Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
13 SEPTEMBER 2012. - Besluit van de Waalse Regering tot bepaling van de sectorale voorwaarden betreffende de boring en de uitrusting van putten bestemd voor een toekomstige grondwaterwinning en tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 10-10-2012 en tekstbijwerking tot 27-02-2019)
Titre
13 SEPTEMBRE 2012. - Arrêté du Gouvernement wallon déterminant les conditions sectorielles relatives au forage et à l'équipement de puits destinés à une future prise d'eau souterraine et modifiant l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif à la procédure et à diverses mesures d'exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 10-10-2012 et mise à jour au 27-02-2019)
Documentinformatie
Numac: 2012027152
Datum: 2012-09-13
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2012027152
Date: 2012-09-13
Moniteur: Voir
Tekst (31)
Texte (31)
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en begripsomschrijving
CHAPITRE Ier. - Champ d'application et définitions
Artikel 1. Deze sectorale voorwaarden zijn van toepassing op de boring en de uitrusting van putten bestemd voor een toekomstige grondwaterwinning (behalve de boringen inherent aan nood- of ongevaltoestanden) bedoeld in de rubriek 45.12.02. van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten.
Article 1er. Les présentes conditions sectorielles s'appliquent au forage et à l'équipement de puits destinés à une future prise d'eau souterraine (hormis les forages inhérents à des situations d'urgence ou accidentelles) visés à la rubrique 45.12.02 de l'annexe Ire de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à étude d'incidences et des installations et activités classées.
Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
bestuur : de Directie Grondwater van het Departement Leefmilieu en Water van het Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van de Waalse Overheidsdienst;
watervoerende laag : één of meer ondergrondse rotslagen of andere geologische lagen die voldoende poreus en doorlatend zijn voor een belangrijke grondwaterstroming of de onttrekking van aanzienlijke hoeveelheden grondwater;
grondwater : al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in rechtstreeks contact met de bodem of de ondergrond staat;
grondwaterlaag : het grondwater dat zich in het verzadigde gedeelte van een watervoerende laag bevindt;
waterwinning : de operatie waarbij grondwater wordt getapt;
put : dde diepe en nauwe cilindrische holte die bij boring wordt verricht (slagboren, roterend slagboren, mechanisch uitgraven of elk ander mechanisch middel) vanaf het bodemoppervlak of vanaf een werk of een ondergrondse holte ten einde een grondwaterlaag te bereiken;
uitrustingsbuis : de blinde of filterverbuizing die definitief in de put wordt aangelegd en waarin de pompinstallatie wordt geplaatst en beschermd;
schoorbuis : de verbuizing, de beschoeiing, de bekuiping of elke gelijksoortige uitrusting die voorlopig of definitief in de put is aangelegd om de boorwanden op rulle of gebroken gronden te ondersteunen om de instortingen te voorkomen en/of om één (verschillende) oppervlaktelaag(lagen) van de te exploiteren diepe grondwaterlaag te isoleren;
waterwinningsgebied : geografisch gebied waarin de werken voor waterwinning aan de oppervlakte geïnstalleerd zijn, zoals bedoeld in artikel R. 154 van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt.
Art. 2. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
Administration : la Direction des Eaux souterraines du Département de l'Environnement et de l'Eau de la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement du Service public de Wallonie;
aquifère : une ou plusieurs couches souterraines de roche ou d'autres couches géologiques d'une porosité et d'une perméabilité suffisantes pour permettre soit un courant significatif d'eau souterraine, soit le captage de quantités importantes d'eau souterraine;
eaux souterraines : toutes les eaux se trouvant sous la surface du sol dans la zone de saturation et en contact direct avec le sol ou le sous-sol;
nappe d'eau souterraine : l'eau souterraine comprise dans la partie saturée d'un aquifère;
prise d'eau : l'opération de prélèvement d'eau;
puits : la cavité cylindrique, profonde et étroite, réalisée par forage (percussion, roto percussion, fonçage mécanique ou tout autre moyen mécanique) depuis la surface du sol ou depuis un ouvrage ou une excavation souterraine, dans le but d'atteindre une nappe d'eau souterraine;
tube d'équipement : le tubage aveugle ou crépiné mis en place définitivement dans le puits, destiné à recevoir et protéger le dispositif de pompage;
tube de soutènement : le tubage, le blindage, le cuvelage, ou tout autre équipement similaire, mis en place provisoirement ou définitivement dans le puits, destiné à soutenir les parois du forage, en terrains meubles ou fracturés, afin d'éviter des éboulements, et/ou à isoler une (des) nappe(s) superficielle(s) de la nappe d'eau souterraine profonde à exploiter;
zone de prise d'eau : l'aire géographique dans laquelle sont installés les ouvrages de surface des prises d'eau telle que visée à l'article R.154 du Livre II du Code de l'Environnement, contenant le Code de l'Eau.
HOOFDSTUK II. - Ligging en bouw
CHAPITRE II. - Implantation et construction
Art. 3. De put wordt zodanig geplaatst om :
elk schaderisico gebonden aan de aanwezigheid van ingegraven leidingen te voorkomen;
elk risico voor verslechtering van de kwaliteit van het water door verplaatsing van verontreinigende ondergrondse of oppervlaktestoffen of door vermenging van verschillende grondwaterlagen te voorkomen;
de aanleg van het waterwinningsgebied dat nodig is voor de eventuele exploitatie van de aangelegde put mogelijk te maken.
Art. 3. Le puits est implanté de manière à :
éviter tout risque de dommage lié à l'existence de conduites enterrées;
prévenir tout risque d'altération de la qualité de l'eau par migration de polluants de surface ou souterrains, ou par mélange de différentes nappes d'eau souterraine;
permettre l'établissement de la zone de prise d'eau nécessaire à l'exploitation éventuelle du puits réalisé.
Art. 4. De inspuitingen van boorspoelingen, de ontwikkeling van de put door verzuring of elk ander proces, de cementaties, de afsluitingen en de andere verrichtingen worden zodanig uitgevoerd dat de aangrenzende geologische structuur en de kwaliteit van het grondwater niet aangetast worden.
Art. 4. Les injections de fluides de forage, le développement du puits par acidification ou tout autre procédé, les cimentations, les obturations et les autres opérations sont effectués de façon à ne pas altérer la structure géologique avoisinante et l'état qualitatif des eaux souterraines.
Art. 5. § 1. De exploitant zorgt ervoor dat de gebruikte boortechniek de stabiliteit van de put ongeacht de aard van de grond waarborgt.
De ondersteuning van de rulle doorboorde gronden wordt vereist behalve als de stabiliteit van de put door een ander gelijkwaardig uitgevoerd proces kan worden gewaarborgd.
§ 2. De schoor- en uitrustingsbuizen worden aan de grond aangepast. Die buizen worden vervaardigd uit staal, pvc, PHED, cement of uit elk andere materiaal vervaardigd overeenkomst de goede vervaardigingspraktijken voor dit type materialen.
De betonnen buizen mogen niet in een agressieve waterlaag geplaatst worden.
Art. 5. § 1er. L'exploitant veille à ce que la technique de forage utilisée assure la stabilité du puits quelle que soit la nature du terrain.
Le soutènement des terrains meubles traversés est requis sauf si la stabilité du puits peut être garantie par un autre procédé équivalent mis en oeuvre.
§ 2. Les tubes de soutènement et les tubes d'équipement sont appropriés au terrain. Ils sont en acier, en PVC, en PEHD, en ciment, ou en tout autre matériau fabriqué conformément aux bonnes pratiques de fabrication de ce type de matériaux.
Les tubes en béton ne peuvent être insérés en nappe d'eau agressive.
Art. 6. § 1. Een voorboorbuis wordt over minstens 2 meter diepte geplaatst om de afschuivingsrisico's en de vorming van holten rond het gat door terugkeer van de boorspoeling te voorkomen.
In afwijking van het eerste lid eindigt de voorboorbuis op de rots, wanneer de rots zich op minder dan 2 meter diepte bevindt.
§ 2. Een cementatie wordt gepland op het buitenwelfvlak van de voorboorbuis om elke percolatie van het oppervlaktewater te voorkomen behalve indien de voorboorbuis door slagboren of door uitgraven geplaatst wordt en dat de dichtheid van de voorziening door de kleiachtige aard van de grond wordt gewaarborgd.
Art. 6. § 1er. Un tubage d'avant-trou, permettant d'éviter les risques d'éboulement de surface et la formation de cavités autour du trou par retour du fluide de forage, est mis en place sur au moins 2 mètres de profondeur.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le tubage d'avant-trou est arrêté sur le rocher lorsque la roche en place est située à moins de 2 mètres de profondeur.
§ 2. Une cimentation est prévue à l'extrados du tubage d'avant-trou pour éviter toute percolation des eaux de surface, excepté lorsqu'il est mis en place par battage ou par fonçage, et que l'étanchéité du dispositif est assurée par la nature argileuse du terrain.
Art. 7. Wanneer verschillende grondwaterlagen door een weinig doorlatende horizontale aardlaag worden gescheiden, wordt een blinde boring van de niet-geëxploiteerde waterlaag(lagen) uitgevoerd.
Eenzelfde put mag in geen geval de gelijktijdige wateronttrekking in verschillende afzonderlijke grondwaterlagen die gescheiden zijn door een weinig doorlatende horizontale aardlaag, mogelijk maken.
Art. 7. Lorsque plusieurs nappes d'eau souterraine sont séparées par un horizon peu perméable, une opération d'aveuglement de la (des) nappe(s) d'eau non exploitée(s) est réalisée.
Un même puits ne peut en aucun cas permettre le prélèvement simultané dans plusieurs nappes d'eau souterraine distinctes séparées par un horizon peu perméable.
Art. 8. Wanneer een kolom uitrustingsbuizen op de hele hoogte van de put wordt aangelegd, heeft ze op haar basis een dop vervaardigd uit hard hout, staal, pvc, PEHD, beton of elk andere materiaal vervaardigd overeenkomstig de goede vervaardigingspraktijken voor dit type materialen. Beton mag niet in een agressieve waterlaag gebruikt worden.
De kolom van uitrustingsbuizen wordt in het boorgat gecentreerd aan de hand van aangepaste inrichtingen voor het centreren, waarvan het aantal en de tussenruimte gekozen worden om een gepaste installatie van de materialen voor de opvulling van de ringvormige ruimte te waarborgen.
Art. 8. Lorsqu'une colonne de tubes d'équipement est mise en place sur toute la hauteur du puits, elle comporte à sa base un bouchon en bois dur, en acier, en PVC, en PEHD, en béton ou en tout autre matériau fabriqué conformément aux bonnes pratiques de fabrication de ce type de matériaux. Le béton ne peut être utilisé en nappe d'eau agressive.
La colonne de tubes d'équipement est centrée dans le trou de forage, au moyen de centreurs adaptés dont le nombre et l'espacement sont choisis de manière à assurer une mise en place correcte des matériaux de remplissage de l'espace annulaire.
Art. 9. § 1. De dikte van de ringvormige ruimte tussen de uitrustingsbuizen en de doorboorde gronden is minstens 2,3 centimeter.
§ 2. De ringvormige ruimte mag niet met de boorafvalstoffen of " cuttings " worden opgevuld.
Die ruimte wordt dicht gemaakt vanaf het oorspronkelijke bodemoppervlak tot op de daklaag van het productieve gedeelte van de geëxploiteerde watervoerende laag.
De waterdichtheid wordt met name gewaarborgd door middel van een ring uit zwellende klei die minstens 2 meter hoog is. In een gebied dat niet met water verzadigd is, wordt de zwellende klei gehydrateerd teneinde de zwelling ervan te verzekeren.
Die ring uit zwellende klei rust op een filtererende sokkel bestaande uit propere kiezelhoudende ronde grind waarvan de korrelverdeling homogeen is en die aangepast is aan de opening van de filters. Bij gebrek aan filtrerende sokkel rust die ring op een cementatiekraag.
Boven de ring uit zwellende klei wordt een cementatiekolom tot aan het oppervlak geplaatst.
De hoogte van de cementatiekolom mag niet kleiner zijn dan 10 meter.
In afwijking van het vijfde lid, stellen de bijzondere voorwaarden de minimale aan te leggen cementatiehoogte vast, wanneer het om een weinig diepe watervoerende laag gaat, waarvan het productieve gedeelte zich op minder dan 10 meter diepte bevindt.
De cementatie wordt minstens 24 uur na de installatie van de waterdichtheidsring uitgevoerd. Ze wordt aangepast aan de bekende fysisch-chemische eigenschappen van het grondwater.
De metselspecie bestaat uit cement en water. De dichtheid ervan is hoger dan 1,7.
Wanneer de zwellende klei aan de metselspecie wordt toegevoegd, wordt de verhouding ervan beperkt tot 5 % van de massa (in kg) van droge cement.
De injectie van de metselspecie wordt onder druk van onder naar boven uitgevoerd aan de hand van injectie-eenheden die in de ringvormige ruimte geïnjecteerd worden.
De cementatie moet volkomen vastgehecht zitten aan de wanden van de natuurlijke grond of van de lager gelegen buizen. Ze vormt een continue en homogene waterdichte mantel.
Geen verrichting mag in de put tijdens de stollingstijd van minstens 24 uur uitgevoerd worden. Wanneer de cementatiehoogte belangrijk is en als de buizen niet uit staal vervaardigd zijn, wordt ze in verschillende fasen van 10 tot 15 meter met minstens 24 uur wachttijd tussen twee cementatiefasen uitgevoerd.
Art. 9. § 1er. L'épaisseur de l'espace annulaire compris entre les tubes d'équipement et les terrains traversés est de minimum 2,3 centimètres.
§ 2. L'espace annulaire ne peut être rempli avec les déblais de forage ou " cuttings ".
Il est rendu étanche depuis la surface du sol initial jusqu'au toit de la partie productive de l'aquifère exploité.
L'étanchéité est notamment assurée au moyen d'un anneau en argile gonflante de 2 mètres de hauteur minimum. En zone non saturée en eau, l'argile gonflante est hydratée pour assurer son gonflement.
Cet anneau en argile gonflante repose sur un massif filtrant constitué d'un gravier siliceux propre, de forme arrondie, de granulométrie homogène et appropriée à l'ouverture des crépines. A défaut de massif filtrant, il repose sur une ombrelle de cimentation.
L'anneau en argile gonflante est surmonté jusqu'en surface d'une colonne de cimentation.
La hauteur de la colonne de cimentation ne peut être inférieure à 10 mètres.
Par dérogation à l'alinéa 5, les conditions particulières prescrivent la hauteur minimale de cimentation à mettre en place lorsqu'il s'agit d'un aquifère peu profond dont la partie productive est à moins de 10 mètres de profondeur.
La cimentation est opérée 24 heures minimum après la pose de l'anneau d'étanchéité. Elle est adaptée aux caractéristiques physico-chimiques connues des eaux souterraines.
Le coulis de cimentation est composé de ciment et d'eau. Sa densité est supérieure à 1,7.
Lorsque de l'argile gonflante est ajoutée au coulis de cimentation, sa proportion est limitée à 5 % de la masse (en kg) de ciment sec.
L'injection du coulis de cimentation est opérée sous pression par le bas, au moyen de cannes d'injection introduites dans l'espace annulaire.
La cimentation doit adhérer parfaitement aux parois du terrain naturel ou des tubes sus-jacents. Elle constitue une gaine étanche continue et homogène.
Aucune opération ne peut être entreprise dans le puits pendant le temps de prise de 24 heures minimum. Lorsque la hauteur de cimentation est importante et que les tubes ne sont pas en acier, elle est réalisée en plusieurs phases de 10 à 15 mètres, avec 24 heures d'attente minimum entre 2 phases de cimentation.
Art. 10. § 1. Wanneer de put beschermd wordt door een mangat, wordt de hoogte van het zichtbare gedeelte van de mantelbuis zodanig bepaald dat ze elke waterafvoer in de put verhindert. Die hoogte mag niet kleiner zijn dan 0,40 meter van het uiterste van het mangat.
De exploitant zorgt ervoor dat de top van het mangat zich minstens op 0,20 meter boven de grondoppervlakte bevindt. Het mangat is waterdicht en voorzien van een systeem voor de inzameling en de lozing van het water dat uitgerust is met terugslagklep. Het wordt gesloten door een waterdicht deksel voorzien van een afsluitingsysteem.
§ 2. Wanneer de put in een lokaal uitmondt zonder beschermd te worden door een mangat, wordt de hoogte van het zichtbare gedeelte van de uitrustingsbuis zodanig bepaald dat ze elke waterafvoer in de put verhindert. Ze mag niet kleiner zijn dan 0,40 meter.
De exploitant zorgt ervoor dat het lokaal waarin de put uitmondt, volkomen waterdicht is en voorzien is van een systeem voor de opvang en de lozing van het water en uitgerust, in voorkomend geval, met een terugslagklep. Hij zorgt ook ervoor dat de toegang tot het lokaal beveiligd wordt.
§ 3. Bij gebrek aan mangat of aan beschermingslokaal wordt het zichtbare gedeelte van de uitrustingsbuis verzegeld in een waterdichte betontegel zonder spleet met een oppervlakte van minstens 3 m2 die het bodemoppervlak met minstens 0,20 meter overschrijdt en waarvan de hellingen de lozing van het regenwater naar de buitenkant van de uitrustingsbuis mogelijk maken.
De hoogte van de uitrustingsbuis wordt zodanig vastgesteld dat het grondwater de put niet kan binnendringen. Die hoogte mag niet minder zijn dan 0,40 meter boven de betontegel. De buis wordt door een waterdichte voorziening beschermd. De exploitant zorgt ervoor dat de toegang wordt beveiligd.
§ 4. De exploitant zorgt ervoor dat de bij de vergunning toegekende werkcode van de put geplaatst wordt op een kentekenplaat die op de put wordt verzegeld.
Art. 10. § 1er. Lorsque le puits est protégé par une chambre de visite, la hauteur de la partie visible du tube d'équipement est déterminée de manière telle qu'elle empêche toute rentrée d'eau dans le puits. Cette hauteur ne peut être inférieure à 0,40 mètre du fond de la chambre de visite.
L'exploitant veille à ce que le sommet de la chambre de visite soit situé à une hauteur de 0,20 mètre minimum au-dessus de la surface du sol. La chambre de visite est étanche et munie d'un système de collecte et d'évacuation des eaux équipé d'un clapet anti-retour. Elle est fermée par un couvercle étanche muni d'un système de fermeture à clef.
§ 2. Lorsque le puits débouche dans un local sans être protégé par une chambre de visite, la hauteur de la partie visible du tube d'équipement est déterminée de manière telle qu'elle empêche toute rentrée d'eau dans le puits. Elle ne peut être inférieure à 0,40 mètre.
L'exploitant veille à ce que le local dans lequel débouche le puits soit parfaitement étanche et équipé d'un système de collecte et d'évacuation des eaux, muni le cas échéant d'un clapet anti-retour. Il veille également à sécuriser l'accès au local.
§ 3. En l'absence de chambre de visite ou de local de protection, la partie visible du tube d'équipement du puits est scellée dans une dalle de béton étanche, sans fissure, d'une superficie de 3 m2 minimum, dépassant la surface du sol de 0,20 mètre minimum et présentant des faces dont les pentes permettent d'évacuer l'eau de pluie vers l'extérieur du tube d'équipement.
La hauteur du tube d'équipement est déterminée de manière telle que les eaux de surface ne puissent s'introduire dans le puits. Cette hauteur ne peut être inférieure à 0,40 mètre au-dessus de la dalle en béton. Le tube est protégé par un dispositif étanche. L'exploitant veille à en sécuriser l'accès.
§ 4. L'exploitant veille à ce que le code ouvrage du puits attribué par le permis soit apposé sur une plaque signalétique scellée sur celui-ci.
Art. 11. Bij de installatie van de onder water staande pomp wordt de put uitgerust met een buis met een binnendiameter van minstens 25 mm die de meting van de hoogte van de grondwaterlaag aan de hand van een handbediende elektrische sonde mogelijk maakt. De voet van die buis staat altijd onder het waterniveau.
Art. 11. Le puits, lors de l'installation de la pompe immergée, est équipé d'un tube d'un diamètre intérieur de 25 mm minimum permettant la mesure de la hauteur de la nappe d'eau souterraine au moyen d'une sonde électrique manuelle. Le pied de ce tube est en tout temps sous le niveau de l'eau.
HOOFDSTUK III. - Voorkoming van de ongevallen
CHAPITRE III. - Prévention des accidents
Art. 12. Bij de borings- en uitrustingwerken van de put zorgt de exploitant ervoor dat een tijdelijk beschermingsgebied afgebakend door een op de put gecentreerde cirkel met een diameter van 10 meter wordt vastgesteld om de toegang tot de put aan elke niet-toegelaten persoon te verbieden en de toegang van eventuele dieren te voorkomen.
Het in het eerste lid bedoelde toegangsverbod wordt op een leesbare wijze buiten het tijdelijke beschermingsgebied aangeplakt.
Binnen dit tijdelijke beschermingsgebied zorgt hij voor de naleving van de volgende maatregelen :
het afvloeiend water wordt buiten het tijdelijke beschermingsgebied door middel van aangepaste voorzieningen afgevoerd;
het gebruik van bestrijdingsmiddelen en van meststoffen is verboden;
alle nodige maatregelen worden genomen om het binnendringen van het water of van elke andere stof in het boorgat of in de bodem te voorkomen;
het gewonnen water wordt afgevoerd aan de hand van waterdichte leidingen buiten het tijdelijke beschermingsgebied om elke stagnatie of infiltratie te voorkomen;
elke bouwmachine die een lekkage van verontreinigende producten heeft, wordt buiten het tijdelijke beschermingsgebied afgevoerd zolang de lekkage wordt niet verholpen;
een waterdicht dekzeil wordt onder alle machines die tijdens het werk niet moeten worden verplaatst, geplaatst om elke toevallige lekkage van verontreinigende producten terug te winnen.
De tijdens het werk verplaatsbare machines worden buiten het tijdelijke beschermingsgebied geparkeerd.
Art. 12. Lors des travaux de forage et d'équipement du puits, l'exploitant veille à établir une aire de protection temporaire délimitée par un cercle de 10 mètres de rayon centré sur le puits visant à interdire l'accès au puits à toute personne non autorisée, et à empêcher l'accès à d'éventuels animaux.
L'interdiction d'accès mentionnée à l'alinéa 1er est affichée de manière visible à l'extérieure de l'aire de protection temporaire.
Dans cette aire de protection temporaire, il veille au respect des mesures suivantes :
les eaux de ruissellement sont envoyées hors de l'aire de protection temporaire par des dispositifs appropriés;
l'emploi de pesticides et d'engrais est interdit;
toutes les mesures nécessaires sont prises pour éviter la pénétration d'eau ou de toute autre substance dans le trou de forage ou dans le sol;
l'eau prélevée est évacuée au moyen de conduites étanches en dehors de l'aire de protection temporaire de manière à éviter toute stagnation ou infiltration;
tout engin de chantier présentant une fuite de produits polluants est évacué hors de l'aire de protection temporaire tant qu'il n'est pas remédié à la fuite;
une bâche étanche est placée sous tous les engins ne nécessitant pas de déplacement durant le chantier, et ce de manière à récupérer toute fuite accidentelle de produits polluants.
Les engins mobiles durant le chantier sont parqués en dehors de l'aire de protection temporaire.
Art. 13. De opgeslagen producten worden beperkt tot de exclusieve behoeften voor de boring en de uitrusting van de put.
De vloeibare producten die het grondwater zouden kunnen besmetten, worden buiten het tijdelijke beschermingsgebied in waterdichte kuipen opgeslagen. Elke kuip heef een totale capaciteit die gelijk is aan of hoger is dan de grootste van de volgende waarden :
de helft van de totale capaciteit van de kommen die ze omvat;
de capaciteit van de grootste van die kommen verhoogd met 25 % van het totale volume van de andere kommen.
Art. 13. Les produits stockés sont limités aux besoins exclusifs liés au forage et à l'équipement du puits.
Les produits liquides susceptibles de contaminer les eaux souterraines sont entreposés dans des encuvements étanches en dehors de l'aire de protection temporaire. Chaque encuvement a une capacité totale, égale ou supérieure à la plus grande des valeurs suivantes :
la moitié de la capacité totale des récipients qu'il contient;
la capacité du plus grand des récipients majorée de 25 % du volume total des autres récipients.
Art. 14. De toegangen en het parkeren van voertuigen alsmede de opslagplaatsen van de koolwaterstoffen en andere producten die de kwaliteit van het water zouden kunnen aantasten, worden gekozen en aangelegd om elke verontreiniging gedurende het werk te voorkomen.
Art. 14. Les accès et le stationnement de véhicules, ainsi que les sites de stockage des hydrocarbures et autres produits susceptibles d'altérer la qualité des eaux sont choisis et aménagés en vue d'éviter toute pollution pendant le chantier.
Art. 15. Een zuiveringskit is op het bouwterrein beschikbaar. Die kit omvat met name :
flenzen om de verontreiniging te weerhouden en te beperken;
kussens om grote hoeveelheden vloeistoffen snel te absorberen;
bladen, rolletjes of granulaat om verontreinigende stoffen op grote oppervlakte snel te absorberen;
grote vuilniszakken met stropsluitingen;
een veiligheidspaal.
Art. 15. Un kit de dépollution est disponible sur le chantier. Il contiendra, notamment :
des boudins pour contenir et limiter la pollution;
des oreillers pour absorber rapidement de grandes quantités de liquides;
des feuilles, des rouleaux ou des granulés pour absorber rapidement des polluants sur de grandes surfaces;
des sacs poubelles gros volumes avec attaches;
une borne de signalisation de danger.
Art. 16. Om elke verontreiniging van de ontvangende milieus te voorkomen, voorziet de exploitant, indien nodig, in behandelingsvoorzieningen door bezinking, neutralisatie of door elke aangepaste andere methode, van de boorafvalstoffen, het slib, en het water gewonnen uit de put tijdens het werk en de eventuele pomptesten.
Art. 16. En vue de prévenir toute pollution des milieux récepteurs, l'exploitant prévoit, si nécessaire, des dispositifs de traitement, par décantation, neutralisation ou par toute autre méthode appropriée, des déblais de forage, des boues et des eaux extraites du puits pendant le chantier et les essais de pompage éventuels.
Art. 17. Elk incident of ongeval dat de kwaliteit van het grondwater zou kunnen aantasten, wordt onmiddellijk medegedeeld aan het bestuur.
Art. 17. Tout incident ou accident susceptible de porter atteinte à la qualité des eaux souterraines est immédiatement signalé à l'Administration.
HOOFDSTUK IV. - Het verlaten van putten
CHAPITRE IV. - Abandon de puits
Art. 18. Als de put tijdens de uitvoering of voor de exploitatie van de waterwinning wordt verlaten, wordt hij onmiddellijk na het einde van de werken opgevuld volgens gepaste technieken die de afwezigheid van watercirculatie tussen de verschillende doorboorde grondwaterlagen en de afwezigheid van verontreinigingsverplaatsing waarborgen. De exploitant verwittigt eerst het Bestuur.
De put wordt opgevuld met een metselspecie die onder druk wordt geïnjecteerd vanaf het voetstuk van het werk tot bijna tegen de grond om een perfecte homogeniteit van de cementatie te verzekeren.
Indien belangrijke holtes of breuken tijdens de boring worden vastgesteld en als ze de cementatie verhinderen, wordt de opvulling in problematische gebieden met behulp van propere kiezelhoudende grind uitgevoerd. De cementatiehoogte mag niet kleiner zijn dan 10 meter onder het oorspronkelijke bodemoppervlak behalve in geval van weinig diepe watervoerende lagen waarvan het productieve gedeelte zich op minder dan 10 meter diepte bevindt. In dit geval schrijven de bijzondere voorwaarden de te voorzien minimale cementatiehoogte voor.
Het gebruik van boorafvalstoffen of cuttings als opvullingsmateriaal van de put is verboden.
Art. 18. Si le puits est abandonné en cours de réalisation ou avant l'exploitation de la prise d'eau, il est remblayé, dès la fin des travaux, suivant les techniques appropriées garantissant l'absence de circulation d'eau entre les différentes nappes d'eau souterraine traversées et l'absence de transfert de pollution. L'exploitant en informe préalablement l'Administration.
Le puits est comblé par un coulis de ciment injecté sous pression depuis la base de l'ouvrage en remontant jusqu'à proximité du sol de manière à assurer une parfaite homogénéité de la cimentation.
Si des cavités ou des fractures importantes ont été rencontrées pendant le forage et qu'elles empêchent la cimentation, le remblayage est effectué dans les zones problématiques au moyen de graviers propres et siliceux. La hauteur de cimentation ne peut être inférieure à 10 mètres sous la surface initiale du sol, sauf dans le cas d'aquifères peu profonds dont la partie productive est à moins de 10 mètres de profondeur. Dans ce cas, les conditions particulières prescrivent la hauteur minimale de cimentation à mettre en place.
L'utilisation des déblais de forage ou cuttings comme matériau de remblayage du puits est interdite.
HOOFDSTUK V. - Controle en toezicht
CHAPITRE V. - Contrôle et surveillance
Art. 19. De exploitant deelt de datum die vastgesteld is voor het begin van de boringswerken van de put minstens [1 twee werkdagen]1 voor die datum aan het Bestuur mede.
[1 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder "werkdag" alle dagen verstaan, met uitzondering van zaterdag, zondag en wettelijke feestdagen.]1
Art. 19. L'exploitant porte à la connaissance de l'Administration, la date fixée pour le démarrage des travaux de forage du puits au minimum [1 deux jours ouvrables]1 avant celle-ci.
[1 Pour l'application de l'alinéa 1er, par " jour ouvrable ", l'on entend tout jour, à l'exclusion des samedis, dimanches et jours fériés légaux.]1
Art. 20. Binnen een termijn van maximum twee maanden na het einde van de boring en van de uitrusting van de put verstrekt de exploitant het Bestuur de volgende inlichtingen en documenten :
een afschrift van het verslag over het einde van de werken opgemaakt door het boringsbedrijf of het studiebureau dat de werken heeft gevolgd, samen met de geologische en technische sneden van de put met vermelding van minstens de aard en de diepte van de verschillende terreinen, van de diepte en van het debiet van de watertoevoer, de diepte van de verliezen van boorspoelingen, de diepte en de eigenschappen van de verschillende uitrustingen. Het verslag over het einde van de werken bevat minstens de volgende inlichtingen :
a) de identificatie en het adres van het boringsbedrijf en, in voorkomend geval, van het studiebureau;
b) het algemene verloop van de werken met o.a. de data van de verschillende verrichtingen;
c) de eigenschappen van de boring en de uitrustingen van de put, namelijk de boringsmethoden en -diameters, de aard van de boorspoelingen, de schoorbuizen, de aard en de binnen- en buitendiameters van de geplaatste buizen, de ligging en de opening van de filters, de aard, de ligging en de eigenschappen van de in de ringvormige ruimten geplaatste materialen, het volume en de dichtheid van de geïnjecteerde metselspecie;
d) in voorkomend geval, de datum en de beschrijving van de moeilijkheden en onregelmatigheden die eventueel tijdens de werken worden vastgesteld, van de bijzondere handelingen die in de put uitgevoerd worden, met name de ontwikkeling en de verzuring;
e) de diepte van het statische niveau van de te winnen laag, de datum en het maatmerkteken;
f) het proces-verbaal van de opvullingswerken in geval van verlaten put;
g) de uitvoeringsmogelijkheid van het werk;
het plan met de juiste ligging van de uitgevoerde put en zijn Lambert-coördinaten (in meters) met vermelding van de bepalingsmethode en de nauwkeurigheid (gelezen op een NGI-kaart of gemeten per gps of door een landmeter);
de geschatte of gemeten hoogte van de put en/of het waarderingscijfer van het maatmerkteken van de waterniveaus met vermelding van de bepalingsmethode (gelezen op een NGI-kaart of gemeten per gps of waterpassing door een landmeter);
een plan of een gedetailleerd schema van de oppervlakuitrusting van de put.
Art. 20. Dans un délai de deux mois maximum suivant la fin de la réalisation du forage et de l'équipement du puits, l'exploitant transmet à l'Administration les renseignements et les documents suivants :
une copie du rapport de fin de travaux établi par l'entreprise de forage ou le bureau d'études ayant suivi le chantier, accompagné des coupes géologique et technique du puits avec indication au minimum de la nature et de la profondeur des différents terrains rencontrés, de la profondeur et du débit des venues d'eau, de la profondeur des pertes de fluides de forage, de la profondeur et des caractéristiques des différents équipements. Le rapport de fin de travaux comprend au minimum les informations suivantes :
a) l'identification et l'adresse de l'entreprise de forage, et, le cas échéant du bureau d'études;
b) le déroulement général des travaux, avec notamment les dates des différentes opérations;
c) les caractéristiques du forage et des équipements du puits c'est-à-dire les méthodes et les diamètres de forage, la nature des fluides de forage, les tubes de soutènement, la nature et les diamètres intérieurs et extérieurs des tubes en place, la position et l'ouverture des crépines, la nature, la position et les caractéristiques des matériaux placés dans les espaces annulaires, le volume et la densité du coulis de cimentation injecté;
d) le cas échéant, la date et la description des difficultés et anomalies éventuellement rencontrées au cours des travaux, des opérations spéciales réalisées dans le puits, notamment le développement et l'acidification;
e) la profondeur du niveau statique de la nappe à capter, la date et le repère de mesure;
f) le compte rendu des travaux de comblement en cas de puits abandonné;
g) la potentialité d'exploitation de l'ouvrage;
le plan de localisation exacte du puits réalisé et ses coordonnées Lambert (en mètres), en précisant la méthode de détermination et la précision (lues sur carte IGN ou mesurées par GPS ou levées par un géomètre);
l'altitude appréciée ou mesurée du puits et/ou la cote du repère de mesure des niveaux d'eau, en précisant la méthode de détermination (lue sur carte IGN ou mesurée par GPS ou nivellement par un géomètre);
un plan ou schéma de détail de l'aménagement de surface du puits.
HOOFDSTUK VI. - Wijzigings- en slotbepalingen
CHAPITRE VI. - Dispositions modificatives et finales
Art. 21. § 1. In artikel 2, lid 13, van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning worden de woorden " borings- en sonderingshandelingen " vervangen door de woorden " de boring en de uitrusting van putten ".
§ 2. In artikel 30, lid 13, van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning worden de woorden " borings- en sonderingshandelingen " vervangen door de woorden " de boring en de uitrusting van putten ".
Art. 21. § 1er. A l'article 2, alinéa 13, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif à la procédure et à diverses mesures d'exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, les termes " aux opérations de forage et de sondage " sont remplacés par les termes " au forage et à l'équipement de puits ".
§ 2. A l'article 30, alinéa 13, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif à la procédure et à diverses mesures d'exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, les termes " aux opérations de forage et de sondage " sont remplacés par les termes " au forage et à l'équipement de puits ".
Art. 22. In het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning wordt bijlage XVIII vervangen door de bij dit besluit gevoegde bijlage.
Art. 22. Dans l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif à la procédure et à diverses mesures d'exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, l'annexe XVIII est remplacée par l'annexe jointe au présent arrêté.
Art. 23. De Minister van Leefmilieu is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 23. Le Ministre de l'Environnement est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Namen, 13 september 2012.
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit,
Ph. HENRY
Namur, le 13 septembre 2012.
Le Ministre-Président,
R. DEMOTTE
Le Ministre de l'Environnement, de l'Aménagement du Territoire et de la Mobilité,
Ph. HENRY
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Bijlage XVIII. - Formulier betreffende de boring en de uitrusting van putten
(Formulier niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 10-10-2012, p. 61686-61693)
Art. N. Annexe XVIII. - Formulaire relatif au forage et à l'équipement de puits
(Formulaire non repris pour des raisons techniques, voir M.B. du 10-10-2012, p. 61662-61669)
Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 13 september 2002 tot bepaling van de sectorale voorwaarden betreffende het boren en de uitrusting van putten bestemd voor een toekomstige grondwaterwinning en tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning.
Vu pour être annexé à l'arrêté du Gouvernement wallon du 13 septembre 2012 déterminant les conditions sectorielles relatives au forage et à l'équipement de puits destinés à une future prise d'eau souterraine et modifiant l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif à la procédure et à diverses mesures d'exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement.