Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
27 NOVEMBER 2012. - Wet tot wijziging van de wet van 21 december 2009 betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssystemen, en van andere wetgeving die betrekking heeft op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld en van de kredietverenigingen uit het net van het Beroepskrediet
Titre
27 NOVEMBRE 2012. - Loi modifiant la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement et à l'accès aux systèmes de paiement et d'autres législations dans la mesure où elles sont relatives au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique et des associations de crédit du réseau du Crédit professionnel
Documentinformatie
Numac: 2012003357
Datum: 2012-11-27
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2012003357
Date: 2012-11-27
Moniteur: Voir
Tekst (149)
Texte (149)
TITEL 1. - Algemene bepalingen
TITRE 1er. - Dispositions générales
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
Art. 2. Deze wet voorziet in de omzetting van Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG.
Art. 2. La présente loi transpose la Directive 2009/110/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 concernant l'accès à l'activité des établissements de monnaie électronique et son exercice ainsi que la surveillance prudentielle de ces établissements, modifiant les Directives 2005/60/CE et 2006/48/CE et abrogeant la Directive 2000/46/CE.
TITEL 2. - Wijzigingen in de wet van 21 december 2009 betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssystemen
TITRE 2. - Modifications de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement et à l'accès aux systèmes de paiement
Art. 3. Het opschrift van de wet van 21 december 2009 betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssystemen, gewijzigd door de wet van 28 juli 2011 tot omzetting van diverse richtlijnen betreffende het toezicht op de financiële sector en houdende diverse bepalingen en door het koninklijk besluit van 3 maart 2011 betreffende de evolutie van de toezichtsarchitectuur voor de financiële sector, wordt vervangen als volgt :
  " Wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen ".
Art. 3. L'intitulé de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement et à l'accès aux systèmes de paiement, modifiée par la loi du 28 juillet 2011 et par l'arrêté royal du 3 mars 2011, est remplacé par ce qui suit :
  " Loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement, à l'activité d'émission de monnaie électronique et à l'accès aux systèmes de paiement. "
Art. 4. In dezelfde wet wordt het opschrift van Titel 1 vervangen als volgt :
  " BOEK 1. - Doel. - Toepassingsgebied. - Definities ".
Art. 4. Dans la même loi, l'intitulé du Titre 1er est remplacé par ce qui suit :
  " LIVRE 1er. - Objet. - Champ d'application. - Définitions ".
Art. 5. In artikel 2 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden " Deze wet " vervangen door de woorden " Boek 2 van deze wet ";
  2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " Boek 3 van deze wet voorziet in de omzetting van Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG. "
Art. 5. Dans l'article 2 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots " La présente loi " sont remplacés par les mots " Le Livre 2 de la présente loi ";
  2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Le Livre 3 de la présente loi transpose la Directive 2009/110/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 concernant l'accès à l'activité des établissements de monnaie électronique et son exercice ainsi que la surveillance prudentielle de ces établissements, modifiant les Directives 2005/60/CE et 2006/48/CE et abrogeant la directive 2000/46/CE. "
Art. 6. In artikel 3 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden " Deze wet " vervangen door de woorden " Boek 2 van deze wet ";
  2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " Boek 3 van deze wet regelt de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, het statuut van instelling voor elektronisch geld, alsook het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen. "
Art. 6. Dans l'article 3 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots " La présente loi " sont remplacés par les mots " Le Livre 2 de la présente loi ";
  2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Le Livre 3 de la présente loi règle l'activité d'émission de monnaie électronique, le statut des établissements de monnaie électronique, ainsi que le contrôle du respect des dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution. "
Art. 7. In artikel 4 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) het 11° worden de woorden " in de zin van artikel 3, § 1, 7°, van de bankwet " vervangen door de woorden " in de zin van artikel 4, 33° ";
  b) het artikel wordt aangevuld met de bepalingen onder 29° tot 37°, luidende :
  " 29° Richtlijn 2009/110/EG : Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG;
  30° wet van 10 december 2009 : de wet van 10 december 2009 betreffende de betalingsdiensten;
  31° instelling voor elektronisch geld : een uitgever van elektronisch geld als bedoeld in Boek 3, Titel 2;
  32° uitgevers van elektronisch geld : de instellingen en andere entiteiten bedoeld in artikel 59, waarvan de werkzaamheden bestaan in het uitgeven van elektronisch geld, en de rechtspersonen die vrijgesteld zijn op grond van artikel 105;
  33° elektronisch geld : een elektronische, met inbegrip van magnetische, opgeslagen monetaire waarde vertegenwoordigd door een vordering op de uitgever, die is uitgegeven in ruil voor ontvangen geld om betalingstransacties te verrichten in de zin van artikel 4, 2°, van deze wet, en die wordt aanvaard door een andere natuurlijke of rechtspersoon dan de uitgever van elektronisch geld;
  34° houder van elektronisch geld : een natuurlijke of rechtspersoon die geld overhandigt aan een uitgever van elektronisch geld in ruil voor de uitgifte van elektronisch geld door die uitgever;
  35° gemiddeld uitstaand elektronisch geld : het gemiddelde totale bedrag van de met elektronisch geld verband houdende financiële verplichtingen dat op het einde van elke kalenderdag in omloop is gedurende de zes voorafgaande kalendermaanden, berekend op de eerste kalenderdag van elke kalendermaand en toegepast voor die kalendermaand;
  36° distributeur : een natuurlijke of rechtspersoon die voor rekening van een instelling voor elektronisch geld elektronisch geld overmaakt en/of terugbetaalt overeenkomstig artikel 76;
  37° FSMA : de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten bedoeld in artikel 44 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. ";
  38° werkdag : een dag zoals omschreven in artikel 2, 17° van de wet van 10 december 2009. Als uitzondering hierop, betekent het begrip werkdag in het kader van de artikel 39, eerste alinea en 91, elke dag van maandag tot en met vrijdag ".
Art. 7. Dans l'article 4 de la même loi, modifié par l'arrêté royal du 3 mars 2011, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans le 11°, les mots " au sens de l'article 3, § 1er, 7° de la loi bancaire " sont remplacés par les mots " au sens de l'article 4, 33° ";
  b) l'article est complété par les 29° à 37° rédigés comme suit :
  " 29° Directive 2009/110/CE : la Directive 2009/110/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 concernant l'accès à l'activité des établissements de monnaie électronique et son exercice ainsi que la surveillance prudentielle de ces établissements, modifiant les Directives 2005/60/CE et 2006/48/CE et abrogeant la directive 2000/46/CE;
  30° loi du 10 décembre 2009 : la loi du 10 décembre 2009 relative aux services de paiement;
  31° établissement de monnaie électronique : un émetteur de monnaie électronique visé au Livre 3, Titre 2;
  32° émetteurs de monnaie électronique : les établissements et autres entités visés à l'article 59, dont l'activité consiste à émettre de la monnaie électronique, ainsi que les personnes morales qui bénéficient d'une exemption au titre de l'article 105;
  33° monnaie électronique : une valeur monétaire qui est stockée sous une forme électronique, y compris magnétique, représentant une créance sur l'émetteur, qui est émise contre la remise de fonds aux fins d'opérations de paiement au sens de l'article 4, 2° de la présente loi et qui est acceptée par une personne physique ou morale autre que l'émetteur de monnaie électronique;
  34° détenteur de monnaie électronique : une personne physique ou morale qui remet des fonds à un émetteur de monnaie électronique en échange de l'émission de monnaie électronique par cet émetteur;
  35° moyenne de la monnaie électronique en circulation : la moyenne du montant total des engagements financiers liés à la monnaie électronique émise à la fin de chaque jour calendaire pour les six mois calendaires précédents, calculée sur le premier jour calendaire de chaque mois calendaire et appliquée pour le mois calendaire en question;
  36° distributeur : une personne physique ou morale qui distribue et/ou rembourse de la monnaie électronique pour le compte d'un établissement de monnaie électronique conformément à l'article 76;
  37° FSMA : l'Autorité des services et marchés financiers visée à l'article 44 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers. ";
  38° jour ouvrable : un jour tel que défini à l'article 2, 17° de la loi du 10 décembre 2009. Par exception, pour les besoins des articles 39, alinéa 1er et 91, la notion de jour ouvrable vise toute journée du lundi au vendredi inclus. "
Art. 8. In dezelfde wet wordt een Boek 2 ingevoegd, dat de artikelen 5 tot 58 bevat, luidende " BOEK 2. - Statuut van de betalingsinstellingen, toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en toegang tot betalingssystemen ".
Art. 8. Dans la même loi, il est inséré un Livre 2, comportant les articles 5 à 58, intitulé " Livre 2. - Statut des établissements de paiement et accès à l'activité de prestataire de services de paiement et aux systèmes de paiement ".
Art. 9. In Boek 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 8 van deze wet, wordt een Titel 1 ingevoegd, die artikel 5 bevat, luidende " TITEL 1. - Betalingsdienstaanbieders ".
Art. 9. Dans le Livre 2 de la même loi, inséré par l'article 8 de la présente loi, il est inséré un Titre 1er, comportant l'article 5, intitulé " TITRE 1er. - Prestataires de services de paiement "
Art. 10. Artikel 5 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 mart 2011 en bij de wet van 28 juli 2011, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 5. Onverminderd de bepalingen betreffende hun statuut, mogen alleen de hiernavolgende instellingen of overheden betalingsdiensten aanbieden in België :
  1° kredietinstellingen naar Belgisch recht, kredietinstellingen die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de EER, die gemachtigd zijn om in hun land van herkomst betalingsdiensten aan te bieden en die in België werkzaam zijn op grond van de artikelen 65 of 66 van de bankwet, en bijkantoren van kredietinstellingen die ressorteren onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, die in België zijn gevestigd overeenkomstig artikel 79 van de bankwet;
  2° instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht, instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de EER en die in België werkzaam zijn op grond van artikel 91 van deze wet, en, voor de betalingsdiensten die voor hun activiteit van uitgifte van elektronisch geld vereist zijn, bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, die in België zijn gevestigd met toepassing van Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3;
  3° de naamloze vennootschap van publiek recht bpost;
  4° de Nationale Bank van België en de Europese Centrale Bank, wanneer zij niet handelen in hun hoedanigheid van monetaire of andere publieke autoriteit;
  5° de Belgische federale, gewestelijke en lokale overheden en de overheden van de gemeenschappen in België, wanneer zij niet handelen in hun hoedanigheid van publieke autoriteit;
  6° de betalingsinstellingen bedoeld in Titel 2, met inbegrip van de rechtspersonen die geheel of gedeeltelijk zijn vrijgesteld op grond van artikel 48. ".
Art. 10. L'article 5 de la même loi, modifié par l'arrêté royal du 3 mars 2011 et par la loi du 28 juillet 2011, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 5. Sans préjudice des dispositions régissant le statut des établissements ou autorités énoncés ci-après, seuls sont autorisés à fournir des services de paiement en Belgique :
  1° les établissements de crédit de droit belge, les établissements de crédit relevant du droit d'un autre Etat membre de l'EEE, habilités à fournir des services de paiement dans leur Etat d'origine, et opérant en Belgique en vertu des articles 65 ou 66 de la loi bancaire, ainsi que les succursales d'établissements de crédit relevant du droit d'un Etat non membre de l'EEE, établies en Belgique conformément à l'article 79 de la loi bancaire;
  2° les établissements de monnaie électronique de droit belge, les établissements de monnaie électronique relevant du droit d'un autre Etat membre de l'EEE et opérant en Belgique en vertu de l'article 91, ainsi que, pour les services de paiement nécessaires à leur activité d'émission de monnaie électronique, les succursales d'établissements de monnaie électronique relevant du droit d'un Etat non membre de l'EEE, établies en Belgique en application du Livre 3, Titre 2, Chapitre 3;
  3° la société anonyme de droit public bpost;
  4° la Banque Nationale de Belgique et la Banque centrale européenne, lorsqu'elles n'agissent pas en qualité d'autorité monétaire ou autre autorité publique;
  5° les autorités fédérales, régionales, communautaires et locales belges, lorsqu'elles n'agissent pas en qualité d'autorité publique;
  6° les établissements de paiement visés au Titre 2, en ce compris les personnes morales bénéficiant d'une exemption, totale ou partielle, conformément à l'article 48. ".
Art. 11. In artikel 6 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
  " Iedere rechtspersoon naar Belgisch recht die in België betalingsdiensten wil aanbieden als betalingsinstelling, moet, vooraleer zij haar werkzaamheden aanvat, een vergunning verkrijgen van de Bank, ongeacht de overige plaatsen waar zij haar werkzaamheden uitoefent. ";
  2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " In België mogen alleen betalingsinstellingen die in België zijn gevestigd en betalingsinstellingen die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de EER en die in België werkzaam zijn in het kader van het vrij verrichten van diensten op grond van artikel 39, publiekelijk gebruik maken van de termen " betalingsinstelling ", inzonderheid in hun naam, in de opgave van hun doel, in hun effecten, waarden, stukken of in hun reclame. "
Art. 11. Dans l'article 6 de la même loi, modifié par l'arrêté royal du 3 mars 2011, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Toute personne morale de droit belge qui entend fournir des services de paiement en Belgique en qualité d'établissement de paiement, est tenue, avant de commencer ses opérations, de se faire agréer auprès de la Banque, quels que soient les autres lieux d'exercice de ses activités. ";
  2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Seuls les établissements de paiement établis en Belgique et les établissements de paiement relevant du droit d'un autre Etat membre de l'EEE opérant en Belgique sous le régime de la libre prestation de services en vertu de l'article 39 sont autorisés à faire usage public en Belgique des termes " établissement de paiement ", notamment dans leur dénomination sociale, dans la désignation de leur objet social, dans leurs titres, effets ou documents ou dans leur publicité. "
Art. 12. In artikel 7 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het 4° worden de woorden " voor de betalingsinstellingen die naast betalingsdiensten andere werkzaamheden verrichten in de zin van artikel 21, " geschrapt.
  2° de bepaling onder 12° wordt opgeheven.
Art. 12. Dans l'article 7 de la même loi, modifié par l'arrêté royal du 3 mars 2011, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le 4°, les mots " pour les établissements de paiement qui exercent, en sus des services de paiement, d'autres activités au sens de l'article 21, " sont abrogés.
  2° le 12° est abrogé.
Art. 13. In artikel 8, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de woorden " , en voor zover zij over de gehele lijn tot een positief oordeel komt " geschrapt.
Art. 13. Dans l'article 8, alinéa 1er de la même loi, modifié par l'arrêté royal du 3 mars 2011, les mots " , pour autant qu'elle parvienne à une évaluation globalement favorable " sont abrogés.
Art. 14. In artikel 11, tweede lid van dezelfde wet wordt het woord " cumulatief " geschrapt.
Art. 14. Dans l'article 11, alinéa 2 de la même loi, le mot " cumulatives " est abrogé.
Art. 15. In artikel 14 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 3 wordt tussen het derde en het vierde lid een lid ingevoegd, luidende :
  " Zij neemt de nodige maatregelen om blijvend te kunnen beschikken over een passende onafhankelijke compliancefunctie, om de naleving door de instelling, haar bestuurders, effectieve leiding, werknemers en gevolmachtigden te verzekeren van de rechtsregels in verband met de integriteit van de werkzaamheden van de betalingsinstellingen. ";
  2° in § 4 worden de woorden " en een passende risicobeheerfunctie " vervangen door de woorden " , een passende risicobeheerfunctie en een passende onafhankelijke compliancefunctie ";
  3° In § 5, eerste lid, worden de woorden " bij de §§ 1, 2 en 3 " vervangen door de woorden " bij de §§ 1, 2 en 3 en artikel 23, eerste lid, f) ";
  4° In § 5, tweede lid, worden de woorden " bij de §§ 1, 2 en 3 en het eerste lid van deze paragraaf " vervangen door de woorden " bij de §§ 1, 2 en 3 van dit artikel , het eerste lid van deze paragraaf en artikel 23, eerste lid, f) ";
  5° in § 5, tweede lid en in § 6 woorden de woorden " , in voorkomend geval via het auditcomité, " opgeheven.
Art. 15. Dans l'article 14 de la même loi, modifié par l'arrêté royal du 3 mars 2011, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le § 3, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 3 et 4 :
  " Ils prennent les mesures nécessaires pour pouvoir disposer en permanence d'une fonction de compliance indépendante adéquate, destinée à assurer le respect, par l'établissement, ses administrateurs, ses dirigeants effectifs, ses salariés et ses mandataires, des règles de droit relatives à l'intégrité de l'activité des établissements de paiement. ";
  2° dans le § 4, les mots " et fonction de gestion des risques adéquate " sont remplacés par les mots " , fonction de gestion des risques adéquate et fonction de compliance indépendante adéquate ";
  3° dans le § 5, alinéa 1, les mots " des §§ 1er, 2 et 3 " sont remplacés par les mots " des §§ 1er, 2 et 3 et de l'article 23, alinéa 1er, f) ";
  4° dans le § 5, alinéa 2, les mots " des §§ 1er, 2 et 3 et de l'alinéa 1er du présent paragraphe " sont remplacés par les mots " des §§ 1er, 2 et 3 du présent article , de l'alinéa 1er du présent paragraphe et de l'article 23, alinéa 1er, f) ";
  5° dans le § 5, alinéa 2 et dans le § 6, les mots " , le cas échéant par l'intermédiaire du comité d'audit, " sont chaque fois abrogés.
Art. 16. In artikel 21 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 1 wordt vervangen als volgt :
  " Betalingsinstellingen mogen andere werkzaamheden dan betalingsdiensten verrichten, mits hiervoor voorafgaandelijk toestemming is verleend door de Bank.
  Indien de Bank erin toestemt dat een betalingsinstelling andere werkzaamheden dan betalingsdiensten verricht, kan zij, onverminderd artikel 25, laatste lid en gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid en een passende risicobeheersing door de betalingsinstelling of op de vereiste van een passend prudentieel toezicht op deze instelling, de uitoefening van andere werkzaamheden dan betalingsdiensten of de in § 2 bedoelde werkzaamheden aan aanvullende voorwaarden onderwerpen.
  Bovendien kan de Bank eisen dat het betalingsdienstenbedrijf ondergebracht wordt in een afzonderlijke juridische entiteit, afgescheiden van deze die andere werkzaamheden uitoefent. "
  2° in de Nederlandse versie van § 2, 2°, worden de woorden " het exploiteren van betalingssystemen " vervangen door de woorden " het beheer van betalingssystemen ";
  3° in § 4, tweede lid en in § 5 worden de woorden " in de zin van artikel 3, 7°, van de bankwet" telkens opgeheven;
  4° in de Franse versie van § 6, eerste lid, worden de woorden " sauf autorisation de " vervangen door de woorden " sauf autorisation préalable de ";
  5° in § 6, tweede lid, worden de woorden " en exploiteren van betalingsystemen" vervangen door de woorden " en het beheer van betalingssystemen".
Art. 16. Dans l'article 21 de la même loi, modifié par l'arrêté royal du 3 mars 2011, les modifications suivantes sont apportées :
  1° Le § 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Les établissements de paiement sont habilités à exercer des activités autres que les services de paiement, moyennant l'autorisation préalable de la Banque.
  Sans préjudice de l'article 25, dernier alinéa, si la Banque autorise un établissement de paiement à exécuter des activités autres que des services de paiement, elle peut, en vue d'une gestion saine et prudente et d'une maîtrise des risques appropriée par l'établissement de paiement, ou pour les besoins d'un contrôle prudentiel adapté dudit établissement, subordonner à certaines conditions complémentaires l'exercice d'activités autres que les services de paiement ou les activités visées au § 2.
  En outre, la Banque peut exiger que l'exercice des services de paiement soit logée dans une entité juridique distincte de l'entité exerçant d'autres activités. ";
  2° dans la version néerlandaise, au § 2, 2°, les mots " het exploiteren van betalingssystemen " sont remplacés par les mots " het beheer van betalingssystemen ";
  3° dans le § 4, alinéa 2, et dans le § 5, les mots " au sens de l'article 3, 7°, de la loi bancaire " sont chaque fois abrogés;
  4° dans le § 6, alinéa 1, les mots " sauf autorisation de " sont remplacés par les mots " sauf autorisation préalable de ";
  5° dans le § 6, alinéa 2, les mots " et d'exploitation de systèmes de paiement " sont remplacés par les mots " et de gestion de systèmes de paiement ".
Art. 17. In artikel 22 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, eerste lid, worden de woorden " Wanneer een betalingsinstelling andere werkzaamheden verricht dan betalingsdiensten en de bij artikel 21, § 2, 1°, bedoelde diensten, dienen de geldmiddelen die zij van betalingsdienstgebruikers rechtstreeks of via andere betalingsdienstaanbieders voor de uitvoering van betalingstransacties ontvangt " vervangen door de woorden " De geldmiddelen die een betalingsinstelling rechtstreeks of via andere betalingsdienstaanbieders van betalingsdienstgebruikers ontvangt voor de uitvoering van betalingstransacties, dienen ";
  2° in § 1, eerste lid, c), worden de woorden " voor een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat afgescheiden zou zijn bij afwezigheid van een verzekering, garantie of waarborg " vervangen door de woorden " voor een bedrag dat besteed geweest zou zijn met toepassing van punt b) ".
  3° Het artikel wordt aangevuld met een § 4, luidende :
  " § 4. Onverminderd de bevoegdheden van het wettelijke bestuursorgaan inzake vaststelling van het algemeen beleid als bepaald bij het Wetboek van Vennootschappen, nemen de personen belast met de effectieve leiding van de betalingsinstelling, in voorkomend geval het directiecomité, onder toezicht van het wettelijke bestuursorgaan de nodige maatregelen voor de naleving van het bepaalde bij de §§ 1 en 2.
  Het wettelijke bestuursorgaan van de betalingsinstelling dient minstens jaarlijks te controleren of de instelling beantwoordt aan het bepaalde bij de §§ 1 en 2 en het eerste lid van deze paragraaf, en neemt kennis van de genomen passende maatregelen.
  De personen belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, lichten minstens jaarlijks het wettelijke bestuursorgaan, de Bank en de erkende commissaris in over de naleving van het bepaalde bij het eerste lid van deze paragraaf en over de genomen passende maatregelen.
  De informatieverstrekking aan de Bank en de erkende commissaris gebeurt volgens de modaliteiten die de Bank bepaalt. "
Art. 17. Dans l'article 22 de la même loi, modifié par l'arrêté royal du 3 mars 2011, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le § 1er, alinéa 1er, les mots " Lorsqu'un établissement de paiement exerce des activités autres que les services de paiement et les services visés à l'article 21, § 2, 1°, les fonds qui ont été reçus " sont remplacés par les mots " Les fonds reçus par un établissement de paiement ";
  2° dans le § 1er, alinéa 1er, c), les mots " pour un montant qui est égal au montant qui serait aliéné en l'absence d'une assurance, d'une garantie ou d'une caution ", sont remplacés par les mots " pour un montant qui aurait été affecté en application du point b) ".
  3° l'article est complété par un § 4 rédigé comme suit :
  " § 4. Sans préjudice des pouvoirs dévolus à l'organe légal d'administration en ce qui concerne la détermination de la politique générale, tels que prévus par le Code des sociétés, les personnes chargées de la direction effective de l'établissement de paiement, le cas échéant le comité de direction, prennent, sous la surveillance de l'organe légal d'administration, les mesures nécessaires pour assurer le respect des §§ 1er et 2.
  L'organe légal d'administration de l'établissement de paiement doit contrôler au moins une fois par an si l'établissement se conforme aux dispositions des §§ 1er et 2 et de l'alinéa 1er du présent paragraphe, et prend connaissance des mesures adéquates prises.
  Les personnes chargées de la direction effective, le cas échéant le comité de direction, font rapport au moins une fois par an à l'organe légal d'administration, à la Banque et au commissaire agréé sur le respect des dispositions de l'alinéa 1er du présent paragraphe et sur les mesures adéquates prises.
  Ces informations sont transmises à la Banque et au commissaire agréé selon les modalités que la Banque détermine. "
Art. 18. In artikel 28, vierde lid van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de woorden " in de artikelen 144 en 148 van het Wetboek van vennootschappen ", vervangen door de woorden " in artikel 33, eerste lid, 2° ".
Art. 18. A l'article 28, alinéa 4 de la même loi, modifié par l'arrêté royal du 3 mars 2011, les mots " aux articles 144 et 148 du Code des sociétés " sont remplacés par les mots " à l'article 33, alinéa 1er, 2° ".
Art. 19. In artikel 33, eerste lid, 1° van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 28 juli 2011, worden de woorden " overeenkomstig artikel 14, § 3, eerste lid " vervangen door de woorden " overeenkomstig de artikelen 14, § 3, eerste lid en 23, eerste lid, f) ".
Art. 19. A l'article 33, alinéa 1er, 1° de la même loi, tel que remplacé par la loi du 28 juillet 2011, les mots " conformément à l'article 14, § 3, alinéa 1er " sont remplacés par les mots " conformément aux articles 14, § 3, alinéa 1er et 23, alinéa 1er, f) ".
Art. 20. In artikel 35 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) § 1 wordt vervangen als volgt :
  " § 1. Wanneer de Bank vaststelt dat een betalingsinstelling niet werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, dat haar beleid of financiële positie de goede afloop van haar verbintenissen in het gedrang dreigt te brengen of niet voldoende waarborgen biedt voor haar solvabiliteit, liquiditeit of rendabiliteit, dat haar beleidsstructuren, haar administratieve of boekhoudkundige organisatie, haar agenten- of bijkantorennet, of haar interne controle ernstige leemten vertoont, of dat de voortzetting van haar bedrijf een bedreiging vormt voor de stabiliteit van het betalingssysteem, stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen.
  Indien de toestand na deze termijn niet is verholpen, kan de Bank :
  1° een speciaal commissaris aanstellen.
  In dit geval is voor alle handelingen en beslissingen van alle organen van de instelling, inclusief de algemene vergadering, alsook voor die van de personen die instaan voor het beleid, zijn schriftelijke, algemene of bijzondere toestemming vereist; de Bank kan de verrichtingen waarvoor een toestemming is vereist evenwel beperken.
  De speciaal commissaris mag elk voorstel dat hij nuttig acht, voorleggen aan alle organen van de instelling, inclusief de algemene vergadering. De bezoldiging van de speciaal commissaris wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de instelling.
  De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de personen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen zonder de vereiste toestemming van de speciaal commissaris, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voor de instelling of voor derden voortvloeit.
  Indien de Bank de aanstelling van een speciaal commissaris in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, met opgave van de handelingen en beslissingen waarvoor zijn toestemming is vereist, zijn alle handelingen en beslissingen zonder deze vereiste toestemming nietig, tenzij de speciaal commissaris die bekrachtigt. Onder dezelfde voorwaarden zijn alle beslissingen van de algemene vergadering zonder de vereiste toestemming van de speciaal commissaris nietig, tenzij hij die bekrachtigt.
  De Bank kan een plaatsvervangend commissaris aanstellen.
  2° voor de termijn die zij bepaalt, de rechtstreekse of onrechtstreekse uitoefening van het bedrijf van de betalingsinstelling geheel of ten dele schorsen dan wel verbieden; deze schorsing kan, in de door de Bank bepaalde mate, de volledige of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de lopende overeenkomsten tot gevolg hebben.
  De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de personen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen ondanks de schorsing, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voor de betalingsinstelling of voor derden voortvloeit.
  Indien de Bank de schorsing in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, zijn alle hiermee strijdige handelingen en beslissingen nietig.
  De Bank kan een betalingsinstelling tevens gelasten deelnemingen over te dragen die zij in voorkomend geval bezit overeenkomstig artikel 21, § 6;
  3° inzake solvabiliteit, strengere vereisten opleggen dan deze bedoeld in artikel 17;
  4° de vervanging gelasten van bestuurders of zaakvoerders van de betalingsinstelling binnen een termijn die zij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen vervanging geschiedt, in de plaats van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de instelling een of meer voorlopige bestuurders of zaakvoerders aanstellen die alleen of collegiaal, naargelang van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen personen. De Bank maakt haar beslissing bekend in het Belgisch Staatsblad.
  De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de betalingsinstelling.
  De Bank kan op elk tijdstip de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of vennoten, wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet meer de nodige waarborgen biedt;
  5° de vergunning herroepen. De Bank maakt alle beslissingen tot herroeping van een vergunning bekend op haar website.
  Bij uiterste hoogdringendheid kan de Bank de in deze paragraaf bedoelde maatregelen nemen zonder dat vooraf een hersteltermijn wordt vastgesteld. "
  b) in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden " § 1, eerste en tweede lid, 1° " vervangen door de woorden " § 1, eerste lid en tweede lid, 2° ".
Art. 20. Dans l'article 35 de la même loi, modifié par l'arrêté royal du 3 mars 2011, les modifications suivantes sont apportées :
  a) le § 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Lorsque la Banque constate qu'un établissement de paiement ne fonctionne pas en conformité avec les dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, que sa gestion ou sa situation financière sont de nature à mettre en cause la bonne fin de ses engagements ou n'offrent pas des garanties suffisantes sur le plan de sa solvabilité, de sa liquidité ou de sa rentabilité, que ses structures de gestion, son organisation administrative ou comptable, son réseau d'agents ou de succursales, ou son contrôle interne présentent des lacunes graves, ou que la poursuite de ses activités représente une menace pour la stabilité du système de paiement, elle fixe le délai dans lequel il doit être remédié à la situation constatée.
  Si, au terme de ce délai, il n'a pas été remédié à la situation, la Banque peut :
  1° désigner un commissaire spécial.
  Dans ce cas, l'autorisation écrite, générale ou spéciale de celui-ci est requise pour tous les actes et décisions de tous les organes de l'établissement, y compris l'assemblée générale, et pour ceux des personnes chargées de la gestion; la Banque peut toutefois limiter le champ des opérations soumises à autorisation.
  Le commissaire spécial peut soumettre à la délibération de tous les organes de l'établissement, y compris l'assemblée générale, toutes propositions qu'il juge opportunes. La rémunération du commissaire spécial est fixée par la Banque et supportée par l'établissement.
  Les membres des organes d'administration et de gestion et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent des actes ou prennent des décisions sans avoir recueilli l'autorisation requise du commissaire spécial sont responsables solidairement du préjudice qui en est résulté pour l'établissement ou les tiers.
  Si la Banque a publié au Moniteur belge la désignation du commissaire spécial et spécifié les actes et décisions soumis à son autorisation, les actes et décisions intervenus sans cette autorisation alors qu'elle était requise sont nuls, à moins que le commissaire spécial ne les ratifie. Dans les mêmes conditions toute décision d'assemblée générale prise sans avoir recueilli l'autorisation requise du commissaire spécial est nulle, à moins que le commissaire spécial ne la ratifie.
  La Banque peut désigner un commissaire suppléant.
  2° suspendre pour la durée qu'elle détermine l'exercice direct ou indirect de tout ou partie de l'activité de l'établissement de paiement ou interdire cet exercice; cette suspension peut, dans la mesure déterminée par la Banque, impliquer la suspension totale ou partielle de l'exécution des contrats en cours.
  Les membres des organes d'administration et de gestion et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent des actes ou prennent des décisions en violation de la suspension sont responsables solidairement du préjudice qui en est résulté pour l'établissement de paiement ou les tiers.
  Si la Banque a publié la suspension au Moniteur belge, les actes et décisions intervenus à l'encontre de celle-ci sont nuls.
  La Banque peut, de même, enjoindre à un établissement de paiement de céder des participations qu'il détient, le cas échéant, conformément à l'article 21, § 6;
  3° imposer, en matière de solvabilité, des exigences plus strictes que celles visées à l'article 17;
  4° enjoindre le remplacement des administrateurs ou gérants de l'établissement de paiement dans un délai qu'elle détermine et, à défaut d'un tel remplacement dans ce délai, substituer à l'ensemble des organes d'administration et de gestion de l'établissement un ou plusieurs administrateurs ou gérants provisoires qui disposent, seuls ou collégialement selon le cas, des pouvoirs des personnes remplacées. La Banque publie sa décision au Moniteur belge.
  La rémunération du ou des administrateurs ou gérants provisoires est fixée par la Banque et supportée par l'établissement de paiement.
  La Banque peut, à tout moment, remplacer le ou les administrateurs ou gérants provisoires, soit d'office, soit à la demande d'une majorité des actionnaires ou associés lorsqu'ils justifient que la gestion des intéressés ne présente plus les garanties nécessaires;
  5° révoquer l'agrément. La Banque rend publique, sur son site internet, toute décision de révocation d'un agrément.
  En cas d'extrême urgence, la Banque peut adopter les mesures visées au présent paragraphe sans qu'un délai de redressement ne soit préalablement fixé. "
  b) dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " § 1er, alinéas 1er et 2, 1° " sont remplacés par les mots " § 1er, alinéas 1er et 2, 2° ".
Art. 21. Artikel 40 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, wordt aangevuld met een § 2, luidende :
  " § 2. De leiders van het bijkantoor brengen minstens eenmaal per jaar verslag uit aan de Bank en aan de erkende revisor of de erkende revisorenvennootschap, over de deugdelijkheid van de interne controlemaatregelen die de bijkantoren hebben getroffen om zich te conformeren aan de bepalingen die krachtens § 1 van toepassing zijn. "
Art. 21. L'article 40 de la même loi, modifié par l'arrêté royal du 3 mars 2011, dont le texte actuel formera le § 1er, est complété par un § 2 rédigé comme suit :
  " § 2. Les dirigeants de la succursale font rapport au moins une fois par an à la Banque et au réviseur agréé ou à la société de réviseurs agréée sur l'adéquation des mesures de contrôle interne adoptées par les succursales en vue de se conformer aux dispositions applicables en vertu du § 1er. "
Art. 22. Artikel 48 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, wordt vervangen als volgt :
  " § 1. De Bank kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling verlenen van de toepassing van de bepalingen van dit Boek en zijn uitvoeringsbesluiten aan rechtspersonen :
  1° waarvoor geldt dat het gemiddelde van het totale bedrag aan betalingstransacties die zij of de agenten waarvoor zij volledig aansprakelijk zijn, in de voorafgaande twaalf maanden hebben verricht, niet hoger is dan 3.000.000 euro per maand. Dit criterium wordt beoordeeld op basis van het in het bedrijfsplan begrote totale bedrag aan betalingstransacties, rekening houdend met de eventuele aanpassingen in dit plan die de Bank heeft verlangd; en
  2° waarvoor geldt dat geen enkele van de met het beleid of de uitoefening van de werkzaamheden belaste natuurlijke personen veroordeeld is wegens strafbare feiten in verband met het witwassen van geld of terrorismefinanciering, of zoals bedoeld in artikel 19, § 1er, 1° en 2° van de bankwet.
  De Bank kan deze rechtspersonen niet vrijstellen van de toepassing van artikelen 21 en 22.
  § 2. De rechtspersonen bedoeld in § 1 die vrijgesteld zijn, worden ingeschreven in het register bedoeld in artikel 9. Artikel 9 is op deze rechtspersonen van overeenkomstige toepassing voor wat betreft de informatie die op de website van de Bank wordt verstrekt en de geregelde actualisering ervan. Onverminderd § 1, laatste lid, vermeldt de website dat deze rechtspersonen geheel of gedeeltelijk zijn vrijgesteld met toepassing van dit artikel .
  § 3. De rechtspersonen die vrijgesteld zijn op grond van § 1 :
  1° hebben hun hoofdkantoor in België en oefenen hun betalingsdienstactiviteiten daadwerkelijk op het Belgische grondgebied uit;
  2° komen niet in aanmerking voor de regeling inzake wederzijdse erkenning vastgesteld in artikel 39;
  3° stellen de Bank in kennis van elke verandering in hun situatie die relevant is voor de in § 1 gestelde voorwaarden en brengen periodiek verslag uit aan de Bank over het gemiddelde van het totale bedrag aan betalingstransacties die zij of de agenten waarvoor zij volledig aansprakelijk zijn, in de voorafgaande twaalf maanden hebben verricht. De Bank bepaalt de frequentie van deze rapportering;
  4° passen de bepalingen toe van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme die gelden voor betalingsinstellingen, en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen.
  § 4. De Koning kan bepalen dat een rechtspersoon die vrijgesteld is op grond van § 1, alleen sommige van de in artikel 21, §§ 1 tot 3 opgesomde werkzaamheden mag uitoefenen.
  § 5. Wanneer de in de §§ 1 en 3, 1° gestelde voorwaarden niet langer vervuld zijn, vragen de vrijgestelde rechtspersonen binnen dertig kalenderdagen een vergunning aan overeenkomstig artikel 6 en volgende.
  Voor de instellingen die binnen deze termijn geen vergunning hebben aangevraagd, is het overeenkomstig artikel 5 verboden om in België betalingsdiensten aan te bieden. ".
Art. 22. L'article 48 de la même loi, modifié par l'arrêté royal du 3 mars 2011, est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. La Banque peut exempter de l'application de tout ou partie des dispositions du présent Livre et de ses arrêtés d'exécution les personnes morales :
  1° dont le montant total moyen, pour les douze mois précédents, des opérations de paiement exécutées par elles, ou par tout agent dont elles assument l'entière responsabilité, ne dépasse pas 3.000.000 euros sur un mois. Ce critère est évalué par rapport au montant total prévu des opérations de paiement dans leur plan d'affaires, et sous réserve d'un éventuel ajustement de ce plan exigé par la Banque; et
  2° dont aucune des personnes physiques responsables de la gestion ou de l'exercice de l'activité n'a été condamnée pour des infractions liées au blanchiment de capitaux, au financement du terrorisme ou visées à l'article 19, § 1er, 1° et 2° de la loi bancaire.
  La Banque ne peut exempter ces personnes morales de l'application des articles 21 et 22.
  § 2. Les personnes morales visées au § 1er, qui sont exemptées, sont inscrites au registre visé à l'article 9. L'article 9 s'applique par analogie à ces personnes morales en ce qui concerne les informations fournies sur le site internet de la Banque et leur actualisation régulière. Sans préjudice du § 1er, dernier alinéa, le site internet mentionne que ces personnes morales bénéficient d'une exemption, totale ou partielle, en application du présent article .
  § 3. Les personnes morales bénéficiant d'une exemption accordée en vertu du § 1er :
  1° doivent avoir leur administration centrale en Belgique, et exercer effectivement leurs activités de services de paiement sur le territoire belge;
  2° ne bénéficient pas du régime de reconnaissance mutuelle prévu par l'article 39;
  3° informent la Banque de tout changement de leur situation ayant une incidence sur les conditions énoncées au § 1er et rendent compte périodiquement à la Banque, du montant total moyen, pour les douze mois précédents, des opérations de paiement exécutées par elles, ou par tout agent dont elles assument l'entière responsabilité. La Banque détermine la fréquence de ce rapport;
  4° appliquent les dispositions de la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme qui sont applicables aux établissements de paiement, et des arrêtés et règlements pris pour son exécution.
  § 4. Le Roi peut prévoir qu'une personne morale bénéficiant d'une exemption accordée en vertu du § 1er ne peut exercer que certaines des activités énumérées à l'article 21, §§ 1er à 3.
  § 5. Lorsque les conditions énoncées aux §§ 1er, et 3, 1° ne sont plus remplies, les personnes morales exemptées demandent l'agrément dans un délai de trente jours calendaires conformément aux articles 6 et suivants.
  Les établissements qui n'ont pas demandé l'agrément dans ce délai se voient interdire, conformément à l'article 5, de fournir des services de paiement en Belgique. ".
Art. 23. In artikel 51 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in het 2° worden de woorden " eerste en tweede lid, " geschrapt;
  b) in het 8° worden de woorden " overeenkomstig artikel 35, § 1, tweede lid, 1° " vervangen door de woorden " overeenkomstig artikel 35, § 1, tweede lid, 2° ".
Art. 23. Dans l'article 51 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans le 2°, les mots " , alinéas 1er et 2 " sont abrogés;
  b) dans le 8°, les mots " conformément à l'article 35, § 1er, alinéa 2, 1° " sont remplacés par les mots " conformément à l'article 35, § 1er, alinéa 2, 2° ".
Art. 24. In artikel 58 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de woorden " Deze wet " vervangen door de woorden " Dit Boek ".
Art. 24. Dans l'article 58 de la même loi, modifié par l'arrêté royal du 3 mars 2011, les mots " La présente loi " sont remplacés par les mots " Le présent Livre ".
Art. 25. In dezelfde wet wordt een Boek 3 ingevoegd, luidende " BOEK 3 - Toegang tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en statuut van de instellingen voor elektronisch geld ".
Art. 25. Dans la même loi, il est inséré un Livre 3, intitulé " LIVRE 3 - Accès à l'activité d'émission de monnaie électronique et statut des établissements de monnaie électronique ".
Art. 26. In Boek 3 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 25, wordt een Titel 1 ingevoegd, luidende " TITEL 1. - Uitgevers van elektronisch geld ".
Art. 26. Dans le Livre 3 de la même loi, inséré par l'article 25, il est inséré un Titre 1er, intitulé " TITRE 1er. - Emetteurs de monnaie électronique ".
Art. 27. In Boek 3, Titel 1 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 26, wordt een artikel 59 ingevoegd, luidende :
  " Art. 59. Onverminderd de bepalingen betreffende hun statuut, mogen alleen de hiernavolgende instellingen of overheden elektronisch geld uitgeven in België :
  1° kredietinstellingen naar Belgisch recht, kredietinstellingen die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de EER, die in hun land van herkomst elektronisch geld mogen uitgeven en die in België werkzaam zijn op grond van de artikelen 65 of 66 van de bankwet, en bijkantoren van kredietinstellingen die ressorteren onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, die in België zijn gevestigd overeenkomstig artikel 79 van de bankwet;
  2° instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht, instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de EER en die in België werkzaam zijn op grond van artikel 91, bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, die in België zijn gevestigd met toepassing van Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3, en rechtspersonen die zijn vrijgesteld op grond van artikel 105;
  3° de naamloze vennootschap van publiek recht bpost;
  4° de Bank en de Europese Centrale Bank, wanneer zij niet handelen in hun hoedanigheid van monetaire of andere publieke autoriteit;
  5° de Belgische federale, gewestelijke en lokale overheden en de overheden van de gemeenschappen in België, wanneer zij handelen in hun hoedanigheid van publieke autoriteit. ".
Art. 27. Dans le Livre 3, Titre 1er de la même loi, inséré par l'article 26, il est inséré un article 59 rédigé comme suit :
  " Art. 59. Sans préjudice des dispositions régissant le statut des établissements ou autorités énoncés ci-après, seuls peuvent exercer l'activité d'émission de monnaie électronique en Belgique :
  1° les établissements de crédit de droit belge, les établissements de crédit relevant du droit d'un autre Etat membre de l'EEE, autorisés à émettre de la monnaie électronique dans leur Etat d'origine et opérant en Belgique en vertu des articles 65 ou 66 de la loi bancaire, les succursales d'établissements de crédit relevant du droit d'un Etat non membre de l'EEE, établies en Belgique conformément à l'article 79 de la loi bancaire;
  2° les établissements de monnaie électronique de droit belge, les établissements de monnaie électronique relevant du droit d'un autre Etat membre de l'EEE et opérant en Belgique en vertu de l'article 91, les succursales d'établissements de monnaie électronique relevant du droit d'un Etat non membre de l'EEE, établies en Belgique en application du Livre 3, Titre 2, Chapitre 3, ainsi que les personnes morales bénéficiant d'une exemption, conformément à l'article 105;
  3° la société anonyme de droit public bpost;
  4° la Banque et la Banque centrale européenne, lorsqu'elles n'agissent pas en qualité d'autorité monétaire ou autre autorité publique;
  5° les autorités fédérales, régionales, communautaires et locales belges, lorsqu'elles agissent en qualité d'autorité publique. ".
Art. 28. In dezelfde Titel 1 wordt een artikel 60 ingevoegd, luidende :
  " Art. 60. § 1. Deze wet is niet van toepassing op de monetaire waarde die opgeslagen is op instrumenten die kunnen worden gebruikt om, louter in de door de uitgevende instelling gebruikte bedrijfsgebouwen of uit hoofde van een handelsovereenkomst met de uitgevende instelling, hetzij binnen een beperkt netwerk van dienstverleners hetzij voor een beperkte reeks goederen en diensten, goederen en diensten te verkrijgen.
  § 2. Deze wet is niet van toepassing op de monetaire waarde die gebruikt wordt om betalingstransacties te verrichten die worden uitgevoerd via een telecommunicatie-, digitaal of IT-instrument, wanneer de gekochte goederen of diensten geleverd worden aan, en gebruikt moeten worden via, een telecommunicatie-, digitaal of IT-instrument, mits de telecommunicatie-, digitale of IT-exploitant niet uitsluitend als tussenpersoon optreedt tussen de houder van elektronisch geld en de leverancier van de goederen en diensten. ".
Art. 28. Dans le même Titre 1er, il est inséré un article 60 rédigé comme suit :
  " Art. 60. § 1er. La présente loi ne s'applique pas à la valeur monétaire stockée sur des instruments qui ne peuvent être utilisés, pour l'acquisition de biens ou de services, que dans les locaux utilisés par l'émetteur ou, dans le cadre d'un accord commercial avec l'émetteur, à l'intérieur d'un réseau limité de prestataires de services ou pour un éventail limité de biens ou de services.
  § 2. La présente loi ne s'applique pas à la valeur monétaire utilisée pour effectuer des opérations de paiement exécutées au moyen d'un appareil de télécommunication ou d'un autre dispositif numérique ou informatique, lorsque les biens ou les services achetés sont livrés et doivent être utilisés au moyen d'un appareil de télécommunication ou d'un dispositif numérique ou informatique, à condition que l'opérateur du système de télécommunication, numérique ou informatique n'agisse pas uniquement en qualité d'intermédiaire entre le détenteur de monnaie électronique et le fournisseur des biens ou services. "
Art. 29. In Boek 3 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 25, wordt een Titel 2 ingevoegd, luidende " TITEL 2. - Instellingen voor elektronisch geld ".
Art. 29. Dans le Livre 3 de la même loi, inséré par l'article 25, il est inséré un Titre 2, intitulé " TITRE 2. - Les établissements de monnaie électronique ".
Art. 30. In Boek 3, Titel 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 29, wordt een Hoofdstuk 1 ingevoegd, luidende : " HOOFDSTUK 1. - Instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht ".
Art. 30. Dans le Livre 3, Titre 2 de la même loi, inséré par l'article 29, il est inséré un Chapitre 1er, intitulé : " CHAPITRE 1er. - Les établissements de monnaie électronique de droit belge ".
Art. 31. In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 30, wordt een afdeling 1 ingevoegd, luidende " Afdeling 1. - Vereiste van bedrijfsvergunning ".
Art. 31. Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er de la même loi, inséré par l'article 30, il est inséré une section 1re intitulée " Section 1re. - Exigence d'un agrément ".
Art. 32. In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1, Afdeling 1 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 28, wordt een artikel 61 ingevoegd, luidende :
  " Art. 61. Iedere rechtspersoon naar Belgisch recht die in België elektronisch geld wil uitgeven als instelling voor elektronisch geld, moet, vooraleer hij zijn werkzaamheden aanvat, een vergunning verkrijgen van de Bank, ongeacht op welke andere plaatsen hij zijn werkzaamheden uitoefent.
  In België mogen alleen instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht, instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de EER en die in België werkzaam zijn op grond van artikel 91 van deze wet, evenals bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, die in België zijn gevestigd overeenkomstig artikel 99 van deze wet, publiekelijk gebruik maken van de termen " instelling voor elektronisch geld ", inzonderheid in hun naam, in de opgave van hun doel, in hun effecten, waarden, stukken of in hun reclame. ".
Art. 32. Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er, Section 1re de la même loi, insérée par l'article 28, il est inséré un article 61 rédigé comme suit :
  " Art. 61. Toute personne morale de droit belge qui entend émettre de la monnaie électronique en Belgique en qualité d'établissement de monnaie électronique, est tenue, avant de commencer ses opérations, de se faire agréer auprès de la Banque, quels que soient les autres lieux d'exercice de ses activités.
  Seuls les établissements de monnaie électronique de droit belge, les établissements de monnaie électronique relevant du droit d'un autre Etat membre de l'EEE opérant en Belgique en vertu de l'article 91, ainsi que les succursales d'établissements de monnaie électronique relevant du droit d'un Etat non membre de l'EEE, établies en Belgique conformément à l'article 99 sont autorisés à faire usage public en Belgique des termes " établissement de monnaie électronique ", notamment dans leur dénomination sociale, dans la désignation de leur objet social, dans leurs titres, effets ou documents ou dans leur publicité. ".
Art. 33. In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 62 ingevoegd, luidende :
  " Art. 62. § 1. Bij zijn vergunningsaanvraag voegt de aanvrager de volgende gegevens :
  1° een programma van werkzaamheden, met opgave van de voorgenomen werkzaamheden en, met name, in voorkomend geval, de in artikel 77, §§ 1 en 2, bedoelde andere werkzaamheden;
  2° een bedrijfsplan met inbegrip van een financiële planning voor de eerste drie boekjaren, die aantoont dat de aanvrager beschikt over de voor zijn werkzaamheden en voorgenomen werkzaamheden passende systemen, middelen en procedures om een gezond beleid inzake de uitgifte van elektronisch geld te garanderen;
  3° het bewijs dat de aanvrager beschikt over het in artikel 66 bedoelde aanvangskapitaal;
  4° een beschrijving van de maatregelen die de instelling overeenkomstig artikel 78, § 1, heeft genomen voor de bescherming van geldmiddelen die zijn ontvangen in ruil voor elektronisch geld dat is uitgegeven;
  5° een beschrijving van de door de aanvrager genomen maatregelen op het vlak van goed bestuur en internecontrolemechanismen, met inbegrip van de van toepassing zijnde procedures inzake administratieve en boekhoudkundige organisatie en risicobeheer, waaruit de naleving blijkt van artikel 69, §§ 1 tot 3;
  6° een beschrijving van de internecontrolemechanismen die de aanvrager heeft opgezet om te voldoen, in voorkomend geval, aan de verplichtingen bepaald bij Verordening (EG) nr. 1781/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2006 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie over de betaler en aan het bepaalde bij de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme;
  7° een beschrijving van de organisatiestructuur van de aanvrager, met in voorkomend geval een beschrijving van het voorgenomen gebruik van distributeurs, agenten en bijkantoren en van de regelingen voor uitbesteding, alsmede van zijn deelname aan een nationaal of internationaal betalingssysteem;
  8° de identiteit van natuurlijke of rechtspersonen die, rechtstreeks of onrechtstreeks, in het kapitaal van de aanvrager, een gekwalificeerde deelneming bezitten in de zin van artikel 3, § 1, 3° van de bankwet, alsmede de omvang van hun deelneming in kapitaalfracties en stemrechten, en het bewijs van hun geschiktheid, gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid van de instelling voor elektronisch geld.
  De stemrechten worden berekend conform de bepalingen van de wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in emittenten waarvan aandelen zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt en houdende diverse bepalingen, alsook conform de bepalingen van haar uitvoeringsbesluiten;
  9° de identiteit van de personen die deelnemen aan het bestuur of het beleid van de instelling voor elektronisch geld, en van de personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en, in voorkomend geval, van het betalingsdienstenbedrijf, in een instelling voor elektronisch geld, alsmede het bewijs van hun professionele betrouwbaarheid, deskundigheid en passende ervaring in de zin van artikel 68;
  10° de identiteit van de commissaris-revisor of commissarissen-revisoren;
  11° de rechtsvorm en de statuten van de aanvrager;
  12° het adres van hoofdbestuur van de aanvrager.
  Voor de toepassing van het eerste lid, 4°, 5° en 7°, geeft de aanvrager een beschrijving van de regelingen inzake interne audit en organisatie die hij heeft getroffen met het oog op het nemen van alle redelijke maatregelen om de belangen van de houders van elektronisch geld, en, in voorkomend geval, van de betalingsdienstgebruikers te beschermen en de continuïteit en betrouwbaarheid bij de uitgifte van elektronisch geld en, in voorkomend geval, bij het verrichten van betalingsdiensten, te garanderen.
  De aanvrager verstrekt de Bank op haar verzoek alle verdere inlichtingen zodat de Bank kan nagaan of de aanvrager voldoet aan de voorwaarden bedoeld in het eerste en tweede lid en zich een passend oordeel kan vormen.
  § 2. De Bank beslist over de vergunningsaanvraag, na advies van de FSMA voor wat betreft de professionele betrouwbaarheid van de natuurlijke personen die deelnemen aan het bestuur, het beleid of de effectieve leiding van de instelling voor elektronisch geld, indien zij voor het eerst voor een dergelijke functie worden voorgedragen bij een financiële instelling die met toepassing van artikel 36/2 van de wet van 22 februari 1998 onder het toezicht staat van de Bank.
  De FSMA deelt haar advies mee aan de Bank binnen een termijn van een week na ontvangst van het verzoek om advies. Indien de FSMA geen advies verstrekt binnen de genoemde termijn, kan de Bank een beslissing nemen. ".
Art. 33. Dans la même section 1re, il est inséré un article 62 rédigé comme suit :
  " Art. 62. § 1er. La demande d'agrément est accompagnée des renseignements suivants :
  1° un programme d'activités indiquant les activités envisagées et, notamment, le cas échéant, les autres activités visées à l'article 77, §§ 1er et 2;
  2° un plan d'affaires contenant notamment un programme financier afférent aux trois premiers exercices, démontrant que le demandeur dispose, pour garantir une gestion saine en matière d'émission de monnaie électronique, de systèmes, de ressources et de procédures appropriés aux activités qu'il exerce ou entend exercer;
  3° la preuve que le demandeur dispose du capital initial visé à l'article 66;
  4° une description des mesures que l'établissement a prises conformément à l'article 78, § 1er, pour protéger les fonds qui ont été reçus en échange de la monnaie électronique émise;
  5° une description du dispositif établi par le demandeur sur le plan du gouvernement d'entreprise et des mécanismes de contrôle interne, en ce compris les procédures applicables en matière d'organisation administrative et comptable et de gestion des risques, qui démontre le respect de l'article 69, §§ 1er à 3;
  6° une description des mécanismes de contrôle interne que le demandeur a mis en place pour se conformer, le cas échéant, aux obligations prévues dans le Règlement (CE) n° 1781/2006 du Parlement européen et du Conseil du 15 novembre 2006 relatif aux informations concernant le donneur d'ordre accompagnant les virements de fonds ainsi qu'à la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme;
  7° une description de l'organisation structurelle du demandeur, y compris, le cas échéant, une description du projet de recours à des distributeurs, des agents et à des succursales et une description des accords d'externalisation, ainsi que de sa participation à un système de paiement national ou international;
  8° l'identité des personnes physiques ou morales détenant directement ou indirectement une participation qualifiée au sens de l'article 3, § 1er, 3° de la loi bancaire dans le capital du demandeur, la taille de leur participation en fractions du capital et en droits de vote, ainsi que la preuve de leurs qualités, nécessaires au regard du besoin de garantir une gestion saine et prudente de l'établissement de monnaie électronique.
  Les droits de vote sont calculés conformément aux dispositions de la loi du 2 mai 2007 relative à la publicité des participations importantes dans des émetteurs dont les actions sont admises à la négociation sur un marché réglementé et portant des dispositions diverses, et conformément aux dispositions de ses arrêtés d'exécution;
  9° l'identité des personnes qui participent à l'administration ou à la gestion de l'établissement de monnaie électronique, ainsi que des personnes qui participent à la direction effective de l'activité d'émission de monnaie électronique, et le cas échéant de services de paiement, dans l'établissement de monnaie électronique et la preuve de leur honorabilité professionnelle, de leur expertise et de leur expérience adéquate au sens de l'article 68;
  10° l'identité du ou des commissaire(s)-réviseur(s);
  11° la forme juridique et les statuts du demandeur;
  12° l'adresse de l'administration centrale du demandeur.
  Aux fins de l'alinéa 1er, 4°, 5° et 7°, le demandeur fournit une description des dispositions en matière d'audit interne et d'organisation qu'il a arrêtées en vue de prendre toute mesure raisonnable pour protéger les intérêts des détenteurs de monnaie électronique et le cas échéant, des utilisateurs de services de paiement et garantir la continuité et la fiabilité de son activité d'émission de monnaie électronique, et le cas échéant, de fourniture de services de paiement.
  Le demandeur doit fournir à la Banque, à la demande de celle-ci, tout renseignement complémentaire devant permettre à la Banque de vérifier si le demandeur répond aux conditions visées aux alinéas 1er et 2 et lui permettre de procéder à une évaluation appropriée.
  § 2. La Banque se prononce sur la demande d'agrément sur avis de la FSMA pour ce qui est de l'honorabilité professionnelle des personnes physiques qui sont appelées à prendre part à l'administration, la gestion ou la direction effective de l'établissement de monnaie électronique, si ces personnes sont proposées pour la première fois pour une telle fonction dans une entreprise financière contrôlée par la Banque par application de l'article 36/2 de la loi du 22 février 1998.
  La FSMA communique son avis à la Banque dans un délai d'une semaine à compter de la réception de la demande d'avis. A défaut d'avis rendu par la FSMA dans ledit délai, la Banque peut prendre une décision. ".
Art. 34. In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 63 ingevoegd, luidende :
  " Art. 63. De Bank verleent de aangevraagde vergunning aan de instellingen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 62 en afdeling 2.
  Binnen drie maanden na voorlegging van een volledig dossier spreekt de Bank zich uit over de aanvraag en brengt zij haar beslissing ter kennis van de aanvrager met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs.
  De Bank kan, gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid van de instelling, in haar vergunning voorwaarden stellen aan de uitoefening van bepaalde van de voorgenomen werkzaamheden. "
Art. 34. Dans la même section 1ère, il est inséré un article 63 rédigé comme suit :
  " Art. 63. La Banque octroie l'agrément demandé aux établissements qui répondent aux conditions de l'article 62 et de la section 2.
  Dans les trois mois qui suivent la présentation du dossier complet, la Banque se prononce sur la demande et porte sa décision à la connaissance du demandeur par lettre recommandée ou avec accusé de réception.
  La Banque peut, au regard du besoin de garantir une gestion saine et prudente de l'établissement, subordonner l'agrément à des conditions relatives à l'exercice de certaines des activités envisagées. "
Art. 35. In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 64 ingevoegd, luidende :
  " Art. 64. De instellingen die krachtens dit hoofdstuk een vergunning hebben verkregen als instelling voor elektronisch geld, worden ingeschreven op een daartoe door de Bank bijgehouden lijst. De Bank maakt de lijst van de instellingen voor elektronisch geld waaraan zij een vergunning heeft verleend, bekend op haar website. De Bank zorgt voor een geregelde actualisering van de op haar website verstrekte informatie.
  De in het eerste lid bedoelde lijst vermeldt voor iedere instelling voor elektronisch geld minstens de volgende informatie :
  - in voorkomend geval, de voorgenomen betalingsdiensten;
  - het adres van haar buitenlandse bijkantoren en de identiteit van haar agenten bedoeld in, respectievelijk, de artikelen 75 en 76, § 3. "
Art. 35. Dans la même section 1re, il est inséré un article 64 rédigé comme suit :
  " Art. 64. Les établissements agréés au titre d'établissement de monnaie électronique en vertu du présent chapitre, sont inscrits sur une liste tenue à cet effet par la Banque. La Banque publie sur son site internet la liste des établissements de monnaie électronique auxquels elle a octroyé l'agrément. La Banque veille à actualiser régulièrement les informations fournies sur son site internet.
  La liste visée à l'alinéa 1er indique pour chaque établissement de monnaie électronique au moins les renseignements suivants :
  - le cas échéant, les services de paiement dont la prestation est envisagée;
  - l'adresse de ses succursales à l'étranger et l'identité de ses agents, tels que visés aux articles 75 et 76, § 3 respectivement. "
Art. 36. In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 30, wordt een afdeling 2 ingevoegd, luidende " Afdeling 2. - Bedrijfsvergunningsvoorwaarden ".
Art. 36. Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er de la même loi, inséré par l'article 30, il est inséré une section 2 intitulée " Section 2. - Conditions d'agrément ".
Art. 37. In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1, Afdeling 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 36, wordt een artikel 65 ingevoegd, luidende :
  " Art. 65. Iedere instelling voor elektronisch geld naar Belgisch recht wordt opgericht in de rechtsvorm van een handelsvennootschap, met uitzondering van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die is opgericht door één enkele persoon ".
Art. 37. Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er, Section 2 de la même loi, insérée par l'article 36, il est inséré un article 65, rédigé comme suit :
  " Art. 65. Les établissements de monnaie électronique de droit belge doivent être constitués sous la forme de société commerciale, à l'exception de la forme de société privée à responsabilité limitée constituée par une seule personne ".
Art. 38. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 66 ingevoegd, luidende :
  " Art. 66. Elke instelling voor elektronisch geld beschikt op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend, over een kapitaal van minstens 350.000 euro.
  Voor de berekening van het in het eerste lid bedoelde aanvangskapitaal komen de volgende bestanddelen in aanmerking : het volstort kapitaal, de uitgiftepremies, de reserves en het overgedragen resultaat, met uitsluiting in voorkomend geval van de preferente aandelen en de herwaarderingsreserves, en na aftrek van overgedragen verliezen en goodwill. ".
Art. 38. Dans la même section 2, il est inséré un article 66 rédigé comme suit :
  " Art. 66. Tout établissement de monnaie électronique doit, au moment de l'agrément, disposer d'un capital de 350.000 euros au moins.
  Pour le calcul du capital initial visé à l'alinéa 1er, les éléments suivants sont pris en compte : le capital libéré, les primes d'émission, les réserves et le résultat reporté, à l'exclusion le cas échéant des actions préférentielles et des réserves de réévaluation, et après déduction des pertes reportées et du goodwill. ".
Art. 39. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 67 ingevoegd, luidende :
  " Art. 67. De vergunning wordt geweigerd wanneer de Bank, gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid van de instelling voor elektronisch geld, niet overtuigd is van de geschiktheid van de natuurlijke of rechtspersonen bedoeld in artikel 62, paragraaf 1, eerste lid, 8°. ".
Art. 39. Dans la même section 2, il est inséré un article 67 rédigé comme suit :
  " Art. 67. L'agrément est refusé si la Banque a des raisons de considérer que les personnes physiques ou morales visées à l'article 62, § 1er, alinéa 1er, 8°, ne présentent pas les qualités nécessaires au regard du besoin de garantir une gestion saine et prudente de l'établissement de monnaie électronique. ".
Art. 40. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 68 ingevoegd, luidende :
  " Art. 68. § 1. De effectieve leiding van de instelling voor elektronisch geld wordt toevertrouwd aan ten minste twee natuurlijke personen.
  De personen die deelnemen aan het bestuur of het beleid van de instelling voor elektronisch geld, en de personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en in voorkomend geval, van het betalingsdienstenbedrijf binnen een instelling voor elektronisch geld, beschikken voor de uitoefening van hun taken inzake uitgifte van elektronisch geld en betalingsdiensten over de vereiste professionele betrouwbaarheid, deskundigheid en passende ervaring.
  § 2. Artikel 19 van de bankwet is van toepassing. "
Art. 40. Dans la même section 2, il est inséré un article 68 rédigé comme suit :
  " Art. 68. § 1er. La direction effective de l'établissement de monnaie électronique doit être confiée à deux personnes physiques au moins.
  Les personnes qui participent à l'administration ou à la gestion de l'établissement de monnaie électronique, ainsi que les personnes qui participent à la direction effective de l'activité d'émission de monnaie électronique et le cas échéant, de services de paiement au sein de l'établissement de monnaie électronique doivent disposer de l'honorabilité professionnelle, de l'expertise et de l'expérience adéquate nécessaires pour assumer leurs tâches en matière d'émission de monnaie électronique et le cas échéant de services de paiement.
  § 2. L'article 19 de la loi bancaire est d'application. "
Art. 41. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 69 ingevoegd, luidende :
  " Art. 69. § 1. De instelling voor elektronisch geld beschikt over een beleidsstructuur, administratieve en boekhoudkundige organisatie, controle- en beveiligingsmaatregelen met betrekking tot de elektronische informatieverwerking, en interne controle, die aangepast zijn aan haar werkzaamheden of voorgenomen werkzaamheden inzake de uitgifte van elektronisch geld en betalingsdiensten en aan haar werkzaamheden of voorgenomen werkzaamheden bedoeld in artikel 77, § 2, 2°.
  Zij houdt daarbij rekening met de aard, de omvang en de complexiteit van deze werkzaamheden en de eraan verbonden risico's.
  § 2. De instelling voor elektronisch geld beschikt over een passende beleidsstructuur, waaronder inzonderheid dient te worden verstaan : een coherente en transparante organisatiestructuur, met inbegrip van een passende functiescheiding; een duidelijk omschreven, transparant en samenhangend geheel van verantwoordelijkheidstoewijzingen; en passende procedures voor de identificatie, de meting, het beheer en de opvolging van en de interne verslaggeving over de belangrijke risico's die de instelling voor elektronisch geld loopt ingevolge haar werkzaamheden of voorgenomen werkzaamheden.
  § 3. De instelling voor elektronisch geld organiseert een passende interne controle, waarvan de werking minstens eenmaal per jaar wordt beoordeeld. Wat haar administratieve en boekhoudkundige organisatie betreft, dient zij een systeem van interne controle te organiseren dat een redelijke mate van zekerheid verschaft over de betrouwbaarheid van het financiële verslaggevingsproces, zodat de jaarrekening in overeenstemming is met de geldende boekhoudreglementering.
  De instelling voor elektronisch geld neemt de nodige maatregelen om blijvend te kunnen beschikken over een passende onafhankelijke interne auditfunctie.
  De instelling voor elektronisch geld werkt een passend integriteitsbeleid uit dat geregeld wordt geactualiseerd.
  Zij neemt de nodige maatregelen om blijvend te kunnen beschikken over een passende onafhankelijke compliancefunctie, om de naleving door de instelling, haar bestuurders, effectieve leiding, werknemers en gevolmachtigden te verzekeren van de rechtsregels in verband met de integriteit van de werkzaamheden van de instellingen voor elektronisch geld.
  De instelling voor elektronisch geld beschikt over een passende onafhankelijke risicobeheerfunctie.
  § 4. De Bank kan, onverminderd het bepaalde bij de §§ 1, 2 en 3, nader bepalen wat moet worden verstaan onder een passende beleidsstructuur, een passende interne controle, een passende onafhankelijke interneauditfunctie, een passend integriteitsbeleid, een passende risicobeheerfunctie en een passende onafhankelijke compliancefunctie.
  § 5. Onverminderd de bevoegdheden van het wettelijk bestuursorgaan inzake de vaststelling van het algemeen beleid als bepaald bij het Wetboek van vennootschappen, nemen de personen belast met de effectieve leiding van de instelling voor elektronisch geld, in voorkomend geval het directiecomité, onder toezicht van het wettelijk bestuursorgaan de nodige maatregelen voor de naleving van het bepaalde bij de §§ 1, 2 en 3 en artikel 79, eerste lid, f).
  Het wettelijk bestuursorgaan van de instelling voor elektronisch geld controleert minstens eenmaal per jaar of de instelling beantwoordt aan het bepaalde bij de §§ 1, 2 en 3 van dit artikel , het eerste lid van deze paragraaf en artikel 79, eerste lid, f) en neemt kennis van de genomen passende maatregelen.
  De personen belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, lichten minstens eenmaal per jaar het wettelijk bestuursorgaan, de Bank en de erkende commissaris in over de naleving van het bepaalde bij het eerste lid van deze paragraaf en over de genomen passende maatregelen.
  De informatieverstrekking aan de Bank en de erkende commissaris gebeurt volgens de modaliteiten die de Bank bepaalt.
  § 6. De erkende commissaris brengt bij het wettelijk bestuursorgaan tijdig verslag uit over de belangrijke zaken die bij de uitoefening van zijn wettelijke controleopdracht aan het licht zijn gekomen, en meer bepaald over ernstige tekortkomingen in het financiële verslaggevingsproces met betrekking tot de werkzaamheden inzake de uitgifte van elektronisch geld en betalingsdiensten en de werkzaamheden bedoeld in artikel 77, § 2, 2°.
  § 7. Als de instelling voor elektronisch geld nauwe banden heeft met andere natuurlijke of rechtspersonen, mogen die banden geen belemmering vormen voor het prudentieel toezicht op de instelling voor elektronisch geld.
  Als de instelling voor elektronisch geld nauwe banden heeft met een natuurlijke of rechtspersoon die ressorteert onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, mogen de voor die persoon geldende wettelijke, reglementaire en bestuursrechtelijke bepalingen of hun uitvoering, geen belemmering vormen voor het prudentieel toezicht op de instelling voor elektronisch geld. ".
Art. 41. Dans la même section 2, il est inséré un article 69 rédigé comme suit :
  " Art. 69. § 1er. Les établissements de monnaie électronique doivent disposer d'une structure de gestion, d'une organisation administrative et comptable, de mécanismes de contrôle et de sécurité dans le domaine informatique et d'un contrôle interne, appropriés aux activités d'émission de monnaie électronique, de services de paiement et aux activités visées à l'article 77, § 2, 2°, qu'ils exercent ou entendent exercer.
  Ils tiennent compte à cet égard de la nature, du volume et de la complexité de ces activités, ainsi que des risques y afférents.
  § 2. Les établissements de monnaie électronique doivent disposer d'une structure de gestion adéquate, se composant notamment des éléments suivants : une structure organisationnelle cohérente et transparente, prévoyant une séparation adéquate des fonctions; un dispositif d'attribution des responsabilités qui est bien défini, transparent et cohérent; et des procédures adéquates d'identification, de mesure, de gestion, de suivi et de reporting interne des risques importants encourus par l'établissement de monnaie électronique en raison des activités qu'il exerce ou entend exercer.
  § 3. Les établissements de monnaie électronique doivent organiser un contrôle interne adéquat, dont le fonctionnement est évalué au moins une fois par an. En ce qui concerne leur organisation administrative et comptable, ils doivent organiser un système de contrôle interne qui procure un degré de certitude raisonnable quant à la fiabilité du processus de reporting financier, de manière à ce que les comptes annuels soient conformes à la réglementation comptable en vigueur.
  Les établissements de monnaie électronique prennent les mesures nécessaires pour pouvoir disposer en permanence d'une fonction d'audit interne indépendante adéquate.
  Les établissements de monnaie électronique élaborent une politique d'intégrité adéquate, qui est actualisée régulièrement.
  Ils prennent les mesures nécessaires pour pouvoir disposer en permanence d'une fonction de compliance indépendante adéquate, destinée à assurer le respect, par l'établissement, ses administrateurs, ses dirigeants effectifs, ses salariés et ses mandataires, des règles de droit relatives à l'intégrité de l'activité des établissements de monnaie électronique.
  Les établissements de monnaie électronique doivent disposer d'une fonction de gestion des risques indépendante adéquate.
  § 4. La Banque peut, sans préjudice des dispositions des §§ 1er, 2 et 3, préciser ce qu'il y a lieu d'entendre par structure de gestion adéquate, contrôle interne adéquat, fonction d'audit interne indépendante adéquate, politique d'intégrité adéquate, fonction de gestion des risques adéquate et fonction de compliance indépendante adéquate.
  § 5. Sans préjudice des pouvoirs dévolus à l'organe légal d'administration en ce qui concerne la détermination de la politique générale, tels que prévus par le Code des sociétés, les personnes chargées de la direction effective de l'établissement de monnaie électronique, le cas échéant le comité de direction, prennent, sous la surveillance de l'organe légal d'administration, les mesures nécessaires pour assurer le respect des §§ 1er, 2 et 3 et de l'article 79, alinéa 1er, f).
  L'organe légal d'administration de l'établissement de monnaie électronique doit contrôler au moins une fois par an si l'établissement se conforme aux dispositions des §§ 1er, 2 et 3 du présent article , de l'alinéa 1er du présent paragraphe et de l'article 79, alinéa 1er, f), et prend connaissance des mesures adéquates prises.
  Les personnes chargées de la direction effective, le cas échéant le comité de direction, font rapport au moins une fois par an à l'organe légal d'administration, à la Banque et au commissaire agréé sur le respect des dispositions de l'alinéa 1er du présent paragraphe et sur les mesures adéquates prises.
  Ces informations sont transmises à la Banque et au commissaire agréé selon les modalités que la Banque détermine.
  § 6. Le commissaire agréé adresse en temps utile à l'organe légal d'administration, un rapport sur les questions importantes apparues dans l'exercice de sa mission légale de contrôle, et en particulier sur les lacunes graves constatées dans le processus de reporting financier concernant les activités d'émission de monnaie électronique, de services de paiement et les activités visées à l'article 77, § 2, 2°.
  § 7. S'il existe des liens étroits entre l'établissement de monnaie électronique et d'autres personnes physiques ou morales, ces liens ne peuvent entraver l'exercice du contrôle prudentiel de l'établissement de monnaie électronique.
  Si l'établissement de monnaie électronique a des liens étroits avec une personne physique ou morale relevant du droit d'un Etat non membre de l'EEE, les dispositions législatives, réglementaires et administratives applicables à cette personne ou leur mise en oeuvre ne peuvent entraver l'exercice du contrôle prudentiel de l'établissement de monnaie électronique. ".
Art. 42. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 70 ingevoegd, luidende :
  " Art. 70. Het hoofdbestuur van de instelling voor elektronisch geld is in België gevestigd. ".
Art. 42. Dans la même section 2, il est inséré un article 70 rédigé comme suit :
  " Art. 70. L'administration centrale de l'établissement de monnaie électronique doit être fixée en Belgique. ".
Art. 43. In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 30, wordt een afdeling 3 ingevoegd, luidende " Afdeling 3. - Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden ".
Art. 43. Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er de la même loi, inséré par l'article 30, il est inséré une section 3 intitulée " Section 3. - Conditions d'exercice de l'activité ".
Art. 44. In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1, Afdeling 3 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 43, wordt een artikel 71 ingevoegd, luidende :
  " Art. 71. De instelling voor elektronisch geld voldoet te allen tijde aan de voorwaarden van de artikelen 65, 68, 69 en 70.
  Wanneer de overeenkomstig artikel 62 bij de vergunningsaanvraag verstrekte gegevens gewijzigd zijn, brengt de instelling voor elektronisch geld de Bank hiervan onverwijld op de hoogte. ".
Art. 44. Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er, Section 3 de la même loi, insérée par l'article 43, il est inséré un article 71 rédigé comme suit :
  " Art. 71. Les établissements de monnaie électronique sont tenus de satisfaire à tout moment aux conditions prévues aux articles 65, 68, 69 et 70.
  Lorsque les renseignements fournis pour les besoins de la demande d'agrément en vertu de l'article 62 subissent des modifications, l'établissement de monnaie électronique en informe sans tarder la Banque. ".
Art. 45. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 72 ingevoegd, luidende :
  " Art. 72. § 1. Het eigen vermogen van een instelling voor elektronisch geld mag op geen enkel moment dalen onder het bedrag van het met toepassing van artikel 66 vereiste kapitaal.
  § 2. Overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2009/110/EG bepaalt de Bank bij reglement de verplichtingen inzake solvabiliteit die door alle instellingen voor elektronisch geld of per categorie van instellingen voor elektronisch geld moeten worden nageleefd, zowel voor wat betreft hun activiteit van uitgifte van elektronisch geld als voor wat betreft hun werkzaamheden bedoeld in artikel 77, § 2, 1°, die geen verband houden met de uitgifte van elektronisch geld. Voor die werkzaamheden kan het reglement voorzien in verschillende methodes om de na te leven solvabiliteitsverplichtingen te berekenen en is de Bank gemachtigd om te bepalen welke methode van toepassing is op een of meer instellingen voor elektronisch geld of categorieën van instellingen voor elektronisch geld.
  Wanneer een instelling voor elektronisch geld samen met andere instellingen voor elektronisch geld, betalingsinstellingen of gereglementeerde ondernemingen deel uitmaakt van een groep, neemt de Bank maatregelen om het meervoudig gebruik van eigen vermogen binnen de groep te vermijden. De Bank kan nader bepalen volgens welke methodes het meervoudig gebruik van eigen vermogen berekend wordt. Het bepaalde bij dit lid is van overeenkomstige toepassing wanneer een instelling voor elektronisch geld rechtstreeks of onrechtstreeks andere werkzaamheden dan de uitgifte van elektronisch geld verricht, als bedoeld in artikel 77.
  Onverminderd de solvabiliteitsverplichtingen bepaald bij § 1 en bij het eerste en tweede lid, kan de Bank aanvullende maatregelen nemen in het geval van een instelling voor elektronisch geld die rechtstreeks of onrechtstreeks andere werkzaamheden dan het verrichten van betalingsdiensten en de uitgifte van elektronisch geld uitoefent, als bedoeld in artikel 77, wanneer deze andere werkzaamheden afbreuk doen of dreigen te doen aan de financiële soliditeit van de instelling voor elektronisch geld.
  In bijzondere gevallen kan de Bank met redenen omklede afwijkingen toestaan van de bepalingen van de met toepassing van dit artikel genomen reglementen.
  De in het eerste lid bedoelde reglementen worden genomen overeenkomstig artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998. ".
Art. 45. Dans la même section 3, il est inséré un article 72 rédigé comme suit :
  " Art. 72. § 1er. Les fonds propres d'un établissement de monnaie électronique ne peuvent à aucun moment devenir inférieurs au montant du capital requis en application de l'article 66.
  § 2. La Banque détermine, conformément aux dispositions de la Directive 2009/110/CE, par voie de règlement, les obligations en matière de solvabilité qui doivent être respectées par tous les établissements de monnaie électronique ou par catégorie d'établissements de monnaie électronique tant en ce qui concerne leur activité d'émission de monnaie électronique, qu'en ce qui concerne leurs activités visées à l'article 77, § 2, 1°, qui ne sont pas liées à l'émission de monnaie électronique. En ce qui concerne ces activités, le règlement peut prévoir différentes méthodes pour calculer les obligations à respecter en matière de solvabilité et la Banque est autorisée à préciser quelle méthode est applicable à un ou plusieurs établissements de monnaie électronique ou à une ou plusieurs catégories d'établissements de monnaie électronique.
  Lorsqu'un établissement de monnaie électronique fait partie d'un groupe avec d'autres établissements de monnaie électronique, établissements de paiement ou entreprises réglementées, la Banque prend des mesures pour éviter toute double utilisation de fonds propres au sein du groupe. La Banque peut préciser selon quelles méthodes il convient de calculer l'utilisation multiple de fonds propres. Le présent alinéa s'applique par analogie lorsqu'un établissement de monnaie électronique exerce directement ou indirectement d'autres activités que l'émission de monnaie électronique, visées à l'article 77.
  Sans préjudice des obligations en matière de solvabilité prévues au § 1er et aux alinéas 1er et 2, la Banque peut prendre des mesures complémentaires dans le cas d'un établissement de monnaie électronique qui exerce directement ou indirectement d'autres activités que la prestation de services de paiement et l'émission de monnaie électronique, visées à l'article 77, lorsque ces autres activités nuisent ou risquent de nuire à la solidité financière de l'établissement de monnaie électronique.
  La Banque peut, dans des cas spéciaux, autoriser des dérogations motivées aux dispositions des règlements pris par application du présent article .
  Les règlements visés à l'alinéa 1er sont pris conformément à l'article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998. ".
Art. 46. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 73 ingevoegd, luidende :
  " Art. 73. § 1. Onverminderd artikel 67 en onverminderd de wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen, moet iedere natuurlijke of rechtspersoon die besloten heeft om hetzij rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming, als bedoeld in artikel 3, § 1, 3° van de bankwet, in een instelling voor elektronisch geld naar Belgisch recht te verwerven of te vervreemden, hetzij rechtstreeks of onrechtstreeks een dergelijke gekwalificeerde deelneming te vergroten of te verminderen, waardoor het percentage van de gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal de drempel van 20 %, 30 % of 50 % zou bereiken, onderschrijden of overschrijden, of waardoor de instelling voor elektronisch geld haar dochteronderneming zou worden of niet langer haar dochteronderneming zou zijn, de Bank daarvan vooraf schriftelijk in kennis stellen, met vermelding van de omvang van de beoogde deelneming en de in artikel 24, § 3, derde lid van de bankwet bedoelde relevante informatie.
  § 2. De Bank beoordeelt of de invloed uitgeoefend door de personen bedoeld in § 1 van die aard is om nadelig te zijn voor een gezond en voorzichtig beleid van de instelling. Deze beoordeling gebeurt op basis van het geheel van de onderstaande criteria :
  a) de reputatie van de kandidaat-verwerver;
  b) de reputatie en ervaring van elke in artikel 62, § 1, 9° bedoelde persoon die het bedrijf van de instelling voor elektronisch geld als gevolg van de voorgenomen operatie feitelijk gaat leiden;
  c) de financiële soliditeit van de kandidaat-verwerver, met name met betrekking tot de aard van de werkzaamheden die verricht en beoogd worden in de instelling voor elektronisch geld die het doelwit is van de voorgenomen operatie;
  d) of de instelling voor elektronisch geld zal kunnen voldoen en blijven voldoen aan de prudentiële voorschriften op grond van deze wet en de besluiten en reglementen genomen ter uitvoering ervan, met name of de groep waarvan zij deel gaat uitmaken zo gestructureerd is dat effectief toezicht en effectieve uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten mogelijk zijn, en dat de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de bevoegde autoriteiten kan worden bepaald;
  e) of er gegronde redenen zijn om te vermoeden dat in verband met de voorgenomen operatie geld wordt of werd witgewassen of terrorisme wordt of werd gefinancierd dan wel dat gepoogd wordt of werd geld wit te wassen of terrorisme te financieren in de zin van artikel 1 van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, of dat de voorgenomen operatie het risico daarop zou kunnen vergroten.
  Voor het verrichten van de in het eerste lid bedoelde beoordeling werkt de Bank in onderling overleg samen met iedere andere betrokken bevoegde autoriteit of, al naargelang het geval, met de FSMA, indien de kandidaat-verwerver een van de volgende personen is :
  a) een kredietinstelling, een verzekerings-onderneming, een herverzekeringsonderneming, een beleggingsonderneming of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging waaraan een vergunning is verleend in een andere lidstaat, of, al naargelang het geval, door de FSMA;
  b) de moederonderneming van een van de in de bepaling onder a) bedoelde ondernemingen;
  c) een natuurlijke of rechtspersoon die de controle heeft over een van de in de bepaling onder a) bedoelde ondernemingen;
  § 3. Indien de Bank, op basis van de evaluatie zoals bedoeld in § 2, redenen heeft om aan te nemen dat de invloed uitgeoefend door de personen bedoeld in § 1 van die aard is om het gezond en voorzichtig beleid van de instelling in het gedrang te brengen, kan zij zich verzetten tegen de uitvoering van de voorgenomen operatie.
  De beslissing van de Bank wordt ter kennis gebracht van de instelling voor elektronisch geld via een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs en dit ten laatste twee maanden na ontvangst van de kennisgeving bedoeld in § 1.
  § 4. Indien de bij § 1 voorgeschreven voorafgaande kennisgeving niet wordt verricht of indien een deelneming wordt verworven, vergroot of verkocht ondanks het in § 3 bedoelde verzet van de Bank, kan de Bank :
  1° de uitoefening schorsen van de stemrechten die verbonden zijn aan de aandelen die door de betrokken aandeelhouder of vennoot worden gehouden; zij kan, op verzoek van elke belanghebbende, toestaan dat de door haar bevolen maatregelen worden opgeheven; haar beslissing wordt op de meest geschikte wijze ter kennis gebracht van de betrokken aandeelhouder of vennoot; haar beslissing is uitvoerbaar zodra zij ter kennis is gebracht; de Bank kan haar beslissing openbaar maken;
  2° de betrokken aandeelhouder of vennoot aanmanen om, binnen de termijn die zij bepaalt, de aandeelhoudersrechten in zijn bezit over te dragen.
  Als zij binnen de vastgestelde termijn niet worden overgedragen, kan de Bank bevelen de aandeelhoudersrechten te sekwestreren bij de instelling of de persoon die zij bepaalt. Het sekwester brengt dit ter kennis van de instelling voor elektronisch geld, die het register van de aandelen op naam dienovereenkomstig wijzigt en de uitoefening van de hieraan verbonden rechten enkel aanvaardt vanwege het sekwester. Het sekwester handelt in het belang van een gezond en voorzichtig beleid van de instelling voor elektronisch geld en in het belang van de houder van de gesekwestreerde aandeelhoudersrechten. Het oefent alle rechten uit die aan de aandelen zijn verbonden. De bedragen die het sekwester als dividend of anderszins int, worden slechts aan de voornoemde houder overgemaakt indien hij gevolg heeft gegeven aan de in het eerste lid, 2°, bedoelde aanmaning. Om in te schrijven op kapitaalverhogingen of andere al dan niet stemrechtverlenende effecten, om te kiezen voor dividenduitkering in aandelen van de vennootschap, om in te gaan op openbare overname- of ruilaanbiedingen en om nog niet volgestorte aandelen vol te storten, is de instemming van de voornoemde houder vereist. De aandeelhoudersrechten die zijn verworven in het kader van dergelijke verrichtingen worden van rechtswege toegevoegd aan het voornoemde sekwester. De vergoeding van het sekwester wordt vastgesteld door de Bank en betaald door de voornoemde houder. Het sekwester kan deze vergoeding aftrekken van de bedragen die hem worden gestort in zijn hoedanigheid van sekwester of die hem worden gestort door de voornoemde houder in het vooruitzicht of na uitvoering van de hierboven bedoelde verrichtingen.
  Indien na afloop van de overeenkomstig het eerste lid, 2°, eerste zin, vastgestelde termijn, stemrechten werden uitgeoefend door de oorspronkelijke houder of door een andere persoon, buiten het sekwester, die optreedt voor rekening van deze houder, niettegenstaande een schorsing van hun uitoefening overeenkomstig het eerste lid, 1°, kan de rechtbank van koophandel van het rechtsgebied waar de vennootschap haar zetel heeft, op verzoek van de Bank, alle of een deel van de beslissingen van de algemene vergadering nietig verklaren wanneer het aanwezigheids- of meerderheidsquorum dat is vereist voor de genoemde beslissingen, buiten de onwettig uitgeoefende stemrechten niet zou zijn bereikt;
  3° de voorzitter van de rechtbank van koophandel van het rechtsgebied waar de instelling voor elektronisch geld haar zetel heeft, uitspraak doende als in kort geding, verzoeken om alle of een deel van de stemmen uitgebracht door de verwerver of de betrokken aandeelhouder of vennoot nietig te verklaren. De procedure wordt ingeleid bij dagvaarding door de Bank. Artikel 516, § 3, van het Wetboek van Vennootschappen is van toepassing.
  § 5. Indien de Bank grond heeft om aan te nemen dat de invloed van een natuurlijke of rechtspersoon die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming bezit in een instelling voor elektronisch geld, een gezond en voorzichtig beleid van deze instelling voor elektronisch geld kan belemmeren, kan zij, onverminderd de andere bij deze wet bepaalde maatregelen, de in § 4, 1° en 2° bedoelde maatregelen nemen. ".
Art. 46. Dans la même section 3, il est inséré un article 73 rédigé comme suit :
  " Art. 73. § 1er. Sans préjudice de l'article 67 et de la loi du 2 mai 2007 relative à la publicité des participations importantes, toute personne physique et morale qui a pris la décision, soit d'acquérir ou de céder, directement ou indirectement, une participation qualifiée au sens de l'article 3, § 1er, 3° de la loi bancaire dans un établissement de monnaie électronique de droit belge, soit d'augmenter ou de réduire, directement ou indirectement, cette participation qualifiée de telle façon que la proportion de parts de capital ou de droits de vote détenue atteindrait, dépasserait ou deviendrait inférieure aux seuils de 20 %, 30 % ou 50 % ou que l'établissement de monnaie électronique deviendrait sa filiale ou cesserait de l'être, est tenue d'en informer à l'avance la Banque, et de lui notifier par écrit au préalable le montant de la participation envisagée et les informations pertinentes visées à l'article 24, § 3, alinéa 3 de la loi bancaire.
  § 2. La Banque évalue si l'influence exercée par les personnes visées au § 1er est susceptible de se faire au détriment d'une gestion saine et prudente de l'établissement. Cette évaluation est faite sur base de l'ensemble des critères suivants :
  a) la réputation du candidat acquéreur;
  b) la réputation et l'expérience de toute personne visée à l'article 62, § 1er, 9° qui assurera la direction des activités de l'établissement de monnaie électronique à la suite de l'opération envisagée;
  c) la solidité financière du candidat acquéreur, compte tenu notamment du type d'activités exercées et envisagées au sein de l'établissement de monnaie électronique visé par l'opération envisagée;
  d) la capacité de l'établissement de monnaie électronique de satisfaire et de continuer à satisfaire aux obligations prudentielles découlant de la présente loi et des arrêtés et règlements pris en exécution de celle-ci, en particulier le point de savoir si le groupe auquel il appartiendra possède une structure qui permet d'exercer une surveillance effective, d'échanger réellement des informations entre les autorités compétentes et de déterminer le partage des responsabilités entre les autorités compétentes;
  e) l'existence de motifs raisonnables de soupçonner qu'une opération ou une tentative de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme au sens de l'article 1er de la Directive 2005/60/CE du Parlement européen et du Conseil du 26 octobre 2005 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme est en cours ou a eu lieu en rapport avec l'opération envisagée, ou que l'opération envisagée pourrait en augmenter le risque.
  La Banque procède à l'évaluation visée à l'alinéa 1er en pleine concertation avec toute autre autorité compétente concernée, ou, selon le cas, avec la FSMA, si le candidat acquéreur est :
  a) un établissement de crédit, une entreprise d'assurances, une entreprise de réassurance, une entreprise d'investissement ou une société de gestion d'organismes de placement collectif agréés dans un autre Etat membre, ou, selon le cas, par la FSMA;
  b) l'entreprise mère d'une entreprise ayant une des qualités visées au a);
  c) une personne physique ou morale contrôlant une entreprise ayant une des qualités visées au a);
  § 3. Lorsque, sur la base de l'évaluation visée au § 2, la Banque a des raisons de considérer que l'influence exercée par les personnes visées au § 1er est de nature à compromettre la gestion saine et prudente de l'établissement, elle peut s'opposer à la réalisation de l'opération envisagée.
  La décision de la Banque est notifiée à l'établissement de monnaie électronique par lettre recommandée ou avec accusé de réception au plus tard deux mois après la réception de la notification visée au § 1er.
  § 4. En cas d'abstention de procéder à la notification préalable prescrite au § 1er, ou en cas d'acquisition, d'accroissement ou de cession d'une participation en dépit de l'opposition de la Banque visée au § 3, la Banque peut :
  1° suspendre l'exercice des droits de vote attachés aux actions ou parts détenues par l'actionnaire ou l'associé en question; elle peut, à la demande de tout intéressé, accorder la levée des mesures ordonnées par elle; sa décision est notifiée de la manière la plus appropriée à l'actionnaire ou à l'associé en cause; sa décision est exécutoire dès qu'elle a été notifiée; la Banque peut rendre sa décision publique;
  2° donner injonction à l'actionnaire ou à l'associé en cause de céder, dans le délai qu'elle fixe, les droits d'associé qu'il détient.
  A défaut de cession dans le délai fixé, la Banque peut ordonner la mise sous séquestre des droits d'associés auprès de telle institution ou personne qu'elle détermine. Le séquestre en donne connaissance à l'établissement de monnaie électronique qui modifie en conséquence le registre des actions ou parts d'associés nominatives et qui n'accepte l'exercice des droits qui y sont attachés que par le seul séquestre. Celui-ci agit dans l'intérêt d'une gestion saine et prudente de l'établissement de monnaie électronique et dans celui du détenteur des droits d'associés ayant fait l'objet du séquestre. Il exerce tous les droits attachés aux actions ou parts d'associés. Les sommes encaissées par lui au titre de dividende ou à un autre titre ne sont remises par lui au détenteur précité que si celui-ci a satisfait à l'injonction visée à l'alinéa 1er, 2°. La souscription à des augmentations de capital ou à d'autres titres conférant ou non le droit de vote, l'option en matière de dividende payable en titres de la société, la réponse à des offres publiques d'acquisition ou d'échange et la libération de titres non entièrement libérés sont subordonnés à l'accord du détenteur précité. Les droits d'associés acquis en vertu de ces opérations font, de plein droit, l'objet du séquestre prévu ci-dessus. La rémunération du séquestre est fixée par la Banque et est à charge du détenteur précité. Le séquestre peut imputer cette rémunération sur les sommes qui lui sont versées en sa qualité de séquestre ou par le détenteur précité aux fins ou comme conséquence des opérations visées ci-dessus.
  Lorsque des droits de vote ont été exercés par le détenteur originaire ou par une personne, autre que le séquestre, agissant pour le compte de ce détenteur après l'échéance du délai fixé conformément à l'alinéa 1er, 2°, première phrase, nonobstant une suspension de leur exercice prononcée conformément à l'alinéa 1er, 1°, le tribunal de commerce dans le ressort duquel la société a son siège peut, sur requête de la Banque, prononcer la nullité de tout ou partie des délibérations de l'assemblée générale si, sans les droits de vote illégalement exercés, les quorums de présence ou de majorité requis par lesdites délibérations n'auraient pas été réunis;
  3° demander au président du tribunal de commerce dans le ressort duquel l'établissement de monnaie électronique a son siège, statuant comme en référé, de prononcer l'annulation de tout ou partie des votes émis par l'acquéreur ou l'actionnaire ou associé concerné. La procédure est engagée par citation émanant de la Banque. L'article 516, § 3 du Code des sociétés est d'application.
  § 5. Lorsque la Banque a des raisons de considérer que l'influence exercée par une personne physique ou morale détenant, directement ou indirectement, une participation qualifiée dans un établissement de monnaie électronique est de nature à compromettre sa gestion saine et prudente, et sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, elle peut prendre les mesures visées au § 4, 1° et 2°. ".
Art. 47. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 74 ingevoegd, luidende :
  " Art. 74. De toestemming van de Bank is vereist voor fusies tussen instellingen voor elektronisch geld of voor fusies tussen instellingen van elektronisch geld en andere financiële instellingen.
  Voor de toepassing van dit artikel worden de overdracht van het bedrijf en de integrale of gedeeltelijke overdracht van het net met een fusie gelijkgesteld.
  De Bank kan haar toestemming enkel weigeren binnen drie maanden nadat zij van het project in kennis is gesteld, met voorlegging van een volledig dossier, om redenen die verband houden met het gezond en voorzichtig beleid van de instelling voor elektronisch geld. Als zij niet optreedt binnen de voornoemde termijn, wordt de toestemming geacht te zijn verkregen. ".
Art. 47. Dans la même section 3, il est inséré un article 74 rédigé comme suit :
  " Art. 74. Sont soumises à l'autorisation de la Banque les fusions entre établissements de monnaie électronique et les fusions entre établissements de monnaie électronique et d'autres établissements financiers.
  Sont, pour l'application du présent article , assimilées à des fusions, les cessions de l'activité et les cessions de l'ensemble ou d'une partie du réseau.
  La Banque ne peut refuser l'autorisation que dans les trois mois de la notification préalable qui lui a été faite du projet avec présentation d'un dossier complet, et pour des motifs tenant à la gestion saine et prudente de l'établissement de monnaie électronique. Si elle n'intervient pas dans le délai fixé ci-dessus, l'autorisation est réputée acquise. "
Art. 48. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 75 ingevoegd, luidende :
  " Art. 75. Iedere instelling voor elektronisch geld die op het grondgebied van een andere lidstaat van de EER een bijkantoor wenst te vestigen om er een activiteit van uitgifte van elektronisch geld uit te oefenen, of die voornemens is op het grondgebied van een andere lidstaat van de EER een activiteit van uitgifte van elektronisch geld uit te oefenen zonder er een bijkantoor te vestigen, stelt de Bank daarvan in kennis.
  Bij deze kennisgeving wordt een programma van werkzaamheden gevoegd, waarin met name de voorgenomen werkzaamheden en, in voorkomend geval, de andere werkzaamheden bedoeld in artikel 77, § 2, worden vermeld, alsook, in geval van oprichting van een bijkantoor, de organisatiestructuur van het bijkantoor, de domiciliëring van de correspondentie in de betrokken lidstaat en de naam van de leiders van het bijkantoor.
  De Bank kan zich verzetten tegen de uitvoering van het project bij beslissing die is ingegeven door de nadelige gevolgen van de opening van een bijkantoor op de organisatie, de financiële positie of het toezicht op de instelling voor elektronisch geld.
  De beslissing van de Bank wordt uiterlijk vier weken na de ontvangst van het volledige dossier met alle in het tweede lid bedoelde inlichtingen, met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de instelling voor elektronisch geld.
  Voor zover zij zich niet verzet, deelt de Bank binnen een maand na de ontvangst van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving, de in het tweede lid bedoelde informatie mee aan de autoriteit die in het betrokken land belast is met het toezicht op de instellingen voor elektronisch geld.
  Met uitzondering van het vijfde lid, geldt dit artikel eveneens voor de opening van bijkantoren in een staat die geen lid is van de EER, welke ook de geplande werkzaamheden voor deze bijkantoren zijn. In dit geval kan de Bank in overleg met de autoriteit die toezicht houdt op de instellingen voor elektronisch geld in die staat, regels vaststellen voor de opening van en het toezicht op het bijkantoor alsook voor de wenselijke informatie-uitwisseling tussen beide autoriteiten.
  Iedere instelling voor elektronisch geld die in het buitenland een bijkantoor heeft geopend, stelt de Bank ten minste één maand op voorhand in kennis van alle wijzigingen in de krachtens het tweede lid verstrekte inlichtingen. ".
Art. 48. Dans la même section 3, il est inséré un article 75 rédigé comme suit :
  " Art. 75. L'établissement de monnaie électronique qui projette d'ouvrir une succursale sur le territoire d'un autre Etat membre de l'EEE en vue d'y exercer une activité d'émission de monnaie électronique, ou qui projette d'exercer une activité d'émission de monnaie électronique sur le territoire d'un autre Etat membre de l'EEE sans y établir de succursale, notifie son intention à la Banque.
  Cette notification est assortie d'un programme d'activités dans lequel sont notamment indiqués les activités envisagées et, le cas échéant, les autres activités visées à l'article 77, § 2, et, dans le cas de l'établissement d'une succursale, la structure de l'organisation de la succursale, la domiciliation de la correspondance dans l'Etat concerné et le nom des dirigeants de la succursale.
  La Banque peut s'opposer à la réalisation du projet par décision motivée par les répercussions préjudiciables de l'ouverture de la succursale sur l'organisation, la situation financière ou le contrôle de l'établissement de monnaie électronique.
  La décision de la Banque est notifiée à l'établissement de monnaie électronique par lettre recommandée ou avec accusé de réception au plus tard quatre semaines après la réception du dossier complet comprenant les informations prévues à l'alinéa 2.
  Pour autant qu'elle ne formule pas d'opposition, la Banque communique, dans un délai d'un mois suivant la réception de la notification visée à l'alinéa 1er, l'information visée à l'alinéa 2 à l'autorité chargée du contrôle des établissements de monnaie électronique dans le pays concerné.
  Le présent articles'applique également, à l'exception de l'alinéa 5, à l'ouverture de succursales dans un Etat non membre de l'EEE, quelles que soient les activités que projettent d'exercer ces succursales. En ce cas, la Banque peut convenir avec l'autorité de contrôle des établissements de monnaie électronique de cet Etat des modalités d'ouverture et de contrôle de la succursale ainsi que des échanges d'informations souhaitables entre les deux autorités.
  L'établissement de monnaie électronique qui a ouvert une succursale à l'étranger informe la Banque au moins un mois à l'avance, des modifications affectant les informations communiquées en vertu de l'alinéa 2. "
Art. 49. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 76 ingevoegd, luidende :
  " Art. 76. § 1. Onverminderd artikel 63, derde lid, mogen instellingen voor elektronisch geld via distributeurs elektronisch geld overmaken en terugbetalen.
  § 2. Indien een instelling voor elektronisch geld elektronisch geld wenst over te maken in een andere lidstaat van de EER via een distributeur die in de genoemde staat is gevestigd, is artikel 75 van overeenkomstige toepassing.
  § 3. Instellingen voor elektronisch geld mogen betalingsdiensten aanbieden als bedoeld in artikel 77, § 2, 1°, via agenten. Artikel 20 is in dit geval van overeenkomstige toepassing.
  Instellingen voor elektronisch geld mogen geen elektronisch geld uitgeven via agenten.
  § 4. Instellingen voor elektronisch geld zijn volledig verantwoordelijk voor de handelingen die door hun distributeurs en agenten worden gesteld. ".
Art. 49. Dans la même section 3, il est inséré un article 76 rédigé comme suit :
  " Art. 76. § 1er. Sans préjudice de l'article 63, alinéa 3, les établissements de monnaie électronique sont autorisés à distribuer et à rembourser de la monnaie électronique par l'intermédiaire de distributeurs.
  § 2. Lorsqu'un établissement de monnaie électronique souhaite distribuer de la monnaie électronique dans un autre Etat membre de l'EEE, par l'intermédiaire d'un distributeur établi dans ledit Etat, l'article 75 s'applique par analogie.
  § 3. Les établissements de monnaie électronique sont autorisés à fournir les services de paiement visés à l'article 77, § 2, 1°, par l'intermédiaire d'agents. Dans ce cas, l'article 20 s'applique par analogie.
  Les établissements de monnaie électronique ne sont pas autorisés à émettre de la monnaie électronique par l'intermédiaire d'agents.
  § 4. Les établissements de monnaie électronique sont entièrement responsables des actes posés par leurs distributeurs et leurs agents. "
Art. 50. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 77 ingevoegd, luidende :
  " Art. 77. § 1. Instellingen voor elektronisch geld mogen andere werkzaamheden dan de uitgifte van elektronisch geld verrichten, mits de voorafgaandelijk toestemming van de Bank.
  Indien de Bank erin toestemt dat een instelling voor elektronisch geld andere werkzaamheden dan de uitgifte van elektronisch geld verricht, kan zij, onverminderd artikel 81, § 3, en gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid en een passende risicobeheersing door de instelling voor elektronisch geld of op de vereiste van een passend prudentieel toezicht op deze instelling, de uitoefening van andere werkzaamheden dan de uitgifte van elektronisch geld of de in § 2 bedoelde werkzaamheden aan aanvullende voorwaarden onderwerpen.
  Bovendien kan de Bank eisen dat de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en, in voorkomend geval, het betalingsdienstenbedrijf, ondergebracht worden in een afzonderlijke juridische entiteit, afgescheiden van deze die andere werkzaamheden uitoefent.
  § 2. In afwijking van § 1, eerste lid, en onverminderd artikel 72, paragraaf 2, derde lid, mogen instellingen voor elektronisch geld eveneens de volgende werkzaamheden uitoefenen :
  1° het verlenen van de betalingsdiensten die opgesomd zijn in bijlage I bij deze wet;
  2° het verrichten van operationele diensten en nevendiensten die nauw samenhangen met de uitgifte van elektronisch geld of het verlenen van de betalingsdiensten bedoeld in punt 1° ;
  3° het beheer van betalingssystemen, onverminderd artikel 49;
  § 3. Instellingen voor elektronisch geld mogen maar een krediet verlenen in verband met de betalingsdiensten bedoeld in de punten 4, 5 en 7 van bijlage I bij deze wet mits voldaan is aan de voorwaarden bedoeld in artikel 21, § 3.
  De kredieten bedoeld in het eerste lid mogen niet worden verleend uit de geldmiddelen die in ruil voor het elektronisch geld worden ontvangen en conform artikel 78, § 1, worden aangehouden.
  § 4. Instellingen voor elektronisch geld mogen geen gelddeposito's of andere terugbetaalbare gelden in de zin van artikel 1 van de bankwet ontvangen.
  § 5. Geldmiddelen die instellingen voor elektronisch geld van houders van elektronisch geld ontvangen, worden onverwijld gewisseld voor elektronisch geld.
  Dergelijke geldmiddelen zijn noch deposito's noch andere terugbetaalbare gelden in de zin van artikel 1 van de bankwet, op voorwaarde dat de verplichting bedoeld in het vorige lid vervuld is.
  Indien de verplichting bedoeld in het eerste lid niet vervuld is, wordt het in ontvangst nemen van die geldmiddelen gelijkgesteld met het ongeoorloofd in ontvangst nemen van gelddeposito's of andere terugbetaalbare gelden, met overtreding van § 4 en van artikel 68bis van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt.
  § 6. Artikel 21, §§ 4 en 5 is van toepassing op de geldmiddelen die worden ontvangen in het kader van de werkzaamheden bedoeld in § 2, 1°, die geen verband houden met de uitgifte van elektronisch geld.
  § 7. Instellingen voor elektronisch geld mogen, behoudens voorafgaande toestemming van de Bank, geen deelnemingen bezitten in handelsvennootschappen of in vennootschappen die de vorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen.
  Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor deelnemingen in vennootschappen die alle of een deel van de in § 2 bedoelde werkzaamheden inzake uitgifte van elektronisch geld, betalingsdiensten, nevendiensten in verband met de uitgifte van elektronisch geld of het verlenen van betalingsdiensten, of het beheer van betalingssystemen uitoefenen, of voor deelnemingen in vennootschappen waarvan het doel in hoofdzaak bestaat in het aanhouden van deelnemingen in dergelijke vennootschappen.
  Gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid en een passende risicobeheersing kan de Bank het nemen van deelnemingen aan voorwaarden onderwerpen. ".
Art. 50. Dans la même section 3, il est inséré un article 77 rédigé comme suit :
  " Art. 77. § 1er. Les établissements de monnaie électronique sont habilités à exercer des activités autres que l'émission de monnaie électronique, moyennant l'autorisation préalable de la Banque.
  Sans préjudice de l'article 81, § 3, si la Banque autorise un établissement de monnaie électronique à exercer des activités autres que l'émission de monnaie électronique, elle peut, en vue d'une gestion saine et prudente et d'une maîtrise des risques appropriée par l'établissement de monnaie électronique, ou pour les besoins d'un contrôle prudentiel adapté dudit établissement, subordonner à certaines conditions complémentaires l'exercice d'activités autres que l'émission de monnaie électronique ou les activités visées au § 2.
  En outre, la Banque peut exiger que l'exercice de l'activité d'émission de monnaie électronique et, le cas échéant, de services de paiement, soit logée dans une entité juridique distincte de l'entité exerçant d'autres activités.
  § 2. Par dérogation au § 1er, alinéa 1er, et sans préjudice de l'article 72, § 2, alinéa 3, les établissements de monnaie électronique sont habilités à exercer également les activités suivantes :
  1° la prestation des services de paiement énumérés à l'annexe Ire de la présente loi;
  2° la prestation de services opérationnels et de services auxiliaires étroitement liés à l'émission de monnaie électronique ou à la prestation de services de paiement visés au point 1° ;
  3° la gestion de systèmes de paiement, sans préjudice de l'article 49;
  § 3. Les établissements de monnaie électronique ne peuvent octroyer un crédit lié aux services de paiement visés aux points 4, 5 ou 7 de l'annexe Ire de la présente loi qu'aux conditions visées à l'article 21, § 3.
  Les crédits visés à l'alinéa 1er ne peuvent être octroyés sur la base des fonds reçus en contrepartie de monnaie électronique et détenus conformément à l'article 78, § 1er.
  § 4. Les établissements de monnaie électronique ne sont pas autorisés à exercer l'activité de réception de dépôts d'argent ou d'autres fonds remboursables au sens de l'article 1er de la loi bancaire.
  § 5. Les fonds reçus des détenteurs de monnaie électronique par des établissements de monnaie électronique sont échangés sans délai contre de la monnaie électronique.
  Ces fonds ne constituent pas des dépôts ou d'autres fonds remboursables au sens de l'article 1er de la loi bancaire, à condition que l'obligation visée à l'alinéa précédent soit respectée.
  A défaut de respecter l'obligation visée à l'alinéa 1er, la réception de ces fonds est assimilée à une réception de dépôts d'argent ou d'autres fonds remboursables illicite en violation du § 4 et de l'article 68bis de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques d'instruments de placement et aux admissions d'instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés.
  § 6. L'article 21, §§ 4 et 5 s'applique aux fonds reçus dans le cadre des activités visées au § 2, 1°, qui ne sont pas liées à l'activité d'émission de monnaie électronique.
  § 7. Les établissements de monnaie électronique ne peuvent, sauf autorisation préalable de la Banque, détenir des participations dans des sociétés commerciales ou ayant emprunté la forme d'une société commerciale.
  L'interdiction visée à l'alinéa 1er ne s'applique pas aux participations dans des sociétés exerçant en tout ou en partie des activités en matière d'émission de monnaie électronique, de services de paiement, de services auxiliaires à l'émission de monnaie électronique ou à la prestation de services de paiement, ou de gestion de systèmes de paiement, visés au § 2, ou dans des sociétés dont l'objet consiste à titre principal en la détention de participations dans de telles sociétés.
  En vue d'une gestion saine et prudente et d'une maîtrise adéquate des risques, la Banque peut soumettre la prise de participations à des conditions. ".
Art. 51. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 78 ingevoegd, luidende :
  " Art. 78. § 1. De geldmiddelen die in ruil voor het elektronisch geld door een instelling voor elektronisch geld worden ontvangen, moeten :
  a) in haar boekhouding afzonderlijk kunnen worden geïdentificeerd en nooit worden vermengd met andere geldmiddelen, en
  b) wanneer deze geldmiddelen op het einde van de werkdag volgend op de dag waarop zij zijn ontvangen nog steeds door de instelling voor elektronisch geld worden aangehouden :
  (i) worden gedeponeerd op een afzonderlijke gezamenlijke of geïndividualiseerde rekening bijeen of meer entiteiten die de hoedanigheid hebben van kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een lidstaat van de EER, of kredietinstelling gevestigd in de EER die ressorteert onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, of
  (ii) worden belegd in veilige, liquide activa met een lage risicograad, zoals bij reglement gedefinieerd door de Bank conform de bepalingen van artikel 7.2. van Richtlijn 2009/110/EG;
  c) ofwel naar tevredenheid van de Bank gedekt zijn door een verzekering, garantie of waarborg van een verzekeringsonderneming of kredietinstelling, die ressorteert onder het recht van een lidstaat van de EER of met vestiging in de EER en ressorterend onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, en die niet tot dezelfde groep behoort als de instelling voor elektronisch geld, voor een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat besteed geweest zou zijn met toepassing van punt b), en dat betaalbaar is ingeval de instelling voor elektronisch geld niet in staat is haar financiële verplichtingen na te komen.
  De in het eerste lid, b), (i) bedoelde entiteiten mogen op de gelden die op een afzonderlijke rekening zijn geplaatst, geen recht doen gelden ingevolge eigen vorderingen op de instelling voor elektronisch geld die deze rekening heeft geopend. Beslag onder derden door de schuldeisers van de instelling voor elektronisch geld op deze rekeningen en hun saldo is evenmin toegestaan.
  De Bank kan toestaan dat de in het eerste lid, b), bedoelde geldmiddelen gedeponeerd worden bij een kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een staat die geen lid is van de EER en die geen vestiging heeft in de EER, of dat de in het eerste lid, c) bedoelde verzekeringen, garanties en waarborgen verstrekt worden door een verzekeringsonderneming of kredietinstelling, die ressorteert onder het recht van staat die geen lid is van de EER en die geen vestiging heeft in de EER, indien deze kredietinstelling of verzekeringsonderneming onderworpen is aan een door een toezichthoudende autoriteit uitgeoefend toezicht dat gelijkwaardig is met het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en verzekeringsondernemingen zoals bepaald in de Europese regelgeving.
  Wanneer het elektronisch geld wordt verworven door middel van een betaalinstrument, moeten de geldmiddelen die in ruil voor het elektronisch geld worden ontvangen beschermd worden vanaf het moment dat de betaalrekening van de instelling voor elektronisch geld ermee gecrediteerd is of vanaf het moment dat ze op een andere manier ter beschikking worden gesteld van de instelling voor elektronisch geld, in voorkomend geval in overeenstemming met de vereisten op het vlak van uitvoeringstermijnen die zijn vastgelegd in de wet van 10 december 2009. Dergelijke middelen moeten in ieder geval worden veilig gesteld ten laatste na vijf werkdagen na de uitgifte van het elektronisch geld.
  De in het eerste lid, punt b), ii) bedoelde reglementen worden genomen overeenkomstig artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998.
  § 2. Wanneer een gedeelte van de geldmiddelen die in ruil voor het uitgegeven elektronisch geld worden ontvangen, mogelijkerwijs in het kader van andere werkzaamheden van de instelling voor elektronisch geld moet worden gebruikt, zijn de vereisten van § 1 niet van toepassing op dit gedeelte van de geldmiddelen. Wanneer dat gedeelte variabel is of niet van tevoren is gekend, kunnen de instellingen voor elektronisch geld dit bedrag berekenen op basis van een representatief gedeelte dat geacht wordt voor de uitgifte van elektronisch geld te worden gebruikt, mits het redelijkerwijs mogelijk is een dergelijk representatief gedeelte naar tevredenheid van de Bank op basis van historische gegevens te ramen.
  § 3. Artikel 22 is van toepassing op de instellingen voor elektronisch geld, voor de werkzaamheden bedoeld in artikel 77, § 2, 1° die geen verband houden met de uitgifte van elektronisch geld.
  § 4. Indien er een insolventieprocedure wordt geopend tegen de instelling voor elektronisch geld, worden de gelden die met toepassing van § 1, eerste lid, a) en b), op een afzonderlijke rekening zijn gedeponeerd, bij bijzonder voorrecht aangewend voor de terugbetaling van de geldmiddelen die zijn ontvangen in ruil voor het uitgegeven elektronisch geld.
  § 5. Instellingen voor elektronisch geld lichten de Bank op voorhand in over elke substantiële wijziging in de maatregelen die worden genomen in uitvoering van § 1. "
  § 6. Onverminderd de bevoegdheden van het wettelijke bestuursorgaan inzake vaststelling van het algemeen beleid als bepaald bij het Wetboek van vennootschappen, nemen de personen belast met de effectieve leiding van de instelling voor elektronisch geld, in voorkomend geval het directiecomité, onder toezicht van het wettelijke bestuursorgaan de nodige maatregelen voor de naleving van het bepaalde bij de §§ 1 en 2.
  Het wettelijke bestuursorgaan van de instelling voor elektronisch geld dient minstens jaarlijks te controleren of de instelling beantwoordt aan het bepaalde bij de §§ 1 en 2 en het eerste lid van deze paragraaf, en neemt kennis van de genomen passende maatregelen.
  De personen belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, lichten minstens jaarlijks het wettelijke bestuursorgaan, de Bank en de erkende commissaris in over de naleving van het bepaalde bij het eerste lid van deze paragraaf en over de genomen passende maatregelen.
  De informatieverstrekking aan de Bank en de erkende commissaris gebeurt volgens de modaliteiten die de Bank bepaalt. ".
Art. 51. Dans la même section 3, il est inséré un article 78 rédigé comme suit :
  " Art. 78. § 1er. Les fonds reçus par un établissement de monnaie électronique en échange de la monnaie électronique émise doivent :
  a) pouvoir être distinctement identifiés dans sa comptabilité et n'être jamais mélangés avec d'autres fonds, et
  b) lorsque ces fonds sont encore détenus par l'établissement de monnaie électronique à la fin du jour ouvrable suivant le jour où ils ont été reçus :
  (i) être déposés sur un compte global ou individualisé distinct auprès d'une ou plusieurs entités ayant la qualité d'établissement de crédit relevant du droit d'un Etat membre de l'EEE, ou d'établissement de crédit établi dans l'EEE et relevant du droit d'un Etat non membre de l'EEE, ou
  (ii) être investis en actifs à faible risque, liquides et sûrs, tels que définis par la Banque, conformément aux dispositions de l'article 7.2. de la Directive 2009/110/CE, par voie de règlement;
  c) ou être couverts, d'une manière jugée satisfaisante par la Banque, par une assurance, une garantie ou une caution d'une entreprise d'assurances ou d'un établissement de crédit relevant du droit d'un Etat membre de l'EEE ou disposant d'un établissement dans l'EEE et relevant du droit d'un Etat non membre de l'EEE, laquelle entreprise d'assurances ou lequel établissement de crédit ne peut appartenir au même groupe que l'établissement de monnaie électronique, pour un montant qui est égal au montant qui aurait été affecté en application du point b), et qui est payable si l'établissement de monnaie électronique n'est pas en mesure d'honorer ses obligations financières.
  Les entités visées à l'alinéa 1er, b), (i) ne peuvent, sur les fonds déposés sur un compte distinct, faire valoir de droit résultant de créances propres sur l'établissement de monnaie électronique qui a ouvert ce compte. De même, ces comptes et leur solde ne peuvent faire l'objet d'aucune saisie-arrêt par les créanciers de l'établissement de monnaie électronique.
  La Banque peut autoriser que les fonds visés à l'alinéa 1er, b), soient déposés auprès d'un établissement de crédit relevant du droit d'un Etat non membre de l'EEE et ne disposant pas d'un établissement dans l'EEE, ou que les assurances, garanties ou cautions visées à l'alinéa 1er, c), soient fournies par une entreprise d'assurances ou un établissement de crédit relevant du droit d'un Etat non membre de l'EEE et ne disposant pas d'un établissement dans l'EEE, si cet établissement de crédit ou cette entreprise d'assurances est soumis(e) à un contrôle exercé par une autorité de contrôle qui soit équivalent au contrôle prudentiel des établissements de crédit et des entreprises d'assurances défini dans la réglementation européenne.
  Lorsque la monnaie électronique est acquise par le moyen d'un instrument de paiement, la protection afférente aux fonds reçus en échange de la monnaie électronique ne doit être assurée qu'à partir du moment où les fonds sont portés au crédit du compte de paiement de l'établissement de monnaie électronique ou mis par tout autre moyen à la disposition de l'établissement de monnaie électronique, le cas échéant, conformément aux dispositions relatives au délai d'exécution énoncées dans la loi du 10 décembre 2009. En tout état de cause, ces fonds doivent être protégés au plus tard cinq jours ouvrables après l'émission de la monnaie électronique.
  Les règlements visés à l'alinéa 1er, point b), ii) sont pris conformément à l'article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998.
  § 2. Lorsqu'une partie des fonds reçus en échange de la monnaie électronique émise est potentiellement destinée à être utilisée dans le cadre d'autres activités de l'établissement de monnaie électronique, cette partie des fonds ne relève pas des obligations au titre du § 1er. Si cette partie est variable ou ne peut être déterminée à l'avance, les établissements de monnaie électronique peuvent calculer ce montant en supposant qu'une partie représentative des fonds servira à l'émission de monnaie électronique, à condition que, sur la base de données historiques, il soit raisonnablement possible d'estimer cette partie représentative d'une manière jugée satisfaisante par la Banque.
  § 3. L'article 22 s'applique aux établissements de monnaie électronique pour les activités visées à l'article 77, § 2, 1° qui ne sont pas liées à l'activité d'émission de monnaie électronique.
  § 4. En cas de procédure d'insolvabilité ouverte à l'encontre de l'établissement de monnaie électronique, les espèces déposées sur un compte distinct en application du § 1er, alinéa 1er, a) et b), sont affectées par privilège spécial au remboursement des fonds reçus en échange de la monnaie électronique émise.
  § 5. Les établissements de monnaie électronique informent la Banque à l'avance de tout changement significatif affectant les mesures prises en exécution du § 1er. "
  § 6. Sans préjudice des pouvoirs dévolus à l'organe légal d'administration en ce qui concerne la détermination de la politique générale, tels que prévus par le Code des sociétés, les personnes chargées de la direction effective de l'établissement de monnaie électronique, le cas échéant le comité de direction, prennent, sous la surveillance de l'organe légal d'administration, les mesures nécessaires pour assurer le respect des §§ 1er et 2.
  L'organe légal d'administration de l'établissement de monnaie électronique doit contrôler au moins une fois par an si l'établissement se conforme aux dispositions des §§ 1er et 2 et de l'alinéa 1er du présent paragraphe, et prend connaissance des mesures adéquates prises.
  Les personnes chargées de la direction effective, le cas échéant le comité de direction, font rapport au moins une fois par an à l'organe légal d'administration, à la Banque et au commissaire agréé sur le respect des dispositions de l'alinéa 1er du présent paragraphe et sur les mesures adéquates prises.
  Ces informations sont transmises à la Banque et au commissaire agréé selon les modalités que la Banque détermine. "
Art. 52. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 79 ingevoegd, luidende :
  " Art. 79. Instellingen voor elektronisch geld kunnen belangrijke operationele taken met betrekking tot de uitgifte van elektronisch geld of het verlenen van betalingsdiensten slechts uitbesteden onder de hiernavolgende voorwaarden :
  a) zij stellen de Bank hiervan voorafgaandelijk in kennis;
  b) de uitbesteding leidt er niet toe dat de hoogste leiding van de instelling voor elektronisch geld haar verantwoordelijkheden delegeert;
  c) de relatie van de instelling voor elektronisch geld met de houders van elektronisch geld en de verplichtingen die zij jegens hen heeft uit hoofde van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, worden niet gewijzigd;
  d) de naleving van de voorwaarden waaraan de instelling voor elektronisch geld moet voldoen om een vergunning te verkrijgen en te behouden, mag niet worden ondermijnd;
  e) geen van de andere voorwaarden waaronder de vergunning aan de instelling voor elektronisch geld is verleend, mag worden opgeheven of gewijzigd;
  f) de uitbesteding mag geen wezenlijke afbreuk doen aan de kwaliteit van de interne controle van de instelling voor elektronisch geld en aan het vermogen van de Bank om te controleren of de instelling voor elektronisch geld voldoet aan haar verplichtingen.
  Bij de uitbesteding van werkzaamheden blijven de instellingen voor elektronisch geld volledig verantwoordelijk voor de handelingen die gesteld zijn door de dienstverlener. "
Art. 52. Dans la même section 3, il est inséré un article 79 rédigé comme suit :
  " Art. 79. Les établissements de monnaie électronique ne peuvent externaliser des tâches opérationnelles importantes relatives à l'activité d'émission de monnaie électronique, ou de prestation de services de paiement qu'aux conditions suivantes :
  a) ils en informent préalablement la Banque;
  b) l'externalisation n'entraîne aucune délégation de la responsabilité de la direction générale de l'établissement de monnaie électronique;
  c) la relation de l'établissement de monnaie électronique avec les détenteurs de monnaie électronique et les obligations qu'il a envers eux en vertu de la présente loi et des arrêtés et règlements pris en exécution de celle-ci ne sont pas modifiées;
  d) le respect des conditions que l'établissement de monnaie électronique est tenu de remplir pour recevoir puis conserver son agrément n'est pas altéré;
  e) aucune des autres conditions auxquelles l'agrément de l'établissement de monnaie électronique a été subordonné n'est supprimée ou modifiée;
  f) l'externalisation ne peut pas être faite d'une manière qui nuise sérieusement à la qualité du contrôle interne de l'établissement de monnaie électronique et qui empêche la Banque de contrôler le respect, par l'établissement de monnaie électronique, de ses obligations.
  Dans l'externalisation d'activités, les établissements de monnaie électronique demeurent entièrement responsables des actes posés par le prestataire de services. "
Art. 53. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 80 ingevoegd, luidende :
  " Art. 80. De instelling voor elektronisch geld legt periodiek aan de Bank een gedetailleerde financiële staat voor. Die staat wordt opgemaakt overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld door de Bank, die ook de rapporteringsfrequentie bepaalt. Bovendien kan de Bank eisen dat haar geregeld andere cijfergegevens of uitleg worden verstrekt, zodat zij kan nagaan of de bepalingen van deze wet of de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen zijn nageleefd.
  De effectieve leiding van de instelling voor elektronisch geld, in voorkomend geval het directiecomité, verklaart aan de Bank dat de voornoemde periodieke staten, die haar in voorkomend geval aan het einde van het eerste halfjaar en in elk geval aan het einde van het boekjaar worden bezorgd door de instelling, in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen. Daartoe is vereist dat de periodieke staten volledig zijn, d.w.z. dat zij alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en dat zij juist zijn, d.w.z. dat zij de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld. De effectieve leiding bevestigt het nodige gedaan te hebben opdat de voornoemde staten volgens de geldende richtlijnen van de Bank worden opgemaakt, en worden opgesteld met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening, of, voor de periodieke rapporteringsstaten die geen betrekking hebben op het einde van het boekjaar, met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar.
  Na advies van de Bank bepaalt de Koning volgens welke regels alle instellingen voor elektronisch geld of categorieën van instellingen voor elektronisch geld :
  1° hun boekhouding voeren, inventarisramingen verrichten en hun jaarrekening opmaken en openbaar maken;
  2° hun geconsolideerde jaarrekening opmaken, controleren en openbaar maken en het jaar- en controleverslag over deze geconsolideerde jaarrekening opmaken en openbaar maken.
  Voor bepaalde categorieën van instellingen voor elektronisch geld of in bijzondere gevallen kan de Bank met redenen omklede afwijkingen toestaan van de in het eerste en derde lid bedoelde besluiten en reglementen, voor alle instellingen voor elektronisch geld die zich in vergelijkbare omstandigheden bevinden.
  De instellingen voor elektronisch geld leggen hun jaarrekening en hun geconsolideerde jaarrekening neer bij de Bank.
  De in dit artikel bedoelde besluiten en reglementen worden genomen na raadpleging van de instellingen voor elektronisch geld, in voorkomend geval via hun representatieve beroepsverenigingen. ".
Art. 53. Dans la même section 3, il est inséré un article 80 rédigé comme suit :
  " Art. 80. Les établissements de monnaie électronique communiquent périodiquement à la Banque une situation financière détaillée. Celle-ci est établie conformément aux règles fixées par la Banque, qui en détermine également la fréquence. La Banque peut, en outre, prescrire la transmission régulière d'autres informations chiffrées ou descriptives nécessaires à la vérification du respect des dispositions de la présente loi ou des arrêtés et règlements pris en exécution de celles-ci.
  La direction effective de l'établissement de monnaie électronique, le cas échéant le comité de direction, déclare à la Banque que les états périodiques précités qui lui sont transmis par l'établissement le cas échéant à la fin du premier semestre social et en tout état de cause à la fin de l'exercice social, sont conformes à la comptabilité et aux inventaires. Il est à cet effet requis que les états périodiques soient complets, c'est-à-dire qu'ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu'ils soient corrects, c'est-à-dire qu'ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis. La direction effective confirme avoir fait le nécessaire pour que les états précités soient établis selon les instructions en vigueur de la Banque, ainsi que par application des règles de comptabilisation et d'évaluation présidant à l'établissement des comptes annuels, ou, s'agissant des états périodiques qui ne se rapportent pas à la fin de l'exercice, par application des règles de comptabilisation et d'évaluation qui ont présidé à l'établissement des comptes annuels afférents au dernier exercice.
  Le Roi détermine, sur avis de la Banque, pour l'ensemble des établissements de monnaie électronique ou par catégorie d'établissements de monnaie électronique :
  1° les règles selon lesquelles les établissements de monnaie électronique tiennent leur comptabilité, procèdent aux évaluations d'inventaire et établissent et publient leurs comptes annuels;
  2° les règles à respecter par les établissements de monnaie électronique pour l'établissement, le contrôle et la publication de leurs comptes consolidés, ainsi que pour l'établissement et la publication des rapports de gestion et de contrôle relatifs à ces comptes consolidés.
  La Banque peut, pour certaines catégories d'établissements de monnaie électronique ou dans des cas spéciaux, autoriser des dérogations motivées aux arrêtés et règlements visés aux alinéas 1er et 3, pour tous les établissements de monnaie électronique se trouvant dans des circonstances comparables.
  Les établissements de monnaie électronique déposent leurs comptes annuels et leurs comptes consolidés à la Banque.
  Les arrêtés et règlements visés au présent articlesont pris après consultation des établissements de monnaie électronique, le cas échéant représentés par leurs associations professionnelles. "
Art. 54. In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 30, wordt een afdeling 4 ingevoegd, luidende " Afdeling 4 - Toezicht op de instellingen voor elektronisch geld ".
Art. 54. Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er de la même loi, inséré par l'article 30, il est inséré une section 4 intitulée " Section 4. - Contrôle des établissements de monnaie électronique ".
Art. 55. In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1, Afdeling 4 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 54, wordt een artikel 81 ingevoegd, luidende :
  " Art. 81. § 1. De instellingen voor elektronisch geld zijn onderworpen aan het toezicht van de Bank.
  De Bank ziet erop toe dat elke instelling voor elektronisch geld doorlopend werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen. Het toezicht door de Bank staat in verhouding tot en is afgestemd op de aard, de omvang en de complexiteit van de door de instelling voor elektronisch geld verrichte werkzaamheden, en de eraan verbonden risico's.
  § 2. De Bank kan zich door de instellingen voor elektronisch geld alle inlichtingen doen verstrekken over hun organisatie, werking, financiële positie en verrichtingen. Met dat doel kan de Bank zich ook inlichtingen doen verstrekken door agenten of distributeurs van instellingen voor elektronisch geld, door dienstverleners als bedoeld in artikel 4, 17° en door andere entiteiten waaraan taken zijn uitbesteed.
  De Bank kan bij instellingen voor elektronisch geld ter plaatse inspecties verrichten en ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van elk gegeven in bezit van de instelling voor elektronisch geld :
  1° om na te gaan of de wettelijke en reglementaire bepalingen op het statuut van deinstellingen voor elektronisch geld zijn nageleefd en of de boekhouding en de jaarrekening, alsmede de haar door de instelling voor elektronisch geld voorgelegde staten en andere inlichtingen, juist en waarheidsgetrouw zijn;
  2° om het passende karakter te toetsen van de beleidsstructuren, de administratieve en boekhoudkundige organisatie en de interne controle van de instelling voor elektronisch geld;
  3° om zich ervan te vergewissen dat het beleid van de instelling voor elektronisch geld gezond en voorzichtig is, en dat haar positie of haar verrichtingen haar liquiditeit, rendabiliteit of solvabiliteit niet in gevaar kunnen brengen.
  Met dat doel kan de Bank ook ter plaatse inspecties verrichten bij agenten of distributeurs van instellingen voor elektronisch geld, dienstverleners als bedoeld in artikel 4, 17° en andere entiteiten waaraan taken zijn uitbesteed, en ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van elk gegeven in hun bezit.
  § 3. Het toezicht van de Bank slaat evenwel niet op de door een instelling voor elektronisch geld verrichte andere werkzaamheden dan de uitgifte van elektronisch geld, de werkzaamheden bedoeld in artikel 77, § 2, 1° en 2°, en het bezit van deelnemingen als bedoeld in artikel 77, § 7, tenzij dit vereist is voor het toezicht op de naleving door de instelling voor elektronisch geld van de bepalingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen. ".
Art. 55. Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er, Section 4 de la même loi, insérée par l'article 54, il est inséré un article 81 rédigé comme suit :
  " Art. 81. § 1er. Les établissements de monnaie électronique sont soumis au contrôle de la Banque.
  La Banque veille à ce que chaque établissement de monnaie électronique opère en permanence conformément aux dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution. Le contrôle exercé par la Banque est proportionné et adéquat, au regard de la nature, du volume et de la complexité des activités de l'établissement de monnaie électronique, ainsi que des risques y afférents.
  § 2. La Banque peut se faire communiquer par les établissements de monnaie électronique toutes informations relatives à leur organisation, à leur fonctionnement, à leur situation financière et à leurs opérations. A cette fin, la Banque peut également se faire communiquer des informations par les agents ou distributeurs d'établissements de monnaie électronique, par les prestataires de services visés à l'article 4, 17° et par d'autres entités vers lesquelles des tâches sont externalisées.
  La Banque peut procéder auprès des établissements de monnaie électronique à des inspections sur place et prendre connaissance et copie, sans déplacement, de toute information détenue par l'établissement de monnaie électronique, en vue :
  1° de vérifier le respect des dispositions légales et réglementaires relatives au statut des établissements de monnaie électronique ainsi que l'exactitude et la sincérité de la comptabilité et des comptes annuels ainsi que des états et autres informations qui lui sont transmis par l'établissement de monnaie électronique;
  2° de vérifier le caractère adéquat des structures de gestion, de l'organisation administrative et comptable et du contrôle interne de l'établissement de monnaie électronique;
  3° de s'assurer que la gestion de l'établissement de monnaie électronique est saine et prudente et que sa situation ou ses opérations ne sont pas de nature à mettre en péril sa liquidité, sa rentabilité ou sa solvabilité.
  A cette fin, la Banque peut également procéder à des inspections sur place auprès des agents ou distributeurs d'établissements de monnaie électronique, des prestataires de services visés à l'article 4, 17° et d'autres entités vers lesquelles des tâches sont externalisées, et prendre connaissance et copie, sans déplacement, de toute information détenue par ces derniers.
  § 3. Le contrôle de la Banque ne porte toutefois pas sur les activités de l'établissement de monnaie électronique autres que l'activité d'émission de monnaie électronique, la prestation d'activités visées à l'article 77, § 2, 1° et 2°, et la détention de participations visée à l'article 77, § 7, sauf dans la mesure requise pour le contrôle du respect par l'établissement de monnaie électronique des dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution. ".
Art. 56. In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 82 ingevoegd, luidende :
  " Art. 82. Relaties tussen een instelling voor elektronisch geld, haar agent of haar distributeur en een bepaalde cliënt behoren niet tot de bevoegdheid van de Bank, tenzij het toezicht op de instelling voor elektronisch geld dit vergt. ".
Art. 56. Dans la même section 4, il est inséré un article 82 rédigé comme suit :
  " Art. 82. La Banque ne connaît des relations entre l'établissement de monnaie électronique, son agent ou son distributeur et un client déterminé que dans la mesure requise pour le contrôle de l'établissement de monnaie électronique. ".
Art. 57. In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 83 ingevoegd, luidende :
  " Art. 83. De Bank kan bij de bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht, evenals bij agenten, distributeurs, dienstverleners als bedoeld in artikel 4, 17° en andere entiteiten waaraan taken zijn uitbesteed, die in het buitenland zijn gevestigd, na voorafgaande kennisgeving aan de autoriteiten die in de betrokken staat belast zijn met het toezicht op de instellingen voor elektronisch geld, de in artikel 81, § 1, derde lid, bedoelde inspecties verrichten, alsook alle inspecties met als doel de gegevens over de leiding en het beleid van het bijkantoor, alsook alle gegevens die het toezicht op de instelling voor elektronisch geld kunnen vergemakkelijken, inzonderheid op het vlak van haar financiële positie, administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle, ter plaatse in te zamelen of te toetsen.
  Met hetzelfde doel en na kennisgeving aan de in het eerste lid bedoelde autoriteiten, kan de Bank een deskundige die zij aanstelt, gelasten alle nuttige controles en onderzoeken te verrichten. De bezoldiging en de kosten van deze deskundige worden door de instelling voor elektronisch geld gedragen. De bezoldiging en de kosten van deze deskundige worden door de instelling voor elektronisch geld gedragen.
  Evenzo kan de Bank deze autoriteiten verzoeken bepaalde van de in het eerste lid bedoelde controles en onderzoeken te verrichten. ".
Art. 57. Dans la même section 4, il est inséré un article 83 rédigé comme suit :
  " Art. 83. La Banque peut procéder auprès des succursales des établissements de monnaie électronique de droit belge, des agents, des distributeurs, des prestataires de services visés à l'article 4, 17° et des autres entités vers lesquelles des tâches sont externalisées, établis à l'étranger, moyennant l'information préalable des autorités de l'Etat concerné chargées du contrôle des établissements de monnaie électronique, aux inspections visées à l'article 81, § 1er, alinéa 3, ainsi qu'à toute inspection en vue de recueillir ou de vérifier sur place les informations relatives à la direction et à la gestion de la succursale ainsi que toutes informations susceptibles de faciliter le contrôle de l'établissement de monnaie électronique, spécialement sur le plan de sa situation financière, de son organisation administrative et comptable et de son contrôle interne.
  Elle peut, aux mêmes fins, et après en avoir avisé les autorités de contrôle visées à l'alinéa 1er, charger un expert, qu'elle désigne, d'effectuer les vérifications et expertises utiles. La rémunération et les frais de l'expert sont à charge de l'établissement de monnaie électronique.
  Elle peut, de même, demander à ces autorités de procéder aux vérifications et expertises visées à l'alinéa 1er qu'elle leur précise. ".
Art. 58. In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 84 ingevoegd, luidende :
  " Art. 84. De artikelen 28 tot 32 zijn van toepassing op de instellingen voor elektronisch geld. ".
Art. 58. Dans la même section 4, il est inséré un article 84 rédigé comme suit :
  " Art. 84. Les articles 28 à 32 s'appliquent aux établissements de monnaie électronique. ".
Art. 59. In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 85 ingevoegd, luidende :
  " Art. 85. De erkende commissarissen verlenen hun medewerking aan het toezicht van de Bank, op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig dit artikel , volgens de regels van het vak en de richtlijnen van de Bank. Daartoe :
  1° beoordelen zij de internecontrolemaatregelen die de instellingen voor elektronisch geld hebben getroffen overeenkomstig de artikelen 69, § 3, eerste lid en 79, eerste lid, f), en delen zij hun bevindingen ter zake mee aan de Bank;
  2° brengen zij verslag uit bij de Bank over :
  a) de resultaten van het beperkt nazicht van de periodieke staten die de instellingen voor elektronisch geld aan het einde van het eerste halfjaar aan de Bank bezorgen, waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet in alle materieel belangrijke opzichten volgens de geldende richtlijnen van de Bank werden opgesteld. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde halfjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, in die zin dat zij volledig zijn, d.w.z. dat zij alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en dat zij juist zijn, d.w.z. dat zij de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet zijn opgesteld met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar; de Bank kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen;
  b) de resultaten van de controle van de periodieke staten die de instellingen voor elektronisch geld aan het einde van het boekjaar aan de Bank bezorgen, waarin bevestigd wordt dat de periodieke staten in alle materieel belangrijke opzichten werden opgesteld volgens de geldende richtlijnen van de Bank. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, in die zin dat zij volledig zijn, d.w.z. dat zij alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en dat zij juist zijn, d.w.z. dat zij de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar werden opgesteld met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening; de Bank kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen;
  3° brengen zij bij de Bank op haar verzoek een bijzonder verslag uit over de organisatie, de werkzaamheden en de financiële structuur van de instelling voor elektronisch geld; de kosten voor de opstelling van dit verslag worden door de instelling voor elektronisch geld gedragen;
  4° brengen zij, in het kader van hun opdracht bij een instelling voor elektronisch geld of een revisorale opdracht bij een met een instelling voor elektronisch geld verbonden onderneming, op eigen initiatief verslag uit bij de Bank, zodra zij kennis krijgen van :
  a) beslissingen, feiten of ontwikkelingen die de positie van de instelling voor elektronisch geld financieel of op het vlak van haar administratieve en boekhoudkundige organisatie of van haar interne controle, op betekenisvolle wijze beïnvloeden of kunnen beïnvloeden;
  b) beslissingen of feiten die kunnen wijzen op een overtreding van het Wetboek van vennootschappen, de statuten, deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen;
  c) andere beslissingen of feiten die kunnen leiden tot een weigering van de certificering van de jaarrekening of tot het formuleren van voorbehoud;
  5° brengen zij minstens eenmaal per jaar verslag uit aan de Bank over de deugdelijkheid van de maatregelen die de instelling voor elektronisch geld heeft getroffen ter vrijwaring van de geldmiddelen die zij van houders van elektronisch geld ontvangt, met toepassing van artikel 78, §§ 1 en 2.
  Tegen erkende commissarissen die te goeder trouw informatie hebben verstrekt als bedoeld in het eerste lid, 4°, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken.
  De erkende commissarissen delen aan de leiders van de instelling voor elektronisch geld de verslagen mee die zij aan de Bank richten overeenkomstig het eerste lid, 3°. Voor deze mededeling geldt de geheimhoudingsplicht zoals geregeld bij artikel 35 van de wet van 22 februari 1998. Zij bezorgen de Bank een kopie van de mededelingen die zij aan deze leiders richten en die betrekking hebben op zaken die van belang kunnen zijn voor het toezicht dat zij uitoefent.
  De erkende commissarissen en de erkende revisorenvennootschappen mogen bij de buitenlandse bijkantoren van de instelling waarop zij toezicht houden, het toezicht uitoefenen en de onderzoeken verrichten die bij hun opdracht horen.
  Zij kunnen door de Bank, op verzoek van de Europese Centrale Bank, worden gelast te bevestigen dat de gegevens die de instellingen voor elektronisch geld aan deze autoriteiten moeten verstrekken, volledig, juist en conform de geldende regels zijn opgesteld. ".
Art. 59. Dans la même section 4, il est inséré un article 85 rédigé comme suit :
  " Art. 85. Les commissaires agréés collaborent au contrôle exercé par la Banque, sous leur responsabilité personnelle et exclusive et conformément au présent article , aux règles de la profession et aux instructions de la Banque. A cette fin :
  1° ils évaluent les mesures de contrôle interne adoptées par les établissements de monnaie électronique conformément aux articles 69, § 3, alinéa 1er et 79, alinéa 1er, f), et ils communiquent leurs conclusions en la matière à la Banque;
  2° ils font rapport à la Banque sur :
  a) les résultats de l'examen limité des états périodiques transmis par les établissements de monnaie électronique à la Banque à la fin du premier semestre social, confirmant qu'ils n'ont pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que ces états périodiques n'ont pas, sous tous égards significativement importants, été établis selon les instructions en vigueur de la Banque. Ils confirment en outre que les états périodiques arrêtés en fin de semestre sont, pour ce qui est des données comptables, sous tous égards significativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu'ils sont complets, c'est-à-dire qu'ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu'ils sont corrects, c'est-à-dire qu'ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis; ils confirment également n'avoir pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que les états périodiques arrêtés en fin de semestre n'ont pas été établis par application des règles de comptabilisation et d'évaluation qui ont présidé à l'établissement des comptes annuels afférents au dernier exercice; la Banque peut préciser quels sont en l'occurrence les états périodiques visés;
  b) les résultats du contrôle des états périodiques transmis par les établissements de monnaie électronique à la Banque à la fin de l'exercice social, confirmant que ces états périodiques ont, sous tous égards significativement importants, été établis selon les instructions en vigueur de la Banque. Ils confirment en outre que les états périodiques arrêtés en fin d'exercice sont, pour ce qui est des données comptables, sous tous égards significativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu'ils sont complets, c'est-à-dire qu'ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu'ils sont corrects, c'est-à-dire qu'ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis; ils confirment également que les états périodiques arrêtés en fin d'exercice ont été établis par application des règles de comptabilisation et d'évaluation présidant à l'établissement des comptes annuels; la Banque peut préciser quels sont en l'occurrence les états périodiques visés;
  3° ils font à la Banque, à sa demande, des rapports spéciaux portant sur l'organisation, les activités et la structure financière de l'établissement de monnaie électronique, rapports dont les frais d'établissement sont supportés par l'établissement de monnaie électronique;
  4° dans le cadre de leur mission auprès de l'établissement de monnaie électronique ou d'une mission révisorale auprès d'une entreprise liée à l'établissement de monnaie électronique, ils font d'initiative rapport à la Banque dès qu'ils constatent :
  a) des décisions, des faits ou des évolutions qui influencent ou peuvent influencer de façon significative la situation de l'établissement de monnaie électronique sous l'angle financier ou sous l'angle de son organisation administrative et comptable ou de son contrôle interne;
  b) des décisions ou des faits qui peuvent constituer des violations du Code des sociétés, des statuts, de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution;
  c) des autres décisions ou des faits qui sont de nature à entraîner le refus ou des réserves en matière de certification des comptes;
  5° ils font rapport au moins tous les ans à la Banque sur l'adéquation des dispositions prises par les établissements de monnaie électronique pour préserver les fonds qu'ils reçoivent des détenteurs de monnaie électronique, en application de l'article 78, §§ 1er et 2.
  Aucune action civile, pénale ou disciplinaire ne peut être intentée ni aucune sanction professionnelle prononcée contre les commissaires agréés qui ont procédé de bonne foi à une information visée sous le 4° a l'alinéa 1er, 4°.
  Les commissaires agréés communiquent aux dirigeants de l'établissement de monnaie électronique les rapports qu'ils adressent à la Banque conformément à l'alinéa 1er, 3°. Ces communications tombent sous le secret organisé par l'article 35 de la loi du 22 février 1998. Ils transmettent à la Banque copie des communications qu'ils adressent à ces dirigeants et qui portent sur des questions de nature à intéresser le contrôle exercé par elle.
  Les commissaires agréés et les sociétés de réviseurs agréées peuvent effectuer les vérifications et expertises relevant de leurs fonctions auprès des succursales à l'étranger de l'établissement qu'ils contrôlent.
  Ils peuvent être chargés par la Banque, à la demande de la Banque Centrale Européenne, de confirmer que les informations que les établissements de monnaie électronique sont tenus de communiquer à ces autorités sont complètes, correctes et établies selon les règles qui s'y appliquent. ".
Art. 60. In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 30, wordt een afdeling 5 ingevoegd, luidende " Afdeling 5 - Uitzonderlijke maatregelen en sancties ten aanzien van instellingen voor elektronisch geld ".
Art. 60. Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er de la même loi, inséré par l'article 30, il est inséré une section 5 intitulée " Section 5 - Mesures exceptionnelles et sanctions à l'égard des établissements de monnaie électronique ".
Art. 61. In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 1, Afdeling 5 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 60, wordt een artikel 86 ingevoegd, luidende :
  " Art. 86. Bij beslissing die met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis wordt gebracht, trekt de Bank de vergunning in van instellingen voor elektronisch geld die hun bedrijf niet binnen twaalf maanden na het verlenen van de vergunning hebben aangevat, hun werkzaamheden gedurende meer dan zes maanden hebben gestaakt, afstand doen van hun vergunning, failliet zijn verklaard of hun bedrijf hebben stopgezet.
  De Bank maakt alle beslissingen tot intrekking van een vergunning bekend op haar website. ".
Art. 61. Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 1er, Section 5 de la même loi, insérée par l'article 60, il est inséré un article 86 rédigé comme suit :
  " Art. 86. La Banque radie, par décision notifiée par lettre recommandée ou avec accusé de réception, l'agrément des établissements de monnaie électronique qui n'ont pas entamé leurs activités dans les douze mois de l'agrément, qui renoncent à l'agrément, qui ont arrêté leurs activités pendant une période supérieure à six mois, qui ont été déclarés en faillite ou qui ont cessé d'exercer leurs activités.
  La Banque rend publique, sur son site internet, toute décision de radiation d'un agrément. ".
Art. 62. In dezelfde afdeling 5 wordt een artikel 87 ingevoegd, luidende :
  " Art. 87. § 1. Wanneer de Bank vaststelt dat een instelling voor elektronisch geld niet werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, dat haar beleid of financiële positie de goede afloop van haar verbintenissen in het gedrang dreigt te brengen of niet voldoende waarborgen biedt voor haar solvabiliteit, liquiditeit of rendabiliteit, dat haar beleidsstructuren, haar administratieve of boekhoudkundige organisatie, haar netwerk van agenten, distributeurs of bijkantoren, of haar interne controle ernstige leemten vertonen, of dat de voortzetting van haar bedrijf een bedreiging vormt voor de stabiliteit van het betalingssysteem, stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen.
  Indien de toestand na deze termijn niet is verholpen, kan de Bank :
  1° een speciaal commissaris aanstellen.
  In dit geval is voor alle handelingen en beslissingen van alle organen van de instelling, inclusief de algemene vergadering, alsook voor die van de personen die instaan voor het beleid, zijn schriftelijke, algemene of bijzondere toestemming vereist; de verrichtingen waarvoor een toestemming is vereist, kan de Bank evenwel beperken.
  De speciaal commissaris mag elk voorstel dat hij nuttig acht aan alle organen van de instelling voorleggen, inclusief de algemene vergadering. De bezoldiging van de speciaal commissaris wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de instelling.
  De leden van de bestuurs- en de beleidsorganen en de personen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen zonder de vereiste toestemming van de speciaal commissaris, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voor de instelling of voor derden voortvloeit.
  Indien de Bank de aanstelling van een speciaal commissaris in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, met opgave van de handelingen en beslissingen waarvoor zijn toestemming is vereist, zijn alle handelingen en beslissingen zonder deze vereiste toestemming nietig, tenzij de speciaal commissaris die bekrachtigt. Onder dezelfde voorwaarden zijn alle beslissingen van de algemene vergadering zonder de vereiste toestemming van de speciaal commissaris nietig, tenzij hij die bekrachtigt.
  De Bank kan een plaatsvervangend commissaris aanstellen;
  2° voor de termijn die zij bepaalt, de rechtstreekse of onrechtstreekse uitoefening van het bedrijf van de instelling voor elektronisch geld geheel of ten dele schorsen dan wel verbieden; deze schorsing kan, in de door de Bank bepaalde mate, de volledige of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de lopende overeenkomsten tot gevolg hebben.
  De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de personen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen ondanks de schorsing, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voor de instelling voor elektronisch geld of voor derden voortvloeit.
  Indien de Bank de schorsing in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, zijn alle hiermee strijdige handelingen en beslissingen nietig.
  De Bank kan een instelling voor elektronisch geld tevens gelasten deelnemingen over te dragen die zij in voorkomend geval bezit overeenkomstig artikel 77, § 7;
  3° inzake solvabiliteit, strengere vereisten opleggen dan deze bedoeld in artikel 72;
  4° de vervanging gelasten van bestuurders of zaakvoerders van de instelling voor elektronisch geld binnen een termijn die zij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen vervanging geschiedt, in de plaats van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de instelling een of meer voorlopige bestuurders of zaakvoerders aanstellen die alleen of collegiaal, naargelang van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen personen. De Bank maakt haar beslissing bekend in het Belgisch Staatsblad.
  De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de instelling voor elektronisch geld.
  De Bank kan op elk tijdstip de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of vennoten, wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet meer de nodige waarborgen biedt;
  5° de vergunning herroepen. De Bank maakt alle beslissingen tot herroeping van een vergunning bekend op haar website.
  Bij uiterste hoogdringendheid kan de Bank de in deze paragraaf bedoelde maatregelen nemen zonder dat vooraf een hersteltermijn wordt vastgesteld.
  § 2. De in § 1 bedoelde beslissingen van de Bank hebben voor de instelling voor elektronisch geld uitwerking vanaf de datum van hun kennisgeving met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs en, voor derden, vanaf de datum van hun bekendmaking overeenkomstig paragraaf 1.
  § 3. Wanneer de Bank kennis heeft van het feit dat een instelling voor elektronisch geld, haar agenten of haar distributeurs een bijzonder mechanisme hebben ingesteld met als doel of gevolg fiscale fraude door derden te bevorderen, zijn § 1, eerste en tweede lid, 2°, en § 2 van toepassing.
  Wanneer de Bank vaststelt dat de gegevens bedoeld in artikel 20, § 1, die haar door een instelling voor elektronisch geld zijn verstrekt krachtens artikel 76, § 3, onjuist of onvolledig zijn, kan zij de inschrijving van de agent op de lijst bedoeld in artikel 64 schorsen of schrappen.
  § 4. § 1, eerste lid, en § 2 zijn niet van toepassing bij intrekking van de vergunning van een failliet verklaarde instelling voor elektronisch geld. ".
Art. 62. Dans la même section 5, il est inséré un article 87 rédigé comme suit :
  " Art. 87. § 1er. Lorsque la Banque constate qu'un établissement de monnaie électronique ne fonctionne pas en conformité avec les dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, que sa gestion ou sa situation financière sont de nature à mettre en cause la bonne fin de ses engagements ou n'offrent pas des garanties suffisantes sur le plan de sa solvabilité, de sa liquidité ou de sa rentabilité, que ses structures de gestion, son organisation administrative ou comptable, son réseau d'agents, de distributeurs ou de succursales, ou son contrôle interne présentent des lacunes graves, ou que la poursuite de ses activités représente une menace pour la stabilité du système de paiement, elle fixe le délai dans lequel il doit être remédié à la situation constatée.
  Si, au terme de ce délai, il n'a pas été remédié à la situation, la Banque peut :
  1° désigner un commissaire spécial.
  Dans ce cas, l'autorisation écrite, générale ou spéciale de celui-ci est requise pour tous les actes et décisions de tous les organes de l'établissement, y compris l'assemblée générale, et pour ceux des personnes chargées de la gestion; la Banque peut toutefois limiter le champ des opérations soumises à autorisation.
  Le commissaire spécial peut soumettre à la délibération de tous les organes de l'établissement, y compris l'assemblée générale, toutes propositions qu'il juge opportunes. La rémunération du commissaire spécial est fixée par la Banque et supportée par l'établissement.
  Les membres des organes d'administration et de gestion et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent des actes ou prennent des décisions sans avoir recueilli l'autorisation requise du commissaire spécial sont responsables solidairement du préjudice qui en est résulté pour l'établissement ou les tiers.
  Si la Banque a publié au Moniteur belge la désignation du commissaire spécial et spécifié les actes et décisions soumis à son autorisation, les actes et décisions intervenus sans cette autorisation alors qu'elle était requise sont nuls, à moins que le commissaire spécial ne les ratifie. Dans les mêmes conditions toute décision d'assemblée générale prise sans avoir recueilli l'autorisation requise du commissaire spécial est nulle, à moins que le commissaire spécial ne la ratifie.
  La Banque peut désigner un commissaire suppléant;
  2° suspendre pour la durée qu'elle détermine l'exercice direct ou indirect de tout ou partie de l'activité de l'établissement de monnaie électronique ou interdire cet exercice; cette suspension peut, dans la mesure déterminée par la Banque, impliquer la suspension totale ou partielle de l'exécution des contrats en cours.
  Les membres des organes d'administration et de gestion et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent des actes ou prennent des décisions en violation de la suspension sont responsables solidairement du préjudice qui en est résulté pour l'établissement de monnaie électronique ou les tiers.
  Si la Banque a publié la suspension au Moniteur belge, les actes et décisions intervenus à l'encontre de celle-ci sont nuls.
  La Banque peut, de même, enjoindre à un établissement de monnaie électronique de céder des participations qu'il détient, le cas échéant, conformément à l'article 77, § 7;
  3° imposer, en matière de solvabilité, des exigences plus strictes que celles visées à l'article 72;
  4° enjoindre le remplacement des administrateurs ou gérants de l'établissement de monnaie électronique dans un délai qu'elle détermine et, à défaut d'un tel remplacement dans ce délai, substituer à l'ensemble des organes d'administration et de gestion de l'établissement un ou plusieurs administrateurs ou gérants provisoires qui disposent, seuls ou collégialement selon le cas, des pouvoirs des personnes remplacées. La Banque publie sa décision au Moniteur belge.
  La rémunération du ou des administrateurs ou gérants provisoires est fixée par la Banque et supportée par l'établissement de monnaie électronique.
  La Banque peut, à tout moment, remplacer le ou les administrateurs ou gérants provisoires, soit d'office, soit à la demande d'une majorité des actionnaires ou associés lorsqu'ils justifient que la gestion des intéressés ne présente plus les garanties nécessaires;
  5° révoquer l'agrément. La Banque rend publique, sur son site internet, toute décision de révocation d'un agrément.
  En cas d'extrême urgence, la Banque peut adopter les mesures visées au présent paragraphe sans qu'un délai de redressement ne soit préalablement fixé.
  § 2. Les décisions de la Banque visées au § 1er produisent leurs effets à l'égard de l'établissement de monnaie électronique à dater de leur notification à celui-ci par lettre recommandée ou avec accusé de réception et, à l'égard des tiers, à dater de leur publication conformément au paragraphe 1er.
  § 3. Le § 1er, alinéas 1er et 2, 2°, et le § 2 sont applicables au cas où la Banque a connaissance du fait qu'un établissement de monnaie électronique, ses agents ou ses distributeurs ont mis en place un mécanisme particulier ayant pour but ou pour effet de favoriser la fraude fiscale par des tiers.
  Lorsque la Banque constate que les renseignements visés à l'article 20, § 1er, qui lui ont été communiqués par un établissement de monnaie électronique en vertu de l'article 76, § 3, sont inexacts ou incomplets, elle peut suspendre ou radier l'inscription de l'agent sur la liste visée à l'article 64.
  § 4. Le § 1er, alinéa 1er, et le § 2 ne sont pas applicables en cas de radiation de l'agrément d'un établissement de monnaie électronique déclaré en faillite. ".
Art. 63. In dezelfde afdeling 5 wordt een artikel 88 ingevoegd, luidende :
  " Art. 88. Wanneer de autoriteiten die toezicht houden op de instellingen voor elektronisch geld in een andere lidstaat van de EER, waar een instelling voor elektronisch geld naar Belgisch recht een beroep doet op een agent of voornemens is dit te doen, de Bank ervan in kennis stellen dat zij goede redenen hebben om te vermoeden dat geld wordt of werd witgewassen of terrorisme gefinancierd wordt of werd, of dat gepoogd wordt of gepoogd werd geld wit te wassen of terrorisme te financieren in de zin van Richtlijn 2005/60/EG, of dat het feit dat op een agent een beroep wordt gedaan, het risico op witwassen van geld of financiering van terrorisme zou kunnen verhogen, neemt de Bank zo spoedig mogelijk de vereiste maatregelen bedoeld in artikel 87, § 1. Artikel 87, § 2, is eveneens van toepassing.
  In dat geval kan de Bank eisen dat de instelling voor elektronisch geld niet langer een beroep doet op de betrokken agent en kan zij de inschrijving van de agent, als bedoeld in artikel 20, § 2, hetzij weigeren, hetzij schrappen. ".
Art. 63. Dans la même section 5, il est inséré un article 88 rédigé comme suit :
  " Art. 88. Lorsque les autorités de contrôle des établissements de monnaie électronique d'un autre Etat membre de l'EEE dans lequel un établissement de monnaie électronique de droit belge recourt à un agent, ou envisage de le faire, informent la Banque qu'elles ont de bonnes raisons de soupçonner qu'une opération ou une tentative de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme au sens de la Directive 2005/60/CE est en cours ou a eu lieu, ou que le recours à l'agent pourrait accroître le risque de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme, la Banque prend, dans les plus brefs délais, celles des mesures visées à l'article 87, § 1er, qui s'imposent. L'article 87, § 2, est également d'application.
  La Banque peut, dans ce cas, exiger que l'établissement de monnaie électronique ne recoure plus à l'agent concerné et peut soit refuser, soit radier l'inscription de l'agent visée à l'article 20, § 2. ".
Art. 64. In dezelfde afdeling 5 wordt een artikel 89 ingevoegd, luidende :
  " Art. 89. De Bank brengt onmiddellijk ter kennis van de autoriteiten die toezicht houden op de instellingen voor elektronisch geld in andere lidstaten van de EER waar een instelling voor elektronisch geld naar Belgisch recht een bijkantoor heeft gevestigd of werkzaamheden verricht in het kader van het vrij verrichten van diensten, welke beslissingen zij overeenkomstig de artikelen 86, 87 en 88 heeft genomen. Zij houdt deze autoriteiten op de hoogte van de behandeling van het beroep tegen deze beslissingen. ".
Art. 64. Dans la même section 5, il est inséré un article 89 rédigé comme suit :
  " Art. 89. La Banque informe sans délai les autorités de contrôle des établissements de monnaie électronique des autres Etats membres de l'EEE dans lesquels un établissement de monnaie électronique de droit belge a établi une succursale ou exerce des activités sous le régime de la libre prestation de services, des décisions qu'elle a prises conformément aux articles 86, 87 et 88. Elle tient ces autorités informées des suites données aux recours pris contre ces décisions. ".
Art. 65. In dezelfde afdeling 5 wordt een artikel 90 ingevoegd, luidende :
  " Art. 90. De instellingen voor elektronisch geld waarvan de vergunning is ingetrokken of herroepen op grond van deze wet, blijven onderworpen aan deze wet tot hun verbintenissen ten aanzien van de houders van elektronisch geld, en, in voorkomend geval, van de betalingsdienstgebruikers, zijn vereffend, tenzij de Bank hen vrijstelt van bepaalde voorschriften.
  Dit artikel is niet van toepassing bij intrekking van de vergunning van een failliet verklaarde instelling voor elektronisch geld. ".
Art. 65. Dans la même section 5, il est inséré un article 90 rédigé comme suit :
  " Art. 90. Les établissements de monnaie électronique dont l'agrément a été radié ou révoqué en vertu de la présente loi, restent soumis à cette loi jusqu'à la liquidation de leurs engagements vis-à-vis des détenteurs de monnaie électronique, et le cas échéant, des utilisateurs de services de paiement, à moins que la Banque ne les en dispense pour certaines dispositions.
  Le présent article n'est pas applicable en cas de radiation de l'agrément d'un établissement de monnaie électronique déclaré en faillite. ".
Art. 66. In Boek 3, Titel 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 29, wordt een Hoofdstuk 2 ingevoegd, luidende : " HOOFDSTUK 2. -. Bijkantoren en dienstverrichtingen in België van instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de EER ".
Art. 66. Dans le Livre 3, Titre 2 de la même loi, inséré par l'article 29, il est inséré un Chapitre 2, intitulé : " CHAPITRE 2. - Succursales et activités de prestation de services en Belgique des établissements de monnaie électronique relevant du droit d'un autre Etat membre de l'EEE ".
Art. 67. In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 66, wordt een artikel 91 ingevoegd, luidende :
  " Art. 91. Iedere instelling voor elektronisch geld die ressorteert onder het recht van een andere lidstaat van de EER en op grond van haar nationaal recht elektronisch geld mag uitgeven in haar land van herkomst, mag deze werkzaamheden in België aanvatten, hetzij via de vestiging van een bijkantoor, hetzij in het kader van het vrij verrichten van diensten, zodra de Bank de betrokken instelling ervan in kennis heeft gesteld dat zij de mededeling van de toezichthoudende autoriteiten van het land van herkomst van deze instelling heeft ontvangen, met opgave van de werkzaamheden die deze instelling in België wenst uit te oefenen. Binnen drie werkdagen na ontvangst van de mededeling stelt de Bank de betrokken instelling voor elektronisch geld hiervan in kennis. Bij gebrek aan kennisgeving binnen deze termijn mag de instelling voor elektronisch geld de voorgenomen werkzaamheden aanvatten, na de Bank hiervan op de hoogte te hebben gebracht. De Bank maakt op haar website de lijst bekend van de instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de EER en in België actief zijn of verwijst naar de website van de bevoegde autoriteit in het land van herkomst van deze instellingen voor elektronisch geld.
  Bij de uitoefening van haar bedrijf in België vermeldt een in het eerste lid bedoelde instelling voor elektronisch geld naast haar naam, haar land van herkomst en, indien zij werkzaam is in het kader van het vrij verrichten van diensten, haar maatschappelijke zetel. ".
Art. 67. Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 2, inséré par l'article 66, il est inséré un article 91 rédigé comme suit :
  " Art. 91. Les établissements de monnaie électronique relevant du droit d'un autre Etat membre de l'EEE, qui sont habilités en vertu de leur droit national à émettre de la monnaie électronique dans leur Etat d'origine peuvent entamer ces activités en Belgique, soit par voie d'installation de succursales, soit sous le régime de la libre prestation de services, dès que la Banque a notifié à ces établissements la réception de la communication qui lui a été faite par l'autorité de contrôle de l'Etat d'origine de ces établissements portant sur les activités qu'ils entendent exercer en Belgique. La notification est adressée par la Banque à l'établissement de monnaie électronique intéressé dans les trois jours ouvrables de la réception de la communication. A défaut de notification dans ce délai, l'établissement de monnaie électronique peut entamer les activités annoncées, après en avoir informé la Banque. La Banque publie sur son site internet la liste des établissements de monnaie électronique qui relèvent du droit d'un autre Etat membre de l'EEE et qui exercent des activités en Belgique, ou renvoie au site internet de l'autorité compétente dans l'Etat d'origine de ces établissements de monnaie électronique.
  Ces établissements de monnaie électronique font, dans l'exercice de leur activité en Belgique, accompagner leur dénomination de la mention de leur Etat d'origine et, en cas de libre prestation de services, de leur siège social. ".
Art. 68. In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel 92 ingevoegd, luidende :
  " Art. 92. § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk doen geen afbreuk aan de naleving, bij de uitgifte van elektronisch geld, of, in voorkomend geval, bij het aanbieden en uitvoeren van betalingsdiensten, van de wettelijke en reglementaire bepalingen die in België van toepassing zijn op de instellingen voor elektronisch geld en hun verrichtingen, om redenen van algemeen belang.
  De Bank deelt aan de in artikel 91 bedoelde instelling voor elektronisch geld mee welke bepalingen naar haar weten van algemeen belang zijn.
  De bepalingen van dit hoofdstuk doen evenmin afbreuk aan de naleving van de wettelijke en reglementaire bepalingen die in België van toepassing zijn op andere werkzaamheden dan de uitgifte van elektronisch geld en het verrichten van betalingsdiensten.
   § 2. De leiders van het bijkantoor brengen minstens eenmaal per jaar verslag uit aan de Bank en aan de erkende revisor of de erkende revisorenvennootschap, over de deugdelijkheid van de internecontrolemaatregelen die de bijkantoren hebben getroffen om zich te conformeren aan de bepalingen die krachtens § 1 van toepassing zijn. "
Art. 68. Dans le même Chapitre 2, il est inséré un article 92 rédigé comme suit :
  " Art. 92 § 1er. Les dispositions du présent chapitre ne portent pas préjudice au respect, lors de l'émission de monnaie électronique, ou le cas échéant, lors de la fourniture et de l'exécution de services de paiement, des dispositions légales et réglementaires applicables en Belgique aux établissements de monnaie électronique et à leurs opérations pour des raisons d'intérêt général.
  La Banque donne aux établissements de monnaie électronique visés à l'article 91 communication des dispositions qui, à sa connaissance, ont ce caractère.
  Les dispositions du présent chapitre ne portent pas davantage préjudice au respect des dispositions légales et réglementaires applicables, en Belgique, aux activités autres que l'émission de monnaie électronique et la prestation de services de paiement.
  § 2. Les dirigeants de la succursale font rapport au moins une fois par an à la Banque et au réviseur agréé ou à la société de réviseurs agréée sur l'adéquation des mesures de contrôle interne adoptées par les succursales en vue de se conformer aux dispositions applicables en vertu du § 1er. "
Art. 69. In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel 93 ingevoegd, luidende :
  " Art. 93. De in artikel 91 bedoelde instellingen voor elektronisch geld bezorgen aan de Bank, volgens de frequentie die zij bepaalt, voor statistische doeleinden bestemde periodieke verslagen over de verrichtingen die hun in België gevestigde bijkantoren in België uitvoeren. Artikel 80, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
  Na advies van Bank bepaalt de Koning volgens welke regels de in artikel 91 bedoelde bijkantoren :
  1° hun boekhouding voeren en inventarisramingen verrichten;
  2° hun jaarrekening opmaken;
  3° de jaarlijkse boekhoudkundige gegevens in verband met hun verrichtingen openbaar maken. "
Art. 69. Dans le même Chapitre 2, il est inséré un article 93 rédigé comme suit :
  " Art. 93. Les établissements de monnaie électronique visés à l'article 91 transmettent à la Banque, selon la périodicité que celle-ci détermine, des rapports périodiques à des fins statistiques relatifs aux opérations effectuées, dans le pays, par leurs succursales établies en Belgique. L'article 80, alinéa 2, s'applique par analogie.
  Le Roi détermine, sur avis de la Banque, les règles selon lesquelles les succursales visées à l'article 91 :
  1° tiennent leur comptabilité et procèdent aux évaluations d'inventaire;
  2° établissent des comptes annuels;
  3° publient des informations comptables annuelles relatives à leurs opérations. "
Art. 70. In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel 94 ingevoegd, luidende :
  " Art. 94. § 1. De in artikel 91 bedoelde bijkantoren zijn onderworpen aan het toezicht van de Bank voor het bepaalde in de artikelen 92 en 93, voor zover de Bank bevoegd is voor de in deze bepalingen voorkomende aspecten. De artikelen 81 en 82 zijn dienovereenkomstig van toepassing.
  Op verzoek van de toezichthoudende autoriteiten van het land van herkomst van de instelling voor elektronisch geld mag de Bank, als een vorm van bijstand aan deze autoriteiten, bij deze bijkantoren inspecties verrichten, die zowel op de in het eerste lid als op de in artikel 83, eerste lid, bedoelde aspecten kunnen slaan. De kosten van deze inspecties en controles worden gedragen door de autoriteit die erom verzoekt.
  Bij dringende noodzaak en met onmiddellijke kennisgeving aan de toezichthoudende autoriteiten van het land van herkomst van de instelling voor elektronisch geld, kan de Bank nagaan of het bedrijf van het bijkantoor in België in overeenstemming is met de van toepassing zijnde wetgeving.
  § 2. De buitenlandse autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht op de instellingen voor elektronisch geld die in België een bijkantoor hebben geopend als bedoeld in artikel 91 mogen, na voorafgaande kennisgeving aan de Bank, de in artikel 83, eerste lid, bedoelde gegevens in deze bijkantoren controleren of op hun kosten laten controleren door deskundigen die zij aanstellen. "
Art. 70. Dans le même Chapitre 2, il est inséré un article 94 rédigé comme suit :
  " Art. 94. § 1er. Les succursales visées à l'article 91 sont soumises au contrôle de la Banque aux fins prévues par les articles 92 et 93, dans la mesure où les matières visées par ces dispositions relèvent de la compétence de la Banque. Les articles 81 et 82 sont applicables dans cette mesure.
  La Banque peut accepter de se charger, à la demande des autorités de contrôle de l'Etat d'origine de l'établissement de monnaie électronique, d'effectuer auprès de ces succursales des inspections dans un but d'assistance à ces autorités, portant tant sur les matières visées à l'alinéa 1er que sur celles visées à l'article 83, alinéa 1er. Les frais entraînés par ces inspections et vérifications sont à la charge de l'autorité requérante.
  En cas d'urgence et moyennant avis donné aussitôt à l'autorité de contrôle de l'Etat d'origine de l'établissement de monnaie électronique, la Banque peut vérifier que l'activité de la succursale en Belgique est conforme à la législation qui lui est applicable.
  § 2. Les autorités étrangères compétentes pour le contrôle des établissements de monnaie électronique ayant ouvert en Belgique une succursale visée à l'article 91 peuvent, moyennant un avis préalable donné à la Banque, procéder ou faire procéder, à leurs frais, par des experts qu'elles désignent, à la vérification, auprès de ces succursales, des informations visées à l'article 83, alinéa 1er. "
Art. 71. In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel 95 ingevoegd, luidende :
  " Art. 95. § 1. De leiders van de in artikel 91 bedoelde bijkantoren stellen een of meer door de Bank erkende revisoren of erkende revisorenvennootschappen aan voor een hernieuwbare termijn van drie jaar.
  De artikelen 31 en 32, eerste tot vierde lid, zijn van toepassing op deze revisoren en vennootschappen. Vooraleer een erkende revisor of een erkende revisorenvennootschap van zijn of haar opdracht wordt ontslaan, moet het advies van de Bank worden ingewonnen.
  § 2. De overeenkomstig § 1 aangestelde erkende revisoren of erkende revisorenvennootschappen verlenen hun medewerking aan het toezicht van de Bank, op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig deze paragraaf, volgens de regels van het vak en de richtlijnen van de Bank. Daartoe :
  1° beoordelen zij de internecontrolemaatregelen die de bijkantoren hebben getroffen met het oog op de naleving van de wetten, besluiten en reglementen die krachtens artikel 93 van toepassing zijn op de bijkantoren, en delen zij hun bevindingen mee aan de Bank;
  2° brengen zij verslag uit bij de Bank over :
  a) de resultaten van het beperkt nazicht van de periodieke staten die de in artikel 91 bedoelde bijkantoren aan het einde van het eerste halfjaar aan de Bank bezorgen, waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet in alle materieel belangrijke opzichten volgens de geldende richtlijnen van de Bank werden opgesteld. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde halfjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, in die zin dat zij volledig zijn, d.w.z. dat zij alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en dat zij juist zijn, d.w.z. dat zij de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet zijn opgesteld met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar; de Bank kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen;
  b) de resultaten van de controle van de periodieke staten die de in artikel 91 bedoelde bijkantoren aan het einde van het boekjaar aan de Bank bezorgen, waarin bevestigd wordt dat de periodieke staten in alle materieel belangrijke opzichten werden opgesteld volgens de geldende richtlijnen van de Bank. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, in die zin dat zij volledig zijn, d.w.z. dat zij alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en dat zij juist zijn, d.w.z. dat zij de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar werden opgesteld met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening; de Bank kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen.
  Zij kunnen door de Bank, op verzoek van de Europese Centrale Bank, worden gelast ook de gegevens te bevestigen die de bijkantoren aan deze autoriteiten moeten verstrekken met toepassing van artikel 93, eerste lid;
  3° brengen zij bij de Bank periodiek verslag uit of, op haar verzoek, bijzonder verslag uit over de organisatie, de werkzaamheden en de financiële structuur van de bijkantoren met betrekking tot de aangelegenheden waarvoor de Bank bevoegd is;
  4° brengen zij op eigen initiatief verslag uit bij de Bank, over aspecten waarvoor zij bevoegd is, alsook in het kader van de samenwerking met de autoriteiten die toezicht houden op de centrale zetel, zodra zij kennis krijgen van :
  a) beslissingen, feiten of ontwikkelingen die de positie van het bijkantoor financieel of op het vlak van zijn administratieve en boekhoudkundige organisatie of van zijn interne controle, op betekenisvolle wijze beïnvloeden of kunnen beïnvloeden;
  b) beslissingen of feiten die kunnen wijzen op een overtreding van de bepalingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen of andere wetten en reglementen die op hun bedrijf in België van toepassing zijn, voor zover de in deze bepalingen bedoelde aangelegenheden tot de bevoegdheid van de Bank behoren;
  5° brengen zij bij de Bank, op haar verzoek, verslag uit, wanneer een andere Belgische overheid haar ter kennis brengt dat een wetgeving van algemeen belang die voor het bijkantoor geldt, werd overtreden.
  Tegen erkende revisoren die te goeder trouw informatie hebben verstrekt als bedoeld in het eerste lid, 4°, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken.
  Zij delen aan de leiders van het bijkantoor de verslagen mee die zij aan de Bank richten overeenkomstig het eerste lid, 3°. Voor deze mededeling geldt de geheimhoudingsplicht zoals geregeld bij artikel 35 van de wet van 22 februari 1998. Zij bezorgen de Bank een kopie van de mededelingen die zij aan deze leiders richten en die betrekking hebben op aspecten waarvoor de Bank toezichtsbevoegdheid heeft.
  In bijkantoren waar een ondernemingsraad is opgericht met toepassing van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, oefenen de erkende revisoren of de erkende revisorenvennootschappen de in artikel 15bis van deze wet bedoelde opdrachten uit.
  Op verzoek en op kosten van de toezichthoudende autoriteiten van het land van herkomst van het bijkantoor, mogen zij als een vorm van bijstand aan deze autoriteiten en na voorafgaande kennisgeving aan de Bank, in dit bijkantoor toezicht uitoefenen op de in de artikelen 83, eerste lid, en 94, § 1, bedoelde aspecten.
  § 3. De erkende revisoren of de erkende revisorenvennootschappen certificeren de krachtens artikel 93, tweede lid, openbaar gemaakte jaarlijkse boekhoudkundige gegevens. "
Art. 71. Dans le même Chapitre 2, il est inséré un article 95 rédigé comme suit :
  " Art. 95. § 1er. Les dirigeants des succursales visées à l'article 91 désignent, pour des durées renouvelables de trois ans, un ou plusieurs réviseurs agréés ou une ou plusieurs sociétés de réviseurs agréées par la Banque.
  Les articles 31 et 32, alinéas 1er à 4, sont applicables à ces réviseurs et sociétés. La révocation des fonctions des réviseurs agréés et sociétés de réviseurs agréées est soumise à l'avis préalable de la Banque.
  § 2. Les réviseurs agréés ou sociétés de réviseurs agréées, désignés conformément au § 1er, collaborent au contrôle exercé par la Banque, sous leur responsabilité personnelle et exclusive et conformément au présent paragraphe, aux règles de la profession et aux instructions de la Banque. A cette fin :
  1° ils évaluent les mesures de contrôle interne adoptées par les succursales en vue du respect des lois, arrêtés et règlements applicables aux succursales en vertu de l'article 93, et ils communiquent leurs conclusions à la Banque;
  2° ils font rapport à la Banque sur :
  a) les résultats de l'examen limité des états périodiques transmis par les succursales visées à l'article 91 à la Banque à la fin du premier semestre social, confirmant qu'ils n'ont pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que ces états périodiques n'ont pas, sous tous égards significativement importants, été établis selon les instructions en vigueur de la Banque. Ils confirment en outre que les états périodiques arrêtés en fin de semestre sont, pour ce qui est des données comptables, sous tous égards significativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu'ils sont complets, c'est-à-dire qu'ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu'ils sont corrects, c'est-à-dire qu'ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis; ils confirment également n'avoir pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que les états périodiques arrêtés en fin de semestre n'ont pas été établis par application des règles de comptabilisation et d'évaluation qui ont présidé à l'établissement des comptes annuels afférents au dernier exercice; la Banque peut préciser quels sont en l'occurrence les états périodiques visés;
  b) les résultats du contrôle des états périodiques transmis par les succursales visées à l'article 91 à la Banque à la fin de l'exercice social, confirmant que ces états périodiques ont, sous tous égards significativement importants, été établis selon les instructions en vigueur de la Banque. Ils confirment en outre que les états périodiques arrêtés en fin d'exercice sont, pour ce qui est des données comptables, sous tous égards significativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu'ils sont complets, c'est-à-dire qu'ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu'ils sont corrects, c'est-à-dire qu'ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis; ils confirment également que les états périodiques arrêtés en fin d'exercice ont été établis par application des règles de comptabilisation et d'évaluation présidant à l'établissement des comptes annuels; la Banque peut préciser quels sont en l'occurrence les états périodiques visés.
  Ils peuvent être chargés par la Banque, à la demande de la Banque centrale européenne, de confirmer, de même, les informations que les succurcales sont tenues de communiquer à ces autorités par application de l'article 93, alinéa 1er;
  3° ils font à la Banque des rapports périodiques ou, à sa demande, des rapports spéciaux portant sur l'organisation, les activités et la structure financière des succursales dans les domaines de compétence de la Banque à l'égard de celles-ci;
  4° ils font d'initiative rapport à la Banque dans les domaines de compétence de celle-ci ainsi qu'en vue de la collaboration avec l'autorité de contrôle du siège central, dès qu'ils constatent :
  a) des décisions, des faits ou des évolutions qui influencent ou peuvent influencer de façon significative la situation de la succursale sous l'angle financier ou sous l'angle de son organisation administrative et comptable ou de son contrôle interne;
  b) des décisions ou des faits qui peuvent constituer des violations des dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution ou des autres lois et règlements applicables à leur activité en Belgique dans la mesure où les matières visées par ces dispositions relèvent de la compétence de la Banque;
  5° ils font rapport à la Banque, sur la demande de celle-ci, lorsqu'elle est saisie par une autre autorité belge de violations à des législations d'intérêt général applicables à la succursale.
  Aucune action civile, pénale ou disciplinaire ne peut être intentée ni aucune sanction professionnelle prononcée contre les réviseurs agréés qui ont procédé de bonne foi à une information à 4° à l'alinéa 1er, 4°.
  Ils communiquent aux dirigeants de la succursale les rapports qu'ils adressent à la Banque conformément à l'alinéa 1er, 3°. Ces communications tombent sous le secret prévu par l'article 35 de la loi du 22 février 1998. Ils transmettent à la Banque copie des communications qu'ils adressent à ces dirigeants sur des questions rentrant dans le domaine de contrôle de la Banque.
  Dans les succursales où un conseil d'entreprise est institué en application de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, les réviseurs agréés ou sociétés de réviseurs agréées assurent les fonctions prévues par l'article 15bis de cette loi.
  Ils peuvent, moyennant l'information préalable de la Banque, accepter de se charger, à la demande et aux frais des autorités de contrôle de l'Etat d'origine de la succursale, d'effectuer auprès de cette succursale dans un but d'assistance à ces autorités, des vérifications portant sur les matières visées aux articles 83, alinéa 1er, et 94, § 1er.
  § 3. Les réviseurs agréés ou sociétés de réviseurs agréées certifient les informations comptables annuelles publiées en vertu de l'article 93, alinéa 2. "
Art. 72. In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel 96 ingevoegd, luidende :
  " Art. 96. Wanneer de Bank vaststelt dat een instelling voor elektronisch geld die ressorteert onder het recht van een andere lidstaat van de EER en die in België werkzaam is via een bijkantoor of via het verrichten van diensten, zich niet conformeert aan de in België geldende wettelijke en reglementaire bepalingen die tot de bevoegdheidssfeer van de Bank behoren, maant zij de instelling voor elektronisch geld aan om de vastgestelde toestand binnen de door haar bepaalde termijn te verhelpen.
  Indien de toestand na deze termijn niet is verholpen, brengt de Bank haar opmerkingen ter kennis van de toezichthoudende autoriteit van het land van herkomst van de instelling voor elektronisch geld.
  Wanneer de Bank goede redenen heeft om te vermoeden dat door een agent van een instelling voor elektronisch geld, geld wordt of werd witgewassen of terrorisme gefinancierd wordt of werd, of dat gepoogd wordt of gepoogd werd geld wit te wassen of terrorisme te financieren in de zin van Richtlijn 2005/60/EG, of dat zijn werkzaamheden het risico op witwassen van geld of financiering van terrorisme zouden kunnen verhogen, stelt zij de autoriteiten die toezicht houden op die instelling voor elektronisch geld hiervan in kennis. "
Art. 72. Dans le même Chapitre 2, il est inséré un article 96 rédigé comme suit :
  " Art. 96. Lorsque la Banque constate qu'un établissement de monnaie électronique relevant du droit d'un autre Etat membre de l'EEE et opérant en Belgique par l'intermédiaire d'une succursale ou par voie de prestation de services ne se conforme pas aux dispositions légales et réglementaires applicables en Belgique dans le domaine de compétence de la Banque, elle met l'établissement de monnaie électronique en demeure de remédier, dans le délai qu'elle détermine, à la situation constatée.
  Si, au terme de ce délai, il n'a pas été remédié à la situation, la Banque saisit de ses observations l'autorité de contrôle de l'Etat d'origine de l'établissement de monnaie électronique.
  Lorsque la Banque a de bonnes raisons de soupçonner qu'une opération ou une tentative de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme au sens de la Directive 2005/60/CE est en cours ou a eu lieu dans le chef d'un agent d'un établissement de monnaie électronique ou que ses activités pourraient accroître le risque de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme, elle en informe les autorités chargées du contrôle de l'établissement de monnaie électronique en question. ".
Art. 73. In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een artikel 97 ingevoegd, luidende :
  " Art. 97. De Bank kan de autoriteiten die toezicht houden op een instelling voor elektronisch geld die ressorteert onder het recht van een andere lidstaat van de EER, meedelen om welke redenen zij van oordeel is dat de positie van het bijkantoor van deze instelling in België niet de nodige waarborgen biedt voor een goede administratieve of boekhoudkundige organisatie of interne controle.
  Bij intrekking of herroeping van de vergunning van een instelling voor elektronisch geld door de toezichthoudende autoriteiten van haar land van herkomst, beveelt de Bank, na deze autoriteiten hiervan in kennis te hebben gesteld, de sluiting van het bijkantoor dat deze instelling in België heeft gevestigd. Indien nodig kan zij een voorlopige zaakvoerder aanstellen die gemachtigd is in het belang van de schuldeisers alle bewarende maatregelen te treffen. "
Art. 73. Dans le même Chapitre 2, il est inséré un article 97 rédigé comme suit :
  " Art. 97. La Banque peut communiquer à l'autorité de contrôle d'un établissement de monnaie électronique relevant du droit d'un autre Etat membre de l'EEE les raisons qu'elle a de considérer que la situation de la succursale en Belgique de cet établissement ne présente pas les garanties nécessaires sur le plan de la bonne organisation administrative ou comptable ou du contrôle interne.
  En cas de radiation ou de révocation de l'agrément de l'établissement de monnaie électronique par l'autorité de contrôle de son Etat d'origine, la Banque ordonne, après en avoir donné avis à cette autorité, la fermeture de la succursale que cet établissement a établie en Belgique. Elle peut, si nécessaire, désigner un gérant provisoire qui est habilité à prendre toutes mesures conservatoires dans l'intérêt des créanciers. "
Art. 74. In Boek 3, Titel 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 26, wordt een Hoofdstuk 3 ingevoegd, luidende " HOOFDSTUK 3. - Bijkantoren in België van instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van staten die geen lid zijn van de EER ".
Art. 74. Dans le Livre 3, Titre 2 de la même loi, inséré par l'article 26, il est inséré un Chapitre 3, intitulé " CHAPITRE 3. - Succursales en Belgique des établissements de monnaie électronique relevant du droit d'Etats qui ne sont pas membres de l'EEE ".
Art. 75. In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 74, wordt een artikel 98 ingevoegd, luidende :
  " Art. 98. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder "instelling voor elektronisch geld " verstaan elke onderneming die ressorteert onder het recht van een Staat die geen lid is van de EER en waarvan de activiteit bestaat in het uitgeven van elektronisch geld. "
Art. 75. Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3 de la même loi, inséré par l'article 74, il est inséré un article 98 rédigé comme suit :
  " Art. 98. Pour l'application du présent chapitre, il y a lieu d'entendre par établissement de monnaie électronique toute entreprise relevant du droit d'un Etat non membre de l'EEE et dont l'activité consiste à émettre de la monnaie électronique. "
Art. 76. In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 74, wordt een afdeling 1 ingevoegd, luidende " Afdeling 1 - Bedrijfsvergunning ".
Art. 76. Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3 de la même loi, inséré par l'article 74, il est inséré une Section 1re intitulée " Section 1re. - Accès à l'activité ".
Art. 77. In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3, Afdeling 1 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 76, wordt een artikel 99 ingevoegd, luidende :
  " Art. 99. § 1. De volgende artikelen zijn van toepassing :
  1° de artikelen 61, 62 en 63 van de wet : met dien verstande dat de Bank de toezichthoudende autoriteiten van het land van herkomst van de instelling voor elektronisch geld raadpleegt vooraleer zich uit te spreken over de vergunningsaanvraag van een bijkantoor;
  2° artikel 64, eerste lid : met dien verstande dat de in dit hoofdstuk bedoelde bijkantoren worden vermeld in een bijzondere rubriek van de lijst bedoeld in dit artikel ;
  3° artikel 65 : er kan evenwel een vergunning worden verleend aan bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld met rechtspersoonlijkheid die geen handelsvennootschap zijn;
  4° artikel 66 : waarbij het aanvangskapitaal wordt vervangen door een dotatie; de Bank is bevoegd om de bestanddelen van die dotatie te beoordelen;
  5° de artikelen 67 tot 69.
  § 2. De Bank kan een vergunning weigeren aan het bijkantoor van een instelling voor elektronisch geld die ressorteert onder het recht van een staat die aan instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht niet dezelfde toegangsmogelijkheden tot zijn markt biedt.
  § 3. De Bank kan een vergunning weigeren aan een in dit hoofdstuk bedoeld bijkantoor, indien zij van oordeel is dat voor de bescherming van de houders van elektronisch geld of voor een gezond en voorzichtig beleid van de instelling, de oprichting van een vennootschap naar Belgisch recht is vereist. ".
Art. 77. Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3, Section 1re, insérée par l'article 76, il est inséré un article 99 rédigé comme suit :
  " Art. 99. § 1er. Sont applicables les dispositions suivantes :
  1° les articles 61, 62 et 63 de la loi : étant entendu qu'avant de statuer sur la demande d'agrément de la succursale, la Banque consulte les autorités de contrôle de l'Etat d'origine de l'établissement de monnaie électronique;
  2° l'article 64, alinéa 1er : étant entendu que les succursales visées par le présent chapitre sont mentionnées à une rubrique spéciale de la liste visée à cet article ;
  3° l'article 65 : toutefois, peuvent être agréées des succursales d'établissements de monnaie électronique dotés de la personnalité juridique mais n'ayant pas la forme de société commerciale;
  4° l'article 66 : le capital initial étant remplacé par une dotation, la Banque a compétence pour apprécier les éléments constitutifs de la dotation;
  5° les articles 67 à 69.
  § 2. La Banque peut refuser d'agréer la succursale d'un établissement de monnaie électronique relevant du droit d'un Etat qui n'accorde pas les mêmes possibilités d'accès à son marché aux établissements de monnaie électronique de droit belge.
  § 3. La Banque peut refuser l'agrément d'une succursale visée par le présent chapitre si elle estime que la protection des détenteurs de monnaie électronique ou la gestion saine et prudente de l'établissement exige la constitution d'une société de droit belge. ".
Art. 78. In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 74, wordt een afdeling 2 ingevoegd, luidende " Afdeling 2 - Bedrijfsuitoefening ".
Art. 78. Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3 de la même loi, inséré par l'article 74, il est inséré une Section 2 intitulée " Section 2. - Exercice de l'activité ".
Art. 79. In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3, Afdeling 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 78, wordt een artikel 100 ingevoegd, luidende :
  " Art. 100. De volgende artikelen zijn van toepassing :
  1° artikel 72;
  2° artikel 73, § 1; indien de Bank grond heeft om aan te nemen dat de invloed van natuurlijke of rechtspersonen die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming bezitten in de zin van artikel 3, § 1, 3° van de bankwet, een gezond en voorzichtig beleid van de instelling voor elektronisch geld kan belemmeren, kan de Bank, onverminderd de andere bij deze wet bepaalde maatregelen, de vergunning van het bijkantoor schorsen of herroepen voor de termijn die zij bepaalt; artikel 87, § 1, 2° en 5°, en § 2 is van toepassing op deze beslissingen;
  3° de artikelen 74, 76, § 1, 3 en 4 en 77 tot 80. "
Art. 79. Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3, Section 2 de la même loi, insérée par l'article 78, il est inséré un article 100 rédigé comme suit :
  " Art. 100. Sont applicables les articles suivants :
  1° l'article 72;
  2° l'article 73, § 1er; lorsque la Banque a des raisons de considérer que l'influence exercée par les personnes physiques ou morales détenant, directement ou indirectement, une participation qualifiée au sens de l'article 3, § 1er, 3° de la loi bancaire, est de nature à compromettre la gestion saine et prudente de l'établissement de monnaie électronique, et sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut suspendre ou révoquer, pour la durée qu'elle détermine l'agrément de la succursale; l'article 87, § 1er, 2° et 5°, et § 2 s'applique à ces décisions;
  3° les articles 74, 76, § 1er, 3 et 4 et 77 à 80. "
Art. 80. In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 74, wordt een afdeling 3 ingevoegd, luidende " Afdeling 3 - Toezicht ".
Art. 80. Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3 de la même loi, inséré par l'article 74, il est inséré une Section 3 intitulée " Section 3. - Contrôle ".
Art. 81. In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3, Afdeling 3 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 80, wordt een artikel 101 ingevoegd, luidende :
  " Art. 101. De artikelen 81 en 82 zijn van toepassing. ".
Art. 81. Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3, Section 3 de la même loi, insérée par l'article 80, il est inséré un article 101 rédigé comme suit :
  " Art. 101. Les articles 81 et 82 sont applicables. ".
Art. 82. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 102 ingevoegd, luidende :
  " Art. 102. De leiders van de in dit hoofdstuk bedoelde bijkantoren stellen een of meer erkende revisoren of erkende revisorenvennootschappen aan, overeenkomstig de artikelen 84 en 28. Volgens dezelfde procedure kunnen zij een plaatsvervanger aanstellen.
  Bij aanstelling van een revisorenvennootschap is artikel 29 van toepassing.
  De artikelen 31, 32, eerste tot vierde lid, en 85, eerste tot derde lid, en vijfde lid, zijn van toepassing.
  Vooraleer een erkende revisor of een erkende revisorenvennootschap van zijn of haar opdracht wordt ontslaan, moet het advies van de Bank worden ingewonnen.
  In bijkantoren waar een ondernemingsraad is opgericht met toepassing van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, oefenen de erkende revisoren of revisorenvennootschappen de in artikel 15bis van deze wet bedoelde opdrachten uit.
  De erkende revisoren of de erkende revisorenvennootschappen certificeren de krachtens artikel 80 openbaar gemaakte boekhoudkundige gegevens. ".
Art. 82. Dans la même section 3, il est inséré un article 102 rédigé comme suit :
  " Art. 102. Les dirigeants des succursales visées par le présent chapitre sont tenus de désigner un ou plusieurs réviseurs agréés ou une ou plusieurs sociétés de réviseurs agréées conformément aux articles 84 et 28. Ils peuvent désigner, selon la même procédure, un suppléant.
  En cas de désignation d'une société de réviseurs, l'article 29 est applicable.
  Les articles 31, 32, alinéas 1er à 4, et 85, alinéas 1er à 3, et 5, sont applicables.
  La révocation des fonctions des réviseurs agréés et sociétés de réviseurs agréées est soumise à l'avis préalable de la Banque.
  Dans les succursales où un conseil d'entreprise est institué en application de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, les réviseurs ou sociétés de réviseurs agréés assurent les fonctions prévues par l'article 15bis de cette loi.
  Les réviseurs agréés ou sociétés de réviseurs agréées certifient les informations comptables publiées en vertu de l'article 80. "
Art. 83. In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 74, wordt een Afdeling 4 ingevoegd, luidende " Afdeling 4. - Intrekking van de vergunning, uitzonderingsmaatregelen en strafbepalingen ".
Art. 83. Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3 de la même loi, inséré par l'article 74, il est inséré une Section 4 intitulée " Section 4. - Radiation de l'agrément, mesures exceptionnelles et sanctions ".
Art. 84. In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 3, Afdeling 4 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 83, wordt een artikel 103 ingevoegd, luidende :
  " Art. 103. De artikelen 86, 87, 90, 106 en 107 zijn van toepassing. ".
Art. 84. Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 3, Section 4 de la même loi, insérée par l'article 83, il est inséré un article 103 rédigé comme suit :
  " Art. 103. Les articles 86, 87, 90, 106 et 107 sont applicables. ".
Art. 85. In Boek 3, Titel 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 29, wordt een Hoofdstuk 4 ingevoegd, luidende " HOOFDSTUK 4. - Informatie-uitwisseling en samenwerking tussen autoriteiten ".
Art. 85. Dans le Livre 3, Titre 2 de la même loi, inséré par l'article 29, il est inséré un Chapitre 4 intitulé " CHAPITRE 4. - Echange d'information et coopération entre autorités ".
Art. 86. In Boek 3, Titel 2, Hoofdstuk 4 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 85, wordt een artikel 104 ingevoegd, luidende :
  " Art. 104. § 1. Voor de toepassing van de artikelen 35 en 36/13 tot 36/15 van de wet van 22 februari 1998, die betrekking hebben op de uitwisseling van informatie en de samenwerking tussen de Bank en de autoriteiten van andere lidstaten van de EER die belast zijn met het toezicht op de instellingen voor elektronisch geld, moet onder het bedrijf van instelling voor elektronisch geld eveneens worden verstaan, het bedrijf dat de instelling voor elektronisch geld uitoefent via distributeurs, agenten, bijkantoren of dienstverleners in de zin van artikel 4, 17°.
  § 2. De Bank verstrekt op eigen initiatief aan de in § 1 bedoelde autoriteiten van andere lidstaten van de EER alle essentiële informatie en verstrekt hen op verzoek alle relevante informatie. ".
Art. 86. Dans le Livre 3, Titre 2, Chapitre 4 de la même loi, inséré par l'article 85, il est inséré un article 104 rédigé comme suit :
  " Art. 104. § 1er. Pour l'application des articles 35 et 36/13 à 36/15 de la loi du 22 février 1998 concernant l'échange d'informations et la coopération entre la Banque et les autorités d'autres Etats membres de l'EEE chargées du contrôle des établissements de monnaie électronique, l'activité des établissements de monnaie électronique s'entend également de l'activité qu'ils exercent en recourant à des distributeurs, des agents, des succursales ou des prestataires de services au sens de l'article 4, 17°.
  § 2. La Banque fournit d'initiative aux autorités d'autres Etats membres de l'EEE, visées au § 1er, toutes les informations essentielles et elle leur fournit sur demande toutes les informations pertinentes. "
Art. 87. In Boek 3, ingevoegd bij artikel 25, wordt een Titel 3 ingevoegd, luidende " TITEL 3. - Vrijstelling ".
Art. 87. Dans le Livre 3, inséré par l'article 25, il est inséré un Titre 3, intitulé " TITRE 3. - Exemption ".
Art. 88. In Boek 3, Titel 3, van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 87, wordt een artikel 105 ingevoegd, luidende :
  " Art. 105. § 1. De Bank kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling verlenen van de toepassing van de bepalingen van afdelingen 1 tot 3 van Hoofdstuk 1 van Titel 2 van dit Boek en zijn uitvoeringsbesluiten aan rechtspersonen :
  1° waarvoor geldt dat de totale bedrijfsactiviteiten een gemiddeld uitstaand elektronisch geld genereren dat niet hoger is dan 5.000.000 euro; en
  2° waarvoor geldt dat geen enkele van de met het beleid of de uitoefening van de werkzaamheden belaste natuurlijke personen veroordeeld is wegens strafbare feiten in verband met het witwassen van geld of terrorismefinanciering, of zoals bedoeld in artikel 19, § 1er, 1° et 2° van de bankwet.
  De Bank kan deze rechtspersonen niet vrijstellen van de toepassing van artikelen 77 en 78 van deze wet.
  Wanneer een instelling voor elektronisch geld werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 77, § 2, 1°, die geen verband houden met de uitgifte van elektronisch geld, of werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 77, § 1, § 2, 2° en 3°, of § 3, en het uitstaande bedrag aan elektronisch geld niet van te voren is gekend, mag deze instelling voor elektronisch geld het eerste lid, 1° toepassen op basis van een representatief gedeelte dat geacht wordt voor de uitgifte van elektronisch geld te worden gebruikt, mits het redelijkerwijs mogelijk is een dergelijk representatief gedeelte naar tevredenheid van de Bank op basis van historische gegevens te ramen. Wanneer een instelling voor elektronisch geld haar activiteiten niet lang genoeg heeft uitgeoefend, wordt deze voorwaarde beoordeeld op basis van het uitstaande bedrag aan elektronisch geld als geraamd in haar bedrijfsplan, rekening houdend met de eventuele aanpassingen in dit plan die de Bank heeft verlangd.
  § 2. De rechtspersonen bedoeld in § 1 die vrijgesteld zijn, worden ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 64. Artikel 64 is op deze rechtspersonen van overeenkomstige toepassing voor wat betreft de informatie die op de website van de Bank wordt verstrekt en de geregelde actualisering ervan. De website vermeldt dat deze rechtspersonen zijn vrijgesteld met toepassing van dit artikel .
  § 3. De rechtspersonen die vrijgesteld zijn op grond van paragraaf 1 :
  1° hebben hun maatschappelijke zetel in België en oefenen hun activiteit van uitgifte van elektronisch geld daadwerkelijk op het Belgische grondgebied uit;
  2° komen niet in aanmerking voor de regeling inzake wederzijdse erkenning vastgesteld in artikel 91 van deze wet;
  3° bepalen in de overeenkomst tot regeling van de uitgifte van elektronisch geld dat het bedrag dat op de elektronische drager mag worden opgeslagen, beperkt is tot 150 euro;
  4° mag enkel betalingsdiensten aanbieden die geen verband houden met elektronisch geld dat wordt uitgegeven overeenkomstig dit artikel , indien voldaan is aan de voorwaarden van artikel 48;
  5° stellen de Bank in kennis van elke verandering in hun situatie die relevant is voor de in § 1 gestelde voorwaarden en brengen periodiek verslag uit aan de Bank over het gemiddeld uitstaand elektronisch geld. De Bank bepaalt de frequentie van deze rapportering;
  6° passen de bepalingen toe van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme die gelden voor instellingen voor elektronisch geld, en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen.
  § 4. De Koning kan bepalen dat een rechtspersoon die vrijgesteld is op grond van § 1, alleen sommige van de in artikel 77, §§ 1 tot 3 opgesomde werkzaamheden mag uitoefenen.
  § 5. Wanneer de in de §§ 1 en 3, 1°, 3°, 4° gestelde voorwaarden niet langer vervuld zijn, vragen de vrijgestelde instellingen voor elektronisch geld binnen dertig kalenderdagen een vergunning aan overeenkomstig artikel 61 en volgende.
  Voor de instellingen die binnen deze termijn geen vergunning hebben aangevraagd, is het overeenkomstig artikel 59 verboden om elektronisch geld uit te geven. ".
Art. 88. Dans le Livre 3, Titre 3 de la même loi, inséré par l'article 87, il est inséré un article 105 rédigé comme suit :
  " Art. 105. § 1er. La Banque peut exempter de l'application de tout ou partie des dispositions des sections 1 à 3 du chapitre Ier du Titre 2 du présent Livre et de ses arrêtés d'exécution les personnes morales :
  1° dont les activités commerciales dans leur ensemble génèrent une moyenne de monnaie électronique en circulation qui ne dépasse pas 5.000.000 euros; et
  2° dont aucune des personnes physiques responsables de la gestion ou de l'exercice de l'activité n'a été condamnée pour des infractions liées au blanchiment de capitaux, au financement du terrorisme ou visées à l'article 19, § 1er, 1° et 2° de la loi bancaire.
  La Banque ne peut exempter ces personnes morales de l'application des articles 77 et 78 de la présente loi.
  Lorsqu'un établissement de monnaie électronique exerce des activités visées à l'article 77, § 2, 1°, qui ne sont pas liées à l'émission de monnaie électronique ou des activités visées à l'article 77, § 1er, § 2, 2° et 3°, ou § 3, et que le montant de la monnaie électronique en circulation ne peut être déterminé à l'avance, cet établissement de monnaie électronique peut bénéficier de l'application du premier alinéa, 1°, sur la base d'une partie représentative des fonds qui est présumée utilisée pour l'émission de monnaie électronique, à condition que, sur la base de données historiques, il soit raisonnablement possible d'estimer cette partie représentative d'une manière jugée satisfaisante par la Banque. Lorsqu'un établissement de monnaie électronique n'a pas accompli une période d'activité suffisamment longue, cette condition est évaluée sur la base de l'estimation de la monnaie électronique en circulation résultant de son plan d'entreprise, et sous réserve d'un éventuel ajustement de ce plan exigé par la Banque.
  § 2. Les personnes morales visées au § 1er, qui sont exemptées, sont inscrites sur la liste visée à l'article 64. L'article 64 s'applique par analogie à ces personnes morales en ce qui concerne les informations fournies sur le site internet de la Banque et leur actualisation régulière. Le site internet mentionne que ces personnes morales bénéficient d'une exemption en application du présent article .
  § 3. Les personnes morales bénéficiant d'une exemption accordée en vertu du paragraphe 1er :
  1° doivent avoir leur siège social en Belgique, et exercer effectivement leurs activités d'émission de monnaie électronique sur le territoire belge;
  2° ne bénéficient pas du régime de reconnaissance mutuelle prévu par l'article 91 de la présente loi;
  3° doivent prévoir, dans le contrat régissant l'émission de monnaie électronique, que le montant chargé sur le support électronique stockant la monnaie électronique ne peut dépasser 150 euros;
  4° ne peuvent fournir des services de paiement non liés à la monnaie électronique émise conformément au présent article que si les conditions énoncées à l'article 48 sont remplies;
  5° informent la Banque de tout changement de leur situation ayant une incidence sur les conditions énoncées au § 1er et rendent compte périodiquement à la Banque de la moyenne de monnaie électronique en circulation. La Banque détermine la fréquence de ce rapport;
  6° appliquent les dispositions de la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme, qui sont applicables aux établissements de monnaie électronique, et des arrêtés et règlements pris pour son exécution.
  § 4. Le Roi peut prévoir qu'une personne morale bénéficiant d'une exemption accordée en vertu du § 1er ne peut exercer que certaines des activités énumérées à l'article 77, §§ 1er à 3.
  § 5 Lorsque les conditions énoncées aux §§ 1er, et 3, 1°, 3°, 4° ne sont plus remplies, les établissements de monnaie électronique exemptés demandent l'agrément dans un délai de trente jours calendaires conformément aux articles 61 et suivants.
  Les établissements qui n'ont pas demandé l'agrément dans ce délai se voient interdire, conformément à l'article 59, d'émettre de la monnaie électronique. ".
Art. 89. In Boek 3 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 25, wordt een Titel 4 ingevoegd, luidende " TITEL 4. - Sancties ".
Art. 89. Dans le Livre 3 de la même loi, inséré par l'article 25, il est inséré un Titre 4, intitulé " TITRE 4. - Sanctions ".
Art. 90. In Boek 3, Titel 4 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 89, wordt een Hoofdstuk 1 ingevoegd, luidende " HOOFDSTUK 1. - Administratieve sancties ".
Art. 90. Dans le Livre 3, Titre 4 de la même loi, inséré par l'article 89, il est inséré un Chapitre 1er intitulé " CHAPITRE 1er. - Sanctions administratives ".
Art. 91. In Boek 3, Titel 4, Hoofdstuk 1 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 90, wordt een artikel 106 ingevoegd, luidende :
  " Art. 106. § 1. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen, kan de Bank openbaar maken dat een Belgische of buitenlandse instelling voor elektronisch geld geen gevolg heeft gegeven aan haar aanmaningen om zich binnen de door haar vastgestelde termijn te conformeren aan de bepalingen van deze wet of de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen.
  § 2. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen, kan de Bank voor een instelling voor elektronisch geld naar Belgisch of buitenlands recht die in België is gevestigd, een termijn bepalen :
  a) waarbinnen zij zich dient te conformeren aan specifieke bepalingen van deze wet of de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, of
  b) waarbinnen zij de nodige aanpassingen dient aan te brengen in haar beleidsstructuur, haar administratieve en boekhoudkundige organisatie of haar interne controle.
  De in het eerste lid, littera b), bedoelde aanmaning geldt niet voor de bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de EER.
  Indien de instelling voor elektronisch geld in gebreke blijft bij het verstrijken van de termijn, kan de Bank, na de instelling gehoord of tenminste opgeroepen te hebben, haar een dwangsom opleggen van maximum 2.500.000 euro per overtreding of maximum 50.000 euro per dag vertraging.
  § 3. Onverminderd andere maatregelen bepaald in deze wet en onverminderd de maatregelen bepaald in andere wetten, besluiten of reglementen, kan de Bank, indien zij een inbreuk vaststelt op de bepalingen van deze wet of de ter uitvoering ervan genomen maatregelen, een administratieve geldboete opleggen aan een instelling voor elektronisch geld naar Belgisch of buitenlands recht die in België is gevestigd, die niet minder mag bedragen dan 2.500 euro, noch meer dan 2.500.000 euro voor hetzelfde feit of voor hetzelfde geheel van feiten.
  § 4. De met toepassing van de §§ 2 en 3 opgelegde dwangsommen en geldboetes worden ingevorderd ten bate van de Schatkist door de administratie binnen de Federale Overheidsdienst Financiën die bevoegd is inzake de niet fiscale vorderingen. ".
Art. 91. Dans le Livre 3, Titre 4, Chapitre 1er de la même loi, inséré par l'article 90, il est inséré un article 106 rédigé comme suit :
  " Art. 106. § 1er. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut publier qu'un établissement de monnaie électronique belge ou étranger ne s'est pas conformé aux injonctions qui lui ont été faites de respecter dans le délai qu'elle détermine des dispositions de la présente loi ou des arrêtés et règlements pris pour son exécution.
  § 2. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut fixer à un établissement de monnaie électronique de droit belge ou étranger établi en Belgique un délai dans lequel :
  a) il doit se conformer à des dispositions déterminées de la présente loi ou des arrêtés et règlements pris pour son exécution, ou
  b) il doit apporter les adaptations qui s'imposent à sa structure de gestion, à son organisation administrative et comptable ou à son contrôle interne.
  L'injonction visée à l'alinéa 1er, littera b), n'est pas applicable aux succursales d'établissements de monnaie électronique relevant du droit d'un autre Etat membre de l'EEE.
  Si l'établissement de monnaie électronique reste en défaut à l'expiration du délai, la Banque peut, l'établissement entendu ou à tout le moins convoqué, lui infliger une astreinte à raison d'un montant maximum de 2.500.000 euros par infraction ou de maximum 50.000 euros par jour de retard.
  § 3. Sans préjudice d'autres mesures prévues par la présente loi et sans préjudice des mesures prévues par d'autres lois, arrêtés ou règlements, la Banque peut, lorsqu'elle constate une infraction aux dispositions de la présente loi ou des mesures prises en exécution de celle-ci, infliger à un établissement de monnaie électronique de droit belge ou étranger établi en Belgique, une amende administrative qui ne peut être inférieure à 2.500 euros ni supérieure, pour le même fait ou pour le même ensemble de faits, à 2.500.000 euros.
  § 4. Les astreintes et amendes imposées en application des §§ 2 et 3 sont recouvrées au profit du Trésor par l'administration au sein du Service Public Fédéral Finances compétent en matière de recouvrements non fiscaux. ".
Art. 92. In Boek 3, Titel 4 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 89, wordt een Hoofdstuk 2 ingevoegd, luidende " HOOFDSTUK 2. - Strafrechtelijke sancties ".
Art. 92. Dans le Livre 3, Titre 4 de la même loi, inséré par l'article 89, il est inséré un Chapitre 2 intitulé " CHAPITRE 2. - Sanctions pénales ".
Art. 93. In Boek 3, Titel 3, Hoofdstuk 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 92, wordt een artikel 107 ingevoegd, luidende :
  " Art. 107. Met een gevangenisstraf van één maand tot één jaar en met een geldboete van 50 euro tot 10.000 euro of met één van die straffen alleen wordt gestraft :
  1° wie in België elektronisch geld uitgeeft zonder te voldoen aan de bepalingen van de artikelen 59, 91 en 99, § 1, 1° ;
  2° wie artikel 68, § 2, overtreedt;
  3° wie met opzet de kennisgeving bedoeld in artikel 71, tweede lid, niet verricht, voor wat het bepaalde bij artikel 62 eerste lid, 8°, betreft;
  4° wie met opzet de kennisgevingen bedoeld in artikel 73, § 1, niet verricht, wie het in artikel 73, § 2, bedoelde verzet negeert of wie de in artikel 73, § 4, 1° bedoelde schorsing negeert;
  5° elke instelling voor elektronisch geld of elke bestuurder, zaakvoerder of directeur van een instelling voor elektronisch geld die de artikelen 74, 77 en 79 overtreedt;
  6° elke instelling voor elektronisch geld of elke bestuurder, zaakvoerder of directeur van een instelling voor elektronisch geld die in het buitenland een bijkantoor opent of die een beroep doet op agenten of distributeurs, zonder de kennisgevingen te hebben verricht als bepaald in de artikelen 75 en 76, § 2 en § 3 of die zich niet conformeert aan de artikelen 75 en 76, § 2 of § 3;
  7° elke instelling voor elektronisch geld of elke bestuurder, zaakvoerder of directeur van een instelling voor elektronisch geld die de in de artikelen 72, 80 en 93 bedoelde besluiten of reglementen overtreedt;
  8° elke instelling voor elektronisch geld of elke bestuurder, zaakvoerder of directeur van een instelling voor elektronisch geld die zich niet conformeert aan de artikelen 80, eerste, tweede en zesde lid, en 93, eerste lid;
  9° wie handelingen stelt of verrichtingen uitvoert die indruisen tegen een schorsingsbeslissing overeenkomstig artikel 87, § 1, tweede lid, 2° ;
  10° wie als commissaris, erkende revisor of onafhankelijk deskundige, rekeningen, jaarrekeningen of geconsolideerde jaarrekeningen van instellingen voor elektronisch geld dan wel periodieke staten of alle andere inlichtingen certificeert, goedkeurt of bekrachtigt terwijl niet is voldaan aan de bepalingen van de wetten, besluiten en reglementen over het wettelijk statuut van de instellingen voor elektronisch geld, en daarvan kennis heeft, of niet heeft gedaan wat hij normaal had moeten doen om zich te vergewissen of aan die bepalingen was voldaan;
  11° wie de onderzoeken en controles verhindert waartoe hij verplicht is in het land of in het buitenland dan wel weigert de gegevens te verstrekken waartoe hij verplicht is op grond van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen of wie bewust onjuiste of onvolledige inlichtingen verstrekt;
  12° wie artikel 49, § 1, overtreedt. "
Art. 93. Dans le Livre 3, Titre 3, Chapitre 2 de la même loi, inséré par l'article 92, il est inséré un article 107 rédigé comme suit :
  " Art. 107. Sont punis d'un emprisonnement d'un mois à un an et d'une amende de 50 euros à 10.000 euros, ou d'une de ces peines seulement :
  1° ceux qui émettent de la monnaie électronique en Belgique sans satisfaire aux dispositions des articles 59, 91 et 99, § 1er, 1° ;
  2° ceux qui contreviennent à l'article 68, § 2;
  3° ceux qui, sciemment, s'abstiennent de faire la déclaration prévue à l'article 71, alinéa 2, en ce qui concerne les renseignements visés à l'article 62, alinéa 1er, 8° ;
  4° ceux qui sciemment s'abstiennent de faire les notifications prévues à l'article 73, § 1er, ceux qui passent outre à l'opposition visée à l'article 73, § 2, ou ceux qui passent outre à la suspension visée à l'article 73, § 4, 1° ;
  5° les établissements de monnaie électronique, ainsi que leurs administrateurs, gérants ou directeurs, qui contreviennent aux articles 74, 77 et 79;
  6° les établissements de monnaie électronique, ainsi que leurs administrateurs, gérants ou directeurs, qui ouvrent une succursale à l'étranger ou qui recourent à des agents ou à des distributeurs sans avoir procédé aux notifications prévues par les articles 75 et 76, § 2 et § 3 ou qui ne se conforment pas aux articles 75 et 76, § 2 ou § 3;
  7° les établissements de monnaie électronique, ainsi que leurs administrateurs, gérants ou directeurs, qui contreviennent aux arrêtés ou aux règlements visés aux articles 72, 80, et 93;
  8° les établissements de monnaie électronique, ainsi que leurs administrateurs, gérants ou directeurs, qui ne se conforment pas aux articles 80, alinéas 1er, 2 et 6, et 93, alinéa 1er;
  9° ceux qui accomplissent des actes ou opérations à l'encontre d'une décision de suspension prise conformément à l'article 87, § 1er, alinéa 2, 2° ;
  10° ceux qui, en qualité de commissaire, de réviseur agréé ou d'expert indépendant, ont attesté, approuvé ou confirmé des comptes, des comptes annuels ou des comptes consolidés d'établissements de monnaie électronique, ou des états périodiques ou tous autres renseignements, alors que les dispositions des lois, arrêtés et règlements relatifs au statut légal des établissements de monnaie électronique n'ont pas été respectées, soit en sachant qu'elles ne l'avaient pas été, soit en n'ayant pas accompli les diligences normales pour s'assurer qu'elles avaient été respectées;
  11° ceux qui mettent obstacle aux inspections et vérifications auxquelles ils sont tenus dans le pays ou à l'étranger ou refusent de donner des renseignements qu'ils sont tenus de fournir en vertu de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, ou qui donnent sciemment des renseignements inexacts ou incomplets;
  12° ceux qui contreviennent à l'article 49, § 1er. "
TITEL 3. - Overige bepalingen
TITRE 3. - Autres dispositions
HOOFDSTUK 1. - Andere wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 1er. - Autres dispositions modificatives
Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet
Section 1re. - Modifications de la loi du 12 juin 1991 relative au crédit à la consommation
Art. 94. In artikel 74, tweede lid, van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, ingevoegd bij de wet van 11 februari 1994 en gewijzigd bij de wet van 10 december 2009, worden de woorden " en de betalingsinstellingen als bedoeld in de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van de betalingsdienstaanbieder en de toegang tot de betalingssystemen " vervangen door de woorden " en de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld als bedoeld in de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen ".
Art. 94. A l'article 74, alinéa 2, de la loi du 12 juin 1991 relative au crédit à la consommation, inséré par la loi du 11 février 1994 et modifié par la loi du 10 décembre 2009, les mots " et les établissements de paiement visés dans la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement et à l'accès aux systèmes de paiement " sont remplacés par les mots " , les établissements de paiement et les établissements de monnaie électronique visés dans la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement, à l'activité d'émission de monnaie électronique et à l'accès aux systèmes de paiement ".
Art. 95. In artikel 75, § 6, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 10 december 2009 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, wordt het tweede lid vervangen als volgt :
  " Aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden worden eveneens geacht te voldoen, de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld onderworpen aan het toezicht van de Nationale Bank van België overeenkomstig de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen en aan wie een bedrijfsvergunning werd toegestaan op grond waarvan aanvullend krediet mag worden aangeboden met betrekking tot de in punten 4, 5 en 7 van bijlage I bedoelde betalingsdiensten en dat aan de voorwaarden van artikel 22, § 3, van de wet van 21 december 2009 voldoet. ".
Art. 95. Dans l'article 75, § 6, de la même loi, inséré par la loi du 10 décembre 2009 et modifié par l'arrêté royal du 3 mars 2011, le deuxième alinéa est remplacé par ce qui suit :
  " Sont également réputés satisfaire aux conditions visées à l'alinéa 1er, les établissements de paiement et les établissements de monnaie électronique soumis au contrôle de la Banque Nationale de Belgique conformément à la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement, à l'activité d'émission de monnaie électronique et à l'accès aux systèmes de paiement et à qui un agrément a été octroyé sur base duquel du crédit additionnel, lié aux services de paiement visés aux points 4, 5 ou 7 de l'Annexe I et répondant aux conditions de l'article 21, § 3, de la loi du 21 décembre 2009, peut être offert. ".
Art. 96. In artikel 75bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 11 februari 1994 en gewijzigd bij de wetten van 24 maart 2003, 24 augustus 2005, 10 december 2009 en de koninklijke besluiten van 4 april 2003 en 3 maart 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, eerste lid, worden in de Nederlandse versie de woorden " artikel 39 van de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot de betalingssystemen " vervangen door de woorden " artikel 39 of 91 van de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen ";
  2° in § 2, worden de woorden " kredietinstellingen, financiële instellingen en betalingsinstellingen " vervangen door de woorden " kredietinstellingen, financiële instellingen, betalingsinstellingen en instellingen voor elektronisch geld ";
  3° in § 3, eerste lid, worden de woorden " kredietinstelling, financiële instelling, of betalingsinstelling " vervangen door de woorden " kredietinstelling, financiële instelling, betalingsinstelling of instelling voor elektronisch geld ".
Art. 96. A l'article 75bis de la même loi, inséré par la loi du 11 février 1994 et modifié par les lois du 24 mars 2003, 24 août 2005, 10 décembre 2009 et les arrêtés royaux du 4 avril 2003 et 3 mars 2011, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le § 1er, alinéa 1er, dans la version française, les mots " et des institutions de paiement conformément à l'article 39 de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement et à l'accès aux systèmes de paiement ", sont remplacés par les mots " , ou conformément aux articles 39 ou 91 de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement, à l'activité d'émission de monnaie électronique et à l'accès aux systèmes de paiement ";
  2° dans le § 2, les mots " établissements de crédit, établissements financiers et établissements de paiement " sont remplacés par les mots " établissements de crédit, établissements financiers, établissements de paiement et établissements de monnaie électronique ";
  3° dans le § 3, alinéa 1er, les mots " établissement de crédit, établissement financier ou établissement de paiement " sont remplacés par les mots " établissement de crédit, établissement financier, établissement de paiement ou établissement de monnaie électronique ".
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme
Section 2. - Modifications de la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme
Art. 97. In artikel 2, § 1 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 2 juni 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het 3° wordt vervangen als volgt :
  " 3° de naamloze vennootschap van publiek recht bpost voor haar financiële postdiensten of de uitgifte van elektronisch geld; ";
  2° in het 4° ter worden de woorden " wet van 21 december 2009 betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssystemen " vervangen door de woorden " wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen ";
  3° het 4° quater wordt ingevoegd, luidende :
  " 4° quater. a) de uitgevers van elektronisch geld bedoeld in artikel 59, 4° en 5° van de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen;
  b) de instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht;
  c) de in België gevestigde bijkantoren van instellingen voor elektronisch geld bedoeld in Boek 3, Titel 2 van deze wet;
  d) de vrijgestelde instellingen bedoeld in artikel 105 van dezelfde wet;
  e) de instellingen voor elektronisch geld die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die in België elektronisch geld uitgeven via een persoon die er gevestigd is en die de instelling hiervoor vertegenwoordigt. "
Art. 97. A l'article 2, § 1er, de la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 2 juin 2012, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le 3° est remplacé par ce qui suit :
  " 3° la société anonyme de droit public bpost pour ses services financiers postaux ou l'émission de monnaie électronique; ";
  2° au 4° ter, les mots " loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement et à l'accès aux systèmes de paiement " sont remplacés par les mots " loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement, à l'activité d'émission de monnaie électronique et à l'accès aux systèmes de paiement ";
  3° il est inséré un 4° quater rédigé comme suit :
  " 4° quater. a) les émetteurs de monnaie électronique visés à l'article 59, 4° et 5° de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement, à l'activité d'émission de monnaie électronique et à l'accès aux systèmes de paiement;
  b) les établissements de monnaie électronique de droit belge;
  c) les succursales établies en Belgique d'établissements de monnaie électronique visés au Livre 3, Titre 2 de cette loi;
  d) les établissements exemptés visés à l'article 105 de cette même loi;
  e) les établissements de monnaie électronique relevant du droit d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen qui émettent en Belgique de la monnaie électronique par le biais d'une personne qui y est établie et qui représente l'établissement à cette fin. "
Art. 98. In artikel 11, § 2, van dezelfde wet wordt het 4° vervangen als volgt :
  " de uitgifte van elektronisch geld in de zin van artikel 4, 33°, van de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, voor zover het maximumbedrag dat op de elektronische drager is opgeslagen niet meer dan 250 euro bedraagt indien de drager niet kan worden heropgeladen, of, indien de drager kan worden heropgeladen, een limiet van 2.500 euro geldt voor het totaalbedrag van de verrichtingen die in een kalenderjaar worden uitgevoerd. De artikelen 7 en 8 zijn echter wel van toepassing indien de houder van elektronisch geld, met toepassing van artikel 58/2 van de wet van 10 december 2009 betreffende de betalingsdiensten in de loop van datzelfde kalenderjaar, de terugbetaling vraagt van 1.000 euro of meer; ".
Art. 98. Dans l'article 11, § 2, de la même loi, le 4° est remplacé par ce qui suit :
  " l'émission de monnaie électronique au sens de l'article 4, 33°, de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement, à l'activité d'émission de monnaie électronique et à l'accès aux systèmes de paiement, pour autant que la capacité maximale de chargement électronique du support ne soit pas supérieure à 250 euros si le support ne peut être rechargé ou, si le support peut être rechargé, pour autant qu'une limite de 2.500 euros soit fixée pour le montant total des transactions dans une année civile. Toutefois, les articles 7 et 8 s'appliquent lorsque le détenteur de monnaie électronique demande le remboursement d'au moins 1.000 euros au cours de la même année civile en application de l'article 58/2 de la loi du 10 décembre 2009 relative aux services de paiement; ".
Art. 99. In artikel 18 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 18 januari 2010, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " In de gevallen bedoeld in artikel 2, § 1, 4ter, c) en 4quater, e) moet een voor de toepassing van deze wet verantwoordelijke persoon in België zijn gevestigd. ".
Art. 99. Dans l'article 18 de la même loi, inséré par la loi du 18 janvier 2010, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Dans les cas visés à l'article 2, § 1er, 4ter, c) et 4 quater, e), une personne responsable de l'application de la présente loi doit être établie en Belgique. ".
Afdeling 3. - Wijzigingen in de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen
Section 3. - Modifications de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit
Art. 100. In artikel 1 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, gewijzigd bij de wet van 25 februari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° Het tweede lid, wordt vervangen als volgt :
  " Onder kredietinstelling wordt verstaan, een Belgische of buitenlandse onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van gelddeposito's of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening. ";
  2° Het derde lid wordt opgeheven.
Art. 100. A l'article 1er de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, modifié par la loi du 25 février 2003, les modifications suivantes sont apportées :
  1° L'alinéa 2, est remplacé par ce qui suit :
  " Sont définies comme établissement de crédit les entreprises belges ou étrangères dont l'activité consiste à recevoir du public des dépôts d'argent ou d'autres fonds remboursables et à octroyer des crédits pour leur propre compte. ";
  2° L'alinéa 3 est abrogé.
Art. 101. In artikel 2 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 30 oktober 1998 en 25 februari 2003 en bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, 1°, worden de woorden " De Post (Postcheque) " vervangen door de woorden " de naamloze vennootschap van publiek recht bpost ";
  2° § 2, wordt opgeheven.
Art. 101. A l'article 2 de la même loi, modifié par les lois du 30 octobre 1998 et 25 février 2003 et l'arrêté royal du 3 mars 2011, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au § 1er, 1°, les mots " La Poste (Postchèque) " sont remplacés par les mots " la société anonyme de droit public bpost ";
  2° le § 2, est abrogé.
Art. 102. In artikel 3 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 3 september 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in § 1, 5°, worden de woorden " werkzaamheden als vermeld in de punten 2 tot 12 van de lijst in § 2 van dit artikel " vervangen door de woorden " werkzaamheden als vermeld in de punten 2 tot 12 en 15 van de lijst in paragraaf 2 van dit artikel ";
  b) in § 1 wordt de bepaling onder 7°, opgeheven;
  c) in § 2, 4) worden de woorden " wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssystemen " vervangen door de woorden " wet van 21 december 2009 betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssystemen, en van andere wetgeving die betrekking heeft op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld. ";
  d) in § 2 wordt het eerste lid aangevuld met het 15), luidende : " Uitgifte van elektronisch geld ".
Art. 102. A l'article 3 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 3 septembre 2012, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans le § 1er, 5°, les mots " activités visées aux points 2 à 12 de la liste reprise au paragraphe 2 du présent article " sont remplacés par les mots " activités visées aux points 2 à 12 et 15 de la liste reprise au paragraphe 2 du présent article ";
  b) dans le § 1er, le 7°, est abrogé;
  c) dans le § 2, 4) les mots " loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement et à l'accès aux systèmes de paiement " sont remplacés par les mots " loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement et à l'accès aux systèmes de paiement et d'autres législations dans la mesure où elles sont relatives au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique. ";
  d) dans le § 2, l'alinéa 1er est complété par le 15) rédigé comme suit : " Emission de monnaie électronique ".
Art. 103. In Titel I van dezelfde wet wordt Hoofdstuk IIIbis, dat de artikelen 5bis tot 5quater bevat, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2003, opgeheven.
Art. 103. Dans le Titre Ier de la même loi, le Chapitre IIIbis, comportant les articles 5bis à 5quater, inséré par la loi du 25 février 2003, est abrogé.
Art. 104. In artikel 6 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, eerste lid, worden de woorden " instelling voor elektronisch geld " geschrapt;
  2° § 2 wordt opgeheven.
Art. 104. A l'article 6 de la même loi, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 3 mars 2011, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le § 1er, alinéa 1er, les mots " établissement de monnaie électronique ", sont abrogés;
  2° le § 2 est abrogé.
Art. 105. In artikel 41, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 25 februari 2003, worden de woorden " die geen instelling voor elektronisch geld zijn " geschrapt.
Art. 105. Dans l'article 41, alinéa 1er de la même loi, modifié par la loi du 25 février 2003, les mots " autres que les établissements de monnaie électronique " sont abrogés.
Art. 106. In artikel 43, § 1, eerste lid van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 15 mei 2007 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, wordt de bepaling onder b) opgeheven.
Art. 106. Dans l'article 43, § 1er, alinéa 1er de la même loi, remplacé par la loi du 15 mai 2007 et modifié par l'arrêté royal du 3 mars 2011, le b) est abrogé.
Art. 107. In artikel 57, § 1, tweede lid, 2°, gewijzigd bij de wet van 31 juli 2009 en het koninklijk besluit van 3 maart 2011, wordt de eerste zin aangevuld met de woorden " ; deze schorsing kan, in de door de Bank bepaalde mate, de volledige of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de lopende overeenkomsten tot gevolg hebben ".
Art. 107. Dans l'article 57, § 1er, alinéa 2, 2°, modifié par la loi du 31 juillet 2009 et l'arrêté royal du 3 mars 2011, la première phrase est complétée par les mots " ; cette suspension peut, dans la mesure déterminée par la Banque, impliquer la suspension totale ou partielle de l'exécution des contrats en cours ".
Art. 108. In dezelfde wet wordt Titel IIbis, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2003, die de artikelen 64bis tot 64quinquies bevat, opgeheven.
Art. 108. Dans la même loi, le Titre IIbis, inséré par la loi du 25 février 2003, comportant les articles 64bis à 64quinquies est abrogé.
Art. 109. Artikel 66bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2003, wordt opgeheven.
Art. 109. L'article 66bis de la même loi, inséré par la loi du 25 février 2003, est abrogé.
Art. 110. In Titel IV van dezelfde wet wordt Hoofdstuk V, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2003, dat artikel 84bis bevat, opgeheven.
Art. 110. Dans le Titre IV de la même loi, le Chapitre V inséré par la loi du 25 février 2003, comportant l'article 84bis est abrogé.
Art. 111. In artikel 104, § 1, 1° van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 25 februari 2003 en het koninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de woorden " artikel 5bis overtreedt of " geschrapt.
Art. 111. Dans l'article 104, § 1er, 1° de la même loi, modifié par la loi du 25 février 2003 et par l'arrêté royal du 3 mars 2011, les mots " qui contreviennent à l'article 5bis ou " sont abrogés.
Art. 112. In artikel 110bis2, § 2 van dezelfde wet wordt het tweede lid, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2003, opgeheven.
Art. 112. Dans l'article 110bis2, § 2 de la même loi, l'alinéa 2, inséré par la loi du 25 février 2003, est abrogé.
Art. 113. Artikel 152quater van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2003, wordt opgeheven.
Art. 113. L'article 152quater de la même loi, inséré par la loi du 25 février 2003, est abrogé.
Afdeling 4. - Wijzigingen van de gecoördineerde wet van 24 december 1996 tot organisatie van de openbare kredietsector en van het bezit van de deelnemingen van de openbare sector in bepaalde privaatrechtelijke financiële vennootschappen
Section 4. - Modifications de la loi coordonnée du 24 décembre 1996 portant organisation du secteur public du crédit et de la détention des participations du secteur public dans certaines sociétés financières de droit privé
Art. 114. Artikel 57 van de gecoördineerde wet van 24 december 1996 tot organisatie van de openbare kredietsector en van het bezit van de deelnemingen van openbare sector in bepaalde privaatrechtelijke financiële vennootschappen wordt vervangen als volgt :
  " Art. 57. De kredietverenigingen kunnen ontslag nemen uit het net van het Beroepskrediet door eenvoudige kennisgeving gericht aan de raad van bestuur van de NV Beroepskrediet, bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs.
  De kredietverenigingen kunnen tot 30 november 2013 eveneens vrijwillig het besluit nemen dat zij niet langer onderworpen zijn aan de bepalingen van deze wet en aldus uit het toepassingsgebied van deze wet treden door eenvoudige kennisgeving gericht aan de Staat, vertegenwoordigd in de persoon van de Minister van Financiën, bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs.
  Ieder vrijwillig besluit tot uittrede uit het toepassingsgebied van deze wet, genomen overeenkomstig het tweede lid uiterlijk 30 november 2013, evenals ieder vrijwillig ontslag uit het net zal onderworpen zijn aan de enkele voorwaarde van het eerbiedigen, door de vereniging, van een opzegtermijn die eindigt op 31 december van het jaar waarin dit ontslag dan wel het besluit tot uittrede werd betekend op voorwaarde dat het ontslag dan wel de uittrede betekend werd uiterlijk op 30 november. Bij gebreke aan ontslag of besluit tot uittrede uiterlijk op 30 november heeft het ontslag dan wel de uittrede slechts uitwerking op 31 december van het jaar dat volgt op het jaar waarin dit ontslag dan wel dit besluit tot uittrede uit het toepassingsgebied van deze wet werd betekend. De raad van bestuur van de NV Beroepskrediet dan wel de Staat, vertegenwoordigd in de persoon van de minister van Financiën, kan nochtans, door een gemotiveerde beslissing, toelaten dat het ontslag respectievelijk het besluit tot uittrede op een vroeger tijdstip uitwerking krijgt.
  De vereniging die ontslag heeft genomen, kan haar statuten aanpassen in de zin zoals aangeduid in artikel 56, tweede lid.
  De vereniging die het besluit heeft genomen tot uittrede uit het toepassingsgebied van deze wet is niet langer lid van het net van het Beroepskrediet en kan haar statuten aanpassen zonder gehouden te zijn door enige beperking voorzien in de bepalingen van deze wet.
  Kredietverenigingen die samen onderworpen zijn aan het toezicht op geconsolideerde basis door de Nationale Bank van België, dienen het besluit tot vrijwillige uittreding gezamenlijk te nemen. ".
Art. 114. L'article 57 de la loi coordonnée du 24 décembre 1996 portant organisation du secteur public du crédit et de la détention des participations du secteur public dans certaines sociétés financières de droit privé est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 57. Les associations de crédit peuvent démissionner du réseau du Crédit professionnel par simple notification adressée au conseil d'administration de la SA Crédit professionnel, sous pli recommandé, avec accusé de réception.
  Les associations de crédit peuvent également, jusqu'au 30 novembre 2013, décider de plein gré de ne plus être soumises aux dispositions de la présente loi et ainsi sortir de son champ d'application, par simple notification adressée à l'Etat, représenté en la personne du Ministre des Finances, sous pli recommandé, avec accusé de réception.
  Toute décision de plein gré de sortir du champ d'application de la présente loi, prise conformément à l'alinéa 2 au plus tard le 30 novembre 2013, ainsi que toute démission de plein gré du réseau, sera soumise à la seule condition du respect par l'association d'un délai de préavis expirant le 31 décembre de l'année au cours de laquelle la démission ou décision de sortie a été notifiée, pour autant que la démission ou la sortie ait été notifiée le 30 novembre au plus tard. A défaut de démission ou de décision de sortie notifiée le 30 novembre au plus tard, la démission ou la sortie ne produira ses effets qu'au 31 décembre de l'année qui suit celle au cours de laquelle la démission ou la décision de sortie du champ d'application de la présente loi a été notifiée. Le conseil d'administration de la SA Crédit professionnel ou l'Etat, représenté en la personne du ministre des Finances, pourra toutefois, par décision motivée, autoriser que la démission ou la décision de sortie produise ses effets à une date plus rapprochée.
  L'association ayant démissionné peut adapter ses statuts dans le sens indiqué à l'article 56, alinéa 2.
  L'association qui a décidé de sortir du champ d'application de la présente loi n'est plus membre du réseau du Crédit professionnel et peut adapter ses statuts sans être tenue par la moindre restriction prévue dans les dispositions de la présente loi.
  Les associations de crédit qui sont soumises collectivement au contrôle exercé sur une base consolidée par la Banque Nationale de Belgique doivent prendre conjointement la décision de sortie de plein gré. ".
Art. 115. Artikel 58 van dezelfde wet, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, wordt aangevuld met een § 2, luidende :
  " § 2. De bepalingen van § 1 zijn niet van toepassing ten aanzien van kredietverenigingen, die hetzij uit het net van het Beroepskrediet worden uitgesloten uiterlijk 31 december 2013 omdat zij niet of niet langer de voorwaarden bepaald in artikel 54, c), e) of f), eerbiedigen, hetzij het besluit nemen overeenkomstig artikel 57 om vrijwillig uit het toepassingsgebied van deze wet te treden.
  Met uitsluiting, op definitieve wijze, van de toepassing van de bepalingen van artikel 219bis, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, moet iedere kredietvereniging bedoeld in het eerste lid, binnen de maand volgend op de uitsluiting dan wel op de kennisgeving overeenkomstig artikel 57 van het besluit tot uittrede, aan de Staat een bijzondere bijdrage storten die gelijk is aan 28 procent van de som van de hiernavolgende boekhoudkundige elementen :
  K' + R + B + (F x 0,50) + O - (W x 0,50)
  Waarbij
  K' = het totale bedrag van de toevoegingen via resultaatverwerking sedert 1 januari 1994 aan het kapitaal van de onderneming, verminderd met 150 % van het bedrag van de op de datum van één januari tweeduizend en twaalf uitstaande verbintenissen met betrekking tot in het publiek geplaatste coöperatieve aandelen (begrepen in rubriek IX, code 209.000);
  R = de reserves (rubriek XII, code 212.000);
  B = het bedrag dat de desbetreffende kredietvereniging voorafgaand aan de uitsluiting dan wel het besluit tot uittrede vereffend dan wel boekhoudkundig voorzien heeft in toepassing van artikel 219bis, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
  F = het fonds voor algemene bankrisico's op 31 december 2011 (rubriek VII, code 207.000);
  O = het overgedragen positieve (+) of negatieve resultaat (-) (rubriek XIII, code 213.000);
  W = het uitstaande bedrag van openbare uitgiften van achtergestelde effecten die voorafgaand aan de datum van één januari tweeduizend en twaalf uitgegeven werden door de kredietvereniging (begrepen in rubriek VIII, code 208.000).
  De voormelde boekhoudkundige elementen K', R en O zijn deze welke omschreven zijn door de reglementering op de jaarrekening van de kredietinstellingen, zoals zij geboekt werden bij de afsluiting van het laatste boekjaar voorafgaand aan de uitsluiting of de beslissing tot uittreden.
  De bijzondere bijdrage die verschuldigd is krachtens deze bepaling wordt desgevallend verminderd met het bedrag dat de desbetreffende kredietvereniging voorafgaand aan de uitsluiting dan wel het besluit tot uittrede daadwerkelijk vereffend heeft in toepassing van artikel 219bis, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
  Wanneer kredietverenigingen die de bijzondere bijdrage verschuldigd zijn de intentie hebben uitgedrukt om een fusie aan te gaan, wordt de gezamenlijke bijdrage berekend op basis van de door de commissaris-revisor geattesteerde fusiebalans.
  De commissaris-revisor van iedere kredietvereniging is ermee belast de Staat te informeren over iedere omstandigheid die een uitsluiting, zoals bedoeld in het eerste lid, tot gevolg zou kunnen hebben.
  Eenzelfde kredietvereniging kan slechts éénmaal gehouden zijn tot het betalen van de bijzondere bijdrage aan de Staat. "
Art. 115. L'article 58 de la même loi, dont le texte existant constituera le § 1er, est complété par un § 2, rédigé comme suit :
  " § 2. Les dispositions du § 1er ne s'appliquent pas aux associations de crédit qui soit sont exclues du réseau du Crédit professionnel au plus tard le 31 décembre 2013 parce qu'elles ne respectent pas ou cessent de respecter les conditions prévues à l'article 54, c), e) ou f), soit prennent la décision de sortir de plein gré du champ d'application de la présente loi conformément à l'article 57.
  A l'exclusion, de manière définitive, de l'application des dispositions de l'article 219bis, § 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, toute association de crédit visée à l'alinéa premier est tenue de verser à l'Etat, dans le mois qui suit l'exclusion ou la notification, conformément à l'article 57, de la décision de sortie, une contribution spéciale égale à 28 pour cent de la somme des éléments comptables suivants :
  K' + R + M + (F x 0,50) + r - (E x 0,50)
  où
  K' = le montant total des dotations allouées par affectations et prélèvements depuis le 1er janvier 1994 au capital de l'entreprise, diminué de 150 % de l'encours au premier janvier deux mille douze des engagements relatifs aux parts de coopérateurs détenues par le public (inclus dans la rubrique IX, code 209.000);
  R = les réserves (rubrique XII, code 212.000);
  M = le montant que l'association de crédit concernée a, préalablement à l'exclusion ou à la décision de sortie, liquidé ou prévu dans sa comptabilité en application de l'article 219bis, § 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992;
  F = le fonds pour risques bancaires généraux au 31 décembre 2011 (rubrique VII, code 207.000);
  r = le résultat positif (+) ou négatif (-) reporté (rubrique XIII, code 213.000);
  E = l'encours des émissions publiques de titres subordonnés auxquelles aura procédé l'association de crédit avant la date du premier janvier deux mille douze (inclus dans la rubrique VIII, code 208.000).
  Les éléments comptables désignés ici par les lettres K', R et O sont ceux définis par la réglementation relative aux comptes annuels des établissements de crédit, tels qu'ils ont été comptabilisés à la clôture du dernier exercice social qui précède l'exclusion ou la décision de sortie.
  La contribution spéciale due en vertu de la présente disposition est, le cas échéant, diminuée du montant qu'a réellement liquidé l'association de crédit concernée préalablement à l'exclusion ou à la décision de sortie, en application de l'article 219bis, § 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992.
  Lorsque des associations de crédit redevables de la contribution spéciale ont exprimé leur intention de fusionner, la contribution spéciale est calculée sur la base du bilan de fusion certifié par le commissaire-réviseur.
  Le commissaire-réviseur de chacune des associations de crédit est chargé d'informer l'Etat de toute circonstance susceptible d'entraîner une exclusion telle que visée à l'alinéa 1er.
  Une même association de crédit ne peut être tenue qu'une seule fois au paiement de la contribution spéciale à l'Etat. "
Afdeling 5. - Wijzigingen van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België
Section 5. - Modifications de la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque nationale de Belgique
Art. 116. In artikel 36/1 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 betreffende de evolutie van de toezichtsarchitectuur voor de financiële sector, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) het 4° wordt vervangen als volgt :
  " 4° " instelling voor elektronisch geld " : een instelling als bedoeld in artikel 4, 31°, van de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen ";
  b) in het 9° worden de woorden " betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, toegang tot het bedrijf van betalingsdienstenaanbieder en de toegang tot betalingssystemen " vervangen door de woorden " op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen. "
Art. 116. Dans l'article 36/1 de la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque Nationale de Belgique, inséré par l'arrêté royal du 3 mars 2011 mettant en oeuvre l'évolution des structures de contrôle du secteur financier, les modifications suivantes sont apportées :
  a) le 4° est remplacé par ce qui suit :
  " 4° " établissement de monnaie électronique " : tout établissement visé à l'article 4, 31° de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement, à l'activité d'émission de monnaie électronique et à l'accès aux systèmes de paiement ";
  b) dans le 9°, les mots " , à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement et à l'accès aux systèmes de paiement " sont remplacés par les mots " et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement, à l'activité d'émission de monnaie électronique et à l'accès aux systèmes de paiement. "
Art. 117. In artikel 36/2, eerste lid van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 worden de woorden " met inbegrip van de instellingen voor elektronisch geld, " opgeheven en worden de woorden " en de betalingsinstellingen " vervangen door de woorden " , de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld ".
Art. 117. Dans l'article 36/2, alinéa 1er de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 3 mars 2011 les mots " , en ce compris les établissements de monnaie électronique " sont abrogés et les mots " et des établissements de paiement " sont remplacés par les mots " , des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique ".
Art. 118. Artikel 36/14, § 1 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 wordt aangevuld met de bepaling onder 17°, luidende :
  " 17° ambtenaren aangesteld door de minister bevoegd voor Economische Zaken, die, in het kader van hun opdracht bedoeld in artikel 72 van de wet van 10 december 2009, bevoegd zijn om inbreuken gepleegd op de bepalingen van de artikelen 58/1, 58/2 en 58/3 van dezelfde wet op te sporen en vast te stellen. "
Art. 118. L'article 36/14, § 1er de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 3 mars 2011, est complété par le 17° rédigé comme suit :
  " 17° aux agents commissionnés par le ministre ayant les Affaires économiques dans ses attributions, compétents pour rechercher et constater les infractions commises aux dispositions des articles 58/1, 58/2 et 58/3 de la loi du 10 décembre 2009, dans le cadre de leur mission visée à l'article 72 de ladite loi. "
Afdeling 6. - Wijzigingen in de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt
Section 6. - Modifications de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques d'instruments de placement et aux admissions d'instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés.
Art. 119. In artikel 68bis, § 1, 1° van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 betreffende de evolutie van de toezichtsarchitectuur voor de financiële sector, worden de woorden " , met uitzondering van de instellingen voor elektronisch geld " opgeheven.
Art. 119. Dans l'article 68bis, § 1er, 1° de la loi du 16 juin 2006 relative aux offres publiques d'instruments de placement et aux admissions d'instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés, inséré par l'arrêté royal du 3 mars 2011 mettant en oeuvre l'évolution des structures de contrôle du secteur financier, les mots " , à l'exception des établissements de monnaie électronique " sont abrogés.
Afdeling 7. - Wijzigingen in de wet van 10 december 2009 betreffende de betalingsdiensten
Section 7. - Modifications de la loi du 10 décembre 2009 relative aux services de paiement
Art. 120. In artikel 2 van de wet van 10 december 2009 betreffende de betalingsdiensten worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in het 2°, eerste lid wordt het b) vervangen als volgt : " b) de instellingen voor elektronisch geld bedoeld in artikel 4, 31°, van de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen; ";
  b) in het 2°, tweede lid worden de woorden " of elektronisch geld levert aan een houder van elektronisch geld " ingevoegd tussen de woorden " aan betalingsdienstgebruikers " en de woorden " zonder hiertoe over de nodige vergunning of toelating te beschikken ";
  c) het artikel wordt aangevuld met het 29° tot 33°, luidende :
  " 29° " elektronisch geld " : elektronisch, met inbegrip van magnetisch, opgeslagen monetaire waarde vertegenwoordigd door een vordering op de uitgever, die is uitgegeven in ruil voor ontvangen geld om betalingstransacties te verrichten en die wordt aanvaard door een andere natuurlijke of rechtspersoon dan de uitgever van elektronisch geld;
  30° " uitgever van elektronisch geld " : een uitgever van elektronisch geld als bedoeld in artikel 4, 32° van de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen;
  31° " instelling voor elektronisch geld " : een instelling voor elektronisch geld als bedoeld in artikel 4, 31° van dezelfde wet;
  32° " houder van elektronisch geld " : een natuurlijke of rechtspersoon die geld overhandigt aan een uitgever van elektronisch geld in ruil voor de uitgifte van elektronisch geld door die uitgever;
  33° " wet van 21 december 2009 " : wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen. ".
Art. 120. Dans l'article 2 de la loi du 10 décembre 2009 relative aux services de paiement, les modifications suivantes sont apportées :
  a) au 2°, alinéa 1er, le b) est remplacé par ce qui suit : " b) les établissements de monnaie électronique tels que visés à l'article 4, 31°, de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement, à l'activité d'émission de monnaie électronique et à l'accès aux systèmes de paiement; ";
  b) dans le point 2°, alinéa 2, les mots " ou remet de la monnaie électronique à un détenteur de monnaie électronique " sont insérés entre les mots " à un utilisateur de services de paiement " et les mots " sans disposer d'un agrément ";
  c) l'article est complété par les 29° à 33°, rédigés comme suit :
  " 29° " monnaie électronique " : une valeur monétaire qui est stockée sous une forme électronique, y compris magnétique, représentant une créance sur l'émetteur, qui est émise contre la remise de fonds aux fins d'opérations de paiement et qui est acceptée par une personne physique ou morale autre que l'émetteur de monnaie électronique;
  30° " émetteur de monnaie électronique " : l'émetteur de monnaie électronique tel que visé à l'article 4, 32° de la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement, à l'activité d'émission de monnaie électronique et à l'accès aux systèmes de paiement;
  31° " établissement de monnaie électronique " : l'établissement de monnaie électronique tel que visé à l'article 4, 31° de la même loi;
  32° " détenteur de monnaie électronique " : une personne physique ou morale qui remet des fonds à un émetteur de monnaie électronique en échange de l'émission de monnaie électronique par cet émetteur;
  33° " loi du 21 décembre 2009 " : la loi du 21 décembre 2009 relative au statut des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement, à l'activité d'émission de monnaie électronique et à l'accès aux systèmes de paiement. ".
Art. 121. Artikel 3 van dezelfde wet wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende :
  " § 3. Deze wet is ook van toepassing op de uitgifte en terugbetaalbaarheid van elektronisch geld door uitgevers van elektronisch geld. "
Art. 121. L'article 3, de la même loi, est complété par le paragraphe 3, rédigé comme suit :
  " § 3. La présente loi est également applicable à l'émission et au remboursement de la monnaie électronique par des émetteurs de monnaie électronique. "
Art. 122. In artikel 44, § 2, tweede lid van dezelfde wet worden de woorden " Europese Unie " vervangen door de woorden " EER ".
Art. 122. Dans l'article 44, § 2, alinéa 2, de la même loi, les mots " Union Européenne " sont remplacés par les mots " EEE ".
Art. 123. In artikel 64, 11°, van dezelfde wet, worden de woorden " 37, §§ 1 tot 4 " vervangen door de woorden " 37, §§ 1 tot 3 ".
Art. 123. Dans l'article 64, 11°, de la même loi, les mots " 37, §§ 1er à 4 " sont remplacés par les mots " 37, §§ 1er à 3 ".
Art. 124. In dezelfde wet wordt een Titel III/1 ingevoegd, luidende :
  " TITEL III/1. - Uitgifte en terugbetaalbaarheid van elektronisch geld ".
Art. 124. Dans la même loi, il est inséré un Titre III/1, intitulée :
  " TITRE III/1. - Emission et remboursement de la monnaie électronique. "
Art. 125. In Titel III/1, ingevoegd bij artikel 124, wordt een Hoofdstuk 1 ingevoegd, luidende " Hoofdstuk 1. - Uitgifte en terugbetaalbaarheid ".
Art. 125. Dans le Titre III/1, inséré par l'article 124, il est inséré un Chapitre 1er, intitulé " Chapitre 1er. - Emission et remboursement ".
Art. 126. In Hoofdstuk 1, ingevoegd bij artikel 125, wordt een artikel 58/1 ingevoegd, luidende :
  " Art. 58/1. Uitgevers van elektronisch geld geven elektronisch geld uit tegen de nominale waarde, in ruil voor ontvangen geld. "
Art. 126. Dans le Chapitre 1er, inséré par l'article 125, il est inséré un article 58/1, rédigé comme suit :
  " Art. 58/1. Les émetteurs de monnaie électronique émettent de la monnaie électronique à la valeur nominale contre la remise de fonds. "
Art. 127. In Hoofdstuk 1, ingevoegd bij artikel 125, wordt een artikel 58/2 ingevoegd, luidende :
  Art. 58/2. § 1. Uitgevers van elektronisch geld betalen de nominale monetaire waarde van het aangehouden elektronisch geld op elk ogenblik terug wanneer de houder van het elektronisch geld daarom verzoekt.
  § 2. De terugbetalingsvoorwaarden, met inbegrip van de eventuele vergoeding die hiermee samenhangt, worden duidelijk en opvallend vermeld in de overeenkomst tussen de uitgever van elektronisch geld en de houder van elektronisch geld, en de houder van het elektronisch geld wordt in kennis gesteld van deze voorwaarden voordat hij wordt gebonden door een overeenkomst of een aanbod.
  § 3. Voor terugbetaling kan er enkel een vergoeding in rekening worden gebracht indien dit in de overeenkomst is vermeld overeenkomstig § 2, en enkel in een van de volgende gevallen :
  a) indien er om terugbetaling wordt gevraagd vóór de overeenkomst is beëindigd;
  b) indien de overeenkomst voorziet in een beëindigingsdatum en de houder van het elektronisch geld de overeenkomst vóór deze datum beëindigt, of
  c) indien er meer dan een jaar na de beëindiging van de overeenkomst om terugbetaling wordt gevraagd.
  Dergelijke vergoeding staat in verhouding tot de werkelijke kosten die de uitgever van elektronisch geld heeft gemaakt.
  De Koning kan de criteria vastleggen die toelaten de werkelijke kosten te bepalen die de uitgever van elektronisch geld in aanmerking kan nemen.
  § 4. Indien er om terugbetaling wordt gevraagd vóór de beëindiging van de overeenkomst, kan de houder van elektronisch geld verzoeken om de gedeeltelijke of volledige terugbetaling van het elektronisch geld.
  § 5. Wanneer de houder van het elektronisch geld om terugbetaling vraagt op de datum van beëindiging van de overeenkomst of binnen een termijn van een jaar na die datum :
  a) wordt de volledige monetaire waarde van het aangehouden elektronisch geld terugbetaald of
  b) worden alle middelen terugbetaald waarom de houder van het elektronisch geld verzoekt, indien de instelling voor elektronisch geld een of meer activiteiten uitoefent conform artikel 77, § 1, van de wet van 21 december 2009 en het op voorhand niet geweten is welk deel van de middelen zal worden gebruikt als elektronisch geld.
  § 6. Niettegenstaande de §§ 3 tot 5, is het recht op terugbetaling van personen die elektronisch geld aanvaarden en die geen consumenten zijn, vastgelegd in een contractueel beding tussen de uitgevers van elektronisch geld en die personen. "
Art. 127. Dans le Chapitre 1er, inséré par l'article 125, il est inséré un article 58/2, rédigé comme suit :
  Art. 58/2. § 1er. Les émetteurs de monnaie électronique remboursent, à la demande du détenteur de monnaie électronique, à tout moment et à la valeur nominale, la valeur monétaire de la monnaie électronique détenue.
  § 2. Le contrat conclu entre l'émetteur de monnaie électronique et le détenteur de monnaie électronique établit clairement et de façon bien visible les conditions de remboursement, y compris les frais éventuels y afférents, et le détenteur de monnaie électronique est informé de ces conditions avant qu'il ne soit lié par un contrat ou une offre.
  § 3. Le remboursement ne peut donner lieu au prélèvement de frais que si le contrat le prévoit conformément au § 2 et uniquement dans un des cas suivants :
  a) le remboursement est demandé avant l'expiration du contrat;
  b) le contrat spécifie une date d'expiration et le détenteur de monnaie électronique a mis fin au contrat avant cette date, ou
  c) le remboursement est demandé plus d'un an après la date d'expiration du contrat.
  Le montant des frais doit être proportionné et en rapport avec les coûts réels supportés par l'émetteur de monnaie électronique.
  Le Roi peut déterminer les critères permettant d'établir les coûts réels supportés par l'émetteur de monnaie électronique.
  § 4. Lorsque le remboursement est demandé avant l'expiration du contrat, le détenteur de monnaie électronique peut demander le remboursement de la monnaie électronique en tout ou en partie.
  § 5. Lorsque le remboursement est demandé par le détenteur de monnaie électronique à la date d'expiration du contrat ou dans un délai d'un an après celle-ci :
  a) la valeur monétaire totale de la monnaie électronique détenue est remboursée ou
  b) lorsque l'établissement de monnaie électronique exerce une ou plusieurs activités conformément à l'article 77, § 1er, de la loi du 21 décembre 2009 et que la proportion des fonds qui seront utilisés sous forme de monnaie électronique n'est pas connue à l'avance, tous les fonds dont le remboursement est demandé par le détenteur de monnaie électronique sont remboursés.
  § 6. Nonobstant les §§ 3 à 5, le droit au remboursement des personnes, autres que les consommateurs, qui acceptent de la monnaie électronique est soumis à l'accord contractuel entre les émetteurs de monnaie électronique et ces personnes. "
Art. 128. In Titel III/1, ingevoegd bij artikel 124, wordt een Hoofdstuk 2 ingevoegd, luidende " HOOFDSTUK 2. - Verbod op rente ".
Art. 128. Dans le Titre III/1, inséré par l'article 124, il est inséré un Chapitre 2, intitulé " CHAPITRE 2. - Interdiction des intérêts ".
Art. 129. In Hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 128, wordt een artikel 58/3 ingevoegd, luidende :
  " Art. 58/3. Uitgevers van elektronisch geld mogen geen rente of andere voordelen toekennen die samenhangen met de lengte van de periode gedurende dewelke een houder van elektronisch geld het elektronisch geld aanhoudt. ".
Art. 129. Dans le Chapitre 2, inséré par l'article 128, il est inséré un article 58/3, rédigé comme suit :
  " Art. 58/3. Les émetteurs de monnaie électronique ne peuvent octroyer des intérêts ou tout autre avantage liés à la durée pendant laquelle le détenteur de monnaie électronique détient de la monnaie électronique. ".
Art. 130. In dezelfde wet wordt een artikel 63/1 ingevoegd, luidende :
  " Art. 63/1. Bij niet-naleving door de uitgever van elektronisch geld van de verplichtingen voortvloeiend uit artikel 58/2, en onverminderd de gemeenrechtelijke sancties :
  - wordt de houder van elektronisch geld van rechtswege ontslagen van de eventuele vergoeding die samenhangt met de terugbetaling;
  - kan de houder van elektronisch geld, de overeenkomst elektronisch geld, en in voorkomend geval de raamovereenkomst inzake betalingsdiensten, met een gemotiveerd ter post aangetekend schrijven zonder kosten of boete onmiddellijk opzeggen vanaf het ogenblik dat hij kennis had of hoorde te hebben van de niet-nageleefde verplichtingen. "
Art. 130. Dans la même loi, il est inséré un article 63/1 rédigé comme suit :
  " Art. 63/1. En cas de non-respect par l'émetteur de monnaie électronique des obligations qui découlent de l'article 58/2 et sans préjudice des sanctions de droit commun :
  - le détenteur de monnaie électronique est dispensé de plein droit du paiement des frais éventuels liés au remboursement;
  - le détenteur de monnaie électronique peut résilier sans délai et sans frais ni pénalité, par lettre recommandée à la poste et motivée, le contrat de monnaie électronique et, le cas échéant, le contrat-cadre en matière de services de paiement, à partir du moment où il a connaissance ou aurait dû avoir connaissance du non-respect de ses obligations. "
Art. 131. Artikel 64 van dezelfde wet wordt aangevuld met het 20°, luidende :
  " 20° van de artikelen 58/1 tot 58/3, die betrekking hebben op de uitgifte van elektronisch geld, de terugbetaalbaarheid van elektronisch geld en het verbod op rente. "
Art. 131. L'article 64 de la même loi est complété par le 20° rédigé comme suit :
  " 20° des articles 58/1 à 58/3 relatifs à l'activité d'émission de monnaie électronique, au caractère remboursable de la monnaie électronique et à l'interdiction d'octroyer des intérêts. "
Art. 132. In artikel 71 van dezelfde wet worden de woorden " een betalingsdienstaanbieder een of meerdere bepalingen van deze wet niet naleeft delen zij deze vaststellingen mee, aan de toezichthoudende autoriteit die de toelating heeft verleend om betalingsdiensten aan te bieden " vervangen door de woorden " een betalingsdienstaanbieder of een uitgever van elektronisch geld een of meer bepalingen van deze wet niet naleeft, delen zij deze vaststellingen mee aan de toezichthoudende autoriteit die de vergunning heeft verleend om betalingsdiensten aan te bieden of elektronisch geld uit te geven. "
Art. 132. Dans l'article 71 de la même loi, les mots " un prestataire de services de paiement ne respecte pas une ou plusieurs dispositions de la présente loi, ils communiquent ces constatations à l'autorité de contrôle qui a accordé l'autorisation d'offrir des services de paiement ", sont remplacés par les mots " un prestataire de services de paiement ou un émetteur de monnaie électronique ne respecte pas une ou plusieurs dispositions de la présente loi, ils communiquent ces constatations à l'autorité de contrôle qui a accordé l'agrément permettant d'offrir des services de paiement ou d'émettre de la monnaie électronique. "
Art. 133. In artikel 75 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° Het eerste lid wordt vervangen als volgt :
  " Om de eventuele geschillen te regelen die voortvloeien uit deze wet en uit Verordening nr. 924/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende grensoverschrijdende betalingen in de Gemeenschap en tot intrekking van de Verordening (EG) nr. 2560/2001 en die betrekking hebben op de rechten en plichten tussen betalingsdienstgebruikers en hun betalingsdienstaanbieders of tussen houders van elektronisch geld en hun uitgevers van elektronisch geld, stellen deze laatsten een aangepaste klachtenbehandelingsprocedure in, waarbij de beslissingen die door een onafhankelijk organisme worden genomen, kunnen worden aanvaard door respectievelijk de betalingsdienstaanbieders en de uitgevers van elektronisch geld. ";
  2° Tussen het eerste en het tweede lid worden twee leden ingevoegd, luidende :
  " De betalingsdienstaanbieder of de uitgever van elektronisch geld dient ofwel zelf toegetreden te zijn tot een dergelijke klachtenregeling, ofwel lid te zijn van een beroepsvereniging die is toegetreden tot een dergelijke klachtenregeling. Hij dient bij te dragen tot de financiering van de betrokken klachtenregeling.
  De Koning kan een buitengerechtelijke klachtenregeling oprichten met als opdracht geschillen tussen respectievelijk, enerzijds, betalingsdienstaanbieders en uitgevers van elektronisch geld, en, anderzijds betalingsdienstgebruikers en houders van elektronisch geld, en andere belanghebbenden, met inbegrip van consumentenverenigingen, te helpen oplossen, door hierover advies te verstrekken of op te treden als bemiddelaar. ";
  3° In het vroegere tweede lid, dat het vierde lid wordt, worden de woorden " of de houder van elektronisch geld " ingevoegd tussen de woorden " de betalingsdienstgebruiker " en de woorden " een consument ".
Art. 133. Dans l'article 75 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° L'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Afin de régler les éventuels litiges découlant de la présente loi et du Règlement 924/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 concernant les paiements transfrontaliers dans la Communauté et abrogeant le Règlement (CE) n° 2560/2001, relatifs aux droits et obligations entre respectivement les utilisateurs de services de paiement, les détenteurs de monnaie électronique et leurs prestataires de services de paiement, leurs émetteurs de monnaie électronique, ces derniers instituent une procédure adaptée de traitement de plaintes où les décisions, rendues par un organisme indépendant, peuvent être acceptées respectivement par les prestataires de services de paiement et par les émetteurs de monnaie électronique. ";
  2° Entre les alinéas 1er et 2, sont insérés deux alinéas, rédigés comme suit :
  " Le prestataire de services de paiement ou l'émetteur de monnaie électronique, doit soit avoir adhéré à un tel système de traitement des plaintes, soit être membre d'une association professionnelle qui a adhéré à un tel système. Il doit contribuer au financement dudit système.
  Le Roi peut créer un système extrajudiciaire de traitement des plaintes dont la mission est de contribuer à résoudre les litiges entre respectivement, d'une part, les prestataires de services de paiement et les émetteurs de monnaie électronique et, d'autre part, les utilisateurs de services de paiement et les détenteurs de monnaie électronique, et d'autres parties intéressées, y compris les associations de consommateurs, en donnant des conseils en la matière ou en agissant à titre de médiateur. ";
  3° Dans l'alinéa 2 ancien, devenant l'alinéa 4, les mots " ou le détenteur de monnaie électronique " sont insérés entre les mots " l'utilisateur de services de paiement " et les mots " est un consommateur ".
Afdeling 8. - Wijzigingen in de wet van 28 juli 2011 tot omzetting van diverse richtlijnen betreffende het toezicht op de financiële sector en houdende diverse bepalingen
Section 8. - Modifications de la loi du 28 juillet 2011 visant à transposer diverses directives relatives au contrôle du secteur financier et portant dispositions diverses
Art. 134. " In artikel 34, derde lid, van de wet van 28 juli 2011 tot omzetting van diverse richtlijnen betreffende het toezicht op de financiële sector en houdende diverse bepalingen, wordt " 2011 " vervangen door " 2012 " ".
Art. 134. " Dans l'article 34, alinéa 3, de la loi du 28 juillet 2011 visant à transposer diverses directives relatives au contrôle du secteur financier et portant dispositions diverses, " 2011 " est remplacé par " 2012 " ".
HOOFDSTUK 2. - Overgangsbepalingen en inwerkingtreding
CHAPITRE 2. - Dispositions transitoires et entrée en vigueur
Art. 135. § 1. De instellingen voor elektronisch geld die vóór de inwerkingtreding van deze wet een vergunning hebben verkregen in België, verkrijgen van rechtswege een vergunning voor de toepassing van de bepalingen van Boek 3 van de wet van 21 december 2009, die bij deze wet worden ingevoegd. Zij worden opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 64 van de wet van 21 december 2009.
  § 2. De instellingen voor elektronisch geld die vóór de inwerkingtreding van deze wet waren vrijgesteld, zijn van rechtswege vrijgesteld voor de toepassing van de bepalingen van Boek 3 van de wet van 21 december 2009, die bij deze wet worden ingevoegd. Zij worden opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 64 van de wet van 21 december 2009.
  § 3. De instellingen voor elektronisch geld die een vergunning hebben verkregen en de rechtspersonen die vrijgesteld zijn, als bedoeld in de §§ 1 en 2, brengen onmiddellijk ter kennis van de Nationale Bank van België welke van de werkzaamheden bedoeld in artikel 77, § 2 van de wet van 21 december 2009, als ingevoegd bij deze wet, zij wensen uit te oefenen.
Art. 135. § 1. Les établissements de monnaie électronique agréés en Belgique avant l'entrée en vigueur de la présente loi sont de plein droit agréés pour l'application des dispositions du Livre 3 de la loi du 21 décembre 2009, introduites par la présente loi. Ils sont inscrits sur la liste visée à l'article 64 de la loi du 21 décembre 2009.
  § 2. Les établissements de monnaie électronique qui bénéficiaient d'une exemption avant l'entrée en vigueur de la présente loi sont exemptés de plein droit pour l'application des dispositions du Livre 3 de la loi du 21 décembre 2009, introduites par la présente loi. Ils sont inscrits sur la liste visée à l'article 64 de la loi du 21 décembre 2009.
  § 3. Les établissements de monnaie électronique agréés et les personnes morales exemptées visés aux §§ 1er et 2 notifient sans délai à la Banque Nationale de Belgique les activités visées à l'article 77, § 2 de la loi du 21 décembre 2009, tel qu'introduit par la présente loi, qu'elles entendent exercer.
Art. 136. Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 136. La présente loi entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
  Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
  Gegeven te Brussel, 27 november 2012.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën,
  S. VANACKERE
  De Vice-Eerste Minister en Minister van Economie, Consumenten en Noordzee,
  J. VANDE LANOTTE
  Met 's Lands zegel gezegeld :
  De Minister van Justitie,
  Mevr. A. TURTELBOOM
  Promulguons le présente loi, ordonnons qu'elle soit revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
  Donné à Bruxelles, le 27 novembre 2012.
  ALBERT
  Par le Roi :
  Le Vice-Premier Ministre et Ministre des Finances,
  S. VANACKERE
  Le Vice-Premier Ministre et Ministre de l'Economie, des Consommateurs et de la Mer du Nord,
  J. VANDE LANOTTE
  Scellé du sceau de l'Etat :
  Le Ministre de la Justice,
  Mme A. TURTELBOOM