauna en flora, de frequentie van de bezoeken en de invloed daarvan op het natuurreservaat, net als van de wetenschappelijke waarnemingen, voor zover die gegevens van invloed kunnen zijn voor de algemene staat of de instandhoudings- en behoudkansen van het erkende natuurreservaat.
  § 2. Het Instituut heeft de taak toe te zien op de naleving van de voorwaarden bedoeld in § 1. Conform de bepalingen van Hoofdstuk 4 van Titel 1, stelt het Instituut periodiek een beoordeling op over het beheer van de erkende natuurreservaten in verhouding tot de instandhouding-doelstellingen.
Art.33. § 1er. Le Gouvernement détermine les conditions de gestion des réserves naturelles agréées.
  Ces conditions comprennent notamment la notification à l'Institut par le gestionnaire de la réserve naturelle agréée d'un rapport annuel reprenant :
  1° un état des travaux de gestion effectués au cours de l'année écoulée, accompagné d'une carte mentionnant les endroits et les dates des travaux précités;
  2° un état des travaux de gestion projetés pour l'année suivante, accompagné d'une carte mentionnant les endroits et les dates des travaux précités et d'une estimation de leur coût;
  3° un rapport relatif à l'évolution de la faune et de la flore, à la fréquence des visites et à leur influence sur la réserve naturelle, ainsi qu'aux observations scientifiques, pour autant que ces données puissent influencer l'état général ou les chances de maintien et de sauvegarde de la réserve naturelle agréée.
  § 2. L'Institut est chargé de veiller au respect des conditions visées au § 1er. Conformément aux dispositions du chapitre 4 du Titre 1er, il élabore périodiquement une évaluation de la gestion des réserves naturelles agréées eu égard à leurs objectifs de conservation.
Art.34. De Regering kan de erkenning intrekken als blijkt dat de beheerder van het erkende natuurreservaat verzaakt aan de instandhoudings-, beheers-, toezichtsvoorwaarden en/of bepalingen van het beheerplan, ondanks een aanmaning vanwege het Instituut.
Art.34. Le Gouvernement peut retirer l'agrément s'il apparaît que le gestionnaire de la réserve naturelle agréée omet, en dépit d'une mise en demeure donnée par l'Institut, de respecter les exigences de conservation, de gestion, de surveillance et/ou les dispositions du plan de gestion.
Art.35. § 1. De Regering mag de voorwaarden, vormen en procedures bepalen voor de aanvraag, toekenning, verlenging en intrekking van de erkenning.
  § 2. De Regering kan onder de door haar bepaalde voorwaarden en modaliteiten subsidies toekennen aan de beheerder van het reservaat voor :
  - de gewone beheerskosten van het reservaat;
  - de buitengewone inrichtings- en herstelwerkzaamheden aan het reservaat.
  § 3. De Regering kan subsidies toekennen voor de huur en de aankoop van gronden die als natuurreservaat worden ingesteld.
Art.35. § 1er. Le Gouvernement peut fixer les conditions, formes et procédures de la demande, de l'octroi, du renouvellement et du retrait de l'agrément.
  § 2. Le Gouvernement peut octroyer des subventions au gestionnaire de la réserve aux conditions et selon les modalités qu'il fixe pour :
  - les frais ordinaires de gestion de la réserve;
  - les travaux extraordinaires d'aménagement et de restauration de la réserve.
  § 3. Le Gouvernement peut octroyer des subventions pour la location et l'achat de terrains à ériger en réserve naturelle.
HOOFDSTUK 3. - Bosreservaten
CHAPITRE 3. - Des réserves forestières
Art.36. Het integrale bosreservaat bestaat in een bos of een deel daarvan dat wordt beschermd en gecreëerd om er de natuurfenomenen een eigen dynamiek te laten ontwikkelen.
  Een gericht bosreservaat is een bos of een deel daarvan dat wordt beschermd en gecreëerd om de populaties inheemse soorten of typerende of opmerkelijke facies in stand te houden en het ongeschonden karakter van de bodem en het milieu te verzekeren.
Art.36. La réserve forestière intégrale est une forêt ou une partie de celle-ci protégée, créée dans le but d'y laisser les phénomènes naturels évoluer selon leur dynamique propre.
  La réserve forestière dirigée est une forêt ou une partie de celle-ci protégée, créée dans le but de sauvegarder des peuplements d'essences indigènes ou des faciès caractéristiques ou remarquables et d'y assurer l'intégrité du sol et du milieu.
Art.37. § 1. Elk bosreservaat wordt aangewezen door de Regering en maakt het voorwerp uit van een beheerplan dat gelijktijdig met het aanwijzingsbesluit wordt aangenomen.
  Uitzonderlijk kan het beheerplan pas na het aanwijzingsbesluit worden aangenomen, mits de naleving van de proceduremodaliteiten bedoeld in artikel 29, §§ 2 en 3.
  Het aanwijzingsbesluit en het beheerplan bevatten de elementen bedoeld in respectievelijk artikel 29, § 1, leden 3 en 5. De voorschriften van het aanwijzingsbesluit van het bosreservaat bedoeld in artikel 29, § 1, lid 3, 2° en 4° hebben een verordenende waarde.
  § 2. Bossen onderworpen aan het bosregime in de zin van artikelen 1 tot 3 van de Boswetboek en eigendom van het Gewest, gemeentes of openbare instellingen kunnen door de Regering als bosreservaat worden aangewezen.
  De bossen en delen daarvan die als bosreservaat worden aangewezen, blijven onderworpen aan het bosregime.
  Het aanwijzingsbesluit en het beheersbesluit bedoeld in § 1 vervangen, voor elk bosreservaat bedoeld in lid 1, het vigerende bosbeheer.
Art.37. § 1er. Chaque réserve forestière est désignée par le Gouvernement et fait l'objet d'un plan de gestion adopté en même temps que l'arrêté de désignation.
  Exceptionnellement, le plan de gestion peut être adopté postérieurement à l'arrêté de désignation, moyennant le respect des modalités de procédure visées à l'article 29, §§ 2 et 3.
  L'arrêté de désignation et le plan de gestion comportent les éléments visés respectivement à l'article 29, § 1er, alinéas 3 et 5. Les prescriptions de l'arrêté de désignation de la réserve forestière visées à l'article 29, § 1er, alinéas 3, 2° et 4° ont valeur réglementaire.
  § 2. Le Gouvernement peut désigner comme réserve forestière les forêts soumises au régime forestier au sens des articles 1er à 3 du Code forestier et appartenant à la Région, aux communes ou aux établissements publics.
  Les forêts et parties de celles-ci désignées en réserve forestière restent soumises au régime forestier.
  L'arrêté de désignation et le plan de gestion visés au § 1er remplacent, pour chaque réserve forestière visée à l'alinéa 1er, l'aménagement forestier en vigueur.
Art.38. Onverminderd de bepalingen van het bosregime die van toepassing zouden zijn in hoofde van artikel 37, § 2, lid 2, zijn de bepalingen van artikelen 27 en 28 van toepassing op de bosreservaten.
Art.38. Sans préjudice des dispositions du régime forestier qui leur seraient applicables en application de l'article 37, § 2, alinéa 2, les dispositions des articles 27 et 28 s'appliquent aux réserves forestières.
Art.39. De aanwijzing van het bosreservaat en de aanneming van het beheerplan gebeuren in overstemming met de modaliteiten van artikel 29, §§ 2 en 3.
  Het beheer van bosreservaten opgericht op gronden die eigendom zijn van het Gewest, door het Gewest gehuurd worden of daartoe tot zijn beschikking gesteld worden gebeurt in overstemming met de modaliteiten van artikel 30.
  De volledige of gedeeltelijke herziening van de voorschriften van het aanwijzingsbesluit en/of de modaliteiten van het beheerplan gebeurt in overstemming met de modaliteiten van artikel 31.
Art.39. La désignation de la réserve forestière et l'adoption de son plan de gestion s'effectuent selon les modalités de l'article 29, §§ 2 et 3.
  La gestion des réserves forestières sur des terrains appartenant à la Région, pris en location par elle ou mis à sa disposition s'effectue selon les modalités de l'article 30.
  La révision de tout ou partie des prescriptions de l'arrêté de désignation et/ou des modalités du plan de gestion s'effectue conformément aux prescriptions de l'article 31.
HOOFDSTUK 4. - Natura 2000-gebieden
CHAPITRE 4. - Des sites Natura 2000
Afdeling 1. - Identificatie en aanwijzing van de gebieden
Section 1re. - Identification et désignation des sites
Onderafdeling 1. - Identificatie van gebieden
Sous-section 1re. - Identification
Art.40. § 1. Conform de procedure beschreven in artikelen 41 tot 43 identificeert de Regering - op voorstel van het Instituut - de gebieden die als Natura 2000-gebied in aanmerking kunnen komen.
  Worden als dusdanig geïdentificeerd de gebieden die :
  1° qua aantal en oppervlakte de meest geschikte gebieden zijn in verhouding tot de instandhoudingnoden van de vogelsoorten opgenomen in bijlage II.1.2°, met name wat betreft hun voortplanting-, rui- en overwinteringarealen en de rustgebieden in hun trekareaal; of
  2° die het, op basis van de criteria opgenomen in bijlage V, mogelijk maken een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen voor de natuurlijke habitattypes van communautair belang vermeld in bijlage I.1. en de habitats van soorten van communautair belang vermeld in bijlage II.1.1° en II.1.3°, binnen hun natuurlijke verspreidingsareaal.
  § 2. De instandhoudingdoelstellingen van een gebied geïdentificeerd krachtens de eerste paragraaf zijn de concrete ecologische doelstellingen die in het gebied bereikt moeten worden, vanuit kwantitatief en kwalitatief standpunt, voor elk type natuurlijke habitat en voor elke soort waarvoor het gebied werd aangewezen.
  Ze beogen de verzekering van :
  1° de overleving en voortplanting van de populaties van de vogelsoort(en) van bijlage II.1.2° waarvoor het gebied werd aangewezen, net als de bescherming van de voortplantings-, rui- en overwinteringsarealen en de rustgebieden in het trekareaal van de trekvogelsoorten van bijlage II.1.2° waarvoor het gebied werd aangewezen en/of
  2° het behoud of herstel van een gunstige staat van instandhouding voor het of de natuurlijke habitattypes van communautair belang vermeld in bijlage I.1. waarvoor het gebied is aangewezen en/of de populaties van de soort(en) van communautair belang vermeld in bijlage II.1.1° en II.1.3° waarvoor het gebied is aangewezen.
  De instandhoudingdoelstellingen van het gebied worden zodanig bepaald dat ze, ten minste, het behoud van de staat van instandhouding verzekeren, op het niveau van het gebied, van de types natuurlijke habitats en soorten waarvoor het gebied werd aangewezen en zoals beoordeeld op het moment van de identificatie. Ze beogen eveneens de verbetering van die staat van instandhouding om de doelstellingen bedoeld in lid 2, 1° en 2° te kunnen verwezenlijken.
  § 3. Conform artikel 22 streven de instandhoudingdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, op het niveau van het gebied, eveneens naar het behoud en/of herstel in een gunstige staat van instandhouding van de natuurlijke habitats van gewestelijk belang opgenomen in bijlage I.2 en de populaties van de soorten van gewestelijk belang opgenomen in bijlage II.4, die werden geïnventariseerd in het gebied conform artikel 20, § 1.
  § 4. Voor zover dit de realisatie van de instandhoudingdoelstellingen, bedoeld in §§ 2 en 3, niet verhindert, kunnen de instandhoudingdoelstellingen voor een Natura 2000 gebied eveneens het behoud en/of het bekomen en/of het herstellen van een gunstige staat van instandhouding voor andere natuurlijke habitattypes en/of andere populaties van inheemse soorten tot doel hebben.
Art.40. § 1er. Conformément à la procédure définie aux articles 41 à 43, le Gouvernement identifie, sur proposition de l'Institut, les sites susceptibles d'être désignés comme sites Natura 2000.
  Sont identifiés comme tels les sites qui :
  1° constituent les territoires les plus appropriés en nombre et en superficie au regard des besoins de conservation des oiseaux dont les espèces sont reprises à l'annexe II.1.2°, notamment en ce qui concerne leurs aires de reproduction, de mue et d'hivernage et les zones de relais dans leur aire de migration; ou
  2° sur la base des critères établis à l'annexe V, permettent d'assurer le maintien ou le rétablissement dans un état de conservation favorable des types d'habitats naturels d'intérêt communautaire de l'annexe Ire.1. et des habitats des espèces d'intérêt communautaire de l'annexe II.1.1° et II.1.3°, dans leur aire de répartition naturelle.
  § 2. Les objectifs de conservation d'un site identifié en vertu du § 1er sont les objectifs écologiques concrets à atteindre sur le site, d'un point de vue quantitatif et qualitatif, pour chaque type d'habitat naturel et pour chaque espèce pour lesquels le site a été désigné.
  Ils visent à assurer :
  1° la survie et la reproduction des populations de la ou des espèces d'oiseaux de l'annexe II.1.2° pour lesquelles le site est désigné ainsi que la protection des aires de reproduction, de mue et d'hivernage et des zones de relais dans l'aire de migration des espèces d'oiseaux migrateurs de l'annexe II.1.2° pour lesquelles le site est désigné et/ou
  2° le maintien ou le rétablissement dans un état de conservation favorable du ou des types d'habitats naturels d'intérêt communautaire de l'annexe Ire.1. pour lesquels le site est désigné et/ou des populations de la ou des espèces d'intérêt communautaire de l'annexe II.1.1° et II.1.3° pour lesquelles le site est désigné.
  Les objectifs de conservation du site sont fixés de manière à assurer, au minimum, le maintien de l'état de conservation, à l'échelle du site, des types d'habitats naturels et des espèces pour lesquels le site a été désigné, tel qu'évalué au moment de son identification. Ils visent également l'amélioration de cet état de conservation de manière à assurer la réalisation des objectifs visés à l'alinéa 2, 1° et 2°.
  § 3. Conformément à l'article 22, les objectifs de conservation d'un site Natura 2000 visent également à assurer, à l'échelle du site, le maintien et/ou le rétablissement dans un état de conservation favorable des habitats naturels d'intérêt régional de l'annexe Ire.2. et des populations des espèces d'intérêt régional de l'annexe II.4., inventoriés dans le site conformément à l'article 20, § 1er.
  § 4. Si cela ne compromet pas la réalisation des objectifs de conservation du site visés aux §§ 2 et 3, les objectifs de conservation d'un site Natura 2000 peuvent également viser à assurer, à l'échelle du site, le maintien et/ou l'établissement et/ou le rétablissement dans un état de conservation favorable d'autres types d'habitats naturels et/ou d'autres populations d'espèces indigènes.
Art.41. § 1. Het identificatiebesluit bedoeld in artikel 40, § 1, preciseert voor elk gebied :
  1° de benaming voorgesteld voor het gebied;
  2° de lijst van de natuurlijke habitattypes van communautair belang aanwezig in het gebied en waarvoor het gebied werd aangewezen, met desgevallend de aanduiding van de prioritaire natuurlijke habitats;
  3° de lijst van de soorten van communautair belang aanwezig in het gebied en waarvoor het gebied werd geïdentificeerd, met desgevallend de aanduiding van de prioritaire soorten;
  4° de synthese van de wetenschappelijke criteria die tot de identificatie van het gebied leidden;
  5° de exacte geografische locatie van het gebied en van de diverse Natura 2000-deelgebieden die daarvan deel uitmaken, met de kadastrale perceelnummers, net als van de types natuurlijke habitats bedoeld in punt 2°, overgenomen op een kaart van ten minste 1/10 000ste;
  6° de oppervlakte van het gebied;
  7° de voorgenomen instandhouding-doelstellingen van het gebied;
  8° de betrokken gemeente(s);
  9° de eventuele andere beschermingsstatussen van het gebied.
  § 2. Het ontwerp van identificatiebesluit wordt voorgelegd aan de Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud. De Raad deelt zijn advies mee binnen dertig dagen na ontvangst van het ontwerp van besluit. Bij ontstentenis van verzending binnen die termijn, wordt voorbijgaan aan het advies en wordt de procedure voortgezet.
  § 3. Rekening houdend met het advies bedoeld in paragraaf 2, neemt de Regering het identificatiebesluit aan.
Art.41. § 1er. L'arrêté d'identification visé à l'article 40, § 1er, précise pour chaque site :
  1° la dénomination proposée pour le site;
  2° la liste des types d'habitats naturels d'intérêt communautaire que le site abrite et pour lesquels le site est identifié, en précisant, le cas échéant, les habitats naturels prioritaires;
  3° la liste des espèces d'intérêt communautaire que le site abrite et pour lesquelles le site est identifié, en précisant, le cas échéant, les espèces prioritaires;
  4° la synthèse des critères scientifiques ayant conduit à l'identification du site;
  5° la localisation géographique exacte du site et des différentes stations Natura 2000 qui le composent, avec les numéros de parcelles cadastrales, ainsi que des types d'habitats naturels visés au point 2°, reportée sur une carte d'au minimum 1/10 000e;
  6° la superficie du site;
  7° les objectifs de conservation du site envisagés;
  8° la ou les commune(s) concernée(s);
  9° les éventuels autres statuts de protection du site.
  § 2. Le projet d'arrêté d'identification est soumis à l'avis du Conseil supérieur bruxellois de la conservation de la nature. Le Conseil envoie son avis dans les trente jours de la réception du projet d'arrêté. A défaut d'envoi dans ce délai, il est passé outre l'avis et la procédure est poursuivie.
  § 3. Le Gouvernement adopte l'arrêté d'identification en tenant compte de l'avis visé au paragraphe 2.
Art.42. Het identificatiebesluit wordt in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd binnen dertig dagen nadat het is aangenomen. Het besluit wordt meegedeeld aan het college van burgemeester en schepenen van elke betrokken gemeente, waar het kan worden ingekeken.
  Binnen diezelfde termijn betekent de Regering het identificatiebesluit aan de Europese Commissie.
  Vanaf de publicatie bedoeld in het eerste lid genieten de gebieden het beschermingsstelsel beschreven in artikel 47, 48, 57 tot 64, ongeacht of ze al dan niet geselecteerd zijn als gebieden van communautair belang, en dat tot hun eventuele declassering in toepassing van artikel 46.
Art.42. L'arrêté d'identification est publié au Moniteur belge dans les trente jours de son adoption. Il est notifié au collège des bourgmestre et échevins de chaque commune concernée, où il peut être consulté.
  Dans le même délai, le Gouvernement notifie l'arrêté d'identification à la Commission européenne.
  Dès la publication visée à l'alinéa 1er, les sites bénéficient du régime de protection des articles 47, 48, 57 à 64, qu'ils soient ou non retenus comme sites d'importance communautaire, et ce jusqu'à leur déclassement éventuel en application de l'article 46.
Art.43. De gebieden die het voorwerp uitmaken van de overlegprocedure voorzien in artikel 5 van Richtlijn 92/43/EEG genieten het stelsel beschreven in artikelen 47, 48, 57 tot 64 tijdens de overlegperiode.
  De gebieden die na afloop van genoemde overlegperiode als gebied van communautair belang zijn geselecteerd, worden als Natura 2000-gebied aangewezen in overeenstemming met artikel 44.
Art.43. Les sites faisant l'objet de la procédure de concertation prévue à l'article 5 de la Directive 92/43/CEE bénéficient du régime des articles 47, 48, 57 à 64 pendant la période de concertation.
  Les sites retenus comme sites d'importance communautaire à l'issue de ladite procédure de concertation sont désignés comme site Natura 2000 conformément à l'article 44.
Onderafdeling 2. - Aanwijzing van de Natura 2000-gebieden
Sous-Section 2. - Désignation des sites Natura 2000
Art.44. § 1. Elk gebied van communautair belang wordt bij Regeringsbesluit als Natura 2000-gebied aangewezen binnen zes jaar nadat de Commissie de lijst van de gebieden van communautair belang in het Gewest heeft opgesteld of aangepast, rekening houdend met de prioriteiten die gekoppeld zijn aan het belang van de gebieden voor het behoud of de herstelling in een gunstige staat van instandhouding van een natuurlijk habitattype van communautair belang of een soort van communautair belang, en dat met het oog op de coherentie van Natura 2000, gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging.
  Elk gebied dat is geïdentificeerd krachtens artikel 40, § 1, lid 2, 1°, wordt bovendien zo snel mogelijk bij Regeringsbesluit als Natura 2000-gebied aangewezen.
  § 2. Het aanwijzingsbesluit van een Natura 2000-gebied preciseert meer bepaald :
  1° de benaming gekozen voor het Natura 2000-gebied;
  2° de lijst van de natuurlijke habitattypes van communautair belang aanwezig in het Natura 2000-gebied en waarvoor het werd aangewezen, met desgevallend de aanduiding van de prioritaire natuurlijke habitats;
  3° de lijst van de soorten van communautair belang aanwezig in het Natura 2000-gebied en waarvoor het werd aangewezen, met desgevallend de aanduiding van de prioritaire soorten;
  4° de lijst van de natuurlijke habitats en soorten van gewestelijk belang aanwezig in het Natura 2000-gebied en waarvoor instandhoudingdoelstellingen werden bepaald;
  5° de synthese van de wetenschappelijke criteria die tot de selectie van het Natura 2000-gebied leidden;
  6° de staat van instandhouding, op het niveau van het Natura 2000-gebied, van de populaties van de soorten en de types natuurlijke habitats bedoeld in punten 2° en 3° ;
  7° de exacte geografische locatie van het Natura 2000-gebied en van de diverse Natura 2000-deelgebieden die daarvan deel uitmaken, met de kadastrale perceelnummers, met desgevallend de vermelding van het percentage van de oppervlakte van de betrokken percelen, overgenomen op een of meer kaarten van ten minste 1/10 000ste;
  8° de oppervlakte van het Natura 2000-gebied;
  9° de instandhoudingdoelstellingen van het Natura 2000-gebied zoals bedoeld in artikel 40, §§ 2 en 3, eventueel uitvoerig beschreven voor bepaalde Natura 2000-deelgebieden;
  10° voor elk Natura 2000-deelgebied van het gebied, de voorgestelde beheersmiddelen om de in punt 9° bedoelde instandhoudingdoelstellingen te bereiken, waaronder mogelijk :
  - de opstelling van een beheerscontract samen met de betrokken eigenaars en gebruikers;
  - de aanpassing van de beheersmaatregelen van de deelgebieden die direct of indirect door het Gewest beheerd worden;
  - de toekenning aan alle of aan een deel van de deelgebieden van het statuut van natuurreservaat of bosreservaat conform hoofdstuk 2 en 3 van deze Titel;
  - de goedkeuring door de Regering van bijzondere beheersmaatregelen;
  - de onteigening van het gebied, de overdracht door aankoop of ruil van dat gebied om het door het Instituut te laten beheren;
  11° desgevallend, de lijst van indicatoren die gebruikt zullen worden voor de beoordeling van de verwezenlijking van de in punt 9° bedoelde instandhoudingdoelstellingen van het Natura 2000-gebied;
  12° de bijzondere verbodsbepalingen van toepassing in of buiten het Natura 2000-gebied, net als alle andere preventieve maatregelen die in of buiten het gebied nodig zijn om de aantasting van de natuurlijke habitats, evenals significante verstoringen voor de soorten van communautair of gewestelijk belang te vermijden;
  13° de verplichtingen ten laste van de betrokken eigenaars;
  14° de betrokken gemeente(s);
  15° de eventuele andere beschermingsstatussen van het gebied.
  De voorschriften bedoeld in punten 7°, 9°, 12° en 13° hebben een verordenende waarde.
  § 3. Het Instituut maakt een ontwerp van aanwijzingsbesluit en legt die voor aan de Regering.
  De Regering neemt het ontwerp van aanwijzingsbesluit aan en onderwerpt het gedurende vijfenveertig dagen aan een openbaar onderzoek dat wordt aangekondigd via :
  1° de aanplakking van een bericht op de gemeentelijke aankondigingsborden van de betrokken gemeentes en bij het bedoelde gebied op die wijze dat ze gemakkelijk gelezen kunnen worden;
  2° de verspreiding van een bericht op de website van het Instituut.
  Het bericht van onderzoek vermeldt :
  1° de gemeentes waarop het ontwerp van aanwijzingsbesluit geheel of gedeeltelijk van toepassing is;
  2° de plaats(en) waar het ontwerp van aanwijzingsbesluit ter beschikking ligt van het publiek, namelijk op het gemeentehuis van elke betrokken gemeente en bij het Instituut;
  3° de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;
  4° het adres van het Instituut waar eventuele opmerkingen en klachten naartoe gestuurd kunnen worden.
  Klachten en opmerkingen worden uiterlijk op de laatste dag van de termijn van het openbaar onderzoek per briefwisseling, e-mail of door afgifte tegen ontvangstbewijs aan het Instituut gericht.
  Zodra het openbaar onderzoek wordt geopend, vraagt de Regering het advies van de Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud, de Raad voor het Leefmilieu en het college van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeentes. Zij versturen hun advies binnen vijfenveertig dagen na de aanvraag. Bij ontstentenis van verzending binnen die termijn, wordt voorbijgaan aan het advies en wordt de procedure voortgezet.
  Het Instituut bezorgt de Regering een samenvatting van de opmerkingen en klachten samen met een met redenen omkleed advies binnen vijfenveertig dagen nadat het openbaar onderzoek is beëindigd.
  De Regering kan de vormelijke en inhoudelijke modaliteiten verduidelijken van de raadpleging en de bekendmakingsmaatregelen die in deze paragraaf beoogd worden.
  § 4. De Regering neemt het aanwijzingsbesluit aan, rekening houdend met de raadpleging van de instanties en het openbaar onderzoek.
  Het aanwijzingsbesluit wordt in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd binnen dertig dagen nadat het is aangenomen. Het besluit wordt voor het publiek beschikbaar gesteld op de website van het Instituut en wordt verstuurd naar de BROH, het college van burgemeester en schepenen van elke betrokken gemeente, net als naar de betrokken eigenaars die worden geïdentificeerd op basis van de kadastergegevens.
Art.44. § 1er. Chaque site d'importance communautaire est désigné comme site Natura 2000 par un arrêté du Gouvernement dans les six ans de l'établissement ou de la modification de la liste des sites d'importance communautaire concernant la Région par la Commission en tenant compte des priorités résultant de l'importance des sites pour le maintien ou le rétablissement, dans un état de conservation favorable, d'un type d'habitat naturel d'intérêt communautaire ou d'une espèce d'intérêt communautaire et pour la cohérence de Natura 2000, ainsi qu'en fonction des menaces de dégradation ou de destruction qui pèsent sur eux.
  Chaque site identifié en vertu de l'article 40, § 1er, alinéa 2, 1°, est, de surcroît, désigné le plus rapidement possible comme site Natura 2000 par un arrêté du Gouvernement.
  § 2. L'arrêté de désignation d'un site Natura 2000 précise notamment :
  1° la dénomination retenue pour le site Natura 2000;
  2° la liste des types d'habitats naturels d'intérêt communautaire que le site Natura 2000 abrite et pour lesquels il est désigné, en précisant, le cas échéant, les habitats naturels prioritaires;
  3° la liste des espèces d'intérêt communautaire que le site Natura 2000 abrite et pour lesquelles il est désigné, en précisant, le cas échéant, les espèces prioritaires;
  4° la liste des habitats naturels et des espèces d'intérêt régional que le site Natura 2000 abrite et pour lesquels des objectifs de conservation sont définis;
  5° la synthèse des critères scientifiques ayant conduit à la sélection du site Natura 2000;
  6° l'état de conservation, à l'échelle du site Natura 2000, des populations des espèces et des types d'habitats naturels visés aux points 2° et 3° ;
  7° la localisation géographique exacte du site Natura 2000 et des différentes stations Natura 2000 qui le composent, avec les numéros de parcelles cadastrales, en mentionnant, le cas échéant, le pourcentage de la surface des parcelles concernées, reportée sur une ou plusieurs cartes d'au minimum 1/10 000e;
  8° la superficie du site Natura 2000;
  9° les objectifs de conservation du site Natura 2000 tels que visés à l'article 40, §§ 2 et 3, éventuellement détaillés pour certaines stations Natura 2000;
  10° pour chaque station Natura 2000 du site, les moyens de gestion proposés pour atteindre les objectifs de conservation visés au point 9°, parmi lesquels peuvent figurer :
  - l'élaboration d'un contrat de gestion avec les propriétaires et occupants concernés;
  - l'adaptation des mesures de gestion des stations dont la Région assure directement ou indirectement la gestion;
  - l'octroi à tout ou partie des stations du statut de réserve naturelle ou de réserve forestière, conformément aux chapitres 2 et 3 du présent Titre;
  - l'adoption par le Gouvernement de mesures particulières de gestion;
  - l'expropriation du site, son acquisition par achat ou échange en vue de sa gestion par l'Institut;
  11° le cas échéant, la liste des indicateurs qui seront utilisés pour évaluer la réalisation des objectifs de conservation du site Natura 2000 visés au point 9° ;
  12° les interdictions particulières applicables dans ou en dehors du site Natura 2000 ainsi que toute autre mesure préventive à prendre dans ou en dehors du site pour éviter la détérioration des habitats naturels et les perturbations significatives touchant les espèces d'intérêt communautaire ou d'intérêt régional;
  13° les obligations mises à charge des propriétaires concernés;
  14° la ou les commune(s) concernée(s);
  15° les éventuels autres statuts de protection du site.
  Les prescriptions visées aux points 7°, 9°, 12° et 13° ont valeur réglementaire.
  § 3. L'Institut élabore un projet d'arrêté de désignation qu'il transmet au Gouvernement.
  Le Gouvernement adopte le projet d'arrêté de désignation et le soumet à une enquête publique de quarante-cinq jours annoncée par :
  1° l'affichage d'un avis aux valves communales des communes concernées et au niveau du site concerné, de telle manière qu'il puisse être lu aisément;
  2° la diffusion d'un avis sur le site Internet de l'Institut.
  L'avis d'enquête mentionne :
  1° les communes concernées en tout ou en partie par le projet d'arrêté de désignation;
  2° le ou les endroits où le projet d'arrêté de désignation est mis à la disposition du public, à savoir à la maison communale de chaque commune concernée et à l'Institut;
  3° la date de début et de fin de l'enquête publique;
  4° l'adresse de l'Institut auprès duquel les remarques et réclamations peuvent être adressées.
  Les réclamations et remarques sont adressées à l'Institut au plus tard le dernier jour du délai de l'enquête publique par courrier postal, courriel ou dépôt contre récépissé.
  Dès l'ouverture de l'enquête publique, le Gouvernement sollicite l'avis du Conseil supérieur bruxellois de la conservation de la nature, du Conseil de l'environnement et du collège des bourgmestre et échevins des communes concernées, qui lui envoient leur avis dans les quarante-cinq jours de la demande. A défaut d'envoi dans ce délai, il est passé outre et la procédure est poursuivie.
  L'Institut transmet la synthèse des remarques et réclamations de même que son avis motivé au Gouvernement dans les quarante-cinq jours de la clôture de l'enquête publique.
  Le Gouvernement peut préciser les modalités de forme et de contenu de la consultation et des mesures de publicité visées au présent paragraphe.
  § 4. Le Gouvernement adopte l'arrêté de désignation au regard de la consultation des instances et de l'enquête publique.
  L'arrêté de désignation est publié au Moniteur belge dans les trente jours de son adoption. Il est également rendu accessible au public sur le site Internet de l'Institut et est notifié à l'AATL, au collège des bourgmestres et échevins de chaque commune concernée ainsi qu'aux propriétaires concernés identifiés sur la base des données cadastrales.
Onderafdeling 3. - Wijziging en declassering
Sous-Section 3. - Modification et déclassement
Art.45. § 1. De Regering kan op elk moment de schriftelijke en cartografische voorschriften van het aanwijzingsbesluit volledig of gedeeltelijk herzien volgens de evolutie van de wetenschappelijke kennis, de beheerstechnieken of de staat van instandhouding van de natuurlijke habitats en soorten aanwezig in het Natura 2000-gebied.
  De herziening bedoeld in lid 1 mag in geen geval tot de inperking van de oppervlakte van het Natura 2000-gebied leiden.
  § 2. De procedures voor de aanneming en bekendmaking van het aanwijzingsbesluit zijn eveneens van toepassing op de herziening ervan.
  Voor kleine wijzigingen kan de Regering evenwel beslissen dat ze niet aan een openbaar onderzoek onderhevig zijn.
  Elk ontwerp van kleine wijziging die bijkomende verplichtingen met zich meebrengt voor de betrokken eigenaars en gebruikers anders dan het Gewest, wordt hen toegestuurd en zij krijgen de gelegenheid om een advies in te dienen binnen dertig dagen van de betekening, buiten de schoolvakanties.
Art.45. § 1er. Le Gouvernement peut à tout moment revoir tout ou partie des prescriptions littérales et cartographiques de l'arrêté de désignation en fonction de l'évolution des connaissances scientifiques, des techniques de gestion ou de l'évolution de l'état de conservation des habitats naturels et des espèces présents sur le site Natura 2000.
  La révision visée à l'alinéa 1er ne peut en aucun cas induire une réduction de la superficie du site Natura 2000.
  § 2. Les procédures d'adoption et de publicité de l'arrêté de désignation sont applicables à sa modification.
  Toutefois, le Gouvernement peut décider que les modifications mineures ne soient pas soumises à enquête publique.
  Tout projet de modification mineure entraînant des contraintes supplémentaires pour les propriétaires et occupants concernés, autres que la Région, leur est notifié et il leur est donné l'occasion de remettre un avis dans les trente jours de la notification, en dehors des congés scolaires.
Art.46. § 1. Na advies van het Instituut en van de Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud doet de Regering, binnen de termijn bepaald in artikel 44 § 1, uitspraak over de eventuele aanwijzing als Natura 2000-gebied van gebieden die niet geselecteerd werden als gebieden van communautair belang.
  Gebieden die niet als Natura 2000-gebied worden aangewezen, worden bij Regeringsbesluit gedeclasseerd.
  § 2. Een gebied aangewezen als Natura 2000-gebied kan bij Regeringsbesluit volledig of gedeeltelijk gedeclasseerd worden na advies van het Instituut en de Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud als een gevolg van de periodieke beoordeling van het Natura 2000-netwerk door de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 9 van Richtlijn 92/43/EEG.
  Een dergelijke declassering kan enkel plaatsvinden wanneer de natuurlijke habitats en de bevolkingen van de soorten van communautair of gewestelijk belang waarvoor instandhoudingsdoelstellingen werden bepaald in een gunstige staat van instandhouding verkeren op het Europees grondgebied van de Lidstaten van de Europese Unie en het gewestelijke grondgebied en indien aangetoond kan worden dat de maatregel geen uitwerking zal hebben op het behoud van deze staat van instandhouding.
  § 3. De bekendmakingsmaatregelen bedoeld in artikel 44, § 4, zijn van toepassing.
Art.46. § 1er. Dans le délai de l'article 44, § 1er, le Gouvernement statue, après avis de l'Institut et du Conseil supérieur bruxellois de la conservation de la nature, sur la désignation ou non comme site Natura 2000 des sites qui ne sont pas retenus comme sites d'importance communautaire.
  Les sites qui ne sont pas désignés comme site Natura 2000 font l'objet d'un arrêté de déclassement du Gouvernement.
  § 2. Le déclassement total ou partiel d'un site désigné comme site Natura 2000 peut également avoir lieu, par arrêté du Gouvernement, après avis de l'Institut et du Conseil supérieur bruxellois de la conservation de la nature à l'issue de l'évaluation périodique du réseau Natura 2000 par la Commission des Communautés européennes en vertu de l'article 9 de la Directive 92/43/CEE.
  Un tel déclassement ne peut avoir lieu que si les habitats naturels et les populations des espèces d'intérêt communautaire ou régional pour lesquels des objectifs de conservation ont été définis sont dans un état de conservation favorable sur le territoire européen des Etats membres de l'Union européenne et le territoire régional et s'il peut être démontré que la mesure n'aura pas d'effet sur le maintien de cet état de conservation.
  § 3. Les mesures de publicité visées à l'article 44, § 4 sont d'application.
Afdeling 2. - Instandhoudingsmaatregelen
Section 2. - Mesures de conservation
Onderafdeling 1. - Preventieve maatregelen
Sous-section 1re. - Mesures préventives
Art.47. § 1. Onverminderd de toepassing van artikel 64 is het in een Natura 2000-gebied verboden om de natuurlijke habitats en habitats van soorten te beschadigen of om de populaties van de soorten waarop de instandhoudingdoelstellingen van het gebied van toepassing zijn te verstoren.
  § 2. De Regering legt de algemene verbodsbepalingen en alle andere preventieve maatregelen die van toepassing zijn op de projecten die niet zijn onderworpen aan een verkavelingsvergunning, noch aan een stedenbouwkundige vergunning, noch aan een milieuvergunning en ook niet aan een van de handelingen bedoeld in artikel 62, § 1, ten gunste van alle of van bepaalde Natura 2000-gebieden vast, behalve indien een ontheffing voorzien is in het beheerplan aangenomen in toepassing van artikel 50 of indien een afwijking toegestaan is in toepassing van artikel 64 of 85, binnen of buiten de perimeter van de betreffende Natura 2000-gebieden, met inbegrip van de aanneming van ecologische kwaliteitsnormen ter voorkoming van de aantasting van de natuurlijke habitats en de significante verstoringen van de soorten waarvoor de Natura 2000-gebieden aangewezen zijn.
Art.47. § 1er. Sans préjudice de l'application de l'article 64, dans un site Natura 2000, il est interdit de détériorer les habitats naturels et les habitats d'espèces ainsi que de perturber les populations des espèces couverts par les objectifs de conservation du site Natura 2000.
  § 2. Le Gouvernement arrête les interdictions générales ainsi que toute autre mesure préventive en faveur des sites Natura 2000 ou de certains de ceux-ci, applicables aux projets qui ne sont soumis ni à permis de lotir, ni à permis d'urbanisme, ni à permis d'environnement ou à l'un des actes visés à l'article 62, § 1er, sauf dispense stipulée dans le plan de gestion adopté en application de l'article 50 ou dérogation accordée en application des articles 64 ou 85, dans ou en dehors du périmètre des sites Natura 2000 concernés, y compris l'adoption de normes de qualité écologique pour éviter la détérioration des habitats naturels et les perturbations significatives touchant les espèces pour lesquels les sites Natura 2000 ont été désignés.
Art.48. De bijzondere verbodsbepalingen van toepassing binnen of buiten de perimeter van elk Natura 2000-gebied net als alle andere preventieve maatregelen die genomen dienen te worden binnen of buiten het gebied in antwoord op de ecologische vereisten en ter voorkoming van de aantasting van de natuurlijke habitats en van habitats van soorten waarop de instandhoudingdoelstellingen van toepassing zijn, net als in antwoord op de ecologische vereisten en ter voorkoming van de verstoring van de populaties van de soorten waarop de instandhoudingdoelstellingen van het gebied van toepassing zijn, worden geregeld door het aanwijzingsbesluit conform artikel 44, § 2, 12°.
Art.48. Les interdictions particulières applicables dans ou en dehors de chaque site Natura 2000 ainsi que toute autre mesure préventive à prendre dans ou en dehors du site pour répondre aux exigences écologiques et éviter la détérioration des habitats naturels et des habitats d'espèces couverts par les objectifs de conservation du site ainsi que pour répondre aux exigences écologiques et éviter la perturbation des populations des espèces couvertes par les objectifs de conservation du site, sont réglées par l'arrêté de désignation conformément à l'article 44, § 2, 12°.
Onderafdeling 2. - Beheersmaatregelen
Sous-section 2. - Mesures de gestion
Art.49. Elk Natura 2000-deelgebied maakt het voorwerp uit van een specifiek beheerplan aangenomen door de Regering.
  Het specifieke beheerplan vermeldt meer bepaald :
  1° de gekozen naam voor het deelgebied;
  2° de lijst met types natuurlijke habitats die het deelgebied herbergt en opgenomen in de instandhoudingdoelstellingen van het gebied, met desgevallend de vermelding van de prioritaire natuurlijke habitats;
  3° de lijst met soorten die het deelgebied herbergt en opgenomen in de instandhoudingdoelstellingen van het gebied, met desgevallend de vermelding van de prioritaire soorten;
  4° de rol en het belang van het deelgebied voor de coherentie van het Natura 2000-gebied waarvan het deel uitmaakt;
  5° de staat van instandhouding, op het niveau van het deelgebied, van de populaties van de soorten en de types natuurlijke habitats bedoeld in punt 2° en 3° ;
  6° de exacte geografische locatie van het deelgebied, met de kadastrale perceelnummers, met desgevallend de vermelding van het percentage van de betrokken percelen, net als van de types natuurlijke habitats bedoeld in punt 2°, overgenomen op een kaart van ten minste 1/10 000ste;
  7° de oppervlakte van het deelgebied;
  8° de details van het deelgebied wat betreft de instandhoudingdoelstellingen van het gebied bedoeld in artikel 44, § 2, 9°, overgenomen op een kaart van ten minste 1/10 000ste die meer bepaald de voornaamste verwachte evoluties voor de aanwezige habitats en vegetatie weergeeft;
  9° een beschrijving van de aard, de locatie en de periode van de beheerswerkzaamheden in het deelgebied die daar nodig zijn om de in punt 8° en in artikel 44, § 2, 9° bedoelde instandhoudingdoelstellingen te bereiken en om te voldoen aan de ecologische vereisten van de natuurlijke habitats en soorten bedoeld in artikel 44, § 2, 2° en 3°, met een onderscheid tussen de restauratie- en verbeteringswerkzaamheden enerzijds en de onderhoudswerkzaamheden anderzijds;
  10° desgevallend, de lijst van indicatoren die gebruikt zullen worden voor de beoordeling van de verwezenlijking van de in punt 8° en in artikel 44, § 2, 9° bedoelde instandhoudingdoelstellingen;
  11° de vrijstellingen op de verbodsbepalingen van artikelen 47, § 2 en 48 die noodzakelijk zijn om de in punt 9° bedoelde werkzaamheden uit te voeren;
  12° het statuut van de eigenaars en van de betrokken gebruikers van het deelgebied (indien deze laatste gekend zijn).
Art.49. Chaque station Natura 2000 fait l'objet d'un plan de gestion spécifique adopté par le Gouvernement.
  Le plan de gestion spécifique indique notamment :
  1° la dénomination retenue pour la station;
  2° la liste des types d'habitats naturels que la station abrite, visés par les objectifs de conservation du site, en indiquant, le cas échéant, les habitats naturels prioritaires;
  3° la liste des espèces que la station abrite, visées par les objectifs de conservation du site, en indiquant, le cas échéant, les espèces prioritaires;
  4° le rôle et l'importance de la station pour la cohérence du site Natura 2000 auquel elle appartient;
  5° l'état de conservation, à l'échelle de la station, des types d'habitats naturels et des populations des espèces visés aux points 2° et 3° ;
  6° la localisation géographique exacte de la station, avec les numéros de parcelles cadastrales, en mentionnant, le cas échéant, le pourcentage des parcelles concernées, ainsi que des types d'habitats naturels visés au point 2°, reportée sur une carte d'au minimum 1/10 000e;
  7° la superficie de la station;
  8° le détail pour la station des objectifs de conservation du site visés à l'article 44, § 2, 9°, reportés sur une carte d'au minimum 1/10 000e indiquant notamment les principales évolutions attendues de la végétation et des habitats présents;
  9° la description de la nature, la localisation et la période des travaux de gestion de la station à exécuter dans la station pour atteindre les objectifs de conservation visés au point 8° et à l'article 44, § 2, 9° et pour répondre aux exigences écologiques des habitats naturels et des espèces visés à l'article 44, § 2, 2° et 3°, en distinguant les travaux de restauration et d'amélioration et les travaux d'entretien;
  10° le cas échéant, la liste des indicateurs qui seront utilisés pour évaluer la réalisation des objectifs de conservation visés au point 8° et à l'article 44, § 2, 9° ;
  11° les dispenses aux interdictions des articles 47, § 2 et 48, nécessaires à la mise en oeuvre des travaux visés au point 9° ;
  12° le statut des propriétaires et, s'ils sont connus, des occupants concernés par la station.
Art.50. § 1. Het Instituut stelt een ontwerp van specifiek beheerplan op voor elk Natura 2000-deelgebied.
  § 2. Binnen dertig maanden na de publicatie in het Belgisch Staatsblad van een aanwijzingsbesluit van een Natura 2000-gebied, organiseert het Instituut voor elk Natura 2000-deelgebied van dat gebied een bespreking met de betrokken eigenaars en gebruikers om :
  1° te luisteren naar hun opmerkingen en commentaar over het specifiek beheerplan voor het Natura 2000-deelgebied;
  2° uit alle middelen die met toepassing van artikel 44, § 2, 10° worden voorgesteld in het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied die middelen te selecteren die het meest geschikt zijn om de met toepassing van artikel 44, § 2, 9° en 49, lid 2, 8° vastgelegde instandhoudingdoelstellingen te bereiken.
  Binnen vijfenveertig dagen na het in lid 1 bedoelde overleg over een Natura 2000-deelgebied, stelt het Instituut een omstandig en met redenen omkleed verslag op over de in te zetten middelen bedoeld in lid 1, 2° en stuurt dat naar de Regering. Het Instituut bezorgt de Regering ook het ontwerp van specifiek beheerplan, eventueel aangepast volgens de opmerkingen en het commentaar gehoord tijdens het overleg.
  De Regering mag de modaliteiten voor dat overleg bepalen.
  § 3. De Regering neemt het ontwerp van specifiek beheerplan aan en onderwerpt het gedurende dertig dagen aan een openbaar onderzoek dat wordt aangekondigd via :
  1° de aanplakking van een bericht op de gemeentelijke aankondigingsborden van de betrokken gemeentes en bij het bedoelde gebied op die wijze dat ze gemakkelijk gelezen kunnen worden;
  2° de verspreiding van een bericht op de website van het Instituut.
  Het bericht van onderzoek vermeldt :
  1° de gemeentes waarop het ontwerp van specifiek beheerplan geheel of gedeeltelijk van toepassing is;
  2° de plaats(en) waar het ontwerp van specifiek beheerplan ter beschikking ligt van het publiek, namelijk op het gemeentehuis van elke betrokken gemeente en bij het Instituut;
  3° de start- en einddatum van het openbaar onderzoek;
  4° het adres van het Instituut waar eventuele opmerkingen en klachten naartoe gestuurd kunnen worden.
  Klachten en opmerkingen worden uiterlijk op de laatste dag van de termijn van het openbaar onderzoek per briefwisseling, e-mail of door afgifte tegen ontvangstbewijs aan het Instituut gericht.
  Zodra het openbaar onderzoek wordt geopend, vraagt de Regering het advies van de Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud, het BROH, de houders van zakelijke rechten op de site en, wanneer het ontwerp van het beheerplan betrekking heeft op een beschermde site, de KCML. In zijn advies verduidelijkt het BROH onder meer de handelingen en de werken voorzien in het ontwerp van beheerplan die aan een stedenbouwkundige vergunning onderworpen zullen worden, en, in het geval van een beschermde site, de documenten, inlichtingen of voorafgaande studies die nodig zijn voor de indiening van een plan voor erfgoedbeheer of van een stedenbouwkundige vergunning [1 in toepassing van hoofdstuk VIbis van titel V van het BWRO of van artikel 175, 4° van dit Wetboek]1. Voorafgaand aan zijn advies kan het BROH bijkomende inlichtingen vragen aan het Instituut, dat deze inlichtingen verstuurt of de niet-versturing ervan rechtvaardigt. Bij ontstentenis van versturing van het advies van de geraadpleegde instanties binnen de vijfenveertig dagen te tellen na de ontvangst van de adviesaanvraag, wordt voorbijgaan aan het advies en wordt de procedure voortgezet.
  Het Instituut bezorgt de Regering een samenvatting van de opmerkingen en klachten samen met een met redenen omkleed advies binnen dertig dagen nadat het openbaar onderzoek is beëindigd.
  De Regering kan de vormelijke en inhoudelijke modaliteiten verduidelijken van de raadpleging en de bekendmakingsmaatregelen die in deze paragraaf beoogd worden.
  § 4. De Regering neemt het specifieke beheerplan aan, rekening houdend met de raadpleging van de instanties en het openbaar onderzoek. Ze bepaalt de geschikte middelen om de in toepassing van artikel 44, § 2, 9° en 49, lid 2, 8° vastgelegde instandhoudingdoelstellingen te bereiken. Zo nodig treft de Regering alle nodige maatregelen om een snelle toepassing van de gekozen middelen te verzekeren.
  Het specifieke beheerplan wordt bekendgemaakt door gewone vermelding in het Belgisch Staatsblad binnen dertig dagen nadat het is goedgekeurd. Het plan wordt voor het publiek beschikbaar gesteld op de website van het Instituut en wordt verstuurd naar de BROH, het college van burgemeester en schepenen van elke betrokken gemeente, net als naar de betrokken eigenaars die worden geïdentificeerd op basis van de kadastergegevens.
  § 5. Het specifieke beheerplan kan volgens de modaliteiten opgelegd in §§ 1 tot 4 van dit artikel herzien worden.
  Voor kleine wijzigingen kan de Regering evenwel beslissen dat ze niet aan een openbaar onderzoek onderhevig zijn.
  Elk ontwerp van kleine wijziging die bijkomende verplichtingen met zich meebrengt voor de betrokken eigenaars en gebruikers anders dan het Gewest, wordt hen toegestuurd en zij krijgen de gelegenheid om een advies in te dienen binnen dertig dagen van de betekening, buiten de schoolvakanties.
  § 6. De in § 5 bedoelde herziening heeft van ambtswege plaats indien de voorschriften van het aanwijzingsbesluit bedoeld in artikel 44, § 2, 2°, 3° of 9° gewijzigd worden in uitvoering van artikel 45, tenzij de Regering die wijzigingen als kleine wijzigingen beschouwd conform artikel 45, § 2.
  
Art.50. § 1er. L'Institut élabore un projet de plan de gestion spécifique pour chaque station Natura 2000.
  § 2. Dans les trente mois de la publication au Moniteur belge d'un arrêté de désignation d'un site Natura 2000, l'Institut organise pour chaque station Natura 2000 de ce site une concertation avec les propriétaires et occupants concernés dans le but de :
  1° recueillir leurs remarques et commentaires sur le projet de plan de gestion spécifique de la station Natura 2000;
  2° déterminer, parmi les moyens proposés par l'arrêté de désignation du site Natura 2000 en application de l'article 44, § 2, 10°, les moyens les plus appropriés pour atteindre les objectifs de conservation définis en application des articles 44, § 2, 9° et 49, alinéa 2, 8°.
  Dans les quarante-cinq jours de la concertation visée à l'alinéa 1er relative à une station Natura 2000, l'Institut établit et notifie au Gouvernement un rapport circonstancié et motivé sur les moyens visés à l'alinéa 1er, 2°, à mettre en oeuvre. Il notifie également au Gouvernement le projet de plan de gestion spécifique, éventuellement adapté sur la base des remarques et commentaires reçus dans le cadre de la concertation.
  Le Gouvernement peut arrêter les modalités de la concertation.
  § 3. Le Gouvernement adopte et soumet le projet de plan de gestion spécifique à une enquête publique de trente jours, annoncée par :
  1° l'affichage d'un avis aux valves communales des communes concernées et au niveau du site concerné, de telle manière qu'il puisse être lu aisément;
  2° la diffusion d'un avis sur le site internet de l'Institut.
  L'avis d'enquête mentionne :
  1° les communes concernées en tout ou en partie par le projet de plan de gestion spécifique;
  2° le ou les endroits où le projet de plan de gestion spécifique est mis à la disposition du public, à savoir à la maison communale de chaque commune concernée et à l'Institut;
  3° les dates de début et de fin de l'enquête publique;
  4° l'adresse de l'Institut auprès duquel les remarques et réclamations peuvent être adressées.
  Les réclamations et remarques sont adressées à l'Institut au plus tard le dernier jour du délai de l'enquête publique par courrier postal, courriel ou dépôt contre récépissé.
  Dès l'ouverture de l'enquête publique, le Gouvernement sollicite l'avis du Conseil supérieur bruxellois de la conservation de la nature, de l'AATL, des titulaires de droits réels sur le site ainsi que de la CRMS lorsque le projet de plan de gestion concerne un site classé. Dans son avis, l'AATL précise notamment les actes et travaux prévus par le projet de plan de gestion qui seront soumis à permis d'urbanisme et, en présence d'un site classé, les documents, renseignements ou études préalables qui seraient nécessaires pour le dépôt d'un plan de gestion patrimoniale ou d'un permis d'urbanisme [1 en application du chapitre VIbis du titre V du CoBAT ou de l'article 175, 4° de ce Code]1. Préalablement à son avis, l'AATL peut solliciter des renseignements complémentaires à l'Institut qui transmet ces renseignements ou justifie leur non-transmission. A défaut d'envoi de l'avis des instances consultées dans les quarante-cinq jours de la réception de la demande d'avis, il est passé outre et la procédure est poursuivie.
  L'Institut transmet la synthèse des remarques et réclamations de même que son avis motivé au Gouvernement dans les trente jours de la fin de l'enquête publique.
  Le Gouvernement peut préciser les modalités de forme et de contenu de la consultation et des mesures de publicité visées au présent paragraphe.
  § 4. Le Gouvernement adopte le plan de gestion spécifique au regard de la consultation des instances et de l'enquête publique. Il détermine les moyens appropriés pour atteindre les objectifs de conservation définis en application des articles 44, § 2, 9° et 49, alinéa 2, 8°. Le cas échéant, il prend toutes mesures nécessaires pour garantir la mise en oeuvre rapide des moyens retenus.
  Le plan de gestion spécifique est publié par mention au Moniteur belge dans les trente jours de son adoption. Il est rendu accessible au public sur le site internet de l'Institut et est notifié à l'AATL, au collège des bourgmestre et échevins de chaque commune concernée ainsi qu'aux propriétaires concernés identifiés sur la base des données cadastrales.
  § 5. Le plan de gestion spécifique peut être revu conformément aux modalités prescrites aux §§ 1er à 4 du présent article.
  Toutefois, le Gouvernement peut décider que les modifications mineures ne soient pas soumises à enquête publique.
  Tout projet de modification mineure entraînant des contraintes supplémentaires pour les propriétaires et occupants concernés, autres que la Région, leur est notifié et il leur est donné l'occasion de remettre un avis dans les trente jours de la notification, en dehors des congés scolaires.
  § 6. La révision visée au § 5 a lieu d'office si les prescriptions de l'arrêté de désignation visées à l'article 44, § 2, 2°, 3° ou 9°, sont modifiées en exécution de l'article 45, sauf si ces modifications sont considérées comme mineures par le Gouvernement conformément à l'article 45, § 2.
  
Art.51. Wanneer de toekenning van een statuut als natuurreservaat of bosreservaat gekozen werd als een geschikt middel om de in toepassing van artikel 44, § 2, 9° en 49, lid 2, 8° vastgelegde instandhoudingdoelstellingen van het deelgebied te bereiken, zal de Regering het natuurreservaat of bosreservaat aanwijzen conform artikelen 29, 32 en 37.
  Het specifieke beheerplan dat is goedgekeurd in toepassing van artikel 50 § 3 geldt als beheerplan voor het natuurreservaat of bosreservaat bedoeld in artikelen 29, 32 en 37.
Art.51. Lorsque la mise sous statut de réserve naturelle ou de réserve forestière a été retenue comme un moyen approprié pour atteindre les objectifs de conservation de la station définis en application des articles 44, § 2, 9° et 49, alinéa 2, 8°, le Gouvernement désigne la réserve naturelle ou la réserve forestière conformément aux articles 29, 32 et 37.
  Le plan de gestion spécifique arrêté en application de l'article 50, § 3, vaut plan de gestion de la réserve naturelle ou de la réserve forestière visé aux articles 29, 32 et 37.
Art.52. § 1. Wanneer het beheerscontract werd gekozen als een geschikt middel om de in toepassing van artikelen 44, § 2, 9° en 49, lid 2, 8° vastgelegde instandhoudingdoelstellingen van het deelgebied te bereiken, sluit de Regering dergelijk contract met de betrokken eigenaars en/of gebruikers, op voorstel van het Instituut. Voor één Natura 2000-deelgebied kunnen meerdere beheerscontracten worden afgesloten.
  Het beheerscontract wordt opgenomen in de registers van de hypotheekbewaarder. Die inschrijving gebeurt op initiatief en voor rekening van het Gewest.
  § 2. Het beheerscontract vermeldt ten minste :
  1° de identiteit van de partijen en de vertegenwoordigingsmodaliteiten;
  2° de verdeling van de werkzaamheden beschreven in het specifieke beheerplan onder de in punt 1° bedoelde partijen;
  3° de verdeling van eventuele subsidies onder de begunstigden;
  4° desgevallend de vestiging van nieuwe erfdienstbaarheden, van zowel openbaar nut als privaatrechtelijk, of van persoonlijke verplichtingen, net als de noodzakelijke onroerendgoedoverdrachten om de instandhoudingdoelstellingen van het gebied te bereiken;
  5° de sancties die van toepassing zijn in geval van verzaking aan het beheerscontract.
  § 3. Het beheerscontract bepaalt eveneens :
  1° de verplichting die de eigenaar en/of de gebruiker heeft om, bij overdracht van het geheel of een gedeelte van zijn rechten of bij toekenning van een persoonlijk recht, de naleving van het beheerscontract op te leggen aan de overnemer;
  2° de verplichting die de eigenaar en/of de gebruiker heeft om het Instituut op de hoogte te brengen van elke overgang, vestiging of wijziging van een zakelijk of persoonlijk recht betreffende een goed gelegen binnen de perimeter van het gebied;
  3° de verplichting voor de eigenaar en/of de gebruiker om het Instituut een jaarverslag te bezorgen over de toestand van de werkzaamheden uitgevoerd in het voorbije jaar. De Regering kan de inhoud van dat verslag bepalen.
  § 4. De Regering kan de modaliteiten bepalen voor het opstellen en sluiten van het beheerscontract, net als de inhoud daarvan, na advies van de Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud.
Art.52. § 1er. Lorsque le contrat de gestion a été retenu comme un moyen approprié pour atteindre les objectifs de conservation de la station définis en application des articles 44, § 2, 9° et 49, alinéa 2, 8°, le Gouvernement conclut, sur proposition de l'Institut, un tel contrat avec les propriétaires et/ou occupants concernés. Plusieurs contrats de gestion peuvent être conclus pour une même station Natura 2000.
  Le contrat de gestion est transcrit sur les registres du conservateur des hypothèques. Cette transcription est assurée à l'initiative et à la charge de la Région.
  § 2. Le contrat de gestion mentionne au minimum :
  1° l'identité des parties et les modalités de leur représentation;
  2° la répartition entre les parties visées au point 1° des travaux identifiés dans le plan de gestion spécifique;
  3° la répartition des éventuelles subventions entre les bénéficiaires;
  4° le cas échéant, la constitution des nouvelles servitudes, qu'elles soient d'utilité publique ou de droit privé ou encore, d'obligations personnelles ainsi que les mutations immobilières indispensables pour atteindre les objectifs de conservation du site;
  5° les sanctions applicables en cas de manquement au contrat de gestion.
  § 3. Le contrat de gestion précise également :
  1° l'obligation pour le propriétaire et/ou l'occupant d'imposer, en cas de cession de tout ou partie de ses droits ou d'octroi d'un droit personnel, le respect du contrat de gestion au cessionnaire;
  2° l'obligation pour le propriétaire et/ou l'occupant d'informer l'Institut de toute mutation, création ou modification de droit réel ou personnel relative à un bien repris dans le périmètre du site;
  3° l'obligation pour le propriétaire et/ou l'occupant de notifier à l'Institut un rapport annuel sur l'état des travaux effectués au cours de l'année écoulée. Le Gouvernement peut déterminer le contenu de ce rapport.
  § 4. Le Gouvernement peut préciser les modalités d'élaboration et de conclusion ainsi que le contenu du contrat de gestion après avis du Conseil supérieur bruxellois de la conservation de la nature.
Art.53. § 1. Elk beheerscontract wordt gesloten voor een periode van negen jaar.
  Op de vervaldatum wordt het contract verlengd voor dezelfde periode en onder dezelfde voorwaarden, behalve voor contractgebonden eigenaars en gebruikers die ten minste zes maanden op voorhand bij de minister verzet aantekenden tegen die verlenging. In dat geval wordt artikel 54, § 2 toegepast.
  § 2. Op een met redenen omkleed voorstel van het Instituut of op het met redenen omkleed verzoek één of meerdere betrokken eigenaars en gebruikers, kan elk beheerscontract herzien worden afhankelijk van de evolutie van de wetenschappelijke kennis, de beheerstechnieken of van de staat van instandhouding van de natuurlijke habitats en soorten die het deelgebied herbergt en opgenomen zijn in de instandhoudingdoelstellingen van het gebied.
  Die herziening heeft van rechtswege plaats indien de voorschriften opgelegd in het aanwijzingsbesluit, bedoeld in artikel 44, § 2, 2°, 3° of 9°, of de voorschriften van het specifieke beheerplan, bedoeld in artikel 49, lid 2, 8°, worden herzien in uitvoering van respectievelijk artikel 45 of artikel 50, § 5, tenzij de Regering die wijzigingen beschouwt als kleine wijzigingen conform artikel 45, § 2 of artikel 50, § 5.
Art.53. § 1er. Chaque contrat de gestion est conclu pour une durée de neuf ans.
  A son échéance, le contrat est prorogé pour la même durée et aux mêmes conditions, sauf à l'égard des propriétaires et occupants signataires du contrat qui ont notifié au Ministre leur opposition à cette prorogation au moins six mois à l'avance. Dans ce dernier cas, il est fait application de l'article 54, § 2.
  § 2. Sur proposition motivée de l'Institut ou à la demande motivée d'un ou plusieurs propriétaires et occupants concernés, chaque contrat de gestion peut être revu en fonction de l'évolution des connaissances scientifiques, des techniques de gestion ou encore de l'état de conservation des habitats naturels et des espèces que la station abrite et visés par les objectifs de conservation du site.
  Cette révision a lieu d'office si les prescriptions de l'arrêté de désignation, visées à l'article 44, § 2, 2°, 3° ou 9°, ou les prescriptions du plan de gestion spécifique, visées à l'article 49, alinéa 2, 8°, sont modifiés en exécution respectivement de l'article 45 ou de l'article 50, § 5, sauf si ces modifications sont considérées comme mineures par le Gouvernement conformément à l'article 45, § 2 ou à l'article 50, § 5.
Art.54. § 1. Onverminderd de regels met betrekking tot de vaststelling van strafrechtelijke overtredingen, is het Instituut bevoegd tot het vaststellen van elke niet-uitvoering van de maatregelen of beheers-, restauratie- en verbeteringswerken van toepassing op het gebied en met name van elke schending aan de bepalingen van het contract.
  De daartoe aangestelde ambtenaren van het Instituut stellen een proces-verbaal op van de schending aan de bepalingen van het contract. Een kopie daarvan wordt in een ter post aangetekend schrijven met ontvangstbewijs naar de betrokken eigenaar of gebruiker gestuurd. De betrokken eigenaar of gebruiker heeft één maand vanaf de dag van de betekening van de proces-verbaal om zijn verweer in een aangetekend schrijven met ontvangstbewijs aan het Instituut te richten. Na die termijn wordt het stilzwijgen van de betrokken eigenaar of gebruiker geïnterpreteerd als een erkenning van de vastgestelde feiten.
  § 2. Ingeval een of meer eigenaars de verplichtingen opgelegd aan de eigenaars in toepassing van artikel 44, § 2, 13° niet naleven, ingeval een of meer betrokken eigenaars of gebruikers de maatregelen of beheerswerkzaamheden vastgelegd in het beheerplan van een natuurreservaat niet naleven, ingeval een of meer betrokken eigenaars of gebruikers de maatregelen of beheerswerkzaamheden vastgelegd in het beheerplan niet naleven, of indien een einde gesteld wordt aan het beheerscontract conform artikel 53, § 1 of in elke andere omstandigheid die het ongeschonden karakter van het gebied in het gedrang dreigt te brengen, zal de Regering - na advies van het Instituut - de geschikte maatregelen treffen om te voorkomen dat het ongeschonden karakter van het gebied wordt aangetast en met name om de instandhoudingdoelstellingen te bereiken.
  Die geschikte maatregelen kunnen worden aangenomen in de vorm van een herzieningsbesluit conform artikel 45. Ze kunnen ook bestaan uit de indeplaatsstelling van ambtswege door het Instituut van de verzakende eigenaar of gebruiker conform artikel 56.
Art.54. § 1er. Sans préjudice des règles relatives à la constatation des infractions pénales, l'Institut est compétent pour constater toute inexécution des mesures ou des travaux de gestion, de restauration et d'amélioration applicables sur le site et notamment tout manquement aux clauses du contrat.
  Les agents de l'Institut désignés à cet effet dressent un procès-verbal du manquement aux clauses du contrat dont une copie est transmise par pli recommandé à la poste avec accusé de réception au propriétaire ou à l'occupant concerné. Le propriétaire ou l'occupant concerné dispose d'un délai d'un mois, à dater de la notification du procès-verbal, pour adresser ses moyens de défense, par pli recommandé à la poste, avec accusé de réception à l'Institut. Passé ce délai, le silence du propriétaire ou de l'occupant est considéré comme une reconnaissance de la matérialité des faits constatés.
  § 2. En cas d'inexécution des obligations mises à charge des propriétaires en application de l'article 44, § 2, 13°, par un ou plusieurs propriétaires, en cas d'inexécution des mesures ou des travaux de gestion définis dans le plan de gestion d'une réserve naturelle par un ou plusieurs propriétaires ou occupants concernés, en cas d'inexécution des mesures ou des travaux de gestion définis dans le contrat de gestion par un ou plusieurs propriétaires ou occupants concernés, ou s'il est mis fin au contrat de gestion conformément à l'article 53, § 1er ou dans toute autre circonstance susceptible de porter atteinte à l'intégrité du site, le Gouvernement prend, après l'avis de l'Institut, les mesures appropriées pour éviter qu'il soit porté atteinte à l'intégrité du site, et notamment pour la réalisation des objectifs de conservation du site.
  Ces mesures appropriées peuvent être adoptées sous la forme d'un arrêté de révision conformément à l'article 45. Elles peuvent aussi consister dans la substitution d'office de l'Institut au propriétaire ou à l'occupant défaillant conformément à l'article 56.
Art.55. § 1. Wanneer de eigenaars verplichtingen krijgen opgelegd in toepassing van artikel 44, § 2, 13°, kunnen de betrokken eigenaars in toepassing van artikel 52 een beheerscontract sluiten om die verplichtingen geheel of gedeeltelijk over te dragen aan het Instituut, onder de voorwaarden vastgelegd in het beheerscontract.
  § 2. Wanneer de eigenaars verplichtingen krijgen opgelegd in toepassing van artikel 44, § 2, 13° of wanneer een beheerscontract werd gesloten in toepassing van artikel 52, kan het Gewest een subsidie uitkeren voor de maatregelen of beheers-, restauratie- en verbeteringswerkzaamheden ten laste gelegd aan of ten laste genomen door de betrokken eigenaars en/of gebruikers onder de voorwaarden vastgelegd door de Regering.
Art.55. § 1er. Lorsque des obligations sont mises à charge des propriétaires en application de l'article 44, § 2, 13°, les propriétaires concernés peuvent, par la conclusion d'un contrat de gestion en application de l'article 52, transférer tout ou partie de la charge de ces obligations à l'Institut, conformément aux modalités fixées dans le contrat de gestion.
  § 2. Lorsque des obligations sont mises à charge des propriétaires en application de l'article 44, § 2, 13°, ou lorsqu'un contrat de gestion a été conclu en application de l'article 52, la Région peut subventionner les mesures ou travaux de gestion, de restauration et d'amélioration mis à charge ou pris en charge par les propriétaires et/ou occupants concernés selon les conditions déterminées par le Gouvernement.
Art.56. De Regering mag het Instituut ook opdragen om zich in de plaats te stellen van de eigenaar of gebruikers die in gebreke blijven in de uitvoering van hun verplichtingen.
  In dat geval mag het Instituut de gemaakte kosten geheel of gedeeltelijk terugvorderen in een ter post aangetekend schrijven. Indien de eigenaar of gebruiker in gebreke blijft met de betaling van de kosten, dan worden deze ingevorderd door de ontvanger van het bestuur van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Art.56. Le Gouvernement peut également charger l'Institut de se substituer au propriétaire ou occupant défaillant dans l'exécution de ses obligations.
  Dans ce cas, l'Institut peut solliciter la récupération de tout ou partie des frais engagés par lettre recommandée à la poste. Si le propriétaire ou l'occupant demeure en défaut de payer les frais, le recouvrement de ceux-ci est poursuivi par le receveur de l'administration de la Région de Bruxelles-Capitale.
HOOFDSTUK 5. - Passende beoordeling van de effecten
CHAPITRE 5. - Evaluation appropriée des incidences
Afdeling 1. - Passende beoordeling van de effecten
Section 1re. - De l'évaluation appropriée
Onderafdeling 1. - Algemene bepaling
Sous-section 1re. - Disposition générale
Art.57. § 1. Voor elk vergunnings-, toelatings- of goedkeuringsplichtig plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het ecologische beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor dat gebied, rekening houdend met de instandhoudingdoelstellingen van dat Natura 2000-gebied, conform de bepalingen van deze onderafdeling.
  Een plan of project kan significante gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied in de zin van het voorgaande lid, indien op grond van objectieve elementen - met name deze opgenomen in bijlage VII - niet kan uitgesloten worden dat het plan of project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten, de verwezenlijking van een of meer instandhoudingdoelstellingen van het gebied in gevaar brengt.
  Met uitsluiting van de beheerplannen bedoeld in artikelen 29, 37 en 49 en de projecten, handelingen en werkzaamheden noodzakelijk voor de verwezenlijking ervan, worden volgende elementen beschouwd als elementen die significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied :
  1° milieueffectbeoordelingsplichtige plannen waarvan het geografische toepassingsgebied een volledig of gedeeltelijk Natura 2000-gebied omvat;
  2° projecten onderworpen aan een milieueffectstudie of milieueffectrapport die betrekking hebben op onroerende goederen gelegen in een Natura 2000-gebied of op minder dan zestig meter van de perimeter ervan.
  De Regering kan de beoordelingscriteria voor het risico op effecten van een plan en project op een Natura 2000-gebied nader bepalen of aanvullen.
  § 2. De passende beoordeling omvat minimaal de gegevens en elementen vermeld in bijlage VIII.
  De Regering kan nader bepalen of aanvullen op welke gegevens en elementen de passende beoordeling betrekking moet hebben.
  § 3. De Regering kan de autoriteit die bevoegd is om een plan aan te nemen, om een project goed te keuren of om een attest, vergunning of toelating te verlenen de verplichting opleggen om, voorafgaand aan haar beslissing, het advies te vragen van het Instituut wanneer een passende beoordeling vereist is krachtens dit artikel.
  § 4. Conform artikelen 70 tot 78 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, bepaalt de Regering de erkenningsvoorwaarden van Natura 2000-deskundigen.
Art.57. § 1er. Tout plan ou projet soumis à permis, à autorisation ou à approbation, non directement lié ou nécessaire à la gestion écologique d'un site Natura 2000 mais susceptible de l'affecter de manière significative, individuellement ou en conjugaison avec d'autres plans et projets, fait l'objet, conformément aux dispositions de la présente sous-section, d'une évaluation appropriée de ses incidences sur le site eu égard aux objectifs de conservation de ce site Natura 2000.
  Un plan ou un projet est susceptible d'affecter un site Natura 2000 de manière significative, au sens de l'alinéa précédent, lorsqu'il ne peut être exclu, sur la base d'éléments objectifs, notamment ceux repris en annexe VII, qu'il compromet la réalisation d'un ou plusieurs objectifs de conservation du site, individuellement ou en conjugaison avec d'autres plans ou projets.
  A l'exclusion des plans de gestion visés aux articles 29, 37 et 49 et des projets, actes et travaux nécessaires à leur mise en oeuvre, sont réputés susceptibles d'affecter un site Natura 2000 de manière significative :
  1° les plans soumis à évaluation environnementale dont le champ d'application géographique couvre tout ou partie d'un site Natura 2000;
  2° les projets soumis à étude d'incidences ou à rapport d'incidences concernant des biens immobiliers situés dans un site Natura 2000 ou à moins de soixante mètres de son périmètre.
  Le Gouvernement peut préciser ou compléter les critères d'appréciation du risque d'incidences d'un plan et d'un projet sur un site Natura 2000.
  § 2. L'évaluation appropriée porte au minimum sur les informations et éléments mentionnés à l'annexe VIII.
  Le Gouvernement peut préciser ou compléter les informations et éléments sur lesquels porte l'évaluation appropriée.
  § 3. Le Gouvernement peut instaurer l'obligation dans le chef de l'autorité compétente pour adopter un plan, approuver un projet ou délivrer un certificat, un permis ou une autorisation, de solliciter, préalablement à sa décision, l'avis de l'Institut lorsqu'une évaluation appropriée est requise en vertu du présent article.
  § 4. Conformément aux articles 70 à 78 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, le Gouvernement détermine les conditions d'agrément des experts Natura 2000.
Onderafdeling 2. - Passende beoordeling van de effecten van de plannen
Sous-section 2. - Evaluation appropriée des incidences des plans
Art.58. De plannen bedoeld in artikel 57 worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling conform de bepalingen van het BWRO of de ordonnantie van 18 maart 2004 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde plannen en programma's.
  Conform de bepalingen van het BWRO of de ordonnantie van 18 maart 2004, legt de auteur van het ontwerp van plan het ontwerp van bestek voor het milieueffectrapport ter advies voor aan het Instituut als het Instituut niet zelf de planauteur is.
Art.58. Les plans visés à l'article 57 font l'objet d'une évaluation de leurs incidences conformément aux dispositions du CoBAT ou de l'ordonnance du 18 mars 2004 relative à l'évaluation des incidences de certains plans et programmes sur l'environnement.
  Conformément aux dispositions du CoBAT ou de l'ordonnance du 18 mars 2004, l'auteur de projet de plan soumet le projet de cahier des charges du rapport sur les incidences environnementales pour avis à l'Institut lorsque celui-ci n'est pas l'auteur du plan.
Onderafdeling 3. - Passende beoordeling van de effecten van projecten onderworpen aan een vergunning en aan een milieueffectenstudie
Sous-section 3. - Evaluation appropriée des incidences des projets soumis à permis et à étude d'incidences
Art.59. § 1. Voor aanvragen om verkavelingsvergunningen en aanvragen om stedenbouwkundige vergunningen of attesten met betrekking tot een project opgenomen in bijlage A bij het BWRO, net als voor aanvragen om stedenbouwkundige vergunningen of attesten met betrekking tot een inrichting van klasse I.A in de zin van artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, zal de autoriteit [1 die ermee belast is het dossier volledig te verklaren overeenkomstig artikel 176 van het BWRO of artikel 20 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen]1 onderzoeken of het project of de inrichting, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
  De autoriteit gaat na of de hypothese bedoeld in artikel 57, § 1, lid 3, 2°, een feit is. Is dat niet het geval, dan beslist ze met name in het licht van de criteria van bijlage VII.
  § 2. Indien het project of de inrichting significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied :
  1° [1 ...]1
  2° zal [1 het in artikel 175/4 van het BWRO of artikel 22 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen bedoelde begeleidingscomité]1 in de effectenstudie een passende beoordeling van de effecten van het project of de inrichting voor het Natura 2000-gebied opleggen, in het licht van de instandhoudingdoelstellingen van dat gebied, met daarin onder meer de gegevens en elementen vermeld in bijlage VIII.
  
Art.59. § 1er. Pour les demandes de permis de lotir et les demandes de certificat ou de permis d'urbanisme relatives à un projet mentionné à l'annexe A du CoBAT, ainsi que pour les demandes de certificats ou de permis d'environnement relatives à une installation de classe I.A. au sens de l'article 4 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, l'autorité chargée [1 de déclarer le dossier complet conformément à l'article 176 du CoBAT ou à l'article 20 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement]1 examine si le projet ou l'installation est susceptible d'affecter un site Natura 2000 de manière significative, individuellement ou en conjugaison avec d'autres plans et projets.
  L'autorité vérifie si l'hypothèse visée à l'article 57, § 1er, alinéa 3, 2°, est remplie. Si ce n'est pas le cas, elle statue notamment au regard des critères de l'annexe VII.
  § 2. Si le projet ou l'installation est susceptible d'affecter un site Natura 2000 de manière significative :
  1° [1 ...]1
  2° [1 le comité d'accompagnement visé à l'article 175/4 du CoBAT ou à l'article 22 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement]1 prescrit la réalisation, dans l'étude d'incidences, d'une évaluation appropriée des incidences du projet ou de l'installation sur le site Natura 2000 eu égard aux objectifs de conservation de ce site qui comprend notamment les informations et éléments mentionnés à l'annexe VIII.
  
Onderafdeling 4. - Passende beoordeling van de effecten van projecten onderworpen aan een vergunning en een milieueffectenrapport
Sous-section 4. - Evaluation appropriée des incidences des projets soumis à permis et à rapport d'incidences
Art.60. § 1. Voor aanvragen om verkavelingsvergunningen en aanvragen om stedenbouwkundige vergunningen of attesten met betrekking tot een project opgenomen in bijlage B bij het BWRO, net als voor aanvragen om stedenbouwkundige vergunningen of attesten met betrekking tot een inrichting van klasse I.B in de zin van artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, zal de autoriteit belast met het onderzoek van het milieueffectrapport conform [1 artikel 175/17]1 van het BWRO of conform artikel 39, § 2 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, onderzoeken of het project of de inrichting, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
  Deze autoriteit gaat na of de hypothese bedoeld in artikel 57, § 1, lid 3, 2°, een feit is. Is dat niet het geval, dan beslist ze met name in het licht van de criteria van bijlage VII.
  § 2. Binnen de termijnen bepaald in [1 artikel 176, leden 3 en volgende]1 van het BWRO of in [1 artikel 39, § 1]1 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen om de volledigheid van het effectenrapport te beoordelen, zal de autoriteit bedoeld in § 1 naargelang het geval :
  1° de aanvraag onvolledig verklaren en bijkomende inlichtingen vragen als de ingediende documenten niet alle elementen bevatten om te kunnen nagaan of het project of de inrichting significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied;
  2° de aanvraag onvolledig verklaren, eisen dat het milieueffectrapport wordt aangevuld met een passende beoordeling van de effecten door een Natura 2000-deskundige van de gevolgen van het project of de inrichting op het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingdoelstellingen van dat gebied, en de inhoud van die passende beoordeling nader toelichten, onder meer in het licht van de gegevens en elementen opgesomd in bijlage VIII, indien het project of de inrichting significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied;
  3° besluiten dat het project of de inrichting wellicht geen significante gevolgen zal hebben voor een Natura 2000-gebied.
  
Art.60. § 1er. Pour les demandes de permis de lotir et les demandes de certificat ou de permis d'urbanisme relatives à un projet mentionné à l'annexe B du CoBAT, ainsi que pour les demandes de certificat ou permis d'environnement relatives à une installation de classe I.B au sens de l'article 4 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, l'autorité chargée de procéder à l'examen du rapport d'incidences conformément à l'[1 article 175/17]1 du CoBAT ou à l'article 39, § 2 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, examine si le projet ou l'installation est susceptible d'affecter un site Natura 2000 de manière significative, individuellement ou en conjugaison avec d'autres plans et projets.
  Cette autorité vérifie si l'hypothèse visée à l'article 57, § 1er, alinéa 3, 2°, est remplie. Si ce n'est pas le cas, elle statue notamment au regard des critères de l'annexe VII.
  § 2. Dans les délais prescrits par l'[1 article 176, alinéas 3 et suivants,]1 du CoBAT ou par l'[1 article 39, § 1er,]1 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement pour apprécier le caractère complet du rapport d'incidences, l'autorité visée au § 1er, suivant le cas :
  1° déclare la demande incomplète et sollicite des renseignements complémentaires lorsque les documents transmis ne contiennent pas les éléments lui permettant d'apprécier si le projet ou l'installation est susceptible d'affecter un site Natura 2000 de manière significative;
  2° déclare la demande incomplète, prescrit que le rapport d'incidences intègre une évaluation appropriée, réalisée par un expert Natura 2000, des incidences du projet ou de l'installation sur le site Natura 2000 eu égard aux objectifs de conservation de ce site, et précise le contenu de cette évaluation appropriée au regard notamment des informations et éléments mentionnés à l'annexe VIII, lorsque le projet ou l'installation est susceptible d'affecter un site Natura 2000 de manière significative;
  3° décide que le projet ou l'installation n'est pas susceptible d'affecter un site Natura 2000 de manière significative.
  
Onderafdeling 5. - Passende beoordeling van de effecten van vergunningsplichtige projecten die niet onderworpen zijn aan een milieueffectenstudie of -rapport
Sous-section 5. - Evaluation appropriée des incidences des projets soumis à permis et non soumis à étude ou rapport d'incidences
Art.61. § 1. Voor aanvragen om verkavelingsvergunningen en aanvragen om stedenbouwkundige vergunningen of attesten met betrekking tot een project dat niet is vermeld in bijlage A en B bij het BWRO, net als voor aanvragen om milieuvergunningen m.b.t. een inrichting van klasse II of een tijdelijke inrichting in de zin van artikel 3, 2° en 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende milieuvergunningen, zal de autoriteit die moet oordelen over de volledigheid van het aanvraagdossier voor de milieuvergunning conform artikel 125 of 176 van het BWRO of conform artikel 49 of 52 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, onder meer in het licht van de criteria van bijlage VII, onderzoeken of het project of de inrichting, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
  Binnen de termijnen bepaald in de artikelen 125, lid 3 en 176, lid 3, van het BWRO of in artikel 16, 49 en 52 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen om de volledigheid van het aanvraagdossier van de vergunning te beoordelen, zal deze autoriteit naargelang het geval :
  1° de aanvraag onvolledig verklaren en bijkomende inlichtingen vragen als de ingediende documenten niet alle elementen bevatten om te kunnen nagaan of het project of de inrichting significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied;
  2° de aanvraag onvolledig verklaren, eisen dat het aanvraagdossier wordt aangevuld met een passende beoordeling door een Natura 2000-deskundige van de effecten van het project of de inrichting op het Natura 2000-gebied in het licht van de instandhoudingdoelstellingen van dat gebied, en de inhoud van die passende beoordeling nader toelichten in het licht van de gegevens en elementen opgesomd in bijlage VIII, indien het project of de inrichting significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied;
  3° besluiten dat het project of de inrichting wellicht geen significante gevolgen zal hebben voor een Natura 2000-gebied.
  § 2. In het geval het aanvraagdossier voor een verkavelingsvergunning, een stedenbouwkundig attest of een stedenbouwkundige vergunning een passende beoordeling in toepassing van § 1, lid 2, 2° omvat, is het aanvraagdossier onderworpen aan de bijzondere bekendmakingsmaatregelen bedoeld in artikelen 150 en 151 van het BWRO.
  In het geval het aanvraagdossier voor een milieuvergunning voor een tijdelijke installatie een passende beoordeling omvat in toepassing van § 1, lid 2, 2°, wordt het aanvraagdossier onderzocht, door de bevoegde autoriteit, volgens de proceduremodaliteiten van artikelen 50 en 51 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, in afwijking van artikel 53 van diezelfde ordonnantie.
Art.61. § 1er. Pour les demandes de permis de lotir et les demandes de certificat ou de permis d'urbanisme relatives à un projet non mentionné aux annexes A et B du CoBAT ainsi que pour les demandes de permis d'environnement relatives à une installation de classe II ou à une installation temporaire au sens des articles 3, 2° et 4 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, l'autorité chargée d'apprécier le caractère complet du dossier de demande de permis conformément à l'article 125 ou 176 du CoBAT ou conformément à l'article 16, 49 ou 52 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement examine, notamment au regard des critères de l'annexe VII, si le projet ou l'installation est susceptible d'affecter un site Natura 2000 de manière significative, individuellement ou en conjugaison avec d'autres plans et projets.
  Dans les délais prescrits par les articles 125, alinéa 3 et 176, alinéa 3, du CoBAT ou par les articles 16, 49 et 52 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, pour apprécier le caractère complet du dossier de demande de permis, cette autorité, suivant le cas :
  1° déclare la demande incomplète et sollicite des renseignements complémentaires lorsque les documents transmis ne contiennent pas les éléments lui permettant d'apprécier si le projet ou l'installation est susceptible d'affecter un site Natura 2000 de manière significative;
  2° déclare la demande incomplète, prescrit que le dossier de demande intègre une évaluation appropriée, réalisée par un expert Natura 2000, des incidences du projet ou de l'installation sur le site Natura 2000 eu égard aux objectifs de conservation de ce site, et précise le contenu de cette évaluation appropriée au regard notamment des informations et éléments mentionnés à l'annexe VIII, lorsque le projet ou l'installation est susceptible d'affecter un site Natura 2000 de manière significative;
  3° décide que le projet ou l'installation n'est pas susceptible d'affecter un site Natura 2000 de manière significative.
  § 2. Dans l'hypothèse où le dossier de demande de permis de lotir, de certificat ou de permis d'urbanisme intègre une évaluation appropriée en application du § 1er, alinéa 2, 2°, le dossier de demande est soumis aux mesures particulières de publicité visées aux articles 150 et 151 du CoBAT.
  Dans l'hypothèse où le dossier de demande de permis d'environnement relative à une installation temporaire intègre une évaluation appropriée en application du § 1er, alinéa 2, 2°, le dossier de demande est instruit, par l'autorité compétente, selon les modalités procédurales des articles 50 et 51 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, par dérogation à l'article 53 de la même ordonnance.
Onderafdeling 6. - Passende beoordeling
Sous-section 6. - Evaluation appropriée
Art.62. § 1. Voor de vergunningen vereist door de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van het grondwater, de akten die gelden als milieuvergunning of voor de vergunningen opgesomd door de Regering, zal de autoriteit die moet oordelen over de volledigheid van het aanvraagdossier of van het project leidend tot een akte die geldt als milieuvergunning, of, wanneer de toepasselijke regelgeving op de vergunningsaanvraag geen beslissing over de volledigheid van de aanvraag oplegt, de autoriteit bevoegd voor de uitreiking van de vergunning, onderzoeken of het project, onder meer in het licht van de criteria in bijlage VII, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
  § 2. Binnen de termijnen bepaald in de regelgeving die van toepassing is op een goedkeuringsaanvraag om de volledigheid van het aanvraagdossier van de goedkeuring te beoordelen of, bij ontstentenis, binnen een termijn van 15 dagen te tellen vanaf de ontvangst van het aanvraagdossier, zal deze autoriteit naargelang het geval :
  1° de aanvraag of het dossier van het project onvolledig verklaren volgens de voorwaarden en modaliteiten vastgelegd in de toepasselijke regelgeving en bijkomende inlichtingen vragen wanneer de ingediende aanvraag of het project niet alle elementen bevat om te kunnen beoordelen of het project significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied;
  2° de aanvraag of het dossier van het project onvolledig verklaren, eisen dat het aanvraagdossier of het dossier van het project wordt aangevuld met een passende beoordeling door een Natura 2000-deskundige van de effecten van het project op het Natura 2000-gebied, in het licht van de instandhoudingdoelstellingen van dat gebied, en de inhoud van die passende beoordeling nader toelichten in het licht van de gegevens en elementen opgesomd in bijlage VIII, indien het project of de inrichting significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied;
  3° besluiten dat het project wellicht geen significante gevolgen zal hebben voor een Natura 2000-gebied.
  § 3. In het geval het aanvraagdossier of het project een passende beoordeling in toepassing van § 2, lid 2, 2° omvat, is het aanvraagdossier onderworpen aan de modaliteiten betreffende de inspraak van het publiek conform de bepalingen voorzien in het betreffende vergunningsstelsel.
  Bij gebrek aan een dergelijk stelsel van inspraak van het publiek, zal het college van burgemeester en schepenen van elke betrokken gemeente een openbaar onderzoek organiseren op eigen initiatief indien het college zelf de bevoegde autoriteit is, of binnen twee weken na het verzoek van de bevoegde autoriteit. Het aanvraagdossier ligt ter inzage voor het publiek op het gemeentehuis voor de duur vereist voor het onderzoek. De start- en einddatum van die duur worden aangegeven in de berichten van openbaar onderzoek. Klachten en opmerkingen worden binnen de opgelegde termijn aan het college van burgemeester en schepenen per brief, e-mail of door afgifte tegen ontvangstbewijs gericht en bij het slotverslag van het onderzoek gevoegd. Het college van burgemeester en schepenen stelt dat slotverslag op binnen acht dagen het verstrijken van de termijn en legt het over aan de bevoegde autoriteit indien het college van burgemeester en schepenen niet zelf de bevoegde autoriteit is. De Regering mag de organisatiemodaliteiten van dat openbaar onderzoek preciseren.
Art.62. § 1er. Pour les autorisations requises par la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux souterraines, les actes valant permis d'environnement ou pour les autorisations énumérées par le Gouvernement, l'autorité chargée d'apprécier le caractère complet du dossier de demande ou du projet donnant lieu à acte valant permis d'environnement, ou lorsque la réglementation applicable à la demande d'autorisation ne prévoit pas de décision sur le caractère complet de la demande, l'autorité compétente pour la délivrance de l'autorisation, examine, notamment au regard des critères de l'annexe VII, si le projet est susceptible d'affecter un site Natura 2000 de manière significative, individuellement ou en conjugaison avec d'autres plans et projets.
  § 2. Dans les délais prescrits par la réglementation applicable à la demande d'autorisation pour apprécier le caractère complet du dossier de demande d'autorisation ou à défaut dans un délai de quinze jours à dater du jour où elle a reçu le dossier de demande, cette autorité, suivant le cas :
  1° déclare la demande ou le dossier du projet incomplet, conformément aux conditions et suivant les modalités fixées par la réglementation applicable, et sollicite des renseignements complémentaires lorsque la demande ou le projet ne contient pas les éléments lui permettant d'apprécier si le projet est susceptible d'affecter un site Natura 2000 de manière significative;
  2° déclare la demande ou le dossier du projet incomplet, prescrit que le dossier de demande ou le dossier du projet intègre une évaluation appropriée, réalisée par un expert Natura 2000, des incidences du projet sur le site Natura 2000 eu égard aux objectifs de conservation de ce site, et précise le contenu de cette évaluation appropriée au regard notamment des informations et éléments mentionnés à l'annexe VIII, lorsque le projet est susceptible d'affecter un site Natura 2000 de manière significative;
  3° décide que le projet n'est pas susceptible d'affecter un site Natura 2000 de manière significative.
  § 3. Dans l'hypothèse où le dossier de demande ou le projet intègre une évaluation appropriée en application du § 2, alinéa 2, 2°, le dossier de demande est soumis aux modalités de participation du public conformément aux dispositions prévues par le régime d'autorisation concerné.
  En l'absence d'un tel régime de participation du public, le collège des bourgmestre et échevins de chaque commune concernée organise une enquête publique d'initiative lorsqu'il est l'autorité compétente ou dans les quinze jours de la demande de l'autorité compétente. Le dossier de la demande est tenu à la disposition du public à la maison communale aux fins de consultation pendant la durée requise pour l'enquête, dont le début et la fin sont précisés dans les avis d'enquête. Les réclamations et observations sont adressées au collège des bourgmestre et échevins par courrier postal, courriel ou dépôt contre récépissé dans le délai fixé et annexées au procès-verbal de clôture de l'enquête. Celui-ci est dressé par le collège des bourgmestre et échevins dans les huit jours de l'expiration du délai et est transmis à l'autorité compétente lorsque le collège des bourgmestre et échevins n'est pas celle-ci. Le Gouvernement peut préciser les modalités d'organisation de cette enquête publique.
Onderafdeling 7. - Betekening
Sous-section 7. - Notification
Art.63. § 1. De autoriteit bevoegd om het plan aan te nemen of goed te keuren, om het attest of de vergunning uit te reiken of om het project toe te staan of goed te keuren, stuurt het Instituut een kopie van de passende beoordeling van de effecten, opgesteld in uitvoering van deze ordonnantie, zodra het die ter beschikking krijgt.
  § 2. In de niet-bedoelde hypothesen in artikel 57, § 1, lid 3, 2°, wanneer de autoriteit belast met het beoordelen van de volledigheid van het aanvraagdossier of wanneer de bevoegde autoriteit oordeelt dat het project of de inrichting wellicht geen significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied inhoudt en het project of de inrichting gelegen is in een Natura 2000-gebied of binnen een afstand van zestig meter bepaald vanaf de perimeter van dat gebied, moet het uitgereikte attest, de verleende vergunning of de toegekende toelating, op straffe van nietigheid, door de bevoegde autoriteit aan het Instituut betekend worden op hetzelfde moment als aan de aanvrager, in het geval het Instituut niet de bevoegde autoriteit is die over de vergunningsaanvraag beslist.
Art.63. § 1er. L'autorité compétente pour adopter ou approuver le plan, délivrer le certificat ou le permis ou pour autoriser ou approuver le projet notifie à l'Institut une copie de l'évaluation appropriée des incidences, réalisée en exécution de la présente ordonnance, dès qu'elle est mise à sa disposition.
  § 2. Dans les hypothèses non visées à l'article 57, § 1er, alinéa 3, 2°, lorsque l'autorité chargée d'apprécier le caractère complet du dossier de demande ou lorsque l'autorité compétente estime que le projet ou l'installation n'est pas susceptible d'affecter un site Natura 2000 de manière significative et que le projet ou l'installation se situe dans un site Natura 2000 ou à une distance inférieure à soixante mètres définie à partir du périmètre de ce site, le certificat, le permis ou l'autorisation délivré est, à peine de nullité, notifié par l'autorité compétente à l'Institut en même temps qu'elle le notifie au demandeur, si l'Institut n'est pas l'autorité compétente pour statuer sur la demande de permis.
Onderafdeling 8. - Beslissing en afwijking
Sous-section 8. - Décision et dérogation
Art.64. § 1. De autoriteit bevoegd om het plan aan te nemen of goed te keuren, om het attest of de vergunning uit te reiken of om het project toe te staan of goed te keuren, geeft pas haar akkoord voor het plan of project nadat ze, op basis van met name de passende beoordeling van de effecten van het plan of project voor het Natura 2000-gebied, zich ervan vergewist heeft dat het geen afbreuk doet aan de instandhoudingdoelstellingen, noch afzonderlijk, noch in combinatie met andere plannen of projecten. Dat is het geval wanneer er vanuit wetenschappelijk standpunt geen enkele redelijke twijfel meer bestaat over het uitblijven van dergelijke effecten.
  Elk effect van een plan of project bedoeld in het voorgaande lid dat de verwezenlijking van een of meer instandhoudingdoelstellingen van het gebied bepaald in toepassing van artikel 44, § 2, 9° in gevaar brengt, wordt beschouwd als schadelijk voor het ongeschonden karakter van het gebied in de zin van deze paragraaf.
  De beslissing van de autoriteit wordt met redenen omkleed in het licht van de vereisten van deze paragraaf.
  Onverminderd lid 1 kan de bevoegde overheid, desgevallend, elke effectverzachtende maatregel opleggen om het ongeschonden karakter van het gebied te versterken, waaronder de verwezenlijking van de instandhouding-doelstellingen bepaald in toepassing van artikel 44, § 2, 9°, inclusief in de vorm van voorwaarden of modaliteiten van uitvoering, gebruik, exploitatie of werking.
  De compenserende maatregelen in de zin van § 2, 3° mogen niet beschouwd worden als verzachtende maatregelen die het mogelijk maken het ongeschonden karakter van het gebied te garanderen.
  § 2. In afwijking op § 1, lid 1 en indien de bevoegde overheid zich er niet kan van vergewissen, desgevallend na de toepassing van effectverzachtende maatregelen, dat het plan of project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten, niet schadelijk zal zijn voor het ongeschonden karakter van het gebied, mag het betrokken plan of project slechts worden toegestaan of goedgekeurd mits een afwijking die voorafgaandelijk door de Regering werd toegestaan onder de volgende cumulatieve voorwaarden :
  1° er bestaat geen alternatieve oplossing die minder nadelig is voor het ongeschonden karakter van het Natura 2000-gebied;
  2° de uitvoering van het plan of project is gerechtvaardigd om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard;
  3° er worden compenserende maatregelen opgelegd om te kunnen garanderen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk wordt beschermd of versterkt.
  Wanneer het betrokken Natura 2000-gebied een prioritair natuurlijk habitattype en/of een prioritaire soort herbergt, kunnen alleen argumenten worden ingeroepen die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten dan wel, na advies van de Europese Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang.
  De compenserende maatregelen genomen krachtens lid 1, 3° garanderen de bescherming van de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk slechts indien :
  - ze de habitats en soorten die significante negatieve gevolgen hebben ondergaan, in vanuit kwantitatief en kwalitatief standpunt vergelijkbare verhoudingen herstellen
  - ze het behoud of het herstel verzekeren van vergelijkbare ecologische functies als deze die de selectie van het betrokken Natura 2000-gebied rechtvaardigden;
  - ze zo dicht mogelijk bij het betreffende gebied op het gewestelijke grondgebied gelegen zijn en in elk geval in dezelfde biogeografische streek of, wat betreft de vogels, in hetzelfde voortplantingsgebied, dezelfde trekroute of hetzelfde overwinteringsgebied.
  § 3. In het geval bedoeld in § 2, laat de bevoegde autoriteit bedoeld in § 1, per aangetekend schrijven verstuurd binnen de aan haar opgelegde beslissingstermijnen, aan de aanvrager of aan de projectauteur weten dat zij het project slechts kan toestaan of goedkeuren mits voorafgaande toekenning van een afwijking door de Regering.
  Bij versturing van deze betekening worden de proceduretermijnen voor de goedkeuring van het plan of van het project of voor de uitreiking van de goedkeuring, het attest of de vergunning onderbroken tot de Regering haar in § 4 bedoelde beslissing betekent.
  De aanvrager of de auteur van het project kan bij de bevoegde autoriteit een verzoek tot afwijking indienen met een voorstelling van de alternatieve oplossingen, een motivatie betreffende de dwingende redenen van groot algemeen belang die het plan of project zouden rechtvaardigen, een voorstel tot compenserende maatregelen en, desgevallend, een omschrijving van de gewenste afwijking op de preventieve maatregelen bedoeld in artikelen 47 en 48.
  De bevoegde autoriteit, indien ze niet de Regering is, legt het verzoek tot afwijking samen met haar advies over aan de Regering. De Regering vraagt het Instituut en de Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud om hun advies over dat verzoek. Wordt het advies niet binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van het verzoek om advies meegedeeld, dan wordt de procedure voortgezet zonder daarmee rekening te houden.
  § 4. Op grond van het verzoek en de adviezen zal de Regering :
  1° oordelen over het ontbreken van een alternatieve oplossing die minder nadelig is voor het ongeschonden karakter van het Natura 2000-gebied;
  2° oordelen over het bestaan van dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard.
  Wanneer de Regering van oordeel is dat de voorwaarden sub 1° en 2° voldaan zijn, zal ze :
  1° de nodige compenserende maatregelen uitvaardigen;
  2° desgevallend alle voorwaarden of modaliteiten van uitvoering, gebruik, exploitatie of werking opleggen om het ongeschonden karakter van het betrokken gebied te beschermen of de aantasting daarvan in te perken;
  3° uitspraak doen over het verzoek om afwijking van de preventieve maatregelen bedoeld in artikelen 47 en 48.
  De Regering kan de toepassingsmodaliteiten van deze paragraaf bepalen. Ze kan alle maatregelen treffen om de effectiviteit van de nodige compenserende maatregelen te verzekeren, met inbegrip van :
  - de verplichting voor de aanvrager om de effectiviteit van de compenserende maatregelen op te volgen;
  - de tijdelijke opschorting van het plan of de vergunning zolang de compenserende maatregelen niet werkzaam zijn;
  - de aanwijzing van het gebied waar de compenserende maatregelen genomen zijn als Natura 2000-gebied;
  - de onteigening voor het algemeen belang van de op het gewestelijk grondgebied gelegen gronden die ecologisch geschikt blijken te zijn om de vereiste compenserende maatregelen toe te passen.
  De Regering deelt haar beslissing mee aan de bevoegde autoriteit bedoeld in § 1.
  § 5. - In overeenstemming met de beslissing van de Regering doet de bevoegde overheid bedoeld in § 1, indien ze niet de Regering is, uitspraak over het project of plan. Ze beschikt hiervoor over een nieuwe volledige beslissingstermijn. Ze betekent haar beslissing aan de Regering.
  Indien de Regering de bevoegde autoriteit is, doet ze uitspraak over het project of plan gelijktijdig met de beslissing bedoeld in § 4.
  In geval van toelating, aanneming of goedkeuring brengt de Regering de Europese Commissie op de hoogte van de getroffen compenserende maatregelen.
Art.64. § 1er. L'autorité compétente pour adopter ou approuver le plan, délivrer le certificat ou le permis ou pour autoriser ou approuver le projet ne marque son accord sur le plan ou le projet qu'après s'être assurée, sur la base notamment de l'évaluation appropriée des incidences du plan ou du projet sur le site Natura 2000, qu'il ne portera pas atteinte à l'intégrité du site concerné, individuellement ou en conjugaison avec d'autres plans ou projets. Il en est ainsi lorsqu'il ne subsiste aucun doute raisonnable d'un point de vue scientifique quant à l'absence de tels effets.
  Toute incidence d'un plan ou d'un projet visé à l'alinéa précédent qui compromet la réalisation d'un ou plusieurs objectifs de conservation du site définis en application de l'article 44, § 2, 9° est présumée porter atteinte à l'intégrité du site au sens du présent paragraphe.
  La décision de l'autorité est motivée au regard des exigences du présent paragraphe.
  Sans préjudice de l'alinéa 1er, l'autorité compétente peut prescrire, le cas échéant, toute mesure d'atténuation permettant de contribuer à renforcer l'intégrité du site, dont la réalisation des objectifs de conservation définis en application de l'article 44, § 2, 9°, y compris sous la forme de conditions ou de modalités d'exécution, d'utilisation, d'exploitation ou de fonctionnement.
  Les mesures compensatoires au sens du § 2, 3°, ne peuvent pas être considérées comme des mesures d'atténuation permettant de garantir l'intégrité du site.
  § 2. Par dérogation au § 1er, alinéa 1er, lorsque l'autorité compétente ne peut s'assurer, le cas échéant après application de mesures d'atténuation, que le plan ou le projet ne portera pas atteinte à l'intégrité du site, individuellement ou en conjugaison avec d'autres plans et projets, le plan ou le projet concerné ne peut être autorisé ou approuvé que moyennant l'octroi préalable d'une dérogation par le Gouvernement, aux conditions cumulatives suivantes :
  1° il n'existe pas d'autre solution alternative moins préjudiciable pour l'intégrité du site Natura 2000 concerné;
  2° la réalisation du plan ou du projet se justifie pour des raisons impératives d'intérêt public majeur, y compris de nature sociale ou économique;
  3° des mesures compensatoires permettant de garantir que la cohérence globale du réseau Natura 2000 est protégée ou renforcée sont prescrites.
  Lorsque le site Natura 2000 concerné abrite un type d'habitat naturel prioritaire et/ou une espèce prioritaire, seules peuvent être invoquées des considérations liées à la santé de l'homme et à la sécurité publique ou à des conséquences bénéfiques primordiales pour l'environnement ou, après avis de la Commission européenne, à d'autres raisons impératives d'intérêt public majeur.
  Les mesures compensatoires prises en vertu de l'alinéa 1er, 3°, n'assurent la protection de la cohérence globale du réseau Natura 2000 que si :
  - elles rétablissent, dans des proportions comparables d'un point de vue quantitatif et qualitatif, les habitats et espèces ayant subi des effets négatifs significatifs;
  - elles assurent le maintien ou le rétablissement de fonctions écologiques comparables à celles qui ont justifié la sélection du site Natura 2000 concerné;
  - elles sont localisées le plus près possible du site concerné sur le territoire régional, et en tout cas dans la même région biogéographique ou, en ce qui concerne les oiseaux, dans la même zone de reproduction, voie migratoire ou zone d'hivernage.
  § 3. Dans l'hypothèse visée au § 2, l'autorité compétente visée au § 1er notifie au demandeur ou à l'auteur du projet, par lettre recommandée envoyée dans les délais de décision qui lui sont prescrits, qu'elle ne peut autoriser ou approuver le projet que moyennant l'octroi préalable d'une dérogation par le Gouvernement.
  Dès l'envoi de cette notification, les délais de procédure pour l'approbation du plan ou du projet ou pour la délivrance de l'autorisation, du certificat ou du permis sont interrompus jusqu'à la notification de la décision du Gouvernement visée au § 4.
  Le demandeur ou l'auteur du projet peut introduire auprès de l'autorité compétente une demande de dérogation comprenant une présentation des solutions alternatives, une motivation quant aux raisons impératives d'intérêt public majeur qui justifieraient le plan ou le projet, une proposition de mesures compensatoires et, le cas échéant, une formulation des dérogations aux mesures préventives visées aux articles 47 et 48 souhaitées.
  L'autorité compétente, lorsqu'elle n'est pas le Gouvernement, transmet la demande de dérogation, accompagnée de son avis, au Gouvernement. Le Gouvernement sollicite l'avis de l'Institut, du Conseil de l'environnement et du Conseil supérieur bruxellois de la conservation de la nature sur cette demande. Si l'avis n'est pas communiqué dans un délai de trente jours à dater de la réception de la demande d'avis, la procédure est poursuivie sans qu'il n'en soit tenu compte.
  § 4. Sur la base de la demande et des avis, le Gouvernement :
  1° apprécie l'absence de solution alternative moins préjudiciable pour l'intégrité du site Natura 2000;
  2° évalue l'existence de raisons impératives d'intérêt public majeur, y compris de nature sociale ou économique.
  Lorsqu'il estime que les conditions des points 1° et 2° sont remplies, le Gouvernement :
  1° arrête les mesures compensatoires nécessaires;
  2° prescrit, le cas échéant, toute condition ou modalité d'exécution, d'utilisation, d'exploitation ou de fonctionnement qui permet de préserver ou de limiter l'atteinte à l'intégrité du site concerné;
  3° statue sur la demande de dérogation aux mesures préventives visées aux articles 47 et 48.
  Le Gouvernement peut préciser les modalités d'application du présent paragraphe. Il peut prendre toute mesure pour garantir l'effectivité des mesures compensatoires nécessaires, y compris :
  - l'obligation pour le demandeur d'assurer un suivi de l'effectivité des mesures compensatoires;
  - la suspension temporaire de la mise en oeuvre du plan ou du permis tant que les mesures compensatoires ne sont pas effectives;
  - la désignation de la zone où sont prises les mesures compensatoires comme site Natura 2000;
  - l'expropriation pour cause d'utilité publique des terres situées sur le territoire régional qui s'avèrent écologiquement appropriées pour mettre en oeuvre les mesures de compensation requises.
  Le Gouvernement notifie sa décision à l'autorité compétente visée au § 1er.
  § 5. Conformément à la décision du Gouvernement, l'autorité compétente visée au § 1er, lorsqu'elle n'est pas le Gouvernement, statue sur le projet ou le plan en disposant d'un nouveau délai entier de décision et notifie sa décision au Gouvernement.
  Lorsque le Gouvernement est l'autorité compétente, il statue sur le projet ou le plan concomitamment à la décision visée au § 4.
  En cas d'autorisation, d'adoption ou d'approbation, le Gouvernement informe la Commission européenne des mesures compensatoires adoptées.
Afdeling 2. - Passende beoordeling van de effecten
Section 2. - De l'évaluation appropriée des incidences des plans
Art.65. De bepalingen van de eerste afdeling van dit hoofdstuk zijn naar analogie van toepassing op :
  1° de natuurreservaten en bosreservaten aangewezen conform artikelen 29, 32 en 37;
  2° de natuur- en bosreservaten opgericht vüür deze ordonnantie in werking trad, voor zover het besluit houdende hun oprichting identificeerbare instandhoudingdoelstellingen vastlegt of vervangen werd door het aanwijzingsbesluit overeenkomstig de bepalingen van artikelen 29, 32 en 37.
  De verwijzingen naar de Natura 2000-gebieden in genoemde bepalingen worden gelezen als verwijzingen naar de reservaten.
Art.65. Les dispositions contenues dans la section 1re du présent chapitre s'appliquent par analogie :
  1° aux réserves naturelles et aux réserves forestières désignées conformément aux articles 29, 32 et 37;
  2° aux réserves naturelles et forestières créées avant l'entrée en vigueur de la présente ordonnance, pour autant que l'arrêté portant leur création fixe des objectifs de conservation identifiables ou ait été remplacé par l'arrêté de désignation conformément au prescrit des articles 29, 32 ou 37.
  Les références faites aux sites Natura 2000 dans lesdites dispositions sont lues comme étant des références aux réserves.
HOOFDSTUK 6. - Stadsbiotopen en landschapselementen
CHAPITRE 6. - Des biotopes urbains et des éléments du paysage
Art.66. § 1. De Regering kan bijzondere beschermingsbesluiten en aanmoedigingsmaatregelen, met inbegrip van subsidies, goedkeuren voor het behoud, het beheer en de ontwikkeling van stadsbiotopen evenals landschapselementen die,
  1° vanwege hun lineaire en ononderbroken structuur, zoals waterlopen en hun oevers, bermen, hagen, taluds, sloten, groene ruimtes langs spoorwegen,
  2° vanwege hun overgangsfunctie als pleisterplaats, zoals vijvers, poelen, vochtige gebieden, bosjes, groene ruimtes in steden en voorsteden, groengevels en groendaken, bomen en aanplantingen,
  3° vanwege hun rol als schuilplaats zoals zolders, klokkentorens en ondergrondse structuren,
  essentieel zijn voor de migratie, geografische verspreiding en genetische uitwisseling van wilde soorten en bijgevolg van groot belang zijn voor de wilde fauna en flora en verbeteren de ecologische samenhang van het Natura 2000-netwerk en het Brussels ecologisch netwerk.
  § 2. De Regering mag een gewestelijk parkreglement uitvaardigen dat van toepassing is op parken, tuinen, plantsoenen, groene ruimtes en onbebouwde gronden die door het Gewest beheerd worden en voor het publiek toegankelijk zijn, en dat bepalingen bevat met betrekking tot :
  1° de openings- en sluitingsvoorwaarden en openings- en sluitingstijden;
  2° de toegangsvoorwaarden voor het publiek
  3° de verplichte of verboden gedragingen;
  4° de organisatie van manifestaties of bijeenkomsten;
  5° het toezicht.
Art.66. § 1er. Le Gouvernement peut adopter des arrêtés particuliers de protection et des mesures d'encouragement, y compris des subventions, pour le maintien, la gestion et le développement des biotopes urbains ainsi que des éléments du paysage qui,
  1° de par leur structure linéaire et continue tels que les cours d'eau avec leurs rives, les bermes de routes, les haies, les talus, les fossés, les espaces verts associés au réseau ferroviaire,
  2° de par leur rôle de relais tels que les étangs, mares, zones humides, petits bois, espaces verts urbains et suburbains, façades et toitures verdurisées, arbres et plantations,
  3° de par leur rôle d'abris tels que les combles, clochers et souterrains,
  sont essentiels à la migration, à la distribution géographique et à l'échange génétique d'espèces sauvages et en conséquence revêtent une importance majeure pour la faune et la flore sauvages et améliorent la cohérence écologique du réseau Natura 2000 et du réseau écologique bruxellois.
  § 2. Le Gouvernement peut arrêter un règlement régional de parc applicable aux parcs, jardins, squares, espaces verts et terrains non bâtis gérés par la Région et accessibles au public, contenant des dispositions relatives :
  1° aux conditions et aux heures d'ouverture et de fermeture;
  2° aux conditions d'accès du public;
  3° aux comportements obligatoires ou prohibés;
  4° à la tenue de manifestations ou réunions;
  5° à la surveillance.
TITEL III. - Bescherming van de soorten
TITRE III. - Protection des espèces
HOOFDSTUK 1. - Bescherming van de diersoorten
CHAPITRE 1er. - Protection des espèces animales
Art.67. § 1. Worden strikt beschermd :
  1° op het hele grondgebied van het Gewest : de soorten bedoeld in bijlage II.2.1° ;
  2° in de groene zones, groene zones van hoge biologische waarde, parkzones, begraafplaatsgebieden, boszones en erfdienstbaarheidszones rond de bossen en wouden van het GBP, de Natura 2000-gebieden, de natuurreservaten en bosreservaten : de soorten bedoeld in bijlage II.3.A.
  § 2. Uitgesloten uit de bescherming bedoeld in § 1 :
  - de bruine rat (Rattus norvegicus);
  - de huismuis (Mus domesticus);
  - de landbouwhuisdieren;
  - de gezelschapshuisdieren.
Art.67. § 1er. Sont strictement protégées :
  1° sur tout le territoire de la Région : les espèces visées à l'annexe II.2.1° ;
  2° dans les zones vertes, les zones vertes de haute valeur biologique, les zones de parcs, les zones de cimetières, les zones forestières et les zones de servitudes au pourtour des bois et forêts du PRAS, les sites Natura 2000, les réserves naturelles et les réserves forestières : les espèces visées à l'annexe II.3.A.
  § 2. Sont exclus de la protection visée au § 1er :
  - le rat brun (Rattus norvegicus);
  - la souris grise (Mus domesticus);
  - les animaux domestiques agricoles;
  - les animaux domestiques de compagnie.
Art.68. § 1. Behoudens verrichtingen die een invoer, uitvoer of doorvoer van niet-inheemse soorten of hun resten in de zin van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 op de institutionele hervormingen uitmaken, impliceert de strikte bescherming het verbod om :
  1° specimens van de betrokken soorten te bejagen, te doden of proberen te doden, te verwonden, te vangen of proberen te vangen, ongeacht de methode die daarvoor gebruikt wordt;
  2° ze in gevangenschap te houden;
  3° ze te vervoeren;
  4° hun eieren in de natuur te rapen en ze in bezit te hebben;
  5° opzettelijk of doelbewust hun habitats, schuil-, voortplantings- en rustplaatsen, hun nesten en eieren te vernietigen of te beschadigen, hun nesten weg te nemen;
  6° ze opzettelijk of doelbewust te verstoren, vooral tijdens de voortplantingsperiode, de periode waarin de jongen afhankelijk zijn, de overwinterings- en trekperiode;
  7° bomen te snoeien met gemotoriseerd gereedschap of bomen te kappen tussen 1 april en 15 augustus;
  8° ze te verkopen, te koop aan te bieden, kosteloos of tegen vergoeding af te staan, te kopen, te vragen om ze te kopen en ze te leveren;
  9° ze te vertonen op openbare plaatsen.
  De Regering kan de handelingen bepalen die worden gelijkgesteld met een vernietiging, beschadiging of verstoring in de zin van punten 5° en 6° van het voorgaande lid. Ze kan eveneens criteria geven voor de identificatie van de habitats, schuil-, voortplantings- en rustplaatsen bedoeld in punt 5°.
  [1 Het verbod bedoeld in 8° is eveneens van toepassing op de soorten die worden opgesomd in bijlage A of B van de Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer.]1
  § 2. Het vang- en vervoerverbod bedoeld in respectievelijk § 1, 1° en § 1, 3° is niet van toepassing :
  1° op het verplaatsen over korte afstand van levende dieren, nesten of eieren die in onmiddellijk levensgevaar zijn, op voorwaarde dat ze overgebracht worden naar een vergelijkbaar milieu als de plaats waar ze gevonden werden;
  2° op het vervoer van een gewond of achtergelaten specimen naar een revalidatiecentrum, dat erkend is overeenkomstig de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, of een dierenarts;
  3° op het transport van dode lichamen of delen daarvan naar een afvalverwerkend centrum of een onderzoekslaboratorium.
  § 3. Het vervoer- en commercialisatieverbod bedoeld in respectievelijk § 1, 3° en § 1, 8°, is niet van toepassing op dode lichamen of daarvan afkomstige producten van wildsoorten opgenomen in bijlage III tijdens de periode vastgesteld door de Regering, in overleg met de andere gewestregeringen.
  De Regering bepaalt de transport- en commercialisatievoorwaarden voor het wild, waaronder met name de controle van herkomst.
  § 4. De verbodsbepalingen bedoeld in § 1, 1°, 5° en 6° zijn niet van toepassing op beheerswerkzaamheden in een gebied voorzien in een beheerplan dat is aangenomen conform artikelen 29, 32, 37 en 50, voor zover de betrokken werkzaamheden niet direct noch indirect nadelig zijn voor het behoud of herstel in een gunstige staat van instandhouding van de populaties van de betrokken soorten en er, voor de soorten van communautair belang bedoeld in bijlage II.1, geen andere bevredigende oplossing bestaat.
  
Art.68. § 1er. Hors les cas des opérations constitutives d'une importation, d'une exportation ou d'un transit d'espèces non indigènes ou de leurs dépouilles au sens de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, la protection stricte implique l'interdiction :
  1° de chasser, de tuer ou tenter de tuer, de blesser, de capturer ou tenter de capturer, quelle que soit la méthode employée, les spécimens des espèces concernées;
  2° de les détenir en captivité;
  3° de les transporter;
  4° de ramasser leurs oeufs dans la nature et de les détenir;
  5° de détruire ou d'endommager intentionnellement ou en connaissance de cause, leurs habitats, leurs refuges, leurs sites de reproduction et leurs aires de repos, leurs nids et leurs oeufs et d'enlever leurs nids;
  6° de les perturber intentionnellement ou en connaissance de cause, notamment durant la période de reproduction, de dépendance, d'hibernation ou de migration;
  7° de procéder à des travaux d'élagage d'arbres avec des outils motorisés et d'abattage d'arbres entre le 1er avril et le 15 août;
  8° de les vendre, de les exposer en vente, de les céder à titre gratuit ou onéreux, de les acheter, de demander à les acheter et de les livrer;
  9° de les exposer dans des lieux publics.
  Le Gouvernement peut identifier d'autres actes qui sont assimilés à une destruction, un dommage ou une perturbation au sens des points 5° et 6° de l'alinéa précédent. Il peut également donner les critères d'identification des habitats, refuges, sites de reproduction et des aires de repos visés au point 5°.
  [1 L'interdiction visée au 8° est également applicable aux espèces énumérées à l'annexe A et B du Règlement (CE) n° 338/97 du Conseil du 9 décembre 1996 relatif à la protection des espèces de faune et de flore sauvages par le contrôle de leur commerce.]1
  § 2. L'interdiction de capture et de transport, visée respectivement au § 1er, 1°, et au § 1er, 3°, n'est pas applicable :
  1° pour le déplacement à brève distance d'animaux vivants, de nids ou d'oeufs menacés d'un danger vital immédiat, à condition qu'ils soient déposés dans un milieu similaire proche de celui où ils ont été trouvés;
  2° pour le transport d'une espèce blessée ou abandonnée vers un centre de revalidation, agréé conformément à la loi du 14 août 1986 relative à la protection et au bien-être animal, ou un vétérinaire;
  3° pour le transport des dépouilles ou parties de celles-ci vers un centre de traitement des déchets ou un laboratoire d'analyse.
  § 3. L'interdiction de transport et de commercialisation, visée respectivement au § 1er, 3° et au § 1er, 8°, n'est pas applicable pour les dépouilles et les produits issus de ces dépouilles des espèces de gibier reprises à l'annexe III durant la période définie par le Gouvernement, en concertation avec les autres Gouvernements régionaux.
  Le Gouvernement fixe les conditions de transport et de commercialisation du gibier, dont notamment le contrôle de son origine.
  § 4. Les interdictions visées au § 1er, 1°, 5° et 6° ne sont pas applicables aux travaux de gestion d'un site prévus par un plan de gestion adopté conformément aux articles 29, 32, 37 et 50, pour autant que les travaux concernés ne nuisent pas directement ou indirectement au maintien ou au rétablissement dans un état de conservation favorable des populations des espèces concernées et que, pour les espèces d'intérêt communautaire visées à l'annexe II.1, il n'existe pas d'autre solution satisfaisante.
  
Art.69. Levende specimens van inheemse soorten die in overtreding van artikel 68 worden gevangen genomen, verkocht of gekocht, worden na onderzoek opnieuw in vrijheid gesteld indien duidelijk is dat deze exemplaren werden gevangen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of hun aanwezigheid er regelmatig is en/of, in geval van vogels, het duidelijk is dat de aanwezigheid van deze vogels er mogelijk is op natuurlijke wijze. De levende specimens van niet-inheemse soorten worden naar het dichtstbijzijnde revalidatiecentrum gebracht of in een erkend zoölogisch park.
  Gewonde dieren worden naar het dichtstbijzijnde revalidatiecentrum gebracht.
  In bewaring of in beslag genomen kadavers van dieren of delen daarvan worden prioritair gedeponeerd in de collecties van een wetenschappelijke instelling of volgens de vigerende regels vernietigd, tenzij de ambtenaren van de autoriteit het nuttig achten om een autopsie en/of bijzondere onderzoeken te laten uitvoeren, met name om een eventuele klacht nader te onderzoeken of een epidemiologische studie uit te voeren. In dat geval worden de restanten van het kadaver na de onderzoeken en/of autopsie vernietigd.
  De ambtenaren van het Instituut aangesteld in toepassing van artikel 4 van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu zijn belast met de uitvoering van de taken bedoeld in voorgaande alinea's.
  De Regering kan de criteria preciseren waaraan een specimen van een diersoort moet voldoen om beschouwd te worden als geboren en gekweekt in gevangenschap.
Art.69. Les spécimens vivants d'espèces indigènes capturés, vendus ou achetés en violation de l'article 68 sont, après examen, remis en liberté s'il s'est avéré que ces exemplaires ont été capturés en Région de Bruxelles-Capitale ou que leur présence y est régulière et/ou, dans le cas des oiseaux, s'il est avéré que la présence de ces oiseaux est possible à l'état naturel. Les spécimens vivants d'espèces non indigènes sont remis dans le centre de revalidation le plus proche ou dans un parc zoologique reconnu.
  Les animaux blessés sont remis dans le centre de revalidation le plus proche.
  Les cadavres d'animaux ou parties de ceux-ci détenus ou saisis sont prioritairement déposés dans les collections d'un Institut scientifique ou sont détruits conformément aux règles en vigueur sauf si les agents de l'autorité jugent utile de faire pratiquer une autopsie et/ou des examens particuliers, notamment en vue d'instruire une plainte éventuelle ou de réaliser une étude épidémiologique. Dans ce cas, après examens et/ou autopsie, les restes de la dépouille seront détruits.
  Les agents de l'Institut désignés en application de l'article 4 de l'ordonnance du 25 mars 1999 relative à la recherche, la constatation, la poursuite et la répression des infractions en matière d'environnement sont chargés de l'accomplissement des tâches visées aux alinéas précédents.
  Le Gouvernement peut préciser les critères devant être respectés pour qu'un spécimen d'une espèce animale puisse être considéré comme né et élevé en captivité.
HOOFDSTUK 2. - Bescherming van de plantensoorten
CHAPITRE 2. - Protection des espèces végétales
Art.70. § 1. Worden strikt beschermd :
  1° op het hele grondgebied van het Gewest : de soorten bedoeld in bijlage II.2.2° ;
  2° in de groene zones, groene zones van hoge biologische waarde, parkzones, begraafplaatsgebieden, boszones en erfdienstbaarheidszones rond de bossen en wouden van het GBP, de Natura 2000-gebieden, de natuurreservaten en bosreservaten : de soorten bedoeld in bijlage II.3.B.
  § 2. Behoudens verrichtingen die een invoer, uitvoer of doorvoer van niet-inheemse soorten in de zin van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 op de institutionele hervormingen uitmaken, impliceert de strikte bescherming het verbod om :
  1° specimens van de betrokken soorten te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen, uit te graven, te beschadigen of te vernietigen in hun natuurlijk verspreidingsgebied en in zones waar ze het voorwerp vormen van actieve beschermingsmaatregelen zoals bedoeld in artikel 72;
  2° in het bezit te zijn van specimens van genoemde soorten die aan hun natuurlijke verspreidingsgebied werden onttrokken en in zones waar ze het voorwerp vormen van actieve beschermingsmaatregelen zoals bedoeld in artikel 72;
  3° ze te vervoeren;
  4° ze te verkopen, te koop aan te bieden, kosteloos of tegen vergoeding af te staan, te kopen, te vragen om ze te kopen en te leveren;
  5° natuurlijke habitats waarin de aanwezigheid van de betrokken soort vast staat opzettelijk te vernietigen of te beschadigen.
  [1 Het verbod bedoeld in 4° is eveneens van toepassing op de soorten die worden opgesomd in bijlage A of B van de Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer.]1
  § 3. De verbodsbepalingen bedoeld in § 2, 1° tot 3° zijn niet van toepassing op :
  1° beheerswerkzaamheden in een gebied voorzien in een beheerplan goedgekeurd volgens artikelen 29, 32, 37 en 50;
  2° maaien, beweiden of bosbeheersmaatregelen;
  voor zover de betrokken werkzaamheden niet direct noch indirect nadelig zijn voor het behoud of herstel in een gunstige staat van instandhouding van de populaties van de betrokken soorten en er, voor de soorten van communautair belang bedoeld in bijlage II.2.2°, geen andere bevredigende oplossing bestaat.
  
Art.70. § 1er. Sont strictement protégées :
  1° sur tout le territoire de la Région : les espèces visées à l'annexe II.2.2° ;
  2° dans les zones vertes, les zones vertes de haute valeur biologique, les zones de parcs, les zones de cimetières, les zones forestières et les zones de servitudes au pourtour des bois et forêts du PRAS, les sites Natura 2000, les réserves naturelles et les réserves forestières : les espèces visées à l'annexe II.3.B.
  § 2. Hors les cas des opérations constitutives d'une importation, d'une exportation ou d'un transit d'espèces non indigènes au sens de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, la protection stricte implique l'interdiction :
  1° de cueillir, de ramasser, de couper, de déraciner, de déplanter, d'endommager ou de détruire les spécimens des espèces concernées dans leur aire de répartition naturelle et dans les zones où elles bénéficient de mesures de protection active visées à l'article 72;
  2° de détenir des spécimens desdites espèces prélevés dans leur aire de répartition naturelle et dans les zones où elles bénéficient de mesures de protection active visées à l'article 72;
  3° de les transporter;
  4° de les vendre, de les exposer en vente, de les céder à titre gratuit ou onéreux, de les acheter, de demander à les acheter et de les livrer;
  5° de détruire ou d'endommager intentionnellement ou en connaissance de cause des habitats naturels dans lesquels la présence de l'espèce est établie.
  [1 L'interdiction visée au 4° est également applicable aux espèces énumérées à l'annexe A et B du Règlement (CE) n° 338/97 du Conseil du 9 décembre 1996 relatif à la protection des espèces de faune et de flore sauvages par le contrôle de leur commerce.]1
  § 3. Les interdictions visées au § 2, 1° à 3° ne sont pas applicables :
  1° aux travaux de gestion d'un site prévus par un plan de gestion adopté conformément aux articles 29, 32, 37 et 50;
  2° aux opérations de fauchage, de pâturage ou de gestion forestière;
  pour autant que les travaux concernés ne nuisent pas directement ou indirectement au maintien ou au rétablissement dans un état de conservation favorable des populations des espèces concernées et que, pour les espèces d'intérêt communautaire visées à l'annexe II.2.2°, il n'existe pas d'autre solution satisfaisante.
  
HOOFDSTUK 3. - Gemeenschappelijke bepalingen
CHAPITRE 3. - Dispositions communes
Afdeling 1. - Lijsten
Section 1re. - Listes
Art.71. § 1. De Regering mag de lijsten in bijlage bij deze ordonnantie wijzigen als vereist door de aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang van de bijlagen van Richtlijn 2009/147/EG en 92/43/EEG en van de internationale conventies met betrekking tot natuurbehoud.
  § 2. De Regering is bevoegd om de lijsten in bijlage bij deze ordonnantie middels een besluit aan te vullen, indien dergelijke wijzigingen ernaar streven de staat van instandhouding van de Europese fauna en flora te verbeteren. Het ontwerp van besluit wordt opgesteld door het Instituut dat rekening houdt met de gegevens uit het toezicht uitgeoefend krachtens artikel 15. Het ontwerp wordt voor advies voorgelegd aan de Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud. De Raad legt zijn advies over binnen dertig dagen na ontvangst van het verzoek van de Regering. Het uitblijven van een advies binnen die termijn wordt gelijkgesteld met een gunstig advies.
Art.71. § 1er. Le Gouvernement est habilité à apporter aux listes figurant aux annexes de la présente ordonnance les modifications imposées par l'adaptation au progrès technique et scientifique aux annexes des Directives 2009/147/CE et 92/43/CEE et aux conventions internationales portant sur la conservation de la nature.
  § 2. Le Gouvernement est habilité à compléter, par voie d'arrêté, les listes figurant aux annexes de la présente ordonnance si de telles modifications visent à améliorer l'état de conservation de la faune et de la flore européennes. Le projet d'arrêté est élaboré par l'Institut, qui tient compte notamment des données de la surveillance exercée en vertu de l'article 15. Il est soumis à l'avis du Conseil supérieur bruxellois de la conservation de la nature. L'avis est transmis dans les trente jours à compter de la réception de la demande du Gouvernement. L'absence d'avis transmis dans ce délai équivaut à un avis favorable.
Afdeling 2. - Actieve beschermingsmaatregelen
Section 2. - Mesures de protection active
Art.72. § 1. Op voorstel van het Instituut treft de Regering actieve beschermingsmaatregelen voor de soorten bedoeld in bijlage II, en in het bijzonder voor de soorten van gewestelijk belang bedoeld in bijlage II.4. en de soorten van gemeenschappelijk belang bedoeld in bijlage IV, a) en b) van Richtlijn 92/43/EEG.
  De maatregelen van verordenende aard worden voor advies voorgelegd aan de Raad voor het Leefmilieu en de Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud. De Raden leggen hun advies over binnen dertig dagen na ontvangst van het verzoek van de Regering. Het uitblijven van een advies binnen die termijn wordt gelijkgesteld met een gunstig advies.
  Onverminderd de beschermingsmaatregelen voor de habitats bedoeld in artikelen 47 tot 66 en onverminderd de controlemaatregelen op de herintroductie en bewuste uitzetting in de natuur bedoeld in artikel 75, kunnen de maatregelen bedoeld in lid 1 met name bestaan uit :
  1° voorschriften betreffende de toegang tot bepaalde gebieden;
  2° maatregelen bedoeld om de voortplantingsplaatsen en/of rustarealen te beschermen;
  3° maatregelen specifiek bedoeld om voortplantingsplaatsen en/of rustarealen te creëren, desgevallend in partnerschap met de gemeentes, verenigingen of elke persoon die eigenaar of beheerder is van een goed dat een geschikte habitat voor de betrokken soort kan bieden;
  4° de reglementering van de periodes, gebieden en/of onttrekkingswijzen en de exploitatie van specimens van de soorten vermeld in bijlage II.3. buiten de strikte beschermingszones bedoeld in artikel 67, § 1, 2° en 70, § 1, 2°, en de soorten van bijlage II.5.;
  5° herpopulatie- of herintroductiemaatregelen;
  6° informatie- en sensibiliseringsmaatregelen naar de bevolking over de noodzaak om deze soorten te beschermen.
  Een combinatie van deze maatregelen streeft naar de uitvoering van actieplannen die eventueel werden aangenomen ten gunste van de instandhouding van bepaalde soorten conform artikel 12.
  § 2. Binnen de beperkingen van de beschikbare budgetten kan de Regering elke natuurlijke persoon of privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoon, subsidies toekennen voor de gevoerde acties of investeringen noodzakelijk in uitvoering van dit artikel.
  De Regering bepaalt de voorwaarden en de toekenningsprocedure van deze subsidies.
Art.72. § 1er. Le Gouvernement prend, sur proposition de l'Institut, des mesures de protection active des espèces visées à l'annexe II, et en particulier des espèces d'intérêt régional visées l'annexe II.4 et des espèces d'intérêt communautaire visées à l'annexe IV, a) et b), de la Directive 92/43/CEE.
  Les mesures à caractère réglementaire sont soumises à l'avis du Conseil de l'environnement et du Conseil supérieur bruxellois de la conservation de la nature. Les avis sont transmis dans les trente jours à compter de la réception de la demande du Gouvernement. L'absence d'avis transmis dans ce délai équivaut à un avis favorable.
  Les mesures visées à l'alinéa 1er peuvent notamment comporter, sans préjudice des mesures de protection des habitats visées aux articles 47 à 66 et sans préjudice des mesures de contrôle de la réintroduction et introduction intentionnelle dans la nature visées à l'article 75 :
  1° des prescriptions concernant l'accès à certaines zones;
  2° des mesures visant à préserver les sites de reproduction et/ou les aires de repos;
  3° des mesures visant à créer des sites de reproduction et/ou des aires de repos, le cas échéant en partenariat avec les communes, des associations ou toute personne propriétaire ou gestionnaire d'un bien susceptible d'offrir un habitat approprié pour l'espèce concernée;
  4° la réglementation des périodes, zones et/ou modes de prélèvement et de l'exploitation de spécimens des espèces de l'annexe II.3. en dehors des zones de protection stricte visées à l'article 67, § 1er, 2° et 70, § 1er, 2°, et des espèces de l'annexe II.5.;
  5° des mesures de repeuplement ou de réintroduction;
  6° des mesures d'information et de sensibilisation de la population à la nécessité de préserver ces espèces.
  Une combinaison de ces mesures vise à mettre en oeuvre les plans d'action éventuellement adoptés en faveur de la conservation de certaines espèces conformément à l'article 12.
  § 2. Dans les limites des budgets disponibles, le Gouvernement peut accorder à toute personne physique ou morale, de droit privé ou de droit public, des subventions pour les actions menées ou les investissements rendus nécessaires en exécution du présent article.
  Le Gouvernement détermine les conditions et la procédure d'octroi de ces subventions.
Afdeling 3. - Sanitair toezicht
Section 3. - Police sanitaire
Art.73. § 1. De Regering bepaalt de voorwaarden voor de preventie en bestrijding van ziektes bij de op het gewestelijk grondgebied in het wild levende Europese diersoorten indien die ziektes nadelig kunnen zijn voor de instandhouding van de natuur.
  § 2. De ontwerpen van besluit worden voor advies voorgelegd aan de Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud. De Raad legt zijn advies over binnen dertig dagen na ontvangst van het verzoek. Het uitblijven van een advies binnen die termijn wordt gelijkgesteld met een gunstig advies.
  § 3. De Regering geeft voorrang aan de preventie van de ziektes bedoeld in § 1 en aan een correcte voorlichting van het publiek. Ze kan meer bepaald :
  - de betreffende ziektes aanwijzen;
  - de modaliteiten vastleggen voor het toezicht op het opduiken van die ziektes;
  - personen aanstellen die zijn belast met het toezicht, de toepassing van preventieve maatregelen en bestrijdingsmaatregelen tegen ziektes;
  - criteria vastleggen voor het in gang zetten van de preventieve maatregelen;
  - criteria vastleggen voor het in gang zetten van de ziektebestrijdingsmaatregelen, met inbegrip van noodgevallen;
  - de toelaatbare bestrijdingsmaatregelen vastleggen;
  - de mededeling van gegevens over de gezondheidstoestand van de op het gewestelijke grondgebied in het wild levende Europese dieren organiseren om te voldoen aan de Europese rapportagevereisten.
Art.73. § 1er. Le Gouvernement détermine les conditions de la prévention et de la lutte contre les maladies des espèces européennes d'animaux vivant à l'état sauvage sur le territoire régional, lorsque ces maladies sont susceptibles de porter préjudice à la conservation de la nature.
  § 2. Les projets d'arrêté sont soumis à l'avis du Conseil supérieur bruxellois de la conservation de la nature. L'avis est transmis dans les trente jours de la réception de la demande. L'absence d'avis transmis dans ce délai équivaut à un avis favorable.
  § 3. Le Gouvernement accorde une priorité à la prévention de l'apparition des maladies visées au § 1er et à l'information correcte du public. Il peut notamment :
  - désigner les maladies concernées;
  - fixer les modalités de la surveillance de l'apparition des maladies;
  - désigner les personnes chargées de la surveillance, de la mise en oeuvre des mesures préventives et des mesures de lutte contre les maladies;
  - fixer les critères de déclenchement des mesures préventives;
  - fixer les critères de déclenchement des mesures de lutte contre les maladies, en ce compris les cas d'urgence;
  - désigner les mesures de lutte admissibles;
  - organiser la communication de données relatives à l'état de santé des espèces européennes d'animaux vivant à l'état sauvage sur le territoire régional afin de satisfaire aux exigences du rapportage européen.
Art.74. De Regering kan alle nuttige sanitaire toezichtsmaatregelen voor plantensoorten treffen met het oog op de bescherming van de natuur.
Art.74. Le Gouvernement peut prendre toutes les mesures utiles de police sanitaire des végétaux dans un but de conservation de la nature.
Afdeling 4. - Herintroductie en bewuste introductie in de natuur
Section 4. - Réintroduction et introduction intentionnelle dans la nature
Art.75. § 1. Indien ze niet kadert in een onder artikelen 29, 32, 37 en 50 bedoeld beheerplan van een gebied of de in de in het gewestelijk natuurplan vastgelegde maatregelen in toepassing van artikel 9, § 2, 3°, is de herintroductie van inheemse dier- of plantensoorten in de natuur aan een vergunning onderworpen :
  § 2. Onverminderd artikel 77, zijn aan een vergunning onderworpen :
  1° de opzettelijke introductie van stammen van niet-inheemse dier- of plantensoorten in de natuur;
  2° de opzettelijke introductie van niet-inheemse dier- of plantensoorten in de natuur.
  De handelingen bedoeld in lid 1 mogen niet nadelig zijn voor de staat van instandhouding van de natuurlijke habitats en van de inheemse dier- of plantensoorten.
  § 3. De vergunningsaanvraag wordt ingediend bij het Instituut. Ze omvat een analyse van de risico's die de herintroductie of bewuste introductie in de natuur met zich mee kan brengen, met name voor de staat van instandhouding van de natuurlijke habitats en van de inheemse dier- en plantensoorten. De aanvraag vermeldt meer bepaald :
  1° de identiteit van de aanvrager;
  2° de soort(en) waarvoor een aanvraag tot herintroductie of bewuste introductie in de natuur wordt gevraagd, het aantal en de herkomst van de betrokken specimens;
  3° de duur, de fases en de plaatsen van de actie;
  4° de geplande middelen, inrichtingen of methodes.
  De aanvraag wordt voor advies voorgelegd aan de Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud. De Raad legt zijn advies over binnen dertig dagen na ontvangst van het verzoek. Het uitblijven van een advies binnen die termijn wordt gelijkgesteld met een gunstig advies.
  De beslissing van het Instituut wordt aan de aanvrager betekend binnen de negentig dagen na de indiening van de volledige vergunningsaanvraag bij het Instituut. Ze wordt bekendgemaakt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad.
  De vergunning is individueel, persoonlijk en onoverdraagbaar. Ze vermeldt de eventuele beperkingen op de toepassing ervan. Ze bepaalt ook dat een rapport over de toepassing ervan aan het Instituut moet worden overgelegd volgens een periodiciteit bepaald door de Regering en ten minste binnen een termijn van drie maanden na de volledige uitvoering.
  De Regering mag de vorm- en inhoudsmodaliteiten van de vergunningsaanvraag bepalen.
Art.75. § 1er. Lorsqu'elle ne s'effectue pas dans le cadre d'un plan de gestion d'un site visé aux articles 29, 32, 37 et 50 ou dans le cadre des mesures définies par le plan régional nature en application de l'article 9, § 2, 3°, est soumise à autorisation la réintroduction dans la nature d'espèces animales ou végétales indigènes.
  § 2. Sans préjudice de l'article 77, sont soumises à autorisation :
  1° l'introduction intentionnelle dans la nature de souches non indigènes d'espèces animales ou végétales indigènes;
  2° l'introduction intentionnelle dans la nature d'espèces animales ou végétales non indigènes.
  Les opérations visées à l'alinéa 1er ne peuvent porter préjudice à l'état de conservation des habitats naturels et des espèces animales ou végétales indigènes.
  § 3. La demande d'autorisation est introduite auprès de l'Institut. Elle comprend une analyse des risques posés par la réintroduction ou l'introduction intentionnelle dans la nature, notamment sur l'état de conservation des habitats naturels et des espèces animales ou végétales indigènes, et indique :
  1° l'identité du demandeur;
  2° la ou les espèces qui font l'objet de la demande de réintroduction ou d'introduction intentionnelle dans la nature, le nombre et l'origine des spécimens visés;
  3° la durée, les phases et les lieux de l'opération;
  4° les moyens, installations ou méthodes envisagées.
  La demande est soumise à l'avis du Conseil supérieur bruxellois de la conservation de la nature. L'avis est transmis dans les trente jours à compter de la réception de la demande. L'absence d'avis transmis dans ce délai équivaut à un avis favorable.
  La décision de l'Institut est notifiée au demandeur dans les nonante jours de l'introduction de la demande d'autorisation complète auprès de l'Institut. Elle est publiée par extrait au Moniteur belge.
  L'autorisation est individuelle, personnelle et incessible. Elle précise les éventuelles restrictions à sa mise en oeuvre. Elle prescrit la transmission à l'Institut d'un rapport portant sur sa mise en oeuvre, selon une périodicité définie par le Gouvernement et au minimum dans un délai de trois mois à compter de sa réalisation complète.
  Le Gouvernement peut préciser les modalités de forme et de contenu de la demande d'autorisation.
Art.76. Onverminderd artikel 77 kan de Regering, langs verordende weg, de handelingen bedoeld in artikel 75, § 1 vrijstellen van vergunning in bepaalde zones, zoals privétuinen of afgesloten plaatsen, voor zover aangetoond is dat die handelingen wellicht niet nadelig zijn voor de staat van instandhouding van de natuurlijke habitats en de inheemse dier- of plantensoorten.
  In dat geval wordt het ontwerp van besluit voor advies voorgelegd aan de Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud. De Raad legt zijn advies over binnen dertig dagen na ontvangst van het verzoek. Het uitblijven van een advies binnen die termijn wordt gelijkgesteld met een gunstig advies.
Art.76. Sans préjudice de l'article 77, le Gouvernement peut, par voie réglementaire, dispenser d'autorisation les opérations visées à l'article 75, § 1er dans certaines zones telles que les jardins privés ou les endroits clos, pour autant qu'il soit avéré que ces opérations ne sont pas susceptibles de porter préjudice à l'état de conservation des habitats naturels et des espèces animales ou végétales indigènes.
  Dans ce cas, le projet d'arrêté est soumis à l'avis du Conseil supérieur bruxellois de la conservation de la nature. L'avis est transmis dans les trente jours à compter de la réception de la demande. L'absence d'avis transmis dans ce délai équivaut à un avis favorable.
Afdeling 5. - Invasieve soorten
Section 5. - Espèces invasives
Art.77. § 1. De herintroductie en bewuste introductie in de natuur van invasieve dier- of plantensoorten vermeld in bijlage IV zijn verboden.
  § 2. Behoudens gevallen die een invoer, uitvoer of doorvoer van niet-inheemse soorten in de zin van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 op de institutionele hervormingen uitmaken en onverminderd de federale regels over het houden van dieren, is het verboden om invasieve dier- of plantensoorten vermeld in bijlage IV te verkopen, gratis of tegen vergoeding over te dragen, te ruilen of aan te schaffen.
Art.77. § 1er. La réintroduction et l'introduction intentionnelle dans la nature d'espèces animales ou végétales invasives reprises à l'annexe IV est interdite.
  § 2. Hors les cas constitutifs d'une importation, d'une exportation ou d'un transit d'espèces non indigènes au sens de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles et sans préjudice des règles fédérales portant sur la détention des animaux, sont interdites la vente, la cession à titre gratuit ou onéreux, l'échange et l'acquisition d'une espèce animale ou végétale invasive reprise à l'annexe IV.
Art.78. Onverminderd de beschermingsbepalingen van toepassing op gebieden en soorten beschermd krachtens deze ordonnantie, neemt de Regering, op voorstel van het Instituut, bestrijdingsmaatregelen tegen invasieve soorten, met inbegrip van :
  1° maatregelen bedoeld om het opduiken van nieuwe invasieve soorten op het gewestelijk grondgebied te voorkomen;
  2° maatregelen bedoeld om de impact te verzachten van reeds in de natuur aanwezige invasieve soorten die niet worden beschermd krachtens artikelen 67 en 70, tot en met uitroeiingsmaatregelen.
  De maatregelen van verordenende aard worden voor advies voorgelegd aan de Raad voor het Leefmilieu en de Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud. De Raden leggen hun advies over binnen dertig dagen na ontvangst van het verzoek. Het uitblijven van een advies binnen die termijn wordt gelijkgesteld met een gunstig advies.
Art.78. Sans préjudice du régime de protection applicable aux sites et aux espèces protégés en vertu de la présente ordonnance, le Gouvernement prend, sur proposition de l'Institut, des mesures de lutte contre les espèces invasives, comprenant :
  1° des mesures visant à prévenir l'apparition de nouvelles espèces invasives sur le territoire régional;
  2° des mesures visant à atténuer l'impact des espèces invasives déjà présentes dans la nature, non protégées en vertu des articles 67 et 70, allant jusqu'aux mesures d'éradication.
  Les mesures à caractère réglementaire sont soumises à l'avis du Conseil de l'environnement et du Conseil supérieur bruxellois de la conservation de la nature. Les avis sont transmis dans les trente jours à compter de la réception de la demande. L'absence d'avis transmis dans ce délai équivaut à un avis favorable.
TITEL IV. - Duurzaam gebruik van het milieu en de soorten
TITRE IV. - Utilisation durable du milieu et des espèces
HOOFDSTUK 1. - Visvangst
CHAPITRE 1er. - De la pêche
Art.79. § 1. Het visrecht behoort het Gewest toe in de rivieren, kanalen en bevaarbare waterwegen net als in de vijvers waarvan het beheer ten laste van het Gewest valt.
  De Regering duidt aan welke van de in lid 1 bedoelde wateren open staan voor visvangst, met inbegrip van de lijst van de betrokken vijvers.
  § 2. In zowel openbare als private vijvers, reservoirs en putten die niet bedoeld zijn in § 1, lid 1, behoort het visrecht toe aan de eigenaar. Die waterpartijen vallen niet onder dit hoofdstuk.
Art.79. § 1er. Le droit de pêche appartient à la Région dans les voies navigables, rivières et canaux ainsi que dans les étangs dont la gestion est à charge de la Région.
  Parmi les eaux visées à l'alinéa 1er, le Gouvernement désigne les eaux ouvertes à la pêche, y compris la liste des étangs concernés.
  § 2. Dans les étangs, réservoirs et fossés non visés au § 1er, alinéa 1er, qu'ils soient privés ou publics, le droit de pêche appartient au propriétaire. Ces pièces d'eau ne sont pas visées par le présent chapitre.
Art.80. Niemand mag vissen zonder visverlof, behoudens in de vrijstellingsgevallen voorzien door de Regering.
  De Regering bepaalt de aard van het visverlof, de prijzen en de voorwaarden voor het verlenen, vrijstellen en intrekken van dat verlof.
  Op dat verlof mag geen gemeentelijke belasting worden geheven.
Art.80. Nul n'est admis à pêcher s'il n'est muni d'un permis de pêche, sauf les cas de dispense prévus par le Gouvernement.
  Le Gouvernement fixe la nature du permis de pêche, le prix, les modalités d'octroi, de dispense et de retrait de ce permis.
  Le permis ne peut être grevé d'aucune taxe communale.
Art.81. § 1. De Regering bepaalt de plaatselijke of algemene openingsperiodes van de visvangst, de soorten die mogen worden gevist en hun aantal, type en grootte.
  De Regering bepaalt eveneens de technieken, vistuigen en -toestellen die toegestaan zijn, net als hun gebruiksvoorwaarden, de lokazen of azen die toegestaan zijn en de manier waarop gevangen vissen vervoerd worden.
  De Regering legt de modaliteiten vast om de naleving van de in lid 1 en 2 bedoelde bepalingen te controleren.
  § 2. Het is niet toegestaan buiten zijn woning verboden vistuigen of -toestellen te dragen, tenzij de drager bewijst dat die tuigen of toestellen bestemd zijn voor de visvangst in wateren waarop de ordonnantie niet van toepassing is en waar het gebruik ervan niet verboden is.
  § 3. Het beheer van de vijvervisvangst kan aan een concessiehouder worden toevertrouwd op basis van een tussen hem en het Instituut opgestelde overeenkomst.
  Die overeenkomst wordt opgesteld voor een periode van maximaal tien jaar. Ze vermeldt met name de prijs van de concessie, de voorwaarden voor het opnieuw uitzetten van vis in de vijver, de beheersverplichtingen m.b.t. de oevers en de vijver ten laste van de concessiehouder, de sancties en controlemodaliteiten.
  De Regering bepaalt de voorwaarden waaraan de concessiehouder moet voldoen en preciseert de standaardinhoud van de overeenkomst.
Art.81. § 1er. Le Gouvernement fixe les périodes d'ouverture, locale ou générale, de la pêche et les espèces ainsi que le nombre, le type et la taille des individus pouvant être pêchés.
  Le Gouvernement fixe également les techniques, engins et appareils de pêche autorisés ainsi que leurs conditions d'usage, les appâts et amorces autorisés et les conditions de transport des poissons capturés.
  Le Gouvernement détermine les modalités de contrôle du respect des dispositions visées aux alinéas 1er et 2.
  § 2. Il est interdit de porter, hors de son domicile, des engins ou instruments de pêche prohibés, sauf au porteur à prouver que ces engins ou instruments sont destinés à la pêche dans les eaux auxquelles l'ordonnance n'est pas applicable et où leur usage n'est pas prohibé.
  § 3. La gestion de la pêche en étang peut être confiée à un concessionnaire sur la base d'une convention établie entre celui-ci et l'Institut.
  Cette convention est établie pour une durée maximale de dix ans. Elle indique notamment le prix de la concession, les conditions de réempoissonnement de l'étang, les obligations de gestion des berges et de l'étang à charge du concessionnaire, les sanctions et les modalités de contrôle.
  Le Gouvernement fixe les conditions à remplir par le concessionnaire et précise le contenu type de la convention.
HOOFDSTUK 2. - Onttrekking en exploitatie van specimens
CHAPITRE 2. - Du prélèvement et de l'exploitation de spécimens
Art.82. Op grond van het toezicht bedoeld in artikel 15, treft de Regering de nodige maatregelen opdat de onttrekking uit de natuur en de exploitatie van specimens van de soorten vermeld in bijlage II.5., verenigbaar zijn met het behoud of het herstel in een gunstige staat van instandhouding van deze soorten, met inbegrip van het verbod op of de beperking van het vangen, bezitten, vervoeren en verkopen van bedoelde soorten.
Art.82. Sur la base de la surveillance visée à l'article 15, le Gouvernement prend les mesures nécessaires pour que le prélèvement dans la nature et l'exploitation de spécimens des espèces figurant à l'annexe II.5., soient compatibles avec leur maintien ou leur rétablissement dans un état de conservation favorable, y compris par l'interdiction ou la limitation de leur capture, de leur détention, de leur transport et de leur vente.
TITEL V. - Gemeenschappelijke bepalingen
TITRE V. - Dispositions communes
HOOFDSTUK 1. - Afwijkingen
CHAPITRE 1er. - Dérogations
Art.83. § 1. Indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien de maatregel niet direct noch indirect afbreuk doet aan het behoud of herstel in een gunstige staat van instandhouding van de populaties van de betrokken soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied, kan om onderstaande redenen worden afgeweken van de verbodsbepalingen bedoeld in artikelen 68, § 1, 70, § 2 en 88, § 1 :
  1° in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid en de veiligheid van het luchtverkeer;
  2° om andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en om redenen die essentiële gunstige gevolgen voor het milieu inhouden; indien het verzoek tot afwijking evenwel betrekking heeft op vogels, zijn die redenen slechts van toepassing om af te wijken van het verbod op het vernietigen van hun habitats en hun schuil-, voortplantings- en rustplaatsen;
  3° in het belang van de bescherming van wilde dier- en plantensoorten, inclusief verzorging en revalidatie, en van de instandhouding van natuurlijke habitats;
  4° ter voorkoming van ernstige schade aan de teelten, veehouderijen, bossen en wateren en, behalve wat betreft de vogels, aan monumenten of andere vormen van eigendom;
  5° ten behoeve van onderzoek en onderwijs, repopulatie en herintroductie van deze soorten in de natuur en voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige verspreiding van de planten;
  6° om het vangen, het houden of elke andere oordeelkundige exploitatie van een beperkt aantal door de bevoegde autoriteiten aangewezen specimens mogelijk te maken onder strikt gecontroleerde voorwaarden, op selectieve wijze en in beperkte mate.
  § 2. Wat de soorten bedoeld in bijlage II.3., deel 2, betreft, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien de maatregel niet direct noch indirect afbreuk doet aan het behoud of herstel in een gunstige staat van instandhouding van de populaties van de betrokken soorten, kan voor de installatie van uitrustingen van gemeenschappelijk nut of openbare dienstverlening worden afgeweken van de verbodsbepalingen bedoeld in artikelen 68, § 1, 1°, 5° en 6° en 70, § 2, 1° en 5°.
  § 3. Indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien de maatregel niet direct noch indirect nadelig is voor het behoud of herstel in een gunstige staat van instandhouding van de habitats of populaties van betrokken soorten binnen het betrokken reservaat, kan om onderstaande redenen worden afgeweken van de verbodsbepalingen bedoeld in artikel 27 :
  1° een van de redenen bedoeld in punten 1° tot 5° van § 1 van dit artikel;
  2° met het oog op de gezondheid of het sanitair toezicht.
  [1 § 4. Voor huisduiven mag echter niet worden afgeweken van het in artikel 88, § 1, bedoelde verbod.]1
  
Art.83. § 1er. S'il n'existe pas d'autre solution satisfaisante et si la mesure ne nuit pas directement ou indirectement au maintien ou au rétablissement dans un état de conservation favorable des populations des espèces concernées dans leur aire de répartition naturelle, il peut être dérogé aux interdictions visées aux articles 68, § 1er, 70, § 2 et 88, § 1er, pour l'un des motifs suivants :
  1° dans l'intérêt de la santé, de la sécurité publique et de la sécurité aérienne;
  2° pour d'autres raisons impératives d'intérêt public majeur, y compris de nature sociale ou économique, et pour des motifs qui comporteraient des conséquences bénéfiques primordiales pour l'environnement; toutefois, lorsque la demande de dérogation concerne des oiseaux, ces motifs ne sont applicables que pour déroger à l'interdiction de détériorer leurs habitats, leurs refuges, leurs sites de reproduction et leurs aires de repos;
  3° dans l'intérêt de la protection de la faune et de la flore sauvages, en ce compris les soins et la revalidation, et de la conservation des habitats naturels;
  4° pour prévenir des dommages importants aux cultures, à l'élevage, aux forêts, aux eaux et, sauf en ce qui concerne les oiseaux, aux monuments ou à d'autres formes de propriété;
  5° à des fins de recherche et d'éducation, de repeuplement et de réintroduction dans la nature de ces espèces et pour des opérations de reproduction nécessaires à ces fins, y compris la propagation artificielle des plantes;
  6° pour permettre, dans des conditions strictement contrôlées, d'une manière sélective et dans une mesure limitée, la capture ou la détention d'un nombre limité et spécifié par les autorités compétentes de certains spécimens.
  § 2. Pour les espèces visées à l'annexe II.3., partie 2, s'il n'existe pas d'autre solution satisfaisante et si la mesure ne nuit pas directement ou indirectement au maintien ou au rétablissement dans un état de conservation favorable des populations des espèces concernées, il peut être dérogé aux interdictions visées aux articles 68, § 1er, 1°, 5° et 6° et 70, § 2, 1° et 5° pour l'installation d'équipements d'intérêt collectif ou de service public.
  § 3. S'il n'existe pas d'autre solution satisfaisante et si la mesure ne nuit pas directement ou indirectement au maintien ou au rétablissement dans un état de conservation favorable des habitats et populations d'espèces concernés au sein de la réserve concernée, il peut être dérogé aux interdictions visées à l'article 27 pour l'un des motifs suivants :
  1° un des motifs visés aux points 1° à 5° du § 1er du présent article;
  2° dans un but d'hygiène ou de police sanitaire.
  [1 § 4. Pour ce qui concerne le pigeon domestique, il ne peut cependant être dérogé à l'interdiction visée à l'article 88, § 1er.]1
  
Art.84. § 1. De aanvraag tot afwijking bedoeld in artikel 83 wordt ingediend bij het Instituut. Ze vermeldt meer bepaald :
  1° voor de afwijkingen op de verbodsbepalingen bedoeld in artikel 27 :
  a) de identiteit van de aanvrager;
  b) het reservaat of deel van het reservaat waarvoor de afwijking wordt gevraagd, net als de oppervlakte waarop het verzoek betrekking heeft;
  c) de in het gebied geplande handelingen en werkzaamheden en de datums en duur van uitvoering;
  d) de redenen voor het verzoek om afwijking;
  e) de overwogen en eventueel uitgevoerde alternatieve oplossingen;
  f) de middelen, inrichtingen en methodes voorgesteld om de afwijking uit te voeren;
  2° voor de afwijkingen op de verbodsbepalingen bedoeld in artikelen 68, § 1, 70, § 2 en 88, § 1 :
  a) de identiteit van de aanvrager;
  b) de soort(en) en het aantal specimens waarvoor de afwijking gevraagd wordt;
  c) de redenen voor het verzoek om afwijking;
  d) de plaats en datums waarop de afwijking plaats moet hebben;
  e) de overwogen en eventueel uitgevoerde alternatieve oplossingen;
  f) de middelen, installaties en methodes voorgesteld om de afwijking uit te voeren;
  g) in het geval de geplande maatregelen gevaarlijk kunnen zijn voor de diersoorten, omvat de aanvraag een programma met verzachtende en/of compenserende maatregelen.
  De Regering mag de vorm- en inhoudsmodaliteiten van de vergunningsaanvraag bepalen. De voorgeschreven modaliteiten kunnen algemeen zijn en/of specifiek voor bepaalde hypotheses van afwijkingen gelden.
  Het instituut vraagt de Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud om advies. De Raad legt zijn advies over binnen dertig dagen na ontvangst van het verzoek. Het uitblijven van een advies binnen die termijn wordt gelijkgesteld met een gunstig advies.
  Het Instituut doet uitspraak binnen dertig dagen na ontvangst van het advies van de Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud of van de vervaldatum van de termijn toegekend voor het overleggen ervan. De beslissing wordt aan de aanvrager meegedeeld. Indien de afwijking bedoeld in artikel 83 wordt verleend, wordt het besluit bekendgemaakt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad.
  De verleende afwijking is individueel, persoonlijk en onoverdraagbaar. Ze vermeldt de eventuele beperkingen op de toepassing ervan. Ze bepaalt ook dat een rapport over de toepassing aan het Instituut moet worden overgelegd volgens een periodiciteit bepaald door het Instituut en ten minste binnen drie maanden na de volledige uitvoering.
  § 2. De afwijking vermeldt meer bepaald :
  a) de betrokken soort(en);
  b) de redenen voor de afwijking;
  c) de risicovoorwaarden en omstandigheden van tijd en plaats waarin de afwijking wordt verleend;
  d) de middelen, installaties en methodes die toegepast mogen worden, binnen welke beperkingen en door welke personen of welke autoriteit bevoegd is om dat te bepalen;
  e) de eventuele autoriteit die bevoegd is om te bepalen of aan alle vereiste voorwaarden voldaan is;
  f) de controles die worden uitgevoerd.
  Voor diersoorten bepaalt de afwijking eveneens :
  a) het aantal specimens waarvoor de afwijking wordt toegestaan;
  b) de toegestane middelen, installaties of methodes voor het vangen of doden;
  c) wat er gebeurt met de gevangen, gejaagde of vernietigde dieren en hun eventuele overschotten.
  § 3. In naleving van de voorwaarden bedoeld in artikel 83 en op voorstel van het Instituut kan de Regering langs verordenende weg algemene hypotheses van afwijkingen op de in artikelen 27, 68, § 1, en 70, § 2 bedoelde verbodsbepalingen vastleggen.
  Het ontwerp van besluit wordt voor advies voorgelegd aan de Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud. De Raad legt zijn advies over binnen dertig dagen na ontvangst van het verzoek van de Regering. Het uitblijven van een advies binnen die termijn wordt gelijkgesteld met een gunstig advies.
  Het bevat de elementen bedoeld in § 2.
  § 4. Indien het reservaat waarop de in artikel 84, § 1, 1°, bedoelde afwijking van toepassing is volledig of gedeeltelijk is aangewezen als Natura 2000-gebied, kan de afwijking verleend worden volgens de procedure en de voorwaarden vastgelegd in artikel 85.
Art.84. § 1er. La demande de dérogation visée à l'article 83 est introduite auprès de l'Institut. Elle indique notamment :
  1° pour les dérogations aux interdictions visées à l'article 27 :
  a) l'identité du demandeur;
  b) la réserve ou partie de réserve pour laquelle la dérogation est demandée ainsi que la superficie concernée par la demande;
  c) les actes et travaux envisagés sur le site et les dates et la durée de leur réalisation;
  d) les motifs de la demande de dérogation;
  e) les solutions alternatives envisagées et éventuellement mises en oeuvre;
  f) les moyens, installations et méthodes proposés pour la mise en oeuvre de la dérogation;
  2° pour les dérogations aux interdictions visées aux articles 68, § 1er, 70, § 2 et 88, § 1er :
  a) l'identité du demandeur;
  b) la ou les espèces et le nombre de spécimens pour lesquelles la dérogation est sollicitée;
  c) les motifs de la demande de dérogation;
  d) les dates et lieux où la dérogation doit s'exercer;
  e) les solutions alternatives envisagées et éventuellement mises en oeuvre;
  f) les moyens, installations et méthodes proposés pour la mise en oeuvre de la dérogation;
  g) lorsque les mesures prévues portent atteinte à l'intégrité physique des espèces animales, la demande comprend un programme de mesures d'atténuation et/ou de compensation.
  Le Gouvernement peut préciser les modalités de forme et de contenu de la demande de dérogation. Les modalités arrêtées peuvent être générales et/ou spécifiques à certaines hypothèses de dérogation.
  L'Institut sollicite l'avis du Conseil supérieur bruxellois de la conservation de la nature. L'avis est transmis dans les trente jours à compter de la réception de la demande. L'absence d'avis transmis dans ce délai équivaut à un avis favorable.
  L'Institut statue dans les trente jours de la réception de l'avis du Conseil supérieur bruxellois de la conservation de la nature ou de l'échéance du délai imparti pour sa transmission. La décision est notifiée au demandeur. Lorsque la dérogation visée à l'article 83 est accordée, la décision est publiée par extrait au Moniteur belge.
  La dérogation accordée est individuelle, personnelle et incessible. Elle précise les éventuelles restrictions à sa mise en oeuvre. Elle prescrit la transmission à l'Institut d'un rapport portant sur sa mise en oeuvre, selon une périodicité définie par l'Institut et au minimum dans un délai de trois mois à compter de sa réalisation complète.
  § 2. La dérogation précise notamment :
  a) la ou les espèces concernées;
  b) les motifs de la dérogation;
  c) les conditions de risque et les circonstances de temps et de lieu dans lesquelles la dérogation est accordée;
  d) les moyens, installations et méthodes pouvant être mis en oeuvre, dans quelles limites et par quelles personnes ou l'autorité habilitée à les déterminer;
  e) l'autorité éventuellement habilitée à déclarer que les conditions exigées sont réunies;
  f) les contrôles qui seront opérés.
  Pour les espèces animales, la dérogation précise également :
  a) le nombre de spécimens pour lesquels la dérogation est admise;
  b) les moyens, installations ou méthodes de capture ou de mise à mort autorisés;
  c) le sort à réserver aux animaux chassés, capturés ou détruits et à leur dépouille éventuelle.
  § 3. Dans le respect des conditions visées à l'article 83 et sur proposition de l'Institut, le Gouvernement peut arrêter par voie réglementaire des hypothèses générales de dérogation aux interdictions visées aux articles 27, 68, § 1er et 70, § 2.
  Le projet d'arrêté est soumis à l'avis du Conseil supérieur bruxellois de la conservation de la nature. L'avis est transmis dans les trente jours à compter de la réception de la demande du gouvernement. L'absence d'avis transmis dans ce délai équivaut à un avis favorable.
  Il comporte les éléments visés au § 2.
  § 4. Si la réserve concernée par la dérogation visée à l'article 84, § 1er, 1°, est désignée en tout ou en partie comme site Natura 2000, la dérogation peut être accordée selon la procédure et aux conditions fixées à l'article 85.
Art.85. § 1. Indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien de maatregel niet nadelig dreigt te zijn voor het ongeschonden karakter van het Natura 2000-gebied, kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen bedoeld in artikelen 47, § 2, en 48.
  § 2. Het verzoek om afwijking wordt ingediend bij het Instituut. Het vermeldt meer bepaald de gegevens bedoeld in artikel 84, § 1, 1°.
  De Regering mag de vorm- en inhoudsmodaliteiten van het verzoek om afwijking bepalen.
  Het Instituut doet een uitspraak binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvraag.
  Indien het Instituut van oordeel is dat de voorwaarden bedoeld in § 1 mogelijk niet voldaan worden, kan het binnen die termijn opleggen dat het verzoek om afwijking onderworpen wordt aan een door een Natura 2000-deskundige uitgevoerde passende beoordeling van de gevolgen van de afwijking op het Natura 2000-gebied, in het licht van de instandhoudingdoelstellingen van dat gebied. Het Instituut bepaalt de inhoud daarvan in het licht van de gegevens en elementen vermeld in bijlage VIII.
  In dat geval doet het Instituut een uitspraak binnen twee weken na de ontvangst van de passende beoordeling, conform artikel 64.
  § 3. De beslissing wordt aan de aanvrager meegedeeld. Indien de afwijking wordt verleend, wordt het besluit bekendgemaakt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad.
  De verleende afwijking is individueel, persoonlijk en onoverdraagbaar. Ze vermeldt de eventuele beperkingen op de toepassing ervan.
Art.85. § 1er. S'il n'existe pas d'autre solution satisfaisante et si la mesure ne risque pas de porter atteinte à l'intégrité du site Natura 2000 concerné, il peut être dérogé aux interdictions visées aux articles 47, § 2, et 48.
  § 2. La demande de dérogation est introduite auprès de l'Institut. Elle indique notamment les informations visées à l'article 84, § 1er, 1°.
  Le Gouvernement peut préciser les modalités de forme et de contenu de la demande de dérogation.
  L'Institut statue dans les trente jours de la réception de la demande.
  S'il estime que les conditions visées au § 1er sont susceptibles de ne pas être remplies, l'Institut peut prescrire, dans ce délai, que la demande de dérogation intègre une évaluation appropriée, réalisée par un expert Natura 2000, des incidences de la dérogation sur le site Natura 2000 eu égard aux objectifs de conservation de ce site. Il en précise le contenu au regard notamment des informations et éléments mentionnés à l'annexe VIII.
  Dans ce cas, l'Institut statue dans les quinze jours de la réception de l'évaluation appropriée, conformément à l'article 64.
  § 3. La décision est notifiée au demandeur. Lorsque la dérogation est accordée, la décision est publiée par extrait au Moniteur belge
  La dérogation accordée est individuelle, personnelle et incessible. Elle précise les éventuelles restrictions à sa mise en oeuvre.
Art.86. Indien voor een project meerdere afwijkingen in de zin van artikelen 83 en 85 nodig zijn, wordt één enkel verzoek met alle elementen bedoeld in artikelen 84, § 1 en 85, § 2 ingediend en wordt er één enkele afwijking verleend, in naleving van de procedureregels en de voorwaarden voorzien in deze bepalingen.
Art.86. Lorsqu'un projet nécessite plusieurs dérogations au sens des articles 83 et 85, une seule demande, comportant les éléments visés aux articles 84, § 1er, et 85, § 2, est introduite et il est octroyé une dérogation unique, dans le respect des règles de procédure et des conditions prévues par ces dispositions.
Art.87. Het Instituut stelt periodiek een verslag op van alle krachtens artikelen 83 en 85 toegepaste afwijkingen en stuurt dat naar de Regering.
  De Regering bepaalt de opstellingsmodaliteiten en de inhoud van het rapport en geeft de relevante gegevens door aan de Europese Commissie, conform de vereisten van Richtlijn 2009/147/EG en 92/43/EEG.
Art.87. L'Institut établit périodiquement un rapport sur les dérogations mises en oeuvre en vertu des articles 83 et 85 et le transmet au Gouvernement.
  Le Gouvernement détermine les modalités d'élaboration et le contenu du rapport et transmet les données pertinentes à la Commission européenne, conformément aux exigences des Directives 2009/147/CE et 92/43/CEE.
Art.88. § 1. Onder voorbehoud van artikel 83, § 1, zijn verboden :
  1° het gebruik van de in bijlage VI opgesomde vangst- en doodmiddelen;
  2° elk vangst- en doodmiddel vanaf de in bijlage VI vermelde vervoermiddelen.
  § 2. Voor de strikt beschermde soorten in toepassing van artikel 67, zijn bovendien alle andere niet-selectieve onttrekkings-, vangst- en doodmiddelen verboden die de plaatselijke verdwijning of ernstige verstoring van de rust van de populaties van de soort tot gevolg kunnen hebben.
Art.88. § 1er. Sous réserve de l'article 83, § 1er, sont interdites :
  1° l'utilisation des moyens de capture et de mise à mort énumérés à l'annexe VI;
  2° toute forme de capture et de mise à mort à partir des modes de transport mentionnés à l'annexe VI.
  § 2. Pour les espèces strictement protégées en application de l'article 67, sont de surcroît interdits tous autres moyens non sélectifs de prélèvement, de capture et de mise à mort, susceptibles d'entraîner localement la disparition ou de troubler gravement la tranquillité des populations de l'espèce.
HOOFDSTUK 2. - Beroep
CHAPITRE 2. - Recours
Art.89. § 1. Tegen de beslissingen, ook al werden zij stilzwijgend genomen, om de in artikelen 75, 83 en 85 bedoelde afwijkingen toe te staan of te weigeren, kan beroep ingesteld worden bij het Milieucollege door de volgende personen :
  1° de aanvrager van de toelating of de afwijking;
  2° elke vereniging die ijvert voor het natuurbehoud op het grondgebied van het Gewest, op voorwaarde dat :
  a) de vereniging als een VZW is opgericht;
  b) de VZW al bestond op de datum waarop de beslissing wordt uitgereikt;
  c) natuurbehoud het statutaire doel uitmaakt van de VZW.
  3° elke natuurlijke of rechtspersoon die een belang kan aantonen.
  Het beroep wordt ingediend binnen dertig dagen :
  1° na ontvangst van de beslissing als het beroep van de aanvrager uitgaat;
  2° na de bekendmaking van de beslissing bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad wanneer het beroep van een andere persoon uitgaat.
  De aangevochten beslissing wordt slechts opgeschort indien de volgende voorwaarden vervuld zijn :
  1. indien ze gemotiveerd is door een ernstige bedreiging of een onherstelbare schade;
  2. indien de verzoeker een afschrift van zijn beroep heeft opgestuurd naar het Instituut en aan de aanvrager van de afwijking of toelating binnen de vijf werkdagen voor het indienen van zijn opschortend beroep en dat het bewijs van deze verzendingen bij het beroep gevoegd is;
  3. indien de opschorting wordt bevolen door de voorzitter van het Milieucollege of door het daarvoor door hem aangewezen lid.
  Alvorens te beslissen over het opschortend karakter van het beroep, hoort de voorzitter van het Milieucollege of het lid van het Milieucollege dat hij hiervoor aangewezen heeft, de partijen. De verzoeker, het Instituut en de aanvrager van de afwijking of de toelating moeten aanwezig of vertegenwoordigd zijn tijdens deze hoorzitting. Indien de verzoeker niet aanwezig of vertegenwoordigd is, wordt de opschorting verworpen. De andere partijen die niet aanwezig of vertegenwoordigd zijn, worden geacht akkoord te gaan met de opschorting indien deze wordt bevolen.
  § 2. Het beroep bedoeld in § 1 wordt in een ter post aangetekend schrijven gelijktijdig verstuurd naar het Milieucollege en, indien hij de verzoeker niet is, naar de aanvrager van de afwijking of de toelating.
  § 3. Binnen de vijf dagen vanaf de ontvangst van het beroep, stuurt het Milieucollege een afschrift ervan naar het Instituut. Het Instituut maakt een afschrift van het dossier over binnen de tien dagen na ontvangst van het afschrift van het beroep.
  De verzoeker of zijn raadsman, alsook het Instituut of zijn afgevaardigde en de aanvrager van de ontheffing of toelating worden, op hun verzoek, gehoord door het Milieucollege. Indien een partij erom verzoekt om gehoord te worden, worden ook de andere partijen opgeroepen.
  De beslissing van het Milieucollege wordt betekend aan de verzoeker, aan de aanvrager van de afwijking of de toelating en aan het Instituut binnen de zestig dagen vanaf de datum van het afgeven van de aangetekende brief met het beroep bij de post. Indien de partijen worden gehoord, wordt de termijn verlengd met vijftien dagen.
Art.89. § 1er. Un recours auprès du Collège d'environnement contre les décisions, fussent-elles tacites, d'octroi ou de refus des autorisations et des dérogations visées aux articles 75, 83 et 85 est ouvert aux personnes suivantes :
  1° le demandeur de l'autorisation ou de la dérogation;
  2° toute association qui oeuvre en faveur de la conservation de la nature sur le territoire de la Région, à la condition que :
  a) l'association soit constituée en ASBL;
  b) l'ASBL préexiste à la date de la décision incriminée;
  c) l'objet statutaire de l'ASBL soit la conservation de la nature.
  3° toute personne physique ou morale qui justifie d'un intérêt.
  Le recours est introduit dans les trente jours :
  1° de la réception de la décision quand il émane du demandeur;
  2° de la publication par extrait de la décision au Moniteur belge quand il émane d'une autre personne.
  La décision attaquée n'est suspendue que si les conditions suivantes sont réunies :
  1. lorsqu'elle est dûment motivée par un péril grave ou un dommage irréparable;
  2. lorsque la partie requérante a expédié une copie de son recours à l'Institut et au demandeur de la dérogation ou de l'autorisation dans les cinq jours ouvrables précédant l'introduction de son recours suspensif et que la preuve de ces envois est jointe à son recours;
  3. lorsque la suspension est ordonnée par le président du Collège d'environnement ou par le membre qu'il désigne à cette fin.
  Avant de statuer sur le caractère suspensif du recours, le président du Collège d'environnement ou le membre du Collège d'environnement qu'il a désigné à cette fin doit entendre les parties. Le requérant, l'Institut et le demandeur de la dérogation ou de l'autorisation doivent être présents ou représentés lors de cette audition. Si le requérant n'est ni présent ni représenté, la suspension est rejetée. Les autres parties qui ne sont ni présentes ni représentées sont censées acquiescer à la suspension si elle est ordonnée.
  § 2. Le recours visé au § 1er est adressé simultanément au Collège d'environnement et, s'il n'est pas le requérant, au demandeur de la dérogation ou de l'autorisation, par lettre recommandée à la poste.
  § 3. Dans les cinq jours à dater de la réception du recours, le Collège d'environnement adresse une copie de celui-ci à l'Institut. L'Institut transmet au Collège d'environnement une copie du dossier dans les dix jours de la réception de la copie du recours.
  Le requérant ou son conseil, ainsi que l'Institut ou son délégué et le demandeur de la dérogation ou de l'autorisation sont, à leur demande, entendus par le Collège d'environnement. Lorsqu'une partie demande à être entendue, les autres parties sont invitées à comparaître.
  La décision du Collège d'environnement est notifiée au requérant, au demandeur de la dérogation ou de l'autorisation et à l'Institut dans les soixante jours de la date de dépôt à la poste de l'envoi recommandé contenant le recours. Lorsque les parties sont entendues, le délai est prolongé de quinze jours.
Art.90. § 1. Een beroep kan ingediend worden door de personen bedoeld in artikel 89, § 1, bij de Regering tegen de beslissing van het Milieucollege of als er geen besluit door het Milieucollege genomen is binnen de opgelegde termijnen.
  Het beroep wordt in een ter post aangetekend schrijven aan de Minister gericht.
  Het beroep wordt ingediend binnen de dertig dagen na de ontvangst van de kennisgeving van de beslissing van het Milieucollege of van het aflopen van de termijn waarbinnen deze kennisgeving uitgevoerd moest zijn.
  § 2. De verzoeker of zijn raadsman, alsook het Milieucollege of zijn afgevaardigde en de aanvrager van de afwijking of de toelating, wanneer deze de verzoeker niet is, worden, op hun vraag, gehoord door de Regering of de persoon die zij hiertoe machtigt. Wanneer een partij vraagt om te worden gehoord, worden ook de andere partijen betrokken bij het beroep opgeroepen.
  § 3. De beslissing van de Regering wordt betekend aan de verzoeker, het Milieucollege, het Instituut en de aanvrager van de afwijking of toelating, binnen 60 dagen na de datum van afgifte bij de post van de aangetekende zending die het beroep bevat. Ingeval de partijen worden gehoord, wordt de termijn met 15 dagen verlengd.
  Bij gebrek aan een kennisgeving van de beslissing binnen deze termijn, kan de aanvrager van de afwijking of toelating, per aangetekende brief, een herinnering sturen naar de Regering. Indien de aanvrager geen beslissing ontvangen heeft bij het verstrijken van een nieuwe termijn van 30 dagen na de datum van afgifte bij de post van de aangetekende zending met de herinnering, dan wordt de beslissing die het voorwerp van het beroep uitmaakte, bevestigd.
Art.90. § 1er. Un recours est ouvert aux personnes définies à l'article 89, § 1er, auprès du Gouvernement contre la décision du Collège d'environnement ou en l'absence de décision du Collège d'environnement dans les délais impartis.
  Le recours est adressé au Ministre par lettre recommandée à la poste.
  Le recours est introduit dans les trente jours de la réception de la notification de la décision du Collège d'environnement ou de l'expiration du délai dans lequel cette notification doit être réalisée.
  § 2. Le requérant ou son conseil, ainsi que le Collège d'environnement ou son délégué et le demandeur de la dérogation ou de l'autorisation, lorsque celui-ci n'est pas le requérant, sont, à leur demande, entendus par le Gouvernement ou par la personne qu'il délègue à cette fin. Lorsqu'une partie demande à être entendue, les autres parties sont invitées à comparaître.
  § 3. La décision du Gouvernement est notifiée au requérant, au Collège d'environnement, à l'Institut et au demandeur de la dérogation ou de l'autorisation, dans les 60 jours de la date de dépôt à la poste de l'envoi recommandé contenant le recours. Lorsque les parties sont entendues, le délai est prolongé de 15 jours.
  A défaut de notification de la décision dans ce délai, le requérant ou le demandeur de la dérogation ou de l'autorisation peut, par lettre recommandée, adresser un rappel au Gouvernement. Si, à l'expiration d'un nouveau délai de 30 jours, prenant cours à la date du dépôt à la poste de l'envoi recommandé contenant le rappel, cette personne n'a pas reçu de décision, la décision qui fait l'objet du recours est confirmée.
Art.91. Een dossierrecht, waarvan de opbrengst rechtstreeks en integraal in het Fonds voor bescherming van het leefmilieu wordt gestort, wordt geheven ten laste van elke natuurlijke of rechtspersoon die overeenkomstig artikelen 89 en 90 een beroep bij de bevoegde overheid indient.
  Het dossierrecht is verschuldigd op de dag waarop het beroep wordt ingediend.
  Het bedrag van het dossierrecht wordt vastgesteld op 125 EUR.
Art.91. Un droit de dossier, dont le produit est versé directement et intégralement au Fonds pour la protection de l'environnement, est levé à charge de toute personne physique ou morale qui exerce un recours auprès de l'autorité compétente, conformément aux articles 89 et 90.
  Le droit de dossier est dû à la date d'introduction du recours.
  Le montant du droit de dossier est fixé à 125 EUR.
TITEL VI. - De Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud
TITRE VI. - Le Conseil supérieur bruxellois de la Conservation de la Nature
Art.92. § 1. De Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud geeft advies aan de Regering, de minister en, desgevallend, aan de minister bevoegd voor de aangelegenheden bedoeld in het advies, over alle aangelegenheden betreffende het natuurbehoud.
  De Raad brengt op eigen initiatief een advies uit op voorstel van ten minste vijf van zijn leden.
  De Regering dient de Raad te raadplegen voor elk ontwerp van regelgevend besluit dat ze overweegt op grond van deze ordonnantie.
  De adviesaanvragen van de minister worden prioritair onderzocht.
  § 2. De Regering bepaalt de samenstellings- en werkingsregels voor de Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud.
  De Raad is samengesteld uit :
  1° personen met grote wetenschappelijke kennis op het vlak van natuurbehoud;
  2° ambtenaren van het bestuur die de diensten betrokken bij de toepassing van de wetgeving op het natuurbehoud vertegenwoordigen;
  3° afgevaardigden van verenigingen die zich inzetten voor het natuurbehoud.
  § 3. Wanneer de Raad wordt geraadpleegd in toepassing van deze ordonnantie, legt de Raad zijn advies over binnen dertig dagen na ontvangst van het verzoek. Het uitblijven van een advies binnen die termijn wordt gelijkgesteld met een gunstig advies.
Art.92. § 1er. Le Conseil supérieur bruxellois de la conservation de la nature a pour mission de donner un avis au Gouvernement, au ministre et, le cas échéant, au ministre compétent pour les matières visées par l'avis, sur toute question concernant la conservation de la nature.
  Il émet un avis d'initiative sur proposition de cinq de ses membres au moins.
  Le Gouvernement est tenu de le consulter sur tout projet d'arrêté réglementaire envisagé sur la base de la présente ordonnance.
  Les demandes d'avis du ministre sont examinées par priorité.
  § 2. Le Gouvernement arrête les règles de composition et de fonctionnement du Conseil supérieur bruxellois de la conservation de la nature.
  Il est composé :
  1° de personnes ayant de grandes connaissances scientifiques dans le domaine de la conservation de la nature;
  2° de fonctionnaires de l'administration représentant les services concernés par l'application de la législation sur la conservation de la nature;
  3° de représentants d'associations ayant pour objet la conservation de la nature.
  § 3. Lorsqu'il est consulté en application de la présente ordonnance, le Conseil transmet son avis dans les trente jours à compter de la réception de la demande. L'absence d'avis transmis dans ce délai équivaut à un avis favorable.
TITEL VII. - Strafbepalingen
TITRE VII. - Dispositions pénales
Art.93. [1 Met de straf zoals voorzien in artikel 31, § 1, van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid]1 wordt gestraft, de persoon die :
  1° de noodzakelijke handelingen voor het inzamelen van de in artikel 15, § 3 bedoelde biologische gegevens belemmert;
  2° in een natuur- of bosreservaat de verbodsbepalingen of maatregelen opgelegd in artikel 27, of in toepassing van dit artikel, overtreedt, indien hij niet in het bezit is van een afwijking krachtens artikel 83;
  3° een volgens artikel 28 opgesteld toezichts- en politiereglement op natuurreservaten overtreedt;
  4° in Natura 2000-gebieden de verbodsbepalingen of maatregelen opgelegd in artikelen 44, § 2, 12° en 13° en 47, of in toepassing van deze artikelen, overtreedt, indien hij niet in het bezit is van een afwijking krachtens artikel 85;
  5° een overtreding begaat op de effect verzachtende maatregelen opgelegd in toepassing van artikel 64, § 1, lid 4;
  6° een overtreding begaat op een verordenende beschermingsmaatregel voor de stadsbiotopen en de elementen van het landschap bepaald volgens artikel 66, § 1;
  7° de bepalingen van het parkreglement opgesteld krachtens artikel 66, § 2 overtreedt;
  8° een overtreding begaat op een verbodsbepaling bedoeld in artikelen 68 en 70, indien hij niet in het bezit is van een afwijking krachtens artikel 83;
  9° een overtreding begaat op een beschermingsmaatregel voor planten- of diersoorten aangenomen in uitvoering van artikel 72, § 1;
  10° zonder vergunning soorten waarvan de introductie of herintroductie verboden is in toepassing van artikelen 75 en 76 invoert, herinvoert, laat invoeren of herinvoeren op zijn goed;
  11° de voorschriften van artikel 77 overtreedt;
  12° de krachtens artikel 78 genomen verordenende maatregelen overtreedt;
  13° vist en geen visverlof heeft zoals bedoeld in artikel 80 of die er niet is van vrijgesteld krachtens artikel 80 of hij die op zijn grond iemand laat vissen die niet over een visverlof beschikt of hiervan niet is vrijgesteld;
  14° vis vangt of heeft gevangen zonder naleving van de bepalingen voorgeschreven door de Regering op grond van artikelen 81 en 82;
  15° buiten zijn woning vistuigen of -toestellen draagt die verboden zijn krachtens artikel 81;
  16° gebruik maakt van vangst- en doodmiddelen en -vormen die verboden zijn krachtens artikel 88;
  17° zich onttrekt aan of enige belemmering vormt voor de uitvoering van de controle-, toezichts- of vorderingstaak waarmee bevoegde ambtenaren zijn gelast.
  
Art.93. Sera punie [1 de la peine prévue à l'article 31, § 1er, du Code de l'inspection, la prévention, la constatation et la répression des infractions en matière d'environnement et de la responsabilité environnementale]1, toute personne qui :
  1° fait obstacle aux opérations indispensables à la récolte de données biologiques visées à l'article 15, § 3;
  2° dans une réserve naturelle ou forestière, lorsqu'elle ne bénéficie pas d'une dérogation en vertu de l'article 83, transgresse les interdictions ou mesures édictées par l'article 27 ou en application de cet article;
  3° transgresse un règlement de surveillance et de police des réserves naturelles établi conformément à l'article 28;
  4° dans les sites Natura 2000, lorsqu'elle ne bénéficie pas d'une dérogation en vertu de l'article 85, transgresse les interdictions ou mesures édictées par les articles 44, § 2, 12° et 13° et 47 ou en application de ces articles;
  5° transgresse les mesures d'atténuation prescrites en application de l'article 64, § 1er, alinéa 4;
  6° transgresse une mesure de protection réglementaire des biotopes urbains et des éléments du paysage arrêtée conformément à l'article 66, § 1er;
  7° contrevient aux dispositions d'un règlement de parc établi conformément à l'article 66, § 2;
  8° lorsqu'elle ne bénéficie pas d'une dérogation en vertu de l'article 83, transgresse une interdiction visée aux articles 68 et 70;
  9° transgresse une mesure de protection des espèces végétales ou animales adoptée en exécution de l'article 72, § 1er;
  10° sans autorisation, introduit, réintroduit ou laisse introduire ou réintroduire sur son bien des espèces dont l'introduction ou la réintroduction est interdite par application des articles 75 et 76;
  11° contrevient aux prescriptions de l'article 77;
  12° contrevient aux mesures réglementaires prises en vertu de l'article 78;
  13° sera trouvée pêchant et ne justifiant pas d'un permis de pêche visé à l'article 80 et n'en étant pas dispensée en application de l'article 80 ou laissant pêcher sur son terrain une personne ne justifiant pas d'un tel permis de pêche et n'en étant pas dispensée;
  14° sera trouvée pêchant ou ayant pêché sans respecter les prescriptions prises par le Gouvernement en application des articles 81 et 82;
  15° porte hors de son domicile des engins ou instruments prohibés en vertu de l'article 81;
  16° recourt aux moyens et formes de capture et de mise à mort interdits en vertu de l'article 88;
  17° se soustrait ou fait obstacle d'une quelconque manière à l'exécution de la mission de contrôle, de surveillance ou de réquisition dont sont investis les agents qualifiés.
  
Art.94. [1 [2 Het minimale bedrag van de geldboete wordt verdubbeld in de volgende gevallen]2 ]1 :
  1° wanneer de overtreding 's nachts gebeurt of in groep of na inbraak wordt begaan;
  2° wanneer de overtreder(s) vermomd of gemaskerd is (zijn);
  3° wanneer de overtreding wordt begaan met een verboden wapen;
  4° wanneer de overtreding wordt begaan tijdens de periode van het kuitschieten of de paartijd van het betrokken dier;
  5° wanneer de overtreding wordt begaan door douanebeambten, boswachters, aangestelde agenten of ambtenaren bedoeld in artikel 4 van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu;
  [1 [2 ...]2 ]1
  
Art.94. [1 [2 Le montant minimum de l'amende est doublé dans les cas suivants]2 ]1 :
  1° lorsque l'infraction a lieu la nuit, en bande ou par effraction;
  2° lorsque le ou les contrevenants sont déguisés ou masqués;
  3° lorsque l'infraction a été commise au moyen d'une arme prohibée;
  4° lorsque l'infraction a été commise en temps de frai ou de reproduction de l'animal concerné;
  5° lorsque l'infraction est commise par des employés des douanes, gardes forestiers, des agents préposés ou fonctionnaires visés à l'article 4 de l'ordonnance du 25 mars 1999 relative à la recherche, la constatation, la poursuite et la répression des infractions en matière d'environnement;
  [1 [2 ...]2 ]1
  
TITEL VIII. - Overgangs-, opheffings- en slotbepalingen
TITRE VIII. - Dispositions transitoires, abrogatoires et finales
Art.95. De besluiten genomen in toepassing van artikel 6 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud of in uitvoering van artikelen 3, 4, 6, 17 tot 20, 31, 34, 35 en 38 van de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende het behoud en de bescherming van de natuur blijven van toepassing.
  Binnen een termijn van twee jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze ordonnantie brengt de Regering de wijzigingen of aanvullingen aan die eventueel nodig zijn opdat de aanwijzingsbesluiten en beheerplannen van natuur- en bosreservaten zoals bedoeld in lid 1, de elementen zouden bevatten die in artikelen 29, § 1, 32, § 1 en 37, § 1 bedoeld worden.
  Deze wijzigingen of aanvullingen worden aangebracht overeenkomstig de procedure die in artikel 31, § 2 bedoeld is.
Art.95. Les arrêtés adoptés en exécution de l'article 6 de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature ou en exécution des articles 3, 4, 6, 17 à 20, 31, 34, 35 et 38 de l'ordonnance du 27 avril 1995 relative à la sauvegarde et à la protection de la nature demeurent d'application.
  Dans un délai de deux ans à compter de l'entrée en vigueur de la présente ordonnance, le Gouvernement apporte les modifications ou compléments éventuellement nécessaires afin que les arrêtés de désignation et les plans de gestion des réserves naturelles et forestières, visées à l'alinéa 1er, comportent les éléments visés aux articles 29, § 1er, 32, § 1er et 37, § 1er.
  Ces modifications ou compléments sont apportés conformément à la procédure visée à l'article 31, § 2.
Art.96. De gebieden die aan de Europese Commissie werden voorgesteld met toepassing van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 oktober 2000 betreffende de instandhouding van de natuurlijke habitats en van de wilde fauna en flora worden beschouwd als geïdentificeerd en aan de Europese Commissie voorgesteld met toepassing van artikelen 40 tot 42 van deze ordonnantie.
  De gebieden aangewezen als Natura 2000-gebied met toepassing van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 oktober 2000 betreffende de instandhouding van de natuurlijke habitats en van de wilde fauna en flora worden beschouwd als aangewezen met toepassing van artikel 44 van deze ordonnantie.
Art.96. Les sites proposés à la Commission européenne en application de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 26 octobre 2000 relatif à la conservation des habitats naturels ainsi que de la faune et de la flore sauvages sont considérés comme identifiés et proposés à la Commission européenne en application des articles 40 à 42 de la présente ordonnance.
  Les sites désignés comme site Natura 2000 en application de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 26 octobre 2000 relatif à la conservation des habitats naturels ainsi que de la faune et de la flore sauvages sont considérés comme désignés en application de l'article 44 de la présente ordonnance.
Art.97. De ordonnantie van 18 maart 2004 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde plannen en programma's wordt als volgt gewijzigd :
  1° In artikel 5, § 1, b) worden de woorden " op gebieden, een beoordeling vereist is uit hoofde van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 oktober 2000 betreffende de instandhouding van de natuurlijke habitats en van de wilde fauna en flora " vervangen door de woorden " op Natura 2000-gebieden, natuurreservaten of bosreservaten een beoordeling vereist is uit hoofde van artikel 57 of 65 van de ordonnantie van ... betreffende het natuurbehoud ".
  2° In artikel 10, § 2, 4° worden de woorden " voor het bijzonder beheerplan bedoeld in de artikelen 24 en 27 van de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende het behoud en de bescherming van de natuur : de Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud en de Raad voor het Leefmilieu " vervangen door de woorden " voor het gewestelijk natuurplan bedoeld in artikel 8 van de ordonnantie van ... betreffende het natuurbehoud : de Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud, de Raad voor het Leefmilieu, de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie en het Bestuur Ruimtelijke Ordening en Huisvesting ".
  3° Afdeling IV van hoofdstuk IV wordt geschrapt.
  4° In artikel 30, lid 1, vierde streepje, worden de woorden " de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende het behoud en de bescherming van de natuur " vervangen door de woorden " de ordonnantie van ... betreffende het natuurbehoud ".
  5° In punt d) van bijlage I worden de woorden " zoals gebieden die op grond van de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende het behoud en de bescherming van de natuur zijn aangewezen of gebieden die op grond van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 oktober 2000 betreffende de instandhouding van de natuurlijke habitats en van de wilde fauna en flora zijn aangewezen " vervangen door de woorden " zoals gebieden die op grond van de ordonnantie van ... betreffende het natuurbehoud zijn aangewezen ".
  6° In bijlage I wordt het volgende lid ingevoegd : " Wat betreft de plannen en programma's bedoeld in artikel 5, § 1, b), heeft het milieueffectrapport eveneens betrekking op de gegevens en elementen vermeld in bijlage VIII van de ordonnantie van ... betreffende het natuurbehoud. ".
  7° In bijlage II wordt het volgende lid ingevoegd : " Wat betreft de plannen en programma's bedoeld in artikel 5, § 1, b), wordt eveneens rekening gehouden met de criteria opgesomd in bijlage VII van de ordonnantie van ... betreffende het natuurbehoud. ".
Art.97. Dans l'ordonnance du 18 mars 2004 relative à l'évaluation des incidences de certains plans et programmes sur l'environnement, sont apportées les modifications suivantes :
  1° A l'article 5, § 1er, b) les termes " des sites, une évaluation est requise en vertu de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 26 octobre 2000 relatif à la conservation des habitats naturels, ainsi que de la faune et de la flore sauvages " sont remplacés par les termes " des sites Natura 2000, des réserves naturelles ou des réserves forestières, une évaluation appropriée est requise en vertu de l'article 57 ou 65 de l'ordonnance du ... relative à la conservation de la nature ".
  2° A l'article 10, § 2, 4° les termes " pour le plan particulier de gestion visé aux articles 24 et 27 de l'ordonnance du 27 avril 1995 relative à la sauvegarde et à la protection de la nature : le Conseil supérieur bruxellois de Conservation de la Nature et le Conseil de l'Environnement " sont remplacés par les termes " pour le plan régional nature visé à l'article 8 de l'ordonnance du ... relative à la conservation de la nature : le Conseil supérieur bruxellois de la Conservation de la Nature, le Conseil de l'Environnement, la Commission régionale de développement et l'Administration de l'Aménagement du Territoire et du Logement; ".
  3° La section IV du chapitre IV est abrogée.
  4° A l'article 30, alinéa 1er, quatrième tiret, les termes " l'ordonnance du 27 avril 1995 relative à la sauvegarde et à la protection de la nature " sont remplacés par les termes " l'ordonnance du ... relative à la conservation de la nature ".
  5° Au point d) de l'annexe Ière, les termes " telles que celles désignées conformément à l'ordonnance du 27 avril 1995 relative à la sauvegarde et à la protection de la nature et telles que celles désignées conformément à l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 6 octobre 2000 relatif à la conservation des habitats naturels, ainsi que de la faune et de la flore sauvages " sont remplacés par les termes " telles que celles désignées conformément à l'ordonnance du ... relative à la conservation de la nature ".
  6° A l'annexe Ire, est ajouté un alinéa libellé comme suit : " En ce qui concerne les plans et programmes visés à l'article 5, § 1er, b), le rapport sur les incidences environnementales porte également sur les informations et éléments mentionnés à l'annexe VIII de l'ordonnance du ... relative à la conservation de la nature. ".
  7° A l'annexe II, est ajouté un alinéa libellé comme suit : " En ce qui concerne les plans et programmes visés à l'article 5, § 1er, b), sont également pris en considération les critères énoncés à l'annexe VII de l'ordonnance du ... relative à la conservation de la nature. ".
Art.98. In artikel 125 van het BWRO worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° tussen de leden 2 en 3 wordt het volgende lid ingevoegd :
  " Wanneer de aanvraag niet van rechtswege is onderworpen aan een milieueffectstudie bedoeld in artikel 128 of aan een effectenrapport bedoeld in artikel 142, zal de gemeente, vüür zij het ontvangstbewijs voor de vergunningsaanvraag uitreikt, volgens de modaliteiten voorzien in artikel 61 van de ordonnantie van ... betreffende het natuurbehoud, nagaan of het project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten, significante gevolgen kan hebben voor een natuurreservaat, een bosreservaat of een Natura 2000-gebied, en, in voorkomend geval, bepalen dat het aanvraagdossier een passende beoordeling moet omvatten. Hiertoe kan ze het advies van het Brussels Instituut voor Milieubeheer vragen. ";
  2° huidig lid 9, ingevoegd door artikel 39, h) van de ordonnantie van 14 mei 2009, wordt lid 10 van artikel 125 vervangen door wat volgt :
  " Wanneer de aanvraag werd onderworpen aan een passende beoordeling in overeenstemming met lid 3, vraagt het college van burgemeester en schepenen het advies van het Brussels Instituut voor Milieubeheer. ".
Art.98. A l'article 125 du CoBAT, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 2 et 3 :
  " Lorsque la demande n'est pas soumise de plein droit à l'étude d'incidences visée à l'article 128 ou au rapport d'incidences visé à l'article 142, la commune, avant de délivrer l'accusé de réception de la demande de permis, vérifie, selon les modalités prévues à l'article 61 de l'ordonnance du ... relative à la conservation de la nature, si le projet est susceptible d'affecter une réserve naturelle, une réserve forestière ou un site Natura 2000 de manière significative, individuellement ou en conjugaison avec d'autres plans et projets et, dans cette hypothèse, prescrit que le dossier de demande intègre une évaluation appropriée. Elle peut, à cette fin, solliciter l'avis de l'Institut bruxellois pour la gestion de l'environnement. ";
  2° l'actuel alinéa 9, ajouté par l'article 39, h) de l'ordonnance du 14 mai 2009, et devenant l'alinéa 10 de l'article 125, est remplacé par ce qui suit :
  " Lorsque la demande a été soumise à évaluation appropriée conformément à l'alinéa 3, le Collège des bourgmestre et échevins sollicite l'avis de l'Institut bruxellois pour la gestion de l'environnement. ".
Art.99. In artikel 127 van hetzelfde Wetboek wordt lid 2 van § 1, ingevoegd door artikel 42, a) van de ordonnantie van 14 mei 2009, vervangen door het volgende lid :
  " Wanneer een project onderworpen aan een voorafgaande effectenbeoordeling in toepassing van deze afdeling ook het voorwerp moet uitmaken van een passende beoordeling van zijn effecten op een natuurreservaat, een bosreservaat of een Natura 2000-gebied in overeenstemming met de ordonnantie van ... betreffende het natuurbehoud, zal de milieueffectenstudie of het milieueffectenrapport de passende beoordeling die krachtens deze ordonnantie is vereist, omvatten. ".
Art.99. A l'article 127 du même Code, le second alinéa du § 1er inséré par l'article 42, a) de l'ordonnance du 14 mai 2009, est remplacé par l'alinéa suivant :
  " Lorsqu'un projet soumis à évaluation préalable des incidences en application de la présente section doit également faire l'objet d'une évaluation appropriée de ses incidences sur une réserve naturelle, une réserve forestière ou un site Natura 2000 conformément à l'ordonnance du ... relative à la conservation de la nature, l'étude d'incidences sur l'environnement ou le rapport d'incidences sur l'environnement intègre l'évaluation appropriée requise en vertu de cette ordonnance. ".
Art.100. In artikel 135 van hetzelfde Wetboek wordt punt 4° aangevuld als volgt :
  " met een passende beoordeling in overeenstemming met artikel 59, § 2, 2° van de ordonnantie van ... betreffende het natuurbehoud, wanneer de aanvraag, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten, significante gevolgen kan hebben voor een natuurreservaat, een bosreservaat of een Natura 2000-gebied; ".
Art.100. A l'article 135 du même Code, le point 4° est complété comme suit :
  " intégrant une évaluation appropriée conformément à l'article 59, § 2, 2° de l'ordonnance du ... relative à conservation de la nature lorsque la demande est susceptible d'affecter une réserve naturelle, une réserve forestière ou un site Natura 2000 de manière significative, individuellement ou en conjugaison avec d'autres plans et projets; ".
Art.101. In artikel 143, lid 1 van hetzelfde Wetboek wordt punt 5° aangevuld als volgt :
  " met een passende beoordeling in overeenstemming met artikel 60, § 2, 2° van de ordonnantie van ... betreffende het natuurbehoud, wanneer de aanvraag, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten, significante gevolgen kan hebben voor een natuurreservaat, een bosreservaat of een Natura 2000-gebied; ".
Art.101. A l'article 143, alinéa 1er, du même Code, le point 5° est complété comme suit :
  " intégrant une évaluation appropriée conformément à l'article 60, § 2, 2° de l'ordonnance du ... relative à conservation de la nature lorsque la demande est susceptible d'affecter une réserve naturelle, une réserve forestière ou un site Natura 2000 de manière significative, individuellement ou en conjugaison avec d'autres plans et projets; ".
Art.102. Artikel 149 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :
  " Indien de aanvraag voor een verkavelingsvergunning, een stedenbouwkundig attest of een stedenbouwkundige vergunning een passende beoordeling van het project omvat in toepassing van artikel 125, lid 3 of artikel 176, lid 3, dan is het aanvraagdossier onderworpen aan de bijzondere bekendmakingsmaatregelen. ".
Art.102. L'article 149 du même Code est complété par l'alinéa suivant :
  " Dans l'hypothèse où la demande de permis de lotir, de certificat ou de permis d'urbanisme intègre une évaluation appropriée du projet en application de l'article 125, alinéa 3, ou de l'article 176, alinéa 3, le dossier de demande est soumis aux mesures particulières de publicité. ".
Art.103. In artikel 176 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° tussen de leden 2 en 3 wordt het volgende lid ingevoegd :
  " Wanneer de aanvraag niet van rechtswege is onderworpen aan een milieueffectstudie bedoeld in artikel 128 of aan een effectenrapport bedoeld in artikel 142, zal de gemachtigd ambtenaar, vüür hij het ontvangstbewijs voor de vergunningsaanvraag uitreikt, volgens de modaliteiten voorzien in artikel 61 van de ordonnantie van ... betreffende het natuurbehoud, nagaan of het project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten, significante gevolgen kan hebben voor een natuurreservaat, een bosreservaat of een Natura 2000-gebied, en, in voorkomend geval, bepalen dat het aanvraagdossier een passende beoordeling moet omvatten. Hiertoe kan hij het advies van het Brussels Instituut voor Milieubeheer vragen. ";
  2° huidig lid 7, ingevoegd door artikel 83, e) van de ordonnantie van 14 mei 2009, wordt lid 8 van artikel 176 en wordt vervangen door wat volgt :
  " Wanneer de aanvraag werd onderworpen aan een passende beoordeling in overeenstemming met lid 3, vraagt de gemachtigd ambtenaar het advies van het Brussels Instituut voor Milieubeheer. "
Art.103. A l'article 176 du même Code, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 2 et 3 :
  " Lorsque la demande n'est pas soumise de plein droit à l'étude d'incidences visée à l'article 128 ou au rapport d'incidences visé à l'article 142, le fonctionnaire délégué, avant de délivrer l'accusé de réception de la demande de permis, vérifie, selon les modalités prévues à l'article 61 de l'ordonnance du ... relative à la conservation de la nature, si le projet est susceptible d'affecter une réserve naturelle, une réserve forestière ou un site Natura 2000 de manière significative, individuellement ou en conjugaison avec d'autres plans et projets et, dans cette hypothèse, prescrit que le dossier de demande intègre une évaluation appropriée. Il peut, à cette fin, solliciter l'avis de l'Institut bruxellois pour la gestion de l'environnement. ";
  2° l'actuel alinéa 7, ajouté par l'article 83, e) de l'ordonnance du 14 mai 2009, et devenant l'alinéa 8 de l'article 176, est remplacé par ce qui suit :
  " Lorsque la demande a été soumise à évaluation appropriée conformément à l'alinéa 3, le fonctionnaire délégué sollicite l'avis de l'Institut bruxellois pour la gestion de l'environnement. ".
Art.104. Artikel 190 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :
  " Nadat de vergunningsaanvraag aan een passende beoordeling van zijn effecten op een natuurreservaat, een bosreservaat of een Natura 2000-gebied is onderworpen, beslist de bevoegde autoriteit om het project toe te staan, met of zonder afwijking, of om het project te weigeren, rekening houdende met de criteria en de modaliteiten bepaald in artikel 64 van de ordonnantie van ... betreffende het natuurbehoud. ".
Art.104. L'article 190 du même Code est complété par l'alinéa suivant :
  " Lorsque la demande de permis a été soumise à une évaluation appropriée de ses incidences sur une réserve naturelle, une réserve forestière ou un site Natura 2000, l'autorité compétente statue, en autorisant le projet avec ou sans dérogation ou en refusant le projet, en tenant compte des critères et des modalités définis à l'article 64 de l'ordonnance du ... relative à la conservation de la nature. ".
Art.105. § 1. Artikel 259 van hetzelfde Wetboek wordt met een punt 8 aangevuld als volgt :
  " 8. bij te dragen aan het verzekeren van de instandhouding en het duurzame gebruik van de elementen die deel uitmaken van de biologische diversiteit, in de volgende perimeters :
  1° natuurreservaten, bosreservaten, de gebieden aangewezen in toepassing van artikel 40, § 1 van de ordonnantie van ... betreffende het natuurbehoud en gebieden aangewezen als Natura 2000-gebied in toepassing van artikel 44 van dezelfde ordonnantie;
  2° onroerende goederen volledig of gedeeltelijk gelegen binnen een straal van zestig meter rond de perimeter van de reservaten of gebieden bedoeld in 1° ;
  3° de gebieden van hoge biologische waarde die op de in artikel 20, § 1 bedoelde biologische waarderingskaart van de ordonnantie van ... betreffende het natuurbehoud zijn overgebracht. ".
  § 2. Artikel 262 van hetzelfde Wetboek wordt met een punt 9 aangevuld als volgt :
  " 9. het Brussels Instituut voor Milieubeheer. ".
Art.105. § 1er. L'article 259 du même Code est complété par un point 8, libellé comme suit :
  " 8. contribuer à assurer la conservation et l'utilisation durable des éléments constitutifs de la diversité biologique, dans les périmètres suivants :
  1° les réserves naturelles, les réserves forestières, les sites identifiés en application de l'article 40, § 1er de l'ordonnance du ... relative à la conservation de la nature, les sites désignés comme site Natura 2000 en application de l'article 44 de la même ordonnance;
  2° les biens immobiliers situés en tout ou en partie dans un rayon de soixante mètres du périmètre des réserves ou sites visés au 1° ;
  3° les sites de haute valeur biologique repris sur la carte d'évaluation biologique visée à l'article 20, § 1er, de l'ordonnance du ... relative à la conservation de la nature. ".
  § 2. L'article 262 du même Code est complété par un point 9, libellé comme suit :
  " 9. l'Institut Bruxellois pour la gestion de l'Environnement. ".
Art.106. In bijlage C van hetzelfde Wetboek wordt punt 4° aangevuld als volgt :
  " In dat opzicht heeft het milieueffectrapport eveneens betrekking op de gegevens en elementen vermeld in bijlage VIII van de ordonnantie van ... betreffende het natuurbehoud; ".
Art.106. Dans l'annexe C du même Code, le point 4° est complété comme suit :
  " A cet égard, le rapport sur les incidences environnementales porte également sur les informations et éléments mentionnés à l'annexe VIII de l'ordonnance du ... relative à la conservation de la nature; ".
Art.107. In bijlage D van hetzelfde Wetboek wordt het laatste streepje van punt 2 aangevuld als volgt :
  " in het bijzonder wat betreft de verkleining van de oppervlakte, de opsplitsing, de aantasting van de structuur en de functies van de beschermde natuurlijke habitats en soorten, de verstoring van de beschermde soorten, de inperking van de dichtheid en de versnippering van de populaties van beschermde soorten, de wijzigingen in de instandhoudingindicatoren, de klimaatveranderingen, de aanpassing van de ecologische processen nodig voor de instandhouding van de beschermde natuurlijke habitats en populaties van soorten en de risico's voor de Natura 2000-gebieden (in het bijzonder door ongevallen) ".
Art.107. Dans l'annexe D du même Code, le dernier tiret du point 2 est complété comme suit :
  " en particulier en ce qui concerne la réduction de la surface, la fragmentation, la détérioration de la structure et des fonctions des habitats naturels et d'espèces protégées, le dérangement des espèces protégées, la réduction de la densité et le morcellement des populations d'espèces protégées, les changements des indicateurs de conservation, les changements climatiques, la modification des processus écologiques nécessaires à la conservation des habitats naturels et des populations d'espèces protégées et les risques pour les sites Natura 2000 (en particulier à cause d'accidents) ".
Art.108. In artikel 7 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen wordt een § 4 als volgt toegevoegd :
  " § 4. Het beheerplan aangenomen door de Regering overeenkomstig artikelen 29, 32, 37 of 50 van de ordonnantie van ... betreffende het natuurbehoud geldt als milieuvergunning of aangifte voor de installaties die het plan identificeert, noodzakelijk voor de handelingen voorzien in artikelen 29 § 1, lid 5, 3° of 49, lid 2, 9° van dezelfde ordonnantie. ".
Art.108. A l'article 7 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement est ajouté un § 4 libellé comme suit :
  " § 4. Le plan de gestion adopté par le Gouvernement conformément aux articles 29, 32, 37 ou 50 de l'ordonnance du ... relative à la conservation de la nature vaut permis d'environnement ou déclaration pour les installations que le plan identifie nécessaires aux actes visés aux articles 29, § 1er, alinéa 5, 3° ou 49, alinéa 2, 9° de cette même ordonnance. ".
Art.109. In artikel 16 van dezelfde ordonnantie wordt vóór het huidige eerste lid het volgende lid ingevoegd :
  " Alvorens het ontvangstbewijs voor de aanvraag uit te reiken, zal het Instituut, volgens de modaliteiten voorzien in artikel 61 van de ordonnantie van ... betreffende het natuurbehoud, nagaan of het project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten, significante gevolgen kan hebben voor een natuurreservaat, een bosreservaat of een Natura 2000-gebied, en, in voorkomend geval, bepalen dat het aanvraagdossier een passende beoordeling moet omvatten. ".
Art.109. A l'article 16 de la même ordonnance est inséré avant le premier alinéa, l'alinéa suivant :
  " L'Institut, avant de délivrer l'accusé de réception de la demande, vérifie, selon les modalités prévues à l'article 61 de l'ordonnance du ... relative à la conservation de la nature, si le projet est susceptible d'affecter une réserve naturelle, une réserve forestière ou un site Natura 2000 de manière significative, individuellement ou en conjugaison avec d'autres plans et projets et, dans cette hypothèse, prescrit que le dossier de demande intègre une évaluation appropriée. ".
Art.110. In artikel 26 van dezelfde ordonnantie wordt tussen de leden 1 en 2 het volgende lid ingevoegd :
  " Wanneer het project het voorwerp moet uitmaken van een passende beoordeling van zijn effecten op een natuurreservaat, een bosreservaat of een Natura 2000-gebied in overeenstemming met de bepalingen van de ordonnantie van ... betreffende het natuurbehoud, dan zal de milieueffectenstudie die passende beoordeling omvatten. ".
Art.110. A l'article 26 de la même ordonnance, il est inséré entre les alinéas 1er et 2 l'alinéa suivant :
  " Lorsque le projet doit faire l'objet d'une évaluation appropriée de ses incidences sur une réserve naturelle, une réserve forestière ou un site Natura 2000 conformément aux dispositions de l'ordonnance du ... relative à la conservation de la nature, l'étude d'incidences intègre cette évaluation appropriée. ".
Art.111. In artikel 37 van dezelfde ordonnantie wordt tussen de leden 2 en 3 het volgende lid ingevoegd :
  " Wanneer het project het voorwerp moet uitmaken van een passende beoordeling van zijn effecten op een natuurreservaat, een bosreservaat of een Natura 2000-gebied in overeenstemming met de bepalingen van de ordonnantie van ... betreffende het natuurbehoud, dan zal het milieueffectenrapport die passende beoordeling omvatten. ".
Art.111. A l'article 37 de la même ordonnance, il est inséré entre les alinéas 2 et 3 l'alinéa suivant :
  " Lorsque le projet doit faire l'objet d'une évaluation appropriée de ses incidences sur une réserve naturelle, une réserve forestière ou un site Natura 2000 conformément aux dispositions de l'ordonnance du ... relative à la conservation de la nature, le rapport d'incidences intègre cette évaluation appropriée. ".
Art.112. In artikel 49 van dezelfde ordonnantie worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° vóór de huidige eerste paragraaf wordt de volgende paragraaf ingevoegd :
  " § 1. Alvorens het ontvangstbewijs voor de vergunningsaanvraag uit te reiken, zal het college van burgemeester en schepenen, volgens de modaliteiten voorzien in artikel 61 van de ordonnantie van ... betreffende het natuurbehoud, nagaan of het project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten, significante gevolgen kan hebben voor een natuurreservaat, een bosreservaat of een Natura 2000-gebied, en, in voorkomend geval, bepalen dat het aanvraagdossier een passende beoordeling moet omvatten. ";
  2° de huidige paragrafen 1 en 2 worden paragrafen 2 en 3.
Art.112. A l'article 49 de la même ordonnance, sont apportées les modifications suivantes :
  1° il est inséré avant l'actuel paragraphe premier, le paragraphe suivant :
  " § 1er. Le collège des bourgmestre et échevins, avant de délivrer l'accusé de réception de la demande de permis, vérifie, selon les modalités prévues à l'article 61 de l'ordonnance du ... relative à la conservation de la nature, si le projet est susceptible d'affecter une réserve naturelle, une réserve forestière ou un site Natura 2000 de manière significative, individuellement ou en conjugaison avec d'autres plans et projets et, dans cette hypothèse, prescrit que le dossier de demande intègre une évaluation appropriée. ";
  2° les actuels paragraphes 1er et 2 deviennent les paragraphes 2 et 3.
Art.113. In artikel 52 van dezelfde ordonnantie wordt tussen de huidige paragrafen 1bis en 2 de volgende paragraaf ingevoegd :
  " § 1ter. - Alvorens het ontvangstbewijs voor de vergunningsaanvraag uit te reiken, zal de bevoegde autoriteit, volgens de modaliteiten voorzien in artikel 61 van de ordonnantie van ... betreffende het natuurbehoud, nagaan of het project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten, significante gevolgen kan hebben voor een natuurreservaat, een bosreservaat of een Natura 2000-gebied, en, in voorkomend geval, bepalen dat het aanvraagdossier een passende beoordeling moet omvatten. ".
Art.113. A l'article 52 de la même ordonnance, le paragraphe suivant est inséré entre les paragraphes 1erbis et 2 :
  " § 1erter. - L'autorité compétente, avant de délivrer l'accusé de réception de la demande de permis, vérifie, selon les modalités prévues à l'article 61 de l'ordonnance du ... relative à la conservation de la nature, si le projet est susceptible d'affecter une réserve naturelle, une réserve forestière ou un site Natura 2000 de manière significative, individuellement ou en conjugaison avec d'autres plans et projets et, dans cette hypothèse, prescrit que le dossier de demande intègre une évaluation appropriée. ".
Art.114. Na artikel 53 van dezelfde ordonnantie wordt het volgende artikel ingevoegd :
  " Artikel 53bis. Bijzondere procedure in het geval van een passende beoordeling.
  In het geval het aanvraagdossier voor een milieuvergunning voor een tijdelijke installatie een passende beoordeling omvat in toepassing van artikel 61 van de ordonnantie van ... betreffende het natuurbehoud, wordt het aanvraagdossier onderzocht, door de bevoegde autoriteit, volgens de proceduremodaliteiten van artikelen 50 en 51, in afwijking van artikel 53. ".
Art.114. Après l'article 53 de la même ordonnance, est inséré l'article suivant :
  " Article 53bis. Procédure spécifique en cas d'évaluation appropriée.
  Dans l'hypothèse où le dossier de demande de permis d'environnement relative à une installation temporaire intègre une évaluation appropriée en application de l'article 61 de l'ordonnance du ... relative à la conservation de la nature, le dossier de demande est instruit, par l'autorité compétente, selon les modalités procédurales des articles 50 et 51 par dérogation à l'article 53. ".
Art.115. In artikel 55 van dezelfde ordonnantie wordt tussen de huidige leden 1 en 2 het volgende lid ingevoegd :
  " Nadat de vergunningsaanvraag aan een passende beoordeling van zijn effecten op een natuurreservaat, een bosreservaat of een Natura 2000-gebied is onderworpen, beslist de bevoegde autoriteit om het project toe te staan, met of zonder afwijking, of om het project te weigeren, rekening houdende met de criteria en de modaliteiten bepaald in artikel 64 van de ordonnantie van ... betreffende het natuurbehoud. ".
Art.115. A l'article 55 de la même ordonnance, il est inséré entre les alinéas 1er et 2 l'alinéa suivant :
  " Lorsque la demande de permis a été soumise à une évaluation appropriée de ses incidences sur une réserve naturelle, une réserve forestière ou un site Natura 2000, l'autorité compétente statue, en autorisant le projet avec ou sans dérogation ou en refusant le projet, en tenant compte des critères et des modalités définis à l'article 64 de l'ordonnance du ... relative à la conservation de la nature. ".
Art.116. In artikel 56 van dezelfde ordonnantie wordt het volgende punt toegevoegd :
  " 10° elke verzachtende of corrigerende maatregel die het mogelijk maakt om de doelstellingen van de ordonnantie van ... betreffende het natuurbehoud te garanderen. ".
Art.116. A l'article 56 de la même ordonnance, est ajouté le point suivant :
  " 10° toute mesure d'atténuation ou de correction permettant d'assurer les objectifs de l'ordonnance du ... relative à la conservation de la nature. ".
Art.117. In de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu :
  1° in artikel 2 worden punten 2°, 7° en 9° geschrapt;
  2° in artikel 2 wordt punt 10° vervangen door het volgende opschrift : " 10° de ordonnantie van ... betreffende het natuurbehoud; ";
  3° in artikel 4 wordt tussen het derde en het vierde lid het volgende lid ingevoegd :
  " De boswachters bedoeld in artikelen 9 en 16 van het Wetboek van strafvordering zijn belast met de controle op de naleving van de wetten en ordonnanties bedoeld in artikel 2, 1°, 3°, 10° en 15° op het hele gewestelijke grondgebied. ";
  4° in artikel 5 worden tussen de woorden " het beheer van de afvalstoffen " en " en zien ook de personeelsleden van het Ministerie toe op " de volgende woorden ingevoegd :
  " en de boswachters op de naleving van de wetten en ordonnanties bedoeld in artikel 2, 1°, 3°, 10° en 15° ";
  5° in artikel 33 wordt een punt 17° toegevoegd, luidend als volgt :
  " 17° in de zin van de ordonnantie van ... betreffende het natuurbehoud :
  a) de noodzakelijke handelingen voor het inzamelen van de in artikel 15, § 3 bedoelde biologische gegevens belemmert;
  b) in een natuur- of bosreservaat de verbodsbepalingen of maatregelen opgelegd in artikel 27, of in toepassing van dit artikel, overtreedt, indien hij niet in het bezit is van een afwijking krachtens artikel 83, § 2;
  c) een in overeenstemming met artikel 28 opgesteld toezichts- en politiereglement op natuurreservaten overtreedt;
  d) in Natura 2000-gebieden de verbodsbepalingen of maatregelen opgelegd in artikel 44, § 2, 12° en 13° en in artikel 55, of in toepassing van deze artikelen, overtreedt, indien hij niet in het bezit is van een afwijking krachtens artikel 85;
  e) de verzachtende maatregelen opgelegd in toepassing van artikel 64, § 1, lid 4 overtreedt;
  f) een verordenende beschermingsmaat-regel voor de stadsbiotopen en de elementen van het landschap bepaald in overeenstemming met artikel 66, § 1 overtreedt;
  g) de bepalingen van een parkreglement opgesteld in overeenstemming met artikel 66, § 2 overtreedt;
  h) een verbodsbepaling bedoeld in artikelen 68 en 70 overtreedt, indien hij niet in het bezit is van een afwijking krachtens artikel 83, § 1;
  i) een beschermingsmaatregel voor planten- of diersoorten aangenomen in uitvoering van artikel 72, § 1 overtreedt;
  j) zonder voorafgaande goedkeuring soorten waarvan de introductie of herintroductie verboden is in toepassing van artikelen 75 en 76 op zijn goed invoert, herinvoert, laat invoeren of herinvoeren;
  k) de voorschriften van artikel 77 overtreedt;
  l) de krachtens artikel 78 genomen verordenende maatregelen overtreedt;
  m) vis vangt en geen visverlof heeft zoals bedoeld in artikel 80 of die er niet is van vrijgesteld krachtens artikel 80 of hij die op zijn grond iemand laat vissen die niet over een visverlof beschikt of hiervan niet is vrijgesteld;
  n) vis vangt of heeft gevangen zonder naleving van de bepalingen voorgeschreven door de Regering in toepassing van artikelen 81 en 82;
  o) buiten zijn woning vistuigen of -toestellen draagt die verboden zijn krachtens artikel 81;
  p) gebruik maakt van vangst- en doodmiddelen en -vormen die verboden zijn krachtens artikel 88;
  q) zich onttrekt aan of enige belemmering vormt voor de uitvoering van de controle-, toezichts- of vorderingstaak waarmee bevoegde ambtenaren zijn gelast.
Art.117. Dans l'ordonnance du 25 mars 1999 relative à la recherche, la constatation, la poursuite et la répression des infractions en matière d'environnement :
  1° à l'article 2, les points 2°, 7° et 9° sont abrogés;
  2° à l'article 2, le point 10° est remplacé par le libellé suivant : " 10° l'ordonnance du ... relative à la conservation de la nature; ";
  3° à l'article 4, il est inséré entre le troisième et le quatrième alinéa l'alinéa suivant :
  " Les gardes forestiers visés aux articles 9 et 16 du Code d'instruction criminelle sont chargés de contrôler le respect des lois et ordonnances visées à l'article 2, 1°, 3°, 10° et 15° sur l'ensemble du territoire régional. ";
  4° à l'article 5, entre les termes " la gestion des déchets " et les termes " et par les agents du Ministère ", sont ajoutés les termes suivants :
  " , par les gardes forestiers en ce qui concerne le respect des lois et ordonnances visées à l'article 2, 1°, 3°, 10° et 15° ";
  5° à l'article 33, il est ajouté un point 17° libellé comme suit :
  " 17° au sens de l'ordonnance du ... relative à la conservation de la nature :
  a) fait obstacle aux opérations indispensables à la récolte de données biologiques visées à l'article 15, § 3;
  b) dans une réserve naturelle ou forestière, lorsqu'elle ne bénéficie pas d'une dérogation en vertu de l'article 83, § 2, transgresse les interdictions ou mesures édictées par l'article 27 ou en application de cet article;
  c) transgresse un règlement de surveillance et de police des réserves naturelles établi conformément à l'article 28;
  d) dans les sites Natura 2000, lorsqu'elle ne bénéficie pas d'une dérogation en vertu de l'article 85, transgresse les interdictions ou mesures édictées par les articles 44, § 2, 12° et 13° et 47 ou en application de ces articles;
  e) transgresse les mesures d'atténuation prescrites en application de l'article 64, § 1er, alinéa 4;
  f) transgresse une mesure de protection réglementaire des biotopes urbains et des éléments du paysage arrêtée conformément à l'article 66, § 1er;
  g) contrevient aux dispositions d'un règlement de parc établi conformément à l'article 66, § 2;
  h) lorsqu'elle ne bénéficie pas d'une dérogation en vertu de l'article 83, § 1er, transgresse une interdiction visée aux articles 68 et 70;
  i) transgresse une mesure de protection des espèces végétales ou animales adoptée en exécution de l'article 72, § 1er;
  j) sans approbation préalable, introduit, réintroduit ou laisse introduire ou réintroduire sur son bien des espèces dont l'introduction ou la réintroduction est interdite par application des articles 75 et 76;
  k) contrevient aux prescriptions de l'article 77;
  l) contrevient aux mesures réglementaires prises en vertu de l'article 78;
  m) sera trouvée pêchant et ne justifiant pas d'un permis de pêche visé à l'article 80 et n'en étant pas dispensé en application de l'article 80 ou laissant pêcher sur son terrain une personne ne justifiant pas d'un tel permis de pêche et n'en étant pas dispensé;
  n) sera trouvée pêchant ou ayant pêché sans respecter les prescriptions prises par le Gouvernement en application des articles 81 et 82;
  o) porte hors de son domicile des engins ou instruments prohibés en vertu de l'article 81;
  p) recourt aux moyens et formes de capture et de mise à mort interdites en vertu de l'article 88;
  q) se soustrait ou fait obstacle d'une quelconque manière à l'exécution de la mission de contrôle, de surveillance ou de réquisition dont sont investis les agents qualifiés.
Art.118. § 1. Worden opgeheven :
  1° de ordonnantie van 29 augustus 1991 betreffende de bescherming van de wilde fauna en betreffende de jacht;
  2° de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende het behoud en de bescherming van de natuur.
  § 2. Worden opgeheven voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest :
  1° de wet van 28 februari 1882 op de jacht;
  2° de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, met uitzondering van artikel 38.
Art.118. § 1er. Sont abrogées :
  1° l'ordonnance du 29 août 1991 relative à la conservation de la faune sauvage et à la chasse;
  2° l'ordonnance du 27 avril 1995 relative à la sauvegarde et à la protection de la nature.
  § 2. Sont abrogées pour la Région de Bruxelles-Capitale :
  1° la loi du 28 février 1882 sur la chasse;
  2° la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à l'exception de son article 38.
Art.119. De Regering is gemachtigd om de nodige beschikkingen te nemen voor de uitwerking van een gemeenschappelijke goedkeuringsprocedure voor de beheerplannen bedoeld in artikelen 29, 32, 37 of 50 van deze ordonnantie en voor de plannen voor erfgoedbeheer in de zin van het BWRO.
  Met toepassing van artikel 104 van de ordonnantie van 5 juni 1997 op de milieuvergunningen kan de Regering de bepalingen van deze ordonnantie opnemen in het Brussels Milieuwetboek.
Art.119. Le Gouvernement est habilité à prendre les dispositions nécessaires pour l'élaboration d'une procédure commune d'adoption des plans de gestion visés aux articles 29, 32, 37 ou 50 de la présente ordonnance et les plans de gestion patrimoniale au sens du CoBAT.
  Le Gouvernement peut, en application de l'article 104 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, intégrer les dispositions de la présente ordonnance au Code bruxellois de l'environnement.
BIJLAGEN.    (NOTA : De bijlagen N1 tot en met N8, gepubliceerd in het B.St. op 16-03-2012 worden vervangen door de bijlagen N1 tot en met N8 bij ERRATUM, zie B.St. 17-04-2012, p. 24033-24084; niet opgenomen om technische redenen)  
ANNEXES.    (NOTE : Les annexes N1 à N8, publiées dans le M.B. le 16-03-2012, sont remplacées par les annexes N1 à N8 par ERRATUM, voir M.B. 17-04-2012, p. 24033-24084; non reprises pour des raisons techniques)