Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
13 DECEMBER 2012. - Wet houdende diverse wijzigingsbepalingen betreffende de pensioenen van de overheidssector
Titre
13 DECEMBRE 2012. - Loi portant diverses dispositions modificatives relatives aux pensions du secteur public
Documentinformatie
Numac: 2012022458
Datum: 2012-12-13
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2012022458
Date: 2012-12-13
Moniteur: Voir
Tekst (30)
Texte (30)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Verhoging van de leeftijd van het onmiddellijk of uitgesteld pensioen
CHAPITRE 2. - Augmentation de l'âge de la pension immédiate ou différée
Art. 2. In artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, gewijzigd bij de wetten van 21 mei 1991 en 28 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 1, tweede lid, wordt vervangen als volgt :
  " Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, worden :
  1° eveneens in aanmerking genomen, de kalenderjaren waarvoor pensioenrechten kunnen worden geopend op een vervroegd pensioen in de regeling van de werknemers of in een ander wettelijk Belgisch pensioenstelsel;
  2° gelijkgesteld met jaren als beroepsbrandweerman, de loopbaanjaren als vrijwillige brandweerman voor zover deze vrijwillige brandweerman rechtstreeks deelneemt aan de brandbestrijding en op rust gesteld wordt als beroepsbrandweerman. Onder " vrijwillige brandweerman " dient te worden verstaan de brandweerman die verbonden is door een dienstnemingscontract zoals bedoeld in artikel 11 of 16 van bijlage 3 " Modelreglement voor de organisatie van een gemeentelijke vrijwilligersbrandweerdienst " van het koninklijk besluit van 6 mei 1971 tot vaststelling van de modellen van gemeentelijke reglementen betreffende de organisatie van de gemeentelijke brandweerdiensten en die deel uitmaakt van een brandweerdienst of een intercommunale brandweervereniging opgericht krachtens de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming en die niet de hoedanigheid bezit van lid van het gemeentepersoneel. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het begrip " vrijwillige brandweerman " wijzigen om het in overeenstemming te brengen met de regelgeving betreffende de rechtspositie van de vrijwillige brandweerman. ";
  2° een § 2/1 wordt ingevoegd, luidende :
  " § 2/1. In afwijking van §§ 1 en 2 en onverminderd § 1, eerste lid, 2°, wordt voor de personen die vóór 1 januari 1956 geboren zijn, de leeftijd op 62 jaar vastgesteld voor zover zij minstens 37 kalenderjaren tellen zoals bepaald in § 1, tweede lid, 1° ;
  3° § 3 wordt vervangen als volgt :
  " § 3. De in § 1, eerste lid, 1°, § 2 en § 2/1 bepaalde voorwaarde inzake duur van de diensten dient niet vervuld te worden door de persoon geboren vóór 1 januari 1953 of door de persoon die de leeftijd van 65 jaar bereikt heeft.
  In afwijking van § 2, 2°, wordt de leeftijd voor de rustpensioenen die ingaan in de maand januari 2014 vastgesteld overeenkomstig § 2, 1°.
  In afwijking van § 2, 3°, wordt de leeftijd voor de rustpensioenen die ingaan in de maand januari 2015 vastgesteld overeenkomstig § 2, 2°.
  In afwijking van § 1, eerste lid, 1°, en derde lid, wordt de leeftijd voor de rustpensioenen die ingaan in de maand januari 2016 vastgesteld overeenkomstig § 2, 3°.
  De pensioenen die ingaan tijdens de maand januari van de jaren 2017, 2018, 2019, 2020, 2021 of 2022, worden, voor de toepassing van § 3/1, geacht respectievelijk in te gaan in 2016, 2017, 2018, 2019, 2020 of 2021. ";
  4° de §§ 3/1 en 3/2 worden ingevoegd, luidende :
  " § 3/1. Om te bepalen of het vereiste minimumaantal pensioenaanspraakverlenende dienstjaren bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, en derde lid, § 2 en § 3, tweede tot vierde lid, wordt bereikt, wordt de duur van de in het tweede lid bedoelde diensten verstrekt in een ambt waaraan de wet, voor de pensioenberekening, een gunstiger tantième dan 1/60e verbindt, vermenigvuldigd met de in het vijfde lid vastgestelde coëfficiënt die overeenstemt met het aan die diensten verbonden tantième, de ingangsdatum van het pensioen en het minimumaantal vereiste dienstjaren.
  De in het eerste lid bedoelde diensten zijn de werkelijk gepresteerde pensioenaanspraakverlenende diensten, de verloven met behoud van bezoldiging en de situaties vermeld in de lijst bedoeld bij artikel 88, vijfde lid, van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, die aanneembaar zijn voor de opening van het recht op pensioen, evenals de in § 1, tweede lid, 2 °, bedoelde loopbaanjaren als vrijwillige brandweerman. Ook indien, voor de berekening van het pensioen, het voordeliger tantième niet behouden blijft tijdens de situaties opgesomd in de hierboven bedoelde lijst, moet de in het vijfde lid bedoelde coëfficiënt toegepast worden op deze periode op basis van het tantième dat aan deze periode zou verbonden geweest zijn indien de betrokkene werkelijke diensten was blijven presteren in de functie die hij vóór die situatie uitoefende.
  Het eerste lid is eveneens van toepassing op de in het tweede lid bedoelde diensten gepresteerd bij de NMBS-Holding.
  Het eerste lid is niet van toepassing op de diensten gepresteerd bij instellingen waarvan het pensioenstelsel wordt geregeld bij de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden.
  De coëfficiënt of coëfficiënten bedoeld in het eerste lid worden als volgt vastgesteld :
Art. 2. A l'article 46 de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, modifié par les lois des 21 mai 1991 et 28 décembre 2011, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le § 1er, alinéa 2, est remplacé par ce qui suit :
  " Pour l'application de l'alinéa 1er, 1°, sont :
  1° également prises en considération les années civiles susceptibles d'ouvrir des droits à une pension anticipée dans le régime des travailleurs salariés ou dans un autre régime de pension légal belge;
  2° assimilées aux années de carrière comme pompier professionnel, les années de carrière comme pompier volontaire, dans la mesure où ce pompier volontaire participe directement à la lutte contre le feu et est mis à la retraite comme pompier professionnel. Par " pompier volontaire ", il faut entendre le pompier lié par un contrat d'engagement tel que visé à l'article 11 ou 16 de l'annexe 3 du " Règlement-type d'organisation d'un service communal d'incendie qualifié de service volontaire " de l'arrêté royal du 6 mai 1971 fixant les types de règlements communaux relatifs à l'organisation des services communaux d'incendie et qui fait partie d'un service d'incendie ou d'une association intercommunale d'incendie constitués en vertu de la loi du 31 décembre 1963 sur la protection civile et qui n'a pas la qualité de membre du personnel communal. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, modifier la notion de " pompier volontaire " pour la mettre en concordance avec la réglementation sur la position juridique du pompier volontaire. ";
  2° il est inséré un § 2/1 rédigé comme suit :
  " § 2/1. Par dérogation aux §§ 1er et 2 et sans préjudice du § 1er, alinéa 1er, 2°, l'âge est fixé à 62 ans pour les personnes qui sont nées avant le 1er janvier 1956, pour autant qu'elles puissent faire valoir au moins 37 années civiles déterminées conformément au § 1er, alinéa 2, 1° ;
  3° le § 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. La condition de durée de services fixée au § 1er, alinéa 1er, 1°, au § 2 et au § 2/1 ne doit pas être remplie par la personne née avant le 1er janvier 1953 ou par la personne qui a atteint l'âge de 65 ans.
  Par dérogation au § 2, 2°, l'âge pour les pensions de retraite prenant cours au mois de janvier 2014 est fixé conformément au § 2, 1°.
  Par dérogation au § 2, 3°, l'âge pour les pensions de retraite prenant cours au mois de janvier 2015 est fixé conformément au § 2, 2°.
  Par dérogation au § 1er, alinéa 1er, 1°, et alinéa 3, l'âge pour les pensions de retraite prenant cours au mois de janvier 2016 est fixé conformément au § 2, 3°.
  Les pensions qui prennent cours durant le mois de janvier des années 2017, 2018, 2019, 2020, 2021 ou 2022, sont, pour l'application du § 3/1, censées prendre cours respectivement en 2016, 2017, 2018, 2019, 2020 ou 2021. ";
  4° sont insérés les §§ 3/1 et 3/2 rédigés comme suit :
  " § 3/1. Pour déterminer si le nombre minimum d'années de services admissibles pour l'ouverture du droit à la pension prévu au § 1er, alinéas 1er, 1°, et 3, au § 2 et au § 3, alinéas 2 à 4, est atteint, la durée des services visés à l'alinéa 2 rendus dans une fonction à laquelle la loi attache, pour le calcul de pension, un tantième plus favorable que 1/60e est multipliée par le coefficient fixé à l'alinéa 5 qui correspond au tantième attaché à ces services, à l'année de prise de cours de la pension et au nombre minimal d'années de services exigé.
  Les services visés à l'alinéa 1er sont les services réellement prestés, les congés avec maintien de la rémunération et les situations énumérées dans la liste visée à l'article 88, alinéa 5, de la loi du 28 décembre 2011 portant des dispositions diverses, admissibles pour l'ouverture du droit à la pension, ainsi que les années de carrière comme pompier volontaire visées au § 1er, alinéa 2, 2°. Même si, pour le calcul de la pension, le tantième préférentiel n'est pas maintenu pendant les situations énumérées dans la liste précitée, le coefficient visé à l'alinéa 5 doit être appliqué à cette période en fonction du tantième qui aurait été lié à cette période si l'intéressé avait continué à prester des services effectifs dans la fonction qu'il exerçait avant cette situation.
  L'alinéa 1er est également applicable aux services visés à l'alinéa 2 prestés à la SNCB-Holding.
  L'alinéa 1er n'est pas applicable aux services prestés auprès d'organismes dont le régime de pensions est régi par la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit.
  Le ou les coefficients visés à l'alinéa 1er sont fixés comme suit :
Jaar waarin het pensioen ingaat Tantième 1/55Tantième 1/50 en andere gunstigere tantièmes
Minimumaantal vereiste dienstjarenMinimumaantal vereiste dienstjaren
  
 38 jaar39 jaar40 jaar41 jaar42 jaar38 jaar39 jaar40 jaar41 jaar42 jaar
  
20131,0910-1,0908--1,1999-1,2001--
20141,09101,09091,0908--1,19991,20001,2001--
2015-1,09091,09081,0910--1,20001,20011,1999-
2016--1,09081,09101,0909--1,20011,19991,2000
2017--1,06441,06491,0654--1,17061,17141,1722
2018--1,03901,04011,0500--1,14291,14431,1454
2019--1,03901,04011,0500--1,11641,11811,1200
2020--1,03901,04011,0500--1,09081,09331,0957
2021--1,03901,04011,0500--1,06671,06971,0722
Vanaf 2022  -1,03901,04011,0500 -1,04361,04671,0500
Jaar waarin het pensioen ingaat Tantième 1/55Tantième 1/50 en andere gunstigere tantièmes Minimumaantal vereiste dienstjarenMinimumaantal vereiste dienstjaren
38 jaar39 jaar40 jaar41 jaar42 jaar38 jaar39 jaar40 jaar41 jaar42 jaar
20131,0910-1,0908--1,1999-1,2001--20141,09101,09091,0908--1,19991,20001,2001--2015-1,09091,09081,0910--1,20001,20011,1999-2016--1,09081,09101,0909--1,20011,19991,20002017--1,06441,06491,0654--1,17061,17141,17222018--1,03901,04011,0500--1,14291,14431,14542019--1,03901,04011,0500--1,11641,11811,12002020--1,03901,04011,0500--1,09081,09331,09572021--1,03901,04011,0500--1,06671,06971,0722Vanaf 2022 -1,03901,04011,0500-1,04361,04671,0500
Elke ononderbroken pensioenaanspraakverlenende periode, desgevallend onderverdeeld in afzonderlijke perioden naargelang het aan de diensten verbonden tantième, wordt geteld van de begin- tot en met de einddatum. De dagen die deel uitmaken van een onvolledige kalendermaand worden in aanmerking genomen ten belope van het gedeelte dat zij vertegenwoordigen in verhouding tot het aantal dagen dat werkelijk begrepen is in die volledige kalendermaand. Het resultaat van deze telling wordt, voor elke afzonderlijke periode, uitgedrukt in maanden met vier decimalen waarbij naar boven wordt afgerond indien de vijfde decimaal gelijk of groter is dan vijf. Dezelfde afronding wordt toegepast op het product dat wordt verkregen nadat de som van deze, per tantième samengetelde, afzonderlijke perioden werd vermenigvuldigd met de coëfficiënt bedoeld in het vijfde lid. De som van deze producten wordt uitgedrukt in maanden met vier decimalen.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, beslissen om de coëfficiënt 1,1200 vastgesteld in de laatste kolom van de tabel in het vijfde lid, voor de in die kolom bedoelde gevallen, te behouden voor de jaren na 2019.
  § 3/2. De toepassing van § 1, tweede lid, 1°, kan niet meebrengen dat voor een bepaald kalenderjaar meer dan 12 maanden in aanmerking genomen worden voor de opening van het recht op het pensioen. ".
Année de prise de cours de la pensionTantième 1/55Tantième 1/50 et autres tantièmes plus favorables
Nombre minimal d'années de services exigéNombre minimal d'années de services exigé
  
 38 ans39 ans40 ans41 ans42 ans38 ans39 ans40 ans41 ans42 ans
  
20131,0910-1,0908--1,1999-1,2001--
20141,09101,09091,0908--1,19991,20001,2001--
2015-1,09091,09081,0910--1,20001,20011,1999-
2016--1,09081,09101,0909--1,20011,19991,2000
2017--1,06441,06491,0654--1,17061,17141,1722
2018--1,03901,04011,0500--1,14291,14431,1454
2019--1,03901,04011,0500--1,11641,11811,1200
2020--1,03901,04011,0500--1,09081,09331,0957
2021--1,03901,04011,0500--1,06671,06971,0722
A partir de 2022 -1,03901,04011,0500 -1,04361,04671,0500
Année de prise de cours de la pensionTantième 1/55Tantième 1/50 et autres tantièmes plus favorablesNombre minimal d'années de services exigéNombre minimal d'années de services exigé
38 ans39 ans40 ans41 ans42 ans38 ans39 ans40 ans41 ans42 ans
20131,0910-1,0908--1,1999-1,2001--20141,09101,09091,0908--1,19991,20001,2001--2015-1,09091,09081,0910--1,20001,20011,1999-2016--1,09081,09101,0909--1,20011,19991,20002017--1,06441,06491,0654--1,17061,17141,17222018--1,03901,04011,0500--1,14291,14431,14542019--1,03901,04011,0500--1,11641,11811,12002020--1,03901,04011,0500--1,09081,09331,09572021--1,03901,04011,0500--1,06671,06971,0722A partir de 2022-1,03901,04011,0500-1,04361,04671,0500
Chaque période ininterrompue admissible pour l'ouverture du droit à la pension, subdivisée, le cas échéant, en périodes séparées selon le tantième attaché aux services, est comptée depuis sa date de début jusqu'à sa date de fin incluses. Les jours faisant partie d'un mois calendrier incomplet sont pris en compte à concurrence de la fraction qu'ils représentent par rapport au nombre de jours réellement compris dans ce mois calendrier complet. Le résultat de ce décompte est, pour chaque période séparée, exprimé en mois avec quatre décimales, en arrondissant vers le haut si la cinquième décimale est égale à ou plus grande que cinq. Le même arrondi est appliqué au produit obtenu après avoir multiplié la somme de ces périodes séparées, additionnées par tantième, par le coefficient visé à l'alinéa 5. La somme de ces produits est exprimée en mois avec quatre décimales.
  Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, décider de maintenir, pour les années après 2019, le coefficient 1,1200 fixé dans la dernière colonne du tableau à l'alinéa 5, pour les cas visés dans cette colonne.
  § 3/2. L'application du § 1er, alinéa 2, 1°, ne peut avoir pour effet que pour une année civile déterminée plus de 12 mois soient pris en compte pour l'ouverture du droit à la pension. ".
Art. 3. In artikel 88 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het tweede tot het vierde lid worden vervangen als volgt :
  " Het eerste lid doet geen afbreuk aan de voorwaarden inzake duur van de diensten en aan de preferentiële leeftijdsgrenzen van de oppensioenstelling bepaald :
  - voor het rijdend personeel van de NMBS-Holding;
  - voor de geïntegreerde politie;
  - voor de militairen;
  - voor de gewezen militairen bedoeld in artikel 10 van de wet van 30 maart 2001 betreffende het pensioen van het personeel van de politiediensten en hun rechthebbenden, in artikel 5bis van de wet van 25 februari 2003 houdende de inrichting van de functie van veiligheidsbeambte met het oog op de uitvoering van taken die betrekking hebben op de politie van hoven en rechtbanken en de overbrenging van gevangenen, in artikel 10 van de wet van 16 juli 2005 houdende de overplaatsing van sommige militairen naar een openbare werkgever en in artikel 194 van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen van het actief kader van de Krijgsmacht.
  In afwijking van het eerste lid worden de personen die zich op eigen aanvraag op 1 januari 2012 in een voltijdse of deeltijdse disponibiliteit voorafgaand aan de oppensioenstelling bevinden of in een vergelijkbare situatie, op pensioen gesteld op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van de termijn van die disponibiliteit of van de ermee gelijkgestelde situatie. Deze datum kan evenwel niet gelegen zijn voor de eerste dag van de maand die volgt op de 60e verjaardag.
  Het derde lid is eveneens van toepassing op de personen die bij hun werkgever een aanvraag om vóór 5 maart 2013 in een in datzelfde lid beoogde situatie te worden geplaatst hebben ingediend :
  1° vóór 1 januari 2012;
  2° of vanaf 1 januari 2012 op voorwaarde dat deze aanvraag door de werkgever werd ingewilligd vóór 5 maart 2012. ".
  2° de volgende leden worden toegevoegd, luidende :
  " De afwijkingen voorzien in het derde en vierde lid zijn niet meer van toepassing indien het personeelslid de disponibiliteit of de vergelijkbare situatie voortijdig beëindigt.
  Het rijdend personeel bedoeld in het tweede lid zijn de personeelsleden die behoren tot het rijdend personeel bepaald door het pensioenreglement van de NMBS Holding zoals het van kracht was op 28 december 2011. ".
Art. 3. A l'article 88 de la loi du 28 décembre 2011 portant des dispositions diverses, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les alinéas 2 à 4 sont remplacés par ce qui suit :
  " L'alinéa 1er ne porte pas préjudice aux conditions de durée de services et aux âges préférentiels de mise à la pension prévus :
  - pour le personnel roulant de la SNCB Holding;
  - pour la police intégrée;
  - pour les militaires;
  - pour les anciens militaires visés à l'article 10 de la loi du 30 mars 2001 relative à la pension du personnel des services de police et de leurs ayants droit, à l'article 5bis de la loi du 25 février 2003 portant création de la fonction d'agent de sécurité en vue de l'exécution des missions de police des cours et tribunaux et de transfert des détenus, à l'article 10 de la loi du 16 juillet 2005 instituant le transfert de certains militaires vers un employeur public et à l'article 194 de la loi du 28 février 2007 fixant le statut des militaires du cadre actif des Forces armées.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, les personnes qui à leur demande se trouvaient à la date du 1er janvier 2012 dans une position de disponibilité, totale ou partielle, préalable à la mise à la retraite ou dans une situation analogue, sont mises à la retraite le premier jour du mois qui suit l'expiration de la période de cette disponibilité ou situation analogue. Cette date ne peut se situer avant le premier jour du mois qui suit le 60e anniversaire.
  L'alinéa 3 est également applicable aux personnes qui ont introduit, en vue d'être placées avant le 5 mars 2013 dans une situation visée à ce même alinéa, une demande auprès de leur employeur :
  1° avant le 1er janvier 2012;
  2° ou à partir du 1er janvier 2012 à la condition que cette demande ait été approuvée par l'employeur avant le 5 mars 2012. ".
  2° les alinéas suivants sont ajoutés et rédigés comme suit :
  " Les dérogations prévues aux alinéas 3 et 4 ne sont plus d'application lorsque l'agent met fin prématurément à la disponibilité ou à la situation analogue.
  Le personnel roulant visé à l'alinéa 2 sont les agents qui appartiennent au personnel roulant défini par le règlement de pension de la SNCB Holding tel qu'il était en vigueur au 28 décembre 2011. ".
Art. 4. Artikel 89 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 4. L'article 89 de la même loi est abrogé.
Art. 5. Artikel 90 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  " Art. 90. Elke persoon die op een bepaald ogenblik de voorwaarden inzake leeftijd en duur van de diensten vervult die, voor de personeelscategorie waartoe hij op dat ogenblik behoort, gelden om voor de leeftijd van 62 jaar een rustpensioen te bekomen, behoudt het genot van dit voordeel, ongeacht de latere werkelijke ingangsdatum van zijn pensioen of de personeelscategorie waartoe hij op die datum behoort. ".
Art. 5. L'article 90 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 90. Toute personne qui, à un moment donné, remplit les conditions d'âge et de durée de services qui valent, pour la catégorie de personnel à laquelle elle appartient à ce moment, pour obtenir une pension de retraite avant l'âge de 62 ans conserve le bénéfice de cet avantage quelle que soit par la suite la date de prise de cours effective de sa pension ou la catégorie de personnel à laquelle elle appartient à cette date. ".
Art. 6. In artikel 92 van dezelfde wet worden de woorden " en is uitsluitend van toepassing op de pensioenen die ingaan vanaf die datum " geschrapt.
Art. 6. Dans l'article 92 de la même loi, les mots " et s'appliquent uniquement aux pensions qui prennent cours à partir de cette date " sont supprimés.
HOOFDSTUK 3. - Aanpassing van de toepasselijke tantièmes
CHAPITRE 3. - Adaptations des tantièmes applicables
Art. 7. In artikel 5, § 2, tweede lid, van de wet van 8 december 1976 tot regeling van het pensioen van sommige mandatarissen en van dat van hun rechtverkrijgenden, ingevoegd door de wet van 28 december 2011, worden de woorden " a x 3,75 x t / 180 x 12 " vervangen door de woorden " a x (3,75 / 180) x (t / 12) ".
Art. 7. Dans l'article 5, § 2, alinéa 2, de la loi du 8 décembre 1976 réglant la pension de certains mandataires et de celle de leurs ayants droit, inséré par la loi du 28 décembre 2011, les mots " a x 3,75 x t / 180 x 12 " sont remplacés par les mots " a x (3,75 / 180) x (t / 12) ".
Art. 8. In artikel 49, § 2, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, gewijzigd bij de wetten van 21 mei 1991 en 3 februari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, 2°, worden de woorden " 1/12e, 1/20e, 1/25e, 1/30e, of 1/35e " vervangen door de woorden " voordeliger dan 1/50e ";
  2° een derde lid wordt toegevoegd, luidende :
  " Het eerste lid, 2°, is niet van toepassing op de diensten gepresteerd als lid van het rijdend personeel van de NMBS-Holding. ".
Art. 8. Dans l'article 49, § 2, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d' harmonisation dans les régimes de pensions, modifié par les lois des 21 mai 1991 et 3 février 2003, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l' alinéa 1er, 2°, les mots " 1/12e, 1/20e, 1/25e, 1/30e, ou 1/35e " sont remplacés par les mots " plus favorables que 1/50e ";
  2° il est ajouté un alinéa 3 rédigé comme suit :
  " L'alinéa 1er, 2°, ne s'applique pas aux services rendus comme membre du personnel roulant de la SNCB Holding. ".
HOOFDSTUK 4. - Beperking van de aanneembaarheid van perioden van afwezigheid, verlof en loopbaanonderbreking
CHAPITRE 4. - Limitation de l'admissibilité des périodes d'absence, de congés et d'interruption de carrière
Art. 9. In het koninklijk besluit nr. 442 van 14 augustus 1986 betreffende de weerslag van sommige administratieve toestanden op de pensioenen van de personeelsleden van de overheidsdiensten, laatst gewijzigd bij de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, wordt een hoofdstuk 1 ingevoegd met als opschrift " Toepassingsgebied en begrippen " dat de artikelen 1 en 1/1 bevat.
Art. 9. Dans l'arrêté royal n° 442 du 14 août 1986 relatif à l'incidence de certaines positions administratives sur les pensions des agents des services publics, modifié en dernier lieu par la loi du 28 décembre 2011 portant des dispositions diverses, il est inséré un chapitre 1er intitulé " Champ d'application et notions " comprenant les articles 1er et 1/1.
Art. 10. In hetzelfde koninklijk besluit, laatst gewijzigd bij de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, wordt een artikel 1/1 ingevoegd, luidende :
  " Art. 1/1. Voor de toepassing van dit besluit moet worden verstaan onder :
  1° " perioden van loopbaanonderbreking " : de perioden van volledige loopbaanonderbreking door schorsing van de arbeidsprestaties, bedoeld in artikelen 100 en 100bis van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen en de perioden van gedeeltelijke loopbaanonderbreking door vermindering van de arbeidsprestaties, bedoeld in artikelen 102 en 102bis, van dezelfde herstelwet;
  2° " vierdagenweek " : het stelsel van de vierdagenweek bedoeld in artikel 4 van de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector;
  3° " halftijds werken " : het stelsel van het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar bedoeld in artikel 7 van voormelde wet van 19 juli 2012.
  De perioden van volledige loopbaanonderbreking zijn aanneembaar voor de opening van het recht op het pensioen en voor de berekening ervan volgens de regels bepaald in dit besluit. De perioden van afwezigheid die het gevolg zijn van gedeeltelijke loopbaanonderbreking, van de vierdagenweek en van halftijds werken zijn volgens de regels van dit besluit aanneembaar voor de berekening van het pensioen. ".
Art. 10. Dans le même arrêté royal, modifié en dernier lieu par la loi du 28 décembre 2011 portant des dispositions diverses, il est inséré un article 1/1 rédigé comme suit :
  " Art. 1/1. Pour l'application de cet arrêté, il faut entendre par :
  1° " périodes d'interruption de carrière " : les périodes d'interruption de carrière complète par suspension des prestations de travail prévue aux articles 100 et 100bis de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales et les périodes d'interruption de carrière partielle par réduction des prestations de travail, prévue aux articles 102 et 102bis de la même loi de redressement;
  2° " semaine de quatre jours " : le régime de la semaine de quatre jours visé à l'article 4 de la loi du 19 juillet 2012 relative à la semaine de quatre jours et au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans dans le secteur public;
  3° " travail à mi-temps " : le régime de travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans visé à l'article 7 de la loi du 19 juillet 2012 précitée.
  Les périodes d'interruption de carrière complète sont admissibles pour l'ouverture du droit à la pension et pour le calcul de la pension selon les règles établies par le présent arrêté. Les périodes d'absence résultant d'une interruption de carrière partielle, de la semaine des quatre jours et du travail à mi-temps sont admissibles pour le calcul de la pension selon les règles du présent arrêté. ".
Art. 11. De artikelen 2 tot 2septies van hetzelfde koninklijk besluit, laatst gewijzigd bij de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, worden vervangen als volgt :
  " HOOFDSTUK 2. - Loopbaanonderbreking, vierdagenweek en halftijds werken, opgenomen vanaf 1 januari 2012
  Art. 2. § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de perioden van loopbaanonderbreking, van vierdagenweek en van halftijds werken die zich na 31 december 2011 situeren.
  § 2. De perioden van volledige of gedeeltelijke loopbaanonderbreking zijn gratis aanneembaar ten belope van maximum 12 maanden. Deze perioden zijn eveneens gratis aanneembaar ten belope van maximum 24 bijkomende maanden, indien tijdens die periode het personeelslid of zijn onder hetzelfde dak wonende echtgenoot kinderbijslag heeft ontvangen voor een kind jonger dan 6 jaar.
  In afwijking van het eerste lid is het totaal van de perioden van loopbaanonderbreking voor 1/5-tijd en van vierdagenweek gratis aanneembaar ten belope van maximum 60 maanden.
  Het genot van de bepalingen van het eerste en tweede lid is niet cumuleerbaar, waarbij enkel het meest voordelige lid wordt toegepast voor de vaststelling van het recht en de berekening van het pensioen.
  Voor de toepassing van het maximum van 24 maanden bedoeld in het eerste lid, worden de perioden van loopbaanonderbreking genomen vóór 1 januari 2012 en die gratis in aanmerking werden genomen omdat het personeelslid of zijn onder hetzelfde dak wonende echtgenoot kinderbijslag ontving voor een kind jonger dan 6 jaar, gelijkgesteld met perioden van loopbaanonderbreking genomen vanaf 1 januari 2012.
  § 3. Onverminderd de toepassing van § 2, zijn de perioden van gedeeltelijke loopbaanonderbreking opgenomen vanaf de leeftijd van 50 jaar bijkomend aanneembaar overeenkomstig de volgende regels :
  - maximum 84 maanden in geval van vermindering van de arbeidsprestaties met 1/2;
  - maximum 96 maanden in geval van vermindering van de arbeidsprestaties met 1/3;
  - maximum 108 maanden in geval van vermindering van de arbeidsprestaties met 1/4.
  De perioden van gedeeltelijke loopbaanonderbreking bedoeld in het eerste lid zijn gratis aanneembaar ten belope van maximum 12 maanden. De andere maanden zijn aanneembaar mits de storting van een persoonlijke bijdrage van 7,5 % vastgesteld op basis van de regels voorzien in de afdelingen 1 en 2 van hoofdstuk 6.
  Voor de toepassing van het eerste lid worden de perioden van halftijds werken opgenomen vanaf de leeftijd van 50 jaar gelijkgesteld met perioden van halftijdse loopbaanonderbreking.
  Onverminderd de toepassing van § 2 en in afwijking van het eerste en het tweede lid, is het totaal van de perioden van loopbaanonderbreking voor 1/5-tijd en van vierdagenweek, opgenomen vanaf de leeftijd van 50 jaar, gratis aanneembaar ten belope van een bijkomende periode van maximum 180 maanden.
  Wanneer een personeelslid vanaf de leeftijd van 50 jaar perioden van de in deze paragraaf bedoelde gedeeltelijke loopbaanonderbreking heeft opgenomen volgens verschillende afwezigheidsbreuken en/of perioden van halftijds werken en/of perioden van vierdagenweek, wordt de duur van elke voormelde periode respectievelijk vermenigvuldigd met de hierna vastgestelde coëfficiënt eigen aan elke afwezigheidsbreuk :
  Afwezigheidsbreuk - coëfficiënt
  1/5 1,0000
  1/4 1,6666
  1/3 1,8750
  1/2 2,1428.
  Het totaal van de op deze wijze berekende gewogen perioden mag het maximum van 180 maanden niet overschrijden.
  Indien dit maximum wordt overschreden, wordt de vermindering van de gewogen perioden bij voorrang uitgevoerd op de periode of perioden gedurende dewelke de vermindering van de prestaties het minst belangrijk is, tot het totaal van de gewogen perioden gelijk is aan 180 maanden. Vervolgens wordt dit totaal van gewogen perioden, door deze laatste te delen door de in het vijfde lid bepaalde coëfficiënten, omgezet in aanneembare perioden.
  Art. 2/1. De perioden van loopbaanonderbreking teneinde palliatieve zorg te verstrekken, voor ouderschapsverlof en voor het bijstaan of verzorgen van een gezinslid of een familielid tot in de tweede graad dat lijdt aan een ernstige ziekte, vallen niet onder de toepassing van de artikelen 2, 2/3, § 1, 2/4 en 2/7.
  HOOFDSTUK 3. - Loopbaanonderbrekingen voorafgaand aan 1 januari 2012
  Art. 2/2. § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de perioden van loopbaanonderbreking die zich situeren vóór 1 januari 2012.
  § 2. De perioden van loopbaanonderbreking zijn aanneembaar overeenkomstig de hierna bepaalde regels :
  - 1° voor de eerste twaalf maanden : de duur die in aanmerking zou zijn genomen indien de loopbaanonderbreking zich niet had voorgedaan;
  - 2° voor de volgende 48 maanden : de perioden tijdens dewelke het personeelslid een persoonlijke bijdrage van 7,5 % heeft gestort vastgesteld volgens de regels voorzien in de afdelingen 1 en 2 van hoofdstuk 6 van dit besluit.
  § 3. Paragraaf 2 is van toepassing op de perioden van loopbaanonderbreking opgenomen door een vast benoemd personeelslid of door een contractueel personeelslid van de overheidssector vóór zijn vaste benoeming.
  HOOFDSTUK 4. - Overgangsmaatregelen
  Art. 2/3. § 1. De perioden van loopbaanonderbreking die uiterlijk op 2 april 2012 ingaan en waarvoor een aanvraag bij de werkgever is aangekomen vóór 28 november 2011 en tevens ontvangen werd door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening vóór 1 maart 2012, worden geacht zich te situeren vóór 1 januari 2012 indien de in het hoofdstuk 3 voorziene regeling voordeliger is. Hetzelfde geldt voor de perioden van loopbaanonderbreking die onmiddellijk aansluiten op een periode van loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof die uiterlijk ingaat op 2 april 2012, wanneer de aanvraag voor dit verlof is aangekomen bij de werkgever vóór 28 november 2011 en door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening werd ontvangen vóór 1 maart 2012.
  § 2. De perioden van loopbaanonderbreking genomen vóór 1 januari 2011 die konden gevalideerd worden door de storting van de persoonlijke bijdrage van 7,5 % vóór 1 januari 2012 maar die niet het voorwerp hebben uitgemaakt van deze validatie, worden in aanmerking genomen voor de vaststelling van het aantal aanneembare dienstjaren bedoeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 1° en derde lid, § 2 en § 2/1, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen.
  HOOFDSTUK 5. - Tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking voor militairen
  Art. 2/4. De perioden van tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking ingevoerd bij de wet van 25 mei 2000 tot instelling van de vrijwillige arbeidsregeling van de vierdagenweek en de regeling van de halftijdse vervroegde uitstap voor sommige militairen en tot wijziging van het statuut van de militairen met het oog op de instelling van de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking, worden in aanmerking genomen voor het recht op en de berekening van het militair rustpensioen en overlevingspensioen overeenkomstig de hierna bepaalde regels :
  - 1° de eerste twaalf maanden tellen voor gans de duur ervan;
  - 2° de volgende 48 maanden : enkel de perioden waarvoor de militair een persoonlijke bijdrage van 7,5 % heeft gestort, zoals vastgesteld volgens de regels bepaald in de afdelingen 1 en 2 van hoofdstuk 6, tellen.
  HOOFDSTUK 6. - Gemeenschappelijke bepalingen
  Afdeling 1. - Storting van de persoonlijke bijdrage
  Art. 2/5. § 1. De in de artikelen 2, § 3, tweede lid, 2/2, § 2, 2°, en 2/4, 2° bedoelde persoonlijke bijdrage wordt gestort aan de macht of de instelling die het stelsel van de overlevingspensioenen van de betrokken persoon beheert en wordt gebruikt om deze pensioenen te financieren.
  Het bedrag van de persoonlijke bijdrage van 7,5 % wordt vastgesteld, naargelang het geval, op basis van de wedde waarvan de persoon het genot zou hebben gehad indien hij in dienst was gebleven of op basis van het verschil tussen deze wedde en de wedde die hij werkelijk ontvangt.
  De persoon die de in de artikelen 2, § 3, 2/2, § 2, 2/3, § 1 en 2/4 voorziene perioden wenst te valideren, is verplicht om bij de overheid waarvan hij afhangt of bij de overheid aangewezen door de minister onder wiens bevoegdheid hij valt, de verbintenis aan te gaan de vereiste stortingen uit te voeren.
  Deze overheid vult de verbintenis aan met de vermelding van de wedde die de belanghebbende zou genoten hebben indien hij zijn functies niet had stopgezet of verminderd en van de wedde die hem eventueel nog toegekend wordt, en maakt deze verbintenis over aan de in het eerste lid bedoelde macht of instelling. Zij is ertoe gehouden aan deze laatste de weddewijzigingen te melden die gedurende de door de verbintenis gedekte periode zouden voorkomen ten gevolge van de toekenning van tussentijdse verhogingen of van promoties.
  Enkel de perioden of gedeelten van perioden van loopbaanonderbreking of perioden van tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking worden gevalideerd waarvoor de bijdragen aangekomen zijn bij de in het eerste lid bedoelde macht of instelling vóór de datum waarop het pensioen ingaat en ten laatste op 31 december van het jaar dat volgt op dat waarin de periode of het gedeelte van de periode die het personeelslid wenst te valideren, zich situeert.
  De stortingen moeten verricht worden volgens de modaliteiten vastgesteld door de in het eerste lid bedoelde macht of instelling.
  § 2. In afwijking van § 1, stort het contractueel personeelslid van de overheidssector dat de in de artikelen 2, § 3, 2/2, § 2, en 2/3, § 1 bedoelde perioden wenst te valideren die het genomen heeft vóór zijn vaste benoeming een persoonlijke bijdrage van 7,5 % bestemd voor de sector van de rust- en overlevingspensioen in het pensioenstelsel van de werknemers.
  Afdeling 2. - Uitzondering op de storting van de persoonlijke bijdrage
  Art. 2/6. De storting van de persoonlijke bijdrage bedoeld in de artikelen 2, § 3, tweede lid, 2/2, § 2, 2° en 2/4, 2° is niet vereist gedurende maximum 24 maanden van het geheel van de loopbaan, voor de perioden waarin het personeelslid of zijn onder hetzelfde dak wonende echtgenoot kinderbijslag heeft ontvangen voor een kind jonger dan 6 jaar.
  Afdeling 3. - Beperking van de aanneembaarheid van de perioden van loopbaanonderbreking en van de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking voor militairen
  Art. 2/7. Voor het geheel van de loopbaan mag het totaal van de perioden van loopbaanonderbreking die overeenkomstig de artikelen 2, § 2, 2/2 en 2/3 aanneembaar zijn, alsook van de perioden van tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking die overeenkomstig artikel 2/4 in aanmerking genomen worden voor het recht op en de berekening van het pensioen, in geen enkel geval noch de duur van de effectieve prestaties noch 60 maanden overschrijden. ".
Art. 11. Les articles 2 à 2septies du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par la loi du 28 décembre 2011 portant des dispositions diverses, sont remplacés par ce qui suit :
  " CHAPITRE 2. - Interruption de carrière, semaine de quatre jours et de travail à mi-temps, prises à partir du 1er janvier 2012
  Art. 2. § 1er. Le présent chapitre s'applique aux périodes d'interruption de carrière, de la semaine de quatre jours et de travail à mi-temps, qui se situent postérieurement au 31 décembre 2011.
  § 2. Les périodes d'interruption de carrière totale ou partielle sont admissibles gratuitement à concurrence de 12 mois maximum. Ces périodes sont également admissibles gratuitement à concurrence de 24 mois supplémentaires au maximum, si pendant ces périodes l'agent ou son conjoint habitant sous le même toit a perçu des allocations familiales pour un enfant de moins de 6 ans.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le total des périodes d'interruption de carrière d'1/5 temps et de la semaine de quatre jours est admissible gratuitement à concurrence de 60 mois maximum.
  Le bénéfice des dispositions des alinéas 1er et 2 n'est pas cumulable, seul l'alinéa le plus favorable étant appliqué pour établir le droit et le calcul de la pension.
  Pour l'application du maximum de 24 mois visé à l'alinéa 1er, les périodes d'interruption de carrière prises avant le 1er janvier 2012 et qui ont été prises en compte gratuitement en raison du fait que l'agent ou son conjoint habitant sous le même toit percevait des allocations familiales pour un enfant de moins de 6 ans, sont assimilées à des périodes d'interruption de carrière prises à partir du 1er janvier 2012.
  § 3. Sans préjudice de l'application du § 2, les périodes d'interruption de carrière partielle prises à partir de l'âge de 50 ans sont admissibles, à titre supplémentaire, selon les modalités suivantes :
  - 84 mois maximum en cas de réduction des prestations d'1/2 temps;
  - 96 mois maximum en cas de réduction des prestations d'1/3 temps;
  - 108 mois maximum en cas de réduction des prestations d'1/4 temps.
  Les périodes d'interruption de carrière partielle visées à l'alinéa 1er sont admissibles gratuitement à concurrence de 12 mois au maximum. Les autres mois sont admissibles moyennant le versement d'une cotisation personnelle de 7,5 % établie selon les règles prévues aux sections 1re et 2 du chapitre 6.
  Pour l'application de l'alinéa 1er, les périodes de travail à mi-temps prises à partir de l'âge de 50 ans sont assimilées à des périodes d'interruption de carrière à mi-temps.
  Sans préjudice de l'application du § 2 et par dérogation aux alinéas 1er et 2, le total des périodes d'interruption de carrière d'1/5 temps et de la semaine de quatre jours, prises à partir de l'âge de 50 ans, est admissible gratuitement à concurrence d'une période supplémentaire de 180 mois maximum.
  Lorsqu'un agent a pris à partir de l'âge de 50 ans, des périodes d'interruption de carrière partielle prévues dans le présent paragraphe selon des fractions d'absence différentes et/ou des périodes de travail à mi-temps et/ou des périodes d'absence de semaine de 4 jours, la durée de chaque période précitée est respectivement multipliée par le coefficient fixé ci-après propre à chaque fraction d'absence :
  Fraction d'absence - coefficient
  1/5 1,0000
  1/4 1,6666
  1/3 1,8750
  1/2 2,1428.
  Le total des périodes pondérées ainsi calculées ne peut dépasser un maximum de 180 mois.
  Lorsque ce maximum est dépassé, la réduction des périodes pondéréesporte par priorité sur la ou les périodes durant lesquelles la réduction des prestations est la moins importante, jusqu'à ce que le total des périodes pondérées soit égal à 180 mois. Ensuite, ce total des périodes pondérées est, en divisant ces dernières par les coefficients déterminés à l'alinéa 5, reconverti en périodes admissibles.
  Art. 2/1. Les périodes d'interruption de carrière en vue d'assurer des soins palliatifs, pour congé parental et pour assistance ou octroi de soins à un membre de son ménage ou à un membre de sa famille jusqu'au deuxième degré qui souffre d'une maladie grave, ne tombent pas sous l'application des articles 2, 2/3, § 1er, 2/4 et 2/7.
  CHAPITRE 3. - Interruptions de carrière antérieures au 1er janvier 2012
  Art. 2/2. § 1er. Le présent chapitre s'applique aux périodes d'interruption de carrière qui se situent avant le 1er janvier 2012.
  § 2. Les périodes d'interruption de la carrière sont admissibles selon les modalités définies ci-après :
  - 1° pour les douze premiers mois : la durée qui aurait été prise en considération si l'interruption de la carrière n'était pas intervenue;
  - 2° pour les quarante-huit mois suivants : les périodes pour lesquelles l'agent a versé une cotisation personnelle de 7,5 % établie selon les règles prévues aux sections 1re et 2 du chapitre 6 du présent arrêté.
  § 3. Le paragraphe 2 s'applique aux périodes d'interruption de la carrière prises par un membre du personnel nommé à titre définitif ou par un membre du personnel contractuel du secteur public avant sa nomination à titre définitif.
  CHAPITRE 4. - Mesures transitoires
  Art. 2/3. § 1er. Les périodes d'interruption de carrière qui débutent au plus tard le 2 avril 2012 et pour lesquelles une demande est parvenue auprès de l'employeur avant le 28 novembre 2011 et a été réceptionnée par l'Office national de l'Emploi avant le 1er mars 2012, sont considérées comme prises avant le 1er janvier 2012, si le régime visé au chapitre 3 est plus avantageux. Il en est de même pour les périodes d'interruption de carrière qui suivent immédiatement une période d'interruption de carrière pour congé parental qui débute au plus tard le 2 avril 2012, lorsque la demande pour ce congé est parvenue auprès de l'employeur avant le 28 novembre 2011 et a été réceptionnée par l'Office national de l'Emploi avant le 1er mars 2012.
  § 2. Les périodes d'interruption de carrière prises avant le 1er janvier 2011 qui pouvaient être validées par le versement, avant le 1er janvier 2012, de la cotisation personnelle de 7,5 % mais qui n'ont pas fait l'objet de cette validation, sont prises en considération pour la détermination du nombre d'années de services admissibles visé à l'article 46, § 1er, alinéa 1er, 1° et alinéa 3, § 2 et § 2/1, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions.
  CHAPITRE 5. - Périodes de retrait temporaire d'emploi par interruption de carrière pour militaires
  Art. 2/4. Les périodes de retrait temporaire d'emploi par interruption de carrière instituées par la loi du 25 mai 2000 instaurant le régime volontaire de travail de la semaine de quatre jours et le régime du départ anticipé à mi-temps pour certains militaires et modifiant le statut des militaires en vue d'instaurer le retrait temporaire d'emploi par interruption de carrière, sont prises en considération pour le droit à la pension de retraite militaire et à la pension de survie, et le calcul de celles-ci selon les modalités définies ci-après :
  - 1° les douze premiers mois comptent pour toute leur durée;
  - 2° les quarante-huit mois suivants : comptent uniquement les périodes pour lesquelles le militaire a versé une cotisation personnelle de 7,5 % établie selon les règles prévues aux sections 1re et 2 du chapitre 6.
  CHAPITRE 6. - Dispositions communes
  Section 1re. - Versement de la cotisation personnelle
  Art. 2/5. § 1er. La cotisation personnelle prévue aux articles 2, § 3, alinéa 2, 2/2, § 2, 2°, et 2/4, 2° est versée au pouvoir ou à l'organisme qui gère le régime des pensions de survie de la personne concernée et est affectée au financement de ces pensions.
  Le montant de la cotisation personnelle de 7,5 % est établi, selon le cas, sur la base du traitement dont la personne aurait bénéficié si elle était restée en service ou sur la différence entre ce traitement et celui qu'elle perçoit effectivement.
  La personne qui désire valider les périodes prévues aux articles 2, § 3, 2/2, § 2, 2/3, § 1er et 2/4 est tenue de souscrire auprès de l'autorité dont elle relève ou auprès de l'autorité désignée par le ministre dont il relève, l'engagement d'effectuer les versements requis.
  Cette autorité complète l'engagement par l'indication du traitement dont l'intéressé aurait bénéficié s'il n'avait pas cessé ou réduit ses fonctions et du traitement qui lui est encore éventuellement attribué, et transmet cet engagement au pouvoir ou à l'organisme visé à l'alinéa 1er. Elle est tenue de signaler à ce dernier les modifications de traitement qui interviendraient durant la période couverte par l'engagement à la suite de l'octroi d'augmentations intercalaires ou de promotions.
  Seules sont validées les périodes ou les fractions de période d'interruption de carrière ou les périodes de retrait temporaire d'emploi par interruption de carrière, pour lesquelles les cotisations sont parvenues au pouvoir ou à l'organisme visé à l'alinéa 1er avant la date de prise de cours de la pension, mais au plus tard le 31 décembre de l'année qui suit celle durant laquelle se situe la période ou la fraction de période que l'agent désire valider.
  Les versements doivent être effectués selon les modalités fixées par le pouvoir ou par l'organisme visé à l'alinéa 1er.
  § 2. Par dérogation au § 1er, le membre du personnel contractuel du secteur public qui désire valider les périodes prévues aux articles 2, § 3, 2/2, § 2, et 2/3, § 1er qu'il a prises avant sa nomination à titre définitif, verse la cotisation personnelle de 7,5 %, destinée au secteur des pensions de retraite et de survie, dans le régime de pension des travailleurs salariés.
  Section 2. - Exception au versement de la cotisation personnelle
  Art. 2/6. Le versement de la cotisation personnelle visée aux articles 2, § 3, alinéa 2, 2/2, § 2, 2° et 2/4, 2° n'est pas requis durant vingt-quatre mois au maximum pour l'ensemble de la carrière, pour les périodes pendant lesquelles l'agent ou son conjoint habitant sous le même toit a perçu des allocations familiales pour un enfant de moins de 6 ans.
  Section 3. - Limitation à l'admissibilité de périodes d'interruption de carrière et de retrait temporaire d'emploi par interruption de carrière pour les militaires
  Art. 2/7. Pour l'ensemble de la carrière, le total des périodes d'interruption de la carrière admissibles conformément aux articles 2, § 2, 2/2 et 2/3, ainsi que les périodes de retrait temporaire d'emploi par interruption de carrière prises en considération pour le droit à la pension et le calcul de celle-ci conformément à l'article 2/4, ne pourra en aucun cas excéder ni la durée des prestations effectives, ni 60 mois. ".
Art. 12. In hetzelfde, koninklijk besluit, laatst gewijzigd bij de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, wordt een hoofdstuk 7 ingevoegd met als opschrift " Beperking van de aanneembaarheid van bepaalde perioden van afwezigheid of van verlof ", dat artikel 3 bevat.
Art. 12. Dans le même arrêté royal, modifié en dernier lieu par la loi du 28 décembre 2011 portant des dispositions diverses, il est inséré un chapitre 7 intitulé " Limitation à l'admissibilité de certaines périodes d'absence ou de congé " comprenant l'article 3.
Art. 13. In artikel 3 van hetzelfde koninklijk besluit, laatst gewijzigd bij de wet van 25 april 2007 betreffende de pensioenen van de openbare sector, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1 wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt :
  " 1° de perioden van loopbaanonderbreking aanneembaar met toepassing van de artikelen 2, 2/2 en 2/3, § 1 alsook de perioden van afwezigheid die het gevolg zijn van de regeling van halftijds werken of van de vierdagenweek aanneembaar met toepassing van artikel 2 ";
  2° in § 1, 2°, worden de woorden " 2bis " vervangen door de woorden " 2/4 ";
  3° in § 3, derde lid, worden de woorden " artikel 2quinquies " vervangen door de woorden " artikel 2/6 ";
  4° in § 3, vierde lid, worden de woorden " artikel 2quinquies " vervangen door de woorden " artikel 2/6 ";
  5° in § 4 wordt het eerste lid vervangen als volgt :
  " Indien het personeelslid vóór de leeftijd van 60 jaar gepensioneerd wordt wegens lichamelijke ongeschiktheid, worden de perioden van loopbaanonderbreking alsook de perioden van tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking, waarvoor de in dit besluit bedoelde stortingen van persoonlijke bijdragen werden verricht, niet in aanmerking genomen voor de toepassing van de §§ 2 en 3. Hetzelfde geldt voor het overlevingspensioen van de rechthebbende van een personeelslid overleden in dienstactiviteit. ";
  6° § 5 wordt vervangen als volgt :
  " § 5. De perioden van loopbaanonderbreking waarvoor, vóór 1 juli 1991, de in artikel 2/2, § 2, 2°, bedoelde stortingen zijn gedaan, worden niet in aanmerking genomen voor de toepassing van de §§ 2 en 3. ";
  7° in § 7, 9°, worden de woorden " of vermindering van de arbeidsprestaties " opgeheven.
Art. 13. A l'article 3 du même arrêté royal, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2007 relative aux pensions du secteur public, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le § 1er, le 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° les périodes d'interruption de carrière admissibles en application des articles 2, 2/2 et 2/3, § 1er ainsi que les périodes d'absence résultant du régime de travail à mi-temps ou de la semaine de quatre jours admissibles en application de l'article 2 ";
  2° dans le § 1er, 2°, les mots " 2bis " sont remplacés par les mots " 2/4 ";
  3° dans le § 3, alinéa 3, les mots " article 2quinquies " sont remplacés par les mots " article 2/6 ";
  4° dans le § 3, alinéa 4, les mots " article 2quinquies " sont remplacés par les mots " article 2/6 ";
  5° dans le § 4, l'alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit :
  " Si l'agent est pensionné avant l'âge de 60 ans pour inaptitude physique, les périodes d'interruption de carrière ainsi que les périodes de retrait temporaire d'emploi par interruption de carrière, qui ont fait l'objet des versements de cotisations personnelles prévus dans le présent arrêté, ne sont pas prises en compte pour l'application des §§ 2 et 3. Il en est de même pour la pension de survie de l'ayant droit d'un agent décédé en activité de service. ";
  6° le § 5 est remplacé par ce qui suit :
  " § 5. Ne sont pas prises en compte pour l'application des §§ 2 et 3, les périodes d'interruption de carrière qui, avant le 1er juillet 1991, ont fait l'objet des versements prévus à l'article 2/2, § 2, 2°. ";
  7° dans le § 7, 9°, les mots " ou de réduction des prestations " sont abrogés.
Art. 14. In hetzelfde koninklijk besluit, laatst gewijzigd bij de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, wordt een hoofdstuk 8 ingevoegd met als opschrift " Vaststelling van de referentiewedde ".
  Dit hoofdstuk 8 bevat artikel 4 dat vervangen wordt als volgt :
  " Art. 4. De bepalingen van dit besluit doen wat betreft de niet vergoede perioden van afwezigheid die met dienstactiviteit gelijkgesteld zijn, geen afbreuk aan de toepassing van de regels betreffende de vaststelling van de wedden die als grondslag dienen voor de berekening van het rustpensioen.
  Indien een periode van loopbaanonderbreking deel uitmaakt van de periode die in aanmerking genomen wordt voor de vaststelling van de wedden die als grondslag dienen voor de berekening van het rustpensioen, dan wordt rekening gehouden met de wedde en de weddebijslagen die het personeelslid genoten zou hebben indien het in dienst was gebleven. "
Art. 14. Dans le même arrêté royal, modifié en dernier lieu par la loi du 28 décembre 2011 portant des dispositions diverses, il est inséré un chapitre 8 intitulé " Fixation du traitement de référence ".
  Ce chapitre 8 comprend l'article 4 qui est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 4. Les dispositions du présent arrêté ne portent pas préjudice, en ce qui concerne les périodes d'absence non rémunérées assimilées à de l'activité de service, à l'application des règles relatives à la fixation des traitements servant de base au calcul de la pension de retraite.
  Si une période d'interruption de la carrière fait partie de la période prise en considération pour la fixation des traitements servant de base au calcul de la pension de retraite, il est tenu compte du traitement et des suppléments de traitement dont l'agent aurait bénéficié s'il était resté en service. "
Art. 15. In hetzelfde koninklijk besluit, laatst gewijzigd bij de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, wordt een hoofdstuk 9 ingevoegd met als opschrift " Inwerkingtreding " dat het artikel 6 bevat.
Art. 15. Dans le même arrêté royal, modifié en dernier lieu par la loi du 28 décembre 2011 portant des dispositions diverses, il est inséré un chapitre 9 intitulé " Entrée en vigueur " comprenant l'article 6.
HOOFDSTUK 5. - Berekening van het pensioen op de laatste tien loopbaanjaren
CHAPITRE 5. - Calcul de la pension sur les dix dernières années de la carrière
Art. 16. In artikel 105 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen worden het tweede, derde en vierde lid vervangen als volgt :
  " In afwijking van het eerste lid wordt een in dat lid bedoeld pensioen met ingang van 1 januari 2012 berekend op basis van een referentiewedde die gelijk is aan de gemiddelde wedde van de laatste vier loopbaanjaren of van de volledige duur van de loopbaan als die minder dan vier jaar bedraagt, indien het pensioen krachtens de bepalingen die van toepassing waren op 31 december 2011, berekend zou geworden zijn op basis van de laatste activiteitswedde of van een referentiewedde die betrekking heeft op een kortere periode dan vijf jaar.
  De Koning wordt belast met het aanpassen van de verschillende wettelijke bepalingen om hen in overeenstemming te brengen met de bepalingen van het eerste lid.
  Het eerste tot derde lid zijn niet van toepassing op het gewaarborgd minimumbedrag bedoeld in artikel 121 van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen.
  Indien het bedrag van het pensioen berekend op basis van de gemiddelde wedde van de laatste tien loopbaanjaren of van de volledige duur als die meer dan vijf maar minder dan tien jaar bedraagt, lager is dan het gewaarborgd minimumbedrag voor een alleenstaande gepensioneerde bepaald in artikel 120 van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, wordt het pensioen herberekend op basis van de gemiddelde wedde van de laatste vijf loopbaanjaren, zonder dat het nieuwe pensioenbedrag meer mag bedragen dan voornoemd gewaarborgd minimumbedrag. "
Art. 16. Dans l'article 105 de la loi du 28 décembre 2011 portant des dispositions diverses, les alinéas 2, 3 et 4 sont remplacés par ce qui suit :
  " Par dérogation à l'alinéa 1er, si en application des dispositions en vigueur le 31 décembre 2011, une pension visée à cet alinéa aurait dû être calculée sur la base du dernier traitement d'activité ou d'un traitement de référence portant sur une période inférieure à cinq années, cette pension est alors, à partir du 1er janvier 2012, calculée sur la base d'un traitement de référence égal au traitement moyen des quatre dernières années de la carrière ou de toute la durée de celle-ci lorsqu'elle est inférieure à quatre ans.
  Le Roi est chargé d'adapter les différentes dispositions légales pour les mettre en concordance avec les dispositions de l'alinéa 1er.
  Les alinéas 1er à 3 ne sont pas applicables au montant minimum garanti visé à l'article 121 de la loi du 26 juin 1992 portant des dispositions sociales et diverses.
  Lorsque le montant de la pension calculé sur la base du traitement moyen des dix dernières années de la carrière ou de toute la durée de celle-ci si elle est supérieure à cinq ans mais inférieure à dix ans, est inférieur au montant minimum garanti pour un retraité isolé, visé à l'article 120 de la loi du 26 juin 1992 portant des dispositions sociales et diverses, la pension est recalculée sur la base du traitement moyen des cinq dernières années de la carrière, sans que le nouveau montant de la pension puisse excéder le montant minimum garanti précité. "
Art. 17. In artikel 127, § 1, van dezelfde wet worden de woorden " 89, 91, tweede lid, 103, 105, vierde lid, " vervangen door de woorden " 91, tweede lid, 103, ".
Art. 17. Dans l'article 127, § 1er, de la même loi, les mots " 89, 91, alinéa 2, 103, 105, alinéa 4, " sont remplacés par les mots " 91, alinéa 2, 103, ".
HOOFDSTUK 6. - Diverse wijzigingen
CHAPITRE 6. - Modifications diverses
Art. 18. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, elke maatregel nemen teneinde de titularissen van de laagste pensioenen een pensioenbedrag te garanderen dat niet lager mag zijn dan een bedrag door Hem bepaald.
Art. 18. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, prendre toute mesure en vue d'assurer aux titulaires des pensions les plus basses un taux de pension qui ne pourra être inférieur à un montant qu'Il détermine.
Art. 19. In artikel 139, 6° van de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen (I) worden de woorden " artikel 137 " vervangen door de woorden " artikel 143 ".
Art. 19. Dans l'article 139, 6° de la loi du 29 décembre 2010 portant des dispositions diverses (I), les mots " l'article 137 " sont remplacés par les mots " l'article 143 ".
Art. 20. In titel 13, enig hoofdstuk, afdeling 4, onderafdeling 2 van dezelfde wet wordt een artikel 145/1 ingevoegd, luidende :
  " Art. 145/1. De in artikel 143 bedoelde werkgever is gehouden voor elk personeelslid in dienst op 1 januari 2011 waarvoor hij de PDOS vraagt de datum van vervroegde oppensioenstelling te bepalen, een elektronisch attest " historische gegevens " aan te geven en te valideren binnen de termijn van een maand na het versturen van zijn vraag aan de PDOS, tenzij een elektronisch attest werd aangegeven overeenkomstig artikel 143. "
Art. 20. Dans le titre 13, chapitre unique, section 4, sous-section 2 de la même loi, il est inséré un article 145/1 rédigé comme suit :
  " Art. 145/1. L'employeur visé à l'article 143 est tenu pour chaque membre du personnel en service au 1er janvier 2011 pour lequel il demande au SdPSP de déterminer la date de mise à la pension anticipée, de délivrer et de valider une attestation électronique " données historiques " endéans le délai d'un mois après l'envoi de sa demande, à moins qu'une attestation électronique ait été délivrée conformément à l'article 143. "
Art. 21. In dezelfde wet wordt artikel 162 vervangen als volgt :
  " Art. 162. Indien een pensioeninstelling van de overheidssector een te hoog pensioenbedrag uitbetaalt omdat de werkgever bij het vervullen van de in dit hoofdstuk voorgeschreven verplichtingen de pensioenwetgeving of de in de gebruikte toepassingen weergegeven instructies en glossaria niet heeft nageleefd, vordert hij het gedeelte van de schuld dat hij niet van de sociaal verzekerde kan terugvorderen, terug van de werkgever. "
Art. 21. L'article 162 de la même loi est remplacé comme suit :
  " Art. 162. Si une institution de pension du secteur public paie un montant de pension trop élevé parce que l'employeur, lors de l'accomplissement des obligations prévues par le présent chapitre, n'a pas respecté la législation relative aux pensions ou les instructions et glossaires repris dans les applications utilisées, elle récupère auprès de l'employeur la partie de la dette qui ne peut plus être recouvrée auprès de l'assuré social. "
Art. 22. In titel 13, enig hoofdstuk, afdeling 7, van dezelfde wet, wordt een artikel 162/1 ingevoegd, luidende :
  " Art. 162/1. Indien een persoon door zijn werkgever in disponibiliteit of verlof voorafgaand aan de oppensioenstelling is geplaatst op basis van een beslissing van de PDOS waarin de datum wordt bepaald vanaf welke deze persoon de voorwaarden inzake leeftijd en duur van de diensten zal vervullen om op pensioen gesteld te worden overeenkomstig artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, kan het pensioen, in ieder geval, ingaan vanaf die datum.
  Indien bij het verstrijken van de periode van disponibiliteit of verlof voorafgaand aan de oppensioenstelling blijkt dat de voorwaarden inzake leeftijd en duur van de diensten niet vervuld zijn, vallen de pensioenbedragen ten laste van de Staatskas tot op het ogenblik waarop deze voorwaarden vervuld zijn. Indien de in het eerste lid bedoelde beslissing gebaseerd was op onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt door de werkgever, vordert de PDOS die pensioenbedragen terug van de werkgever. "
Art. 22. Dans le titre 13, chapitre unique, section 7 de la même loi, il est inséré un article 162/1 rédigé comme suit :
  " Art. 162/1. Lorsque une personne a été placée en disponibilité ou en congé préalable à la mise à la retraite par son employeur sur la base d'une décision du SdPSP dans laquelle la date est fixée à partir de laquelle cette personne réunira les conditions d'âge et de durée de services pour être mis à la retraite conformément à l'article 46 de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, la pension peut, en tout cas, prendre cours à partir de cette date.
  Si à l'expiration de la période de disponibilité ou de congé préalable à la mise à la retraite il apparaît que les conditions relatives à l'âge et à la durée des services ne sont pas remplies, les arrérages de pension sont supportés par le Trésor public jusqu'au moment où ces conditions sont remplies. Toutefois, si la décision visée à l'alinéa premier est basée sur des données inexactes ou incomplètes fournies par l'employeur, le SdPSP récupère ces arrérages de pension auprès de l'employeur. "
HOOFDSTUK 7. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 7. - Entrée en vigueur
Art. 23. Deze wet heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2012.
  In afwijking van het eerste lid :
  1° heeft artikel 19 uitwerking met ingang van 1 januari 2011;
  2° heeft artikel 17 uitwerking met ingang van 9 januari 2012;
  3° treedt hoofdstuk 2 in werking op 1 januari 2013;
  4° treden de artikelen 8, 18, 21 en 22 in werking op de eerste dag van de maand die volgt op deze waarin deze wet wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Art. 23. La présente loi produit ses effets le 1er janvier 2012.
  Par dérogation à l'alinéa 1er :
  1° l'article 19 produit ses effets le 1er janvier 2011;
  2° l'article 17 produit ses effets le 9 janvier 2012;
  3° le chapitre 2 entre en vigueur le 1er janvier 2013;
  4° les articles 8, 18, 21 et 22 entrent en vigueur le premier jour du mois qui suit celui de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
  Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
  Gegeven te Brussel, 13 december 2012.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Pensioenen,
  A. DE CROO
  Met 's Lands zegel gezegeld :
  De Minister van Justitie,
  Mevr. A. TURTELBOOM
  Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soi revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
  Donné à Bruxelles, le 13 décembre 2012.
  ALBERT
  Par le Roi :
  Le Ministre des Pensions,
  A. DE CROO
  Scellé du sceau de l'Etat :
  La Ministre de la Justice,
  Mme A. TURTELBOOM